Categorie archief: vrijeschool didactiek

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1775 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 7

.

Dit artikel verscheen gisteren al maar was door onbekende oorzaak plotseling niet meer oproepbaar. Vandaar deze herplaatsing.

 

 

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

Het is raadzaam ook even terug te kijken bij wat er aan een voorafgaande klas over het vak werd gezegd; vaak is er sprake van ‘voortzetting van wat in vorige jaren is aangelegd’.
.

LEERSTOF VAN KLAS 7

Aardrijkskunde

Dann versuche man in der Geographie die Dinge über die Himmelsverhältnisse fortzusetzen und mit der Betrachtung der geistigen Kul­turverhältnisse der Erdbewohner, der Erdenvölker, zu beginnen; im­mer im Zusammenhang mit dem, was man über die materiellen Kul­turverhältnisse, namentlich die wirtschaftlichen Verhältnisse, in den zwei ersten Jahren, in denen Geographie getrieben wurde, für die Kin­der gewonnen hat.

Dan probeert men in de aardrijkskunde verder te gaan met de sterrenkunde en een begin te maken met de beschouwing van de geestelijk-culturele omstandigheden van de aardebewoners, de volkeren op aarde – steeds in samenhang met wat men de kinderen heeft geleerd over de omstandigheden van de materiële cultuur, met name de economische omstandigheden, 163 in de eerste twee jaar dat men aardrijkskunde gaf.
GA 295/162-163
Vertaald/150

Algebra zie rekenen

Euritmie

Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind. Dann setzen wir das fort im siebenten und achten Schuljahr für kompliziertere Formen.

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas de vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij 177 dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen. In de zevende en achtste klas wordt dat dan voortgezet met gecompliceerdere vormen.
GA 295/176-177
Vertaald/161

Geschiedenis

Im siebenten Schuljahr wird es sich darum handeln, daß man dem Kinde recht begreiflich macht, welches Leben der neueren Menschheit mit dem 15. Jahrhundert heraufzieht, und daß man dann die euro­päischen und so weiter Verhältnisse etwa bis zum Beginn des 17. Jahr­hunderts schildert. Es ist dies der allerwichtigste Zeitraum, auf den man viel Sorgfalt verwenden muß. Es ist wichtiger sogar als das Nächst­folgende.

In de zevende klas zal het erom gaan dat men het kind goed duidelijk maakt hoe het leven er vanaf de vijftiende eeuw voor de moderne mensheid uit gaat zien en dat men de situatie in Europa en elders schetst tot ongeveer het begin van de zeventiende eeuw. Dit is een uitermate belangrijke periode, die men zorgvuldig dient te behandelen. Belangrijker zelfs dan de tijd daarna.
GA 295/162
Vertaald/150

Ebenso habe ich die tiefste Befriedigung gehabt, wie von unse­rem Lehrer der siebenten Klasse in dieser geisteswissenschaftlichen Weise Geschichte vor den Kindern entwickelt worden ist – aber wie gesagt, nicht Geisteswissenschaft, sondern die Geschichte gei­steswissenschaftlich-methodisch behandelt. Da verwandelt sich dasjenige, was sonst mehr oder weniger den Kindern fremd bleibt, in etwas, was das Kind unmittelbar verwandt mit seiner eigenen Wesenheit weiß. Und da kann man überall die Brücke herstellen zwischen dem, was das Kind erfährt vom Entwicklungsgang der Menschheit und dem, was in das Kind hineinsprühen kann, damit es ein brauchbares Mitglied der künftigen Menschheit sein soll.

Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.
GA 297/220
Vertaald op deze blog/220

Gezondheidsleer – zie voedingsleer

Gymnastiek

Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen

Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Maatschappijleer

Sozialkunde

Es wird berichtet über den Unterricht in sozialer Erkenntnis.
Dr. Steiner: In der 7. und 8. Klasse könnte man das geben, was in den ,,Kernpunkten der sozialen Frage” steht.

Er wordt verslag gedaan over het onderwijs in sociale kennis.

Dr.Steiner: In de 7e en 8e klas zou je goed kunnen behandelen wat in deKernpunten‘ staat.
GA 300A/123
Niet vertaald

Meetkunde

Zie klas 6

Muziek

Und in den beiden letzten Schuljahren, im siebenten und achten Schuljahr, bitte ich zu berücksichtigen, daß das Kind überhaupt nicht mehr das Gefühl hat, es werde «dressiert» zu irgend etwas, sondern daß das Kind schon das Gefühl hat, es treibe Musik, weil das ihm Vergnügen macht, weil es das genießen möchte, als Selbstzweck, zur Freude. Dahin 295/176 hat der sogenannte Musikunterricht zu wirken. Daher kann in diesen zwei Jahren das musikalische Urteil geweckt und ausgebildet werden. Es kann schon darauf aufmerksam gemacht werden, welchen Charak­ter dieses musikalische Kunstwerk hat und welchen jenes hat. Welchen Charakter ein Beethovensches Kunstwerk hat und welchen Charakter ein Brahmssches Kunstwerk hat. In einfachen Formen also sollte man das Kind zum musikalischen Urteil bringen. Vorher muß man das mu­sikalische Urteil zurückhalten, aber jetzt muß man es pflegen.

En wilt u er in de twee laatste schooljaren, in de zevende en achtste klas, op letten dat het kind volstrekt niet meer het gevoel heeft dat het ‘gedresseerd’ wordt tot iets, maar dat het kind het gevoel heeft dat het muziek maakt omdat het er plezier in heeft, omdat het ervan wil genieten, als doel in zichzelf, om de vreugde die het geeft. Zo moeten de muzieklessen werken. Daardoor kan in deze twee jaar het muzikale oordeel gewekt en ontwikkeld worden. Men kan de kinderen er gerust op wijzen wat voor karakter het een of andere kunstwerk heeft. Welk karakter een werk van Beethoven heeft en welk karakter een werk van Brahms heeft. Met eenvoudige vormen moet men het kind dus tot een muzikaal oordeel brengen. Voor die tijd moet men terughoudend zijn met het muzikale oordeel, maar nu moet men erop ingaan.
GA 295/175-176
Vertaald/160

Natuurkunde

Dann gehen Sie im siebenten Schuljahr über zu der Erweiterung des Akustischen, des Thermischen, also des Wärmelehreunterrichts, des optischen Unterrichts, des Elektrizitäts- und Magnetismusunterrichts. Und erst von da aus gehen Sie über zu den wichtigsten mechanischen Grundbegriffen, also Hebel, Rad an der Welle, Rolle, Flaschenzug, Rollenzug, Schiefe Ebene, Walze, Schraube und so weiter.

In de zevende klas breidt u de akoestiek en het thermische, de warmteleer dus, de optica, de elektriciteit en het magnetisme uit. En pas van daaruit komt u bij de belangrijkste mechanische grondbegrippen: hefboom, wiel, rol, katrol, takel, hellend vlak, wals, schroef enzovoort.
GA 295/166
Vertaald/153

In der 7. Klasse wären Optik, Magnetismus ausführlicher zu bespre­chen als in der 8. Klasse. Dann die Mechanik der festen Körper.|

In de 7e klas zou de optica, het magnetisme uitvoeriger aan de orde moeten komen dan in de 8e klas. Dan de mechanica van de vaste lichamen.
GA 300A/122
Niet vertaald

Niet-Nederlandse taal

X.: Was soll ich lesen im Französischen in der 7. Klasse? Ich hatte Gedichte genommen.

X.: Wat moet ik lezen in de Franse les in de 7e klas? Ik heb gedichten genomen.

Dr. Steiner: Fabeln lesen. La Fontaine.
In der 7. Klasse kann man ihn (Dickens:Christmascarol )schon lesen. Sie können auch selbst eine zusammenhängende Prosa auswählen; es ist nur beispielsweise ange­führt gewesen. Es gibt einige ganz nette Schulausgaben für unsere Schulen. Es müßten natürlich in irgendeinem Lebensalter Proben gelesen werden.

Fabels lezen. La Fontaine.
In de 7e klas kan je kun je Christmascarol van Dickens lezen. U kan ook zelf een samenhangend stuk proza kiezen; ik heb het maar als voorbeeld gegeven. Er bestaan voor onze scholen een paar heel aardige schooluitgaven. Op een of andere leeftijd moeten natuurlijk wel stukken (uit een geheel) gelezen kunnen worden. 
GA 3o0B/33
Niet vertaald

Rekenen en algebra

Im siebenten Schuljahr versuche man, nachdem man zur Buchsta­benrechnung übergegangen ist, Potenzieren, Radizieren beizubringen; auch das, was man das Rechnen mit positiven und negativen Zahlen nennt. Und vor allen Dingen versuche man, die Kinder in das hereinzubringen, was im Zusammenhang mit freier Anwendung des prak­tischen Lebens die Lehre von den Gleichungen genannt werden kann.

In de zevende klas probeert men de kinderen, na de overgang naar het letterrekenen, machtsverheffen en worteltrekken bij te brengen, ook het rekenen met wat men noemt positieve en negatieve getallen. En in de allereerste plaats probeert men de kinderen vertrouwd te maken met datgene wat de leer van de 1 vergelijkingen genoemd kan worden, in samenhang met een vrije toepassing op het praktische leven.
GA 295/169-170
Vertaald/155-156

Scheikunde

Dann gehen Sie aus von einem solchen Vorgang wie von der Ver­brennung und suchen von einem solchen alltäglichen Vorgang dann den Übergang zu gewinnen zu einfachen chemischen Vorstellungen.

