Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (5)

.

Houd je het vol als (vrijeschool)leerkracht?
Uit eigen ervaring weet ik dat het ‘glijden naar de vermoeidheidsput’ langzaam gaat, het ‘hellend vlak’ is aanvankelijk niet zo steil. Maar ineens is daar toch de rand van het gat en het is geen prettige toestand als je (daar) in(-)stort.
Inzichten als onderstaande en de later genoemde verwijzingen naar ‘burn out’  e.d. kunnen je voor het te laat is, inzicht verschaffen in waar jij je op de helling bevindt.

.
Ineke van der Duijn Schouten i.s.m. George Maissan, huisarts, Weledaberichten

.

Hoe ga ik om met m’n energie
.

Energiek de dag instappen en met plezier beginnen aan de dingen die je van plan was: voor sommige mensen is dit de gewoonste zaak van de wereld, terwijl anderen er heel wat voor over zouden hebben als hun energiehuishouding op peil zou zijn. Waarvan is het afhankelijk of je genoeg energie hebt om uit te voeren wat je voor ogen staat? Waardoor loop je leeg en waardoor kun je weer opladen?

De woorden ‘energie hebben’ zeggen ons in de regel weinig, tot het moment dat we ons realiseren dat onze energievoorraad niet onuitputtelijk is. Het kan na een energievolle jeugd een grote schok zijn te merken dat er grenzen zijn aan wat een mens kan hebben aan inspanningen, slaaptekort of werkdruk.

Als je vaak heel laat naar bed gaat, te hard werkt of er steeds ’s nachts uit moet vanwege een ziek kind, eist dat op den duur zijn tol. Nu hoeft het overschrijden van grenzen niet meteen te leiden tot overspannenheid of uitputting, maar het kan je energie en daarmee je levensvreugde aanmerkelijk verminderen.

Opmerkelijk is dat je niet alleen je energie kunt kwijtraken door te hard van stapel te lopen. De tegenpool, te weinig om handen hebben, te weinig stress en te veel slapen, kan net zo goed alle energie wegzuigen. Hoewel de druk van buitenaf dan bijna geheel afwezig is, heeft ook deze situatie geen positief effect op ons energieniveau. Waar liggen dan wel de bronnen van onze energie?

Perspectief en creativiteit

Als je goed kijkt naar mensen met een onverwoestbare energie, dan valt op dat dit bijna altijd mensen zijn die zich doelen stellen. Energie krijgen hangt kennelijk samen met het zien van een reëel toekomstperspectief. Dit reële toekomstperspectief heb je niet bij een depressie, die zich juist kenmerkt door het ontbreken van energie en een positieve kijk op de toekomst. Je hebt het ook niet bij een te rooskleurige voorstelling van de toekomst, met te hoge idealen die je toch niet kunt verwezenlijken, want ook daar kan het energieniveau uiteindelijk behoorlijk kelderen.

Een andere kunst die je bij energieke mensen kunt afkijken is hun creativiteit, hun vermogen om waar dan ook ontdekkingen te doen. Dat hoeven niet meteen spectaculaire ontdekkingen te zijn. Als je naar mineralen kijkt of naar moderne kunst en je ziet daarin iets wat je eerder niet zag, dan kan je dat veel fut geven. Ook een boeiend gesprek waarin je op nieuwe gedachten komt, kan je zo’n impuls geven dat je weer bergen kunt verzetten.

De balans opmaken

Een bijzonder vruchtbare manier om er bij jezelf achter te komen waardoor je energie kwijtraakt en waardoor je je oplaadt, is om een energiebalans op te maken. Allereerst stel je jezelf de vraag: waardoor loop ik eigenlijk leeg? Het werkt het beste om de vraag op te schrijven en er een hele serie antwoorden onder te zetten. Antwoorden kunnen zijn: door te veel te praten, of te veel alcohol drinken, of alles te lezen wat los en vast zit. In het begin valt het  misschien niet mee om op de passende antwoorden te komen, maar op den duur kom je die zeker op het spoor.

Bijna altijd blijkt het om activiteiten te gaan waarbij je niet helemaal betrokken bent of waarbij de dingen met je op de loop gaan.

Vervolgens stel je jezelf de vraag: waardoor laad ik weer op? Dan kom je bijvoorbeeld tot de ontdekking dat je bijtankt door naar de film te gaan, naar je lievelingsmuziek te luisteren, of naar planten te kijken. Hier gaat het meestal om dingen die je echt zelf wilt. Tegelijk gaat het erom dat je loskomt van je gewoontes. Bij bijtanken kun je ook denken aan lichamelijke opbouw: met een warm bad, goed uitslapen, een massage, een bezoek aan de kapper of de sauna leg je als het ware een eerste energielaag aan van waaruit je andere
krachtgevende activiteiten kunt ontplooien.

Valkuilen en gesprek

Neem je je energiebalans onder de loep, dan liggen er verschillende valkuilen op je te wachten. De eerste is dat je jezelf vergelijkt met anderen, wat hier weinig zin heeft. De een is nu eenmaal sneller uitgeput dan de ander, of kan juist veel langer doorgaan tot de grens is bereikt. De vraag waar het hier om gaat is heel persoonlijk, namelijk ‘wat zijn mijn gegevens bij het kwijtraken en opladen van mijn energie?’
Een tweede valkuil is het oordeel dat vrijwel onmiddellijk de kop opsteekt als je iets wilt opschrijven. Zulke oordelen zijn bijvoorbeeld dat je niet moe hoort te zijn, dat je altijd moet kunnen werken, of dat het onzinnig is om geld aan een concert te spenderen.
De derde valkuil is de angst om jezelf tegen te komen. Je kunt dan namelijk tot de ontdekking komen dat je bepaalde dingen eigenlijk helemaal niet wilt veranderen. Het mooie is echter dat dit ook niet hoeft. Er is niemand waar je je voor moet verantwoorden. Het gaat uitsluitend om zelfkennis.

De vraag ‘waardoor laad je op en waardoor loop je leeg’ kan ook aanleiding zijn voor een gesprek met een goede vriend of vriendin.

De ervaring leert dat dit heel inspirerende (en dus energie gevende) gesprekken kunnen zijn. Iedereen worstelt immers in meerdere of mindere mate met dit thema. Zo’n gesprek is het meest effectief als je van tevoren de rollen afspreekt: de een praat en de ander luistert, zonder vooroordelen. De volgende keer kun je dan de rollen omdraaien. Hoewel de oplaad- en leeglooppunten vaak heel individueel zijn, kun je elkaar hierdoor ook op ideeën brengen.

Het voordeel van een dergelijk gesprek, dat overigens ook in een briefwisseling of als zelfgesprek in een dagboek kan plaatsvinden, is dat je met afstand kijkt naar je eigen gewoontes. Je schept daarmee de ruimte voor nieuwe ontwikkelingskansen en je genereert daardoor nieuwe energie.

.

Bij dit artikel stond deze illustratie:

Er was geen naam bij vermeld, maar wellicht is deze ook van Sonia van der Klift, zoals in dit artikel.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkracht: alle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

2693

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-3)

.

Kinderen worden weleens ziek. Het is de taak van de ouders, vaak amen metl de arts, om het kind weer te genezen. 
Dat is niet de taak van de school – ook m.i. niet die van de vrijeschool. ‘Gezondmakend onderwijs’ is wel een term die daar gebezigd wordt, maar wat ziekte betreft, gaat het er hier meer om dat aan de gezondheid van de kinderen geen afbreuk wordt gedaan, sterker: dat die laatste door het onderwijs wordt bevorderd.

Steiner heeft veel gesproken over de ontwikkeling van kinderen en zijn gezichtspunten vormen een grote basis voor het pedagogisch-didactisch werken op de vrijeschool.
Hij heeft in zijn pedagogische voordrachten ook een paar keer gesproken over de kinderziekten in samenhang met de ontwikkeling van het kind.

Ouders die zich hierin verdiepen kunnen enthousiast zijn voor deze ideeën of ze verwerpen. Dat is hun vrijheid. Evenals het hun vrijheid is om hun kind wel of niet te laten vaccineren. De school mag daarin nooit een stem hebben.
Dat er veel ouders zijn die voor deze ideeën enthousiast zijn, maakt dat er op de vrijescholen minder ingeënte kinderen zijn dan gemiddeld op andere scholen.

Dat leidt er vaak toe, dat de vrijescholen verweten wordt ‘antivax’ te zijn.
Dat is niet terecht. De school hoeft en heeft geen standpunt in te nemen: dat is aan de ouders.

Dat er op deze blog soms artikelen over dit onderwerp verschijnen, is geen propaganda vanuit de vrijeschool, maar dient als voorlichting over hoe er in antroposofische kring over kinderziekten wordt gedacht.

.

Edmond Schoorel, Weledaberichten nr. 165, Pasen 1995

.

DE ZIN VAN KINDERZIEKTES

.

Wat zijn ‘kinderziektes’? Het klassieke rijtje is kinkhoest, waterpokken, rode hond, bof, mazelen en roodvonk. Het zijn ziektes die je in de kindertijd doormaakt, als je er tenminste niet tegen ingeënt bent. Dat ze zich in deze eerste levensfase voordoen, komt doordat ze zo besmettelijk zijn: kom je ermee in aanraking en sta je er voor open, dan heb je het te pakken. Dat je ze na die periode niet meer krijgt, heeft te maken met de vatbaarheid: heb je de ziekte eenmaal doorgemaakt, dan ben je in principe immuun.

Je kunt kinderziektes ook benoemen als ‘alles wat een kind aan infectieziekten krijgt en waarbij het iets doormaakt wat het daarna niet meer hoeft te leren’. Dit is een wat bredere kijk, want het klassieke rijtje gaat al lang niet meer op: er bestaan tegenwoordig allerlei ‘nieuwe’ kinderziektes. Zo is er een pseudo-kink-hoest en zijn er allerlei vlekjesziekten die proberen na te doen doen wat de rode hond eigenlijk van plan was.

Deze pseudo-ziekten – het woord zegt het al – geven een slap aftreksel van de klassieke ziekte. Het is nogal een verschil of je anderhalve dag wat vlekjes hebt of flink aangedaan bent door de rode hond. Dat is kwalitatief een andere ervaring. Blijkbaar laten de kinderziektes zich niet zomaar aan de kant zetten, en is er sprake van een (essentiële) ervaring die een kind daardoor opdoet.

Een infectieziekte laat een kind niet onberoerd, daar blijft iets van achter in het immuunapparaat. Het immuunapparaat is het biologische geheugen en in die zin een uitdrukking van het ik, want je geheugen bepaalt wat en wie je bent. Het antwoord op de: vraag ‘wie ben ik’, wordt dus mede bepaald door de ervaringen op lichamelijk niveau. Wat zijn dan de ervaringen die de kinderziektes geven?

Bof

De kinderziektes verschillen enorm van elkaar, dat kan iedereen zien. Kenmerkend voor de klassieke kinderziektes is dat een kind even niet meer zichzelf is. Dat wat karakteristiek is voor het kind gaat eruit, wat karakteristiek is voor de ziekte komt erin. Een bof-kind bijvoorbeeld is even helemaal de bof: het heeft een onpersoonlijke bolle kop. Lachen, huilen, eten, het doet allemaal zeer. Het contact met de buitenwereld is dus behoorlijk verstoord. Aangedaan zijn de speekselklieren, soms de alvleesklier (buikspeekselklier) en de geslachtsorganen. Een ziekte dus die van buiten naar binnen gaat, over een centraal stuk van de spijsvertering. Anders gezegd, hoe treed ik mijn buitenwereld verterend tegemoet. Het strijdveld van de bof is: sta ik mijn mannetje ten opzichte van de buitenwereld, kan ik dat ‘behapbaar’ maken, heb ik slagkracht genoeg om de buitenwereld te verteren? Kan ik mijzelf tot uitdrukking, tot ontwikkeling brengen, doordat ik de buitenwereld opneem en omvorm, zodat deze tot mijn dienst wordt? De bof is het persoonlijk worden op fysiek niveau. De geslachtsorganen zijn in dit geval het gebied van ‘het later een geslachtsrijp herkenbaar mens worden’.

Kinkhoest

Kijk je naar de kinkhoest, dan krijg je een totaal ander verhaal. Het kind is niet zo erg ziek, maar de ziekte is wel erg hinderlijk: het duurt zes weken en ze hoesten maar door. Een ziekte met drama. En niet alleen voor het zieke kind met z’n indrukwekkende hoest- en stikbuien. Ook voor het gezin, dat uitgeput kan raken door wekenlange gebroken nachten. Niet ‘even flink koorts, snel er vanaf’, maar lang volhouden, geduld hebben, niet boos worden: een lange adem hebben. Vooral emotionele prikkels, zoals lachen, schrikken en huilen, roepen de hoestprikkel op. De kinkhoest is óók verbonden met ‘hoe sta ik in de wereld’ (dat zijn alle kinderziektes), maar nu niet ten opzichte van de fysieke wereld en de vertering, maar ten opzichte van de ademwereld. Het aangedane gebied, de longen, is het gebied waarin wij als mens het meest openstaan voor de buitenwereld. Diezelfde lucht die dan weer binnen, dan weer buiten is: het gaat hier om wisselwerking. Hier is het strijdveld ‘ben ik in staat om dat, wat op mij afkomt en mij beroert, te verwerken en daar iets tegenover te stellen’. Je ziet bij astma- of bronchitiskinderen vaak dat ze na de kinkhoest veel minder of soms helemaal geen last meer hebben: het longgebied is dan echt eigendom geworden.

In principe immuun:

Het immuunsysteem heeft het nodig om af en toe ‘opgefrist’ te worden. Dit gebeurt door in contact te komen met de ziekte. Omdat de kinderziektes steeds minder voorkomen, kan het gebeuren dat een doorgemaakte kinderziekte opnieuw optreedt als je er na (te) lange tijd weer mee in aanraking komt.

Waterpokken

Waterpokken is een betrekkelijk geringe klus. Kinderen zijn er wel heel kriebelig van: letterlijk en figuurlijk. Geen ziekte waarbij je je eens lekker laat vertroetelen, want de hele dag door ben je ongemakkelijk. Alles jeukt, kriebelt en is te warm. Ook hier is het kind geraakt, maar dan heel oppervlakkig: het beroert de huid. Het gaat hierbij om de irriteerbare, prikkelbare buitenkant van de ziel. Dus wat je waarneemt aan de buitenkant voordat het van binnen een indruk maakt. Waterpokken hebben als enige kinderziekte geen complicaties: het blijft totaal aan de oppervlakte. Je leert hier om het grensvlak van de ziel om te werken en van jezelf te maken. Als het kind te open is, kan het leren zich wat meer te sluiten en andersom: is het te gesloten, dan kan het zich wat meer openen. Tenminste, als de ziekte goed doorgemaakt wordt. Nogal wat eczeem-kinderen zijn na de waterpokken een tijd lang van hun eczeem af, óf ze krijgen het juist veel erger.

Roodvonk en mazelen

Roodvonk en mazelen kun je zien als oertegenstellingen binnen de kinderziektes. De kinderziektes geven het beeld van de strijd tussen aangeboren erfelijkheid en meegenomen eigen impuls. Die twee moeten met elkaar zaken gaan doen om te realiseren wat je van plan was op aarde. Mazelen en roodvonk zijn daarvan de duidelijkste polariteiten: twee ziekten met risicovolle complicaties.

De mazelen geven een grofvlekkige uitslag die van boven naar beneden ontstaat. Met een opgezwollen gezicht, een dikke keel, tranende ogen en een loopneus, is het een waterige bedoening. Kenmerkend is de immuundepressie. Na het doormaken van de mazelen ligt het immuunapparaat een beetje stil (dit kan acht weken tot een half jaar duren). Er is dus echt sprake van een onderdrukking: de mazelen maken letterlijk plaats voor iets anders. Roodvonk geeft een fijnvlekkige uitslag die van beneden naar boven ontstaat. Het ziet eruit alsof je verbrand bent (de huid vervelt ook na de roodvonk). Het is een acute, felle ziekte met hoge koorts.

In beide gevallen is er strijd (koorts). Echter bij de mazelen heeft het vloeistoforganisme de overhand, bij roodvonk het warmteorganisme. Het vloei-stoforganisme is de drager van de levensprocessen: het jezelf in stand houden, je weren tegen de invloeden van buitenaf. In die strijd overheerst de erfelijkheid. Bij de roodvonk overheerst juist datgene wat het kind zelf meeneemt. Het warmteorganisme is de drager van de eigen impulsen, van het ik: dat wat iemand zelf maakt van het leven. Dat is te zien aan de getekende koppen: mazelen-kinderen lijken allemaal op elkaar; roodvonk-kinderen zijn juist heel erg zichzelf. Een ouwelijke wijze blik hebben ze soms. De vraag is ‘krijg ik gerealiseerd wat ik in dit lichaam op deze aarde van plan was’. Roodvonk is de wegbereider voor wat je meeneemt van boven.

Vast organisme

Drager van vorm en gestalte (fysiek lichaam).
Mens als verschijning in de ruimte.
Bof.

Vloeistoforganisme

Drager van levensprocessen
(etherlichaam). 
Mens als verschijning in de tijd (ontwikkeling, biografie).
Mazelen.

Luchtorganisme

Drager van zielenroerselen en het vermogen om te bewegen (astrale lichaam) individuele uitingen van de menselijke ziel.
Kinkhoest en waterpokken (of beter: windpokken, zoals ze in Duitsland en België heten)

Warmteorganisme

Drager van wil en intensiteit (ik-organisatie, geest).
Uiting van de zelfbewuste ik.
Roodvonk.

.

Opvoedingsvragen: over [12] (kinder)ziekte; mazelen; allergie; inenten.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2685

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 13 (13-5)

.

RUDOLF STEINER

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

GesamtAusgabe (GA) 293*
Vertaald*

Enkele gedachten bij blz. 192 – 193 van de vertaling*
.

ZINLOZE EN ZINVOLLE BEWEGINGEN

Na een soort inleiding op ‘geest buiten ons’ en ‘geest binnen ons’ komt Steiner op de bewegingen die in zijn ogen zinvol, dan wel zinloos zijn.
En wat ons onderwijs betreft: we moeten de kinderen zinvolle bewegingen laten maken.

Blz. 191   vert. 192

Sinnvoll tätig – diese Worte müssen uns auch schon durchdringen, indem wir Erzieher des Kindes werden.

 Zinvolle bezigheid – deze woorden moeten in ons klinken wanneer we kinderen gaan opvoeden.

Wann ist der Mensch sinnlos tätig? Sinnlos tätig ist er, wenn er nur so tätig ist, wie es sein Leib erfordert.

Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt.

Sinnvoll tätig ist er, wenn er so tätig ist, wie es seine Umgebung erfordert, wie es nicht bloß sein eigener Leib erfordert.

Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam.

Dat lijkt mij een interessant criterium: zijn de bewegingen direct op mezelf gericht of op de buitenwereld?
Hier zou je uren over kunnen discussiëren: is je ramen zemen, je auto poetsen, je rozen snoeien, en ga zo maar door, zinvol, c.q. op de buitenwereld gericht?
En ‘op ons zelf gericht’? Moeten we dan denken aan de lichaamscultuur waarvan we kunnen spreken als we kijken naar hoeveel mensen er dagelijks met hun lichaam bezig zijn, gericht op dat eigen lichaam: om het fit, gezond, in vorm, jong e.d. te houden? En is dat ‘zinloos’?

We moeten goed in de gaten blijven houden dat zinvol en zinloos steeds bekeken worden vanuit wat ze voor de geest betekenen.

Alle mogelijke bewegingen die we maken zodat we ons met of in ons lichaam fit voelen: we lopen hard, we fietsen (hard), we gaan naar de sportschool of we zitten thuis op de hometrainer of bewegen mee met ‘Nederland in beweging’, die lichaamscultuur hoort in dit opzicht bij het zinloze.

En dan noemt Steiner voor het eerst een bewegingsvak, nl. de gymnastiek, het turnen.

Darauf müssen wir beim Kinde Rücksicht nehmen. Wir können auf der einen Seite die äußere Leibestätigkeit des Kindes immer mehr und mehr überführen zu dem, was bloß nach dem Leiblichen hin liegt, nach dem physiologischen Turnen, wo wir bloß den Leib fragen: Welche Bewegungen sollen wir ausführen lassen? –

Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden.

We kunnen – nogmaals: zonder veroordeling – stellen dat alle door mij hierboven genoemde activiteiten op het lichaam gericht zijn. 
Wat het ‘turnen’ betreft: dat is vooral de gymnastiek uit Steiners tijd, natuurlijk.

In een encyclopedie uit 1963 wordt ‘gymnastiek’ zo beschreven:

GYMNASTIEK, methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
In de klassieke Griekse cultuurperiode vond het woord gymnastiek zijn oorsprong. De oorspronkelijke betekenis is ‘naakt oefenen’. In de Griekse opvoeding waren nl. drie gebieden te onderscheiden: de grammaticale, de musische en de gymnastische of lichamelijke opvoeding. Hoe breed dit begrip dient te worden opgevat, blijkt uit een opsomming van de oefeningen die eronder vallen: lopen, springen, discus- en speerwerpen, worstelen (samen de klassieke vijfkamp vormend), voorts boksen, pankration (een combinatie van boksen en worstelen), zwemmen en balspelen.

De term gymnastiek komt in de Renaissance op bij de medicus Hieronymus Mercurialis (1530-1606), die in zijn beroemde werk De arte gymnastica (1569) teruggrijpt naar het Griekse opvoedingsideaal. Het spreekt vanzelf, dat de term gymnastiek bij hem dezelfde inhoud heeft als bij de Grieken. Dat is trouwens ook bij Gutsmuths nog het geval in zijn hoofdwerk Gymnastik für die Jugend (1793).

Na Gutsmuths is de term gymnastiek van inhoud veranderd. De inhoud is verengd doordat de lichamelijke opvoeding zelf enger geworden is onder invloed van de rationalistische, mechanistische opvattingen van de 19de eeuw over bewegingsleer, psychologie, en daarmede ook over de lichamelijke opvoeding. Door het werk van mannen als Spiesz, Maul (Duitse gymnastiek), Ling (Zweedse gymnastiek) en hun volgelingen is de term gymnastiek vernauwd tot het gebied van methodisch geordende, opzettelijke, geconstrueerde bewegingen, waarvan de vorm, de richting en de regelmaat nauwkeurig zijn voorgeschreven.

Als in het laatste kwart van de 19de eeuw de reactie komt op de gymnastiekpraktijk van die jaren, en deze zich uit in een op de Angelsaksische opvoeding geïnspireerde spelbeweging, blijft de term gymnastiek toch hoofdzakelijk beperkt tot het eenmaal zo in vaktaal gegroeide begrip. Nog altijd geldt het woord gymnastiek voor methodisch geordende, opzettelijke lichaamsoefeningen.
Maar sedert de jaren ’20 behoeven dit geen geconstrueerde bewegingen meer te zijn, doch worden daaronder evenzeer verstaan de natuurlijke, doelmatige bewegingen, zoals men die bijv. aantreft in de Oostenrijkse gymnastiek.
Bron: Elsevier De nieuwe WP – 1963

In die jaren 1960 studeerde ik voor mijn onderwijzersdiploma en de ‘extra aantekening gymnastiek’. 
Bij die aantekening ging het om twee aspecten: zelf in staat zijn met alle toestellen om te gaan en daarbij de basisvaardigheden te beheersen en het geven van spel.
Bij het beheersen van die toestellen ging het om een puur individuele prestatie gericht op: lichaamsbeheersing.

Die puur op het lichaam gerichte activiteit rekent Steiner – nog altijd vanuit de geest gekeken – tot de zinloze bezigheden.

In het spel ging het veel minder om het individuele, meer om het sociale: hoe win je met elkaar; is er een plan, een tactiek, naast de techniek van de spelbeheersing.

Wanneer is bij Steiner iets zinvol?

Turnen en euritmie

Zoals we weten maakt hij graag iets duidelijk aan de hand van tegenstellingen en dat doet hij hier ook, wanneer hij de genoemde lichamelijke gymnastiek tegenover een beweging plaats die doortrokken is van zinvolle inhoud, waar het lichaam zich naar richt, dus niet omwille van het lichaam, m.a.w. wat de lichamelijke beweging tot uitdrukking brengt: de lichamelijke beweging in dienst van – hier – de euritmie.

Und wir können die äußere Bewegung des Kindes hinführen zu sinnvollen Bewegungen, zu sinndurchdrungenen Bewegungen, so daß es mit seinen Bewegungen nicht plätschert im Geiste, sondern dem Geiste in seinen Richtungen folgt. Dann entwickeln wir die Leibesbewegungen hinüber nach der Eurythmie.

En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest. Dan richten we de lichamelijke bewegingen op de euritmie.   

Dat alles vat Steiner dan samen en een belangrijke toevoeging is nu, dat het ‘met het lichaam bezig zijn’ opgenomen wordt in het geheel van de activiteiten op school: omdat de mens ritmisch leven moet:

Je mehr wir bloß leiblich turnen lassen, desto mehr verleiten wir das Kind dazu, eine übermäßige Schlafsucht zu entfalten, eine übermäßige Tendenz nach der Verfettung zu entfalten. Je mehr wir abwechseln lassen dieses Hinüberschwingen nach dem Leiblichen – was wir natürlich nicht ganz vernachlässigen dürfen, weil der Mensch im Rhythmus leben muß -, je mehr wir dieses Hinüberschwingen nach dem Leibe wiederum zurückschwingen lassen nach dem sinnvollen Durchdrungensein der Bewegungen wie in der Eurythmie, wo jede Bewegung einen Laut ausdrückt wo jede Bewegung einen Sinn hat: je mehr wir abwechseln lassen das Turnen mit der Eurythmie, desto mehr rufen wir Einklang hervor zwischen dem Schlaf- und Wachbedürfnis; desto normaler erhalten wir von der Willensseite her, von der Außenseite her das Leben auch des Kindes.

Hoe meer we een kind alleen lichamelijk laten turnen, des te meer brengen we het ertoe een bovenmatige behoefte aan slaap te ontwikkelen en een bovenmatige tendens om dik te worden. Toch moeten we de puur lichamelijke bewegingen natuurlijk niet volledig verwaarlozen, want de mens moet ritmisch leven. Hoe meer we afwisselen als in een pendelbeweging tussen het puur lichamelijke bewegen enerzijds en het betekenisvolle bewegen zoals in de euritmie anderzijds, waarbij iedere beweging een klank uitdrukt, waarbij iedere beweging zin heeft, des te meer stemmen we de behoefte aan waken en de behoefte aan slapen op elkaar af. Zo kunnen we ook van buitenaf, via de wil, het leven van het kind in evenwicht brengen.

Het is begrijpelijk dat Steiner hier de tegenstelling gymnastiek – euritmie neemt. Het turnen van zijn tijd was in zijn ogen verworden tot een puur lichamelijke training, terwijl in de euritmie ‘de geest’ een vooraanstaande plaats inneemt.

In de meeste gymlessen die tegenwoordig worden gegeven, is altijd wel een combinatie van ‘training’ en ‘spel’ te vinden.
En de vrijeschoolleerkracht zou in de gymlessen met dit aspect gedegen rekening kunnen houden.

Daß wir allmählich auch das Turnen bloß sinnlos gemacht haben, zu einer Tätigkeit, die bloß dem Leibe folgt, das war eine Begleiterscheinung des materialistischen Zeitalters.

Dat we langzamerhand ook van het turnen een zinloze bezigheid hebben gemaakt die puur het lichaam volgt, is een bijverschijnsel van het materialistische tijdperk.

