Maandelijks archief: januari 2021

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/10)

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 302

Voordracht 8, Stuttgart 19 juni 1920

Blz. 123    vert. 122

In der Zeit des Zahnwechsels wächst dann das Kind hinein in das Bedürfnis, nach Autorität zu handeln, von seiner Umgebung zu hören, was es tun soll. Während es also früher selbstverständlich dasjenige hinnimmt, was in seiner Umgebung geschieht, das Gute und das Böse, das Wahre und das Irrige, und es nachmacht, hat es vom Zahnwechsel ab die Empfindung, es braucht nicht mehr bloß nachzuahmen, sondern es kann hören von seiner Umgebung, was es tun und was es nicht tun soll.

Tijdens de tandenwisseling groeit in het kind de behoefte om op autoriteit te handelen, om van zijn omgeving te horen wat het moet doen. Terwijl het vroeger dus als vanzelfsprekend opnam wat er in zijn omgeving gebeurde – goed en kwaad, het ware en onware – en dat dan nabootste, heeft het vanaf de tandenwisseling het gevoel dat het niet louter meer hoeft na te bootsen, maar dat het van zijn omgeving kan horen wat het moet doen en wat niet.

Blz. 123  vert. 122

Mit der Geschlechtsreife wächst das Kind hinein in die Empfindung, daß es nun selbst schon etwas beurteilen kann; aber es hat das Bedürfnis, sich anzulehnen, die
selbstverständliche Autorität, die selbstgewählte Autorität zu finden, sich zu sagen: Der ist so, die ist so, daß man darauf etwas geben kann, wenn man sich ein Urteil zu bilden hat. – Das ist wichtig, daß wir das Kind in einer richtigen Weise in dieses Selbstverständliche der Autorität gegenüber hineinwachsen lassen.

Bij het intreden van de geslachtsrijpheid groeit in het kind het gevoel dat het zelf wel iets kan beoordelen; maar het heeft de behoefte om ergens tegen aan te leunen, om de vanzelfsprekende autoriteit, de zelf gekozen autoriteit te vinden, om te kunnen zeggen: Deze man, die vrouw is zó, dat men er wat aan heeft als men zich een oordeel moet vormen. – Het is belangrijk dat we het kind op de juiste wijze laten ingroeien in deze vanzelfsprekendheid van de autoriteit.
GA 302/122-123    
Vertaal/ 122 

Blz. 136    vert. 134

Nun handelt es sich darum, daß wir uns in dieses Wesen des Nachahmungsbegriffes hineinfühlen, daß wir dann in dem Autoritätsbegriff sehen, wie sich zwischen uns als Autorität und dem Kinde der Sinn für die Schönheit entwickelt. Und haben wir das getrieben bis zu dem Moment, wo, das Kind geschlechtsreif wird, dann entwickelt sich, indem das Kind in die Neigung zum Ideal hineinwächst, in der richtigen Weise der Sinn für das Gute. Das Kind müssen wIr an uns halten, damit es bis zur Geschlechtsreife das Gute tut. Bis dahin müssen wir durch das gegenseitige Wechselverhältnis so wirken, daß das Kind das Gute tut. Es ist schon notwendig, wenn das elf-, zwölf-, dreizehnjährige Kind das Gute tut, daß so stark die Autorität des Erziehers hinter ihm steht, daß es in dem Moment, wo es das Gute tut, so fühlt, als ob es damit seinen Lehrer und Erzieher zufrieden macht. Und das Schlechte soll es meiden. Es soll fühlen, daß er von irgendeiner unbestimmten Seite kommt und unzufrieden ist. Irgendwo soll es den Erzieher vermuten. So soll es zusammenwachsen mit dem Lehrer und dem Erzieher. Es soll ihm erst mit der Geschlechtsreife entwachsen.

Nou gaat het erom dat we met ons gevoel in het wezen van de nabootsing kruipen, dat we vervolgens in het autoriteitsbeginsel leren zien dat zich tussen ons als autoriteit en het kind de schoonheidszin ontwikkelt. Als we dat hebben gedaan tot het moment van de geslachtsrijpheid, dan ontwikkelt zich, doordat de kinderen steeds meer de geneigdheid krijgen tot het ideaal, op de juiste wijze de zin voor het goede. We moeten de kinderen bij ons houden opdat ze tot aan de geslachtsrijpheid het goede doen. Tot dat punt moeten we door de wisselwerking zó werken dat een kind het goede doet. Als een 11-, 12-, 13-jarig kind het goede doet, is het nodig dat de autoriteit van de opvoeder zó sterk achter hem staat dat het op het moment dat het het goede doet het gevoel heeft dat het daarmee zijn leraar en opvoeder tevreden stelt. En het moet het slechte vermijden. Het kind moet voelen dat de leraar van een of andere kant komt en ontevreden is; ergens moet het een gevoel hebben van de opvoeder. Zo moet het vergroeien met zijn leraar en opvoeder. Pas bij de puberteit moet het zich van hem losmaken.

Wenn wir das Kind so erziehen und aufziehen, daß wir es schon für reif halten, wenn es in die Schule kommt, und möglichst zu eigenen Urteilen anführen in dem Moment, wo es sprechen gelernt hat, das heißt, alles auf Anschauung gründen, dann lassen wir das Kind in dem Entwicklungszustand, wo es sprechen gelernt hat, und wollen es nur nicht weiterkommen lassen. Wenn wir also dieses nicht herankommen lassen, daß das Kind wirklich einen Wandel durchmacht mit der Geschlechtsreife, daß es wirklich etwas ablegt dadurch, daß wir es erst an die Autorität gewöhnt haben, dann kann es nicht über die Autorität hinauswachsen. Es muß erst die Autorität gefühlt haben. Es muß dann mit der Geschlechtsreife über das Autoritätsgefühl hinauswachsen und das Urteil suchen.

Als we de kinderen zó opvoeden dat we ze al als rijp beschouwen wanneer ze de school binnenkomen, en zo mogelijk al tot een eigen oordeel aanzetten op het moment waarop ze hebben leren spreken, dat wil zeggen alles op argumenten baseren, dan laten we ze in de ontwikkelingsfase waarin ze hebben leren spreken; dan willen we niet dat ze verder komen. Als we niet toelaten dat de kinderen een echte verandering doormaken bij het intreden van de geslachtsrijpheid, dat ze echt iets afleggen door het feit dat we ze eerst hebben laten wennen aan autoriteit, dan kunnen ze niet boven die autoriteit uitgroeien. Eerst moeten ze de autoriteit hebben gevoeld. In de puberteit moeten ze boven het autoriteitsgevoel uit groeien en op zoek gaan naar hun oordeel.
GA 302/136-137  
Vertaald/ 134  

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

266-251

 

 

Wat op deze blog staat


  

 

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (102)

.

(Voor: vanaf klas 6)

Er zijn altijd wel gelegenheden om in je klas iets interessants te vertellen, of wat misschien minder interessant is, toch interessant(er) te maken.

Dat kan bv. te maken hebben met ‘de actualiteit’.

Zo’n belangrijk onderwerp is deze tijd de ‘anderhalve meter samenleving’. 
Een eerste vraag zou al kunnen zijn: hoe schrijf je zo’n woord eigenlijk. 

De gouden regel is vrijwel altijd: 1 ding = 1 woord. En ook hier: je schrijft: anderhalvemetersamenleving.

Onze spelling ziet er heel vaak niet consequent uit, al is voor de schrijfwijze altijd wel een uitleg te vinden. Maar voor leerlingen is het niet makkelijk om alles uit elkaar te houden en te onthouden. (En ook voor volwassenen niet)

Anderhalve meter schrijf je niet aan elkaar. Schrijf je cijfers, 1,5, dan is ook de afkorting van meter  m  daar los van en bij die afkorting staat geen punt, zoals bijvoorbeeld wél bij bv. (Laat je de punt daar weg: bv  dan bedoel je een ‘besloten vennootschap’ – dat schrijf je niet met hoofdletters: BV  want dat staat voor bekende Vlaming).

Boeiend is ook vaak hoe woorden zijn ontstaan, waar ze vandaan komen.

.

Hoeveel keer zoveel is tien keer meer?

Is tien keer meer hetzelfde als tien keer zoveel?
Hoe duur is iets dat drie keer duurder is dan iets anders?
Sommige taalgebruikers redeneren dat ‘een keer meer’ een keer en vervolgens nog een keer is, dus in totaal twee keer. Vanaf dat startpunt zou ‘twee keer meer’ volgens hen driemaal zoveel zijn, en ‘drie keer meer’ vier keer zoveel, enzovoorts.

Nu we ons met rekenkunst in plaats van taalkunde bezighouden, kunnen we deze redenering ook toepassen op ‘… zoveel’. Ook ‘één keer zoveel’ kan namelijk duiden op een verdubbeling. Misschien wel omdat ‘een keer’ synoniem is met ‘eens’, dat zowel eenmaal als tweemaal (‘eens zoveel’) betekent. Toch zal niemand de mogelijke verdubbeling van ‘een keer zoveel’ of ‘eens zoveel’ meetellen als hij verder telt: twee keer zoveel is het dubbele, driemaal zoveel het drievoudige.

Taal is geen algebra en ook geen rekenkunde. In de praktijk gaan taalgebruikers ervan uit dat tien keer meer net als tien keer zoveel het tienvoudige is, en dat iets wat drie keer duurder of drie keer zo duur wordt met drie vermenigvuldigd wordt. Beide type constructies – met zoveel en met meer – betekenen hetzelfde en zijn correct, al is er in schrijftaal wel een lichte voorkeur voor de combinatie met zoveel.
Dan de vraag of combinaties als tien keer meer/minder nieuwlichterij zijn. Nee, ‘duizendmaal meer’ en vergelijkbare combi’s tref je al in de 17de eeuw aan. Wel wijzen
frequentiegegevens erop dat combinaties als ‘twee, drie, tien keer meer/minder’ de laatste decennia meer ingeburgerd zijn geraakt.

.

Nederlandse taalwoordallerlei

Nederlandse taalspelling

Nederlandse taalalle artikelen 

Wat op deze blog staat.

VRIJSCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 148-161 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

De borst

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner veel over ‘de borst’ heeft gezegd, als deel van de lichamelijk bekeken drieledige mens. 
En dat weer vanuit vele gezichtspunten. En steeds vrijwel meteen in tegenstelling tot enerzijds het hoofd, anderzijds de ledematen.
Het is eigenlijk onmogelijk iets – in dit geval – over de borst duidelijk te maken, zonder de andere twee daarbij te betrekken.
Steiner maakt met deze methode waar wat hij bijv. op blz. 116 (vert) beweerde:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/113
Vertaald/116

En bijv. hier: Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.

Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.
GA 301/42  
Op deze blog  vertaald 42

Een goede oefening is om overal bij de opmerkingen over de borst jezelf steeds af te vragen waar een tegenstelling is te vinden en hoe die dan is bij het hoofd en/of de ledematen.

Vorm 

Wanneer ik nu van alles te berde breng, zijn dat geen ‘bewijzen’, maar in het ‘wijzen op’ kan er iets duidelijk worden van waar het in deze voordracht om gaat.

Dit ‘beetpakken’ van de borstkas(t) lukt niet zodanig als we dat bij het hoofd kunnen. Leggen wij onze handen om een hoofd, dan ervaren we dat we het min of meer omvatten. In dit opzicht kan je de borst niet omvatten – letterlijk niet – en hier word je al geconfronteerd met ‘de grotere bol’ die Steiner tekent:

De tegentellingen:

Blz. 152  vert. 148

Wir haben darauf aufmerksam gemacht, wie im wesentlichen die Kopfform die Form des Kugeligen ist, wie in dieser kugeligen Kopfform das eigentliche leibliche Wesen des menschlichen Hauptes liegt. Wir haben dann darauf aufmerksam gemacht, daß der Brustteil des Menschen ein Fragment einer Kugel ist, so daß also, wenn wir schematisch zeichnen, wir dem Kopfe eine Kugelform, dem Brustteil eine Mondenform geben und daß wir uns klar sind, daß in dieser Mondenform ein Kugelfragment, ein Teil einer Kugel enthalten ist. Daher werden wir uns sagen müssen: Wir können ergänzen die Mondform des menschlichen Brustgliedes. Und Sie werden nur dann dieses Mittelglied der menschlichen Wesenheit, die menschliche Brustform, richtig ins Auge fassen können, wenn Sie sie auch als eine Kugel betrachten, aber als eine Kugel, von der nur ein Teil, ein Mond sichtbar ist und der andere Teil unsichtbar ist. Sie sehen daraus vielleicht, daß in denjenigen älteren Zeiten, in denen man mehr die Fähigkeit gehabt hat als später, Formen zu sehen, man nicht unrecht hatte, von Sonne dem Kopf entsprechend, von Mond der Brustform entsprechend zu sprechen. Und wie man dann, wenn der Mond nicht voll ist, von dem Mond eben nur ein Kugelfragment sieht, so sieht man von dem menschlichen Mittelgliede in der Brustform eigentlich nur ein Fragment. Daraus können Sie ersehen, daß die Kopfform des Menschen hier in der physischen Welt etwas verhältnismäßig Abgeschlossenes ist. Die Kopfform zeigt sich physisch als etwas Abgeschlossenes. Sie ist gewissermaßen ganz dasjenige, als was sie sich gibt. Sie verbirgt am allerwenigsten von sich.
Der Brustteil des Menschen verbirgt schon sehr viel von sich; er läßt ctwas von seiner Wesenheit unsichtbar. Es ist sehr wichtig für die Erkenntnis der Wesenheit des Menschen, das ins zu fassen, daß vom Brustteil ein gut Stück unsichtbar Ljnd so können wir sagen: Der Brustteil zeigt uns nach der Seite, nach rückwärts, seine Leiblichkeit; nach vorwärtst er in das Seelische über. Der Kopf ist ganz Leib; der Drustteil des Menschen ist Leib nach rückwärts, Seele nach vorwärts. Wir tragen also einen wirklichen Leib nur an uns, in- dem wir unser Haupt auf den Schultern ruhen haben. Wir haben an uns Leib und Seele, indem wir unsere Brust heraus- gliedern aus dem übrigen Brustteil und sie durcharbeiten, durchwirken lassen von dem Seelischen.

We hebben erop gewezen∘ dat de vorm van het hoofd in essentie die van de bol is, en dat deze bolle vorm van het hoofd het eigenlijke, lichamelijke wezen van het menselijk hoofd uitdrukt.


Vervolgens hebben we erop gewezen dat de borst van de mens een fragment van een bol is, zodat we dus — wanneer we het schematisch tekenen — het hoofd een bolle vorm en de borst de vorm van een maansikkel kunnen geven en het ons zodoende duidelijk is dat deze maansikkel een fragment, een deel van een bol is. Met andere woorden, we kunnen de sikkelvorm van de menselijke borst completeren. En u zult dit middengebied van het wezen van de mens, de vorm van de borst, slechts dan op de juiste wijze zien, wanneer u ook dit als een bol beschouwt — maar dan als een bol waarvan slechts een gedeelte, een sikkel, zichtbaar is en waarvan het andere gedeelte onzichtbaar is.

Daaraan kunt u wellicht zien, dat men in vroeger tijd, toen men meer dan later het vermogen had vormen te zien, geen ongelijk had, wanneer men zei dat de vorm van het hoofd overeenkomt met de zon

en de vorm van de borst met de maan. En zoals men ook slechts een fragment ziet van de maan, wanneer ze niet vol is, zo ziet men in de vorm van de borst eigenlijk slechts een fragment van het middengebied van de mens.

U ziet dus dat het hoofd van de mens hier in de fysieke wereld een tamelijk voltooide vorm heeft. De vorm van het hoofd manifesteert zich fysiek als iets voltooids. Ze is als het ware helemaal zoals zij zich voordoet. Ze verbergt het minst van zichzelf.

Het borstgedeelte verbergt al heel veel van zichzelf; het laat een deel van zijn wezen onzichtbaar. Voor het inzicht in het wezen van de mens is het zeer belangrijk voor ogen te houden, dat een groot stuk van het borstgedeelte onzichtbaar is. En zo kunnen we zeggen: het borstgedeelte toont aan de achterkant zijn fysieke verschijningsvorm, naar de voorkant gaat het over in de ziel.

Het hoofd is geheel en al lichaam;

de borst van de mens is naar achteren toe lichaam en naar voren toe ziel.

Het werkelijk lichamelijke aan ons is dus alleen het hoofd dat op de schouders rust.

We hebben lichaam en ziel doordat we in onze borst, als afgezonderd deel van de gehele borst, de ziel opnemen en laten werken.

Hoewel dus de borstkas fysiek gezien een begrenzing heeft door de ribben, wijst Steiner hier met name op de ziel die hij schematisch met de cirkelvorm aangeeft.
M.i. kunnen of moeten we zelfs deze borstcirkel groter denken wanneer we over de ziel spreken.
Via de zintuigen – voornamelijk bij het hoofd horend – komt de wereld bij ons binnen en we kunnen die wereld vasthouden door de beelden die we ervan maken. We hoeven maar één keer ergens geweest te zijn en de mogelijkheid bestaat dat iets zo’n indruk op ons heeft gemaakt, dat we de voorstelling daarvan ons leven lang meedragen. We hoeven op die plaats nooit meer te komen – we zijn er door onze voorstelling telkens als we willen.
Maar zoiets kan bijv. niet worden gezegd over onze adem. Die kunnen we niet vanaf een bepaalde plaats in ons bewaren en er een leven lang over beschikken. Telkens zijn we met ons ademen gebonden aan de grote ruimte om ons heen waar ‘de lucht’ zich bevindt. 
We staan in verbinding met iets wat in een veel grotere cirkel om ons heen is.
Nu is dit nog het fysieke vlak.

Zien we de borst als de fysieke drager van ons gevoel, door de organen hart en longen, dan blijkt de cirkel ook veel groter te zijn.
De invloed van het fysieke roffelen op de borst door het alfamannetje op de apenrots, betekent iets tot in de wijde omtrek waar tot op grote afstand rekening mee wordt gehouden,

In GA 208 bijv. spreekt Steiner duidelijk over een verbinding van de rompmens met ‘het kosmische’ – dus de grotere cirkel.

GA 208  blz. 22

Zwischen dem, was wir sind als irdische Wesen, gemildert durch das Kosmische, was wir sind als kosmisches Wesen, gemildert durch das Irdische, zwischen beiden liegt der Rumpfesmensch.

Tussen wat we zijn als aards wezen, afgezwakt door het kosmische, wat we zijn als kosmisch wezen, afgezwakt door het aardse, tussen die twee bevindt zich de rompmens.
GA 208/22  
Niet vertaald

En even verderop in GA 293:

blz. 153  vert. 150

Beim Brustteil ist ein Stück von der Peripherie übriggeblieben.

Bij het borstgedeelte is een stuk van de periferie overgebleven.

( ) Het hoofd heeft zijn middel­punt ergens in zichzelf: een concentrisch middelpunt.

Blz. 156  vert. 153

Nicht hat in der Mitte der Kugel die Brust ihren Mittelpunkt die Brust hat den Mittelpunkt sehr weit weg. Das ist hier in der Zeichnung nur fragmentarisch angesetzt, denn es wäre sehr groß, wenn es ganz gezeichnet würde. Also weit weg hat die Brust den Mittelpunkt.

De borst heeft haar middelpunt niet in het midden van de bol; het middelpunt van de borst is heel ver weg. Dat is hier in de tekening slechts fragmentarisch weergegeven, want het zou een heel grote tekening worden, wanneer alles erop zou moeten staan. [En dan nogmaals!: De borst heeft een middelpunt dat heel ver weg is.

Blz. 157-158    vert. 154

Nun könnte man auch noch eine andere Zeichnung vom Menschen machen. Man könnte sagen: Der Mensch ist zunächst eine riesengroße Kugel, die die ganze Welt umfaßt, dann eine kleinere Kugel, und dann eine kleinste Kugel. Nur die kleinste Kugel wird ganz sichtbar; die etwas größere Kugel wird nur zum Teil sichtbar; die größte Kugel wird nur in ihren Einstrahlungen am Ende hier sichtbar, das übrige bleibt unsichtbar. So ist der Mensch aus der Welt heraus gebildet in seiner Form.

Nu zou men ook nog een andere tekening van de mens kunnen maken. Men zou kunnen zeggen: de mens is in de eerste plaats een reusachtige bol, die de gehele kosmos omvat; vervolgens een kleinere bol en een nog kleinere. Alleen de kleinste bol wordt geheel zichtbaar; de grotere bol wordt slechts ten dele zichtbaar; de grootste bol wordt alleen zichtbaar aan de uiteinden van de stralen – de rest blijft onzichtbaar. Zo heeft de mens vanuit de kosmos zijn vorm gekregen.

Inmiddels heeft Steiner gesproken over de metamorfose van verschillende botten.
Dat zal op deze blog in een apart artikel gebeuren.

Het thema: geslotener worden en zich meer openen – in Goethes metamorfoseleer het ‘ballen und spreizen’ – is hier weer terug bij het ‘lichaam’ – het uitgangspunt van voordracht 10.

Und wiederum im mittleren System, im Brustsystem, haben wir die Vereinigung des Kopfsystems und des Gliedmaßensystems. Wenn Sie das Rückgrat mit den Ansätzen der Rippen betrachten, so werden Sie sehen, daß das der Versuch ist, sich abzuschließen nach vorne. Nach rückwärts ist das Ganze abgeschlossen, nach vorne ist nur der Versuch gemacht des Abschließens; er gelingt nicht ganz. Je mehr die Rippen dem Kopfe zugeneigt sind, desto mehr gelingt es ihnen, sich abzuschließen, aber je weiter nach unten gelegen, desto mehr mißlingt es ihnen. Die letzten Rippen kommen nicht mehr zusammen, weil ihnen da entgegenwirkt diejenige Kraft, die dann in den Gliedmaßen von außen kommt.

We keren terug naar het middengebied, het borststelsel, waar het hoofdstelsel en het ledematenstelsel samengaan. Wanneer u kijkt naar de ruggengraat met de aanhechtingen van de ribben, dan zult u zien dat dat de poging is zich naar voren toe af te sluiten. Van achteren is het geheel afgesloten, naar voren toe is het bij een poging gebleven: het afsluiten lukt niet helemaal. Hoe dichter de ribben bij het hoofd liggen, des te meer lukt het hun zich af te sluiten, maar hoe verder ze naar onderen liggen, des te minder lukt het. De laatste ribben sluiten zich niet meer aaneen, aangezien ze daar tegengewerkt worden door de kracht die van buiten komt en in de ledematen leeft.

De laatste zin vraagt ook om een nadere verklaring, maar dat zou voor hier nu te ver buiten het onderwerp van voordracht 10 gaan.

Wanneer je onderstaande afbeelding ziet, mis je daarbij hoofd en ledematen. Die erbij denken, kan je het gevoel geven dat bovenaan – bij de atlas en de draaier – de verdichting vanuit de borst gezien, niet kleiner kan worden en de opening bij de valse ribben niet groter. 
Toch gaat het verdichten en het verruimen door, maar ineens op een ander niveau: de geslotenheid van het ‘ronde’ hoofd en de verwijding van de ribben die ‘ineens’ ledematen zijn. Dit ‘ineens’ is de metamorfose.
Tegelijkertijd is de afbeelding een prachtige illustratie van het middengebied, waarvan we steeds zeggen, dat dit het ritmische gebied is.

De voorzijde van de borst

De achterkant

De achterkant lijkt door zijn meer gesloten zijn dan de voorkant, de ‘dichtere’ kant. De meer materiële kant. Daar tekent Steiner dan ook de ‘maanvorm’. 
Die meer materiële kant is daardoor ‘aardser’ in zijn kwaliteit. Harder en minder kwetsbaar dan de voorkant. Met deze kant kunnen we ons ‘open’ stellen, we kunnen er iemand aan onze borst of ons hart drukken; met de andere kant keren we iemand de rug toe. 
Daarmee zien we de antipathie- en de sympathiekant, m.a.w. we ‘zien’ de ziel.

Zoals Steiner het hoofd met de zon vergelijkt, zo doet hij dat voor de borst met de maan. 
Hij zegt dat men dat ook ‘in oude tijden’ deed, maar daarvan heb ik nog geen voorbeelden gevonden.

In Algemene menskunde [10-1] heb ik de woorden over de dierkunde uit GA 294 geplaatst. 
Ik herhaal dat hier niet, behalve de passage over de romp en de maan:

Dann aber versuchen Sie, im Kinde die Vorstellung hervorzurufen, daß der Rumpf gewissermaßen ein Fragment des Kopfes ist. Versuchen Sie, das durch eine Zeichnung beim Kinde hervorzurufen, indem Sie ihm sagen: Der Kopf ist kugelförmig. Nimmst du ein Stück aus der Kugel heraus, indem du dies (das schraffierte Stück der Zeichnung) abschneidest und das andere zurückbehältst, so daß gewissermaßen der Mond zurückbleibt von der Sonne, dann bekommst du die hauptsächlichste Form des Rumpfes. – Es würde gut sein, wenn Sie aus Wachs oder geknetetem Teig eine Kugel formten, das schraffiert Angedeutete abschnitten und wirklich sphärisch den Mond zurückbehielten in seiner Gestaltung, damit Sie in dem Kinde wirklich eine solche Vorstellung von einem Kugelfragment für den menschlichen Rumpf hervorrufen. 

Dat roept namelijk tegelijkertijd gevoels- en wilselementen wakker, want het kind gaat het hoofd kunstzinnig, als bolvorm, zien. Dat is belangrijk. Daardoor spreekt u de hele mens aan en niet alleen zijn intellect. En dan probeert u bij de kinderen de voorstelling op te roepen dat de romp in zekere zin een fragment is van het hoofd. Probeert u dit met behulp van een tekening te doen en zegt u dan: ‘Het hoofd heeft de vorm van een bol. Neem je een stukje weg uit de bol door dit [het gearceerde deel van de tekening] eraf te snijden en de rest weg te laten, dan hou je als het ware de maan over van de zon en heb je in grote lijnen de vorm van de romp.’ Het zou goed zijn als u uit was of brooddeeg een bol zou vormen en dan het gearceerde deel van de tekening eraf zou halen, zodat u werkelijk een sferisch maantje overhoudt. Dan roept u in een kind werkelijk de voorstelling op dat de romp van de mens een deel van een bol is. 

Steiner hecht er belang aan dat wij de mens door de kinderen kunstzinnig laten ervaren en spoort ons aan ‘de maan’ als ‘romp’ te boetseren door in de bol, ‘de zon’ een stuk weg te halen. 
Dat kan met klei of brooddeeg en met bijenwas kun je zelfs met kleur werken. Het zijn suggesties.
Ik heb dat in al mijn 4e klassen gedaan. Je kunt er nog bepaalde gezichtspunten bij in de praktijk brengen, al hoeft dit niet. Ik heb het hoofd weleens uit blauwe bijenwas gemaakt – blauw als kleur van ‘het koele’ dat bij de functionaliteit van het hoofd hoort als het ‘koele’ denken. Geel voor de stralende ledematen en groen als midden tussen blauw en geel.
Toen ze klaar waren, zeiden kinderen altijd: ‘net baby’tjes’.
En als je de tekening uit de voordracht een slagje draait, ziet dat er inderdaad als een liggend mens uit:
dierkunde Steiner 5

Die indruk wordt nog versterkt als je naar de ligging van een embryo kijkt:

dierkunde embryo 1

Foetus op het einde van de 3e maand, 75 mm lang. Je ziet de figuur weer waarover in de voordracht wordt gesproken. [4.1]
Embryo in week 5. Ook hier valt de ‘maan’vorm op. [4-2]

Voor een beschouwing over de ledematen zie [10-4

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] Blechschmidt, E. ‘Vom Ei zum Embryo’ 1968, Stuttgart

Algemene menskunde: voordracht 10 alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2355

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/12)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

HET EZELTJE
.

Als we de ezel waarnemen, ook zijn gedrag, weten we wel dat als we bijv. ergens willen komen, we beter met een paard kunnen gaan. Het is meer een lastdier, dan een rijdier. Wie ooit met kinderen – of kleinkinderen – een ezeltocht gemaakt heeft, weet dat je dat beter niet zonder appels mee te nemen kan doen. Want vaak is voor de ezel het verse gras langs de kant interessanter dan een ritje met iemand op je rug. De appel wil dan nog weleens helpen hem weer in beweging te krijgen. En loopt de ene, dan volgt vaak de andere gedwee: het is ook een echt kuddedier. Maar zet hij eenmaal de poten schrap, dan is er geen beweging in te krijgen. Vandaar dat we hem ; koppig’ noemen – of dom – wanneer hij onze zin niet doet. Maar met die domheid valt het wel mee: zegt het spreekwoord niet dat hij zich meestal geen twee keer aan dezelfde steen stoot? 
In de bergen weet hij feilloos de weg die hij rustig en bijna ‘weloverwogen’, in alle rust, bewandelt. 

Franciscus van Assisi noemde zijn lichaam ‘broeder ezel’ en wees daarmee op onze lichaamsnatuur, het fysieke lichaam, als drager van ziel en geest. ‘Wat ben ik toch een ezel’, is een uitdrukking die we soms op onszelf van toepassing achten.
We kunnen in de ezel dus wel twee naturen opmerken.

In het oude Egypte vinden we het ezeltje al. Plutarchus schrijft over hem in ‘Isis en Osiris’, waarin hij deze mythe vertelt:
=In de oudste tijden leefde de god Osiris met zijn zuster en echtgenote Isis tussen de gelukkige mensen. Het was de gouden tijd. Op een dag bracht de broer van Osiris, Typhon, (Seth) hem een kist in de vorm van een menselijk lichaam en kreeg hem zover erin te gaan liggen. Typhon sloot de kist en Osiris stikte, Seth-Typhon wordt uitgebeeld met een ezelskop of rijdend op een ezel.
Isis huilt en jammert. 
Osiris, die ook het ‘schouwende oog’ genoemd wordt, is niet meer onder de mensen. Maar de Egyptische mythe verhaalt: In het leven na de dood vindt de mens hem weer; daar, aan gindse zijde, wordt de mens, wanneer hij de loutering heeft doorstaan, bij de hemelpoort door de goden ontvangen met de woorden: ‘Jij, Osiris, jij hebt het zonneoog weer hersteld dat op aarde door duistere macht weggenomen was.’

Daaruit kunnen we opmaken dat Osiris als goddelijk wezen niet alleen onder de mensen werkte, maar ook als hoger zelf in ieder mens. Maar dit tijdperk komt tot een eind. Opgesloten in de kist die de vorm van een menselijk lichaam heeft, wil zeggen: het lichaam van de mens verdicht zich en verhardt, zodat het Osiris-Zelf zich daarin niet meer kan uitdrukken en zichtbaar worden. Daarmee dooft het licht in het schouwende oog: de helderziendheid verdwijnt.

Maar de ingewijde die een loutering heeft ondergaan en een ontwikkeling heeft doorgemaakt en de spirituele wereld uit eigen ervaring kent, kan dit leven al tot een ineerlijk schouwen komen en de hogere mens, Osiris, doen verschijnen.
In Mozarts Zauberflöte wordt deze weg geschetst.

Een imaginatief schouwen zag het lichaam dat door Seth was veranderd, in het beeld van de ezel. Want als het goddelijk oog, de bovenzintuiglijke waarneming verdwijnt, wordt de fysieke zintuigwaarneming des te krachtiger. Waar de wijsheid van het bovenaardse verdwijnt, wordt het aardse weten belangrijker.
Voor de kosmos werd de mens ‘dom’, voor de aarde ‘slim’. 
En zo zien we de wil tweeslachtig worden en daarmee ook het handelen.
Maar ondanks deze paradox in onze lichamelijke natuur, vinden we er ook een vermogen iets te (ver)dragen, geduld en een sterk uithoudingsvermogen – net zoals bij de ezel.

Bij de uittocht uit Egypte namen de Joden het symbool van de ezel mee en voegden dat in hun kabbala in. Daarin is het beeld iets veranderd, in een man met een ezelskop en een boek, Tharak, dat betekent: blind geloof. 
Later vinden we het symbool weer terug in het oude Rome, maar nu als karikatuur, zoals we weten van de kerkvader Tertullianus, met het opschrift ‘God van de christenen’, d.w.z. de leer van bepaalde christenen: leer te geloven, zonder te zien.

In de Bijbel is er sprake van een sprekende ezel. Bileam krijgt raad van zijn sprekende ezelin. Hier werkt de natuur van het lichaam inspirerend, die heeft nog weet van een  diepere samenhang. De mens kon die imaginatief waarnemen.

Die kennis lag ook ten grondslag aan de ‘Gouden ezel’ van Apulejus’. Deze roman die uit de tweede eeuw na Christus stamt, wordt in het algemeen als een schelmenroman beschouwd. Maar in waarheid zit daar een diep mysterieweten in, dat toen niet mocht worden uitgesproken.
Een jongeman wordt in een ezel veranderd en alleen wanneer hij rozen vreet uit de hand van een Isis-priester, wordt de verandering ongedaan gemaakt. Dat gebeurt na vele avonturen; dan wordt hij in de mysteries van Isis ingewijd.
Met de titel ‘De gouden ezel’ wilde Apulejus zeggen dat de lichamelijke natuur nog vol wijsheid zit.

Later droogt deze wijsheid op. de ezel is niet meer van goud, ook al spuugt hij soms nog goudstukken, zoals in het sprookje van ‘Tafeltje dek je’. Maar ja, je moet wel lang bij je meester hebben geleerd en het juiste woord weten: dan geeft de ezel van voren – bewust – en van achteren – onbewust – nog wijsheid door.
Maar uiteindelijk heb je toch niet neer dan een gewoon grauw ezeltje.

Shakespeare wist wel wat hij deed, toen hij in de ‘Midzomernachtsdroom’ de wever een ezelskop liet opzetten: de mens die overdag de meeste gedachtespinsels weeft. 