Dan behandelt u het proces van verbranding en zo’n alledaags proces neemt u dan als uitgangspunt voor de overgang naar eenvoudige scheikundige voorstellingen.
GA 295/166
Vertaald/153

Taal

Im siebenten Schuljahr wird man das wieder fortzusetzen haben, was im sechsten Schuljahr gemacht worden ist. Und nun versuche man, an den Sprachformen dem Kinde ein richtiges plastisches Erfassen der Ausdrucksformen für das Wünschen, Erstaunen, Bewundern und so weiter zu entwickeln. Man versuche, daß das Kind lerne, dieser inneren Konfiguration der Gefühle gemäß die Sätze zu formen. Dabei gehe man weniger so vor, daß man etwa Gedichte oder sonstiges malträtiert, um zu zeigen, wie der oder jener einen Wunschsatz geformt hat, sondern man gehe direkt darauf los, indem man das Kind aussprechen läßt etwas Gewünschtes, dann den Satz formen läßt. Dann läßt man aussprechen etwas Bewunderndes und läßt dann den Satz formen, oder man hilft dem Kinde, den Satz zu formen. Und dann vergleicht man den Wunschsatz mit dem Satz der Bewunderung, um auf diese Weise die Anschau­ung der inneren Plastik der Sprache weiter auszubilden.
Nun wird das, was in der Naturgeschichte heraufgebracht worden ist, es dem Kinde schon ermöglichen, im Aufsatze leichte Charakteristi­ken zu geben, sagen wir von dem Wolfe, von dem Löwen, von der Biene und so weiter. Neben diesem mehr auf das allgemein Menschliche in der Bildung Hingehenden pflege man in dieser Zeit besonders die Abfassung von geschäftlich-praktischen Dingen. Der Lehrer muß sich darum kümmern, was es für geschäftlich-praktische Dinge gibt, und 295/160 muß sie dann in dieser Zeit in einer vernünftigen Form in die Köpfe seiner Schulkinder hineinbringen.

In de zevende klas moet men dan weer voortzetten wat in de zesde gedaan is. En nu probeert men om het kind aan de hand van de taaluitingen op werkelijk plastische wijze de uitdrukkingsvormen voor wensen, voor verwondering, bewondering enzovoort te laten ‘pakken’. Men probeert het kind te leren om zinnen te vormen die in overeenstemming zijn met deze innerlijke configuratie van gevoelens. Daarbij gaat men niet zozeer gedichten en dergelijke te lijf, om te laten zien hoe deze of gene een wens in een zin heeft gegoten, nee, men laat een kind zonder omhaal zelf een wens uitspreken en dan de zin vormen. Dan laat men het de een of andere bewondering uiten en zin gieten, of men helpt het kind de zin te vormen. En dan vergelijkt men de zin die een wens uitdrukt met de zin die bewondering uitdrukt, om op die manier de innerlijke vormkracht van de taal verder aanschouwelijk te maken.
Nu zal dat wat in de ‘natuurlijke historie’ behandeld is, de kinderen al de gelegenheid bieden om bij het opstel eenvoudige karakteristieken te geven van bijvoorbeeld de wolf, de leeuw, de bij enzovoort.
Naast deze onderwerpen, die meer op het ontwikkelen van het algemeen menselijke zijn gericht, houden we ons in deze tijd vooral met het beschrijven van praktisch-zakelijke dingen bezig. De leraar moet oog hebben voor wat er aan praktisch-zakelijke dingen bestaat en hij moet
ze dan in deze tijd in een verstandige vorm in de hoofden van zijn leerlingen zien te krijgen.
GA 295/159-160
Vertaald/147-148

Und man ver­suche mit dem, was an physikalischen und chemischen Begriffen ge­wonnen wird, eine zusammenfassende Anschauung hervorzurufen über Erwerbsverhältnisse, Betriebsverhältnisse – also diesen oder jenen Be­trieb – und Verkehrsverhältnisse; das alles im Zusammenhang mit dem physikalischen, chemischen und geographischen Unterricht, aus der Naturgeschichte heraus.

En men probeert om met behulp van de natuur- en scheikundige begrippen die men heeft ontwikkeld een algemeen beeld te geven van handel en bedrijfsleven — een of andere bedrijfstak dus — en verkeer. Dat alles in samenhang met natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde, uitgaande van de ‘natuurlijke historie’.
GA 295/165
Vertaald/152

Tekenen

Dann sollte im siebenten Schuljahr alles das gepflegt werden, was sich auf Durchdringungen bezieht. Also als einfaches Beispiel sagen Sie: «Da haben wir einen Zylinder, der wird von einem Pfosten durch­drungen. Der Pfosten muß durchgesteckt werden durch den Zylinder.» Sie müssen zeigen, was da in dem Zylinder für eine Schnittfläche ent­steht beim Hineingehen und beim wieder Herausgehen. Das muß mit dem Kinde gelernt werden. So etwas muß es lernen, was entsteht, wenn sich Körper oder Flächen gegenseitig durchdringen, so daß es weiß, welcher Unterschied ist, ob eine Ofenröhre oben senkrecht durchs Plafond geht, wobei ein Durchdringen im Kreis erfolgt, oder schief, wobei ein Durchdringen in der Ellipse erfolgt. – Dann muß das Kind in diesem Jahr eine gute Vorstellung beigebracht erhalten vom Perspekti­vischen. Also einfaches perspektivisches Zeichnen, Verkürzung in der Entfernung, Verlängerung in der Nähe, Überdeckungen und so weiter. Und dann wiederum die Verbindung des Technischen mit dem Schönen, so daß man in dem Kinde eine Vorstellung davon hervorruft, ob es schon oder unschön ist, wenn irgendeine, sagen wir, teilweise Überdeckung einer Wand eines Hauses durch einen Vorsprung hervorge­rufen wird. Ein solcher Vorsprung kann schön oder unschön eine solche Wand überdecken. Solche Dinge wirken ungeheuer, wenn sie einem Kinde gerade im siebenten Schuljahre, also wenn es dreizehn, vierzehn Jahre alt ist, beigebracht werden.
Das alles steigert man ins Künstlerische, indem man gegen das achte Schuljahr hingeht.

In de zevende klas vervolgens moet alles worden behandeld wat te maken heeft met doorsnijdingen. Een eenvoudig voorbeeld: ‘Daar hebben we een cilinder, die wordt doorsneden door een balk. De balk moet door de cilinder gestoken worden.’ U moet laten zien wat voor snijvlak ontstaat in de cilinder op de plaats waar de balk er in- en waar hij eruit gaat. Dat moet met het kind geleerd worden.

Het kind moet leren wat er gebeurt wanneer lichamen of vlakken elkaar doorsnijden, zodat het weet wat het verschil is tussen een kachelpijp die van boven loodrecht door het plafond gaat, waarbij het snijvlak een cirkel is, en een die er scheef doorgaat, waarbij een ellips ontstaat. Dan moet men het kind in deze klas een goede voorstelling bijbrengen van het perspectief. Eenvoudig tekenen in perspectief, verkorting bij veraf gelegen en verlenging bij dichtbij gelegen objecten, bedekking enzovoort. En dan weer de verbinding van techniek en schoonheid, zodat men in het kind de voorstelling oproept of het mooi is of niet wanneer een vooruitstekend gedeelte van een huis een deel van de muur bedekt. Zo’n vooruitstekend gedeelte kan op fraaie of lelijke wijze zo’n muur bedekken. Zulke dingen hebben een enorme werking wanneer ze kinderen juist in die zevende klas worden bijgebracht, wanneer ze dertien, veertien jaar zijn. Dat alles culmineert dan in het kunstzinnige tegen het achtste schooljaar.
GA 295/171-172
Vertaald/157-158

Vertelstof

Dann müssen Sie sich in die Lage versetzen, Erzählungen über die Volksstämme zu bringen, wie die Volksstämme geartet sind, was mehr mit der Naturgrundlage zusammenhängt. 

Vervolgens moet u zich erop voorbereiden om verhalen over de volkeren te vertellen, over hun karakter, wat vooral samenhangt met de natuurlijke omstandigheden waarin zij leven.

7.Erzählungen über die Volksstämme

7. verhalen over volkeren
GA 295/19-20
Vertaald/19

Voedings- en gezondheidsleer

Im siebenten Schuljahr kehre man wiederum zum Menschen zurück und versuche namentlich das beizubringen, worauf ich gestern hingedeutet habe, was in bezug auf die Ernährungs- und Gesundheitsver­hältnisse dem Menschen beigebracht werden sollte.

In de zevende klas keert men weer terug naar de mens en probeert men vooral datgene over te brengen waar ik gisteren op heb gewezen, namelijk wat een mens moet weten over voeding en gezondheid. [65]=Zie Opvoedkunst, 14e voordracht.] 
GA 295/165
Vertaald/152

.

7e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klas

.

Meer over het leerplan op deze blog

.

1972

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (7e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN HET TWAALFDE JAAR TOT DE PUBERTEIT

Zoals het negende jaar een belangrijke cesuur in het leven van de wordende mens betekent, zo is ook het binnengaan in het twaalfde jaar van een bijzondere betekenis. 
Op deze leeftijd begint het kind zich steeds sterker te verbinden met zijn bottensysteem dan eerder het geval was. 
Het jongere kind beweegt met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem dat gevoed wordt door de ritmische bloedsomloop. Nu neemt de jonge mens bezit van zijn skelet, hij gaat a.h.w.van de spieren via de pezen naar het skelet, zijn bewegingen verliezen het ritme en de bevalligheid, worden hoekig, onbeholpen, willekeurig. Het kind komt in de ‘vlegeljaren’ en weet niet wat het met zijn ledematen moet beginnen.
Maar alles wat in het leven en in de wetenschap moet gehoorzamen aan mechanische wetmatigheden, kan nu zonder nadeel zinvol aan het kind bijgebracht worden daar het zich met zijn geest-zielenwerzen sterker met de mechanica van zijn bottensysteem verbindt. 
Een hele wereld van nieuwe leergebieden gaat in deze tijd voor hem open. 

De zevende klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

Verder gaan met klimatologische verhoudingen en beginnen met te schetsen hoe de geestelijk-culturele verhoudingen van de bewoners op aarde zijn, steeds in samenhang met wat over fysische en economische verhoudingen al geleerd is.

Biologie

De leerling is in de voorafgaande jaren van het mensenrijk naar het dieren- en plantenrijk naar de aarde tot aan de verschillende mineralen afgedaald. Nu gaat de beschouwing weer terug naar de mens. Je bespreekt voedings- en gezondheidsverhoudingen. Aan het eind van de eigenlijke kindertijd, aan het begin van de puberteit is de opgroeiende mens zo ver dat hij begrip en betrokkenheid kan opbrengen voor voeding- en gezondheid, zonder die egoïstisch te benaderen, zoals oudere mensen gewoonlijk doen.

