Categorie archief: Rudolf Steiner

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1375 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

vrijeschool en vrijheid van onderwijs
bij sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

spel

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-2/2)

.

Enkele gedachten bij blz. 26, 27 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Nadat op blz. 24-25 de nadruk is gelegd op het harmoniseringsproces:

De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men

vanuit het gezichtpunt dat het kind nog moet leren ademen,

volgt op blz. 26 nóg een voorwaarde om ‘de harmonie tussen de twee wezensdelen te kunnen laten ontstaan’.
Het gaat hier nog steeds om het geest-zielenwezen en het lichamelijk-levende of, zoals al eerder onder woorden werd gebracht: aan de ene kant het Ik en het astraallijf, aan de andere kant het etherlijf en het fysieke lichaam. [zie de reeks bij 1-7]

Die harmonie komt er langzamerhand doordat het kind leert slapen.

Steiner:
Aber das Kind kann noch etwas anderes nicht richtig, und dieses andere muß in Angriff genommen werden, damit ein Einklang geschaffen werde zwischen den zwei Wesensgliedern, zwischen dem Körperleib und zwischen der Geistseele. Was das Kind nicht richtig kann im Anfang seines Daseins – es wird Ihnen auffallen, daß gewöhnlich das, was wir geistig betonen müssen, der äußeren Weltenordnung zu widersprechen scheint -, was das Kind nicht richtig kann, das ist, den Wechsel zwischen Schlafen und Wachen in einer dem Menschenwesen entsprechenden Weise zu vollziehen. Man kann freilich sagen, äußerlich betrachtet: Das Kind kann ja ganz gut schlafen; es schläft ja viel mehr als der Mensch im späteren Lebensalter, es schläft sogar in das Leben herein. – Aber das, was innerlich dem SchIafen und Wachen zugrunde liegt, das kann es noch nicht. Das Kind erlebt allerlei auf dem physischen Plan. Es gebraucht seine Glieder, es ißt, trinkt und atmet. Aber indem es so allerlei macht auf dem physischen Plan, indem es abwechselt zwischen Schlafen und Wachen, kann es nicht alles dasjenige, was es auf dem physischen Plan erfährt – was es mit den Augen sieht, den Ohren hört, den Händchen vollbringt, wie es mit den Beinchen strampelt -, es kann nicht das, was es auf dem physischen Plan erlebt, hineintragen in die geistige Welt und dort verarbeiten und das Ergebnis der Arbeit wieder zurücktragen auf den physischen Plan. Sein Schlaf ist gerade dadurch charakterisiert, daß er ein anderer Schlaf ist als der Schlaf der Erwachsenen. Im Schlafe des Erwachsenen wird vorzugsweise das verarbeitet, was der Mensch erfährt zwischen dem Aufwachen und dem Einschlafen. Das Kind kann das noch nicht in den Schlaf hineintragen, was es erfährt zwischen Auf- wachen und Einschlafen, und es lebt sich daher noch so in die allgemeine Weltenordnung mit dem Schlafen hinein, daß es nicht mitbringt in diese Weltenordnung während des Schlafes dasjenige, was es äußerlich in der physischen Welt erfahren hat. Dahin muß es gebracht werden durch die richtiggehende Erziehung, daß das, was der Mensch auf dem physischen Plan erfährt, hineingetragen wird in dasjenige, was der Seelengeist oder die Geistseele tut vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Wir können als Unterrichter und Erzieher dem Kinde gar nichts von der höheren Welt beibringen. Denn dasjenige, was in den Menschen von der höheren Welt hineinkommt, das kommt hin- ein in der Zeit vom Einschlafen bis zum Aufwachen. Wir können nur die Zeit, die der Mensch auf dem physischen Plan verbringt, so ausnützen, daß er gerade das, was wir mit ihm tun, allmählich hineintragen kann in die geistige Welt und daß durch dieses Hineintragen wiederum in die physische Welt zurück- fließen kann die Kraft, die er mitnehmen kann aus der geistigen Welt, um dann im physischen Dasein ein rechter Mensch zu sein.

Maar het kind kan nog iets anders niet goed en ook dit moet aangepakt worden, wil er een harmonie tussen de twee wezensdelen kunnen ontstaan – tussen het lichamelijk organisme en de geestziel. Wat het kind in het begin van zijn leven nog niet goed kan – het zal u opvallen dat wat wij vanuit geestelijk standpunt benadrukken dikwijls in tegenspraak lijkt te zijn met de uiterlijke realiteit — wat het kind nog niet goed kan, dat is tussen slapen en waken af te wisselen zoals een mensenwezen dat behoort te doen. Wanneer men alleen het uiterlijke bekijkt, kan men wel zeggen dat het kind toch heel goed kan slapen: het slaapt toch veel meer dan de mens doet op latere leeftijd, het slaapt zelfs een gat in de dag. Maar wat innerlijk ten grondslag ligt aan het slapen, dat kan het kind nog niet. Het beleeft allerlei op het fysieke plan. Het gebruikt zijn ledematen, het eet, drinkt en ademt. Maar wat het niet kan, dat is alles wat het op het fysieke plan doet en beleeft – wat het met zijn ogen ziet, met zijn oren hoort, met zijn handjes doet, hoe het met zijn beentjes trappelt — meenemen naar de geestelijke wereld en daar verwerken en dan het resultaat van dat proces weer mee terugnemen naar het fysieke plan. Het karakteristieke van zijn slaap is juist, dat het een andere slaap is dan die van volwassenen.º In de slaap van volwassenen worden hoofdzakelijk de ervaringen verwerkt die de mens tussen ontwaken en inslapen opdoet. Het kind kan zijn ervaringen tussen ontwaken en inslapen nog niet in de slaap meenemen en het leeft daarom tijdens zijn slaap zodanig in de kosmos, dat het de ervaringen uit de fysieke wereld nog niet kan binnenbrengen in de kosmos. Een juiste opvoeding moet ertoe leiden dat de ervaringen die de mens in de fysieke wereld heeft, worden opgenomen in de activiteit van de zielegeest of geestziel tussen inslapen en ontwaken. Wij kunnen als leraar en opvoeder het kind volstrekt niets van de hogere wereld bij brengen. Want wat de mens opneemt van de hogere wereld, dat neemt hij op in de tijd tussen inslapen en ontwaken.
GA 293/26 ev
Vertaald/26 ev

ºHet karakteristieke van zijn slaap: Zie over de geestelijke zijde van de slaap in het algemeen De wetenschap van de geheimen der ziel. Over de karakteristieke slaap van het kind spreekt Steiner in Menschenwerden, Weltenseele und Weltengeist, GA 206, vdr. 7

Opnieuw hebben we hier te maken met mededelingen van Steiner die wij niet direct kunnen verifiëren. Steiner ziet dit uiteraard ook en verschaft ons af en toe een beeld:

Um ein Bild zu malen, muß man ein Maler sein, aber um die Schönheit und den inneren Gehalt des Bildes zu erleben, braucht man kein Maler zu sein, sondern dazu braucht man sich nur der unbefangenen, unbeirrten Menschennatur hinzugeben. So ist es in der Tat auch bei der Geisteswissenschaft. Um sie selber in Ideen zu «malen», muß man Geistesforscher sein, wenn sie aber hingestellt wird, so wie sie in den Vorträgen, die darüber gehalten werden, und in unserer Literatur dargestellt ist, dann steht sie da wie das Bild vor dem Beschauer, der selber kein Maler ist. Nichts anderes braucht der Mensch, als sich seinem unbefangenen, unbeirrten Wirklichkeitssinn hinzugeben – und er bekommt den gesundenden Eindruck von der Schilderung der geisti­gen Welt! 

Om een schilderij te maken moet je schilder zijn. Maar om de schoonheid en de innerlijke waarde van een schilderij te beleven, hoeft je géén schilder te zijn. Daarvoor hoef je alleen te vertrouwen op je onbevangenheid en volharding. Zo is het in feite ook met de geesteswetenschap. Om deze zelf in ideeën te ‘schilderen’, moet je geesteswetenschappelijk onderzoeker zijn. Als de ideeën echter worden weergegeven zoals dat gebeurt in de hierover gehouden voordrachten en in onze literatuur, dan staan ze voor ons als het schilderij voor de toeschouwer, die zelf geen schilder is. De mens hoeft niets anders te doen dan vertrouwen te hebben in zijn onbevangenheid en volhardendheid voor de werkelijkheid om een gezondmakende indruk te krijgen van de schildering van de geestelijke wereld!
GA 231/46
Vertaald
(Geen gebruik gemaakt van deze vertaling)

De slaap, het slapen, het is nog altijd een onbegrepen fenomeen in de (natuur)wetenschap. Wanneer we Steiner erop nalezen, zullen we vaak van hem horen dat wanneer de mens inslaapt, hij in een soort tweedeling terechtkomt. Die tweedeling is in deze 1e voordracht al verschillende keren aan de orde gekomen: het geest-zielenwezen en het lichamelijk-levenswezen of, dat kom je ook vaak tegen: Ik en astraallijf verlaten het etherlijf en het fysieke lichaam wanneer de mens in slaap valt. Maar vrijwel in iedere voordracht waarin dit ter sprake komt, belicht Steiner weer net een ander aspect. Dat zijn we ook al verschillende keren tegengekomen: Steiner blijft zeer trouw aan zijn principe van karakteriseren.

Simpel verwoord kun je dan zeggen dat etherlijf en fysiek lichaam in bed (blijven) liggen en ‘de rest’ is ‘weg’. Er treedt een soort bewusteloosheid op. De taal komt ons wellicht te hulp. We zeggen van iemand die flauwgevallen is of bewusteloos is geraakt, dat hij even ‘weg’ was. ‘Weg’ veronderstelt ‘ergens naartoe’. Maar waarheen dan? Ook bij het wakker worden zegt menigeen, wanneer hij diep heeft geslapen, dat hij ‘van ver’ moest komen. Ook vóór het inslapen, wanneer je niet meer zo wakker bent, verzucht menigeen dat hij al ‘een eind heen’ is. Je kan deze metaforen natuurlijk afdoen als iets onbeduidends, maar misschien zijn het toch waarheden waarop de taal, wat half-verborgen, duidt.
Voor Steiner is het wél duidelijk: Ik en astraal ‘gaan’ naar de geestelijke wereld, krijgen daar ‘hun voeding’ en brengen dat mee om daar de andere delen mee te verkwikken. Die hebben vanuuit ‘de natuur’ en niet gehinderd door bewustzijn ‘dat levenskracht kost’ ook een optimale regeneratie-impuls gekregen. 

(Dit verschijnsel zou het beeld zijn van het koekhuis in het sprookje van Hans en Grietje, dat overdag wordt opgegeten en ’s nachts weer hersteld wordt).

In deze voordracht zegt Steiner:In de slaap van volwassenen worden hoofdzakelijk de ervaringen verwerkt die de mens tussen ontwaken en inslapen opdoet.’

Kennelijk brengen wij tijdens onze slaap ‘onze ervaringen’ naar de geestelijke wereld. Die wereld ‘doet’ daar iets mee en dat neem je weer mee terug in je wakkere leven.
In een ander verband heten die ervaringen zelfs ‘voeding voor de geestelijke wereld, waarbij ‘de bewoners’ van deze wereld, de hiërarchische wezens met name genoemd worden.
Zie bijv. de zgn. ongedrukte passage.

Die ervaringen kan een kind dus nog niet de geestelijke wereld binnenbrengen.
Op zeker ogenblik echter wel en dat maakt dat voor Steiner die ervaringen een bepaalde kwaliteiten moeten hebben:

Wir können nur die Zeit, die der Mensch auf dem physischen Plan verbringt, so ausnützen, daß er gerade das, was wir mit ihm tun, allmählich hineintragen kann in die geistige Welt und daß durch dieses Hineintragen wiederum in die physische Welt zurück- fließen kann die Kraft, die er mitnehmen kann aus der geistigen Welt, um dann im physischen Dasein ein rechter Mensch zu sein.

We kunnen alleen maar de tijd die de mens in de fysieke wereld doorbrengt zo benutten, dat de mens juist dat wat we met hem doen geleidelijk aan kan meenemen naar de geestelijke wereld, en dat daardoor de kracht die de mens kan meenemen uit de geestelijke wereld kan terugvloeien in de fysieke wereld, opdat hij in de fysieke wereld werkelijk mens kan zijn.
GA 293/26 ev
Vertaald/26 ev

Ik meen voorzichtig hier een grotere en een kleinere beweging te zien. De grotere: de mens slaapt in – neemt ervaringen mee – er is een bepaalde verwerking (de nacht brengt raad?! – we slapen er een nachtje over?! – de morgen is wijzer dan de avond?! – en stappen het leven weer in.
De kleinere:

So werden wir uns bewußt werden müssen, wenn wir einem Kinde diesen oder jenen Lehrgegenstand beibringen, daß wir dann in der einen Richtung wirken auf das mehr in den physischen Leib Hineinbringen der Geistseele und in der anderen Richtung mehr auf das Hereinbringen der Körperleiblichkeit in die Geistseele.

We zullen ons bijvoorbeeld bewust moeten worden in welke richting we werken door een kind bepaalde leerstof bij te brengen: dat we met het ene onderwerp meer de geestziel laten doordringen in het fysieke lichaam en met een ander onderwerp meer het lichamelijk organisme in de geestziel brengen.

In andere voordrachten werkt Steiner dit thema uit of stipt het (verder) aan. Het meest uitgebreid in GA 307 [nog niet oproepbaar].

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1408

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (13)

.

Op deze blog staan en verschijnen artikelen over de jaarfeesten, m.n. die op de vrijescholen worden gevierd. De inhoud van de artikelen kan de motieven waarom gevierd wordt, verduidelijken. Tegelijkertijd is de inhoud de verantwoordelijkheid van de auteur. Dat ze hier verschijnen wil niet per se zeggen dat ze DE opvatting van DE vrijeschool representeren.

 

RUDOLF STEINER OVER DRIEKONINGEN

Het Driekoningenfeest

Notities van een toehoorder van een voordracht van Rudolf Steiner gehouden in Berlijn op 30 december 1904.