De vraag is nu: hoe verander je deze grauwe ezel, hoe maak je dat het lichaam weer open komt te staan voor de geest, de geest wil volgen.

Op een vaas uit Sumerië staat een ezel met een harp; op de zuidkant van de kathedraal van Chartres staat een ezel gebeeldhouwd, met een snaarinstrument – een symbool dat je vaker op de Franse kathedralen vindt. 
In Lübeck in de Mariakerk op het koorgestoelte speelt een ezel op het orgel. 

Maak muziek, lijken deze beelden te zeggen, dan verander je je verkommerde lichamelijke natuur, je verbreekt de betovering van de ezel.

Dat vinden we ook in het sprookje:

Er leefden eens een koning en een koningin die heel rijk waren en alles hadden wat zij wensten, alleen geen kinderen. De koningin klaagde daar dag en nacht over en sprak: ‘Ik ben als een akker waar niets op groeit.’ Eindelijk vervulde God haar wens; maar toen het kind ter wereld kwam zag het er niet uit als een mensenkind, maar het was een jong ezeltje.

In het gouden tijdperk van de mensheid was de geest van de mens rijk aan openbaringen die hem vol genade waren geschonken; hij was omhuld met de mantel van een omvattende waarde en droeg de kroon van de wijsheid; hij was een koning gelijk en zijn ziel een koningin. Maar ze hadden geen kind. D.w.z. het gouden tijdperk duurde lang. Ovidius en Hesiodes spreken over twintigduizend jaar. Toen vond er een bewustzijnsverandering plaat en et werd een nieuw soort mens geboren. Zijn lichaam stond niet meer zo open voor de geest, wilde de geest niet meer volgen, het trok meer naar het dierlijke en leek niet meer op zijn goddelijk oerbeeld.

Toen de moeder dat zag begon zij pas goed te jammeren en te weeklagen, zij had liever helemaal geen kind gehad dan een ezel en zij zei dat men hem in het water moest gooien, dan konden de vissen hem opeten. Maar de koning sprak: ‘Nee, nu God hem heeft geschonken, zal hij ook mijn zoon en erfgenaam zijn, na mijn dood op de koninklijke troon zitten en de koningskroon dragen.’

De ziel is in twijfel en wil de feiten niet onder ogen zien. Maar de innerlijke heer en meester zegt: ‘God heeft ingestemd met de bewustzijnsverandering, ook met het dierlijke in de mens, en dit zal eens het koningschap veroveren, ook al zal dat heel anders zijn. Het eerste is nog genade, maar het tweede moet door hard werken worden bereikt, met pijn en moeite. Maar de men bereikt daardoor een verheven doel: hij wordt een persoon, hij vindt zijn Ik.
Niet het egoïstisch lagere zal hij vinden – dat is maar een fase – maar het onzelfzuchtige, hogere en liefhebbende, dat is het ware Ik.

En zo werd het ezeltje opgevoed, groeide en ook zijn oren werden mooi lang en stonden recht overeind. Verder was hij vrolijk van aard, sprong in het rond, speelde en had vooral veel plezier in muziek, zodat hij naar een beroemde speelman ging en zei: ‘Leer mij de kunst zodat ik net zo goed op de luit kan tokkelen als jij.’ – ‘Ach, lieve kleine heer,’ antwoordde de speelman, ‘dat zal u moeilijk vallen, uw vingers zijn daar heus niet geschikt voor en veel te groot, ik ben bang dat de snaren dat niet uithouden.’ Er viel niet tegen te praten, het ezeltje moest en zou luit spelen, was volhardend en vlijtig en leerde het tenslotte net zo goed als zijn leermeester.

Het Duits heeft voor ‘je er niet onder laten krijgen’ – ‘de oren mooi stijf houden – die Ohren fein steifhalten.’Dat is het eerste wat het jonge Ik dat toegroeit naar een persoonlijkheid als impuls met zich mee moet dragen.
Hier is het hoofdmotief van het sprookje. de weg naar verandering wordt ingezet: met muziek. Muziek in de ruimte zin: ritmisch en harmonisch leven met een spirituele wereld.
De ezel wordt toehoorder, een kunstenaar. 
Daar zou je aan Socrates kunnen denken. Toen bij de Grieken het helderziende vermoigen verloren ging en de mens afgelsoten raakte voor de kosmos, aards, maar wakker, was ghij het die het intellectuele denken beoefende en het onderwees, zoals een koningszoon in een ezelsvel. Zijn innerlijke stem zei hem: ‘Socrates maak muziek’, maar hij luisterde niet.

Wie de toverfluit leert bespelen, verdrijft de lage driften; gaat ongedeerd door het vuur van de lagere hartstochten; gaat niet reddeloos in de golven van de onbeheerste gevoelens ten onder en komt uiteindelijk in de zonnetempel om te worden ingewijd. De mens moet echter wel zijn leermeester vinden die hem in deze kunst onderwijst. En hij moet met geduld en vlijtig volhardend zijn.

Eens was het heerke in gepeins verzonken aan het wandelen en kwam bij een bron – hij keek erin en zag in het water, dat zo helder was als een spiegel, zijn ezeltjesge-daante. Hij was daarover zo bedroefd, dat hij de wijde wereld introk en slechts één trouwe metgezel meenam.

Ook zelfkennis kan daarbij niet ontbreken. De mens wordt zich bewust dat hij niet meer op het ware oerbeeld lijkt. Wie oppervlakkig leeft, wordt hierdoor niet zo geraakt, maar wie dij een meester in de leer is, wordt er diep door geraakt. hij weet dat in het erfrijk van zijn vader niet kan blijven en op eigen kracht moet hij verder.

Zij trokken heuvel op  heuvel af en tenslotte kwamen zij in een rijk waar een oude koning heerste die één enkele dochter had die wonderschoon was. Het ezeltje zei: ‘Hier zullen wij een tijdje blijven,’ klopte aan de deur en riep: ‘Er staat een gast buiten, doe open zodat hij kan binnengaan.’ Toen er echter niet werd opengedaan ging hij zitten, nam zijn luit en tokkelde daar met zijn voorpoten liefelijk op. De poortwachter sperde zijn ogen wijd open, liep naar de koning en zei: ‘Daarbuiten zit een jong ezeltje voor de poort dat net zo goed luit speelt als een volleerd muziekmeester.’ – ‘Laat dan die muzikant bij mij binnenkomen,’ sprak de koning. Maar toen er een ezeltje binnentrad begon iedereen om de luitspeler te lachen. Men wilde dat het ezeltje aan het ondereind van de tafel bij de knechts zou gaan zitten eten maar dat was niet naar zijn zin en hij zei: ‘Ik ben geen gewoon stalezeltje, ik ben een heel voornaam ezeltje.’ Toen zeiden zij: ‘Als je dat bent, ga dan bij het krijgsvolk zitten.’ – ‘Nee,’ zei hij, ‘ik wil bij de koning zitten.’ De koning lachte en zei goedmoedig: ‘Ja, zoals je wenst, ezeltje, kom maar bij mij zitten.’

Wie is de koning met deze enige, wondermooie dochter? De wondermooie dochter is de individuele ziel en haar vader is de heer en meester in de sfeer van de ziel. 
De koningszoon komt vanuit het rijk van het vaderlijke zelf in het rijk van de ziel. De muziek verleent hem de toegang. 
Nu wordt hij op de proef gesteld. Is de mens zich bewust van zijn waardigheid. ‘Ik ben geen gewoon stalezeltje’, zegt de koningszoon, dat betekent: het Ik is van een voorname signatuur en als zodanig niet verwant aan het dier. Dat kan niet samengaan. ‘Ga dan bij het krijgsvolk zitten’! Maar het Ik heeft geen strijdbare natuur, het verlangt slechts naar het koningschap van de ziel. 

Daarna vroeg hij: ‘Ezeltje, hoe bevalt mijn dochter je?’ Het ezeltje draaide zijn kop naar haar toe, keek haar aan, knikte en zei: ‘Buitengewoon goed, zij is de schoonste die ik ooit heb gezien.’ – ‘Nu, dan moet je ook naast haar zitten,’ zei de koning. ‘Dat wil ik wel,’ zei het ezeltje en ging naast haar zitten, at en dronk en wist zich keurig netjes te gedragen.

Wie het koningschap nastreeft, komt in de buurt van ik-verwante ziel en begint die te herkennen. 
Het is een subtiel element in het sprookje, dat het op goede manier wijst. Goede discipline betekent beheersing van de vorm. Dat moet de mens ook zien te verkrijgen, juist omdat de lichaamsverwantschap met het dier steeds om beheersing vraagt.

Toen het edele diertje geruime tijd aan het hof van de koning had doorgebracht, dacht hij: Wat geeft het allemaal, ik moet toch weer naar huis, en hij liet zijn kop treurig hangen, trad voor de koning en wilde afscheid nemen. Maar de koning had hem lief gekregen en sprak: ‘Ezeltje, wat scheelt je? Je kijkt zo zuur als azijn! Blijf bij mij, ik zal je geven wat je maar wilt. Wil je goud hebben?’ – ‘Nee,’ zei het ezeltje en schudde zijn kop. ‘Wil je kostbaarheden en sieraden?’ – ‘Nee.’ -‘Wil je mijn halve rijk?’ – ‘Ach nee.’ Toen zei de koning: ‘Als ik maar wist waarmee ik je plezier kon doen – wil je mijn mooie dochter tot vrouw?’ – ‘O ja,’ zei het ezeltje, ‘dat zou ik wel willen’ en opeens was hij heel vrolijk en opgewekt, want dat was nu juist wat hij gewenst had.

Als het Ik voor de belangrijkste beslissing staat, volgt nog een beproeving en deze is tweeledig. Liefde streeft naar eenwording; maar mag een Ik dat nog steeds een vel draagt hiernaar verlangen. Zou de heer en meester van de ziel het Ik niet op de proef moeten stellen wat voor hem het belangrijkste is: Wijsheid – goud, schoonheid – kostbaarheden, regentschap – het halve rijk of het eeuwig-vrouwelijke van de ziel zelf?

En zo werd er een grote en prachtige bruiloft gevierd, ’s Avonds toen bruid en bruidegom naar hun slaapkamertje gebracht werden, wilde de koning weten of het ezeltje zich wel vriendelijk en netjes zou gedragen en hij beval een bediende zich daar te verstoppen. Toen zij nu beiden daar binnen waren schoof de bruidegom de grendel voor de deur, keek om zich heen en toen hij dacht dat zij helemaal alleen waren wierp hij opeens zijn ezelshuid af en stond daar als een schone koninklijke jongeling. ‘Nu zie je wie ik ben,’ zei hij, ‘en je ziet ook dat ik je niet onwaardig was.’ Daar was de bruid blij om, kuste hem en beminde hem vurig. Maar toen de ochtend aanbrak sprong hij op, trok zijn dierenhuid weer aan en geen mens had kunnen vermoeden wie daar in stak.

Wat er nu volgt, zijn beelden van de koninklijke bruiloft, zo heet dit proces. De men die zich actief steeds probeert te veranderen, wordt door de ziel geaccepteerd, ze wordt één met hem. Deze bruiloft voltrekt zich in twee of drie fasen in de nacht. ’s Nachts huist het Ik niet in het lichaam – je bent er niet – het maakt zich los van de wereld en gaat op in de wereld die zijn eigenlijke thuis is. De slaap is heilig – zei mijn vroeger. In deze wereld kan het \ik zich in zijn ware gedaante vertonen. ‘Nu zie je wie ik ben en ik ben je niet onwaardig’. 
Maar ’s morgens moet het dierenvel weer worden aangetrokken.

Het duurde niet lang of ook de oude koning kwam aanlopen. ‘Kijk eens,’ riep hij uit, ‘is het ezeltje al wakker? Jij bent zeker wel heel bedroefd,’ zei hij tegen zijn dochter, ‘dat je geen echt mens als man hebt gekregen.’ – ‘O nee, lieve vader, ik heb hem zo lief, als was hij de allermooiste en ik wil hem mijn hele leven lang behouden.’ De koning was verbaasd, maar de dienaar die zich had verstopt, kwam hem alles vertellen. De koning sprak: ‘Dat kan niet waar zijn.’ – ‘Waak dan zelf de volgende nacht, u zult het met eigen ogen aanschouwen. En weet u wat, heer koning: neem de huid weg en werp die in het vuur, dan moet hij zich wel in zijn ware gedaante vertonen.’ – ‘Dat is een goede raad,’ zei de koning en ’s avonds, toen zij sliepen, sloop hij naar binnen en bij het bed gekomen, zag hij daar in de maneschijn een knappe jongeling liggen en de huid lag afgestroopt op de grond. Toen nam hij hem weg en liet buiten een geweldig vuur aanmaken en de huid erin werpen en hij bleef er zelf bij tot hij helemaal tot as was verbrand. Maar omdat hij wilde zien hoe de berooide zich zou gedragen, bleef hij de hele nacht wakker en luisterde. Toen de jongeling bij het eerste ochtendgloren was uitgeslapen, stond hij op en wilde zijn ezelshuid aantrekken maar die was niet te vinden. Hij schrok en zei, bedroefd en angstig: ‘Nu moet ik zien te vluchten.’ Maar toen hij buiten kwam, stond daar de koning die sprak: ‘Mijn zoon, waarheen zo haastig, wat ben je van plan? Blijf hier, je bent zo’n schone jongeman geworden, je mag niet van mij weggaan. Ik geef je nu mijn halve rijk en na mijn dood krijg je het helemaal.’ – ‘Dan wens ik dat het goede begin ook een goed einde heeft,’ zei de jongeling, ‘ik blijf bij u.’ Toen gaf de oude koning hem het halve rijk en toen hij een jaar later stierf had hij het gehele rijk en na de dood van zijn vader nog een erbij en hij leefde in grote heerlijkheid.

De mens kan dienen en heersen en dikwijls weet de dienaar in hem meer dan de heerser, die zou zich vaker door de dienaar moeten laten adviseren. 
Het is de dienaar die als eerste de verandering ontdekt. Maar alleen de heerser kan de huid in het outerende vuur van zijn geest verbranden en het i\k vrijspreken en erkennen: ‘Blijf hier, je bent zo’n schone jongeman’.
Weer een fijn trekje in het sprookje om hier het woord ‘schoon’ – Duits ‘schön’ te gebruiken, want dat is verwant aan schijnen, glanzen. 
‘Door jou schijnt weer je echte mensenwezen door, je lijkt weer op je ware oerbeeld.’

Nu valt de koningszoon een nieuw rijk ten deel dat hij kan besturen als een geest die volledig ontwaakt is en in hoge mate bezield en daardoor komt hem ook het rijk van zijn vader toe vanwaar hij gekomen is.

Geen ander sprookje heeft de humor zoals in dit ‘Ezeltje’. De verteller was waarschijnlijk ook een meester in het snarenspel dat het ezeltje aangeleerd werd en dat hem uiteindelijk de weg voorbereidde om zich te vervolmaken. 

Het spreekwoord zegt in het Duits: ‘Welcher Esel nicht kann Laute schlagen, der muss Säscke zur Mühle tragen.’

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2354

.

Wat op deze blog staat

.

VRIJESCHOOL – Burn-out (3)

.

Lisette Thooft in Motief 190 mrt 2015
.

SAMEN STERKER
.

Burn out op de vrijeschool

Afgebrand raken als docent is in het onderwijs een belangrijk topic.
Vrijeschoolleerkrachten lijken hier sterk vatbaar voor, je wordt immers gevoed door je idealen, omhuld en gedragen. Kunnen zij zichzelf voldoende begrenzen? Is er wel genoeg kennis over burn-out in huis, krijgen leraren wel voldoende steun van collega’s? Een verkenning van de problematiek.

Over de burn-out problemen op vrijescholen vindt de nodige discussie plaats. Ruwweg lijken er twee kampen te zijn. Het ene kamp vindt datje als vrijeschooldocent bij uitstek verantwoordelijk bent voor je eigen vitaliteitshuishouding en dat je niet moet aankomen met klachten over gebrek aan ondersteuning of structuur. Dat is slachtoffergedrag, een bewustzijnsziel onwaardig. Het andere kamp vindt dat de vrijeschoolorganisatie tekortschiet in ondersteuning van docenten. Dat er beter voor leerlingen wordt gezorgd dan voor leerkrachten. En dat de roep om een gestructureerde aanpak niet langer genegeerd mag worden.

Na een week research dreigt mijn opdracht zelf een veenbrand te worden. Iedereen die ik spreek, kent weer een paar andere mensen die ik zéker moet spreken. Namen, telefoonnummers en emailadressen stromen mijn mailbox binnen. En heb ik dat boek al gelezen? O nee, maar dan toch wel een cursus. En er moeten cijfers zijn, waar weet niemand, maar die moet ik natuurlijk wel boven tafel krijgen. Ik houd mijn hoofd koel en ik trek mijn grens. Dit is een voorlopige, onvolmaakte en schetsmatige verkenning van het onderwerp.

Spagaat

Wat is het verschil tussen burn-out raken in het reguliere onderwijs en het vrijeschoolonderwijs?
“Ik denk dat het nog moeilijker is om jezelf te begrenzen op een vrijeschool,” zegt Tessa Krop, voormalig vrijeschooldocent. “Mensen lopen leeg vanuit hun toewijding. Een ideaal is oneindig, onbegrensd. Je wilt de jaarfeesten goed vorm geven en mooie bordtekeningen maken. En je wilt mooie verhalen vertellen, en schilderen – je hebt toch die cursus gedaan om de verhaalstof kunstzinnig te verwerken? Als je daar niets mee doet, voldoe je niet aan de innerlijke beelden! En je wilt toch echt wel twee bijenwasknutsels laten maken, de kinderen moeten leren breien dus als de handwerkjuf ziek is, zorg jij dat ze leren breien. En de euritmist wil graag dat je bij zijn lessen aanwezig bent en de eindmusical is toch ook heel belangrijk. Maar daarbij moet je óók de Cito-toets voorbereiden en het Leerlingvolgsysteem op orde houden en alles doen wat de inspectie van je vraagt. Daar zit een spagaat.”

Ont-ikkend

Vrijeschoolleraren hebben het nog moeilijker met de wet- en regelgeving van nu dan reguliere, stelt Annejet Rümke, antroposofisch arts en auteur van Als een fenix uit de as, een boek over burn-out [1]. “We zijn tegenwoordig zo bezig met toetsen en protocollen. Dat is ont-ikkend en dat leidt bij vrijeschooldocenten tot extra frustratie. Als je idealen met voeten getreden worden, is dat zwaar.” De vrijeschoolleraar geeft les vanuit zijn ik, legt ze uit, waardoor het astraallichaam van de kinderen wordt opgevoed. Hij dient zijn zielenkrachten goed te beheren, zodat het etherlichaam de kinderen kan gedijen. “Steiner noemt dit de pedagogische hoofdwet. De leraar werkt met zijn ik op het astraallichaamvanhet kind en met zijn astraallichaam op het etherlichaam van het kind. Vanuit die gedachte is het ook heel erg voor de kinderen dat zoveel leerkrachten burn-out raken, waarbij hun ik de grip verliest, hun astraallichaam verbitterd raakt en hun etherlichaam uitgeput en opgebrand. Er is dus zeker reden hieraan iets  doen, ook voor de gezondheid van de kinderen.”

HOOGGEVOELIG….

Rümke stelt vast dat burn-out sowieso eerder voorkomt bij perfectionisten, bevlogen en idealistische professionals: die raken eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”

“Je hangt een beetje uit jezelf,” noemt Jet Nijhuis het, inmiddels gepensioneerd en volgens eigen zeggen zonder reserve-energie uit het vrijeschoolonderwijs gekomen. “Je zit altijd aan de sympathiekant. Dat moet ook wel, anders vang je de signalen van de kinderen niet op. Maar dan krijg je bijvoorbeeld te maken met problematische kinderen en lastige ouders en er is niemand die tegen die ouders zegt: ‘Nu is het klaar, ben je nou helemaal gek…!’ Niemand die even in de antipathie gaat zitten. Dat gebeurt in het reguliere onderwijs eerder. Nee, wij gaan nog eens drie uur lang met zo’n ouder zitten praten. Alleen al het eindeloze e-mailverkeer tussen ouders en leerkrachten is dodelijk vermoeiend.”

MAAR NIET KWETSBAAR

Kwetsbaarheid tonen, toegeven dat iets niet lukt, lijkt ook extra moeilijk in deze omgeving. “Als je je bijzonder voelt, is dat leuk,” zegt Krop, “maar het kan je ook nekken. Want je moet altijd maar bijzonder zijn. We hebben allemaal wel onze mindere kanten, maar relativeren, erom lachen met een gezonde dosis zelfspot is er niet bij.”

Hooggevoelige mensen zouden juist eerder aan de bel moeten trekken en hulp vragen als ze die nodig hebben. Maar: “Er ligt een taboe op iets niet goed kunnen of het niet volhouden,” verklaart Frouke Beekman, ook als een vrijeschooldocent overspannen raakt. “De houding is: je mag in je handjes knijpen dat je in zo’n fijne omgeving kunt werken! De andere kant daarvan is dat er ook heel veel gevraagd wordt. Je moet alles kunnen, terwijl het natuurlijk toch zo is dat de één goed is in planning en de ander niet. De één kan prima ruzietjes op het schoolplein oplossen, een ander kost dat enorm veel energie. Als je durft opengooien dat ieder zijn kwaliteiten heeft en niet meer verwacht dat je alles perfect moet kunnen, wordt het gezonder en kan de lat wat omlaag.” De antroposofie is een gesloten wereldje, vindt Beekman. Als je laat merken dat je kritiek hebt op de gang van zaken, snap je het nog niet goed, of dan hoor je er niet bij. “Er zijn altijd mensen in een team die zeer overtuigd zijn van hun antroposofische gelijk en een stempel drukken op de hele sfeer: zo moet het, want zo hebben we het altijd gedaan en zo heeft Steiner het bedoeld. Terwijl ik zelf als vrijeschoolkind juist geleerd had alles te onderzoeken en van verschillende kanten te bekijken’.

GEBREK AAN STEUN

“Van de directeur van een vrijeschool kreeg ik de vraag voorgelegd hoe komt het dat wij zo’n hoog ziekteverzuim hebben?” zegt Ramses van Hees, bedrijfsarts en consultatief antroposofisch arts. “Mijn antwoord was dat vrijescholen een bepaald type mensen
aantrekken: idealistisch, begaan, zoekend, vaak hooggevoelig – maar de infrastructuur om speciaal deze mensen te begeleiden is er niet.”
“Ik ben niet begeleid,” beaamt Nijhuis. “En ik zag het bij anderen ook. Van mensen die heel hard werken wordt snel gedacht dat ze het zelf wel afkunnen. Of er is wel inhoudelijke begeleiding, niet in de zin van: let je een beetje op jezelf? Zorg voor elkaar is er nauwelijks. En daar begint het mee. Als je waarneemt dat een collega het niet redt: kaart het aan, kijk hoe je kunt ondersteunen. Er zou veel meer intervisie en supervisie moeten zijn.”

MEER SOPHIA, MINDER MICHAEL

Van Hees vindt dat de hele antroposofie een patriarchaal tintje heeft meegekregen van Steiner. “Het monomane branden voor een ideaal, er dag en nacht voor strijden, is een extreem mannelijke eigenschap, weet ik uit eigen ondervinding. Je zou er ook zwanger van kunnen zijn, het laten wortelen in de aarde. Je netwerk verzorgen, anderen ondersteunen, knuffelen masseren: dat zijn meer vrouwelijke kwaliteiten.” Het heeft te maken met mysteriestromingen, legt hij uit, en de vraag of je in de bewustzijnsstroom staat of in de aardeomvormingsstroom. “De scholingsweg die Steiner heeft ontwikkeld, is sterk gekleurd door zijn mysteriestroming, op het bewustzijn gericht. Hij heeft de vrouwelijke kwaliteiten veel minder geleefd. Om het boud te formuleren: hij is zelf overleden aan een burn-out. En symboliseert het afbranden van het eerste Goetheanum niet het afbranden van het fysieke lichaam?”
Het afwijzen van de vrouwelijke kwaliteiten en het verheerlijken van de scholingsweg van Steiner ziet hij als probleem van veel antroposofen. “Als we deze schijntegenstelling niet in ons bewustzijn oplossen, wordt het karma. En dat kan burn-out zijn.” 

eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”

====

Een laag ziekteverzuim en geen burn-out

In mijn optiek is dit artikel wat negatief van toon en polariserend (twee kampen en vrijeschool versus regulier). Ik kan de redenering wel volgen: idealisten die dit soort onderwijs zoeken, perfectionisten, hoog gevoeligheid, slechte begrenzing en dergelijke. Dat leerkrachten vanuit hun ik-kracht werken volgens de antroposofen, geldt echter ook voor de leerkrachten van reguliere scholen zou ik denken, alleen die benoemen het niet zo. Als ik het bij mij op de scholen bekijk en concreet vertaal: wij hebben een laag ziekteverzuim en geen burn-out. Als er iemand om die reden uitvalt, is dit meestal een gevolg van de combinatie problemen thuis en de zware baan in het onderwijs. Dan is steun nodig: een team dat elkaar ziet en ingrijpt als het iemand teveel wordt. En een duidelijke organisatie en leiding die hierop stuurt die aandacht geeft. Ook is een hygiënische omgang met elkaar van belang: goed feedback geven, respect hebben voor elkaar en elkaars verschillen. En regelmatig opdoen van inspiratie door uitwisseling van kennis en ervaringen, met elkaar en andere scholen bijvoorbeeld. Dat is nodig om in balans te blijven. Helemaal in een vrijeschool, omdat hier inderdaad persoonlijke waarden zich kunnen vermengen met de taak die je hebt als leerkracht. Dat kan de kracht zijn van het onderwijs, maar ook de kwetsbaarheid.

Marin van Wijnen, directeur Zeister Vrije School

Structuur biedt houvast

Mooi om hier in Motief aandacht aan te geven. De trend is wel dat vrijescholen steeds beter scoren. De vrijescholen maken juist op dit moment een slag van het steunen op ik-krachten naar het steunen op wij-krachten. Daarbij biedt structuur dus juist houvast. Gezond in je werk staan is gezond met je eigen tijd om gaan. Samen met collega’s verantwoordelijkheid dragen. Je gezien weten door collega’s en je directeur. En als team realistisch zijn in wat je kunt bieden. Signaleren, ondersteunen en ingrijpen voor het te laat is. Niet aanmodderen. Functionerings-en beoordelingsgesprekken voeren. Allemaal heel vanzelfsprekend en het werkt! In 2011 hadden onze 7 scholen gezamenlijk nog 12 procent ziekteverzuim. In 2014 is dat gedaald naar 3,75 procent. Gemiddeld is het ziekteverzuim in het onderwijs in Nederland 6,7 procent.

Jeroen Gommers,
bestuurder Samenwerkende Vrijescholen Zuid-Holland

Aandacht voor vitaliteit

Is het probleem echt zoveel groter in vrijescholen dan op andere scholen? Zijn daar cijfers over of is het slechts een gevoel? De toenemende regel- en administratieve druk wordt als één van de oorzaken genoemd. Echter in de jaren vóór de regeldruk raakten ook aardig wat vrijeschoolleerkrachten burn-out, misschien wel meer dan nu. En is het echt zo dat idealisten gevoeliger voor burn-out zijn dan anderen? Trekken idealistische beroepen écht meer HSP-ers aan? En de scholingsweg zou niet iets voor vrouwen zijn? Er zijn zeer veel manieren om die weg te volgen. Aan de andere kant herken ik ook veel van wat de schrijfster optekent. Ons onderwijs vraagt veel van leerkrachten, het is belangrijk dat directeuren aandacht hebben voor de vitaliteit van hun medewerkers (overigens zie ik relatief meer directeuren dan leerkrachten in burn-out raken). Ik zie ook dat leerkrachten elkaar niet bepaald helpen om wegen te vinden om met dit vraagstuk om te gaan. Er zijn veel mores over wat je als vrijeschoolleerkracht hoort te doen. Als je vitaal in je werk wilt staan, draait naar mijn mening alles om de volgende elementen: de stevigheid om jezelf en anderen te begrenzen, de drive om plezier, zingeving en flexibiliteit in je werk te organiseren en ten slotte een gezond lichaam en gezonde thuissituatie.

Wim den Blanken, directeur vrijeschool De Kleine Johannes in Deventer

[1]

Herstellen en voorkomen van Burn-out. Als een fenix uit de as, geschreven door Annejet Rümke, verschijnt in nieuwe druk bij uitgeverij Christofoor, waarschijnlijk in mei, onder de titel Burn-out. (dit is 2021 niet bij Christofoor te vinden, phaw)

Op deze blog meerdere artikelen over burtnout:

[1] Burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

[2Met vreugde in het nu aanwezig zijn
Joop van Dam
 over: ‘anti’- burn-out: aanwijzingen om naar jezelf te kijken en daar kracht uit te putten; de kracht van de ‘terugblik’; het belang van de gemeenschap; hoe wordt de gemeenschap sterker; hoe sta je als tijdgenoot in het heden

 

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

2352

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (4)

.

Maria-Lichtmis
.

Maria-Lichtmis – het feest waarmee we de Grote Advent, ook wel de lichtjesfeesten, afsluiten.
De benaming is afkomstig uit de Katholieke kerk, bij deze mis hield iedere kerkganger een kaars vast. De gehele mis is gewijd aan Maria. Maria-Lichtmis is het feest van Moeder Aarde. Ze geeft vruchtbaarheid, verzorging, omhulling, draagkracht, warmte. In alle culturen werd de aardegodin aanbeden. De grote moeder Freya bij de Germanen, Demeter bij de Grieken, Ceres bij de Romeinen. Zoals alle feesten heeft ook dit feest een voor-christelijke oorsprong. In dit feest vallen Moeder Aarde en Maria samen.                                                                  

Zes weken voor kerstmis zijn we met een klein lichtje begonnen op 11 november. De warmte van de zomerzon was bewaard in de donkere aardeknol. Het was een herinnering aan de zon en tegelijk een verwachting van het licht dat komt. De kerstnacht bracht het eerste nieuwe sterrenlicht. En op driekoningen waren de dertien sterrennachten voorbij. Nu is de sterrenkracht de aarde ingetrokken. Moeder Aarde heeft het in zich opgenomen. De grond draagt het hemellicht en brengt straks nieuwe vruchten voort. De aarde gaat nu laten zien wat de hemel heeft geschonken.

De dagen worden langer, we hebben geen kaarslicht meer nodig. De kaarsrestjes en stompjes die we de afgelopen tijd hebben opgespaard worden in de aarde tussen de plantjes gezet en opgebrand.
We smelten bijenwas in halve walnootdoppen met een lontje en laten die brandend drijven in een schaal met water. Zolang de kaarsjes branden zingen we liedjes die we gezongen hebben tijdens de gehele lichtperiode, dus van Sint-Maarten tot nu.

Op school wordt dit feest voornamelijk door de kleuterklassen gevierd. De kaarsjes worden aangestoken en het licht wordt naar de aarde buiten gebracht. De kinderen zingen samen en zo wordt de Grote Advent afgesloten.

Het is een feest dat klein gevierd wordt. In de avond kun je thuis ook de laatste kaars stompjes branden, de liedjes zingen en samen een lekkere pannenkoek eten.

Bron: Vrijeschool Amersfoort

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

2350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 – alle artikelen

.

voordracht 10
de bladzijden verwijzen naar de vertaling van 1993

Een kleine uitleg over de indeling in paragrafen:
Het eerste cijfer verwijst altijd naar de voordrachtenvolgorde in de uitgave. [10-
Het tweede cijfer is het onderwerp van de beschouwing, aangegeven met het bladzijnummer en een korte inhoudsomschrijving. [10-1]
Het derde cijfer [10-1-1] geeft een uitbreiding aan van de inhoud van [10-1]
Wanneer je de gang door de voordracht wil volgen, hoef je de uitbreidingen niet per se te lezen. De volgorde door de voordracht is dus de reeks [10-1] [10-2] [10-3] enz.
Als kleur: rood.

[10-1] Blz. 148-150
De mens lichamelijk bekeken: hoofd, romp en ledematen; mens als synthese; opmerkingen uit GA 294 voordracht 7 dierkunde; bol, halve maan en stralen; 

[10-2] Blz. 148-165
Het lichamelijke is een uitdrukking van het geestelijke; meer over hoofd, romp en ledematen; hoofd ‘voornamelijk’ hoofd, verfijning van de blik; de fysieke tegenstelling hoofd-ledematen; krachten die uitgaan van het hoofd; de idee van deze drieledigheid voor de ernst van de pedagogie; 

[10-3] Blz.148-165
De romp/borst en de maan; de ziel is groter dan de romp

[10-4] Blz. 148-165
De ledematen en de kosmos; 

[10-5] Blz. 151
Over metamorfose: het belang dat Steiner aan het begrip hecht voor de pedagogie; uit GA 304 iets over Goethe en zijn opvattingen; verwijzing naar verschillende artikelen over metamorfose.

[10-5-1/1]
J.Bockemühl over: Goethes metamorfose-idee; het begrip ‘oerplant’; gedaanteverwisseling: iets waarnemen wat zintuiglijk niet aanwezig is; (illustraties)

[10-5-1/2]
J.Bockemühl over: de plant als levend, veranderend wezen; beweeglijk denken vereist; vormkrachten; plant als tijdwezen; etherlichaam van de plant; 

[10-5-1/3]
J.Bockemühl over: de kleur van de plant; de verandering van blad naar bloemblad, naar vrucht en zaad; Steiner over metamorfose; ordening volgens getallen; 

[10-5-2/1]
Leen Mees over: Goethes metamorfoseleer; begrippen: verborgen – geopenbaard; Steigerung en Polarität – toename en polariteit; plant als jaargetijdewezen; metamorfose en variatie; metamorfose bij dieren: gedaante(ver)wisseling; de plant is een vorm-metamorfose.

