Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-3)

.

Groenwoorden van Steiner; zwart: de vertaling daarvanblauw: mijn woorden

Enkele gedachten bij blz. 99/100 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

WAT IS DE POSITIE VAN HET IK?

Op blz. 99 gaat het om de belangrijke vraag: hoe is het gesteld met het eigenlijke centrum van de mens, het ik ( ).

In zijn antwoord maakt hij a.h.w. eerst een grote omtrekkende beweging: naar boven ‘de kosmos’, maar ook een om ons heen, zelfs tot onder ons in de aarde.

Was wir Welt, was wir Kosmos nennen, das ist eine Summe von Tätigkeiten.

( ) Wat wij wereld, wat wij kosmos noemen, is een som van activiteiten.
GA 293/101
Vertaald/99

Wereld en kosmos in één adem.

En over deze ‘activiteiten’:

Für uns drücken sich diese Tätigkeiten aus auf den verschiedenen Gebieten des elementaren Lebens. Wir wissen, daß in diesem elementaren Leben Kräfte walten.

Die drukken zich voor ons uit in de diverse gebieden van het elementaire leven. We weten dat er krachten werkzaam zijn in dit elementaire leven.
GA 293/102
Vertaald/99

Hierbij is door de uitgever een voetnoot geplaatst:
elementaire leven: Steiner doelt erop dat de hele natuur doortrokken is van verschillende soorten lagere wezens, ook wel elementair wezens genoemd.  ( )

FUNDAMENTELE KRACHTEN

Ik heb niet de indruk dat Steiner hier deze wezens op het oog heeft, maar het fundamentele van het leven, het basale, dragende belang, van iets dat onmisbaar is voor het bestaan op aarde waar de kosmos dan bij hoort, omdat ook van daaruit fundamentele krachten komen.

We hebben dan onmiddellijk te maken met de aanwezigheid van het minerale vaste, het vloeibare, vocht; met luchtstromen en warmte. Bij deze elementaire verschijningsvormen horen allerlei wetmatigheden: het vaste is sterk onderhevig aan zwaarte, daarbij bv. de aantrekkingskracht naar de aarde; het vloeibare heeft als karakteristiek o.a. het beweeglijke, stromende.
Te denken valt aan rivieren. Maar ook in de mens: dat geldt uiteraard voor het vaste minerale: in het kristallijne van de botten; het vloeibare in het bloed, de lymfe, het weefselvocht; bij de luchtstromen hebben we o.a. te maken met hoge- en lagedrukgebieden, in de mens met de ritmische ademstroom. Er tussenin, er rondom heen, de warmte. En die vormt ook weer een belangrijk element in ons eigen (lichamelijke) bestaan: gebonden aan een vaste temperatuur, van ca 37º, het mag niet veel (5 à 6º) lager of hoger zijn: dan dreigt onmiddellijk levensgevaar.

Hoewel ik ‘op mezelf sta’, een zelfstandig wezen ben, ben ik tegelijkertijd in hoge mate afhankelijk van de mij omringende wereld. Ik zou niet ‘op mezelf kunnen staan’ als ik geen vaste grond onder de voeten had. En ook voor de luchtstroom in mij, ben ik direct afhankelijk van de luchtstromen om mij heen.
In de 1e voordracht (blz. 24) wijst Steiner al op die verbondenheid. In [1-7-2/1] is dit verder uitgewerkt.

Het lichaam is nu eenmaal niet denkbaar zonder de ons omringende omgeving en die strekt zich in wezen in vier richtingen uit: horizontaal links/rechts en verticaal met een boven en beneden.
En ‘tot hoog in de hemel’, van waaruit o.a. zon en maan hun onmiskenbare invloed op het geheel, mens en wereld, uitoefenen. 

Die Lebenskraft waltet zum Beispiel um uns herum. Und zwischen den elementaren Kräften und der Lebenskraft eingesponnen ist alles, was zum Beispiel die Wärme und das Feuer bewirkt. 

De levenskracht bijvoorbeeld werkt om ons heen. En met de elementaire krachten en de levenskracht is alles verweven wat bijvoorbeeld door de warmte en het vuur wordt bewerkstelligd.

Hele bladzijden zijn er gevuld met informatie over warmte of het vuur. 
Hoe het laatste ontstaan is, gaat bv. in de Griekse mythologie terug tot aan de goden. Wat het betekende het niet voor de verdere ontwikkeling van de mensheid.
Wat het vandaag de dag, nu, op dit tijdstip, betekent voor ons leven: het vuur in de bakkerij; in de staalfabrieken of bij de smid; wat het betekent voor de viering van bepaalde feesten: paas- en sintjansvuren, bv.
En altijd de bedreigende kant die ons in ons elementaire bestaan kan vernietigen: brand! 
Ook nu – deze 15e nov. 2019 – wordt Australië geteisterd door enorme branden die het leven van sommige mensen totaal heeft ontwricht!

Steiner maakt nog een uitstapje naar Italië om iets van krachten die vanuit de aarde werken, te illustreren. Zie [6-3-1] nog niet oproepbaar

Denken Sie nur, wie sehr wir in einer Umgebung stehen, in der durch das Feuer sehr vieles bewirkt wird.

Bedenkt u eens dat we werkelijk in een wereld leven waarin door het vuur bijzonder veel wordt bewerkstelligd.
GA 293/101
Vertaald/99

Er zijn nog andere krachten werkzaam, bv. die van de straling. Er is natuurlijke straling, maar ook die door de mens is en wordt veroorzaakt. De meesten van ons leven al hun hele leven ‘doorstraald’. Doet dat iets aan ons en wat dan. 
Ons ‘Ik’ heeft er geen weet van, voelt het niet, zoals we een pijnscheut in bv. de maag voelen. Er zijn ‘gevoelige naturen’ die meer voelen dan een ander, maar ook deze dringen met hun Ik niet door tot wat er daadwerkelijk in ons gebeurt.

Tot de andere krachten rekent Steiner het licht als hogere kracht dan de warmte – hoewel hij dat hier niet zegt, hij heeft het nu over ‘hogere krachten’.

Wir leben in einer Umgebung, die überall von Kräften durchzogen ist.

( ) We leven in een omgeving die overal door krachten doortrokken is

Nun gibt es auch höhere Kräfte als die Wärme. Die sind auch in unserer Umgebung.

Nu zijn er ook hogere krachten dan de warmte in de wereld om ons heen.

Durch sie gehen wir immer durch, indem wir als physische Menschen durch die Welt gehen. Ja, unser physischer Körper, ohne daß wir es im gewöhnlichen Erkennen wissen, ist so geartet, daß wir das vertragen. Mit unserem physischen Körper können wir so durch die Welt schreiten.

Daar begeven we ons voortdurend in wanneer we ons als fysieke mensen in de wereld bewegen. Ja, zonder dat we dat gewoonlijk weten is ons fysieke lichaam zo ingericht dat we dat kunnen verdragen. Met ons fysieke lichaam kunnen we ons daarom bewegen in de wereld.

HET IK IN DE FUNDAMENTELE KRACHTEN

De vraag op blz. 99 luidde: hoe staat het Ik daarin?
Misschien op het eerste gezicht een wonderlijke vraag. Maar als je in ogenschouw neemt dat we ‘er’ met ons Ik ‘wakker’ bij zijn, gaat dat niet op voor ons fysieke lichaam in bv. het geval dat we ons evenwicht verliezen en dat weer moeten herstellen vóór we omvallen, of erger: ergens in de diepte storten.
Er is geen ‘tweespraak’: ‘Gauw, je moet je evenwicht herstellen’. Dan lig je al!
Maar al zóu je dat kunnen zeggen, dan nog zou je niet weten hoe je dat moest doen. We weten wel iets van hamer en aambeeld, maar we hebben er niets aan: ook de oorspecialist die er alles van weet, heeft er ook niets aan: wij kunnen er niet bij komen: kennend wellicht nog een beetje, maar met onze wil al helemaal niet: we kunnen niet ingrijpen. Dat doet ons lichaam voor ons!

‘IK’ ALS JONGSTE LOOT

En passant noemt Steiner hier ons Ik: de jongste loot in onze evolutie,’
Vanuit een bepaalde karakteristiek over de ontwikkeling van de mens(heid) noemt Steiner deze ‘een bewustzijnsontwikkeling’. Vergelijkbaar met de ontwikkeling van een kind dat ook steeds over meer bewustzijnskracht kan gaan beschikken. We bakenen dat graag wat af met de tijd waarop we iemand volwassen noemen. Bij velen is rond die tijd het sterkere gevoel aanwezig een ‘Ik’ te zijn geworden. Ook a.h.w. een jongste loot in een ontwikkeling die met de geboorte begon. Het duurde bv. ca 3 jaar voor je voor het eerst ‘Ik’ zei.

