Maandelijks archief: januari 2015

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte’ (2)

DE RUIKER
Er waren eens twee kinderen, die op een zondag een wandeling
maak­ten. Toen zij naar huis terugkeerden had ieder kind een ruiker bloe­men. Het ene kind zei: „Wat heb ik een mooie ruiker!” Het andere sprak: „Mijn ruiker is mooi!”. Ieder vond alleen zijn eigen ruiker mooi.

Het ene kind had namelijk in zijn ruiker mooie bloemen vol geurige sappen, maar ook gewoon gras. Zelfs een paar korenhalmen, zelfs distels had dit kind in zijn ruiker. Het andere kind had alleen
zoetgeurende bloemen, louter zoetgeurende bloemen.

Nu zei het kind met zijn geurige bloemen tegen het andere: „Hoor eens, jouw ruiker, waar zo van alles in is, vind ik niet mooi!” Maar evenmin vond de ruiker met geurige bloemen genade in de ogen van het andere kind.

Hoe denken jullie nu, beste kinderen, dat het verhaal verder gaat? Wel kinderen, het kind met de ruiker met distels en halmen heeft het andere kind iets verteld. Luister maar, wat het vertelde:

„Eens op een zondag ben ik ook gaan wandelen en buiten ben ik in slaap gevallen en heb ik gedroomd”.
„Wat heb je gedroomd?”
„Luister: ik lag in een wei”, vertelde het kind, „en daar kwamen grote en kleine dieren en die spraken met elkaar. Er was een heel wonderlijk, heel heel klein nietig diertje en een groot beest. Het hele kleintje was een bij, het grote een kalf. Het kalf en de bij praatten met elkaar.

En de bij zei: „Och jij kalf, jij begrijpt helemaal niets van de plan­ten, maar ik, ik begrijp alles, ik weet welke planten zoetgeurend zijn en daar zuig ik de honing uit. Dan breng ik de honing naar de mensen en de mensen houden heel veel van honing. Als ik niet naar alle mooie bloemen met lieflijke geuren zou vliegen, zou er voor de mensen geen honing zijn”.

Toen zei het kalf: „Hoor eens, ik zou niet alleen van de zoet-
geurende bloemen, die jou zo goed smaken, kunnen leven. Alle bloe-
men, waar jij onbezorgd voorbij vliegt, moet ik eten en als ik ze niet
zou eten, zou er geen melk op de wereld bestaan. Zonder melk zouden
de mensen zich niet kunnen voeden en dan zou er ook geen honing
nodig zijn, want dan zouden er ook geen mensen zijn, die er van
aten”.                                                                                                                         Zo spraken de twee kinderen met elkaar. En het kind, dat de rui­ker met geurige bloemen had, begreep toen, dat het iets moest leren. Het andere kind had het juiste al door zijn droom geleerd.

Het kind met de geurige bloemen begreep nu, dat er niet alleen geu­rige bloemen kunnen zijn. Het begreep, dat er verschillende soorten van bloemen moeten zijn, die samenwerken en het kind leerde nu hou­den van de ruiker met allerlei planten er in.

Het kind, dat geslapen en gedroomd had, kon zeggen: „Ja, het kalf heeft het gezegd: er zijn verschillende bloemen, maar alle bloe­men worden gebruikt en daarom heeft een ruiker, waar alle soorten van planten in zijn, veel meer waarde en is veel kostbaarder dan één, die alleen maar zoetgeurende bloemen heeft!”

Als jullie nu naar school gaat, beste kinderen, is dat voor jullie zo, alsof je op een mooie zondag een wandeling maakt en jullie moet van de school het allerbeste mee in het leven nemen. En als je een ruiker in het leven meenemen kunt van alles, wat jullie leraren jullie geleerd hebben, dan zul je aan zo’n ruiker de grootste vreugde beleven. Maar alle bloemen moeten er in zijn, niet alleen de zoetgeurende! Dat moet jullie leren, dat je ook dikwijls iets moet opnemen, wat niet alleen geurig is.

Als je ernstig en vlijtig leert, dan zul je merken, dat je in je latere leven niet alleen een ruiker met zoetgeurende bloemen meebrengen kunt, maar een ruiker, waarin al het levende verzameld is, waar het leven afhankelijk van is.

Denk er aan, beste kinderen, dat telkens wanneer jullie leraren iets moeilijks van jullie vragen, je hun met liefde gehoorzaamt. Van de school krijg je de mooiste ruiker voor het leven mee en je zult hem het waardevolste vinden, als er verschillende planten voor het leven in zijn.

Iedere herinnering aan de schooltijd zal je een kracht voor het leven geven, want de volwassen mensen winnen de schoonste krach­ten voor hun leven, als ze zulk een ruiker uit de school kunnen mee­nemen. Dat zijn levenskrachten, die standhouden tot aan de dood, ja tot zelfs daarna.

Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte (1)

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

 

724

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte’ (1)

HET KLEINE EN HET GROTE VIOOLTJE

In een bos, waar het zonlicht door de bomen drong, stond eens een viooltje, een bescheiden viooltje, onder een boom, die grote bladeren had. Het viooltje kon door een opening kijken, die tussen de
boom­toppen was ontstaan en het viooltje zag, terwijl het door de wijde ope­ning in het bos heen keek, de blauwe hemel. Het kleine viooltje zag voor het eerst de blauwe hemel, want het was op de ochtend van deze dag pas gaan bloeien.
Nu schrok het viooltje, toen het de blauwe hemel zag en het werd heel erg angstig. Maar het wist nog niet, waarom het zo angstig was geworden.
Toen liep er een hond langs, die er niet vriendelijk uitzag, maar een beetje boosaardig. Het viooltje vroeg de hond: „Zeg mij toch, wat is dat daar boven, dat blauwe — zo blauw als ik?” Want de hemel was ook blauw, zoals het viooltje blauw was.