[10-5-2/2]
Leen Mees over: bij dier geen vorm-metamorfose; dier is metamorfose van een begeerte; meer karakteristieken over het dier; metamorfose bij de mens; verschillen mens – dier; mens geen hoger zoogdier; mens heeft biografie; individualiteit; reïncarnatie als metamorfose van de biografie; 

.

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2349

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner– Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/9)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 301

Voordracht 1, Basel 20 april 1920

Blz. 21

301/21 Wir sehen dann gerade während der Volksschulzeit, jener wichtigen Epoche in dem heranwachsenden Kinde, wo das Ge­dächtnis schon wirkt, wo wir mit dem Gedächtnis schon rechnen kön­nen, wie gerade beim Kinde es so unendlich wichtig wird, daß es an dem Lehrer, an dem Erzieher eine Autorität fühlt, eine selbstgewählte, freiwillig gewählte Autorität empfindet. Es ist ein vollständiges Ver­kennen der Menschennatur, wenn man nicht zugibt, daß die Sehnsucht, eine Autorität neben sich zu haben, zu den Grundkräften und Grund-empfindungen des kindlichen Lebens vom 6., 7. bis zum 14., 15. Le­bensjahre gehört. Wir werden hören, wie das zu dem tiefstbedeut­samen Lebenselemente des Menschen gehört, daß er in dieser Weise eine Autorität, freigewählt durch seine Empfindung, außer sich und neben sich haben kann.

We zien dan met name tijdens de basisschooltijd, die belangrijke tijd in het leven van het opgroeiende kind, waar het geheugen al werkt, waar we al rekening kunnen houden met het geheugen; hoe het bij het kind zo oneindig belangrijk wordt, dat het in de leraar, in de opvoeder een autoriteit voelt, een zelf gekozen, een vrijwillig gekozen autoriteit ervaart. Het is een volledig miskennen van de mensennatuur wanneer je niet erkent, dat het verlangen een autoriteit naast zich te hebben, tot de elementaire en basisgevoelens behoort in het leven van een kind van 6, 7 jaar tot het 14e, 15e. We zullen horen hoe dat tot de meest betekenisvolle aspecten in een mensenleven behoort om op deze manier een autoriteit, vrijwillig gekozen met zijn gevoel, om zich heen en naast zich te hebben.
GA 301/21  
Op deze blog vertaald/21

Voordracht 3, Basel 22 april 1920

Blz. 58

Das, was da gerade in dem volksschulmäßigen Lebensalter in dem Kinde wirkt, das zeigt uns schon, daß es ein Willensmäßiges ist, daß da etwas ist, was vom Willen aus in den Körper hinein will, sich in den Körper festsetzen will. Da kann nicht mehr das bloße Nachahmungs­prinzip – obwohl das, wie wir sehen werden, insbesondere pädagogisch bis zum 9. Lebensjahre wichtig bleibt und in den Lehrplan hinein­wirken muß -, da kann nicht mehr bloß das Nachahmungsprinzip wir­ken, sondern es muß jetzt ein anderes Prinzip eintreten. Das ist das Prinzip der Autorität. Wenn ich neben dem Kinde, das ich zu erziehen oder zu unterrichten habe zwischen seinem 7. und 14. oder 15. Jahr, nicht als Autorität lebe, so ist das für das Geistig-Seelische dieses Kin­des dasselbe, was es für das Physische wäre, wenn ich dem Kinde zwei Finger oder den Arm abschneiden würde, damit es sich körperlich nicht so ausleben kann in seinem Verhalten. Ich nehme ihm etwas, wenn ich ihm das nehme, was heraus will aus diesem Kinde: das Erlebnis älterer Menschen neben sich, die es erziehen und unterrichten als wirkliche Autoritäten.

Met name wat er op de basisschoolleeftijd in het kind actief is, vertoont zich al als iets van de wil, dat er iets is wat van de wil uit in het lichaam wil, zich daarmee wil verbinden. Hier kan niet meer alleen maar het principe van de nabootsing werken – hoewel dat zoals we zullen zien, in het bijzonder pedagogisch tot het 9e jaar belangrijk blijft en het leerplan mede moet bepalen -, daar kan niet meer alleen maar het principe van de nabootsing werken, maar moet er nu een ander principe bijkomen. Dat is het principe van de autoriteit, Wanneer ik naast het kind dat ik moet opvoeden of les moet geven tussen het 7e en het 14e of 15e jaar, niet als autoriteit besta, is dat voor ziel en geest van dit kind hetzelfde als wat het voor het fysieke zou zijn, wanneer ik het kind een paar vingers of een arm zou afsnijden opdat het zich lichamelijk niet kan uitleven in zijn gedrag. Als ik dat doe, pak ik iets van hem af wat uit het kind naar buiten wil komen: de beleving van een ouder mens aan zijn zijde die het wil opvoeden en onderwijzen als echte autoriteit.

Da kommen wir auf etwas, durch das wir uns in anderer Weise noch als durch die Anschauung und durch die Sprache verständigen müssen mit dem heranwachsenden Kinde; da kommen wir auf die Funktion der Liebe im Unterrichten und im Erziehen. Das gehört zu den Im­ponderabilien des Erziehungsumganges mit dem heranwachsenden Kinde, daß wir berechtigt sind, Autorität über das Kind auszuüben, und daß diese Autorität zu einer selbstverständlich wirkenden Kraft wird. Sie wird es nicht, wenn wir nicht in einer gewissen Weise durch­drungen sind von dem, was wir an das Kind heranzubringen haben.
Wenn wir bloß trocken und gedächtnismäßig als Lehrer oder als Er­zieher jenen gewissen Wissensschatz in uns tragen, wenn wir bloß aus Pflicht heraus erziehen oder unterrichten, dann wirken wir anders auf das Kind, als wenn wir mit innerer Wärme, mit Begeisterung an dem­jenigen hängen, was wir ihm zu vermitteln haben. Wenn wir in jeder Faser unserer Seele fortwährend arbeiten und uns ganz identifizieren mit diesem Wissensschatze, dann wirkt unsere Liebe zu dem, was wir 

Nu komen we op iets, waardoor wij nog op een andere manier dan door waarneming en door de taal het opgroeiende kind moeten leren begrijpen; we komen op de rol die de liefde speelt in het lesgeven en de opvoeding. Het behoort tot het gebied van het onweegbare in de pedagogische omgang met het opgroeiende kind, dat we voor het kind de autoriteit mogen zijn en dat deze autoriteit tot een vanzelfsprekend werkzame kracht wordt. Dat wordt het niet, wanneer we niet op een bepaalde manier ervan doordrongen zijn wat wij het kind moeten aanreiken.
Wanneer we droog en intellectueel als leerkracht of als opvoeder die bepaalde weetjesschat met ons meedragen, wanneer we alleen maar uit plicht opvoeden of lesgeven, werken we anders op het kind, dan wanneer we met innerlijke warmte, met enthousiasme verbonden zijn voor wat we hem moeten overdragen. Wanneer we in iedere vezel van onze ziel voortdurend werken en ons helemaal identificeren met deze schat aan kennis, werkt onze liefde op wat wij

Blz. 59

in der Seele tragen, als ein ebensoldies Verständigungsmittel wie An­schauungsunterricht und Sprache. Das sind die Imponderabilien, deren Bedeutung exakt einzusehen gerade eine geisteswissenschaftlich befruch­tete pädagogische Wissenschaft uns möglich machen wird.

in onze ziel meedragen net zo als een middel tot begrip, als het aanschouwelijkheidsonderwijs en de taal. Dat is het imponderabele waarvan de betekenis precies in te zien is, wat juist een door de geesteswetenschap bevruchte pedagogie ons mogelijk kan maken.
GA 301/58-59   
Op deze blog vertaald/58-59

Voordracht 5, Basel 26 april 1920

Blz. 77/78

Be­obachtet man Kinder und sieht man, wie sie dadurch, daß die Um­gebung in der richtigen Weise sich zu ihnen verhält, in einer berechtigten Weise den Erziehern oder überhaupt denjenigen Personen, denen gegenüber das berechtigt ist, ein Ergebenheitsgefühl entwickeln kön­nen, und verfolgt dann weiter, was aus diesen Kindern im späteren Leben wird, dann findet man, daß sich dieses Ergebenheitsgefühl immer mehr und mehr so verwandelt, daß aus diesen Kindern solche Men­schen werden, die für ihre Mitmenschen einfach dadurch, daß sie da sind, daß sie zu ihnen sprechen, manchmal schon dadurch, daß sie über­haupt ihnen nur in irgendeiner Lebenslage einen Blick zuwerfen, zur Wohltat werden. Sie werden zur Wohltat aus dem Grunde, weil man dadurch, daß man verehren, oder, wenn ich sagen darf, daß man beten lernt, für spätere Zeit das Segnen lernt, daß man die segnende Kraft wirklich bekommt. Keine Hand kann segnen im späteren Alter, die nicht in der Kindheit verehren, beten, bitten gelernt hat. Es ver­wandeln sich eben metamorphosisch die Eigenschaften des Kindesalters im späteren Lebensalter in einer ganz gesetzmäßigen Weise.

Wanneer je kinderen waarneemt en ziet hoe ze door de omgeving die op een juiste manier met hen omgaat, op een terechte manier de opvoeder of vooral ook de personen voor wie dat terecht is, een gevoel van vertrouwen kunnen ontwikkelen en volg je dan verder wat van deze kinderen op latere leeftijd is geworden, zul je vinden dat dit gevoel van vertrouwen zich steeds meer kan omvormen, dat deze kinderen die mensen worden die voor hun medemens alleen al doordat ze er zijn, dat ze tegen hen spreken, vaak alleen al door hun in een bepaalde situatie van het leven een blik waardig te gunnen, tot zegen worden. Dat worden ze omdat je door te vereren of – wanneer ik dat zo mag zeggen – door te leren bidden, op latere leeftijd leert zegenen, dat je daadwerkelijk een kracht krijgt om te kunnen zegenen. Geen hand kan op latere leeftijd zegenen, die niet in de kindertijd heeft leren vereren, bidden. De eigenschappen van de kinderleeftijd veranderen  als metamorfose op een heel wetmatige manier.

Blz 82

Aber schon während des Zahnwechsels beginnt unter dem Ein­fluß des Autoritätsgefühls das Prinzip sich zu entwickeln, dasjenige gelten zu lassen, was die verehrten Persönlichkeiten der Umgebung als richtig anerkennen. Worum es sich handelt, ist, daß man wirklich dieses Autoritätsgefühl, und zwar ein berechtigtes, das in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife auftritt, dem Kinde gegenüber zu er­halten versteht; denn die menschliche Natur will das.
Alle Deklamationen unserer Zeit, man solle gewissermaßen das Kind selber schon über das urteilen lassen, was es zu lernen für richtig findet
– auf das kommt ja manches heute schon hinaus -, alle diese Deklama­tionen berücksichtigen eben nicht das Bedürfnis der Menschennatur selbst, das in das ganze spätere Leben hineingetragen wird dadurch, daß der Mensch, indem er nur noch das Nachahmungsprinzip über das 7. Jahr ins 9. Jahr führt, dieses Nachahmungsprinzip mit dem Autori­tätsgefühlsprinzip durchwirkt. Vom 9. Jahre an kommt dann dieses Autoritätsprinzip immer reiner und reiner heraus, und vom 12. Jahre an mischt sich wieder ein Neues hinein, nämlich das eigene Urteils­vermögen.

Maar al tijdens de tandenwisseling begint onder invloed van het autoriteitsgevoel het principe zich te ontwikkelen, te laten gelden wat de vereerde persoonlijkheden uit de omgeving als goed zien. Waar het om gaat is dat je dit autoriteitsgevoel werkelijk, juist als het terecht is, dat manifest is in de tijd tussen tandenwisseling en puberteit, voor het kind leert te handhaven; want de menselijke natuur wil het zo.
Al die beweringen in onze tijd dat je het kind op een bepaalde manier zelf al moet laten oordelen over wat het goed vindt om te leren – daar zijn sommige mensen al op uitgekomen -, al die beweringen houden er dus geen rekening mee wat de behoefte is van de mensennatuur zelf die meegaat naar het hele latere leven doordat de mens wanneer bij hem enkel maar het principe van de nabootsing verder dan het 7e jaar tot in het 9e loopt, dit nabootsingsprincipe zich vermengt met het autoriteitsprincipe. Vanaf het 9e jaar komt dit autoriteitsprincipe dan steeds zuiverder op de voorgrond te staan en vanaf het 12e jaar vermengt het zich weer met iets nieuws, namelijk het eigen oordeelsvermogen.

Es ist für alle Erziehungskunst von fundamentaler Bedeutung, daß man den Menschen, den werdenden Menschen nicht zu früh zum eige­nen Urteil bringt. Gewiß, alles das, was man Anschauungsunterricht nennt, es hat eine gewisse eingeschränkte Berechtigung, sehr große Be­deutung auf einem eingeschränkten Gebiete. Aber wenn man den An­schauungsunterricht so verbreitet, daß man meint, man dürfe nur das­jenige an das Kind heranbringen, was es selber einsieht aus der un­mittelbaren Anschauung, so weiß man erstens nicht, daß es Dinge gibt in der Welt, die sich eben nicht anschauen lassen, und die man auch an das Kind heranbringen muß. Es gibt unanschauliche Dinge, zum Bei­spiel alle religiösen Dinge sind unanschaulich. Ebenso alle sittlichen Dinge sind unanschaulich. Man kann höchstens die Wirkungen der Dinge in der Welt anschaulich zeigen, nicht aber das eigentliche Un­anschauliche. Aber ganz abgesehen davon, es kommt auf etwas anderes an. Wer nicht in der richtigen Weise zu rechnen vermag mit diesem Ge­fühl, etwas hinzunehmen, weil man einer Autorität gegenübersteht, etwas zu glauben, weil diese Autorität glaubt, wenn man darauf nicht die nötige Rücksicht nimmt, so nimmt man dem Menschen, den man er­zieht, für das ganze spätere Leben etwas. Ich meine, man sehe hin auf dasjenige, was man erlebt. Wenn man, ich will gleich einen sehr späten

Voor elke opvoedkunst is het fundamenteel van belang, dat je de mens, de wordende mens niet te vroeg tot het eigen oordeel laat komen. Zeker, alles wat men aanschouwelijkheidsonderwijs noemt, heeft een zeker beperkt recht van bestaan, heeft een heel grote betekenis voor een beperkt gebied. Maar wanneer men het aanschouwelijkheidsonderwijs zo verspreid dat men van mening is dat je slechts aan het kind mag aanbieden, wat het zelf inziet vanuit een direct aanschouwen, weet men in de eerste plaats niet dat er in de wereld dingen zijn, die zich niet laten waarnemen en die je een kind ook moet bijbrengen. Er zijn niet-waarneembare zaken, bijvoorbeeld alle religieuze zaken zijn niet waarneembaar. Net zo zijn alle ethische dingen niet waarneembaar. Je kan hoogstens de uitwerking van de dingen in de wereld waarneembaar laten zien, maar niet het eigenlijke niet-waarneembare. Maar nog helemaal afgezien daarvan, komt het op iets anders aan. Wie met dit gevoel niet op de juiste manier rekening kan houden met iets aan te nemen, omdat je met een autoriteit te maken hebt, iets te geloven, omdat die autoriteit dat gelooft, wanneer je daarmee te weinig rekening houdt, dan neem je de mens die je opvoedt, voor het hele latere leven iets af. Ik bedoel: men kijkt op naar wat men beleeft. Wanneer je, ik wil meteen maar een zeer late

Termin annehmen, als 30-35 jähriger Mensch sich zurückerinnert an irgend etwas, was man in der Schule beigebracht erhalten hat, so ergibt sich, daß man es dazumal nicht verstanden hat, aber weil man den Lehrer liebte, nahm man es auf. Man hatte das Gefühl, das man natür­lich nicht exemplifizierte, aber das man erlebte, man hatte das Gefühl:
Diesen Mann muß ich verehren, oder diese Frau muß ich verehren, die meint das, ich muß es auch meinen. An so etwas, was man nicht ver­standen, sondern aus Liebe angenommen hat, erinnert man sich im 30. oder 35. Lebensjahre. Jetzt ist man reifer geworden. Man sieht das, was man herausholt aus den Untergründen seiner Seele, mit seinem späteren Menschen an, und man kommt auf folgendes: was man viele Jahre vorher aus Liebe aufgenommen hat, man nimmt es wiederum in den Horizont des Lebens herein und klärt sich jetzt darüber auf. Man muß nur beobachten können, was das bedeutet. Das bedeutet, daß aus einem solchen Wiederheraufholen dessen, was jetzt erst aus der eigenen Reife heraus verstanden wird, eine Steigerung des Lebensgefühls kommt, die wir brauchen, wenn wir für das Leben, für das soziale Leben überhaupt brauchbare Menschen werden wollen. Das würde den Menschen viel nehmen, wenn wir ihnen das Aufnehmen von Wahr­heiten aus Liebe nehmen würden, aus hingebender Liebe in berechtig­tem Autoritäts empfinden. Dieses berechtigte Autoritätsempfinden, dem muß das Kind ausgesetzt sein, und wir müssen mit aller Kraft unserer Seele in der pädagogischen Kunst darauf hinarbeiten, daß wir dem Kinde von seinem Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife die berechtigte Autorität erhalten.

tijd nemen, je als 30-35-jarige mens iets herinnert van wat je op school geleerd hebt, blijkt dat je het toen niet begrepen hebt, maar omdat je van de leerkracht hield, nam je het in je op. Je had het gevoel dat je voor je hield, maar dat je wel beleefde, je had het gevoel: deze man moet ik vereren, of deze vrouw moet ik vereren, die meent het, dan moet ik het ook menen. Aan zoiets wat je niet begrepen hebt, maar uit liefde aangenomen, herinner je je op je 30e, 35e jaar. Nu ben je rijper geworden. Je kijkt naar wat je zo opgehaald hebt uit de diepte van je ziel, als latere mens en dan kom je op het volgende: wat je jaren geleden uit liefde opgenomen hebt, verschijnt nu weer aan de horizon van het leven en plotseling is het duidelijk. Je moet alleen kunnen waarnemen wat het betekent. Dat betekent dat uit zoiets wat weer naar bovenkomt, wat nu pas door eigen rijping begrepen kan worden, een intensivering van het levensgevoel ontstaat dat we nodig hebben wanneer we voor het leven, voor het sociale leven vooral, geschikte mensen willen worden. Er zou veel van de mens afgepakt worden, wanneer we hem het opnemen van waarheid uit liefde, uit toegewijde liefde voor een terecht ervaren autoriteit, zouden afpakken. Het kind moet de kans krijgen een legitieme autoriteit te ervaren en wij moeten met alle kracht van onze ziel in de pedagogische kunst ernaar toewerken dat we het kind vanaf zijn tandenwisseling tot aan de puberteit die terechte autoriteit bieden.
GA 301/88-89  
Op deze blog vertaald/88-89

Voordracht 9, Basel 4 mei 1920

Blz. 148/149

Wenn das Kind liebevoll herangebildet wird in der Anlehnung an seine Autorität, wenn das Kind Fühlen und Wollen lernt in der Anlehnung an den andern, an den erwachsenen Menschen, an den Erzieher und Unterrichter, dann wird im rechten Augenblicke, nämlich bei der Geschlechtsreife sein eigenes selbständiges Fühlen und Wollen geboren. Unser Fühlen und Wollen können wir erst dadurch in der richtigen Weise entwickeln, daß wir sie an dem andern, uns als Autorität geltenden Menschen richtig ent­wickeln. Kommen wir zu früh zum selbständigen Entwickeln des Willens, kommen wir namentlich zu gewissen, ich möchte sagen, ge­heimen Funktionen des Willens zu früh, so schadet uns das für das ganze Leben. Und wir kommen zu feineren Organisationen des Willens zu früh, wenn wir versucht werden, namentlich moralische und reli­giöse Impulse verfrüht dem eigenen Urteil zu unterwerfen.

Wanneer het kind liefdevol ontwikkeld wordt doordat het steunt op de autoriteit, wanneer het kind voelen en willen leert door op anderen te steunen, de volwassenen, op de opvoeder en leraar, dan wordt op het juiste ogenblik, namelijk met de geslachtsrijpheid zijn eigen zelfstandig voelen en willen geboren. Ons voelen en willen kunnen we pas op de juiste manier ontwikkelen als we deze aan de ander, aan de mensen die voor ons als autoriteit gelden, ontwikkelen. Is er een te vroege zelfstandige ontwikkeling van de wil, dan komen namelijk ook bepaalde verborgen functies van de wil te vroeg en dat is schadelijk voor het hele leven. En tot intiemere wilsorganisaties kom je te vroeg wanneer er geprobeerd wordt, met name morele en religieuze impulsen te vroeg aan het eigen oordeel te onderwerpen.

Blz. 149

Als ich in mehr oder weniger öffent­lichen Reden gerade diese Sache vom naturgemäßen Autoritätsgefühl ausgesprochen habe in Deutschland, als alles da noch unter dem Ein­flusse einer Scheinrevolution stand, die ja keine wirkliche Revolution geworden ist, da erwiderte man mir überall aus jenen Untergründen heraus, die eigentlich möchten schon alle Autorität auch vom Kindes­alter entfernen, die am liebsten möchten, daß alles Lehren und Er­ziehen aufhörte und die Kinder untereinander sich demokratisch er­zögen und lehrten. Ich mußte darauf antworten, daß das nämlich die Kinder gar nicht begehren; richtig verstanden, wollen die Kinder ge­leitet sein, wollen eine Autorität lieben, und dasjenige, was sich in ihnen entwickelt als Liebe zur Autorität, das hängt mit ihrer eigenen Natur zusammen.

Toen ik in min of meer openbare lezingen deze zaak van het natuurlijke autoriteitsgevoel uitsprak in Duitsland, toen daar alles nog onder invloed stond van een schijnrevolutie, die geen echte revolutie geworden is, sprak men mij overal aan vanuit achtergronden die het liefst alle autoriteit zover mogelijk van kinderen vandaan wilden houden, die het liefst wilden dat het gedaan zou zijn met opvoeding en onderwijs en dat de kinderen onder elkaar op een democratische manier elkaar zouden opvoeden en aan elkaar leren. Ik moest daarop antwoorden dat kinderen dat helemaal niet willen; goed begrepen willen kinderen leiding, willen van een autoriteit houden en wat zich in hen ontwikkelt als liefde tot de autoriteit hangt met hun eigen natuur samen.

Blz. 150

Darauf müssen wir rechnen, daß das Kind in der Volksschule egoistisch verlangt, lieben zu können, das heißt, die Autorität neben sich zu haben, der es anhängt, der es sich hingibt, weil es Wohlgefallen in dieser Hingabe hat, denn die Natur selbst drängt dazu.

We moeten er rekening mee houden dat het kind op de basisschool egoïstisch verlangt te kunnen liefhebben, d.w.z. de autoriteit naast zich te hebben, voor wie het aanhankelijk is, aan wie het toegewijd is, omdat het deze toewijding fijn vindt, want de natuur zelf wil dat graag.
GA 301/148-150    
Op deze blog vertaald/148-150

Voordracht 13, Basel 10 mei 1920

Blz. 203

Gerade das Gebiet des intimen Kindeslebens soll man ja nicht vor der Geschlechtsreife aus dem Folgen der selbstverständlichen Autorität herauszuführen suchen. Ich sage immer »selbstverständliche Autorität«, weil ich durchaus nicht eine aufgezwungene oder gar eine blinde Autorität meine, sondern ich gehe ja von dem aus, was sich einer unbefangenen Beobachtung ergibt:
Das Kind will vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife neben sich die Autorität haben. Es verlangt das. Es hat Sehnsucht danach. Und dieser Sehnsucht, die aus der Individualität des Kindes kommt, soll man ent­gegenkommen.

Juist het gebied van het meer innerlijke leven van een kind zou je niet vóór de puberteit moeten proberen los te maken van het navolgen van de vanzelfsprekende autoriteit. Ik zeg steeds ‘vanzelfsprekende autoriteit’, omdat ik beslist niet bedoel een afgedwongen of zelfs een blinde autoriteit, maar ik ga uit van wat voor een onbevangen waarnemen blijkt als: 
Het kind wil vanaf de tandenwisseling tot aan de puberteit een autoriteit naast zich hebben. Dat wil het. Daar verlangt het naar. En aan dit verlangen dat uit de individualiteit van het kind komt, moet je tegemoetkomen.
GA 301/203   
Op deze blog vertaald/203

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2348

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen – Duits

.

In de verschillende artikelen over Duits in de lagere klassen staan allerlei voorbeelden van het gebruik van liedjes en gedichtjes.

In dit artikel volgt een opsomming van meer gedichtjes, rijmpjes e.d.

Widewidewenne
heiBt meine Putthenne,
Kannichtruhn heiBt mein Huhn,
Wackelschwanz heiBt meine Gans,
Widewidewenne
heiBt meine
                                                                                                                   (Volksmund)

====

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Wir woll’n hinaus in’ Garten
und woll’n des Sommers warten,
ja, ja, ja,
der Sommer, der ist da.

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Wir woll’n zu den Hecken und
woll’n den Sommer wecken,
ja, ja, ja,
der Sommer der ist da.

Tra, ri, ra,
der Sommer, der ist da!
Der Sommer hat’s gewonnen,
der Winter hat’s verloren,
ja, ja, ja,
der Sommer, der ist da.

====

Hoppe, hoppe, Reiter,
wenn er fällt, so schreit er.
Fällt er in den Graben,
fressen ihn die Raben.
Fällt er in den Sumpf,
macht der Reiter plumps!

                                                                                                             (Volksmund)

====

Backe, backe Kuchen, der Bäcker hat gerufen!
Wer will gute Kuchen backen,
der muB haben sieben Sachen:
Eier und Schmalz,
Butter und Salz,
Milch und Mehl,
Safran macht den Kuchen gehl.

====

Liebe Sonne

Liebe Sonne, scheine wieder,
schein’ die düstern Wolken nieder!
Komm mit deinem goldnen Strahl
wieder über Berg und Tal!

Trockne ab auf allen Wegen
überall den alten Regen!
Liebe Sonne, laB dich sehn,
daB wir können spielen gehn!

Hoffmann v. Fallersleben

====

Weihnachtslied

Alle 3ahre wieder
kommt das Christuskind
auf die Erde nieder,
wo wir Menschen sind;

kehrt mit seinem Segen
ein in jedes Haus,
geht auf allen Wegen
mit uns ein und aus;

ist auch mir zur Seite
still und unerkannt,
daB es treu mich leite
an der lieben Hand.

                                                                                                                                  Wilhelm Hey

====

Het artikel is nog in opbouw en zal worden uitgebreid, meer gerubriceerd naar klas en thema.

 

.
Niet-Nederlandse talenalle artikelen
.
 
2347

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner -Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/8)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 300B

Man kann nicht Erzieher oder Lehrer sein, ohne mit voller Einsicht sich so zu dem Kinde zu stellen, daß dieser Umwandlung des Nachahmungs­triebes in die Aneignungsfähigkeit auf Grund selbstverständlichen Autoritätsverhältnisses im umfänglichsten Sinne Rechnung getragen wird.

Je kan geen opvoeder of leerkracht zijn als je je niet met een volledig inzicht zo op het kind richt, dat je je ten volle bewust bent van de verandering van de nabootsingsdrang in het vermogen om te kunnen leren op grond van de vanzelfsprekende autoritaire verhoudingen.
GA 300B/11   
Niet vertaald

.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 4
Vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

2346

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/11)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

DE ARME MOLENAARSKNECHT EN HET KATJE

In een molen leefde eens een oude molenaar die vrouw noch kinderen had en er waren drie molenaarsknechts bij hem in dienst. Toen zij enige jaren bij hem hadden gewerkt, zei hij op een dag tegen hen: ‘Ik ben oud en wil rustig bij de kachel gaan zitten; trekken jullie erop uit en wie het beste paard voor mij mee naar huis brengt, die krijgt de molen en in ruil daarvoor moet hij mij tot aan mijn dood verzorgen.

Alles wat een mens in zijn leven als ervaringen opdoet, lijkt op een oogst die binnengehaald wordt. Net zoals het graan gemalen moet worden zodat het meel wordt en later ons belangrijkste voedsel, brood, zo moeten wij ook de vrucht van het leven verwerken zodat er kennis ontstaat, voedsel voor de geest. Daarom moet er in de mens een kracht werkzaam zijn die in de beeldentaal van het sprookje de molenaar heet. 
En de drie basiskrachten in de mens – voelen, denken en willen – lijken in dit opzicht op de drie molenaarsknechten. 

De derde van die knechts was het jongmaatje dat door de anderen voor niet wijs werd gehouden en zij gunden hem de molen niet, die hij trouwens niet eens wilde hebben. En zo trokken zij er met hun drieën op uit en toen zij bij het dorp kwamen zeiden de oudste twee tegen domme Hans: ‘Blijf jij maar hier, jij vindt van je leven geen paard.’ Hans ging echter toch mee en toen het donker werd, kwamen zij bij een hol waarin zij zich te slapen legden. De twee slimmerds wachtten tot Hans was ingeslapen, toen stonden zij op, maakten dat zij wegkwamen en lieten Hansje liggen. Zij vonden dat zij dat handig hadden gedaan. Jawel, maar het zal jullie toch slecht vergaan. Toen nu de zon opkwam en Hans ontwaakte lag hij in een diep hol; hij keek om zich heen en riep: ‘O God, waar ben ik!’ Hij stond op, krabbelde uit het hol naar boven en ging het bos in en dacht: ik ben hier moederziel alleen en verlaten, hoe moet ik nu aan een paard komen!

In het sprookje zien we vaak dat de ‘oude’ vader, koning, molenaar zich terugtrekt. Wat komt er dan voor deze oude, geestelijke kracht, terug. Dikwijls is dat de jongste – van de drie – en meestal heeft deze één opvallende eigenschap: hij is onwetend, dom of onnozel. En dan heet hij ook nog Hans (Johannes) wat niet zonder betekenis is (Lenz belooft verderop meer over deze naam te zeggen, maar dat doet ze nauwelijks)
Uit de menskundige beschouwingen van Steiner weten we dat de wil ‘jonger’ is dan het denken. De wil is – evenals ‘het jongere’ in ontwikkeling: op de toekomst gericht. ‘Wil’ heeft ook vele aspecten: instinct, drift, begeerte – zie Steiner in de ‘Algemene menskunde‘. Aan de wil kan altijd gewerkt worden. Je kan ook in bepaalde aspecten ervan ‘vast’ blijven zitten: we spreken over een onbuigzame wil, waarbij starheid of hardnekkigheid op de loer liggen. We spreken over ‘een vrije wil’ of juist over de onmogelijkheid die te hebben – een wetenschappelijk dispuut!. Wanneer is de wil vrij. Zijn de vele strubbelingen in de tijd waarin we leven, geboorteweeën die bij het verkrijgen van een vrije wil horen? 
De wijze sprookjesverteller zegt dat deze wil ‘rein’ en ‘met het hart’ zich op doelen moet richten die de slimmeriken als ballast beschouwen. 

Waar gaat het bij het paard om? Met name in het Duits zijn er een paar uitdrukkingen waarin het beeld van het paard duidelijk is: ‘Er hat ein Pferdeverstand, sitzt auf hohem Ross’, = hoogmoedig. In het Nederlands kunnen we het paard achter de wagen spannen, en er zijn meer uitdrukkingen waarin het paard er niet al te best afkomt: over het paard getild, een hinkend paard, een dood paard enz. Het is duidelijk dat je heer en meester over het paard moet zien te worden. Plato vergelijkt het verstand met een paard dat de mens moet beteugelen; je moet vast in het zadel zitten, je niet vergalopperen. 

In dit sprookje wordt verteld hoe Hans aan zijn paard komt. Er zijn natuurlijk verschillende wegen waarlangs je de wil kan sterken, die de mens ‘met verstand’ door het leven draagt, zodat hij ten slotte een met Ík’- begaafde, verstandige wilsmens wordt.

De beide andere broers – voelen en denken – houden zich verre van de wil. De wil moet het alleen aanpakken en op weg gaan.

Terwijl hij zo in gedachten voortliep kwam hij een kleine lapjeskat tegen die heel vriendelijk zei: ‘Hans, waar ga je heen?’ -‘Ach, jij kunt mij toch niet helpen.’ – ‘Ik weet wel wat je wilt hebben,’ zei het katje, ‘je wilt een mooi paard hebben. Ga met mij mee en wees gedurende zeven jaar mijn trouwe knecht, dan zal ik je een paard geven, mooier dan je van je levensdagen gezien hebt.’ -Nou, dat is me ook een wonderlijke kat, dacht Hans, maar ik wil toch wel eens zien of het waar is wat zij zegt.

In het sprookje zijn dieren beelden van onze instincten en driften, vergelijkbaar met wat in vele fabels voorkomt. ‘De domme’ weet dat er in de instincten een bepaalde natuurwijsheid werkt en dat je er veel aan kan hebben wanneer je er op de juiste manier mee omgaat. Zo kan je ook niet verstandig worden als je niet eerst te rade gaat bij je instincten. Maar het moeten wel de juiste zijn, je moet weten wat je wil leren, vooral bij de kat.
Als je naar een kat kijkt, hoe die voortsluipt op fluwelen pootjes, lang zo maar ligt met slaperige ogen om dan ineens op te springen of bij de jacht lang onbeweeglijk ligt te wachten om ineens toe te slaan. ’s Nachts leeft ze echt, vooral bij volle maan – en dat herkennen we in de kat die Hans ontmoet.
In het oude Egypte werd de godin van de liefdesbetovering Bastet, afgebeeld met een kattenkop. 
Hans vertrouwt op zijn natuurlijke instinct. 

Zij nam hem mee naar haar betoverde kasteeltje en zij had daar niets dan katjes in dienst die vlug de trappen op- en afsprongen en vrolijk en opgewekt waren. Toen zij ’s avonds aan tafel gingen, moesten er drie muziek maken – één speelde op de bas, de tweede op de viool en de derde nam de trompet en blies zijn wangen op, zo flink als hij maar kon.