Sport en darwinisme

Dan volgt er een kwalificatie over sport waarbij het gevaar bestaat dat je al lezend daaronder alle sport rekent.
Steiner vertrekt bij de gymnastiek van die tijd:

Daß wir es gar erhöhen wollen zum Sport, wo wir nicht bloß sinnlose Bewegungen, bedeutungslose, bloß vom Leibe hergenommene Bewegungen sich auswirken lassen, ( )

En dat we er ook nog sport van hebben gemaakt – waarbij we niet alleen zinloze, betekenisloze, louter lichamelijke bewegingen zich laten uitleven, ( )

Ik heb de zin hier even onderbroken, omdat er nu iets volgt, waar ik nog geen aanknopingspunten bij kan vinden.
Als we naar de gymnastiek als sport – dat heet nu nog steeds turnen – kijken, zien we een grote tendens naar perfectionering, naar een volledige lichaamsbeheersing. En het kijken naar bijv. zo’n perfecte oefening aan de rekstok, kan een gevoel van bewondering oproepen: dat je dat zo kan met je lichaam, maar daarbij is het ook niet moeilijk je voor te stellen dat het hier om mechanische, machine-achtige bewegingen gaat en dan kom je, als je verder denkt waar je dat in het leven nog meer ziet, uit bij de ….dieren. Waar wij als mens een belangrijk deel van ons leven voor moeten trainen, hebben de dieren van nature en doen het a.h.w. nóg mooier, nóg ge-olieder.
Dit komt vooral voor bij individuele prestaties.
En daarbij valt nog iets op: de snelheid.

In het dierenrijk is een lijst te maken van de snelheid van de dieren.
Wanneer we een lijst zouden willen maken van snelle mensen, komen we in de sport terecht: schaatsen, hardlopen, zwemmen, wielrennen, bijv.
Het gaat vaak om honderdsten! van seconden en dan is dit wellicht iets wat we – met Steiner – on-zin – zouden kunnen noemen.
Hoe bewonderingswaardig de prestaties op zich zijn!

( ) sondern auch noch den Widersinn, den Gegensinn hineinlegen – das entspricht dem Bestreben, den Menschen nicht nur bis zum materiell denkenden Menschen, sondern ihn herunterzuziehen bis zum viehisch empfindenden Menschen.

maar waar ook nog het aspect van de onzin, de ‘anti-zin’ bijkomt – dat stemt overeen met het streven om van de mens niet alleen een materialistisch denkend mens te maken, maar hem ook nog te degraderen tot een dierlijk voelend mens.

Het Duits heeft hier ‘viehisch’ dat vertaald is met ‘dierlijk’. Een synoniem is o.a. ‘beestachtig’ en ook ‘inhumaan’.
Zonder daar nu over uit te weiden, denken we toch snel aan het geweld rond voerbalwedstrijden.

Het is zeker niet zo dat we bij Steiner een zwart-witmening over sport aantreffen.
Wanneer hij in Engeland – Torquay – voordrachten houdt en er wordt gevraagd naar sport, antwoordt hij naar de actualiteit van plaats en tijd:

GA 311

Blz. 139  vert. 139

Nun kommt wieder die Frage, die ja jedesmal bei meiner Anwesen­heit in England, wenn irgendwie von Pädagogik die Rede ist, gestellt wird.

Wie soll man Turnunterricht treiben, und soll man in einer englischen Schule Sport treiben, zum Beispiel Hockey, Cricket und so weiter, und Wie?

Es ist durchaus nicht die Absicht der Waldorfschul-Methode, diese Dinge zu unterdrücken. Sie können schon betrieben werden, einfach weil sie im englischen Leben eine große Rolle spielen und das Kind ins Leben hineinwachsen soll. Nur soll man sich nicht der Illusion hingeben, daß das eine andre Bedeutung hat, als eben diese, daß man das Kind nicht weltfremd machen soll. Zu glauben, daß Sport rür die Entwickelung einen furchtbar großen Wert hat, das ist ein Irrtum.

Nu komt weer de vraag die iedere keer wanneer ik in Engeland ben, wanneer er op de een of andere manier over pedagogie gesproken wordt, gesteld wordt.

Hoe moet je gymnastiekles geven en moet je op een Engelse school aan sport doen, bv. hockey, cricket enz. en hoe?

Het is absoluut niet de bedoeling van de vrijeschool deze dingen te onderdrukken. Die kunnen natuurlijk gedaan worden, eenvoudigweg omdat ze in het Engelse leven een grote rol spelen en het kind moet zijn plaats in het leven kunnen vinden. Je moet alleen niet de illusie koesteren dat het een andere betekenis heeft dan juist die dat je een kind niet wereldvreemd moet maken. Geloven dat sport voor de ontwikkeling een vreselijk grote waarde heeft, is een vergissing.

Afgezien van de woorden ‘vreselijk grote’, is er wel degelijk iets van waarde in de sportbeoefening te zien. Er bestaan zgn. ‘foundations’ die voor bijv. kansarme kinderen of sociaal nauwelijks meetellende kinderen die door de sport die ze met elkaar beoefenen, weer zelfvertrouwen krijgen of weer in het sociale worden opgenomen. Die waren er in Steiners tijd niet, dus is het geen wonder dat hij daar niet over spreekt.

Er hat nicht den großen Wert für die Entwickelung; er hat nur einen Wert, weil er eben eine beliebte Mode ist, und man soll durchaus das Kind nicht zum Weltfremdling machen und es von allen Moden ausschließen. Man liebt Sport in England, also soll man das Kind auch in den Sport einführen. Man soll nicht irgendwie sich philiströs gegen dasjenige stemmen, nun ja, was vielleicht philiströs ist.
Und in bezug auf das Eigentliche «wie das gelehrt werden soll», da wird ja außerordentlich wenig zu sagen sein, denn das ergibt sich bei diesen Dingen wirklich mehr oder weniger dadurch, daß man es vormacht und das Kind nachmachen läßt. Da auch noch besondere künstliche Methoden auszusinnen, das wäre doch etwas, was zu wenig sachgemäß wäre.

Die heeft geen grote waarde voor de ontwikkeling; die heeft waarde omdat het een geliefde gewoonte is en je moet een kind zeer zeker niet tot wereldzonderling maken en het van alles wat ín is, buitensluiten. In Engeland houden ze van sport, dus moet je het kind ook vertrouwd maken met sport. Je moet je niet op de een of andere manier kleinburgerlijk tegen de dingen keren, die misschien wel kleinburgerlijk zijn.
En met betrekking tot het eigenlijke ‘hoe moet je dat aanleren’ is buitengewoon weinig te zeggen, want dat gaat bij deze dingen min of meer dat je het voordoet en het kind het laat nadoen. Om daarvoor nog kunstmatige methoden te bedenken, zou toch iets zijn wat te weinig adequaat is.

Aansluitend volgen nog opmerkingen over het gymnastiekonderwijs die ook weer vanuit een bepaalde hoek belichten wat hierboven – dus in voordracht 13 – aan de orde komt:

Im Turnen, also Gymnastikunterricht – da handelt es sich danim, daß man tatsächlich aus der Anatomie und der Physiologie erfährt, in welche Lage irgendein Glied des Organismus gebracht werden soll, damit es der Leichtigkeit des Organismus dient. Da handelt es

Bij het turnen, dus gymnastiekonderwijs – daar gaat het erom dat je daadwerkelijk uit de anatomie en de fysiologie ervaart in welke positie een lichaamsdeel gebracht moet worden, opdat ’t het gemak van het organisme dient. Daar gaat het

blz.140:

sich darum, daß wirklich auch gefühlt werde, was den Organismus geschickt, leicht, beweglich macht. Und dann, wenn man das fühlt, dann handelt es sich auch nur ums Vormachen. Nehmen Sie an, Sie haben ein Reck. Gewöhnlich werden alle möglichen Übungen daran gemacht. Die fruchtbarste Übung am Reck wird gewöhnlich nicht gemacht. Sie besteht darinnen, daß man am Reck hängt, so einge­häkelt, und dann schwingt, und nun das Reck so erfaßt, wiederum zurück, wiederum erfaßt. Man springt ja nicht, sondern man hängt am Reck, fliegt durch die Luft, macht die verschiedenen Bewegun­gen, faßt das Reck so und so, und dadurch kommt eine Abwechslung in der Konfiguration der Armmuskeln zustande, die tatsächlich auf den ganzen Organismus in gesundender Weise einwirkt.
Man muß studieren, welche Bewegungen, welche inneren Be­wegungen der Muskeln auf den Organismus gesund wirken, und dann bekommt man heraus, welche Bewegungen man lehren soll. Und dann braucht man sie einfach vorzumachen; denn die Methode besteht da eben im Vormachen.

erom dat echt gevoeld wordt wat het organisme handig, licht, beweeglijk maakt. En dan, wanneer je dat voelt, gaat het erom dat voor te doen. Neem eens aan, je hebt een rek. Daaraan worden gewoonlijk allerlei oefeningen gemaakt. De vruchtbaarste oefening wordt gewoonlijk niet gemaakt. Die bestaat uit het hangen aan het rek, aangehaakt en dan zwaaien en dan het rek zo pakken, weer terug, weer pakken. Je spring niet, maar je hangt aan het rek, vliegt door de lucht, maakt de verschillende bewegingen en pakt het rek weer  en daardoor komt er afwisseling in de onderlinge stand van de armspieren tot stand die daadwerkelijk tot in heel het organisme op een gezondmakende manier werkt.
Je moet bestuderen welke bewegingen, welke innerlijke bewegingen van de spieren op het organisme gezondmakend inwerken en dan vind je welke bewegingen je moet aanleren. En dan hoef je die alleen maar voor te doen; want de methode is hier het voordoen.
GA 311/139-140
Op deze blog vertaald/139-140

Een ander aspect waar nog verder op ingegaan moet worden, is Steiners opvatting dat – let wel: overdreven beoefende sport – ‘praktisch darwinisme’ is:

Blz. 193  vert. 192

Übertriebene Sporttätigkeit ist praktischer Darwinismus. Theoretischer Darwinismus heißt behaupten, der Mensch stamme vom Tier ab. Praktischer Darwinismus ist Sport und heißt, die Ethik aufstellen, den Menschen wiederum zum Tiere zurückzuführen.

Overdreven sportbeoefening is de praktische uitwerking van het darwinisme. Theoretisch darwinisme wil zeggen dat men beweert dat de mens van de dieren afstamt. Darwinisme in de praktijk is sport en wil zeggen dat men een ethiek hanteert die de mens wederom tot het dier verlaagt.

En waarom is het belangrijk daarbij stil te staan:

Man muß diese Dinge heute in dieser Radikalität sagen, weil der heutige Erzieher sie verstehen muß, weil er sich nicht bloß zum Erzieher der ihm anvertrauten Kinder machen muß, sondern weil er auch sozial wirken soll, weil er zurückwirken soll auf die ganze Menschheit, damit nicht solche Dinge mehr und mehr aufkommen, welche eigentlich auf die Menschheit nach und nach wirklich vertierend wirken müssen. Das ist nicht falsche Askese, das ist etwas, was aus dem Objektiven der wirklichen Einsicht herausgeholt ist, und was durchaus so wahr ist wie irgendeine andere naturwissenschaftliche Erkenntnis.

Men moet dit soort dingen tegenwoordig wel zo radicaal uitdrukken omdat de opvoeder van nu ze moet begrijpen. Hij moet namelijk niet alleen kinderen opvoeden die aan hem worden toevertrouwd, maar hij moet ook sociaal werken, hij moet indirect een werking uitoefenen op de gehele mensheid, opdat er niet steeds meer van die dingen opkomen waar de mensheid werkelijk wel van moet verdierlijken. Dat is geen misplaatste ascese, dat berust op een objectief inzicht — even waar als ieder ander, natuurwetenschappelijk inzicht.

Een schoolvoetbalelftal?

Zoals je bijv. bij het aanleren van de letters een weg gaat van beeld, fantasie naar het kale, abstracte klanksymbool van de letter, waarbij de basis voor deze gedachten gevonden worden in de ‘Algemene menskunde’, zo kun je met deze menskunde ook tot een basis komen waarop je bijv. fundeert dat er op school (in de hogere klassen) ook een schoolvoetbalelftal is. Voetbal is in onze maatschappij niet weg te denken. Lees hierboven nog even het stukje over de sport in Engeland.
Het gaat er niet om de kinderen buiten de leefgemeenschap te plaatsen. 
Als het voetballen op school niet alleen de prestatie dient, maar ook het inzicht, het samen spelen, het sportief spelen, e.d. weten we dat we ons weliswaar  bevinden op het terrein van de beweging die naar het zinloze neigt wat de geest betreft, maar ook dat we ons onderwijs – als we het als vrijeschoolonderwijs geven – in ruime mate een tegenwicht biedt waarbij de bewegingen weer zinvoller zijn. 
Ik ga niet zo ver om te zeggen: geen euritmie, geen voetbal. Maar ik denk er weleens aan.

 

Apenheul on Twitter: "Dit weekend (7 en 8 april) is Apenheul weer geopend. En het wordt fantastisch weer voor een gezellig dagje uit met je vrienden of familie. Kom je ook slingeren

 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
**Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

In Rudolf Steiner over euritmie staan opmerkingen over euritmie en turnen uit alle pedagogische voordrachten

Algemene menskunde voordracht 13alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

2684

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Nabootsing in beeld

.

Over het grote belang van nabootsing, over de diepe impact die deze op de ontwikkeling van een kind heeft, sprak Rudolf Steiner zich in diverse voordrachten uit.[1]

De uitspraken die hij daarover deed, staan vrijwel alle op deze blog.
Ik heb in verschillende artikelen foto’s geplaatst van kinderen die nabootsen.

Momenteel beschik over de volgende foto’s, maar zou die reeks graag uitbreiden. Dus stel ik sprekende voorbeelden zeer op prijs. Je kan ze sturen naar: vspedagogie@gmail.com

 

 

(start video door op afbeelding te klikken)

 

[1] Inhoudsopgave van de vindplaatsen

Meer over nabootsing op deze blog

Menskunde en pedagogie:

Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2682

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL- Menskunde en pedagogie (24-1)

.

Niet ieder artikel heeft, hoewel het over het kennen van de mens gaat, een relatie tot de pedagogie.
Dat is met onderstaand artikel het geval.
.

Paul Paede, arts, WeledaBerichten nr.151, september 1990

.

OVER HET HOOFDHAAR EN DE BAARD VAN DE MENS
.

.Niets aan zijn lichaam heeft de mens altijd zo goed verzorgd als zijn haar. De Assyriërs en de Perzen krulden en zalfden het, de Egyptenaren maakten er pruiken van. Volkeren, die volgens een strenge ritus leefden, zoals de Joden en de Spartanen, brachten dit in een korte haardracht tot uiting.
Bij Romeinse jongens werd het als zij volwassen waren afgeschoren en aan de goden geofferd. Daarna droegen zij het lang. Ook de Grieken en de Germanen deden dat.

Geschiedenis van de haardracht

In de 4e eeuw kwam bij de christelijke monniken de tonsuur in zwang. Deze werd tegelijk met de priesterwijding aangebracht en betekende de acceptatie van het kloosterlijk gezag en een verlies van vrijheid.
Een soortgelijke ontwikkeling vertoont de haardracht van de vrouwen: terwijl de meisjes hun haar lang en gevlochten mochten dragen, moesten getrouwde vrouwen het afknippen of onder een kapje verbergen. Dat symboliseerde een beperking van de persoonlijke ontplooiing. Als een fraaie compensatie waren in vroeger tijden al kunstig met gouddraad doortrokken haarnetten en haarspelden van edelmetaal in zwang. Volgens Germaans recht werd bestraft wie een vrouw aan de haren trok of haar hoofdbedekking afrukte.
In de bloeitijd van de Middeleeuwen droegen de edelen hun haar tot op de schouders en de horigen hadden kort haar.
Statig werden de coiffures in het tijdperk van de Barok en het Rococo en ook de tegenwoordige [artikel is uit 1990] punks hebben er heel wat voor over om hun ietwat eigenaardige persoonlijkheid in een soort van hanenkam uit te drukken. Hoewel de haardracht in de loop van duizenden jaren dikwijls veranderde, had deze toch altijd één ding gemeen: er is een menselijke waardigheid en een stuk persoonlijkheid in belichaamd. Op grond van hun grote betekenis worden de haren bij conflicten geattaqueerd of gebruikt om de tegenstander te vellen. Men kan iemand “in de haren vliegen”. Je “haren uit het hoofd trekken” is een uiting van grote ellende, “haarkloverij” staat voor een naar het absurde leidende manier van denken.

Het hoofdhaar in het sprookje

Wij worden over het verband van de mens met zijn haren iets gewaar door de sprookjes. Daarin wordt over haar gesproken dat fijn is als gesponnen goud. In het sprookje, ”De duivel met de 3 gouden haren” trekt de duivelsmoer haar man achtereenvolgens drie kostbare haren uit en telkens geeft hij haar toornig zijn weten prijs omtrent een onheil dat de mens belaagt. Die kennis verschaft de held van het sprookje groot aanzien en rijkdom.
In “Raponsje” laat het meisje, dat in de toren woont, haar vlecht tot op de grond zakken als de toverkol weg is. In het beeld van dat in een torenkamer haar weelderige hoofdhaar verzorgend meisje kunnen wij het vermogen van ons hoofd zien dat ons in staat stelt ons met de omgeving geestelijk te verbinden. Als de toverkol de koningszoon bij Raponsje ontdekt knipt ze haar meisjestooi af. Die was een van haar moeder geërfd, niet zelf verworven bezit. (Vergelijk het offeren van de haarlok door de Romeinse jongelingen).
De koningszoon in het sprookjeIJzeren Hansverbergt zijn haar, zelfs voor de koning, onder een hoed omdat het door het goud uit de oude bron is bedekt. Hij wil zich in de strijd om de drie gouden appels een wijsheid veroveren die naar de toekomst is gericht.
In deGanzenhoedsterkomt de koningsdochter ten gevolge van haar moederbinding in moeilijkheden. En steeds, als Falada haar daaraan heeft herinnerd, maakt zij op de weide haar prachtige gouden haar los om het te kammen en weer te vlechten. Dit leidt ertoe, dat Koertje haar lot aan de koning vertelt.
Als de haren zoiets als de aangeboren of door de opvoeding veroorzaakte rijkdom aan gedachten voorstellen, dan is het kammen een belangrijke stap om ze te ordenen en ten slotte de eigen identiteit te vinden. Sneeuwwitjes stiefmoeder wil met een giftige kam het tegendeel bewerkstelligen.
Nog meer vernemen wij over dit beeld in het sprookje “De Waternimf in de vijver“. Zij heeft de jager naar haar rijk ontvoerd. Na een moeilijke speurtocht krijgt de vrouw van de jager een gouden kam met de raad, zich aan de vijver bij volle maan te kammen tot de waternimf opduikt. Daarop verheft de man voor het eerst zijn hoofd boven het wateroppervlak. Hij wordt ten slotte helemaal bevrijd als zijn vrouw in de derde nacht op een gouden spinnewiel een spoel vlas spint én die aan de nimf geeft. In dit sprookje zien wij een relatie van de haren met een gesponnen draad; wij zien dit in de uitdrukking, dat er door een betoog “een rode draad” loopt. Natuurlijk is het actief spinnen van een draad meer waard dan het orde scheppen in de reeds voorhanden haren. De overgang van het kammen naar het zelfstandig spinnen is in de levensloop een markant verschijnsel. Raponsje verliest haar vlecht als ze twaalf jaar is geworden, Doornroosje en het meisje in “Het klosje, de schietspoel en de naald” beginnen als ze veertien jaar zijn te spinnen, waarmee wel het zelfstandige denken kan zijn bedoeld.

Anatomie van het haar

Anatomisch onderscheidt men aan het haar de schacht die uit de huid komt en de haarwortel die schuin in de huid steekt. Deze laatste is aan het eind verdikt en wordt van onderaf door een bindweefselachtige haarpapil gevoed. Bij elke haar hoort een talgklier en een fijn spiertje voor de oprichting. Door de kracht hiervan kunnen dunne haren een beetje overeind komen (“iemands haren staan overeind”). Ook het “kippenvel” wordt door de haarspiertjes veroorzaakt. De totale beharing heeft dus nog een relatie met gevoelsuitingen, zoals bijvoorbeeld angst en schrik.

Hoofdhaar en hersenfuncties

Waarom is de haargroei van de mens, in tegenstelling tot de dieren, voornamelijk op diens hoofd geconcentreerd en wel in een mate zoals dat bij geen enkel dier voorkomt? Een voordeel voor het fysieke bestaan, zoals het Darwinisme dat veronderstelt, is niet aantoonbaar. En nog iets merkwaardigs ontdekken wij: terwijl in de haarpapil de haarschacht zich voortdurend vernieuwt, is hij aan de buitenkant van de huid verhoornd en praktisch afgestorven. Deze tegenstelling van leven en afgestorven zijn vinden wij vergelijkbaar terug op een hoger plan nl. in het denken: het wordt voortdurend geproduceerd en zinkt, als het abstract wordt, in het levenloze omlaag, het voelen en het willen daarentegen behouden hun vitaliteit.
Rudolf Steiner wijst erop, dat de oerwijsheid van de mensen heel anders geaard was dan het huidige weten. Zij was nog ten nauwste verbonden met de groeikracht. In de loop van de ontwikkeling werd zij steeds meer in het hoofd geconcentreerd en verstild. Als wij onze door de sprookjes opgewekte voorstelling van een verband tussen het haar en het denken verder willen nagaan, dan beantwoordt deze beschouwing van Rudolf Steiner ook de vraag naar de bijzondere positie van het menselijke haar. Op grond daarvan zou men zich het hoofdhaar o.a. als een tegenbeeld van het in het hoofd opgehoopte weten kunnen voorstellen, allicht zonder enige onderlinge afhankelijkheid van elkaar. Dat hersenfunctie en groei van het hoofdhaar helemaal niet zover van elkaar afstaan wordt zichtbaar door twee gruwelijke rituele handelingen van primitieve volken die ten doel hadden zich meester te maken van de geestelijke potentie van de vijand: Oost-Aziatische kannibalen verorberden de hersenen van de overwonnen vijand, de Indianen plantten diens scalp als trofee op de speer of de tent.

Geschiedenis van de baardtooi

Net als het hoofdhaar varieert ook de baarddracht vanaf de oudste tijden. Bij de volkeren van het vroege Voor-Azië was de volle baard in zwang. De Egyptische farao’s droegen een kunstbaard. Pas in de Romeinse tijd kwam de geschoren kin in de mode. De rode baard van keizer Frederik I werd tot een soort symbool in de geschiedenis van het Heilige Roomse Rijk (Frederik Barbarossa). In de Renaissance onderging de baard allerlei veranderingen. Een mooi voorbeeld is de Mozes van Michelangelo. Een bijzonder de mannelijkheid benadrukkend attribuut is later de snor geworden. Beroemd is de snor van de laatste Duitse keizer en die van de surrealistische schilder Salvador Dali.

Baard en taal

De baard komt weliswaar bij enkele hogere zoogdieren voor, maar duidelijk heeft alleen de mens hem. Onder invloed van het manlijk geslachtshormoon ontspruit hij in de puberteit aan de boven- en onderkaak en het voorste gedeelte van de hals waar te-zelfder tijd de lengte van het strottenhoofd ongeveer wordt verdubbeld en de stemhoogte ongeveer een octaaf zakt.
De stem verschaft aan het dier en de mens de mogelijkheid om zielsstemmingen te uiten. De mens kan die daarenboven door middel van zijn spraakorganen tot taal omvormen, waardoor hij zich als een geestelijk wezen manifesteert. Op de plaats, waar binnenin de stem ontstaat en de spraak wordt gearticuleerd, ontspruit aan de daarbij behorende buitenkant de baard. Zonder iets over hormonen te weten bezat men in de Middeleeuwen kennelijk een gevoel voor dit verband van baard en taal. Want om de waarachtigheid van een bewering te staven, zwoer men bij zijn baard. De Moslim beroept zich ook nu nog op ”de baard van de profeet”. En wat zou Michelangelo’s Mozes zijn zonder zijn baard. Beide, stem en baardgroei zijn gedurende het hele leven afhankelijk van het seksuele hormoon. Zoals men kan zien bij bejaarden die met hormonen zijn behandeld.

Hoofdhaar en baard

Hoofdhaar en baard hebben een verschillende oorsprong en verschillen in leeftijd; zij kunnen echter samen een manlijk gezicht omlijsten. Wat onderscheidt de regionen waarin zij groeien en wat is het verbindende van beiden?
Het hoofdhaar omhult en beschermt het hoofd, terwijl de baard eerder agressief naar buiten komt of omlaag hangt. Wij kunnen hierin de tegenstelling van manlijke en vrouwelijke krachten zien. Nu nog treft ons de Bijbelse scène, waarin Magdalena de voeten van Jezus met haar haren droogt, als een tedere uitdrukking van de vrouwelijke ziel. Zou men zich iets dergelijks kunnen voorstellen met een golvende baard? En de baard van de keizer in de Kyffhauserberg die zo lang om de poot van de tafel golft tot de raven het aanbreken van een nieuw tijdperk verkondigen: is die niet het teken van machtige heerschappij? Tegenwoordig is het hoofdhaar voornamelijk het sieraad van de vrouw dat haar ook fysiologisch tot op hoge leeftijd tooit. Omgekeerd kan bij de man het kale hoofd worden gecompenseerd door een krachtige baardgroei, wat op een goed functioneren van de geslachtshormonen wijst.

De weg van de macrokosmos naar de aarde

Wie zich met deze verschijnselen meditatief wil bezighouden kan bij een aanwijzing van Rudolf Steiner aanknopen: men bekijkt het fijn gewelfde schedeldak en ziet dit als een afbeelding van het hemelgewelf, een geschenk van de macrokosmos; daarna richt men zijn aandacht op het tegenbeeld daarvan: een bot van de ledematen met zijn dragende en mechanische functie als een uitdrukking van aardse wetmatigheden. In de kaakbeenderen is het sferische hoofd op weg naar voor het aardse leven geschikte vormen en functies zoals uit de tanden en kaakgewrichten blijkt. De ontwikkeling van de beharing wijst op het verloop in de tijd: op het hoofdhaar volgt met de puberteit (aarde-rijpheid) de zogenaamde secundaire beharing van het lichaam, die typerend bij de oorsprong van de ledematen en bij de man bovendien aan de kaken verschijnt. Deze afdaling naar de aarde wordt ook hoorbaar als de stem van de veertienjarige jongen uit een kinderlijke hoogte in een diepe bas verandert en weerklinkt tussen de pas ontloken baard.

Het meisje vertoont de rijping minder in een stemverandering dan wel in de opbouw van de voortplantingsorganen. Maar toch zijn beide geslachten niet zover van elkaar verwijderd als het lichamelijke verschil zou doen vermoeden.

De vrouw wordt de omhulling voor de belichaming van een mensenziel. Op die manier geeft zij haar bijdrage aan het voortbestaan van de soort. Maar is niet ook de taal een afdalen van het zich onder de bescherming van het schedeldak vrij bewegende denken in de door het strottenhoofd en de kaakorganen opgewekte fysieke en in beweging gebrachte luchtvormen? Het woord, dat hier wordt geboren, is de drager van de totale cultuur van een volk. Voortplanting en taalschepping, biologische en culturele evolutie staan tot in de hormoon-processen met elkaar in verband en scheppen de mensheidsgeschiedenis. Een, hoewel bescheiden, beeld voor het manlijke aandeel hierin is de baard. Het hoofdhaar blijft levenslang voor beide geslachten een symbool van hun “macrokosmische” oorsprong.