Toelichting
Hetgeen in deze voordracht werd uitgesproken, vormt het enige wat Rudolf Steiner over de betekenis van het feest van de heilige drie koningen heeft gegeven, hoewel de heilige drie koningen als zodanig in de voordrachten veelvuldig genoemd worden. De onderstaande voordracht werd in aansluiting aan de eigenlijke kerstvoordracht gehouden, die als eerste voordracht is afgedrukt in de uitgave „Zeichen und Symbole des Weihnachtsfestes, Drei Vor-träge”, Dornach 1977. Vertaald
De kerstvoordracht van het jaar 1903, die voorzover wij weten de allereerste kerstvoordracht van Rudolf Steiner is, is af gedrukt in nr. 32 (kerstmis 1970) van de „Beiträge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”.
De onderstaande beschouwingen over het driekoningenfeest zijn door Marie Steiner gepubliceerd in het mededelingenblad „Was in der Anthroposophischen Gesellschaft vorgeht” in het jaar 1942 (nr. 1). (Door ons overgenomen uit „Beitráge zur Rudolf Steiner Gesamtausgabe”, Kerstmis 1977. Red.)*

Een feest dat voor onze huidige tijd minder betekenis schijnt te hebben dan het kerstfeest is het feest van de heilige drie koningen – dat op 6 januari wordt gevierd – het feest van de wijze magiërs die uit het Morgenland komen ter begroeting van de pasgeboren Jezus. Dit feest der Epifania zal steeds meer betekenis krijgen, wanneer de ware, feitelijke symboliek van dit feest wordt begrepen. Wij hebben hier te maken met iets zeer belangrijks. Dat kan men reeds daaruit zien, dat een zeer uitgesproken symboliek aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland ten grondslag ligt. Deze symboliek werd, zoals alle mysteriën, tot in de vijftiende eeuw zeer geheim gehouden en er werden tot op dat moment ook geen bijzondere aanduidingen over gemaakt. Vanaf de vijftiende eeuw wordt echter meer aandacht geschonken aan dit feest van de drie magiërs uit het Morgenland, doordat exoterische afbeeldingen verschijnen die de heilige drie koningen voorstellen als een Moor, een bewoner van Afrika – dat is Kaspar; dan een blanke, een Europeaan – dat is Melchior; en een uitgesproken Aziatische koning, die de huidskleur van de bewoners van India heeft – dat is Balthazar. Zij brengen goud, wierook en mirre als hun offergaven aan het Jezuskindje in Bethlehem.

Het is de diepere betekenis van deze drie offergaven die met de kenmerkende symboliek van dit feest van de zesde januari samenklinkt. Terwijl het feest – esoterisch beschouwd – zeer belangrijk geacht moet worden, is het alleen al de datum die exoterisch de aandacht trekt. Want de zesde januari is dezelfde datum, waarop in het oude Egypte het zogenaamde Osirisfeest werd gevierd, het feest van de weder gevonden Osiris. Zoals bekend wordt Osiris overwonnen door zijn tegenstander Typhon. Hij wordt gezocht door Isis en teruggevonden. Dit terugvinden van Osiris, de godenzoon, vormt de basis van het feest van de zesde januari. Het Driekoningenfeest is hetzelfde feest, met dit verschil dat het christelijk is geworden. Wij vinden dit feest ook bij de Assyriërs, de Armeniërs en de Feniciërs. Overal is het daar een feest dat verband houdt met een soort van algemene doop, waarbij vanuit het water een wedergeboorte plaatsvindt. Dit wijst reeds op de samenhang met de teruggevonden Osiris.

Wat is nu eigenlijk de verdwenen Osiris? De verdwenen Osiris geeft de overgang weer die plaatsvindt gedurende het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode van de mensheid. Voor het midden van de lemurische ontwikkelingsperiode waren er geen mensen die begiftigd waren met manas, het huidige geestzelf. Pas in het midden van de lemurische tijd daalde vanuit de goddelijke wereld manas neer en bevruchtte de mensen. In iedere individuele mens wordt een graf geschapen voor het over de mensheid uitgestrooide, aan ieder mens toebedeelde manas. Een graf voor Osiris die voorgesteld wordt als in talloze stukken verdeeld. Het is het goddelijke manas dat opgedeeld en verstrooid is en in de mensen woont. Graven van Osiris worden de menselijke lichamen genoemd in de geheime mysterietaal van Egypte. Manas kan niet bevrijd worden dan wanneer de tijd is aangebroken, dat de wederverschijnende liefde manas kan bevrijden.

Wat is nu de wederverschijnende liefde? Datgene wat bij de bevruchting met manas in het midden van de lemurische tijd geboren werd – iets eerder en iets later – dat was het indalen van het principe van de begeerte. Voor die tijd bestond er geen wezenlijk begeerte-principe. De dieren waren in de voorafgaande tijd nog koudbloedig. En ook de mens zelf was in die tijd niet met warm bloed begiftigd. De mensen uit de maantijd, en aanvankelijk ook de mensen uit de lemurische tijd, kan men in zoverre vergelijken met vissen, dat zij dezelfde warmte bezaten als hun omgeving. De geest Gods zweefde over de wateren, zo spreekt de bijbel over die tijd. Het principe van de liefde was nog niet in het innerlijk der menselijke wezens opgenomen, maar was daarbuiten als het zich openbarende aardse karna (dat is aardse hartstocht). Karna is de egoïstische liefde. De eerste brenger van egoïsme-vrije liefde is dan Christus die in Jezus van Nazareth zou verschijnen.

Wie zijn nu de Wijzen uit het Oosten? Dat zijn de ingewijden die de voorafgaande drie ontwikkelingsperioden representeren. Het zijn de ingewijden van de mensheid tot aan het verschijnen van het Christuswezen, de van egoïsme vrije liefde, de wederopgestane Osiris. Ingewijden waren met manas begiftigde mensen, zo ook de drie Wijzen. Zij bieden goud, wierook en myrrhe aan als offergave. En waarom verschijnen zij in de drie kleuren zwart, geel en blank? Zwart als Moor, blank als Europeaan en geel als Indiër? Dat hangt samen met de achtereenvolgende ontwikkelingsperioden van de mensheid op aarde. Zwart zijn de oerresten van de lemurische mens, geel zijn de oerresten van de atlantische mens en blank zijn de vertegenwoordigers van de vijfde ontwikkelingsperiode, de huidige na-atlantische mensheid. Wij hebben dus in de drie koningen of magiërs de vertegenwoordigers van de Lemuriërs, de Atlantiërs en de huidige mens. Zij brengen de drie offergaven. De Europeaan brengt goud, het symbool van de wijsheid, de intelligentie die vooral in het huidige na-atlantische tijdperk tot uitdrukking komt.
De ingewijden van de vorige ontwikkelingsperiode, de Atlantiërs hebben als offer iets dat samenhangt met wat voor hun het belangrijkst is. Zij bezaten nog een meer directe verbinding met de goddelijke wereld, wat tot uitdrukking kwam in een soort suggestieve beïnvloeding, een soort van universele hypnose. Deze verbinding met de godheid wordt door de offerhandeling in stand gehouden. Het gevoel van de mens moet omhoogstreven, moet zich verheffen, opdat het door God wederom bevrucht wordt: dat vindt zijn symbolische uitdrukking in de wierook die het algemene symbool is voor het offer.
De mirre is, esoterisch uitgedrukt, het symbool voor het versterven. Wat betekent versterven, wat wederopstanding, zoals wij het bijvoorbeeld hebben in de wederopgestane Osiris? Bedenkt men de woorden van Goethe, waar hij zegt: „En zolang je dat niet hebt, dit sterven en weer worden, ben je maar een droevige gast op de donkere aarde”. Jacob Böhme brengt dezelfde gedachte tot uitdrukking met de woorden: „Wie niet sterft voor hij sterft, die verderft als hij sterft”.
De mirre vormt het symbool voor het in zichzelf doen sterven van het lagere leven en de opstanding van het hogere leven. Daarom ook wordt de mirre aangeboden door de ingewijde van de lemurische ontwikkelingsperiode. Dit heeft een diepe betekenis. Realiseert men zich wie Jezus van Nazareth is. Een hoogontwikkelde Chela (ingewijde) is in hem geboren. Hij heeft in zijn dertigste levensjaar aan de afdalende Christus, de afdalende Logos, zijn leven weggeschonken. Dat alles hebben de wijze magiërs als een toekomstbeeld geschouwd. Het is een groot offer van Jezus van Nazareth, dat hij zijn ik in ruil voor het ik van de tweede Logos geeft. Om een heel bepaalde reden moest dit offer geschieden.

Pas bij het aanbreken van de tijd van de volgende cultuurperiode zal het mogelijk worden, dat de mens (het menselijke lichaam) reeds vanaf de jeugd zover ontwikkeld is, dat zo iets als het Christusprincipe kan worden opgenomen. Pas duizenden jaren later, in de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal de gehele mensheid zo rijp zijn, dat de lichamen niet jarenlang voorbereid moeten worden, maar reeds vanaf het eerste begin in staat zullen zijn het Christusprincipe op te nemen. In de tijd van onze vorige cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, moest het menselijk lichaam nog dertig jaar worden voorbereid. (In noordelijke streken hebben wij iets dergelijks, waar de persoon van Sig zo wordt voorbereid, dat hij zijn lichaam ter beschikking kon stellen aan een hoger wezen). In de toekomstige zesde ontwikkelingsperiode van de aarde zal het mogelijk worden, dat de mens zijn lichaam ter beschikking kan stellen aan zo een hoog wezen, zoals door Christus bij de stichting van het christendom werd volbracht. Toen het christendom werd gesticht, was het nog nodig dat een Chela zijn ik offerde, wegstierf, en het omhoog zond naar de astrale wereldruimte, opdat de Logos in het lichaam kon wonen. Dit is iets dat ook verduidelijkt wordt door de laatste woorden aan het kruis. Hoe zou men anders de woorden kunnen begrijpen: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten? Men kan zien hoe hiermee datgene wordt uitgedrukt wat zich als feitelijk gebeuren eens heeft voltrokken: op het moment dat Christus sterft, heeft God het lichaam verlaten en de woorden worden uitgesproken door het lichaam van Jezus van Nazareth – een lichaam dat zo hoog ontwikkeld was, dat het uitdrukking kon geven aan dit gebeuren. In deze woorden is dus een ongelooflijk grote gebeurtenis uitgedrukt. En dit alles is nu gesymboliseerd in de mirre die het symbool vormt van het offeren, het versterven, het offeren van het aardse, opdat het hogere zal kunnen ontstaan.

In het midden van de lemurische tijd moest Osiris zijn graf vinden, moest manas, het geestzelf, indalen in de mensen. Door de ingewijden werd leiding gegeven aan de ontwikkeling van de mensen totdat het buddhi-principe, het principe der liefde, lichtend opbloeide in de Christus Jezus. Buddhi is de hemelse liefde. Het lagere geslachtelijke principe wordt veredeld door de christelijke liefde. Daardoor is het kama-principe, de geslachtelijke liefde in hemelse glorie opgegaan en werd het in het vuur van de goddelijke liefde gereinigd.

Bij Melchior hebben wij te maken met het principe van de wijsheid, de intelligentie, de opgave van de mensheid in de huidige (vijfde) na-atlantische ontwikkelingsperiode van de aarde. Gesymboliseerd wordt dit door zijn offer: het goud.

Wanneer er sprake is van een cultisch offer, dan komt dat tot uitdrukking in de wierook. Dat is het offer der Atlantiërs, de vierde ontwikkelingsperiode van de aarde. In de loop van de verdere mensheidsontwikkeling zal het christendom in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde zijn opgave vervuld hebben. Dan zal het gewone fysieke bestaan weer vervuld zijn van sacramentele cultische handelingen, offerhandelingen. De sacramenten hebben in de huidige tijd hun betekenis voor een groot deel verloren. Zij worden niet meer begrepen. Dat kan pas weer, wanneer in de toekomst geschiedt, wat door de wierook gesymboliseerd wordt: als de hogere mens zal zijn geboren.

De dood van Osiris vindt plaats in de lemurische tijd. Zijn opstanding zal zich afspelen in de toekomstige (zesde) ontwikkelingsperiode van de aarde. Wij kunnen dus inzien, dat het feest van de heilige drie koningen door hetgeen zij met hun offerhandeling verkondigen, op de ontwikkelingsgeschiedenis wijst van de mensheid in de derde, vierde, vijfde en zesde ontwikkelingsperiode van de aarde.

Waardoor worden de heilige drie koningen nu geleid en waar worden zij heengevoerd? Zij worden geleid door een ster en zij worden naar een grot gevoerd in Bethlehem. Dat is iets, waarvan de werkelijke betekenis alleen maar kan worden begrepen door iemand die bekend is met de zogenaamde lagere of astrale mysteriën. Door een ster geleid worden betekent niets anders dan de ziel zelf als een ster zien. En wanneer ziet men de ziel als een ster? Men ziet de ziel als een ster, wanneer men haar als een lichtende aura kan waarnemen. Dan verschijnt de ziel als een ster. Maar welke aura is zo lichtend, dat zij kan leiden? – Allereerst hebben wij de aura die alleen maar glimt, die een matte lichtschijn bezit. Die kan niet leiden. Dan hebben wij de hogere aura, de aura der intelligentie. Die bezit weliswaar een stromend licht, een vloeiend licht, maar ook die kan nog niet leiden. Maar de heldere, stralende aura waar buddhi, levensgeest doorheen straalt, is werkelijk een ster, een stralende, leidende ster. Het is de stralende buddhi-ster die opgaat in Christus bij het voortschrijden van de mensheidsontwikkeling. Wat de magiërs lichtend voorgaat, is niets anders dan de ziel van Christus zelf. De tweede Logos( 1) zelf licht hen voor; als een stralend licht boven de grot in Bethlehem.
De grot is niet anders dan datgene waarin de ziel woont: het lichaam. Een helderziende ziet het lichaam van binnen. Voor een helderziend schouwende keert alles om; in het schouwen wordt alles omgekeerd. Men ziet bijvoorbeeld 365 in plaats van 563. Zo wordt door de helderziende het menselijk lichaam gezien als grot, als holte en wat als stralend licht verschijnt in het lichaam van Jezus is de ster van Christus, de ziel van Christus. Dit moet men zich voorstellen als een realiteit die zich afspeelt in de astrale wereld. Het is werkelijk de als een stralende aura lichtende ster van de Christusziel; die leidt de ingewijden van de drie ontwikkelingsperioden van de mensheid tot Jezus, naar Bethlehem.

Het Driekoningenfeest is dus een feest dat elk jaar op de zesde januari gevierd werd. Dit feest zal in de toekomst steeds meer in betekenis toenemen. Op den duur zal steeds beter begrepen worden wat een magiër is en wat de grote magiërs, de meesters zijn. Dan zal men doordat men het christendom leert begrijpen, ook tot een beter begrip van de geesteswetenschap komen.

Vertaling ir. H. de Brey in Mededelingen Antroposofische Vereniging, dec.1988)

1) In de christelijke esoteriek wordt Christus als de tweede Logos (de Zoon of het Woord) aangeduid. De eerste Logos is de Vader, de derde Logos is de Heilige Geest. (H. de B.)

.

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningen

.

1406

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 302

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 302

beknopte inhoud: (blz.: vertaling)
blz. 38: euritmie: bezielde, vergeestelijke beweging; gymnastiek: fysieke beweging
blz. 43-45: wat gebeurt er met de leerstof in de wezensdelen gedurende de nacht; gezondmakende invloed euritmie; de ene dag euritmie – de andere: gymnastiek|
blz. 57: ook bij euritmie wordt fysieke lichaam aangesproken
blz. 61: euritmie bevrijdt het geestelijke uit de ledematen
blz. 126: wanneer kind euritmie doet, schrijft het iets in de wereld

blz. 40; vert. 38/39

Die Eurythmie bringt unmittelbar ein Geistig-Seelisches zum Vorschein, durchseelt und durchgeistigt das ganze Bewegliche des Menschen. Sie nimmt dasjenige zum Ausgangspunkt, was sich der Mensch geistig-seelisch im Laufe der Menschheitsentwicklung erarbeitet. Aber auch das Physisch-Körperliche kann geistig erlebt werden. Man kann das Atmen, den Stoffwechsel erleben, wenn man es weit genug bringt nach dieser Richtung. Da kann der Mensch sich selber weit genug bringen, da kann der Mensch sich selbst empfinden, sein Körperlich-Leibliches mitempfinden. Und dann kann, ich möchte sagen, dasjenige, was auf dem höheren Gebiet als Eurythmie an das Kind herantritt, auslaufen in das Turnen. Man kann durchaus die Brücke schlagen zwischen Eurythmie und Turnen. Aber dieses Turnen soll nicht anders gemacht werden, als indem man dasjenige, was das Kind ausführt im Turnen, aus dem Erleben des Körperlich-Physischen herausholt, aus dem Erleben, aus dem geistig-seelischen Erleben herausholt und das Kind das Körperlich-Physische dem anpassen läßt, was es erlebt.