Ons fysieke lichaam geeft zich dus bijna ‘automatisch’ aan vele van de genoemde krachten over. Ons Ik kan dat niet.

Nog niet, zegt Steiner dan, dat komt ooit in verdere ontwikkelingsfasen.
Dat het Ik meer kan in verdere ontwikkelingsfasen, blijkt wel uit de ontwikkeling van de individuele mens – vergelijk het 3e jaar met bv. het 21e – maar hoe dat in de mensheidsgeschiedenis gaat, weten we niet, in ieder geval niet zoals Steiner schijnt te weten.

IK IN HET KENNEN

Dat we op de een of andere manier beschermd moeten worden voor te veel bewustzijn van de ons omringende krachten – ook die in ons doorwerken – kan ik me nog wel voorstellen. 
Als we werkelijk zo diep daarin zouden moeten doordringen dat we er alles van weten en ermee kunnen handelen, zouden we wel heel erg gebonden zijn aan onze lichamelijkheid. Zoals je leert fietsen: helemaal met je aandacht bij, bijna in de trappers en het stukje weg. Voor niets anders aandacht meer.

Voor mij doemde lang geleden het beeld op van het kijken naar de tv. Je kijkt naar een beeld – als het opgenomen is – niet meer naar de realiteit.
(De relatie beeld-realiteit behandelt Steiner al uitvoerig in de 2e voordracht).
Wat er bij het uitzenden en ontvangen allemaal gebeurt aan techniek – wanneer je daarin zo met je Ik aanwezig zou zijn dat je alle straling, omvorming en alles wat daarbij nog verder gebeurt, technisch-fysiek zou moeten meemaken, zou je aan tv-kijken niet meer toekomen. Wat er allemaal technisch gebeurt, blijft ons bespaard: het beeld is genoeg, sterker: daar gaat het om!

Mit unserem Ich, das die jüngste Bildung unserer Evolution ist, könnten wir nicht durch diese Weltenkräfte schreiten, wenn dieses Ich sich unmittelbar an diese Kräfte hingeben sollte. Dieses Ich könnte nicht an alles sich hingeben, was in seiner Umgebung ist und worin es selbst drinnen ist. Dieses Ich muß jetzt noch davor bewahrt werden, sich ergießen zu müssen in die Weltenkräfte. Es wird sich einmal dazu entwickeln, in die Weltenkräfte hinein aufgehen zu können. Jetzt kann es das noch nicht. Deshalb ist es notwendig, daß wir für das völlig wache Ich nicht versetzt werden in die wirkliche Welt, die in unserer Umgebung ist, sondern nur in das Bild der Welt. Daher haben wir in unserem denkenden Erkennen eben nur die Bilder der Welt, was wir vom seelischen Gesichtspunkte aus schon angeführt haben.
Jetzt betrachten wir es auch vom geistigen Gesichtspunkte aus. Im denkenden Erkennen leben wir in Bildern; und wir Menschen auf der gegenwärtigen Entwickelungsstufe innerhalb VCo Geburt und Tod können mit unserem vollwachenden Ich nur in Bildern von dem Kosmos leben, noch nicht in dem wirklichen Kosmos. Daher muß, wenn wir wachen, unser Leib uns zuerst die Bilder des Kosmos

Met ons ik, de jongste loot in onze evolutie, kunnen we ons niet temidden van deze kosmische krachten begeven, althans als het zo zou moeten zijn dat het ik zich direct aan deze kosmische krachten overgeeft. Dit ik zou zich niet aan alles kunnen overgeven wat om hem heen is en waarin het zelf is opgenomen. Dit ik moet er in de huidige ontwikkelingsfase nog voor behoed worden te moeten uitstromen in de kosmische krachten. Eens zal het zich zo ontwikkelen dat het kan opgaan in de kosmische krachten. Nu kan het dat nog niet. Daarom is het noodzakelijk dat we met ons volledig wakkere ik nog niet leven in de werkelijke wereld om ons heen, maar slechts in het beeld van de wereld. En daarom nu hebben we in ons denkend kennen slechts beelden van de wereld – wat we ook al gezegd hebben vanuit het oogpunt van de ziel. Nu bekijken we dit ook vanuit geestelijk oogpunt. In het denkend kennen leven we in beelden, en wij mensen kunnen in de huidige ontwikkelingsfase tussen geboorte en dood met ons volledig wakkere ik slechts in beelden van de kosmos leven, maar nog niet in de werkelijke kosmos. Daarom moet ons lichaam ons, wanneer we wakker zijn, eerst de beelden van de kosmos verschaffen. Dan leeft ons ik in de beelden van deze kosmos.

Denn der wirkliche Vorgang dabei ist der: Wenn das Ich des Morgens in den Wachzustand übergeht, so dringt es in den Leib ein, aber nicht in die physischen Vorgänge des Leibes, sondern in die Bilderwelt, die bis in sein tiefstes Inneres der Leib von den äußeren Vorgängen erzeugt. Dadurch wird dem Ich das denkende Erkennen übermittelt.

Want in werkelijkheid gebeurt er het volgende: wanneer het ik ’s morgens in de waaktoestand overgaat, dan dringt het door in het lichaam, maar niet tot in de fysieke processen van het lichaam, nee, het dringt door in de beeldenwereld die het lichaam tot in zijn diepste innerlijk van de processen in de buitenwereld ontwikkelt. Daardoor krijgt het ik het denkende kenvermogen.
GA 293/102
Vertaald/100-101

IK IN HET VOELEN

Iets soortgelijks, maar toch weer anders, speelt zich voor het Ik af bij het voelen en het willen.

Beim Fühlen ist es anders. Da dringt schon das Ich in den wirklichen Leib ein, nicht bloß in die Bilder. Wenn es aber bei diesem Eindringen voll bewußt wäre, dann würde es – neIimen Sie das jetzt seelisch – buchstäblich seelisch verbrennen. Wenn Ihnen dasselbe passierte beim Fühlen, was Ihnen passiert beim Denken, indem Sie in die Bilder, die Ihnen Ihr Leib erzeugt, mit Ihrem Ich eindringen, dann würden Sie seelisch verbrennen. Sie würden es nicht aushalten. Sie können dieses Eindringen, welches das Fühlen bedeutet, nur träumend, im herabgedämpften Bewußtseinszustande erleben. Nur im Traume halten Sie das aus, was beim Fühlen in Ihrem Leib eigentlich vor sich geht.

Bij het voelen is het anders. Bij het voelen dringt het ik wel door tot in het werkelijke lichaam en niet slechts tot in de beelden. Maar wanneer het ik daarbij het volle bewustzijn zou hebben, dan zou het — neemt u dit als ziele-ervaring letterlijk — verbranden. Wanneer u bij het voelen hetzelfde zou overkomen als bij het denken, namelijk dat u met uw ik in de beelden die het lichaam u verschaft doordringt, dan zou u als zielewezen verbranden. U zou het niet uithouden. U kunt dit doordringen van het ik — het voelen — slechts dromend, met verminderd bewustzijn, meebeleven. Alleen dromend kunt u uithouden wat bij het voelen eigenlijk in uw lichaam gebeurt.
GA 293/103
Vertaald/101

IK IN HET WILLEN

Und was beim Wollen sich abspielt, das können Sie überhaupt nur erleben, indem Sie schlafen. Das wäre etwas ganz Schreckliches, was Sie erleben würden, wenn Sie im gewöhnlichen Leben alles miterleben müßten, was mit Ihrem Wollen vor sich geht. Der entsetzlichste Schmerz ergriffe Sie zum Beispiel, wenn Sie, was ich schon andeutete, wirklich erleben müßten, wie sich die durch die Nahrungsmittel dem Organismus zu- geführten Kräfte beim Gehen verbrauchen in Ihren Beinen. Es ist schon Ihr Glück, daß Sie das nicht erleben beziehungsweise nur schlafend erleben. Denn wachend dies erleben, würde den denkbar größten Schmerz bedeuten, einen furchtbaren Schmerz. Man könnte sogar sagen: das Erwachen ins Wollen besteht darin, daß für den Menschen, insofern er ein wollender ist, der Schmerz, der nur latent bleibt, betäubt wird durch den Schlafzustand im Wollen.