En de kwaadaardige hond zei: „O, dat is een reuze groot viooltje zoals jij en dit reuzengrote viooltje is zo groot geworden, dat het je geweldig hard kan slaan”.

Het viooltje werd nog veel angstiger, want het geloofde, dat het viooltje daar boven zo groot was geworden, om hem te slaan. En het viooltje trok zijn bloemblaadjes helemaal samen en wilde niet meer opzien naar het grote viooltje.
Het verschool zich onder een groot blad van de boom, dat juist door een windvlaag omlaag gejaagd was. Daar bleef het de hele dag, zich in zijn angst verschuilend voor het grote hemelviooltje.

Bij het aanbreken van de volgende dag had het viooltje nog niet geslapen, want het had de hele nacht slechts nagedacht, hoe het toch was met het grote blauwe hemelviooltje, dat hem zou slaan.

Het verwachtte steeds, dat elk ogenblik de eerste klap zou komen, maar die kwam niet.

En ’s morgens kwam het viooltje te voorschijn, omdat het nu helemaal niet moe was, want het had de hele nacht steeds nagedacht en was fris en niet moe.

Viooltjes worden moe, als ze slapen, en worden niet moe, als ze niet slapen.

Het eerste, wat het viooltje zag, was de opgaande zon — het morgenrood. Toen het viooltje het morgenrood zag, werd het hele­maal niet angstig. Het was innerlijk verheugd en blij om het mor­genrood.

Toen het morgenrood verbleekte, kwam geleidelijk aan de wit­blauwe hemel te voorschijn. Die werd steeds blauwer en blauwer en het viooltje moest er weer aan denken, wat de hond gezegd had: dat dit een groot viooltje was, dat hem slaan zou.

En ziedaar, er kwam een lammetje langs. Nu wilde het viooltje nog eens vragen, wat dat daarboven was. „Wat is dat daar boven?” vroeg het viooltje.

Het lammetje zei: „Dat is een groot viooltje, blauw zoals jij zelf bent”. Nu werd het viooltje al weer angstig en dacht, dat het van het lammetje ook weer hetzelfde antwoord zou krijgen als van de boze hond.

Maar het lam was goed en vroom. En omdat het zulke goede en vrome ogen had, vroeg het viooltje nog een keer. „Ach mijn lieve lammetje, zal het grote viooltje daar boven mij dan slaan?”

„O neen”, antwoordde het lam, „het zal je niet slaan. Het is een groot viooltje en zijn liefde is even zo vele malen groter als jouw eigen liefde; zoals het méér blauw is, als jij met je kleine gestalte blauw bent”.

Toen begreep het viooltje meteen, dat dit een groot viooltje is, dat helemaal niet zal slaan, maar zoveel blauw heeft, om zoveel meer liefde te schenken en dat het grote viooltje het kleine viooltje zal beschermen tegen alles wat vijandig is in de wereld.

Toen voelde het kleine viooltje zich zo gelukkig, omdat alles, wat het zag als blauw in het grote hemelviooltje, hem leek als de god­delijke liefde, die hem van alle kanten toestroomde. En het kleine viooltje zag altijd omhoog, alsof het wilde bidden tot de God van de viooltjes.

GA 311/64
Vertaald in ‘Zonlicht’/85

In GA 311 gaat Steiner in op vragen van de kinderen.
Daarover in dit artikel ‘de zinrijke/zinvolle vertelling

Rudolf Steiners ‘sinnige Geschichte (2)
Rudolf Steiner: alle artikelen
Vertelstof: alle artikelen

 

723

 

 

 

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen (1)

.
Niet-Nederlandse talen: alle artikelen
.
Algemene doelstelling:
Gevoel voor het eigene van de taal te ontwikkelen door rechtstreekse beleving.
  • gedichten, rijmpjes, verhalen etc.
  • poëzie en proza
  • grammatica
  • literatuur
  • woordvormen en zinsbouw
  • schrijven van brieven
  • poëtica en metriek

Leerplan
Doel van het vreemde talen onderwijs op de vrijeschool is het beweeglijk houden van het beeldend vermogen en van het denken, doordat men in het moderne talenonderricht een gewoonte der patronen der moedertaal doorbreekt. Zielennuances, die binnen de andere taal leven, komen het innerlijk der kinderen verrijken. Zo bezien zijn de moderne talen van groot pedagogisch, mensvormend belang.

Het eigene van onze methode is, dat we de taal als een kunstwerk beschouwen willen, en daardoor in onze lessen de taal als een totaliteit aanbieden. Dat betekent in de praktijk, dat de kinderen eerst de andere taal leren spreken.
Pas in hogere klassen (4e, 5e, 6e enz.) wordt de taal ook analyserend, denkend benaderd.

Van belang is het kunstzinnig in de klas bezig zijn. Via de fantasie en het ritme wordt geprobeerd om het kunstmatige van het bijbrengen van een taal zo veel mogelijk te ondervangen. Zo jong met andere talen beginnen heeft het voordeel dat een brede basis kan worden gelegd en een diepe band met de talen ontstaat, die een gunstige invloed heeft op het begrijpen van de taal.
Er wordt intensief gebruik gemaakt van het feit, dat jonge kinderen vanuit hun nabootsingsgedrag graag en snel in de stroom van een andere taal, dan hun moedertaal, mee bewegen.