Euritmie maakt direct het geestes-ziele-aspect zichtbaar; ze doorzielt en doorgeestelijkt alles van de mens wat beweegt. Ze neemt tot uitgangspunt wat de mens zich in de loop van de mensheidsontwikkeling aan ziel en geest heeft verworven. Maar ook het fysiek-lichamelijke kan geestelijk beleefd worden. Je kunt de ademhaling, de stofwisseling beleven als je het in deze richting maar ver genoeg brengt. Kan de mens het hierin ver genoeg brengen, dan kan hij zichzelf gewaarworden, dan kan hij zijn lichaam meebeleven. En dan kan datgene wat op een hoger gebied als euritmie bij het kind terechtkomt, uitmonden in de gymnastiek. Tussen euritmie en gymnastiek kun je heel goed een brug slaan. Maar gymnastiek moet niet anders worden bedreven dan dat je de oefeningen die je de kinderen laat doen, ontleent aan het beleven van het fysiek-lichamelijke, aan het beleven van ziel en geest, en dat je de kinderen hun lichaam laat voegen naar wat ze beleven.
GA 302/40
vertaald38/39

blz. 42  vert.

Nehmen Sie nur einmal, was sich Ihnen durch ein leichtes Nachdenken ergeben kann, nehmen Sie an, das Kind hört von Ihnen irgendeine Erzählung, oder es sieht irgend etwas, das Sie ihm auf der Tafel zeigen oder dadurch, daß Sie ihm meinetwillen ein physikalisches Experiment vormachen, oder aber Sie kommen in die Lage, dem Kinde irgend etwas Musikalisches vorzuspielen oder dergleichen. Sie stehen ja zunächst mit alledem in einem Verhältnis zu der äußeren physischen Wirklichkeit des betreffenden Kindes. Aber dasjenige, was Sie da in das Kind hineinversetzen auf dem Umweg durch die physische Wirklichkeit durch das Auge, durch das Ohr, durch den Verstand, der das begreift, was Sie ihm beibringen, dasjenige, was da in das Kind hineinversetzt wird, das macht sehr bald eine ganz andere Daseinsform durch. Das Kind geht aus der Schule, schläft; sein Ich und sein astralischer Leib sind im Schlafe außerhalb des physischen Leibes und des Ätherleibes. Dasjenige, was Sie da mit dem Kinde vollbracht haben 

Laten we eens iets nemen wat met even nadenken voor u duidelijk kan worden. Laten we aannemen dat de kinderen een verhaal van u horen, dat u ze iets laat zien op het bord, of dat u voor mijn part een natuurkundeproef voor ze doet, of u komt in de situatie dat u ze een muziekstuk voorspeelt, of iets dergelijks. Met dat alles staat u in eerste instantie in relatie tot de uiterlijke fysieke werkelijkheid van de betreffende kinderen. Maar dat wat u op die manier bij de kinderen binnen brengt via de omweg van de fysieke werkelijkheid door middel van het oog, het oor, het verstand dat begrijpt wat u hen bijbrengt, wat zó bij de kinderen binnenkomt, dat maakt heel gauw een andere bestaanstoestand door. De kinderen gaan naar huis, ze gaan slapen; hun Ik en hun astrale lichaam zijn tijdens de slaap buiten hun fysieke lichaam en hun etherlichaam. Wat u met de kinderen gedaan heeft

blz. 43 vert. 43

auf dem Umweg durch den physischen Leib, auch den Ätherleib meinetwillen, das setzt sich fort im astralischen Leib und im Ich. Diese beiden letzteren sind aber während des Schlafes in einer ganz anderen Umgebung. Sie machen etwas durch, was sie nur während des Schlafes durchmachen, und dasjenige, was Sie dem Kinde beigebracht haben, macht die Sache mit; macht sie mit eben in denjenigen Wirkungen, die in dem astralischen Leib und dem Ich geblieben sind. Sie müssen daran denken, daß Sie dasjenige, was Sie dem Kinde auf dem Umweg durch das Physische beibringen, hineinleiten in den astralischen Leib, in das Ich; und daß Sie dadurch eine Wirkung ausüben auf die Art und Weise, wie das Kind vom Einschlafen bis zum Aufwachen lebt, und daß Ihnen am nächsten Tag das Kind dasjenige mitbringt, was es da zwischen dem Einschlafen und dem Aufwachen durchgemacht hat.
Sie können sich das an einem einfachen Beispiel klarmachen. Nehmen Sie den Fall, das Kind eurythmisiert oder singt. Da ist der physische Leib des Kindes selber in Betätigung, und dieser physische Leib und der Ätherleib, die in Betätigung sind, drängen dem astralischen Leib und dem Ich dasjenige auf, was in ihrer Tätigkeit liegt. Astralischer Leib und Ich müssen dasjenige mitmachen, was -Tätigkeit ist des physischen Leibes und des Ätherleibes.

via de omweg van het fysieke lichaam, eventueel ook via het etherlichaam, dat werkt door in hun astrale lichaam en hun Ik. Deze laatste twee zijn echter tijdens de slaap in een totaal andere omgeving. Ze maken iets door wat ze alleen tijdens de slaap doormaken, en wat u de kinderen hebt bijgebracht, maakt dat mee; dat maakt het mee in de doorwerking die ervan in het astrale lichaam en het Ik is achtergebleven. U moet in gedachten houden dat u dat, wat u de kinderen via de omweg van het fysieke lichaam bijbrengt, in het astrale lichaam en het Ik invoert; daardoor oefent u een werking uit op de manier waarop de kinderen leven tussen inslapen en ontwaken, en de kinderen brengen de volgende dag weer mee wat ze tussen inslapen en ontwaken hebben doorge­maakt.
Dat kan aan de hand van een eenvoudig voorbeeld duidelijk worden. Neem het geval dat de kinderen euritmie doen of zingen. Daarbij is het fysieke lichaam van de kinderen zelf actief; dit fysieke lichaam en het etherlichaam, die akctief bezig zijn, dringen aan het astrale lichaam en het Ik op wat in die activiteit besloten ligt. Het astrale lichaam en Ik moeten die activiteit van het fysieke lichaam en etherlichaam meemaken.

Das Weitere ist, daß sich astralischer Leib und Ich eigentlich wehren gegen dieses Mitmachen,sie haben eigentlich andere Kräfte in sich. Die müssen in einer gewissen Weise überwunden werden. Sie wehren sich, sie müssen sich dem anbequemen, was ihnen da von außen beigebracht wird durch ihre eigene Leiblichkeit – beim Eurythmisieren mehr durch den physischen Leib, beim Anhören von Instrumental-Musikalischem durch den Ätherleib. Nun kommen Ich und astralischer Leib in die Welt, die der Mciisch zwischen dem Einschlafen und dem Aufwachen durchlebt; da vibriert alles dasjenige nach, was dem astralischen Leib und dem Ich aufgedrängt worden ist. Da machen in der Weise, die eben vom astralischen Leib und Ich durchlebt wird, also in einer viel ausgebreiteteren und vergeistigten Weise der astralische Leib und das Ich nach, was sie da eurythmisiert und nachher musikalisch erlebt haben; sie machen das alles nach. Was sie da erlebt haben zwischen Einschlafen und Aufwachen, das bringen die Kinder am Morgen wiederum mit, 

Hiertegen verzetten het astrale lichaam en Ik zich vervolgens. Zij hebben eigenlijk andere krachten in zich. Die moeten in zekere zin overwonnen worden. Ze verzetten zich, ze worden gedwongen zich aan te passen aan wat er van buiten af op hen inwerkt door middel van hun eigen lichamelijkheid – bij het doen van euritmie meer door middel van het fysieke lichaam, bij het luisteren naar instrumentale muziek door middel van het etherli­chaam.
Nu komen Ik en astrale lichaam in de wereld waarin de mens tussen inslapen en ontwaken leeft. Daar vibreert alles na wat het astrale lichaam en het Ik is opgedrongen. Daar doen het Ik en het astrale lichaam na wat ze aan de euritmie, respectievelijk aan de muziek hebben beleefd, op een manier die voor astrale lichaam en Ik kenmerkend is, dus veel uitgebreider, en vergeestelijkt; ze doen dat allemaal na. En wat de kinderen tussen inslapen en ontwaken beleefd hebben, brengen ze ’s morgens weer mee

blz. 44; vert. 44

wenn sie in die Schule kommen; das haben sie in ihren physischen und ihren Ätherleib hineingetragen, und wir haben damit zu rechnen.
Wenn wir den Menschen in seiner Totalität betrachten, dann erscheint er uns eben als ein außerordentlich kompliziertes Gebilde, das wir bewältigen müssen im Unterrichten und Erziehen. Nun, wenn wir mehr ins einzelne gehen, so können wir etwa sagen: Nehmen wir das eurythmisierende Kind,der physische Leib ist in Bewegung, die Bewegungen des physischen Leibes übertragen sich auf den Ätherleib.
Der astralische Leib und das Ich wehren sich zunächst, und ihnen wird in einer gewissen Weise dasjenige eingeprägt, was an Betätigung des physischen Leibes und des Ätherleibes stattfindet. Sie gehen dann hinaus während des Schlafes und sie bringen dasjenige, was ihnen da eingeprägt worden ist, mit ganz anderen geistigen Kräften in Verbindung. Am Morgen tragen sie es wiederum in den physischen Leib und in den Atherleib zurück. Und es ist dann ein merkwürdiges Zusammenstimmen desjenigen, was zwischen Einschlafen und Aufwachen aus dem Geistigen aufgenommen worden ist und demjenigen, was physischer Leib und Ätherleib im Eurythmisieren durchgemacht haben.

als ze naar school komen; dat hebben ze namelijk binnengebracht in hun fysieke lichaam en hun etherlichaam. Daar moeten wij rekening mee houden.
Als we de mens in zijn totaliteit bekijken, dan verschijnt hij ons als een buitengewoon gecompliceerd wezen, dat we in onderwijs en opvoeding de baas moeten worden. Welnu, als we meer in detail treden, kunnen we zeggen: we nemen het kind voor ons dat euritmie doet, het fysieke lichaam is in beweging, de bewegingen van het fysieke lichaam gaan over op het etherlichaam. Het astrale lichaam en het Ik verzetten zich in eerste instantie, en hen wordt op een bepaalde manier ingeprent wat zich afspeelt aan activiteiten in fysiek lichaam en etherlichaam. Tijdens de slaap gaan ze er dan uit en brengen datgene wat hun zo is ingeprent in verbinding met geheel andere krachten. De volgende morgen brengen ze het weer terug in het fysieke lichaam en in het etherlichaam. Dan vindt er een merkwaardig samengaan plaats van dat wat er tussen inslapen en ontwaken uit de geestelijke wereld is opgenomen én dat wat fysiek lichaam en etherlichaam bij de euritmie hebben doorge­maakt.

Die Wirkung zeigt sich in der Art, daß die geistigen Erlebnisse, die zwischen dem Einschlafen und Aufwachen durchgemacht worden sind, mit demjenigen zusammenpassen, was am vorigen Tage vorbereitet und durchgemacht worden ist. Und erst in diesem Hineinkommen zeigt sich eine besonders gesundheitlich wirkende Kraft, die in diesem Eurythmisieren liegt. Es wird tatsächlich, ich möchte sagen, geistige Substantialität beim nächsten Aufwachen in den Menschen hineingetragen, wenn in dieser Weise Eurythmie gepflegt wird. Und in einer ganz ähnlichen Weise ist es zum Beispiel beim Singen. Wenn wir Gesang mit dem Kinde üben, so ist das Wesentliche, was an Tätigkeit entfaltet wird, eine Tätigkeit des Ätherleibes. Der astralische Leib muß sich ihm stark anpassen. Er wehrt sich zunächst, trägt das dann hinaus in die geistige Welt. Er koriimt wiederum zurück und da äußert sich wiederum eine gesundheitlich wirkende Kraft. Wir können sagen: Beim Eurythmisieren äußert sich mehr eine wirklich das körperliche Befinden gesundende Kraft für das Kind; beim Singen äußert sich eine Kraft, welche mehr auf den Bewegungsapparat im Menschen wirkt 

De werking treedt aan het licht doordat de geestelijke belevenissen die tussen inslapen en ontwaken zijn doorgemaakt, aansluiten bij dat wat de vorige dag voorbereid en doorgemaakt is. En pas doordat dit zo doorwerkt blijkt de bijzonder gezondmakende kracht die in de euritmie verborgen ligt. Bij het ontwaken wordt er werkelijk geestelijke substantie binnengedragen in de mens, als er op deze manier euritmie wordt gedaan.
Op vergelijkbare wijze gaat het bijvoorbeeld bij het zingen. Wanneer we met de kinderen zingen, dan is de wezenlijke activiteit daarvan een activiteit van het etherlichaam. Het astrale lichaam moet zich sterk daaraan aanpassen. Het verzet zich aanvankelijk, neemt het vervolgens mee de geestelijke wereld in. Het komt weer terug, en dan uit zich weer een gezondmakende kracht. We kunnen zeggen: bij de euritmie uit zich meer een kracht die gezondmakend werkt op de lichamelijke toestand van de kinderen; bij het zingen uit zich een kracht die meer op het bewegingsapparaat van de mens werkt,

blz. 45; vert. 45

und dadurch von den Bewegungen aus wiederum zurück wirkt auf die Gesundheit des physischen Körpers.
Man kann diese Dinge in der Erziehung außerordentlich gut benützen. Würde man zum Beispiel die Dinge so einrichten können – ich rede ja da von einem Ideal, aber diesem Ideal kann man sich doch im Lehrkörper nähern -, würde man die Dinge so einrichten, daß wir zum Beispiel eines Nachmittags Eurythmie machen, diese Eurythmie geistig ausleben lassen durch die Nacht; am nächsten Tage treiben wir mit dem Kinde mehr Turnerisches in dem Sinn, wie ich das gestern erwähnt habe: dann dringt das so in den Körper ein, daß das Turnen gewissermaßen gesundend wirkt, so daß man sehr viel durch dieses Abwechseln von Eurythmisieren und Turnen erreichen könnte. Und wiederum sehr viel könnte man zum Beispiel dadurch erreichen, daß man in der Lage wäre, durch das Vorhandensein aller Bedingungen, die Kinder an einem Tag singen zu lassen. Sie tragen dann dasjenige, was sie im Singen erlebt haben, beim Schlafen in die geistige Welt hinein. Am nächsten Tag treibt man mit ihnen Instrumentalmusik; also man betreibt mehr das Anhören, nicht die eigene Betätigung. Dann äußert sich wiederum in außerordentlich gesunder Weise dasjenige, was da am Vortag getrieben worden ist durch jene Befestigung, die im Anhören der Instrumentalmusik vom Menschen geleistet wird.