En wat zich bij het willen afspeelt, dat kunt u enkel en alleen meebeleven wanneer u slaapt. Het zou een verschrikking zijn wanneer u in het dagelijks leven alles zou moeten meemaken wat er in uw willen gebeurt. Een afgrijselijke pijn zou u bijvoorbeeld overvallen wanneer u werkelijk zou moeten meebeleven hoe in uw benen de krachten die via het voedsel in het organisme zijn opgenomen verbruikt worden bij het lopen. Prijst u zich gelukkig dat u dat niet hoeft mee te maken, respectievelijk alleen slapend meemaakt. Wanneer u dit in waakbewustzijn zou moeten beleven, zou dat de allergrootste pijn, een afgrijselijke pijn oproepen. We kunnen zelfs zeggen: zouden we in de wil wakker worden, dan zou ons de pijn die normaal gesproken latent blijft voor de willende mens, die verdoofd wordt door de slaaptoestand in het willen, tot bewustzijn komen.
GA 293/104
Vertaald/101-102

Wat het Ik beleeft in denken – voelen – willen is onderwerp van [6-4] (nog niet oproepbaar)

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1954

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde vdr. 6 (6-1)

.

Groen: woorden van Steiner; zwart: de vertaling daarvan; blauw: mijn woorden

Enkele gedachten bij blz. 98 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

DE KERN VAN DE MENSELIJKE ZIEL: HET ‘IK

Vanaf voordracht 6 bekijkt Steiner de mens vanuit een geestelijk standpunt. Wellicht is dat de reden dat hij nu pas langer stilstaat bij het Ik van de mens. 
Ook zijn visie op de mens vanuit het standpunt denken – voelen – willen bv. kan niet om dit Ik heen: immers: IK denk, ÍK voel en IK wil. Dat geldt eigenlijk voor elk gezichtspunt dat over onszelf gaat: het gaat mijn Ik direct aan. 

In de vorige voordrachten laat hij het vrijwel ongemoeid, maar nu gaat een groot deel van de voordracht over de positie van het Ik.

Steiner noemt het Ik hier: ‘het eigenlijke centrum’ van de mens.

Wat is er zoal te ontdekken aan ‘dit eigenlijke centrum’?

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?

Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste drie te blijven: IK denk, IK voel en IK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden. Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, of hardop, alsof je met een tweede persoon spreekt! Met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling. Veel mensen hebben deze ervaring.
(Ook bij het etherlijf zagen we een soort twee-deling: richting fysiek lichaam en richting ziel (gewaarwordingsziel)
Maar ook bij het astraallijf: richting etherlijf en richting bewustzijn(sziel)
Op een bepaalde manier geldt dit ook voor het Ik. Dat wordt nog duidelijker in de beschouwingen verderop in de voordracht.

GEWETEN

Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn? Je blijkt ook je eigen geweten te kunnen onderzoeken. Het geweten onderzoeken van iemand anders, is in wezen onmogelijk.

PERSOON

Wanneer iemand zich aan een ander voorstelt, zegt deze vaak: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans bv. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:  “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker. Het ‘personare’ in de betekenis van ‘doorheen klinken’: je ziet het wel niet – er zit een masker voor – maar daar klinkt wel iets van mij doorheen.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN

Bij denken, voelen en willen: is het mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie (of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN

Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd dat ik denk en wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil. En gevoelens kunnen verwarrend zijn, dan ‘weet je het niet echt hoe het met je zit’.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil, die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen – hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets ergert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S

Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.
GA293/119
Vertaald/116

Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.
GA 293/129
Vertaald/126

Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Bedenkt u goed dat u de mens als geesteswezen alleen kunt kennen door hem altijd van drie gezichtspunten uit te beschouwen. Maar u bent er niet wanneer u steeds maar weer ‘geest! geest! geest!’ zegt.
GA 293/138
Vertaald/134

Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven
GA 293/153
Vertaald/150

Zo zijn er tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:

Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

Het hoeft niet te verbazen dat Steiner als geesteswetenschapper over ‘de geest in ons’ – ons Ik – veel heeft gezegd. En dat weer op de voor hem karakteristieke manier: door te karakteriseren vanuit verschillende standpunten:

Durch das Selbstbewuβtsein bezeichnet sich der Mensch als ein selbständiges, von allem übrigen abgeschlossenes Wesen, als „Ich“.

Door het zelfbewustzijn kan de mens zich bestempelen als een zelfstandig wezen, afgezonderd van al het overige, als een ‘Ik’.
GA 9/48
Vertaald/4?

Im „Ich“ faβt der Mensch alles zusammen, was er als leibliche und seelische Wesenheit erlebt.
Leib und Seele sind die Träger des Ich; in ihnen wirkt es.
Wie der physische Körper im Gehirn, so hat die Seele im „Ich“ ihren Mittelpunkt.

In dat woordje „Ik” omvat de mens alles wat hij als lichamelijk wezen en als zielswezen beleeft. Lichaam en ziel zijn de dragers van het „Ik”, dat in hen werkt. Zoals het fysieke lichaam ten opzichte van de hersenen, zo vindt de ziel haar middelpunt in het „Ik”.

Das „Ich“ bleibt als die eigentliche Wesenheit des Menschen ganz unsichtbar.

Het „Ik” als het eigenlijke wezen van de mens, blijft onzichtbaar. 

Mit seinem Ich ist der Mensch ganz allein.

Met zijn „Ik” staat de mens helemaal alleen. [op zichzelf gesteld]

Dieses „Ich“ ist der Mensch selbst. Das berechtigt ihn, dieses „Ich“ als seine wahre Wesenheit anzusehen.

Dit „Ik” is de mens zelf. Het geeft hem het recht om dit „Ik” als zijn ware wezen te beschouwen.

Er darf deshalb seinen Leib und seine Seele als die „Hüllen“ bezeichnen, innerhalb deren er lebt; und er darf sie als leibliche Bedingungen bezeichnen, durch die er wirkt.

Hij mag op grond daarvan zijn lichaam en zijn ziel als omhulsels zien, waarbinnen hij leeft, en hij mag ze als zijn lichamelijke voorwaarden aanduiden, waardoor hij kan werken. 

Das Wörtchen „Ich“ ist ein Name, der sich von allen anderen Namen unterscheidet.

Het woordje „Ik” is een naam die zich van alle andere namen onderscheidt.
GA 9/48
Vertaald/4?

Es kann ihn keiner anwenden zur Bezeichnung eines andern; jeder kann nur sich selbst «Ich» nennen. Niemals kann der Name «Ich» von außen an mein Ohr dringen, wenn er die Bezeichnung für mich ist. Nur von innen heraus, nur durch sich selbst kann die Seele sich als «Ich» bezeichnen. 

Het woordje ‘Ik’ kan niemand gebruiken met betrekking tot een ander; elk mens kan alleen zichzelf ‘Ik’ noemen. Nooit kan de naam ‘Ik’ van buiteneaf naar mij toe komen als men mij bedoelt. Alleen van binnenuit, alleen door zichzelf kan de ziel zich ‘Ik’ noemen.
GA 9/50
Vertaald/4.

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 6: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1953

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (73)

.

De vereniging TEGEN DE KWAKZALVERIJ

trekt al jaren ten strijde tegen alles wat in de geneeskunde niet ‘wetenschappelijk’ is.

Dat er af en toe iemand of iets wordt ‘ontmaskerd‘ vormt wellicht een bestaansrecht voor deze vereniging.

Maar het uitgangspunt is tóch: de wetenschap van maat, gewicht en getal.

De ‘materialistische’ leden hebben hun eigen imago flink opgepoetst: ze geven een prijs uit aan wat in hun ogen het slechtst scoort op het veld van de geneeskunde.

Deze ‘meester Kackadorisprijs‘ suggereert dat de vereniging PRECIES weet wat wel en niet bij de geneeskunde hoort. Dat ze dus een autoriteit is op dit gebied.

In die visie past geen ‘ziel’, nog minder ‘geest’ en de antroposofische geneeskunde moet het bij deze club dan ook van tijd tot tijd ontgelden.

Dat geldt ook voor de homeopathie die de vereniging liever vandaag dan morgen verboden zag.

Ze vermeldt dan ook met trots dat in Frankrijk voor geen enkel ‘alternatief middel’ nog een ziekenfondsvergoeding zal worden gegeven: de middelen zijn niet wetenschappelijk bewezen.

Allopathie: dat is het.

De vereniging tegen de kwakzalverij lijkt daarmee een spreekbuis van de grote geneesmiddelenindustrie, dus ook van de farmaciemaffia.

KOORTS

In de antroposofische geneeskunde is koorts nooit iets geweest om te bestrijden: die wordt (deels) gezien als een hulp van het lichaam om een ziekte de baas te worden.

Nog niet zo lang onderschrijft nu ook de reguliere geneeskunst dit fenomeen: in ‘Proceedings of the Royal society‘ schrijven Canadese artsen: (het gaat hier om een griepvirus) ‘koorts is juist een uitvinding van de natuur om het virus te bestrijden.’