Euritmie

Door de keuze van de gedichten is het mogelijk een goede samenwerking te krijgen met het vak Nederlands. De uitdrukkingsvorm voor wens, verbazing, verwondering die het kind hier leert, kan nu door de euritmische bewegingen die erbij horen met het hele licvhaam worden ervaren.
De aanzet voor geometrische vormen, concentratie- en beheersingsoefeningen, groepsvorming en staafoefeningen worden verder ontwikkeld.

Tooneurtimie:
Hier wordt begonnen met het werken aan de mol-toonladders. Je gaat verder met het weergeven van melodieën van oude meesters, bv. voor fluit en viool die door de kinderen zelf worden bespeeld. Je kiest melodieën van Mozart, Bach, Corelli, Telemann, Händel enz. Al in de voorafgaande jaren spelen de kinderen zelf voor de euritmie eenvoudige fluit- of vioolmelodieën.

Geschiedenis

Er moet zorgvuldig aandacht besteed worden aan de verhoudingen in Europa en buiten Europa vanaf het begin van de 15e tot aan het begin van de 17e eeuw, het tijdperk van de ontdekkingen en uitvindingen. Het kind moet een diepe indruk krijgen van het buitengewoon groot belang van deze tijd waarin de nieuwere mensheid binnengaat.

Gymnastiek

Voortzetting van de oefeningen met een meetkundig karakter, met en zonder stok, ook als oefening voor het uithoudigsvermogen. Sterke ritmes. Verdergaan met oefeningen met een rij, aangepast aan de leeftijd.

Toestel:
Verdergaan met oefeningen die weer tot meer lichaamsbeheersing leiden. Op de brug oefeningen met kort steunen, aan de rekstok eenvoudige draaiingen. Wandrek en ringen: gebogen houding. Oefeningen met de dubbele bok.

Handenarbeid

Voortzetting van de 6e klas.

Handwerken

Jongens en meisjes naaien met de hand een blouse of een ander kledingstuk. De meisjes voorzien hun blouses van borduurwerk dat ze zelf ontwerpen. Er wordt begonnen met leren over de stoffen.

Meetkunde

Wordt voortgezet tot aan de stelling van Pythagoras.

Muziek

In de zevende klas wordt in het bijzonder de beleving van het octaaf  verzorgd. Twee-, drie- en vierstemmige liederen worden zowel a capella als ook met begeleiding van instrumenten gezongen. Naast het meer gewone volkslied, komt ook het oudere, polyfoon geschreven volkslied, zodat ze dit in zich opnemen, wat later moet leiden tot het begrijpen en uitvoeren van oudere en nieuwere polyfone koormuziek. De theoretische begrippen, ontdekt door praktische oefeningen, worden uitgebreid. Langzamerhand wordt het muzikale oordeel gewekt en begrip voor eenvoudige muzikale vormen. De leerling wordt gewezen op het karakter van een muzikaal kunstwerk, bv. op het verschil in karakter van een stuk van Beethoven met dat van Brahms. Hij moet opgevoed worden tot het genieten van wat muzikaal mooi is.

Natuurkunde

De leerling vergroot zijn kennis over de akoestiek, optica, warmteleer, magnetisme en elektriciteit. Daarbij leert hij de belangrijkste zaken uit de mechanica kennen: de hefboom, raderen met aandrijfas, katrol, het schuine vlak, cylinder, schroef enz.

Niet-Nederlandse talen

Engels en Frans:
De nadruk ligt op leesstukken en de behandeling van het taalkarakter. Het leven, het doen en laten van de volken die de taal spreken wordt behandeld. Je geeft een heel beknopt resumé van de betreffende literatuur. Bij de leesstukken laat je zelden vertalen, maar wat gelezen is, vrij navertellen. Je zou bij Frans bv. delen uit de komedies van Molière, bij Engels bv. Christmas Carol van Dickens kunnen lezen.

Latijn en Grieks:
De leergang van de zesde klas wordt voortgezet. Af en toe kun je kleine stukjes van Homerus gebruiken, zonder al te veel in te gaan op de formele moeilijkheden.

Rekenen

Potentiëren, worteltrekken, negatieve getallen en de leer van de vergelijkingen in samenhang met het praktische leven worden doorgenomen.

Scheikunde

Vanuit het alledaagse proces van verbranding leert het kind de eerste simpele scheikundige voorstellingen kennen. Met hulp van de al geleerde begrippen uit de natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde schets je een samenvattend geheel van handel- nijverheid- en verkeersverhoudingen.

Taal

Je laat het kind in de manier van taalgebruik een goede plastische opvatting ontwikkelen van de uitdrukkingsvormen bij ‘wensen’, ‘verwonderen’, ‘verbazen’. enz. Het kind leert de constructie van deze zinnen bij zijn gevoel vormen. Je laat een zin vormen die uitdrukt dat iets gewenst is, dan een die bewondering uitdrukt en deze zinnen worden met elkaar vergeleken om zo begrip te wekken voor de innerlijke plastiek van de taal. 
In het opstel laat je iets karakteristieks uit de natuur beschrijven. Wat zakelijk-praktisch is wordt in de zakenbrieven zorgvuldig verder ontwikkeld.

Tekenen

Getekend worden voorwerpen die elkaar doordringen, het korter worden, elkaar overlappen op een eenvoudige manier met perspectief. Ook hierbij wordt begrip en gevoel gewekt voor het mooie aan de techniek.

Tuinbouw

Wat in de 6e klas werd begonnen, wordt voortgezet

Vertelstof

Volkeren- en rassenkunde* bieden lees- en vertelstof.

*In 1919 geeft Rudolf Steiner een opsomming van de vertelstofmotieven voor de verschillende klassen. Voor klas 7 geeft hij aan: ‘Erzählungen über die Volksstämme [GA 295/19] Vertaald als ‘verhalen over volkeren’.
In de pedagogische voordrachten zegt Steiner nergens iets over ‘rassen’. 
Er is door hem ook geen vak ‘rassenkunde’ geïntroduceerd.
In zijn antroposofisch werk vinden we wél allerlei gezichtspunten over de rassen.
In de pedagogische en ook andere voordrachten vinden we dat ‘antroposofie’ – dus dan óók zijn rassenopvattingen – NIET in de lesstof thuishoort. [zie hier]
Desalniettemin hebben leraren in het verleden deze ‘antroposofische rassenkunde’ wél als periodestof aangeboden. 
In 1996 leidde dit tot een ‘rel’.
In een latere uitgave van von Heydebrands leerplan komt de ‘rassenaanwijzing’ niet meer voor.  

.

Meer artikelen over het leerplan

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas:  alle beelden

.

1969

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 6

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 6e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 6

Aardrijkskunde

In der Geographie setze man dasjenige fort, was man im fünften Schuljahr gepflegt hat, indem man andere Teile der Erde berücksich­tigt, und versuche dann, den Übergang zu finden von den klimatischen Verhältnissen zu den Himmelsverhältnissen, wovon wir gestern Nach­mittag einige Proben hier vorgeführt haben.

In de aardrijkskunde gaat men door met datgene wat men in de vijfde klas heeft behandeld, waarbij men andere delen van de aarde onder de loep neemt en de overgang probeert te vinden van de klimatologische omstandigheden naar de hemellichamen, waarvan we gisteren enkele voorbeelden hebben gezien.
GA 295/162
Vertaald/150

Algebra

Steiner geeft in GA 295 voorbeelden van hoe het letterrekenen kan worden aangeleerd. Omdat dit nu nauwelijks in een 6e klas gebeurt – veel meer in 7 en 8 – heb ik de aanwijzingen daarover bij klas 7 gezet.

Euritmie

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen.
GA 295/177
Vertaald/161

Geschiedenis

In das sechste Schuljahr gehören hinein geschichtliche Betrachtun­gen über die Griechen und Römer und über die Nachwirkungen der griechischen und römischen Geschichte bis zum Beginn des 15. Jahrhunderts .

In de zesde klas horen historische beschouwingen thuis over de Grieken en Romeinen en over de nawerkingen van de Griekse en Romeinse geschiedenis tot aan het begin van de vijftiende eeuw
GA 295/162
Vertaald/150

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kultur­geschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen: die Perserkriege zum Beispiel.

X: Bij de Griekse geschiedenis kan je wel meer ingaan op de cultuurgeschiedenis en de sagen en het politieke achterwege laten, de Perzische Oorlogen, bv.?

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegen­wart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

Dr.Steiner: De Perzische Oorlogen kan je wel zo behandelen dat je ze een cultuurhistorische vorm geeft. In de oudere tijden kun je oorlogen nog cultuurhistorisch behandelen; tot in onze cultuur zijn ze steeds naarder geworden. Je kan de Perzische Oorlogen als een symptoon zien met cultuurhistorische trekken.
GA 300a/82
Niet vertaald

300a/83 X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X: De binnenlandse politiek is toch minder belangrijk?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.

Dr. Steiner: Toch wel, bv. hoe het geld is ontstaan

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X De politieke wetgeving kan je wel kort behandelen?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Dr. Steiner: Ja, maar de geest van de Lycurgische wet moet je wel schetsen, bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta

X.:    Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehr­büchern.

X: Bij de Romeinen is alles over de wetten in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte aus­wendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große An­zahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daßjeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

Dr. Steiner: In de leerboeken is het breed uitgemeten en dikwijls helemaal verkeerd. De Romeinen kenden geen grondwet, maar ze kenden niet alleen de twaalftafelenwet uit hun hoofd, maar ook een groot aantal rechtsboeken. Je krijgt een verkeerd beeld van de Romeinse cultuur, wanneer je met de kinderen niet nagaat, dat de Romein een man van het recht was en dat hij dat wist. In de leerboeken is dat langdradig weergegeven, maar voor de Romeinse cultuur moet je wel de voorstelling wekken dat iedere Romein een rechtsfreak was en dat hij de wetten op zijn duimpje kende. De twaalftafelenwet werd daar zo geleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging,
GA 300A/83
Niet vertaald

Gymnastiek

Vom vierten Schuljahr ab teilen wir die eurythmische Kunst mit dem Turnen, und zwar so, daß wir im vierten, fünften und sechsten Schul­jahr «Gliederbewegen» im Turnen haben, dann alles das, was mit Lau­fen, Springen, Klettern zusammenhängt, und nur einfache Geräteübun­gen.
Kompliziertere Geräteübungen sind erst im siebenten und achten Schuljahr zu machen, in dem die freien Übungen auch fortgesetzt wer­den. Aber die freien Übungen sollen alle mit Laufen, Klettern, Sprin­gen zusammenhängen.

