Categorie archief: menskunde en pedagogie

VRIJESCHOOL – Wetenschap

.

Aan de grens van de kennis begint het leven

De moderne natuurwetenschap wordt in toenemende mate door de methodes van de zogenaamde exacte natuurwetenschappen gevormd en dienovereenkomstig bepaald — met als voornaamste vertegenwoordigers de fysica en de chemie.
Rangschikken we de methodes die worden toegepast om de doelstellingen van het wetenschappelijk onderzoek te bereiken, dan tekenen zich drie door interne samenhangen verbonden groepen af, een trilogie van methodes.

Allereerst is er de mechanistisch-deterministische zienswijze: daarmee tracht men de natuur terug te brengen tot de causaliteit van natuurkundig-chemische wetten en haar als een mechanisme te zien.

In het systematisch-reproduceerbare experiment — de eigenlijke en laatste ‘instantie’ van de moderne natuurwetenschap — wordt geprobeerd de mechanistisch-deterministische voorstelling in het laboratorium als een proefmodel, als apparaat te laten ontstaan. Alleen wat in het experiment systematisch-reproduceerbaar kan worden voortgebracht, wordt binnen het bereik van de chemie en de fysica als wetenschappelijk bewezen beschouwd. Al het andere geldt als hypothesen, die overigens — en wel naar gelang de experimentele moeilijkheden toenemen — steeds meer bladzijden in de vaktijdschriften vullen.

De derde methode kan het beste worden omschreven als het differentieel-causale principe-, ze brengt tot uitdrukking, dat de mathematiek een instrument van toepassing moet zijn. Het blijkt, dat de natuurkundige wetten kunnen worden beschreven met differentiaalvergelijkingen, waarvan de integratie wordt nagestreefd om te komen tot registratie van afmetingen in ruimte en tijd.

Het is goed nota te nemen van het feit, dat de voornaamste methode, het systematisch-reproduceerbare experiment (de moderne natuurwetenschap is een ervaringswetenschap), een tweesnijdend zwaard is: het dient namelijk zowel tot middel als tot grens van de kennis. Wat men tijdens het experiment niet kan laten ontstaan, ligt buiten het bereik van de kennis van de chemie en fysica, dus van de moderne natuurwetenschap. Haar vertegenwoordigers staan onder de reële dwang van de maakbaarheid; door de uitsluitendheid, waarmee de moderne natuurwetenschap de voor de chemie en fysica succesrijke methodentrilogie op de hele wereld wil toepassen, is ze materialistisch geworden. Oorzaak voor het geloof aan deze eenzijdigheid zijn voor een groot deel de op de kennis van fysisch-chemische wetten berustende successen van de techniek. Daarmee werd een civilisatie geschapen, die zich in een dergelijke reële dwangpositie bevindt, nu de technocraten beweren dat alles maakbaar is.

Met uitsluitend fysisch-chemische processen kan geen leven worden voortgebracht, het laat zich er alleen door beïnvloeden en…vernietigen. Het is een experimenteel bewezen feit: we kunnen alles wat we weten op het gebied van de chemie en de natuurkunde bij elkaar optellen, zoveel als we maar willen, nooit ontstaat er ergens een levend wezen. Er bestaat geen differentiaal van het leven, die zich tot de afmeting van een levensvorm zou laten integreren. Het systematisch-reproduceerbare experiment als middel tot kennis in de moderne natuurwetenschap toont dus aan, dat de grens van het bereik van haar kennis daar loopt, waar het leven begint. Natuurlijk zijn er zeer vele hypothesen, die streven naar een uitsluitend fysisch-chemische verklaring van het leven. Maar let wel: het gaat daarbij uitsluitend om hypothesen en niet om experimenteel bewezen feiten. Een beoefenaar van de wetenschap, die de kennistheorie ernstig neemt, kan op de vraag ‘wat is leven?’ alleen maar een wetenschappelijk antwoord geven: de wetenschap weet niet, wat leven is.

De materialistische beoefenaars van de natuurwetenschap, die geloven aan de vergelijking ‘leven is chemie plus fysica’ zijn het slachtoffer van een kennistheoretische drogreden. Men kan namelijk alle fysisch-chemische meetinstrumenten, die er maar bestaan, aan alle levende wezens aanleggen, altijd wijzen ze een bij dat instrument passende meetwaarde aan. Daaruit mag echter niet de conclusie worden getrokken, dat fysisch-chemische processen voor het leven toereikend zijn. Deze metingen en het onvermogen om leven te doen ontstaan in het laboratorium bewijzen iets anders: fysisch-chemische processen zijn noodzakelijk, maar niet voldoende voor het bestaan van een levend wezen. Door de mogelijkheid gebruik te maken van het differentieel-causale principe zijn op het gebied van de chemie en de fysica vele dingen berekenbaar. Maar iets kunnen berekenen betekent nog absoluut niet, dat men dat iets dan ook kan begrijpen; dat moet in de eeuw van de computer in alle duidelijkheid worden gezegd. Een voorbeeld: met behulp van de gravitatiewet kunnen de banen van planeten, satellieten of ook projectielen zeer nauwkeurig worden berekend. Wat echter ondanks deze berekeningen niet kan worden begrepen, is het wezen van de gravitatie. Geen enkele fysicus kan zeggen, wat deze kracht nu eigenlijk is, die de appel op de aarde doet vallen. Men geeft dit ‘iets’ een naam: gravitatieveld of veld der zwaartekracht. Er zijn zelfs wetenschapsmensen, die zeggen dat de zwaartekracht ten enenmale iets mystieks is. —

Een juiste berekening kan, wat het leven betreft, zelfs vernietigend zijn; bijvoorbeeld de juist berekende kogelbaan van een projectiel, dat een stad treft. Aangezien op het gebied van het leven fysisch-chemische processen slechts deelaspecten zijn van een mechanistisch-deterministisch en differentieel-causaal niet registreerbare totaliteit, is bij de toepassing van exact-natuurwetenschappelijke methodes op het leven terughoudendheid op zijn plaats. Bijzondere voorzichtigheid is geboden bij extrapolaties, die, uitgaand van fysisch-chemische metingen, als basis voor medische overwegingen dienen. Levensfuncties, in het bijzonder die van de mensen, kunnen alleen door generaties-lange ervaringen ook wetenschappelijk worden verklaard.

De verleiding is natuurlijk groot, tijd te besparen door datgene wat in de toekomst zal gebeuren met de in de chemie en natuurkunde beproefde methodes te berekenen. Zulke extrapolaties zijn echter — zoals de begrensdheid van de kennis van de moderne natuurwetenschap aantoont — alleen toelaatbaar op het gebied van het niet-levende (en soms met succes). Een bijzonder problematisch gebied bij de toepassing van de mathematica om fysisch-chemische processen te beschrijven is de statistiek-, des te verwonderlijker, dat de geneeskunde vaak juist een royaal gebruik daarvan maakt.

In verschillende landen was en is sprake van een wetsontwerp, dat alleen die medicamenten toelaat, waarvan de werking met fysisch-chemische methodes meetbaar is. Nu zijn echter gezondheid en ziekte kwaliteiten van dat fenomeen, dat nu juist met de kwantiteiten van de chemie en de fysica niet te doorgronden is: het leven. Bij een dergelijke wetgeving zouden onvermijdelijk die geneesmiddelen, die ziekte met leven genezen, de natuurgeneesmiddelen, verboden worden. Ook de homeopathische geneesmiddelen zouden dan worden uitgesloten, aangezien de concentraties van de werkzame stoffen meestal fysisch-chemisch niet meetbaar zijn — hoewel de artsen melding kunnen maken van vele miljoenen genezingsgevallen.

Het bewijs wordt dan gevormd door een ervaring, opgedaan door vele generaties heen, een ervaring die een mechanistische – deterministisch niet vatbaar feit opbrengt. Dit is begrijpelijk, want de zich hierbij openbarende fenomenen liggen buiten het bereik van de fysische en chemische kennis. Ze daarom te ontkennen zou dogmatisch zijn en daarom onwetenschappelijk. Het gevaar bestaat, dat ten gevolge van de overschatting van synthetische farmaceutische producten een rijke schat van onvervangbare natuurgeneesmiddelen tegelijk met degenen, die daarvan weten, in het graf daalt. Een vooruitstrevende geneeskunde blijft niet koppig aan het een of ander vasthouden, maar zou juist op weloverwogen wijze natuurlijke en synthetische geneesmiddelen moeten toepassen.

Ook op het gebied van de profylaxis — dus bij maatregelen ter voorkoming van ziekte en tot behoud van de gezondheid — is een extrapolatie van statistische metingen problematisch. Zo is bijvoorbeeld bij de omstreden cariës profylaxis door fluoridering van het drinkwater wetenschappelijke terughoudendheid op zijn plaats. Buitengewoon bedenkelijk is daarbij het feit, dat het om een medicatie onder dwang gaat. Wie ervan overtuigd is, dat fluor zijn tanden beschermt, kan fluortabletten of chocolade met toevoeging van fluor eten (een tip voor de producenten van snoepgoed). Je zou daarbij aan Orwell kunnen denken en je kunnen afvragen, voor welke andere diensten de drinkwaterleiding van een stad gebruikt zou kunnen worden. Een regering, die op dergelijke wijze zorgt voor het welzijn van de bevolking, zou in de geest van Frederik de Grote — ‘Rust is de eerste plicht van de burger’ — uit de waterkraan psychofarmaca met librium- of valiumwerking kunnen laten geven. Dit zou, wat de dwangmaatregel betreft, ten opzichte van de drinkwaterfluoridering geen principieel, maar alleen een gradueel verschil zijn.

Met het systematisch-reproduceerbare experiment als voornaamste middel van kennis van de moderne natuurwetenschap wordt degenen, die geen andere kennisbronnen laten gelden, in de reële dwangpositie van het maakbare van een materialistische wereldbeschouwing gebracht. Met uitsluitend fysisch-chemische methodes zijn echter alleen machines, apparaten en chemische substanties maakbaar. Welke machines kunnen worden gebouwd? Alle machines, die niet in tegenspraak zijn met de wetten van de chemie en de natuurkunde. Met de wetten van het leven mag een machine zonder meer in tegenspraak zijn. Iedere machine, die wat betreft haar grootte (bijvoorbeeld atoomcentrales of supertankers) of haar aantal (bijvoorbeeld auto’s of televisietoestellen) mateloos is, is in tegenspraak met de wetten van het leven, omdat al het leven aan strenge maten is gebonden. De vraag, of een machine of een chemische substantie goed is of slecht, is niet steekhoudend, beslissend is de maat bij de toepassing.

Het gefascineerd zijn door de techniek laat vele mensen geloven dat degenen, die in staat zijn om vliegtuigen, camera’s en telefoons te bouwen, in principe ook bekwaam zijn om vogels, ogen en oren voort te brengen. Maar vliegtuigen beleven hun vlucht niet, camera’s en telefoons zien en horen niet. En nog iets heel wezenlijks: vogels, ogen en oren ontstaan zonder medewerking van de mens — geen enkele machine ontstaat zo maar vanzelf. Machines moeten door mensen worden gemaakt; zijn door de geest bestuurde handen produceren haar uit de mineralen van de aardkorst. Daarom is geen enkele machine (met inbegrip van de computer) zekerder dan de mensen, die haar bouwen en exploiteren.

De bedreiging van het leven door de moderne natuurwetenschap en de daaruit voortgekomen techniek is duidelijk geworden. De oorzaak ligt in de pretentie, het leven met de wetten van de levenloze materie te begrijpen en in de hand te krijgen. Een dergelijke beschouwingswijze is een materialistische. Ze vooronderstelt de prioriteit van de materie, de geest is slechts een product (een soort emanatie) van de stoffelijke vorm hersens. Maar zelfs bij de veronderstelling ‘In den beginne was de waterstof’ is de prioriteit van de materie onhoudbaar. Om ook maar één enkele waterstofatoom voort te brengen, zijn er fysische wetten nodig, waaraan het waterstofatoom gehoorzaamt. Wetten echter zijn altijd iets geestelijks; chemie en fysica — als ze ten einde worden gedacht — bewijzen de prioriteit van de geest. Een natuurwetenschap, die de natuur liefheeft en haar niet als middel tot het doel beschouwt, kan de gevaren van het materialisme aan; de moderne natuurwetenschap moet dat worden, wat ze eigenlijk is — een geesteswetenschap.
.

Max Thürkauf, Jonas 2, 28-09-1977

(Een uitvoerige beschrijving van deze gedachten is te vinden in: Max Thürkauf: Sackgasse Wissenschaftsglaubigkeit. Strom Verlag, Zürich 1975)

1626

Menskunde en pedagogie:

Antroposofie en wetenschap

Anderen over wetenschap

.

1626

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-7)

.

Enkele gedachten bij blz. 40 – 41 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Nadat Steiner een kleine samenvatting heeft gegeven van antipathie en voorstellen, sympathie en wil,

blz. 40

Nun merken Sie schon an dem, was ich jetzt hier entwickelt habe, daß eigentlich das Menschenwesen nur begriffen werden kann im Zusammenhange mit dem Kosmischen. Denn indem wir vorstellen, haben wir das Kosmische in uns. Wir waren im Kosmischen, ehe wir geboren wurden, und unser damaliges Erleben spiegelt sich jetzt in uns; und wir werden wieder im Kosmischen sein, wenn wir die Todespforte durchschritten haben werden, und unser künftiges Leben drückt sich keimhaf t aus in dem, was in unserem Willen waltet. Was in uns unbewußt waltet, das waltet sehr bewußt für das höhere Erkennen im Kosmos.

blz. 40 vert.

Nu merkt u al aan hetgeen ik hier ontwikkeld heb, dat het wezen van de mens eigenlijk alleen begrepen kan worden in samenhang met het kosmische. Want als we ons voorstellingen maken, hebben we het kosmische in ons. We waren in de kos­mos voordat we geboren werden en onze belevenissen van toen spiegelen zich nu in ons; en we zullen weer in de kosmos zijn wanneer wij door de poort van de dood zijn gegaan; ons toe­komstige leven wordt uitgedrukt in de kiem die werkt in onze wil. Wat in ons onbewust werkt, dat werkt – voor het hogere kennen zichtbaar – zeer bewust in de kosmos.

gaat hij op ‘micro-niveau verder’. Je zou je af kunnen vragen waarom hij dat doet. Hebben we er iets aan voor ons pedagogisch handelen, komt het ergens terug in de didactiek. 
Meteen aan het begin van het tweede morgenuur gaat Steiner ermee verder en maakt ‘deze ontmoeting van antipathie en sympathie’ zeer concreet voor wat het spreken betreft, wat klinkers en medeklinkers zijn. En dat mondt weer uit in de methode die Steiner geeft om de kinderen het schrijven en lezen aan te leren.