.

Nog een artikel over ‘haar

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf SteinerAlgemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2665

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-6)

.

Wolfgang Schad, bioloog, WeledaBerichten nr.151 september 1990

.

HET HAAR ALS ORGANISCHE UITDRUKKING VAN DE MENSELIJKE DRIEGELEDING

.

Het haar van de mens behoort tot het gebied van de huid. Het is daarvan een rechtstreekse uitdrukking. De specifieke hoedanigheid ervan blijkt uit een vergelijking met de dieren.
Vissen en amfibieën hebben een vochtige huid. Een kikker kan niet lang in de zon zitten, hij moet zijn huid in de vijver of de sloot weer nat maken als deze begint uit te drogen. Een druppel verdunde azijn doet hem al pijn op zijn rug; hij proeft met zijn hele lichaamsoppervlakte, zijn huid is één en al zintuig en overgeleverd aan de omgeving.
Bij de dieren die een trede hoger staan, de reptielen, wordt dit principe overwonnen: de huid wordt met droge schubben bedekt bij slangen en hagedissen en met nog dikkere pantsers bij krokodillen en schildpadden. Hier wordt de huid een sterke bescherming tegen de buitenwereld; de levensprocessen zetten zich daar tegen af.
Ook het verenkleed van de vogels is het resultaat van een bijzondere sterke hoornafzetting uit de huid in een uiterst gedifferentieerde specialisering die de op zichzelf naakte huid overal omhult.
Pas bij de zoogdieren en de mens verschijnt het echte haar als een fijne, uiterst dunne hoornvorming, een luchtige omhulling voor de huid, doorlaatbaar en afdekkend tegelijk.

Niet in de uitersten van de open of gepantserde huid culmineert de evolutie, maar in het bereiken van een bijzondere middenvorm: de menselijke huid staat in relatie met de omgeving en beschermt tegelijk het organisme tegen invloeden van buiten af. Zij is vol subtiele zintuigen (tast-, warmte- en koude-lichaampjes, pijnreceptoren enz.) en biedt tegelijk ook de noodzakelijke afscherming (door huidtalg soepel gehouden subtiele afdekking). Bij beschadigingen van de huid (bijvoorbeeld door verbranding) van meer dan 10% van de totale oppervlakte kan het menselijke organisme niet meer normaal functioneren. De menselijk huid heeft contactuele en afsluitende eigenschappen, zij is zowel zintuig- als beschermend orgaan. Haar bijzondere eigenschap is, dat zij de beide grote tegenstellingen van toekeren en afweren harmonisch kan verenigen. Daardoor is zij een indrukwekkende lichamelijke uitdrukking van het menselijke ik; de eigen persoonlijkheid te manifesteren en zich tevens te openen voor het andere.
Het contact via de huid is van bijzonder belang voor het heel jonge kind. Op de arm te worden gedragen en te worden geknuffeld, dat gevoel van geborgenheid en vertrouwen wekt levensmoed en open staan voor de wereld op. Dat contact betekent voor het kind niet alleen een lichamelijk, maar tevens een psychische en geestelijke verbinding. Tastzin en ik-zin (het zintuig waarmee de ander als mens wordt waargenomen) zijn nog één. Daarom is het grootste deel van de menselijke huid onbehaard, in tegenstelling tot de meestal geheel behaarde huid van het zoogdier.

Het haar in de levensloop

Vóór de geboorte heeft de mens een tijdelijke totale beharing, die uit heel kleine, fijne haartjes bestaat. Die wordt al afgestoten als kort voor de geboorte de tweede beharing begint. Deze is weer zacht en donzig; bovendien ontstaan de oogwimpers, wenkbrauwen en het voorlopig nog gladde hoofdhaar. Het eerstgenoemde haar van de foetus heeft niets met de dierenvacht te maken (zoals dikwijls ten onrechte wordt gedacht). Die immers ontwikkelt zich ook pas als de tweede generatie van de beharing. Het meestal zwarte hoofdhaar van de pasgeborene wordt in de loop van de eerste levensmaanden afgestoten en maakt plaats voor het eigenlijke hoofdhaar, dat verschillende kleuren en vormen kan hebben. Een vierde en laatste haargeneratie ontwikkelt zich in de puberteit als oksel- en schaamhaar en verder bij de man als baard- en rompbeharing. Dit dikkere haar ontstaat in samenhang met de dan sterker wordende stofwisseling en vertoont meer dan de andere haarvormen de neiging om te gaan kroezen.

Afgezien van de eerste haargroei bij de foetus blijkt duidelijk een drieledige orde in de opeenvolgende stadia.
Het eerste hoofdhaar (bij alle menselijke rassen, ook de Afrikanen) is, net als de wimpers en wenkbrauwen, sluik en glad. In de lange tastharen aan het voorhoofd en de lippen vooral van nachtdieren (muizen, katten) zien wij daarvan de extreemste variant. Het blijkt dus, dat de totale eerste, vanaf de geboorte zichtbare beharing te maken heeft met het zenuw-zintuigstelsel.
Het daarna volgende hoofdhaar heeft bij ons dikwijls de neiging om lokken te vormen. Door middel van wassen, kammen en inwrijven besteden wij er veel zorg aan. Het bepaalt immers meestal in hoge mate ons hele leven lang de
fysionomische indruk van onze verschijning.
De laatste generatie van beharing komt dan weer meer terughoudend tot verschijning (dit geldt iets minder voor de man met zijn baardgroei en lichaamsbeharing) en is duidelijk het gevolg van verhoogde hormonale stofwisselingsprocessen, van de levenskrachten.

Mensentypen en haarvormen

Bij ons in Europa bijvoorbeeld kunnen de blijvende hoofdharen met hun ovale doorsnede alle drie haarvormen met alle overgangen vertonen: ongekruld, steil-glad, gekruld of kroezend. Dit komt duidelijk gescheiden ook bij de grote rassen van de mensheid te voorschijn. De Oost-Aziatische en de Amerikaanse oerbewoners hebben steil haar met een ronde doorsnede. Het is merkwaardig, dat deze haarsoort voornamelijk te vinden is in de streken rondom de Stille Oceaan. Het verst hiervan verwijderd ligt Afrika. Hier is ook de tegengestelde haarsoort algemeen: het dicht gekroesde haar met een niervormige doorsnede. Daartussen ontstond in Europa, Noord-Afrika, Voor- en Zuid-Azië tot Australië en Polynesië oorspronkelijk de gekrulde haarvorm. Deze vertoont een sterke baardgroei en lichaamsbeharing van de man; hier blijkt een geringere afremming van de beharing dan bij de mongoloïde en negroïde volkeren. Die hebben niet zo’n zware baard als de in de evolutie oorspronkelijk krulharigen. Het waren de Duitse onderzoekers Reinhold en Georg Forster die tijdens hun reis om de wereld (1772 -1775) met de Engelse kapitein Cook de rijke gevarieerdheid van de haarvorming bij de mensheid opmerkten en ontdekten dat die de verwantschap van alle volkeren onderling veel beter typeert dan de huidskleur, waaraan later veel te veel gewicht werd toegekend.

Het haar: een uitdrukking van de psychische gesteldheid

Hiermee hebben wij de biologische driegeleding van de menselijke haarvormen aangeduid. Wij willen nu nog stilstaan bij de betekenis van het haar in oude culturen. In het boek Richteren van het Oude Testament wordt verteld over de geweldige kracht van Simson en dat zijn bovenmenselijk vermogen in de zeven haarlokken van zijn hoofd schuilde. “Indien ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken en ik zou zwak worden en zijn als alle andere mensen”. Dat gebeurde dan later, toen Delila een man opdracht gaf hem in zijn slaap de lokken af te scheren. In het haar, zo nam men aan, werkt een bijzondere magische kracht.
Bij de Kelten bestond er een regelrechte haarcultus. Daarvan getuigen de in een moeras in Denemarken gevonden platen van de “Zilveren keten van Gundestrup” (Nationaal Museum te Kopenhagen). Vele godengedaanten zijn daarop afgebeeld met geprononceerde haar- en baardgroei. Een priesteres kamt plechtig het haar van een godin.

Wat voor de zintuigen slechts een hoornachtig uitscheidingsproduct van de huid is, had in mythen, sagen en sprookjes een hoge geestelijke waarde. Juist waar het fysiologische leven terugwijkt, ontstaat een soort uitgespaarde ruimte voor iets hogers, het psychisch-geestelijke.

Veel komt nog (of reeds weer?) tegenwoordig in de haardracht tot uitdrukking. Of men zijn haar laat millimeteren of als een lang gordijn, wijduitstaand of koket warrig laat groeien; steeds drukken wij daarmee onze psychische gesteldheid uit. Het is de moeite waard op ons haar te letten en het te verzorgen. Want het informeert ons over onszelf.

.
Nog een artikel over het haar

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2664

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-3-2)

.

Dr. Hans Ghristoph Kümmell, arts, Weledaberichten nr. 149 december 1989

.

HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN

.

Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe persoonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.

Veelzijdige functies

Net als bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschillende binnenruimten die men ging onderzoeken. Het hart is een holle spier. Uiterlijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de beweging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme veroorzaken. Men weet ook, dat in de hartwanden verschillende heel kleine waarnemingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs [art. uit 1989] heeft men verder ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon produceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. Hierbij komt nog, dat het een heel bijzondere stofwisseling heeft.

Historisch overzicht

Een kort historisch overzicht over de ontdekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren.
In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder operaties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daarvan het bloed buiten het hart werd omgeleid.
Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig
zuurstoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststoffen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttransplantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!

De dubbele geaardheid van het hart

Door deze bewonderenswaardige technische prestaties wordt in hoge mate duidelijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.

Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoordigt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest persoonlijke en intieme kleur. Het hart is zowel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpelijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwikkelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdekking van Rudolf Steiner omtrent de driegeleding van de mens. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om beide kanten van zo’n orgaanfunctie te doorgronden.

Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voornaamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke organisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig doordringen dat zij de totale menselijke organisatie vormen. De ene functionele eenheid is samengevat in de zintuiglijke waarnemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuigstelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsprocessen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt evenwicht scheppend tussen die beide gebieden. Zij verenigt alle ritmische processen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.

Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prikkels. Dit behoort tot ons meer bewuste zielenleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons zielenleven.
En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme.
In het hart worden de kant van het bewustzijn van de mens – uitgedrukt door het individueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge afwisseling. Ook worden hier de doelstellingen beleefd die al of niet tot daden moeten worden.

Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit ritmisch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.

In het ademhalingsritme, het andere ritmische centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kunnen de meest persoonlijke gevoelens worden opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen ”van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds helderder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde gevoelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons belangrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht geschoolde en daardoor individueel geworden gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.

De hartfunctie – die op de ademhalingsfunctie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons heldere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zielenleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties.
Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de individualisering van het zielenleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zetten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aangeboren hartafwijking.

Relaties met de omringende wereld

Tot dusver hebben wij het hart als het centrum van de mens wat betreft zijn individualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zintuiglijke indrukken, wordt in het hart verenigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit integreert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt.

De krachten van de planeten worden bijvoorbeeld langs allerlei wegen in de menselijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel. [niet op deze blog] Met het hartritme correspondeert op het kosmische niveau het ritme van de zons-op en -ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hartritme door de ademhaling wordt bepaald.

Allerlei ziekten

De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraakprocessen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de huidige samenleving spelen gebrek aan beweging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwerking van onze waarnemingen ten gevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.

In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken.

Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileuritmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.

Het hart in het taalgebruik

Ten slotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een innige lichamelijk-psychische ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stokken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barmhartig, of harteloos zijn.
In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiografie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd nader ligt dan de geest en ons dan voor problemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegenheid van het hart steeds de belangrijkste.”

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 2: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Meer over het hart

.

2661

VRIJESCHOOL – Beweging

.

Dr Heribert Kaufmann, arts, Weledaberichten nr. 148, september 1989
.

OVER BEWEGING VAN DE MENS

.

Elk gezond mens beweegt zich, hij aanvaardt dat als een gegeven. Dit is vooreerst een uiterst simpele constatering. Het ziet er anders uit, als een tekort aan bewegingsmogelijkheid, bijvoorbeeld bij een ziekte (reuma, ischias, enz.) op pijnlijke wijze de vraag oproept wat beweging eigenlijk is. Wat altijd als vanzelfsprekend ter beschikking staat voelt men in die situatie als afgenomen. Daardoor wordt de belangstelling op de menselijke beweging gericht en wie geduldig zoekt kan op den duur veel ontdekkingen doen.

Een groot gebied van bewegingsmogelijkheden wordt zichtbaar. Wij zien dansers, skiërs, sportbeoefenaren, zwemmers, alpinisten, ook musici en ten slotte heel eenvoudig: lopende mensen die ons allengs opvallen door het persoonlijke van hun beweging. Al die bewegingen kunnen worden herleid tot bepaalde grondelementen.

De ontwikkeling van de menselijke beweging

Een meer dynamische kijk op dit vraagstuk kan beginnen bij de wordende mens. Wat wij als volwassenen als beweging kennen, ontwikkelt zich bij het kleine kind uit de wisseling van lust en onlust, van sympathie en antipathie. In volledige overgave drinkt de zuigeling aan de moederborst, handjes en voetjes bewegen daarbij levendig. Als de lust van de honger komt, ontstaan er heel andere bewegingen. Hevig getrappel, samentrekken van het gezicht voor het schreeuwen, zelfs de beweging van het bloed wordt geactiveerd. Het gezicht wordt rood, bijna paars als uitdrukking van antipathie. In de antroposofische menskunde wordt grote aandacht besteed aan de eerste drie levensjaren van het kind. Daardoor kan men gewaar worden dat het zich oprichten, lopen, spreken en denken heel bijzondere processen zijn. Dat kan resulteren in de vraag: wat brengt het kleine kind ertoe, trapsgewijs de liggende houding te gaan vervangen door de opgerichte houding?
Anatomisch-fysiologisch gaat het om zeer gecompliceerde processen van de wervelkolom, het spierstelsel, de bloedvaten enz., die het kind op een geheimzinnige manier gaat beheersen. Ook hier zien wij het wisselspel van sympathie en antipathie, in- en ontspanning, lust en onlust. Het is bekend, dat daarbij de omgeving, vooral de rechtopgaande mensen, een belangrijke rol spelen. Men kan navoelen met wat voor (onbewuste) inspanning het kleine wezen vanuit het horizontale zich met het verticale probeert vertrouwd te maken. Met hoeveel verbazing, zelfs met plezier wordt het zich oprichten, het staan door het gezonde kind beleefd. Dit vindt dan zijn voortzetting in de eerste stappen die worden gedaan.

Te beginnen bij het embryo tot en met de eerste drie jaren zien wij een hele “symfonie” van bewegingen zoals cel-, vloeistof-, groeibewegingen, waarbij dan ten slotte de spraak- en denkbewegingen komen.

De verschillende fasen van dit proces zijn slechts de uitdrukking van een “compositie”, een schepping van hogere orde, die duidelijk de menswording tot doel heeft. Elk tekort, veroorzaakt door een gestoorde ontwikkeling, kan ons schokken, omdat wij al of niet bewust voelen: hier is het ontwerp van het mensbeeld niet of slechts onvolkomen verwerkelijkt.

In oude tijden werd door vele volken de beweging als een geschenk van de goden gezien en bij grote feesten speelde de cultische dans een belangrijke rol. Men denke bijvoorbeeld aan bepaalde dansen op Bali. De beelden van de tempels in India laten dikwijls zulke scènes zien. Voorts kent men bij alle volken de volksdansen, die een cultisch-feestelijke betekenis hadden en die steeds een onderdeel waren van het gemeenschappelijke leven. Kennelijk zag men eertijds de oorsprong van de beweging als een geschenk van de hemel in de meest omvattende zin.

Wat nu het kind betreft; is het niet zo – overdrachtelijk gesproken – dat iets gaandeweg in het kind neerdaalt wat zich met het kind verbindt en dat steeds meer erdoor wordt geïntegreerd? Wij moeten echter beseffen, dat al in de eerste fase van het kinderleven lust en onlust, sympathie en antipathie opduiken en onze aandacht richten op de fundamentele activiteiten van de ziel. Het probleem van de beweging is ten nauwste verwant aan de incorporatie van de zielenkrachten. Wat wij dus organisch-lichamelijk beschouwen, brengt ons altijd ook op psychische factoren die zich in de bewegingsfuncties willen uiten.

Hiervoor zijn de gestes en de loop van de mens kenmerkend.

Het proces van het binnendringen in het lichamelijke bereikt bij gezonde kinderen in de tweede zevenjarenfase een zeker hoogtepunt. Het wordt dan in de puberteit dikwijls ernstig verstoord. In extreme gevallen wordt het meisje te mager (met gevaar voor anorexia nervosa), de jongen daarentegen te zwaar. In één beeld samengevat: het “lichtvoetige” meisje en de logge onhandige jongen. Vanzelfsprekend worden hier slechts de principes bedoeld, waarvan alle mogelijke mengingen en afwijkingen bestaan. In geen geval mag men die verschijnselen moraliserend beoordelen. Uit het bovenstaande blijkt, dat zich het bewegen tussen licht en zwaar, tussen kosmos en aarde ontplooit – op verschillend niveau: kindsheid, jeugd, ouderdom – opdat het echt- menselijke, bij de verschillende leeftijdfasen behorende “midden” wordt gevonden.

De degeneratie van de beweging

Met de opkomst van de moderne natuurwetenschap – die als belangrijkste vrucht de techniek heeft voortgebracht- werden alle gebieden van het leven ook met de daarbij behorende methodes resp. denkwijze doortrokken. Daar horen drie functies bij: meten, tellen en wegen, die voor een zogenaamde wetenschappelijke exactheid maatgevend zijn. Uit het medische vlak zou men vele voorbeelden kunnen noemen die deze stelling staven.

Onze tijd laat tal van voorbeelden zien, hoe die denkwijze ook op al het bewegen van de mens en de daarbij betrokken organen wordt toegepast. De extreemste voorbeelden vinden wij in de sport. Toen men aan het eind van de vorige eeuw de gedachte van de Olympische Spelen weer tot nieuw leven wilde wekken, zag men over het hoofd, in welke tendenties zo’n onderneming werd ingebed. In het oude Griekenland waren die spelen een cultisch-religieus feest, gewijd aan Zeus; zij waren ontsproten uit een totaal andere levenshouding. Het ging toen niet om 1/100 seconde of om een centimeter, zelfs een millimeter, maar om een dienst ter ere van de godheid.
Daarvan is niets meer overgebleven. De zuiver fysieke en op de een of andere manier meet- of telbare sportieve prestatie is doorslaggevend. Deze ontwikkeling demonstreert de volledige mechanisering van de menselijke beweging, om maar te zwijgen van alle politieke en commerciële manipulaties die met het geheel zijn gemoeid.

Bij onze beschouwing gaat het er niet om sport, die nog steeds talloze mensen door gezonde beweging plezier en ontspanning kan verschaffen, vanuit een eenzijdige benadering te veroordelen. Wij bekijken hier extreme ontwikkelingen omdat daar de kern van het probleem van de beweging het duidelijkst kan blijken. De aan de gezondheid toegebrachte schade door topprestaties in de sport zijn elke vakman bekend. Wij behoeven maar aan het spierstelsel, de gewrichten, pezen, de wervelkolom te denken. Hierboven is er al op gewezen, dat beweging als zodanig eigenlijk uit een niet-fysiek gebied komt. De ontwikkeling van het kind verduidelijkt dit. Het verval van die krachten, waardoor zij steeds meer in het gebied van de aardse zwaarte en het technisch berekenbare afglijden, roept als reactie bewegingsexcessen (moderne dans, rock enz.) op. De mens tracht dan zijn te sterk aan het lichaam gebonden ziel explosief te bevrijden. Dit verval, de degeneratie van de beweging, is niet slechts een biologische kwestie. Maar wij worden daardoor gewaar, hoezeer onze ziel, zelfs ons ik wordt bedreigd. Een ontstellende situatie! Staan wij daar alleen maar hulpeloos tegenover?

Genezing door beweging

Wij vatten nog een keer de lichamelijk-organische kant van het hier behandelde vraagstuk samen. Reeds uit de embryologie wordt duidelijk, hoe uit iets wat vloeibaar-plastisch is, het lichaamseiwit, het menselijke lichaam, het spierstelsel en de organen en voorlopig heel voorzichtig het beenderstelsel ontstaan. Het skelet wordt weliswaar in de ontwikkeling aan de ene kant tot steun opdat wij op de aarde kunnen staan, aan de andere kant echter maakt dit het ons mogelijk, d.m.v. de gewrichten het gevormde in beweging te kunnen oplossen. Vanuit deze gedachte komen wij op het spierstelsel dat als een gestold vloeistoforganisme bij de gezonde mens zichtbaar wordt; zachter, meer vloeibaar bij het vrouwelijke, meer naar het vaste neigend bij het mannelijke lichaam.

De antroposofische menskunde spreekt dan van het “etherisch lichaam”, dat als niet-fysiek, bovenzinnelijk principe in alle vloeibare processen actief is. Dit “lichaam” reguleert ook alle voedings- en opbouwprocessen. In die levensprocessen grijpen de hogere psychisch – geestelijke wezensdelen van de mens in. Dit blijkt uit de hierboven genoemde uitingen van sympathie en antipathie, lust en onlust, ook van in- en ontspannen. Het ik van de mens dirigeert dan dit geheel in de doelgerichte beweging. Voor onze beschouwing omtrent het wezenlijke van de beweging kan het volgende beeld gelden: uit hogere geestelijke gebieden komt de ziel omlaag en doordringt van fase tot fase het lichaam, d.w.z. zij incarneert zich. Als zij zich van het instrument van het lichaam heeft meester gemaakt, wil zij het samenklinken van geest, ziel en lichaam op allerlei manieren tot uiting brengen, voortdurend zich ritmisch oriënterend tussen kosmos en aarde. Alles wat beweging is kunnen wij als de uitdrukking van een oermenselijk gebeuren opvatten. Daarbij kunnen wij in de mens een belangrijke metamorfose gewaar worden die verloopt van de lichamelijke beweging, die in het bijzonder de bloedsomloop, het spierstelsel en het skelet met zijn gewrichten omvat, naar de spraakbeweging en ten slotte naar de denkbeweging. Doordat de materialistische natuurwetenschap heeft getracht om de mens als een totaal berekenbaar object op te vatten, is ook het wezenlijke van de beweging daaraan ten prooi gevallen. Maar de mens zelf merkt dat het “instrument” van de ziel, het lichaam steeds minder als zodanig geschikt wordt. Er zijn tegenwoordig talrijke pogingen om die negatieve ontwikkeling een halt toe te roepen. Dans en gymnastiek bijvoorbeeld worden door verschillende stromingen vernieuwd. In yoga en oude cultische praktijken wordt geprobeerd door intensivering van de beweging de mens te helpen om zijn innerlijk te bevrijden en bewegend tot uiting te brengen. Ook het streven om het volksdansen weer nieuw leven in te blazen ligt in deze richting.

Dit voor de totale mens zo belangrijke vraagstuk stond ruim 70 jaar* geleden Rudolf Steiner, de inaugurator van de antroposofie, voor de geest. Naar aanleiding van vragen in zijn omgeving ontwikkelde hij een nieuwe bewegingskunst: de euritmie. Zij ontstond op grond van zijn geesteswetenschappelijk onderzoek. De grondelementen van de beweging, zoals hij die in de mens en de kosmos zag en die door klank (spraak) en tonen (muziek) in de mens tot verschijning komen, werden stap voor stap op kunstzinnige wijze ontwikkeld tot hetgeen thans sinds meer dan 60 jaar* als euritmie in de wereld is geplaatst. Zij is kunst, hygiëne in de ruimste betekenis en tevens therapie in de vorm van heileuritmie, wat euritmie in wezen is. Euritmie moet men eigenlijk door haar te beoefenen ervaren.

In de euritmie komt het vormen en bezielen van de beweging niet slechts vanuit subjectieve gevoelens maar door de verbinding van de ziel met objectieve wetmatigheden tot stand, zoals die in de mens en in de wereld aanwezig zijn. Daardoor beleeft de mens een bevrijding en tevens een versterking van zijn ik, wat ook een organisch heilzame werking kan hebben. De hierna volgende woorden van Rudolf Steiner mogen dit artikel besluiten: ”De euritmie als bezield, doorgeestelijkt turnen is een belangrijke factor in de opvoeding. Het turnen ontleent zijn wetten aan de kennis van het menselijke lichaam. Slechts het bezielde turnen kan bereiken, wat het zuiver lichamelijk beoefende niet kan, het zal bijvoorbeeld wils-initiatieven in de mens opwekken. Het zal de totale mens naar lichaam, ziel en geest opvoeden, maar geenszins het lichaam veronachtzamen. Het element van de wil impulseert de euritmie. Door haar maakt men zichtbaar wat de musicus in de tonen, de echte dichter in de taal nastreeft.
De Olympische Spelen waren voor de Griekse aard wat de mens in dat tijdperk nodig had. In onze tijd hebben wij iets nodig, wat de mens ook met betrekking tot zijn ziel en geest in de totaliteit van de wereld plaatst.”

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 6 (6-2-1)

.
In de ‘Algemene menskunde’ komt het wakker-zijn en het slapen als bewustzijnstoestanden in de 6e voordracht aan bod. 
Onderstaand artikel belicht deze aspecten vanuit een bepaalde invalshoek die hert begrijpen van de inhoud van voordracht 6 kan ondersteunen.
Tevens komen er weer begrippen aan bod die al eerder werden besproken.
.

Dr.med. Olaf Titze, Weledaberichten nr. 143, dec 1987

.

WAKEN EN SLAPEN

.

Wie wel eens nadenkt over waken en slapen, doet de verbazingwekkende ontdekking, dat hij, afgezien van de slechts seconden durende dromen, ongeveer een derde van zijn leven letterlijk heeft verslapen – dat anderzijds zijn herinnering hem de continuïteit van zijn levensloop laat zien die niet door de periodes van de slaap is onderbroken. Ondanks de onderbrekingen door de slaap die aan ons gewone bewustzijn worden onttrokken, beleven wij dus onze levensloop als een eenheid en wel in dubbele betekenis, nl. zowel met betrekking tot het beleven van de buitenwereld als ook wat het beleven van onszelf betreft. Het bewustzijn knoopt a.h.w. elke morgen weer aan waar het ’s avonds bij het inslapen is opgehouden. Daaraan zijn wij gewend en wij denken er niet verder over na dat het ook anders zou kunnen zijn; dat bijvoorbeeld bij bepaalde hersenbeschadigingen allerlei periodes van de herinnering zouden kunnen verdwijnen of, wat nog ernstiger is, de mens door een onderbreking van zijn bewustzijn niet meer in staat is om zijn identiteit te vinden. Ook blijft het een open vraag of er gedurende de slaap helemaal geen bewustzijnsbelevingen zijn. Voor de periodes van de droom zijn er wel belevingen in de vorm van beelden, die men zich echter heel vaak na het ontwaken niet meer kan herinneren.

