Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 56)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blovertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 56

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 3, Berlijn, 24. oktober 1907

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Blz. 72

Wir unterscheiden in der Geisteswissenschaft zunächst den physischen Leib des Menschen, dasjenige, was er an Stoffen und Kräften gemein hat mit der ganzen sogenannten leblosen Natur. In dem physischen Leib des Menschen sind dieselben Stoffe und dieselben Kräfte, die wir draußen in der mineralischen Welt finden.
Aber darüber hinaus hat der Mensch ein anderes Glied, das wir seinen Äther- oder Lebensleib nennen. Wenn wir von Äther sprechen, so hat das nichts zu tun mit dem phantastischen Äther, der in der Wissenschaft so lange eine Rolle gespielt hat und ion der nächsten Zeit ganz abgesetzt werden dürfte. In bezug auf den Ätherleib werden wir uns noch nicht einlassen können auf die Methoden des höheren Schauens.
Wir verstehen den Ätherleib aber dann am besten, wenn wir die Sache
so fassen: Nehmen wir eine Pflanze, ein Tier, den Menschen selber: Dieselben Stoffe, dieselben Kräfte hat der physische Leib, aber in einer unendlich komplizierten Mischung und Mannigfaltigkeit, so daß diese Stoffe durch sich selbst nicht den physischen Leib bilden können. Kein Pflanzenleib kann durch die physischen Kräfte das sein, was er ist, kein Tierleib, kein Menschenleib.

Wij onderscheiden in de geesteswetenschap allereerst het fysieke lichaam van de mens, dat wat hij aan stoffen en krachten gemeenschappelijk heeft met de hele zogenaamde levenloze natuur. In het fysieke lichaam van de mens zitten dezelfde stoffen en krachten die we buiten in de minerale natuur vinden.
Maar daarbuiten heeft de mens nog een ander wezensdeel, dat wij zijn etherlijf of levenslijf noemen. Wanneer wij over ether spreken, dan heeft dat niets te maken met de fantastische ether die in de wetenschap zo lang een rol gespeeld heeft en die in de komende tijd geheel ter zijde geschoven kan worden. Wat het etherlijf betreft kunnen we nog niet ingaan op de methoden van het hogere waarnemen. 

We begrijpen het etherlijf het beste, wanneer we de zaak zo opvatten: laten we een plant nemen, een dier, de mens zelf: het fysieke lichaam heeft dezelfde stoffen, dezelfde krachten, maar in een eindeloos gecompliceerde vermenging en veelvuldigheid, zodat deze stoffen vanuit zichzelf niet het fysieke lichaam kunnen vormen. Geen plantenlichaam kan door de fysieke krachten datgene zijn, het het is, geen dierenlichaam, geen mensenlichaam. 

Blz. 73

Da ist die Komplikation, die Mannigfaltigkeit der Mischung und Mengung, die den Leib zerfallen machen würde, wenn er seinen eigenen physischen und chemischen Kräften überlassen würde. In jedem Augenblick des Lebens wirkt gegen den Zerfall der physischen Leiber ihr sogenannter Äther- oder Lebensleib. Ein immerwährender Kampf findet statt in ihnen. Und in dem Augenblick des Todes, wo sich der Äther- oder Lebensleib trennt von dem physischen Leib, da folgen die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes ihren eigenen Gesetzen. Daher sagen wir in der Geisteswissenschaft: der physische Leib ist physisch und chemisch eine unmögliche Mischung, er kann
sich nicht in sich selbst erhalten. Was in jedem Augenblick gegen den Zerfall des physischen Leibes kämpft, das ist der Ätherleib.

Wanneer dat aan zijn eigen fysische en chemische krachten wordt overgelaten, heb je te maken met de gecompliceerdheid, de veelvuldigheid van de mengvormen die het lichaam uit elkaar zouden laten vallen. Op ieder moment van het leven werkt het zogenaamde ether- of levenslijf tegen het verval van de fysieke lichamen. Er vindt een voortdurende strijd in hen plaats. In op het ogenblik van de dood waarbij het ether- of levenslijf zich losmaakt van het fysieke lichaam, volgen de stoffen krachten van het fysieke lichaam hun eigen wetmatigheden. Vandaar dat we in de geesteswetenschap zeggen: het fysieke lichaam is fysisch en chemisch een onmogelijke vermenging, het kan zichzelf in zichzelf niet bewaren. Wat op ieder ogenblik tegen het vervallen van het fysieke lichaam strijdt, dat is het etherlijf.
GA 56/72 e.v.
Niet vertaald

Voordracht 4, München 18 maart 1908 (i.p.v. Berlijn 14 november 1907)

Mann und Weib im Lichte der Geisteswissenschaft

Man en vrouw in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 93

Denn das, was man physisch-sinnlich am Menschen sieht, ist der Geisteswissenschaft nur ein Glied der ganzen Wesenheit, der physische Leib.
Darüber hinaus unterscheidet Geisteswissenschaft den ätherischen Leib oder den Bildekräfteleib, den der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemein hat.

Wat men fysiek-zintuiglijk aan de mens ziet, is in de geesteswetenschap maar een onderdeel van het hele wezen van de mens, het fysieke lichaam.
Daar boven onderscheidt de geesteswetenschap het etherisch lichaam of vormkrachtenlichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met planten en dieren.
GA 56/93
Niet vertaald 

Voordracht 5, Berlijn, 28 november 1907

                                                             Initiation oder Einweihung

                                                                   Initiatie of inwijding
Blz. 123

Die Pflanzensubstanz hat physischen Leib und Ätherleib.

De plantensubstantie heeft het fysieke en het etherlijf.
GA 56/123
Niet vertaald 

Voordracht 7, Berlijn 9 januari 1908

Mann, Weib und Kind im Lichte der Geisteswissenschaft

Man, vrouw en kind in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 161

Nach der Geisteswissenschaft ist der physische Leib nur ein Kleid der
ganzen menschlichen Existenz.
Den Ätherleib hat der Mensch gemeinsam mit dem, was lebt als Tier und Pflanze.

Volgens de geesteswetenschap is het fysieke lichaam slecht een omhulsel van de totale menselijke existentie.
Het etherlijf heeft de mens gemeenschappelijk met dat wat als dier en plant leeft.
GA 56/161
Niet vertaald

Voordracht 9, München s december 1907 (i.p.v. Berlijn 13 februari 1908)

Der Krankheitswahn im Lichte der Geisteswissenschaft

De waan van ziek te zijn in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 196

Für die Geisteswissenschaft ist das, was uns entgegentritt, nur ein Äußeres. Der menschliche Leib ist ein Glied unter anderen Gliedern der menschlichen Wesenheit, das er gemein hat mit allen andern ihn umgebenden Wesen. Darüber hinaus hat er den Ätherleib, der den physischen Leib wie bei jedem Lebewesen durchdringt, der ein Kämpfer ist gegen den Zerfall des physischen Leibes

Voor de geesteswetenschap is dat wat we onder ogen komen, slechts iets uiterlijks. Het menselijk lichaam is een deel naast andere delen van het mensenwezen, dat het gemeenschappelijk heeft met andere wezens die hem omringen.
Daar bovenuit heeft hij het etherlijf die het fysieke lichaam zoals bij elk wezen dat leeft doordringt, dat een strijder is tegen het verval van het fysieke lichaam.
GA 56/196
Niet vertaald

voordracht 10, München 5 december 1907, i.p.v. Berlijn 27 februari 1908

Das Gesundheitsfieber im Lichte der Geisteswissenschaft

Koortsachtig streven naar gezondheid in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 213

Der physische Leib ist nur ein Teil der menschlichen Wesenheit. Diesen hat er gemeinschaftlich mit der ganzen leblosen Natur.
Aber er hat als zweites Glied den Äther- oder Lebensleib, den er gemeinsam hat mit allem, was lebt. Dieser ist ein fortwährender Kämpfer gegen alles, was den physischen Leib zerstören will. In dem Augenblicke, wo der Ätherleib den physischen Leib verlassen würde, wäre der physische Leib ein Leichnam. 

Het fysieke lichaam is maar een deel van de het menselijk wezen. Dit heeft hij gemeenschappelijk met de hele levenloze natuur.
Maar als tweede wezensdeel heeft hij het ether- of levenslijf dat hij gemeenschappelijk heeft met alles wat leeft. Dit is een voortdurende strijder tegen alles wat het fysieke lichaam wil verstoren. Op het ogenblik dat het etherlijf het fysieke zou verlaten, zou de mens een lijk zijn.
GA 56/213
Niet vertaald

Voordracht 14, Berlijn 16 april 1908

Die Hölle

De hel

Blz. 299

Beim Tode tritt etwas ein, was während des ganzen Lebens zwischen Geburt und Tod nur in Ausnahmefällen eintritt,, Während des ganzen Lebens bleibt
ja der Ätherleib mit dem physischen Leib vereinigt. Nur im Tode trennt er sich von ihm, und dadurch wird der physische Leib zum Leichnam. Er folgt nun den bloß physischchemischen Kräften, denen er entrissen wurde zwischen Geburt und Tod durch das Innewohnen des Ätherleibes. Dieser Ätherleib ist, wie öfters gesagt wurde, ein getreuer Kämpfer während des ganzen Lebens gegen den Zerfall des physischen Leibes; denn der physische Leib hat in sich die chemischen und physischen Kräfte. Das zeigt sich, wenn er nach dem Tode sich selbst überlassen ist: Er zerfällt, er ist eine unmögliche Mischung. Der Ätherleib trennt sich heraus aus dem physischen Leib und bleibt eine Weile zusammen mit dem astralischen Leib und dem Ich.

Bij de dood gebeurt iets, wat gedurende het hele leven slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvindt. Gedurende het hele leven blijft het etherlijf met het fysieke lichaam verbonden. Alleen bij de dood maakt het zich daarvan los en daardoor wordt het fysieke lichaam een lijk. Dat volgt nu de louter fysisch-chemische krachten waaraan het onttrokken werd tussen geboorte en dood door het erin aanwezig zijn van het etherlijf. Dit is, zoals al vaker werd gezegd gedurende het hele leven een trouwe strijder tegen het verval van het fysieke lichaam; want het fysieke lichaam heeft in zich de chemisch-fysische krachten. Dat kan je zien wanneer het na de dood aan zichzelf overgelaten is: het valt uit elkaar, het is een onmogelijke vermenging. Het etherlijf maakt zich los van het fysieke lichaam (en blijft een poos samen met het astraallijf en het Ik).
GA 56/299
Niet vertaald

Algemene menskunde: voordracht 1 – over fysiek lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2832

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

Advertentie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 55)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blovertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het inzicht in het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het leven van nu

Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906

Blut ist ein ganz besonderer Saft
Bloed is een heel bijzondere vloeistof

Blz. 46

In der geisteswissenschaftlichen Weltanschauung sehen wir, daß der Mensch, insofern er uns in der Außenwelt für unsere Sinne entgegentritt, insofern er Form und Gestalt ist, nur einen Teil der menschlichen Wesenheit ausmacht, und daß sogar hinter dem physischen Leibe viele andere
Wesenheiten sind. Diesen physischen Leib hat der Mensch mit allen um ihn herumliegenden mineralischen, sogenannten leblosen Dingen gemeinschaftlich.

Das zweite Glied des Menschen ist also der Ätherleib, den der Mensch gemeinschaftlich mit der Pflanzenwelt hat.

In de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing zien we dat de mens, voor zover hij ons in de buitenwereld tegemoet treedt, in zoverre hij vorm en gestalte is, slechts een deel van het menselijk wezen uitmaakt en dat er zelfs achter het fysieke lichaam vele andere wezens staan. Dit fysieke lichaam heeft de mens samen met alle minerale, zogenaamde levenloze dingen die zich om hem heen bevinden.

Het tweede deel van de mens is dus het etherlijf dat de mens gemeenschappelijk heeft met de plantenwereld.
GA 55/46-47
Vertaald /46-47

Blz. 50 

Nehmen Sie zunächst dasjenige, was sich im Menschen zu seinem physischen Leib kristallisiert. Er hat es gemeinschaftlich mit der sogenannten leblosen Natur. Wenn wir geisteswissenschaftlich sprechen von diesem physischen Leib, dann sprechen wir gar nicht einmal von dem, was das Auge sieht, sondern von dem Zusammenhang von Kräften, die den physischen Leib konstruiert haben, von dem, was als Kraftnatur hinter dem physischen Leibe steht.

Neem nu eerst eens wat in de mens kristalliseert tot zijn fysieke lichaam. Dat heeft hij gemeenschappelijk met de zogenaamde levenloze natuur. Wanneer we geesteswetenschappelijk spreken van dit fysieke lichaam, dan spreken we nog helemaal niet over wat het oog ziet, maar over de samenhang van krachten die het fysieke lichaam hebben gebouwd, over wat als krachtnatuur achter dit fysieke lichaam staat.

Sehen wir uns die Pflanze an als das Wesen, das schon den Ätherleib hat, welcher die physischen Stoffe heraufholt zum Leben, das heißt dasjenige, was sinnliche Materie ist, in Lebenssäfte verwandelt.
Was ist es, das so die sogenannten leblosen Kräfte in die Lebenssäfte umgestaltet? Wir nennen es den Ätherleib, und dieser Ätherleib tut dasselbe im Tier und dasselbe auch im Menschen; er ruft dasjenige, was bloß sinnlich ist, zu lebendiger Konfiguration, zu lebendiger Gestaltung auf. Dieser Ätherleib wird wieder durchsetzt von dem Astralleib.

Beschouwen we de plant als een wezen dat het etherlijf bezit dat de fysieke stoffen om te leven in zich opneemt, d.w.z. wat zintuiglijke materie is om te zetten in leven.
Wat verandert de zogenaamde levenloze krachten in levenssappen? Wij noemen dat het etherlijf, en dat het etherlijf ook in het dier en hetzelfde in de mens; het roept dat wat slechts zintuiglijk is, te voorschijn tot een levende opbouw, tot een levende gestalte. Dit etherlijf wordt op zijn beurt weer doordrongen door het astraallijf. 

Der Ätherleib wandelt unorganische Substanz in Lebenssäfte um.

Het etherlijf vormt de organische substantie in levenssappen om.
GA 55/50-51
Niet vertaald

Voordracht 3 Berlijn, 8 oktober 1906

Der Ursprung des Leides

De oorsprong van het lijden

Blz. 73

Das, was wir mit Augen sehen, mit den Sinnen äußerlich wahrnehmen können, das, was der Materialismus als das einzige Wesen der Natur betrachtet, ist der Geistesforschung nichts anderes als das erste Glied der menschlichen Wesenheit: der physische Leib. Wir wissen, daß dieser in bezug auf seine Stoffe und Gesetze dem Menschen mit der ganzen übrigen leblosen Welt gemeinsam ist.

Wat we met onze ogen zien, met onze zintuigen uiterlijk kunnen waarnemen, wat het materialisme als het enige in de natuur bekijkt, is voor het onderzoek van de geest niets anders dan het eerste deel van het wezen mens: het fysieke lichaam. We weten dat de mens wat betreft zijn stoffen en wetten dit gemeenschappelijk heeft met de hele overige levenloze wereld. 

Wir wissen aber auch, daß dieser physische Körper aufgerufen wird zum Leben durch das, was wir den sogenannten Äther- oder Lebensleib nennen; (  ) Wir betrachten den zweiten Teil der menschlichen Wesenheit, den Ätherleib, als etwas, was der Mensch gemeinschaftlich hat mit der übrigen Pflanzenwelt.

We weten echter ook dat in dit fysieke lichaam het leven tevoorschijn wordt geroepen door wat wij het zogenaamde ether- of levenslijf noemen; ( ) Wij zien het tweede deel van het mensenwezen, het etherlijf, als iets wat de mens gemeenschappelijk heeft met de verdere plantenwereld.
GA 55/73
Vertaald  

Wie begreift man Krankheit und Tod?

Hoe kan je ziekte en dood begrijpen?

Blz. 104-105

Erstens haben wir den äußerlich sichtbaren physischen Körper  Dann müssen wir uns klar sein, daß im physischen Leibe dieselben Kräfte und Stoffe vorhanden sind wie in der physischen Welt draußen und daß in dem Ätherleib das liegt, was diese Stoffe zum Leben aufruft, und daß der Mensch seinen Ätherleib mit der ganzen Pflanzenwelt gemeinschaftlich hat

Ten eerste hebben we het fysieke lichaam dat uiterlijk waarneembaar is. Dan  moeten we goed in de gaten hebben dat in het fysieke lichaam dezelfde krachten en stoffen aanwezig zijn als in de fysieke wereld buiten ons en dat er in het etherlijf dat aanwezig is, wat in deze stoffen het leven tevoorschijn roept en dat de mens zijn etherlijf gemeenschappelijk heeft met de plantenwereld. 

Blz. 105

Das physische Prinzip arbeitet nur teilweise am physischen Organismus des Menschen, in einem anderen Teil ist im wesentlichen der Ätherleib tätig,

Het fysieke principe werkt maar voor een deel aan de fysieke organisatie van de mens; in een deel is hoofdzakelijk het etherlijf werkzaam.
GA 55/104-105  

Voordracht 6, Berlijn 10 januari 1907
(zie nadere opmerkingen. N.B. dit is niet het bekende boekje met dezelfde titel, vertaald bij Pentagon): dat is een geschreven artikel uit GA 34)

Die Erziehung des Kindes vom Standpunkt der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

Blz. 119

Ihm zeigt sich alsweites Glied im Menschen der Ätherleib, ein geistiger Or­ganismus, der wesentlich feiner ist als der physische. Er hat nichts mit dem physikalischen Begriff von Äther zu tun und wird besser nicht als ein Stoff, sondern als eine Summe von Kräften, als eine Summe von Strömungen, von Kraftwir­kungen beschrieben. Er ist aber der Architekt des aus ihm heraus kristallisierten physischen Leibes, welcher sich aus ihm herausentwickelt wie etwa das Eis aus dem Wasser. So müssen wir uns vorstellen, daß alles, was am Menschen physischer Leib, physischer Organismus ist, herausgebildet ist aus dem Ätherleib. Diesen haben wir gemeinsam mit allen lebenden Wesen, mit der Pflanzen- und Tierwelt. Er hat eine ähnliche Form wie der physische Leib, seine Form und Größe schließen sich der Form und Größe desselben an. An den unteren Teilen aber ist er verschieden, bei den Tieren ragt er weit heraus. Man beschreibt hiermit, was man als Ätherkörper kennt, etwa so, wie man einem Blinden sagt, eine Farbe ist blau oder rot. Ebensowenig wie dem Sehenden dies phantastisch erscheint, ist für den, welcher die in jedem Menschen schlummernden Fähigkeiten entwik­kelt, Phantasie in dem Beschriebenen.