Dat hij er hier zo fysiek op ingaat, kan gelegen zijn in het feit dat het voor hem een vanzelfsprekendheid is dat geest en ziel zich lichamelijk manifesteren en dat hij ook dit manifest worden wil laten zien. In vele – niet alleen de pedagogische – voordrachten – spreekt hij daarover in deze trant:

Alles Seelische drückt sich aus, offenbart sich im Leiblichen, (   ) Sie müssen den ganzen Menschen verstehen lernen: geistig, seelisch und leiblich.

Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam. (  ) U moet de gehele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.
GA 293/38  39
vertaald/38  39     zie 14; 25; 36; 50; 88; 104 in ‘wegwijzers

Of, dat het wellicht de consequentie is van ‘we moeten ons tot in de basis bewust zijn van wat we doen‘(blz.27).

Wir haben allerdings selbst in der leiblichen Offenbarung einen dreifachen Ausdruck dieser Sympathie und Antipathie. Gewissermaßen drei Herde haben wir, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen. Zunächst haben wir in unserem Kopf einen solchen Herd, im Zusammenwirken von Blut und Nerven, wodurch das Gedächtnis entsteht. Überall, wo die Nerventätigkeit unterbrochen ist, überall, wo ein Sprung ist, da ist ein solcher Herd, wo Sympathie und Antipathie ineinanderspielen.  Dann ist wieder ein solcher Sprung in den Ganglienhäufchen, die in die sympathischen Nerven eingebettet sind. Wir sind gar nicht so unkomplizierte Wesen, wie es scheinen mag. An drei Stellen unseres Organismus, im Kopf, in der Brust und im Unterleib spielt das hinein, da sind Grenzen, an denen Antipathie und Sympathie sich begegnen. Es ist mit Wahrnehmen und Wollen nicht so, daß sich etwas umleitet von einem sensitiven Nerven zu einem motorischen, sondern ein gerader Strom springt über von einem Nerven auf den anderen, und da- durch wird in uns das Seelische berührt: in Gehirn und Rückenmark. An diesen Stellen, wo die Nerven unterbrochen sind, sind wir eingeschaltet mit unserer Sympathie und Antipathie in das Leibliche; und dann sind wir wieder eingeschaltet, wo die Ganglienhäufchen sich entwickeln im sympathischen Nervensystem.

En nu zijn ons zelfs op drie plaatsen in ons lichaam de sym­pathie en antipathie geopenbaard. We hebben in zekere zin drie centra waarin sympathie en antipathie met elkaar in wisselwer­king zijn.

Ten eerste is er in ons hoofd zo’n centrum, waar door het samenwerken van bloed en zenuwen het geheugen ontstaat. Overal waar de activiteit van de zenuwen onderbroken is, over­al waar een sprong is, daar is zo’n centrum waar sympathie en antipathie met elkaar in wisselwerking zijn.

Ten tweede is er zo’n sprong in het ruggenmerg, bijvoorbeeld waar één zenuw de achterwortel van het ruggenmerg binnengaat en een andere de voorwortel uitgaat.

Ten derde is er zo’n sprong in de zenuw­knopen die ingebed zijn in het sympathische zenuwstelsel.

Wij zijn beslist niet zulke ongecompliceerde wezens als we lijken. Op drie plaatsen in ons organisme – in het hoofd, in de borst en in het onderlichaam – speelt zich dat af, zijn er grenzen waar sympathie en antipathie elkaar ontmoeten. Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd. Op deze plaatsen waar de zenuwbanen onderbroken zijn, zijn wij met onze sympathie en antipathie verbonden met het lichaam; en dat zijn we ook op de plaatsen waar de zenuwknopen zich in het sympathisch zenuwstelsel ontwikkelen.
GA 293/40-41
vertaald/41

Zelf heb ik ervaren dat ik bij de bestudering van de ‘Algemene menskunde’ deze passages snel passeerde, simpelweg omdat ik me er weinig bij kon voorstellen. Dankzij de stand van de wetenschap op m.n. het terrein van de neurologie, van het hersenonderzoek, is er veel meer bekend waardoor ook deze beknopte opmerkingen van Steiner beter begrepen kunnen worden. 

Steiner is er in andere voordrachten uitvoeriger en gedetailleerder op ingegaan. Deze voordrachten en de uitleg van Stefan Leber in zijn ‘Kommentar’ heb ik gebruikt om e.e.a toe te lichten en te verdiepen.

Over de  ‘3 haarden’ gaat het in [2-7-1]  [2-7-2]  en [2-7-3], nog niet oproepbaar.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1596

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-3)

.
Zie voor een inleiding 

SEKSUALITEIT (3)

Een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld gaan…

In de twee vorige nummers is over seksualiteit geschreven. In het eerste stuk werd het mannelijke en het vrouwelijke belicht, in het tweede de homoseksualiteit.

Hugo Verbrugh richt nu het focus op twee andere aspecten van seksualiteit: het communicatieaspect en de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen. ‘Wat we in deze tijd meemaken is de totale loskoppeling van deze beide kanten.’

Antroposofie en seksualiteit worden niet vaak in één adem genoemd. Dat is om drie redenen opmerkelijk: ten eerste omdat het wel invoelbaar is dat deze twee onderwerpen niet gauw met elkaar in verband gebracht worden, ten tweede omdat er omgekeerd evenzeer aanleiding is om ze wel met elkaar in verband te brengen en ten derde omdat de negatieve, respectievelijk positieve aantrekkingskracht van de beide onderwerpen nauw met elkaar samenhangen. Reden genoeg dus voor een klein essay over de relatie tussen antroposofie en seks.

De eenvoudigste manier om aan het thema te beginnen is, zoals wel vaker, een stukje geschiedenis. Dan blijkt meteen al hoe sterk gemengd positief-negatief – deze beide termen uitdrukkelijk niet bedoeld als morele (dis)-kwalificatie! – de relatie is. Enerzijds lijken in het theosofische milieu waarin Steiner aan het eind van de vorige eeuw de eerste weerklank voor zijn ideeën en inzichten vond, opvattingen te hebben geleefd over seks en wat daarmee samenhangt, die we nu als uitgesproken progressief zouden bestempelen. Dezelfde mensen die in de theosofische beweging actief waren, openden bijvoorbeeld consultatiebureaus om adviezen te geven op het gebied van geboorteregeling. Dat hing zonder twijfel samen met de moderne ideeën over (vrouwen)emancipatie bij mensen als Annie Besant en andere theosofische voorlieden. Annie Besant werd in 1877 zelfs tot secretaris gekozen van de ‘Malthusian League’ – een voorloper van wat nu in Nederland de NVSH is – hetgeen in die tijd een scandaleuze toestand was. Dat is dus het positieve aspect. Anderzijds krijgt men, zich verdiepend in de historische ontwikkeling van de antroposofie, toch wel de indruk dat de mensen met wie Steiner in de loop van zijn werk in gesprek kwam niet uitzonderlijk geïnteresseerd waren in het onderwerp, wanneer we althans mogen afgaan op de overgeleverde schriftelijke versies van zijn voordrachten. Dit laatste voorbehoud is belangrijk. Er wordt namelijk terecht op gewezen dat men bij de duiding van de voordrachtsteksten altijd moet verdisconteren dat deze voordrachten in een concrete setting werden gehouden. Inhoud, uitwerking en ‘toonzetting’ waren afgestemd op de vragen, verwachtingen en weerstanden die bij zijn toehoorders leefden. Bij nauwkeurig lezen van voordrachtteksten, bijvoorbeeld die voor artsen, blijkt dat er wel degelijk heel wat verwijzingen naar ons onderwerp in voorkomen: Een probleem is alleen dat deze verwijzingen helemaal ingebed zijn in de antroposofie als geheel – weer een negatief aspect van de relatie tussen antroposofie en seks. Passages over seksualiteit en daarmee verband houdende onderwerpen zoals de man/vrouw-relatie zijn misschien nog moeilijker dan met andere onderwerpen het geval is los te maken uit de samenhang met de antroposofie als geheel zonder dat ze vertekend en verminkt worden. Allicht dat het daardoor kan lijken alsof de beide thema’s weinig met elkaar van doen hebben.

Spanningsveld

Maar ook zonder historisch perspectief is de relatie antroposofie-seks verwarrend; ze komt althans op de buitenstaander onduidelijk over. De opvattingen die onder antroposofen leven zijn immers niet goed in te delen in de starre schema’s progressief-conservatief. Verhalen die je af en toe in de krant leest over gereformeerde schoolbesturen die onderwijzers willen ontslaan omdat ze samenhokken zonder getrouwd te zijn, zijn in de vrijeschool ondenkbaar; maar de praktische consequenties van de antroposofische ideeën over abortus doen de leerlingen van Steiner net in de andere uiterste hoek van het links—rechts-schema belanden.

Intussen ligt de belangrijkste reden voor de antroposofische terughoudendheid inzake seks waarschijnlijk nog wel wat dieper. Antroposofie betekent een mensbeeld waarin de relatie tussen lichaam en geest tot de alleruiterste consequentie doordacht en – zover dat in ieders bereik ligt – bewust doorleefd wordt. Deze consequentie gaat uiteindelijk over in de mogelijkheid van een lichaamsvrij bestaan voor de mens. Een van de hoekstenen van de antroposofie is het idee dat na de dood een lichaamsvrij bestaan realiteit wordt terwijl in die toestand dan ook een, uiteraard wezenlijk veranderd, besef van de eigen identiteit behouden blijft. Steiner heeft hierover vele gedegen en gedetailleerde uiteenzettingen gegeven; wie de weg daartoe gevonden heeft, kan zich een nauwgezet en overtuigend beeld vormen van dit bestaan.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand die probeert dit idee in zijn leven in te bouwen anders gaat denken over seks dan iemand bij wie een dergelijk besef niet, of niet zo uitgesproken leeft. Seksualiteit manifesteert zich immers, naast vele andere aspecten, bij uitstek als een van de sterkste spanningsvelden tussen lichaam en geest. Het proces van losmaking van de geest van het lichaam na de dood is dus ook, in veel gevallen misschien vooral, een losmaking van de geest uit dit bijzondere spanningsveld. Nu is deze ‘losmaking van de geest’ na de dood niet een proces dat vanzelf gaat, integendeel. De traditionele voorstellingen over het vagevuur wijzen wat dit betreft onverbiddelijk in dezelfde richting als de uiteenzettingen van Steiner: het is een helse strijd die gestreden moet worden om de geest vrij te krijgen uit dit spanningsveld, en deze strijd is des te pijnlijker en moeizamer naarmate men zich in het leven hier daar minder op heeft voorbereid. Seksualiteit heeft als spanningsveld tussen lichaam en geest enkele bijzondere kenmerken. Het belangrijkste hiervan is dat dit spanningsveld in wezen de begeerte is naar het volwaardig mens zijn waarin het man/vrouw-verschil is opgeheven. Zo bezien zou seksualiteit omschreven kunnen worden als de herinnering aan de tijd van ons leven voor de zondeval, plus het verlangen om die staat weer te herstellen en de ervaring dat dit, althans ogenschijnlijk, mogelijk is in de seksuele ontmoeting.

Nu is er met de binding tussen lichaam en geest op het terrein van de seksualiteit iets bijzonders aan de hand. Seks is immers niet het enige dat onze geestelijke identiteit aan onze lichamelijkheid kluistert. Zonder eten en drinken, zonder lucht en warmte kunnen we als mens niet bestaan. Voor zover ons fysieke lichaam daarvan afhankelijk is, moeten we na de dood dus ook van deze vier levenskwaliteiten loskomen.

Met seks ligt het met deze lichaam-geest-binding in één opzicht wezenlijk anders dan met de genoemde vier elementaire kwaliteiten die ons fysieke lichaam in stand houden. Zonder deze vier kwaliteiten kan geen lichamelijkheid bestaan, maar voor seks geldt dat allerminst. Weliswaar is een mens altijd man of vrouw en is dus lichamelijk bestaan zonder seksualiteit in de zin van het besef van het man/vrouwverschil ondenkbaar, maar lichamelijkheid zonder seks in de zin van daadwerkelijke seksuele belevingen met een ander is theoretisch mogelijk en komt in de praktijk voor. Omgekeerd is seksualiteit zonder lichamelijkheid een wezenloze abstractie, doet zich althans in eerste instantie als wezenloze abstractie aan ons voor: het denkbeeld dat in een lichaamsvrij bestaan – na de dood of anderszins – iets als seksualiteit voorkomt lijkt me ongerijmd. Maar dit ongerijmde denkbeeld opent wel het perspectief op de vraag wat seksualiteit eigenlijk is.

Incamatiemogelijkheid

Seks(ualiteit) is herinnering aan de tijd voor de zondeval, heb ik hierboven geopperd. Ik laat in het midden of dit een sluitende definitie is of zelfs maar een algemeen aanvaardbare omschrijving. Het is met seksualiteit ongeveer als met bijvoorbeeld wijsheid en filosofie, met gezondheid of ziekte: iedereen weet voor zich zelf precies en in het algemeen ongeveer wat het is; voor de rest hangt het begrip dat je je ervan vormt sterk af van wat je er zelf in je leven van maakt.

Ik ga daarom niet proberen hier een andere, eventueel voor iedereen aanvaardbare karakterisering te geven, maar richt het focus nu op de samenhang tussen twee – of moeten we zeggen de twee? – aspecten waaronder seksualiteit zich aan ons voordoet: in haar communicatie-aspect tussen twee mensen, waarin liefde en erotiek een rol spelen, en de functie die de seksualiteit heeft in de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen*.

Essentieel is nu dat de opvattingen over de samenhang tussen deze beide aspecten van seks, en dus ook deze samenhang zelf, sinds ongeveer een eeuw sterk aan het veranderen zijn. Deze verandering tendeert onmiskenbaar in de richting van een steeds losser worden van de samenhang. De opvatting dat seksualiteit uitsluitend diende c.q. mocht dienen en dus geoorloofd was als ‘middel’ om nieuwe mensen hun incamatiemogelijkheid te geven, is bij mijn weten in geen enkele cultuur ooit verkondigd, laat staan gepraktiseerd. De verschillen in opvatting gingen en gaan bij mijn weten alleen over de wijze waarop en de mate waarin het goed c.q. geoorloofd is de incamatiefunctie te laten meespelen in de omgang met seks als communicatiemedium. Wat we nu in deze tijd** meemaken is een drastische verdere verschuiving van de opvatting over de samenhang en dus van de samenhang zelf in de richting van de uiterste consequentie: de totale loskoppeling van de beide aspecten.