In geen ander sprookje, volgen Lenz, wordt de sfeer zo uitbundig beschreven: ‘aan tafel gaan’, ‘muziek maken’. ’s Avonds, zegt ze, krijgen de mensen na het werk verlangen naar intimiteit; nu komt het erop aan met deze sterke verlangens in harmonie te komen. 
Er worden duidelijk drie gebieden geschetst: de benedenmens – de bas; de middenmens – de viool; de bovenmens: – de trompet.

Toen zij hadden gegeten werd de tafel weggenomen en de kat zei: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ – ‘Breng hem dan maar naar bed,’ zei zij tegen de katjes.

Nu komt er in de loop van de gebeurtenissen een cruciaal punt: de kat zegt: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ Dat betekent: ik laat mij door de kattendrift – de instinctieve drijfveer, verlangen naar liefde – niet op sleeptouw nemen, daar ga ik niet mee aan de rol. “Ik weet mij te beheersen’,  had hij ook kunnen zeggen.

Daarop lichtte er één hem bij in zijn slaapkamer, één trok hem zijn schoenen uit, een ander zijn kousen en tenslotte blies er één het licht uit. De volgende morgen kwamen zij terug en hielpen hem bij het opstaan – één trok hem zijn kousen aan, één bond zijn kousenbanden vast, één bracht zijn schoenen, één waste hem en één droogde met haar staart zijn gezicht af. ‘Wat is dat lekker zacht,’ zei Hans.

Met gevoel en ook aanschouwelijk schetst het sprookje hoe zijn hele wezen ontspant, wat een mens mag ervaren als hij zich beheerst overgeeft aan de verzorgende krachten en die ’s morgens weer in zich meedraagt.

Hij moest echter ook de kat dienen en iedere dag houthakken. Daarvoor kreeg hij een zilveren bijl, wiggen en een zaag van zilver en de hamer was van koper. Nu, hij hakte het hout klein en bleef daar in huis wonen; hij had er zijn natje en zijn droogje, maar zag niemand anders dan de lapjeskat en haar personeel.

De voortplantingskrachten in de mens hebben met de maan te maken. En met deze op de juiste manier om te gaan betekent: het zilveren werktuig gebruiken. Het dient ertoe wat verhout is, klein te maken. “Houterig’ denken is het abstract-intellectuele denken, dat net zo veel en zo weinig met zijn geestelijke oorsprong  te maken heeft als het dorre hout met de levende boom. Maar ook dit denken is belangrijk en moet worden beoefend. Concrete begrippen opstellen, analyseren betekent in de beeldspraak: ‘houtjes hakken’. Zo wordt voor ‘brandhout’ gezorgd: denken kan een innerlijk vuur doen branden dat verwarmt. Omdat de held Hans heet hoeft het niet te verwonderen [het waarom hiervan wordt niet uitgelegd] dat naast de zilveren bijl ook een koperen hamer komt. De wijze alchemisten van de middeleeuwen die in de werkzaamheid van de stof nog scheppingskrachten beleefden, zagen het koper als zinnebeeld voor de vroomheid. Ze noemden de toestand van de kinderlijke vroomheid; de kopertoestand. Met de slagkracht van de actieve vroomheid (de koperen hamer) kan men nu de braakliggende maankrachten (de zilveren werktuigen) hanteren. Zo zou je, volgens Lenz, het beeld kunnen duiden. 

Op een keer zei zij tegen hem: ‘Ga het gras op mijn weiland maaien en droog het dan,’ en zij gaf hem een zeis van zilver en een slijpsteen van goud, beval hem echter alles ook weer netjes in te leveren. Hans ging erheen en deed wat hem bevolen was; na gedane arbeid bracht hij de zeis, de slijpsteen en het hooi naar huis en vroeg of zij hem nu zijn loon wilde geven.

Werd het analyserende, abstracte denken bij het ijverig houthakkerswerk geoefend, dan gaat het vervolgens om het vegetatieve te lijf te gaan (het gras maaien) – leven, groei, voortplanting kunnen weelderig woekerend worden. Nu gaat het erom als oogst binnen te halen wat deze aan jeugdige bloeikracht schenken. In het instinct van de kat (het Duits heeft ‘Kätzchen-Liebes-Instinct) ligt veel natuurlijke wijsheid besloten; we hebben de gouden wetsteen waarmee de oordeelskracht steeds weer scherpgemaakt moet worden (de zilveren zeis) en een goed geslepen oordeelsvermogen is op dit terrein noodzakelijk. Hans is weer een stap verder gekomen in zijn ontwikkeling en mag weldra op zijn paard hopen.

‘Nee,’ zei de kat, ‘eerst moet je nog iets voor mij doen – daar heb je balken van zilver, een timmermansbijl, een winkelhaak en wat er verder nodig is, alles van zilver, en daarmee moet je voor mij eerst nog een klein huisje bouwen.’ Hans bouwde het huisje en toen het klaar was zei hij, dat hij nu alles had gedaan en nog steeds geen paard had. Toch waren de zeven jaren voor hem omgevlogen alsof het een half jaar was.

Alles wat met de innerlijke maankrachten heeft te maken moet nog verder ontwikkeld en gevormd worden. En daarmee heeft de drijfveer van de liefde een behuizing gekregen en alles wat in deze sfeer leeft, is vast en gevormd. Zeven jaar heeft deze ontwikkeling geduurd. Tussen het veertiende en eenentwintigste jaar voltrekken in het algemeen deze processen zich in de mens. Het abstracte en concrete denken moeten worden geoefend, oordeelskracht ontwikkeld en de ‘maanmens’ volmaakt worden.

De kat vroeg hem of hij haar paarden wilde zien? ‘Ja,’ zei Hans. Zij ging naar het huisje toe en toen zij de deur openmaakte stonden daar twaalf paarden, o, die waren zo trots en blonken en glansden dat zijn hart opsprong van vreugde. Toen gaf zij hem te eten en te drinken en sprak: ‘Ga naar huis, ik geef je je paard nog niet mee, over drie dagen kom ik het je brengen.’

Het getal twaalf komt vaker in de sprookjes voor als een kosmisch getal. De twaalf beelden van de dierenriem vormen samen een horizon, verdeeld in het twaalftal kosmische krachten die aan de microkosmos mens werken. Hans heeft voortdurend zijn verstandskracht geoefend. Daardoor heeft hij een omvattend wakker denken verkregen (twaalf paarden) en daarmee het verstand dat hem als Ik het meest verdienstelijk is: zijn eigen paard.  

Hans maakte zich dus klaar om te vertrekken en zij wees hem de weg naar de molen. Maar zij had hem niet eens nieuwe kleren gegeven; hij moest de oude haveloze kiel aandoen waarin hij gekomen was en die was hem in die zeven jaar aan alle kanten te klein geworden. Toen hij thuiskwam waren de beide andere molenaarsknechts er ook weer; zij hadden weliswaar ieder een paard meegebracht, maar het ene was blind en het andere kreupel. Zij vroegen: ‘Hans, waar is jouw paard?’ – ‘Dat komt over drie dagen.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Haha, die Hans, waar wil die nu een paard vandaan halen, het zal me wat moois zijn!’ Hans ging de kamer binnen maar de molenaar zei dat hij niet aan tafel mocht komen, hij zag er zo haveloos en verwaarloosd uit dat zij zich zouden schamen als er iemand binnenkwam. Daarop brachten zij hem buiten een beetje eten en toen zij  ’s avonds gingen slapen, wilden de andere twee hem geen bed geven, zodat hij tenslotte in het ganzenhok moest kruipen en daar op wat hard stro gaan liggen.

Toen de andere twee oudere broers naar huis waren gekomen, toonde ieder wat ze verkregen hadden. De oudste, die alleen voelend leeft, heeft een verstand gekregen dat niets doorziet en geen inzicht heeft – zijn paard was blind. De tweede molenaarszoon, die van het denken, heeft een verstand ontwikkeld dat in het leven niet verder komt, geen ontwikkeling doormaakt – zijn paard is kreupel. Hans is in zijn ontwikkeling al veel verder gekomen dan het niveau van een molenaarsjongen, maar dat wordt pas duidelijk wanneer de liefdesdrijfveer (de kat) zichtbaar geworden is. Het sprookje zegt:

Als hij ’s morgens ontwaakt, zijn de drie dagen al om en daar komt me een koets met zes paarden aanrijden, die glansden me toch dat het een lust was en een bediende had nog een zevende paard aan de teugel, dat was voor de arme molenaarsknecht. Maar uit de koets stapte een beeldschone koningsdochter en ging de molen binnen en die koningsdochter was de lapjeskat bij wie de arme Hans zeven jaar in dienst was geweest. Zij vroeg aan de molenaar waar zijn jongste knecht was. Toen zei de molenaar: ‘Die kunnen wij niet binnen laten komen, die ziet er zo haveloos uit, die zit in het ganzenhok.’ Daarop zei de koningsdochter, dat zij hem dadelijk moesten halen. Dus haalden zij hem en hij moest zijn kieltje bijeenhouden om zich te bedekken. Toen pakte de bediende prachtige kleren uit en kreeg opdracht hem te wassen en aan te kleden en toen hij klaar was, was er geen koning die er mooier uitzag dan hij. Daarna wilde de jonkvrouw de paarden zien die de andere molenaarsknechten hadden meegebracht en het ene was blind en het andere kreupel. Nu liet zij de bediende het zevende paard brengen; toen de molenaar dat zag zei hij, dat zó’n paard nog nooit bij hem op het erf was geweest. ‘En dat is voor de derde molenaarsknecht,’ zei zij. ‘Dan krijgt hij de molen,’ zei de molenaar. Maar de koningsdochter sprak: ‘Daar is het paard en je molen mag je houden’ – en daarop neemt zij haar trouwe Hans bij de hand, laat hem in de koets plaatsnemen en rijdt met hem weg. Eerst rijden zij naar het kleine huisje dat hij met het zilveren gereedschap heeft gebouwd en nu is het een groot slot en alles wat erin is is van zilver en goud. Daar is zij met hem getrouwd en hij was zo rijk dat hij voor zijn hele leven genoeg had. Daarom moet niemand ooit zeggen dat iemand die dom genoemd wordt het daarom niet tot iets kan brengen.

Het bonte katje is een mooie, koninklijke jonkvrouw geworden, d.w.z.: de natuurkracht die helemaal in het instinctieve, onbewuste werkte, is nu een zielenkracht geworden zoals die bij de mens hoort- die werd tot liefde. En de ‘domme Hans’ – de wil in de reinheid zoals we die bij Parcival zien – kan zich met deze kracht van de liefde verbinden. 

Illustratie van Anton Pieck van de drie musicerende katten

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2345

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-4)

 

Zo langzamerhand bestaat elk terrein waarvoor Rudolf Steiner vernieuw(en)de ideeën heeft gegeven, wel zo’n 100 jaar.

Dat geldt ook voor de sociale driegeleding.

De vrijeschoolbeweging heeft deze driegeleding tot op heden niet in de armen gesloten. Het lijkt of ze niet beseft dat alleen een echte vrijeschoolpedagogie tot zijn recht kan komen wanneer er vrijheid van onderwijs- d.w.z. van inrichting – is.

Ook op economisch gebied bevatten Steiners ideeën nog zoveel kiemen voor een veel socialer leven dan we nu op onze planeet aantreffen.

Rudolf Steiner hield er verschillende voordrachten over die o.a. zijn weergegeven in de GA (GesamtAusgabe =verzameld werk) onder de nr. 340 en 341
Deze zijn uitgegeven onder de titel ‘Economie – de wereld als één economie.
De vertaler – Frans Wuijts – schreef ook een nawoord, waarvan hier een gedeelte volgt:
.

Objectief leren waarnemen en denken

ANDERS KIJKEN NAAR ECONOMIE

Vindt een onderneming in het economische leven bestaansrecht in het verdienen van geld of in het voorzien in behoeften van mensen in de samenleving? 

Een voorbeeld uit de achtste voordracht. Hierin bespreekt Steiner de begrippen Vraag’ en ‘aanbod’. Hij neemt ons mee naar de markt met kramen en producten en wijst ons op wat wij waarnemen. Wij zien op deze markt het aanbod en dat wat men vraag noemt. Maar dat klopt volgens hem niet. Deze begrippen zijn krakkemikkig en ondeugdelijk. “Er is een aanbod wanneer iemand waren op de markt brengt en deze voor een bepaalde prijs te koop aanbiedt,” zegt hij. “Ik beweer echter: nee, dat is geen aanbod, dat is een vraag. Wanneer iemand waren op de markt brengt en deze wil verkopen, dan is dat bij hem een vraag naar geld. (…) En wanneer ik vraag wil ontwikkelen, dan heb ik aanbod in geld nodig.”

Zowel de theorie als de praktijk van de doelstellingen, motieven en gedragingen van ondernemingen én consumenten zijn hier in het geding. De meeste ondernemingen formuleren doelstellingen zoals ‘het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde’.

Dit is echter een motief dat haaks staat op de objectieve functie die een onderneming in het economische leven vervult: namelijk het voorzien in behoeften van mensen.

“Er is maar één geldige drijfveer in de economie,” zei een directeur van een grote onderneming, “en dat is het egoïsme. Kijk maar om je heen!” Zijn waarneming klopt als een bus. Het gericht zijn op het eigen belang kan men in de praktijk waarnemen als de belangrijkste drijfveer bij zowel de onderneming als de consument. Voor ondernemers gaat het meestal om een streven er zelf beter van te worden met behulp van – in moderne termen – het ‘verdienmodel’. En voor de consument geldt dat hij, in dezelfde geest, een zo laag mogelijke prijs najaagt.

Dienende functie

In het verlengde van Rudolf Steiner wijzen Rudolf Mees*, Lex Bos* en anderen op veranderingen in de economische denkwijze. We groeien toe naar een economie waarin vrijwel niemand meer voor zichzelf, maar in wezen louter voor ‘de ander’ werkzaam is. Zo voorzien landbouw, veeteelt en visserij in onze dagelijkse voedsel behoeften, openbaar vervoer in de mogelijkheid ons te verplaatsen, de industrie in behoeften aan goederen en de bouw in huisvestingsbehoeften. Alle voorzien op één of andere manier daadwerkelijk in behoeften van mensen. Objectief beschouwd zijn deze productieve activiteiten altruïstisch van karakter, ofwel ‘sociaal’ in de betekenis van ‘de behoefte van anderen tot uitgangspunt nemen van je handelen’. Objectief gezien, dus zonder morele connotaties als ‘egoïsme is slecht’ en ‘altruïsme is goed’. Organisaties in het economische leven vervullen in objectieve zin een ‘sociale’ of dienende functie. Men werkt voor de behoeften van de anderen, de consumenten/afnemers, ook al zeggen we (bijvoorbeeld als we een eigen bedrijf starten) dat ‘we voor onszelf beginnen’. De drijfveer, de beweegreden of het motief van waaruit of waarmee dit gebeurt, is vrijwel steeds tegendraads aan de objectieve externe functie, en is ‘anti-sociaal’, ‘egoïstisch’, ‘gericht op het eigen belang’. Echter, aan het horloge om onze pols hebben mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: tijdens het delven of bewerken van de grondstoffen, het transporteren ervan, het fabriceren, het leveren van de benodigde energie hiertoe, het financieren, verkopen etc. Dit geldt voor alle gebieden waarin mensen in deze tijd economisch actief zijn.

De tegengestelde bewegingen respectievelijk krachten van het (bewuste) handelen uit eigen belang en het objectieve (minder bewuste) altruïsme zijn op een bijzondere wijze in elkaar verstrengeld. Ze zijn beide doorgaans niet tegelijk actief helder bewust en daardoor ontstaan er spanningen, treden er fricties op en vinden verspillingen plaats. Want de aandeelhouders van een onderneming verlangen een hoog dividend en de deelgenoten van een coöperatie een zo hoog mogelijke nabetaling; medewerkers willen een aantrekkelijke beloning en toeleveranciers een aanvaardbare prijs. De ‘doelstellingen’ van de verschillende ‘stakeholders’ conflicteren, omdat elke belanghebbende vanuit hetzelfde anti-sociale, op eigenbelang gerichte motief denkt en handelt en instinctief niet anders wil, het zelfs de gewoonste zaak van de wereld vindt. Het gevolg is wel een gesjor aan de uiteinden van hetzelfde touw in tegenovergestelde richting. Of aan verschillende touwen met een knoop in het midden. Als er echt te hard getrokken wordt, dan zal het touw uiteindelijk ergens breken. Of nog erger…

Sociale hoofdwet

Welk motief zit er achter het economisch handelen tot duurzame behoeftebevrediging? Ik denk dat het geheim schuilt in het volgende principe: als iedereen zich richt op het eigen welzijn of gewin, dan overleven slechts de sterksten; als iedereen zich daarentegen richt op het welzijn van het geheel komt iedereen aan zijn trekken. In de door Steiner geformuleerde ‘sociale hoofdwet’ komt dit beginsel op een bijzondere wijze tot uitdrukking. Deze luidt: “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat, en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.”

Weliswaar is een gemeenschap van mensen erop aangewezen dat men voor elkaar zorgt, altruïstisch handelt, maar tegelijkertijd hebben de mensen de neiging zoveel mogelijk voor zichzelf in de wacht te slepen, egoïstisch te handelen. Deze egoïstische neiging doorkruist de werking van de sociale hoofdwet en moet in zijn effecten onschadelijk worden gemaakt, wil de sociale hoofdwet volledig tot gelding komen. Naar Steiners overtuiging moet egoïsme in het economisch leven zelfs ‘met wortel en tak’ worden uitgeroeid. Een beroep op de integriteit van de mensen is daartoe niet genoeg: de economie moet zó worden ingericht dat het onmogelijk wordt iets van de eigen inspanningen voor zichzelf op te eisen. Waar het dan op aankomt, is “dat het werken voor de medemens en het verwerven van een inkomen twee volledig van elkaar gescheiden zaken zijn”. Een dergelijke inrichting voorkomt dat mensen de sociale arbeid (arbeid die alleen door samenwerking met anderen mogelijk is) voor eigen gewin benutten, ten koste van de gemeenschap. De enige motivatie om voor de gemeenschap te werken is dan de wil om dat te doen.

De voordrachten van Steiner geven een aanzet tot een nieuw objectief waarnemen van en creatief denken over economie. Om zodoende met een nieuwe blik te kijken naar de economische processen, de aard van het geld (in de verschillende vormen van koopgeld, leengeld en schenkgeld), naar het vinden van de juiste prijs voor een product, naar de vraag of de waarde van de grond aan de economie zouden moeten worden onttrokken ter voorkoming van vergaande kapitaalstuwing in grond, naar de betekenis van arbeid voor de samenleving enzovoort. Deze nieuwe blik kan tot nieuwe oplossingsrichtingen voeren. ||

*er staan artikelen van deze auteurs op deze blog – zie ‘alle artikelen’

 

Uitgegeven bij Nearchus

,

Sociale driegeledingalle artikelen 

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

.

2344

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Kinderboekbespreking (56)

.

Er zijn heel veel kinderboeken.
Ze zijn en worden door allerlei recensenten besproken. Die hebben allemaal een opvatting of een boek mooi, goed, enz. is.

Er staan vaak illustraties in. Ook die worden mooi, dan wel minder mooi of zelfs lelijk gevonden. Maar hoe geldig zijn deze criteria. Smaken verschillen en als ze opvoedkundig beoordeeld worden, spelen allerlei mensbeelden, bewust of onbewust, ook hun rol.

De kinderen zelf vormen de grootste maatstaf. Als een boek telkens voorgelezen en of bekeken moet worden; als het ‘met rode oortjes’ wordt gelezen, verslonden, zelfs, dan weet je dat de schrijver of illustrator een snaar heeft weten te raken die nog lang naklinkt. Ook de kinderen hebben een smaak en het ene zal dit, het andere dat boek fijner vinden.

In de artikelenreeks ‘Kinderboekbespreking’ op deze blog zal er een aantal de revue passeren.

Er blijken steeds minder kinderen (in 2020) van lezen te houden. Er wordt onderzocht hoe dat komt. 
Ik durf me wel aan een paar veronderstellingen te wagen.
Voor lezen moet er rust zijn. Om je heen, maar vooral ook in jezelf. 
De oudere jeugd heeft dit – ik generaliseer – niet meer. Er is steeds de onrust van de smart-phone; er is altijd geluid: zijn het geen piepjes van spelletjes dan is het de gekozen muziek die via de oordopjes binnenkomt. We leven in de wereld van het beeld. Van de beelden – waarnaar een grote honger lijkt te bestaan. Maar wel beelden die niet te lang blijven: weg – iets nieuws – weg enz.

Dat is niet meer uit het leven van de jongeren weg te denken. En niet alleen de jongeren: ook 2-, 3-jarigen worden – goedbedoeld – al voor de laptop, tv gezet en daarmee wordt de gewoonte aan beeld, een behoefte aan beeld. 
Dat staat allemaal in schril contrast met lezen. In stilte creëer je daar je eigen beeld dat met het lezen langzaam omgevormd wordt, in een harmonische overgang. 

Een boek als Lasse Länta zal nauwelijks meer gelezen worden. Het speelt zich langer geleden af, in een wereld die ook veranderd is. Kun je van een 11-jarige vragen belangstelling te hebben voor de wereld van de Samen – die we ooit naïef ‘Lappen” noemden. Belangstelling voor een jongen wiens wereld voornamelijk bestaat uit sneeuw, ijs en rendieren? 
Wie dat nog welinteressant kan vinden, heeft aan het boek van Cor Bruin een mooi verhaal.
Over Lasse, die net zo belangrijk wil worden als zijn vader die de meeste rendieren van het ‘dorp’ bezit. 
Lasse beleeft een paar spannende avonturen wanneer de kudde in een sneeuwstorm terechtkomt en met de geheimzinnig doende, norse oom Mikkel. De schrijver heeft zich goed op de hoogte gebracht van de leefwijze van deze Samengroep en vertelt en passant hoe ze denken en leven.

LASSE LÄNTA                                     Bekroond jeugdboek 1955

Cor Bruin
Ill. Anjo Mutsaars

Uitgegeven door Ploegsma

Vanaf 10 jaar

Over de leeftijd

Over illustraties

Kinderboekbesprekingalle titels

Kinderboekbesprekingalle auteurs

.

2343

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-2-2/7)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Zie de inleiding

Voor de eerste levensfase van 0 – 7 jaar hechtte Steiner grote waarde aan o.a. de nabootsing. Hij beschrijft dat deze nabootsingskracht in het kind rond het 7e jaar langzamerhand afneemt. Er vindt a.h.w. een soort omwerking plaats en nabootsing wordt na-volging. In zekere zin ook een soort nabootsing: je wil dat wat de oudere in jouw omgeving voorleeft in je opnemen – niet meer dromend zoals met de nabootsing gebeurt, maar meer ‘gewild’ doordat je vertrouwen hebt in die oudere persoon; respect ook. Dat is voor Steiner het ‘autoriteitsprincipe’. 

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase 7 – 14: autoriteit

GA 298

Artikel                                             

Die pädagogische Grundlage der 
Waldorfschule

Von diesem Zeitpunkte an wird die Seele offen für ein bewußtes Hinnehmen dessen, was vom Erzieher und Lehrer auf der Grundlage einer selbstverständlichen Autorität auf das Kind wirkt. Diese Autorität nimmt das Kind hin aus dem dunklen Gefühl heraus, daß in dem Erziehenden und Lehrenden etwas lebt, das in ihm auch leben soll. Man kann nicht Erzieher oder Lehrer sein, ohne mit voller Einsicht sich so zu dem Kinde zu stellen, daß dieser Umwand­lung des Nachahmungstriebes in die Aneignungsfähigkeit auf Grund selbstverständlichen Autoritätsverhältnisses im umfänglichsten Sinne Rechnung getragen wird.

De pedagogische grondslag van de vrijeschool

Blz. 11

Vanaf dit tijdstip (ca 7 jr) is de ziel zover dat deze bewust in zich op kan gaan nemen wat van de opvoeder en leerkracht op basis van een vanzelfsprekende autoriteit op het kind van invloed is. Het kind accepteert deze autoriteit vanuit een vaag gevoel dat er in de opvoeder en de leerkracht iets leeft dat ook in hem moet leven. Je kan geen opvoeder of leerkracht zijn zonder je met een volledig inzicht zo op het kind te richten dat je deze metamorfose van de nabootsingsdrang in de mogelijkheid iets te leren dat gebaseerd is op vanzelfsprekende autoriteitsverhoudingen, in de ruimste zin van het woord serieus neemt. 
GA 298/11
Niet vertaald 

Voordracht Stuttgart, 1 juni 1924 

 
Der Verkehr des Lehrers mit dem Elternhause im Geiste der   Waldorfschul-Pädagogik            

Das Kind ist jetzt nicht mehr geneigt, mit dem ganzen Organismus sich nachahmend hinzugeben an das, was ihm vorgelegt wird, sondern das Kind geht über zu dem selbstverständlichen Autoritätsprinzip. War es früher der Wille, der in der ganzen kindlichen Organisation dem Vorgelebten nachahmend folgte, so ist es jetzt das Gefühl, das Gefallen oder Mißfallen findet an dem, was der Lehrer im Bilde, aber auch im Bilde seiner ganzen Persönlichkeit, seines eigenen Handelns, in der Gestaltung seiner Spra­che und so weiter vor das Kind hinstellt. Und nicht eine willkürlich

De samenwerking van de leerkracht met de ouders zoals dat bij de vrijeschool hoort

Het kind is nu (na het 7e jaar) niet meer geneigd zich met heel zijn wezen nabootsend over te geven aan wat hem voorgedaan wordt, maar het kind gaat over op het principe van de vanzelfsprekende autoriteit. Was het eerder de wil die in het hele organisme van het kind nabootsend volgde wat er om hem heen voorgeleefd werd, nu is het het gevoel dat sympathie of antipathie voelt voor wat de leerkracht in beeld, maar ook als beeld van zijn hele persoon, zijn eigen doen en laten, in hoe hij spreekt enz, aan het kind vertoont. En geen willekeurige

Blz. 212

eingesetzte, sondern die selbstverständliche Autorität muß in der Schule walten zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife.
Aber abgesehen davon, das Kind fordert durch seine innere Seelenwesenheit, daß etwas deshalb für es wahr ist, weil der in selbstverständlicher Autorität sympathisch empfundene Erzieher es wahr heißt. Das Kind empfindet, daß etwas schön ist, weil die selbstver­ständliche Autorität es schön findet; das Kind findet, daß etwas gut ist, weil die Autorität es gut findet. In dieser Autorität ist verkörpert das Wahre, Schöne und Gute. Und schlimm ist es für den Menschen, wenn er aus Prinzipien, aus abstrakten Geboten heraus, aus allerlei Verstan­desgesetzmäßigkeiten heraus sich aneignen soll eine Empfindung für das Wahre, Gute, Schöne, bevor er es sich angeeignet hat im richtigen Kindesalter – und das ist das Alter zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife – dadurch, daß es ihm verkörpert in einem Menschen entgegengetreten ist. Wir sollen zuerst gelernt haben, etwas ist wahr, weil eine verehrte Persönlichkeit es wahr heißt, bevor wir die innere abstrakte Gesetzmäßigkeit des Wahren einsehen, die eigentlich auf uns erst wirken kann, wenn wir über das Geschlechtsreifealter hinaus sind. Sie werden mir nicht zumuten, daß derjenige, der vor mehr als dreißig Jahren seine «Philosophie der Freiheit» geschrieben hat, eine Lanze brechen möchte für das Autoritätsprinzip, wo es nicht hingehört. Aber das Autoritätsprinzip, wie es die kindliche Natur selber fordert, das gehört unbedingt in die Volksschule hinein. Da wird der Lehrer mit seinem Verstande, mit seinem Herzen, mit seinem Gefühl, mit seinem ganzen Menschentum Richtschnur für das Wahre, Gute, Schöne, wie das 2Kind es annehmen soll; es entsteht ein menschliches Verhältnis bis in die Gestaltung des Wahren, Guten und Schönen.

maar de vanzelfsprekende autoriteit moet in de school centraal staan tussen de tandenwisseling en de puberteit.
Maar nog afgezien daarvan, het kind eist door hoe het innerlijk als gevoelswezen is dat iets waar is omdat de vanzelfsprekende autoriteit voor wie het kind sympathie heeft, het waar noemt. Ook wat het kind mooi vindt, goed vindt, is mooi en goed omdat de autoriteit het mooi en goed vindt. In deze autoriteit is het ware, mooie en goede belichaamd. En voor de mens is het verkeerd wanneer hij volgens principes, volgens abstracte geboden, volgens allerlei logica een gevoel  moet krijgen voor wat waar, mooi en goed is, vóór het deze dingen op de geschikte leeftijd – en dat is de leeftijd tussen de tandenwisseling en de puberteit – belichaamd in een mens ontmoet heeft. We moeten allereerst geleerd hebben dat iets waar is, omdat een vereerde persoon het voor waar houdt, voordat we de inherente abstracte wetmatigheden van het ware inzien die eigenlijk pas op ons kunnen werken wanneer we de puberteit achter ons hebben gelaten. 
U moet me niet voor de voeten werpen dat ik een lans breek voor het principe van de autoriteit – ik schreef meer dan dertig jaar geleden ‘De filosofie van de vrijheid’ [4] al. Maar het autoriteitsprincipe dat de natuur van het kind eist, hoort zonder meer op de basisschool thuis. Daar wordt de leerkracht met zijn verstand, zijn hart, zijn gevoel, helemaal zoals hij als mens is, leidraad voor het ware, het mooie en het goede.
GA 298/211-213                
Niet vertaald

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2]
 GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4] GA 4
Vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2342

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 



 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

De meeste pedagogische voordrachten zijn vrij vlot te lezen. Deze – niet meteen een pedagogische te noemen – is voor mij niet alleen lastig van taalgebruik, maar ook inhoudelijk een moeilijke.
Foute vertalingen zijn zeker niet uit te sluiten. Verbeteringen zijn welkom via vspedagogie@gmail.com
.

RUDOLF STEINER

GA 297A

ERZIEHUNG ZUM LEBEN

OPVOEDING VOOR HET LEVEN 

5 voordrachten, een autoreferaat, 2 vragenbeantwoordingen,  en een krantenverslag tussen 24 febr. 1921 en 4 april 1924 in verschillende steden. [1]

Inhoudsopgave  
voordracht [1]  [2]  [4]  [5]  [6vragenbeantwoording bij voordracht 1  vragenbeantwoording 2

Anthropsophie und die Rätsel der Seele

Voordracht 3, Stuttgart 17 januari 1922

Blz. 83

Den Daseinsrätseln steht der Mensch eigentlich erst dann wirklich gegenüber, wenn er einen Grad von Bewußtheit über das Leben ausgebildet hat, wenn er sich genötigt fühlt, sich Vorstellungen, Empfindungen, Gefühle über sein Verhältnis zur Welt zu machen. Dann aber, wenn er in eine solche Lage gekommen ist, dann be­deuten für ihn die Daseinsrätsel durchaus dasjenige, was man eine Lebensfrage nennen kann, denn sie hängen nicht nur zusammen mit irgendwelchen theoretischen Sehnsüchten, mit bloß äußerlichen Bildungsfragen, sondern es hängt von ihnen die ganze Stellung des Menschen zur Welt ab, die Art, wie sich der Mensch in der Welt zurechtfinden kann, der Grad an Sicherheit, den er im Leben haben kann, und der innere Halt, mit dem er sich durch dieses Leben bewegen kann.
Nun ist aber doch ein beträchtlicher Unterschied zwischen den verschiedenen Arten von Daseinsrätseln.

Antroposofie en de raadsels van de ziel

De mens krijgt pas echt te maken met de raadsels van het bestaan, wanneer hij een bepaald bewustzijnsniveau van het leven ontwikkeld heeft; wanneer hij het nodig vindt om zich voorstellingen over de wereld te vormen, wanneer hij over zijn ervaringen wil spreken en uiting wil geven aan gevoelens over hoe hij in de wereld staat. Maar, wanneer hij dan in die positie verkeert, betekenen de raadsels van het bestaan voor hem wat je zeer zeker een levensvraag kan noemen, want die hangen niet alleen samen met een of andere theoretisch verlangen, met alleen maar uiterlijke opleidingsvragen, maar daarvan hangt de hele positie van de mens in de wereld af, de manier hoe de mens in de wereld zijn plaats vindt, de mate van zekerheid die hij in het leven kan hebben en het innerlijke houvast, waarmee hij door het leven kan gaan.
Maar er is wel een aanzienlijk verschil tussen de aard van de verschillende levensvragen.

Der Mensch steht der Natur gegenüber, muß sich Vorstellungen, Empfindungen bilden über sein Verhältnis zur Natur, und wenn ich einen Vergleich ge­brauchen darf, so möchte ich sagen: Wenn der Mensch in der Weise zum Bewußtsein gekommen ist, wie ich das charakterisiert habe, und er kann sich nicht hineinfinden in gewisse Dinge, die als Ge­heimnisse der Natur ihm entgegentreten, dann erscheint ihm das Dasein, dem er einmal angehört – wie gesagt, es ist nur als Vergleich ausgesprochen -, wie ein Geistig-Finsteres, er fühlt sich wie in eine finstere Welt hineingestellt, er fühlt, wie er sich in dieser finsteren Welt nicht orientieren kann. Aber es bleibt dieses ganze Verhältnis zu den Weltgeheimnissen des äußeren natürlichen Daseins dennoch bis zu einem gewissen Grade für den Menschen etwas Äußerliches, es betrifft sein äußeres Verhältnis zum Dasein. Ganz anders steht der Mensch diesen Rätselfragen selber gegen­über, wenn es sich um die Rätsel seiner Seele handelt. In diesen

De mens staat tegenover de natuur, moet zich voorstellingen vormen, zich inleven t.a.v. zijn houding tot de natuur en wanneer ik een vergelijking mag gebruiken, dan zou ik zeggen: wanneer de mens op een manier tot bewustzijn is gekomen die ik gekarakteriseerd heb en hij kan geen gevoel krijgen voor bepaalde dingen die als mysteries van de natuur voor hem staan, dan komt het bestaan waar hij nu eenmaal bijhoort – zoals gezegd, het is maar een vergelijking – als een geestelijke duisternis op hem over, hij voelt zich alsof hij op een duistere wereld gezet is, hij beleeft hoe hij zich in deze duistere wereld niet kan oriënteren. Maar deze hele relatie tot de mysteries van het uiterlijke, natuurlijke bestaan blijft dan toch tot op zekere hoogte voor de mens iets uiterlijks, het gaat om de uiterlijke relatie tot het leven.
Heel anders staat de mens zelf t.o.v. van deze raadselachtige vragen, wanneer het om de raadsels van zijn ziel gaat. 