De leraar zal zoveel mogelijk van meet af aan in de andere taal tot de kinderen spreken. Met “verklarende” gebaren ondersteunt hij zijn woorden. De kinderen leren spreken door imitatie, zowel klassikaal als ook groepsgewijs en individueel. Er wordt zo min mogelijk vertaald.

Bij de opbouw van de lessen zullen de volgende gedeelten aan bod komen: spreekoefeningen – gedichten – spelletjes – opdrachten – toneelstukjes – verhalen -liederen.

In de hogere klassen teksten om te schrijven en te lezen.

Op veel vrijescholen krijgen de leerlingen vanaf de 1e klas 2 talen, meestal Duits en Engels.

Klas 1 en 2
Tellen, dagen, maanden kleuren, seizoen, voorwerpen in de klas, lichaamsdelen, kleding, voedsel, weer, huis en school worden geïntroduceerd middels spelletjes, rijmpjes en opdrachten.

Klas 3
Toegevoegd worden: beroepen in woord en gebaar                                      volksliedjes e.d.; begrippen uit de wijdere omgeving, vraag en antwoord opdrachten, dialogen, spreekoefeningen.

Klas 4
Men maakt een begin met het overschrijven van reeds bekende gedichten en woorden. Gelezen worden uitsluitend die teksten die eerst (in de eerste 3 klassen) mondeling aan de orde waren.
Een eerste begin kan gemaakt worden met grammatica aangeknoopt bij gesproken taal. B.v. werkwoordsvormen, vervoegingen.

Klas 5
Onbekende eenvoudige teksten worden gelezen, vervolg grammatica, gezamenlijk vinden we korte opstelletjes, briefjes, anekdotes, raadsels, data.

Klas 6
Grammatica voortzetten, aandacht besteden aan zinsbouw.
Toevoegen spreekwoorden, bank, geldverkeer etc; spreekbeurten laten houden over zelf gekozen onderwerpen. Leesboeken kunnen worden ingevoerd.

Klas 7
Grammaticale regels uit het hoofd leren, grote gedichten, balladen, zelf schrift vormen van kleine opstellen en brieven, globaal vertalen; land- en volkenkunde, gebruiken en gewoonten.

Deutsche Sprachlehre der Volksschulzeit, van Martin Tittmann
Rudolf Steiners Lehrplan für die Waldorfcchulen.
Dritte Abteilung von E.A. Karl Stockmeyer.

Fremdsprachen in der Waldorfschule, Johannes Kiersch

Die Praxis des Fremdsprachenunterrichts an der Waldorfschule,Alain Denjean

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen
722

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Frans (2)

Niet-Nederlandse taal: alle artikelen

HET FRANSCH IN DE LAGERE KLASSEN

De spelling met -sch- heb ik laten staan: het is een artikeltje uit 1930!

De schookrant van de vrijeschool Den Haag heette toen “Ostara”.

Opvattingen en praktijk doen absoluut niet gedateerd aan!

‘Homines enim formamus, non psittacos.”
( “wij vormen immers mensen, geen papegaaien”.)
 Comenius ~ Didactica magna.

Daar het onderwijs in de moderne talen, indien het op de juiste wijze gegeven wordt, krachtig kan meehelpen, de
ontwikkelings­mogelijkheden van den mensch tot volle ontplooiing te brengen, en het tevens den wordenden mensch in staat stelt, bewuster in de hem omringende menschheïd te staan, heeft Rudolf Steiner het een zeer belangrijke plaats in zijn paedagogie toegewezen.

Zijn kennis van de vormingsphasen van het kind noodzaakte hem, ook op dit gebied met alle conventioneele sleur te breken en het
taal­onderwijs grondig te hervormen.

Zoo oordeelde hij het buitengewoon gewichtig, om den fantasierijken nabootsingsdrang en de plasticiteit der spraakorganen, die het kind na het tandenwisselen nog tot zijn negende, tiende jaar behoudt, niet verloren te laten gaan, maar vol in het taalonderwijs te benutten. In de eerste klas van de Vrije School wordt dan ook reeds met twee moderne talen begonnen, terwijl de derde er in de derde klas bijkomt.

Nu zou de natuurlijke ontwikkeling van het jeugdige kind, dat nog zoo goed als uitsluitend leeft in wils- en gevoelsuitingen, onherstel­baar geschaad worden, indien we zouden trachten, het op de ge­bruikelijke intellectualistische manier kennis bij te brengen van de moderne talen. Geen leçons de choses dus over dingen, die het kind koud laten, geen rijen woordjes-met-of-zonder-plaatjes, die van buiten geleerd moeten worden, geen thema’s en, gedurende de eerste drie jaren, geen grammatica-onderwijs, geen geschreven of gedrukte taal zelfs. Maar wel alles, wat het kind op dezen ontwikkelingstrap met zijn geheele wezen kan opnemen, wat zijn wils- en gevoelsleven beroert en zijn rijke fantasie oproept.

Een rijke bron hiervoor vinden we in de chansons populaires, die voor een groot deel stammen uit een tijd, toen het wils- en gevoels­leven der menschen nog niet overheerscht werd door het abstracte denkleven. Door hun fantasiewekkend vermogen, gesteund door hun rhythme, rijm en melodie, zijn die liederen ondanks eeuwen levend gebleven. Voor het onderwijs in de moderne talen aan kleine kinde­ren zijn ze, mits goed gekozen, van groote waarde, te meer, daar het meerendeel er van als kleine tooneelstukjes gespeeld kan worden.