( ) Het tweede deel van de mens  het etherlijf, is een geestelijk organisme, dat wezenlijk fijner is dan het fysieke. Het heeft niets te maken met het natuurkundige begrip ether en het is beter niet over stof te spreken, maar over een totaliteit van krachten, een totaliteit van wat stroomt, van krachtwerkingen. Het is echter de architect van het uit hem gekristalliseerde fysieke lichaam, dat zich uit hem ontwikkelde, zoiets als ijs uit water. Zo moeten we ons voorstellen dat alles wat aan de mens fysiek lichaam, fysiek organisme is, zijn vorm krijgt vanuit het etherlijf’. Dit hebben wij gemeen met de planten- en dierenwereld. Het heeft net zo’n vorm als het fysieke lichaam; de vorm en de grootte sluiten aan bij de vorm en de grootte daarvan. De onderste delen echter verschillen; bij de dieren bevindt het zich ver daarbuiten. Wat men als etherlijf kent, beschrijft men net zo, als wanneer men aan een blinde zegt dat een kleur blauw of rood is. Net zo min als dit voor iemand die zien kan, onzin is, zo is voor degene die de in ieder mens sluimerende vaardigheden ontwikkelt, deze beschrijving onzin.
GA 55/119
Niet vertaald

voordracht 7 Berlin, 24. januari 1907

              Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft 

Schoolvragen vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Blz. 133

Mit der physischen Geburt wird nur der physische Leib frei; zur
Zeit des Zahnwechsels wird der Ätherleib geboren.

Met de fysieke geboorte komt alleen het fysieke lichaam vrij; tegen de tijd van de tandenwisseling wordt het etherlijf geboren.
GA 55/133
Op deze blog vertaald /133

*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.

Voordracht 8. Berlijn, 31 januari 1907

                   Der Irrsinn vom Standpunkt der Geisteswissenschaf

*Irrsinn heeft verschillende vertalingen: absurditeit, krankzinnigheid, idioterie bijv.

Waanzin* vanuit het standpunt van de geesteswetenschap

Blz. 142/143

Wir unterscheiden folgende physische Teile am Menschen, ( ) erstens rein Physisches, was nach rein physischen Gesetzen gebaut ist, vor allem die Sinnesorgane ( ) zweitens alles das, was mit Verdauung, Wachstum, Fortpflanzung zusammenhängt. Das, was die Kristalle aufbaut, könnte auch den menschlichen Leib aufbauen, aber er wäre dann ein toter Organismus. Der Ätherleib ist der Bildner, der die Verdauungsorgane und so weiter aufbaut.

We onderscheiden de volgende fysieke delen aan de mens, als eerste puur fysiek wat volgens puur fysieke wetten gebouwd is, met name de zintuigorganen ( ) als tweede alles wat met vertering, groei, voortplanting samenhangt. Wat de kristallen opbouwt, kan ook het menselijk lichaam opbouwen, maar dan zou het een dood organisme zijn. Het etherlijf is de vormgever die de spijsverteringsorganen enz. opbouwt.
GA 142-143
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2828

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 54)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blovertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 54

Die Welträtsel und die Anthroposophie

De wereldvragen en de antroposofie

Voordracht 5, Hamburg, 17 november 1906

Blz. 121

Die Frauenfrage

Was der Materialismus, was die alltägliche Weltanschauung beim Menschen kennt, das betrachtet die geisteswissenschaftliche Forschung, die Theosophie, bloß als einen Teil der menschlichen Wesenheit. Ich kann Ihnen heute nur einige Skizzen geben, aber nicht Phantastereien, Träumereien, sondern Dinge, die so feststehen wie mathematische Urteile für die Mathematiker. Also dasjenige, was der Mensch in der alltäglichen Anschauung, in der gewöhnlichen Wissenschaft vom Menschen kennt, das ist ein Teil der menschlichen Wesenheit, das ist der physische Leib. Dieser physische Leib des Menschen hat dieselben physikalischen und chemischen Kräfte und Gesetze und Stoffe, die sich
draußen in der sogenannten leblosen Natur finden. Das, was draußen an Kräften den toten Stein bildet und im Stein das «Leben» ist, dieselben Kräfte sind auch im physischen Leib des Menschen.

Het vrouwenvraagstuk

Wat het materialisme, wat de alledaagse wereldbeschouwing van de mens weet, beschouwt het geesteswetenschappelijk onderzoek, de antroposofie*, slechts als deel van het wezen mens. Ik kan u vandaag maar een paar dingen schetsen, echter geen fantasterijen, droombeelden, maar dingen die zo vaststaan als wiskundige oordelen voor de wiskundige. Dus wat de mens in de alledaagse opvatting van de gewone wetenschap van de mens kent, is een deel van het mensenwezen, het is het fysieke lichaam. Dit fysieke lichaam van de mens heeft dezelfde fysische en chemische krachten en wetten en stoffen die we buiten in de zogenaamde levenloze stof vinden. Wat in de buitenwereld de levenloze steen vormt en in de steen ‘het leven’ is, zijn dezelfde krachten die zich ook in het fysieke lichaam van de mens bevinden.

*Het Duits heeft ‘Theosophie’ – Steiner was met de antroposofie nog niet buiten de theosofische beweging verdergegaan – toen dat wel een feit was, noemde hij zijn ‘theosofie’ meestal antroposofie.

Nu gaat Steiner ook hier vanuit het tegenovergestelde verder:

Darüber hinaus sieht aber die geisteswissenschaftliche Weltanschauung noch andere Glieder der Menschennatur, zunächst ein zweites Glied, das der Mensch
gemeinsam mit allen Pflanzen hat.

Daar bovenuit gaand ziet de geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing nog andere wezensdelen van de menselijke natuur, allereerst een tweede deel, dat de mens gemeenschappelijk heeft met alle planten. 

Steiner heeft in zijn tijd uiteraard te maken met de wetenschappelijke opvattingen van zijn tijd, zoals wij dat ook hebben in de onze. Hij probeert hier een soort ‘stand van zaken’ weer te geven en begrip te kweken voor zijn visie door een vergelijking te maken.

Die heutige Wissenschaft spricht aus ihren Spekulationen schon etwas von dem, worauf da die Geisteswissenschaft hinzielt, von einem besonderen Lebensprinzip, weil ja die Gesetze des Materialismus, die noch vor fünfzehn Jahren für viele galten, bei den Einsichtigen überwunden sind. Aber die heutige Naturforschung wird nur aus einer Art von Spekulation dieses zweite Glied der menschlichen Wesenheit erschließen. Die theosophische Geistesforschung beruft sich aber auf das Zeugnis derjenigen, die ein höheres Anschauungsvermögen haben, die sich so verhalten zu dem gewöhnlichen Durchschnittsmenschen, wie ein Sehender zu einem Blinden sich verhält.
Sie beruft sich auf das Zeugnis von solchen Personen, die dieses zweite Glied der menschlichen Wesenheit als etwas Reales, Wirkliches vorhanden wissen. Derjenige, der nichts weiß, hat kein Recht zu urteilen, ebensowenig wie der
Blinde ein Recht hat, über Farben zu urteilen.

De huidige wetenschap spreekt door iets aan te nemen al over iets waar de geesteswetenschap naar toe wil, over een bijzonder levensprincipe, omdat de wetten van het materialisme die zo’n vijftien jaar geleden nog voor velen golden, nu door hen die meer inzicht hebben, overwonnen zijn. Alleen, de huidige wetenschap zal alleen maar door een vorm van aannemelijkheid tot dit tweede bestanddeel van het mensenwezen kunnen kiezen. Het antroposofisch onderzoek van de geest beroept zich echter op de verklaring van degene die een hoger waarnemingsvermogen heeft, dat zich zo verhoudt tot dat van de doorsneemens, als iemand die kan zien zich verhoudt tot iemand die blind is. Ze beroept zich op de verklaringen van die personen die dit tweede wezensdeel van de mens als iets reëels, werkelijks aanwezig weten.
Degene die niets weet, heeft geen recht van oordeel, net zomin als iemand die niet kan zien het recht heeft om over kleuren te oordelen. 

Blz. 122

Im Sinne dieser Geisteswissenschaft sprechen wir deshalb von einem zweiten Glied der menschlichen Wesenheit. Es ist dasselbe, was wir in der christlichen Religion bei Paulus als geistigen Leib bezeichnet finden. Wir sprechen vom
Äther- oder Lebensleib. Niemals würde sich eine gewisse Summe von chemischen und physikalischen Kräften zum Leben kristallisieren, wenn sie nicht vorzüglich geformt würde von dem, was jeden lebendigen Leib als Lebens- oder Ätherleib durchzieht. So bezeichnen wir dieses zweite Glied
als Lebensleib oder Ätherleib. Es ist das, was der Mensch mit der gesamten Pflanzen- und Tierwelt gemeinschaftlich hat

overeenkomstig met deze geesteswetenschap spreken wij daarom over een tweede deel van het mensenwezen. het is hetzelfde wat wij in de christelijke religie bij Paulus als het geestelijk lichaam benoemd vinden. (: I. Kor. 15, 44 ff.)
Wij spreken over ether- of levenslijf. Nooit zal zich een bepaalde hoeveelheid chemische en fysische kracht tot leven kristalliseren wanneer deze niet bij uitstek gevormd zouden worden door wat ieder levend lichaam als levens-, of etherlijf doortrekt. Dus wij noemen dit tweede wezensdeel levenslijf of etherlijf. Dat heeft de mens met de totale planten- en dierenwereld gemeenschappelijk.
GA 54/121-122
Niet vertaald

Voordracht 13, Berlijn 22 februari 1906

                                                             Luzifer

                                                            Lucifer
Blz. 320

Zunächst haben wir den physischen Leib des Menschen,
dann das Prinzip des Ätherleibes, das belebende, das formende,

Allereerst hebben we het fysieke lichaam van de mens, dan het principe van het etherlijf, het leven gevende, het vormende.
GA 54/320
Niet vertaald

Voordracht 15, Berlijn 8 maart 1906

 Germanische und indische Geheimlehre

Germaanse en Indische verborgen leer

Blz. 362

Die erste Unterabteilung ist der sogenannte physische Leib, der Leib, den man mit den Augen sehen und mit den andern Sinnen wahrnehmen kann. Das
zweite Glied ist der sogenannte Ätherleib. Das ist der Körper, in dem das Leben wohnt. Er ist ungefähr von derselben Gestalt wie der physische Leib, aber als Träger des Lebensprinzips ist er das, was dem physischen Körper zugrunde
liegt.

Het eerste deelaspect is het zogenaamde fysieke lichaam, het lichaam dat je met je ogen kan zien en met de andere zintuigen kan waarnemen. Het tweede deel is het zogenaamde etherlijf. Dat is het lichaam waarin het leven woont. Het heeft ongeveer net zo’n vorm als het fysieke lichaam, maar als drager van het levensprincipe is het dat wat aan het fysieke lichaam ten grondslag ligt. 

Blz. 363

Jedes Mineral hat einen physischen Leib. Die Pflanzen haben physischen Leib und Ätherleib

Ieder mineraal heeft een fysiek lichaam. De planten hebben fysiek lichaam en etherlijf.
GA 54/362-363
Niet vertaald
.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2824

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (89)

.

[in blauw tekst Pieter HA Witvliet]

Bij ‘Schooldomein‘ verscheen een aantal jaren geleden een artikel van hoogleraar cognitieve psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, Harold Bekkering.

Waarom ons onderwijssysteem niet werkt

Als oud-vrijeschoolleerkracht kan ik voor de inhoud van Bekkerings woorden veel instemming hebben. Simpelweg omdat zijn woorden helemaal passen bij het pedagogisch-didactisch concept van de vrijescholen, inmiddels zo’n 100 jaar aanwezig en gezien Bekkerings opvattingen: helemaal van deze tijd!

Bekkering is tegen een systeem dat bepaald wordt door alleen een cognitieve ontwikkeling.

Zoals Steiner het formuleerde:

niet eenzijdig uitgaan van die ene eigenschap van de wordende mens, het intellect, maar uitgaan van de mens als geheel.
GA 301/77
Op deze blog vertaald/77

Dat is voor Bekkering: betekenisvol leren, waarbij we kinderen leren nieuwsgierig te blijven.”

En zo’n 100 jaar geleden formuleerde Steiner al: 

Dit moet de belangrijkste eis worden van de moderne opvoeding: handelen vanuit een wetenschap die oog heeft voor de totale mens.
GA297/32-33
Op deze blog vertaald/32-33 

Bekkering kom tot de conclusie: ‘Ons systeem holt die kwaliteiten vervolgens uit.”

( ) Het systeem stuurt op cognitie en dat bepaalt het niveau.
( ) Dan blijft een minister in hetzelfde jargon hangen en maar blijven hameren op cijfers en excellente kennis.

Hartverwarmend vind ik Bekkerings opmerkingen over het VMBO-kind:

In feite zeggen we tegen een vmbo-kind: jij bent niet goed genoeg en het zal een uitdaging voor jou worden om een goede baan te vinden. De druk die we mensen opleggen is ook immens groot. Daarom moeten we dat soort redeneringen keihard aanpakken. Mijn vrouw werkt op een vmbo-groen school en liet onze tuin door een leerling aanleggen. Hij had nog nooit een voldoende voor rekenen gehad, maar maakte een prachtige put om het water af te laten stromen. Daar zat alles in: verhoudingen, inzicht en praktische vaardigheid. Daarom weiger ik dat stigmatiserende onderscheid tussen praktisch en cognitief over te nemen.”

Bekkering zoekt naar een vorm van ‘activerend leren’ waarin kinderen de tijd om krijgen om zelf hun talenten te ontwikkelen.
Eindtermen en examineren betekent het structureel afstraffen van het activerend onderwijs. Een eindtermen leidt ertoe dat je dat ene zo goed mogelijk leert om er een voldoende of meer op te scoren.

Ook Steiner zag niets in examens: 

Voor kinderen is het het allerbeste – in een ideale opvoeding – wanneer we vermijden dat het in korte tijd veel moet leren, zoals voor een examen. Dat betekent dat we de examens helemaal weglaten. Dan verloopt het einde van het schooljaar precies als het begin. Dan nemen we het als leraar op ons om te zeggen: waarom moet het kind geëxamineerd worden? Ik heb het kind de hele tijd meegemaakt en weet heel goed wat het weet of niet weet.
GA 293/193
Vertaald/185

Dat de vrijescholen ook zijn meegegaan met de examendressuur is enerzijds het gevolg van overheidsmaatregelen, anderzijds hebben ze – Steiner pleitte al bij de oprichting van de eerste vrijeschool voor volledige vrijheid van inrichting van het onderwijs – zich te weinig ingezet deze vrijheid ook daadwerkelijk te verkrijgen.

De vrijescholen zouden op grond van Steiners idealen dit droombeeld moeten hebben, in ieder geval: Bekkering heeft het:

“IK HEB EEN DROOMBEELD WAARBIJ HET DE EERSTE 18 JAAR VERBODEN IS OM KINDEREN TE TESTEN, ZODAT KINDEREN NIEUWSGIERIG BLIJVEN EN NIET AFGESTRAFT WORDEN DOOR EEN TELEURSTELLENDE ERVARING.”

Ik ga hier niet het hele artikel bespreken.
Het is voor mij voldoende dat het de geest ademt van pedagogisch-didactische opvattingen die we makkelijk in de vrijeschoolpedagogie zoals Steiner die voor ogen stond, herkennen. 

.

Mensbeeld en examen

Opspattend grindalle artikelen

.

2822

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 53)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blovertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 53

Ursprung und Ziel des Menschen; Grundbegriffe der Geisteswisschenschaft

Oorsprong en bestemming van de mens; basisbegrippen van de geesteswetenschap

Voordracht 2, Berlijn 13 oktober 1904

                                 Die menschliche Wesenheit  

Het wezen van de mens

Blz. 52

Leib, Seele und Geist sind, roh betrachtet, die drei Grundbestandteile der menschlichen Wesenheit. Jeder Grundbestandteil hat wieder drei Bestandteile oder Stufenfolgen. 

Lichaam, ziel en geest zijn ruwweg bezien, de drie basisdelen van het menselijk wezen. Ieder basisdeel bestaat weer uit drie onderdelen of op elkaar volgende trappen van ontwikkeling.

Dasjenige, was gewöhnlich als Leib bezeichnet wird, ist nicht so einfach wie der materialistische Forscher es sich vorstellt. Es ist ein zusammengesetztes Ding, das aus drei Gliedern oder drei Bestandteilen besteht. Der unterste, gröbste Bestandteil ist in der Regel dasjenige, was der 

Wat gewoonlijk als lichaam wordt beschouwd, is niet zo simpel als de materialistische onderzoeker zich voorstelt. Het is een samengesteld iets dat uit drie delen bestaat. Het onderste, grofste deel is in de regel dat deel dat de mens met zijn fysieke zintuigen ziet, het zogenaamde fysieke lichaam.

Mensch mit seinen physischen Sinnen sieht, der sogenannte physische Leib. Dieser physische Leib hat in sich dieselben Kräfte und Gesetze wie das Physische um uns herum, wie die ganze physische Welt. Die heutige Naturwissenschaft studiert am Menschen nichts anderes als diesen physischen Leib; denn auch unser kompliziertes Gehirn ist nichts anderes als ein Bestandteil dieses physischen Leibes. Alles, was unmittelbar raumerfüllend ist, was wir mit den bloßen Sinnen oder mit den bewaffneten Sinnen, mit dem bloßen Auge oder mit dem Mikroskop sehen können, kurz, alles dasje-

Dit fysieke lichaam heeft in zich dezelfde krachten en wetten zoals het fysieke dat zich om ons heen bevindt, als de hele fysieke wereld. De moderne natuurwetenschap bestudeert aan de mens niets anders dan dit fysieke lichaam; ook onze gecompliceerde hersenen zijn niet anders dan een deel van dit fysieke lichaam. Alles wat direct ruimtevullend is, wat we enkel met de zintuigen of met de door instrumenten uitgeruste zintuigen, met het blote oog of met de microscoop kunnen zien, kortom alles

Blz. 53

nige, was für den Naturforscher noch aus Atomen zusammengesetzt ist, das bezeichnet der Theosoph noch als physische Körperlichkeit. Das ist der unterste Bestandteil der physischen Wesenheit.
Nun leugnen aber schon viele Forscher den nächsten Bestandteil der physischen Wesenheit, den Ätherkörper. Der Ausdruck Ätherkörper ist ja nicht glücklich gewählt. Aber nicht auf den Namen kommt es an.
Daß man den Ätherkörper leugnet, ist erst das Ergebnis des neueren naturwissenschaftlichen Denkens. Es schließt sich an das Leugnen dieses Ätherkörpers ein schon lange dauernder naturwissenschaftlicher Streit. Ich will vorläufig nur kurz andeuten, was unter diesem Ätherkörper zu verstehen
ist

wat voor de natuurwetenschapper nog uit atomen bestaat, bestempelt de geesteswetenschap nog als fysiek lichaam. Dat is het onderste deel van het fysieke wezen.
Nu ontkennen vele onderzoekers het volgende deel van het fysieke wezen, het etherlichaam. De uitdrukking etherlichaam is eigenlijk niet zo gelukkig gekozen. Maar het komt niet op de naam aan.
Dat het etherlichaam ontkend wordt, is het gevolg van het natuurwetenschappelijk denken van de laatste tijd. Bij het ontkennen van het etherlichaam hoort al een veel langer natuurwetenschappelijk geruzie.
Voorlopig wil ik alleen maar in het kort aangeven, wat we onder etherlichaam moeten verstaan.