Hoe echter is het met het bewustzijn gesteld in de periodes van de diepe slaap? Bestaat er daar geen bewustzijn of kunnen belevingen in die tijd alleen maar niet worden herinnerd? In welke wereld leeft de menselijke ziel tijdens de slaap? In de laatste tijd zijn immers de belevingen van schijndoden bekend geworden, die zelfs later kunnen worden herinnerd. (G. Ritchie – “Terugkeer uit de dood”) Het is mogelijk, dat de mens, als hij slaapt net op dezelfde manier een wereld binnengaat – maar een andere – als hij bij het ontwaken in een wereld binnenkomt die voor de fysieke zintuigen toegankelijk is. Stellig moet de vraag omtrent het bewustzijn geheel nieuw worden gesteld als men aan de realiteit recht wil doen wedervaren en zeker zijn er naast de ziekelijke bewustzijnsveranderingen ook nog de meest gevarieerde belevingsgebieden die zich onttrekken aan de fysieke zintuigen en aan het normale verstand. Van wetenschappelijk en dus van algemeen belang zou de vraag echter pas zijn, als men de voorwaarden zou kunnen doorzien die gelden voor verruimingen van het bewustzijn.
In de moderne geesteswetenschap van Rudolf Steiner, de antroposofie, werden die voorwaarden beschreven. (Vgl. Rudolf Steiner “Occulte fysiologie”, 2e voordracht en ”De weg tot inzicht in hogere werelden”)

Terwijl aan het gewone, dagbewustzijn volgens Rudolf Steiner afbraakprocessen ten grondslag liggen, die uiteindelijk ook tot de noodzaak van het uitblussen van het bewustzijn en het op gang brengen van regeneratieprocessen tijdens de slaap leiden, is het helderziende bewustzijn van zodanige aard, dat het door een geestelijke scholing tot een soortgelijke bevrijding van het psychisch-geestelijke deel uit het lichaam van de mens leidt zoals dat in het gewone leven tijdens de slaap gebeurt. Er moet evenwel de nadruk op worden gelegd, dat het bij deze scholing niet om allerlei ondoorzichtig mystiek gedoe maar om een exact controleerbare scholing van het bewustzijn gaat. Er bestaat dus volgens de gegevens van de geesteswetenschap inderdaad een weg om ook overdag bewust de wereld van de slaap te betreden. Een terugblik ’s avonds op de gebeurtenissen van de dag, een gebed of een meditatie zijn daarvoor werkzame voorbereidingen. De vraag omtrent het bewustzijn is de ene kwestie die ons bezighoudt als wij over waken en slapen nadenken. De andere is, dat het daarbij duidelijk om een ritmisch gebeuren gaat. Het behoort tot de meest fundamentele ontdekkingen van onze eeuw, die in 1917 in artikelen onder de titel ”Von Seelenrätseln” [GA 21, niet vertaald] door Rudolf Steiner werden gepubliceerd, dat als de fysiologische basis van denken, voelen en willen drie verschillende functiesystemen in het menselijke organisme kunnen worden gezien: het zenuw-zintuigsysteem voor het denken, een ritmisch systeem voor het voelen en een stofwisselings-ledematensysteem voor het willen. Vanuit dit gezichtspunt zouden waken en slapen als ritmisch gebeuren ook een grondslag zijn voor het voelen.

Men beleeft immers juist het voelen net zo gepolariseerd als men de polen ervaart waartussen zich een ritme ontwikkelt. Elk gevoel is op de een of andere manier in de richting van sympathie of antipathie gekleurd. Treffend drukt Goethe dit uit in dichtvorm als hij spreekt over het ritmische proces van het ademhalen:

”lm Atemholen sind zweierlei Gnaden,
die Luft einziehen, sich ihrer entladen,
jenes bedrangt, dieses erfrischt,
so wunderbar is das Leben gemischt.
Du danke Gott, wenn er dich presst
und dank ihm, wenn er dich wieder entlasst.”

Goethe, J. W., Gedichte. West-östlicher Divan, 1814 – 1819. Buch des Sängers

De inademing wordt als antipathiek, de uitademing als sympathiek gevoeld. Als men dit gezichtspunt toepast op ontwaken en inslapen, dan beleeft de volwassene het wakker worden antipathiek, het inslapen sympathiek gekleurd. Het aangolven van de zintuigprikkels benauwt in de zin van Goethe. De ontspanning bij het inslapen verkwikt.
In voordrachten van Rudolf Steiner over heileuritmie wordt het proces van de zintuigactiviteit, bijvoorbeeld het luisteren, als een subtiel inslapen, het proces van het begrijpen van hetgeen werd gehoord, als een subtiel ontwaken beschreven. Ook binnen het zenuw-zingtuigstelsel treedt dus, wat de functie daarvan betreft, de polariteit weer aan de dag, waarbij de zintuigfunctie meer het aspect van de slaap, de zenuwfunctie het wakker-zijn vertegenwoordigt.

Ten slotte de activiteit van het stofwisselingssysteem en van de ledematen.
Dit systeem heeft te maken met het willen, d.w.z. door de activiteit van de stofwisseling en de ledematen kan de mens in de wereld daden verrichten. Normaliter slaapt de mens voortdurend met betrekking tot de functies van zijn stofwisselingsorganen of van zijn ledematen. Door een ziekte kan dit evenwel snel veranderen, bijvoorbeeld bij een koliek of spierkramp. Maar hierover willen wij het niet hebben. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het willekeurige en het onwillekeurige spierstelsel. Op het onwillekeurige spierstelsel heeft het bewustzijn van de mens geen directe invloed. Het willekeurige spierstelsel, nl. dat van zijn bewegingsorganen kan hij spannen of ontspannen, hij kan er handelingen mee volbrengen of nalaten, die hij in zijn bewustzijn controleert. Weer andere voltrekt hij, en dat zijn de meeste, zonder dat hij zich daarvan volledig bewust is. Maar zelfs bij de handelingen, die door het bewustzijn worden gecontroleerd, is het in de grond  niet het verloop van de bewegingen op zichzelf, die men zich bewust maakt, maar alleen de doelgerichtheid. Het bewustzijn geeft aan de beweging een richting, een doel. Dit is aan het motief van de handeling gekoppeld, waarin o.a. ook de moraliteit van de mens is betrokken. De wezenlijke kern van de mens, zijn ik is het dat wij met het oog op waken en slapen vanuit deze drie gezichtspunten bekijken:

1e vanuit het gezichtspunt van verschillende bewustzijnstoestanden,

2e vanuit het gezichtspunt van een ritmisch zich verenigen met en weer losmaken van het lichaam,

3e als een min of meer bewust handelend wezen.

Bij het optreden van slaapstoornissen is het van belang, deze drie gezichtspunten in het oog te vatten. Er is bijv. een groep van slaapstoornissen, waarvan de oorzaak ligt in een voortzetting van het dagbewustzijn: de mens kan niet “uitschakelen”. Dan is het ’t beste, om eerst de gebeurtenissen van de dag nog eens in omgekeerde volgorde van de avond tot de ochtend na te gaan, zonder daarbij aan bijzonderheden te blijven haken. Men kan daarna misschien iets opbouwends lezen of zich concentreren op een bepaalde gedachte of een gebed.

Als medicament kunnen hier preparaten met lood, vervaardigd op een speciale manier, hulp bieden.

Een andere groep van slaapstoornissen berust op stoornissen in het ritmische systeem. Het hart kan bijv. in vergelijking met de ademhaling veel te snel kloppen. Men spreekt dan van hartkloppingen. Dit kan psychische maar stellig ook lichamelijke oorzaken hebben, bijv. hoge bloeddruk. In elk geval bestaat er innerlijke onrust of angst. De lichaamsritmen komen weer in harmonie o.a. doordat men van kunst geniet of, beter nog, zelf kunstzinnig bezig is. Deze stoornissen kunnen medicamenteus worden verholpen door bepaalde speciaal bereide plantaardige- en goudpreparaten.

De derde groep van slaapstoornissen staat in verband met ons stofwisselings- en bewegingssysteem. Stellig zijn er op dit gebied ook een hele reeks van organische oorzaken waarvoor een speciale behandeling nodig is, maar er liggen ook dikwijls oorzaken diep in het emotionele gebied – alle mogelijke belastingen van het geweten, schokkende gebeurtenissen, verdriet, nalatigheden, kwalijke ondoordachte daden enz.

Hier kan de bewuste daad uitkomst bieden. Men probeert bijv. verschillende keren per dag zich van het bewegingsproces bij het lopen bewust te worden, d.w.z. heel bewust te lopen, de voet van de grond te tillen, hem naar voren te brengen en daarna weer bewust neer te zetten, enz.

Dikwijls vinden patiënten baat bij de toepassing van zilverpreparaten als medicament. Als zulke aanduidingen in de richting van medicamenteuze therapie worden gemaakt, is dit op geen enkele manier een pleidooi voor het zelf hanteren van medische voorschriften. Het gaat er hier veeleer om dat er begrip voor wordt gewekt als de arts i.p.v. een gangbaar slaapmiddel speciale preparaten toepast die aangepast zijn aan het wezen van de mens. De algemene hygiënische aanwijzingen kunnen evenwel, mits consequent toegepast, dikwijls een belangrijke hulp bieden.

In de volgende artikelen wordt beschreven, hoe het probleem van waken en slapen, dat hierboven principieel werd behandeld, met betrekking tot kinderen en bejaarden op een andere manier verschijnt. [nog niet oproepbaar]

.

Algemene menskunde voordracht 6alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2656

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-3)

.

Dr. Siegfried Gussmann, Weledaberichten 140  dec. 1986
.

GEDACHTEN OVER REÏNCARNATIE
.

Hoe komt het, dat zoveel mensen de reïncarnatiegedachte tot de hunne maken? Heeft men hier te maken met invloeden van oosterse opvattingen? Maar zelfs als dat zo zou zijn, dan moet men wederom vragen: hoe komt het dat deze idee in onze tijd [art. in 1986 geschreven] door zovelen wordt overgenomen? Kennelijk raakt zij een probleem, dat in het onderbewustzijn (of het bovenbewustzijn?) van veel tijdgenoten leeft: de vraag naar het vanwaar en waarheen van de persoonlijkheid. Men heeft lange tijd gemeend dat de idee van de reïncarnatie een wereldbeschouwelijk of theologisch probleem was. Pas sinds ongeveer dertig jaar [art. in 1986 geschreven] begint die mening allengs te veranderen en men gaat inzien, dat de reïncarnatie-idee een vraagstuk van de menskunde is. Hierop hebben vooral Rudolf Steiner en Rudolf Bubner gewezen. Elke tulp stamt af van andere tulpen; zij ontplooit zich dan zoals het milieu, het klimaat en de tuinman dat mogelijk maken. Elke merel stamt af van andere merels; hij leeft dan op de manier zoals de merelsoort dat doet. De erfelijkheidswetten van planten en dieren zijn nauwkeurig onderzocht en worden ook praktisch toegepast. Zij gelden ook voor de mens voor zover in hem de wetmatigheden van de planten- en dierenwereld gelden. Maar bij de mens komt er iets wezenlijk nieuws bij: zijn wezen. In al de gegevens van erfelijkheid en milieu wil onze wezenlijke kern tot uitdrukking komen. Wij leven niet alleen het leven dat voor de menselijke soort typisch is. leder probeert ook, zijn absoluut eigen privéleven te leiden; ieder heeft zijn eigen biografie, zijn eigen lot. Wat ons lichaam betreft stammen wij af van onze ouders. Ook het natuurlijke en sociale milieu drukken hun stempel op ons. Waar vandaan echter stamt de kern van onze persoonlijkheid? Hier kan de vraag rijzen: hebben wij in een vorig leven de oorzaken geschapen waarvan de gevolgen in ons huidige leven gunstig of belemmerend als ons lot op ons afkomen? Hiermee wordt bedoeld, dat de mens in zijn vorig bestaan zélf het lot heeft gevormd dat hij in een volgend leven op aarde aantreft. Is hierdoor niet ook de verantwoording, die wij door ons tegenwoordige handelen op ons nemen, in een veel groter, wijder verband te zien dan wanneer wij die verantwoording alleen maar tot ons huidige bestaan beperken? Men kan zich denkend met de idee van de reïncarnatie bezighouden en dan nagaan of door die idee vragen worden beantwoord die anders raadselen zouden moeten blijven; hoe het bijvoorbeeld gesteld is met een chronische ziekte, waaraan iemand zijn leven lang lijdt, die de arts misschien kan verzachten, maar toch niet geheel kan genezen. Wie aan een chronische ziekte of een gebrek lijdt, waarvoor in dit leven geen genezing mogelijk is, kan zich afvragen: welke vermogens verkrijg ik, doordat ik met deze belemmering een leven lang mijn ervaringen opdoe? [1] De idee van de reïncarnatie, objectief en nuchter doordacht, kan op die manier in menige levenssituatie hulp bieden. In het Duitse geestesleven heeft Gotthold Efraim Lessing onmiskenbaar voor deze idee gekozen. Aan het slot van zijn “Opvoeding van het mensengeslacht” zegt hij: “Waarom zou ik niet zó dikwijls terugkeren als ik in staat ben, mij nieuwe inzichten en vaardigheden te verwerven? Verover ik mij in één keer zoveel dat het niet de moeite waard zou zijn terug te komen?”

.

[1] Regelmatig kun je in allerlei artikelen lezen hoe mensen met een ziekte, een handicap omgaan en welke gedachten ze daarbij ontwikkeld hebben.
Zo schrijft Willem Philipsen n.a.v. een herseninfarct het boek: ‘Met de stroom mee‘’.

In ‘Mezza’ van 6 juni 2021 wordt hij geïnterviewd.
In zijn boek schrijft hij dat hij zichzelf op een andere manier heeft leren kennen, dat hij andere kanten en talenten van zichzelf heeft ontdekt. ‘Ik heb geleerd mijn ogenschijnlijke zwakte om te zetten in kracht.

Mijn herseninfarct heeft me meer gebracht dan het me heeft afgenomen. Als ik terugkijk op mijn leven als muzikant, dan was dat een eenzijdig leven, met oogkleppen op. Ik heb een nieuwe carrière opgebouwd. Door het delen van mijn verhaal hoop ik mensen te motiveren en inspiratie te geven om hun eigen leven opnieuw vorm te geven.’«

.

Literatuur:

R. Frieling: Christendom en reïncarnatie, Uitg. Christofoor
Lessing: De opvoeding van de mensheid
Steiner o.a.: Theosofie

G. Adler: Seelenwanderung und Wiedergeburt, Herderbücherei
E. Bock: Wiederholte Erdenleben, Verlag Urachhaus
R. Bubner: Evolution, Reinkarnation, Christentum, Verlag Urachhaus
H. Torwesten: Sind wir nur einmal auf Erden?, Herder Verlag

Boeken bij ABC Boeken

Algemene menskunde voordracht 1: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2648

..

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/2)

.

Dr.Med. Olav Titze, Weledaberichten

.

HUID EN ORGANISME
.

De huid met haar uitlopers, de haren en de nagels, is in menig opzicht een spiegel van de functies van de inwendige organen. Men denke bijv. aan geelzucht bij leverinfecties, het bruin worden van de huid bij ziekten van de bijnieren, het nachtelijk transpireren bij ernstige hartkwalen, acnepuistjes in de puberteit en furunculose bij suikerpatiënten.

De huid weerspiegelt echter ook psychische toestanden: het verbleken als men schrikt, blozen als men zich schaamt. Hier blijkt de relatie met de bloedcirculatie.

Maar de huid is ook een orgaan met een speciale anatomische bouw en als zodanig behoort zij bij het zenuw-zintuigstelsel van de mens. Zij is immers van ontelbare zintuigcellen voorzien en kan ons daardoor via de tast- en warmtezin de buitenwereld laten gewaar worden.

Op die manier heeft de huid met alle drie systemen van functies bij de mens te maken; zij oefent tevens een eigen beschermende rol uit doordat zij de schadelijke invloeden van de buitenwereld afweert. Daarbij ondersteunt zij als zintuig deze taak, wanneer bijv. de tast- en warmtewaarnemingen door de overgang naar pijn gevaar signaleren.

Er zijn slechts weinig substanties die de gezonde huid kunnen doordringen. De huid van de zuigeling vormt in dit opzicht een uitzondering. Deze is nog bijna slijmvlies. Daarom is het vooral bij de verzorging van de zuigeling van belang, de middelen daarvoor uiterst zorgvuldig te kiezen. Dit geldt ook in het bijzonder bij acute huidontstekingen, als dientengevolge de huid haar beschermende functie verliest en zij doorlaatbaar wordt voor medicamenten.

De werkingen via de huid op het organisme zijn over het algemeen reactief. Als men bijv. een warme kruik op de buik legt om maag- of darmkrampen te verhelpen, dan werkt in zo’n geval de uitwendige warmte niet rechtstreeks, maar de uitwendige warmteprikkel heeft een reactie in het organisme tot gevolg, d.w.z. de onder de verwarmde plek liggende organen worden van meer bloed voorzien. Het tegengestelde gebeurt bij de toepassing van koude, bijv. als een blindedarmontsteking met een ijszak wordt behandeld.

De uitwendige toepassing van warmte kan versterkt worden door substanties die zelf een bijzondere relatie met de warmte hebben. Dat zijn de oliën en vetten. Zij kunnen ertoe bijdragen om de afkoeling van het organisme tegen te gaan. De Inuit bijv. wrijven zich bij zeer lage temperaturen in met olie. Vetrijk voedsel met zijn hoge waarde aan energie zorgt ervoor dat wij het ’s winters niet zo snel koud hebben. Aan het ontstaan van plantaardige oliën en vetten liggen intensieve warmteprocessen ten grondslag. Door de zonnewarmte kunnen immers in zaden en vruchten deze substanties als een uiting van rijpingsprocessen ontstaan.

De meestal sterk geurende etherische oliën doen hun invloed niet alleen via de huid maar ook via de ademhalingswegen gelden. De etherische lavendelolie [1] bijv. voelt men enerzijds als verwarmend, anderzijds – doordat men de kalmerende geur inademt – als rustgevend en ontspannend. De etherische rosmarijnolie daarentegen is stimulerend en opwekkend. De zeer vluchtige eucalyptusolie veroorzaakt nog in een tienvoudige verdunning een verkoelende prikkeling op de huid. Deze olie werkt via de ademhalingsorganen veel sterker dan via de huid.

De werking van koude kompressen, zoals die bijv. bij schedelkwetsuren en hersenschudding worden toegepast, kan worden versterkt door arnica [2]. Deze gedijt in het hooggebergte, in de kiezelrijke, schrale bodem van de formaties van het oergesteente. Er is nauwelijks een plant, die op zoveel manieren kan worden toegepast bij beschadigingen van de huid, o.a. als verdunde essence in een verkoelend kompres (1 eetlepel op ¼ l. water) of ook als zalf bij builen. In olie verwerkt vindt arnica bij vele reumatische klachten toepassing als toevoeging aan het bad.

Men kan echter niet alleen door middel van prikkels van warmte of koude, al of niet met behulp van bepaalde toevoegingen van medicamenten, invloed uitoefenen op het organisme, maar ook door gedoseerde en op de juiste plaats toegebrachte pijnlijke prikkels: op die manier kan men bijv. pijnlijke ontstekingen van de bijholten van de neus verzachten door de brandende pijn, die men met behulp van een mosterdkompres beneden aan de kuit opwekt, d.w.z. aan de tegenpool van het ziekteproces.

Via de huid beïnvloeden baden het gehele organisme; een warm bad kan de uitscheiding stimuleren en krampen oplossen. Etherische oliën, toegevoegd aan het badwater, hebben bovendien een werking via de ademhalingsorganen en de reukzin. Warme baden moeten echter worden ontraden, bij bijv. hart- en vaatziekten en aderontstekingen. Koude baden zijn verkwikkend en gaan de neiging tot verkoudheid tegen, bijv. bij kinderen die een lymfatische constitutie hebben. Natuurlijk moeten zij na het bad weer flink warm worden. De werking van een koud bad wordt verhoogd door er zout aan toe te voegen.

Zalven of oliën worden ingewreven door massage. Lichte massage verschaft ontspanning en rust. Krachtige massage is opwekkend en bevordert de bloedcirculatie. Pijnlijke benen met stuwingen in de aderen moeten heel zachtjes worden gemasseerd; door eenzijdige beweging stijf geworden spieren daarentegen moeten met massageolie stevig worden behandeld om het doorstromen van het bloed te bevorderen.

Samenvattend kan worden gezegd, dat de werkingen via de huid – op enkele uitzonderingen na – op het totale organisme hierin bestaan, dat de zintuigfunctie van de huid op vele manieren kan worden gestimuleerd. Het organisme geeft dan een soort antwoord: op een prikkel door middel van warmte volgt een sterker stromen van het bloed; prikkels door middel van koude bewerken het tegendeel daarvan, terwijl pijn op de ene plaats door een andere prikkel naar elders kan worden verplaatst. Geneesmiddelen kunnen deze zintuigprikkels op allerlei manieren versterken.

[1] Voor allerlei oliën: zie Weleda
[2] Arnica bij Weleda

.

Zintuigen: alle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

2647

..

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 304A – voordracht 3

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: vspedagogie  voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

GA 304A

 Anthroposophische Menschenkunde und Pädagogik

9 openbare voordrachten gehouden tussen 25 maart 1923 en 30 augustus 1924 in verschillende steden.

Vertaling

Antroposofische menskunde en pedagogiek

In de Gesamt-Ausgabe GA 304A is geen inhoudsopgave weergegeven voordracht 1: Pädagogik und Kunst – Stuttgart 25 maart 1923 is uitgegeven bij uitgeverij Pentagon, samen met voordracht 2: Pädagogik und Moral -Stuttgart 26 maart 1923 – onder de titel: Pedagogie, kunst en moraliteit

Inleidende woorden bij een euritmieopvoering 27 maart 1923
Voordracht [4]  [5] [6]

(Eigen) inhoudsopgave voordracht 3

‘Pädagogik’ kan worden vertaald met pedagogie én pedagogiek. De laatste is de ‘leer’ en de eerste ‘de praktijk’ van de opvoeding. Wat Steiner met ‘Pädagogik’ bedoelt is het samengaan van beide. Daarom is het m.i. niet nodig in vertalingen van zijn pedagogisch werk daarin een onderscheid te maken. Ik gebruikte beide opvattingen door elkaar. Vandaar ook in de titel (pedagogie(k)
Je kan direct doorlinken naar de pagina. Woord met bredere s p a t i e

Blz. 60: kan een wereldbeschouwing vruchtbaar zijn voor de pedagogie? Antroposofie wil geen wereldbeschouwing zijn, maar de mens beschrijven zoals hij is, wat daaruit volgt voor de opvoeding, is een vanzelfsprekendheid.
Blz. 61 e.v.: antroposofie wil vruchten kunnen afwerpen voor de opvoeding en het onderwijs: niet een of andere hobby zijn.
Blz. 63 e.v.: grote kloof tussen materialisme en geesteswetenschap, zichtbaar in theorie en praktijk van het leven;
Blz. 65 e.v.: het zich ontwikkelende kind waarnemen; de geest aan het werk zien, respect voor die scheppende wereld;
Blz. 67 e.v.: ontstaan experimentele psychologie; van buitenaf kijken, of innerlijk waarnemen;
Blz. 68 e.v.: over Ernst Mach, hoe deze de wereld zag en waarom; over ether- en astraallijf;
Blz. 71 e.v: de scholingsweg geeft je andere inzichten en doet je anders in het leven staan;
Blz. 75 : voorstellen, geheugen en groei; onderwijsvernieuwing kan niet zonder nieuwe menskunde;
Blz. 76: er is geen antroposofische pedagogie om wille van de antroposofie, maar om wille van vernieuwde opvoeding en onderwijs.

Blz. 60

Voordracht 3, Dornach 30 juni 1923   (deel 1 van 2)

Warum eine anthroposophische Pädagogik?

Meine sehr verehrten Anwesenden, es gereicht mir zur großen Befriedi­gung, wiederum zu Lehrern über ein pädagogisches Thema heute und morgen sprechen zu können, und ich möchte insbesondere neben allen übrigen heute anwesenden Mitgliedern die anwesenden Lehrer aufs herzlichste begrüßen.
Sie werden begreifen, daß angesichts des Umstandes, daß die aus der Anthroposophie hervorgegangene Pädagogik im Wesen nichts Theoreti­sches, nichts irgendwie Utopistisches, sondern eine wirkliche Praxis ist, man gerade aus diesem Grunde in zwei kurzen Vorträgen nur einige Gesichtspunkte angeben kann. Ich habe mir ja erlaubt, als eine Ver­sammlung schweizerischer Lehrer vor kurzem einmal längere Zeit hier anwesend war, in einer ausführlicheren Weise, aber noch immer in einer zu kurzen Art, über anthroposophische Pädagogik zu sprechen. Da war es schon möglich, weil es in der Praxis so vielfach auf Einzelheiten ankommt, die Dinge besser zu behandeln, als das in zwei kurzen Vorträgen möglich ist. Aber ich werde mich bemühen, in diesen kurzen Vorträgen wenigstens einige Gesichtspunkte zu entwickeln gerade mit Bezug auf die Frage, in die ich das Thema hinein formuliert habe:

WAAROM EEN ANTROPOSOFISCHE PEDAGOGIEK?

Zeer geëerde aanwezigen, ik voel me er heel gelukkig mee dat ik vandaag en morgen weer tot leraren kan spreken over een pedagogisch thema en ik zou graag in het bijzonder, naast alle andere aanwezige leden, de leerkrachten die nu hier zijn, hartelijk welkom willen heten.
U zal begrijpen dat met het oog op de omstandigheid dat de pedagogie die voortkomt uit de antroposofie in wezen niets theoretisch, niet iets utopisch of iets dergelijks is, maar een daadwerkelijk praktische en dat je daarom in twee korte voordrachten maar een paar gezichtspunten kan belichten. Toen hier een een poosje geleden voor langere tijd een groep Zwitserse leerkrachten aanwezig was, heb ik me veroorloofd om uitvoerig, maar toch altijd nog te kort, over antroposofische pedagogie te spreken. Het was toen wel mogelijk, omdat het in de praktijk zo vaak op de details aankomt, de dingen beter te behandelen dan in twee korte voordrachten mogelijk is. Maar ik zal mijn best doen in deze korte voordrachten op z’n minst een paar gezichtspunten uit te werken vooral met het oog op de vraag die ik in het thema verwerkt heb:

«Wozu eine anthroposophische Pädagogik?»
Diese Frage muß ja aus den verschiedensten Gründen auftauchen. Schon darum muß sie auftauchen, weil ja Anthroposophie sehr häufig heute noch als irgend etwas Sektiererisches genommen wird, als irgendeine aus der menschlichen Willkür hervorgegangene Weltanschauung. Da frägt man sich dann: Darf denn Pädagogik durch eine bestimmte Weltanschauung beeinflußt werden? Kann man sich etwas Fruchtbares davon versprechen, daß ein Weltanschauungs-Standpunkt irgendwie pädagogische Konsequenzen aus sich heraus zieht? Wenn diese Frage berechtigt wäre, so gäbe es wahrscheinlich das nicht, was man anthropo­sophische Pädagogik nennen kann.
Es ist ja allerdings so, daß die verschiedenen Weltanschauungen, die

‘Waarom een antroposofische pedagogie?
Deze vraag moet wel ontstaan om velerlei redenen. Alleen al, omdat de antroposofie tegenwoordig nog heel vaak als iets sektarisch wordt gezien, als een of andere wereldbeschouwing die door menselijke willekeur is ontstaan. M a g pedagogie door een bepaalde wereldbeschouwing beïnvloed worden? Kan er uit een wereldbeschouwelijk standpunt iets vruchtbaars ontstaan als daar pedagogische consequenties aan verbonden worden? Als deze vraag te rechtvaardigen zou zijn, zou er waarschijnlijk niet zoiets zijn dat je antroposofische pedagogie kan noemen.
Het is zeker zo, dat de verschillende wereldbeschouwingen die

Blz. 61

vorhanden sind, auch über das Erziehungswesen diese oder jene Ansich­ten entwickeln, diese oder jene Forderungen aufstellen. Und man merkt überall diesen oder jenen Weltanschauungs-Standpunkt hindurch.
Das gerade soll bei der anthroposophischen Pädagogik eben ganz unmöglich sein, und ich darf gleich einleitend vielleicht vorausschicken, daß wir ja seit nun schon einer Reihe von Jahren in Stuttgart versucht haben, eine Volks- und auch höhere Schule im Sinne dieser anthroposo­phischen Pädagogik einzurichten, und daß es gewissermaßen dort unser Ideal ist, daß die Dinge so natürlich und selbstverständlich im Einklang mit der ganzen Menschenwesenheit und ihrer Entwickelung vor sich gehen, daß gar niemand auf den Gedanken kommen kann, da sei irgendeine anthroposophische Idee verwirklicht, daß gar niemand eigentlich etwas merken kann davon, daß irgendein Weltanschauungs­Standpunkt da zur Offenbarung kommt. Das was ich in dieser Richtung zu sagen habe, hängt ja allerdings damit zusammen, daß man mit Bezug auf Dinge, die man in der Welt vertritt, nun einmal genötigt ist, einen Namen zu gebrauchen.

er bestaan, ook over de opvoedkunde bepaalde opvattingen ontwikkelen, bepaalde eisen formuleren. En in alles vind je wel het s t a n d p u n t van die wereldbeschouwing terug.
Maar juist dat moet bij de antroposofische pedagogie dus niet mogelijk zijn en ik mag meteen wel als inleiding naar voren brengen dat wij al een aantal jaren op vrijeschool in Stuttgart geprobeerd hebben, een basis- en een middelbare school in te richten vanuit deze antroposofische pedagogie. En in zekere zin is het ons ideaal dat deze dingen zo natuurlijk en vanzelfsprekend overeenstemmen met het hele wezen mens en zijn ontwikkeling en dat niemand op de gedachte kan komen dat er een of ander antroposofisch idee verwezenlijkt wordt, dat er dus niemand iets van kan merken dat daar een of andere wereldbeschouwing aan het licht treedt. Wat ik, wat dit betreft, daarover wil zeggen, hangt er duidelijk mee samen dat je met het oog op de dingen waar je in de wereld voor staat, nu eenmaal een naam moet gebruiken.