Technology push

Voor de beleving van talloze mensen overal ter wereld is deze loskoppeling in één richting al een voldongen feit. Anticonceptie-ideologie en -praktijk maken dat het communicatieaspect van de seksualiteit volledig uitgeleefd kan worden zonder de functie van de incarnatiemogelijkheid in het bewustzijn te hoeven hebben. In omgekeerde richting is het intussen ook al bijna zo. Technisch is de vooruitgang hier bijna even ver als op het gebied van de anticonceptie. De maatschappelijke ‘vooruitgang’ tekent zich ook al af: reageerbuisbaby’s, spermabankkinderen, clonaal voortgebrachte nakomelingen en dergelijke zijn al lang niet meer alleen Science fiction producten. Het duurt misschien niet meer lang of ze zullen zelfs als verstrekkingen in het ziekenfondspakket worden gepropageerd.

Deze laatste conclusie is gebaseerd op een verschijnsel dat bekend staat als de ‘technology push’: de automatische, niet te stuiten aandrang die uitgaat van de uitvinders van technologische vindingen en producten om te bewerkstelligen dat hun vindingen en producten ook maatschappelijk aanvaard en toegepast worden. Over deze ‘technology push’ is de laatste tijd veel te doen. Met name wordt bediscussieerd of de maatschappelijke aanvaarding en toepassing werkelijk zo automatisch en onstuitbaar is als vroegere onderzoekers van het onderwerp ‘wetenschap en samenleving’, waaruit het begrip ‘technology push’ voortkomt, hebben aangenomen. Er is dus ruimte om ons af te vragen of we een oordeel kunnen en willen vormen over het gegeven dat de twee functies van de seksualiteit, die sinds de zondeval met elkaar samenhangen, thans meer en meer van elkaar gescheiden worden. En zo ja, hoe dit oordeel dan luidt.

Uitgangspunt voor deze oordeelsvorming is, dunkt me, het spijkerharde gegeven dat de mens ook in andere opzichten verandert – eigenlijk in alle opzichten voortdurend verandert.
Met dit gegeven komen we op een tweede hoeksteen van het antroposofisch mensbeeld. Het idee dat er zoiets bestaat als ‘de’ mens, eens en voor altijd geschapen als wezenlijk bestaand en dus statisch en onveranderlijk, is slechts één aspect van de mens. Het andere, dynamische en veranderlijke aspect, de mens die is geschapen met het doel zich zelf verder te scheppen, is precies even belangrijk. Alleen verdient dit aspect in onze huidige cultuur extra aandacht omdat deze cultuur helemaal wordt gedomineerd door de gedachte dat de mens in wezen onveranderlijk is en zich alleen in uiterlijk-mechanistische zin kan en moet aanpassen aan veranderende uiterlijke omstandigheden. De ‘technology push’ is een typische manifestatie van dit statische aspect. De mens volgt in zijn gedrag noodgedwongen, star ‘mechanisch’ de wetten van de technologie.

In het antroposofische mensbeeld is de mens uitdrukkelijk geen statisch gegeven. Hij is een synthese van beide aspecten, van het statische en het dynamische, heeft een vrijheidsmarge ten opzichte van de gevolgen van de techniek. Dat betekent dat zich hier een nieuw midden aftekent tussen de eenzijdig doorgevoerde ‘technology push’ die zegt ‘gaat heen en vermenigvuldigt u niet’, en het traditionele moralisme waarin seksualiteit niet los mocht worden gezien van de voortplanting, om dit onwoord nog eens te gebruiken.

Net zomin als we het traditionele moralisme hoeven te volgen, hoeven we ons niet willoos neer te leggen bij de door de technologie gepushte segregatie van communicatie- en incarnatieaspecten van de seksualiteit. We kunnen een middenweg zoeken tussen meedrijven op de maatschappelijke stroom en halsstarrig alleen maar ‘nee dat mag niet’ roepen. Hoe dat nieuwe midden eruit ziet weet ik ook niet, dat is inherent aan het nieuwe. Wat ik wel weet is dat, onder de oppervlakte van de actuele discussies over seksualiteit anticonceptie, man/vrouwrelaties en alles wat daarmee te maken heeft, dit de harde kern van het probleem is.

Brancusi of Lehmbruck?  ‘Liefdespaar’

Alles met alles

De gedachtegang vindt een volgende ankerplaats bij een derde hoeksteen van het antroposofisch mens- en wereldbeeld: de samenhang van alles met alles. Uit dat geheel van alle denkbare samenhangen die de antroposofie in de werkelijkheid onderkent haal ik er hier drie naar voren.

Ten eerste die van de mens en de wereld, van de ruimtelijke en de niet-ruimtelijk wereld.
Ten tweede die van denken, voelen en willen als de drie oerfuncties van de mens, en
ten derde die van het verleden met de toekomst, van de tijdsdimensie met de tijdloze werkelijkheid.

Het bijzondere van seks is nu dat dit niet alleen de herinnering is aan de tijd van voor de zondeval, maar ook het grootste en tegelijk het kleinste zich-als-eenheid-voordoende ervaringsgebied waarop we de samenhang van alles met alles kunnen beleven.

We bekijken eerst de middelste van de drie hierboven genoemde samenhangen, die tussen denken, voelen en willen. In wat alledaagser bewoordingen is dat de samenhang tussen alles wat je met je hersens kunt beredeneren en vervolgens met de rest van je lijf kunt doen, tussen wat je met je lichamelijke zintuigen allemaal kunt ervaren en vervolgens met je verstand uit die ervaringen kunt selecteren als datgene wat bij je hoort en waarvoor je dus verantwoordelijkheid wilt en kunt nemen, enzovoort, tot in de uiterste consequentie: de samenhang van alles met alles wat zich aan je voordoet, ook de samenhang tussen het meest abstracte bewustzijn en het meest concrete handelen.

Deze drieledige samenhang is ook die van het het waardevrije en het waardebepaalde, waartussen zich het spanningsveld van de moraliteit aftekent. Seks is in dit perspectief bezien bijna per definitie het gebied waarop het morele zich als oerfenomeen aan ons voordoet. Het morele definieer ik hier als datgene wat zich krachtens zijn aard zó aan ons voordoet dat we ons automatisch in meerdere of mindere mate, dat hangt van onszelf af – ervan bewust zijn dat we door ons handelen een ander beïnvloeden.

In verband met seksualiteit is die beïnvloeding van tweeërlei aard. Ten eerste de verantwoordelijkheid jegens de ander met wie je de seksuele relatie aangaat (de communicatiefunctie) en ten tweede de verantwoordelijkheid jegens het kind waar de vrouw in die relatie zwanger van kan worden (de incarnatiefunctie).

De derde hierboven genoemde samenhang – die tussen tijdloze voorgeschiedenis en actualiteit – brengt de zondeval in de sfeer van de concrete beleving. De zondeval is een realiteit van een hogere orde dan het gewone bewustzijn kan omvatten en die toch tot de dagelijkse werkelijkheid van ieder mens behoort. Het paradijsverhaal herinnert ons tot in de meest concrete lichamelijkheid eraan dat seks ontstaan is uit een mythe, uit een tijdloos gebeuren dat ieder moment tussen verleden en toekomst plaats vindt in het middengebied van het hier en nu, het midden tussen jezelf worden en jezelf ontkennen, tussen de peilloze verrukking van het daadwerkelijk eenworden met de ander en de even peilloze eenzaamheid wanneer het niet lukt die ander te bereiken.

Ten slotte: de eerste van de drie genoemde samenhangen, die van de ruimte en de niet-ruimte.
In dat verband kun je ervaren hoe de communicatie- en de incarnatiefunctie wezenlijk met elkaar samenhangen. Als je met elkaar naar bed gaat krijg je de mogelijkheid om samen uit de ruimtelijke dimensie even een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld te komen. Dan moet je niet verbaasd zijn als je daar met z’n drieën uit terugkomt.

*Wat ik hier, op het eerste gezicht ietwat omslachtig, omschrijf ais ‘incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen’ is verwant met wat in het gangbare Nederlandse spraakgebruik ‘voortplanting’ wordt genoemd. Ik meen echter dat deze uitdrukking zo misleidend is, dat we een nieuwe term nodig hebben om het ondeugdeiijke karakter ervan aan te duiden.

Als nieuwe term voor zo’n ondeugdelijk woord stel ik hierbij de uitdrukking ‘onwoord’ voor. Een onwoord is een uitdrukking die zich in ons taalgebruik genesteld heeft maar daar alleen maar schade aanricht, net als onkruid of ongedierte, en derhalve verdelgd, althans tot verdwijnen gebracht moet worden.

Voortplanting is – wanneer de uitdrukking in verband met de menselijke sfeer wordt gebruikt – een onwoord omdat je alleen van planten en dieren kunt zeggen dat ze zich voortplanten, dat wil zeggen exemplaren van de soort voortbrengen die niet wezenlijk verschillen van hun ‘ouders’. Ook bij mensen lijken de nakomelingen op hun ouders, maar dat is slechts één aspect van het proces waardoor mensen bewerkstelligen dat er nieuwe mensen komen – het andere aspect, namelijk dat deze nieuwe mensen principieel verschillen van hun ouders doordat ze iets wezenlijks nieuws meebrengen uit het voorgeboortelijk bestaan (waaruit alleen de mens stamt), komt in dit onwoord ‘voortplanting’ niet tot uitdrukking. Juist in deze tijd hebben we dit wezenlijk nieuwe harder nodig dan ooit tevoren in de geschiedenis. Uitdrukkingen die het bewustzijn daarvan versluieren zijn daarom schadelijker dan ooit. Vandaar mijn bezwaren tegen het onwoord ‘voortplanting’.

.
Hugo Verbrugh, Jonas 21, **08-06-1984

.

deel 1   deel 2

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1594

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-2)

.

Zie voor een inleiding 

Homoseksualiteit – waarom maken wij er een probleem van

In het vorige nummer publiceerden we een stuk over seksualiteit waarin het mannelijke en het vrouwelijke werd belicht.

René de Winter schrijft nu over homoseksualiteit: het liefhebben van iemand van hetzelfde geslacht, wat zich niet alleen kenmerkt door de seksuele kant van de relatie, maar ook door het zich homoseksueel voelen van mensen.
‘We denken in onze tijd teveel in fragmenten. Zo denken we over homoseksualiteit als iets dat op zich zelf staat.’

De menselijke seksualiteit is door de eeuwen heen altijd een fel omstreden onderwerp geweest, met name in de westerse culturen. De kerk heeft in de geschiedenis van deze culturen een toonaangevende rol gespeeld onder andere ten aanzien van seksualiteit, waaruit waarden en normen zijn voortgevloeid, die niet meer bij deze tijd passen. In onze tijd treffen wij mensen aan die aan deze traditionele kerkelijke denkbeelden vasthouden, alsook de fervente aanhangers van de laissez-faire seksualiteit, die seksuele handelingen op elk moment, op iedere plaats en met iedereen propageren.

Tussen deze uitersten moet de moderne mens maar zien hoe hij uit het dilemma van deze keuze komt: doordat hij zichzelf in deze extremen niet kan herkennen, dreigt hij als het ware meer en meer in het ‘seksuele moeras’ terecht te komen. De taboesfeer rond het menselijke geslachtsleven maakt een onbevangen beschouwing vrijwel onmogelijk. De oude ballast van het onbespreekbare en de nieuwe afgrond van het er maar niet genoeg mee bezig kunnen zijn, spelen ons allen parten.

Was seksualiteit tot voor kort niet bespreekbaar, voor homoseksualiteit geldt dit thans* grotendeels nog. Het onderwerp wordt veelal benaderd vanuit onwetendheid, vooroordeel en afweer, ofschoon er (gelukkig) ook duidelijk kenteringen zijn waar te nemen. Het uitgangspunt is meestal de stelling dat het een ‘probleem’ is. Deze beschouwingswijze heeft er toe geleid dat de samenleving niet alleen ongenuanceerd oordeelt, maar tevens medemensen diep kwetst en in het nauw drijft. Wat heeft ertoe geleid dat homoseksualiteit met zo veel emotionaliteit en afwijzing wordt benaderd? Hebben de talloze wetenschappelijke onderzoekingen die zijn gedaan geleid tot een enigszins aanvaardbare verklaring van het fenomeen? In hoeverre kunnen veranderende rolpatronen ten aanzien van man en vrouw een rol spelen bij het acceptatieproces in de samenleving? En vooral: is homoseksualiteit nu eigenlijk wel zo problematisch als altijd wordt voorgesteld en wij geneigd zijn te denken?

Homoios

In de huidige opvatting wordt onder het begrip ‘homoseksuelen’ die mensen verstaan, die zich behalve geestelijk met name ook lichamelijk tot mensen van hetzelfde geslacht voelen aangetrokken. Wanneer wij zo een bepaalde groep definiëren, bestaat het grote gevaar dat wij de nadruk wel heel erg sterk leggen op slechts een kant van hun zo veelzijdige wezens, namelijk hun seksualiteit. Dat iemands homoseksuele kant naar voren wordt gehaald is overigens een typisch verschijnsel van deze tijd. Door de psychoanalyse van Freud en diens volgelingen werd aan al het menselijke denken en handelen het seksuele als bron vóórondersteld.

De woorden homofilie en homoseksualiteit worden in de dagelijkse spreektaal als synoniemen door elkaar gebruikt. Ook de Van Dale bijvoorbeeld definieert de woorden als synoniemen. Toch bestaat er wel degelijk een wezenlijk verschil. Homofilie wordt afgeleid van het Griekse ‘homoios’ dat wil zeggen gelijk (en dus niet van het Latijnse woord homo is mens!) en ‘philein’ dat wil zeggen beminnen, houden van. Het woord betekent dus letterlijk het houden van, het liefhebben van het gelijke. Het woord homoseksualiteit werd pas in 1869 door de Hongaarse arts Benkert geïntroduceerd. Het is filologisch een merkwaardig samenraapsel, samengesteld uit het Griekse ‘homoios’ en het Latijnse ‘sexus’, dat geslacht betekent. Letterlijk wordt met het woord dus bedoeld: hetzelfde geslacht, maar thans wordt er onder verstaan de geslachtelijke omgang van mensen van hetzelfde geslacht.