Het kind, dat b.v. in het bekende “Meunier, tu dors!” de rol heeft gespeeld van den wind, die zich verbergt, als de molenaar hem roept en wacht, tot deze slaapt om hem de poets te spelen, de wieken bijna dol te laten draaien, vergeet niet licht zinnetjes als: „Je suis le vent. Je souffle, je siffle. Meunier, tu dors, ton moulin va trop vite!”, daar ze intens beleefd worden. En op hun beurt worden alle kinderen meunier, moulin, vent, réveilleur, want ze zingen en spelen derge­lijke liederen zóó gaarne, dat deze telkens weer herhaald kunnen worden.

Zoo worden ze — om een greep te doen uit het overvloedige materiaal, dat de chansons populaires ons bieden — in „Le Loup et l’Ane’ de bloeddorstige wolf, het slimme ezeltje en de knechts, die de schuurdeuren achter den gefopten wolf sluiten; in „Lorsque j’étais chez mon père” de herderin, die haar schapen laat verdwalen, en de herder, die ze met zijn doedelzak weer weet te verzamelen; in „Frère Jacques’ de slapende monnik, die door de kloosterlingen gewekt moet worden en de klok, die de uren slaat; in „Le petit Navire” de kapitein, de kok, de scheepsjongen en de matrozen; in „Mon Garçon” de verschillende muziekinstrumenten; in „La Main” de vingers, en zoo verder.

Klassikale en individueele commando’s, die uitgevoerd moeten worden en talrijke spelletjes, zooals Le Jeu des Couleurs, Colin-maillard au son, Colin~maillard au toucher, Les Cris des Animaux, Pigeon~vole, Le Jardinier, helpen eveneens krachtig mee om de kin­deren — ook die met minder taalbegaafdheid — in de sfeer van de levende taal te brengen.

Ten slotte leveren in de eerste klas de sprookjes, in de tweede de dierfabels, in de derde de chansons de métier dankbare en bijna
on­uitputtelijke leerstof.

Mimiek, gestes en teekenkrijt ondersteunen de voorbereiding, die aan al deze liederen, recitaties, enz. voorafgaat, zoodat de moedertaal slechts zelden te hulp geroepen behoeft te worden.

Hebben de kinderen op deze wijze in de eerste drie jaren al zin­gende en spelende een vrij omvangrijke taalschat gewonnen, die niet alleen passief begrepen, maar langzamerhand ook actief gebruikt wordt, dan kan nu, naast de voortzetting van de gesproken taal, begonnen worden, de moeilijkheden van de geschreven taal te over­winnen.

De tot dusverre domineerende poëzie moet nu een groot deel van haar plaats afstaan aan het proza, terwijl tevens een eenvoudige grammatica wordt ingeleid. In de vierde klas bepaalt deze laatste zich tot de woordleer. De kinderen leeren de voornaamste woordsoorten onderscheiden, ze merken de woordveranderingen op en leiden er de voornaamste taalregels uit af. Voorbeelden zoeken ze en vinden ze in overvloed in de leerstof der eerste drie jaren, die daarbij ongemerkt herhaald wordt. Ook leeren ze al handelende en reciteerende de vormen van het werkwoord.

In de vijfde klas voegen zich daar de eenvoudigste regels van de zinsleer bij, in de zesde klas de belangrijkste spreekwoorden en
uit­drukkingswijzen.

In deze klas krijgen de kinderen hun eerste leesboekje en beginnen ze, in aansluiting met de geleerde chansons populaires en vooral met de chansons de métier uit de verschillende deelen van Frankrijk, het leven en werken van het Fransche volk te leeren kennen, hetgeen voortgezet wordt in de zevende en achtste klas.

In de beide laatste klassen maken ze daarenboven kennis met de voornaamste figuren uit de Fransche literatuurgeschiedenis, terwijl in de achtste klas ook de poëtica en de metriek worden ingeleid, die in de tiende klas uitvoerig worden behandeld.

Als dan ten slotte in de negende klas, door een samenvatting en uitbreiding van het geleerde in de vierde tot achtste klas, de
gram­matica volledig is herhaald, hebben de leerlingen een voldoende praktische en theoretische kennis van de Fransche taal om aan de hand van de belangrijkste dramatische en prozawerken dieper in de Fransche literatuur door te dringen.

(J.M. in Ostara 3e jrg. 5/6-okt.1930)

zie vooral: uitgaven verschenen bij ‘Forschungsstelle beim Bund der Freien Waldorfschule

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen
721

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse taal – Engels (1)

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

Over het leerplan

Vanaf het ogenblik dat de eerste vrijeschool in Duitsland in 1919 begon, stonden er op het lesrooster vanaf de 1e klas 2 andere talen: Engels en Frans.
De Nederlandse vrijescholen kregen te maken met drie andere talen: naast het Engels en Frans ook het Duits.

Drie talen vanaf klas 1 is wel veel voor de kleintjes en meestal viel de keuze op Engels en Duits; vanaf klas 3 kwam het Frans er dan bij; in principe is het mogelijk om ook het Frans vanaf klas 1 te doen.

Belangrijk bij het geven van deze talen is, wanneer je er eenmaal aan bent begonnen, moet er continuïteit zijn in het aanbod.

Frans heeft het daarbij moeilijker, lijkt het wel. Het is me (te) vaak opgevallen dat er in de 3e klas werd gestart, maar dat er – om welke reden ook – in de 4e of 5e geen leerkracht meer voor was. Dan ging het vooraf geleerde en geoefende min of meer weer verloren en dat is geen goede zaak.

In de voorbije jaren werd er steeds gekeken wat de leerstof voor de verschillende leerjaren zou kunnen omvatten.