Hier zo’n voorbeeld van ‘de dingen op elkaar betrekken’, in ‘tegenstellingen’ kijken:

Wenn Sie ein Mineral betrachten, einen toten, leblosen Körper, und ihn mit der Pflanze vergleichen, dann werden Sie sich sagen — und das haben sich alle Menschen gesagt bis um die Wende des 18. zum 19. Jahrhundert, denn da ging
der Streit wegen des Ätherkörpers los -, der Stein ist leblos, die Pflanze aber ist lebenerfüllt. Das, was also dazukommen muß, damit die Pflanze nicht Stein sei, das nennt die Theosophie Ätherkörper. Dieser Ätherkörper wird wohl besser mit der Zeit bloß Lebenskraft genannt werden, denn die Äther- oder Lebenskraft ist etwas, wovon die Naturwissenschaft bis ins 19. Jahrhundert hinein gesprochen hat. Die neuere Naturwissenschaft leugnet so etwas wie die Lebenskraft.

Wanneer je een mineraal bekijkt, een dood levenloos ding en dat vergelijkt met een plant, dan zal je zeggen – en dat zei iedereen tot aan de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, want toen begon de strijd vanwege het etherlichaam – de steen is levenloos, de plant daarentegen zit vol leven. Dus, wat erbij moet komen, wil de plant geen steen zijn, dat noemt de antroposofie* etherlichaam. Langzamerhand is het wel beter om ‘etherlichaam’ gewoon levenskracht te noemen, want de ether- of levenskracht is iets waar de natuurwetenschap tot in de 19e eeuw over sprak. De natuurwetenschap van de laatste tijd, ontkent zoiets als levenskracht.

Blz. 54

Und je weiter die Naturwissenschaft vorrückt, desto mehr wird sie auch erkennen, daß die Pflanze schon einen solchen Ätherkörper hat, denn sonst könnte sie nicht leben. Auch das Tier und der Mensch haben einen solchen Ätherdoppelkörper. 

Hoe verder de natuurwetenschap zal komen, des te meer zal deze ook erkennen dat de plant al zo’n etherlijf heeft, want anders zou ze niet kunnen leven. Ook dier en mens hebben zo’n etherlijf.
GA 53/52-54
Niet vertaald

Voordracht 12, Dornach 16 maart 1905

Die großen Eingeweihten

Das, was heute die Ebenbildlichkeit Gottes bereits erlangt hat, das, was heute vom Menschen auf der höchsten Stufe angekommen ist, das ist des Menschen sinnlicher Körper, das was wir an ihm mit Augen sehen, überhaupt mit unseren
Sinnen wahrnehmen können. Das ist aber nicht das einzige, was der Mensch hat. Der Mensch hat noch höhere Glieder seiner Natur. Zunächst besitzt er noch ein Glied, das wir den Ätherkörper nennen. Diesen Ätherkörper kann der, welcher die seelischen Organe bei sich ausgebildet hat, sehen. Durch diesen Ätherkörper ist der Mensch nicht bloß ein Gebilde, in dem chemische und physische Kräfte wirken, sondern ein.lebendiges Gebilde, ein Gebilde, welches lebt, mit Wachstum, Leben und Fortpflanzungsvermögen versehen ist.
Diesen Ätherkörper, der eine Art von Urbild des Menschen
darstellt (  )

De grote ingewijden

Wat nu op de hoogste trap van ontwikkeling is gekomen, wat ‘naar het evenbeeld van God’ wel bereikt heeft, is het zintuiglijk waarneembare lichaam van de mens; wat wij met onze ogen van hem zien, eigenlijk, met onze zintuigen waar kunnen nemen. Maar dat is niet het enige wat de mens heeft. In zijn wezen heeft hij nog hogere delen. Allereerst beschikt hij over een wezensdeel dat wij etherlijf noemen.
Wie organen van de ziel ontwikkeld heeft, kan dit etherlijf zien. 
Door dit etherlijf is de mens niet alleen maar een gedaante waarin chemische en fysische krachten werken, maar ook een levende gestalte; een schepsel dat leeft, met groei, leven en voortplantingsvermogens begiftigd. 
Dit etherlijf geeft een soort oerbeeld van de mens waar ( )

Meer daarover:

GA 9/14  e.v.
Vertaald/33 e.v.

Blz. 259

( ) dieser Ätherkörper bewirkt das eigentliche Leben des Menschen.

Dit etherlijf bewerkstelligt het eigenlijke leven van de mens.
GA 53/259
Niet vertaald

 

*In het Duits staat ‘Theosophie’, maar dat komt omdat Steiner toen nog deel uitmaakte van de Theosofische Vereniging’. Toen hij zich daarvan had losgemaakt, noemde hij, wat hij voordien theosofie noemde, antroposofie.
De naam veranderde, de inhoud niet.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Antroposofie: een inspiratie: over het etherlijf [1]   [2]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2821

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf (GA 34)

.

Zie eerst de inleiding tot dit onderwerp.

In deze artikelen ging het over het fysiek lichaam. De opmerkingen van Rudolf Steiner daarover in zijn verschillende voordrachten.

Als een soort definitie isoleerde ik daarin de opmerkingen van de context.
Daardoor werd wel duidelijk hoe Steiner karakteriseert en dat wij deze omschrijvingen goed kunnen gebruiken wanneer we het mensbeeld waarmee we werken, willen uitleggen.

Anderzijds kan, wat ik daar doe, helemaal niet. Want om iets duidelijk te maken, raadt Steiner ons aan, bijv. vooral in ‘tegenstellingen’ te denken.

Zo zegt hij vaak dat we ‘het leven moeten leren kennen’ en daarbij moeten we niet uit het oog verliezen:

Das Leben entwickelt sich in Gegensätzen.

Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.
GA 297/ 149
Op deze blog vertaald/149

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.
GA293/119

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.
GA 293/153
vertaald/150

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.
GA 293/129
vertaald/126

Vooral ‘het ene op het andere betrekken’ en naar de tegenstellingen kijken, geeft ons meer inzicht in de samenhang van de wezensdelen.

De opmerkingen over het fysieke lichaam zullen nu in relatie worden gebracht met die over het etherlijf.

GA 34

Lucifer-Gnosis

Lucifer-Gnosis

Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft

De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie

Blz. 312   vert. 12

Das, was die Sinnesbeobachtung am Menschen kennenlernt, und was die materialistische Lebensauffassung als das Einzige im Wesen des Menschen gelten lassen will, ist für die geistige Erforschung nur ein Teil, ein Glied der Menschenna­tur, nämlich sein physischer Leib. Dieser physische Leib unter­liegt denselben Gesetzen des physischen Lebens, er setzt sich aus denselben Stoffen und Kräften zusammen wie die ganze übrige sogenannte leblose Welt. Die Geisteswissenschaft sagt daher: der Mensch habe diesen physischen Leib mit dem gan­zen Mineralreich gemeinsam. Und sie bezeichnet am Menschen nur als physischen Leib, was dieselben Stoffe nach denselben Gesetzen zur Mischung, Verbindung, Gestaltung und Auflö­sung bringt, die auch in der mineralischen Welt als Stoffe nach eben diesen Gesetzen wirken.

Datgene, wat de zintuigen waarnemen aan een mens en wat de materialistische wereldbeschouwing als de enige werkelijkheid van de mens wil laten gelden, is voor het geesteswetenschappelijk onderzoek slechts een deel van ’s mensen totaliteit, n.l. zijn fysieke lichaam. Dit lichaam is onderworpen aan dezelfde fysieke wetmatigheden, is uit dezelfde stoffen en krachten samengesteld als de gehele overige, zogenaamd levenloze natuur. De geesteswetenschap zegt daarom, dat de mens dit fysieke lichaam met het gehele minerale rijk gemeen heeft. En zij noemt fysiek lichaam van de mens alleen datgene, wat dezelfde stoffen, die in de minerale wereld voorkomen, volgens dezelfde wetten, die ook daar van kracht zijn, mengt, verbindt, vorm geeft en ontbindt.
GA 34/312
*Vertaling: De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’ 1980

Er is een nieuwere uitgave: ‘De opvoeding van het kind

.

Aansluitend aan bovenstaande:

Über diesen physischen Leib hinaus erkennt nun die Theosophie noch eine zweite Wesenheit im Menschen an: den Lebensleib oder Ätherleib.

De geesteswetenschap komt tot de erkenning van een tweede krachtencomplex in de mens, dat onderscheiden moet worden van het fysieke lichaam; dit wordt aangeduid met de naam van levenslichaam of etherlichaam.

Houd weer in de gaten dat Steiner hier ‘Leib’ gebruikt.
Interessant is de vertaling ‘krachtencomplex’ voor ‘Leib’.

Hier neemt Steiner de gelegenheid te baat om iets meer te zeggen over het door hem gebruikte woord ‘ether’.:

ETHER

GA 34 blz. 312   vert. 13

Der Physiker möge sich an der Bezeichnung «Ätherleib » nicht stoßen. «Äther » bezeichnet hier etwas anderes, als den hypothetischen Äther der Physik. Man nehme die Sache einfach als Bezeichnung für das hin, was in dem Folgenden beschrieben wird. Es ist vor einiger Zeit als ein im höchsten Sinne unwissenschaftliches Beginnen aufgefaßt worden, von einem solchen
«Ätherleib » zu sprechen. Am Ende des achtzehnten und in der ersten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts war es allerdings nicht «unwissenschaftlich». Da sagte man sich, die Stoffe und Kräfte, die in einem Mineral wirken, können aus sich selbst heraus nicht sich zum Lebewesen gestalten. Diesem muß noch
eine besondere «Kraft» innewohnen, die man als «Lebenskraft» bezeichnete. Man stellte sich etwa vor, daß in einer Pflanze, in dem Tier, im Menschenleibe eine solche Kraft

De natuurkundige neme geen aanstoot aan het woord ‘etherlichaam’. ‘Ether’ betekent hier wat anders dan de hypothetische ether in de natuurkunde Men neme dit woord eenvoudig als benaming voor hetgeen hieronder beschreven wordt.
Enige tijd geleden beschouwde men het als hoogst
 onwetenschappelijk van een dergelijk ‘etherlichaam’ te spreken. Tegen het eind van de 18e en in de eerste helft van de 19e eeuw werd dat echter geenszins ‘onwetenschappelijk geacht. Men kwam toen tot de overweging, dat de stoffen en krachten, die in een mineraal werken, uit zichzelf dit mineraal niet tot een levend wezen kunnen vormen. Hierin zou nog een speciale kracht aanwezig moeten zijn, welke men levenskracht’ noemde. Men stelde zich ongeveer voor, dat een soortgelijke kracht als die, welke in de magneet de aantrekking veroorzaakt, in mens, plant en dier de levensverschijnselen

vert. 14

wirke und die Lebens er scheinungen hervorbringe, wie die magnetische Kraft in dem Magneten die Anziehung bewirkt. In der nachfolgenden Zeit des Materialismus ist eine solche Vorstellung beseitigt worden. Man sagte da, ein lebendiges Wesen baue sich in derselben Art auf wie ein sogenanntes lebloses; es herrschen im Organismus keine anderen Kräfte als im Mineral; sie wirken nur komplizierter; sie bauen ein zusammengesetzteres Gebilde auf. Gegenwärtig halten nur noch die starrsten Materialisten an dieser Ableugnung der «Lebenskraft» fest.
Einer Reihe von Naturdenkern haben die Tatsachen gelehrt, daß man doch so etwas annehmen müsse wie Lebenskraft oder Lebensprinzip.
So kommt auf diese Art die neuere Wissenschaft in einem gewissen Sinne dem nahe, was die Geisteswissenschaft in bezug auf den Lebensleib sagt. Doch ist ein erheblicher Unterschied zwischen beiden. Die gegenwärtige Wissenschaft kommt aus den Tatsachen der sinnlichen Wahrnehmung durch Verstandeserwägungen zu der Annahme einer Art Lebenskraft. Dies
ist aber nicht der Weg einer wirklichen Erforschung, von welcher die Geisteswissenschaft ausgeht, und aus deren Ergebnissen die letztere ihre Mitteilungen macht. 

maar dat deze alleen op een gecompliceerder wijze werken, dat ze een ingewikkelder  structuur opbouwen. Tegenwoordig houden alleen nog maar de meest verstokte materialisten vol, dat er geen ‘levenskracht’ bestaat. Een reeks van natuuronderzoekers heeft door ervaring geleerd, dat men toch genoodzaakt is zoiets als een levenskracht of levensbeginsel aan te nemen. Op deze wijze komt de nieuwere wetenschap in zekere zin nader tot hetgeen de geesteswetenschap met betrekking tot het levenslichaam te zeggen heeft. Maar toch bestaat er een belangrijk verschil. De tegenwoordige wetenschap komt door verstandelijke overweging op grond van zintuigelijk waarneembare feiten tot het aannemen van een soort levenskracht. Dit is echter niet de weg van een reëel onderzoek, waar de geesteswetenschap van uitgaat en waarvan zij de resultaten meedeelt.
GA 34/312-313
De opvoeding van het kind‘./13-14

Blz. 315   vert. 16

Diesen Äther- oder Lebensleib hat der Mensch mit Pflanzen und Tieren gemeinsam. Er bewirkt, daß die Stoffe und Kräfte des physischen Leibes sich zu den Erscheinungen des Wachstums, der Fortpflanzung, der inneren Bewegung der Säfte usw. gestalten. Er ist also der Erbauer und Bildner des physischen
Leibes, dessen Bewohner und Architekt. Man kann daher auch den physischen Leib ein Abbild oder einen Ausdruck dieses Lebensleibes nennen. In bezug auf Form und Größe sind beide beim Menschen annähernd, doch keineswegs ganz gleich. Beiden Tieren und noch mehr bei den Pflanzen unterscheidet sich aber der Ätherleib in bezug auf die Gestalt und Ausdehnung erheblich von dem physischen Leibe.

Dit ether- of levenslichaam heeft de mens met planten en dieren gemeen. Het bewerkstelligt, dat de stoffen en krachten van het fysieke lichaam zo tot een organisch geheel gevormd worden, dat de verschijnselen van groei, voortplanting, inwendige vloeistofbeweging enzovoort optreden. Het etherlichaam bouwt dus het fysieke lichaam op en geeft het zijn plastische vorm, het is zijn bewoner en tevens zijn architect. Daarom kan men ook zeggen, dat het levenslichaam zichzelf in het fysieke lichaam uitdrukt als in een beeltenis. Beide zijn bij de mens, wat betreft hun vorm en grootte, ongeveer, geenszins geheel en al, gelijk. Bij dieren en sterker nog bij planten verschillen vorm en afmeting van het etherlichaam aanmerkelijk van die van het fysieke lichaam.

Blz. 316  vert. blz. 18

Der Ätherleib ist eine Kraftgestalt; er besteht aus wirkenden Kräften, nicht aber aus Stoff.

Het etherlichaam is een gesloten complex van krachten, het bestaat niet uit materie, maar uit krachtwerkingen.
GA 34/316-318
De opvoeding van het kind‘./13-14

 

Lucifer-Gnosis

Lucifer-Gnosis

Über Vererbung von Anlagen und Fähigkeiten

Oktober 1904

Over het erven van aanleg en vaardigheden

Blz.  371

Unter Ätherkörper hat man den Träger aller Lebenserscheinungen (der Wachstums- und Fortpflanzungskräfte) zu verstehen. Alles, was damit zusammenhängt, ist unmittelbar zu vererben.

Onder etherlichaam moet je de drager van alle levensverschijnselen verstaan: de groei- en voortplantingskracht). Alles wat daarmee samenhangt, kan je direct erven.
GA 34/371
Niet vertaald

In ‘De opvoeding van het kind’ komt uitvoerig aan de orde: etherlijf en tandenwisseling.
De opmerking daarover staan hier.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Antroposofie: een inspiratie: over het etherlijf [1]   [2]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2818

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het etherlijf – inleiding

.

In de vertaalde uitgaven van Steiners werk komen we voor het Duitse ‘Ätherleib’ vrijwel altijd ‘etherlichaam’ tegen.
Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ons woord ‘lijf’ niet meer zo gangbaar klinkt.
Toch is het m.i. in de geest van Steiners opvattingen een betere vertaling dan ‘lichaam’. 
Voor dit laatste gebruikt Steiner vaak het woord ‘Körper’ waarmee hij in de meeste gevallen het puur fysieke lichaam bedoelt.
‘Körper’ – lichaam – verwijst meer naar de stoffelijke kant, ‘Leib’ meer naar ‘het leven’.

Hoewel Steiner in zijn geesteswetenschap net zo exact wil formuleren zoals dat in de natuurwetenschap gebeurt, wil hij zijn definities niet zo star geven dat deze niet ‘beweeglijk’ zouden mogen zijn.
We kunnen daarbij denken aan wat hij bijv. zegt over de idee driehoek: dat zijn alle driehoeken van gestrekte hoek over stompe, rechthoekige, scherpe, naar gestrekte:

Ich muß also, wenn ich den Menschen erfassen will, ihn in seiner Lebendigkeit erfassen. Und diese Lebendigkeit, die finde ich heute nur, wenn ich die ganze Welt verstehe und den Menschen aus der Welt heraus.
Das steht vor uns: es muß alles in bewegliches Erkennen übergehen. Vor allen Dingen müssen wir eigentlich schon in der Schule anfangen mit der Beweglichkeit. Es ist etwas Fürchterliches, wenn wir die Kinder im Unbeweglichen halten in der Schule. Es ist zum Beispiel mir immer schon etwas Schweres, daß die Kinder, sagen wir, irgendein fertiges Dreieck haben, mit dem sie alle möglichen Sachen machen. Dieses Stillstehende ist eigentlich nichts. Man müßte im Grunde genommen so etwas haben, wo das Dreieck verschiebbar ist. Darauf kommt es an, daß das Kind richtig die Vorstellung bekommt, daß das alles nur in Bewegung erfaßt werden soll (siehe Zeichnung).

Ik moet dus, wanneer ik de mens wil begrijpen, hem in zijn levenskracht begrijpen en die vind ik alleen, wanneer ik de hele wereld begrijp en de mens vanuit de wereld. Hier hebben we mee te maken: alles moet overgaan in een beweeglijk denken. Eigenlijk zouden we vooral op school al moeten beginnen met beweeglijkheid. Het is heel verfoeilijk als we de kinderen op school star laten. Ik vind het altijd heel moeilijk te verdragen dat de kinderen een of andere driehoek hebben en daarmee van alles doen. Wat zo vast staat, is eigenlijk niets. Je zou in principe zoiets moeten hebben waarbij de driehoek kan verschuiven. Het komt erop aan dat het kind er op een goede manier een voorstelling van krijgt, dat je alles in beweging moet leren begrijpen.

GA 218/103
Niet vertaald

Die beweeglijke begrippen ontwikkelt Steiner o.a. door te karakteriseren. Hij belicht zijn onderwerpen van verschillende kanten.
Hij houdt zijn toehoorders dat ook voor:

Was nach der einen Seite hoch ist, ist nach der anderen Seite niedrig, was nach der einen Seite niedrig ist, ist nach der anderen Seite hoch. Immer hat ein jegliches Ding im wirklichen Leben-in der Lebenswirklichkeit-seine andere Seite. Immer bedingt das eine das andere.