Sterker nog: paracetamol en/of ibuprofen, gebruikt om koorts te verlagen bij griep, heeft tot gevolg dat het aantal griepbesmettingen toeneemt – in Noord-Amerika met tienduizenden met ruim duizend extra doden.
Paracetamol tegen griep kost juist veel levens

Daarover horen we de vereniging niet.

Ook nooit eens over de gevaarlijke kant van de medicijnen als ze verkeerd worden gebruikt of bij juist gebruik, vaak door hun bijwerkingen.
Jaarlijks zo’n 200.000 doden.

Daarover horen we de vereniging ook nooit.

Een reden om zich daar zelf eens de Kackadorisprijs voor te geven, zal er wel niet in gevonden worden. 

.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1951

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5)

.

Marjolein Wolf in gesprek met Arie Bos, Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr. 16

.

De huid is geen grens, maar een toegangspoort

Veel ouders zijn ervan overtuigd dat bepaalde oliën en zalven voor zwangeren en baby’s prettig in het gebruik zijn en soms een beetje helpen. Maar dat bijvoorbeeld zwangerschapsolie echt helpt striae te voorkomen, dat geloven ze niet.

De huid laat toch niets door? Maar zo is het dus niet: bepaalde stoffen kunnen hun genezende werking juist hebben dankzij de huid. Een gesprek met huisarts Arie Bos.

Als we het over de zintuigen hebben, dan denken we in eerste instantie aan ogen, oren, mond en neus. We zouden dan wel bijna ons grootste zintuig vergeten: de huid, hét instrument van onze tastzin. Maar niet alleen qua oppervlakte is de huid de baas. Je zou zelfs met enige overdrijving kunnen zeggen dat het leven ooit is begonnen en nog begint met dit orgaan.

Arie Bos: ‘Je kunt naar de huid op verschillende manieren kijken, bijvoorbeeld vanuit de evolutie. De allereerste wezentjes van de evolutie zijn weekdiertjes als wormen en slakken. Zij hebben maar één orgaan om mee waar te nemen: de huid. Ze ruiken via de huid en proeven via de huid. Er schijnt zelfs een soort zeester te zijn die licht en donker via de huid kan ‘zien’. De huid is dus een van de eerste organen die gevormd is binnen het evolutieproces.’

Open en kwetsbaar

‘Als een baby net geboren is, speelt de huid een ongelooflijk belangrijke rol.
Het pasgeboren kindje probeert vanaf de eerste dag een helder beeld te krijgen van de wereld om zich heen en is daardoor voortdurend aan het kijken, horen, ruiken, proeven en tasten. Hierdoor ontstaat bewustwording van de eigen identiteit en afgrenzing: er ontstaat een ‘binnen’ en een ‘buiten’. Dat aftasten doet hij met heel zijn lichaam, dat is één groot tastorgaan.’

De huid is het enige zintuig dat meteen na de geboorte klaar is om zijn functie te vervullen. Dit in tegenstelling tot de oogjes en de oortjes, die ‘aan de buitenkant’ wel gevormd zijn, maar nog niet voldoende ontwikkeld om hun taak op zich te nemen. Om die reden hebben de signalen die het kindje in de eerste maanden van zijn leven via zijn huid ontvangt, meer impact op zijn ontwikkeling dan bijvoorbeeld geluiden. ‘Communicatie via de huid is zelfs van levensbelang’, vervolgt Arie Bos. ‘Dat blijkt uit experimenten met dieren die na hun geboorte niet werden aangeraakt. Ze stierven of vertoonden eenmaal volwassen ernstige gedragsproblemen. Dergelijk onderzoek toont aan dat contact via de huid dus letterlijk van levensbelang is. En juist omdat de babyhuid nog zo onervaren is, kun je je voorstellen dat het ook belangrijk is hoe je die aanraakt. Bij een zachte, liefdevolle aanraking geef je als het ware liefde door. Bovendien is het goed om het groeiproces van de baby op die manier te stimuleren. Met name via de huid zou ik zeggen, omdat de andere zintuigen nog niet zo zijn ontwikkeld. De huid is niet, zoals men vaak denkt een grens, maar een poort.’

Een extra beschermend laagje

Aanraken, masseren, knuffelen, het draagt allemaal bij aan een gezonde ontwikkeling, zoals ook kleertjes van natuurlijke stoffen zoals katoen of linnen. Maar ook op fysiek vlak is de huid meer open. Bij een baby bijvoorbeeld vindt de celdeling in de huid veel sneller plaats dan bij volwassenen en is de huid ook vijf keer zo dun. Die grotere interne activiteit maakt dit orgaan extra kwetsbaar, waarom ook wordt aangpraden het kleine kind met behulp van een olie of een zalf (op natuurlijke basis) een extra beschermend laagje te geven.

Door een olie of lotion op onze huid te smeren, gaan we (met behulp van de ingrediënten) als het ware een gesprek aan met onze huid. Dit heeft op verschillende niveaus effect. Om te beginnen zitten er in een olie of lotion werkzame stoffen, die door de huid worden omgezet en laag voor laag dieper het lichaam in worden getransporteerd.

Lange tijd werd gedacht dat dit slechts in beperkte mate gebeurde: de werkzame stof zou aan de oppervlakte van het lichaam blijven en alleen in de bovenste laag zijn werk doen. Maar daar is men van teruggekomen en binnen de geneeskunde wordt nu ook volop gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de huid biedt als toegang naar andere delen van het lichaam.

Veel oliën of lotions doen hun werk specifiek in één van de drie huidlagen. Elke laag heeft namelijk zijn eigen functie. In de onderste, derde laag bijvoorbeeld waar het onderhuids bindweefsel zich bevindt, vinden de stofwisselingsprocessen plaats. Het is een soort vetmantel om je heen, die als stootkussentje fungeert en je beschermt tegen warmteverlies. Het is ook de laag waar je warmte in kunt genereren, bijvoorbeeld door een product te gebruiken waar rozemarijn in zit.

Volgens Arie Bos kunnen we ook nog op een ander niveau kijken naar het gebruik van oliën en lotions. ‘Als je serieus neemt dat de huid bij uitstek een waarnemend orgaan is, dan realiseer je je ook dat zij kan waarnemen wat voor stof bij hem naar binnen dringt en hoe zij daarop moet reageren. De huid is een communicatieorgaan dat die boodschap oppikt.’»
.
Tastzin: alle artikelen, onder nr.2

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

Dit is een ingekorte versie van het interview met Arie Bos in het Weleda Verloskundigen Forum najaar 2004 15

.

1946

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ritme (3-22)

.

Johannes Knijpenga, Jonas jrg.10, nr.11
.

MAANKRACHTEN
.

Er zijn in het leven verschillende ritmen, die meer of minder belangrijk zijn voor het begrip van onze levensloop en de hantering daarvan. Een daarvan is dat van de perioden van ongeveer 18 jaar en 7 maanden en 10 dagen. Dat wil dus zeggen, als men dichter bij 19 dan bij 18 jaar is, met 37, 56 en bijna 75 jaar. Dat zijn de zogenaamde maanknopen

Een klein beetje astronomie is nodig om het belangrijke van deze levensperioden te zien. We kennen allen de baan van de zon langs de hemel. Deze loopt van oost naar west en ligt in de zomer hoger boven de horizon dan in de winter. De maan volgt voor de oppervlakkige waarneming dezelfde baan, maar dat klopt niet helemaal. De baan van de maan maakt met de zonnebaan een hoek van 5°. De beide banen staan dus scheef op elkaar.

De baan van de maan ligt voor de helft onder de zonnebaan en voor de helft erboven. Waar de beide banen elkaar snijden, spreken we van een maan-knoop. Als de maanbaan boven de zonnebaan uit gaat stijgen, noemen we dat een opstijgende knoop (∧), terwijl we van een afdalende knoop spreken (∨) als de maan lager gaat staan dan de zonnebaan. De zon en de maan kunnen elkaar op deze punten ontmoeten (bij volle maan) en dan treedt een zonsverduistering op, maar dat is voor ons thema niet van belang. Wel van belang is dat door de ingewikkelde bewegingen van de maan en het feit dat de zon haar baan in een jaar doorloopt, terwijl de maan dat in een maand doet (ruim 29 dagen) en dan bovendien 12 maanmaanden 12 dagen korter zijn dan een zonnejaar, deze maanknopen iedere maand verschuiven en wel ongeveer 20° per jaar. Dat betekent dat de maanknopen zich na 18 jaar, 7 maanden, 10 dagen weer op dezelfde plaats bevinden. Zoals alles bij de hemelverschijnselen is dit ook niet precies en kan iedere keer iets verschillen 1).