Vanaf de vierde klas moeten euritmie en gymnastiek de uren delen. In de vierde, vijfde en zesde klas werken we in de gymnastiek vooral met bewegingen van de ledematen en verder met alles wat verband houdt met rennen, springen en klimmen, en doen we alleen eenvoudige oefeningen aan toestellen. Ingewikkelde oefeningen aan toestellen doet men pas in de zevende en achtste klas, waarbij ook de vrije oefeningen worden voortgezet. Maar de vrije oefeningen moeten allemaal samenhangen met rennen, klimmen en springen.
GA 295/177
Vertaald/161

Meetkunde:   zie ook tekenen

Nun bitte ich zu beachten, daß wir bis zum sechsten Schuljahr die geometrischen Formen: Kreis, Dreieck und so weiter herausgeholt ha­ben aus dem Zeichnen, nachdem wir zuerst in den ersten Jahren das Zeichnen für den Schreibunterricht getrieben haben. Dann sind wir allmählich dazu übergegangen, aus dem Zeichnen, das wir für den Schreibunterricht getrieben haben, beim Kinde kompliziertere Formen zu entwickeln, die um ihrer selbst willen, um des Zeichnens willen be­trieben werden; auch Malerisches zu betreiben, das um des Malerischen willen betrieben wird. In diese Sphäre leiten wir den Zeichen- und Mal-unterricht im vierten Schuljahr, und im Zeichnen lehren wir, was ein Kreis ist, eine Ellipse ist und so weiter. Aus dem Zeichnen heraus lehren wir dieses. Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plasti­schen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen -wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formen­anschauung, Formenempfindung hervorzuholen.Von dem, was auf diese Weise im Zeichnen gelehrt worden ist, übernimmt nun der Mathematikunterricht, der geometrische Unterricht das, was die Kinder können. Jetzt geht man erst über dazu, geometriegemäß zu erklären, was ein Dreieck, ein Quadrat, ein Kreis ist und so weiter. Also die raumesmäßige Auffassung dieser Form wird aus dem Zeichnen hervorgeholt. Und was die Kinder aus dem Zeichnen heraus gelernt haben, daran gehe man jetzt im sechsten Schuljahr mit dem geometrischen Begreifen erst heran. Dafür werden wir dann sehen, daß wir in das Zeichnerische etwas anderes aufnehmen.

Ik wil u er nu op wijzen dat we tot aan de zesde klas de geometrische vormen, cirkel, driehoek enzovoort, hebben afgeleid uit het tekenen, nadat we in de eerste jaren het tekenen hebben gedaan ten behoeve van het schrijven. Dan zijn we er geleidelijk toe overgegaan om uit het tekenen dat we voor het schrijfonderwijs deden gecompliceerdere vormen te ontwikkelen, die om zichzelf, omwille van het tekenen zelf werden uitgevoerd. Ook zijn we gaan schilderen omwille van het schilderen zelf. In deze richting leiden we de teken- en schilderlessen in de vierde klas, en in het tekenen leren we de kinderen wat een cirkel is, wat een ellips is, enzovoort. We doen dat vanuit het tekenen. Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei — als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! – om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
Wat de kinderen op deze wijze hebben geleerd bij het tekenen, dat neemt de wiskunde, de geometrie dan over. Pas dan gaat men ertoe over om geometrisch uit te leggen wat een driehoek, een vierkant of een cirkel is enzovoort. Het ruimtelijk inzicht in deze vorm wordt dus opgeroepen met het tekenen. En wat de kinderen via het tekenen hebben geleerd, dat wordt dan in de zesde klas behandeld om tot geometrisch begrip te komen. Bij het tekenen komt dan daarvoor in de plaats iets anders.
GA 295/169
Vertaald/155

X.:    Ist es besser, in der Projektions- und Schattenlehre in der 6. Klasse vom Künstlerischen auszugehen oder vom Geometrischen?

X: Is het beter bij de projectie- en de schaduwleer in de 6e klas van het kunstzinni9ge uit te gaan of vanuit het meetkundige?

Dr. Steiner: Es ist unter Umständen das das beste, was eine Brücke baut zwischen einem Unterricht, der nüchtern geometrisch ist, und einem solchen, der doch zur Kunst hinüberführt. Ich glaube nicht, daß man das künstlerisch behandeln kann. Gemeint ist die Zentral-projektion. Ich würde doch glauben, daß die Kinder auch wirklich wissen müßten, wie also der Schatten eines Kegels auf einer so gearte­ten Ebene ist; daß sie eine innere Anschauung haben

Dr. Steiner: Onder bepaalde omstandigheden is dát het beste wat een brug slaat tussen een onderwijs dat gewoon meetkunde is en een die naar de kunst overgaat. Ik geloof niet dat je dat kunstzinnig kan behandelen. Bedoeld is de centrale projectie. Ik zou toch geloven dat de kinderen echt zouden moeten weten waar de schaduw van een kegel op zo’n vlak ligt; dat ze dat innerlijk zien.
GA 300a/265
Niet vertaald

X.:    Soll man solche Ausdrücke verwenden wie Lichtstrahlen, Schattenstrahlen?

X. Zou je zulke uitdrukkiingen moeten gebruiken als lichtstralen, schaduwstralen?

Dr. Steiner: Das ist nun ja eine allgemeinere Frage. Es ist nicht gut, Dinge in der projektiven Geometrie anzuwenden, die es nicht gibt. Es gibt keine Lichtstrahlen, noch weniger Schattenstrahlen. Das ist nicht nötig, daß man mit diesen Begriffen in der Projektionslehre arbeitet. Man sollte arbeiten mit gestalteten Rauminhalten. Es gibt nicht Lichtstrahlen und Schattenstrahlen. Es gibt Zylinder und Kegel. Es gibt einen Schattenkörper, der entsteht, wenn ich einen Kegel habe, der schief ist und von einem Punkt beleuchtet wird, und den Schatten auffallen läßt auf eine geneigte Ebene. Dann habe ich einen Schattenkörper, der da ist. Diesen Schattenkörper als solchen, die Kurvenbegrenzung des Schattenkörpers’ das sollte auch schon das Kind verstehen. Geradeso wie es später in der projektiven Geo­metrie verstehen muß, wenn ein Zylinder einen anderen mit kleinerem Durchmesser durchschneidet. Das ist ungemein nützlich, die Kinder dies zu lehren. Es bringt nicht ab vom Künstlerischen. Es läßt die Kinder im Künstlerischen. Es macht das Vorstellen geschmeidig. Man kann geschmeidig vorstellen, wenn man von vornherein weiß, was für eine Schnittkurve entsteht, wenn sich Zylinder durchschnei­den. Das ist ganz wichtig, daß man diese Dinge bringt, aber nicht Abstraktionen.

Dr. Steiner: Dat is meer een vraag in het algemeen. Het is niet goed om dingen in de projectieve meetkunde te gebruiken die er niet zijn. Er bestaan geen lichtstralen, al helemaal geen schaduwstralen. Het is niet nodig om met deze begrippen in de projectieleer te werken. Je moet werken met gevormde ruimte-inhouden. Er zijn geen licht- en schaduwstralen. Er zijn cilinders en kegels. Er is een schaduwlichaam dat ontstaat wanneer ik een kegel heb die scheef staat en vanuit een punt belicht wordt en een schaduw laat vallen op een schuin vlak. Dan heb ik een schaduwlichaam dat bestaat. Dit schaduwlichaam als zodanig, de begrenzing van de kromme lijnen van de schaduw zou het kind al moeten begrijpen. Precies zoals het later in de projectieve meetkunde moet begrijpen  hoe een cilinder een andere met een kleinere diameter doorsnijdt. Het is buitengewoon nuttig om dat aan de kinderen te leren. Dat leidt niet weg van het kunstzinnige. De kinderen blijven daarmee in het kunstzinnige. Het maakt het voorstellen levendig. Je kan levendig voorstellen wanneer je van te voren weet wat er voor snijcurves ontstaan wanneer cilinders elkaar snijden. Het is belangrijk om deze dingen te doen, maar niet de abstracties.
GA 300a/265
Niet vertaald

Mineralogie

Die Behandlung der Mineralien geschehe durchaus im Zusammenhang mit der Geographie.

De plantkunde wordt vervolgd in de zesde klas en vloeit over in de behandeling van de mineralen. Maar de mineralen worden in ieder geval behandeld in samenhang met de geografie.
GA 295/165
Vertaald/152

Muziek

Dann kommt das vierte, fünfte und sechste Schuljahr. Da wird man ja auch schon drinnen sein in der Zeichenerklärung, der Notenerklä­rung. Man wird schon umfassende Übungen machen können in der Ton­leiter. Namentlich im fünften und sechsten Schuljahr wird man auf die Tonarten eingehen können. Man wird da schon D-dur und so weiter haben können. Mit dem Moll muß man möglichst lange warten, aber es kann doch schon auch in dieser Zeit an das Kind herangebracht werden.