Wat naar de ene kant hoog is, is naar de andere kant laag en omgekeerd. Steeds heeft een ding in de werkelijkheid van het leven twee kanten. Steeds bepaalt het ene het andere.
GA 193/37
Niet vertaald

Man muß immer die Sache von allen möglichen Seiten kennenlernen wollen und niemals einverstanden da­mit sein, daß man sie nur von einer Seite kennengelernt hat.

Je moet altijd een zaak van alle mogelijke kanten willen leren kennen en het er nooit mee eens zijn dat je die maar van één kant hebt leren kennen.
GA 306/164
Op deze blog vertaald/164

Als je je dat voor ogen houdt, kun je makkelijker met de begrippen omgaan:

Der physische Körper’ – het fysieke lichaam – in de context van de materie.
Der physische Leib – ook vertaald met fysiek lichaam – meer in de context van het lichaam doortrokken van leven.
Ätherleib – etherlijf-: alles wat met het leven te maken heeft.

Wanneer Steiner over ‘de geboorten’ spreekt die met het begin van het leven, rond het 7e, 14e en 21e jaar plaatsvinden, heeft hij het over “Hüllen’ – omhulsels – wij hebben in het Nederlands in het woord ‘lichaam’, dit ‘hulsel’ ook nog in ‘ham’ – ‘lic-ham’ – het ‘dode hulsel’.
Zo kun je ook het etherlijf als omhulling zien: dan spreekt hij vaak over Ätherkörper’, ‘Astralkörper’. (zie bijv. GA 93A, al is het verschil niet bijzonder duidelijk). In GA 52 komt het woord ‘Ätherdoppelkörper’ voor; in de toelichting daar staat dan weer dat Steiner later het woord ‘etherlijf’ of ‘vormkrachtenlijf’ gebruikte.

In GA 53:

Der Mensch hat seine drei Hüllen, seine drei Körper: den
physischen Körper, den ätherischen Körper und den astralischen Körper.

De mens heeft zijn drie omhulsels, zijn drie lichamen: het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam.

Je zou er nog bij kunnen denken: die doortrokken zijn van ‘krachtencomplexen’ van (vormkrachten)leven, van zielenleven – Leib.

Dus, lees je vertalingen, kijk dan naar de context of ‘lichaam’ meer ‘lichamelijk’ bedoeld wordt, of juist meer naar het leven: Leib – lijf verwijst.

Bij het karakteriseren hoort ook dat er andere namen komen voor in principe hetzelfde.
Zo wordt ‘etherlijf’ ‘vormkrachtenlijf’ – al vind je in de vertalingen weer ‘lichaam’. 

Het ‘leven’ kunnen we niet zo waarnemen als een levenloos voorwerp. We kunnen het niet, zoals het fysieke lichaam, met de handen beetpakken.
Steiner zegt van zichzelf dat hij het leven als bovenzintuiglijke realiteit wél kon waarnemen. 
Hij deed daar mededelingen over.
Voor wie die helderziendheid niet heeft, blijft over wat hij vaak aanroert: de goede wil en het gezonde verstand om zich in te leven in deze niet direct waarneembare werkelijkheid. 

In deze reeks artikelen (nog niet oproepbaar) zal ik de uitspraken van Steiner over het etherlijf weergeven.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het etherlijf

Antroposofie: een inspiratie: over het etherlijf [1]   [2]

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2816

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 57

.

HET FYSIEKE LICHAAM

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis. ‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is. Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen. Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept. In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.   

In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven. Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten. n zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens. Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren.  Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd. Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft.  Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt.  Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

.

GA 57

Wo und wie findet man den Geist?


Waar en hoe vind je de gerest?

Voordracht 1, Berlijn 15 oktober 1908

Blz. 16

Den physischen Leib hat der Mensch mit allen Wesen der physischen Welt gemeinsam.

Het fysieke lichaam heeft de mens met alle wezens van de fysieke wereld gemeenschappelijk.

Denken wir, wir haben einen Menschen vor uns stehen, so haben wir zunächst den physischen Leib, insofern man ihn physisch sehen kann.

Als we een mens voor ons hebben staan, dan hebben we voor zover we hem kunnen zien, het fysieke lichaam voor ons. 
GA 57/16
Niet vertaald 

Voordracht 5, Berlijn 14 november 1908

Bibel und Weisheit II

Bijbel en wijsheid ll

Blz. 123

Wir werden es in den verschiedenen Stellen immer wieder hervorzuheben haben, daß der Mensch besteht aus den verschiedenen Gliedern seiner Wesenheit, daß wir in dem, was wir den physischen Leib nennen, nur einen Teil des Menschen vor uns haben [  ]

We zullen het op verschillende plaatsen steeds weer moeten zeggen dat de mens in zijn wezen uit verschillende delen bestaat en dat wij in wat we het fysieke lichaam noemen, maar een deel van de mens voor ons hebben.

Den physischen Leib hat der Mensch gemeinschaftlich mit den scheinbar leblosen Wesen, mit den Mineralien.

Het fysieke lichaam heeft de mens samen met de schijnbaar levenloze natuur, met de mineralen.
GA 57/123
Niet vertaald

Voordracht 7, Berlijn 17 december 1908

Ernährungsfragen im Lichte der Geisteswissenschaft

Voedingsvraagstukken in het licht van de geesteswetenschappen

Blz. 173

Wir müssen uns wieder über die vielgliedrige menschliche Wesenheit klarwerden. Für den Geistesforscher ist der Mensch nicht nur das physische Wesen, das man mit Augen sehen, mit Händen greifen kann, sondern dieser physische Leib ist nur ein Teil der menschlichen Wesenheit. Dieser physische Leib besteht allerdings aus denselben chemischen Stoffen, die in der Natur ausgebreitet sind.

We  moeten weer duidelijkheid krijgen over de vierledige mens. Voor degene die de geest zoekt, is de mens niet alleen maar het fysieke wezen dat je met je ogen kan zien, met je handen kan beetpakken, maar dit fysieke lichaam is maar een deel van het menselijk wezen. Dit fysieke lichaam bestaat in eerste instantie uit chemische stoffen die ook in de natuur te vinden zijn.
GA 57/173
Niet vertaald

Voordracht 11, Berlijn 18 februari 1909 

Die unsichtbaren Glieder der Menschennatur und das praktische Leben

De onzichtbare wezensdelen van de mens en het praktische leven

Blz. 269

Physischen Leib nennen wir das am Menschen, was er gemeinsam hat mit allen ihn umgebenden Wesen, was er mit der mineralischen Welt gemeinsam hat.

Fysiek lichaam noemen we bij de mens dat wat hij gemeenschappelijk heeft met alle wezens die hem omringen, met de minerale wereld. 

Man kann durchaus sagen, der Menschenleib ist ein komplizierter Mechanismus, wenn man Physisches und Chemisches mit in das Mechanistische hineinbeziehen will. 

Je kan zeer zeker zeggen dat het lichaam van de mens een gecompliceerd mechanisme is, als je het fysieke en chemische bij het mechanische wil betrekken.
GA 57/269
Niet vertaald

Den physischen Leib hat der Mensch gemeinsam mit allen Mineralien.

Het fysieke lichaam heeft de men gemeenschappelijk met al het minerale.
GA 57/271
Niet vertaald

Voordracht 12, Berlijn 4 maart 1909

Das Geheimnis der menschlichen Temperamente


Het geheim van de temperamenten

Blz. 285

wir kennen ihn als eine viergliedrige Wesenheit. Zuerst
kommt der physische Leib in Betracht, den der Mensch gemeinsam hat mit der mineralischen Welt.

We kennen de mens als een vierledig wezen. 
Eerst komt het fysieke lichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met de minerale wereld.
GA 57/285
Vertaald 

 

Algemene menskunde: voordracht 1 – over fysiek lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2815

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 56

.

HET FYSIEKE LICHAAM

In zijn pedagogische voordrachten roept Steiner veelvuldig op om ‘menskunde’ te studeren. Dat is immers voor zijn pedagogie – zijn onderwijsmethode – de basis. ‘Studeren’ is misleidend, want het gaat niet alleen om ‘kennis opdoen’, het gaat om veel meer: om een diep doorgronden wat de mens en vooral het opgroeiende kind voor wezen is. Hij doet daar veel mededelingen over vanuit zijn geesteswetenschappelijk perspectief en we weten dat de meesten van ons dat niet op deze manier hebben. We zijn dus aangewezen op deze mededelingen en moeten er een persoonlijke verbinding mee krijgen. Door deze mededelingen kan ons inzicht aanzienlijk worden verdiept. In onderstaand artikel vind je deze mededelingen over een van de wezensdelen die Steiner aan de mens waarneemt en wat voor ons het makkelijkste wezensdeel is omdat we er veel zelf van kunnen waarnemen: het fysieke lichaam.   

In dit artikel heb ik al enige opmerkingen van Steiner daarover gegeven. Nu volgen zijn gezichtspunten uit andere voordrachten. n zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens. Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren.  Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd. Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft.  Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt.  Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

.

GA 56

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Voordracht 3, Berlijn, 24. oktober 1907

Die Erkenntnis der Seele und des Geistes

Kennis van ziel en geest

Blz. 71

Das niederste Glied der menschlichen Wesenheit, das, was wir den physischen Leib oder den physischen Körper nennen, ist für uns in seiner wahren Wesenheit nichts anderes als Geist in der Form, in der er eben
auch vorhanden ist in der scheinbar leblosen Natur.

Het onderste* deel van het mensenwezen, dat wat wij het fysieke lijf of het fysieke lichaam noemen, is voor ons in zijn ware gedaante niets anders dan geest in de vorm waarin deze ook aanwezig is inde schijnbaar levenloze natuur. 

Nieder’ is laag. Dit ‘laag’ betekent niet ‘minderwaardig’ of inferieur. Het is ook niet ‘laag bij de grond’, ook letterlijk niet, want dan zou het bijv. om de benen kunnen gaan, wat niet het geval is. De meest reële opvatting lijkt mij: het dichtst bij de aarde, het meest verwant aan de aarde.

Blz. 72

Wir unterscheiden in der Geisteswissenschaft zunächst den physischen Leib des Menschen, dasjenige, was er an Stoffen und Kräften gemein hat mit der ganzen sogenannten leblosen Natur. In dem physischen Leib des Menschen sind dieselben Stoffe und dieselben Kräfte, die wir draußen in der mineralischen Welt finden.

Wij onderscheiden in de geesteswetenschap allereerst het fysieke lichaam van de mens, dat wat hij aan stoffen en krachten gemeenschappelijk heeft met de hele zogenaamde levenloze natuur. In het fysieke lichaam van de mens zitten dezelfde stoffen en krachten die we buiten in de minerale natuur vinden.
GA 56/71 e.v.
Niet vertaald

Voordracht 4, München 18 maart 1908 (i.p.v. Berlijn 14 november 1907)

Mann und Weib im Lichte der Geisteswissenschaft

Man en vrouw in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 93

Denn das, was man physisch-sinnlich am Menschen sieht, ist der Geisteswissenschaft nur ein Glied der ganzen Wesenheit, der physische Leib.

Wat men fysiek-zintuiglijk aan de mens ziet, is in de geesteswetenschap maar een onderdeel van het hele wezen van de mens, het fysieke lichaam.
GA 56/93
Niet vertaald 

Voordracht 7, Berlijn 9 januari 1908

Mann, Weib und Kind im Lichte der Geisteswissenschaft

Man, vrouw en kind in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 161

Nach der Geisteswissenschaft ist der physische Leib nur ein Kleid der
ganzen menschlichen Existenz.

Volgens de geesteswetenschap is het fysieke lichaam slecht een omhulsel van de totale menselijke existentie.
GA 56/1961
Niet vertaald

Voordracht 9, München s december 1907 (i.p.v. Berlijn 13 februari 1908)

Der Krankheitswahn im Lichte der Geisteswissenschaft

De waan van ziek te zijn in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 196

Für die Geisteswissenschaft ist das, was uns entgegentritt, nur ein Äußeres. Der menschliche Leib ist ein Glied unter anderen Gliedern der menschlichen Wesenheit, das er gemein hat mit allen andern ihn umgebenden Wesen.

Voor de geesteswetenschap is dat wat we onder ogen komen, slechts iets uiterlijks. Het menselijk lichaam is een deel naast andere delen van het mensenwezen, dat het gemeenschappelijk heeft met andere wezens die hem omringen.
GA 56/196
Niet vertaald

voordracht 10, München 5 december 1907, i.p.v. Berlijn 27 februari 1908

Das Gesundheitsfieber im Lichte der Geisteswissenschaft

Koortsachtig streven naar gezondheid in het licht van de geesteswetenschap

Blz. 213

Der physische Leib ist nur ein Teil der menschlichen Wesenheit. Diesen hat er gemeinschaftlich mit der ganzen leblosen Natur.

Het fysieke lichaam is maar een deel van de het menselijk wezen. Dit heeft hij gemeenschappelijk met de hele levenloze natuur.
GA 56/213
Niet vertaald

Voordracht 14, Berlijn 16 april 1908

Die Hölle

De hel

Blz. 298

Der Mensch nimmt seine physische Umwelt dadurch wahr, daß er Organe hat, Augen und Ohren.

De mens neemt zijn fysieke omgeving waar doordat hij organen heeft, ogen en oren.
GA 56/298
Niet vertaald

In GA 54 omschrijft hij dit wat uitgebreider:

Machen wir uns einmal klar: Wir sehen um uns herum Farben, Licht, wir hören Töne, riechen Gerüche, schmecken Geschmäcke, greifen Gegenstände, fühlen Wärme und Kälte und so weiter, alles das durch unsere äußeren Sinnesorgane. 

Om ons heen zien we kleuren, licht, we horen klanken, ruiken geuren, proeven smaken, pakken voorwerpen beet, voelen warmte en kou enz., en dat allemaal door onze uiterlijke zintuigen. 

( ) Aber die Sinne bestehen aus stofflichen Kräften, die der Erde wieder übergeben werden. Und was wir durch sie wahrnehmen, ist auch ein Vergängliches. Wir haben damit den vergänglichen Menschen uns vor Augen geführt.

Maar de zintuigen bestaan uit stoffelijke krachten die weer aan de aarde worden teruggeven. En wat we ermee waarnemen, is ook iets vergankelijks. 
Hiermee hebben we de vergankelijke mens voor ons.
GA 54/159
Niet vertaald

Der physische Leib ist ein Apparat von physischen Stoffen, von physischen und chemischen Kräften.

Het fysieke lichaam is een apparaat van fysieke stoffen, van fysische en chemische krachten.

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over fysiek lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2813

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het fysieke lichaam – GA 59

.

OVER HET FYSIEKE LICHAAM
.

In zijn voordrachten heeft Steiner veelvuldig gesproken over de wezensdelen van de mens.
Telkens heeft hij ons voorgehouden dat we, wanneer we iets van een onderwerp willen begrijpen, dit van allerlei kanten moeten benaderen. Dat we veel kunnen leren van het in-tegenstellingen-denken; dat we niet moeten definiëren – dat is de dood in de pot – maar moeten karakteriseren. 
Wat ik hier nu doe, is in wezen in strijd met die aanwijzingen: ik heb a.h.w. ‘definitie-achtig’ Steiners karakteriseringen opgesomd.

Maar Steiner gaf ook veelvuldig aan dat wat hij geesteswetenschap noemt, net zo exact wil beschrijven als de natuurwetenschap haar onderwerpen beschrijft. 

Wat ik nu doe met ‘het fysieke lichaam’ is, benadrukken wat Steiner daar precies mee bedoelt. 
Door zijn vele karakteriseringen ontvouwt zich toch a.h.w. een uitgebreide, genuanceerde definitie. En die (of dat) hebben we nodig wanneer we zo precies mogelijk over de wezensdelen willen spreken.

GA 59

Metamorphosen des Seelenlebens
Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel
Ervaringen van de ziel

Voordracht 10, Berlijn 10 januari 1910

Die Geisteswissenschaft und die Sprache

Geesteswetenschap en spraak

Blz. 13

Für die Geisteswissenschaft ist der Mensch im Grunde genommen ein sehr kompliziertes Wesen. So wie er vor uns steht, hat er zunächst seinen physischen Leib, der in sich dieselben Gesetze und Substantialitäten hat, die wir auch in der mineralischen Welt finden.

Voor de geesteswetenschap is de mens in de grond van de zaak een zeer gecompliceerd wezen. Zoals hij voor ons staat, heeft hij in eerste instantie zijn  fysieke lichaam dat in zich dezelfde wetten en substanties heeft, die we ook in de minerale wereld vinden.
GA 59/13
Niet vertaald

Voordracht 11, Berlijn, 3. februari 1910

Lachen und Weinen

Lachen en huilen

Blz. 44

Wir haben gesehen, wie sich der Mensch uns darstellt, wenn wir ihn in seiner vollständigen Wesenheit betrachten, bestehend aus seinem physischen Leib, den er gemeinschaftlich hat mit der ganzen mineralischen Natur.( )

We hebben gezien hoe de mens zich aan ons vertoont, wanneer wij hem als volledig wezen bekijken, bestaand uit zijn fysieke lichaam, dat hij gemeenschappelijk heeft met de hele minerale wereld. ( )
GA 59/44
Niet vertaald

Voordracht 14, Berlijn, 3 maart 1910 

Krankheit und Heilung

  Ziekte en genezing

Blz. 136

Die(se) Gesamtnatur (des Menschen) haben wir schon öfter hier so dargestellt, daß sie sich zusammensetzt aus den realen vier Gliedern des menschlichen Wesens: erstens aus dem physischen Leib, den der Mensch gemeinschaftlich hat mit allen mineralischen Wesen seiner Umgebung, welche ihre Formen von den ihnen innewohnenden physischen und chemischen Kräften und Gesetzen haben.

De mens als totaliteit hebben we hier al vaker zo ten tonele gevoerd, dat die totaliteit bestaat uit vier werkelijke delen: ten eerste: het fysieke lichaam dat de mens gemeenschappelijk heeft met al het minerale uit zijn omgeving dat zijn vorm krijgt door de daarin werkende fysieke en chemische krachten en wetten.
GA 59/136
Niet vertaald

Den physischen menschlichen Leib haben wir vor uns, wenn wir den Menschen,
wenn wir uns selber von außen betrachten. Die äußeren physischen Sinnesorgane können wahrnehmen, was wir als physischen Menschenleib bezeichnen. Mit dem an diese physischen Organe gebundenen Denken, das heißt mit jenem Denken, das an das Instrument des Gehirns gebunden ist, können wir diesen physischen Leib des Menschen begreifen. Er zeigt sich uns daher, wenn wir ihn von außen betrachten.

Het fysieke menselijke lichaam hebben we voor ons, wanneer wij de mens, wanneer wij onszelf van buiten waarnemen. De uiterlijke fysieke zintuigen kunnen waarnemen wat wij als fysiek mensenlichaam benoemen. Met het denken dat aan de fysieke organen is gebonden, d.w.z. met het denken dat aan het instrument van de hersenen is gebonden, kunnen we dit fysieke lichaam van de mens begrijpen. Zo vertoont het zich aan ons, wanneer we het van buiten bekijken.
GA 59/137
Niet vertaald

Voordracht 16 Berlijn, 28 april 1910 

Irrtum und Irresein

Van het pad af en de weg kwijt

Blz. 214

Wir unterscheiden an dem äußeren Menschen zunächst dasjenige Glied, das
wir mit physischen Augen sehen, mit Händen greifen können: den physischen Leib.