Aber ich kann Ihnen die Versicherung geben, mir wäre es das Allerliebste, wenn das, was hier am Goetheanum vertreten wird, keinen Namen brauchte, wenn man es einmal so und einmal so nennen könnte, weil es sich hier nicht um eine Summe von Ideen handelt, wie sie gewöhnlich eine Weltanschauung bilden, sondern weil es sich hier um eine gewisse Forschungsart und Lebensbetrachtung handelt, die von den verschiedensten Seiten her in der verschiedensten Weise benannt werden kann. Und eigentlich führt bei der Art, wie man Namen gewöhnlich nimmt, jeder Name irre. Ich möchte mich darüber ganz trivial ausdrücken, aber Sie werden mich verstehen.
In bezug auf solche Dinge, wie Namen für geistige Strömungen, ist ja die Menschheit heute noch nicht viel weiter, als sie vor vielen Jahrhun­derten in Europa war mit Bezug auf Namengebung überhaupt. Heute hat man allerdings für die Namengebung bei Menschen das Nötige, was zu vergessen ist, vergessen. Wie gesagt, ich will mich ganz trivial ausdrücken.
Es hat einen Sprachforscher gegeben, einen berühmten Sprachfor­scher, er hieß Max Müller. Nehmen wir einmal an, jemand hätte gesagt, da und dort wohnt der Müller, und hätte damit die Wohnung des

Maar ik kan u wel verzekeren dat het mij het liefst is, dat waar we hier in het Goetheanum voor staan, helemaal geen naam nodig zou hebben; dat je het dan eens zus en dan eens zo zou kunnen noemen, omdat het hier niet om een optelsom van ideeën gaat die gewoonlijk een wereldbeschouwing vormen, maar  om een bepaalde manier van onderzoek en levensbeschouwing die van de meest verschillende kanten op de meest verschillende manieren benoemd kan worden. En eigenlijk leidt op de manier zoals men namen meestal neemt, iedere naam in een verkeerde richting. Dat wil ik heel alledaags onder woorden brengen, maar u begrijpt mij wel.
Met die dingen, zoals namen voor geestelijke stromingen, is de mensheid in Europa tegenwoordig nog niet veel verder dan eeuwen geleden en dat betreft ook het geven van namen in het algemeen. Tegenwoordig is in ieder geval wat de naamgeving bij mensen betreft, het nodige wat vergeten kan worden, ook vergeten. Zoals gezegd, ik druk me alledaags uit.
Er is een taalonderzoeker geweest, een beroemde, nl. Max Müller. Laten we eens aannemen dat iemand zou hebben gezegd dat daar of daar deze Müller woont en 

Sprachforschers Max Müller gemeint, und jemand hätte dann im Hin­blick auf das Wort Müller dem betreffenden Sprachforscher Getreide gebracht, daß er es mahlen solle – weil man ihm gesagt hatte, da wohne der Müller. Nicht wahr, bei Menschen sind wir bereits gewöhnt worden, nicht allzuviel auf die Wortbedeutung der Namen zu geben. Bei solchen Dingen, wie geistige Strömungen, tut man das heute noch. Man küm­mert sich oftmals nicht viel um die Dinge und analysiert, wie man sagt, den Namen «Anthroposophie». Man deutet den Namen und macht sich daraus eine Vorstellung.
Aber gerade so viel, wie das Wort Müller für den Sprachforscher Max Müller bedeutet, bedeutet das Wort Anthroposophie für das, was hier eigentlich als eine geistige Forschung und geistige Lebensbetrachtung gemeint ist. Daher wäre es mir am liebsten, wenn man, wie gesagt, jeden Tag die hier getriebene geistige Forschung und geistige Lebensbetrach­tung anders benennen könnte. Denn darin würde sich gerade ihre Lebendigkeit zum Ausdruck bringen. Man kann nur einigermaßen charakterisieren, was Anthroposophie will heute in der Weltzivilisation; man kann aber eigentlich nicht von ihr eine von vornherein verständliche Definition geben.

dat hij daarmee de woning van de taalonderzoeker Max Müller zou hebben bedoeld en dat er dan iemand met het oog op het woord Müller (molenaar) de betreffende taalonderzoeker koren zou hebben gebracht om dat te malen – omdat men hem had gezegd dat daar de molenaar woont. En niet waar, bij mensen zijn we er wel aan gewend geraakt, niet al te veel rekening te houden met de betekenis van namen. Maar als het om geestelijke zaken gaat, doet men dat nu nog wel. Dikwijls is men daar niet al te veel mee bezig en dan analyseert men de naam ‘antroposofie’. Men duidt die naam en maakt daarvan dan een voorstelling.
Maar net zoveel als de naam molenaar iets betekent voor de taalonderzoeker Max Müller, betekent het woord antroposofie iets voor wat hier eigenlijk als  geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt bedoeld.
Vandaar dat ik het liefst zou hebben, dat men, zoals gezegd, wat hier aan geestelijk onderzoek en geestelijke levensbeschouwing wordt gedaan, iedere dag anders zou kunnen noemen.
Want daarmee zou nu juist het levendige ervan tot uitdrukking gebracht worden. Je kan wel enigszins karakteriseren wat antroposofie vandaag in de wereldbeschaving wil; maar je kan er eigenlijk van te voren geen verstandige definitie van geven.

Und heute und morgen möchte ich mich eben bemü­hen, ein wenig gerade mit Bezug auf das Pädagogische zu zeigen, wie Anthroposophie fruchtbar werden kann für die Erziehung des werden­den Menschen, für das Unterrichten des werdenden Menschen.
Das werden einseitige Charakteristiken sein, denn die ganze Fülle desjenigen, was gemeint ist, kann eben durchaus nicht in zwei Vorträgen erschöpft werden.
Wenn wir uns heute mit Interesse für die Geistesentwicklung der Welt umsehen, dann merken wir ja unter den verschiedensten Forderun­gen, die uns umschwirren, die sogenannte pädagogische Frage. Reform­pläne über Reformpläne treten von mehr oder weniger geschulten, zumeist aber von dilettantischen Menschen auf. Das alles weist aber darauf hin, daß immerhin ein tiefes Bedürfnis vorhanden ist, über die Fragen des Erziehungs- und Unterrichtswesens ins klare zu kommen.
Das aber hängt auf der anderen Seite zusammen damit, daß es heute außerordentlich schwierig ist, gerade mit Bezug auf die Behandlung des werdenden Menschen zu fruchtbaren, ja nur zu genügenden Anschauungen

En vandaag en morgen wil ik proberen iets op pedagogisch gebied te laten zien van hoe de antroposofie vruchtbaar kan worden voor de opvoeding van de wordende mens, voor het lesgeven aan de wordende mens.
Dat zullen eenzijdige karakteristieken zijn, want wat volledig wordt bedoeld, kan echt niet in twee voordrachten uitputtend worden behandeld.
Wanneer we tegenwoordig met belangstelling voor de geestelijke ontwikkeling in de wereld om ons heen kijken, zien we dat onder de meest uiteenlopende vragen die ons niet loslaten, de z.g. pedagogische vraag is. Het ene vernieuwingsplan na het andere wordt door meer of minder geschoolde, maar meestal toch door leken in de openbaarheid gebracht. Maar dat wijst er wél op, dat er op z’n minst een diepe behoefte bestaat om over de opvoedings- en onderwijsvragen helderheid te krijgen.
Dat hangt aan de andere kant samen met dat het tegenwoordig buitengewoon moeilijk is, juist met betrekking tot de omgang met de wordende mens, tot vruchtbare, zelfs tot genoegzame gezichtspunten

Blz. 63

zu kommen. Und wir werden schon ein wenig hineinschauen müssen in einen Teil unserer Zivilisationsentwicklung, wenn wir die Gründe einsehen wollen, warum heute so viel von Erziehungs- und Unterrichtsforderungen und Idealen gesprochen wird.
Wenn wir heute das äußere Leben auf der einen Seite betrachten und auf der anderen Seite das geistige Leben, so finden wir eigentlich trotz der so großen Fruchtbarkeit, welche die Wissenschaft für das praktische Leben, für die Technik und so weiter gewonnen hat, eine tiefe Kluft, einen tiefen Abgrund zwischen dem, was man Wissenschaft, Theorie nennt, was man überhaupt zu lernen hat, wenn man in einem gewissen Sinne eine Bildung anstrebt, und demjenigen, was dann im äußeren Leben, in der Lebenspraxis verwirklicht wird. Es hat sich ja immer mehr und mehr ein eigentümliches Bedürfnis in der heutigen Zivilisation herausgestellt mit Bezug auf das, was man sich durch das Lernen, insofern es auf unseren Unterrichtsanstalten getrieben wird, aneignet.
Bedenken Sie nur einmal ein gewisses Gebiet, sagen wir die Medizin. Der junge Mediziner macht sein Studium durch. Er lernt dasjenige, was der Inhalt der heutigen medizinischen Wissenschaft ist, er lernt es auch an der Hand von allerlei Laboratoriums- und Klinikpraktiken.

te komen. En we zullen een beetje inzicht moeten kunnen krijgen in een deel van hoe onze beschaving zich ontwikkelt, willen we de redenen zien waarom er tegenwoordig zoveel over opvoedings- en onderwijsvraagstukken en idealen wordt gesproken.
W a n n e e r we nu aan de ene kant het uiterlijke leven in ogenschouw nemen en aan de andere kant het geestesleven, dan vinden we eigenlijk, ondanks dat de wetenschap voor het praktische leven, voor de techniek enz. zoveel potentieels heeft gebracht, een diepe kloof, een grote afstand tussen wat de wetenschap theorie noemt, die je wel degelijk moet leren, wil je in zeker opzicht gevormd worden en wat dan in het uiterlijke leven, in de praktijk van het leven verwezenlijkt wordt. In de huidige cultuur is er steeds duidelijker een merkwaardig verlangen ontstaan naar wat men zich door het leren, in zoverre dat plaatsvindt in onze onderwijsinstellingen, eigen maakt.
Kijkt u eens naar een bepaald terrein, laten we zeggen dat van de geneeskunst. De jonge arts volgt een studie. Hij leert de inhoud van de huidige medische wetenschap, hij leert die ook aan de hand van allerlei praktijkgevallen in het laboratorium en het ziekenhuis.

Wenn er aber dann sein letztes Examen gemacht hat, dann ist man sich klar dar­über, daß er nun erst eigentlich eine Art Praktikum, ein klinisches Prak­tikum durchzumachen hat, daß er also eigentlich mit dem letzten Ex­amen noch nicht praktisch ist. Und gar häufig, ja fast immer stellt sich dann heraus, daß eigentlich ungemein wenig von dem, was man zuerst theore­tisch getrieben hat, in der wirklichen Praxis eine Anwendung findet. Ich habe nur das Gebiet des medizinischen Studiums herausgehoben, ich könnte es fast mit jedem Studium so machen. Überall würden wir sehen, daß wir heute, indem wir eine gewisse Bildung uns aneignen auf diesem oder jenem Lebensgebiet, im Grunde genommen die Kluft, den Abgrund zur Praxis hin erst extra noch zu überwinden haben. Das hat nicht nur der Mediziner, das hat nicht nur der Techniker, das hat nicht nur derjenige, der eine Handelshochschule absolviert, das hat vor allen Dingen heute auch der Lehrer zu überwinden, der, weil wir nun einmal im wissenschaftlichen Zeitalter leben, in einer Art Wissenschaftlichkeit in die Pädagogik hineingeführt wird, aber dann, nachdem er eben einen

Maar wanneer hij dan eindexamen heeft gedaan, is het duidelijk dat hij nu eigenlijk pas een soort practicum, een ziekenhuispracticum moet doen, dat hij dus eigenlijk met zijn eindexamen nog niet praktisch is. En heel vaak, ja bijna altijd, blijkt dan, dat er eigenlijk heel erg weinig van wat men eerst theoretisch gedaan heeft, praktisch kan worden toegepast.
Ik heb alleen maar de nadruk gelegd op de medicijnenstudie, maar ik zou het bij elke studie kunnen doen. Telkens zouden we zien dat wij tegenwoordig, als we een bepaalde opleiding voor dit of dat levensgebied hebben gevolgd, we dan in de grond van de zaak de kloof naar de praktijd dan pas nog extra moeten overbruggen. Dat is niet alleen bij de arts zo, niet alleen bij de technicus, niet alleen bij degene die de handelshogeschool afsluit, maar dat moet vooral tegenwoordig de leraar overbruggen die, omdat wij nu eenmaal in een wetenschappelijke tijdsfase leven, in een vorm van wetenschappelijkheid in de pedagogie ingeleid wordt, maar dan, nadat hij dus een

Blz. 64

gewissen theoretischen Bildungsstoff aufgenommen hat, nun sich erst in die Praxis hineinfinden muß.
Das, was ich bis jetzt gesagt habe, wird man mehr oder weniger zugeben. Aber ein anderes wird man kaum zugeben wollen, und das ist dieses, daß eigentlich heute eine so starke Kluft besteht zwischen dem, was man theoretisch sich aneignet, was den eigentlichen Inhalt unseres Geisteslebens bildet, und dem, was die Lebenspraxis ausmacht; daß diese Kluft heute eigentlich nur überbrückt wird von den technischen Berufszweigen, weil diese technischen Berufszweige, ich möchte sagen, grau­sam unerbittlich sind. Baut man eine Brücke theoretisch richtig, aber praktisch unmöglich, so stürzt sie bei dem ersten Eisenbahnzug, der darüberfährt, ein. Die Natur reagiert sogleich auf das Falsche. Da muß man sich schon wirkliche Lebenspraxis aneignen.
Geht man herauf in diejenigen Dinge, die mehr mit dem Menschen zu tun haben, dann wird die Geschichte schon anders. Die Frage ist ja gar nicht zu beantworten, wie viele Menschen von einem Arzt richtig und wie viele falsch behandelt werden, denn da hört ja jede Möglichkeit auf, daß das Leben selber einen Beweis führt.

een bepaalde theoretische leerstof zich eigen heeft gemaakt, nu pas zijn weg moet vinden in de praktijk.
Wat ik nu gezegd heb, zal men wel min of meer kunnen toegeven. Maar iets anders zal men volstrekt niet willen toegeven en wel dit, dat er vandaag eigenlijk zo’n grote kloof bestaat tussen wat men zich theoretisch eigen heeft gemaakt, wat de eigenlijke inhoud van ons geestesleven vormt en wat de praktijk van het leven bepaalt; dat deze kloof tegenwoordig eigenlijk alleen maar overbrugd wordt door de technische beroepen, omdat deze buitengewoon stringent zijn. Als je een theoretisch juiste brug bouwt, maar een onmogelijke voor de praktijk, dan stort die in als de eerste trein erover heen rijdt. De natuur reageert meteen op het verkeerde. Hier moet je je echt wel levenspraktijk hebben eigen gemaakt.
Ga je dan in op de dingen die meer met de mens te maken hebben, wordt het hele verhaal anders. De vraag hoeveel mensen er door een arts juist of verkeerd behandeld worden, is helemaal niet te beantwoorden, want daar houdt iedere mogelijkheid op dat het leven zelf daar een bewijs voor aanvoert.

Und gehen wir gar in das Feld der Pädagogik herauf, gewiß, man kann da durchaus der Anschauung sein, daß in dieser Richtung viel kritisiert wird, und daß die Pädagogen schon einiges auszuhalten haben. Aber daß das Leben irgendwie eine Entscheidung darüber trifft, ob nun falsch oder richtig erzogen worden ist, das wird man nicht mit einem unbedingten Ja beantworten können. Man wird allerdings sagen können: Das Leben gibt nicht so bestimmte Antworten wie die tote Natur, aber es ist dennoch eine gewisse Empfin­dung berechtigt, die dahin geht, daß wir mit der besonderen Art, wie wir uns heute das Theoretische, also das eigentlich Geistige, in seiner heuti­gen Form aneignen, in die Lebenspraxis eigentlich gar nicht hinein­kommen.
Nun gibt es eines in der Welt, bei dem man, ich möchte sagen, recht anschaulich zeigen kann, wie unmöglich es ist, weiterzukommen mit einem geistigen Leben, das eine solche Kluft hat zwischen dem Theore­tisch-Wissenschaftlichen auf der einen Seite, und dem Leben und seiner Praxis auf der anderen Seite. Und dieses eine in der Welt ist eben der Mensch.

En begeven we ons op het terrein van de pedagogie, dan kan je zeker van mening zijn, dat er in deze richting veel kritiek is, en dat de pedagogen wel wat moeten verdragen. Maar dat het leven een of andere beslissing neemt over of we verkeerd, dan wel goed opgevoed zijn, dat zul je niet met een volmondig ja kunnen beantwoorden. Zeker kun je zeggen: het leven geeft niet van die zekere antwoorden als de levenloze natuur, maar toch is een bepaald gevoel wel gerechtvaardigd aangaande dat wij met de bijzondere manier van hoe wij tegenwoordig de theorie, dus het eigenlijk geestelijke, in zijn huidige vorm ons eigen maken, niet kunnen doordringen tot de eigenlijke praktijk van het leven. Nu is er iets in de wereld waarbij je heel goed kan laten zien, hoe onmogelijk het is, met het geestesleven verder te komen waarbij zo’n grote kloof bestaat met enerzijds het theoretisch-wetenschappelijke en anderzijds met het leven en de levenspraktijk. En dit ene in de wereld is nu net de mens.

Blz. 65

Wir haben im Laufe der letzten Jahrhunderte, insbesondere des 19. Jahrhunderts, einmal einen bestimmten wissenschaftlichen Geist ent­wickelt. Jeder einzelne Mensch, heute sogar schon der sogenannte völlig Ungebildete, steht eigentlich in diesem wissenschaftlichen Geist drinnen. Alles denkt im Sinne dieses wissenschaftlichen Geistes.
Und sehen Sie sich einmal die Weltfremdheit dieses wissenschaftlichen Geistes an, wenn es sich darum handelt, ihn in die Lebenspraxis überzu­führen. Kläglich war es ja zum Beispiel in den letzten Jahren, als wirklich in großen Zügen die Weltgeschichte an uns vorüberrollte und Tatsachen brachte von ungeheurer Tragweite, daß die Menschen mit ihren Theo­rien recht gescheit sein konnten, aber eben durchaus nichts über den Verlauf der Lebenspraxis auszumachen imstande waren. Haben wir ja doch gesehen, daß gescheite Nationalökonomen im Beginn des Welt­krieges gesagt haben: Unsere Wissenschaft lehrt uns heute, daß die kommerziellen und anderen wirtschaftlichen Zusammenhänge in der Welt so verstrickt sind, daß heute ein Krieg höchstens mehrere Monate dauern kann. Die Realität hat das Lügen gestraft. Der Krieg hat jahrelang gedauert. Was die Menschen dachten aus ihrer Wissenschaft heraus, was sie ergrübelt hatten über den Gang der Weltereignisse, war ganz und gar unmaßgebend für diesen Gang der Weltereignisse selber.

We hebben in de loop van de eeuwen, vooral in de 19e eeuw, nu eenmaal een bepaalde wetenschappelijke geest ontwikkeld. Ieder mens, tegenwoordig zelfs ook de mens zonder opleiding, maakt deel uit van deze wetenschappelijke gezindheid. Alles wordt hiermee gedacht.
En kijk nu eens naar de wereldvreemdheid van deze wetenschappelijke gezindheid als het erom gaat deze in het leven in praktijk te brengen. De laatste jaren bijv., toen de wereldgeschiedenis zich in grote trekken voor ons afspeelde en gebeurtenissen met zich meebracht van ongekende reikwijdte, was het betreurenswaardig dat de mensen met hun theorieën heel slim konden zijn, maar toch niet in staat waren iets voor het verloop van de levensomstandigheden te doen. We hebben toch kunnen zien dat knappe staatseconomen aan het begin van de Wereldoorlog gezegd hebben: onze wetenschap houdt ons nu voor dat de commerciële en andere economische samenhangen in de wereld zo verstrikt zijn geraakt dat een oorlog vandaag de dag hooguit een paar maanden kan duren. De werkelijkheid heeft die leugen afgestraft. De oorlog heeft jaren geduurd. Wat de mensen vanuit hun wetenschap dachten, wat ze hebben zitten uitdenken over het verloop van de gebeurtenissen in de wereld, speelde voor dit verloop zelf geen enkele rol.

Der Mensch, indem er heranwächst, indem er vor uns hintritt, man möchte sagen, in seiner wunderbarsten Gestalt, als Kind, der Mensch ist nicht irgendwie zu erfassen mit einer geistigen Art, die eine solche Kluft hat zwischen Praxis und Theorie. Denn man müßte schon ein starrer Materialist sein, wenn man glauben wollte, daß dasjenige, was in dem Kinde heranwächst, nur eine Folge, ein Ergebnis seiner leiblich-physi­schen Entwickelung sei.
Wir sehen mit ungeheurer Hingebung, Bewunderung, mit Ehrerbie­tung auf jene Offenbarung der Schöpfung hin, die uns das Kind in seinen ersten Lebenswochen darstellt, wo in ihm noch alles unbestimmt ist, wo in ihm aber schon dasjenige liegt, was dieser Mensch im späteren Leben leisten wird.
Und wir schauen hin auf das werdende Kind, wie es von Woche zu Woche, von Monat zu Monat, von Jahr zu Jahr aus seinem Inneren heraus die Kräfte an die Oberfläche treibt, die seine Physiognomie

De mens, wanneer deze opgroeit, wanneer deze zich aan ons voordoet in zijn meest wonderbaarlijke vorm, als kind, is op geen enkele manier geestelijk te begrijpen, als er zo’n kloof gaapt tussen praktijk en theorie. Je moet wel een starre materialist zijn om te kunnen geloven dat wat er uit een kind wordt, alleen maar het gevolg zou zijn van een lichamelijk-fysieke ontwikkeling.
We k ij k e n met een buitengewone toewijding, bewondering, eerbied naar die uiting van de schepping die het kind ons in zijn eerste weken van zijn leven vertoont, waarin bij hem alles nog maar vaag zichtbaar is, maar waarin al wel ligt wat deze mens in het latere leven zal gaan doen. En wij kijken naar het zich ontwikkelende kind hoe dat van week tot week, maand na maand, jaar na jaar vanuit zijn innerlijk de krachten naar de buitenkant brengt die zijn fysionomie

Blz. 66

immer ausdrucksvoller machen, die seine Bewegungen immer geordne­ter, orientierter machen. Wir sehen in diesem werdenden Menschen das ganze Rätsel der Schöpfung in wunderbarer Weise vor unseren Augen sich abspielen. Und wenn wir sehen, wie der eigentümlich unbestimmte Blick des kindlichen Auges im Laufe der ersten Lebenszeit Aktivität gewinnt, innere Wärme, inneres Feuer gewinnt, wenn wir sehen, wie aus den unbestimmten Bewegungen der Arme und Finger Bewegungen werden, die in schönerer Weise etwas bedeuten als die Buchstaben des Alphabetes – wenn wir das alles mit voller menschlicher Hingabe betrachten, müssen wir uns sagen: Da arbeitet gewiß nicht bloß Physi­sches, da arbeitet im Physischen das Geistig-Seelische; da ist jedes Stückchen Mensch im Physischen zu gleicher Zeit eine Offenbarung des Geistig-Seelischen. Da gibt es keine Färbung der Wange, die nicht Ausdruck eines Geistig-Seelischen wäre; da gibt es keine Möglichkeit, die Färbung der Wange aus bloßen materiellen Grundlagen zu verstehen, wenn wir nicht wissen, wie die Seele sich hineinergießt in das Wangen-rot. Da ist Geist und Natur in einem vorhanden.
Und wenn wir dann mit unserer altgewordenen Geistesanschauung kommen, die eine Kluft läßt zwischen dem, was sich theoretisch auf den Geist richtet, und dem, was sich äußerlich praktisch an das Leben richtet, dann gehen wir an dem Kinde vorbei

steeds meer tot uitdrukking brengen, die zijn bewegingen steeds meer gecoördineerd, georiënteerd laten verlopen. Wij zien in deze wordende mens het hele raadsel van de schepping op een wonderbaarlijke manier zich voor onze ogen afspelen. En als we zien hoe de karakteristieke vage blik van het kinderlijke oog in de loop van de eerste tijd in het leven aan activiteit wint, meer warmte krijgt, innerlijk vuur; als we zien hoe uit de ongecoördineerde bewegingen van de armen en de vingers bewegingen komen die op een mooiere manier iets betekenen dan de letters van het alfabet – als we dat allemaal met een diepe menselijke eerbied aanschouwen, moeten we zeggen: daar is niet alleen iets lichamelijks aan het werk, daar is iets van de geest en de ziel in het lichamelijke aan het werk; daar is elk stukje mens lichamelijk gezien, tegelijkertijd een uiting van geest en ziel. Er bestaat geen kleur op de wangen die niet een uitdrukking zou zijn van geest en ziel; er is geen mogelijkheid de kleur op de wangen vanuit een pure materiële basis te begrijpen, als we niet weten hoe de ziel uitvloeit in het rood van de wangen. Daar is geest en natuur als één geheel aanwezig.
En als we dan aankomen met onze oud geworden geestelijke opvattingen die een kloof laten bestaan tussen wat zich theoretisch naar de geest richt en wat zich richt naar het uiterlijk praktische in het leven, dan gaan we aan het kind voorbij.