Dan komen de vierde, vijfde en zesde klas. Dan houdt men zich natuurlijk ook al bezig met de verklaring van de tekens, van de noten. Men zal ook al uitvoerige oefeningen kunnen doen met de toonladder. Met name in de vijfde en zesde klas zal men in kunnen gaan op de toonsoorten. Dan kan men het beslist wel hebben over D majeur enzovoort. Met mineur moet men zo lang mogelijk wachten, maar ook dat kan best in deze tijd behandeld worden.
GA 295/175

Vertaald/160

Natuurkunde

Mit dem Physikunterricht beginnen wir im sechsten Schuljahr, und zwar so, daß wir ihn durchaus an dasjenige anknüpfen, was die Kinder gewonnen haben durch den Musikunterricht. Wir beginnen den Phy­sikunterricht, indem wir die Akustik herausgebären lassen aus dem Musikalischen. Also Sie knüpfen durchaus die Akustik an die musi­kalische Tonlehre an und gehen dann über zur Besprechung der physi­kalisch-physiologischen Beschaffenheit des menschlichen Kehlkopfes. Das menschliche Auge können Sie hier noch nicht besprechen, aber den Kehlkopf können Sie besprechen. Dann gehen Sie über – indem Sie nur die wichtigsten Dinge durchnehmen – zur Optik und zur Wärmelehre. Auch die Grundbegriffe der Elektrizität und des Magnetismus bringen Sie in dieses sechste Schuljahr hinein.

Met de natuurkunde beginnen we in de zesde klas, en wel zo dat we aanknopen bij de verworvenheden van de muzieklessen. We beginnen met natuurkunde door de akoestiek te laten ontstaan uit de muziek. U sluit dus met de akoestiek aan bij de klankleer en dan gaat u over tot de bespreking van de natuurkundig-fysiologische hoedanigheid van het strottenhoofd van de mens. Het oog van de mens kunt u dan nog niet behandelen, maar het strottehoofd wel. Dan gaat u over naar de optica en de warmteleer, waarvan u alleen de belangrijkste onderdelen doorneemt. Ook de grondbegrippen van de elektriciteit en het magnetisme behandelt u in deze zesde klas.
GA 295/166
Vertaald/153

Man muß unterscheiden: geschlagene, gerissene, gestri­chene Töne. Am Monochord.

Je moet een onderscheid maken tussen aangeslagen, getokkelde, gestreken tonen. Op het monochord.
GA 300a/68
Niet vertaald

Niet-Nederlandse talen

En degenen die dat willen, kunnen vanaf de zesde klas vrijwillig beginnen met de basis van het Grieks,61 ook dit zoals we in het didactische deel gehoord hebben. Met name proberen we weer het schrijven van de Griekse letters te gebruiken om via het tekenen van vormen tot dat schrijven te komen. En voor degenen die dan Grieks willen leren zal het buitengewoon weldadig zijn om in andere lettervormen te herhalen wat eerst bij het ontwikkelen van het schrijven uit het tekenen is gedaan.
GA 295/160
Vertaald/148-149

Voor kinderen van twaalf tot vijftien jaar is het lyrisch-epische element geschikt, balladen. Ook markante historische beschrijvingen, goed literair proza en afzonderlijke dramatische scènes.
GA 295/181
Vertaald/166

Proza na de poëzie

Er is vanuit de 7e klas een vraag gesteld over het gebuiken van leesboeken in de Engelse les; Steiner betrekt zijn antwoord ook op het Latijn, dat al in de 4e klas wordt begonnen (later weer bijgesteld naar de 5e). 

In de latijnse les kan je Ovidius of Vergilius lezen. De kleine verhalen van Plutarchus.
Er wordt naar Pliniua gevraagd:
Plinius is goede lectuur. Livius voor de oudste leerlingen: dan moet je op de intimiteiten ingaan. Livius is zeer slecht overgeleverd; hij is de beroemde schrijver die telkens verbeterd wordt.
In het Grieks zou ik dit soort spreuken met ze doornemen (Dr.Steiner geeft een voorbeeld); er zijn heel veel van dergelijke tweeregelige gedichtjes in het Grieks.
GA 300a/275
Niet vertaald

X.:    Ich glaube, es wäre gut, in der 6. Klasse etwas Gedrucktes zu lesen.

Ik geloof dat het goed zou zijn in de 6e klas iets wat gedrukt is te lezen

Dr. Steiner: Wie alt sind die Schüler? Man müßte eine mäßig große Erzählung heraussuchen. Man müßte eine Erzählung finden, eine Novelle, etwas, was Substanz hat, nichts Oberflächliches. Es wäre möglich, so etwas wie ein historisches Stück zu lesen aus Mignet. Da lernen sie auch sehr viel daran.
Den Sprachunterricht werden wir neu gliedern müssen. Da ist es auch so, daßman die Schüler so schwer befriedigen kann. Beim Sprach­unterricht muß man die Schüler viel fragen, da herrscht die Ansicht, daß die Schüler unzufrieden sind. Lernen tun sie am meisten an der Lektüre. Viel Hilfe ist das Sich-Hineinfinden in eine zusammenhän­gende Lektüre. Das Auswendiglernen ist nur ein Hilfsmittel. Man geht Satz für Satz vor. Bei den Kleinen immer sprechen.

Dr. Steiner: Hoe oud zijn de leerlingen? Je zou een niet al te groot verhaal moeten uitzoeken. Je zou een verhaal moeten vinden, een novelle, iets wat inhoud heeft, niet iets oppervlakkigs. Het is wel mogelijk zoiets te lezen als een historisch stuk uit Mignet. Daar leren ze ook veel van. Het taalonderwijs zullen we opnieuw moeten indelen. En het is ook zo dat we de leerlingen maar moeilijk tevreden kunnen stellen. Bij het taalonderwijs moet je de leerlingen veel vragen, de opvatting is dat de leerlingen ontevreden zijn. Ze leren het meest van lectuur. Het helpt goed als ze zich kunnen inleven in samenhangende lectuur. Bij de kleintjes altijd spreken.
GA 300a/284
Niet vertaald

Plantkunde

Zie mineralogie

Rekenen

Dann gehe man im sechsten Schuljahr über zur Zins- und Prozentrechnung, zur Diskontrechnung, zur einfachen Wechselrechnung und begründe damit die Buchstabenrechnung, wie wir es gezeigt haben.

In de zesde klas behandelt men dan het berekenen van rente en procenten, van disconto en eenvoudige wissels en legt men daarmee de basis voor het letterrekenen, zoals we hebben laten zien.
GA 295/169
Vertaald/155

Taal

Und wenn es ins sechste Schuljahr geht, da setzen wir natürlich wiederholentlich alles das fort, was wir im fünften gepflogen haben. Und wir versuchen nun, dem Kinde stilistisch stark ein Gefühl von dem beizubringen, was das Konjunktivische ist. Dabei spreche man möglichst über diese Dinge in Beispielen, damit das Kind unterscheiden lerne zwischen dem, was unmittelbar behauptet werden darf, und dem, was 295/159 konjunktivisch ausgedrückt werden muß. Und man versuche, mit dem Kind solche Redeübungen zu machen, in denen man stark darauf sieht, daß nichts durchgelassen werde, was das Kind falsch leistet mit Bezug auf die Anwendung des Konjunktivischen. Also wenn das Kind sagen sollte: Ich sorge dafür, daß mein Schwesterchen laufen lerne – so lasse man ihm nie durch, wenn es sagt: Ich sorge dafür, daß mein Schwester­chen laufen lernt -, damit ein starkes Gefühl von dieser inneren Plastik der Sprache eben in das Spracherfühlen übergehe.
Nun lasse man die Briefe übergehen in leichte, anschauliche Ge­schäftsaufsätze, worin wirklich solche Dinge behandelt werden, die das Kind von anderswoher schon kennengelernt hat. Man kann ja im drit­ten Schuljahr das, was man über Wiese, Wald und so weiter sagt, schon ausdehnen auf geschäftliche Beziehungen, so daß später Stoff da ist für das Ableisten einfacher Geschäftsaufsätze.

In de zesde klas gaan we natuurlijk steeds door met dat wat we in de vijfde klas hebben behandeld. En we proberen nu om het kind een duidelijk gevoel bij te brengen voor wat stilistisch de aanvoegende wijs is. Men gebruikt daarbij zo veel mogelijk voorbeelden om dat uit te leggen, zodat het kind leert onderscheiden tussen datgene wat direct beweerd mag worden en datgene wat in de aanvoegende wijs uitgedrukt moet worden. En men probeert om spreekoefeningen te doen met de kinderen, waarbij men er heel precies op let dat geen enkele fout in het gebruik van de aanvoegende wijs onopgemerkt blijft. Dus als het kind eigenlijk moet zeggen ‘men neme drie eieren’, dat het dan niet mag zeggen ‘men neemt drie eieren’.[*] Daarmee kan een sterk gevoel voor deze innerlijke vormkracht van de taal ontstaan, een aanvoelen van de taal. En nu laat men de brieven overgaan in eenvoudige, concrete, zakelijke brieven, waarin werkelijk dingen behandeld worden die het kind ergens anders al heeft leren kennen. Men kan immers in de derde klas datgene wat men vertelt over weide en bos en dergelijke heel goed uitbreiden tot zakelijke gegevens, zodat er later stof is voor het vervaardigen van eenvoudige zakenbrieven.

*Deze opmerkingen over de aanvoegende wijs of conjunctief, een in het Duits nog veel gebezigde taalvorm, hebben voor het huidige, levende Nederlands natuurlijk geen belang meer.
GA 295/158/159
Vertaald/147

Dr. Steiner: Unglaublich unorthographisch schreiben die Kinder in der 6. Klasse. Wenn sie glücklich mit zwei k schreiben, sind sie über­glücklich; Es ist viel wichtiger, daß sie Geschäftsbriefe schreiben und Buchstabenrechnung lernen, als daß sie glücklich mit zwei k schrei­ben.

Dr. Steiner: In de 6e klas schrijven de kinderen ongelofelijk veel taalfouten. Wanneer ze gelukkig met drie k’s schrijven, zijn ze wel erg gelukkig. Het is veel belangrijker dat ze zakenbrieven schrijven en algebra leren dan dat ze gelukkig met drie k’s schrijven.
GA 300a/129
Niet vertaald

Tekenen

Dann lassen Sie im sechsten Schuljahr einfache Projektions- und Schattenlehre auftreten, die Sie sowohl mit freier Hand behandeln wie auch mit dem Lineal und Zirkel und dergleichen. Sehen Sie darauf, daß das Kind einen guten Begriff bekommt und nachzeichnen, nachbilde kann, wie, wenn hier ein Zylinder ist, hier eine Kugel, und die Kugel vom Lichte beschienen wird, wie der Schatten von der Kugel auf dem Zylinder ausschaut. Wie Schatten geworfen werden! Also einfache Projektions- und Schattenlehre muß im sechsten Schuljahr auftreten. Das Kind muß eine Vorstellung bekommen und muß nach­ahmen können, wie Schatten auf ebenen Flächen, auf gekrümmten Flächen, von anderen mehr oder weniger ebenen oder von körperlichen Dingen geworfen werden. Das Kind muß in diesem sechsten Schuljahr einen Begriff davon bekommen, wie sich Technisches mit Schönem ver­bindet, wie ein Stuhl zu gleicher Zeit technisch geeignet sein kann für einen Zweck, und wie er nebenbei eine schöne Form haben kann. Und diese Verbindung von Technischem mit Schönem soll dem Kinde in den Begriff, in den Griff hineingehen.