Uitgaande van bovenstaande betekenis van het woord homofilie kunnen wij stellen dat ieder mens zowel homo- als heterofiel (‘hetero’ betekent ander) is, omdat onze liefde zich meestal tot beide geslachten uitstrekt. Mannen hebben vaak boezemvrienden – veel vrouwen hun hartsvriendinnen, met wie zij zich zeer verbonden voelen en waarbij wij toch zeker van liefde kunnen spreken. Deze liefdesband behoeft beslist niet, maar kan wel erotisch en/of seksueel gekleurd zijn. In het laatste geval spreken wij dan van homoseksualiteit.

Helaas bestaat er nog geen woord waarin beide betekenissen van ‘beminnen, liefhebben’ en ‘geslachtelijke omgang’ wordt uitgedrukt, dus zowel de gevoelens als de daaruit voortvloeiende intermenselijke fysieke relaties. Zo’n woord zou eigenlijk gevonden moeten worden. Het ontbreken ervan doet vermoeden hoe abstract men het fenomeen altijd heeft benaderd. Het zou echter nog beter zijn als we helemaal geen speciaal woord meer nodig hadden om het verschijnsel aan te duiden, omdat we het als ‘gewoon’ beschouwen.

Het is interessant om te zien dat slechts een klein aantal samenlevingen afzonderlijke woorden heeft om mensen op grond van het geslacht waartoe zij zich erotisch aangetrokken voelen, aan te duiden. De Europese samenlevingen nemen hierin wat hun terminologie betreft een unieke plaats in. Niet-westerse culturen kennen óf helemaal geen woord ervoor, óf hebben het onder invloed van de westerse culturen uit westerse talen ‘geleend’.

Omdat in de geslachtelijke omgang de uiterlijke verschillen tussen menselijke relaties pas echt tot uitdrukking komen, geef ik in dit artikel de voorkeur aan gebruik van het woord ‘homoseksualiteit’ boven homofilie.

Vaak wordt de vraag gesteld of homoseksualiteit in onze tijd veel voorkomt. Het verzamelen van gegevens wordt zeer bemoeilijkt door het maatschappelijke taboe dat er nog steeds in hoge mate op rust. Het is een gegeven dat homoseksualiteit bij alle volkeren en dus alle rassen, in alle sociale klassen, in alle landen ter wereld, zowel bij mannen als bij vrouwen voorkomt. Ook zouden er geen aanwijsbare verschillen zijn tussen het vóórkomen in steden en het platteland. Dat het niet in alle omstandigheden even duidelijk wordt, ligt aan de mogelijkheid die door de samenleving wordt geboden tot uiting en ontplooiing. In de westerse maatschappij wordt het aantal homoseksuele mensen geschat op 5-10 procent. De arts H. Musaph, bekend publicist op het gebied van seksualiteit, meent dat het verantwoord is om aan te nemen dat 7 procent van de volwassen bevolking in Nederland zich tot de homoseksuelen rekent. Een voorzichtige schatting voor Nederland zou dus betekenen dat er circa 1 miljoen volwassen homoseksuele mensen zijn. Daarbij zijn niet meegerekend enkele tienduizenden (overwegend homoseksuele) mensen, die ondanks hun geaardheid toch gehuwd zijn. Soms wordt beweerd dat homoseksualiteit nu meer voorkomt dan vroeger, maar voor deze opvatting bestaat geen enkel overtuigend bewijs. Maatschappelijke en ethisch-religieuze vooroordelen hebben in het verleden (en doen dit in vele landen nog) stellig een grote, zo niet doorslaggevende, rol gespeeld bij het op de achtergrond blijven van homoseksualiteit. Deze vooroordelen vertekenen het beeld van het vóórkomen. Ook historisch onderzoek bevestigt dit vermoeden.

Seksualiteit

Wat zijn die geheimzinnige krachten die achter de menselijke seksualiteit staan? Zij behoren volgens de antroposofie tot de hoogste krachten, die door de geestelijke wereld aan de mens werden gegeven. Oorspronkelijk waren deze krachten, die werden geleid door een van de hoogste hemelse hiërarchiën (de Geesten van de Vorm) bedoeld voor de voortplanting. Door de zondeval (hetgeen eigenlijk af ‘zonde’ringsval betekent, namelijk afzondering van de geestelijke wereld) begon de mens zich meer en meer op het stoffelijke te richten en op een bepaald moment in zijn ontwikkeling verloor hij alle verbindingen met zijn oorsprong. Hierdoor kon de mens zijn vrijheid verkrijgen en zo tot zelfstandig wezen worden. Met dit proces kwamen ook de seksuele krachten in het gebied van de vrijheid terecht, waarover de mens naar eigen inzicht kon gaan beslissen. In onze tijd lijkt alles dat met het seksuele samenhangt, ontdaan te zijn van datgene wat het eens zo heilig maakte. Toch behoort deze gang van zaken tot het ontwikkelingsproces van de mensheid.

Bij de dieren bestaat er een nauw verband tussen seksualiteit en voortplanting. Sommige mannelijke en vrouwelijke dieren zijn qua uiterlijk nauwelijks te onderscheiden, op hun geslachtsorganen na, die soms ongeproportioneerde vormen kunnen vertonen. Bij de lagere zoogdieren speelt het seksuele leven zich af in de bronsttijd. Buiten die periode gedragen zij zich a-seksueel. De hogere zoogdieren vertonen ook seksuele omgang buiten deze periode en daar treffen wij reeds een loskoppeling aan tussen voortplanting en seksualiteit. Het begeerteleven, dat uit het astrale stamt, is echter aan de diersoort als groep verbonden en niet individueel gekleurd. Bij de mens uiteindelijk is de mogelijkheid tot seksuele activiteit niet uitsluitend biologisch, maar ook psychologisch bepaald en bovendien gebonden aan de sociaal-ethische normen van de samenleving op een bepaald moment.

Behalve het natuuraspect, dat aan de seksualiteit de mogelijkheid tot voortplanting verleent, trad bij de mens in de loop van de evolutie meer en meer het cultuuraspect naar voren (wij spreken niet voor niets van liefdesspel en liefdeskunst!). In dit laatstgenoemde aspect ligt de mogelijkheid besloten om tot mens-mens ontmoeting te komen, die in de vorm van relaties (huwelijk bijvoorbeeld) omhulling kan krijgen. Echter niet alleen de ontmoeting maar ook het omgekeerde is mogelijk, namelijk de mens-mens verwijdering. In onze tijd staan de relaties onder grote druk, zowel van binnenuit als van buitenaf. Het seksuele speelt bij de verwijdering geen geringe rol. Dit komt ondermeer omdat wij ons niet of nauwelijks bewust zijn met welke geestelijke krachten wij in de seksualiteit omgaan. Deze krachten dreigen daardoor een doel op zich te worden, in plaats dat zij zijn ingebed in het leven van de mens.

Dit komt omdat onze tijd zich kenmerkt door grote eenzijdige specialisatie in denken en doen. Grotere verbanden kunnen wij daardoor niet zien, we denken als het ware te veel in fragmenten. Zo denken wij over seksualiteit als iets dat op zich zelf staat. Het gevaar van deze wijze van denken is, dat wij steeds meer in onze eenzijdigheden worden gevangen en gemakshalve teruggrijpen naar datgene wat door de maatschappij als algemeen aanvaarde gedachte wordt voorgehouden. Hoe meer wij vanuit oude ethische en morele normen over seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder blijven denken, des te onvruchtbaarder wordt het om een nieuwe houding ten opzichte daarvan te vinden. Opvattingen uit het verleden, die ooit in en voor een bepaalde tijd geldigheid bezaten, werken – onvertaald in onze tijd – niet versterkend, maar juist ziekmakend op de maatschappij.

De menselijke seksualiteit houdt nog heel wat raadsels voor ons verborgen. Behalve het aspect van de voortplanting speelt zij ook een rol in het sociale, namelijk bij de vorming van menselijke relaties. Seksualiteit is echter geen statisch gebeuren dat in alle tijden hetzelfde was, is of zal zijn. In de voortgaande evolutie zal haar functie, indien aan bepaalde voorwaarden zal zijn voldaan, wat de voortplanting betreft, in zijn huidige vorm uiteindelijk verdwijnen. Dan zal al het geslachtelijke overwonnen zijn. Op aarde manifesteert het zich thans in de lichamelijke polariteit van man en vrouw. In het geestelijke kunnen wij echter niet van geslacht spreken. Rudolf Steiner wees op het belangrijke feit dat man en vrouw slechts een kleed zijn waarachter zich de geest verbergt.

Maar het lichaam is niet slechts kleed, het is ook het instrument van de ziel. In dat licht is het eigenlijk niet zo belangrijk of het geheimzinnige seksuele proces zich afspeelt tussen een man en een vrouw, of een vrouw en een vrouw, of een man en een man. Het gaat immers om datgene wat de ziel als ervaringen opneemt in de uitwisseling met een andere ziel. In welk kleed die ander is gehuld, speelt geen rol. Uiteindelijk gaat het om het morele gehalte van de ontmoeting. Dat daar in de praktijk nogal wat variaties mogelijk zijn, is niet alleen een probleem van homoseksualiteit, maar evenzo van heteroseksualiteit.

Wie de menselijke seksualiteit onbevangen benadert, zal ook een vruchtbare houding kunnen ontwikkelen om homoseksualiteit te gaan begrijpen. Maar als de menselijke seksualiteit met voortplanting gelijk wordt gesteld, is elke discussie over andere (mogelijke) betekenis in ons leven zinloos. De enige juiste houding is het uitgaan van de fenomenen: wat doet zich aan mij voor? En het is nu eenmaal een feit dat homoseksualiteit bestaat.

Negatieve opvattingen

Alhoewel er belangrijke kenteringen optreden bij de beoordeling van homoseksualiteit reageert de samenleving over het algemeen nogal afwijzend, hetgeen een gevolg is van onwetendheid, onbekendheid en vooroordelen. In de meeste westerse landen worden homoseksuelen niet meer vervolgd, maar blijft een volledige acceptatie en integratie nog een grote wensdroom.

Hoe komt het toch dat zulke negatieve opvattingen zijn ontstaan en zich zo hardnekkig kunnen handhaven? Voor zover in de geschiedenis kan worden achterhaald is homoseksualiteit verijwel uitsluitend als afkeurenswaardig verschijnsel beschouwd in culturen, die hun wortels hebben in het Oude Testament: in het jodendom, het christendom en de islam. In andere culturen was of is het nooit een probleem geweest en is het dat meestal pas geworden nadat deze in aanraking zijn gekomen met een van de genoemde beschavingen.

Bij sommige volkeren had homoseksualiteit een bepaalde functie, zoals bijvoorbeeld de pedagogische eros bij de Grieken, de berdaches bij de Siberische volkeren, en werd positief beoordeeld. In China was homoseksualiteit bekend onder de benaming tuan-hsiu, de liefde van de afgesneden mouw. Deze naam herinnert aan een van de keizers van de Han-dynastie, die liever de mouw van zijn mantel afsneed dan zijn mooie vriendje, die in zijn armen in slaap was gevallen, wakker te maken, toen hij voor een op handen zijnde oorlog werd weggeroepen.

Bij andere volkeren behoorde homoseksualiteit tot de cultuur, zonder dat daaraan een bijzondere betekenis werd toegekend. Het is echter niet juist het vóórkomen van homoseksualiteit in onze tijd te vergelijken met het bestaan ervan in oude culturen, waar het een geheel andere sociale en culturele functie had dan thans bij ons het geval is: relaties tussen mensen nu zijn in het stadium van de ik-ik ontmoeting gekomen, iets dat vóór onze tijd nog niet op deze manier mogelijk was. In het Europa tot circa 1700-1800 werd homoseksualiteit uitsluitend als ethisch-religieus probleem gezien en als zondig bestempeld. Onder invloed van het rationalisme en de Verlichting verwereldlijkte het recht steeds meer en werden de rechtsgebruiken gehumaniseerd. Wat de beoordeling van homoseksualiteit betreft, kwam er een nieuw element bij, namelijk het juridische aspect. In 1810 schafte Napoleon, geïnspireerd door de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie, de strafbaarheid van homoseksualiteit af. Dit had tot gevolg dat in alle landen die onder Napoleontische invloed stonden de wetboeken werden aangepast (in Nederland in 1811). Tot dan toe was homoseksualiteit alleen als uiterlijk verschijnsel ter sprake geweest. Ook nu nog zijn wij veelal gewend dit zo te bekijken, geheel in overeenstemming met onze materialistisch gekleurde beschouwing door de eeuwen heen: alleen het handelen kwam ter sprake. Het andere aspect, het voelen, dat tot uitdrukking komt in het feit dat mensen zich homoseksueel voelen, is tot voor kort nauwelijks aan bod gekomen. Een groot aantal vooroordelen heeft altijd het beeld bepaald en vertekend. Daardoor bleef het verschijnsel in de emotionele en sensationele hoek. Helaas is datgene wat ‘het volk weet’ zeer hardnekkig.

Zo weet de volksmond dat homoseksualiteit alleen bij mannen voorkomt, dat homoseksuele mannen verwijfd zijn en homoseksuele vrouwen stoer en dat je het zó kunt zien, dat homoseksuelen, als ze de kans krijgen, gevaarlijk zijn voor kinderen (de zogenaamde ‘verleidingstheorie’), dat homoseksualiteit een zelfgekozen gedrag is (‘ze kunnen wel anders, maar ze willen niet’), dat homoseksuelen voornamelijk in bepaalde groepen (bijvoorbeeld kunstenaars) voorkomt, dat homoseksuelen een veel grotere seksuele bevredigingsbehoefte hebben en dus lustzoekers zijn en ga zo maar door.

Het zal geen weldenkend mens verbazen dat voor geen enkel vooroordeel enig steekhoudend wetenschappelijk bewijs te vinden is. Wat eventueel een kenmerk voor een individu zou kunnen zijn, geldt nog niet per definitie voor alle homoseksuele mensen. Bovendien behoeft een kenmerk dat als ‘homoseksueel’ te boek staat, nog niet per se alleen bij homoseksuelen voor te komen!