Ongeveer 18 2/3 jaar dus na onze geboorte doet zich bij de stand van zon en maan dezelfde situatie voor als bij de geboorte zelf en zo dus ook telkens 18 2/3 jaar later. Dat betekent dus niet dat dat samenvalt met de maanknopen in de kosmos. Ieder mens heeft hier zijn eigen ritme. Het is een typisch voorbeeld van het vrij worden van het kosmische ritme. De kosmische wetten worden hier individueel. Wat betekenen deze maanknopen nu eigenlijk? Van belang is niet dat de zon en de maan elkaar daar ontmoeten, maar dat hun banen elkaar snijden. Want deze banen, die dus een zwak-elliptische cirkel om de aarde beschrijven, begrenzen daarmee een bepaalde sfeer. Men denke zich dat een ander mens voortdurend om ons heen loopt. Dat is dan de sfeer waarmee hij ons omhult. Zo kan men zich de zonnesfeer en de maansteer denken ten opzichte van de aarde (1)

De maan heeft te maken met het ontkiemen, maar ook met de geboorte. Legt men de gegevens van de geboorte vast, zoals veelal in de erfelijkheidsleer gebeurt, dan ontstaat er verstarring, het beeld dat wij kennen van de maan als dode slak. De zon daarentegen zorgt voor de groei, de verdere ontwikkeling naar de vrucht toe. Maar dit wil ook zeggen: naar de dood toe. Als deze laatste realiteit niet wordt gezien ontstaat vervluchtiging, onttrekken aan de werkelijkheid. We hebben zowel de maan- als de zonnekrachten beide in het leven nodig. Waar ze elkaar ontmoeten ontstaat een nieuwe kans van een nieuwe geboorte, een ontkiemen, dat tot groei en ontwikkeling kan worden, maar ook verstarring en dood zijn daar aanwezig. De dood wórdt kiem van nieuw leven of ze brengt verstarring.

Wanneer we nu dit ritme van 18 2/3 jaar in het mensenleven nagaan, blijkt daar telkens een crisispunt te liggen. Het is telkens de herhaling van de ge-boortesituatie. Deze geboortesituatie houdt in dat het geestelijke wezen van de mens zich gaat uitdrukken in de materie van het lichaam. Deze materie werkt ten dele mee en is ten dele weerbarstig. Voor de geest betekent dit aan de ene kant een nieuwe mogelijkheid, aan de andere kant de aanraking met de dood, want de materie draagt de dood in zich.

Bij de eerste maanknoop met 18 à 19 jaar, ontstaat vaak een crisis die gepaard gaat met een morele zelfveroordeling, die zelfs tot een vernietigingsdrang kan leiden, tot zelfmoord of de neiging ertoe. Het is ook de leeftijd waarop de liefde serieus gaat worden. De kalverliefdes van de puberteit zijn voorbij, de standvastigheid van de liefde voor het leven is er nog niet, maar wel de diepte van het beleven dat de echte liefde kenmerkt. Op de liefde voor het vaderland wordt op deze leeftijd niet tevergeefs een beroep gedaan. Dat dat ook in Nederland geldt bewezen deze leeftijdsgroepen in de Tweede Wereldoorlog.

De eerste maanknoop is ook het tijdstip voor de beroepskeuze. Het is verwerpelijk dat die keuze al vaak eerder moet worden gedaan door de vroege schoolverlaters en door diegenen die het slachtoffer zijn van de vroege specialisatie in het onderwijs. De eerste maanknoop is het juiste tijdstip omdat de herinnering aan onze geboorte-impuls (aan datgene wat we als geestwezen wilden vóór onze geboorte) tot leven komt, maar ook omdat op dat moment een nieuw ingrijpen van de geest mogelijk is, een werkelijke nieuwe geboorte, waarbij de geest de materie opnieuw grijpt. Het is als het ware een nieuwe incarnatie, waarbij het beroep belangrijk is omdat het beroep vanaf dat moment in belangrijke mate ons levenslot mede bepaalt.

Hiermee hangt ook samen de emancipatie van het ouderlijk huis, het verlaten van de geboortesfeer. De jonge mens, die te lang na dit tijdstip thuis blijft hangen of financieel van de ouders afhankelijk blijft, verburgerlijkt zeer snel of ontlaadt zijn onbehagen in agressie. Ouders zouden wegen moeten zoeken om hun kinderen te onderhouden voor de studie bijvoorbeeld, zonder dat ze zich afhankelijk voelen.
Creativiteit in kunstzinnig opzicht en in sociale vormen (organisaties stichten en leiden!) is voor de verdere levensontwikkeling nu van het allergrootste belang, want dan kan de geest zich als schepper beleven in de materiele wereld. Dat helpt voorkomen dat de materie de geest gaat overheersen (‘ik zal mezelf zo duur mogelijk trachten te verkopen’, uitzien naar een beroepsopleiding die een lucratieve baan lijkt te garanderen en andere dergelijke burgelijke deugden).

Op 37-jarige leeftijd ongeveer komt er een andere crisis. Dat kan bijvoorbeeld een beroepscrisis zijn. Die kan optreden als men vastgelopen is in het beroep maar ook juist als men carrière heeft gemaakt en dan ineens die afbreekt om iets anders te gaan doen. De afgelopen jaren waren zinvol, maar ze waren het. Als het lukt om binnen het eigen beroep een zinvolle vernieuwing aan te brengen, is men gered. Soms is wisselig van beroep de juiste oplossing.

Ook in het huwelijk treedt een crisis op. Vaak valt die ongeveer samen met het 12 1/2 jaar getrouwd zijn en dan verhevigt de crisis zich. De oplossing wordt gezocht in een nieuwe liefde, die het gevoel van herboren zijn geeft (voor een korte tijd). Nog een kind krijgen is vaak voor de vrouw een (schijn)oplossing. Helpen doet dit alles in werkelijkheid niet, want het komt erop aan in te zien dat een zekere vervulling is bereikt; het gaat niet meer vanzelf verder, men heeft de positie bereikt, die binnen eigen capaciteiten en de mogelijkheden van buitenaf ligt. En nu dreigt het sterven opnieuw, sterven in de berusting (‘het zal mijn tijd wel uitdienen’, ‘ik zit hier goed’) of het sterven in de illusie van de vlucht in een nieuwe relatie of situatie. Men kan immers zichzelf niet ontlopen, men neemt zichzelf mee, maar in de poging zichzelf te ontvluchten sterft men vaak in het jachtig zoeken naar iets nieuws, naar sensatie of in het dodende zitten voor de televisie, wat dan de naam krijgt dat men toch moet weten wat er in de wereld te koop is.

In het sociale leven raakt men in deze jaren vaak vervreemd van de kring waarin men leefde. Er ontstaan onprettige verhoudingen met vroeger vereerde ouderen, die niet zo vererenswaardig blijken te zijn. Voor de jongeren, die de kring binnentreden, is men de vorige generatie, enzovoort. Zelf ervaart men dit vaak als een grotere afstandelijkheid, een meer verobjectiveren van huwelijk en werk. Daar ligt dan ook de mogelijkheid van genezing. Want het is de periode waarin men zich opnieuw moet losmaken van het verworvene om een nieuwe geboorte door te maken, de geboorte van het Ik, dat nu werkelijk verantwoordelijkheid aandurft voor het vormen van het leven vanuit ideeën. Deze ideeën worden niet meer door het werk of de omgeving gegeven; men moet ze zelf vinden en uitwerken. Rudolf Steiner noemt dit de ontwikkeling van de bewustzijnsziel. Die komt niet vanzelf. Inzicht in de levensloop, gevolgd door de wil tot verantwoordelijkheid zijn hier de grondslagen voor een nieuwe geboorte, die over dood en vereenzaming en vervreemding heenvoert.

De derde maanknoop ligt in het 56e levensjaar, als men bijna 56 wordt. Deze knoop valt samen met de 8e en laatste van de z.g. 7-jaar-perioden. Misschien hangt het daarmee samen dat deze knoop bijzonder kritiek is. Het is de leeftijd waarop velen gaan aftellen hoeveel jaren hen nog scheiden van het pensioen; vaak heeft het werk teleurgesteld; men heeft niet de positie bereikt, die men had verlangd en waarop men recht meende te hebben; men is door jongeren gepasseerd. Zelf leeft men in de stemming dat de jongeren het toch niet kunnen en dat het ‘in onze jeugd’ toch wel beter ging; men had meer verantwoordelijkheidsbesef dan de huidige generatie, enzovoort. Voor vele vrouwen komt, tesamen met de menopause, het gevoel dat de zin van het leven voorbij is. Ze worden over-actief in zinloze orde of juist volkomen lethargisch.