Dan behandelt u in de zesde klas eenvoudige projectie- en schaduwleer, zowel uit de hand getekend als met passer en lineaal en dergelijke. Zie erop toe dat het kind dat goed doorheeft en kan natekenen, na kan vormen hoe – als hier een cilinder is, hier een bol en de bol door licht wordt beschenen – de schaduw van de bol er uitziet op de cilinder: hoe schaduwen geworpen worden! Dus eenvoudige projectie- en schaduwleer moet aan de orde komen in de zesde klas. Het kind moet er een voorstelling van krijgen en kunnen nabootsen hoe schaduwen worden geworpen op vlakke en kromme oppervlakken door andere meer of minder vlakke oppervlakken of door ruimtelijke dingen. Het kind moet in deze zesde klas een idee krijgen hoe de techniek zich verbindt met de schoonheid, hoe een stoel tegelijk technisch geschikt kan zijn voor een bepaald doel en daarnaast ook een fraaie vorm kan hebben. En deze verbinding van techniek en schoonheid moet het kind leren begrijpen, moet het in de greep krijgen.

 

Bij meetkunde zijn de opmerkingen in GA 300a voor de 6e klas, in GA 295 veel meer voor de 7e klas gedacht. Zie ook daar.
GA 295/171
Vertaald/156-157

Vertelstof

Szenen aus der neueren Geschichte. ( )

( ) scènes uit de nieuwere geschiedenis  ( )
.GA 295/19
Vertaald/19

en op blz. 20 eveneens: 6. cènes uit de nieuwere geschiedenis

.

6e klasalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

.

Meer over het leerplan op deze blog

.

1949

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL –– Het leerplan – Caroline von Heydebrand (6e klas)

.

Kort na het overlijden van Rudolf Steiner in maart 1925 verscheen voor de eerste keer een schriftelijke weergave van het leerplan van de vrijeschool.
Die werd samengesteld door Caroline von Heydebrand die vanaf het begin in 1919 aan de vrijeschool in Stuttgart was verbonden. Zij had ook de begincursus – GA 293294 en 295 – bijgewoond en de vele lerarenvergaderingen met Rudolf Steiner (GA 300abc). 
In de jaren 1919 – 1925 tekenden zich de contouren van een leerplan af dat nadien in grote lijnen hetzelfde is gebleven.
Dat betekent echter niet dat het ‘achterhaald’ zou zijn. In velerlei opzichten zijn de ideeën nog altijd even verfrissend en laten ruimte voor ontwikkeling.

Caroline von Heydebrand, Mitteilungsblatt, okt. 1925
.

HET SCHOOLKIND VAN HET TWAALFDE JAAR TOT DE PUBERTEIT

Zoals het negende jaar een belangrijke cesuur in het leven van de wordende mens betekent, zo is ook het binnengaan in het twaalfde jaar van een bijzondere betekenis. 
Op deze leeftijd begint het kind zich steeds sterker te verbinden met zijn bottensysteem dan eerder het geval was. 
Het jongere kind beweegt met een vanzelfsprekende gratie door zijn spiersysteem dat gevoed wordt door de ritmische bloedsomloop. Nu neemt de jonge mens bezit van zijn skelet, hij gaat a.h.w.van de spieren via de pezen naar het skelet, zijn bewegingen verliezen het ritme en de bevalligheid, worden hoekig, onbeholpen, willekeurig. Het kind komt in de ‘vlegeljaren’ en weet niet wat het met zijn ledematen moet beginnen.
Maar alles wat in het leven en in de wetenschap moet gehoorzamen aan mechanische wetmatigheden, kan nu zonder nadeel zinvol aan het kind bijgebracht worden daar het zich met zijn geest-zielenwerzen sterker met de mechanica van zijn bottensysteem verbindt. 
Een hele wereld van nieuwe leergebieden gaat in deze tijd voor hem open. 

De zesde klas

[De vakken zijn door mij in alfabetische volgorde gezet]

Aardrijkskunde

Je behandelt de verdere delen van de aarde en gaat uit van het schetsen van de klimatologische verhoudingen van een gebied m.b.t. de kosmos. Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Biologie

Je gaat verder met het bespreken van de plantkunde en dan ga je over op de mineralogie. De mineralen worden echt in samenhang met de aardrijkskunde bekeken en niet losgemaakt van de geologische inbedding. Pas wanneer het kind bv. een levendig-aanschouwelijk beeld heeft van een granietgebergte in tegenstelling tot een kalkgebergte, kun je het het losse graniet en de kalk laten zien.
Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Boetseren

Beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Euritmie

Het uitwerken van grammaticale vormen wordt verder uitgewerkt. Ook met de pedagogische groepsoefeningen, alliteraties enz. wordt verder gewerkt. Met het oog op het stijver worden van de spieren, worden de staafoefeningen met verve geoefend.  Er kan bij alle oefeningen rekening worden gehouden met dat het kind op een krachtige manier zijn bottensysteem wil gebruiken.
Het incarneren van het geest-zielenwezen van het kind in het harde bottensysteem kan je op een andere manier weer helpend tegemoet komen
door het oefenen van octaafbewegingen in de tooneuritmie. Nu is ook het tijdstip aangebroken waarop je aanvullend bij de tot nog toe geleerde intervalbewegingen, die bewegingen voor de hele toonladder aan het kind aanbiedt, vanaf de priem tot het octaaf. Ook de ruimtevormen voor de aparte tonen van de toonladder worden nu intensief geoefend.
De muzikale opmaat om een driehoek, vierkant in de ruimte om te vormen wordt geoefend. Het meetkundige wordt voor het kind in een nieuwe vorm samengenomen met het muzikale en de spraak.

Geschiedenis

De geschiedenis van de Romeinen wordt behandeld en wat er vanuit de Grieks-Romeinse tijd nog doorwerkt, wordt gevolgd tot in het begin van de vijftiende eeuw. Om e.e.a. aanschouwelijker te maken wordt er gebruik gemaakt van tekenen, schilderen en boetseren, zodanig dat ieder detail, bv. ook van landkaarten gedragen wordt door een kunstzinnige beleving.

Gymnastiek

Oefeningen met toestellen worden nu losgemaakt van het spelelement; door langzamerhand de nadruk te leggen op de precieze uitvoering wordt de weg geopend voor een bewuste lichaamsbeheersing. 
(Stütz =) steunoefeningen die tot nog toe werden vermeden, worden nu op eenvoudige manier, uitgevoerd.
Wat tot nog toe [Duits: ‘reigenartig’ ] was, kringspelachtig? wordt losgelaten. Vooralsnog sterk ritmische oefeningen en met een sterk meetkundige inslag (driehoek met of zonder staaf/stok, vierkant, cirkel). Ritmische sprongen in groepsverband.
Speerwerpen met speren zonder punt. Ver- en hoogspringen.

Handenarbeid

De kinderen maken eenvoudige, praktische voorwerpen en beweeglijk speelgoed van hout. Zowel bij tekenen als bij handenarbeid wek je ook hier het gevoel voor het samengaan van doelmatigheid en schoonheid bij maken van voorwerpen.

Handwerken

Naast poppen en dieren naaien de kinderen gym- of euritmieschoenen. Daarop worden zinvolle patronen geborduurd die het eigen ontwerp van het kind zijn.

Meetkunde

Op basis van het vormtekenen dat al vanaf het begin van de schooltijd werd geoefend, wordt de meetkunde ontwikkeld. De leerlingen leren wat voordien kunstzinnig getekende vormen waren, de driehoek, het vierkant, de cirkel enz. nu ook begrijpen met de meetkundige begrippen.

Muziek

Verder werken aan waarmee begonnen was. Mol-toonladders verder oefenen.

Natuurkunde

Dit schooljaar is het kind pas rijp geworden voor het eerste natuurkundeonderwijs. Ook hier wordt de adequate en heilzame weg bewandeld van het kunstzinnige naar het intellectuele. 
Vanuit het muzikale breng je het kind naar de akoestiek. Je bespreekt ook het strottenhoofd. 
De kleuren waarmee de kinderen door het schilderen sinds het begin van hun schooltijd vertrouwd zijn, leidt naar de optica, naar de kleur- en lichtverschijnselen. Over het oog wordt nog niet gesproken, omdat het voor deze leeftijd nog te vroeg is, te laten zien hoe in de zintuigapparaten natuurkundige wetten zich als in golven in het levende lichaam verspreiden.
Er wordt begonnen met warmte, elektriciteit, magnetisme door van de verschijnselen uit te gaan en daaraan wetten te ontwikkelen.

Niet-Nederlandse talen

Je begint met eenvoudige leesstof en bespreekt in samenhang met het bijzondere van de manier van uitdrukken, hoe iets wordt gezegd, ook spreekwoordelijk. Ook ingaan op land en volk.

Latijn en Grieks:

De kinderen worden gestimuleerd de zinnen van de leesstof te veranderen in eigen zinnen. Uit de leesstof verdienen mythologische verhalen, fabels en verhalen over de helden van de oude geschiedenis die het kind aanspreken, de voorkeur. Fabels worden uit het hoofd geleerd.
In de 6e klas alsmede in de volgende klassen moet in het bijzonder het vrije navertellen worden geoefend, in het begin van heel simpele stukjes proza. Het vertalen kun je niet missen, daar zonder vertaling de helderheid en scherpte bij het begrijpen van de andere zinsbouw niet tot stand komt; maar er wordt alleen vertaald vanuit de andere taal in het Duits, niet andersom.
Bij de behandeling van de vormleer wordt met het werkwoord begonnen, dat het middeplunt moet zijn van de taalles. Dat is in overeenstemming met de ontwikkeling van mens en wereld en die van het kind. Het werkwoord is de ziel, het scheppende en levendige in de taal.