We onderscheiden aan de uiterlijke mens in eerste instantie dat wezensdeel dat wij met fysieke ogen zien, met handen kunnen beetpakken: het fysieke lichaam.
GA 59/214
Niet vertaald

.

Algemene menskunde: voordracht 1 – over het fysieke lichaam

Algemene menskunde: voordracht 1 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-5)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 202-204 van de vertaling**

Op bladzij 202 van de vertaling stelt Steiner een paar eisen aan het onderwijs aan de beginnende puber. [14-4]
Dat is a.h.w. een opmaat naar nog een paar eisen.

Blz. 202   vert. 202

Das aber wirft ein Licht auf die Art, wie der Lehrer selber sein muß.

En dat werpt een licht op hoe een leraar moet zijn.

Er darf in keinem Momente seines Lebens versauern.

Hij mag nooit ofte nimmer een zuurpruim worden.

En meteen daarbij:

Und zwei Begriffe gibt es, die nie zusammenpassen, wenn das Leben gedeihen soll, das ist Lehrerberuf und Pedanterie.

En er zijn twee dingen die niet samengaan in een beweeglijk leven: dat zijn leraarschap en pedanterie.

Blz. 202    vert. 203

En dan spreekt Steiner ons aan op ‘een soort innerlijke moraal van het lesgeven, een innerlijke verplichting’.
Dat heeft m.i. te maken met ‘voel je je geroepen’ tot dit werk, m.a.w. is dit je ‘beroep’, of heb je ‘een baantje?
Voel je je diep verbonden met de kinderen of ‘draai je een klas?’

Blz. 202  vert. 203

Sie sehen daraus auch, daß es eine gewisse innere Moralität des Unterrichtens gibt, eine innere Verpflichtung des Unterrichtens. Ein wahrer kategorischer Imperativ für den Lehrer! 

U ziet, er bestaat een soort innerlijke moraal van het lesgeven, een innerlijke verplichting. Een ware categorische imperatief voor de leraar!

Steiner gebruikt hier een opvatting van Kant, wiens werk hij zeer goed kende, ‘de categorische imperatief’.
“(de categorische imperatief) … betreft niet de materie van de handeling en hetgeen er uit moet volgen, maar de vorm en het principe waaruit zij zelf voorkomt en het wezenlijk goede ervan bestaat in de gezindheid, wat ook het resultaat moge zijn. Deze imperatief kan die van de zedelijkheid genoemd worden.”

En opnieuw: de fantasie:

Und dieser kategorische Imperativ für den Lehrer ist der: Halte deine Phantasie lebendig.

En deze categorische imperatief is: houd je fantasie levend.

Und wenn du fühlst, daß du pedantisch wirst, dann sage: Pedanterie mag für die anderen Menschen ein Übel sein – für mich ist es eine Schlechtigkeit, eine Unmoral! – Das muß Gesinnung für den Lehrer werden.
Wenn es nicht Gesinnung für den Lehrer wird, dann, meine lieben Freunde, dann müßte eben der Lehrer daran denken, dasjenige, was er für den Lehrerberuf sich erworben hat, für einen anderen Beruf im Leben nach und nach anwenden zu lernen. Natürlich können diese Dinge im Leben nicht dem vollen Ideal gemäß durchgeführt werden, aber man muß das Ideal doch kennen.

En voel je dat je pedant wordt, zeg dan tegen jezelf: pedanterie mag van anderen een slechte eigenschap zijn, voor mij is het uit den boze, ethisch onverantwoord. – Dat moet de instelling van de leraar worden. Wordt het dat niet, beste vrienden, dan moet de leraar er maar eens over denken zijn capaciteiten langzamerhand in een ander beroep in praktijk te brengen. Natuurlijk kunnen deze dingen in het leven niet ideaal verlopen, maar men moet het ideaal toch kennen.

Waarschijnlijk omdat Steiner in deze voordracht aan het begin over hoofd, borst en ledematen sprak, koppelt hij daaraan dat we enthousiast moeten zijn voor de pedagogische moraal, we moeten doordrongen zijn van dat fundamentele inzicht. Maar hier had hij natuurlijk vele andere aspecten kunnen noemen waarvoor we enthousiast moeten zijn. Eigenlijk geldt dat voor alle achtergronden die wij in de vrijeschoolpedagogie nodig hebben!

En geldt dit niet voor alle inzichten?:

Blz. 203  vert.  203

Wenn Sie dieses Fundamentale anwenden, dann bekommen Sie aus diesem Fundamentalen heraus jene innere Kraft, die Ihnen durchdringen kann Ihre pädagogische Moral mit dem nötigen Enthusiasmus.

Wanneer u dit fundamentele inzicht in praktijk brengt, dan krijgt u daaruit de innerlijke kracht die het nodige enthousiasme kan brengen in uw pedagogische moraal.

We  moeten het inderdaad ruimer zien:

Dasjenige, was der Mensch als Intellektualität ausbildet, das hat einen starken Hang, träge, faul zu werden. Und es wird am faulsten, wenn der Mensch es nur immer fort und fort speist mit materialistischen Vorstellungen. Es wird aber beflügelt, wenn der Mensch es speist mit aus dem Geiste gewonnenen Vorstellungen. Die bekommen wir aber nur in unsere Seele hinein auf dem Umweg durch die Phantasie.

Het intellectuele dat de mens ontwikkelt, heeft sterk de neiging lui te worden. En het wordt het meest lui wanneer de mens het steeds maar weer voedt met materialistische voorstellingen. Maar het krijgt vleugels wanneer de mens het voedt met voorstellingen uit de geestelijke wereld. En die dringen tot onze ziel door via de fantasie.

Nog steeds gaat het over de fantasie die Steiner hier – het is zijn tijd – verdedigt tegen de tijdgeest, die in de fantasie ‘onwaarheid’ ziet.
M.a.w. leerkrachten die wél de fantasie als een zeer reële kracht zien voor de opvoeding [14-4] moeten in die tijd tegen de stroom oproeien.
En daarvoor is moed nodig!

Blz. 203    vert. 204

Man hatte nicht den Mut, selbständig zu sein, frei zu sein im Denken und dennoch der Wahrheit sich zu vermählen statt der Unwahrheit. Man fürchtete, sich frei zu bewegen im Denken, weil man glaubte, dann würde man gleich die Unwahrheit in seine Seele aufnehmen. 

Men had niet de moed zelfstandig te zijn, vrij te zijn in zijn denken en toch met de waarheid in zee te gaan in plaats van met de onwaarheid. Men had angst om zich vrij te bewegen in zijn denken, omdat men meende dat men dan dadelijk ook de leugen in zijn ziel zou opnemen.

En dan is daar de oproep om ‘de moed tot waarheid’ te hebben:

So muß der Lehrer zu dem, was ich eben gesagt habe, zu dem phantasievollen Durchdringen seines Unterrichtsstoffes, hinzufügen Mut zur Wahrheit. Ohne diesen Mut zur Wahrheit kommt er mit seinem Willen im Unterrichte, insbesondere bei den größer gewordenen Kindern, nicht aus. Das, meine lieben Freunde, was sich als Mut zur Wahrheit entwickelt, muß aber auch gepaart sein auf der anderen Seite mit einem starken Verantwortlichkeitsgefühl gegenüber der Wahrheit.

De leraar moet daarom niet alleen de leerstof doordrenken met fantasie, wat ik daarnet vertelde, maar daarbij ook de moed tot waarheid ontwikkelen. Zonder deze moed tot waarheid kan hij met zijn wil in het onderwijs niets beginnen -zeker niet bij grotere kinderen. De ontwikkeling van deze moed tot waarheid moet bovendien gepaard gaan met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de waarheid.

De ontwikkeling van deze moed tot waarheid moet bovendien gepaard gaan met een sterk verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van de waarheid.’
Dit gezichtspunt komt vaak bij naar voren als er in het onderwijsveld iets moet van hogerhand, terwijl dat volledig in strijd is met de inzichten waarop de vrijeschoolpedagogie gebouwd is. En waarom er dan niets zichtbaar wordt vanuit de vrijescholen aan moed ‘om dit niet te accepteren’. 

Om idealen te verwezenlijken heb je veel moed nodig. Schiller zei eens:

Und setzet ihr nicht das Leben ein, nie wird euch das Leben gewonnen sein‘.
En wanneer je je leven niet inzet, zal je nooit het leven winnen.

Voor ‘het leven’ kun je m.i. van alles invullen. In ons geval zou dat bijv. ‘echte vrijheid van onderwijs’ kunnen zijn.

Steiner komt dan bij een soort kern die in de pedagoog verankerd moet zijn:
de kwintessens van de pedagogie:

Blz. 204  vert. 204

Phantasiebedürfnis, Wahrheitssinn, Verantwortlichkeitsgefiihl, das sind die drei Kräfte, die die Nerven der Pädagogik aind. Und wer Pädagogik in sich aufnehmen will, der schreibe sich vor diese Pädagogik als Motto:

Durchdringe dich mit Phantasiefähigkeit,
habe den Mut zur Wahrheit,
schärfe dein Gefühl für seelische Verantwortlichkeit.

Behoefte aan fantasie, zin voor de waarheid en verantwoordelijkheidsgevoel – dat zijn de drie krachten die de kwintessens van de pedagogie zijn. En wie zich deze pedagogie eigen wil maken, die schrijve er als motto boven:

doordring jezelf met fantasiekrachten,
heb de moed tot waarheid,
scherp je gevoel voor individuele verantwoordelijkheid.

Aan het einde van de cursus sluit Steiner af met een toespraak. Wat hij hierboven aanstipte, komt daarin weer terug. [Zie 14-5/1] nog niet oproepbaar.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2772

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-4)

.

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 201/202 van de vertaling**

Omdat het astraallijf nog niet is geboren, is het eigenlijk nog niet mogelijk om het kind te laten voelen wat liefde van het ene geslacht voor het andere is. (Ik gebruik het woord ‘geslacht’ in de traditionele zin en zie af van wat er in deze tijd nog meer onder verstaan zou kunnen worden, te meer omdat bovenstaande in elke situatie blijft gelden.

In de ontluikende ziel gebeurt ‘van nature’ iets:

Blz. 198  vert. 201:

[in andere woordvolgorde]:
(  ) es kündigt sich an alles dasjernige was die Seele entwickelt am Ende der Volksschuljahre vom zwölften, dreizehnten, vierzehnten und fünfzehnten Lebensjahre an. 

Aangekondigd wordt alles wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt.

En waarin kondigt zich dat aan:

( ) in alledem, was Phantasietätigkeit ist und was von innerer Wärme
durchzogen ist, 

in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is,

En wat zien we daaraan:

Da tritt ganz besonders hervor alles dasjenige, was an seelischen Fähigkeiten darauf angewiesen ist, von innerer seelischer Liebe durchströmt zu werden

Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden [het Duits heeft het ‘sterker’: erop aangewezen zijn!] van een innerlijke liefde,
dat wil zeggen,

das heißt also dasjenige, was als Phantasiekraft sich zum Ausdruck bringt. 

alles wat zich als fantasiekracht manifesteert.

Even appelleert Steiner aan wat er rond het 7e jaar gebeurt: daar hebben we het verschijnsel van het lichamelijk tanden krijgen: geboorte van het etherlijf, hier wordt het astraallijf geboren – de vergelijking dat ‘de ziel tanden krijgt’.

En zoals de geboren zijn van het etherlijf mogelijk maakt dat het kind nu kan gaan schrijven en lezen, zo moet bij het ‘geboorteproces van de ziel’ de fantasie gebruikt worden als ‘kraamhulp’.

Die Kraft der Phantasie, an sie müssen wir appellieren insbesondere in den letzten Jahren des Volksschulunterrichts.

Aan de fantasiekracht moeten we met name in de laatste jaren van de lagere school appelleren.

Opmerkelijk is nog dat Steiner hier wat er met de puberteit gaat gebeuren, belangrijker vindt dan wat er met lezen en schrijven gebeurt: 

Wir dürfen dem Kinde viel mehr zumuten, wenn es durch das siebente Jahr in die Volksschule eintritt, an Schreiben und Lesen die Intellektualität zu entwickeln, als wir unterlassen dürfen, in die herankommende Urteilskraft – denn die Urteilskraft kommt dann langsam heran vom zwölften Jahr ab – die Phantasie fortwährend hineinzubringen.

We mogen van een kind van zeven jaar nog eerder verlangen dat het zijn intellect ontwikkelt door middel van schrijven en lezen, dan we mogen nalaten om in het ontluikend oordeelsvermogen – dat dan langzamerhand vanaf het twaalfde jaar manifest wordt — voortdurend fantasie te brengen.

In de tijd waarin Steiner dit uitsprak was het de bedoeling dat de vrijeschool een ‘totaalschool’ moest worden: een ‘Gesamtschule’ d.w.z. een school(gebouw) met daarin de kleuters gevolgd door de klassen 1 t/m 12.
De klassen 1 t/m 8 vormden de onderbouw, klas 9 t/m 12 de bovenbouw.
De oudste scholen in Nederland, bijv. Den Haag, konden dit nog realiseren. De klassenleerkracht was dat gedurende 8 jaar.
Toen in kleinere plaatsen ook vrijescholen werden opgericht, waren er voor een bovenbouw te weinig leerlingen en deze waren dan aangewezen op grotere plaatsen ‘in de buurt’. Zo gingen begin jaren 1990 bijv. de kinderen uit Tiel naar de bovenbouw in Nijmegen.
De wetgever stond toen nog toe dat de onderbouwen t/m klas 7 mochten doorgaan.
Toen ook dat werd afgeschaft, ging de 7e klas bij de bovenbouw horen.
Tegelijkertijd eiste de wetgever d.m.v. toetsen een bepaald niveau -l ees: intellectuele kennis – en dat heeft ertoe geleid dat wat Steiner hier voor die leeftijd aan fantasiekracht vraagt, onder druk is komen te staan.
Dat geldt in nog hogere mate voor de 7e (en 8e klas) die – nu bij de middelbare school horend – ‘in de verte’ het examen al zien aankomen.
Voeg daarbij dat veel nieuwe bovenbouwleerkrachten uit de traditie stammen van ‘doceren’ en je kan ook in die context opmerken dat ‘het appelleren aan de fantasiekrachten’ in deze belangrijke levensfase onder grote druk staat.

Die Phantasie des Kindes anregend, so müssen wir an das Kind heranbringen alles dasjenige, was es in diesen Jahren lernen muß; so müssen wir an das Kind alles heranbringen, was zum geschichtlichen, zum geographischen Unterricht gehört.

Alles wat het kind in die jaren moet leren, bijvoorbeeld van geschiedenis of van aardrijkskunde, moeten we zo vorm geven dat het de fantasie aanspreekt.

In de Algemene menskunde heeft Steiner eigenlijk geen concrete lesvoorbeelden gegeven. Wél in de aansluitende cursussen op die dagen.
Hier vindt hij het kennelijk zo belangrijk dat hij twee voorbeelden geeft:

Und auch dann appellieren wir ja eigentlich an die Phantasie, wenn
wir zum Beispiel dem Kinde beibringen: Sieh, du hast gesehen die
Linse, die Sammellinse, welche das Licht ansammelt; solch eine Linse
hast du in deinem Auge. Du kennst die Dunkelkammer, in der äußere
Gegenstände abgebildet werden; solch eine Dunkelkammer ist dein
Auge. 

Het volgende voorbeeld moge het appelleren aan de fantasie verduidelijken. We kunnen tegen een kind zeggen: kijk, je hebt die lens gezien, een bolle lens die het licht bundelt. Zo’n lens heb je ook in je oog. Je kent de donkere kamer waarin voorwerpen worden afgebeeld. Zo’n donkere kamer is je oog ook.

Auch da, wenn wir zeigen, wie hineingebaut ist die äußere Welt durch die Sinnesorgane in den menschlichen Organismus, auch da appellieren wir eigentlich an die Phantasie des Kindes. Denn dasjenige, was da hineingebaut ist, es wird ja nur in seiner äußeren Totheit gesehen, wenn wir es aus dem Körper herausnehmen; das können wir ja am lebenden Körper nicht sehen.

 Ook wanneer we laten zien hoe de buitenwereld ingebouwd is in het menselijk organisme door de zintuigen, appelleren we eigenlijk aan de fantasie van het kind. Want wat in het lichaam ingebouwd is, dat zien we immers alleen in fysieke, dode vorm, wanneer we het uit het lichaam halen. Dat kunnen we aan het levende lichaam niet zien.

Ebenso muß der ganze Unterricht, der dann erteilt wird in bezug auf Geometrie, sogar in bezug auf Arithmetik, nicht unterlassen, an die Phantasie zu appellieren. Wir appellieren an die Phantasie, wenn wir uns immer bemühen, so wie wir es versucht haben im praktischdidaktischen Teil, dem Kinde Flächen nicht nur für den Verstand begreiflich zu machen, sondern die Flächennatur wirklich so begreiflich zu machen, daß das Kind seine Phantasie anwenden muß selbst in der Geometrie und Arithmetik.

Het hele onderwijs in de meetkunde, ja zelfs in het rekenen, moet appelleren aan de fantasie. We appelleren aan de fantasie wanneer we altijd proberen om een kind niet alleen via zijn verstand bij te brengen wat vlakken zijn, maar ook zo, dat het zijn fantasie moet gebruiken — zelfs bij meetkunde en rekenen; we hebben hierover in de praktisch-didactische besprekingen gesproken. 

Steiner had al over de stelling van Pythagoras gesproken en voorbeelden gegeven van een fantasievolle aanpak.
Als tweede voorbeeld voegt hij er nog manier aan toe. Zie Rudolf Steiner over meetkunde [nog niet oproepbaar]

Na dit voorbeeld merkt hij op:

Blz. 201/202  vert. 203

So muß man fortwährend darauf Rücksicht nehmen, daß insbesondere in diesen Jahren noch anregend ausgebildet werden muß, was, die Phantasie gebärend, von dem Lehrer auf den Schüler übergeht.

Zo moet men er steeds rekening mee houden dat de leraar vooral in deze jaren de lesstof bezield vormgeeft en overdraagt op de leerlingen, zodat de fantasie gewekt wordt.

Der Lehrer muß in sich selber lebendig erhalten den Unterrichtsstoff, muß
ihn mit Phantasie durchdringen. Das kann man nicht anders, als
indem man ihn durchdringt mit gefühlsmäßigem Willen. 

De leraar moet de lesstof in zichzelf levend houden en met fantasie doordringen. Dat gaat alleen wanneer men de lesstof met een gevoelsmatig willen doordringt.

Dat laatste zou je, gezien bijv. voordracht 2, wanneer het om de fantasie gaat, gerust, ‘warm lopen voor de stof’ kunnen noemen. Er enthousiast voor zijn, ook over de manier waarop je het gaat brengen. Je een tijdje van te voren, wanneer je je op de les voorbereidt, of de avond ervoor, verheugen over hoe het – hopelijk – toegaat, ook een eventuele spanning of het wel gaat lukken, hoort bij die warme betrokkenheid. 