en daardoor vanuit de bewegingen weer terugwerkt op de gezondheid van het fysieke lichaam.
Je kunt deze dingen in de opvoeding buitengewoon goed gebrui­ken. Ik spreek nu over een ideaal, maar dit ideaal kan men in het college toch nastreven: zou je het zó kunnen inrichten dat we bijvoorbeeld op een middag euritmie doen, die euritmie geestelijk werkzaam laten zijn door de nacht; de volgende dag doen we gymnastiek met de kinderen in de zin zoals ik er gisteren over gesproken heb: dan doordringt dat het lichaam zó dat de gymnastiek in zekere zin gezondmakend werkt. Zo zou je heel veel kunnen bereiken door deze afwisseling van euritmie en gymnastiek. En evenzo zou je bijvoorbeeld heel veel kunnen bereiken – als je in de gelegenheid was doordat alle voorwaarden daartoe aanwezig wa­ren – door de kinderen op de ene dag te laten zingen; ze nemen dan wat ze bij het zingen beleefd hebben, tijdens de slaap mee in de geestelijke wereld. De volgende dag laat je ze luisteren naar instru­mentale muziek; je appelleert dus meer aan het luisteren en niet zozeer aan de eigen activiteit. Dan komt opnieuw op een buitenge­woon gezonde manier tot uiting wat er de vorige dag is gedaan, door de versterking die de mens tot stand brengt bij het luisteren naar de instrumentale muziek.|
GA302/42-45
vertaald/43-45

blz. 57; vert. 57

Wenn wir nun dasjenige treiben, was wir den Kindern auf den verschiedensten Gebieten beibringen müssen, also ich will sagen, was wir ihnen beibringen, während wir mit ihnen lesen oder ihnen das vermitteln, was zum Lesen führt, was wir ihnen beibringen als das Gedankliche im Rechnen, was wir ihnen beibringen auch in der Naturgeschichte dder Naturlehre – durch all das, was in Gedanken sich ausspricht, bringen wir eben Vorstellungen an sie heran. Und Vorstellungen an die Kinder heranbringen, das ist im Grunde eine ganz andere Betätigung gegenüber dem kindlichen Organismus, als diejenige ist, die sich ja allerdings in die anderen zum Teil hineinmischt, aber zum Teil selbständig getrieben wird. Nicht wahr, ganz selbständig wird das Körperlich-Leibliche getrieben bei Eurythmie, beim Musik- unterricht, beim Turnunterricht, in einer gewissen Weise beim Instrumentalunterricht, nicht mehr aber beim Gesangunterricht. Natürlich ist alles nur relativ. Aber es ist durchaus polarisch verschieden, was wir in diesen Fächern an die Kinder heranbringen, auch was das Kind beim Lesen, beim Schreiben lernt, wo wir stark an die körperliche Tätigkeit appellieren, von den Fächern, wo dies viel weniger der Fall ist, etwa beim Rechnen, wo die körperliche Tätigkeit eine untergeordnete Rolle spielt; während gerade beim Schreiben die körperliche Betätigung eine sehr große Rolle spielt.

Nu leren we de kinderen dingen op de meest uiteenlopende gebieden; als we met ze lezen, of ze leren lezen, als we ze leren rekenen, ook als we ze dingen leren in de plant- en dierkundeles, dingen over de natuur,- door alles wat in gedachtevorm wordt uitgedrukt, benaderen we ze met voorstellingen. En de kinderen benaderen met voorstellingen is een fundamenteel andere activiteit ten opzichte van het kinderlijke organisme dan dat wat deels zelfstandig bedreven wordt, maar wat zich hier wel ten dele mee vermengt. Geheel zelfstandig wordt het fysieke lichaam aangespro­ken bij euritmie, bij muziek, bij gymnastiek, en tot op zekere hoogte bij het instrumentale muziekonderwijs; maar niet meer bij het zingen. Natuurlijk is alles slechts relatief. Maar het is volstrekt tegenovergesteld: wat we in déze vakken met de kinderen doen, ook wat de kinderen leren bij het lezen en schrijven, waarbij we sterk appelleren aan de lichamelijke activiteit, staat in tegenstelling tot de vakken waarbij dat veel minder het geval is, bijvoorbeeld bij het rekenen, waarbij de lichamelijke activiteit een ondergeschikte rol speelt; terwijl bij het schrijven de lichamelijke activiteit juist een zeer grote rol speelt.
GA302/57
vertaald/57

blz. 62; vert. blz. 61

In einem gewissen entgegengesetzten Sinn wirkt dann das Eurythmische, das Gesangliche; da findet ein ganz anderer organischer Prozeß statt. Bei all denjenigen Organen, die sich daran betätigen, sitzt nämlich das Geistige zunächst in den Organen drinnen. Wenn Sie das Kind eurythmisieren lassen, so kommt es in Bewegung und durch den Verlauf dieser Bewegung strömt das Geistige, das in den Gliedern ist, aus den Organen nach oben. Es ist eine Erlösung des Geistigen, wenn ich das Kind eurythmisieren oder singen lasse. Das Geistige, von dem die Glieder strotzen, wird herauserlöst. Das ist der reale Vorgang. Es ist also ein wirkliches Herausholen des Geistigen aus dem Kinde, was ich dabei vollbringe. Und das hat nun wiederum zur Folge, daß, wenn das Kind aufhört solche Übungen zu machen, das Geistige darauf wartet, um Verwendung zu finden. – Ich habe Ihnen dieses gestern in anderer Beziehung klargemacht. – Aber das Geistige wartet auch wiederum darauf, sich zu befestigen. Ich habe das Kind wirklich vergei&tigt, indem ich es turnen, eurythmisieren oder singen lasse.
Das Kind ist ein ganz anderes Wesen geworden; es hat viel mehr Geistiges in sich. Das will sich aber befestigen; das will beim Kinde bleiben; das dürfen wir nicht ableiten. Und da gibt es das einfachste Mittel: Wir bringen das Kind kurze Zeit, nachdem es eurythmisiert, geturnt oder gesungen hat, ein wenig zur Ruhe. Wir lassen die ganze

In zekere mate daaraan tegengesteld werken euritmie en zingen; daarbij vindt een totaal ander organisch proces plaats. Bij alle organen die daarbij betrokken zijn, zit namelijk het geestelijke in de organen zelf. Wanneer u de kinderen euritmie laat doen komen ze in beweging, en door het verloop van die beweging stroomt het geestelijke dat in de ledematen zit, uit de organen omhoog. De kinderen euritmie laten doen, of laten zingen betekent een verlos­sing van het geestelijke. Het geestelijke, waarmee de ledematen boordevol zitten, wordt eruit bevrijd. Dat is een reëel proces. Wat ik dan doe is werkelijk het tevoorschijn halen van het geestelijke uit het kind. En dat heeft dan weer tot gevolg dat, wanneer het kind ophoudt met zulke oefeningen, het geestelijke erop wacht gebruikt te worden. Dit heb ik u gisteren in ander verband duidelijk gemaakt. -Maar het geestelijke wacht er ook weer op, zich te kunnen verankeren. Doordat ik de kinderen gymnastiek of euritmie heb laten doen of heb laten zingen, heb ik ze werkelijk vergeestelijkt. Ze zijn andere wezens geworden, ze hebben veel meer geestelijks in zich. Maar dat geestelijke wil zich weer verankeren, wil bij de kinderen blijven; dat mogen we niet laten ontsnappen. Daarvoor is een allereenvoudigst middel: we brengen de kinderen na de eurit­mie, de gymnastiek of het zingen, korte tijd tot een zekere rust. We laten de hele

blz. 63; vert. blz. 62

Gruppe nur ein wenig ausruhen und versuchen, diese Ruhe, wenn es auch nur ein paar Minuten sein sollten, aufrechtzuerhalten. Je älter die Kinder sind, desto mehr ist das notwendig. Das sollten wir auch berücksichtigen, sonst ist am nächsten Tag doch nicht dasjenige vorhanden, was wir eigentlich brauchen. Es ist nicht gerade das ganz richtig, wenn man die Kinder wieder fortjagt, sondern man soll sie ein wenig in Ruhe sein lassen.
Bei all diesem bildet man im Grunde genommen ein Weltprinzip ab.
Die Menschen machen ja alle möglichen Theorien über Materie und Geist. Aber beiden, Materie und Geist, liegt etwas Höheres zugrunde.
Und man kann eigentlich sagen: Wenn dieses Höhere zur Ruhe gebracht wird, dann ist es Materie; wenn dieses Höhere in Bewegung gebracht wird, dann ist es Geist. Das können wir, weil es ein sehr hohes Prinzip ist, durchaus auf den Menschen übertragen. Der Mensch erschafft für dasjenige, was in dem Geistigen erlöst wird, auf die Art, wie ich es erzählt habe, ein Schema in sich durch die Ruhe. Das setzt sich ab, und er kann es dann brauchen. Es ist schon gut, so etwas überhaupt zu wissen, weil man dann alles mögliche auch noch bei anderen Dingen findet, um sich in entsprechender Weise den Kindern gegenüber zu benehmen.

groep een beetje uitrusten en proberen die rust te handhaven, ook al is het maar een paar minuten lang. Hoe ouder de kinderen zijn, des te noodzakelijker is dat. Daar moeten we goed op letten, anders is de volgende dag dat wat we eigenlijk nodig hebben, toch niet aanwezig. Het is niet goed de kinderen meteen weer naar het volgende te jagen; je moet ze een ogenblik tot rust laten komen.
Bij dit alles hanteert men in wezen een fundamenteel wereldprin­cipe. Tegenwoordig worden er allerlei theorieën over materie en geest opgesteld. Maar aan beide, materie en geest, ligt een hoger principe ten grondslag. En eigenlijk kun je zeggen: wanneer dit hogere tot rust gebracht wordt, dan is het materie; wanneer dit hogere in beweging gebracht wordt, dan is het geest. Omdat het een zeer hoog principe is, kunnen we het zeer zeker naar de mens toe vertalen. Door de rust schept de mens voor het geestelijke dat op de beschreven wijze vrij gemaakt is, in zichzelf een structuur. Dat zet zich in hem af, en dan kan hij het gebruiken. Het is goed om zoiets te weten, omdat je dan ook nog allerlei andere dingen kunt ontdek­ken om een juiste houding tegenover de kinderen aan te nemen.
GA302/62-63
vertaald/61-62

blz. 129; vert. 126

Wenn das Kind eurythmisiert, wenn das Kind singt, was tut es denn da eigentlich? Es setzt sich in einer gewissen Weise, indem es die Nachahmung loslöst von sich, das Nachahmen fort. Es bewegt sich.
Das Gesangliche und das Zuhören beim Musikalischen ist im Grunde genommen innerliche Bewegung, wie sie betätigt wird beim Nachahmen. Und wenn wir eurythmisieren mit dem Kinde, was tun wir denn da? Wir lassen es, statt daß wir ihm den Griffel oder die Feder in die Hand geben und es diese Dinge machen lassen, die das A und das E sind, und zu denen es einen reinen Erkenntnisbezug haben soll,durch seine eigene menschliche Gestalt dasjenige ineinschreiben in die Welt, was der Inhalt der Sprache ist. Wir abstrahieren nicht hin zu einem abstrakten Zeichen, sondern wir lassen den Menschen selber das hineinschreiben in die Welt, was er durch seinen Organismus hineinschreiben kann. Wir lassen ihn also in einer gewissen Weise die Tätigkeit fortsetzen, die er im präexistenten Leben hatte.

Wat doet een kind wanneer het euritmiseert, wanneer het zingt? Terwijl het het nabootsingselement in zekere zin uit zich losmaakt, zet het het nabootsen voort. Het beweegt zich; het zangelement en het luisteren bij het muzikale onderwijs is in feite innerlijke bewe­ging, zoals die bij het nabootsen wordt geactiveerd.
Wat doen we wanneer we met een kind euritmie doen? In plaats van dat we het de griffel of de pen in de hand geven en de dingen laten maken die de A en de E zijn, waar het een puur cognitieve relatie toe moet hebben, laten we het door middel van zijn eigen menselijke gestalte iets in de wereld schrijven wat inhoud van de taal is. We abstraheren niet tot het een of ander abstract teken; we laten de mens zelf iets in de wereld schrijven wat hij door middel van zijn organisme kan schrijven. We laten hem dus in zekere zin de activiteit voortzetten die hij in het voorgeboorte!ijke leven heeft bedreven. Als we dan niet naar abstracte tekens toe gaan, maar naar het bééld bij het leren schrijven en lezen, dan verwijderen we ons door het feit dat hij zijn wezen actief moet inzetten niet van zijn wezen; we laten hem zich niet geheel en al verwijderen van wat zijn wezen is. Oefenend en door inspanning brengen we hem de gehele mens bij.
GA302/129
vertaald/126-127

.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

.

1399

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over euritmie – GA 301

.