In plaats van de vragen ‘hoe ontstaat het?’ en ‘hoe kom je er vanaf?’ komt het standpunt ‘het is een variant van de menselijke seksualiteit’ en de vraag ‘hoe ga je er mee om?’ naar voren. Dit is van immens belang voor de ontwikkeling van zowel de samenleving als de individuele, zich homoseksueel voelende, mens.

Kern en perifeer

In het algemeen zijn de moderne disciplines het erover eens dat er ruwweg twee ‘soorten’ homoseksualiteit zijn te onderscheiden, namelijk de kernhomoseksualiteit en de perifere homoseksualiteit. Of deze begrippen juist zijn, valt nog te bezien. Ik zeg heel voorzichtig: ruwweg, want het is nog maar de vraag of wij over ‘soorten’ homoseksualiteit kunnen spreken. Alsof de (homo)seksuele component in een mens zich in categorieën laat indelen. Overigens is deze onderverdeling niet nieuw. Reeds Aristoteles verklaarde in zijn werk ‘Ethica Nicomachea’ (boek VII) dat de liefde tussen mannen (over vrouwen wordt bijna nooit gesproken!) óf aangeboren (door de natuur veroorzaakt) óf aangeleerd gedrag is. In het eerste geval ligt het volgens hem buiten de grenzen van het onzedelijke. Onder kernhomoseksualiteit verstaat men de seksualiteit van een mens, die naar geaardheid en instelling vanuit zijn gehele wezen vrijwel uitsluitend of overwegend op mensen van het eigen geslacht is georiënteerd. Onder perifere homoseksualiteit verstaat men de seksualiteit van een mens, die naar geaardheid en instelling vrijwel uitsluitend of overwegend op het andere geslacht is gericht, maar op bepaalde momenten in zijn leven tot intiem-menselijke (tot in het fysieke) contacten komt met mensen van het eigen geslacht. Hiertoe rekent de psychologie de vooronderstelde homo-erotische fase in de puberteit, maar ook uitsluitend isolatie van gelijkgeslachtelijke mensen, zoals die voorkomt in kazernes, gevangenissen enzovoort. Naarmate de jeugd en de rest van het leven voortschrijdt, gaat deze vorm van homoseksualiteit over in heteroseksualiteit of biseksualiteit.

Het is dus van groot belang voor mensen, die zich homoseksueel voelen om er voor zichzelf achter te komen welke rol homoseksualiteit in hun biografie speelt, zodat zij zich daarop vervolgens kunnen instellen. Door verschillende psychiaters zijn therapieën uitgedacht om homoseksualiteit in heteroseksualiteit te veranderen. De successen zijn echter zo uiterst gering, dat men aan de bruikbaarheid kan twijfelen. Daar waar de therapie wel succesvol was, kan men zich afvragen of het daar wel om kernhomoseksualiteit ging-

Indien homoseksualiteit het wezen van een mens geheel doortrekt, dan mogen wij aannemen dat deze reeds voor de geboorte een aanzet vindt. In dit leven voor de geboorte begint de mens het componeren van zijn levenssymfonie, waarin homoseksualiteit een motief vormt. Na de geboorte wordt de compositie verder vervolmaakt en tot klinken gebracht. Hoe dat gebeurt, hangt van zo veel factoren af dat daarover geen algemene uitspraken zijn te doen.

Daarom is het onzin om over homoseksualiteit in algemene zin te spreken. Het is zó individueel en in ieder mensenleven, dat met deze grondtoon te maken krijgt, zo anders gekleurd, zo individueel gestemd, dat het slechts begrepen kan worden in de samenhang met de verschillende levens van een individu.

Picasso ‘Twee balletdansers’

Picasso ‘Twee vrouwen’

Ontdekking

Het bestaan van kernhomoseksualiteit, waaraan soms wordt getwijfeld, wordt vanuit de praktijk van de hulpverlening voortdurend bevestigd. In gesprekken met homoseksuelen blijkt dat velen zich al vanaf hun prilste jeugd van hun geaardheid bewust zijn. Al naar gelang homoseksualiteit dieper in de geledingen van het mensenwezen wordt beleefd, is de zelfontdekking op steeds jongere leeftijd mogelijk. Voor sommigen ligt de eerste bewustwording al omstreeks het vijfde jaar; voor anderen rond het negende à tiende jaar en voor weer anderen rond het zestiende à zeventiende jaar.

In veel gesprekken met homoseksuele mensen blijkt deze fasering, die overigens natuurlijk ook weer niet al te strikt moet worden gezien, wel ongeveer te kloppen, ook al weet de jonge mens niet altijd met name ‘wat’ er aan de hand is. ‘Ik vond het altijd heel spannend met een jongen uit de klas mee naar huis te gaan. Die had een drie jaar oudere broer, die mij geweldig fascineerde. Ik vond het fijn om in zijn omgeving te zijn en wenste mij hem als mijn eigen broer’, vertelde een jongen.

‘Ik had altijd veel vriendinnetjes op de lagere school, maar een meisje nam een bijzondere plaats voor mij in. Ik was altijd graag bij haar in de buurt en verzon soms listen om bij haar te kunnen zijn. Bij haar achterop de fiets was een feest. Ik hield me dan stevig aan haar vast’, onthulde een lesbische vrouw. ‘Op school werd er vaak gepraat over meiden en zo en daar voelde ik me altijd een beetje buiten staan. Ik kon er nooit enthousiast over worden. Jongens vond ik veel leuker en spannender. Pas later leerde ik dat mijn gevoel afwijkend was. Het woord homofiel kende ik wel, maar dacht altijd: dat is vies, dat ben ik niet.’

‘Ik werd altijd verliefd op leraressen op school. Dat vond ik eigenlijk heel raar, want ik wist niet wat dat gekke gevoel was. Ik vond het fijn, maar ook heel eng. Zo langzamerhand begon ik wat bij mezelf te vermoeden, maar dacht dan weer gauw ‘het zal wel voorbijgaan als ik later een jongen tegenkom en trouw’. Maar ja, dat gebeurde wel, maar mijn gevoel ging niet weg, integendeel, ik verlangde in mijn huwelijk steeds meer naar vrouwen.’

Het zijn levensmomenten waarop het ik zich zelf beleeft. Door zich af te zetten tegen de omgeving wordt het mogelijk zich als ‘anders dan de anderen’ te ervaren. Tot ongeveer de puberteit zijn deze gevoelens en vermoedens nauwelijks seksueel gekleurd. Pas in die fase ontwaakt de erotiek in de jonge mens. Heel vaak weet de jonge homoseksueel al heel zeker dat zijn seksuele gevoelens afwijken van die van veel leeftijdsgenoten. Omdat deze hun gevoelens naar buiten brengen, kan de jongere zich veelal niet herkennen en voelt hij zich buitengesloten. Sommigen vinden hun weg doordat zij op positieve wijze door hun omgeving worden geholpen.

Wanneer men in de pedagogie een open oog voor deze ik-belevingsmomenten zou kunnen ontwikkelen, zouden later homoseksueel blijkende kinderen veel eerder uit hun isolement kunnen worden verlost, waar zij nu, door gebrek aan identificatie in verzeild raken. Omdat wij bij homoseksualiteit nog te veel denken aan seksuele handelingen zullen wij bij kinderen naar dergelijke uitingen op zoek gaan. Hoe het homoseksuele kind zich voelt, zijn wij altijd uit de weg gegaan. Bij het kind is het echter zo dat het seksuele nog niet of nog niet zo sterk aanwezig is, zodat wij tevergeefs zoeken. Zolang wij onze benadering niet veranderen, kunnen wij dit element in de biografie niet waarnemen. Mede door de emotionaliteit en sensationaliteit, die rondom het fenomeen bestaan in de samenleving, zullen maar weinig opvoeders daadwerkelijk kunnen helpen.

Zo komt het homoseksuele kind vaak na een lange weg van eenzaamheid pas in de volwassenheid tot zelfacceptatie. In de hulpverlening blijkt dat velen pas rond of na het achtentwintigste levensjaar (omdat dan het ik zich vol heeft kunnen ontplooien en zelfstandig is geworden) tot het volle bewustzijn komen homoseksueel te zijn en zichzelf beginnen te accepteren. De maatschappij legt wel een zeer zware druk op de gezonde ontwikkeling van de homoseksuele mens. Anderzijds heeft deze druk ook positieve kanten: ondanks alle afwijzing en onbegrip voelt de homoseksuele mens de noodzaak zijn eigen weg te volgen, tegen alle stormen in.

Mannelijk/vrouwelijk

Vele van de sociale problemen rond homoseksualiteit hangen samen met het niet of niet goed begrijpen van de betekenis van het mannelijke en het vrouwelijke. Van jongs af aan worden wij voorbereid op een leven als man of vrouw met alle maatschappelijke consequenties van dien. Elke man en elke vrouw zal met enige zelfkennis zonder veel moeite elementen van het andere geslacht in zichzelf herkennen. Uiteraard is het een verschil of wij in dit leven staan als man of als vrouw; alleen de verschillen worden in extremen beschreven en daardoor nog al eens overdreven. In de praktijk zijn man en vrouw nu ook weer geen wezens van twee verschillende planeten!

Met de veranderende opvattingen over wat mannelijk en vrouwelijk is, komt er in de overwegend masculine samenleving meer en meer plaats voor de mens in zijn totaliteit.

Zo komt er plaats voor hen die niet zo goed in het benauwde stereotiepe beeld van die samenleving passen, waaronder homoseksuelen. Het is begrijpelijk waarom het feminisme en de radicale homobeweging in één adem worden genoemd als het gaat om de emancipatiestrijd. Toch zijn zij wezenlijk verschillend, al strijden zij beide voor het recht ‘jezelf te mogen zijn’. Steeds meer wordt duidelijk dat het leven niet draait om het mannelijke of het vrouwelijke, maar om het menselijke.

In de antroposofie vinden wij op verschillende plaatsen deze ontwikkeling aangeduid en hoe de geslachtelijke relaties zich uiteindelijk zullen ontwikkelen: er zal een tijd komen dat de mens niet meer aan het materiële gebonden zal zijn en dat het geslachtelijke veredeld zal zijn (en niet verloochend!). Het elkaar verachten om eikaars geslacht (mannen tegen vrouwen, mannen tegen mannen, vrouwen tegen vrouwen, vrouwen tegen mannen) of de uitdrukking van het geslachtelijk beleven zal niet meer voorkomen. Is dat alleen maar een toekomstbeeld? Of kunnen wij daar al wat aan doen? Door de verschijnselen om ons heen met bewustzijn en openheid tegemoet te treden, kunnen wij nu al een heel eind komen.

Heinrich Frieling schrijft in zijn boek Das Mysterium der Liebe: ‘Liefde tussen mensen van hetzelfde geslacht zoekt in de grond van de zaak nooit het eigen geslacht in de zin van zonder onderscheid, maar toont duidelijk het streven naar het andere, ook als dit andere qua kenmerken tot hetzelfde geslacht behoort. Juist hier wordt het geheel andere nog duidelijker als het oereigene ervaren, dat men in zichzelf draagt. Homoseksualiteit behoort tot het normale, niet tot het ziektebeeld, als men de norm niet getalsmatig bepaalt. Homoseksualiteit – door de samenleving lange tijd verguisd en als misdaad afgedaan -levert het bewijs voor de predominantie van de liefde boven het ‘doel’ nageslacht voort te brengen’.

.

René de Winter, Jonas 20, 25-05-1984

.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1593

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-1)

.

SEKSUALITEIT (1)

Dat er op het gebied van de seksualiteit zich grote veranderingen hebben voltrokken wat o.a. openheid betreft, moge duidelijk zijn.
In de jaren ’60 – ’70 van de vorige eeuw – er was op zeker ogenblik sprake van een ‘seksuele revolutie’ stond, wat het onderwijs betreft’ de ‘voorlichting’ wel op het programma.

De in die tijd bekende Prof. van den Berg was in zijn ‘Metabletica‘ tot de conclusie gekomen, dat voorlichting nooit de essentie kan overbrengen van wat seksualiteit tussen mensen kan betekenen.
Vanuit Zweden is de voorlichtingsgolf gekomen, waarbij het vooral ging om de ‘technische’ details.
Voor veel scholen en individuele leerkrachten bleef het een moeilijk onderwerp. De discussie spitste zich soms toe op: waar gebeurt die voorlichting, thuis of op school?
Veel ouders hadden graag dat het op school gebeurde en veel scholen vonden dat het typisch iets was voor de intieme sfeer van het gezin.

En dan was er nog het vraagstuk van de leeftijd.

In ieder geval: naast het noemen van bepaalde bijzonderheden – ik kon bijv. aan een klas veel kwijt toen ik over de geboorte van onze dochter vertelde – was er niet een bepaald ‘lesstofpakket’, zoals die er nu veel meer zijn.

Dat was weer anders in de bovenbouw. De leerlingen waren ouder geworden, konden meer begrijpen en zich inleven.

In Jonas, half de jaren 1980 verschenen er drie artikelen die de seksualiteit van verschillende kanten benaderden.

Die bevatten opvattingen die nog altijd bruikbaar kunnen zijn in situaties waarin ze in de klas aan de orde zouden kunnen komen.

Het tedere midden 

Zoeken naar diepere zingeving van seksualiteit

De seksuele revolutie lijkt voorbij. Oude voorstellingen hebben hun dwingende kracht verloren. Taboes zijn doorbroken. In principe zijn alle vormen van
seksueel gedrag door onze samenleving geaccepteerd.

Heeft de revolutie er echter toe geleid dat seksualiteit een zinvollere betekenis in het leven heeft gekregen? Er is voldoende reden daar ernstig aan te twijfelen.

Met het omwoelen van het oude is het nieuwe niet vanzelf gegeven. Aart van der Stel poogt een omgeploegd terrein opnieuw te ontginnen.

In de manier waarop wij met seksualiteit omgaan tekent zich een van de paradoxale kanten van ons moderne menselijke bestaan af. Hoewel, na de verstikkende vrijheid-blijheid seksuele revolutie onder aanvoering van de NVSH, de seksualiteit ‘bevrijd’ en – met name na de ontwikkeling van de anticonceptiepil – voor iedereen toegankelijk is, kun je nog steeds niet zeggen dat de mens zich in het relationele soepeler gedraagt. Seks lijkt geen probleem meer in onze samenleving, alles kan en alles mag, maar het omgekeerde is waar: heel veel mensen weten niet meer hoe zij hun mens- en partnerzijn staande moeten houden tegenover die overdonderende vrijheid en lijden seksueel schipbreuk.