Das wirkt manchmal noch in späteren Jahren ganz merkwürdig.

Dat werkt soms tot in latere jaren nog heel opmerkelijk door.
De vertaling heeft: Dat werkt soms in latere jaren nog heel merkwaardig.

Ik weet niet wat Steiner hier precies bedoelt. Bij mij kwamen herinneringen boven aan leerkrachten – al van de basisschool, maar vooral ook uit het middelbaar en hogere onderwijs – die het enthousiasme voor hun vak uitstraalden.
Hoe de 5e-klasleerkracht in de geschiedenisles over Grote Pier vertelde – en in zijn vertellen Grote Pier even wás – de natuurkundeleraar die met verve en humor zijn proeven aan ons toonde – de lerares Nederlands die ons in haar enthousiasme voor gedichten aan het declameren kreeg; ieder jaar, als de prunus weer in bloei staat, zie en hoor ik haar (en mezelf) het gedicht van Garmt Stuiveling aanheffen: ‘Onverwacht en plotseling stond de prunus deze morgen’…..
Dat ik dat nog na meer dan 50, 60 jaar weet als de dag van gisteren, mag toch opmerkelijk worden genoemd.

En dan vraagt Steiner nog iets van ons ter wille van de leerling:

Was gesteigert werden muß in den letzten Volksschulzeiten, was ganz besonders wichtig ist, das ist das Zusammenleben, das ganz zusammenstimmende Leben zwischen dem Lehrer und den Schülern.

Wat in de laatste jaren van de lagere school geïntensiveerd moet worden, wat heel belangrijk is, dat is het samenleven, het op elkaar afgestemd zijn van leraar en leerlingen.

En zijn conclusie liegt er niet om:

Daher wird keiner ein guter Volksschullehrer werden, der nicht sich immer wiederum bemüht, phantasievoll seinen ganzen Lehrstoff zu gestalten, immer neu und neu seinen Lehrstoff zu gestalten.

Iemand die niet probeert steeds weer zijn lesstof fantasierijk vorm te geven, de vorm steeds weer te vernieuwen, zal geen goede onderwijzer worden.

Als je in je ‘eerste rondje’ dingen hebt gedaan die de kinderen en jij! fijn vonden, die succes hadden enz. ben je geneigd om die in je volgende rondjes ook te doen. Bovendien heb je allerlei aantekeningen gemaakt waardoor je lang niet meer zoveel tijd en energie nodig hebt om je lessen te maken. Dus ligt er een gevaar op de loer, waar Steiner hier al op duidt:

Denn in der Tat, es ist so: wenn man dasjenige, was man einmal phantasievoll gestaltet hat, nach Jahren genau so wiedergibt, dann ist es verstandesmäßig eingefroren. Die Phantasie muß notwendig fortwährend lebendig erhalten werden, sonst frieren ihre Produkte verstandesmäßig ein.

Want het is echt zo: als men dat wat men ooit fantasierijk vorm heeft gegeven jarenlang precies zo vasthoudt, dan is het vastgeroest. De fantasie moet steeds beweeglijk blijven, anders roesten haar producten vast in het verstand, vriezen verstandelijk in.

Dat brengt Steiner op nog andere eisen die hij aan de leerkrachten stelt.
Zie daarvoor [14-5] nog niet oproepbaar.

.
Voorbeelden van fantasievolle meetkunde 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2769

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-3-1)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald**

Enkele gedachten bij blz. 200/201 van de vertaling**

De voortplantingsorganen als de ledematen van de romp

Zoals de romp naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, waaruit het strottenhoofd zich ontwikkelt, zo heeft de romp naar beneden toe de neiging om ledematen te worden. Boven ontstaat van binnenuit “een verfijnd hoofd” (blz. 200) en dat is de taal. Het onderste deel van de romp is daarvan de tegenpool: “Wat de buitenwereld als het ware invoegt in de mens is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen.” (blz. 200) Dat zijn de voortplantingsorganen.

Heel wat fenomenen tonen de verwantschap van de voortplantingsorganen met het ledematenstelsel aan.
Ten eerste valt op te merken dat in de vierde tot zesde week van de embryonale fase de genitaliën zich beginnen te vormen op de plaats tussen de zich vormende benen. Op dat moment is er nog geen onderscheid in geslacht.
Ten tweede valt op dat ledematen en voortplantingsorganen zich parallel in de tijd ontwikkelen. In de puberteit komen de voortplantingsorganen en de secundaire geslachtskenmerken tot rijpheid en tevens versnelt de groei van de ledematen, eveneens van buiten naar binnen. Eerst groeien de voeten, dan de onderbenen en ten slotte de dijbenen. Zowel bij de geslachtsorganen als bij de geslachtscellen bestaat een duidelijk gearticuleerd bewegingsaspect, ook in het vrouwelijke organisme.

Bij de eisprong verlaat de eicel de eierstok en komt zij in de buikholte. Opdat ze niet verloren zou gaan, wordt ze onmiddellijk bij het openbarsten van de follikel van De Graaf opgevangen. Maar dit gebeurt telkens op een andere plaats op de eierstok. Het trechtervormige uiteinde van de eileider tast de eierstok af om exact te kunnen vaststellen waar zich een verdikking voordoet. Op die plaats groeit immers de follikel van binnen aan tot deze door de eierstokwand breekt en de eicel loskomt. Dit gebeurt elke maand, afwisselend aan de linker- en rechtereierstok.

Aan de hand van een voorbeeld kun je je de bewegingsmogelijkheden van de eileider beter voorstellen. Een vrouw kreeg de diagnose dat haar rechtereierstok onproductief was en haar linkereileider niet functioneerde. In weerwil van deze sombere prognose werd ze zwanger. De rechtereileider had namelijk bij de linkereierstok de losgekomen eicel opgevangen.

Nog een opmerkelijk detail: de binnenkant van de eileider is dicht bedekt met trilhaartjes. Ze kunnen synchroon bewegen, zoals halmen in de wind. Zo dragen ze de eicel als ‘een koningin in de koets’ naar de baarmoeder. De bevruchting gebeurt onderweg.

Deze biologische aspecten van verwantschap tussen ledematen en voortplantingsorganen kun je aanvullen met zielen- en geestelijke aspecten. Typisch voor de ledematen is de betrokkenheid bij de wereld. De wereld nodigt uit tot handelen en de intelligentie van de ledematen bestaat erin zo efficiënt mogelijk op de uitdagingen in te gaan. Bijvoorbeeld: van een tandtechnicus verwacht je dat hij met uiterst fijne vingerbewegingen een implantaat heel precies modelleert. Het gevoelig samenspel van botten, spieren en zintuigen maakt dit mogelijk. En dit alles zonder dat er eigen wensen of voorkeuren binnensluipen, maar volledig objectief aan de eisen van de buitenwereld beantwoordend. Als je tegen deze achtergrond de voortplantingsorganen als delen van het ledematenstelsel bekijkt, zie je hun karakter. Het zijn organen die gericht zijn op de ontmoeting met de partner. De vrouwelijke en de mannelijke organen zijn complementair: de vrouwelijke zijn meer met de inwendige stofwisseling verbonden, en het mannelijke lid – alleen al de benaming verwijst naar de samenhang met de ledematen – is sterker naar buiten gericht. Ze zijn betrokken bij de wereld, want de mogelijkheid bestaat dat door hen kinderen op de wereld komen.

Er zijn evenwel significante verschillen tussen de geslachtsorganen en de ledematen. In tegenstelling tot de armen en handen, benen en voeten is er bijna geen bot maar veel meer bloed, wat samenhangt met een hoge gevoeligheid. Dat betekent dat hun werking met een lustvolle zelfbeleving gepaard gaat. Dat is wellicht de reden waarom Rudolf Steiner de geslachtsorganen karakteriseert als “een verdichte, grovere vorm van de ledematen” (blz. 200), wat als gevaar verbonden is met seksualiteit, namelijk het loskoppelen uit de inbedding in een integraal menselijk ontmoetingsgebeuren en de reductie tot zelfgenot. In waldorfscholen is een centraal element in de seksuele opvoeding dat het beleven van seksualiteit onderdeel is van een omvattend gebeuren van liefde tussen mensen.

Het vermogen lief te hebben is nauw verwant met de kracht van de fantasie. Het gaat er immers om steeds opnieuw vaste beelden van de partner los te laten en de partner te zien tegen de horizon van nog niet gerealiseerde mogelijkheden. Daarom heeft het een diepe betekenis dat bij het intreden van de geslachtsrijpheid ook het vermogen van de fantasie zich op een nieuwe manier ontwikkelt. In de veertiende voordracht staat: “Zoals het vermogen om schrijven en lezen te leren in de eerste schooljaren aangeeft dat de ziel als het ware tanden krijgt, zo wordt in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is, al aangekondigd wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt. Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden van een innerlijke liefde, dat wil zeggen, dat wat zich als fantasiekracht manifesteert.” (blz. 201) De fantasie is een zielenactiviteit van de ledematen en die wordt gekenmerkt door beweging, goede doorbloeding die warmte vormt, en aanzet tot handelen. Deze drie eigenschappen tekenen zich in de ziel af als innerlijke beweeglijkheid bij het voorstellen, enthousiasme en vermogen lief te hebben. En die zijn er duidelijk, want op die leeftijd willen jongeren alles persoonlijk ervaren en uitproberen.

Uit: Antroposofische menskunde begrijpen
Schmelzer, Deschepper  Via Libra 2011

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2768

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 14 (14-3)

.

RUDOLF STEINER
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 200/201 van de vertaling*

Blz. 197  vert. 199

Nun, wie der menschliche Brustteil nach oben die Tendenz hat, Haupt zu werden, so hat er nach unten die Tendenz, Gliedmaßen zu werden. So wie dasjenige, was als Sprache aus dem Kehlkopf hervorgeht, ein verfeinerter Kopf ist, ein noch luftig gebliebener Kopf, so ist alles dasjenige, was nach unten von dem Brustwesen des Menschen ausgeht und sich nach den Gliedmaßen hin organisiert, vergröberte Gliedmaßennatur. Verdichtete, vergröberte Gliedmaßennatur ist dasjenige, was die Außenwelt gewissermaßen in den Menschen schiebt. Hände und Füβe, Arme und Beine sind vergröbert und mehr nach innen in den Menschen geschoben, als sie nach auβen hervortreten.

Welnu, zoals de borst naar boven toe de neiging heeft om hoofd te worden, zo heeft hij naar onderen toe de neiging om ledematen te worden. Wat als taal uit het strottenhoofd opwelt, is een verfijnd hoofd, een nog luchtig gebleven hoofd; alles wat naar beneden toe uitgaat van de borst van de mens en in zijn organisatie de ledematen benadert, is een soort vergroving van de ledematen. Wat de buitenwereld daar als het ware in de mens schuift, is in wezen een verdichte, grovere vorm van de ledematen, handen, voeten, armen en benen in een grovere vorm en meer naar binnen in de mens zijn ingevoegd dan ze naar buiten uitsteken.

Hier kijkt Steiner a.h.w. nog een keer ‘vanuit de borst’ naar boven, naar het hoofd [14-2] en nu naar beneden, naar de ledematen. 
Gaat het naar boven toe iets dat steeds subtieler wordt – spraak, bijv. – naar beneden gaat het om wat grover wordt, dichter en vaster: de ledematen. 

Wanneer Steiner in GA 294 over dierkunde spreekt, zegt hij:

Für die Gliedmaβen rufen Sie die Vorstellung hervor, daβ sie eben an dem Rumpf dranhängen und eingesetzt sind.
Eingesetzt in den menschlichen Organismus – weiter kann man mit den Kindern nicht gehen – denn die Gliedmaβen setzen sich nach innen fort in den morphologischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs-und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Gliedmaβen nach innen sind.

En de ledematen beschrijft u dan zo dat ze aan de romp hangen en daar ingeplant zijn. Het kind zal veel niet kunnen begrijpen, maar u roept toch sterk de voorstelling op dat de ledematen ingeplant zijn in het menselijk organisme. Verder kunt u hier niet gaan, want in de morfologische structuur van de mens zetten de ledematen zich naar binnen toe voort en hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn. Maar dat de ledematen ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen.
GA 294/98        vertaald/95

In [14-2] gaat het over de borst en ik gaf daarbij een passage uit GA 296. Aansluitend neemt Steiner ook daar de ledematen:

Und wiederum der Gliedmaßen- und Stoffwechselmensch, ja er ist schon in der Hauptsache dieses (siehe Zeichnung, dunkle Schraf­fur); aber diese Gliedmaßen setzen sich wiederum so fort, daß sie weniger sind in der Brust, und am wenigsten im Kopfe.

En ook voor de ledematen-stofwisselingsmens geldt dat hij hoofdzakelijk hier huist (zie tekening, blauwe arcering); maar de ledematen zetten zich zó voort dat ze minder aanwezig zijn in de borst en nog minder in het hoofd. 

GA 296/72
Vertaald/83

Op blz. 200: zegt Steiner dan iets wat je eigenlijk niet verwacht:

Und wenn einmal die Naturwissenschaft dazu kommen wird, das Geheimnis zu ergründen, wie Hände und Füße, Arme und Beine vergröbert und mehr nach innen geschoben sind in den Menschen, als sie nach außen hervortreten, dann wird diese Naturwissenschaft das Rätsel der Sexualität erkundet haben.

En als de natuurwetenschap ooit het geheim zal doorgronden van hoe handen, voeten, armen en benen in een grovere vorm en meer naar binnen in de mens zijn ingevoegd dan ze naar buiten uitsteken, dan zal die natuurwetenschap het raadsel van de seksualiteit hebben opgelost.

Ik beschik niet over gegevens waaruit zou blijken dat de wetenschap ‘het geheim heeft doorgrond’.

Dat zou betekenen dat we nog steeds geen ‘juiste toon’ hebben om erover te spreken:

Und dann wird der Mensch erst den richtigen Ton finden, über so etwas zu sprechen. Es ist daher gar nicht zu verwundern, daß all das Gerede, das heute getrieben wird über die Art, wie sexuelle Aufklärung gepflogen werden soll, ziemlich wesenlos ist.

En dan pas zal de mens de juiste toon vinden om daarover te spreken. Het is geen wonder dat al het gepraat over seksuele voorlichting van tegenwoordig tamelijk inhoudsloos is. Want je kunt niet goed iets uitleggen wat je zelf niet begrijpt.

‘Al dat gepraat van tegenwoordig’ is niet ‘tegenwoordig in 2022’, maar rond 1919. Ik weet niet hoe er toen over werd gesproken.
Heerste er een taboesfeer, zoals bij ons tot in de jaren 1970 en voor velen nog ver daarna?
En wat moeten we anno nu aan de kinderen vertellen om ze bijv. te behoeden voor de nadelige gevolgen van – laten we iets nemen – de gevaren waarmee ze te maken kunnen krijgen via de moderne media.

Met die gevaren werden de kinderen van toen in ieder geval niet geconfronteerd en ook hun ouders hoefden zich daarover geen zorgen te maken.
Dat is nu wel anders!

Het is wél duidelijk dat Steiner alles rond de seksuele voorlichting menskundig blijft bekijken.

De wetenschap begrijpt dus iets niet: 

Blz. 199  vert. 200

Was die Wissenschaft der Gegenwart ganz und gar nicht versteht, das ist dasjenige, was nur angedeutet wird, wenn man so den Gliedmaßenmenschen im Zusammenhang mit dem Rumpfmenschen charakterisiert, wie ich es eben getan habe.

Wat de wetenschap van nu totaal niet begrijpt, dat is de samenhang tussen de ledematenmens en de rompmens – zoals die hier alleen nog maar aangestipt is.

Dan zegt hij het volgende, wat we bijv. in GA 34, in het essay ‘De opvoeding van het kind’ uitgebreider vinden: de ‘vier geboorten’ die de mens doormaakt: als fysiek wezen, de geboorte van zijn (vrijkomende) ether- astraal- en Ik-lijf.

(…) dann bleibt noch eine Astralhülle bis zum Eintritt der Geschlechtsreife. In diesem Zeitpunkt wird auch der Astral- oder Empfindungsleib nach allen Seiten frei, wie es der physische Leib bei der physischen Geburt, der Ätherleib beim Zahnwechsel geworden sind­.

(…) dan blijft er nog een astraal omhulsel tot aan het begin van de geslachtelijke rijping. In deze periode wordt het astrale of gewaarwordingslichaam eveneens naar alle zijden vrij, zoals het stoffelijk lichaam bij de fysieke geboorte en het etherlichaam bij de tandenwisseling vrij zijn geworden.
GA 34/321
Vertaald/28    (vert. 1980)  

GA 293 blz. 200   vert. 200

Aber man muß dann wissen, daß eben so, wie man gewissermaßen in den ersten Volksschuljahren dasjenige in das Seelische hineingeschoben hat, was sich in die Zahnnatur hineindrängt vor dem siebenten Lebensjahre, so hat man in den letzten Jahren der Volksschule alles dasjenige, was aus der Gliedmaßennatur stammt und was erst nach der Geschlechtsreife voll zum Ausdruck kommt, hineingeschoben in das kindliche Seelenleben.

We weten dat de krachten die voor het zevende jaar aan de tanden werken, gedurende de eerstvolgende jaren in de ziel opduiken; maar op dezelfde wijze werkt alles wat tot het ledematenstelsel behoort, en wat pas na de geslachtsrijpheid tot volle ontwikkeling komt, in de ziel van het kind in de laatste jaren van de basisschool.

Wanneer je de uitspraken van Steiner leest die over de tandenwisseling gaan, zal je steeds vinden dat op dat tijdstip het etherlijf vrij wordt van zijn lichamelijke functie, o.a. groei- en vormkrachten kunnen zijn – zo wordt rond het 14e jaar het astraallijf geboren. 

In GA 296 zegt hij:

Blz. 78  vert. 89

(…) in bezug auf die Stoffwechselorgane ist der Mensch am meisten astra­lischer Leib.

(…) met betrekking tot de stofwisselingsorganen is de mens het sterkst astraallichaam.

Der Mensch besteht aus astralischem Leib. Was ist am ähnlichsten dem astralischen Leib? Der Stoffwechselmensch.

Der Mensch besteht aus astralischem Leib. Was ist am ähnlichsten dem astralischen Leib? Der Stoffwechselmensch.

Neem je dan de samenhang stofwisselingsmens-ledematenmens: 

denn die Gliedmaβen setzen sich nach innen fort in den morphologischen Anlagen des Menschen und hängen da mit den Verdauungs-und Geschlechtsorganen zusammen, die nur eine Fortsetzung der Gliedmaβen nach innen sind.

want de ledematen zetten zich naar binnen toe voort in de morfologische structuur van de mens  hangen daar samen met de spijsverterings- en geslachtsorganen, die enkel een voortzetting van de ledematen naar binnen toe zijn.

En bij ‘dat we dat bij bijv. dierkunde ‘krachtig moeten oproepen’, lopen we ook tegen een grens aan:

Dat de ledematen ingeplant zijn in het organisme, van buitenaf, deze voorstelling moet u krachtig oproepen, maar verder kunt u niet gaan.