RUDOLF STEINER OVER EURITMIE

GA 301

beknopte inhoud:
blz.93:
euritmie: bezielde gymnastiek – gymnastiek meer fysiek;
blz. 94: kinderen die niet graag euritmie doen; euritmie (ook op 95): zichtbare spraakklank, zichtbare beweging strottenhoofd, enz.; spreken als gevoels- en wilsactiviteit; tegengestelde van dromen;
blz. 95: gymnastiek: geen wilsinitiatieven; gevolgen voor maatschappij;
blz. 96: werking van euritmie voor aandacht voor de wereld; zangles, euritmie en gymnastiek door 1 leraar;
blz. 119: morele zwakte en euritmie vóór het 9e jaar
blz. 200: zie blz. 95
blz. 249: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 15 mei 1920 Dornach
euritmie vanuit gezichtspunt van iets puur kunstzinnigs; een pedagogisch-didactisch gezichtspunt en een hygiënisch gezichtspunt.
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken;(bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen);
blz. 250: taal is sociaal; wat een gedicht moet zijn;
blz. 251: euritmiebewegingen zijn niet willekeurig; reciteren;
blz. 252: pedagogische euritmie: bezielde gymnastiek
blz. 253: euritmie leidt tot wilsinitiatief, meer dan gymnastiek

blz. 256: inleidende woorden bij een euritmieopvoering op 16 mei 1920 Dornach
euritmie zichtbaar geworden studie van spraakklanken; (bij het vertalen heb je te maken met Sprache = taal en spraak, dus kun je voor spraak ook taal lezen);
blz. 257: wat is een gedicht; reciteren;
blz. 259: euritmie ontstaan door zintuiglijk-bovenzintuiglijke studie (Goethe)
ped. euritmie werkt op de wil; gymnastiek versterkt alleen het lichaam; voert terug tot ritme: hygiënisch aspect;

blz. 93

Nun haben wir die körperlichen Übungen so eingeteilt, daß wir teilen zwischen dem bloßen physiologischen Turnen und demjeni­gen, was wir die Eurythmie nennen. Dasjenige, was wir die Eurythmie nennen – Eurythmie kommt auch vom künstlerischen Standpunkte aus in Betracht, aber das werde ich ein anderes Mal auseinandersetzen, könnte ich vom pädagogisch-didaktischen Standpunkte nennen ein beseeltes Turnen. Das wird hinzugefügt zu dem bloßen physiologischen Turnen. Sehen Sie, das bloße physiologische Turnen – womit ich das Turnen meine, wie es heute getrieben wird -, das geht doch mehr oder weniger, wenn man es auch leugnet, von einem Studium der mensch­lichen Körperlichkeit aus. Gewiß, ich weiß, daß dagegen sich manches einwenden läßt. Aber im ganzen denkt man doch nur auch bei dem, was man Durchseelung des Turnunterrichts nennen könnte – die heu­tige Naturwissenschaft gibt ja auch keinen Anlaß mehr zu denken -, doch nur eigentlich an das Physiologische oder höchstens an das Psycho­logische. Die Eurythmie unterscheidet sich von dem dadurch, daß jede Bewegung, die das Kind macht, beseelt ist, daß jede Bewegung nicht

Nu hebben wij de lichamelijke oefeningen zo ingedeeld, dat we een verdeling maken tussen de puur fysieke gymnastiek en wat we euritmie noemen  – euritmie kan ook vanuit een kunstzinnig standpunt beschouwd worden – dat zou ik vanuit een pedagogisch-didactisch standpunt een bezielde gymnastiek willen noemen. Dat wordt toegevoegd aan de puur fysieke gymnastiek, waarmee ik de gymnastiek bedoel zoals die tegenwoordig gedaan wordt – die gaat toch min of meer uit, ook al wordt dat ontkend – van een bestuderen van het menselijk lichaam. Ik weet wel dat hiertegen nog veel ingebracht kan worden. Maar over het algemeen denkt men toch alleen maar bij wat je een bezieling van het gymnastiekonderwijs zou kunnen noemen, – de huidige natuurwetenschap geeft geen aanleiding om aan meer te denken – aan het fysieke, hoogstens aan iets psychologisch. Het verschil met euritmie is dat hierbij iedere beweging niet

blz. 94

nur eine körperliche Bewegung ist, sondern daß jede Bewegung ebenso der Ausdruck eines Seelischen ist, wie der Sprachlaut der Ausdruck eines Seelischen ist.       Eurythmie läuft zuletzt darauf hinaus, daß man, wenn man sie ver­steht, eurythmisierend, von Eurythmie ablesen kann genau ebenso ein Wort, einen Satz, wie durch die bloße Lautsprache. Es ist Eurythmie entstanden dadurch, daß – wenn ich den Goetheschen Ausdruck ge­brauchen darf – durch sinnlich-übersinnliches Schauen die Bewegungstendenzen des Kehlkopfes, des Gaumens, der Lippen studiert sind, und daß nach dem Goetheschen Metamorphosenprinzip die Bewegung eines Organs übertragen ist auf den ganzen Menschen.Bei Goethe herrschte die Anschauung, daß die ganze Pflanze nur ein kompliziertes Blatt sei. Wir sagen:

alleen een lichamelijke beweging is, maar dat iedere beweging ook een uitdrukking is van een gevoel, zoals een spraakklank een uitdrukking is van een gevoel.
Nu bleek ook dat er onder de 280 kinderen in acht klassen, die we op de vrijeschool hebben, er drie waren die niet aan deze lessen wilden meedoen. Ze wilden die les niet. De anderen beleefden er het grootste plezier aan. Toen dit bekeken werd, bleek dat deze drie niet hielden van actief bezig zijn. Ze zijn er te traag voor; ze willen liever bewegingen maken die de mens alleen passief aanspreken. Zij willen in de bewegingen geen bezieling leggen.
Het gaat met euritmie uiteindelijk zo dat je, wanneer je het begrijpt, euritmiserend, door euritmie net zo precies een woord, een zin kan lezen, als door alleen maar de spraakklanken. Euritmie is ontstaan – wanneer ik de uitdrukking van Goethe mag gebruiken – door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen van de bewegingsimpulsen van het strottenhoofd, het verhemelte, de lippen te bestuderen en dat dan volgens het metamorfoseprincipe van Goethe de beweging van een orgaan overgaat op de hele mens. Goethe was van mening dat heel de plant alleen maar één gecompliceerd blad is. Wij zeggen:

Alles das, was der Mensch an Bewegungen nach seinem Willen vollziehen kann, ist ein Nachbilden dessen, was nicht die wirklichen Bewegungen, aber die Bewegungstendenzen sind in den Sprachorganen, so daß immer der ganze Mensch zu einem lebendig bewegten Kehlkopfe wird.Das ist etwas, was ungeheuer selbstverständlich auf die kindliche Natur wirkt; denn man muß nur bedenken, daß das Sprechen in Lau­ten ein Lokalisieren der menschlichen Gesamttätigkeit ist. Es fließt zu­sammen in dem Sprechen die Vorstellungstätigkeit und die Willens-tätigkeit, und indem sie sich begegnen, werden sie Gefühlstätigkeit, Vorstellungstätigkeit und Willenstätigkeit. Die vorstellende Tätigkeit, die in unseren zivilisierten Sprachen zum größten Teile eine sehr ab­strakte ist, die wird nun gelassen bei der Eurythmie, und es fließt alles aus dem ganzen Menschen aus dem Willen heraus, so daß der Wille eigentlich bei der Eurythmie in Anspruch genommen wird. Eurythmie ist das Gegenteil vom Träumen. Träumen bringt den Menschen in das Erleben der Vorstellungswelt. Er liegt ruhig da, und die Bewegungen, die er sich vorstellt, die sind nicht in Wirklichkeit da. Er mag große

alles wat de mens aan bewegingen wil en kan maken, is het nadoen van wat niet de echte bewegingen zijn, maar bewegingsimpulsen zijn in de spraakorganen, zodat steeds de hele mens een levend bewegend strottenhoofd wordt.
Zoiets werkt ongelooflijk als vanzelf op de natuur van het kind; want je hoeft maar te bedenken dat het spreken in klanken een activiteit is van de hele mens die gelokaliseerd is. In het spreken komen samen voorstellen en willen en wanneer die elkaar ontmoeten worden ze een gevoelsactiviteit, een voorstellings – en wilsactiviteit. Het zich voorstellen dat in onze gecultiveerde talen voor het grootste deel zeer abstract is geworden, wordt bij euritmie minder en alles stroomt uit de totale mens vanuit zijn wil, zodat bij de euritmie eigenlijk de wil aangesproken wordt. Euritmie is het tegendeel van dromen. Dromen brengt de mens tot het beleven van de wereld van de voorstellingen. Hij ligt rustig stil en de bewegingen die hij zich voorstelt, zijn er in werkelijkheid niet. In zijn dromen

blz. 95

Landpartien unternehmen im Traume – er bewegt sich in der Wirk­lichkeit nicht. Das ist alles in seiner Vorstellung vorhanden. Bei der Eurythmie ist das Umgekehrte da. Beim Traum ist der Mensch halb eingeschlafen, bei der Eurythmie stärker aufgewacht, als er im ge­wöhnlichen Leben aufgewacht ist. Er führt dasjenige aus, was gerade im Traume unterschlagen wird; er unterdrückt dasjenige, was im Traume die Hauptsache ist; er führt für alles, was Vorstellen ist, zu­gleich eine Bewegung aus. Diese Aktivität, sie paßt allerdings manchen Kindern nicht. Also, ich bin fest überzeugt davon, und ich muß sagen, die kurze Zeit, in der wir in dieser Weise die sonst für das Turnen vor­geschriebene Zeit zwischen Turnen und Eurythmie teilen, sie hat mich doch schon überzeugt davon – natürlich dem Grade nach, die Sache muß erst weiter ausgeprüft werden -, daß das bloße physiologische Turnen gewiß diejenigen Dinge teilweise erreicht, die man anstrebt, aber es trägt dieses physiologische Turnen nichts bei zu der Stärkung der von der Seele ausgehenden Willensinitiative, höchstens indirekt, dadurch, daß man lernt, gewisse körperliche Ungeschicklichkeiten leichter zu überwinden. Aber in positiver Weise trägt das bloße physiologische Turnen nichts zur Willensinitiative bei. Und ich kann nicht anders, als dieser Frage auch eine große soziale Bedeutung beilegen.

mag hij dan wel uitstapjes op het platteland maken – in werkelijkheid beweegt hij zich niet. Het zit allemaal in de voorstelling. Bij euritmie is het omgekeerde het geval. In de droom is de mens half ingeslapen, bij euritmie sterker wakker dan dat hij in het dagelijks leven is. Hij doet dan, wat bij het dromen achterwege blijft; hij onderdrukt wat bij de droom de hoofdzaak is; hij voert voor alles wat voorstelling is, tegelijkertijd een beweging uit. Deze activiteit vinden sommige kinderen beslist niet fijn. Maar, daar ben ik vast van overtuigd en ik moet zeggen, de korte tijd waarin we op deze manier de tijd die anders voor de gymnastiek verplicht is, tussen gymnastiek en euritmie verdelen, heeft me toch de overtuiging gebracht – natuurlijk in verhouding, de zaak moet eerst nog verder geëxperimenteerd worden  – dat de uitsluitend fysieke gymnastiek zeker wel de dingen die nagestreefd worden voor een deel bereikt, maar deze fysieke gymnastiek draagt niets bij aan de versterking van de vanuit de ziel uitgaande wilsinitiatieven, hoogstens indirect bij het leren om bepaalde lichamelijke onvermogens makkelijker te overwinnen. Maar in positieve zin draagt de puur fysieke gymnastiek niets bij aan wilsinitiatieven. En ik kan niet anders dan aan dit vraagstuk ook een grote sociale betekenis te hechten.

Sehen Sie, ich frage mich heute: Woher kommt es denn, daß wir, trotzdem wir durch die Not der letzten Jahre gegangen sind, heute vor einer Menschheit stehen, welche so wenig Verständnis hat für die um sich greifende Willenslähmung? Diejenigen, die hier in der Schweiz leben und niemals sich zum Beispiel Gegenden anschauen, wie man sie heute in Deutschland finden kann, die haben doch kein rechtes Ver­ständnis für eine solche Erscheinung. Sie werden dieses Verständnis in fünf bis sechs Jahren oder vielleicht etwas später erwerben; denn das­jenige, was sich in einzelnen Gegenden Europas ergibt, wenn nicht Re­medur geschaffen wird, wird sich über ganz Europa verbreiten – man hat in Gegenden, die noch wenig davon betroffen sind, keine Vorstel­lung davon, wie gelähmt gerade der seelische Wille zum Beispiel der mitteleuropäischen Bevölkerung ist. Das ist etwas Furchtbares. Wenn man sich Mühe gegeben hat, durch Wochen und Monate die Leute auf das oder jenes hinzuweisen und man dann mit dem einen oder anderen spricht hinterher, sagt er: Das mag ja alles recht sein, aber es ist schon alles ganz gleich! Das ist eine Rede, die ich oft und oft gehört habe im Verlaufe eines Jahres. Und ich kann nicht anders – ich habe mir viel

Kijk, ik vraag mij tegenwoordig af: hoe komt het toch dat wij, ondanks dat we de ellende van de laatste jaren hebben meegemaakt, tegenwoordig naar een mensheid kijken die zo weinig begrip heeft voor de om zich heen grijpende wilsverlamming. Wie hier in Zwitserland woont en nooit gebieden ziet zoals je die tegenwoordig in Duitsland kan vinden, heeft toch geen echt begrip voor zo’n verschijnsel. Die zal dit begrip wel over vijf of zes jaar of misschien nog wat later krijgen; want wat zich afspeelt in enkele gebieden van Europa, zal zich ook, wanneer er geen remedie tegen wordt ontwikkeld, over heel Europa verspreiden – men heeft er in gebieden die er nog weinig door getroffen zijn, geen voorstelling van hoe verlamd de wil al is van bijv. de bevolking van Midden-Europa. Dat is iets vreselijks. Wanneer je je de moeite hebt getroost, weken, maanden lang de mensen op het een en ander te wijzen en als je dan later met deze of gene spreekt, zegt die: dat kan allemaal wel zijn, maar het is allemaal een pot nat! Dat is een reden die ik in de loop van het jaar telkens en telkens weer heb gehoord. En ik kan niet anders – ik heb er veel

blz. 96

Mühe gegeben, auf die Gründe für solche Dinge zu kommen – als auch das als eine Folge der großen Lobhudelei – wenn ich mich des Aus­druckes bedienen darf, ich bitte aber, daß Sie mir ihn nicht übelneh­men – des bloßen physiologischen Turnens anzusehen. Das stärkt nicht die Initiative des Willens! Die Initiative des Willens wird gestärkt, wenn man Bewegungen ausführt als Kind, wo jede einzelne Bewegung eine seelische zu gleicher Zeit ist, wo Seele sich hineingießt in jede ein­zelne Bewegung.
Wenn man in dieser Weise versucht, künstlerisch und – wenn ich mich des Ausdrucks bedienen darf – künstlerisch-menschlich an die Dinge heranzukommen, da sieht man, was gerade die jüngsten Kinder von einer solchen künstlerischen Führung des Unterrichts in Wirklich­keit haben. Durch dasjenige, was sie als beseeltes Turnen durchmachen
– das kann man ganz deutlich sehen -, wächst ihr Interesse für die Außenwelt. Es ergibt sich als eine ganz notwendige Folge, daß das Interesse für die Außenwelt wächst. – Herman Grimm, der Kunst­historiker, hat mir in verschiedenen Gesprächen seine Verzweiflung darüber ausgesprochen, daß die Gymnasiasten, die an die Universität kommen und denen er Kunstgeschichte vortragen sollte, bei der Vor­führung eines Bildes von Raffael nicht unterscheiden konnten, welche Gestalten hinten und welche vorne stehen, daß sie gar nicht den ge­ringsten Begriff haben von irgend etwas, was im Hintergrunde, im Vordergrunde ist.

moeite voor gedaan om de oorzaken van deze dingen te vinden – als ook dat als een gevolg te zien van het grote ophemelen – wanneer ik dit zo zeggen mag en ik vraag u mij dat niet kwalijk  te nemen – van de puur fysieke gymnastiek. Die versterkt de wilsinitiatieven niet! De wilsinitiatieven worden sterker wanneer je de bewegingen die je als kind uitvoert, waarbij iedere aparte beweging tegelijkertijd iets van de ziel is, waarbij de ziel in iedere beweging naar buiten komt.
Wanneer je op deze manier probeert, kunstzinnig en – wanneer ik het zo zeggen mag – kunstzinnig-menselijk de dingen te benaderen, zie je wat met name de jongste kinderen aan zo’n kunstzinnig uitvoeren van het onderwijs daadwerkelijk hebben. Door wat zij beleven aan de bezielde gymnastiek – dat kun je heel duidelijk zien – neemt hun belangstelling voor de buitenwereld toe. Het onvermijdelijke gevolg is, dat de belangstelling voor de buitenwereld toeneemt.