Dit alles kan ook tot een ernstige gezondheidscrisis leiden. Voor de Eerste Wereldoorlog gingen veel mannen op deze leeftijd dood. Al deze dingen gelden voor de mens die zichzelf vooral als biologisch wezen beleeft. De dood wordt dan op deze leeftijd heel reëel. Wie sterker staat in het religieuze of wereldbeschouwelijke, voor zover deze beide spirituele krachten nog of weer werkzaam zijn, is zeker niet voor de beschreven verschijnselen gevrijwaard. Min of meer kent iedereen deze crisis. Maar men kan dan ook juist bij deze maanknoop een enorme vernieuwing ervaren, als men door deze dood heenkomt. Zelfs kan het gebeuren dat de crisis van 56 jaar de poort wordt waardoor men toegang vindt tot een spirituele levenshouding. En dat betekent dan dat men een nieuwe scheppingsperiode kan beleven.

Wat verworven is en gekund wordt, kan nu een verdieping ondergaan vanuit de vertrouwdheid met de dood. De tijd van het grootouder zijn begint, ook als men geen kinderen of kleinkinderen heeft. De grootouders zijn voor het kleine kind vererenswaardige wezens. Wie de nodige zelfkritiek bewaren kan, zal door deze verering niet minder worden maar zichzelf kunnen vinden aan wat kinderen in je zien. Dit is een algemene aanduiding die ook geldt voor wie geen grootvader of grootmoeder is in biologische zin. Degene, die op deze leeftijd overwint, wordt de werkelijke leidersfiguur als hij de mogelijkheid vindt aan jongeren hun plaats te geven. Ook in de gezondheid kunnen heel nieuwe levenskrachten optreden, als het ware minder aan de biologische levensprocessen gebonden.

Dit is een proces dat zich voortzet tot aan de volgende maanknoop met ongeveer 75 jaar. Hoewel niet ver meer daar vandaan past het de schrijver van dit artikel toch daarover te zwijgen, omdat eigen ervaring ontbreekt. Wel kan men zeggen dat de kans om te sterven zeer reëel wordt en dan wordt de nieuwe geboorte werkelijk nieuw: een geboorte van de geest, los van het lichaam. Zou men dat niet met een zekere vreugde tegemoet kunnen zien, als men heeft mogen beleven hoe de vorige maanknopen telkens een overwinning brachten, bij de eerste vaak nog door aanleg en natuur geschonken, bij de tweede reeds meer bewust veroverd, bij de derde alleen mogelijk in vol bewustzijn en door afstand te doen. Zou dan niet het afstand doen van dit aardeleven gemakkelijker vallen?

Wie deze overwinningen niet heeft mogen beleven, zal de laatste levensjaren als veel moeilijker ervaren als degene die in dankbaarheid op zijn leerproces mag terugzien, dankbaarheid tegenover de maankrachten, die ons met bepaalde kwaliteiten en moeilijkheden in het leven hielpen, dankbaarheid ook tegenover de zonnekrachten, die ons geholpen hebben crisissen te overwinnen en in positieve winst om te zetten, voor zover het ons gelukt is (2).

1) De geïnteresseerde lezer vindt meer hierover in: Elisabeth Mulder, Zon, maan en sterren, 2e druk, Uitg. Christofoor.
Zie verder: Rinke Visser, Astrosofie, Zeist 1979. Uitg. JonasBoek, Vrij Geesteleven.
2) Beknopt en niet zo expresselijk maar in ruimere samenhang vindt men de maanknopen ook beschreven bij Bernard Lievegoed, De levensloop van de mens, Uitg. Lemniscaat en
Diether Lauenstein, Wetmatigheden in de menselijke levensloop, Uitgeverij Christofoor.

.

Ritme: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1945

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kinderbespreking (1-4/3)

.
(tekst in blauw van mij)
In de vorige artikelen over ‘kinderbespreking’ (1-4 e.v.) [1] ging het om het thema ‘te sterke of te zwakke Ik-ontwikkeling.
In het m.i. zeer waardevolle boek: ; Pedagogie, een kunst, een kunde’ behandelt Christie Amons de 4e voordracht uit GA 302A  ‘Meditativ erarbeitete Menschenkunde’, vertaald te vinden inMenskunde innerlijk vernieuwd’,

Zij zegt o.a.:

De leerkracht krijgt in deze voordracht veel in handen om het kind te kunnen begeleiden. Het gaat om menskundig inzicht en om didactische mogelijkheden. Er worden wegen gewezen om het kind beter te leren waarnemen en oog te krijgen voor zijn mogelijkheden en beperkingen. Bijzonder is de flexibiliteit die aangesproken wordt. De ontmoeting tussen leerkracht en leerling doet een appèl op de actualiteit van ieder moment in het opvoedingsproces. Als de leerkracht uit tegenwoordigheid van geest handelt, is dit de voorwaarde van kunstzinnig werken en wederzijds liefdevol respect.

In het vrijeschoolonderwijs gaat het niet alleen om kennisoverdracht. 
De makkelijk uitgesproken zin ‘dat het kind centraal’ moet staan, gaat voor de vrijeschoolleerkracht een stapje verder: wie is dit kind, wat brengt het mee en hoe help ik het verder.
Voor Rudolf Steiner is ieder kind een raadsel, ‘dat de leerkracht moet oplossen’.
Om dit raadsel te kunnen benaderen gaf hij gezichtspunten die o.a. genoteerd staan in de genoemde 4e voordracht.
Christie Amons schetst in haar hoofdstuk niet alleen de essenties van deze voordracht, maar beschrijft eveneens het ruimere perspectief van waarnemen, inleven, afwegen, dat voor de leerkracht een absolute voorwaarde is om met de inhoud van deze 4e voordracht zinvol voor het betreffende kind te kunnen werken. Geen recepten, geen labels, maar een dieper verbinden met het ‘raadselachtige’.

Amons:

In de vierde voordracht wordt door Rudolf Steiner de blikrichting van het Ik gekozen dat zich, gedragen door het astrale lichaam, met de lichamelijkheid van het kind verbindt. Er treedt daarmee een proces van individualisering op, waarbij van binnenuit oplichtend, persoonlijke kenmerken zichtbaar worden in de verschillende zevenjaarsfasen. In de eerste zeven jaren is de nabootsing van belang, wil het Ik zich met het fysieke lichaam kunnen verbinden. In de tweede zevenjaarsfase ligt er een belangrijke taak voor de leerkracht in het onderwijs om de werkzaamheid van het Ik in het nu ‘geboren’ etherlichaam te begeleiden. En zo ligt er ook een dergelijke taak in de derde zevenjaarsperiode met betrekking tot het astrale lichaam.
Deze begeleiding is noodzakelijk omdat het Ik zich zowel te diep als te weinig met de lichamelijkheid kan verbinden. Dit is een steeds wisselend proces, waarbij van moment tot moment van meerdere of mindere binding sprake is. Daarbij kan de constitutionele geaardheid van het kind een sterker accent oproepen naar de ene of andere zijde toe. In alle gevallen moet de leerkracht naar de juiste balans, het juiste evenwicht helpen zoeken.

Hoe belangrijk dit is wordt zichtbaar als de te eenzijdige binding of te geringe verbondenheid door Rudolf Steiner in beeld wordt gebracht. Bij sterk opzuigen van het Ik wordt de mens een te materieel wezen, wordt te sterk afhankelijk van zijn lichaam, een feit dat tot in denken en gedrag gevolgen heeft. Uiteindelijk kan dit leiden tot gewelddadigheid, zelfs tot misdadig gedrag. Zijn er ook lichamelijke kenmerken aanwezig die op een te sterke verharding wijzen, dan is het des te meer noodzakelijk dat de leerkracht een Ik-bevrijdende beweging helpt op te roepen.

Wanneer het Ik echter te veel buiten het organisme blijft, komt de dromer, dweper of fantast in beeld die niet in staat is de juiste verhouding tot het praktische leven te vinden. Daarbij wordt het appèl om te helpen sterker wanneer deze tendens tot een te geringe verharding ook lichamelijk zichtbaar wordt. In beide gevallen wordt ter oriëntatie op de vorming van het hoofd gewezen (overigens wel in bewoordingen die nu minder vanzelfsprekend begrepen worden dan het in 1920 het geval moet zijn geweest).

De praktische vraag hoe er geholpen kan worden, krijgt vervolgens in de voordracht uitgebreid de aandacht. Om Ik-bindende en Ik-bevrijdende activiteiten te onderscheiden, is het behulpzaam deze in de tekst verschillend gekleurd te onderstrepen. Dan wordt pas echt zichtbaar hoe levendig het weefwerk is in het balanceren tussen een teveel en te weinig binden. Wat beschreven wordt zou men als een ademproces kunnen zien met een eerste accent op de inademing, een tweede accent op de uitademing. De muzikale-woordstroom wordt vooropgesteld, zoals deze oefenend, het Ik aansprekend, in het organisme moet doorwerken en zich daarin moet verankeren. Het gaat daarbij om rekenen en geometrie, om klankgeheugen of bijvoorbeeld het muzikale aspect van de taal. Daarmee worden kosmische krachten ‘ingeademd’.