Om verder te kunnen gaan, moet eerst het astraallijf zijn geboren en dat is op die leeftijd nog niet gebeurd.
Wat wij als volwassenen als begeerte,(wel)lust, drift, drang kunnen ervaren, komt omdat onze ziel zover is ontwikkeld dat het deze gevoelens kan ervaren – het gebied van de gewaarwordingsziel, of zoals Steiner dat ook wel het lagere deel of onderste deel van het astraallijf noemt.

Is er dan ook een ‘hoger’ deel?
Zeker! En daarmee wordt ervaren, gevoeld, wat liefde is die de meesten van ons beleven als uitgaand boven begeerte,(wel)lust, drift, drang.
Zie bijv. Rudolf Steiner ‘Liefde en erotiek‘  (Uit GA 143)
Inhoudsopgave

SEKSUELE OPVOEDING EN SEKSUELE VOORLICHTING

Als we de rode draad volgen, kunnen we zien dat ‘voorlichting’ op elke leeftijd zou kunnen, immers het gaat om kennisoverdracht, over ‘hoe het zit’.
Maar dat is nog geen opvoeding. Want wat je zou willen opvoeden, moet eerst aanwezig zijn om opgevoed te kunnen worden en het ‘overkoepelende gevoel’ waar de erotiek deel van zou moeten uitmaken, is er nog niet.
Dat begint aan het eind van de basisschool te ontstaan. 

Wenn der Mensch geschlechtsreif wird, da entwickelt sich als eine Selbstverständlichkeit die Liebe zum anderen Geschlecht. Gewiß, sie individualisiert sich dann in der Liebe des einen Mannes zu einer Frau; aber dasjenige, was sich da individualisiert, was da als besonderes Faktum auftritt in seiner vollen Berechtigung, das ist zu gleicher Zeit der individuelle Ausdruck für eine allgemeine Menschheitsliebe, für die allgemeine Menschenliebe. Diese allgemeine Menschenliebe als beson­dere, sie entwickelt sich auch ebenso wie die Liebe zum anderen Ge­schlechte mit der Geschlechtsreife. Diejenige Liebe, die der Mensch zum Menschen hat, sie entwickelt sich in ihrer Selbständigkeit erst mit der Geschlechtsreife, denn diese Liebe, die muß ja frei von Autorität sein. Diese Liebe ist eine wirkliche Hingabe.

Wanneer de mens geslachtsrijp wordt, ontwikkelt zich als een vanzelfsprekendheid de liefde tot het andere geslacht. Zeker, die individualiseert zich dan in de liefde van een man voor een vrouw; maar wat daar individueel wordt, wat daar als bijzonderheid plaatsvindt, is volledig gerechtvaardigd, is tegelijkertijd de individuele uitdrukking voor een algemene mensenliefde, voor de algemene mensenliefde. Deze algemene mensenliefde als een bijzondere, ontwikkelt zich net zo als de liefde voor het andere geslacht met de geslachtsrijpheid. Die liefde die de mens voor een mens heeft, ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid pas met de geslachtsrijpheid, want deze liefde moet vrij zijn van autoriteit. Deze liefde is een echte toewijding.
GA 301/149   op deze blog vertaald/149

Wanneer Steiner op blz. 201 van de vertaling ‘plotseling’ over fantasiekrachten begint, zegt hij – je zou er zo aan voorbij lezen’: (in iets andere woordvolgorde:)

so kündigt sich was die Seele entwickelt am Ende der Volksschuljahre vom zwölften, dreizehnten, vierzehnten und fünfzehnten Lebensjahre an
an in alledem, was Phantasietätigkeit ist und was von innerer Wärme
durchzogen ist.

zo wordt in het geheel van fantasiekrachten dat van innerlijke warmte vervuld is, al aangekondigd wat de ziel aan het eind van de lagere school vanaf twaalf, dertien, veertien, vijftien jaar ontwikkelt.

Da tritt ganz besonders hervor alles dasjenige, was an seelischen Fähigkeiten darauf angewiesen ist, von innerer seelischer Liebe durchströmt zu werden, das heißt also dasjenige, was als Phantasiekraft sich zum Ausdruck bringt

Dan manifesteren zich vooral die zielenvermogens die vervuld moeten worden van een innerlijke liefde, dat wil zeggen, dat wat zich als fantasiekracht manifesteert.

De ontluikende ziel – de innerlijke liefde – wacht a.h.w. op de ‘voeding’ door de fantasie.
En dan somt Steiner een aantal vakken op waarin de fantasie niet mag ontbreken. Zie 14-3-2] nog niet oproepbaar.

In verschillende pedagogische voordrachten noemt Steiner weer andere aspecten van ‘liefde’.

 Bis zu der Geschlechtsreife muß die Liebe ein Bedürfnis sein, muß die Liebe etwas sein, was das eigene Wesen egoistisch verlangt. Darauf müssen wir rechnen, daß das Kind in der Volksschule egoistisch verlangt, lieben zu können, das heißt, die Autorität neben sich zu haben, der es anhängt, der es sich hingibt, weil es Wohlgefallen in dieser Hingabe hat, denn die Natur selbst drängt dazu. Da ist dasjenige, was vorzugsweise in der Liebe lebt – sei es in der Liebe zur anderen Menschheit, sei es in der Liebe zur Natur, in der Liebe zu den Sternen, in der Liebe zu den übersinnlichen Wesen und Göttern und dem Gotte -, es ist, was da im Menschen lebt als Liebe, es ist im Grunde genommen der Inhalt des astralischen Leibes beim Menschen. Das wird als selbständiges Wesen geboren mit der Ge­schlechtsreife.

Tot aan de geslachtsrijpheid moet de liefde een behoefte zijn, moet de liefde iets zijn wat het eigen wezen egoïstisch verlangt. We moeten er rekening mee houden dat het kind op de basisschool egoïstisch verlangt te kunnen liefhebben, d.w.z. de autoriteit naast zich te hebben, voor wie het aanhankelijk is, aan wie het toegewijd is, omdat het deze toewijding fijn vindt, want de natuur zelf wil dat graag. Dat leeft vooral in de liefde – of het nu in de liefde voor de andere mensen is, of voor de natuur, of voor de sterren, of voor de bovenzintuiglijke wezens en goden of God -, wat in de mensen als liefde leeft is in de aard der zaak genomen de inhoud van het astrale leven bij de mens. Dat wordt als zelfstandig wezen geboren met de geslachtsrijpheid.
GA 301/150   op deze blog vertaald/150

In GA 296  met als titel ‘Die Erziehungsfrage als soziale Frage’
vertaald als ‘Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave”:

Nach der Geschlechtsreife, vom 14., 15. bis zum 21. Jahr ent­wickelt sich bei dem Menschen ja nicht nur das geschlechtliche Liebes­leben, sondern es entwickelt sich dieses geschlechtliche Liebesleben nur als ein Spezialfall der allgemeinen Menschenliebe überhaupt; es ist nur ein Spezialfall der allgemeinen Menschenliebe.

In de leeftijdsfase na het bereiken van de geslachtsrijpheid, zo van het 14e tot aan het 21e jaar, ontwikkelt zich bij de mens niet alleen het geslachtelijke liefdesleven; het ontwikkelt zich als een bijzondere uiting van mensenliefde in het algemeen. Het geslachtelijke liefdesleven is slechts een bijzondere uiting van een algemene liefde voor de medemens.

Und diese Kraft der allgemeinen Menschenliebe, die sollte in der Zeit, wenn die Kinder die Schule verlassen und dann in die anderen Anstalten kom­men oder in die Lehre kommen oder so etwas, da besonders gepflegt werden. Denn niemals wird diejenige Konfiguration des Wirtschafts­lebens, welche eine historische Forderung ist, durchglüht sein können von dem, von dem sie durchglüht sein soll, von Brüderlichkeit, das heißt von allgemeiner Menschenliebe, wenn nicht in diesen Jahren die allgemeine Menschenliebe entwickelt wird.
Brüderlichkeit im Wirtschaftsleben, wie sie angestrebt werden muß für die Zukunft, sie wird in den Menschenseelen nur sein, wenn die Erziehung nach dem 15. Jahre so eingerichtet wird, daß gerade mit aller Bewußtheit hingearbeitet wird auf die allgemeine Menschen­liebe, wenn Weltanschauungsfragen, wenn die ganze Erziehung, die auf die sogenannte Einheitsschule folgen soll, aufgebaut wird auf Menschenliebe, überhaupt auf Liebe zur äußeren Welt.

Deze kracht van algemene mensenliefde zou in het bijzonder aandacht moeten krijgen in de periode nadat de kinderen de lagere school verlaten en vervolgens andere opleidingen gaan doen of in bedrijven in de leer gaan. Want die vormgeving van het economische leven die een historische noodzaak is, zal nooit doorgloeid kunnen zijn met iets waarmee de economie doorgloeid zou moeten zijn, namelijk met broederlijkheid dat is algemene mensenliefde wanneer in de leeftijdsfase van ongeveer 14 tot 21 jaar de algemene mensenliefde niet wordt ontwikkeld.
Broederlijkheid in het economische leven, die voor de toekomst moet worden nagestreefd, zal alleen dan in het innerlijk van de mensen leven, wanneer de opvoeding na het 1 5e jaar zo is opgezet dat heel bewust wordt gewerkt aan het ontwikkelen van algemene mensenliefde, wanneer wereldbeschouwelijke vraagstukken, het onderwijs dat op het zogenaamde lager onderwijs volgt, worden gebouwd op liefde voor de medemens, liefde voor de wereld in het algemeen.
GA 296/21   vertaald/30-31

Wir müssen es zur künstlerischen Betätigung hinwenden. Und wenn wir uns eine Zeitlang so mit dem Kinde beschäftigt haben, dann macht es den Weg zurück, und es kommt wiederum durch den Punkt im Leben, wo es zu sich «Ich» sagen gelernt hat und dann setzt es die Sache fort und kommt später dadurch, daß es geschlechtsreif geworden ist, noch einmal durch diesen Punkt. Und wir bereiten diesen Moment vor, wenn wir es in einem Zeitpunkt zwischen dem 9. und 10. Jahre zum Erstaunen, Bewundern der Welt bringen. Wenn wir seinen Schönheitssinn bewußter machen, dann bereiten wir es so vor, daß es, wenn die Geschlechtsreife eintritt, die Welt in der richtigen Weise lieben lernt, daß es die Liebe in der richtigen Weise entwickelt.
Es ist ja nicht nur Liebe von einem zum anderen Geschlecht; das ist nur ein Spezialfall. Die Liebe ist dasjenige, was sich über alles erstreckt, die der innerste Antrieb zum Handeln ist: wir sollen das tun,was wir lieben. Es soll die Pflicht zusammenwachsen mit der Liebe; wir sollen das gern haben, was wir tun sollen.

We moeten het kind naar een kunstzinnige activiteit toe leiden. En als we ons een tijdlang zo met hem hebben beziggehouden, dan loopt het de weg terug en gaat weer door het punt in zijn leven waarop het ‘Ik’ heeft leren zeggen; dan gaat het verder en komt nóg eens door dat punt door het feit dat het geslachtsrijp is geworden. Dat moment bereiden we voor als we een kind op een tijdstip tussen zijn 9e en 10e jaar tot een zich-verbazen, een bewonderen van de wereld brengen
Als we zijn gevoel voor schoonheid bewuster maken, dan bereiden we het zó voor dat het, wanneer de puberteit aanbreekt, de wereld op de juiste wijze leert liefhebben, dat het op de juiste wijze liefde ontwikkelt.
Het is immers niet alleen maar liefde van het ene geslacht voor het andere; dat is slechts een speciaal geval. Liefde is iets wat zich over alles uitstrekt, het is de meest innerlijke drijfveer tot handelen: we moeten doen wat we liefhebben. De plicht moet vergroeien met de liefde; we moeten houden van de dingen die we moeten doen.
GA 302/135
Vertaald/133 (eerdere druk)

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde voordracht 14alle artikelen  

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2766

.

.

 

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 [1-7-2/2-2]

.

Zwarte tekst: Mellie Uyldert; in blauw: phaw

.
levenskracht
.

In haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ wijdt de schrijfster, Mellie Uyldert, een hoofdstuk aan de levensgeest.

Wie zich in de antroposofie verdiept, komt dit begrip ook bij Rudolf Steiner tegen. Hij beschrijft deze als een van de geestelijke ontwikkelingsfasen die de mens kan bereiken, wanneer hij zijn etherlijf, zijn levenskrachtenlichaam omwerkt, schoolt.
Het is niet mijn bedoeling het verschil of de overkomst tussen Steiners visie en die van Uyldert op te zoeken. De laatste legt steeds verbanden met folkloristische gebruiken: feesten, bijv. en uiteraard: de oude kinderspelen, rijmpjes en versjes.
Uyldert noemt bij wat ze beschrijft, de levensgeest ook levenskracht.

Zij ziet deze over de hele wereld aanwezig: bij het ritueel in het oerwoud, bij midwintergebruiken in bergdorpen van oud Europa en in de oogstgebruiken van de boeren.
Zij zegt dat de wetenschap deze levensgeest vegetatiedemon noemt. Die term vind je op Google nauwelijks. Ik vond wel een artikel, waarin ook iets staat over ‘de haan ‘ die Uyldert verderop noemt. De geboorte en het sterven ervan zou bij alle oude volken gevierd worden en wij komen deze tegen in volksgebruiken en kinderspelen.

In elke godsdienst zou de levensgeest zich manifesteren als bijv. de gods-zoon of de zonneheld, de gedaante van de kracht, die de Schepper van hemel en aarde uitzendt om zijn schepping te onderhouden, als levenskracht voor plant, dier en mens!

‘In de landen dicht bij de evenaar is die kracht altijd door aanwezig, laat de bomen het hele jaar door bladeren, bloemen en vruchten dragen en wordt in zijn overvloed uitgebeeld in goden met vele armen, godinnen met vele borsten, in hun uitbundige liefdesvermaken en in een fallus-verering, die bij ons, wat afgezwakt, optreedt in de vorm van gedenknaalden.’

In onze gematigde streken, is het de levensgeest die het komen en gaan van de seizoenen veroorzaakt! De levenskracht daalt in de materie af, brengt er het leven in. 
Wanneer we dit zo lezen, denk je al snel aan wat Steiner over het etherlijf zegt en hoe dit bijv. in het kind zich steeds sterker ontwikkelt, in de eerste zeven jaar de stoffelijkheid van het kind doordringend. 
De levenskracht van de aarde neemt in de lente in kracht toe, neemt steeds méér en uitbundiger vormen aan, tot zijn grootste manifestatie op de langste dag van het jaar –om daarna als kracht af te nemen en geleidelijk de levensvormen te verlaten, waarbij hij zich samentrekt in de kleinste vormen: het zaad, dat zich verbergt onder de grond; op de kortste dag heeft de levensgeest zich opgerold in het binnenste van de aarde.’

Bij Steiner komen we dit thema tegen als o.a. het ‘in slaap raken en wakker worden van de aarde.’
Een blik op folklore en volksfeesten leert ons dat het ritme van verschijnen en verdwijnen voor de eenvoudig levende mens die zoveel meer met de natuur verbonden was dan wij nu, letterlijk van levensbelang was. Je ziet aan alles dat de mens vanuit die verbondenheid, van de vroegste af, verering, dankbaarheid e.d. tot uitdrukking wilde brengen en daarvoor riep het vormen in leven, rituelen, heilige handelingen, die juist op die keer- en knooppunten van dat ritme, uitgevoerd worden. Dat ‘van en voor de natuur’ wordt later, als dat directe meebeleven steeds meer verloren gaat, een traditie, waarmee het een deel van de cultuur wordt.
Die vaste punten van het jaar werden ‘aparte’ dagen, dus anders dan de gewone dagen: heilige dagen, de ‘holy days’ (waarvan het woord holiday (= vakantie) komt. Feestdagen, feestnamen, zoals we dat nu nog steeds hebben bij kerst-feest, paas-feest, enz.  Ook op de vrijescholen spreken we over Michaëlsfeest, Sint-Jansfeest enz.
Feesttijden waren/zijn: ‘de langste en de kortste dag van het jaar en daar tussenin de evenwichtspunten: voorjaars- en najaars-dag-en-nacht-evening (21 maart en 21 sept.), als de dag en de nacht even lang zijn’.
Waar vier seizoenen aangetroffen worden, drukte men die seizoenen uit door bijv. het rad met vier spaken, dat horizontaal werd opgehangen, met vier kaarsen.
Wij moeten hier denken aan de ‘adventskrans’ of een jaar- of kerstkrans.

‘Midwinter’ is zeker in Overijssel nog een begrip en volgens Uyldert begon daarmee de nieuwe jaarronde: op de kortste dag, 21 december, als de winter begint. Dan is volgens haar ‘de levensgeest, de  j a a r g o d  op ons noordelijk halfrond het verst weg getrokken uit de materie. Hij heeft zijn jaarreis voltooid en is naar zijn vader: de scheppende zonnegod, terug gegaan (het binnenste der aarde is analoog met het binnenste van het zonnestelsel).’

In vele artikelen op deze blog die over de jaarfeesten gaan, wordt de natuur beschreven waarin zo’n jaarfeest valt. Mens en natuur waren veel sterker met elkaar verbonden dan nu.
In de winter overheersen de doodskrachten: veel bomen en struiken zijn kaal; restanten van bloeiende planten staan er vergaan bij; de zon – de brenger van het leven – schijnt zwak en zendt maar weinig licht en warmte naar de aarde. Alsof de duisternis een wolf is waartegen zij niet op kan! Voor de mens kon dit honger en kou betekenen: godverlatenheid bijna. Maar dan keert de zon terug! In de materie komt weer leven, er is hoop en….dankbaarheid. 
De stadsmens met zijn kunstlicht en kunstwarmte en geconserveerd voedsel kan dat nauwelijks meer aanvoelen. Maar het blijft een groots gebeuren: die terugkeer van licht en kracht, die genadige uitzending van een nieuwe godszoon, een nieuwe jaargod, door de vaderlijke schepper! Van de oudste tijden af heeft de mens in zijn vreugde en dankbaarheid dat gebeuren gevierd als een feest, het grootste feest van het jaar!’

Dan is er sprake van ‘de moedernacht’, waarin de levensgeest in zijn nieuwe jaargedaante geboren werd.’
Ook Steiner sprak over de 12 heilige nachten, in samenhang met het ‘Droomlied van Olaf Ästeson‘. Ook Uyldert noemt ze als deel van de j o e l-tijd die zij laat duren van 5 december tot 6 januari: van Sinterklaas tot Driekoningen, werd en wordt feest gevierd met zingen en dansen, met rijkelijk eten en drinken in versierde woningen, waar ook de verlovingen plaatsvinden, en dat alles vol zinnebeelden van levenskracht (rood), vruchtbaarheid (de marsepeinen varkentjes en de nieuwjaarsvarkentjes), licht (de kaarsen en de kerstboom), van de jaarronde (krans en kromstaf) en van de liefde (harten), die zich wegschenkt, zoals de geest zich wegschenkt aan de materie.’

Als het oude jaar ten einde loopt en het nieuwe zich aandient zien we in de symboliek de oude man, de grijsaard met baard en zeis en de nieuwe als een baby.