Herman Grimm sagte mir oft: Ich bin ganz ver­zweifelt, wenn ich diese Schüler bekomme und ihnen dann Kunst­geschichte vortragen soll. – Bei solchen Kindern, die nun in den ersten Jahren schon lernen, mit bewußtem Seelenleben ihre eigenen Bewegun­gen zu durchdringen, würde dies, wie ich glaube, ganz und gar nicht möglich sein. Sie bekommen ein solches Interesse für die Beobachtung der Außenwelt, daß das ganz erstaunlich ist. Zu dieser Kultur des Willens hat man in der entsprechenden Weise hinzuzufügen die Kultur der Innerlichkeit, die entsteht, wenn man richtiges Musikalisches und Gesangliches an die Kinder heranbringt. Und beides muß im Einklang gehalten werden. Wir haben, um diesen Einklang zu erreichen, eben den Versuch gemacht, daß der Gesangs-, der Eurythmie- und der Turnunterricht durch dieselbe Lehrkraft erteilt werden. Wenn man dieses versucht, so findet man, daß durch das Eurythmisch-Turnerische das Verhältnis zur Außenwelt in bezug namentlich auf das, was vom Willen ausgeht, gestärkt wird, mit Initiative durchdrungen wird, und

Hermann Grimm, de kunsthistoricus, uitte tegen mij in verschillende gesprekken, zijn twijfel over de gymnasiasten die naar de universiteit komen en voor wie hij lezingen over kunstgeschiedenis wilde geven, en die bij het vertonen van een schilderij van Rafael niet konden onderscheiden welke figuren vooraan en welke achteraan staan; dat ze niet het minste begrip hebben voor iets wat op de achtergrond staat of op de voorgrond treedt. Hermann Grimm zei me dikwijls: ‘Ik ben vaak vertwijfeld, wanneer ik deze studenten krijg en hun dan kunstgeschiedenis moet doceren.’- Bij zulke kinderen, die in de eerste jaren al leren met bewust gevoel hun eigen bewegingen te doordringen, zou dit, geloof ik, helemaal niet mogelijk zijn. Zij krijgen zo’n interesse voor het waarnemen van de buitenwereld, dat dat heel verbazingwekkend is. Aan deze wilscultuur moet je op een adequate manier de cultuur van het innerlijk toevoegen, die ontstaat, wanneer je op een goede manier muziekles geeft en met de kinderen zingt. En dat moet elkaar in evenwichthouden. We hebben, om dit evenwicht te bereiken, ook een poging gedaan, dat het zingen, de euritmie en de gymnastiek door dezelfde leerkracht worden gegeven. Wanneer je dit probeert, vind je dat door de euritmisch-gymnastische activiteit de verhouding tot de buitenwereld wat de wil betreft, sterker wordt, inititatiefkracht krijgt en

blz. 97

daß vom Musikalischen in jeder Form ausgeht die gemüthafte Ver­innerlichung. Das ist etwas, was außerordentlich bedeutsam ist. Dann aber, wenn man in dieser Weise versucht, das werdende Kind zu stu­dieren, dann wird man eben aufmerksam, wie namentlich beim wer­denden Kinde Dinge, die einheitlich zu sein scheinen, aus zwei Quellen des menschlichen Erlebens hervorgehen.

dat van het muzikale in elke vorm uitgaat het verinnerlijken van het gevoel. Dat is iets heel belangrijks. Want, wanneer je op deze manier probeert het wordende kind te bestuderen, leer je zien hoe met name bij het wordende kind de dingen die ogenschijnlijk een eenheid lijken, uit twee bronnen van de menselijke beleving stammen.
GA 301/93-97
eigen vertaling van GA 301

Steiner spreekt hier over een kind. Voor een goed begrip is het nodig meer in de betreffende voordracht te lezen:

blz. 119

Da möchte ich darauf hinweisen, daß gerade auf solche Kinder, die in dieser Art moralische Schwäche zeigen, ein beseeltes Turnen, wie ich es als Eurythmie geschildert habe, gesundend wirkt, vorausgesetzt, daß diese Eurythmie’ bei welcher der Mensch nicht nur mit der Hand zeich­net, sondern sich selber in den Raum hineinzeichnet, den Kindern in der Zeit bis zum 9. Lebensjahr beigebracht wird.

Dan wil ik er nog op wijzen dat juist op zulke kinderen die op deze manier een morele zwakheid vertonen, een bezielde gymnastiek zoals ik die als euritmie heb geschetst, gezondmakend werkt, vooropgesteld dat deze euritmie waarbij de mens niet alleen maar met de hand tekent, maar zichzelf in de ruimte tekent, kinderen in de tijd tot het 9e jaar bijgebracht wordt.
GA 301/119
eigen vertaling van GA 301

blz. 200

Es ist schon notwendig, in die geistige Welt hineinzuschauen, wenn man einen Begriff haben will von dem, wie namentlich in dem Kind stark wirkt das Geistig-Seelische zu gleicher Zeit mit dem Leiblich-Physischen. Aus dem Grunde muß ich mir so viel von der Eurythmie hauptsächlich in der Kindererziehung versprechen, und zwar weil die Eurythmie eine beseelte Bewegung ist und dadurch die Aktivität des Willens gehoben wird gegenüber der bloßen Passi­vität des Willens, die doch im wesentlichen erzogen wird gerade durch das bloß physiologische Turnen.

Het is wel nodig in de geestelijke wereld te schouwen, wanneer je een begrip wil krijgen, met name voor de manier waarop in het kind wat geest en ziel is, tegelijkertijd sterk werkzaam is in het levend-lichamelijke. Vandaar dat ik zoveel van de euritmie verwacht juist bij de opvoeding van het kind en wel omdat de euritmie een bezielde beweging is en dat daardoor de activiteit van de wil bevorderd wordt in vergelijking met wat alleen maar passiviteit van de wil is, die naar zijn wezen alleen maar ontwikkeld wordt door de puur fysieke gymnastiek.
GA 301/200-201
eigen vertaling van GA 301
.

blz 249

Einleitende Worte zur Eurytbmie-Aufführung am 15. Mai 1920 in Dornach

Meine sehr verehrten Anwesenden, mit der eurythmischen Kunst, von der wir Ihnen audi heute wiederum eine Probe vorführen dürfen, möchten wir in die Geistes-Entwickelung der Mensdiheit etwas hinein­stellen, das sidi von drei Gesiditspunkten aus beurteilen läßt: erstens vom rein künstlerisdien Gesiditspunkte aus; zweitens von einem päd­agogisch-didaktischen, und drittens von einem hygienischen Gesichts-punkte aus.
Als Kunst ist die Eurythmie etwas, was eine Art von stummer, sichtbarer Sprache darstellt – was aber, trotzdem sie auftritt in Form von Gebärden, in Form von Bewegungen des menschlichen Organis­mus in Gruppen oder im einzelnen Menschen, was aber doch nicht verwechselt werden darf mit Mimischem oder etwas Pantomimischem, auch nicht mit einer bloßen Tanzkunst. Sondern als Sprache bedient sich die Eurythmie des ganzen Menschen als ihres Ausdrucksmittels, und zwar so, daß diese sichtbare stummeSprache eben gewonnen wor­den ist durch das Studium der Gesetze der Lautsprache.

Inleidende woorden bij een euritmie-opvoering op 15 mei 1920 te Dornach

Zeer geachte aanwezigen,
met de euritmische kunst waarvan we u ook nu weer een voorbeeld mogen laten zien, willen wij in de geestelijke ontwikkeling van de mensheid iets brengen wat je van drie gezichtspunten uit kan beoordelen:
ten eerste: vanuit het gezichtspunt van iets puur kunstzinnigs;
ten tweede: vanuit een pedagogisch-didactisch gezichtspunt en
ten derde: vanuit een hygiënisch gezichtspunt.

Als kunst is euritmie iets wat een vorm van zichtbare spraak voorstelt, zonder dat de euritmist spreekt – wat echter ondanks dat het uitgevoerd wordt met gebaren, met bewegingen van het lichaam, groepsgewijs of individueel, toch niet verward moet worden met mime of pantomime, ook niet met zo maar een danskunst. Maar als spraak maakt de euritmie gebruik van de hele mens als middel tot uitdrukking en wel zo dat deze zichtbare, verstomde spraak nu juist ontwikkeld is door het bestuderen van de wetten van de spraakklanken.

Die Lautsprache ist ja eine Art von Ausdrucksmittel für dasjenige, was im Menschen selber liegt. Es ist zwar durchaus richtig, wenn Schiller gesagt hat: «Spricht die Seele, so spriche, ach, schon die Seele nicht mehr.« In gewissem Sinne ist das richtig. Die Sprache ist neben dem, daß sie die Seele des Menschen an die Außenwelt heranträgt, herantragen soll, zugleich ein Verständigungsmittel von Mensch zu Mensch, und dadurch etwas Konventionelles; sie ist auch der Träger der Gedanken, durch die sich die Menschen verständigen sollen. Die Sprache ist in gewissem Sinne eine soziale Erscheinung. Und je mehr die Sprache als Verständigungsmittel und als Ausdrucksmittel der Gedanken dienen muß, desto weniger ist eigentlich die Sprache dann noch künstlerisches Ausdrucksmittel. Denn das Künstlerische muß ja

De spraakklank is een uitdrukkingsmiddel voor wat in de mens zelf aanwezig is. Het is helemaal waar wat Schiller zei: ‘Spreekt de ziel, dan spreekt helaas de ziel al niet meer.’ In zekere zin is dat waar. De spraak is, naast dat zij de ziel van de mens naar buiten brengt, naar buiten moet brengen, tegelijkerijd een middel dat er van mens tot mens begrip is en daardoor iets conventioneels; ze is ook de drager van gedachten waardoor de mensen elkaar moeten begrijpen. De spraak is in zekere zin een sociaal verschijnsel. En hoe meer de spraak als middel tot begrijpen en als middel om gedachten onder woorden te brengen moet functioneren, des te minder is de spraak dan eigenlijk nog een kunstzinnig uitdrukkingsmiddel. Want het kunstzinnige moet wel

blz. 250

aus dem Menschen, aus dem ganzen Menschen heraus kommen, heraus entspringen.
Die Sprache hat zwei Seiten: erstens die soziale Seite. Der Mensch muß sich hingeben an die soziale Welt, indem er spricht. Und nur da­durch behält die Sprache etwas, was mit der ganzen menschlichen We­senheit eine intime, eine innerliche Beziehung hat, daß ja vom auf­wachsenden Menschen die Sprache nicht gelernt wird, ich möchte sagen, aus den Kinderträumen heraus, sondern sie wird gelernt in der Zeit, in der der Mensch mit all dem, was er ist, sich anpassen will an die Umgebung. Und dadurch wird – durch dieses Sich-selbstverständliche-Anpassen an die Umgebung, die Sprache bewahrt davor, ein bloßes Verständigungsmittel zu sein.
Wenn aber dann der Dichter, der Künstler in Worten sich aus­drücken will, dann bedarf er, ich möchte sagen, all desjenigen, was hin­ter der Sprache dann immer schwebend ist, er bedarf des Bildes, und vor allen Dingen des musikalischen Elements. Es ist gar nicht dasjenige das eigentlich Dichterische, das eigentlich Künstlerische des Gedichtes, was wortwörtlicher Inhalt ist, sondern es ist die Art der Gestaltung des Inhaltes das Wesentliche der Dichtung.

uit de mens, uit de hele mens komen, ontspringen.
De spraak heeft twee kanten: ten eerste een sociale kant. De mens moet zich richten op de sociale wereld, wanneer hij spreekt. En alleen daardoor behoudt de spraak iets wat met heel het mensenwezen een fijnzinnige, innerlijke relatie heeft, dat de spraak door de opgroeiende mens niet geleerd wordt, zou ik willen zeggen, vanuit de kinderdromen, maar ze wordt geleerd in de tijd, waarin de mens met alles wat hij is, zich wil aanpassen aan de omgeving. En daardoor wordt – door dit vanzelfsprekende aanpassen aan de omgeving de spraak ervoor behoed om louter een middel tot begrip te moeten zijn.
Wanneer echter dan de dichter, de kunstenaar met woorden, zich wil uitdrukken, heeft hij, zou ik willen zeggen, alles wat achter de spraak steeds latent aanwezig is nodig; hij heeft het beeld nodig en vooral het muzikale element. Het eigenlijk dichterlijke, het eigenlijk kunstzinnige van het gedicht is helemaal niet wat woord voor woord de inhoud is, maar het wezenlijke van het dichten is de manier hoe de inhoud vorm krijgt.

Mehr als bei irgend etwas anderem, muß man gerade bei der Dichtung darauf Rücksicht nehmen, was Goethe in das schöne Faust-Wort prägte: «Das Was bedenke, mehr bedenke Wie.« Die Art, wie der Dichter den Stoff formt, das ist es, worauf es ankommt, ganz besonders in der Dichtung.Das kann man viel mehr herausbekommen, wenn man sich nicht desjenigen Ausdrucksmittels bedient, das eben zu stark den Gedanken aufnehmen muß, um rein kunstgemäß sich offenbaren zu können, sondern wenn man sich des ganzen Menschen bedient – des ganzen Menschen als eines Ausdrucksmittels! Zu diesem Zwecke wurde studiert durch sinnlich-übersinnliches Schauen, in welchen Bewegungstendenzen der menschliche Kehlkopf, die menschliche Zunge, die anderen Sprach-organe sind, wenn der Mensch in der Lautsprache sich offenbart. Diese Bewegungstendenzen, die sich dann beim wirklichen Sprechen umset­zen durch die Laute, in die Zitterbewegung, in die Schwingungsbewe­gung der Luif, diese Bewegungstendenzen werden studiert. Sie werden dann übertragen auf andere Organe des Menschen, vor allen Dingen auf diejenigen Organe auch, welche am besten sich vergleichen lassen mit den primitiven Bewegungsorganen des Sprachorganismus: sie wer­den übertragen auf Arme und Hände.