Rekenen

Er wordt een begin gemaakt met rente- en procentberekeningen, wisselkoers- en discontoberekening en vanuit de renteberekening wordt de algebra ontwikkeld.

Schilderen

Beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Taal

De leerkracht probeert bij het kind het gevoel voor stijl zo mogelijk sterk te ontwikkelen bij het gebruik van de aanvoegende wijs (conjunctief), voor het spreken en het schrijven. [In het Nederlands speelt deze ‘wijs’ een veel minder belangrijke rol]
Bij het schrijven van brieven worden makkelijk overzichtbare zakenbrieven geschreven waarvan de inhoud sinds de derde klas voorbereid is.

Tekenen

Eenvoudige projectie- en schaduwleer, door zonder nadruk te leggen op de constructie het tot standkomen van schaduwvorm en -gestalte te behandelen en deze zowel uit de vrije hand als met lineaal en passer te laten tekenen. Je probeert in het kind begrip te wekken hoe techniek en schoonheid in het vormen van voorwerpen samen kunnen gaan.
Ook beschreven als in dienst staand van andere vakken (aardrijkskunde, biologie, geschiedenis)

Tuinbouw

Bij tuinbouw leren de kinderen in de praktijk het verschillende werk kennen. Ze moeten bij het bewerken van de grond, bij het kweken van groenten en fruit ervaren, hoeveel moeite en aandacht en geduld nodig is, tot je iets kan oogsten waarvan je kan genieten.

Vertelstof

O.a. genomen uit het gebied van de volkerenkunde.

.

Meer artikelen over het leerplan

6e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas:  alle beelden

.

1937

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – klas 8

.

Een bericht van heel lang geleden, 1930, uit de vrijeschool Den Haag.
De school, opgericht in 1923, doet ervaringen op met de kinderen in de verschillende klassen en met de leerstof.
Een verslag hiervan uit een 8e klas.
In de spelling van die tijd.
.

Jan van ’t Hoofd, Ostara, 3e jrg. nr. 5/6 okt. 1930

OVER DE ACHTSTE KLASSE

De achtste klasse is het laatste leerjaar van de eerste periode van se Vrije School. Gedurende deze periode, die in de eerste klasse begint, ontvangen de kinderen het z.g. hoofdonderwijs (Nederlandsche Taal, Geschiedenis, Aardrijkskunde, Natuurkunde, Physica, Scheikunde, Rekenen, Algebra, Meetkunde, Teekenen, Schilderen) van één leeraar of leerares. De klasseleeraar. In den loop der jaren kan hij diè autoriteit voor de kinderen worden, waar zij op hun leeftijd behoefte aan hebben. De achtste klasse, waarin de kinderen veertien of vijftien jaar worden, sluit deze levensperiode af. Ze heeft echter ook den blik op de tweede schoolperiode gericht. Daar in de negende tot twaalfde klasse zijn de leerlingen niet meer zoo met één persoonlijkheid verbonden, maar kunnen hun leider uit de verschillende leeraren kiezen. Een vriendschapsgevoel treedt in de plaats van behoefte aan autoriteit. Deze beide dingen: afsluiting der “lagere” en voorbereiding voor de „hoogere” klassen drukten hun stempel op de 8e klasse. Daar van deze klasse uit slechts 3 (?) kinderen het leven in gingen, speelde dit feit, (dat soms in de Waldorfschool in een 8e klasse zeer sterk meespreekt) hier maar een kleine rol.

Bij de behandeling der verschillende vakken (in alle wordt de stof der vorige jaren tot een voorloopige afsluiting gebracht) viel het op dat het de kinderen bijzonder bevredigde, wanneer ze practische dingen leerden begrijpen; wanneer ze b.v. de natuurkunde, de scheikunde technisch toegepast zagen. Of ook, als de geschiedenis ze met de ontwikkeling der laatste eeuwen en met problemen van den tegenwoordigen tijd in aanraking bracht. Anderzijds kon duidelijk bemerkt worden dat nadrukkelijk een krachtig phantasie-element verlang werd. Een schoone taak: kinderen op dien woeligen leeftijd door zakelijke practijk en bloeiende phantasie te leiden. Een onjuiste verhouding dezer beide elementen straft zich zelf: tè veel van het eerste deed de intellectueel minder begaafden lijden, te veel van het tweede deed de reeds denkenden in oppositie komen. In beide gevallen was het in wat men gewoonlijk de orde noemt, merkbaar.

Zoo goed het ging, werd de leerstof, die het leerplan der Waldorfschool aangeeft, behandeld. Voor de kinderen beteekende dit veel en hard wecken. Hun enthousiasme was een schoon en bemoedigend beleven. Hun werkkracht op school nam gedurende het jaar steeds toe, in hun huiswerk ontplooide zich pas tegen het einde een eigen initiatief. Wat al onderwerpen moesten aan de beurt komen: lezen van drama ’s (Vondels Jozeph in Dothan, Goethe’s Egmond), handelsbrieven; 80-jarige en 30-jarige oorlog, de groote vorsten der 17e en 18e eeuw, Fransche revolutie, de ontwikkeling der techniek, regeeringsvorm; in menschkunde voornamelijk het skelet; in physica of stoomkracht, hefboomen en katrollen pompen, luchtpompen, in scheikunde o.a. zouten, zuren, basen, kalkbereidmg, zeepbereidmg, de assimilatie. Dan algebra (hoofdbewerkingen en vergelijkingen, meetkunde (oppervlakte tot en met cirkel, meetkundige plaatsen).

In alle vakken herhaling van het reeds vroeger behandelde. Uit deze opsomming is wel te zien, hoe ontzaglijk vele mogelijkheden de stof biedt om de beide boven aangeduide elementen in de klasse te brengen. Over de wijze, waarop dit geprobeerd werd, kan in dit overzicht niet gesproken worden. Ik hoop enkele voorbeelden nog eens te beschrijven. Er moet nog opgemerkt worden, dat mede door gebrek aan tijd de aardrijkskunde niet uitvoerig genoeg behandeld werd en het teekenen verviel.

Geheel vanzelf ontstond tusschen de leerlingen en leeraar in dit leerjaar een inniger band. Dr. Steiner sprak het tegen de leeraren van de Waldorfschool eens uit, dat juist kinderen op dezen leeftijd een hartelijke verhouding met hun leeraren noodig hebben. Te meer was dit voor mij een verheugend feit, daar vele nieuwe kinderen bij het begin van het jaar opgenomen werden. Een derde deel de klasse ongeveer. Ze vonden, op een enkele uitzondering na, met goeden wil spoedig hun weg.

bijna vijf jaar mocht ik als klasseleeraar deze klasse begeleiden. Met innige dankbaarheid zie ik terug op een tijd, waarin ouders en kinderen een zoo beschamend groot vertrouwen schonken, een vertrouwen, dat in den regel over moeilijkheden — die vanzelfsprekend optreden in een vrije en jonge werkwijze – steeds weer zegevierde. Dankbaar echter blikt een afscheidnemende klasseleeraar ook op het geheel van de school als drager van een paedagogiek, die door zijn waarheidsinhoud eenvoudig werkt op de kinderen, ook al zijn de beoefenaars zwakke beginnelingen.

.

8e klas: alle artikelen

.

1923

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het leerplan van klas 5

.

Voor een goed begrip van het leerplan, de leerstof e.d. is het zeer aan te bevelen de artikelen: Rudolf Steiner over het leerplan en Rudolf Steiner over het kind, de leerkracht, ontwikkeling, lesstof en leerplan eerst te lezen.

In de pedagogische voordrachten GA 293 – 311 is relatief maar weinig meegedeeld over de leerstof op zich. Veelal wordt deze besproken in samenhang met de ontwikkeling van het kind.
Uit deze voordrachten volgt hier wat er over de leerstof van de 5e klas kan worden gevonden.

LEERSTOF VAN KLAS 5

Aardrijkskunde

Daneben beginnt man eben in der Geographie damit, so wie ich es gezeigt habe, Bodenkonfigurationen, und was in wirtschaftlicher Be­ziehung damit zusammenhängt, für einen gewissen Teil der Erde, den mehr naheliegenden, dem Kinde beizubringen.

Daarnaast begint men dan in de aardrijkskunde met de bodemgesteldheid, zoals ik dat heb laten zien, en wat hier in economisch opzicht mee samenhangt, van een bepaald deel van de aarde, een dichtbij gelegen gebied.
GA 295/161
Vertaald/149

Dierkunde

Dann gehen wir im fünften Schuljahr dazu über, unbekanntere Tierformen noch hinzuzufügen.

Dan voegen we er in de vijfde klas nog enkele onbekende diersoorten aan toe.
GA 295/165
Vertaald/152

In der Naturlehre, Mensch und Tiere, wären zu besprechen: Gehirn, Sinne, Nerven, Muskeln und so weiter.

Bij biologie, mens en dieren, te bespreken zou zijn de hersenen, zintuigen, spieren enz.
GA 300A/122
Niet vertaald

Euritmie

Und dann im vierten, fünften und sechsten Schuljahr kommen hinzu die Formen, also für Konkretes, Abstraktes und so weiter, wobei solche 295/177 Dinge für die Kinder ja möglich werden, weil sie in der Grammatik ja mittlerweile so weit vorwärtsgekommen sind.