Dann wissen wir weder mit unserer Theorie, noch mit unserem Instinkt, der keinen Geist erfassen kann in unserer heutigen Zivilisation, etwas mit dem Kinde anzufangen. Wir haben im Leben das geistige Treiben von dem materiel­len getrennt. Damit ist uns das geistige Treiben zu einer abstrakten Theorie geworden. Und dann sind solche abstrakte theoretische Anschauungen auch über die Erziehung erwachsen, wie sie zum Beispiel in der Herbartschen Pädagogik enthalten waren, die geistvoll in ihrer Art, theoretisch großar­tig sind, die aber ohnmächtig sind, in das eigentliche Leben einzugreifen. Oder aber wir werden irre an allem Hineinleben in das Geistige, wir wollen absehen von aller wissenschaftlichen Pädagogik und uns rein dem Erziehungsinstinkt überlassen. Das ist etwas, was heute auch schon viele Menschen fordern.
Wir können auch noch an einer anderen Erscheinung sehen, wie wir

Dan weten we noch met onze theorie, noch met ons instinct die in deze cultuur geen geest als inhoud kan hebben, iets met het kind te beginnen. We hebben in het leven een scheiding aangebracht tussen de werking van de geest en de materie. Daardoor is voor ons deze werking een abstracte theorie geworden.
En dan zijn dergelijke abstract theoretische opvattingen ook bij de pedagogie terecht gekomen, zoals bijv. in de pedagogie van Herbart; op hun manier geestrijk, theoretisch geweldig, maar niet bij machte om invloed uit te oefenen op het eigenlijke leven. Of we worden dol van al dit inleven in het geestelijke, we willen afzien van al die wetenschappelijke pedagogie en het alleen maar laten bij ons opvoedingsinstinct.
Dat is iets waar tegenwoordig veel mensen naar verlangen.
Ook aan een ander verschijnsel kunnen we nog zien, hoe voor ons

Blz. 67

im Grunde genommen dem Menschen fremd geworden sind dadurch, daß wir die Kluft geschaffen haben zwischen dem theoretischen Ergrei­fen des geistigen und dem vollen Erfassen des praktischen Lebens.
Unsere Wissenschaft hat sich großartig entwickelt. Natürlich war auch die Pädagogik aus der Wissenschaft heraus zu gestalten. Aber die Wissenschaft hatte nichts, um an den Menschen heranzukommen. Die Wissenschaft wußte vieles zu sagen über die äußere Natur; aber je mehr sie über die äußere Natur in der neueren Zeit zu sagen wußte, über den Menschen wußte sie eigentlich immer weniger zu sagen. Und so mußte man sich anschicken, nach dem Muster der Naturwissenschaft an dem Menschen zu experimentieren, und eine experimentelle Pädagogik stellte sich ein.
Was bedeutet denn dieser Drang zur experimentellen Pädagogik? Mißverstehen Sie mich nicht, ich habe weder etwas gegen Experimen­talpsychologie noch gegen experimentelle Pädagogik; sie können wis­senschaftlich viel leisten, sie geben theoretisch großartige Aufschlüsse. Hier handelt es sich nicht darum, in kritischer Weise über diese Dinge abzusprechen. Hier handelt es sich aber darum zu sehen: was für ein Drang der Zeit drückt sich in solchen Dingen aus? Man ist genötigt, außen herumzuexperimentieren, wie das Gedächtnis bei diesem, bei jenem Kinde ist, wie der Wille wirkt, wie die Aufmerksamkeit wirkt; außen an dem Menschen herumzuexperimentieren ist man genötigt.

in de aard van de zaak de mens een vreemde geworden is door de kloof die wij tussen het theoretisch begrijpen van het geestelijke en het volle begrijpen van het leven hebben doen ontstaan.
Onze wetenschap heeft zich reusachtig ontwikkeld. En natuurlijk kun je ook de pedagogie vanuit de wetenschap vorm geven. Maar de wetenschap had niets om dichter bij de mens te komen. De wetenschap wist veel aan te dragen over de zichtbare natuur; en naarmate ze meer in de modernere tijd over de zichtbare natuur te berde kon brengen, wist ze over de mens eigenlijk steeds minder te zeggen. En dus moest men zich opmaken om naar het voorbeeld van de natuurwetenschap nu met de mens te gaan

e x p e r i m e n teren en er ontstond een experimentele pedagogie.
Wat betekent die hang naar deze experimentele pedagogie? Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen experimentele psychologie of  pedagogie; die kunnen wetenschappelijk veel voor elkaar krijgen, die geven theoretisch belangrijke uitkomsten. Het gaat er niet om deze dingen op een kritische manier af te wijzen.
Het gaat er hier echter om te zien welke tijdsdrang zich uitdrukt in dit soort zaken.
Men voelt zich genoodzaakt van buitenaf te experimenteren hoe het geheugen bij het ene of het andere kind is, hoe de wil functioneert, hoe de aandacht werkt; men voelt zich genoodzaakt van buitenaf met de mens te experimenteren.

Weil man das innere Verhältnis zum Menschen, das eigentlich geistige Verhältnis zum Menschen verloren hat, weil man nicht mehr als Mensch mit der Seele zur Seele des anderen Menschen dringt, will man aus seinen körperlichen Äußerungen experimentell ablesen, welches diese seeli­schen Äußerungen sind. Gerade diese experimentelle Pädagogik und Psychologie sind ein Beweis dafür, daß unsere Wissenschaft ohnmächtig ist, an den vollen Menschen, der Geist, Seele und Leib zugleich ist, wirklich heranzukommen.
Diese Dinge müssen, wenn man im Ernste heute auf Erziehungs- und Unterrichtsfragen eingehen will, in vollem Maße gewürdigt werden, denn sie führen allmählich zu der Anschauung hin, daß das Notwendig­ste für einen Fortschritt auf dem Gebiet des Erziehungs- und Unter­richtswesens eine wirkliche Menschenerkenntnis ist.

Omdat men de innerlijke relatie tot de mens, de eigenlijk geestelijke relatie verloren is, omdat men niet meer als mens met de ziel doordringt tot de ziel van de andere mens, daarom wil men vanuit de lichamelijke uitingen experimenteel aflezen wat die uitingen van het gevoelsleven zijn. Juist deze experimentele pedagogie en psychologie zijn het bewijs dat onze wetenschap machteloos geworden is daadwerkelijk de volledige mens die tegelijkertijd geest, ziel en lichaam is, te bereiken.
Deze dingen moeten, wil je in alle ernst tegenwoordig in wil gaan op de opvoedings- en onderwijsvragen, volledig serieus genoemen worden, want zij voeren stap voor stap tot de opvatting dat het meest noodzakelijke voor een vooruitgang op dit gebied van opvoeding en onderwijs, echte menskunde is.

Blz. 68

Aber eine wirkliche Menschenerkenntnis wird man nicht gewinnen, wenn nicht der Abgrund zwischen Theorie und Praxis, der sich heute so furchtbar aufgetan hat, wirklich überbrückt wird. Solche Theorie, wie wir sie heute haben, kommt nämlich nur an den menschlichen Körper heran. Und wenn solche Theorie auch an die Seele und an den Geist herankommen will, so macht sie krampfhafte Versuche, kommt aber doch in Wirklichkeit nicht an sie heran, denn Seele und Geist müssen auf eine andere Weise erforscht werden, als diejenige ist, die im Sinne der heute anerkannten sogenannten wissenschaftlichen Methode liegt.
Um den Menschen zu erkennen, muß in ganz anderer Weise an den Menschen herangegangen werden, als es heute vielfach für exakt und richtig gilt. Dieses Herangehen aber an die wahre, wirkliche Menschen natur, dieses Aufsuchen einer wirklichen Menschenkenntnis, einer Men­schenkenntnis, die Geist, Seele und Leib im Menschen in einem schaut, das ist die Aufgabe der Anthroposophie. Anthroposophie will wiederum nicht bloß den physischen Menschen, sondern den ganzen Menschen erkennen. Aber wo da die großen Aufgaben gegenüber dem vollen Leben liegen, das bemerkt man heute vielfach gar nicht.

Maar er komt geen werkelijke menskunde wanneer de kloof tussen theorie en praktijk die tegenwoordig zo vreselijk gemeengoed is geworden, niet overbrugd wordt. Die theorieën die we nu hebben, benaderen alleen maar het menselijk lichaam. En als je daarmee ook de ziel en de geest wil benaderen, zie je de krampachtige pogingen waarmee je ziel en geest niet bereikt, want die moeten op een andere manier onderzocht worden, anders dan op de manier van de huidige officiële wetenschappelijke methode.
Om de mens te kennen, moet je deze op een heel andere manier benaderen dan die tegenwoordig als exact en juist gezien wordt. Maar het benaderen van de echte, reële natuur van de mens, dit zoeken naar een echte menskunde, een die geest, ziel en lichaam in en aan de mens waarneemt, is de opdracht van de antroposofie. Die wil op haar beurt niet alleen de fysieke mens leren kennen, maar de hele mens. Heel vaak wordt niet gezien waar de grote opgaven liggen als het om het leven gaat.

Ich möchte mich durch ein Beispiel aussprechen, um Sie hinzuweisen darauf, wie die Aufmerksamkeit ganz anderen Dingen einmal zugelenkt werden muß, als man es heute gewöhnt ist, wenn wirkliche Menschener­kenntnis wiederum erworben werden soll.
Sehen Sie, als ich jung war, es ist lange her, da kam unter anderen Weltanschauungs-Standpunkten auch der auf, den der Physiker Mach begründet hat. Es war ein ganz berühmter Weltanschauungs-Stand punkt. Ich führe das, was ich jetzt sage, nur als Beispiel an, und ich bitte, es auch nur als Beispiel hinzunehmen. Das Wesentliche dieses Mach­schen Standpunktes bestand darin, daß Mach sagte: Es ist ein Unsinn, von einem Ding an sich zu sprechen, ein Unsinn, von einem Ding an sich als Atom in der Welt zu sprechen. Es ist auch ein Unsinn, von einem Ich zu sprechen, das wie ein Ding in uns selber ist, sondern wir können nur sprechen von Empfindungen. Wer hat schon einmal ein Atom wahrge­nommen? Rote, blaue, gelbe Dinge, cis, g, a in den Tönen nehmen die Leute wahr; süße und saure und bittere Geschmäcke nehmen die Leute wahr; harte und weiche Dinge für den Tastsinn nehmen die Leute wahr,

Ik wil een voorbeeld geven om u erop te wijzen hoe de aandacht op heel andere dingen gevestigd moet worden dan tegenwoordig gebruikelijk is, willen we echte menskunde verkrijgen.
Kijk, toen ik jong was – dat is lang geleden – deed naast andere wereldbeschouwelijke opvatting ook die van de natuurkundige M a c h opgeld. Ik zeg dit alleen als voorbeeld en ik zou het fijn vinden als u het ook alleen als voorbeeld ziet. Het wezenlijke van het standpunt van Mach bestaat erin dat hij zegt: het is onzin om over een ‘ding-op-zich’ te spreken, een ‘ding-op-zich’ als atoom in de wereld. Het is ook onzin om over een Ik te spreken dat als een ding in ons zelf zit, we kunnen alleen maar over gevoelens spreken. Wie heeft er ooit een atoom waargenomen? Rode, blauwe, gele dingen, cis, g, a in de tonen, nemen de mensen waar, harde en zachte dingen nemen ze met hun tastzin waar.

Blz. 69

Empfindungen nehmen die Leute wahr. Und wenn wir uns ein Weltbild machen, so besteht es nur aus solchen Empfindungen. Und wenn wir in uns selbst hineinschauen, so haben wir auch nur Empfindungen. Nichts ist da, als nur überall Empfindungen; Empfindungen, die zusammengehalten werden. Eine gewisse Härte, ein gewisses, ich will sagen, sanftartiges Anfühlen mit der Röte in der Rose, die Empfindung, daß man gebrannt wird, mit einem rötlichen Aussehen beim glühenden Eisen – überall miteinander verbundene Empfindungen, so sagte Ernst Mach. Man muß sagen, gegenüber der Anschauung einer Atomwelt, die kein Mensch natürlich sehen kann, war das in der damaligen Zeit ein Fortschritt. Das ist wieder vergessen worden. Ich will nicht über diese Anschauung sprechen, sondern über ein Beispiel menschlicher Entwik­kelung.
Sehen Sie, Ernst Mach hat einmal erzählt, wie er zu dieser Anschauung gekommen ist. Da sagte er, er sei als siebzehnjähriger Jüngling zu den Hauptsachen dieser Anschauung gekommen. Einmal, als er spazieren ging an einem besonders heißen Sommertag, da wurde ihm klar, die ganze Welt der Dinge an sich ist eigentlich müßig, das fünfte Rad am Wagen in aller Weltanschauung.

De mensen ervaren hun gevoelens. En wanneer wij een wereldbeeld creëren bestaat deze alleen uit deze gevoelens. En als we in ons zelf naar binnen kijken , hebben we daar ook alleen maar gevoelens. Niets is er dan alleen maar gevoelens; gevoelens die bij elkaar gehouden worden. Een bepaalde hardheid, een bepaald teer aanvoelen van het rood van de roos, het gevoel dat je je brandt aan een gloeiend ijzer dat er rood uitziet – overal gevoelens die met elkaar verbonden zijn, aldus Ernst Mach. Je moet wel zeggen dat t.o.v. de opvatting van een atomaire wereld die natuurlijk niemand kan zien, dit  in die tijd een vooruitgang betekende. Dat is weer vergeten. Ik wil het niet over deze opvatting hebben, maar over het voorbeeld van een menselijke ontwikkeling.

Kijk, Ernst Mach heeft eens verteld hoe hij tot deze opvatting is gekomen. Toen zei hij dat hij als zeventienjarige tot de hoofdzaken van die opvatting is gekomen. Toen hij eens op een bijzonder warme zomerdag ging wandelen, werd het hem duidelijk dat de hele wereld van de dingen op zich, er eigenlijk niet toe doet, het vijfde wiel aan de wagen van alle wereldbeschouwingen.

Da draußen sind nur Empfindungen. Die schmelzen mit den Empfindungen der eigenen Leiblichkeit, des eigenen menschlichen Wesens zusammen. Draußen sind die Empfindun­gen etwas loser, innen etwas fester verbunden, und zaubern dem Men­schen ein Ich vor. Alles Empfindung. Das kam dem siebzehnjährigen Jüngling an einem heißen Sommertag in einem Moment gerade zu. Spater, sagte er, hat er eigentlich das nur noch theoretisch weiter ausgeführt, aber die ganze Weltanschauung kam ihm auf diese Art an einem heißen Sommertag, wie er plotzlich sich zusammenfließen fühlte mit dem Rosenduft, der Rosenröte und so weiter. Ja, wäre es noch ein bißchen heißer geworden, dann würde wahr­scheinlich nicht diese Weltanschauung entstanden sein vom Zusammenfließen des eigenen Ichs mit den Empfindungen, sondern der gute Mach wäre als siebzehnjähn.ger Jüngling vielleicht von einer Ohnmacht befal­len worden, und wenn es noch heißer geworden wäre, hätte er einen Sonnenstich gekriegt.

Daar buiten bestaan er alleen maar gevoelens. Die smelten met de gevoelens van het eigen lichaam, met het eigen mensenwezen samen. Daar buiten zijn de gevoelens wat losser, van binnen steviger met elkaar verbonden en toveren de mens een Ik voor. Alles gevoelens.
Dat kwam bij de zeventienjarige jongen op een warme zomerdag in een ogenblik bij hem op. Later, zei hij, had hij dat alleen nog maar theoretisch verder uitgewerkt, maar zijn hele wereldbeschouwing kwam op deze manier op een warme zomerdag bij hem op, toen hij zich plotseling samen voelde smelten met de rozengeur, met het rood van de roos, enz. Maar ja, als het nog een beetje warmer zou zijn geworden, zou deze wereldbeschouwing van het samensmelten van het eigen Ik met de gevoelens waarschijnlijk niet ontstaan zijn, maar dan zou de goede Mach als zeventienjarige misschien flauw zijn gevallen en als het nog warmer zou zijn geworden, had hij misschien een zonnesteek opgelopen.

Blz. 70

Da haben wir drei Stufen von dem, was ein Mensch durchmachen kann. Die erste Stufe besteht darinnen, daß er, etwas gelockert, eine Weltanschauung ausgestaltet, die zweite, daß er ohnmächtig wird, die dritte, daß er einen Sonnenstich kriegt. Ich glaube, wenn heute einer äußerlich nachdenkt darüber, wie so jemand, wie der sehr gelehrte Ernst Mach, zu seiner Weltanschauung gekommen ist, da wird er nachdenken, was der alles gelernt hat, was in seinen Anlagen gelegen hat und so weiter; daß aber das die Hauptsache ist, wie er nun selbst erzählt, daß er die erste von den drei charakterisier­ten Stufen durchgemacht hat, das wird man nicht in den Vordergrund stellen. Und dennoch ist es so.
Worauf beruht denn das? Sehen Sie, man kennt einfach den Menschen nicht, wenn man nicht eine solche Erscheinung versteht. Was ist denn da eigentlich geschehen, als der siebzehnjährige Jüngling Mach spazieren ging? Es ist ihm offenbar sehr, sehr heiß geworden, und er stand zwischen dem, wo man sich ohne Hitze wohl fühlt und dem Ohnmäch­tigwerden mitten drinnen. Über einen solchen Zustand weiß man nichts Richtiges, wenn man nicht durch die anthroposophische Forschung darauf kommt, daß der Mensch eben nicht nur seinen physischen Leib hat, sondern über diesen physischen Leib hinaus noch das, was ich in meinen Schriften den ätherischen oder Bildekräfteleib genannt habe, einen übersinnlichen, unsichtbaren Leib.

We hebben hier drie niveaus van iets wat een mens kan doormaken. Het eerste bestaat eruit dat hij, een beetje losjes, een wereldbeschouwing vormt, het tweede dat hij gaat flauwvallen en het derde dat hij een zonnesteek oploopt.
Ik geloof dat wanneer tegenwoordig iemand er uiterlijk over nadenkt, hoe zo iemand als de zeer geleerde Ernst Mach, tot zijn wereldbeschouwing is gekomen, hij er dan over zal nadenken wat Mach allemaal heeft geleerd, wat hij in aanleg had enz.; maar wat de hoofdzaak is hoe hij nu zelf vertelt dat hij de eerste van de drie genoemde niveaus door heeft gemaakt, dat zal men niet voorop stellen. En toch is het zo.
Waar berust dat dan op? Kijk, je kent de mens simpelweg niet, wanneer je zo’n verschijnsel niet begrijpt. Wat is er eigenlijk gebeurd, toen de zeventienjarige Mach ging wandelen? Hij heeft het klaarblijkelijk erg warm gekregen en hij bevond zich precies in het midden van de toestand waarbij men zich zonder warmte goed voelt en het flauwvallen.
Over zo’n toestand weet men niet iets te zeggen wat juist is, wanneer men niet door het antroposofisch onderzoeken erop komt, dat de mens dus niet alleen maar zijn fysieke lichaam heeft, maar daarboven nog iets wat ik in mijn schriftelijk werk het etherische of het vormkrachtenlichaam genoemd heb, een bovenzintuiglijk, onzichtbaar lichaam.

Ich kann Ihnen heute natürlich nicht alle die Forschungen vorerzäh­len, auf denen die Erkenntnis eines solchen übersinnlichen Bildekräfte­leibes beruht; aber Sie können das ja in der anthroposophischen Litera­tur nachlesen. Es ist ein gesichertes Forschungsresultat, wie andere gesicherte Forschungsresultate.
Aber wie verhält es sich mit diesem Bildekräfteleib? Mit diesem Bildekräfteleib verhält es sich so, daß wir sonst immer im wachen Zustand voll angewiesen sind auf unseren physischen Leib. Die materialistische Anschauung hat ganz recht, wenn sie das Denken, das der Mensch in der physischen Welt entwickelt, an das Gehirn oder das Nervensystem überhaupt gebunden erklärt, denn wir brauchen den physischen Leib zu dem gewöhnlichen Denken. Wenn wir aber dieses gewöhnliche Denken etwas überleiten in ein gewisses freies innerliches

Ik kan u natuurlijk niet alle onderzoeken gaan vertellen waarop de kennis van zo’n bovenzintuiglijk vormkrachtenlichaam berust; maar dat kan u in de antroposofische literatuur nalezen. Het resultaat van dat onderzoek staat vast, zoals andere vaststaande onderzoeksresultaten. Maar hoe is de samenhang met dit vormkrachtenlichaam? Zodanig, dat we anders in wakkere toestand volledig aangewezen zijn op ons fysieke lichaam. De materialistische opvatting heeft helemaal gelijk dat wanneer die het denken dat de mens in de fysieke wereld ontwikkelt, aan de hersenen of het zenuwsysteem gebonden verklaart, want we hebben het fysieke lichaam nodig voor het gewone denken. Wanneer we echter dit gewone denken iets verder brengen tot een zeker vrij innerlijk

Blz. 71

Erleben, wie das zum Beispiel in der künstlerischen Phantasie der Fall ist, dann geht die fast gar nicht bemerkbare Tätigkeit des Bildekräfte-oder ätherischen Leibes zu einer größeren Intensität über.
Denkt also einer, wie man im gewöhnlichen Leben denken muß – mit dem, was ich da charakterisiere, ist wirklich nichts Abfälliges gemeint -, denkt einer in der gewöhnlichen nüchternen Weise, wie man es nun einmal muß im äußeren physischen Leben, so denkt er mit seinem physischen Leibe, und nur ganz wenig wird der Ätherleib benützt.
Geht einer zum Phantasieschaffen über, sagen wir zum dichterischen Schaffen, so tritt der physische Leib etwas zurück und der Ätherleib wird mehr tätig. Dadurch werden die Vorstellungen beweglicher; die eine fügt sich lebendiger in die andere ein und so weiter. Der ganze innere Mensch geht in eine größere innere Beweglichkeit über, als wenn die gewöhnliche nüchterne Alltagstätigkeit als Denken ausgeführt wird. Das alles liegt in der Willkür des Menschen. Aber zu all dem, was in der menschlichen Willkür liegt, kommt noch etwas anderes dazu, etwas, wozu der Mensch veranlaßt werden kann durch die äußere Natur. Wenn es uns recht warm wird, dann tritt die Tätigkeit des physischen Leibes, also auch die Denktätigkeit des physischen Leibes zurück, und der Ätherleib wird tätiger und tätiger.
Und indem der siebzehnjährige Mach spazieren gegangen ist und unter dem Eindruck der drückenden Sonnenhitze war, wurde einfach sein Ätherleib tätiger.

beleven, zoals dat bijv. het geval is in de kunstzinnige fantasie, dan gaat de nauwelijks merkbare activiteit van het vormkrachten- of etherlijf tot een grotere intensiteit over.
W a n n e e r iemand denkt zoals je in het gewone leven moet denken – met wat ik hier karakteriseer is niets afkeurends bedoeld – wanneer iemand op een gewone, nuchtere manier denkt, zoals dat nu eenmaal in het uiterlijk fysieke leven moet, dan denkt hij met zijn fysieke lichaam en het etherlijf wordt maar weinig gebruikt.
Wanneer iemand fantasievol schept, bijv. bij het dichten, dan houdt het fysieke lichaam zich iets terug en het etherlijf wordt actiever. Daardoor worden de voorstellingen beweeglijker; de ene voegt zich levendiger bij de andere enz. De hele mens komt in een grotere beweeglijkheid dan wanneer het gewone, nuchtere alledaagse denken actief is. Dat heeft de mens in zijn willekeur. Maar bij alles wat de mens willekeurig kan doen, komt nog iets anders, iets waartoe de mens aangezet kan worden door de uiterlijke natuur. Wanneer we het goed warm krijgen, neemt de activiteit van het fysieke lichaam af, dus ook de denkactiviteit van het fysieke lichaam en dan wordt het etherlijf steeds actiever.
En wanneer de zeventienjarige Mach is gaan wandelen en met de invloed van de drukkende zonnewarmte te maken krijgt, wordt simpelweg zijn etherlijf actiever.

Alle übrigen Physiker haben mit ihrem massiven physischen Leib die Physik ausgebildet. Den jungen Mach hat die Sonnenhitze dazu gebracht, nicht so denken zu können wie die anderen Physiker, sondern mit flüssigeren Begriffen zu denken: die ganze Welt besteht nur aus Empfindungen. Wäre die Hitze noch größer geworden, so wäre der Zusammenhang zwischen seinem physischen Leib und seinem Ätherleib so gelockert worden, daß der gute Mach nicht mehr mit seinem Ätherleib hätte denken können, gar keine Tätigkeit mehr hätte ausüben können. Der physische Leib denkt nicht mehr, wenn es zu heiß ist; und wenn es noch weiter geht, wird der Mensch krank, bekommt den Sonnenstich.
Ich führe Ihnen dies als Beispiel an, weil wir hier an der Entwicklung eines Menschen sehen, wie man verstehen muß, wie da in die menschliche

Alle andere natuurkundigen hebben met hun vaste fysieke lichaam de natuurkunde ontwikkeld. De jonge Mach werd er door de zonnewarmte toe gebracht dat hij niet zo kon denken als de andere natuurkundigen, hij dacht juist met meer stromende begrippen: de hele wereld bestaat alleen maar uit gevoelens.
Als de hitte nog was toegenomen, dan was het samengaan van zijn fysieke lichaam en zijn etherlijf nog losser geraakt en dan had de goede Mach niet meer met zijn etherlijf kunnen denken, dan had hij helemaal niets meer kunnen uitvoeren. Het fysieke lichaam denkt niet meer als het te warm is, en als dat nog verder gaat, wordt de mens ziek, hij krijgt een zonnesteek.
Ik kom hiermee als voorbeeld, omdat we hier aan de ontwikkeling van een mens zien, hoe je moet begrijpen, hoe hier in de menselijke

Blz. 72

Tätigkeit eingreift ein Übersinnliches im Menschen, der ätherische oder Bildekräfteleib, der uns die Form gibt, der uns die Gestalt gibt, der in uns die Wachstumskräfte hat und so weiter.
Außer diesem aber zeigt uns Anthroposophie, wie im Menschen noch weitere übersinnliche Wesensglieder stecken. – Stoßen Sie sich nicht an Ausdrücken. – Über den Bildekräfte- oder ätherischen Leib hinaus haben wir dann dasjenige, was der eigentliche Träger der Empfindung ist, den astralischen Leib, und dann erst die Wesenheit des Ich. Wir müssen den Menschen nicht nur seinem physischen Leibe nach kennen­lernen, sondern wir müssen ihn praktisch kennenlernen als ein Zusam­menwirken verschiedener Glieder seiner Wesenheit.
Diesen Gang vom Sinnlichen, dem die ganze gegenwärtige Wissen­schaft huldigt, zum Übersinnlichen hin, diesen Gang geht Anthroposo­phie. Sie geht ihn nicht aus Mystik und Phantastik heraus, sie geht ihn in derselben strengen Wissenschaftlichkeit wie heute die Wissenschaft in bezug auf die Sinnenwelt und die gewöhnliche nüchterne Verstandestä­tigkeit, die aber an den physischen Leib gebunden ist, verfährt. So entwickelt Anthroposophie eine Erkenntnis, eine Anschauung, und damit eine Empfindung für das Übersinnliche.

activiteit iets bovenzintuiglijks in de mens ingrijpt, het ether- of vormkrachtenlichaam dat ons de vorm geeft, de gestalte, die in ons de groeikracht heeft enz.
Buiten dit echter laat de antroposofie ons ook zien, hoe er in mens nog andere wezensdelen aanwezig zijn. Neem geen aanstoot aan uitdrukkingen!
Boven het vormkrachten- of etherlijf hebben we dan iets wat de eigenlijke drager van de gevoelens is, het astraallijf en dan ook het Ik-wezen. We moeten de mens niet alleen leren kennen wat zijn fysieke lichaam betreft, maar we moeten hem praktisch leren kennen als een samenwerking van verschillende wezensdelen.
De weg vanuit het zintuiglijke die door de hele tegenwoordige wetenschap eer wordt aangedaan, naar het bovenzintuiglijke, bewandelt de antroposofie. Dat is geen weg van mystiek of fantasterij, maar een van dezelfde strenge wetenschappelijkheid als de wetenschap bewandelt wat betreft de zintuigwereld en de gewone, nuchtere activiteit van het verstand, dat echter aan het fysieke lichaam is gebonden. En op deze wijze ontwikkelt de antroposofie kennis, opvattingen en daarmee een gevoel voor het bovenzintuiglijke.