Blz. 84

Rätselfragen lebt er, diese Rätselfragen machen im Grunde dasjeni­ge aus, was zunächst seelische Gesundheit und Krankheit sein kann, was aber auch zur körperlichen Gesundheit und Krankheit werden kann. Denn das Seelenleben, es ist etwas außerordentlich Kompli­ziertes, so einfach es zunächst auch erscheinen mag. Was wir wäh­rend unseres tagwachen Zustandes vom Morgen bis zum Abend in unserem Bewußtsein tragen – es ist ja heute durchaus auch wissen­ schaftlich anerkannt -, das ist ja nur ein Teil unseres Seelenlebens. Ein großer Teil unseres Seelenlebens ruht in unbewußten oder, ich könnte auch sagen unterbewußten Tiefen; es schlägt seine Wellen herauf in Form von unbestimmten Empfindungen, von unbestimm­ten Stimmungen, wohl auch von allerlei anderen Seeleninhalten, und bildet dasjenige, was eine unbestimmte Grundfassung unseres Seelenlebens ist. Das aber, was in dieser Weise mehr oder weniger unbestimmt in den Untergründen unseres Seelenlebens sich abspielt und heraufflutet, das hängt innig zusammen mit dem, was eigentlich das Glück oder Leid unseres Lebens ist. 

Hij leeft met deze raadselachtige vragen, ze bepalen in eerste instantie wat een gezonde of niet-gezonde ziel kan zijn, wat ook kan leiden tot lichamelijk gezond of ziek zijn. Want het gevoelsleven zit gecompliceerd in elkaar, hoe simpel het op het eerste gezicht mag lijken. Wat wij van ’s morgens tot ’s avonds als we wakker zijn, in ons bewustzijn meedragen – dat is nu ook wetenschappelijk erkend – is maar een deel van ons gevoelsleven. Een groot deel van ons zielenleven ligt in het onbewuste, zit zelfs diep in ons onderbewuste; het borrelt op in de vorm van onbepaalde gevoelens, vage stemmingen, wellicht ook van iets anders dat in de ziel leeft en dat veroorzaakt een onduidelijke basis van ons zielenleven. Maar wat zich daar min of meer vaag in ons gevoel afspeelt en in ons opkomt, hangt nauw samen met wat uiteindelijk geluk of leed in ons leven is.

Und gerade wer auf an­throposophischem Weg versucht, in das Seelenleben des Menschen einzudringen, der merkt sehr bald, wie alles, was in einer solchen Art unbestimmt aus den Tiefen des Seelischen heraufflutet, mit dem Körperlich-Leiblichen zusammenhängt, wie zuerst leise, dann im­mer mehr und mehr unser ganzer Gesundheitszustand, der uns le­benstüchtig oder lebensunfähig macht, von diesen unterbewußten Seelenstimmungen abhängen kann. Nun will ich heute nicht in der Art zu Ihnen sprechen, wie ge­genwärtig über dieses Unbewußte der Seele sehr häufig gesprochen wird, indem man alles dasjenige, was unklar im Bewußtsein schil­lert, eben in den großen Behälter dieses Unbewußten unterbringt und sich mehr oder weniger vage Vorstellungen darüber macht, wie dieses Unbewußte oder Unterbewußte wirkt.Ich spreche ja seit vielen Jahren hier von diesem Ort aus über Fragen der an­throposophischen Forschung und kann daher heute nicht von dem Allerelementarsten dieser Forschung ausgehen, sondern ich möchte die Fragen des Seelenlebens in ihrem ureigentlicheh Sinne so be­trachten, wie sie in einem gewissen Sinne mit Glück oder Unglück

En wie nu langs antroposofische weg probeert door te dringen tot het zielenleven van de mens, merkt al gauw, hoe alles wat op zo’n vage manier uit de diepten van het zielenleven opwelt, samenhangt met het lichamelijk-levende, hoe eerst een beetje, maar dan steeds meer onze hele gezondheidstoestand die ons geschikt maakt voor het leven of niet, van deze onderbewuste gevoelsstemmingen afhankelijk kan zijn.
Nu wil ik vandaag niet zo tot u spreken zoals tegenwoordig zo vaak over het onbewuste van de ziel gesproken wordt, wanneer men alles wat niet zo helder in het bewustzijn oplicht dan maar in het grote bewaarvat van het onbewuste onderbrengt en zich dan min of meer vage voorstellingen vormt over hoe dit onbewuste of onderbewuste werkt.
Ik spreek al vele jaren hier op deze plaats over vragen van het antroposofisch onderzoek en kan daarom nu niet uitgaan van het allereenvoudigste van dit zoeken, maar ik wilde de vragen over het zielenleven in hun eigenlijke zin bekijken, hoe ze op een bepaalde manier samenhangen met in het leven gelukkig zijn of niet.

Blz. 85

des Lebens zusammenhängen. Da muß man aber schon eingehen auf das, was im menschlichen Seelenleben, durchflutet von allerlei zunächst Unbekanntem, auf das wir eben gerade durch die heutigen Betrachtungen mehr oder weniger klar hinweisen wollen, beun­ruhigend oder beruhigend, beglückend oder leidvoll – und was da­zwischenliegt – wirken kann. Nun finden wir in unserem Seelenleben, wenn wir auch nur oberflächlich über dasselbe hinblicken, zwei deutlich voneinander zu unterscheidende Pole: Auf der einen Seite das Vorstellungsleben, das alles das umfaßt, was sich klar, lichtvoll in unserem Bewußtsein abspielt, und auf der anderen Seite das Willensleben, das in einer gewissen Weise zunachst dunkel, finster aus den seelischen Unter­gründen heraufspielt. Wir unterscheiden – ich habe ja das schon öfter hier erwähnt
– im gewöhnlichen Lebensverlauf des Menschen zwei Bewußt­seinszustände, von denen eigentlich nur der eine ein deutlicher Bewußtseinszustand ist: den Wachzustand und den Schlafzustand. 

De menselijke ziel is doortrokken door van alles wat in eerste instantie onbekend is. En ik wil er in de beschouwingen van vandaag min of meer op wijzen wat de menselijke ziel onrustig maakt of wat kalmerend werkt, geluk geeft of smart, met alles wat daar tussen ligt.
Nu vinden we in onze ziel, ook als we er maar oppervlakkig naar kijken, twee duidelijk van elkaar te onderscheiden polen: aan de ene kant het voorstellingsleven dat alles omvat, wat zich helder in ons bewustzijn afspeelt en aan de andere kant het wilsleven dat op een bepaalde manier in eerste instantie duister, donker uit de ondergrond van de ziel naar buiten komt.
Wij maken in het gewone verloop van het leven onderscheid – dat heb ik hier al eerder gezegd – tussen twee bewustzijnstoestanden, waarvan er maar één eigenlijk een duidelijke bewustzijnstoestand is: het wakker-zijn en de toestand van de slaap.

Im Schlafzustand hört das bewußte Vorstellungsleben auf, das ganze Seelenleben sinkt hinunter in ein mehr oder weniger finste­res Dunkel. Aber wir können, wenn wir ganz unbefangen auf unser Seelenleben im Wachzustand hinblicken, nur davon spre­chen, daß wir in bezug auf alles dasjenige, was vorstellungsmäßig ist, wirklich wach sind. Wir haben uns gewissermaßen als wache Menschen in der Hand, insofern wir unser Bewußtsein angefüllt haben mit klaren Vorstellungen, mit lichtvollen Gedanken. Wir begleiten auch unsere Willensimpulse, wir begleiten unsere Hand­lungen mit Gedanken. Aber vollständig dunkel bleibt, selbst bei der einfachsten Bewegungshandlung des menschlichen Leibes, wie der Gedanke des Bewußtseins zusammenhängt mit demjenigen, was eigentlich bei einem Willensimpuls, bei einem Handeln vor sich geht. Wie dunkel ist es doch, was eigentlich im Innern des Armes geschieht, wenn ich nur diesen Arm hebe, wenn der Ge­danke, der das Ziel dieses Armhebens hat, sich verwirklichen will, gewissermaßen hineinschießen und willentlich den Arm in Be­wegung setzen will.

In de slaap houdt het bewuste voorstellingsleven op, het hele zielenleven zakt min of meer in een donkere toestand weg. Maar we kunnen, als we heel onbevangen naar ons eigen gevoelsleven kijken wanneer we wakker zijn, alleen maar zeggen dat wij wat betreft alles wat met het voorstellingsleven heeft te maken, dáár werkelijk wakker zijn. We hebben onszelf zogezegd als wakker mens in de hand, voor zover wij ons bewustzijn gevuld hebben met heldere voorstellingen, heldere gedachten. Ook onze wilsimpulsen, onze handelingen laten we vergezeld gaan van gedachten. Maar volledig duister blijft, zelfs bij de eenvoudigste beweging van het menselijk lichaam, hoe de gedachte van het bewustzijn samenhangt met wat er eigenlijk bij een wilsimpuls, bij een handeling plaats vindt. Wat is het toch donker bij wat er eigenlijk in mijn arm gebeurt, wanneer ik die optil, wanneer de gedachte die het doel van dit optillen kent, zich wil realiseren, in zekere zin erin schieten wil en gewild de arm in beweging wil brengen.

Blz. 86

Was da im eigenen Organismus vor sich geht, das entzieht sich dem wachen Tagesbewußtsein ganz genau so wie das, was im Men­schen seelisch vorgeht vom Einschlafen bis zum Aufwachen, so daß wir eigentlich durchaus sagen müssen: Es ist für dieses menschliche Seelenleben so, daß wir auch im Wachzustand einen Einschlag des Schlafens haben, daß uns der Schlafenszustand fortwährend durchdringt und daß wir nur im Vorstellen selber, im Erleben licht-voller, klarer Gedanken, vollständig wach sind. Zwischen diesen beiden Zuständen, zwischen dem, ich möchte sagen vollständig wachen Vorstellungszustand und dem in Dunkelheit eingetauchten Willensleben liegt, an beiden teilnehmend, das Gefühls-, das Ge­mütsleben. Unsere Gefühle durchdringen unsere Vorstellungen. Wir bringen aus unseren Gefühlen gewisse Sympathien und Anti­pathien in das Vorstellungsleben hinein, verbinden dadurch unsere Vorstellungen meist oder trennen sie. Wir begleiten das, was in unsere Willensimpulse einfließt, mit unserem Gefühlsurteil, indem wir die einen Handlungen als pflichtgemäß empfinden, die anderen als Verfehlungen gegenüber der Pflicht. Und indem wir den pflicht­gemäßen Handlungen gegenüber eine gewisse Befriedigung des Gefühls haben oder eine Unbefriedigung des Gefühls demjenigen gegenüber, was uns nicht gelingen kann oder was wir aus einem anderen Grunde verfehlen, flutet zwischen dem Vorstellungsleben und dem Willensleben das Gefühlsleben hin und her.

Wat er in je eigen organisme gebeurt, onttrekt zich aan het wakkere dagbewustzijn net zo als wat er in de ziel van de mens gebeurt vanaf het inslapen tot het wakker worden, zodat we eigenlijk zouden moeten zeggen: voor dit menselijk zielenleven is het zo dat we ook wanneer we wakker zijn een stuk slaap in ons hebben, dat we ons voortdurend in een toestand van slaap bevinden en dat we alleen in het voorstellen zelf, in het beleven van heldere, klare gedachten volledig wakker zijn.
Tussen deze beide toestanden, tussen die volledig wakkere voorstellingstoestand en het in het donker weggedoken wilsleven, bevindt zich, aan beide deelhebbend, het gevoels- het gemoedsleven. Onze gevoelens doordringen onze voorstellingen. Uit ons gevoel komen er bepaalde sympathieën en antipathieën in ons voorstellingsleven, daardoor verbinden we onze voorstellingen met elkaar of we houden ze los van elkaar. We begeleiden wat in onze wilsimpulsen stroomt, met onze gevoelsoordelen, als we de ene handeling als plicht ervaren, de andere als het tekortschieten wat de plicht betreft. En wanneer we bij de plichtmatige handelingen een bepaald tevreden gevoel hebben of een ontevreden gevoel over wat we niet kunnen of waar we door andere oorzaken tekortschieten, schiet tussen het voorstellingsleven en het wilsleven het gevoelsleven heen en weer.

Aber die eigentlichen Seelenrätsel, sie treten nicht auf für den dumpfen Menschen, der sich in der eben geschilderten Weise auf der einen Seite dem Vorstellungsleben, auf der anderen Seite dem Gefühlsleben und dem Willensleben übergibt, sondern diese Seelenrätsel treten hervor, indem sich der Mensch immer bewußter und bewußter wird. Und auch dann treten die erlebten Seelenrätsel nicht vollbewußt auf, sondern sie gehören gerade zu den mehr oder weniger unterbewußten Erlebnissen des Menschen. Der Mensch wird sich nie in seinem Bewußtsein ganz klar, wovon eigentlich die Stimmung, woher die Verfassungen seines Seelenlebens, die sein tägliches Glück, sein tägliches Leid so beeinflussen, eigentlich kom­men. Man muß schon dasjenige aufsuchen und klar aussprechen,

Maar deze eigenlijke raadsels van de ziel bestaan niet voor de mens die zich daar niet voor interesseert, die op de zo net geschetste manier zich enerzijds aan zijn voorstellingsleven overgeeft, anderzijds aan zijn gevoels- en wilsleven; die eigenlijke raadsels van de ziel worden duidelijk wanneer de mens zich steeds bewuster wordt. Maar ook dan komen de raadsels van de ziel die je beleeft niet volbewust naar boven, die horen min of meer tot de onderbewuste ervaringen van de mens. Voor de mens wordt het in zijn bewustzijn nooit helemaal helder waar de stemming, waar de constellatie van zijn gevoelsleven die zijn dagelijks geluk, zijn dagelijkse moeite zo beïnvloeden, eigenlijk vandaan komt. We moeten wel uitzoeken en duidelijk uitspreken wat er

Blz. 87

was unklar im Bewußtsein lebt. Und das bitte ich Sie zunächst bei den Ausführungen, die ich nun gleich machen werde, zu berück­sichtigen: daß ich genötigt sein werde, etwas in klaren Worten aus­zusprechen, was niemals in dieser Klarheit im Bewußtsein lebt, was aber im Seelenleben gesundend und krankmachend vorhanden ist, was der Mensch spürt, was der Mensch empfindet, ohne daß er es sich zum Bewußtsein bringen kann. Und weil das so ist, deshalb sind die Seelenrätsel nicht bloß theoretisch, deshalb sind die Seelen-rätsel durchaus erlebte Daseinsrätsel. |Wenn der Mensch sich dem Vorstellungsleben hingibt – wie ge­sagt, ich spreche klar aus, was nur unklar empfunden wird, was nie­mals ganz zum Bewußtsein gebracht wird -, so empfindet er etwas wie die Nichtigkeit seines eigenen Daseins. Das Vorstellungsleben ist ein Bild-Erleben. Das Vorstellungsleben ist etwas, was sich uns während unseres wachen Tageslebens anfüllt mit dem, was wir aus der äußeren Welt an Eindrücken, an Wahrnehmungen empfangen; was wir aus der Natur herein erleben, das bildet den Inhalt unserer Vorstellungen, das lebt in uns, das ist es selbst, was wir aus unseren Erinnerungen heraufholen.

aan onduidelijks in het bewustzijn leeft. En ik verzoek u om te beginnen bij wat ik nu uiteen ga zetten in de gaten te houden dat ik genoodzaakt ben iets in klare taal uit te spreken, wat nooit zo helder in het bewustzijn leeft, wat echter in het gevoelsleven gezond-, dan wel ziekmakend aanwezig is, wat de mens aanvoelt, wat hij ervaart, zonder dat hij het zich bewust kan maken. En omdat dit zo is, zijn de raadsels van de ziel niet alleen maar theorie, daarom zijn deze zeer zeker raadsels van het bestaan die we ervaren.
Wanneer de mens opgaat in zijn voorstellingsleven – zoals gezegd, ik spreek helder uit, wat als vaag beleefd wordt, wat nooit helemaal tot bewustzijn gebracht kan worden – dan ervaart hij iets van de nietigheid van zijn eigen bestaan. Het voorstellingsleven is een beeld-beleven. Het voorstellingsleven is iets wat ons gedurende ons wakkere dagleven steeds weer voorziet van wat we uit de uiterlijke wereld aan indrukken, aan waarnemingen ontvangen; wat we vanuit de natuur beleven vormt de inhoud van onze voorstellingen, dat leeft in ons verder en is ook wat we vanuit onze herinneringen ophalen.

Aber wir sind uns bewußt: Ja, du bist tä­tig, indem du deine Vorstellungen verarbeitest in den Vorstellungen, indem du die Vorstellungen trennst und verbindest, du bist innerlich tätig, aber du hast deine Tätigkeit nicht voll in deinem Geist gegen­wärtig; was in deinem Geist gegenwärtig ist, das ist im Grunde genommen Spiegelbild der äußeren Welt. – Wir wissen, daß wir uns anlehnen müssen mit unserem Vorstellungsleben an diese äußere Welt. Das, was wir haben, ist bloß ein Bild der äußeren Welt; wir le­ben, indem wir in unseren Vorstellungen leben, in Bildern, wir emp­finden kein vollinhaltliches Dasein in unserem Vorstellungsleben. Und diese Empfindung, sie lebt sich unterbewußt aus, so sonder­bar, so paradox das klingt. Und so wenig es im Bewußtsein vorhan­den ist – es ist im Unterbewußten lebendig, es lebt sich dieses Emp­finden gegenüber dem Vorstellungsleben in gewissen ängstlichen Gefühlen aus, in Gefühlen der Angst.
Es klingt paradox, aber es gibt diese Unterströmung des mensch­lichen Seelenlebens. Die meisten Menschen wissen nichts davon,

Maar we zijn ons bewust: ja, je bent actief als je je voorstellingen verwerkt tot voorstellingen, als je de voorstellingen analyseert en op elkaar betrekt, je bent innerlijk actief; maar die activiteit heb je niet vol in je geest, niet volledig paraat; wat er in je geest aanwezig is, is in de grond van de zaak spiegelbeeld van de uiterlijke wereld. We weten dat we met ons voorstellingsleven moeten leunen op deze uiterlijke wereld. Wat we hebben is alleen een beeld van de uiterlijke wereld; we leven, als we in onze voorstellingen leven, in beelden, we ervaren in ons voorstellingsleven niet het concrete, volle bestaan.
En deze ervaring leeft zich onderbewust uit, hoe wonderlijk, hoe paradoxaal het ook klinkt. En hoe gering die ook in het bewustzijn aanwezig is – die leeft in het onderbewuste – deze gewaarwording leeft zich t.o.v. het voorstellingsleven uit in bepaalde gevoelens van angst, in bange gevoelens.
Het klinkt paradoxaal, maar deze onderstroom zit in de menselijke ziel. De meeste mensen weten daar niets van,

Blz. 88

aber die meisten Menschen oder eigentlich alle Menschen stehen fortwährend unter ihrem Einfluß. Und diese Unterströmung ist eine ängstliche Strömung, daß wir sozusagen uns selber in der Welt verlieren könnten, daß wir über einem Abgrund stehen deshalb, weil unsere Vorstellungswelt eine Bilderwelt ist. Und wiederum lebt die unbestimmte Sehnsucht in der menschlichen Seele: Wie fin­de ich in dieser bloßen Bilderwelt das Dasein? Man kann durchaus diese unbewußte Empfindung in der Unterströmung der Seele vergleichen mit der Empfindung, die der Mensch – durch Körperliches verursacht – dann hat, wenn er zu wenig Luft bekommt, wenn er an Lufthunger leidet und dadurch bewußt in ängstliche Gefühle verfällt. Was da der Mensch durch körperliche Zustände bewußt erlebt, das wird unbewußt eigentlich empfun­den. Und so kann hingewiesen werden auf der einen Seite auf ein Seelenrätsel, nicht in theoretischer Formulierung, sondern indem man etwas heraufholt aus den Tiefen der Seele, was in dieser Seele keimt oder schlummert.

maar de meeste mensen of eigenlijk alle mensen worden er voortdurend door beïnvloed. En deze onderstroom is een beangstigende stroom, alsof we onszelf in de wereld zouden kunnen verliezen, dat we boven een afgrond staan, omdat ons voorstellingsleven een wereld van beelden is. En ook dan leeft in de ziel weer het vage verlangen: hoe vind ik in deze pure beelden het bestaan?
Je kan dit onbewuste ervaren in de onderstroom van de ziel zeer goed vergelijken met de ervaring die de mens – veroorzaakt door iets lichamelijks – wel heeft wanneer hij te weinig lucht krijgt, wanneer hij ademnood heeft en daardoor bewust overvallen wordt door angstige gevoelens. Wat de mens hier door lichamelijke toestanden bewust beleeft, wordt onbewust eigenlijk altijd als een begeleidingsverschijnsel van het voorstellingsleven ervaren. En zo kun je aan de ene kant gewezen worden op een zielenraadsel, niet in een theoretische formulering, maar wanneer je iets naar bovenhaalt uit de diepte van de ziel, wat in de ziel als kiem of sluimerend aanwezig is.

Auf der anderen Seite, indem der Mensch sich hinlebt zum Wil­lenselement, empfindet er den entgegengesetzten Zustand. Da ist eine andere Unterströmung im Seelenleben vorhanden. Da empfin­det der Mensch, wie er seinen Trieben, seinen Emotionen, seinen Instinkten ausgesetzt ist, wie da ein Naturhaftes in das menschliche Seelenleben hineinspielt, das sich nicht aufschließt zur Klarheit des Denkens, das immer in einer gewissen Weise in eine  Realität, in eine Wirklichkeit getaucht ist, die wir nicht lichtvoll durchdringen kön­nen, die ein Finsteres in uns selber bildet. Und man kann wiederum, wenn man mit unbefangener Beobachtung in diese Unterströmungen der Seele eindringen kann, angeben – man muß eben immer einen Widerspruch sagen, wenn man dasjenige, was in den Tiefen der Seele existiert, charakterisieren will -, wie das, was da lebt, unbewußt empfunden wird. Man muß es dann charakterisie­ren, indem man sagt: Es wird empfunden so, wie im Bewußtsein etwa der Zorn empfunden wird oder auch wie der Mensch empfin­det, wenn er nicht ausatmen kann, wenn seine Blutzirkulation so

Aan de andere kant, wanneer de mens zich meer overgeeft aan het wilselement, ervaart hij de tegenovergestelde toestand. Dan is er een andere onderstroom in de ziel aanwezig. De mens ervaart daar hoe hij te maken heeft met zijn driften, zijn emoties, zijn instincten, hoe daar iets van de natuur zich in de menselijke ziel laat gelden dat niet openstaat voor de helderheid van het denken, dat steeds op een bepaalde manier in een realiteit, in een werkelijkheid ondergedoken is waar wij geen licht op kunnen werpen, die in ons iets duisters vormt. En je kan ook dan weer wanneer je met een onbevangen blik in deze onderstromen van de ziel vermag door te dringen aangeven – je moet wel steeds iets zeggen dat elkaar tegenspreekt – wanneer je wat in de diepten van de ziel bestaat, wil karakteriseren – hoe wat daar leeft, onbewust ervaren wordt. Je moet het dan karakteriseren door te zeggen: het wordt zo ervaren zoals in het bewustzijn de boosheid ervaren wordt of hoe de mens zich voelt wanneer hij niet kan uitademen, wanneer zijn bloedsomloop zo

Blz. 89

gestört ist, daß die Atmungsluft nicht in der richtigen Weise in seinem Leibe umgesetzt wird, wenn eine Art Ersticken kommt. Etwas wie Zornmütigkeit ist immer durch ein solches Hinleben zum Willenselement in der menschlichen Seele.
Das sind Kräfte, die tief in dem Unbewußten der menschlichen Seele leben, die herauffluten und die das eigentlich Rätselvolle des menschlichen Seelenlebens ausmachen. Und wer bloß die Vorstel­lungen in ihrer Bildhaftigkeit, den Willen in seiner Triebhaftigkeit, wie sie sich dem Bewußtsein darbieten, nimmt, der fühlt zwar diese Seelenrätsel als etwas Unbestimmtes, als unbestimmte Empfindung der Seele, aber er macht sich diese Seelenrätsel nicht klar, er weiß im Grunde genommen nicht, was das unbestimmte Wirken in ihm ist, das aber tief sein glückliches oder unglückliches Gestimmtsein im Leben beeinflußt.
Man muß immer wieder sagen: Die Seelenrätsel sind nicht solche [Rätsel], wie wir sie an der Natur empfinden, die Seelenrätsel sind solche, die innerlich erlebt werden, die herauffluten aus den tiefen Unterströmungen der Seele und die erst gedeutet werden müssen. 

verstoord is dat de ademhalingslucht niet op een goede manier in zijn lichaam verwerkt kan worden, wanneer er een soort verstikking optreedt. In het leven naar de wilskant zit er altijd wel iets van drift in de menselijke ziel.
Het zijn krachten die diep in de menselijke ziel leven, die opwellen en die eigenlijk het raadselachtige van de ziel uitmaken. En wie daar alleen de voorstellingen als het beeldende van neemt, de wil als het driftmatige daarvan, wat daarvan in het bewustzijn komt, voelt dit raadselachtige van de ziel als iets onbestemds, als een vage gewaarwording in de ziel, maar hij krijgt dit raadselachtige niet helder, in de aard van de zaak weet hij niet wat deze vage activiteit in hem is, die echter wel van invloed is op een gelukkige dan wel ongelukkige stemming in het leven.
Je moet steeds weer zeggen: de raadsels van de ziel zijn niet de raadsels die we in de natuur ervaren, maar zulke die innerlijk beleefd worden, die opwellen vanuit diepe onderstromen in die ziel en die moeten dus worden verklaard.

Deshalb weiß jegliche Wissenschaft – gegen die selbstverständlich, wie das ja schon öfter hier betont worden ist von mir, nichts auf ihrem berechtigten Gebiet eingewendet werden soll – mit den eigentlichen Seelenrätseln wenig anzufangen. Wir sehen es – und ich möchte zwei Beispiele dafür anführen – an dem ganzen neuzeitlichen wissenschaftlichen Denken, wie hilflos im Grunde genommen die auf anderen Gebieten so große Triumphe feiernde Wissenschaft dem Seelenleben eigentlich gegenübersteht, trotzdem die höchsten Daseinsrätsel an diesem Seelenleben des Menschen hängen. An zwei Beispiele möchte ich erinnern, die aber meiner Überzeugung nach tief bezeichnend sind für dasjenige, was da ist, und für das, was wissenschaftlich notwendig ist, um in das eigentliche Gebiet, das der Mensch als Seelenrätsel erlebt, einzudringen.
Es ist jetzt fast ein halbes Jahrhundert her, da hat der große Physiologe Du Bois-Reymond auf der 45. Naturforscherversamm­lung in Leipzig eine Rede gehalten, auf die immer wieder hingewie­sen werden muß, obwohl außerordentlich viel über sie gesprochen­

Daarom weet die wetenschap – waartegen vanzelfsprekend, zoals ik dat al vaker heb beweerd, door mij niets ingebracht wordt waar het haar terrein betreft – met het eigenlijke mysterie van de ziel niets te beginnen. Ik wil twee voorbeelden geven waarbij we bij al het wetenschappelijke denken van deze tijd zien, hoe in wezen de wetenschap die op andere gebieden zulke grote successen boekt, met lege handen staat wat het zielenleven betreft, hoewel de belangrijkste vragen over het bestaan verweven zijn met dit zielenleven. Ik wil twee voorbeelden in herinnering roepen die volgens mij veel betekenen voor hoe het er nu voorstaat en voor wat er wetenschappelijk nodig is om door te dringen tot het eigenlijke gebied dat de mens als de raadsels van zijn ziel beleeft.
Het is nu ongeveer een halve eeuw geleden dat de grote natuurkundige Du Bois-Reymond op het 45e wetenschappelijk onderzoekscongres in Leipzig een voordracht hield waarnaar steeds weer moet worden verwezen, hoewel er al buitengewoon veel over is gesproken

Blz. 90

worden ist und sie heute fast vergessen und aus der Diskussion ver­schwunden ist. Diese Rede handelte über die «Grenzen der Naturer­kenntnis», und Du Bois-Reymond gibt mit Recht auf der einen Seite als die eine Grenze des Naturerkennens die materielle Welt in ihrem Wesen an. Er sagt: Da hinein, wo Materie kommt, kann der mensch­liche Geist nicht eindringen, er dringt in die äußere Beobachtung der außeren Sinneserscheinungen zu der Offenbarung des materiellen Daseins, aber er kann nicht angeben, was eigentlich die Materie sel­ber ist. – Das gibt Du Bois-Reymond als die eine Grenze an. Als die andere Grenze gibt er die des menschlichen Bewußtseins an; das ist heute aber nichts anderes als die des menschlichen Seelenlebens. Er sagt: Mit der vollkommensten Naturerkenntnis kann man noch nicht einmal irgendeine Vorstellung gewinnen darüber, wie die allerein­fachste Empfindung in der Menschenseele zustande kommt. Wenn man auch ganz klar wüßte, wie im Menschengehirn sich Kohlen­stoff-, Wasserstoff-, Stickstoff-, Sauerstoff-Atome bewegen, man würde niemals aus der klaren Einsicht in diese Bewegungen ergrün­den können, wie die einfachste Empfindung – «ich sehe rot», «ich rieche Rosenduft» – zustande kommt, das heißt wie die ersten Elemente des Seelenlebens zustande kommen.

en die tegenwoordig bijna vergeten is en uit de discussie verdwenen. Die lezing ging over de ‘Grenzen van de natuurwetenschappelijke kennis’ en Du Bois- Reymond stelt terecht aan de ene kant de stoffelijke wereld als de grens van het natuurwetenschappelijk kennen. Hij zegt: de menselijke geest kan niet doordringen tot in de materie; die komt tot aan de uiterlijke waarneming van de uiterlijke zintuigverschijnselen die zich als  materie voordoen, maar hij kan niet aangeven wat nu de materie zelf is. Dat geeft Du Bois-Reymond als de ene grens aan. Als de andere grens noemt hij het menselijk bewustzijn; dat is tegenwoordig echter niets anders dan het menselijke zielenleven. Hij zegt: met de meest perfecte kennis van de natuur kan men zich nog niet eens een voorstelling maken van hoe de meest eenvoudige gewaarwording in de menselijke ziel ontstaat. Al zou men ook heel duidelijk weten hoe in de hersenen van de mens zich koolstof-, waterstof-, stikstof-, zuurstofatomen bewegen, men zou nooit vanuit het heldere inzicht in deze bewegingen een basis kunnen leggen voor hoe de eenvoudigste gewaarwording – ik zie rood – ik reuk rozengeur – ontstaat, d.w.z. hoe de eerste elementen van zielenleven ontstaan.

Und Du Bois-Reymond hat mit diesem Ausspruch eigentlich vollständig recht. Hier liegt für die äußere Naturwissenschaft durchaus eine zweite Grenze, nur daß die Überzeugung Du Bois­Reymonds die ist, die gerade durch anthroposophische Forschung durchbrochen werden muß. Du Bois-Reymond meint, daß die Grenzen der Naturerkenntnis die Grenzen jeglicher Wissenschaft­lichkeit seien. Deshalb sagt er: Wenn man hineindringen will in die­ses Gebiet des Geistig-Seelischen, so muß man das durch andere Mittel als die wissenschaftlichen tun, denn wo der Supernatu­ralismus beginnt, wo man, mit anderen Worten, in das Gebiet des Geistig-Seelischen eindringt, da hört Wissenschaft auf. – Das will gerade anthroposophische Forschung vor der Welt verteidigen, daß Wissenschaft sich nicht erschöpfen braucht im äußerlich-natürlichen Dasein, daß Wissenschaft die Mittel entwickeln kann, um auch in das Geistig-Seelische einzudringen.

En Du Bois-Reymond heeft met deze uitspraak eigenlijk helemaal gelijk. Hier ligt voor de gewone natuurwetenschap zeker een tweede grens, alleen, de overtuiging van Du Bois-Reymond moet nu juist door het antroposofisch onderzoek doorbroken worden. Du Bois Reymond denkt dat de grenzen van de wetenschappelijke kennis de grenzen van iedere wetenschap zijn. Daarom zegt hij: wanneer je wil doordringen tot dit gebied van geest en ziel, dan moet je dat met andere middelen doen dan de wetenschappelijke, want waar het bovennatuurlijke begint, waar je, met andere woorden in het gebied van geest en ziel doordringt, daar houdt de wetenschap op. Juist het antroposofisch onderzoek wil t.o.v. de wereld verdedigen dat wetenschap niet klaar hoeft te zijn bij wat het uiterlijk-natuurlijke bestaan aangaat, dat wetenschap middelen kan ontwikkelen om ook tot de wereld van ziel en geest door te dringen.