Het onderhouden van een relatie is zo’n ingewikkelde aangelegenheid geworden dat de inmenging van een of andere therapeut bijna onontbeerlijk is geworden. Dat heeft natuurlijk met allerlei sociale ontwikkelingen te maken waar de seksuele revolutie maar een exponent van is.

Zij het op een ander niveau (niet meer het technisch-biologische, want daar weten we alles van): seks is voor de moderne mens een probleem gebleven. Met name de rol die seks speelt in het contact tussen mensen en de inbreng die het mogelijkerwijs zou kunnen hebben in verdieping van die relatie is onduidelijk geworden. Gaat het nu om het ter wereld brengen van nieuwe mensen of om een driftmatige vorm van vrijetijdsbesteding?

Er is zo rond de seksualiteit een merkwaardig vacuüm ontstaan, want de oude opvattingen (voortplanting, binnen het huwelijk, alleen heteroseksuele contacten zijn toegestaan) zijn doeltreffend om zeep geholpen, maar de echt nieuwe laten nog op zich wachten. De pil en andere moderne anticonceptiva hebben seksualiteit en voortplanting radicaal losgekoppeld, trouwen doet haast geen mens meer, en zeker niet om seksualiteit mogelijk te maken, en de opvattingen omtrent homoseksualiteit zijn drastisch verruimd. Natuurlijk voelt iedereen wel aan dat veel meer dan vroeger het relationele-sociale aspect van de seksualiteit op de voorgrond komt te staan.

Daarnaast blijft het een lichamelijke aangelegenheid.
Hoe kun je seksualiteit als lichamelijk gegeven (en het gevaar op dit moment is dat dit aspect als de enige bijdrage aan ons menselijk bestaan gezien wordt) nu binnen loodsen in het relationele gebied; dat bij uitstek een psychisch-geestelijke aangelegenheid is. Dat is een vraag waarmee je, meer dan in het huidige materialistische natuurwetenschappelijke denken, juist in de antroposofie mee uit de voeten kunt.Tenminste, je kunt vermoeden dat een andersoortig mensbeeld zoals dat in de antroposofie gehanteerd wordt openingen biedt om dit probleem te benaderen. Dat andersoortige uit zich hierin dat het antroposofische mensbeeld een totaalbeeld geeft van de mens in al zijn facetten; allerlei samenhangen aangeeft waar je ze niet direct ziet en vooral het doen en laten van een mens betekenis en zin aangeeft in de biografie, de levensloop. Op seks toegespitst betekent dat aangegeven zou moeten kunnen worden in welke relatie het lichamelijke aspect staat, tot het feit dat seks zich tussen mensen
afspeelt. Waarom is een mens seksueel, waar komt dat vandaan en wat doe je eigenlijk als je met elkaar naar bed gaat? Wat heeft mijn eigen lichamelijke bevrediging te maken met degene die dat mogelijk maakt? Wat voegt mijn partnerzijn toe aan mijn belevenissen? Waarom is seks alleen minder leuk dan met iemand samen?

Bij het beantwoorden van dit soort vragen heb je behoefte aan nieuwe ideeën, aan een plaatsbepaling van de seksualiteit in het menselijke bestaan op grond van een zingeving die dieper gaat dan het feit dat seks prettig of nodig is om het menselijke ras voort te laten bestaan. In dit artikel wil ik schetsen hoe vanuit het antroposofische mensbeeld tot zulke nieuwe ideeën gekomen kan worden.

Het hele verschijnsel seksualiteit kan niet los gezien worden van het feit dat wij als mensen geslachtelijke wezens zijn. Je bent een man of een vrouw en zoniet dan is er sprake van ernstige pathologie! Seks moet zich dus afspelen binnen de polariteit van het mannelijke en het vrouwelijke. De hier gemaakte overgang van man naar mannelijk en van vrouw naar vrouwelijk is niet per ongeluk. Ik hoop aan te tonen dat ieder mens een mannelijk en een vrouwelijk element in zichzelf verenigt. Bij een vrouw staat het vrouwelijke element op de voorgrond en wordt het mannelijke teruggehouden; bij een man is dat andersom. Het lijkt zinvol om in dit verhaal verder te spreken van het mannelijke en het vrouwelijke en dat losgekoppeld te zien van de persoon, voorlopig tenminste.

Wanneer we iets zinvols over seksualiteit willen zeggen dan moeten we dus eerst een scherp beeld hebben van wat je dan in het menselijk functioneren mannelijk en vrouwelijk noemt. Je kunt trouwens niet zomaar over het menselijk functioneren spreken: een mens functioneert op verschillende niveaus die elk hun eigen wetmatigheden hebben.

Een voor dit verhaal bruikbare indeling, ontleend aan de antroposofie, is die van lichaam, ziel en geest. Daarbij is het lichaam alles wat we in de fysieke wereld aan de mens kunnen waarnemen, de geest de impuls om dit aardeleven aan te gaan en de ziel dat wat ontstaat als biografie wanneer die impuls in het stoffelijke gestalte krijgt. Een mens functioneert dus op lichaams-, zielen- en geestelijk niveau. Laten we elk niveau eens apart bekijken; hopelijk ontstaat zo een duidelijk beeld over wat nu precies mannelijk of vrouwelijk genoemd moet worden.

Adam-Eva spanningsveld

Elke daad wordt voorafgegaan door een plan, een al dan niet lumineus idee. Zo ligt ook aan elk mensenleven een plan ten grondslag. Voordat de mens het aardse bestaan betreedt is hij als idee, als spiritueel wezen in de voorstelling en verwachting van de ouders aanwezig. Er is alleen nog maar sprake van een toekomstige mens zonder meer, elke geslachtsaanduiding is daarbij speculatief, wishful thinking. De toestand waarin een mens dan verkeert kun je vergelijken met de paradijselijke situatie waarin de mens nog heel intens met God verbonden is en de aarde buiten het paradijs nog niet kent.

Er is in het paradijsverhaal sprake van één mens, Adam (wat ‘mens’ betekent) die mannelijk-vrouwelijk geschapen is. Er zijn nog geen geslachten. Wanneer Eva geschapen wordt, geboren uit het midden, namelijk de rib van Adam, komt daar verandering in. De eenheid ‘mens’ ontwikkelt zich tot een spanningsveld Adam-Eva en daarmee potentieel tot de polariteit man(nelijk)-vrouw(elijk) die voor de mens betekenis krijgt als beide echtelieden van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten hebben. Het belangrijkste effect van die verboden vrucht is namelijk dat ze zich van hun naaktheid, dat wil zeggen van hun lichaam, bewust worden en dit bedekken. Dat heeft niets te maken met preutsheid of plotseling invallende koude in het paradijs: je bedekken is je afscheiden van de buitenwereld. Je komt tot jezelf binnen die ‘huid’ die je om jezelf aanbrengt. Wanneer het zover is dat Adam en Eva zich van hun lichaam en de daarmee verbonden geslachtelijkheid bewust geworden zijn, hebben zij de langste tijd doorgebracht in het paradijs. Zij betreden nu de aarde, elk met een eigen taak. Adam moet ‘in het zweet zijns aanschijns’ de aarde bewerken en daar moeizaam voedsel aan ontworstelen. De aarde is het gebied waar Adam, de man, mee verbonden wordt. Uit die aarde moet iets levends tevoorschijn gebracht worden. De aarde moet als het ware door de man op een hoger plan gebracht worden. Hierin zou je een ‘opwaartse’ richting kunnen zien: het startpunt voor Adam, de mannelijke mens, is de aarde, strevend naar de hemel, zoals een plant het licht tegemoet groeit.

Edvard Munch ‘Ontmoeting in het wereldruim’

Tot Eva, de vrouw of het vrouwelijke, wordt gezegd, dat zij ‘met smart haar kinderen zal baren, dat haar begeerte zal uitgaan naar haar man (de aarde!), die over haar zal heersen…’ Eva heeft het in zich als mogelijkheid om nieuwe mensen in het aardse te laten nederdalen. (Laat niemand hieruit afleiden dat de vrouw dus veroordeeld is om haar leven alleen in de keuken en in de kinderkamer door te brengen.) Door Eva wordt iets geestelijks – de impuls van hierboven – aards. Het vrouwelijke is ‘neerwaarts’ gericht: vanuit het kosmische, niet-aardse, naar de stoffelijke wereld toe.

Daar waar de mens geestelijk wezen, paradijselijk mens is, is hij (!) in principe ongeslachtelijk. Het gebied van het culturele, het wetenschappelijke en het religieuze is evenzo ongeslachtelijk, of zou dat moeten zijn. Feministische kunst heeft mijns inziens dan ook alleen maar betekenis en zin voor zover zij laat zien dat op een oneigenlijke manier één van beide seksen, hier de mannelijke, zich meester heeft gemaakt van het geestelijke, culturele leven. Feministische kunst op zichzelf is onzin. Maar in het geestelijke ontstaat vanuit het ongeslachtelijke het geslachtelijke. Het is als aanleg, als blikrichting aanwezig.

Embryonale fase

Zoals boven al even werd aangeduid ligt de situatie op lichamelijk niveau totaal anders.
Als lichaam, en laten we voor de duidelijkheid voorlopig over het volwassen lichaam spreken, ben je direct als man of vrouw herkenbaar. De man is zwaarder gebouwd dan de vrouw, hoekiger, aardser zou je kunnen zeggen. De vrouw is ronder, heeft minder zware botten, is ‘wolkiger’, onaardser, kosmischer. Om het overdreven duidelijk te stellen: het beeld van het mannelijk lichaam is het skelet, het meest aardse deel van ons lichaam, het beeld van de vrouw is dat van zo’n mollig engeltje dat, met een trompetje aan de mond, zoveel frontpagina’s van muziekboeken etcetera siert. Het lichaam van de man tendeert naar het uitgevormde kristal, de vrouw houdt zich daarin terug, en blijft plastischer, vloeibaarder bijna.
Dat het vrouwelijke op lichamelijk niveau ook als kosmisch gezien kan worden, wordt nog eens duidelijk aan de manier waarop het lichaam in de embryonale fase zijn geslachtelijk uiterlijk krijgt.

In eerste instantie is er in het embryo sprake van bepaalde kiemcellen die nog niet als mannelijk of vrouwelijk te herkennen zijn. Zij worden gevonden in de nabijheid van de nier-in-wording, de oernier. Die kiemcellen ‘zakken af’ in het embryo, wanneer de nier naar beneden uitgroeit. Wanneer de oernier beneden, in het gebied van de anus is aangeland, worden in dat gebied hoopjes kiemcellen gedeponeerd. De nier trekt zich dan terug en laat de kiemcellen achter, die zich zullen ontwikkelen tot seksorganen. Het interessante is nu dat op de een of andere manier de mens-in-wording op dat moment besluit of ‘het’ als meisje of als jongen door het leven wil gaan: bij het meisje wordt het klompje kiemcellen tot eierstok en stijgt het geheel een beetje op in het lichaam (de eierstokken liggen uiteindelijk in de buik naast de baarmoeder) en bij het jongetje worden de kiemcellen tot zaadballen, die een afdalende beweging maken en wel zodanig dat deze organen buiten het lichaam in de balzak komen te liggen, zover mogelijk naar beneden dus. Eierstokken en zaadballen spelen een belangrijke rol in de vorming van hormonen, die het uiterlijk van de mens, mannelijk of vrouwelijk, gaan bepalen.

Natuurlijk kan hier als tegenwerping gemaakt worden dat al vanaf het allereerste begin, namelijk bij de versmelting van zaad- en eicel, besloten is of iemand een man of een vrouw zal zijn. Dat is ook zo, maar je kunt het niet zien! Het gaat er in de speurtocht naar de geslachten niet om iets te bewijzen, maar eerder is het de bedoeling een en ander uit waarneembare verschijnselen aannemelijk te maken.

Hormonen

Niet alleen de ligging in het menselijk lichaam drukt iets uit van de polariteit mannelijk – vrouwelijk, ook in het functioneren wordt dat duidelijk. De eierstokken functioneren ritmisch en produceren één maal per maand een eitje, dat zich heel passief gedraagt en zich eventueel laat bevruchten. We spreken als we het over de cyclus hebben nog van maanstonden als verwijzing naar het feit dat de duur van de cyclus en de omlooptijd van de maan in het ideale geval gelijk zijn.

De zaadbal kent zo’n ritme niet maar produceert onophoudelijk zaadcellen, die uiterst actief zijn en een hele lange weg moeten zwemmen om een bevruchting tot stand te brengen. Op lichamelijk niveau is mannelijk het equivalent van aards-actief en vrouwelijk van kosmisch-passief.

Op hormonaal niveau is het overigens niet zo dat een man alleen maar mannelijk hormoon, testosteron, produceert en een vrouw alleen maar vrouwelijke hormonen, oestrogeen en progestageen. Elk menselijk lichaam produceert alle sekshormonen, met name in de bijnieren. (Functioneel zijn de seksuele organen dus toch nog met de nieren verbonden!) Een man wordt dus uiterlijk het meest beïnvloed door zijn testosteron, terwijl oestrogeen en progestageen zich als het ware terughouden. Het is niet goed denkbaar dat die vrouwelijke hormonen er zó maar zijn. Het menselijk lichaam verspilt geen energie; hoe beter je het leert kennen hoe duidelijker dat wordt. Wanneer we nu dat menselijk lichaam opvatten als een samenwerkingsverband van het fysieke lichaam (een antroposofische term voor alles wat de amorfe, aardse substantie van het lichaam is) en het vormkrachtenlichaam (dat samenstel van krachten die aan die amorfe materie een vorm geven), dan wordt een mogelijkheid zichtbaar om zowel mannelijk als vrouwelijk hormoon te plaatsen.

Bij een man bijvoorbeeld werkt het testosteron door tot in het fysieke, tot in de uiterlijke gestalte; het vrouwelijke hormoon, dat wel aanwezig is maar zich, zoals gezegd, terughoudt, beperkt zich tot het vormkrachtenlichaam en treedt alleen in het functionele naar buiten. Dat functionele, in feite een hogere vorm van lichamelijkheid, wordt dan zichtbaar in bijvoorbeeld het gedrag of het denken. (Denken kun je beschouwen als het functioneren van vormkrachten die niet meer nodig zijn voor de vorming van het lichaam, maar gemetamorfoseerd zijn tot denkkracht.)