Meer dan bij wat dan ook moet juist bij het dichten gelet worden op wat Goethe in het mooie Faustwoord uitdrukte: ‘Bedenk het wat, bedenk vooral het hoe‘. De manier waarop de dichter zijn stof vormt, daar komt het op aan, vooral bij het dichten.
Dat kun je er nog veel meer uit laten komen, wanneer je geen gebruik maakt van dat middel waarmee je om je uit te drukken teveel gedachten nodig hebt om puur kunstzinnig over te kunnen komen, maar wanneer je van de hele mens gebruik maakt – de hele mens als uitdrukkingsmiddel! Voor dit doel werd door zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen bestudeerd wat de bewegingsimpulsen van het menselijk strottenhoofd, de tong en de andere spraakorganen zijn, wanneer de mens zich met de spraakklanken uit. Deze bewegingsimpulsen die wanneer er daadwerkelijk gesproken wordt, door de klank omgevormd worden tot trillingen, tot golfbewegingen in de lucht, deze bewegingsimpulsen werden bestudeerd. Dan werden ze overgebracht op de andere organen van de mens, met name op de organen die zich het beste laten vergelijken met de basale bewegingsorganen van het spraakorganisme: ze werden overgebracht op de armen en de handen.

blz. 251

Es überrascht manchmal beim ersten Ansehen der eurythmischen Kunst, daß der einzelne Mensch sich mehr als anderer Glieder, der Hände, der Arme bedient. Man würde verstehen, daß dies eine Selbst­verständlichkeit ist, wenn man bedächte, daß ja schon im gewöhnlichen Sprechen dann, wenn der Mensch mehr als das Konventionelle geben will in der Sprache, wenn er seine Individualität, sein Empfinden, sein Gefühl mit der Sprache zugleich zum Ausdrucke bringen will, daß er ja dann schon sich genötigt fühlt, in diese frei beweglichen Organe, in diese geistigeren Organe, möchte ich sagen, hineinzugehen. Nun wird ja natürlich in der Eurythmie der ganze Mensch, nicht bloß Arme und Hände, berücksichtigt. Es werden vor allen Dingen Ausdrucksbewe­gungen im Raume zu Hilfe gezogen, namentlich bei Gruppen, aber auch bei einzelnen Menschen.
Aber das Wesentliche dabei ist, daß diese Bewegungen am Men­schen und in Gruppen nichts Willkürliches sind, sondern dieselben Be­wegungen, die sonst dem zugrunde liegen, was die Lautsprache hervor­bringt, sind auf den ganzen Menschen übertragen.
Ich muß daher immer wieder und wiederum sagen: wir sehen auf der Bühne im Grunde genommen einen Gesamtkehlkopf, dargestellt durch den ganzen Menschen. Das gestaltet Ordnung, Rhythmus, Takt, das gestaltet das Musikalische, aber auch das Bildhafte sowohl als das eigentlich Dichterische, wo das Dichterische Kunst ist.

Bij een eerste kennismaking met euritmie is het soms verrassend te zien dat de individuele mens meer zijn handen en armen gebruikt dan de andere ledematen. U zal begrijpen dat dit vanzelfsprekend is, als je bedenkt dat alleen bij het gewone spreken al wanneer de mens meer dan het conventionele in zijn spreken wil meegeven, als hij zijn individualiteit, wat hij beleeft, zijn gevoel tegelijkertijd met het spreken wil uitdrukken en dat hij zich dan gedwongen voelt met deze vrij beweeglijke organen, dat te doen met deze meer geestelijke organen. zoals ik zou willen zeggen. Natuurlijk wordt in de euritmie naar de hele mens gekeken, niet alleen naar zijn armen en handen. Vooral wordt ook de ruimte bij de uitdrukking van de bewegingen betrokken, in groepsverband en individueel.
Maar het wezenlijke daarbij is dat deze bewegingen van de mens niet willekeurig zijn, maar dezelfde bewegingen die anders ten grondslag liggen aan wat de spraakklank vormt, die zijn nu overgebracht op de totale mens.
Vandaar dat ik telkens weer moet zeggen: op het toneel zien we in de grond der zaak een strottenhoofd als totaliteit, vorm gegeven door de hele mens. Dat vormt ordening, ritme, maat, dat vormt het muzikale, maar ook het beeldende, alsmede wat eigenlijk het dichterlijke, de dichterskunst is. Dat wordt daadwerkelijk door de hele mensengroep naar buiten gebracht.

Das wird wirk­lich aus der ganzen Menschengruppe herausgeholt.
Wir begleiten dann durch Musik oder durch Rezitation dasjenige, was in stummer und sichtbarer Sprache in der Eurythmie dargestellt wird. Dabei sind wir genötigt – Musik und Sprache sind ja nur andere Aus­drucksmittel für das menschliche Seelenleben als die Eurythmie -, ins­besondere bei der Rezitationskunst wiederum zurückzugreifen zu dem guten, alten Rezitieren, das Goethe im Auge hatte, als er nicht bloß den wortwörtlichen Inhalt, selbst im Drama, einstudierte mit seinen Schauspielern, sondern wie ein Kapellmeister mit dem Taktstock in der Hand, den Gang des Jambus mit ihnen einstudierte. Wir sind ge­nötigt, abzusehen von dem, was eine unkünstlerische Zeit, wie es die unsrige ist, gewohnt ist als Bedeutsames anzusehen in der Rezitation, nämlich das Hervorkehren des wortwörtlichen Inhaltes. Wir sind ge­notigt, zurückzugehen auf dasjenige, was ja noch im primitiven Rezi­tieren sich als das Künstlerische zeigt. Man sieht das heute kaum noch, insbesondere Stadtmenschen sehen das heute kaum noch; aber es hat

We begeleiden dan met muziek of met recitatie wat in verstomde en zichtbare spraak in de euritmie getoond wordt. Daarbij moeten we – muziek en spraak zijn alleen maar andere uitdrukkingsmiddelen voor de menselijke ziel dan de euritmie -, vooral bij de kunst van het reciteren opnieuw teruggrijpen op het goede, oude reciteren dat Goethe voor ogen stond, toen hij niet alleen maar letterlijk de inhoud, zelfs in het drama, instudeerde met zijn toneelspelers, maar als een kapelmeester met de dirigeerstok in de hand, de loop van de jambe met hen instudeerde. Wij moeten afzien van wat een onkunstzinnige tijd als de onze, waarin het gewoonte is bij het reciteren als het belangrijkste te beschouwen, het op de voorgrond plaatsen van de letterlijke inhoud. Wij moeten teruggaan naar wat in het nog meer elementaire reciteren zich als het kunstzinnige toont. Dat zie je tegenwoordig nauwelijks nog, vooral stadsmensen zien dat tegenwoordig nauwelijks nog; maar er is

blz.252

sich noch manches erhalten an Lebendigem von Leuten meines Alters aus ihren Kinderjahren an Erinnerungen an herumziehende Rezitato­ren, die zu sehen waren, die solche «Moritaten« rezitierten; die hatten sie auf Tafeln aufgezeichnet, und dann sprachen sie den Text dazu. Sie sprachen ihn aber nie anders, als daß sie zugleich mit dem Fuße den Takt anklingen ließen, bei einer temperamentvollen Stelle hin und her marschierten, damit andeutend, daß es ihnen gar nicht darauf an­kam, bloß den Inhalt zu erklären, sondern daß es ihnen darauf ankam, den Schritt des Verses, die innere Gestaltung besonders ins Auge zu fassen.
Sie werden sehen, daß wir daher überall versuchen, dieses tiefer Künstlerische wiederum hervorzuheben. Da, wo wir selbst im Humo­ristischen, im Grotesken, im Possierlichen das Dichterische wiederzu­geben versuchen durch Eurythmie, geben wir nicht etwa in Gebärden-sprache oder durch Pantomimen den wortwörtlichen Inhalt wieder. In den Formen, die als musikalische, dichterische Formen nur eben im Raume, nicht in der Zeit, ausgebildet werden, da geben wir also nicht den Inhalt des Gedichtes, sondern dasjenige wieder, was der Dichter, der Künstler, aus dem Inhalt gemacht hat.

nog veel bewaard gebleven aan levendigheid bij de mensen van mijn leeftijd uit hun kinderjaren aan herinneringen van rondreizende voordrachtskunstenaars die te zien waren en die bepaalde liederen, op één toon gezongen, [Moritaten] reciteerden; die hadden ze op borden geschreven en dan spraken ze de tekst erbij. Zij deden dat echter nooit anders dan dat ze tegelijkertijd met hun voet de maat aangaven en bij een temperamentsvol gedeelte op en neer liepen om aan te geven dat het hun helemaal niet ging om alleen de inhoud, maar voor hen kwam het erop aan vooral de gang van het vers, de innerlijke vormgeving te benadrukken.
U zal zien dat wij daarom overal proberen om dat dieper gelegen kunstzinnige weer naar voren te halen. Zelfs bij wat we van humoristische, groteske, potsierlijke dichtkunst door euritmie proberen te laten zien, geven we niet de letterlijke inhoud weer met zoiets als gebarentaal of pantime. In de vormen die als muzikale, dichterlijke vormen alleen maar ruimtelijk, niet als tijdsduur vertoond worden, geven we dus niet de inhoud van het gedicht weer, maar wat de dichter, de kunstenaar aan inhoud heeft gemaakt.

Das sind so einige Andeutungen, die ich über das künstlerische Ele­ment in der Eurythmie geben möchte. – Dadurch, daß der Mensch selbst das Werkzeug ist – nicht die Violine, nicht das Klavier, nicht Farben und Formen und so weiter -, dadurch ist diese Eurythmie in ganz besonderem Maße geeignet, wirklich, ich möchte sagen, aus den treibenden Weltenkräften heraus dasjenige zu gestalten, was im Men­schen selbst wieder durch diese treibenden Weltenkräfte wie in einer kleinen Welt veranlagt ist.
Die zweite Seite der Eurythmie ist die didaktisch-pädagogische Seite. Es ist meine Uberzeugung, daß das bloße Turnen, das sich in einer materialistischen Zeit herausgebildet hat in bezug auf seine Gesetze, zu stark Rücksicht nimmt auf das bloße Anatomisch-Physiologische im Menschen. Man wird später, wenn man einmal objektiver diesen Din­gen gegenübersteht, erkennen, daß dadurch ja der Mensch in einer ge­wissen Weise gekräftigt wird, aber daß diese Kräftigung nicht zu glei­cher Zeit eine Kräftigung ist der Seelen- und Willensinitiative.
In didaktisch-pädagogischer Beziehung wurde die Eurythmie zu­gleich ein beseeltes Turnen, ein beseeltes Bewegungsspiel. Und in den kleinen Anfängen, die wir Ihnen mit Kindern heute vorführen können,

Dat zijn een paar van die aanwijzingen die ik over het kunstzinnige element van de euritmie wilde geven. – Omdat de mens zelf het instrument is – niet de viool, niet de piano, niet de kleur en de vorm enz., – is deze euritmie heel bijzonder geschikt, werkelijk, ik zou willen zeggen, vanuit de drijvende wereldkracht iets vorm te geven wat in de mens zelf door deze drijvende wereldkracht als een kleine wereld in aanleg gegeven is.

De tweede kant van de euritmie is de didactisch-pedagogische kant. Ik ben ervan overtuigd dat de gymnastiek op zich, in een materialistische tijd, wat haar principes betreft, te sterk bezig is met alleen maar het anatomisch-fysieke van de mens. Men zal later, wanneer men objectiver naar deze dingen kijkt, toegeven dat daardoor de mens wel op een bepaalde manier krachtiger wordt, maar dat dit sterker worden niet tegelijkertijd een sterker worden is van de ziel- en wilsinitiatieven.
In didactisch-pedagogisch perspectief werd de euritmie ook een bezielde gymnastiek, een bezield bewegingsspel. En wat nog in de kinderschoenen staat, wat we hier vandaag met de kinderen

blz. 253

werden Sie sehen, wie jede Bewegung dann auch von den Kindern so ausgeführt wird, daß sie Seele-getragen ist.
Dadurch wird zu der Ausbildung des Körperlichen hinzu entwickelt dasjenige, was ich nennen möchte: Initiative des Seelenlebens, Initia­tive des Willens – dasjenige, was wir so sehr brauchen und was die bloße Turnerei nicht ausgebildet hat in dem heranwachsenden Men­schen! Es ist schon außerordentlich wichtig, daß das erkannt wird.
Wir sind ja hier genötigt, wenn wir Ihnen Kinderübungen vorfüh­ren, dazu zu sagen: die Kinder werden in den spärlichen Stunden, die ihnen übrigbleiben von der Schulzeit, zur Eurythmie angeleitet; aber das ist gar nicht richtig. Gerade jene Pädagogik, welche zugrunde liegt diesen Bestrebungen, die hier von Dornach ausgehen, die bis zu einem gewissen Grade in Stuttgart in der Waldorfschule verwirklicht werden konnten, diese Bestrebungen, die laufen alle gerade darauf hinaus, an die Kinder gerade nichts außerhalb der eigentlichen Schulzeit von Ler­nen heranzubringen!
Deshalb ist es von solcher Wichtigkeit, daß die Eurythmie in ihrer Bedeutung so durchschaut wird in Hinsicht auf ihre pädagogisch-didaktische Seite, daß man sie einfach in den Lehrplan der Schule hin­einwebt.

kunnen opvoeren, kunt u zien hoe iedere beweging door de kinderen dan ook uitgevoerd wordt als door het gevoel gedragen.
Daardoor wordt bij de vorming van het lichaam tevens ontwikkeld, wat ik zou willen noemen: initiatieven van het zielenleven, initiatieven van de wil – wat we zo nodig hebben en wat de gymnastiek op zich niet ontwikkeld heeft in de opgroeiende mens! Het is nu wel buitengeoon belangrijk om dat te erkennen.
We moeten, wanneer we voor u de kinderoefeningen opvoeren, daarbij zeggen: die kinderen doen in die spaarzame uren die er voor hen van de schooltijd overblijven, euritmie; maar dat is helemaal niet goed. Juist die pedagogie waaraan het streven dat hier van Dornach uit ten grondslag ligt en dat tot op zekere hoogte in Stuttgart op de vrijeschool gerealiseerd wordt, dit streven mondt nu juist daarin uit aan de kinderen niets buiten de schooltijd aan leren aan te bieden!
Daarom is het zo belangrijk dat de betekenis van de euritmie goed doorzien wordt wat betreft de pedagogisch-didactische kant en dat er eenvoudigweg in het lesrooster van de school een plaats voor ingeruimd wordt.

Dann wird es eben so sein, daß die Kinder alles dasjenige haben, was einer normalen geistig-seelisch-körperlichen Entwickelung dienstbar sein kann, gerade auch von diesem eurythmischen Gesichts­punkte aus.
Und das Dritte ist ein hygienisches Element. Der Mensch ist ja eine kleine Welt, der Mensch ist ein Mikrokosmos. Und im Grunde genom­men beruht alles Ungesundsein darauf, daß sich der Mensch heraus-reißt aus den großen Gesetzen des Weltenalls. Alles Ungesundsein -man möchte es bildhaft darstellen, indem man sagt: Wenn ich meinen Finger von meinem ganzen Organismus wegnehme, ist es nicht mehr ein Finger: er verdorrt; er hat nur seine innere Gesetzmäßigkeit im Zusammenhange mit dem ganzen Organismus. So hat der Mensch auch nur seine innere Wesenheit im Zusammenhange mit der ganzen Welt erlangt. Er hängt ja wirklich mit dem, was in ihm geschieht, mit der ganzen Welt zusammen! Bedenkt man nur das Alleräußerste, was zeigt, wie der Mensch mit der Welt zusammenhängt, wie er nicht bloß dieses Wesen ist, das innerhalb der Grenzen seiner Haut eingeschlossen ist; bedenken Sie nur einmal: dieselbe Luft, die Sie jetzt unmittelbar in sich haben, war vorher noch außer Ihnen. Aber jetzt, nachdem Sie

Dan zal het zo zijn dat de kinderen alles krijgen wat voor een normale ontwikkeling van geest, ziel en lichaam dienstbaar kan zijn, juist door dit euritmische gezichtspunt.