De plastisch-architectonische stroom wordt zichtbaar gemaakt als gestalte-vormende krachten met de omgeving van het kind worden verbonden. Dat gebeurt in het doen, als het kind tekent, maar ook in het beeldend voorstellen bij vakken als aardrijkskunde of geschiedenis. Het gaat dan vooral om gevoels-betrokkenheid bij de aarde waarop de mens leeft, bij persoonlijkheden uit de geschiedenis. Hierbij wordt een beweging van binnen naar buiten aangesproken. Doch steeds weer kan het nodig zijn iets terug te nemen in de tegenbeweging; dat vergt opmerkzaamheid en alert handelen van de leerkracht.

Centraal in de voordracht staat het ademende als proces, dat microkosmos en macrokosmos verbindt. Dat (macrokosmisch) stikstof en zuurstof gemengd zijn in de lucht en geen chemische verbinding aangaan, wordt als voorwaarde genoemd, opdat in de microkosmos mens astraal lichaam en etherlichaam zich vrij tot elkaar kunnen verhouden. Daardoor kan het bondgenootschap van Ik en astraal lichaam zich bij het ademhalen, maar ook bij het waken en slapen zo tot het etherlichaam en fysiek lichaam verhouden, dat binden en ontbinden als beweeglijk proces mogelijk wordt.

Na dit centrale gedeelte komt de ‘grote adem’ aan bod van de incarnerende mens als zodanig, die zijn levensweg tegemoet gaat. Beweging die tot rust komt en rust als kiem voor nieuwe beweging is het thema dat opklinkt.
In de geestelijke wereld is de mens voortdurend in beweging opgenomen. Om het fysieke bestaan binnen te komen, moet de mens deze beweeglijkheid echter afleggen. Daarbij helpt datgene wat zich als hoofd gaat ontwikkelen. Het hoofd zoals dit uit kosmische krachten gevormd wordt, is als het ware de wagen die het Ik het leven binnendraagt. Daar kan het tot rust komen. Dit is mogelijk omdat de overige organisatie, die uit aardse (erfelijkheids)krachten gevormd is, de beweging overneemt.

Kosmische en aardse krachten komen elkaar in de menswording tegemoet. Deze visie werpt niet alleen nieuw licht op de embryologie (waarbij hoofd en romp-ledematen in hun ontstaansgeschiedenis onderscheiden moeten worden), maar heeft tevens betekenis voor de blikrichting van de leerkracht. Want ook in latere ontwikkelingsjaren is dit samenspel tussen kosmische en aardse werking waar te nemen. Bij het beschouwen van het hoofd is dan plastisch-kunstzinnige inleving vereist; romp en ledematen moeten dynamisch, muzikaal-euritmisch begrepen worden.
Dit laatste aspect krijgt nu de volle aandacht. Het gaat erom de invloed van vooral de ledematen op de bewegingsgestalte te begrijpen. Niet de vorm in directe zin, maar de lengte en het gewicht van de ledematen spelen een rol. Het gaat om de dimensie licht-zwaar, die tot te licht of te zwaar kan doorwerken. Het voorbeeld van lange armen en zware handen die eerder de neiging oproepen tot slaan dan korte armen en kleine handen, laat zien dat morele problematiek kan ontstaan in aansluiting op wat constitutioneel gegeven is.

Voor de leerkracht betekent een dergelijke kunstzinnige benadering dat hij oog krijgt voor het lot dat zich constitutioneel uitdrukt. Het behoedt hem of haar ervoor vanuit te snelle eigen emoties te oordelen of te handelen. Er kan ruimte ontstaan om van het kind te houden, werkelijk zoals het is. Karmisch begrip wekt de kracht om liefdevol op te voeden. Het kind dat voelt dat de leerkracht hem begrijpt, zal zich ook voor moeilijke taken willen inzetten, ter wille van deze leerkracht van wie hij op zijn beurt gaat houden. Zo kan de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling ontstaan, in de ontmoeting van mens tot mens, ieder met zijn eigen Ik-ontwikkeling.

In de structurele opbouw is een spiegeling van thematiek rond het midden van de voordracht te herkennen (vierde stap). Het ademen geeft daarbij de essentie aan van wat de hele voordracht doortrekt, namelijk het thema van de juiste balans, het flexibele evenwicht tussen tegenstellingen. Binden-ontbinden en kunstzinnig onderwijs met zijn ademende kwaliteit behoren daartoe.

De voordracht opent met het Ik, zoals dit individualiserend in zevenjaarsfasen op de wezensdelen inwerkt. De taak van de leerkracht is balancerend tussen een te sterke of te zwakke Ik-binding dit beweeglijke proces te ondersteunen (eerste stap). Belangrijk is het menskundig inzicht op grond waarvan de leerkracht deze processen kan waarnemen en zo ook het kind kan gaan helpen. De voordracht eindigt met de wezenlijke Ik-ontmoeting tussen leerkracht en leerling, waarbij primaire emoties overwonnen worden. Liefdevolle interesse met oog voor het lot van het kind is de basis van ware, kunstzinnige pedagogie. Het gaat om de juiste verhouding tussen leerkracht en leerling (zevende stap).

In ‘zeven stappen vat de schrijfster van het hoofdstuk de voordracht (nogmaals) samen. Zie daarvoor het boek.

Helpend bij wat geworden is, ontmoetend dat wat worden wil als ademend proces, zo zou men de zeven stappen in hun totaliteit voor zich kunnen zien.

Terugblik

Terugkijkend op het werk aan deze voordracht is een aantal gezichtspunten voor mij van bijzonder belang geworden.

Het besef dat slechts verantwoord over constitutionele verschillen tussen kinderen gesproken kan worden, als de mens als geestelijk wezen begrepen wordt. Pas in relatie tot het Ik als kern van de persoonlijkheid krijgen deze verschillen hun betekenis, als mogelijkheid en beperking op de biografische leerweg. Dat de mens uniek is en zijn eigen lot moet vinden, opent juist ook de weg tot respect voor datgene waarmee hij in zijn leven te maken krijgt. Als het om kinderen gaat, wordt vanuit dit besef van hun eigen Ik en eigen lot de pedagogische en ook therapeutische wil geboren om te helpen.

Het appel om methodisch exact, maar met kunstzinnige instelling naar de gestalte en het gedrag van het kind te leren kijken.Verrassend is het zeker dat men de vormen van het hoofd anders moet leren waarnemen dan de overige gestalte en vooral de armen en benen. Inlevend waarnemen van het hoofd vereist het meebeleven van de expressie van plastische krachten in de vormgeving, alsof men een beeldhouwer is. De ledematen daarentegen geven een impressie van hun bewegingsmogelijkheid als men zich dynamisch (muzikaal-euritmisch) in een bewegingsverloop kan inleven. Eigen kunstzinnige activiteit is een voorwaarde om dit inlevend waarnemen te scholen.

Dat de verschillende kwaliteit van de blik op de rugzijde van het kind of de frontale ontmoeting nog vele geheimen in zich draagt. Dit stimuleert tot verder onderzoek om deze dimensie bewuster te gaan hanteren. Het gaat nu om de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind, waarbij de levenservaring meespeelt, en de werkzaamheid van het Ik pas echt zichtbaar wordt. Constitutioneel leren waarnemen en persoonlijk ontmoeten zijn de voorwaarden om dit perspectief‘achter-voor’ te gaan ontwikkelen.
.

[1] Bovenstaande artikel vormt met [1-4/1)] en [1-4/2] min of meer een geheel.
.

Kinderbespreking: alle artikelen

.

1935

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6/3)

.

Drs. S.C.Derksen, ‘de Vacature’, 06-01-1976
.

AGRESSIE, GEWELD EN TV
.

Er is nog hoop voor de wereld, als we met ons allen de grootste ziekte van deze wereld, het denken in geweld, gaan bestrijden (Born, nobelprijswinnaar).

Het vorige artikel sloten we af met de conclusie dat er wel degelijk verband bestaat tussen het geweld in de televisieprogramma’s enerzijds en de toenemende agressiviteit anderzijds. Dat dit niet een bewering zonder meer is, blijkt overduidelijk uit het beschikbare onderzoeksmateriaal. Voor serieuze wetenschapsmensen als Wertham, Berkewitz, Glück, Hacker, Bandura en anderen staat het zonder meer vast dat een bepaald soort televisieprogramma’s een schadelijke invloed heeft op de geestelijke volksgezondheid – in het bijzonder op die van jongere en labiele kijkers. Bekend in dit opzicht is ook een rapport dat is uitgebracht door de commissie-Eisenhouwer (broer van de ex-president), en waarin op grond van een aantal feiten de televisiemensen wordt voorgehouden, eindelijk eens te stoppen met de bewering dat men met de onderzoeksresultaten op dit gebied twee kanten uit kan. Dit rapport is ook verschenen als documentatie van de N.O.S. (nr. 19), maar heeft in ons land, zelfs in eigen kring, weinig publiciteit gekregen.