Blz. 91

Das andere Beispiel, das ich vorbringen will, ist das einer ausge­zeichneten Persönlichkeit, Franz Brentano, der eine Seelenkunde ganz nach der Methode der modernen Naturwissenschaftlichkeit begründen wollte. Das war sein Ideal. Ich habe den ganzen Tatbe­stand, der den Forschungen Franz Brentanos zugrunde liegt, im dritten Teil meines Buches «Von Seelenrätseln» eingehend erörtert und möchte hier nur einiges Prinzipielle anführen. Franz Brentano hat dann zu Beginn der siebziger Jahre des vorigen Jahrhunderts versucht, eine Seelenkunde zu schreiben, eine Psychologie. Der er­ste Band ist 1874 im Frühling erschienen. Für den Herbst war der zweite Band versprochen; er ist niemals erschienen. Auf vier Bände war das ganze Werk berechnet; außer dem ersten Band ist niemals etwas erschienen als einzelne Ansätze, die aber immer nur Ansätze sind. Das ganze Werk ist ein Torso geblieben. Warum das so sein mußte, habe ich in dem genannten Werke auseinandergesetzt. Franz Brentano wollte eben ganz nach dem Muster naturwissen­schaftlicher Forschungsweise auch über das seelische Leben For­schungen anstellen, und man findet in diesem ersten Band ein merk­würdiges Bekenntnis Franz Brentanos.

Het andere voorbeeld dat ik wil geven, is dat van een briljante persoonlijkheid, Franz Brentano, die geheel volgens de methode van de moderne natuurwetenschap een psychologie wilde opstellen. Dat was zijn ideaal. Ik heb alle feiten die aan de onderzoekingen van Franz Brentano ten grondslag liggen, in het derde deel van mijn boek ‘Von Seelenrätseln’ omstandig aan de orde gesteld en ik wil er hier maar een paar principële noemen. Franz Brentano probeerde in het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw een psychologie te schrijven. Het eerste deel is in 1874 in de lente verschenen. Het tweede deel werd beloofd voor de herfst; het is nooit gekomen. Het werk zou uit vier delen bestaan; buiten het eerste deel zijn nooit meer dan een paar losse pogingen gedaan, waar het echter bij bleef. Het hele werk is een brokstuk gebleven. Waarom dat zo moest zijn, heb ik in het genoemde werk uiteengezet. Franz Brentano wilde helemaal volgens het patroon van de natuurwetenschappelijke manier van onderzoek ook onderzoek doen naar het psychische leven en in dit eerste deel vind je van Franz Brentano een opvallende bekentenis.

Er sagt da etwa: Mit dieser naturwissenschaftlichen Forschung gelingt es ja, in den Einzelhei­ten des seelischen Lebens bescheiden sich zurecht zu finden; man kann angeben, wie eine Vorstellung sich mit der anderen verbindet, wie eine Vorstellung sich von der anderen trennt, wie sich gewisse Gefühle an Vorstellungen anknüpfen, Willensimpulse an Vorstel­lungen anknüpfen, wie die Erinnerung wirkt und so weiter. Aber wenn, so sagt Franz Brentano, es dabei bleiben müßte, daß man nur diese Einzelheiten des Seelenlebens erforschen könnte, und wenn erkauft werden müßte das Wissen über die wichtigsten Fragen des menschlichen Daseins mit dieser strengen Wissenschaftlichkeit, wohin käme man? Denn berechtigt findet Franz Brentano die Sehn­sucht, die schon in Plato, in Aristoteles im alten Griechentum lebte:
dasjenige, was man im einzelnen über die Seele des Menschen erfor­schen kann, bis zu den großen Fragen von Geburt zu Unsterblich­keit zu verfolgen. Und traurig wäre es, meint Franz Brentano, wenn man, weil man wissenschaftlich sein will bei der Erkundung des

Hij zegt daar zoiets als: met dit natuurwetenschappelijk onderzoek lukt het om op een bescheiden manier vertrouwd te raken met de details van het zielenleven; je kan aangeven hoe een voorstelling zich met een andere verbindt, hoe een voorstelling zich losmaakt van een andere, hoe bepaalde gevoelens zich met voorstellingen verbinden, bepaalde wilsimpulsen dat doen, hoe de herinnering functioneert enz. Maar, zegt Franz Brentano, als het daarbij zou moeten blijven dat je alleen maar deze onderdelen van het zielenleven zou kunnen onderzoeken en als de kennis van de belangrijkste vragen van het menselijke bestaan alleen maar verworven kan worden met deze strenge wetenschappelijkheid, waar komen we dan uit? Franz Brentano vindt het verlangen dat al bij Plato, bij Aristoteles in het Oude Griekenland leefde wel gerechtvaardigd: wat men gedetailleerd van de mensenziel kan onderzoeken, om de grote vragen van geboorte tot de onsterfelijkheid na te gaan. voort te zetten. En het zou treurig zijn, meent Franz Brentano wanneer men, omdat men wetenschappelijk wil zijn bij het onderzoek naar het

Blz. 92

Seelenlebens, verzichten müsse auf ein Wissen, wie es dem besseren Teil des Menschen in uns ergehe, wenn der physische Teil mit dem Tode der Erde übergeben wird.
Und man kann es dem, was Franz Brentano im ersten Band sei­ner Psychologie ausgeführt hat, ansehen, daß seine ganze wissen­schaftliche Sehnsucht dahin geht, die einzelnen Fragen, die im Grunde genommen das weitere Publikum wenig berühren können, die dieses weitere Publikum gerne dem Gelehrten überlassen will, auf einem weiten Weg hinzuführen bis zu den großen Fragen der menschlichen Unsterblichkeit und des göttlich-geistigen Inhaltes der Welt, wie er sich in der Seele spiegelt. Brentano fand aber aus seiner naturwissenschaftlichen Denkweise heraus diesen Weg nicht, und weil er eine ehrliche Forschernatur war, so ließ er eben die folgenden Bände, für die er keinen Forschungsweg fand, bis zu seinem vor einigen Jahren erfolgten Tode ungeschrieben.
Ich möchte sagen: gerade an diesem Forscherschicksal zeigt sich im echten Sinne tragisch, wie das, was oftmals heute als alleinige Wissenschaftlichkeit anerkannt wird, an den großen Rätselfragen der menschlichen Seele erlahmen muß.

zielenleven, zou moeten afzien van een weten hoe het met het hogere deel van de mens in ons gaat, als het fysieke deel bij de dood aan de aarde wordt overgeleverd.
En je kan zien aan wat Franz Brentano in het eerste deel van zijn psychologie uitgewerkt heeft, dat zijn hele wetenschappelijke verlangen erop uit is gedetailleerde vragen die in de grond genomen het grote publiek weinig kunnen schelen, die dit grote publiek graag aan de geleerden wil overlaten, breed te behandelen tot aan de grote vragen van de menselijke onsterfelijkheid en de goddelijk-geestelijke inhoud van de wereld en hoe die zich weerspiegelen in de ziel. Brentano vond echter vanuit zijn natuurwetenschappelijke denkwijze die weg niet en omdat hij een eerlijke onderzoeksmentaliteit had, liet hij de volgende banden – hij vond er geen manier van onderzoeken voor – tot aan zijn dood die enige jaren geleden volgde, ongeschreven.
Ik zou willen zeggen: juist aan het lot van deze onderzoeker wordt echt tragisch zichtbaar hoe, wat tegenwoordig als de enige wetenschappelijkheid erkend wordt, bij de grote raadsels van het leven, het moet laten afweten.

Das ist es – wiederum muß ich es sagen -, was Anthroposophie heute vor der Welt verteidigen muß: daß der Weg, den Brentano aus der Naturwissenschaft heraus nicht finden konnte, daß der gefunden werden kann! Und er kann
gefunden werden, wenn man bei den gewöhnlichen Fähigkeiten des
Seelenlebens, wie sie sich im äußeren Leben zunächst darbieten und wie sie in der gewöhnlichen Wissenschaft verwendet werden, nicht stehenbleibt.
Ich habe oftmals davon gesprochen, daß in jedes Menschen Seele
schlummernde, sagen wir mit einem wissenschaftlichen Ausdruck
latente Erkenntnisfähigkeiten liegen, die erst aus dieser Seele heraufgeholt werden müssen, wie aus dem Kinde gewisse Fähigkeiten
heraufgeholt werden müssen durch die Erziehung. Wer schon herangereift ist für die gewöhnlichen Erkenntnisfähigkeiten, muß sich
in hingebungsvollen inneren Seelenübungen schulen, damit er jene
Seelenfähigkeiten ausbilde, durch die nun nicht dasjenige unklar
bleibt, was ich nach den beiden Seiten hin als menschliches, rätsel

En – ik moet het weer zeggen: antroposofie moet vandaag de dag er in de wereld voor pleiten dat de weg die Brentano vanuit de natuurwetenschap niet kon vinden, dat die gevonden kan worden! Dat kan wanneer je niet stil blijft staan bij de gebruikelijke zielenvermogens, zoals die zich in eerste instantie in het uiterlijke leven vertonen en hoe die in de gewone wetenschap gebruikt worden,
Ik heb er al dikwijls over gesproken dat in iedere mensenziel sluimerende, laten we met een wetenschappelijke uitdrukking zeggen, latente kennisvermogens liggen die eerst uit de ziel gehaald moeten worden, zoals bij een kind bepaalde vaardigheden ontwikkeld moeten worden door de opvoeding. Iemand bij wie de gewone kennisvermogens ontwikkeld zijn moet zich vol overgave met innerlijke zielenoefeningen scholen, zodat hij die zielsvermogens ontwikkelt waardoor niet vaag blijft wat ik naar beide kanten toe als menselijk, 

Blz. 93

volles Seelen-Erleben charakterisiert habe – das Erleben gegenüber
den Vorstellungen, das Erleben gegenüber den Willensimpulsen -,
sondern damit der menschliche Seelenprozeß gewissermaßen
durchsichtig werde, damit man in das, was da eigentlich im menschlichen Vorstellungs-, im menschlichen Willensleben vorgeht, eindringen kann. Denn ohne daß man in diese alltäglichen Seelenrätsel eindringt, kann man auch nicht den Weg finden zu den großen Fragen des menschlichen unsterblichen Daseins und des göttlich-geistigen Inhaltes der Welt, in dem auch des Menschen Seele urständet. Nun habe ich des öfteren in Vorträgen hier charakterisiert, wieder Mensch innerliche Übungen zu machen hat, rein seelisch-geistige Übungen, durch die er die sonst schlummernden Erkenntnisfähigkeiten zum Dasein erweckt, so daß sie ihm wirklich in der Erkenntnis weiterhelfen können. Ich habe darauf hingewiesen, wie man das Vorstellungsleben selber erkraften, verstärken kann. Geradeso, wie wir einen Muskel stärken, wenn wir ihn fortwährend arbeitend gebrauchen, so können wir das Vorstellungsleben stärken,
wenn wir in dem Sinne, wie ich es zum Beispiel in meiner Schrift
«Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?» in allen Einzelheiten angeführt habe,

raadselachtig zielsbeleven gekarakteriseerd heb – dit beleven wat de voorstellingen, wat de de wilsimpulsen betreft – maar om het menselijke gevoelsproces in zekere zin doorzichtig te laten worden, zodat je doordringen  in wat zich eigenlijk in het menselijke voorstellings- menselijke wilsleven voordoet. Want zonder door te dringen in deze gevoelsraadsels van alledag, kan je ook de weg naar de grote vragen van de menselijke onsterfelijkheid en de goddelijk-geestelijke inhoud van de wereld waaruit ook de menselijke ziel stamt, niet vinden. Ik heb al wel vaker in voordrachten hier gekarakteriseerd hoe de mens innerlijke oefeningen moet doen, puur oefeningen voor ziel en geest, waardoor hij de anders sluimerende kennisvermogens tot leven wekt, zodat die hem daadwerkelijk met die kennis verder helpen. Ik heb erop gewezen hoe je het voorstellingsleven zelf krachtiger kan maken. Net zo als je je spieren sterker maakt wanneer je die voortdurend bij het werken gebruikt; zo kunnen we het voorstellingsleven sterker maken, wanneer we op de manier waarop ik dat in mijn boek ‘De weg tot inzicht in hogere werelden’  tot in detail heb uitgewerkt,

wenn wir dieses Vorstellungsleben durch innerliche seelische Arbeit in eine gewisse Richtung bringen, wenn wir gewisse leicht überschaubare Vorstellungen in den Mittelpunkt des Bewußtseins rücken und immer wieder auf diese Weise einer vorstellenden Arbeit uns hingeben, der wir uns sonst nicht hingeben. Ich kann dies nur prinzipiell hier andeuten, aber Sie finden
in dem eben genannten Werk und auch im zweiten Teil meiner
«Geheimwissenschaft» deutliche Aufschlüsse darüber, daß das Vorstellungsleben des Menschen durch solche Meditations- und
Konzentrations-Übungen des Denkens etwas ganz anderes werden
kann. Ich möchte sagen: Ohne irgendwelche abnorme Vornahme,
sondern durch bloße Fortbildung dessen, was als Gedankenleben,
als Vorstellungsleben im Menschen normal ist, kann ein stärkeres,
kräftigeres Vorstellungsleben erzeugt werden.
Und indem man dieses kräftigere Vorstellungsleben erzeugt,
indem man durch Meditation und Konzentration sich über das hin

dit voorstellingsleven door innerlijke zielenarbeid in een bepaalde richting sturen, wanneer wij bepaalde makkelijk te overziene voorstellingen in het middelpunt van ons bewustzijn plaatsen en steeds weer op deze manier ons overgeven aan een voorstellende activiteit wat we anders niet zouden doen. Hier kan ik het alleen maar in principe aangeven, maar u vindt in het genoemde boek en ook in het tweede deel van mijn ‘Wetenschap van de geheimen der ziel’ duidelijke uitleg over hoe het voorstellingsleven van de mens door dergelijke meditatie- en concentratieoefeningen van het denken heel anders kan worden. Ik zou willen zeggen: zonder een of andere abnormale manier van doen, maar alleen maar door verder te ontwikkelen wat in het gedachteleven als voorstellingsleven in de mens normaal is, kan een sterker en krachtiger voorstellingsleven ontwikkeld worden.
En wanneer je dit ontwikkelt, wanneer je door meditatie en concentratie

Blz. 94

aushebt, was in unserem gewöhnlichen Vorstellungsleben eigentlich
bloß bildhaft ist, kommt man zu dem, was ich in den genannten Büchern das inhaltsvolle, imaginative Vorstellen nenne. Dieses imaginative Vorstellen lebt mit einer solchen inneren Lebendigkeit in dem bloßen Gedanken, wie sonst der Mensch in seinen äußeren Wahrnehmungen lebt. Dadurch aber kommt man allmählich dahin, daß das Vorstellungsleben nicht mehr dieses bloß abstrakte, dieses, ich möchte sagen bloß bildhafte ist, sondern man macht durch rein innerliche Forschung – die aber durchaus mit demselben Ernst getrieben wird wie nur irgendeine wissenschaftliche Forschung – die Entdeckung, daß die Seele, die ihr Vorstellungsleben sonst nur mit den Ergebnissen der äußeren Eindrücke anfüllen konnte, innerlich von Kräften erfüllt wird, die gewissermaßen in das Seelenleben hereinschießen. Die Vorstellungen sind nicht mehr bloß dieses Leichtflüssige, wenn sie durch Meditation, durch Konzentration ausgebildet werden, sondern sie werden
durchkraftet, durchzogen von Kräften, die ich gestaltende Kräfte nennen möchte, von Kräften, die ein innerlich geistig-plastisches Element ausmachen. 

uitstijgt boven wat in ons gewone voorstellingsleven eigenlijk alleen maar beeld is, komt je bij wat ik in de genoemde boeken het inhoudsrijke, imaginatieve voorstellen noem. Dit leeft met zo’n innerlijke levendigheid in het gewone denken zoals de mens in zijn uiterlijke waarnemingen leeft.
Daardoor echter kom je langzamerhand zover dat het voorstellingsleven niet meer alleen maar dit abstracte beeld, alleen maar beeld is, maar door puur innerlijk onderzoek – dat echter absoluut met dezelfde ernst gedaan moet worden als welk ander wetenschappelijk onderzoek – doe je de ontdekking dat de ziel die zich anders alleen maar vullen kan met de resultaten van de uiterlijke indrukken, innerlijk met kracht vervuld wordt die in zekere zin het zielenleven binnenschieten. De voorstellingen zijn niet meer van die vluchtige, wanneer ze door meditatie en concentratie ontwikkeld worden, maar ze worden krachtiger, doortrokken van krachten die ik vormende krachten zou willen noemen, krachten die een innerlijk geestelijk-plastisch element vormen.

Und man entdeckt nach einiger Zeit, daß man durch diese Ausbildung des Vorstellungslebens mit demjenigen zusammenwächst, was die Bildekräfte des menschlichen Leibes selber sind; man macht nach einiger Zeit die Entdeckung, daß das Gedankenleben gewissermaßen nichts anderes ist als das verdünnte Kraftleben des menschlichen Wachstums. Was uns im physischen Leibe von der Geburt bis zum Tode innerlich plastisch gestaltet, das ist, ich möchte sagen in einem «verdünnten» Zustand unser Vorstellungsleben im gewöhnlichen Bewußtsein.
Wir blicken hin auf das eben geborene Kind. Wir wissen, daß in
diesem eben geborenen Kind, vom Gehirn ausgehend, die bildsamen, die plastischen Kräfte an der Gestaltung des Leibes arbeiten.
Wir verfolgen das Wachstum des Kindes, wie es ausstrahlt gerade von der plastischen Gehirntätigkeit, wir verfolgen es bis zu einem gewissen Einschnitt im menschlichen Erdenleben, bis zum Zahnwechsel, bis gegen das siebente Lebensjahr hin. Wir werden, indem wir dieses Kraftleben, das da im Menschen pulsiert, das plastisch in

En na enige tijd ontdek je dat je door deze ontwikkeling van het voorstellingsleven één wordt met wat de vormende krachten van het menselijk lichaam zelf zijn. Je doet na verloop van tijd de ontdekking dat het gedachteleven in zekere zin niets anders is dan het verdunde krachtige leven van de menselijke groei. Wat ons in het fysieke lichaam vanaf de geboorte tot aan de dood plastisch vormt, dat is in een ‘verdunde’ toestand ons voorstellingsleven in het gewone bewustzijn.
We kijken naar het pas geboren kind. We weten dat in dit pas geboren kind, van de hersenen uitgaand, de vormende, plastische krachten aan de vorming van het lichaam werken. 
We volgen de groei van het kind, hoe die met name vanuit de plastische hersenactiviteit uitstraalt; we volgen die tot een bepaalde belangrijke gebeurtenis in het mensenleven op aarde, tot aan de tandenwisseling, zo tegen het zevende levensjaar. We zullen, wanneer we dit krachtige leven dat in de mens pulseert, dat plastisch in

Blz. 95

ihm tätig ist, zunächst als ein Unbestimmtes empfinden. Auf der andern Seite, indem wir unser Vorstellungsleben durch Meditation, durch Konzentration kraftvoll ausgestalten, werden wir unbewußt zu demselben Element hingeführt, das plastisch von unserer ersten Kindheit an in uns arbeitete. Und das ist eine bedeutsame Entdekkung des inneren menschlichen Lebens, daß man das Vorstellungsleben so erkraften kann, daß man es innerlich so intensiv machen kann, daß man sich dann darinnen fühlt in dem, was des Menschen Bildekräfte sind, was Bildekräfte sind in seinem Wachstum, in seinem Stoffwechsel. So sonderbar es für die heutige Forschung noch klingt: es ist so, daß es möglich ist, durch eine Verstärkung des Seelenlebens in das hineinzuwachsen, was uns gewissermaßen dann aufnimmt als dasjenige, was unsern äußeren physischen Leib als seine Bildekräfte plastisch gestaltet. Man wächst durch das Vorstellungsleben in die Wirklichkeit hinein, man wachst in ein gestaltendes Element hinein.
Und man lernt auf diese Art kennen, was hinter dem bloßen Gedankenprozeß liegt; man lernt erkennen, wie ein Geistiges, mit dem man sich jetzt verbunden hat, am menschlichen Organismus von der Geburt bis zum Tod arbeitet.

hem werkt, aanvankelijk als iets vaags gewaarworden. Aan de andere kant, als we ons voortellingsleven door meditatie, door concentratie krachtig ontwikkelen, worden we onbewust naar dit zelfde element geleid, dat plastisch vanaf onze eerste kindertijd in ons werkzaam was. En het is een belangrijke ontdekking van het innerlijke menselijke leven dat je het voorstellingleven zo kan versterken dat je het innerlijk zo intensief kan maken, dat je dan beleeft wat de vormkrachten van de mens zijn, wat vormkrachten zijn in je groei, in je stofwisseling. Hoe vreemd dit voor het huidige onderzoek ook moge klinken: het is zo dat het mogelijk is door een versterking van het gevoelsleven aansluiting te vinden bij wat ons dan op een bepaalde manier in zich opneemt, bij de vormkrachten die ons uiterlijke fysieke lichaam plastisch vormgeven. Je groeit door dit voorstellingsleven naar de werkelijkheid toe, je vindt aansluiting bij een vormgevend element, daar groei je naar toe.
En je leert op deze manier kennen wat achter het gewone gedachteproces ligt; je leert kennen hoe iets geestelijks, waarmee je je nu hebt verbonden, vanaf de geboorte tot aan de dood aan het menselijk organisme werkt.

Das Vorstellungsleben bekommt seine Realität, das Vorstellungsleben ist nicht mehr das bloße Bildleben, das Vorstellungsleben wird ein Kraftleben, das im Dasein selber drinnensteht.
Und nur durch eine solche Erkenntnis kann das, was die
Unterströmung von Ängstlichkeit, von Furcht in der menschlichen Seele erzeugt, vom Bewußtsein aus bezwungen werden, so daß es in
der Tat nicht eine theoretische Lösung der Seelenrätsel ist, auf die
hier Anthroposophie hinweist, sondern eine durchaus innerliche,
praktische Lösung, die zu erleben ist. Anthroposophie muß darauf hinweisen, daß aus ihrer Forschung heraus dasjenige in das menschliche Bewußtsein hereinkommen und durch das menschliche Bewußtsein begriffen werden kann, was im Menschen lebt, was, ich möchte sagen nur zum Schein sich so weit verdünnt, daß es als unser gewöhnliches Vorstellungsleben herauskommt, was aber seiner Wahrheit nach die innere Wachsssphäre

Het voorstellingsleven krijgt zijn werkelijkheid, het voorstellingsleven is niet meer enkel en alleen beeldleven, het voorstellingsleven wordt een kracht die zelf in het bestaan aanwezig is.
En alleen door zo’n kennis kan, wat de onderstroom van bang zijn, van angst in de menselijke ziel oproept, vanuit het bewustzijn bedwongen worden, zodat het inderdaad niet een theoretische oplossing van het zielenraadsel is waarop de antroposofie hier wijst, maar daadwerkelijk een innerlijke, praktische oplossing die je kan beleven. Het antroposofisch onderzoek moet erop wijzen dat de mens tot bewustzijn kan komen en met zijn bewustzijn kan begrijpen, wat er in de mens leeft, wat zich alleen maar schijnbaar zo ‘verdund’ voordoet als ons dagelijkse voorstellingsleven wat echter in waarheid de innerlijke groeisfeer

Blz. 96

unseres Daseins ist. Und indem der Mensch auf der anderen Seite im Vorstellungsleben, ich möchte sagen das Schwer­gewicht verliert und in eine ängstliche Unterströmung dieses Seelenlebens hineingerät, kann er die Ergebnisse der geistes-wissenschaftlichen Anthroposophie über das Vorstellungsleben aufnehmen und kann dieses Vorstellungsleben auf dem Erkennt­niswege befestigen. Die Lösung dieses Seelenrätsels bietet Anthro­posophie nicht, indem sie eine Theorie hinstellt, sondern indem sie dem Menschen ein Ergebnis hinstellt, das er mit seinem gesunden Menschenverstand durchaus begreifen kann und das dann – wie Schwere verleihend – im Vorstellungsleben für sein Bewußtsein, für sein Seelenleben auftritt, so daß in die Seelenstimmung, in die Seelenverfassung hinein rätsellösend strömen kann, was Anthropo­sophie scheinbar als bloße Erkenntnis über das Vorstellungsleben geltend zu machen vermag.

van ons bestaan is. En als de mens aan de andere kant in het voorstellingsleven, ik zou willen zeggen, het wezenlijke kwijtraakt en in een angstige onderstroom van dit zielenbeleven terechtkomt, kan hij de resultaten van de geesteswetenschappelijke antroposofie over het voorstellingsleven in zich opnemen, dan kan hij dit voorstellingsleven langs de weg van de kennis bestendigen. De oplossing van het zielenraadsel biedt antroposofie niet, als ze een theorie opstelt, maar wanneer ze de mens een resultaat geeft dat hij met zijn gezonde mensenverstand goed kan begrijpen en dat dan – een anker biedend – in het voorstellingsleven voor zijn bewustzijn, voor zijn zielenleven kenbaar wordt, zodat er in de zielenstemming, in de zielenconstellatie iets kan instromen wat raadsels op kan lossen, en het lijkt erop dat antroposofie dat alleen maar als kennis van het voorstellingsleven kan laten gelden. 

Man erkennt da eben durchaus auf der einen Seite, wie der Mensch ein gestaltetes Wesen ist, wie er als Ganzes in einer be­stimmten Gestalt auftritt, wie seine einzelnen Organe aus dem Gei­ste heraus gestaltet sind und wie wir – damit wir freie Wesen sein können, damit wir nicht gezwungen durch diese innerlichen Kräfte nur handeln, sondern uns freien Spiegelbildern hingeben können -bis zu einem plastisch Gestalteten unsere bloß bildhaften Vorstel­lungen hinentwickeln. Das, was da vorliegt, habe ich zu Beginn der neunziger Jahre des vorigen Jahrhunderts in meiner «Philosophie der Freiheit» ausgeführt, indem ich gezeigt habe, daß der Mensch ein freies Wesen dadurch ist, daß er eben gerade in den reinen Gedanken, die nicht mit irgendeiner äußeren Realität für sein Bewußtsein zusammenhängen, leben kann, daß er in diesen reinen Gedanken seine moralischen Impulse formen kann. Spiegelbildern gegenüber wird man so dastehen, daß man selber irgend etwas aus­führen muß, wenn das Spiegelbild sich ändern soll; Spiegelbilder bestimmen einen nicht kausal. Der Mensch wäre niemals frei, wenn er von einer Realität in seinem gewöhnlichen Bewußtsein bestimmt wäre. In seinem gewöhnlichen Bewußtsein leben die Vorstellungen als Bilder, dadurch wird er von ihnen nicht bestimmt, wie man

Dan leer je aan de ene kant kennen hoe ook de mens een gevormd wezen is, hoe hij zich als een totaliteit in een bepaalde gestalte manifesteert, hoe zijn aparte organen vanuit de geest gevormd zijn en hoe wij – opdat we vrije wezens kunnen zijn, opdat we niet alleen maar door deze innerlijke krachten gedwongen handelen, maar dat we ons aan vrije spiegelbeelden kunnen overgeven – onze voorstellingen die alleen maar beelden zijn, tot een plastisch gevormd iets kunnen ontwikkelen. Waar we hier mee te maken hebben, heb ik in het begin van de jaren negentig (1800!) in mijn ‘Filosofie van de vrijheid’ uitgewerkt, toen ik liet zien dat de mens een vrij wezen is doordat hij juist in de reine gedachten die niet met een of andere uiterlijke realiteit voor zijn bewustzijn samenhangen, leven kan, dat hij in deze reine gedachten zijn morele impulsen vorm kan geven. Dan sta je a.h.w. zo tegenover spiegelbeelden dat je zelf iets ten uitvoer moet brengen, wil het spiegelbeeld anders worden; je wordt niet causaal door spiegelbeelden bepaald. De mens zou nooit vrij zijn, wanneer hij door een realiteit in zijn gewone bewustzijn zou worden bepaald. In zijn gewone bewustzijn leven de voorstellingen als beelden, daardoor wordt hij door hen niet bepaald, zoals men

Blz. 97

durch Spiegelbilder auch nicht bestimmt wird. Er ist frei. Damit er frei sein kann, muß sich sein Leben herausheben aus demjenigen, was es plastisch als Wachstumskraft, als Wachstumsleib, könnte man sagen, als Bildekräfteleib durchzieht. Aber dieses Leben in der Freiheit muß der Mensch eben mit der charakterisierten ängstlichen Unterströmung in seinem Seelenleben erkaufen, und daher muß der Mensch in seinem gewöhnlichen Bewußtsein dazu kommen, seine Freiheitsempfindung voll zu erleben, aber auch als polarischen Gegensatz diesem Freiheitserlebnis das entgegenstellen können, was Anthroposophie als Befestigung des Vorstellungslebens in der angedeuteten Weise geben kann.
Dringt man aber auf diesem Wege weiter, so dringt man ja von dem, ich möchte sagen ganz verdünnten, bloß bildhaften Vorstel­lungsleben vor zu dem, was wirkliche Realität ist, was in dem Men­schen gestaltend lebt. Es ist nicht der physische Leib, es sind nicht die physischen Organe, es ist ein übersinnlich Kraftendes, aber es ist da. Man erfaßt etwas, was außerhalb des physischen Leibes liegt, und man dringt, indem man einfach nach der einen Seite hin die Seelenrätsel verfolgt, dadurch in das ein, was unabhängig von dem menschlichen physischen Leibe eine übersinnliche Realität im Men­schen hat.

door spiegelbeelden ook niet bepaald wordt. Hij is vrij. Om vrij te kunnen zijn moet zijn leven uitstijgen boven wat het plastisch als groeikracht, als complex van groeikrachten zou je kunnen zeggen, als vormkrachtenlichaam doortrekt. Maar dit leven in vrijheid krijgt de mens op straffe van de zo juist gekarakteriseerde onderstroom van de angst in zijn gevoelsleven en vandaar dat de mens in zijn gewone bewustzijn er volledig toe moet komen zijn vrijheidsbeleven helemaal te ervaren, maar ook als polaire tegenstelling tegenover dit vrijheidsbeleven kunnen zetten wat de antroposofie als versteviging van het voorstellingsleven kan geven op de aangeduide manier. Wanneer je echter op deze weg verder komt, kom je van dit, ik zou willen zeggen, geheel verdunde, puur beeldende voorstellingsleven bij wat de echte realiteit is, wat in de mens vormgevend leeft. Dat is niet het fysieke lichaam, zijn niet de fysieke organen, het is iets wat bovenzintuiglijk kracht geeft, maar het is er. Je krijgt iets te pakken wat buiten het fysieke lichaam ligt en je dringt wanneer je simpelweg naar de ene kant de raadsels van de ziel volgt, door in wat onafhankelijk van het menselijke fysieke lichaam een bovenzinnelijke realiteit in de mens heeft.

Man dringt vor bis zu dem, was durch die Geburt oderdurch die Konzeption als menschlicher physischer Leib durch die bloßen Vererbungsverhältnisse zubereitet, durch bloße äußere Naturtatsachen vorgebildet wird. Man lernt erkennen, wie sich mit den vererbten Merkmalen, die von Eltern oder Voreltern herrühren, mit dem ganzen Leib, der sich im mütterlichen Organismus bildet, aus der geistigen Welt heraus dasjenige verbindet, was man im Leben wiederfindet, wenn man das Vorstellungsleben erkraftet.
Man gelangt, ich möchte sagen zu der einen Seite der Unsterblichkeitsfrage. Man schaut hin auf das, was unsterblich, was ewig ist in der Menschennatur, weil es aus einer geistigen Welt durch Konzeption und Geburt in das eindringt, was menschlich-leiblich ist, und weil es fortwirkt auch während des Erdenlebens als die innere plastische Gestaltungskraft, mit der wir uns verbinden, indem wir in der angedeuteten Weise unser Gedankenleben verstärken.

Je dringt door tot wat door de geboorte of door de conceptie als menselijk fysiek lichaam voorbereid werd door alleen maar de erfelijkheidsverhoudingen en de uiterlijke zaken van de natuur. Je leert kennen hoe met de geërfde kenmerken die van de ouders of voorouders komen, zich met het hele lichaam dat zich in het moederlijke organisme vormt, vanuit de geestelijke wereld verbindt wat je in het leven weer terugvindt, wanneer je het voorstellingsleven krachtiger maakt.
Je komt aan de ene kant bij de vraag van de onsterfelijkheid. Je kijkt naar wat onsterfelijk, wat eeuwig is in de mensennatuur, omdat het uit de geestelijke wereld door conceptie en geboorte het menselijk-lichamelijk doordringt en omdat het doorwerkt ook gedurende het leven op aarde als de inwendige plastische vormkracht waarmee wij ons verbinden wanneer wij op de aangeduide manier ons gedachteleven versterken.

Blz. 98

So bietet Anthroposophie die Perspektive, die etwa ein Franz Brentano suchte. Brentano begann auch bei einer Untersuchung der Gedanken, er ließ aber die Gedanken so, wie sie im gewöhnlichen Bewußtsein sind. Er beschränkte sich darauf, bloß zu registrieren, was im gewöhnlichen Bewußtsein vorhanden ist. Erst die Verstärkung des Gedankenlebens durch Meditation und Konzentration führt dieses Gedankenleben zu der inneren plastischen Gestaltungskraft, und sie führt wirklich auf den Weg, der beim Erfassen des
einfachen alltäglichen Gedankens beginnt und der endet bei dem geistig-seelischen Element des Menschen, das da gelebt hat vor der Geburt, vor der Konzeption in der geistig-seelischen Welt selber und das sich mit den Vererbungskräften, mit den physischen Kräften des Menschenleibes verbunden hat. Es gibt keine andere Lösung der Seelenrätsel als dadurch, daß man diesen Weg von den einfachsten Erscheinungen des alltäglichen Lebens bis zu den großen Rätselfragen des Daseins wirklich findet

Op deze manier biedt de antroposofie de perspectieven die een Franz Brentano wellicht zocht. Brentano begon ook met het onderzoeken van de gedachten, hij liet echter de gedachten bestaan zoals die in het gewone bewustzijn aanwezig zijn. Hij beperkte zich tot enkel registreren van wat er in het gewone bewustzijn aanwezig is. Pas het sterker worden van het gedachteleven door meditatie en concentratie brengt dit gedachteleven tot de innerlijke plastische vormkracht en leidt daadwerkelijk naar de weg die bij het begrijpen van de eenvoudige, alledaagse gedachten begint en die eindigt bij het geest-zielenelement van de mens dat leefde voor de geboorte, voor de conceptie in de geest-zielenwereld zelf en dat zich met de erfelijkheidskrachten, met de fysieke krachten van het mensenlichaam verbond.
Er is geen andere oplossing van de raadsels van de ziel mogelijk dan door deze weg van de meest simpele verschijnselen van het leven van alledag tot aan de grootste raadsels van het bestaan, daadwerkelijk te vinden.