Hier volgen verschillende gezichtspunten:

Klas 1 t/m 4

werkvormen:
nursery rhymes + herhaalversjes + tonguetwister + liedjes met beweging, spelletjes + vingeroefeningen/spelletjes, verhaaltjes vertellen toneelstukjes; kleuren, voorwerpen in de klas, kledingstukken.
Jaargetijden, klokkijken, tellen 1 t/m 20, familie.

vanaf klas 4:
schrijven en teruglezen wat al geleerd is – gedichten, getallen dagen etc.evt. kleine tekenopdrachten

onderwerpen:
voorwerpen uit de klas, lichaamsdelen, kleuren, dagen van de week, tellen tot 100, dieren/fabels, seizoenen, maanden van het jaar, ambachten, huizenbouw, klok (halve en evt. hele uren), alfabet

Al doende (bv): I am standing, I am sitting, I am writing. I am knitting, I am reading, I am counting, I am swimming, I am mounting, vandaar komen tot: wat doe jij, doen wij etc. Dus alle personen: I am, you are etc.

Tegelijkertijd: to stand, to sit, to write en vanuit de aanwijzing dat de kinderen zelf “de regel” moeten ontdekken. Hoofdstukje: regels (in de multo-map)

  • Voor het hele ww (of doe-woord) komt To
  • Op de y geen puntjes
  • I met een hoofdletter etc.

Veel oefenen!

Daarna de verleden tijd. Uiteraard gaat e.e.a. samen met uitbreiding woordenschat (in dit geval time, yesterday, last week etc.) to have – had 3e pers.
veel voorkomende losse woorden: and, but, hour, who. woorden die we nodig hebben om iets over onszelf te vertellen.
Do you make music? Instruments: guitar, violin etc.

Klas 5
Lezen: eerst verhalen met bekende inhoud later nieuwe.
werkwoorden (sterke) mondeling oefenen in 3 tijden.
klok tot op 5 minuten
trappen van vergelijking
gedichten
eenvoudige raadsels

verleden tijd
voltooide tijd
shall/will can/could

begin sterke ww op rijm:
to begin-began-begun
to bear-bore-borne
to wear-wore-worn
to do-did-done   enz.

Uitbreiding woordenschat in samenhang met interesse klas (bv. animals, sports, clothes)

Klas 6
Pas in 6 en 7 af en toe vertalen

Lezen: Robin Hood, evt. Ship that turned over
Het weer
ww in 3 tijden, schriftelijk en toepassen in zinnetjes
winkelen: allerlei praktische zaken leren kennen, winkels en produkten, restaurant
spreekwoorden en gezegdes
langere gedichten, individueel opzeggen
tweegesprekjes over het weer, in een restaurant
voorzetsels
to do: vragend en ontkennend, zinsbouw, toekomende tijd, may-might-must, meervoud, trappen van vergelijking, aanw.vnw., bijwoorden, voorzetsels, passief/actief.

(De laatste jaren heb ik veel in combinaties van klassen gewerkt, zodat een exacte verdeling over de jaren moeilijker te geven is; wel is duidelijk wat ik probeerde te bereiken van 4 t/m 7.)

Klas 7
Lezen: Around the world en Climbing of Everest
Moeilijke gedichten waarin spreken en schrijven uitgeplozen worden bv.:Though the tough cough

afkortingen: I am- I’m
ontkenningen: I did not -» I didn’t
oefeningetjes met werkwoordstijden
evt. klein toneelstukje schrijven over iemand in restaurant
met woordenboek leren werken
Liederen, gedichten, toneelstukjes, spraakoefeningen, spreekwoorden, raadsels in alle klassen.
En vooral proberen veel door de kinderen te laten vertellen.

(Wanneer nog niet alles gaat, zoals de bedoeling is, moet er worden gekozen voor andere wegen. Hier een ervaring van een leerkracht:)

Deze 7e klas heeft tot in klas 6 Engels gehad van hun eigen leerkracht. Ze deed dit vooral via korte gedichtjes en liedjes. In 6 werd voor het eerst  gelezen uit the Secret Garden van Burnett.
In klas 7 kreeg ik de klas lx per week gedurende 45 min., wat wel erg weinig was. Wat ik met de ll. heb gedaan:

We schreven en lazen teksten van gekende liederen en gedichten. Ik controleerde of de inhoud bekend was. Vragen stelde ik in het Engels, leerlingen antwoordden in Engels of Nederlands. Ik bewerkte een gevonden verhaal voor de klas als toneelstuk Young Kate, het verhaal gebruikten we ook als leestekst, het stuk speelden we uit.

Verder introduceerde ik de o.t.t. + o.v.t. van to have, to be, to do + van de regelmatige ww. We schreven die regels in en oefenden met de vormen in spelletjes en vraag en antwoord. Woordenschatarbeid hebben we niet gepleegd, maar de klas heeft vooral een aardig gevoel voor het Engels. Ze kunnen het redelijk volgen. Dit jaar vertelde ik bijv. ook delen uit het verhaal van ‘The little House on the Prairie”, en liet de kinderen dan weergeven wat ze gehoord hadden of ik liet hen antwoorden op vragen. Ze gaven er dan blijk van goed te kunnen luisteren. Hun exacte weten is zeer beperkt en mondeling kunnen ze het Engels hanteren wanneer het om simpele vragen en antwoorden gaat. Grammaticale kennis is dus een hoofdstuk wat ik dit jaar pas voor het eerst heb gedaan. De uitspraak is niet onverdienstelijk.
Heb aangekaart dat ik volgend jaar 2 uur wil gebruiken voor de 7e en het ziet er naar uit dat dat ook wel gaat gebeuren.