In ons land is er de betrekkelijk recente dissertatie van dr. T. Fris „Gelegenheidsagressie“, die eveneens tot grote voorzichtigheid maant. Trouwens vele televisiemensen zijn diep in hun hart waarschijnlijk zelf evenzeer van de schadelijke invloed van het geweld op de tv overtuigd als genoemde onderzoekers. Hoe anders te verklaren dat bijv. de Amerikaanse televisiemakers na de moord op J.F. Kennedy vrijwillig de hoeveelheid geweld in hun programma’s gingen beperken. Dat deze televisiemakers na verloop van tijd weer in hun oude fout vervielen doet aan de zaak niets af. Ook de N.O.S. heeft in 1969 besloten tijdens het journaal minder gruwelijke beelden van de Vietnamoorlog uit te zenden omdat men bang was dat de gevoelens van medelijden van de kijkers anders te sterk zouden afstompen.

Des te meer bevreemdt het daarom dat van de zijde van de televisie steeds weer een poging wordt gedaan om de invloed van het geweld op de tv te bagatelliseren. Zo stelde niet zo lang geleden de V.P.R.O.-publiciteits-secretaris, Ad Kooyman, in een interview in „Trouw” en in een artikel in „Vredesopbouw” dat er tegengestelde meningen bestaan ten opzichte van de schadelijke werking van bepaalde televisieprogramma’s. Als bewijs voor zijn stelling haalt hij dan een uitspraak aan van een Amerikaanse deskundige Wilbur Schramm, die zegt dat sommige televisie-uitzendingen voor sommige kinderen onder bepaalde omstandigheden nadelig zijn, voor andere kinderen onder dezelfde omstandigheden of voor dezelfde kinderen onder andere omstandigheden juist goed. Kooyman – en andere televisiedeskundigen doen dit meestal ook – vergeet dan echter dat Schramm aan deze uitspraak heeft toegevoegd, dat alleen al de mogelijkheid van schadelijke effecten, dus ook wanneer het overtuigende bewijs nog ontbreekt, als een voldoende reden beschouwd moet worden om actie te voeren tegen een frequente presentatie van geweld. De samenleving moet in een zo belangrijke en gevaarlijke zaak als deze niet gokken, aldus Schramm. Dit laatste doen onze televisiemakers wel en in zo verre zijn ze medeplichting aan een niet gering aantal gewelddaden. Ook de kijker die door zijn belangstelling voor een grote kijkdichtheid van deze programma’s zorgt, gaat hier in principe niet vrij uit.

Een vraag die men hier kan stellen is, hoe het komt, dat terwijl zo velen zich kritisch tegen de foute maatschappelijke structuren opstellen, er zo weinig mensen zijn die protesteren tegen de culturele verloedering van onze samenleving. Lezing van een boekje als „Weimar-culture” (van Peter Gay) kan hierbij tot pijnlijke conclusies leiden.

Modelfabrieken van onmenselijkheid

Natuurlijk moeten we hier oppassen voor al te eenvoudige vergelijkingen, maar het lijkt niet te gewaagd te constateren dat de wereld weer in toenemende mate „bedreigd wordt door een overmaat aan geweld, en dat waakzaamheid ten opzichte van een bepaald soort film- en televisieprogramma’s dringend gewenst is. De reeds genoemde Amerikaanse psychiater Wertham noemde naar aanleiding van een onderzoek naar het geweld in kinderprogramma’s film- en televisie modelfabrieken van onmenselijkheid.

Speciaal voor kinderen die nu eenmaal moeilijk onderscheid kunnen maken tussen fictie en werkelijkheid is hier de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden. Dit houdt ook voor de onderwijsmensen een groot stuk verantwoordelijkheid in. Een betere geïnformeerdheid en een grotere probleembewustheid zijn op dit gebied noodzakelijk. Daarnaast is er een grote behoefte aan goede alternatieven (meer mogelijkheden tot zelfontplooiing in de opvoeding, meer geduld en liefde in de omgang tussen opvoeder en kind, betere mogelijkheden voor ontspanning; vooral de sport biedt goede mogelijkheden voor het op onschuldige wijze afreageren van agressieve spanningen, meer aandacht voor spannende en gezonde kinderlectuur, enz.). In de hogere leerjaren zal men ook moeten proberen de leerlingen inzicht te geven in de achtergrond van eigen gedrag en in het gedrag en de motieven van anderen. Op die manier zal een nieuwe wijze van conflictoplossing, waarbij zoveel mogelijk van geweld wordt afgezien, ingeoefend kunnen worden. Daartoe is o.m. een hoger niveau van psychische volwassenheid nodig. Tenslotte is het nodig dat nieuwe identificatiemodellen worden ontwikkeld. Speciaal in het geschiedenisonderwijs, waarover we het een volgende keer eens hopen te hebben, worden deugd en moed nog maar al te vaak vereenzelvigd met de figuren van het slagveld, en is de held nog maar al te vaak degene die de ander het leven heeft genomen in plaats van heeft helpen leven. Een betrekkelijk recent Unesco-onderzoek heeft daarover zeer onthullende dingen opgeleverd. Ook in het onderwijs dient een nieuwe erecode te worden ontwikkeld, waarin de ‘moed van het kwaad’ door de „courage du bien” dient te worden vervangen, en elke verheerlijking van het geweld is verdwenen. Verbetering van de levenscondities en vermindering van het geweld zijn, zoals uit het voorgaande hopelijk is duidelijk geworden, absolute voorwaarden voor het voortbestaan van de mensheid geworden.

De zachte krachten

Een belangrijk punt is nog het geweldverschijnsel in onze samenleving. Een verschijnsel dat ongetwijfeld met een surplus aan onbehagen samenhangt. Uiterste waakzaamheid is op dit punt geboden, en de school zal o.a. andere identificatiemodellen en meer en betere altematieven voor de menselijke
agressiedrift moeten bieden (sport is een van de weinig overgebleven afleidingsmogelijkheden van agressie in een wereld die steeds armer wordt aan scheppende arbeid maar helaas komt ook deze sport hoe langer hoe meer in de sfeer van commercie en efficiency te liggen). Daarnaast is elke verheerlijking van geweld of oorlog uit den boze.

Van Ghandi, die beroemd is geworden door zijn politiek van geweldloosheid is bekend, dat hij eens gezegd heeft dat de wereld nog slechts gered kon worden door “the wisdom of the women”.

Eigenaardig genoeg werd deze uitspraak later herhaald door de oude vechtjas Mac Arthur, n.b. de man die in 1952 de atoombom tegen China had willen gebruiken.

Beiden bedoelden hiermee dat de wereld behoefte heeft aan meer mildheid en meer zachtheid. Henriëtte Roland Holst bracht dit al eerder onder woorden toen ze sprak van „de zachte krachten die het zouden winnen op het eind”. Haar tijdgenote en geestverwante, de edele Rosa Luxemburg die (al in 1919) onder moordenaarshanden viel, ging eveneens uit van de stelling dat de menselijkheid en tederheid uiteindelijk van doorslaggevende betekenis zouden zijn. Hoe ongeloofwaardig deze uitspraken in onze tijd ook mogen klinken, zonder betekenis zijn ze toch niet.

Als er in de opvoeding wat meer accent gelegd zou worden op deze zachte krachten, dan zou de huidige harde lijn (stoere mannenheroïek) in onze samenleving mogelijk gaan verdwijnen, er zou meer eerbied voor het leven ontstaan en het vermogen tot liefhebben en tot medelijden zou worden gestimuleerd. Het was een dichteres die schreef:

Er is maar één ding
beter dan de mens,
een ander mens

(Ellen Warmond)

Door vast te houden aan dit besef van menselijke solidariteit d.i. door zich één te voelen met de slachtoffers van deze wereld en zich actief in te zetten voor een herstel van de menselijke waarden kan de opvoeder een belangrijke bijdrage aan de vrede leveren. Een absoluut néén tegen allé geweld, en alle vertoon daarvan is dan echter een van de dingen die absoluut noodzakelijk zijn.

Uit: S.C. Derksen „Hoe leren we de vrede“.

Deel 1 en deel 2 van deze artikelenreeks

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen  onder 19 over tv

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.