In het mannelijk lichaam zie je dus dat het uiterlijk mannelijke innerlijk en onzichtbaar wordt ‘goedgemaakt’ door een vrouwelijk element: een man heeft de neiging te denken in grote, soms onpraktisch vage verbanden met gebrek aan oog voor details; hij gaat graag in discussie en vertoeft zoveel mogelijk in de wereld van de ideeën. Natuurlijk moet je met dit soort beweringen ontzettend oppassen. Wat is in het denken van een man nu echt vrouwelijk, dat wil zeggen kosmisch, en wat is bepaald door dat wat we het rolpatroon noemen? Het is niet de bedoeling om hier een uitputtende psychologie te schetsen uitgaande van de hierboven beschreven polariteit, maar het is zeker mogelijk.

Lichaam en geest zijn eikaars tegengestelden. In het geestelijke is de eenheid het uitgangspunt en de polariteit de ontwikkelingsrichting. Op lichamelijk niveau is dat precies andersom, want wat je lijf betreft ben je primair man of vrouw, maar je hebt het in je om je geslachtelijkheid te overstijgen en naar de andere sekse toe te groeien, zoals aangeduid met het verhaal over de hormonen.

Versmelting van kwaliteiten

Met het beschrijven van de mannelijke en de vrouwelijke tendensen in het menselijk functioneren, het aards-lichamelijk-seksuele enerzijds en het geestelijk-inidividuele-liefdevolle anderzijds, heb je echter nog geen levend mens voor je. Integendeel, als je met een ander mens te maken hebt, ervaar je hem of haar als totaalwezen en is er geen sprake van óf het lichaam óf de geest. Die elementen splitsen zich pas bij analyse van een contact uit; dan ontdek je dat elk contact een mannelijk aspect heeft, de lichamelijkheid van je gesprekspartner – en een vrouwelijk aspect – wat zijn iemands motieven en beweegredenen in het leven, wat is zijn stuwende impuls. Elk mens is een versmelting van mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten op een heel eigen individuele manier.

Dat laatste is overigens aan elk mens het enig interessante: de lichamen van ons allen verschillen maar op onderdelen als lengte, gewicht, huidskleur etcetera en de wil om op aarde te komen is ook voor iedereen gelijk en niet meer dan een uitgangspunt. Nee, wat doet iemand met die twee gegevens en hoe heeft hij die in de samensmelting tot een evenwicht gebracht, dat is boeiend! Elk echt contact moet er op gericht zijn om wederzijds iets van dat evenwicht boven water te krijgen, op welk niveau dat contact zich voltrekt. Het is daarbij interessant om te merken dat zo’n individueel evenwicht, de middenpositie tussen lichaam en geest, zijn stempel drukt op het hele functioneren van een mens, geestelijk, lichamelijk en emotioneel.

Hoe iemand zijn lichaam ‘gevormd heeft’ is ingekleurd door dat midden, denk maar aan de temperamenten die zich niet beperken tot het psychische maar ook lichamelijk duidelijk afleesbaar zijn. En in de kunst zie je dat terugkomen in het feit dat bijvoorbeeld de schilderijen van Rembrandt, hoe verschillend onderling ook, toch allemaal als van hem afkomstig herkenbaar zijn aan dat wat je een picturaal handschrift zou kunnen noemen. De mens smeedt uit de hem ter beschikking staande tegengestelde krachten een uiterst individueel evenwicht met een heel eigen kleur die door de hele persoon heen zichtbaar is en alle geledingen doortrekt: Rembrandt is Rembrandt in zijn waarnemen, aanvoelen van stemmingen en weergave daarvan. Misschien kunnen we met deze constateringen tot enig begrip komen van de problemen die er leven met betrekking tot de seksualiteit.

Materialistisch

‘Mannen willen te vaak vrijen en vrouwen willen dat te weinig’. Zo zou je het klachtenpatroon over het seksuele gedrag van de respectievelijke tegenpartijen kunnen samenvatten. Het blijkt moeilijk om op een wederzijds bevredigende manier in eikaars seksuele behoeften te voorzien, ook al zou je dat niet zeggen als je zo om je heen kijkt; zoals in het begin van dit artikel al geconstateerd springen de ‘moderne mensen’ nogal gemakkelijk bij elkaar in bed.

Edvard Munch ‘De kus’

Als je nagaat wat er in die ‘gemakkelijke’ relaties eigenlijk gebeurt, dan moet je concluderen dat geen van beide partijen echt los kan komen van het puur lichamelijke. Ieder ‘loopt zijn eigen hormonen achterna’. Het gaat om het bevredigen van de eigen behoeften en begeerten aan het lichaam van de ander. Kortom, we gaan er nogal materialistisch mee om.
Dat is trouwens niet zo gek want we leven in een zeer materialistische (is mannelijke) tijd. Alles draait om de materie; het hele natuurwetenschappelijke onderzoek is erop gericht om aan de stof elk denkbaar geheim te ontfutselen en dat te gebruiken om de materie te manipuleren. Ook de seksualiteit is hier niet aan ontsnapt getuige bijvoorbeeld het onderzoek van het seksuele gedrag van de mens in allerlei laboratoriumopstellingen door Masters en Johnson.

In denken en doen overheerst het fysieke dat in dit verhaal mannelijk werd genoemd. Deze tijd is een echte mannentijd, het mannelijk-aardse is, ook in het omgaan met ons lichaam, toonaangevend. Denk in dit verband ook aan medisch-wetenschappelijke verworvenheden als anticonceptie, vruchtwateronderzoek en reageerbuisbaby’s, waarmee het hele proces van de voortplanting gereduceerd is tot een technisch probleem.

Ook voor de antroposofie is het stoffelijke het uitgangspunt bij het verkrijgen van kennis over de aardse werkelijkheid. Wat de natuurwetenschap bij haar onderzoek boven water haalt aan feitenmateriaal wordt dan ook beslist niet afgewezen of ontkend. De antroposofie verschilt met betrekking tot die feiten uit de natuurwetenschap in haar manier van benaderen en interpreteren van de verschijnselen. In de fenomenologie, de leer der verschijnselen, gaat het dan niet alleen om feiten maar veel meer om processen: hoe gedraagt de plant of het menselijk lichaam zich, hoe verlopen organische processen in de tijd en hoe verhouden ze zich tot elkaar. Zo werkend krijg je langzamerhand een idee over datgene wat achter het materiële schuilgaat, wat de goudsbloem tot goudsbloem maakt, de man tot man en de vrouw tot vrouw. Je krijgt het vermoeden dat niet-materële, geestelijke krachten zich in het stoffelijke uitdrukken en er hun eigen vorm aan geven. De stof is het vehikel van onzichtbare, kosmische krachten. Wanneer je dus én de stof leert kennen in zijn eigen wetmatigheden én op zoek gaat naar datgene wat zich van die stof bedient, dan ben je pas écht materialistisch bezig!

Tedere midden

Het hele bovenstaande verhaal over het mannelijke en het vrouwelijke kun je beschouwen als een fenomenologische voorstudie om de seksualiteit ook echt materialistisch te benaderen. Hoe doe je dat dan? Allereerst door je te engageren met de stof, dat is je eigen lijf. Dat is het minst moeilijke gedeelte van het werk: je ziet aan je eigen lijf of het mannelijk of vrouwelijk is, je vindt het prettig om te vrijen, te strelen, gestreeld te worden en tot een hoogtepunt te komen. Seks is gewoon lekker en dat hoef je niet weg te drukken. Maar wil de seksualiteit echt een menselijk niveau bereiken dan moet er meer gebeuren. Dan moet je zoeken naar dat wat zich achter het lichamelijke verschuilt, bij jezelf en bij de ander. Daarvoor moet je je hormonen als het ware een beetje terugdringen. De ander, of die nu van hetzelfde of het andere geslacht is doet niet ter zake, moet tot zijn recht kunnen komen. Als vrouw kan je niet van een man verwachten dat hij net zo ‘kosmisch’ georiënteerd is als je zelf bent. Je moet begrip ontwikkelen voor het mannelijke aspect van het menszijn. En als man moet je temidden van het mannelijk-aardse plaats gaan maken voor het vrouwelijk-kosmische. Maar je moet nog verder! Het gaat niet alleen om de polen, de tegenstellingen, maar om het individuele midden zoals boven beschreven. Wat voor midden verschuilt zich achter dat lichaam van mijn partner, wie is dat eigenlijk?

Seks heeft zo zijn natuurlijke en zijn tegennatuurlijke kanten, tenminste bij de mens. In het genot ben je aards-egoïstisch op jezelf gericht, in je ‘fenomenologische arbeid’ kosmisch-liefdevol op zoek naar het individuele in de ander. Bovenal leer je natuurlijk in alle activiteiten die op de ander gericht zijn iets van je eigen persoon ervaren: ik ben seksueel actief en ik schep voor een ander ruimte.

In de seksualiteit wordt zo een mogelijkheid zichtbaar om op een aardse wijze de eigen geestelijke gestalte waar te nemen door het samengaan met een ander op een heel intieme manier. Daarbij past geen agressieve egoïstische zelfbevrediging maar tederheid, ruimte scheppen voor de ontmoeting. Tegenover de eigen geslachtelijke eenzijdigheid plaatst zich het tedere midden.

.

Aart van der Stel, Jonas 19, 11-05-1984

.

deel 2  deel 3

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1592

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/2)

.

slapeloosheid

Regelmatig begeef ik* mij in het holst van de nacht naar de krakende sponde, om als gevolg van de fantastische verantwoordelijkheden die op mijn schouders drukken te constateren dat er niets te slapen valt.
„Want alle zijn is tot niet zijn geschapen”, zo houd ik mij dan hoopvol voor met de dichter Bloem.
Dat helpt als regel niet. Meestal strompel ik dan een verdieping lager en drink melk, aangelengd met door een morsig kruidenvrouwtje verhandelde
biologisch-dynamische honing, en ik smeer de borst in met kaarsvet. Ook dat haalt als regel niets uit.

De volgende stap behelst dat ik me de meest schandelijke taferelen ga voorstellen, wat slechts leidt tot grote waakzaamheid. De slotfase bestaat uit het reciteren van zoveel mogelijk uitspraken, afkomstig uit de Upanishaden of geschriften der mystici, hetgeen verzandt in de constatering dat hun ideeën eigenlijk even schandelijk waren.
Kortom, ik ben bij tijd en wijle een slapeloze tobber die zich troost met de gedachte dat er in de onmiddellijke omgeving zo’n vier miljoen vergelijkbare typetjes zijn.

Waar komt slapeloosheid vandaan en valt hier iets in de marge te rommelen?
In Amerika zijn er honderd speciale slapeloosheidsklinieken, maar hier moeten we het doen met een agoog die nooit te vinden is. Volgens talrijke verhandelingen is slapeloosheid multicausaal bepaald. Ik ben allergisch voor dat woord: als simpele dingen in het Latijn worden gezegd, weet meestal geen hond wat er gaande is. Dat bleek laatst ook uit een geschrift waarin stond dat iemand leed aan jactatio capitis nocturna et restless legs. Kortom: hij sloeg ’s nachts met zijn hersens tegen de rand van het bed, onderwijl de dekens van zich aftrappend.

Eén invloedrijke factor is de zon die zich in dit jaargetijde** wel eens wil laten zien en die naar verluidt door sommigen zelfs wordt opgezocht. Veel zonlicht ontregelt de pijnappelklier in ons brein, een nietig orgaantje dat onder andere tal van lichamelijke en geestelijke ritmen sychroniseert. Bar veel licht schijnt er voor te zorgen dat dit ding de kluts kwijt raakt, met als gevolg dat de ritmen in kwestie als losgeslagen raderen rond gaan tollen.

Daarnaast is er naar de wetenschap beweert een biologische dispositie. Deze houdt in dat het slachtoffer chronisch overactief is, wat tijdens de slaap betekent dat hij zelfs wakker wordt van een vier blokken verderop doorgetrokken toilet. Dan hebben we natuurlijk de onvermijdelijke ziekten die tot slapeloosheid voeren, zoals daar zijn de pijn van rheuma, maagzweren, versleten harten, migraine, astma, weigerachtige nieren en schildklieren die als gekken een activerend hormoon maken.

Op zielkundig niveau zijn slechte slapers blijkens tests hoogst problematische mensen, maar ik zou me ook kunnen voorstellen dat een mens sjagrijnig wordt van slecht slapen. Niettemin wordt volgehouden dat hier iets aan de hand is. Slechte inslapers zijn angstig en slechte doorslapers depressief. Zou je op den duur niet depressief worden van dat altijd maar weer ontijdig ontwaken?

Vervolgens is er nog de massa mensen bij wie slapeloosheid herleid kan worden tot frequent bezoek aan de slijterij, alsmede de geneesmiddelenslikkers. Veel slaapmiddelen hebben als eigenaardige bijwerking dat zij slapeloosheid in de hand werken. Iets dergelijks geldt voor middelen tegen depressies en anticonceptiepillen. Misschien mogen we zelfs zeggen dat de seksuele revolutie wortelt in door slapeloosheid opgeroepen verveling. Het zou me althans niets verbazen als zo’n redenatie binnenkort in een sociaal-wetenschappelijk proefschrift wordt aangetroffen.

Nu kan het voor de duidelijkheid geen kwaad ons af te vragen hoe lang we eigenlijk behoren te slapen. Dat is dan jammer: we weten het niet. De individuele verschillen zijn enorm. Het heeft er de schijn van dat probleemloos levende wezens veel minder slaap nodig hebben dan de tobbers onder ons. (Als die laatste groep in het zuloïsme*** werkzaam is heb ik overigens nog een opwekkende mededeling: er komt over twee jaar een taakverdelingsronde die driemaal zo fors is als de huidige, namelijk 900 miljoen gulden, welterusten).

Bij wijze van regeltje kunnen we slechts zeggen dat de hoeveelheid slaap afneemt met de leeftijd en ergens ligt tussen achttien uur per etmaal bij de zuigeling en zes uur bij de bejaarde. In sommige opzichten zouden slapelozen lijken op zuigelingen: zij proberen het slechte slapen goed te maken door overdag dutjes te doen, met als ondermijdelijk gevolg dat de vermoeidheid ’s avonds onvoldoende kan toeslaan.

Ook ordinaire conditionering kan hierbij een rol spelen. Als u de slaapkamer betreedt en bij de aanblik van de opgestelde parafernalia wordt herinnerd aan duizenden doorwaakte nachten, is dat voldoende reden om alweer niet te slapen. De remedie ligt voor de hand: slaap buitenshuis, of schilder de kamer, zet het bed aan de andere kant en houd desnoods een regenjas aan. Op die manier moet de conditionering uitgeblust kunnen worden.