Engels in 1,2, en 3 voorbeelden
E
ngels in 4: aanleren -ingvorm

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

 

720

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Michelangelo

HET EPOS VAN MICHELANGELO

MichelangeloWat gebeurde er achter die hoge schutting? De stad Florence wist het niet. Maanden-, nu al jarenlang hoorden de voorbijgangers het gerinkel van staal op steen, het geklop van hamer op beitel. Maar iedereen wist dat dat stuk marmer verknoeid was door een andere beeldhouwer, die het onpraktisch smal en dun had uitgehouwen en er vlak boven de basis een diepe, driehoekige houw in had geslagen. Vele kunstenaars hadden het al bekeken, maar het stadsbestuur wist tientallen jaren geen raad met deze onoverwinnelijke reus.

Toen, op een maandagmorgen (13 september 1501), kwam de jonge Michelangelo Buonarroti met een beitel in de hand aanstappen om zijn krachten te beproeven. Twee en een halfjaar zwoegde hij eraan. Toen de juryleden zagen wat hij had gedaan, kenden zij hem een beloning van 400 gouden florijnen toe (een waarde van ongeveer 7000 gulden in 1966) en mocht hij een plaats voor zijn werkstuk kiezen. Michelangelo koos schaamteloos de opvallendste plaats — vóór het grote paleis op het Plein der Edelen.
Veertig mannen zwoegden vier dagen lang met windas en rollen om het beeld naar zijn standplaats te brengen. Met vaste blik trotseert David zijn vijand, de reus Goliath. Iedere fout in het originele blok marmer is veranderd in volmaaktheid. De langgerektc, dunne vorm is het stevige lichaam van een hoogopgericht atleet geworden; de houw bij de basis is de ruimte tussen de krachtige benen. Iedere pees en spier, iedere ader in de gespannen ledematen is gevormd met een precisie alsof er inderdaad het warme bloed van een jonge vechter doorheen stroomt. “David” is, net als  alle grote werken van Michelangelo, meer dan een beeld; het is een levende waarheid — nog even levend als 500 jaar geleden.

Michelagniolo di Ludovico Buonarroti Simoni werd geboren in 1475 in Caprese, in midden-Italië, dicht bij de oorsprong de Tiber. De vrouw van een steenhouwer werd zijn min; hij had zijn beroep met de moedermelk ingezogen, gekscheerde hij later.
Zijn moeder stierf toen hij zes jaar was en het zou bijna 60 jaren duren voordat hij weer de tederheid van een vrouw ondervond. Hij groeide op in een ruwe mannenwereld, met egoïstische middelmatige broers die hun hele leven op zijn zak teerden en een inhalige, klaaglijke vader. Op school ging het niet best met de jongen. Hij tekende altijd, ook thuis op de muren. Dus kreeg hij slaag. Omdat dit niets hielp, kreeg hij meer slaag, en harder. Maar de kunstenaar bleef ongebroken.

Buonarroti senior wilde geldelijk profijt trekken uit de weerspannige jongen en stuurde hem op 13-jarige leeftijd naar het atelier van de beroemde gebroeders Ghirlandaio in Florence.
Hier kreeg hij zijn enige schilderlessen. Op een dag bestudeerden enkele leerlingen een vrouwenfiguur, getekend door Domenico Ghirlandaio; Michelangelo pakte een dikker potlood en corrigeerde de tekening, en, wat erger was, Domenico zag dat de brutale knaap gelijk had. Het gevolg was dat Michelangelo werd weggestuurd van het atelier (met een uitstekend getuigschrift).
Hij belandde in de kunstfabriek van Bertoldo, de beeldhouwer die klassieke beeldhouwwerken nabootste voor Lorenzo de’Medici, de rijkste bankier van Europa en de officieuze dictator  van Florence, wiens bijnaam “De Luisterrijke” luidde.

Aan Michelangelo werd de ruwe bewerking opgedragen van blokken marmer in de tuinen van de Medici. Iedere dag werden zijn jonge schouders sterker, zijn blik zekerder — zo zeker dat toen Lorenzo toevallig een beeldje in handen kreeg dat de jongen had gemaakt uit een stukje afvalmarmer, hij hem meenam naar zijn paleis, hem kleedde in fluweel en liet bedienen samen met zijn zonen. Aan die vorstelijke tafel, waaromheen zich dichters en geleerden schaarden, nam voorlezen de plaats in van babbelen. Hier hoorde de jongeling de verheven gedachten van Plato, de machtige verzen van Dante. Een tweede talent, het dichterschap, werd in hem geboren; hij zou de auteur worden van 77 sonnetten die in hun oprechtheid als uit zijn ziel gehouwen schijnen.
Zijn ziel was groot als die van een profeet uit de oudheid vol verheven visioenen en zedelijke hartstocht. En toch was zijn karakter vol erbarmelijke, menselijke fouten. Hij was arrogant, lichtgeraakt en scherp van tong en in een vechtpartij met een oudere leerling liep hij een gebroken neusbeentje op. Die misvorming is altijd gebleven en ging dieper dan zijn gezicht. Want de man die schoonheid aanbad, vond zichzelf nu afstotelijk. Hij was niet groot, had heel brede schouders en was misschien geen knappe jongeman, maar de jaren zouden zijn gerimpelde gezicht onvergetelijk maken — de bittere, krachtige mond, de lichtbruine ogen vol van een haast bijbelse droefheid en liefde.

In 1492 stierf Lorenzo en zijn zoon Piero wist geen betere bezigheid voor Michelangelo te bedenken dan hem op een wintermorgen te laten halen en hem een reusachtige sneeuwpop te laten maken op de binnenplaats van het paleis. Weldra verliet de jonge kunstenaar de stad en belandde langs allerlei omwegen in Rome.
Daar maakte Michelangelo zijn eerste meesterwerk — een  Madonna die de gestorven Christus op haar schoot heeft. Hij hoorde bezoekers het werk aan een andere kunstenaar toeschrijven en daarom sloop hij op een avond de Sint-Pieter binnen en hakte er zijn naam in; de “Piëta” is het enige werk dat Michelangelo van een handtekening heeft voorzien.