Ich habe bisher auf das hingewiesen, was der Mensch gegenüber seinem Gedankenleben erreichen kann. Da kommt er zu dem, was den Menschen gewissermaßen in den Raum herausgestaltend treibt, was die räumliche Leiblichkeit des Menschen plastisch durchdringt,,was sich in der Gestalt auslebt, was aus der geistigen Welt, wie ich angedeutet habe, heruntersteigt und in die äußere Gestalt des Menschen, auch in die Gestalt seiner inneren Organe, hinein verfließt. Das ist aber nur die eine Seite des Menschenlebens, und auch an der anderen Seite des Menschenlebens nimmt das Seelische durchaus teil, wenn wir ebenso, wie wir durch Meditation und Konzentration das Gedankenleben ausbilden können, nach der anderen Seite das Willensleben jetzt nicht so ausbilden, daß man im eigentlichen Sinne sagen kann, man verstärkt es, sondern so, daß wir es hingebungsvoller machen, vergeistigter machen. Man kann es dadurch erreichen, daß man dieses Willensleben in einem gewissen Sinne losreißt von seiner Alltäglichkeit. – Ich habe viele einzelne Übungen gegeben – Geisteswissenschaft ist nicht
leichter als die Forschung auf der Sternwarte oder in der Klinik -,

Ik heb er tot nog toe op gewezen wat de mens wat zijn gedachteleven betreft, kan bereiken. Dan komt hij bij wat de mens in een bepaald opzicht in de ruimte vorm doet aannemen, wat de ruimtelijke lichamelijkheid van de mens plastisch doordringt, wat zich in de gestalte verwezenlijkt, wat uit de geestelijke wereld, zoals ik aangeduid heb, incarneert en in de uiterlijke gestalte van de mens, ook in de gestalte van zijn inwendige organen, instroomt. Dat is maar één kant van het mensenleven en aan de andere kant neemt ook de ziel daaraan deel, wanneer we net zoals wij door meditatie en concentratie het gedachteleven kunnen ontwikkelen, het wilsleven niet zo ontwikkelen dat je het sterker maakt, maar zo dat wij meer met overgave onze wil op iets kunnen richten, deze vergeestelijken.
Dat kun je bereiken door dit wilsleven op een bepaalde manier los te maken van wat het in het alledaagse leven is. Ik heb er veel los van elkaar staande oefeningen voor gegeven  – geesteswetenschap is niet makkelijker dan onderzoek op de sterrenwacht of in de kliniek –

Blz. 99

die jahrelang getrieben werden müßten, aber ich möchte nur einzelnes herausgreifen, um das Prinzipielle anzudeuten. – Es kann das [dieses Losreißen] dadurch geschehen, daß man das, was im gewöhnlichen Denken als Wille wirkt – denn im Denken ist immer ein Wille vorhanden, die Gedanken werden durch den Willen gestaltet, das Gedankliche ist nur die eine Seite, im Seelenleben ist immer der Wille mit den Gedanken durchwoben und die Gedanken Dadurch, daß man gewohnt ist, das Denken immer in demselben Sinne zu führen, wie die äußeren Tatsachen verlaufen, spielt das Denken für uns eigentlich in bezug auf den Willen, der in ihm entfaltet wird, eine passive Rolle. Es wird aktiv innerlich tätig, durchsetzt von innerlicher Initiative, wenn wir es durch solche Übungen schulen wie das Rückwärtsvorstellen, wo wir es losreißen von dem Gang der äußeren Tatsachen, wo wir es auf sich selbst angewiesen machen. Denn wenn wir solches, was wir auf diese Weise in sorg- -fältigen und energischen Übungen erreichen, durch eine wirklich ernste Selbstbeobachtung verstärken, indem wir das, was wir als Willensmensch tun, so beobachten, wie wenn wir neben uns stehen würden und uns Stück für Stück in unserer Willensentfaltung beobachten würden, oder auch wenn wir zur Aktivität übergehen würden, wenn wir Übungen geradezu zu dem Zweck machten, uns et-

die je jaren achter elkaar moet doen, en ik wil er nu één nemen om het principe uit te leggen. In het dagelijks leven is de wil altijd in het denken aanwezig, de gedachten worden door de wil vormgegeven. In het gevoel is de wil altijd met de gedachten doorweven en de gedachten met de wil. Dit wilselement in de gedachten verloopt normaal, d.w.z. het houdt zich aan de uiterlijke fysieke feiten. De wil daarvan losmaken kan door je iets voor te stellen dat omgekeerd verloopt.
Zeg maar, je bent gewend om je een drama van de eerste tot de vijfde akte voor te stellen, nu stel je je dat drama omgekeerd, teruggaand voor van wat zich het laatst afspeelt tot aan het begin. Dan begin je uiterlijke feiten voor te stellen die teruglopen. ’s Avonds kun je je bijv. de gewone dag voorstellen, maar dan omgekeerd verlopend, in zo klein mogelijke delen. van ’s avonds tot ’s morgens, zelfs zover dat je het oplopen van een trap je je zo voorstelt dat je achteruitlopend gaat van de bovenste trede tot de laatste, enz.  
Doordat we gewend zijn altijd op dezelfde manier te denken zoals de uiterlijke feiten verlopen. speelt het denken voor ons wat de wil betreft, die daarin ontplooid wordt eigenlijk een passieve rol. Het wordt innerlijk actief, doortrokken van innerlijke initiatieven, wanneer we het door dergelijke oefeningen scholen zoals het terugverlopende voorstellen, waarbij we het losmaken van de loop van de uiterlijke feiten, waarbij we het op zichzelf aangewezen laten zijn. Want wanneer we op deze manier iets dergelijks bereiken door zorgvuldige en krachtige oefeningen, het door echte, ernstige zelfwaarneming sterker maken, door wat we als wilsmens doen, zo waar te nemen als stonden we naast ons zelf en dat we dan onze wilsontplooiing in detail zouden waarnemen of ook wanneer we tot activiteit zouden overgaan, wanneer we oefeningen zouden doen met als doel ons iets

Blz. 100

was vorzunehmen und es dann mit einer eisernen Energie exakt auszuführen, so daß wir ganz im Willenselement leben – ich wollte nur prinzipiell solche Übungen angeben, die den Willen nicht nur
von den äußeren Tatsachen losreißen, sondern von seinem Gebundensein an den Leib selber, die den Willen selbständig machen, vergeistigen -, dann kommen wir auf diese Art tatsächlich zu einer Willensentfaltung, so daß wir uns mit unserem Seelenleben, das nun den Willen entfaltet, außer unserem Leibe erleben. Es ist ein
bedeutsames Erleben. Aber dadurch sieht man erst ein, was der Wille ist. Der Wille ist im gewöhnlichen Leben an die Organe gebunden. Wir sehen ihn sich entfalten, indem wir unsere Glieder bewegen. Wir beobachten nur durch unser Gedankenleben die Vorgänge, die Wirkungen unseres Willens. Wir sehen in ihn hinein, wenn wir ihn losgerissen haben von der Leiblichkeit, wenn wir ihn in sich selbst erleben, ganz eins werden mit ihm. Dann wird erdurchdrungen von einer Erhöhung derjenigen Kraft, die sonst auch an unseren physischen Organismus gebunden ist, durchdrungen von der Liebekraft. Und zu einer durchsichtigen, hellen Klarheit wird jenes hingebungsvolle Element im Seelenleben ausgebildet, das uns – ich möchte sagen dunkel, als emotionelles Willensleben – in der Liebe entgegentritt.

voor te nemen en dat dan met tomeloze energie precies uit te voeren, zodat we helemaal in het wilselement leven, dan komen wij op deze manier in feite tot een wilsontwikkeling, zodat we onszelf met ons zielenleven dat nu de wil ontwikkelt, buiten ons lichaam beleven. Ik wilde alleen dit soort principiële oefeningen aangeven die de wil niet alleen losmaken van uiterlijke dingen, maar van zijn gebonden zijn aan het lichaam zelf, die de wil zelfstandig maken, vergeestelijken. Dat is een belangrijke beleving. Maar daardoor zie je pas in, wat de wil is. De wil is in het dagelijks leven aan de organen gebonden. We zien dat hij actief is als we onze ledematen bewegen. We nemen alleen door ons gedachteleven de processen waar, de werking van onze wil. We krijgen er inzicht in, wanneer we hem losgemaakt hebben van de lichamelijkheid, wanneer we hem op zich staand beleven, helemaal één worden met hem. Dan wordt hij doordrongen met een toenemende kracht die anders ook aan ons fysieke organisme gebonden is, doordrongen van de liefdekracht. En dat element in ons zielenleven dat zich met overgave op iets kan richten, ontwikkelt zich tot iets wat we doorzien, wat helder voor ons is, dat – ik zou willen zeggen als duister, als emotioneel wilsleven in liefde op ons af komt.

Ich weiß, wie wenig die Menschen heute die Liebe als eine Erkenntniskraft gelten lassen wollen. Im gewöhnlichen Leben ist sie es auch nicht; aber wenn sie so ausgebildet ist, daß der Wille nicht mehr in Instinkten, in Trieben, in Emotionen wurzelt, sondern daßer im rein Seelischen, abgesehen von der Leiblichkeit lebt, dann wird dieser Wille eigentlich erst seiner Wesenheit nach erkannt, und dann zeigt er sich als etwas ganz anderes, als was das Gedankenelement sich gezeigt hat. Das Gedankenelement hat sich in seiner Verstärkung als dasjenige, was aufbauend gestaltet, gezeigt, was, ich möchte sagen Organ aus Organ herausfließen läßt, was zuletzt gipfelt in der menschlichen Fortpflanzung. Das Gedankenelement entfaltet sich als das plastische Wirken, von der Seele aus plastische Wirken in die menschliche Leiblichkeit hinein. Das Willenselement, das entfaltet sich so im Leib, daß es – wenn man es abgesondert vom

Ik weet hoe weinig de mensen nu de liefde als een kennende kracht willen laten gelden. In het dagelijks leven is ze dat ook niet; maar wanneer ze zo tot ontwikkeling is gekomen dat de wil niet meer in de instincten, in de driften, in de emoties wortelt, maar in het zuivere zielselement, vrij van de lichamelijkheid, dan wordt deze wil eigenlijk pas wat zijn wezen betreft, gekend en dan vertoont hij zich als iets heel anders dan wat het gedachte-element liet zien. Het gedachte-element vertoonde zich in zijn sterker worden als iets wat opbouwend vormt, wat orgaan na orgaan vormt, wat dan uiteindelijk uitmondt in de menselijke voortplanting. Het gedachte-element vertoont zich als plastische werking, vanuit de ziel als plastische werking op de menselijke lichamelijkheid. Het wilselement ontwikkelt zich zo in het lichaam dat het – wanneer je het los van

Blz. 101

Leib erkennt, kann man dann anschauen, wie es auf den Leib wirkt – das Leibliche nun gerade nicht plastisch gestaltet, sondern das Plastisch-Gestaltete wird zurückgebildet, wird aufgelöst, zerstäubt, verfließend gemacht. Das Willenselement ist das, was stetig – ich bitte, mich nicht mißzuverstehen -, ich möchte sagen die gebildeten
Elemente des Menschen wiederum verbrennt, in Flammen, geistig gesprochen, aufgehen läßt. Der Ausdruck ist bildlich gemeint, aber er bedeutet etwas sehr Wichtiges. Das menschliche Leben, wie es aus der Seele in die Leiblichkeit sich ergießt, kann nur verstanden werden, indem es auf der einen Seite durchschaut wird als dieses plastische Element, auf der anderen Seite als das Wiederauflösen des plastischen Elements, als das, ich möchte sagen, in das Zerstäubte, in das Zerfließende Hineinkommenlassen des plastischen Elementes. Und indem alles, was als Wille sich im Menschen entfaltet, im menschlichen Leibe ein solch Auflösendes, Zerstäubendes, das Zerfließende ist, ist dieses willensartige Element das, was nun erlebt wird als dasjenige, was uns nach der anderen Seite des Menschenlebens den Weg weist, was uns den Weg weist zum Tod hin.

van het lichaam leert kennen, je kan waarnemen hoe dit inwerkt op het lichaam – het lichamelijke nu juist niet plastisch vormt, maar wat plastisch gevormd werd, wordt afgebroken, wordt opgelost, stoffelijk gemaakt, het vloeit weg. Het wilselement is wat constant – ik vraag u mij niet verkeerd te begrijpen – ik zou willen zeggen de gevormde elementen van de mens weer verbrandt, in vlammen, geestelijk gesproken, op doet gaan. De uitdrukking is beeldend bedoeld, maar betekent wel iets heel belangrijks.
Het mensenleven, hoe dit vanuit de ziel overgaat naar de lichamelijkheid, kan je alleen begrijpen, als je het enerzijds kan doorgronden als een plastisch element, anderzijds als een element dat dit plastische weer laat oplossen, als iets wat het plastische element terecht laat komen in wat vervluchtigt, wat weer oplost. En omdat alles wat zich in de mens als wil ontplooit, in het lichaam van de mens zo’n oplossend, vervluchtigend, wegstromend iets is, wordt dit wilselement nu ervaren dat wat ons naar de andere kant van het mensenleven de weg wijst, wat ons de weg naar de dood wijst.

Wie wir durch die Plastik des Denkens eben zunächst das geistig-plastische Element der menschlichen Seele kennenlernen, das durch Geburt oder Empfängnis in den physischen Leib einzieht, so lernen wir erkennen, wie das willensartige Element den menschlichen Leib auflöst, aber im Auflösen – wie gesagt, bildlich gesprochen – aus der Flamme die reine Geistigkeit hervorgehen läßt.Wir lernen den Auszug der Seele aus dem Leibe kennen. Wir lernenauf diese Weise aus dem Verfließen des Willenselementes heraus den Tod verstehen. Wir lernen verstehen, was im Tode mit dem Menschen vorgeht, weil wir verstehen lernen, was beim alltäglichen Willensentschluß im Menschen vorgeht. Der alltägliche Willensentschluß bewirkt im physischen Leib – wie gesagt, bildlich gesprochen – eine Art Verbrennungsprozeß, aber aus diesem Verbrennungsprozeß geht hervor, was unser inneres Seelenleben ist. Was wir innerlich als Seele empfinden, es könnte nicht da sein, wenn wir immer bloß Leib wären, bloß plastisch gestaltet würden. Das Plastische

Zoals wij door de plastiek van het denken eerst het geestelijk-plastische element van de menselijke ziel leren kennen dat door de geboorte of conceptie het fysieke lichaam binnentrekt, zo leren wij kennen hoe het wilsmatige element het menselijk lichaam oplost, maar in het oplossen – zoals gezegd, beeldend gesproken – uit de vlam de pure geestelijkheid tevoorschijn laat komen. We leren hoe de ziel het lichaam verlaat. We leren op deze manier uit het verdwijnen van het wilselement de dood begrijpen. We leren begrijpen wat in de dood met de mens gebeurt, omdat we leren begrijpen wat bij het alledaagse wilsbesluit in de mens gebeurt. Het alledaagse wilsbesluit bewerkt in het fysieke lichaam – zoals gezegd – beeldend gesproken – een soort verbrandingsproces, maar uit dit verbrandingproces komt tevoorschijn wat ons innerlijk zielenleven is. Wat wij innerlijk als ziel voelen, kan er niet zijn wanneer wij steeds maar alleen ziel zouden zijn, alleen maar plastisch vorm zouden geven. Het plastische

Blz. 102

muß abgebaut werden, verfließen, und aus dem Verfließenden des Plastischen, aus dem immer Fortwährend-Zerstörtwerdenden des Leiblichen geht das Erleben des Seelischen hervor. Und wir begreifen den Auszug der Menschenseele aus dem physischen Leib mit dem Tod, der nur in einen Augenblick zusammengefaßt dasjenige darstellt, was sich in der Entfaltung des Willens zur Geistigkeit der Seele immerdar darstellt. So wie ich im gegenwärtigen Augenblick meinen Willen erlebe, wie er eine Art Verbrennungsprozeß, Auflösungsprozeß im Leibe bildet, wie durch die Zerstörung das Geistige auflebt im menschlichen Leib, so lerne ich erkennen, wie
mit dem anderen Zerstören des Leibes im Tode, das nichts anderes ist als die letzte Wirkung des im Leibe verborgenen Willens, wie da das Geistige wiederum zurückkehrt in die geistig-seelische Welt.
Das ist es, was aus Anthroposophie heraus lebendig in die Seelenrätsel hineinführt. Anthroposophie will nicht eine Theorie sein; gewiß, sie will Erkenntnis geben, aber nicht eine theoretische Erkenntnis, sie will eine Erkenntnis geben, die Seelennahrung ist.
Und sie kann auf diese Weise die einzelnen täglichen Erlebnisse des Seelenwesens vor das geistige Auge hinstellen, sie kann von diesen einzelnen Erlebnissen dann zu den großen Fragen des Seelenlebens
hinschreiten.

moet afgebroken, vervluchtigen en uit dit vervluchtigende, uit het steeds verdergaande proces van vergaan van het lichamelijk komt de beleving van het gevoel tevoorschijn. En we begrijpen het verlaten van de mensenziel uit het fysieke lichaam met de dood die alleen maar in één moment samengebald laat zien wat zich in de ontplooiing van de wil naar het geestelijke van de ziel altijd laat zien.  Zoals ik op het moment van nu mijn wil beleef, hoe dat een soort verbrandingsproces, een oplosproces in het lichaam vormt, hoe door het vergaan het geestelijke opleeft in het menselijke lichaam, zo leer ik kennen, hoe met het andere vergaan van het lichaam in de dood dat niets anders is dan de laatste werking van de in het lichaam verborgen wil, hoe daar het geestelijke weer terugkeert in de geest-zielenwereld.
Zo kom je met antroposofie op een levendige manier nader tot de raadsels van de ziel. Antroposofie wil geen theorie zijn; ze wil kennis geven, maar geen theoretische, ze wil een kennis geven die voedsel voor de ziel is. En ze kan op deze manier de losse belevenissen van de ziel van alledag voor het geestesoog plaatsen, zij kan via die losse alledaagse belevingen verdergaan naar de grote vragen over het zielenleven.

Gestatten Sie, daß ich auf eine Einzelheit eingehe, damit Sie sehen, worauf gerade das beruht, was durch Anthroposophie in die menschlichen Seelenrätsel hineinführen soll, gestatten Sie, daß
ich die Einzelheiten der menschlichen Erinnerung anführe.
Ist man dazu gelangt, so das verstärkte Vorstellungsleben in sich zu haben, wie ich es charakterisiert habe, und hat man auf der anderen Seite kennengelernt, wie fortwährend das Plastische wieder abgebaut wird von dem Willensleben, dann schaut man auch die inneren Seelenprozesse erst in durchsichtiger Klarheit an. Man
sieht, wie der Mensch der äußeren Welt gegenübersteht, wie er seine Eindrücke von der äußeren Welt bekommt, wie er dann sich Vorstellungen, Gedanken über diese äußeren Eindrücke bildet, wie er dann nach einiger Zeit – oder auch nach langer Zeit – als Erinnerungen diese Vorstellungen aus gewissen Untergründen

Sta mij toe op een detail in te gaan, zodat u kan zien wat door antroposofie inzicht kan geven in de raadsels van de menselijke ziel; sta mij toe gedetailleerd in te gaan op het herinneringsvermogen van de mens.
Ben je zover gekomen dat je in jezelf het sterker geworden voorstellingsleven hebt ontwikkeld zoals ik dat gekarakteriseerd heb en heb je anderzijds leren kennen hoe voortdurend het plastische door het wilsleven weer teniet wordt gedaan, dan kan je pas de innerlijke processen van de ziel helder doorzien. Je ziet hoe de mens tegenover de wereld staat, hoe hij van de uiterlijke wereld zijn indrukken krijgt, hoe hij daar dan voorstellingen, gedachten over vormt. hoe hij dan na enige tijd – of na langere tijd ook – deze voorstellingen als herinneringen uit bepaalde diepere lagen

Blz. 103

heraufholt oder wie sie auch von selbst, wie man heute sagt als «frei steigende» Gedächtnis-Vorstellungen herauftauchen. Schon in diesem Herauftauchen der Erinnerungsvorstellungen kündet sich für den, der unbefangen auf das menschliche Seelenleben hinblicken will, ein bedeutsames Seelenrätsel an, und man kann sagen: In durchaus kurioser Weise haben die Menschen gesprochen von dem, was eigentlich das Wesen der Erinnerung ist. Man hat sich – und tut das zuweilen noch heute – vorgestellt: Nun ja, der Mensch bekommt durch die Wahrnehmungen Eindrücke, sie werden durch seine Sinne hervorgerufen, dann setzen sie sich fort
durch sein Nervensystem, er bildet sie um durch sein Vorstellen. Diese Vorstellungen tauchen dann in gewisse Untergründe seines Seelenlebens ein und kommen dann wieder herauf, wenn sie erinnert werden. Nun, kein Mensch, der unbefangen denkt, kann sich irgend einen klaren Gedanken darüber machen, wie eigentlich
diese Vorstellungen, wenn wir sie nicht haben, da unten in unbekannten Untergründen des Seelenlebens spazieren gehen sollen, um dann wieder heraufzukommen durch Willkür, wenn sie entweder gerade gebraucht werden oder an irgend etwas sich anlehnen wollen, das als eine neue Wahrnehmung, als ein neuer Eindruck der Außenwelt auftritt.

naar boven haalt of hoe deze ook vanzelf, zoals men tegenwoordig zegt als ‘vrij opstijgende’ geheugenvoorstellingen opduiken. In dit opduiken van de herinneringsvoorstellingen alleen al kondigt zich voor degene die onbevangen naar het menselijke zielenleven wil kijken, een belangrijk zielenraadsel aan en je kan zeggen: de mensen hebben toch wel op een heel wonderbaarlijke manier gesproken over wat eigenlijk de herinnering nu echt is. Men heeft zich – en dat doet men af en toe ook nu nog – voorgesteld: de mens doet door waarnemingen indrukken op; die worden door zijn zintuigen opgeroepen, dan gaan die verder door zijn zenuwsysteem, hij vormt ze om door zijn voorstellen. Deze voorstellingen duiken dan onder in bepaalde diepere lagen van zijn zielenleven en komen dan weer omhoog, wanneer hij ze zich herinnert.
Nu, geen mens die onbevangen denkt, kan zich er een of andere heldere gedachte bij vormen hoe deze voorstellingen eigenlijk, wanneer we ze niet paraat hebben, daar beneden in onbekende diepten van het zielenleven moeten gaan rondwandelen om dan door willekeur weer omhoog te komen wanneer ze of gebruikt worden of dat zich bij het een of ander willen aansluiten dat als een nieuwe waarneming, als een nieuwe indruk van de buitenwereld optreedt.

Anthroposophie geht da zur wirklichen, wahrhaftigen Beobachtung des menschlichen Seelenlebens selber über. Sie durchschaut dadurch, daß sie das verstärkte Vorstellungsleben und das durchgeistigte Willensleben kennt, den ganzen Prozeß, der sich von der Wahrnehmung des äußeren Dinges durch das Vorstellungsbilden,
durch das Bilden der Erinnerung bis zum Wiederum-Heraufkommen der erinnerten Vorstellungen abspielt. Dadurch, daß anthroposophische Forschung durch eine solche Gestaltung des Vorstellungs- und Willenslebens zu Erkenntniskräften vordringt, wie ich.angedeutet habe, wird der ganze Seelen- und leibliche Prozeß und
wie diese beiden Prozesse ineinanderspielen, so umgestaltet, wie etwas – wenn ich es damit vergleichen darf —, was ich als etwas ganz Dunkles, Undurchsichtiges vor mir habe, dadurch umgestaltet
wird, daß es durchleuchtet wird, plötzlich durchsichtig wird. Der

Hier komt antroposofie op een werkelijke, reële waarneming van het menselijk zielenleven zelf. Zij doorziet dat omdat ze het sterker geworden voorstellingsleven en het doorgeestelijkte wilsleven kent, het hele proces dat zich vanaf de waarneming van de uiterlijke dingen door het vormen van voorstellingen, door het vormen van de herinnering tot aan het weer opkomen van de herinnerde voorstellingen afspeelt. Omdat antroposofisch onderzoek door een dergelijke vorm van het voorstellings- en wilsleven doordringt tot kenniskrachten, zoals ik aangegeven heb, wordt het hele psychische en fysieke proces en hoe deze beide processen elkaar doordringen, zo omgevormd als iets – als ik het daarmee vergelijke mag – wat ik als iets donkers, ondoorzichtigs voor mij heb, daardoor omgevormd wordt, dat het doorlicht wordt, plotseling doorzichtig wordt.

Blz. 104

ganze menschliche Seelenprozeß wird durch dieses verstärkte Vorstellungsleben und durchgeistigte Willensleben durchsichtig.
Und worauf sieht man jetzt in bezug auf das, was ich angedeutet habe? Man sieht, wie die äußeren Eindrücke den Sinnen sich meilenweit dehnen, wie der ganze Prozeß weiterspielt und wie in der Tat das, was ich als gestaltendes, als plastisches Element des verstärkten Gedankenlebens bezeichnet habe, in dem gewöhnlichen Wahrnehmungsprozeß als eine Fortsetzung wirkt. Ich nehme äußerlich wahr, aber es wirken in mir ja nicht bloß die abstrakten Gedanken, die ich im gewöhnlichen Bewußtsein habe, sondern das, was durch Geisteswissenschaft bloß ergründet wird, das wirkt ja fortwährend; dieses Plastische in den Vorstellungen, das wirkt hinunter in die menschlichen Seelen- und Leibestiefen. Und dann, wenn dies geschehen ist, wenn in die Seelenuntergründe und in die Leibesuntergründe der Gedanke gestaltend gewirkt hat, dann geht der Mensch zu anderem über. Da ist ein Willensentschluß tätig, da spielt der Wille, da ist aber der vergeistigte Wille vorhanden.

Heel het menselijke zielenproces wordt door dit versterkte voorstellingsleven en doorgeestelijkte wilsleven doorzichtig.
En waar kijk je nu naar i.v.m. wat ik aanduidde? Je ziet hoe de uiterlijke indrukken de zintuigen zich mijlenver groter doen worden, hoe het hele proces zich verder afspeelt en hoe dat wat ik als vormgevend, als plastisch element van het versterkte gedachteleven heb benoemd, in het alledaagse waarnemingsproces als een voortzetting werkt. Ik neem van buiten waar, maar in mij zijn niet alleen de abstracte gedachten werkzaam die ik met mijn gewone bewustzijn heb, echter wat door de geesteswetenschap al als basis wordt legt, werkt voortdurend; dit plastische in de voorstellingen, dat werkt door naar beneden, naar de diepten van de menselijke ziel en die van het lichaam. En dan, wanneer dit gebeurd is, wanneer in de zielendiepten en in de diepte van het lichaam de gedachte vormend heeft gewerkt, dan gaat de mens op iets anders over. Dan is er een wilsbesluit werkzaam, daar is de wil actief, daar is de vergeestelijkte wil aanwezig.

In demjenigen Leben des Menschen, das an das äußere Gehirn gebunden ist, entfaltet sich dieser Wille, er baut, indem er die Plastik des Gehirns auflöst, dasjenige für das gewöhnliche Bewußtsein ab, was der Eindruck aufgebaut hat, so daß wir eine äußere Gehirn-Oberfläche, wenn ich mich grob ausdrücken darf, über Untergründe ausgebreitet haben, wo aber die Plastik fortwirkt.
Nehmen wir nun an, ich erinnere mich in willkürlicher Weise an irgend etwas, dann geschieht das so, daß ich aus einer gewissen Vorstellungsreihe heraus diesen Willen entfalte. Die Willensentfaltung ist wiederum mit einem Abbauen verbunden, wenn jetzt nicht wiederum äußere Eindrücke eindringen; und daß diese nicht kommen, dafür sorgt ja wiederum die Willensentwickelung, die ein
Abbauen ist. Und dieses Abbauen läßt das, was in den Untergründen bei der willkürlich heraufgeholten Erinnerung ist, als Plastik des Menschen heraufkommen. Kommen freisteigende Vorstellungen herauf, so geschieht es umgekehrt. Da ist irgendein äußerer Eindruck vorhanden, der sich zum Gedanken bildet. Der Gedanke ist plastisch tätig. Dem Gehirn wird er eingeprägt. Diese Plastik ist

In het leven van de mens dat aan het uiterlijke brein gebonden is, ontplooit deze wil zich, hij breekt als hij de plastiek van de hersenen oplost, voor het gewone bewustzijn af wat de indruk opgebouwd heeft, zodat we aan de buitenkant een hersenoppervlakte die, als ik mij ongenuanceerd uitdruk, over een ondergrond ligt waar echter de plastiek in doorwerkt.
Nemen we aan dat ik me op een willekeurige manier herinner iets, dan gaat dat zo dat ik vanuit bepaalde voorstellingen deze wil ontplooi. De wilsontplooiing is weer met afbraak verbonden, wanneer er nu niet weer uiterlijke indrukken bijkomen en dat deze niet komen, daarvoor zorgt weer de wilsontwikkeling die aan het afbreken is. En dit afbreken laat wat in de ondergronden bij de willekeurig opgehaalde herinnering is, als plasticiteit van de mens naar bovenkomen. Komen er vrij omhoog stijgende voorstelling op dan gebeurt dat omgekeerd. Er is een of andere indruk van buiten aanwezig die zich tot gedachte omvormt. De gedachte is plastisch actief. Die wordt ingelijfd bij het brein. Deze plastiek 

Blz. 105

ähnlich derjenigen Plastik, die einmal so in den Untergründen dasjenige ausgebildet hat, was in den Untergründen in einer gewissen Gestalt leben kann. Das lebt in derjenigen Plastik, die jetzt der Gedanke gebildet hat.
Sie sehen, das Seelenleben wird auf diese Weise durchsichtig, man lernt es erkennen im Zusammenwirken mit dem Leibesleben, im Zusammenwirken des Geistigen mit dem Leiblichen und mit dem Seelischen, man lernt es erkennen in seinem innerlichen plastischen Aufbauen, in seinem fortwährenden Ablöschen, Abbrennen durch das Willenselement. Und indem man so jeden einzelnen Augenblick des Lebens verstehen lernt, lernt man in diesen Strömen des Lebens dasjenige erfassen, was die großen Lebensfragen sind. Man lernt aus den Gedanken heraus erkennen, was durch die Geburt in das physische Erdenleben einzieht, man lernt aus dem Willen heraus erkennen, was durch den Tod des Menschen in die geistige Welt hinauszieht

lijkt op de plastiek die ooit in de diepere lagen gevormd heeft, wat in die lagen in een bepaalde vorm leven kan. Dat leeft in de plastiek die nu de gedachte gevormd heeft.
U ziet dat het zielenleven op deze manier doorzichtig wordt, je leert kennen hoe hetsamenwerkt met het lichamelijke, met het geestelijke met het etherische en met het zielsmatige, je leert het kennen in zijn innerlijk plastisch opbouwen, in zijn voortdurend vergaan, opbranden door het wilselement. En wanneer je op deze manier ieder ogenblik in het leven leert kennen, leer je in dit stromen van het leven datgene kennen wat de grote levensvragen zijn. Je leert uit de gedachten kennen wat door de geboorte in het fysieke aardeleven binnentreedt, je leert uit de wil kennen wat door de dood van de mens naar de geestelijke wereld gaat.