Damit aber wird nicht etwa bloß das geliefert, daß man über die gewöhnliche Wissenschaft hinaus noch eine andere Wissenschaft hat. Es ist ja nicht so in der Anthroposophie, daß man zu dem, was wir heute als Naturwissenschaft, als Geschichtswissenschaft haben, noch eine andere besondere Geisteswissenschaft hinzufügt, die nun auch wiederum nur eine Theorie ist. Nein, wenn man so zum Übersinnlichen hinaufsteigt, so bleibt die Wissenschaft nicht Theorie, sondern die Wissenschaft wird da von selbst Praxis. Die Wissenschaft wird dasjenige, was da aus dem ganzen Menschen hervorströmt.
Von der Theorie wird nur der Kopf ergriffen. Von dem, was Anthro­posophie als eine Erkenntnis, die aber mehr ist als Erkenntnis, über den ganzen Menschen gibt, wird auch der ganze Mensch ergriffen. Und wie ist es dann?
Ja, lernt man in der Anthroposophie kennen, was im ätherischen oder Bildekräfteleib enthalten ist, dann kann man nicht stehenbleiben bei den scharf konturierten Begriffen, die wir heute haben für die physische

Daarmee wordt niet alleen maar aangedragen dat er naast de gewone wetenschap nog een andere wetenschap is. Het is niet zo bij de antroposofie dat we naast wat we tegenwoordig als natuurwetenschap, als geschiedeniswetenschap hebben, nog een andere bijzondere geesteswetenschap zetten, die dan ook weer alleen maar een theorie is.
Nee, wanneer je tot het bovenzintuiglijke komt, blijft de wetenschap geen theorie, maar wordt de wetenschap vanzelf praktijk. Wetenschap wordt iets wat uit de hele mens tevoorschijn stroomt.
Door de theorie wordt alleen het hoofd aangesproken. Door wat antroposofie als weten, dat echter meer is dan weten, over de hele mens aanreikt, wordt de hele mens aangesproken. En hoe is dat dan?
Wel, als je in de antroposofie leert kennen wat in het etherische of vormkrachtenlichaam aanwezig is, kun je niet blijven staan bij de scherp gekaderde begrippen die we tegenwoordig hebben voor de fysieke

Blz. 73

Welt, dann werden alle Begriffe beweglich, dann wird der Mensch, indem er zum Beispiel die Pflanzenwelt ansieht, nicht bloß Formen, bestimmte aufzuzeichnende Formen des Pflanzlichen haben, sondern bewegliche Formen. Sein ganzes Vorstellungsleben kommt in eine innere Beweglichkeit. Der Mensch ist genötigt, seelisch sich eine Frische zuzulegen, weil er jetzt nicht mehr die Pflanze zum Beispiel äußerlich bloß anschaut, sondern weil er, indem er über die Pflanze denkt, das Wach­sen, das Sprießen, das Sprossen der Pflanze selber mitmacht. Der Mensch wird im Frühling selber Frühling mit seinen Vorstellungen, im Herbste selber Herbst mit seinen Vorstellungen. Der Mensch sieht nicht nur die Pflanze aus dem Boden sprießen, Blüten bekommen, oder wiederum die Blätter sich verfärben ins Bräunliche, abfallen, nein, der Mensch macht diesen ganzen Prozeß mit. Indem er über die sprießende, sprossende Pflanze im Frühling, auf die er hinschaut, denkt, vorstellt, wird seine Seele mitgerissen. Seine Seele macht innerlich den Wachs­tums-, den Blüteprozeß mit. Seine Seele wird innerlich ein Erlebnis haben, wie wenn alle seine Vorstellungen zum Sonnenhaften hingingen.

wereld, dan worden alle begrippen beweeglijk, dan zal de mens, wanneer hij bijv. naar de plantenwereld kijkt, niet alleen maar vormen, bepaalde plantenvormen moeten optekenen, maar beweeglijke vormen. Heel zijn

v o o r s t e llingsleven komt innerlijk in beweging. De mens wordt genoodzaakt wat zijn gevoel betreft, een bepaalde frisheid te verwerven, omdat hij nu de plant bijv. niet meer van buiten waarneemt, maar omdat hij, als hij over de plant denkt, de groei, het uitbotten, het uitlopen van de plant zelf meebeleeft. De mens wordt in de lente met zijn voorstellingen zelf lente, in de herfst met zijn voorstellingen zelf herfst. De mens ziet niet alleen maar de plant opkomen uit de grond, in bloei raken of  de bladeren verkleuren tot bruinachtig, afvallen, nee de mens maakt dit hele proces mee. Wanneer hij over de uitlopende, uitbottende plant die hij waarneemt in de lente, denkt, zich voorstelt, wordt zijn ziel meegenomen. Zijn ziel beleeft innerlijk het groei- en bloeiproces mee. Innerlijk beleeft hij mee hoe al zijn voorstellingen zich op het zonachtige richten.

Er hat gewissermaßen die Vorstellung, indem er immer mehr und mehr sich vertieft in das Pflanzliche, es ist das Sonnenlicht, zu dem er innerlich in der Seele emporstrebt. Alles wird innerlich lebendig.
Da werden wir nicht vertrocknete Begriffsmenschen, da werden wir innerlich seelisch lebendige Menschen. Da machen wir etwas von einer gewissen Trauer mit, wenn die Blätter sich verfärben und abfallen, da werden wir, wie gesagt, selber Frühling, Sommer, Herbst und Winter. Da frieren wir innerlich seelisch mit dem Schnee, der als äußerlich weißes Kleid die Erde bedeckt. Da wird alles in uns lebendig, was sonst trockenes Vorstellungsleben ist.
Und kommt man gar herauf zu Begriffen des sogenannten astralischen Leibes, ja, sehen Sie, da kommen die Leute und sagen: Ach, dieser astralische Leib, den haben so ein paar phantastische Kerle ausgesonnen.
Nein, er ist beobachtet, beobachtet wie etwas anderes. Aber derjenige, der ihn wirklich versteht, beginnt etwas anderes zu verstehen. Er beginnt zu verstehen dasjenige zum Beispiel, was erlebte Liebe ist. Er beginnt zu verstehen, wie die Liebe webt und wellt im Dasein. So wie er durch seinen Körper eine innere Erfahrung bekommt, ob es warm oder kalt ist,

Op een bepaalde manier krijgt hij de voorstelling, wanneer hij steeds meer zich verdiept in de plantenwereld, dat hij zich innerlijk in zijn ziel richt op het zonnelicht. Alles wordt innerlijk levend.
Dan worden we geen mensen met droge begrippen, maar mensen die innerlijk in hun gevoel léven. Dan beleven we iets van een bepaalde droefenis als de bladeren kleuren en afvallen, we worden, zoals gezegd, innerlijk in ons gevoel zelf lente, zomer, herfst en winter. Dan bevriezen we innerlijk als het sneeuwt, als de sneeuw als een uiterlijk wit kleed de aarde bedekt. Alles wat anders droge voorstellingen zijn, gaat dan in ons leven.
En wanneer je dan de begrippen van het zogenaamde astraallijf aanroert, komen er mensen die zeggen: ‘Ach, dit astraallijf is maar verzonnen door een paar fantasierijke figuren.
Nee, dit is waargenomen, waargenomen zoals andere dingen. Wie het werkelijk begrijpt, begint ook iets anders te begrijpen. Bij. wat doorleefde liefde is. Hij begint te begrijpen wat de liefde is die in het bestaan als een golfbeweging verbindt. Alsof hij door zijn lichaam een innerlijke ervaring krijgt, alsof het warm of koud is,

Blz. 74

so bekommt er durch die Erkenntnis des astralischen Leibes eine innerli­che Wahrnehmung, ob Liebe webt und wellt, oder ob Antipathie webt und wellt. Es ist eine volle Bereicherung des Lebens.
Sie werden nicht behaupten können, wenn Sie auch noch so viel Theorien, wie sie heute üblich sind, studieren, daß dann dasjenige, was Sie studieren, in Ihren ganzen Menschen übergeht. Es bleibt Kopfbesitz. Wollen Sie es anwenden, so müssen Sie es nach einem äußerlichen Prinzip anwenden. Studieren Sie Anthroposophie, so geht das über in Ihren ganzen Menschen, wie das Blut in Ihrem Körper rinnt. Das ist Lebensstoff, geistiger Lebensstoff – wenn ich das widerspruchsvolle Wort bilden darf -, geistiger Lebensstoff, der uns durchdringt. Wir werden andere Menschen, wenn wir Anthroposophie aufnehmen.
Und es ist so: wenn Sie ein Stück eines Menschenleibes nehmen, vom Finger hier, so kann dieses Stück höchstens tasten. Es muß ganz anders sich durchorganisieren, wenn es das Auge werden soll. Das Auge besteht auch aus solchen Geweben wie der Finger, aber das Auge ist innerlich selbstlos, ist innerlich durchsichtig geworden. Daher vermittelt einem das Auge dasjenige, was außerhalb des Auges ist.

zo krijgt hij door de kennis van het astraallijf een innerlijke waarneming alsof liefde verbindt en golft of dat antipathie heerst en golft. Het is een totale verrijking van het leven.
Je zal niet kunnen beweren, ook al zou je nog zoveel theorieën. zoals die nu gebruikelijk zijn, bestuderen, dat dan wat je bestudeert een deel wordt van je hele wezen. Het blijft iets van het hoofd. Als je het wil toepassen, moet dat volgens een uiterlijk principe. Als je antroposofie bestudeert, gaat dat in je hele wezen zitten, zoals het bloed door het fysieke lichaam stroomt. Het is stof voor het leven, geestelijke stof voor het leven – als ik deze tegenstrijdige woorden mag gebruiken: geestelijke stof voor het leven die ons doordringt. We worden andere mensen, wanneer we antroposofie in ons opnemen. En het is zo, wanneer je een deel van een mensenlichaam neemt, neem dit stukje vinger, dat kan alleen maar aftasten. Dat moet heel anders in elkaar steken om een oog te worden. Het oog heeft net zulk weefsel als een vinger, maar innerlijk is het oog onzelfzuchtig, innerlijk is het doorlaatbaar geworden. Vandaar dat het oog je doorgeeft, wat zich erbuiten bevindt.

Hat der Mensch innerlich ergriffen den astralischen Leib, so vermittelt der ihm dasjenige, was außerhalb ist. Der astralische Leib wird ein seelisches Auge. Der Mensch schaut in die Seele des anderen Menschen hinein, nicht in einer abergläubischen, zauberischen Weise, sondern in einer ganz natürlichen Weise. Aber es tritt so ein, was sonst nur unbewußt im Leben die Liebe macht. Sie schauen dasjenige, was in der Seele des anderen Menschen ist. Unsere heutige Wissenschaft sondert Theorie von Praxis ab. Anthroposophie bringt dasjenige, was Erkenntnis ist, in das unmittelbare Leben hinein, macht den Menschen zu einem anderen Menschen.
Es ist unmöglich, wenn man Anthroposophie studiert, daß man hinterher erst eine Praxis in der Anthroposophie durchmachen muß. Es ware ein Widerspruch in sich. So wie das Blut, wenn der Mensch als Embryo organisiert wird, in seinen Körper dringt, so dringt in Seele und Geist als eine Realität dasjenige, was Anthroposophie ist.
Dadurch aber kommen wir nicht etwa dazu, nun äußerlich am Men­schen herumzuexperimentieren, sondern wir kommen dahin, in das

Wanneer de mens innerlijk het astraallijf heeft begrepen, dan geeft dit aan hem wat erbuiten is. Het astraallijf wordt een oog voor de ziel. De mens kijkt in de ziel van de andere mens, niet op een bijgelovige, magische manier, maar heel natuurlijk. Maar het gebeurt zo, zoals anders alleen maar onbewust in het leven de liefde doet. Je kijkt in wat de ziel van de andere mens is. Onze huidige wetenschap scheidt theorie van praktijk. Antroposofie brengt hetgeen wat weten is, direct over op het praktische leven, maakt de mens tot een ander mens.
Het is onmogelijk wanneer je de antroposofie bestudeert, om pas achteraf een praktijk door te moeten maken. Dat zou met elkaar in tegenspraak zijn. Zoals het bloed in het lichaam doordringt wanneer de mens als embryo ontstaat, zo dringt de antroposofie door in ziel en geest als een realiteit.
Daarom komen wij er niet toe om uiterlijk met de mens te gaan experimenteren, maar wij komen ertoe

Blz. 75

innere Seelengefüge des Menschen hineinzuschauen, an den Menschen wirklich heranzukommen. Dann aber lernen wir auch noch etwas ande­tes. Dann lernen wir erkennen, wie innig verwandt zum Beispiel das menschliche Vorstellen mit dem menschlichen Wachstum ist.
Was weiß denn die heutige Psychologie von der Verwandtschaft des menschlichen Vorstellens mit dem menschlichen Wachstum? Man redet auf der einen Seite von der Art und Weise, wie Vorstellungen zustande­kommen. Man redet auf der anderen Seite in der Physiologie, wie der Mensch wächst. Aber daß diese beiden Dinge, Wachstum und Vorstel­lung, etwas miteinander zu tun haben, innig verwandt sind, davon weiß man ja gar nichts. Daher weiß man auch nicht, was es bedeutet, wenn in dem Lebensalter, das ungefähr zwischen dem siebenten und vierzehnten Jahr liegt, an den Menschen, an das Kind, unrichtige Vorstellungen herangebracht werden, wie das seinen Wachstumsprozeß beeinflußt, wie das den richtigen körperlichen Wachstumsprozeß beeinflußt. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuviel Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das hemmend wirkt auf seinen Wachstumsprozeß. Man weiß nicht, wenn man dem Kinde zuwenig Gedächtnisvorstellungen beibringt, wie das sein Wachstum, ich möchte sagen, übermächtig macht, so daß es zu allerlei Krankheiten neigt.

dat we kunnen waarnemen in de ziel van de mens, we komen werkelijk bij de mens. Dan leren we ook nog iets anders. Dan leren we bijv. kennen dat het menselijke voorstellen diep verbonden is met de groei van de mens.
Wat weet de huidige psychologie van het verband van het voorstellen door de mens met zijn groeien? Aan de ene kant heeft men het over de wijze waarop voorstellingen tot stand komen. Aan de andere kant heeft men het in de psychologie erover hoe de mens groeit. Maar dat deze twee, groeien en voorstellen, iets met elkaar te maken hebben, diep verbonden zijn, daar weet men echter niets vanaf. Daarom weet men ook niet wat het betekent, als je in de levensfase die ongeveer tussen het zevende en het veertiende jaar ligt, de mens, het kind, onjuiste voorstellingen meegeeft en hoe dat zijn groeiproces beïnvloedt, hoe dat een gezond lichamelijk groeiproces beïnvloedt. Men weet niet dat wanneer je een kind te veel voorstellingen voor zijn geheugen bijbrengt, dit remmend werkt op zijn groeiproces. Men weet niet dat wanneer je een kind te weinig gedachtevoorstellingen bijbrengt, dat zijn groeien oppermachtig wordt, zodat dit tot allerlei ziekten neigt.

Man kennt nicht diesen innigen Zusammen­hang zwischen allem Seelischen und allem Leiblichen.
Ohne das aber ist jede Erziehung und jeder Unterricht ein finsteres Herumtappen am Menschen. Anthroposophie hat ganz gewiß im Anfang nicht darnach gestrebt, eine Pädagogik zu begründen. Sie wollte Menschenerkenntnis, ganze, volle Menschenerkenntnis liefern. Aber indem sie ganze, volle Menschenerkenntnis lieferte, entstand ganz von selbst das Pädagogische. Und wenn wir uns nun umschauen, was da und dort heute als Reformgedanken auftritt, so ist das alles außerordentlich gut gemeint, und man kann vor mancherlei allen Respekt haben, was in dieser Weise auftritt, denn die Menschen können ja nichts dafür, daß zunächst keine Menschenerkenntnis, keine wahre, wirkliche Menschenerkenntnis da ist. Wäre Menschenerkenntnis in diesen pädagogischen Reformplänen, Anthroposophie brauchte nichts zu sagen. Aber wenn Menschener-kenntnis vorhanden wäre, dann wäre es ja eben Anthroposophie. Weil

Men kent de diepe samenhang niet tussen alles wat ziel is en alles wat lichaam is.
Zonder dat is iedere opvoeding en elk onderwijs echter een vaag wat doen met de mens. Antroposofie had aanvankelijk niet de bedoeling een pedagogie te ontwikkelen. Ze wilde menskunde, volledige menskunde leveren. Maar toen ze deze bracht, ontstond als vanzelf het pedagogische.
En als we nu eens kijken wat hier en daar als vernieuwingsgedachten naar voren komt, is dat allemaal goed bedoeld en je kan voor van alles wat op deze manier gebracht wordt, veel respect hebben, niettegenstaande dat er voor de mensen nu geen menskunde, geen echte reële menskunde bestaat. Als er in deze pedagogische vernieuwingsplannen echte menskunde zou zitten, dan hoefde de antroposofie niets te zeggen. Maar als daar echte menskunde bij zou zijn, dan zou het antroposofie zijn. Omdat

Blz. 76

eine wirkliche Menschenerkenntnis heute in unserem ganzen Zivilisa­tionsleben fehlt, kam Anthroposophie und wollte diese Menschenerkenntnis geben. Und weil Pädagogik nur auf Menschenerkenntnis fußen kann, weil Pädagogik nur dann gedeihen kann, wenn nicht Theorie auf der einen Seite, Praxis auf der anderen Seite da ist, sondern wenn, ie beim wirklichen Künstler, alles, was man weiß, auch in das Tun, in die Tätigkeit hineingehen kann; weil Pädagogik nur gedeihen kann, Wenn alles Wissen Kunst ist, wenn die Erziehungswissenschaft nicht Wissen schaft, sondern Erziehungskunst ist, muß eine solche in sich tätige Menschenerkenntnis die Grundlage des pädagogischen Wirkens und Arbeitens sein.
Sehen Sie, darum existiert eine anthroposophische Pädagogik. Nicht weil man nun einmal fanatisiert ist für Anthroposophie, und deshalb der Anthroposophie zuschreibt, daß sie ein solcher Allerweltskerl ist, daß sie alles kann, also auch Kinder erziehen, nicht deshalb gibt es eine anthro­posophische Pädagogik, sondern weil mit Notwendigkeit nur aus einer wirklichen Menschenerkenntnis heraus, die eben Anthroposophie geben will, Pädagogik erwachsen kann. Deshalb, meine sehr verehrten Anwe­senden, gibt es eine anthroposophische Pädagogik.

Nun möchte ich morgen, nachdem ich heute nur einige einleitende Striche gegeben habe, über das Thema weitersprechen.

er nu in onze hele beschaving een echte menskunde ontbreekt, kan de antroposofie die geven en dat wil ze ook doen. En omdat pedagogie alleen maar gefundeerd kan worden op menskunde, omdat de pedagogie alleen maar gedijen kan als er niet aan de ene kant theorie bestaat en aan de andere kant praktijk, maar wanneer er, net als bij de echte kunstenaar, alles wat je weet ook in het doen, in de activiteit over kan gaan; omdat pedagogiek slechts gedijen kan, wanneer alle kennis kunst is, wanneer de opvoedingswetenschap geen kennis creëert, maar opvoedkunst is, dan moet de in zichzelf actieve menskunde de basis zijn van het pedagogisch bezig zijn.
U ziet het: d a a r o m bestaat er een antroposofische pedagogie. Niet omdat we nu eenmaal fanatiek antroposofie willen en men daarom van de antroposofie zegt dat het een manusje-van-alles is, dat ze alles kan, dus ook kinderen opvoeden. Maar daarom is er geen antroposofische pedagogie. Maar wel door de noodzaak dat een pedagogie alleen groeien kan door een echte menskunde, die de antroposofie dus wil geven.
Daarom, zeer geachte aanwezigen, is er antroposofische pedagogie.

Nu wil ik, nadat ik vandaag maar een paar inleidende aanzetten heb gegeven, morgen over het thema verder spreken.

.

Rudolf Steinerpedagogische voordrachten

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

.2646

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2643

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen door het leven heen

.
Dr. med. Rudolf Treichler.-psychiater en neuroloog, Weledaberichten, nr 126 juni 1982
.

PSYCHISCHE METAMORFOSES IN DE LEVENSLOOP
.

Voor de levensloop van de mens is er tegenwoordig veel belangstelling; daarover werd al veel gezegd en geschreven. Men heeft ontdekt, dat men de crises in het leven beter kan begrijpen en kan leren ermee om te gaan, als het ontstaan daarvan gedurende de levensloop wordt nagegaan.

Als men daarop terugkijkt, ontdekt men een in de loop van de tijd gegroeide vorm, die gaandeweg een bepaalde gestalte heeft gekregen. Men stelt verschillende stadia in die door de tijd gevormde gestalte vast, het ene stadium gaat in het andere over. En toch heeft men het stellige gevoel: dat is mijn levensloop, dat ben ik, die door de verschillende stadia van het leven gaat!

Ook bij de metamorfose van de planten, zoals Goethe die beschrijft, gaat er iets door de verschillende stadia van het plantenleven heen. Het wezen van de plant, door Goethe als oerplant geschouwd, komt in de loop van de wasdom trapsgewijs tot verschijning tot in de bloesem en de vrucht toe. Een organisme van vormgevende krachten verwerkelijkt dit wezen in het zintuigelijk zichtbare plantenorganisme. Daarbij is de afzonderlijke plant zelf slechts een klein blad aan de reusachtige boom van het plantenrijk, van de plantenfamilie, net zoals het afzonderlijke dier slechts als een enkele haar aan het geweldige lichaam van het dierenrijk en van de soort verschijnt. Plant en dier worden geheel en al door die samenhangen bepaald. Pas de mens komt als een zelfstandig wezen uit de omlijsting van de mensheid en zijn familie tevoorschijn, slechts hij heeft een individuele levensloop. Bij hem is niet zoals bij de plant alleen een vormgevend leven door alle vormen heen werkzaam, waar bij het dier nog het voelende leven van een psyche komt.

De mens evenwel kan zich ervan bewust worden, dat bij hem een individualiteit, een IK in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling actief is, een ik, dat zowel aan het levende lichaam als ook het zielsleven vorm wil geven en daarbij zelf in de verschijning wil treden. En vanuit dat bewustzijn kan de mens ook de in de tijd verschijnende gestalte van zijn levensloop en de ontwikkeling daarvan gewaar worden.

Ritmen in de levensloop

Geen gestalte is zonder geleding, geen ontwikkeling verloopt in rechte lijn. De geleding van de in de tijd verschijnende gestalte van de levensloop wordt zichtbaar via het ritme. Het bepalende ritme blijkt er een van zeven jaren te zijn; dit is sinds de oudheid bekend.

Aan het begin van de 20e eeuw heeft Rudolf Steiner dit herontdekt en dit inzicht opnieuw ontwikkeld op het gebied van de menskunde, de pedagogie en de geneeskunst. Het huidige onderzoek omtrent de levensloop van de mens is hier en daar tot dit inzicht gekomen. Men heeft tijdstippen van stuwingen, knooppunten in de levensloop geconstateerd, waaruit iets nieuws kan ontstaan. Die knooppunten zijn evenwel niet gefixeerd, maar bepalende factoren, waar het levende ritme zich omheen beweegt. In het verlengde van dat biologische aspect naar de mens toe beschrijft Rudolf Steiner ‘geboorten’, die zich volgend op de geboorte van het fysieke lichaam, ongeveer elke zeven jaar voltrekken. Evenals bij de fysieke geboorte wordt ook bij deze geboorten niet alleen de vrucht van een schoot zichtbaar. Met het kind verschijnt immers een nieuw wezen, dat men niet alleen vanuit de ouders, de erfelijkheid kan verklaren. Dit wezen heeft — hier en daar begint daarvoor begrip te ontstaan —- tevoren in een geestelijke wereld, in zijn geestelijke vaderland vertoefd, van waaruit het zich in de lichaamsvrucht van de ouders belichaamt. De eerste openbaring van dat wezen is het fysieke lichaam. Hierna volgen verdere openbaringen ervan. In het ritme van zeven jaren wordt er daarvan steeds één geboren en vervolgens ontwikkeld.

Psychische metamorfoses in de kinderjaren en de jeugd

Vanaf het begin van zijn leven vertoont de mens psychische reacties, spelen zich psychische metamorfoses af. Van de geboorte tot het 7e jaar ervaren wij echter het zielenleven nog als omhuld. De dichtste omhulling is het fysieke lichaam, waarin de ziel van het kind onder de leiding van zijn eveneens in hoge mate verborgen ik werkt. Veel meer dan het dier wordt immers de mens fysiek onvolkomen geboren. De hersenen bijv. worden pas omstreeks het 8e levensjaar volledig ‘klaar’; zij kunnen dan, zoals het totale fysieke lichaam, voor de ziel en het ik van de mens een instrument zijn. De vervaardiging van een goed instrument vraagt nu eenmaal veel tijd, in ’t bijzonder hier, waar het tot in de details met de individuele mens in overeenstemming moet zijn.

In de tijdspanne van het 7e tot het 14e jaar — aan het begin daarvan zijn ook de grondslagen voor het blijvende gebit gereed gekomen — staan de scheppende, vormende krachten ter beschikking voor een nieuwe activiteit. De krachten van de lichamelijke groei, die vanaf nu geen nieuw orgaan meer behoeven te scheppen, worden gemetamorfoseerd in de psychische krachten die nodig zijn om te kunnen leren. Zoals er tevoren cellen groeiden die zich aaneensloten en tot organen werden, zo groeien er nu in de ziel voorstellingen, die zich groeperen tot organen voor het leren. Zo ontstaat er bijv. uit vele afzonderlijke voorstellingen van de plant een orgaan, waarmee men leert de plant te begrijpen.

Het leren vormt een grondslag voor de later zich zelfstandig ontwikkelende ziel, waarin het met kenvermogen begiftigde ik van de volwassene met de voorstellingen zal omgaan. Een verdere grondslag voor het psychische leven is het temperament dat door andere, vrijgekomen vormende krachten van het lichaam en in nauwe samenhang met dit lichaam, zijn uiteindelijke gestalte tegemoet gaat. (Een flegmaticus heeft een andere lichaamsvorm dan een sanguinicus).