En dan komen er in de vierde, vijfde en zesde klas vormen bij voor concrete en abstracte dingen enzovoort, waarbij dat voor de kinderen ook mogelijk wordt, omdat ze in de grammatica inmiddels zo ver zijn gekomen.
GA 295/177
Vertaald/161

Geschiedenis

Im fünften Schuljahr wird man alle Anstrengungen machen, um mit wirklich geschichtlichen Begriffen für das Kind beginnen zu können.
Und man soll durchaus nicht davor zurückschrecken, gerade in dieser Zeit, in der das Kind im fünften Schuljahr ist, dem Kind Begriffe bei­zubringen über die Kultur der morgenländischen Völker und der Grie­chen. Die Scheu, in alte Zeiten zurückzugehen, ist nur erzeugt worden durch die Menschen unseres Zeitalters, die keine Fähigkeit haben, ent­sprechende Begriffe hervorzurufen, wenn man in diese alten Zeiten zurückgeht. Ein zehn- bis eifjähriges Kind kann ganz gut, namentlich wenn man fortwährend an sein Gefühl appelliert, auf alles das auf­merksam gemacht werden, was ihm ein Verständnis beibringen kann für die morgenländischen Völker und für die Griechen.

In de vijfde klas zal men zich dan alle inspanning getroosten om met de kinderen een begin te kunnen maken met werkelijk historische begrippen. En men moet er ook absoluut niet voor terugschrikken om het kind juist in deze tijd, in de vijfde klas, begrippen bij te brengen over de cultuur van de oosterse volkeren en van de Grieken. De tegenzin om terug te gaan naar oude tijden is enkel opgewekt door die mensen van onze tijd, die niet het talent hebben om adequate begrippen op te roepen wanneer men teruggaat naar die oude tijden. Een kind van tien, elf jaar kan heel goed gewezen worden op alles wat hem aan een begrip helpt voor de oosterse volkeren en voor de Grieken, vooral wanneer men voortdurend appelleert aan zijn gevoel.
GA 295/161
Vertaald/149

Und deshalb hat man eine solche innere Befriedigung, wenn man sehen kann, wie, ohne daß man Weltanschauung in die Schule hineinträgt, von un­seren Lehrkräften zum Beispiel in der fünften Klasse Anthropolo­gie behandelt wird: nicht in trockenem Sinne, nicht etwa anthropo­logisch-theoretische Erkenntnisse, sondern so, daß man dasjenige, was man als erste Anthropologie an die Kinder heranbringt, durchleuchten und durchwärmen läßt vom Geiste aus. Wenn man das den Kindern so beibringt, dann fangen die Kinder an, in ganz anderer Weise beim Unterricht dabei zu sein; da gründen sie etwas in sich, was ihnen für das ganze Leben bleibt.

En daarom kan je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, hoe, zonder dat je een wereldbeschouwing de school binnenbrengt, door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie gegeven wordt: niet op een droge manier, niet met wat antropologisch-theoretische kennis is, maar zo, dat je, wat je aan eerste antropologie aan de kinderen geeft, deze doorlíchten en doorwarmen laat vanuit de geest. Wanneer je dat de kinderen zo bijbrengt, beginnen ze op een heel andere manier aandacht te hebben voor het onderwijs; dan leggen ze in zichzelf iets aan, wat het hele leven blijft.
GA 297 /220
Vertaald op deze blog/220

Gymnastiek

Vom vierten Schuljahr ab teilen wir die eurythmische Kunst mit dem Turnen, und zwar so, daß wir im vierten, fünften und sechsten Schul­jahr «Gliederbewegen» im Turnen haben, dann alles das, was mit Lau­fen, Springen, Klettern zusammenhängt, und nur einfache Geräteübun­gen.

Vanaf de vierde klas moeten euritmie en gymnastiek de uren delen. In de vierde, vijfde en zesde klas werken we in de gymnastiek vooral met bewegingen van de ledematen en verder alles wat verband houdt met rennen, springen en klimmen, en doen we alleen eenvoudige oefeningen aan toestellen.
GA 295/177
Vertaald/161

Muziek

Dann kommt das vierte, fünfte und sechste Schuljahr. Da wird man ja auch schon drinnen sein in der Zeichenerklärung, der Notenerklä­rung. Man wird schon umfassende Übungen machen können in der Ton­leiter. Namentlich im fünften und sechsten Schuljahr wird man auf die Tonarten eingehen können. Man wird da schon D-dur und so weiter haben können. Mit dem Moll muß man möglichst lange warten, aber es kann doch schon auch in dieser Zeit an das Kind herangebracht werden.
Aber alles das, um was es sich dabei handelt, ist, nunmehr gewisser­maßen nach dem Entgegengesetzten hinzuarbeiten: das Kind anzupas­sen an die Erfordernisse des Musikalischen, also den Unterricht mehr nach der ästhetischen Seite hinüberzutreiben. Zuerst soll das Kind die Hauptsache sein. Es soll alles so zugerichtet sein, daß das Kind Hören und Singen lernt. Dann aber soll das Kind, nachdem es in den ersten drei Schuljahren begünstigt worden ist, sich den künstlerischen Anfor­derungen der musikalischen Kunst anpassen. Das wird das Pädagogische sein, was dabei zu berücksichtigen ist.

Dan komen de vierde, vijfde en zesde klas. Dan houdt men zich natuurlijk ook al bezig met de verklaring van de tekens, van de noten. Men zal ook al uitvoerige oefeningen kunnen doen met de toonladder. Met name in de vijfde en zesde klas zal men in kunnen gaan op de toonsoorten. Dan kan men het beslist wel hebben over D majeur enzovoort. Met de mineur moet men zo lang mogelijk wachten, maar ook dat kan best in deze tijd behandeld worden.
Maar waar het vooral om gaat is nu in zekere zin naar de andere kant toe te werken: het kind aan te passen aan dat wat de muziek vraagt. Daarmee gaat het muziekonderwijs meer in de richting van het esthetische. Eerst moet het kind de hoofdzaak zijn. Alles moet zo zijn opgezet dat het kind leert luisteren en zingen. Maar dan moet het kind, nadat het in de eerste driejaar zelf het middelpunt was, zich aanpassen aan de kunstzinnige eisen die de muziek stelt. Dat is het pedagogische gezichtspunt dat hier moet worden ingenomen.

GA 295/175
Vertaald/160

Niet-Nederlandse talen

Auch in den Fremdsprachen sollte man auf dem Umweg über das Schreiben zum Lesen kommen.

Ook bij de niet-Nederlandse talen zou je via de omweg over het schrijven tot lezen moeten komen
GA 300A/113
Niet vertaald

Voor Latijn en Grieks zie: 4e klas

Plantkunde

Dann gehen wir im fünften Schuljahr dazu über, unbekanntere Tierformen noch hinzuzufügen, beginnen aber auch in diesem fünf­ten Schuljahr mit der Pflanzenlehre und treiben sie dann nament­lich so, wie wir das im didaktischen Teil unseres Seminars besprochen haben.

(Dan voegen we er in de vijfde klas nog enkele onbekende diersoorten aan toe, }maar beginnen we tevens met de pklantkunde, en wel zo als we besproken hebben in het didactische deel van onze cursus.
GA 295/165
Vertaald/152

Rekenen

Wir wollen dann im fünften Schuljahr mit der Bruchlehre und mit der Dezimalbruchlehre fortsetzen und alles dasjenige an das Kind her­anbringen, was ihm die Fähigkeit beibringt, sich innerhalb ganzer, ge­brochener, durch Dezimaibrüche ausgedrückter Zahlen frei rechnend zu bewegen.

In de vijfde klas gaan we door met breuken en decimale breuken. Het kind leert nu alles waardoor het in staat is vrij te rekenen met hele getallen, breuken en decimalen.
GA 295/168
Vertaald/155

Taal

Nun wird es sich darum handeln, daß wir im fünften Schuljahr alles dasjenige wiederholentlich fortsetzen, was wir im vierten gepflogen haben, und daß wir namentlich von da ab Rücksicht nehmen auf den Unterschied der tätigen und der leidenden Verbalformen, also auf Ak­tives und Passives im Gebrauch des Verbums. Dann versuche man, ge­rade in dieser Zeit das Kind zu veranlassen, nicht nur Gesehenes und Gehörtes frei wiederzugeben, sondern womöglich Gehörtes und Ge­lesenes in unmittelbarer Rede anzuführen. Also so anzuführen, wie man es anführen müßte, wenn man es in Gänsefüßchen, in Anführungs­zeichen schreiben soll. Man versuche, das Kind viel darin zu üben, daß es in der Art des Sprechens Rücksicht darauf nimmt, wann es seine eigene Meinung gibt und wann es die Meinung eines anderen mitteilt. Man versuche dann auch in dem, was man schreiben läßt, im Kinde einen starken Unterschied hervorzurufen zwischen dem, was es selber denkt und gesehen hat und so weiter, und dem, was es mitteilt aus dem Munde anderer. Und in Verbindung damit suche man die Anwendung der Satzzeichen noch einmal zu vervollkommnen. – Das Briefschreiben wird dann weiter ausgebildet.

En dan is het belangrijk dat we in de vijfde klas alles herhaaldelijk voortzetten wat we in de vierde gedaan hebben en dat we vanaf die tijd met name aandacht besteden aan het verschil tussen de bedrijvende en de lijdende vorm van het werkwoord, aan actief en passief dus. Dan probeert men het kind juist in deze tijd ertoe te brengen om niet alleen vrij weer te geven wat het heeft gezien en gehoord, maar ook gehoorde en gelezen dingen zo veel mogelijk in de directe rede aan te halen. Dus precies zoals men dat moet aanhalen: tussen aanhalingstekens. Men probeert het kind veel te laten oefenen om er in zijn manier van spreken .rekening mee te houden of het zijn eigen mening geeft of de mening van een ander meedeelt. Men probeert dan ook bij geschreven opdrachten zo te werken dat het kind een groot verschil leert ervaren tussen datgene wat het zelf denkt en heeft gezien enzovoort, en datgene wat het meedeelt uit de mond van anderen en in verband daarmee probeert men het gebruik van leestekens nog eens te perfectioneren. Het schrijven van brieven wordt ook verder ontwikkeld.
GA 295/158
Vertaald/146/147

Vertelstof

Szenen aus der mittleren Geschichte ( )

( ) scènes uit de geschiedenis van de middeleeuwen ( )
.GA 295/19
Vertaald/19

en op blz. 20 eveneens: 5. scènes uit de geschiedenis van de middeleeuwen

5e klas: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 5e klas

.

Meer over het leerplan op deze blog

.

1922

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.