De jaargod werd in Noord- en Midden-Europa O e i  genoemd. Hij was de zoon van alvader Odin, ook Wodan genoemd, die op zijn witte paard Sleipnir door de lucht reed. Ook Oei reed door de lucht en wierp door de rookgaten van de boerenhuizen – de oeigaten – zaad, vol van belofte, daar zouden de latere pepernoten aan doen herinneren.
Oei had meerdere namen: Nöth, of Tyr en zijn gezicht was zwart. Hij vertelde zijn vader wat hij door het ‘oeigat’ had gezien.
Wat onze sinterklaasachtergronden betreft, is interessant dat Wodan later ‘Kunne Klaas’ genoemd wordt. Hier zien we een verband tussen Sinterklaas en Zwarte Piet (en dit is opnieuw een aanwijzing dat Zwarte Piet niets met ‘racisme’ te maken heeft.
Oei werd later ook Tyl genoemd en deze
leefde voort in de volksverbeelding als Tyl Uylenspiegel, wiens moeder Anne heette! De zonnegod en de maangodin brengen samen de jaargod van de aarde voort!’
Uyldert noemt met name dat Tyl op een koord in de lucht danst, in het water valt en op de vaste wal kruipt. Ze ziet daarin de levensgeest die door de ‘sfeer van de geest (lucht), van de ziel (water en van het lichaam (aarde) bij de mensen en in de planten- en dierenwereld komt om er met zijn wonderbaarlijke kracht alle levensverschijnselen te wekken!

Tijl of Tyl zou dus de midwintergedaante van de levensgeest zijn, die het ene jaar scheidt van het andere. Uyldert noemt nu het wapen van de Vlaamse familie Tyl waarin twee tegen elkaar aan staande halve cirkels te zien zijn die door een pijl worden gescheiden, het oeroude teken voor de jaarwisseling, dat ook voortleeft in de Engelse term Xmas (de geschreven vorm van de X bestaat uit twee halve cirkels).

Steiner beschrijft dat de ontwikkelingsgang van de mensheid een ontwikkelingsgang van het bewustzijn is. Bij het ‘vroege’ bewustzijn hoort het leven ‘in of met (ver)beeld(en). In de loop van deze ontwikkeling gaat dat vermogen verloren, zoals ook het bewustzijn van het kleine kind dat vrijwel alles gelooft, metamorfoseert naar het bewustzijn van de kritische, zich afvragende volwassene.
Ook Uyldert noemt dit verschijnsel dat bij haar tot gevolg heeft dat bijv. ‘de
traditionele gestalte van vader Klaas zich vermengt met die van een historische persoon: de heilige Nicolaas, bisschop van Myra.’
De vurige levenskracht is gebleven in zijn tabberd. Ook de Kerstman, Father Christmas, le Père Noël, de Weihnachtsmann – allen dragen de rode mantel. ‘Zij zijn dezelfde figuur!
De Vader en de Zoon zouden bij ons geworden zijn tot Sint en Piet. Dat Piet een roe bij zich heeft – van berkentakken! – is niet om te straffen, maar om op jonge mensen de levenskracht over te brengen door ze met die roe aan te raken. Hij is ook een ‘verbinder’ want hij brengt de harde koeken met suikerklontjes mee: de  hijlikmaker geheten, dat is: huwelijksmaker, want nu worden de verlovingen immers gevierd!’

Het is begrijpelijk dat Mellie Uyldert de levensgeest – wij zouden eerder zeggen ‘de levenskrachten’ ziet in de plantaardige natuur, in zaden, bollen enz. Daar bevindt zich die onzichtbare kracht die in staat is uit een beukennootje een reusachtige beuk te laten ontstaan. Vanaf dat de zonnewarmte weer sterker wordt, komt het groeiproces op gang. Uyldert verbindt de openbaring van die kracht aan het Driekoningenfeest, m.n. aan het brood met de boon – zij noemt hem ‘de heilige boon’, de eerste boon die gegeten mag worden na Moedernacht.

In vele streken – en dat niet alleen in Nederland – zijn tradities bewaard gebleven die weliswaar gedurende de jaren veranderingen hebben ondergaan, maar er is altijd wel een kern te ontdekken van een bepaalde symboliek. Uyldert noemt bijv. de ‘erwtenbeer’ een uitbeelding van de levensgeest zoals hij huist in een bepaald gewas! In de carnavalsoptochten verschijnt hij in allerlei gedaanten.

Wanneer je via een zoekmachine op zoek gaat, kom je van alles tegen wat Uyldert in haar artikel ook beschrijft. zoals: ‘de erwtenbeer‘.

In Selma Lagerlöfs verhaal ‘Voddenlars zoekt het kerstkindje’ wordt gezegd dat het stro van de laatste korenschoof, die niet gedorst is, als joel-traktatie voor de vogels buiten wordt gezet. Uyldert: Het wordt februari en maart en de boer gaat ploegen en zaaien. Nu schakelt hij de oude gedaante van de levensgeest aan de nieuwe: men heeft nl. in Scandinavië van dat stro waarin de levensgeest zich, als in zijn laatste schuilplaats, heet teruggetrokken te hebben, een diervorm gemaakt, een bok van stro, de zgn. joelbok, die gedurende de joeltijd in de huiskamer heeft gestaan: de levensgeest mocht alles meevieren! Nu trekt men die strooien bok uit elkaar en begraaft dit stro op de vier hoeken van de akker, alvorens men gaat zaaien. De levensgeest is weer op het veld en kan zijn intrek gaan nemen in het ontkiemende graan!
We komen dan de naam Al tegen, i.p.v. Oei, ‘
de stemming van het lichtere seizoen ‘.
Steeds uitbundiger botten de planten uit: de levenskracht vertoont zich in het frisse groen! Bij dit nieuwe voelde men a.h.w. de drang tot vernieuwing: alles weer fris: schoonmaak, reiniging, ook van het lichaam (de vastentijd!) In oude tijden deed men dat plechtig, om de levensgeest dankbaar op te nemen in het gereinigde lichaam: zwijgend dronk men te middernacht, bij een bron, de verse berkenmede. En de mensen trokken naar de woudheilige, waar de priester over het hoofd van een onvruchtbare vrouw een verse graszode wierp, om haar aldus de kracht van de levensgeest mede te delen.’

Uyldert spreekt over de ‘enclosure‘. Ze vertelt dat op dit afgebakende veld zich geen mens mocht vertonen, ‘omdat daar de levensgeest woonde, die, met zijn ontzaglijke kracht, gevaarlijk was om door een gewoon mens te worden aangezien!’
We kennen nog gebruiken bij oude volken waarbij een man a.h.w. ‘bezeten’ is – door de levensgeest – en hij danst, gemaskerd en onherkenbaar uitgedost – voor het volk, als een manifestatie van de godszoon.’
O.a. totemdieren zouden door de levensgeest in bescherming worden genomen: ze mochten nooit gedood, ze werden als heilig beschouwd en je ziet ze terug als beschermers van een stam of familie, afgebeeld op een familiewapen.

Uyldert brengt de geit i.v.m. ‘wijsheid’, de god van de wijsheid zou bij de oude Grieken in de geit hebben geleefd. Later werd hij de menselijke gestalte van Pallas Athena die weleens met een geit wordt afgebeeld. ‘De oude wijze geit’ brengt Uyldert in verband met de priesters die in de tempel heilige geiten hielden.

Bij ons zou het de haan zijn waarin de levensgeest graag zijn intrek nam. Dat hij ’s morgens als eerst op de opkomende zon reageert, komt volgens haar omdat de haan een over-elektrisch dier is en daardoor de eerste elektrische trillingen die de zon in de atmosfeer zendt, opvangt. Zijn jubelend gekraai is een uiting van zijn elektrisch overschot. 

‘De priester hoedde op het afgesloten veld de heilige haan, die in de overlevering éénpotig genoemd wordt, omdat al wat tot de hogere sfeer van de eenheid behoort (daar waar geen geslacht is en geen goed-en-kwaad) als eenbenig wordt voorgesteld. Een overblijfsel uit de tijd van zulke haanheiligdommen is het versje:

Moeder, wat naai je daar?
Vaders hemd.
Waar is vader?
In de tuin.
Mag ik er even heengaan?
Nee, want er is een haan met één poot,
als je hem jaagt, dan gaat hij dood.
Moeder, de klokken luiden!
Wat heeft dat te beduiden?
Ach, hij is dood, de haan met één poot!

Was een heilig dier dood, dan werd het door de priesters opgegeten. Zo kon het dat een dier dat men zag als de laatste woning van de levensgeest bij het oogstmaal werd opgegeten: bijv. een os of een zwijn. Daarbij zou men zijn kracht in zich opnemen: een heilig maal.
In andere streken zijn het weer andere dieren, in de tropen bijv, een tijger of een leeuw.
Uyldert noem daarbij ook eten van mensen: de edele organen verkregen door het koppensnellen.
Niet alles werd opgegeten. Een deel werd bewaard en ingezouten. Brak het voorjaar aan dan werd dit deel plechtig opgegeten door de zaaiers voordat zij naar de akkers gingen.

Aan het begin van het nieuwe landbouwjaar werd de levensgeest rondgedragen door velden en akkers en weiden ‘om het gewas en het vee zijn kracht mee te delen.
Dat zou de veldgang verklaren, waarbij men een graanschoof of een roede van berkentakken of een brood met zich meedroeg.
De kerk zou deze veldgang later tot processie hebben gemaakt.
Er moet een diepe dankbaarheid voor de levensgeest hebben bestaan in het besef dat deze het is die met zijn levenskracht in het graan woont. Men zong liederen en richtte versierde bomen op: de levensboom met de jaarkrans. Deze traditie is er op sommige plaatsen nog, m.n. met Pasen en Pinksteren, o.a. in Denekamp: paasstaak, En niet te vergeten: de meiboom. ‘In de nacht voor één mei zetten de jongemannen een bloeiende tak onder het raam van hun liefste: zij bieden haar hun levenskracht aan!
Daaraan herinnert het liedje:

Schoon lieveken, waar waardet gij, den eersten meiennacht?
Dat gij mij genen meie bracht?’

Uyldert verklaart in verband hiermee het ontstaan van het kinderspel ‘zakdoekje leggen’

‘Ook werd (bijvoorbeeld op de paasweide bij Arnhem) door de jongemannen een ritueel spel gedaan, waarbij zij een kring vormen als ’enclosure’, waarbij echter de levensgeest of zijn priester achter de jongens om gaat en hem met een graszode of berkentak aanraakt, om hun zijn kracht mee te delen. Degene die aldus is opgeladen loopt de priester achterna, maar als hij niet tijdig de lading terug kan geven door aanraking, moet hij de priester opvolgen. Dit spel, in ietwat gewijzigde vorm, met een zakdoek in plaats van een graszode, spelen onze kinderen nog altijd als ‘Zakdoekje leggen’!

Die levenskracht wordt door alle priesters over de hele wereld – zij noemt de Dalai lama en de paus, uitgedeeld wanneer zij de zegen geven,eventueel met een kwast!’
Het zou om dezelfde kracht gaan als die ‘de opperpriester overbrengt op de vorst bij de kroning of zalving! De kroon zelf beeldt de instroming van gouden zonnekracht door de kruin van de vorst, uit.’

Bij de kroning ontvingen de Europese vorsten een bepaalde geneeskracht die zij door handoplegging door konden geven. Het volk – dat was hun taak – moest kracht en voorspoed ontvangen. Wanneer er hongersnood, oorlog of ander onheil – epidemieën – over het volk kwam, was dat te wijten aan de vorst. Een Deense koning, Knut, die de voorspoed niet kon doorgeven, werd omgebracht.
Uyldert ziet deze handoplegging terugkomen in spelletjes als ‘de tik’.
Dat velen alleen een gekroonde of gezalfde vorst als leider willen en niet een president, zou hier zijn oorsprong vinden.

Op de vrijescholen waar Palmpasen wordt gevierd, prijkt de broodhaan op de palmpaasstok en kan worden gezien als het heilige dier en drager van de kracht van de levensgeest.
Wat ‘zakdoekje leggen’ betreft, komt hij in Vlaanderen voor als ‘de kok’, le cocq

‘Ei kok een ei, de kok zal leggen . . .’

In Vlaanderen brengt de levensgeest als haan eieren rond. Bij ons doet de paashaas dat. In oude godsdiensten zou dit dier een sterk verband hebben met de maan, al bij de oude Egyptenaren.,want het is de maankracht vooral, die, in samenwerking met de kracht van de zon, in het voorjaar de planten doet ontkiemen en uitbotten en de eieren laat leggen, immers de maankracht bouwt de stoffelijke lichamen op naar het etherisch patroon van de erfmassa.’

Pasen is een oeroud feest, historisch de uittocht van het joodse volk uit Egypte,  maar het tijdstip in het jaar waarop dit valt, is in het ritme van het jaar iets speciaals: Pasen wordt gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan na de voorjaars-dag-en-nacht-evening op 21 maart: ‘de dag van de zon, verenigd met de gloriedag van de maan, tezamen het dichtst bij dat punt liggend, waarop er evenwicht is tussen excarnatie en incarnatie, tussen abstractie en concretie, en waarna de concretie en de incarnatie gaan toenemen en de overhand krijgen tot aan de langste dag!’

‘Bij vele volken wordt de geboorte van de godszoon eerst nu gevierd, met Pasen, en de opstanding uit het graf is ermee analoog, want nu komt de plant bóven de grond uit, nadat op midwinter het zaad was gaan kiemen. In dat eerste kwartaal was de abstractie nog groter dan de concretie en bleef het leven nog in het verborgene. In Italiaanse dorpjes wordt op Goede Vrijdag een kruisbeeld naar een spelonk gedragen, dat op paaszondag met gejubel daar vandaan wordt gehaald, want, zo zegt de eenvoudige bevolking: als Christus niet opstaat, hebben wij van ’t jaar geen brood! Deze mensen begrijpen nog de wezenlijke betekenis van Christus als levensgeest, aanwezig in het brood, dat daarom zélf en in wézen heilig is! Zo zagen het ook de Manichaeërs in de derde eeuw van onze jaartelling, die spraken van ’Jezus patibilis’: de in de materie lijdende levensgeest, die zich ’s zomers aan de mensheid wegschenkt om haar te voeden!’

Mellie Uyldert heeft veel verteld over de oude kinderspelen. How frequent die nog in kleuterklassen worden gespeeld, weet ik niet, behalve dan dat ze op vrijescholen nog altijd gebruikt worden, mede om deze bewust of onbewust aanwezig kennis over de levensgeest.

‘De levensgeest gaat om, en doet dit nog in zo menig van ritueel tot kinderspel geworden oud dansje, zoals bij de Springer in het Veld:

’k Moet dwalen, ’k moet dwalen,
langs bergen en door dalen –
daar kwam een kleine springer in het veld,
hij zwaaide met zijn arm, hij stampte met zijn voet –
Kom, wij willen dansen gaan, dansen gaan,
en de anderen moeten blijven staan.

De levensgeest – hier de springer – geeft zijn levenskracht aan iemand die uitverkoren is en met hem moet dansen.

Bij Jan Huygen zit de levensgeest in de ton (moeten we daarbij denken aan het stamlid in de ‘enclosure’? (Zie boven). De levensgeest is zo sterk dat de dansers ten slotte ‘verlamd door zijn sterke uitstraling’ op de grond vallen.

De levensgeest verdeelt zich nu in vele gedaanten, voor elk gewas en elke diersoort één, zou men kunnen zeggen. In de rogge woont hij als de roggewolf, in de boekweit als de koekeloeren-haan, enzovoort. Als op midzomer, de langste dag, de laatste veldgang is gehouden, is ook de laatste uitdeling van levenskracht zichtbaar in het zgn. sint-janslot; het laatste uitlopen van een boomblad. Dan duurt het niet lang meer of de oogst begint, en bij het maaien van het graan meent het boerenvolk, dat het de levensgeest nu verjaagt uit zijn woning in ’t gewas, zodat hij moet vluchten in de laatste schoof op het land! Daarom wordt die met linten versierd en in triomf op de laatste kar mee naar huis gereden en in ere gehouden! – In het dierenrijk, met name bij het vee, wordt de oogsthaan of de oogstos gedood en genuttigd, met dank aan de levensgeest!

Niet alleen wordt de levensgeest gezien als mannelijk, hij! komt ook voor in een vrouwelijke gedaante. Uyldert ziet haar in de gestalte van Irhta of Hertha aanwezig, in Moeder Aarde. Deze is dan weer de bruid van de hemelse levensgeest, van de zon. De godszoon is dan het kind van beide.
Ze verschijnt ook in de Pinksterbruid, de Pinksterblom, zij is mooi versierd met een kroon, ze wordt rondgedragen en aan het eind van de dag geëerd met een vuur: het pinkstervuur of midzomervuur. De bloeiende aarde, gevierd op de dag  ‘die het toppunt van levensmanifestatie in vormenovervloed is, het hoogtepunt der concretie, die na deze dag gaat afnemen, om bij de najaars-dag-en-nacht-evening aan de abstractie gelijk te zijn geworden.

Uyldert ziet in Sint-Joris of Sint-Michaël de gedaante die rond 21 september de levensgeest heeft aangenomen. De draak wordt verslagen: de geest verlaat de materie die daardoor sterft. 
De vrouwelijke vorm van de levensgeest is al ten hemel gevaren (Maria Hemelvaart op 15 augustus) ennu zien wij nog in allerlei landen een stervensritueel vieren. Rond de Middellandse Zee, waar men in het voorjaar ter ere van de wedergeboorte van de jonge Adonis of Attis of Thammuz feestvierde met mandjes met jonge slaplantjes, worden nu vrouwenfeesten gehouden, zoals de oud-Griekse Thesmophoria, waarbij varkentjes (vruchtbaarheidssymbool en totemdier) in een ravijn worden geworpen. Persephone moet nu de aardoppervlakte verlaten en in de onderwereld afdalen voor 4 maanden. Een overblijfsel van zo’n vrouwenritueel vinden wij nog in het kinderspel van Kleine Anna, die ter dood gebracht moet worden:

Kleine Anna zat laatst op enen steen,
daar zat zij zo te wenen!
Daar kwam de boze jagersman,
die hakte haar het hoofdje af –
nu gaan wij haar begraven!

Nu de mens, in een nieuwe cultuurfase, weer iets gaat beseffen van dit ritme van de natuur, dat ons allen voedt en draagt, en van de levensgeest, wonend in alle levende wezens, verschijnen haar moderne gedaanten: de bloemenkoningin, kersenkoningin, heidekoningin, enzovoort!

Ofschoon nog meest onbewust, begint het besef door te dringen, dat alle godsdienst een uitdrukking is van dat wat werkelijk alles: natuur en mens, beweegt en doet leven; van die kracht, die alle levensvormen verschijnen doet en verdwijnen om ze in steeds fijner vorm te herscheppen, de kracht van de éne levensgeest, onder talloze namen bekend en bejubeld, de kracht waaruit wij allen leven, bewegen en zijn!’

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 1: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Ritme, waaronder ritmen in de natuur: alle artikelen

Jaarfeesten, waaronder Michaël, Pasen, Pinksteren: alle artikelen

.

2763

.

.