Aan het begin van de tweede cyclus van zeven jaren, als het kind schoolrijp wordt — wat hierboven als ‘vrij-worden’ werd beschreven — vindt de ‘geboorte’ van de krachten plaats die het organisme hebben gevormd. (Men kan dit bovenzinlijk deel van het menswezen ‘organisme’ of ‘lichaam’ noemen, omdat het in zichzelf even gedifferentieerd is als het zintuigelijk zichtbare fysieke lichaam.) Het meest vrij wordt het complet van vormgevende krachten uit het hoofd, van waaruit het kind dan begint te leren. Tegenover deze richting, die uit het fysieke lichaam wegvoert, komt een andere, die hieraan tegengesteld is. De ziel en het ik, die in de eerste zeven jaren vanuit het hoofd, vanuit de hersenen waarnemend en nabootsend het lichaam hebben gevormd, nemen in de 2e fase van zeven jaren zelf bezit van het lichaam. Gezien binnen het kader van de driegeleding van het menselijke organisme ontstaat daardoor een nieuw, verinnerlijkt gevoelsleven, dat in het rythmische systeem, in het leven van de longen en het hart, zijn lichamelijke grondslag heeft. Dit gevoelsleven schept een eerste tegenwicht voor de steeds meer toenemende functie van het hoofd. Aan het hoofd, dat tenslotte het abstracte denken moet leren, worden door het voelen, door de vreugde aan het leren nieuwe krachten toegevoerd, of zouden althans toegevoerd moeten worden. De liefdevolle autoriteit van de opvoeder, die het kind wil gaan navolgen, zou deze krachten moeten bemiddelen.
Aan het begin van de fase tussen het 14e en het 21e jaar, meestal reeds iets eerder, zijn de ziel en het ik ‘beneden aangekomen’ Het rijp worden van de voortplantingsorganen met de puberteit wijst erop, dat de grondleggende doorzieling van het lichaam is afgesloten. En nu gaat de ziel geboren worden.

Er verschijnt een nieuw, persoonlijk gevormd zielenleven, dat een geheel ander karakter heeft dan het nog min of meer verborgen, minder persoonlijke zielenleven in de tweede periode van 7 jaren. Dat ontleende kenmerkende eigenschappen door de geboorte van het complex van vormgevende krachten uit het gebied van het hoofd. Daarin heerst het principe van de rust; zonder beweging liggen de hersenwindingen binnen in de schedel; vanuit het voorstellende hoofd moet het lerende kind allengs het stil zitten leren. Het stofwisselingsgebied daarentegen, waarin zich de voortplantingsorganen bevinden, leeft door voortdurende beweging. Men ziet het bijv. aan de nooit helemaal rustig liggende darmen, aan de trek van de zaadcellen, die bij de man zelfs het lichaam verlaten. Deze dynamiek gaat over op het zielenleven dat uit het onderlichaam oprijst. Vanuit dit gezichtspunt gaan wij de drang om in beweging te zijn, zoals de jeugd die in en na de puberteit vertoont, ook het sterk bewogen, emotionele zielenleven dat wij nu zien optreden, begrijpen.

Als oerkracht van dit zielenleven ontstaat de begeerte, die echter niet alleen seksuele begeerte is, maar — in de meer omvattende zin — een begeren is dat op de wereld is gericht. Dat merkt de adolescent, als bij hem weer het gevoelsleven van het midden evenwicht scheppend optreedt tegenover het nu ingetreden eenzijdig worden van impulsen uit het stofwisselingsgebied. Hij kan op den duur ontdekken, dat de seksuele begeerte slechts een gedeelte is van het liefderijke voelen, van de liefde. Daartoe moet echter de doffe, uit het lichaam opkomende begeerte veranderen in wakkere belangstelling voor de medemens en voor de wereld. En dat is slechts mogelijk, als de adolescent een eigen oordeel ontwikkelt, dat door zijn medevoelend hart wordt geleid, tegelijk evenwel zich verheft in het licht van het tot inzicht leidende denken. Dit echter gebeurt niet vanzelf. Alles hangt ervan af, dat nu door de opvoeding, door de helpende medemens mét het oordeelsvermogen belangstelling voor de wereld wordt opgewekt. Rudolf Steiner, in wiens pedagogie dit principe bepalend is voor de derde fase van 7 jaren, wijst er met nadruk op, dat daardoor ook een fixatie van de vrijgeworden ziel aan het lichaam, aan de seksualiteit wordt tegengegaan.

Psychische metamorfoses bij de volwassene

Het begin van de volwassenheid ontstaat met de geboorte van het Ik omstreeks het 21e jaar. Het ik heeft nu zijn laatste taak in het lichaam volbracht. Men kan dit bijv. hieraan aflezen, dat nu de groei van het gelaat — de meest zichtbare uitdrukking van ons ik —tot een eind komt.

Psychisch uit zich de geboorte van het ik in het feit, dat de mens nu pas geheel volwassen is geworden, dat de opvoeding nu volledig wordt afgelost door de zelfopvoeding. Door het zelf, het ik van de mens onderscheidt hij zich van het dier. Terwijl bij het dier met het verkrijgen van de mogelijkheid tot voortplanting zijn ontwikkeling in grote trekken beëindigd is, is bij de mens vanaf zijn 14e jaar de voorbereiding begonnen voor een zelfstandige psychische ontwikkeling. Die voorbereiding, die tot omstreeks het 21e jaar duurt, voltrekt zich nog in de schaduw van de lichamelijke processen, waarmee de vrijgeworden ziel eerst te maken krijgt. Uiteindelijk wordt in die tijd de geboorte van het ik voorbereid dat alle psychische ontwikkeling bepaalt. De ziel zou, aan zichzelf overgeleverd, geen aanleiding, geen impuls hebben om zich te ontwikkelen, maar pogen om voortdurend alleen zichzelf uit te leven. Door het ik echter voelt de ziel: er is iets in mij, dat wil verder, boven het beleven van het ogenblik uit naar iets wat duurzaam, wetmatig, zinrijk is in het leven.

De ziel richt zich op die manier naar de geest, die door het ik in individuele gedaante zich wil belichamen in het zielenleven. In ieder mens leeft een vonk van het goddelijke vuur, die in de fase van het 14e tot 21e jaar nog verborgen gloeit.

Aan het begin van de fase van het 21e tot het 28e jaar glanst die vonk ons uit de ziel van de jonge mens tegemoet. Na de morgenschemering in de voorafgaande zevenjaarfase is de zon van het ik opgegaan boven de ontwikkeling van de ziel. Ook deze ontwikkeling zal drie fasen van zeven jaren omvatten. De eerste fase, van het 21e tot het 28e jaar, neemt hierbij een bijzondere plaats in. Op de drempel hiervan wordt niet alleen het ik geboren; tegelijk hiermee verschijnt het eerste wezensdeel van de zielsontwikkeling, het eerste ‘zielendeel’. Het getuigt van het scheppende wezen van het ik, voor zover dit zielendeel is ontstaan als eerste vrucht van de activiteit, die het ik heeft gericht op de in de puberteit geboren ziel.

Uit de worsteling van het ik in de fase van het 14e tot het 21e jaar ontstaat door een gedeeltelijke omwerking van de psychische krachten het nieuwe zielenleven van de volgende zeven jaren.

Dr. Steiner noemt het eerste zielendeel ‘gewaarwordingsziel‘. Evenals reeds het zieleneven van de 3e fase van zeven jaren is ook het leven van dit zielendeel door ‘gewaarwording’ gekenmerkt.
Zij ontstaat doordat de op de wereld gerichte begeerte van de ziel zich verenigt met de waarnemingen uit de wereld. Door de aldus ontstane gewaarwordingen leeft de wereld verder in de ziel. Men kan de gewaarwordingsziel vergelijken met een zee, die, op en neer golvend in de ziel, het schip van het eigen oordeel draagt en doet bewegen. Terecht worden in die levensfase de oordelen bepaald door de gewaarwordingen van sympathie en antipathie. In tegenstelling tot de fase van 14-21 jaar, die ook reeds vervuld was van gewaarwordingen, staat echter nu het ik aan het roer. Tegenover het chaotische ziet men nu — bij de gezonde mens — een geleide ‘Sturm und Drang’. Naar steeds weer nieuwe kusten, nieuwe voorstellingen en inzichten stuurt het ik; hoe rijker en meer gedifferentieerd zijn gewaarwordingsleven is, hoe gefundeerder zijn oordeel wordt en hoe meer eigen inzichten het ik zich kan veroveren.

Op zijn tocht naar de wereld ontmoet het ik andere mensen. Doordat het zich meet met andere individualiteiten, zich met hen in een groep aaneensluit, groeit zijn eigen kracht.

Die kracht echter wordt ook weer op de wereld gericht. Door de gewaarwording, die de andere mens ontvangt, groeit de mens uit boven het alleen maar begeren van de ander. Hij merkt iets van het andere ik. Door een verdere psychische metamorfose kan uit de gewaarwording van de sympathie liefde worden die de ander iets wil geven. Uiteindelijk wil de liefde het ik van de ander helpen om zich te ontwikkelen en daarmede iets voortzetten wat omstreeks het 21e jaar is begonnen.

In de fase tussen het 28e en het 35e jaar trekken zich veel mensen terug uit de groep, die voor hen tot dan toe de wereld betekende. 
Zij distantiëren zich dikwijls ook van hun partner en het tot dusver uitgeoefende beroep! Er wordt een nieuwe partner, een nieuw beroep gekozen of het bestaande partnerschap, het bestaande beroep krijgt een nieuwe basis. Het leven wordt meer geordend, krijgt meer planning.

Na het belevende voelen (gewaarworden) van de voorafgaande fase, dat naar de wereld was gekeerd, grijpt rondom het 28e jaar het denken sterker in bij de vormgeving aan het leven. Daardoor verandert ook het zielenleven. De mens die zich bezint, ook over het eigen bestaan nadenkt, wordt minder door gevoelens bewogen. Veeleer activeert hij nu zelf in zijn innerlijk gedachten en gevoelens. Op die manier schept hij, wat men ‘het gemoed’ noemt, of hij verdiept een reeds aanwezige, natuurlijke rijkdom van het gemoed.

Verstands- of gemoedsziel noemt derhalve Dr. Steiner het zielendeel, dat tegen het einde van de jaren twintig in het menselijke leven wordt geboren en ontwikkeld. Door dit zielendeel ontstaat een begin van verinnerlijking van het zielenleven. Het ik leeft niet meer zo sterk in het rechtstreekse contact met de wereld. Daarvoor in de plaats houdt het zich meer met het verwerken van de belevenissen in de wereld bezig. Minder dan tevoren laat het zich daarbij door gevoelens van sympathie of antipathie maar meer door het streven naar waarheid leiden dat in het denken leeft. Door dit streven, dat boven de persoonlijke voorkeur of afkeuring uitgaat, wordt het nieuwe zielendeel opgevoed. Die nieuwe vorm van zelfopvoeding wordt slechts mogelijk, doordat het ik in het zielenleven een nieuwe weg naar binnen inslaat.

Het doel op deze weg kan met het begin of in het verloop van de periode tussen het 35e en het 42e jaar door het ik worden bereikt. Dat doel is het midden van de ziel, van waar uit het ik nu aan de ziel en haar verhouding tot de wereld een vorm wil geven. Omdat de verschijning in de tijd van het mensenleven een streeftijd van 70 jaren heeft, bevindt de mens zich als hij 35 jaar is in het midden van zijn leven. Het behoort tot de wetmatigheden van de levensloop, dat ongeveer op de helft daarvan het ik op zijn tocht naar binnen het midden van de ziel zou moeten hebben bereikt.

Na het volbrengen van deze ontwikkelingstaak kan het ik zich nu ook, althans tijdelijk, uit zijn leven in de ziel verheffen; vrijer dan tevoren kan de mens naar het verleden en naar de toekomst gericht naar zijn leven kijken. Hij kan zich afvragen: wat heb ik tot dusver gepresteerd, wat moet ik nog presteren? Voor mijzelf, maar ook voor de wereld? Er kan een nieuw bewustzijn voor de taak, die men in de wereld heeft, voor het wezenlijke in het persoonlijke leven worden veroverd.

Naast acceleraties en retardaties in de levensloop blijkt, dat veel grote persoonlijkheden in het midden van het leven wat hun scheppingen betreft een doorbraak tot stand brachten naar wat eigenlijk en wezenlijk is.

Dit geldt in principe voor alle actieve mensen. Al kunnen ook de meesten van hen geen grote kunstenaars worden, toch kan ieder een levenskunstenaar worden, die het ‘motief’ de zin in de ‘stof’ van zijn leven ontdekt.

Daarbij merkt men ook, dat — in tegenstelling tot de gangbare mening — eigenlijk niemand vervangbaar is. In het gezin, in het werk kan weliswaar het ‘wat’ (de vader, de moeder, de arbeider enz) worden vervangen, niet echter het ‘hoe’. De bijzondere nuance, die slechts die ene individuele mens creëert, kan geen ander in het sociale leven laten binnenstromen.

Hiervan en van nog veel meer kan de mens zich in ’t bijzonder in het midden van het leven bewust worden. Door het verhoogde bewustzijn van zijn ik begint tenslotte het eeuwige in de bewustzijnsziel te stralen, zoals Dr. Steiner het derde nu geboren zielendeel benoemde. Het is een met de wil vervuld bewustzijn, van waaruit de mens iets hogers in zijn wezen wil kennen en verwezenlijken. Door dit hogere kan hij nu volledig zijn ik als een vonk van het goddelijke vuur beleven. Op grond hiervan schrijft 35 jaar oud, de grote toneelspeler Josef Kainz: ‘Ik heb iets in mijzelf gevonden, dat niet van mij een deel is, neen, waarvan ik een deel ben’. Meer dan vroeger hangt evenwel die verbinding met de geestelijk-goddelijke wereld af van de wil van de mens.

Samenvattend beeld

Aan de verschijning van de plant, waarvan wij uitgingen, kunnen wij ook het samenvattende beeld ontlenen voor de drie stadia van de ontwikkeling van de ziel. Zoals de plant haar bladeren uitspreidt, strekt de mens zijn gewaarwordingsziel naar de wereld uit. Zoals de plant doet bij de vorming van knop en kelk, trekt de mens zich door zijn verstands-gemoedsziel terug in zijn binnenste. Zoals de bloem zich opent voor de zon en haar licht terugstraalt, opent de mens zijn bewustzijnsziel voor het licht van de geest dat zij dan ook aan de wereld kan teruggeven. Vanaf het midden van het leven schijnt die uitstraling van het ik, waarvoor het zich door de liefde gaat openen, in de tweede helft van het leven naar binnen. In dit levensstadium kan de mens van het nemen tot het geven komen.

Dit beeld laat ons nog iets anders zien. Dikwijls krijgt men te horen: als men de bewustzijnsziel heeft, heeft men de andere zielendelen, vooral de gewaarwordingsziel niet meer nodig. Dat is hetzelfde alsof men zou zeggen: de plant heeft nu haar bloemen, de bladeren kan ze nu wel missen. Zij zou echter verdorren als zij zich niet meer door de bladeren kon voeden. Net zo dreigt het leven van de ziel door het licht van de geest te verdorren, als het niet verder uit de gewaarwordingsziel (en de verstands-gemoedsziel) zijn krachten zou kunnen putten. Juist tegenover de geest is het van belang, dat de mens een levend, onbevangen voelen bewaart, dat hij verder zijn wakkere denken inschakelt en de verinnerlijking van het gemoed oefent. Dan kan hij op zijn verdere pad naar de geest en voor de verwerkelijking daarvan in het aardse leven een steeds nieuwe verjonging door de geest beleven. Hij blijft niet jong, hij wordt aldoor weer jong door steeds nieuwe metamorfoses en geboorten heen tot aan zijn laatste metamorfose die zich voltrekt bij zijn dood, tot aan zijn laatste ‘geboorte’ uit het lichaam terug naar de geestelijke wereld.

.

Treichler: Die Entwicklung der Seele im Lebenslauf

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen.

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

.

2634

.

 

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-3-1-2)

.

Al in de 1e voordracht spreekt Steiner over de betekenis van de grenzen van het menselijk leven: de geboorte en de dood.
Voor Steiner zijn deze grenzen geen ‘absolute nulpnnten’ in de zin dat er niets vóór de geboorte zou zijn of niets na de dood.
Hij omschrijft ze vanuit verschillende gezichtspunten en een daarvan mondt uit in de uitspraak: geboren worden voor het leven is een sterven voor de geestelijke wereld; sterven voor de aardse wereld is een geboren worden in een geestelijke.

Verschillende auteurs hebben zich met dit thema beziggehouden.

.

Klaus Raschen, Weledaberichten nr.113, december 1977

.

GEBOORTE EN DOOD — POORTEN VAN HET LEVEN

.

Wie het kleine kind en de ouder wordende mens gadeslaat kan op belangrijke gedachten omtrent leven en dood komen. In dit verband vertoont de ontwikkeling van het kind in de tijd die op de geboorte volgt evenals de levensfase van de bejaarde welke aan de dood voorafgaat een bijzondere doorzichtigheid.

Een kind wordt geboren. Het heeft vooreerst slechts een heel geringe verhouding tot zijn omgeving. Na een paar dagen wordt allereerst de beweging van de mond naar de moederborst tot een enigszins zekere beweging als de moeder het kind in de armen neemt. Het schijnt, dat het ook begint te luisteren naar de stem van de moeder en dat er welbehagen ontstaat als de moeder het streelt. De ogen kunnen nog niet fixeren. De handjes kunnen nog niet doelgericht pakken. Pas na ongeveer zes weken lijkt het kind voor ’t eerst het gezicht van een ander te zien; niet veel later grijpt het zijn andere handje en kan het dat ook nadat het is losgelaten weer pakken. Intussen beginnen de pogingen om het hoofdje en vervolgens het bovenlichaam op te richten; er verloopt wel een half jaar eer het kind tenslotte kan zitten. Daarna begint een voortgaand onvermoeid oefenen. Het kind wil zich zelf in zijn voorlopig nog weke en kromme beentjes strekken en oprichten. Welke volwassene is in staat zo’n onafgebroken werkzaamheid te verrichten? Hoe straalt het gezicht van het kind als het voor ’t eerst los staat en nog een beetje onzeker zijn armpjes uitstrekt. De ziel van het kind juicht als het nog later zijn eerste stappen alleen zet. Over ’t algemeen duurt het een jaar eer dit is bereikt.

Maar daarna wordt er verder geoefend aan het strottenhoofd en aan de spraakorganen met alle mogelijke pogingen om klanken te vormen, totdat de eerste echte woorden worden gesproken. En dan geniet het kind door voortdurende herhaling van zijn kunnen.
In te luisteren naar en mee te doen met het spreken van ouders en broertjes en zusjes en in de communicatie met de omringende voorwerpen ontwikkelt zich langzamerhand het begin van denken. Het kind grijpt bijv. zolang naar de kaarsvlam tot het de gedachte ‘die is heet’ kan denken.

De ruimte wordt veroverd: in het verticale bij ’t zich oprichten, in het horizontale bij het leren lopen. De wereld van de mensen, de sociale sfeer, wordt door de ontwikkeling van de spraak veroverd. Hetzelfde geldt voor de uiterlijke omgeving door het denken. Het is een voortdurende verovering die wordt voortgezet tot ongeveer het 25e — 30e levensjaar. Hoe meer resultaat dit oplevert, des te groter is de levensvreugde.

Als men dit ziet, wordt men voor de vraag geplaatst: ‘Wie is het eigenlijk, die zich zowel van dit lichaam als van de menselijke omgeving en van de dingen meester maakt?’

Maar nu de andere kant van het leven: Het herinneringsvermogen is niet meer zo sterk. Wat zo-even gebeurd is, is ’t volgende ogenblik vergeten. Het denken pakt de situatie niet meer helemaal. De spraak verbrokkelt, verliest aan klank, de stappen worden onzeker, de benen willen niet meer, het evenwichtsorgaan registreert de situatie niet meer precies en ook de ogen laten in toenemende mate verstek gaan. Iedereen kan deze waarnemingen uit het dagelijks leven op allerlei manieren aanvullen. Al deze observaties tonen overduidelijk het tegendeel van hetgeen zich in de prille levensjaren en in de jeugd afspeelt. In dat stadium is de veroverende beweging, gericht op het lichaam, op de omgeving. Nu trekt de mens zich uit de wereld terug. Steeds verder verwijdert hij zich uit het gebied van zijn activiteiten en steeds meer moet hij achterlaten van hetgeen hij zich eigen heeft gemaakt; ten slotte en uiteindelijk ook zijn lichaam.

Aan het begin van zijn leven neemt hij zijn lichaam in bezit — aan het einde moet hij dat lichaam vaarwel zeggen.

Wie is die ‘hij’, die het lichaam in bezit neemt en het dan ook weer moet loslaten? Op dit punt willen wij nog een derde observatie noemen. Er zijn mensen, die zich met grote energie van hun lichaam meester maken en andere, wie dit veel moeite kost. En er zijn oude mensen, die hun lichaam tot het laatste ogenblik ondanks soms ongelooflijke pijnen beheersen en van dat lichaam alles als prestatie vergen wat daarvan maar verlangd kan worden. Er zijn er ook die zich geheel passief overgeven aan hun lot en die slechts op de gedachte komen, dat anderen verplicht zijn hen te helpen, hun alle moeite, alle pijn en alle ziekte af te nemen.

Als men zich hierin voldoende verplaatst, beleeft men weer datgene in de mens wat hierboven ‘hij’ werd genoemd. Zolang wij van buiten af bij andere mensen hierop letten, spreken we van ‘hij’. Richten wij de blik op ons eigen innerlijk, dan zeggen we: ‘ik’. Het ‘ik’ in de mens kan sterk of zwak zijn. De kracht daarvan kan tot uitdrukking komen in de energie waarmee het over het lichaam heerst en de omringende wereld vormgevend doordringt. Een sterk ‘ik’ kan in de ouderdom dikwijls heldhaftig met ziekte en het verval van zijn lichaam strijden. Het niet zo sterke ‘ik’ laat de gegeven omstandigheden zoals ze nu eenmaal zijn. Een grondige waarneming leidt tot de slotsom: een ‘ik’ is a priori met een grote of geringere kracht toegerust waarmee het de gegevens van het lot aanpakt.

Hier belanden wij bij een van de belangrijkste levensvragen: waarvandaan komt een ‘ik’ als het met grote of geringere kracht toegerust — en de mate van kracht is immers heel persoonlijk — tot geboorte komt? Waarheen gaat dit ‘ik’, als het — hetzij sterk of zwak — bij de dood het lichaam weer moet afleggen?

Het ik mogen wij ook de geest van de mens noemen. Het is tegenover het lichaam zeer zelfstandig en leeft in een voortdurende wisselwerking daarmee. Omdat hij een eigen hoogst individuele signatuur heeft moet men tot de slotsom komen, dat de menselijke geest deze bij de geboorte reeds meebrengt. De menselijke geest leeft voor de geboorte in geestelijke rijken. Hij komt op aarde om zich te oefenen en sterker te worden. Daarvoor is een lichaam nodig dat hij tot zijn instrument maakt. In dat lichaam woont hij als in een huis, hij doordringt het in vergaande mate. Naarmate de leeftijd vordert, ook bij ziekten, ervaart hij evenwel dat dit huis bouwvallig begint te worden. Hij moet zich allengs daaruit terugtrekken. Dit proces kan hij gepaard doen gaan met een sterke verinnerlijking waarin hij de vruchten van zijn leven gewaar wordt.

Minder figuurlijk uitgedrukt spreekt men van ‘incarnatie’, d.w.z. lichamelijk worden, en van ‘excarnatie’, losmaking van de menselijke geest uit het lichaam. Het is een vastgrijpen en loslaten, een onderduiken en weer opstijgen.

Beide gebeurtenissen, de incarnatie zowel als de excarnatie voltrekken zich voor de mens over ’t algemeen in diepe onbewustheid en slechts af en toe is er iemand, die zijn bewustzijn tot in het sterven vermag voort te zetten. Soms straalt in de laatste ogenblikken van het leven een groot licht naar binnen dat de nabestaanden iets verkondigt van het rijk dat de geest van de mens nu betreedt.

Voor de meesten van ons is deze stap met angst verbonden. Die angst is begrijpelijk als wij ons voorstellen wat voor een panische schrik mensen bijvoorbeeld tijdens een aardbeving overvalt, omdat de aarde die hun een volledige zekerheid bood, nu wankelt. Op dat ogenblik worden wij ons er pas van bewust met welk een rotsvast vertrouwen ten opzichte van de onwankelbaarheid van de aarde wij hebben geleefd. Nu gaan wij dit houvast verliezen.

Toegepast op ons leven zegt dit beeld: in de fase waarin ons lichaam het gaat begeven en ziek wordt, merken wij hoe zeer wij rotsvast op ons lichaam vertrouwden; nu draagt het niet meer, angst overmeestert ons. Die angst is vanzelfsprekend.

Kan men die angst meester worden?

Voor wie heden ten dage leeft in een getechnificeerde wereld — die immers op een algemene gevarenzone lijkt — is het van belang om tijdig op deze vraag een antwoord te zoeken. Onbewust, dikwijls echter heel dicht aan de grens van bewustwording, zijn mensen aangetast door een toenemende onzekerheid die ontstaat uit opstijgende doodsangsten. De dood staat vlak voor de deur naar ons leven. Dit blijkt uit vele symptomen. De mensen reageren bijv. vanuit die angst met toenemende nervositeit; zij worden neurotisch, zeggen wij dan.

Wij moeten leren om tegenwichten te scheppen.

Als de menselijke geest zijn geestelijke vaderland bij de geboorte verlaat, begint er langzaam aan een vergeten. In de kindertijd is die vergetelheid dikwijls nog niet volledig. Zoals bij de dood soms een licht uit de toekomst naar binnen schijnt waarover de mensen spreken, zo straalt ook dikwijls over de kindertijd een hemels licht als iets wat voor het kind heel vanzelfsprekend is.

De mens moet, opdat hij zich in vrijheid kan ontwikkelen, vooreerst dit licht en zijn geestelijke, voorgeboortelijke verleden vergeten. Hij moet eerst de aardse wereld veroveren, maar hij mag niet in haar verzinken. Dat zou een binding worden die hem onvrij maakt. Daarom moet hij ook hier zijn vrijheid veroveren. De ware menselijkheid kan hij alleen ontwikkelen in het gebied van vrijheid dat hij vindt als hij niet opgaat in spiritualiteit die de aarde ontvlucht en hij zich niet laat kluisteren aan wat alleen maar aards en materieel is.

De vrije individualiteit die in zich zelf gegrondvest is, die het geestelijke en het aardse in evenwicht houdt, vindt de mogelijkheid om ook tegenover de doodsprocessen in het eigen lichaam onafhankelijk te zijn en de angst te weerstaan.

Hoe echter verwerven wij ons deze tweevoudige vrijheid?

De ene krijgen wij bij de geboorte mee. Wij allen vergeten tegenwoordig onze geestelijke oorsprong. Vatten wij dit op de juiste wijze op, dan zijn wij er dankbaar voor. De vrijheid ten opzichte van de aardse bindingen veroveren wij ons slechts als wij onvermoeid streven naar een dieper inzicht en daarvoor in de geest met de eeuwige waarheden van het bestaan in aanraking komen, of als wij putten uit de bron van alle waarheid. Die bron is dan tegelijkertijd een bron van het leven dat alle dood overwint. Zo mogen wij thans over Christus denken en spreken. Hij kan voor alle mensen tot een ervaring worden.

In de veroverde vrijheid gaan wij door de poort van de dood als menselijke geest, in zekerheid en zonder angst, vergezeld door Hem die de dood overwon. En uit Hem ontvangen wij een kracht waardoor wij in de toekomst zo door de poort van de geboorte gaan dat wij met de grootste energie ons lichaam veroveren, in de geestelijke verovering van ons lichaam en vervolgens ook van de samenleving en de materiële wereld ligt tevens de enige mogelijkheid om deze wereld weer menselijk te maken. Deze opdracht dragen wij allen in de grond van ons wezen door de poort van de geboorte.

.

Algemene menskunde: voordracht 1onder 1-3

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2629