Toen Julius II paus werd, maakte hij grootse plannen voor monumenten en gebouwen waarvan hijzelf dikwijls het middelpunt moest worden. Zo verhaastte hij de afbraak van de oude Sint-Pieter om zelf de hoeksteen voor een nieuwe kerk te kunnen leggen. Michelangelo was toen in Florence, maar Julius dacht dat de historie van hem de grootste graftombe zou verwachten die ooit gebouwd was en daarom liet hij de grootste kunstenaar komen.

Zo begon zijn vriendschap met Michelangelo, een vriendschap die voor de helft uit ruzie bestond. Julius was geestdriftig over Michelangelo’s plannen voor de graftombe. Er zouden niet minder dan 40 beelden van heiligen en profeten op voorkomen, allen geschaard om de baar van de Paus. Michelangelo vertrok naar Carrara om marmer te kopen, maar toen hij eindelijk terugkwam om Zijne Heiligheid te vragen, de vrachtkosten te betalen, liet paus Julius, nu gewikkeld in een dure oorlog tegen Bologna, hem de deur wijzen. Michelangelo schreef onmiddellijk een woedende brief aan de Paus en vluchtte toen, geschrokken van zijn eigen onbezonnenheid, naar Toscaans grondgebied, onbereikbaar voor de pauselijke macht. De Paus eiste dat Florence hem zou arresteren en terugsturen. Koelbloedige Florentijnen haalden in plaats daarvan de kunstenaar over, Julius in Bologna te ontmoeten, en om hem te vrijwaren voor gevangenneming verleenden ze hem de rang van gezant.
De Paus was vergevensgezind nu Bologna was verslagen en Michelangelo keerde met hem naar Rome terug.
Maar de een of ander had Julius ervan overtuigd, dat het ongeluk brengt als je tijdens je leven je eigen graftombe laat bouwen. Bovendien waren de opkomende schilder Raphael en zijn bloedverwant Bramante, de architect van de nieuwe Sint- Pieter in aanbouw, jaloers op Michelangelo. Zij haalden Julius over van Michelangelo te eisen dat hij het plafond van de pauselijke particuliere kapel, de zogenaamde Sixtijnse kapel, zou beschilderen. “Ik ben geen schilder,” protesteerde de beeldhouwer. “Laat Raphael dat maar doen.” Maar Julius hield aan en de daaropvolgende vier jaren was Michelangelo praktisch een gevangene   — eerst van de Paus, later van zijn eigen inspiratie.

Nooit had enige kunstenaar een afschrikwekkender opdracht gekregen. De Sixtijnse kapel is een donker, smal,  hokkerig bouwsel, meer hoog dan breed. De ruimte van het plafond wordt onderbroken door koekoekachtige ramen, waardoor allerlei ongebruikelijke hoeken en bochten ontstaan. Dit alles, 900 vierkante meter, moest worden beschilderd in fresco-techniek, dat wil zeggen met  kleuren die vermengd zijn met water, niet met olie, en die worden opgebracht op nog natte kalk. In de tijd dat de kalk droogt, drogen ook de kleuren en de kunstenaar moet dus in een hoog tempo werken.

Michelangelo beklom de ladders, liep over de steigers, ging op zijn rug liggen en schilderde boven zijn hoofd. Hij werkte als een slaaf van zijn eigen scheppingsdrift en vergat vaak te eten en te slapen; hij stuurde de ene assistent na de andere weg en sloot de deur voor iedereen behalve een oude bediende — en Paus Julius.
Julius had geen verstand van kunst, maar wel gevoel voor schóónheid. Hij wist ook dat het leven maar kort is. “Wanneer is het nu eindelijk klaar?” tierde hij vaak.
Ten slotte zei Julius: “Het is klaar, zeg ik je. Kom van die steiger af’, of ik laat je eraf gooien.” Sidderend, want hij was er een keer afgevallen, stemde Michelangelo erin toe, het werk prijs te geven aan de blikken van society, kunstenaars en geestelijkheid. Daar boven hen, als Genesis geschilderd tegen het uitspansel, was het verhaal van de Schepping, van de Zondeval en de Zond­vloed! God is geschilderd terwijl Hij met een gebiedend gebaar de Hemelen scheidt. Hij ademt het stof leven in, en zie, daar staat Adam, naar Zijn beeld; Gods vinger laat die van Adam juist los terwijl de Mens zijn Schepper met verering aankijkt. En
onder de bescherming van de arm des Almachtigen richt Eva, gretig en bevreesd, haar blik op haar heer en meester. Profeten en sibillen vullen de moeilijke plekken. Het plafond telt 343 hoofdfiguren, stuk voor stuk subliem; elk onderdeel heeft de kracht van beeldhouwwerk.

Dezelfde oudtestamentische grootsheid komt tot uitdrukking in de marmeren “Mozes”, een fragment van de nooit voltooide graftombe voor Paus Julius — zo majestueus dat het de somberheid van de kerk die het herbergt verlicht. Het is alsof de Profeet zich met zijn tenen vastklampt aan de Berg Sinaï terwijl de donder en bliksem van de Heer rondom hem schijnen te woeden; hij houdt de tafelen der wet in zijn handen en zijn ogen schitteren van verontwaardiging. Volgens de overlevering heeft Michelangelo, toen hij dit beeld had voleindigd, het een laatste hamerslag gegeven en bevolen: “Spreek nu!”