So treten die anthroposophischen Forschungsergebnisse wie etwas auf, das von den Einzelheiten des Lebens zu dem Umfassenden des menschlichen rätselvollen Seelenwesens vordringt.
In dieser Art, indem wir erkennen, wie schon in der gewöhnlichen Erinnerung der Gedanke plastisch wirkt, wie wenn irgend etwas im Leibe gestaltet wird, erfahren wir auch, wie dasjenige, was noch nicht im Leibe ist, aber mit dem Leib sich verbindet durch Geburt und Konzeption, wie das plastisch eingreift in den Leib.
Wir lernen das menschliche Lebenselement in dieser plastischen Gestaltung kennen, weil wir das einzelne plastische Element kennenlernen, das schon in der Gestaltung der Erinnerung auftritt. Lebensvoll möchte Anthroposophie zu den Seelenrätseln hinblicken! Das sollte überhaupt als das Wesentliche anthroposophischer Forschung aufgefaßt werden: daß sie überall durchaus stehen bleibt bei der wissenschaftlichen Gewissenhaftigkeit, zu der man sich heute heranerzogen hat durch die großen, gewaltigen Fortschritte der äußeren Naturwissenschaft, daß sie aber, indem sie bei dieser Gewissenhaftigkeit stehenbleibt, zu gleicher Zeit hinausschreitet über das, was die bloße äußere Beobachtung, das bloße

Zo vertonen de antroposofische onderzoeksresultaten iets van wat uit de losstaande dingen in het leven doordringt tot het omvattende raadselachtige zielenleven van de mens.
Als we op deze manier leren hoe al bij de gewone herinnering de gedachte plastisch werkt, hoe wanneer er iets in het lichaam vormt krijgt, we ook ervaren wat nog niet in het lichaam zit, maar zich met het lichaan verbindt door geboorte en conceptie, hoe dat plastisch ingrijpt in het lichaam. We leren het menselijke levenselement in deze plastische vormgeving kennen, omdat we het losstaande plastische element leren kennen dat al in de vorming van de herinnering optreedt.
Vol leven zou de antroposofie naar de raadsels van de ziel willen kijken! Dat zou zeer zeker als het meest wezenlijke van het antroposofisch onderzoek opgevat moeten worden: dat zij overal stil blijft staan bij het wetenschappelijk gewetensvolle, waartoe men zich heeft ontwikkeld door de grote, geweldige vooruitgang van de uiterlijke natuurwetenschap, dat zij echter, als zij bij deze gewetensernst stil blijft staan, tegelijkertijd verdergaat naar dan wat de pure uiterlijke waarneming, het pure

Blz. 106

äußere Experiment darbieten kann, daß sie fortschreitet von den Fähigkeiten, welche gerade durch ihr besonderes Vorhandensein die menschliche Seele für den Menschen selbst zu einem rätselvollen Wesen machen, daß sie durch eine Ausbildung dieser Fähigkeiten dahin führt, daß diese Seelenrätsel nicht theoretisch, aber praktischgelöst werden.
Man braucht nicht zu fürchten, daß derjenige, der auf dem Gesichtspunkt einer solchen sogenannten Lösung der Seelenrätselfragen steht, etwa eines Tages wie eine vollendete Sache, wie eine vollendete Erkenntnis dasjenige hinstellen möchte, was die Seelenrätsel löst, so daß dann die Seele in Trägheit, in Lässigkeit gegenüber ihrem eigenen Leben verfallen könnte. Nein, die Seele wirft diejenigen Rätsel, die ich heute als die lebendigen, als die erlebten Seelenrätsel angeführt habe, in jedem Augenblick des Lebens auf, und in jedem Augenblick des Lebens brauchen wir neuerdings die Ergebnisse geistiger Forschung, welche ausgleichend wirken auf dasjenige, was so rätselvoll aus den dunklen Tiefen der Seele aufsteigt.

uiterlijke experiment kan laten zien, dat dit verdergaat dan de vaardigheden die juist doordat ze op een bijzondere manier aanwezig zijn, de menselijke ziel voor de mens zelf tot een raadselachtig iets maken, dat de antroposofie door ontwikkeling van deze vaardigheden ertoe komt dat deze zielenraadesl niet theoretisch, maar praktisch opgelost worden.
Je hoeft niet bang te zijn dat degene die met een bepaalde blikrichting naar de oplossing van zielenraadsels kijkt, op een dag, alsof het een uitgemaakte zaak is, de volledige kennis poneert die die raadsels oplossen, met het gevolg dat de ziel dan wat het eigen leven betreft, sloom wordt, een houding krijgt van ‘laat maar’.  Nee de ziel werpt die raadsels die ik vandaag als de levende, als de beleefbare zielenraadsel naar voren heb gebracht, op ieder ogenblik van het leven op en op ieder ogenblik van het leven hebben we steeds weer de resultaten nodig van geestelijk onderzoek die oplossend werken bij wat zo raadselachtig uit de dondere diepten van de ziel opstijgt.

Was ich die ängstliche, was ich die zornmütige Unterströmung des menschlichen Seelenlebens genannt habe, es ist nichts anderes, als die innerliche Aufforderung der menschlichen Seele, sich nicht als selbstverständlich hinzunehmen, sondern sich in vollem fortwährendem Erleben so hinzunehmen, daß sich diese
menschliche Seele fortwährend ein Rätsel ist, daß sie fortwährend die Lösung dieses Rätsels braucht. Und eine solche fortwährende Lösung des Rätsels der Seele möchte eben gerade anthroposophische Forschung darbieten, so anknüpfend an die Wirklichkeit des Daseins, daß man – wenn ich einen trivialen Vergleich gebrauchen darf – sagen kann: So wie der Mensch in seinem physischen Leben ein Wesen ist, das fortwährend Nahrung zu sich nehmen muß, das
nicht mit dem einmaligen Nahrung-zu-sich-Nehmen befriedigt sein kann, weil es diese Nahrung verbraucht, weil es diese Nahrung verbindet mit seinem Lebensprozeß, so ist es mit dem, was uns durch Anthroposophie als Ergebnis der Seelenrätsel dargeboten wird. Es entschwindet uns seine innerliche intensive Wirksamkeit, wenn wir es nicht fortwährend ins Auge fassen, wenn wir nicht fortwährend

Wat ik de angstige, de verontrustende onderstroom van het menselijk zielenleven heb genoemd, is niet anders dan de innerlijke oproep van de menselijke ziel dat niet als vanzelfsprekend te accepteren, maar te accepteren in het voortdurende volle besef dat de menselijke ziel voortdurend een raadsel voor is, dat zij voortdurend de oplossing van dit raadsel nodig heeft. En een dergelijke voortdurende oplossing van het raadsel van de ziel wil nu juist het antroposofisch onderzoek aanreiken, zo aanknopend bij de werkelijkheid van het bestaan, dat je nu – wanneer ik een triviale vergelijking mag gebruiken – zeggen kan: zoals de mens in zijn aardse leven een wezen is dat voortdurend voedsel tot zich moet nemen, dat niet met een eenmalige voeding tot zich nemen voldaan kan zijn, omdat het deze voeding verbruikt, omdat het deze voeding verbindt met zijn levensproces, zo is het met wat ons door het resultaat van de antroposofie voor de zielenraadsel geboden wordt. Er gaat voor ons een intensieve werking verloren wanneer wij dit niet meer voortdurend op het oog hebben, wanneer wij niet voortdurend

Blz. 107

fortschreiten. Weil wir es auf diesem Gebiet mit einer Wirklichkeit
zu tun haben, nicht mit einer Theorie, die man lernen und
gedächtnismäßig behalten kann, so wie bei der Wirklichkeit des
Sich-Ernährens, deshalb hat man es zu tun mit etwas, das aus Anthroposophie in den fortwährenden Lebensprozeß eindringen muß.
Und es ist ja auch so. Der Mensch wird nämlich folgendes gewahr werden, gerade wenn er sich mit den Ergebnissen der Anthroposophie in bezug auf die eigenen Seelenrätsel befaßt: Lernen – so sonderbar das klingt, es ist eine Wahrheit, die jeder, der sich mit Anthroposophie befaßt, gerade mit Bezug auf die Seelenrätsel erfahren kann -, lernen kann man im Grunde genommen die Anthroposophie nicht; man kann ihre Ergebnisse an sich herantreten lassen, man kann Bücher lesen, Vorträge hören; aber wenn man nicht fortwährend dasjenige erlebt, was man so aufgenommen hat, wennman nicht in einem fortdauernden Prozeß – so wie man die leiblichen Stoffe der Außenwelt durch den Ernährungs- und Stoffwechselvorgang fortwährend mit den leiblichen Prozessen verbindet – Anthroposophie befaßt, gerade mit Bezug auf die Seelenrätsel erfahren kann -, lernen kann man im Grunde genommen die Anthroposophie nicht; man kann ihre Ergebnisse an sich herantreten lassen, man kann Bücher lesen, Vorträge hören; aber wenn man nichtfortwährend dasjenige erlebt, was man so aufgenommen hat, wennman nicht in einem fortdauernden Prozeß – so wie man die leiblichen Stoffe der Außenwelt durch den Ernährungs- und Stoffwechselvorgang fortwährend mit den leiblichen Prozessen verbindet –

verderkomen. Omdat we op dit gebied met een werkelijkheid te maken hebben, niet met een theorie die je leren kan en dan onthouden, zoals bij de werkelijkheid van het zich voeden, heb je te maken met iets dat vanuit de antroposofie in het voortgaande levensproces moet binnendringen.
En dat is dus ook zo. De mens zal namelijk het volgende gewaarworden, juist wanneer hij zich met de resultaten van de antroposofie wat betreft de eigen zielenraadsels bezighoudt: dat – hoe wonderlijk dat ook klinkt, maar het is een waarheid die ieder die zich met antroposofie bezighoudt, juist met het oog op de zielenraadsels, kan ervaren – in de grond genomen kun je antroposofie niet leren; je kan de resultaten ervan op je laten inwerken, je kan boeken lezen, voordrachten horen, maar wanneer je niet voortdurend beleeft wat je op die manier in je opgenomen hebt, wanneer je niet in een voortdurend proces – zoals je de lichamelijke stoffen van de buitenwereld door de voedings- en stofwisselingsprocessen voortdurend met je lichamelijke processen verbindt –

dasjenige mit der menschlichen Seele, mit dem seelischen Prozeß verbindet, was in Anthroposophie dargeboten wird, so wird man sehen, daß es seine Bedeutung für das Seelische verliert, wie das Physische seine Bedeutung für die Leiblichkeit verliert, wenn es nicht fortwährend in diese Leiblichkeit eingeführt wird. Und wie sich leiblich in dem Hunger und Durst das NichtVorhandensein der physischen Nahrung ausspricht, so spricht sich in einem aus den Tiefen der Seele heraufdringenden ängstlichen und krankhaft-zornmütigen Wesen das aus, was durch eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Bedeutung des Vorstellungs- und des Willenslebens beeinflußt sein will. Und dringt der Mensch dadurch vor, daß er in seinem Bewußtsein das immer hegen kann wie eine Nahrung seiner Seele, was ihm so die anthroposophische Forschung gibt, dannfindet er, was er als Gleichgewicht seines Seelenlebens braucht, was er als eine fortwährende lebendige Lösung der auch fortwährend lebendigen Seelenrätsel empfinden und erleben muß. Und immer wieder muß es gesagt werden: Obwohl dadurch, daß man das, was in den genannten Büchern ausgeführt ist, an sich herphysischen Nahrung ausspricht, so spricht sich in einem aus den Tiefen der Seele heraufdringenden ängstlichen und krankhaft-zornmütigen Wesen das aus, was durch eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Bedeutung des Vorstellungs- und des Willenslebens beeinflußt sein will. Und dringt der Mensch dadurch vor, daß er in seinem Bewußtsein das immer hegen kann wie eine Nahrung seiner Seele, was ihm so die anthroposophische Forschung gibt, dannfindet er, was er als Gleichgewicht seines Seelenlebens braucht, was er als eine fortwährende lebendige Lösung der auch fortwährend lebendigen Seelenrätsel empfinden und erleben muß. Und immer wieder muß es gesagt werden: Obwohl dadurch, daß
man das, was in den genannten Büchern ausgeführt ist, an sich her

met de menselijke ziel, met het zielenproces verbindt, wat in antroposofie gegeven wordt, dan zal je zien dat het zijn betekenis voor de ziel verliest, zoals het fysieke zijn betekenis voor het lichamelijke verliest, wanneer het niet voortdurende in deze lichamelijkheid binnengebracht wordt. En zoals zich lichamelijk in honger en dorst het niet aanwezig zijn van fysiek voedsel zich uitspreekt, zo spreekt zich bij iemand in het naar bovenkomen van dit angstig, ziekelijk-opspelende wezen vanuit het diepst van zijn ziel uit wat door een echte kennis van de geestelijke betekenis van het voorstellings- en wilsleven beïnvloed wil worden. En komt de mens zo ver dat hij steeds als voedsel voor zijn ziel in zijn bewustzijn kan koesteren wat antroposofisch onderzoek hem geeft, dan vindt hij wat hij als tegenwicht in zijn zielenleven nodig heeft, wat hij als een voordtdurende levendige oplossing van de ook steeds levendige zielenraadsel ervaren en beleven moet.
En steeds weer moet worden gezegd: hoewel je door wat in de genoemde boeken uiteengezet is, in je op te nemen

Blz. 108

antreten läßt und prüft, man sich auf den Weg selbständiger anthroposophischer Forschung begeben kann, ist Anthroposophie nicht darauf angewiesen, daß jeder Mensch auf diesem Weg nachprüfen kann, was in Anthroposophie dargeboten ist. Auch wenn man das nicht tut, kann man trotzdem mit dem gesunden Menschenverstand das, was in der Anthroposophie zutage tritt, vernünftig oder unvernünftig finden. Der Mensch kann mit seinem gesunden Menschenverstand, ohne daß er selbst anthroposophischer Forscher wird,nverfolgen, was der anthroposophische Forscher behauptet. Aber außer diesem gesunden Menschenverstand hat der Mensch noch etwas. Der Mensch kennt ja auch nicht, wenn er ein Laie ist aufphysiologischem oder biologischem Gebiet, die chemische Zusammensetzung seiner Nahrungsmittel; aber er prüft, was die Nahrungsmittel für den Menschen in Wahrheit sind, indem er sie genießt, indem er die Kräfte mit den Kräften seiner Leibesprozesse verbindet.

en te onderzoeken, je je op de weg van zelfstandig antroposofisch onderzoek kan begeven, is antroposofie er niet op aangewezen dat ieder mens langs deze weg bewijzen kan wat in de antroposofie geboden wordt. Ook wanneer je dat niet doet, kan je ondanks dat met het gezonde mensenverstand dat wat in de antroposofie aan het licht komt, verstandig of onverstandig vinden. De mens kan met zijn gezonde mensenverstand zonder dat hij zelf antroposofisch onderzoeker wordt, volgen wat de antroposofische onderzoeker beweert. Maar buiten dit gezonde mensenverstand heeft de mens nog iets. De mens kent dus ook niet wanneer hij een leek is op fysiologisch of biologisch gebied, de chemische samenstelling van zijn voedingsmiddelen, maar hij ervaart wat de voedingsmiddelen voor de mens in waarheid zijn, wanneer hij ervan geniet, wanneer de krachten van het voedsel door zijn lichaamsprocessen worden opgenomen.

So kann er das, was ihm Anthroposophie an Ergebnissen darbietet, wovon sie zeigt, wie es die Seelenrätsel löst, mit seinem Seelenleben vereinigen, und er wird finden: es sättigt ihn seelisch. Und was sind im Grunde genommen vor diesem anthroposophi­schen Forum Seelenrätsel? Seelenrätsel, in ihrer Lebendigkeit er­faßt, sind nichts anderes als dem Ausdruck des seelisch-geistigen Hungers und des seelisch-geistigen Durstes. Und die Lösung der Seelenrätsel ist im Grunde genommen nichts anderes als Aufnahme wahrhaftiger geistiger Inhalte, wahrhaftiger geistigem Wesenheiten, die sich vereinigen mit dem menschlichen Geiste und mit dem menschlichen Seelenleben. Und so, möchte ich sagen, ist geistige Sättigung, die fortwährend sich wiederholen muß, Lösung der See­lenrätsel Je lebendiger man den Prozeß faßt und je mehr man ein­sieht, wie Anthroposophie durchaus in das praktische Leben hin-eingreifen will in jedem Punkte, wie sie im Allemalltäglichsten Wur­zel fassen und hinaufgelangen will zu den großen Rätselfragen des Daseins, indem sie den Menschen in den göttlich-geistigen Urgrund des Daseins einführt, indem sie ihn zu seinem Unsterblichen führt, desto mehr wird man einsehen, daß Anthroposophie nicht Theorie sein kann, sondern etwas durchaus Erlebbares.

Zo kan hij de resultaten van de antroposofie die tonen hoe de raadsels van de ziel op te lossen zijn, in zijn eigen ziel opnemen en hij zal merken dat dit een tevreden gevoel geeft. Wat zijn nu eigenlijk, antroposofisch gezien, zielenraadsels? Zielenraadsels, opgevat als hoe ze zich in het leven manifesteren, zijn niets anders dan de uitdrukking van de honger en dorst die ziel en gees ervarent. En de oplossing ervan  is in de aard der zaak niets anders dan het opnemen van waarachtige geestelijke inhouden, waarachtige geestelijke wezenlijke dingen waarmee de menselijke geest en de menselijke ziel zich verbindt. En op deze manier is geestelijke voldoening die er wel telkens moet zijn, de oplossing van de zielenraadsels. Hoe levendiger je dat proces opvat en hoe meer je inziet hoe de antroposofie in het praktische leven  op ieder punt ten volle van invloed wil zijn, hoe ze in het meest alledaagse wil wortelen en tot de grote raadselvragen van het bestaan wil komen, door de mens in de goddelijk-geestelijke oergrond van het bestaan binnen te leiden, door hem bij zijn onsterelijkheid te brengen, des te meer zal je inzien dat antroposofie geen theorie kan zijn, maar alleen iets, wat je kan beleven.

Blz. 109

Von diesem Gesichtspunkt aus versucht Anthroposophie in die verschiedensten praktischen Gebiete des Lebens hineinzuwirken; von diesem Gesichtspunkt aus hat sie versucht, zu gestalten, was ich hier öfter dargstellt habe als die Begründung unserer Waldorf-Schu­le durch Emil Molt, also etwas, was auf praktisch sozialem Gebiete getan wird.
Anthroposophie löst, wie Sie sehen, die Seelenrätsel, indem sie an den ganzen lebendigen Menschen, an Leib, Seele und Geistes­menschen sich wendet. Dadurch überwindet sie die Einseitigkeiten desjenigen Erkennens und Seelenlebens, das notwendigerweise her­aufziehen mußte mit den auf ihrem Gebiet voll anerkannten Ergeb­nissen der neueren Naturwissenschaft, die durchaus als Triumph auch von der Anthroposophie eingesehen werden.
Aber man müßte so etwas beachten – und man würde es beach­ten, wenn Anthroposophie nicht noch so mißverstanden würde -, wie es sich zum Beispiel während des verflossenen Sommers hier in Stuttgart auf dem anthroposophischen Kongreß zugetragen hat, wo von Dr. von Heydebrand aus der Waldorf-Pädagogik heraus in ei­nem Vortrag, der auch gedruckt vorliegt, gerade die Einseitigkeiten der bloß äußerlich experimentellen Seelenkunde dargelegt worden sind.

Vanuit dit gezichtspunt probeert antroposofie op de meest verschillende praktische terreinen van het leven van invloed te zijn; vanuit dit gezichtspunt heeft ze geprobererd, vorm te geven aan wat ik hier vaker uiteengezet heb als de stichting van onze Waldorfschool door Emil Molt, dus iets wat op praktisch sociaal gebied gedaan kan worden.
Antroposofie lost, zoals u ziet, de zielenraadsels op omdat ze op de hele levende mens, op lichaam, ziel en geestmens georiënteerd is. Daardoor overwint ze de eenzijdigheden van het denken en voelen dat noodzakelijkerwijshet gevolg was van de op haar gebied vol erkende resultaten van de nieuwste natuurwetenschap die ook zeker door de antroposofie als triompf worden gezien.
Maar zoiets zou men moeten zien – en dat zou men ook zien als de antroposofie niet nog zo verkeerd begrepen zou worden – zoals bijv. gedurende de afgelopen zomer hier in Stuttgart op het antroposofische congresbleek, toen Dr. von Heydebrand vanuit de vrijeschoolpedagogiek een voordracht hield die ook in druk verschenen is, en daarin met name de eenzijdigheden van de alleen uiterlijke experimentele psycholgie onder de aandacht bracht.

Nicht weil gegen diese experimentelle Seelenkunde oppositio­nell vorgegangen werden soll – sie wird gerade auf ihrem Gebiete mit ihren Ergebnissen in der richtigen Weise gewürdigt werden können, wenn man auf der anderen Seite das, was so äußerlich erkundet wird, mit dem durchdringen kann, was geistig-seelisch durch Anthroposophie erreicht werden kann. Denn durch Anthro­posophie wird dasjenige, was in das Leiblich-Körperliche des Men­schen geistig-seelisch, aus geistig-seelischen Welten heraus wirkt, begriffen. Dadurch aber kann auch alle äußere Forschung belebt werden, kann belebt werden Pädagogik, kann belebt werden Medi­zin – auch das ist hier in früheren Vorträgen auseinandergesetzt worden -, und kann belebt werden auch das soziale Leben.
Auch da möchte ich hinweisen auf ein schönes Beispiel in dem Vortrag, den Emil Leinhas auf dem genannten Kongreß gehalten hat – der auch hier gedruckt vorliegt -, der darlegt, was die aus bloß

Niet dat tegen deze experimentele psycholgie gefulmineerd zou moeten worden – ze zou m.n. op haar gebied met haar resultaten op de juiste manier naar waarde geschat kunnen worden, terwijl je aan de andere kant dat wat zo uiterlijk verkondigd wordt, zou kunnen doordringen met iets van wat op het gebied van geest en ziel uit de antroposofie zou kunnen komen. Want door antroposofie wordt datgene begrepen wat in het levend-fysieke van de mens geestelijk, psychisch, uit de werelden van geest en ziel doorwerkt. Daardoor kan echter het uiterlijke onderzoek impulsen krijgen, kan de pedagogie geïmpulseerd worden, ook de geneeskunst – en ook het sociale leven kan impulsen krijgen.
Ook daarvoor zou ik naar een mooi voorbeeld willen verwijzen, naar de voordracht die Emil Leinhaus op het genoemde congres heeft gehouden – die ook hier gedrukt ligt – 

Blz. 110

nachgebildeten naturwissenschaftlichen Methoden heraus entstan­dene Nationalökonomie nicht leisten kann. Hier ist ein Anfang ge­macht für eine wirkliche aus dem Geistig-Seelischen heraus­kommende Gesundung des sozialen Lebens. Und woran liegt denn das zuletzt?
Man sieht durch Anthroposophie ein, wie der Gedanke gestal­tend wirkt. Nun, er wirkt nicht nur im menschlichen Leib gestal­tend als das Seelisch-Geistige, er wirkt auch gestaltend, wenn wir ihn in der richtigen Weise als soziale Ideale in das menschliche Gesellschaftsleben einführen können, und es wirkt der durch­schaute Wille in der richtigen Weise auch in sozialer Beziehung. Denn wie durch ihn, wie wir wissen, das menschliche Leibliche auf­gelöst, einer gewissen Verbrennung entgegengeführt wird, so wird dasjenige, was als durchschautes Willenselement in das soziale Le­ben richtig eingeführt wird, im richtigen Augenblick erkennen, wo irgendeine Einrichtung sich überlebt hat, verschwinden muß, damit gerade ihre Früchte in einer neuen Gestalt aufleben können. So wie das Geistig-Seelische aus dem Abbauen des Leiblichen in der darge­stellten Weise sich erhebt, so erheben sich die höheren Gebilde des sozialen Lebens dadurch, daß gewisse äußere Einrichtungen, die sich überlebt haben, verschwinden, daß dieses Verschwinden zusammenwirkt mit dem Plastisch-Aufbauenden. Hinausfließen in das soziale Leben kann, ich möchte sagen auch die Frage der sozia­len Rätsel lösend, dasjenige, was in dem richtigen anthroposophi­schen Erfassen der menschlichen Seelenrätsel durchschaut wird.

die weergeeft wat de nationele economie die volgens natuurwetenschappelijke methoden ingericht is, niet voor elkaar kan krijgen. Hier is een begin gemaakt met het gezond worden van het sociale leven vanuit gezichtspunten van geest en ziel. En waar ligt dat uiteindelijk aan?
Door antroposofie zie je in hoe de gedachte vormend werkt. Die werkt niet alleen vormend in het menselijk lichaam als iets psychisch-spiritueel, die werkt ook vormgevend wanneer we die op de juiste manier als sociale idealen in de het menselijk maatschappelijk leven kunnen invoeren en de wil die we hebben leren kennen, werkt ook op de juiste manier in sociaal opzicht. Want hoe door deze, zoals we weten, het menselijk lichamelijke opgelost wordt, een soort verbranding ondergaat, zo wordt wat als begrepen wilselement in het sociale leven op een goede manier ingevoerd wordt, op het juiste ogenblik een weten waar een of andere instelling zich overleefd heeft, moet verdwijnen, zodat juist haar vruchten in een nieuwe gedaante kunnen opleven. Zoals het psychisch-spirituele vanuit de afbraak van het lichamelijke ontstaat zoals uiteengezet, zo ontstaan de hogere vormen van het sociale leven doordat bepaalde uiterlijke instellingen die niet meer aan de tijd zijn, verdwijnen en dat dit verdwijnen samenwerkt met het plastisch-opbouwende. Wanneer wat met de juiste antroposofische opvatting van de menselijke zielenraadsels doorzichtig wordt doorwerkt in het sociale leven, kunnen ook de socialevraagstukken opgelost worden.

Dadurch aber kommt der Mensch dazu – lassen Sie mich das zum Schluß aussprechen -, sich selbst in der richtigen Weise zu erfassen, sich zu erfüllen mit rechter innerer Kraft, mit der wahren Kraft seines wirklichen Ich, das im menschlichen Gefühl, im menschlichen Gemüt lebt. Zwischen dem Vorstellungsleben, zwi­schen dem Willensleben, da lebt das immer unbegreifbare, immer unfaßbare, aber deshalb nicht weniger erlebbare Gefühlsleben des Menschen; und in diesem Gefühlswesen enthüllt sich für den, der so das Leben anzuschauen vermag, wie ich es heute charakterisiert habe in bezug auf die Seelenrätsel, das ewige Ich, das durch wiederholte

Daardoor komt de mens ertoe – mag ik dat tot slot uitspreken -dat hij zichzelf op de juiste manier leert kennen, zich te beleven met de juiste innerlijke kracht, met de ware kracht van zijn werkelijke Ik dat in het menselijke gevoel, in het menselijke gemoed leeft. Tussen het voorstellingsleven en tussen het wilsleven leeft het altijd onbegrijpelijke, steeds niet te vatten, maar daarom niet minder beleefbare gevoelsleven van de mens en in dit gevoelsleven wordt voor degene die zo het leven kan overzien zoals ik het vandaag gekarakteriseerd heb m.b.t. de raadsels van de ziel, het eeuwige ik zichtbaar dat door herhaalde

Blz. 111

Erdenleben geht. Dann weiß man zusammenzuschauen plastisch-gestaltendes, entwickeltes Vorstellungsleben und durch­geistigtes Willensleben, das abbaut.
So lernt man am Menschen ergreifen, was durch die Geburt oder Konzeption so in den Menschen hemeingegangen ist, daß es zu­nächst auf frühere Erdenleben zurückweist bis zu dem Zustand, wo in aller Urzeit das äußere kosmische Leben so wenig getrennt war von dem inneren Menschenleben, daß es keiner wiederholten Er­denleben, sondern eines kontinuierlich fortschreitenden, geistig-seelisch-natürlichen Lebens bedurfte, um eben den Fortschritt zu bewirken. Man lernt hinschauen auf wiederholte Erdenleben, auf zwischen ihnen liegende geistig-seelische Leben, man lernt hin­schauen in die Zukunft bis zu einem Zustand, wo wiederum der Mensch sich so verbunden haben wird mit dem Geistigen, daß die wiederholten Erdenleben ihren Sinn verlieren – indem der Mensch sich erhebt zu der Vergeistigung seines Daseins, ich möchte sagen mit einem aus dem bloßen Unlebendigen in die Geistigkeit hin­strebenden Erleben sich erhebt.

aardelevens gaat. Dan ben je in staat om als een eenheid waar te nemen het plastisch vormende, ontwikkelde voorstellingsleven en het doorgeestelijkte wilsleven dat afbreekt.
Zo leer je van de mens begrijpen, wat door de geboorte of conceptie zo in de mens gekomen is, dat het allereerst terugwijst op eerdere levens op aarde tot aan de toestand waar in de oer-oertijd het uiterlijk kosmische leven zo weinig gescheiden was van het innerlijke mensenleven dat het geen herhaald aardeleven nodig had, maar een doorlopend geestelijk-zielsmatig-natuurlijk leven om de ontwikkeling te veroorzaken. Je leert kijken naar de herhaalde aardelevens, naar het geestelijk-zielenleven dat daar tussen ligt, je leert naar de toekomst kijken tot aan de toestand waarin de mens zich weer zo met de geest verbonden zal hebben dat de zich herhalende aardelevens hun zin verliezen – wanneer de mens zich verheft tot de vergeestelijking van zijn bestaan, ik zou willen zeggen met een uit het alleen maar levenloze in de geestelijkheid strevende beleven zich verheft. Zich verheft uit wat alleen nog maar iets doods leek in een doorleefd streven naar de gees.t

Man wird durch die Lösung der Seelenrätsel zu der wahren Lö­sung der Weltenrätsel geführt; man steigt auf zu der menschlichen Seele, zum Kosmos. Dadurch aber erlangt man lebendiges Wissen, lebendige Erkenntnis, die, wie ich eben schon angedeutet habe, gei­stige Nahrung ist. Dadurch aber wird ein Wissen, wie es von der Anthroposophie dargeboten werden will, zu einem wirklichen in­neren Halt der Seele in demjenigen Element, in dem das Leben schwankend werden will. Lebenssicherheit, Lebenshalt, Lebens-orientierung, die findet man, indem man also die geistige Sättigung der Anthroposophie sucht. Dasjenige, was uns heimlich jauchzend machen will, in dem wir uns verlieren könnten, das bringt uns Anthroposophie zu uns selbst zurück, indem sie das verwandelt in inneren Halt, indem sie unserem innerlichen Gleichgewicht einen inneren Schwerpunkt verleiht. Und ebenso können wir uns in den schweren Augenblicken des Lebens, wenn wir oftmals im Unglück zu versinken drohen, einen Halt verschaffen durch eine Seelenstim­mung, die innerlich getragen wird von dem Vollbewußtsein der den

Door de oplossing van de zielenraadsels word je tot de echte oplossing van de wereldraadses gebracht; je komt dichter bij de menselijke ziel, bij de kosmos. Daardoor echter wordt je kennis levende kennis die geestelijke voeding is. Daardoor echter wordt een weten zoals dat door de antroposofie gegeven wil worden, tot een werkelijk innerlijk houvast in de ziel in het element waarin het leven onzeker gaat worden. Zekerheid in het leven, grip op het leven, je in het leven kunnen oriënteren, vind je wanneer je de antroposofie zoekt die je innerlijk voldoening kan geven. Bij wat ons stil doet juichen, of waarin we ons zouden kunnen verliezen brengt de antroposofie ons bij onszelf terug door dit om te werken naar innerlijke zekerheid wanneer zij ons innerlijk evenwicht een innerlijke zwaartepunt geeft. En net zo kunnen we in de moeilijke ogenblikken van het leven, wanner wij vaak in ongeluk dreigen te verzinken, steun hebben aan een zielenstemming die innerlijk gedragen wordt door het volle bewustzijn dat de

Blz. 112

Menschen erfüllenden Geistigkeit, wenn wir uns dessen voll be­wußt werden, daß das Gedankenleben kein nichtiges ist, daß es in der plastisch gestaltenden Welt- und Seelenkraft die Realität finden kann und daß der Wille dasjenige ist, was diese plastische Ausge­staltung der Seelenkraft immer wieder zum Geiste zurückbringt. Das gibt Halt in den schweren Augenblicken des Lebens, das stellt das Leben auf einen festen Boden, das führt auch in der richtigen Weise zu dem Ende des Lebens hin.
Und so können wir hier, in Anlehnung an das heute Gesagte, an den Ausspruch eines alten griechischen, vorsokratischen Weisen erinnert werden, der aus einer erst ahnungsvollen Erkenntnis her­aus das gewichtige Wort spricht: «Wenn die menschliche Seele, vom Leibe befreit, in den freien Äther sich aufschwingt, ist ein unsterb­licher Geist sie, vom Tode befreit.» Ja, man kann durch wirkliche Wissenschaft die Rätsel der Seele lösen. Man kann zu dieser Überzeugung kommen, indem man das, was das alltägliche Seelenleben an Rätselvollem darbietet, zu lösen versucht durch ein wirkliches geistiges Schauen. Man kann einen Erkenntnisabglanz der Unsterblichkeit sehen in den gewöhnlichen Ereignissen des Lebens. Und wer in der richtigen Weise die ein­zelne Gedanken-, die einzelne Gefühls-, die einzelne Willens-Ent­faltung beurteilen kann, der sieht das Unsterbliche schon in ihnen, und der blickt dann auf zu der Unsterblichkeit im umfassenden Sin­ne und kommt dadurch zu einem wirklichen Erfassen des Ewigen in der Menschennatur, das im ewigen Daseinsgrund des Kosmos, der Weltenentwicklung, wurzelt.

het gedachteleven niet zomaar iets is, maar dat het in de plastisch-vormende wereld- en zielenkracht de werkelijkheid kan vinden en dat de wil datgene is wat deze plastische vormgeving van de zielenkracht steeds weer naar de geest terugbrengt. Dat geeft houvast in de moeilijke ogenblikken van het leven, dat geeft het leven een vaste grond, dat leidt ook op een goede manier naar het einde van het leven.
En zo kunnen wij hier, aanknopend bij wat al gezegd is, aan de uitspraak van een oude Griekse voor-socratische wijze herinnerd worden die uit een eerste voorvoelend weten het belangrijke woord spreekt: Wanneer de menselijke ziel, van het lichaam bevrijd, in de vrije ether zich omhoog beweegt, is het een onsterfelijke geest die haar van de dood bevrijd.’ Ja, je kan door een echte wetenschap de raadsels van de ziel oplossen. je kan tot deze overtuiging komen, wanneer je dat wat het alledaagse zielenleven aan raadselvols opgeeft, probeert op te lossen door een werkelijk geestelijk schouwen. Je kan een glans van de kennis van de onsterfelijkheid zien in de gewone gebeurtenissen van het leven. En wie op de juiste manier de losse gedachten – die losse gevoelkennis- die losse wilsontplooiing kan beoordelen die ziet het onsterfelijke al daarin en die ziet dan de onsterfelijkheid in een omvattende zin en komt daardoor tot een werkelijk begrijpen van het eeuwige in de mensennatuur dat in de eeuwige zijnsgrond van de kosmos, de wereldontwikkeling wortelt.