Andere denkers zeggen dat slapeloosheid wordt veroorzaakt door de neiging alleen in bed te tobben. Gebruik uw werk daar eens voor. Tenslotte zijn er een paar leefgewoonten die u moeiteloos uit de ellende zouden helpen. Ga op vaste tijdstippen naar bed, sta op vaste momenten op (geslapen of niet), en haal slaap overdag nooit in. Verder moet u stoppen met slechts een klein aantal genoegens, te weten drank, sigaretten, chocola, kaas, koffie, thee, cola en sommige vormen van sex, naar men fluistert. Voor het overige mag u me tot 4 uur bellen in verband met toelichtingen.

.

*Piet Vroon***, Volkkrant, **28-06-1986

.

Ritme: alle artikelen

.

1587

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/1)

.
slapeloosheid

 

‘Ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan’

Het slapen blijkt vaak een moeizaam verworven toestand te zijn, die men dikwijls alleen bereikt door het innemen van slaapmiddelen, wanneer hulpmiddeltjes als schaapjes tellen en warme melk met honing ook niet meer helpen.

Uit de publikaties over het slaapmiddel ‘Halcion’ en de vele reacties erop, bleek dat zeer veel mensen een slaapmiddel nodig hebben om in slaap te kunnen vallen.

Behalve dat men zich zorgen kan maken over de – ongewenste – bijverschijnselen van de slaapmiddelen en de onzorgvuldigheid waarmee sommige hiervan op de markt gebracht worden, roept het feit dat deze middelen op zo’n grote schaal ingenomen worden, vragen op.

Waarom valt men aan het eind van de dag niet ‘gewoon’ in slaap?

Wat is slapen en wat is wakker zijn? Bob Witsenburg, arts, gaat in zijn artikel op deze vragen in.

‘Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan’. Een thema dat in verschillende variaties voor velen van ons een proleem is, soms tijdelijk, maar soms ook blijvend. We blijven er vóór en met onszelf mee worstelen en vinden een enkele keer zelf een oplossing. Maar vaak ook wordt de slapeloosheid als een medisch probleem gezien, op te lossen door een tabletje.

Waarom hebben we eigenlijk slaap nodig? Deze vraag kun je op meerdere niveaus bekijken.

Lichamelijk kun je zeggen dat we ons lichaam tijdens het wakker-zijn, met ons bewustzijn ‘afbreken’, totdat het natuurlijke gevoel van vermoeidheid aangeeft, dat de afbraak zó ver is gevorderd, dat nu de periode van opbouw, de slaap, is aangebroken. Zo’n afwisseling is een ritme. Deze ritmische afwisseling is bijvoorbeeld terug te vinden in de lever, die van drie uur ’s nachts tot drie uur ’s middags een afbraakfase kent, waarbij suiker aan het bloed wordt afgegeven, en van drie uur ’s middags tot drie uur ’s nachts een opbouwfase, waarbij suiker tot leversubstantie (zetmeel) wordt opgebouwd. Mensen in ploegendienst en bijvoorbeeld stewardessen, ervaren dit ritme vaak zeer concreet. Zij merken bijvoorbeeld dat zij zich lichamelijk ’s nachts niet fit voelen, moe zijn, terwijl ze toch genoeg geslapen hebben. Of juist overdag niet kunnen slapen, wanneer dat bij hun werk zo uitkomt. Het lichaam is dan nog in de afbraakfase. Bij mensen die grote tijdsverschillen met vliegtuigen overbruggen, verkeert het leverritme nog in de fasen die hoorden bij de tijd van het land waar ze net vandaan kwamen. De aanpassing kan enkele dagen duren. Psychologisch betekent de slaap onder meer een verwerkingsproces, waarbij de gebeurtenissen en ervaringen van de dag ‘vergeten’ worden, en na verwerking in diepere bewustzijnslagen de volgende dag, of nog veel later, als levenservaring en vermogens te voorschijn komen.

Uitdrukkingen als ‘de ochtend is wijzer dan de avond’, of ‘ik zal er eens een nachtje over slapen’, zijn hier voorbeelden van.

Wat de geestelijke aspecten van het slapen betreft, kunnen we in de eerste plaats kijken naar het bewustzijn. Van dit bewustzijn zou je kunnen zeggen dat het overdag polair is aan ons nachtbewustzijn. Als we goed wakker zijn, beleven we onszelf door middel van onze zintuigen als centrum van de wereld, tegenover de wereld.

Letterlijk staan we in het centrum van onze eigen horizon. Ons waakbewustzijn is een centrum-bewustzijn. Ons slaapbewustzijn daarentegen is een omtrek-bewustzijn. Als centrum hebben we onszelf verloren, en we zijn in zekere zin in een wijde omtrek uitgespreid. Als overgangsbelevenis kennen we wellicht allemaal het verschijnsel -hopelijk zelden -, dat je eens bij een lezing bijna bent ingeslapen, en daarbij soms niet meer weet of datgene wat er in je omgaat je eigen gedachten zijn, of de gedachten van de spreker. Plotselinge zintuigindrukken, zoals iets dat valt, een stemverheffing en dergelijke, brengen je dan weer ineens ‘tot jezelf’.
Om het verwerken in de nacht van je dagervaringen mogelijk te maken, moeten deze belevenissen iets eigens gekregen hebben. Wat dit betekent, kunnen we ons voorstellen als we ons afvragen, hoeveel indrukken en ervaringen er op ons afkomen, die we ons niet eigen kunnen maken. Denk aan de veelheid, heftigheid en te snelle opeenvolging van informatie door televisie, radio, kranten, lawaai op werk of straat, snelverkeer, reclames, verstrooiing in vakanties, etcetera. Wie van ons kan zijn indrukken, informaties en ervaringen nog allemaal, of zelfs maar gedeeltelijk, zelf kiezen? En wie heeft daarna de rust om ze ook zelf te laten bezinken en te verwerken? Om maar te zwijgen over of het je lukt er ten slotte nog iets mee te doen.

Het zijn vaak de niet-eigen gemaakte indrukken, gevoelens en ervaringen, die ons het gezonde slapen belemmeren. Niet-eigen maken overdag, geeft een niet-zelfverwerken ’s nachts. De kwaliteit van onze dagervaringen is hierdoor meebepalend voor de kwaliteit van ons slapen.

Omgekeerd zal ook de kwaliteit van onze slaap ook de kwaliteit van ons werken overdag beïnvloeden.

Wat kunnen we nu aan slapeloosheid doen? Even kort iets over slaapmiddelen. Zij werken alleen symptomatisch, laten je wél slapen, maar de slapeloosheid zelf wordt erger. Hoe langer je ermee doorgaat, hoe moeilijker het is om te stoppen. En het nachtelijk verwerkingsproces gaat waarschijnlijk grondig de mist in.

Lichamelijk gezien is regelmaat het belangrijkste. In het algemeen is een ritmisch bestaan, met een steeds terugkerende regelmaat van activiteit en ontspanning, maaltijden en slaaptijden, essentieel. Hoe regelmatiger de periodes van activiteit (afbraak) en rust (opbouw) elkaar afwisselen, hoe sterker de uitslagen, dat zijn de dieptes en de hoogtes van onze slaap-waakcurve kunnen worden. Niet alleen is het nodig voor voldoende rust ’s nachts te zorgen, (en uren vóór 12 uur, het uur dat de zon weer aan zijn opmars begint tellen dubbel), maar ook dat de periode van ingespannen werk overdag, niet te lang duren. Niet voor niets duren colleges gemiddeld 45 minuten, en daarna is er even pauze. Soms is het zelfs noodzakelijk om aan het begin van de middag een echte middagpauze te maken, om alles even los te laten, bijvoorbeeld door te rusten, of te wandelen. Wandelen is sowieso een goede activiteit vóór het slapen, omdat het het denken tot rust kan brengen, en de bloedsomloop aanzet. En het is juist de bloedsomloop, die in nauwe relatie met onze opbouwprocessen, ’s nachts actief wordt. Met koude voeten bijvoorbeeld, kun je niet slapen.

Op meer psychologisch niveau zullen we eerst misschien wat vóóroordelen moeten overwinnen. Vaak hoor je mensen zeggen: maar ik móet toch slapen, want anders… Ja, wat anders?

Wat zou er gebeuren als je eens een week niet sliep? Weekje ziektewet? Extra vakantie nodig? Zal je tenslotte niet vanzelf in slaap vallen, als de vermoeidheid te erg wordt? Er zijn twee mogelijkheden: óf je haalt het slaapverlies wel weer in, óf je moet je leven anders inrichten, wat misschien wel hoog nodig is. En bedenk dat mensen die menen dat ze ‘de hele nacht geen oog dicht’ doen, vaak tussen door wel degelijk blijken te slapen, maar dat juist dié momenten zich aan de herinnering onttrekken. Laat dus dat moeten-slapen maar eens weg, het is juist een sterke belemmering tot inslapen. Bovendien geldt, dat hoe ouder je wordt, hoe minder slaap je nodig hebt. Maar we kunnen ook veel positieve dingen doen. Zo kunnen we proberen alle vluchtigheid in ons waarnemen te vermijden, want door iets echt waar te nemen, tot je te nemen, is ook een echt verwerken mogelijk. Lezen doen we bijvoorbeeld vaak veel te snel en te vluchtig. Het spreekt voor zich, dat we ondertussen niet de radio of televisie laten aanstaan. En het sterkste werkt, als we onze waarnemingen en informatie zélf kunnen kiezen, en er niet steeds voor ons gekozen wórdt. Daar hoort bij de vraag, of het juist is om allerlei krachtige indrukken emotioneel in je op te nemen, waarvan je weet dat je ze toch niet verwerken kunt. Verwerken in de zin van tot je te laten doordringen, en er daarna iets mee te kunnen doen. Horen hierbij niet vele live-uitzendingen over kapingen, gijzelingen, sensationele ongelukken, etcetera?

Wat de geestelijke kant betreft is er nog één soort persoonlijke oefening, die ik in verband met slapen en waken zou willen noemen, en die in de antroposofie bekend is als ‘rückschau’ en ‘vorschau’. In de rückschau, of terugblik, kijken we ’s avonds terug op onze dag, waarbij we de gebeurtenissen aan ons voorbij laten trekken, in omgekeerde volgorde, dat wil zeggen, het laatste het eerst. Het resultaat is, dat de dag nog eens in vogelvlucht via het denken in het voorstellingsleven vóór ons staat. Als dat lukt, zonder opnieuw de emoties van de dag te beleven, kunnen de belevenissen daarna, in de nacht, ‘vergeten’ worden. In dit vergeten geschiedt het verwerken.

Wat gebeurt er in het algemeen met dingen die we vergeten? Vergeten wil zeggen dat ze in een onbewuste laag van ons dóórwerken. Het betekent niet dat de ervaringen voor ons verloren zijn. Zoals we dingen, die we met veel moeite vroeger geoefend hebben, zoals muziekoefeningen, later als een vanzelfsprekendheid ter beschikking hebben. De moeizame oefeningen en probeersels die er vroeger aan voorafgingen, zijn vergeten. Ze zijn nu tot vermogen geworden, schijnbaar moeiteloos de muzikant ter beschikking staand. Zo is er een dergelijk verwerkingsproces met alle dagelijkse ervaringen. Als we ze uit de voorstelling loslaten, kunnen ze in de nacht tot vermogens worden. Het nachtbewustzijn is hetzelfde bewustzijn als van waaruit onze wilsimpulsen stammen. Vergeten ervaringen van gisteren, kunnen op deze manier geïntegreerd worden in de wilsimpulsen van morgen. Als je ergens een nachtje over moet slapen, betekent dit dat je je vragen van vandaag, de kans geeft om tot je eigen wilsimpulsen van morgen te gaan behoren. Als je metéén zou beslissen, doe je misschien iets wat niet echt bij je hoort.

In de vooruitblik ’s morgens, kun je je dan afvragen wat je die dag te doen staat. Welke dingen er allemaal moeten, maar vooral welke dingen je die dag met enthousiasme tegemoet gaat. Juist dit enthousiasme maakt persoonlijke inzet mogelijk. Zo’n enthousiasme maakt, dat je er helemaal bij bent. En hoe meer je er overdag zelf bij bent, hoe beter je het ’s nachts zelf weer los kunt laten. Zo kun je ook vanuit je intensiteit van beleven, je slaap-waakdiepte beïnvloeden.

Deze twee oefeningen kunnen helpen bij de twee slaapstoornissen die er zijn; de inslaapstoornissen, en de dóórslaapstoornissen. Bij de inslaapstoornissen blijven de dagbelevenissen, emoties en zorgen, aan ons vastkleven, en we kunnen of durven ze niet los te laten. De afbraakprocessen van het waakleven hebben ons te sterk te pakken, en belemmeren zo het inslapen. De dag terugdenken zonder de emoties, alsof het een ander betreft, kan ons er dan van bevrijden. Met vertrouwen kunnen we onze dag aan de vergetelheid van de nacht prijsgeven, want om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Het vertrouwen, dat ook al laat je al je zorgen en problemen los, deze je niet zullen overweldigen.

De andere belangrijke slaapstoornis, is de doorslaapstoornis. Hierbij worden mensen juist vroeg wakker, bijvoorbeeld drie uur, en slapen dan niet meer in. Wat de lichamelijke kant hiervan betreft, heeft dit vroege ontwaken vaak te maken met het eerder genoemde leverritme. Hierbij is het opbouwproces in ons te zwak. Het kan ook samenhangen met te veel dingen in de dag die allemaal moeten, en waar we geen persoonlijk enthousiasme meer voor voelen, of waarin een eigen inbreng niet meer is te verwezenlijken. We schrikken terug voor de dag, waardoor die al op ons valt, nog vóór we uitgeslapen zijn. In de vooruitblik kunnen we proberen te ontdekken welke punten in de dag ons enthousiasme kunnen wekken, en welke punten in de dag de moeite van de eigen inzet toch waard zijn, waardoor je een moed stukje kunt vinden, om de dag te beginnen.

Om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Om dóór te slapen heb je moed nodig om de volgende dag te beginnen. In de terugblik en de vooruitblik kunnen we dit vertrouwen en deze moed proberen te ontwikkelen.

Bob Witsenburg, arts, Jonas 3, 5-10-1979

.

Ritme: alle artikelen

.

1586

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.