Maar terwijl Michelangelo door zijn kunst zulke nooit verouderende waarheden tot uitdrukking bracht, waren de tijden waarin hij leefde vol godsdienstige onenigheden. Wereldse buitensporigheden hadden niet alleen de financiële maar ook de morele schatten van het Vaticaan tot op de rand van een bankroet gebracht. Het resultaat was dat half Europa tot opstand kwam in de protestantse revolutie. Franse, Duitse en Spaanse legers drongen Italië binnen, dat zelf werd verscheurd door een burgeroorlog. Paus Clemens, die nu in het Vaticaan zetelde, rukte op tegen Florence. In haar nood riep de stad der kunstenaars haar grootste zoon terug. Maandenlang zwoegde Michelangelo aan het versterken van heuvels en het plaatsen van kanonnen.

Uit het bloedvergieten en de angst van deze tijden groeit Michelangelo’s werk van diepste vredigheid — de graftombe van de Medici’s. Om deze tombe te bezoeken — en de stroom van bezoekers laat nooit af— gaat men naar de kapel naast kerk van San Lorenzo in Florence en betreedt een ruimte, door Michelangelo ontworpen, die een vinger legt op de polsslag en de rusteloze geest doet bedaren. Daar staan, tegenover elkaar bij de muren, de twee graftomben, één voor Lorenzo de’ Medici, één voor zijn broer Giuliano. Gekleed in een licht harnas, zijn hand op het zwaard dwars over zijn knieën, staart de jonge Giuliano hunkerend naar de jaren die hij niet meer mocht meemaken. Deze figuur wordt gewoon “Het Actieve Leven” genoemd; haar tegenhanger “Het Beschouwelijke Leven” toont een peinzende Lorenzo, aarzelend de hand voor de mond, terwijl de helm de ogen beschaduwt die langs eenzame paden de dood tegemoetzien.

En weer legde een nieuwe Paus (hoe snel volgden zij elkaar op, hoe velen heeft Michelangelo overleefd!) de ouder wordende kunstenaar een uitputtende taak op de schouders. De muur van de Sixtijnse kapel achter het altaar moest nog versierd worden. En zo schilderde de beeldhouwer “Het Laatste Oordeel”. Miclielangelo was nu oud — ouder dan zijn leeftijd, uitgeput door zijn worsteling met reusachtige opdrachten. Korte tijd had hij een innige vriendschap met een adellijke vrouw, Vittoria Colonna. Haar openbaarde hij, als voor niemand anders, zijn flinkere en verheven gedachten. Toen de dood haar overviel, werd hij haast een kluizenaar in een donker huisje in Rome. Hij leefde als een arm man, terwijl hij in feite zijn broers onderhield en een fortuin in contanten had verborgen in zijn atelier. Heimelijk schonk hij grote bedragen aan arme deugdzame meisjes, opdat ze een goed huwelijk konden doen.

Toch begon Michelangelo nog na zijn 70ste aan een nieuwe carrière als architect. Hij was nog een leerling toen hij werd aangewezen om de Sint-Pieterskerk te voltooien, die 50 jaar na het leggen van de hoeksteen nog een dakloze huls was. Vele bouwers hadden eraan gewerkt; het enige dat alle plannen gemeen hadden was de grootte, want dit moest de grootste kerk ter wereld worden. Het was een zo langdurige taak dat Michelangelo tussendoor tijd had, allerlei andere gebouwen overal in Rome te ontwerpen – kerken, paleizen, bruggen, musea. Zijn stijl beheerste op den duur de Eeuwige Stad als een machtige lofzang waarvan de akkoorden tot steen zijn verstild.

Sommige van Michelangelo’s plannen voor de Sint-Pieter werden nooit uitgevoerd, maar de grote dubbelplatige koepel is helemaal van hem en ze is een roemrijke kroon op deze schitterende kerk en op zijn leven. Uitvoerders zeiden dat het onmogelijk was, maar langzaam, laag voor laag, rees de grote stenen bult omhoog, schitterend van proporties, iedere laag als een uitdaging aan de zwaartekracht voortkruipend naar het middelpunt.
“Ik ben zo oud,” zei hij, “dat de dood aan mijn mantel trekt.” Maar voordat hij op 89-jarige leeftijd stierf, zag Michelangelo Buonarroti ijn werk bijna voltooid — de grootste en prachtigste koepel ter wereld. Vol licht en orgelgeschal en jubelend koorgezang, een wijde en luchtige climax van macht, bevat deze koepel — als iets ter aarde dit kan — een laatste echo van deze titanische geest.

alle biografieën

719

VRIJESCHOOL – 7e klas – alle artikelen

.

Leerplan klas 7

Aardrijkskunde

Algebra en rekenen   [2] [3] [4]

Geschiedenis
alle artikelen

Handenarbeid
5e; 6e en 7e klas

Meetkunde

Menskunde – zie voedingsleer

Nederlandse taal    [2]
voorbeelden van opstellen

Niet-Nederlandse taal
Frans
Engels

Rekenen:
zie algebra

Scheikunde

Spraakoefeningen

Sterrenkunde
alle artikelen

Tekenen
zwart-wit (2-1)
Arceertechniek, toegelicht door Assja Turgenieff
zwart/wit [2-2]
waarom in klas 7; verschillen met andere technieken van illustreren
zie ook: de vele nuttige aanwijzingen op deze site 

Vertelstof
Biografieën

Voedingsleer
Impressie van een periode
Gezichtspunten: voor de opbouw van de les – plant en mens – impressie van een kookles

Raadsels
‘gewone’;    rekenraadsels;    breinbrekers

7e klas ‘impressie’