En het derde is een hygiënisch element. De mens is een kleine wereld, de mens is een microkosmos. En uit de aard der zaak berust alles wat ongezond is op het feit dat de mens zich buiten de grote kosmische wetten plaatst. Alles wat ongezond is – je zou het je beeldend kunnen voorstellen als je zegt: wanneer ik mijn vinger van mijn hele organisme verwijder, is het geen vinger meer: die vergaat; hij heeft slechts zijn innerlijke wetmatigheid in samenhang met heel het organisme. Zo heeft de mens ook slechts zijn innerlijk wezen in samenhang met de hele wereld verkregen. Hij hangt daadwerkelijk met alles wat er in hem plaatsvindt, samen met de totale wereld! Denk maar eens aan het meest uiterlijke wat laat zien hoe de mens met de wereld samenhangt, hoe hij niet alleen dat wezen is dat binnen de begrenzing van zijn huid vastzit; denk dus eens: dezelfde lucht die nu binnenin me je, die was hiervoor nog buiten je. Maar nu, nadat je

blz. 254

sie eingeatmet haben, bildet sie in ihrer Gesamtheit drinnen einen Teil Ihres Organismus. Und dasjenige, was Sie in sich haben, wird wieder ausgeatmet, ist wiederum draußen, sobald Sie es ausgeatmet haben; Sie können sich nicht herausschälen, als ob wir bloß innerhalb unserer Haut lebten, nur das hätten, was innerhalb unserer Haut eingeschlos­sen ist. Wir leben in unserer Umgebung nicht bloß mit der Luft, son­dern wir leben mit allem, was das Weltenall erfüllt.
Nun kann man alles Ungesunde im Menschen gerade daherleiten, daß dasjenige, was vom Menschen selbst getrieben wird, wenn es nicht angepaßt wird, wenn es dem Zeitalter oder der ganzen menschlichen Wesenheit nicht angemessen ist, durchaus nicht beitragen kann zur Harmonie und Ergänzung, die zwischen dem Menschen und der ganzen übrigen Welt herrschen muß. Aber gerade dadurch, daß jede Be­wegung in der Eurythmie so natürlich aus dem ganzen Menschenorga­nismus herausgeholt ist, wie die Bewegungen des Kehlkopfes und sei­ner Nachbarorgane für das gewöhnliche Lautsprechen, für die Laut­sprache, dadurch ist dasjenige, was in der Eurythmie ausgeführt wird, etwas, was den Menschen in einen Einklang bringen wird und bringen kann mit der ganzen Welt, mit dem ganzen Makrokosmos.

die ingeademd hebt, vormt die als totaliteit een deel van jouw totaliteit. En wat je in je hebt, adem je weer uit, dat is weer buiten je, zodra je het uitgeademd hebt; je kan je er niet aan onttrekken, doen alsof je alleen maar binnen je huid leeft, alleen maar dat hebben, wat binnen onze huid besloten ligt. We leven in onze omgeving niet alleen maar met de lucht, maar met alles wat de wereldruimte vult.
Nu kan je al het ongezonde in de mens herleiden naar wat door de mens zelf gedaan wordt, wanneer het niet wordt aangepast, wanneer het niet opgewassen is tegen de tijd of tegen heel het mensenwezen doordat het niet kan bijdragen aan de harmonie en vervolmaking die tussen de mensen en heel de rest van de wereld moet heersen. Maar juist omdat iedere beweging in de euritmie zo natuurlijk uit het hele menselijk organisme gehaald is, zoals de bewegingen van het strottenhoofd en de organen die erbij horen voor het gewone spreken, voor de spraakklanken, daarom is wat in de euritmie wordt uitgevoerd iets wat de mens in harmonie zal brengen en brengen kan met de hele wereld, met de hele kosmos.

Es ist also im wesentlichen ein gesundendes Element, das kann man schon so sagen, was der Mensch haben kann, was er erwerben kann auch als Kind von den eurythmischen Bewegungen, die nur natürlich sachgemäß und nicht dilettantisch ausgeführt werden dürfen. Das ist etwas, was durchaus unter einem solchen Gesichtspunkt einer seelisch-geistig-körperlichen Gesundheitspflege betrachtet werden kann.
Das sind also die drei Gesichtspunkte, von denen aus man Eurythmie ins Auge fassen kann, und von denen aus sie sich in ehrlicher Weise hineinstellen wird in unsere Geistesbewegung.
Trotzdem muß natürlich immer gesagt werden – wenn auch viel­leicht Zuschauer da sind, die schon öfter da waren, und gesehen haben werden, wie wir uns in der Formengebung, in der Raumesgestaltung der Gruppen in ihrem Verhältnis zueinander, wie wir uns bemüht haben in der letzten Zeit, vorwärtszukommen -, trotzdem muß betont werden, daß die Eurythmie trotz allem an die Nachsicht appellieren muß in bezug auf alles das, was wir heute schon bieten können. Die Eurythmie steht erst im Anfange, ist ein Versuch eines Anfanges, aber sie stellt einen Versuch dar, der nach unserer Uberzeugung immer wei­ter wird vervollkommnet werden können; wenn auch vielleicht andere

Het is in wezen dus een gezondmakend iets, dat kun je zo wel zeggen, wat de mens kan hebben, wat hij verwerven kan, ook als kind, door de euritmische bewegingen die natuurlijk adequaat en niet amateuristisch uitgevoerd moeten worden.
Dat is iets wat zeer zeker vanuit een dergelijk gezichtspunt van gezondheidsverzorging wat ziel, geest en lichaam aangaat, beschouwd kan worden.
Dat zijn dus de drie gezichtsputen van waaruit men naar de euritmie kan kijken en van waarmee deze op een eerlijke manier een plaats kan krijgen in onze geestesbeweging.
Ondanks dat moet natuurlijk steeds worden gezegd – ook als er misschien toeschouwers zijn die er al vaker bij waren en gezien hebben hoe wij ons met de vormgeving, met de ruimtetlijke vormgeving van de groepen in relatie tot elkaar, moeite hebben gedaan de afgelopen tijd verder te komen -, ondanks dat moet er de nadruk op worden gelegd dat de euritmie ondanks alles een beroep moet doen op het hebben van begrip dat nog niet alles volmaakt is van wat we vandaag al kunnen geven. De euritmie staat pas aan het begin, is een poging van een begin, maar ze doet die poging die naar onze overtuiging steeds verder vervolmaakt zal kunnen worden; ook al moeten misschien anderen

blz. 255

kommen müssen, um dasjenige, was wir mit unseren schwachen Kräften aufnahmen, weiter auszubilden. Trotz allem aber könnte man heute doch schon sehen bei dem, was dem Wollen nach gezeigt wird, daß diese Eurythmie, weil sie künstlerische Quellen in ihrer Ursprünglich­keit eröffnet, weil sie sich des ganzen Menschen als eines Ausdrucks­mittels bedient, und weil sie didaktisch-pädagogisch für die Entwicke­lung des Seelisch-Geistig-Körperlichen des Kindes arbeitet – weil sie den Menschen in eine Bewegung hineinversetzt oder in Bewegungs­systeme hineinversetzt, was wesentlich ein Gesundendes ist, daß sie in der Tat als Schwesterkunst neben die anderen, zum Teil älteren Schwesterkünste sich einmal voll berechtigt wird hinstellen können, besonders wenn die Zeitgenossen ihr Interesse der Eurythmie werden entgegenbringen.

komen om wat wij met onze geringe kracht op ons namen, verder vorm te geven. Ondanks alles echter kun je vandaag toch al zien aan wat we willen laten zien dat deze euritmie, omdat ze kunstzinnige bronnen in hun oorspronkelijkheid ontsluit, omdat ze de hele mens gebruikt om zich uit te drukken en omdat ze didactisch-pedagogisch voor de ontwikkeling van ziel, geest en lichaam van het kind werkt – omdat ze de mens in een beweging plaatst of in bewegingsvormen plaats wat in wezen iets gezondmakends heeft, dat ze inderdaad als zusterkunst naast de andere, voor een deel oudere zusterkunsten eens volwaardig zal kunnen presenteren in het bijzonder als de tijdgenoten hun interesse voor de euritmie laten blijken.
GA 301/249-255
eigen vertaling van GA 301

blz. 256

Einleitende Worte zur Eurythmie-Aufführung am 16. Mai 1920 in Dornach

Meine sehr verehrten Anwesenden! Gestatten Sie, daß ich auch heute, wie ich das immer vor diesen eurythmischen Versuchen getan habe, ein paar einleitende Worte voraussende. Dies geschieht nicht, um irgend etwas von dem Dargestellten zu erklären – denn natürlich muß Künstlerisches durch seine unmittelbare Offenbarung selbst wirken, und es wäre unkünstlerisch, einen solchen Versuch auf irgendeine theoretische Erklärung oder irgendeine ideelle Erklärung zu stützen; aber ich darf wohl sagen, daß diese eurythmische Kunst ein Versuch ist, zu gewissen, im Menschen selbst liegenden Kunstquellen hinabzu­steigen und nach gewissen künstlerischen Ausdrucksformen zu suchen, welche es besonders gut möglich machen, die Anforderungen aller Kunst zu enthüllen: das Künstlerische zu holen in das Sinnlich-Über-sinnliche.
Dieser Ausdruck «sinnlich-übersinnliches Schauen« ist ja von Goethe geprägt, aus allen Tiefen seiner Weltanschauung und seiner künst­lerischen Gesinnung heraus. Der ganzen Gestaltung unserer eurythmi­schen Kunst liegt dieses Sinnlich-Übersinnliche zugrunde.

Inleidende woorden bij de euritmieopvoering van 16 mei 1920 in Dornach

Zeer geachte aanwezigen,

Staat u mij toe, dat ik ook vandaag, zoals ik dat steeds voor deze euritmische try-outs gedaan heb, er een paar inleidende woorden aan vooraf laat gaan. Dat is niet om iets van wat ten tonele wordt gevoerd, uit te leggen – want vanzelfsprekend moet het kunstzinnige door wat het direct toont, zelf werkzaam zijn en het zou onkunstzinnig zijn een dergelijke opvoering met een of andere theoretische basis of een of andere ideële verklaring te onderbouwen; maar ik mag wel zeggen dat deze euritmische kunst een poging is om bepaalde kunstzinnige bronnen te vinden die in de mens zelf aanwezig zijn en naar bepaalde uitdrukkingsvormen te zoeken die het vooral goed mogelijk maken de eis aan elke kunst zichtbaar te maken: het kunstzinnige uit het zintuiglijk-bovenzintuiglijke te halen.
Deze uitdrukking ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ is door Goethe uitsproken vanuit de diepte van zijn wereldbeschouwing en zijn kunstzinnige aard. Aan heel de vormgeving van onze euritmische kunst ligt dit zintuiglijk-bovenzintuiglijke ten grondslag.

Sie werden auf der Bühne allerlei Bewegungen sehen, die durch den einzelnen Menschen ausgeführt werden, die ausgeführt werden durch Menschengruppen. Und man könnte zunächst den Eindruck haben, als ob da der Versuch gemacht würde, Dichterisches oder Musikalisches, von dem ja die eurythmische Darstellung begleitet werden muß, für die die eurythmische Darbietung nur ein anderer Ausdruck ist – man könnte den Eindruck haben, als ob willkürliche Gesten, erfundene Gesten, Mimisches zu dem Dichterischen, zu dem Musikalischen hinzu-kämen. Das ist durchaus nicht der Fall. Sondern es ist abgelauscht eben durch ein sorgfältiges sinnlich-übersinnliches Studium wirklich dem menschlichen Laut-Sprechen dasjenige, was als Bewegungstendenz zu­grunde liegt den Sprachorganen selber.
Im gewöhnlichen Sprechen werden ja die Lippenbewegungen, die Bewegungstendenzen des Gaumens und so weiter unmittelbar auf die

U zal op het toneel allerlei bewegingen zien die door mensen alléén uitgevoerd worden; en die uitgevoerd worden door een groep. En je zou in het begin de indruk kunnen krijgen dat er een poging wordt gedaan om gedichten of muziek die met de euritmische voorstelling samen moeten gaan, waarvoor de euritmische voorstelling slechts een andere manier van uitdrukken is – je zou de indruk kunnen krijgen alsof er bij de gedichten of de muziek willekeurige gebaren, uitgedachte gebaren, mimiek bij komen. Dat is zeer zeker niet het geval. Echter, door een zorgvuldige studie van het zintuiglijk-bovenzintuiglijke is er aan het spreken van menselijke klanken afgelezen wat er in werkelijkheid als bewegingstendens aan de spraakorganen zelf ten grondslag ligt.
Bij het gewone spreken worden de bewegingen van de lippen, de bewegingstendens van het gehemelte enz. meteen aan de lucht

blz. 257

Luft übertragen und gehen da über in feine Zitterbewegungen, die dem Hören zugrunde liegen. Diese Zitterbewegungen sind es selbstver­ständlich nicht, um die es sich handelt, sondern um dasjenige, was ge­wissermaßen als die Resultierende einem ganzen System von solchen Zitterbewegungen zugrunde liegt.
Das wurde studiert und ist von den Sprachorganen übertragen auf den ganzen Menschen, nach dem Goetheschen Metamorphosenprinzip, wonach zum Beispiel die ganze Pflanze nur ein kompliziertes aus­gestaltetes Blatt ist.
So könnte man sagen: Dasjenige, was Sie auf der Bühne sehen, das sind ganz und gar nicht willkürliche Bewegungen, sondern es sind streng gesetzmäßige Bewegungen, so gesetzmäßig namentlich auch in ihrer Auf­einanderfolge, wie die Bewegungen der Sprachorgane selbst beim Spre­chen sind durch Töne, durch Laute oder beim Singen und dergleichen.
Dadurch ist diese bewegte Plastik in der Tat etwas, dem eine innere Notwendigkeit innewohnt, so wie der Aufeinanderfolge der Töne im musikalischen Schaffen. Und es handelt sich hier tatsächlich um eine sichtbare Sprache, um eine ganz gesetzmäßige sichtbare Sprache, die als Eurythmie dargeboten wird.

overgedragen en gaan daar over in trilbewegingen die aan het horen ten grondslag liggen. Het gaat natuurlijk niet om deze trillingen, maar in zekere zin om wat er voortvloeit uit wat aan zo’n systeem van dergelijke trillingen ten grondslag ligt.
Dat werd bestudeerd en is vanaf de spraakorganen overgebracht op de hele mens, volgens het principe van Goethes metamorfose, waarbij bijvoorbeeld de plant slechts een gecompliceerd geworden blad is.
Je zou dus kunnen zeggen: wat je op het toneel ziet zijn helemaal geen willekeurige bewegingen, maar streng wetmatige bewegingen, vooral ook wetmatig in hoe ze na elkaar komen, zoals de bewegingen van de spraakorganen bij het spreken zelf, door tonen, door klank en ook bij het zingen enzo.
Daardoor is deze bewegingsplasticiteit inderdaad iets waar innerlijk iets in vast ligt, zoals de opeenvolging van tonen bij het creëren van muziek. En het gaat hier daadwerkelijk om zichtbare spraak, om een heel wetmatige zichtbare spraak die als euritmie vertoond wordt.

In diese sichtbare Sprache wird sich allerdings erst das gegenwärtige Zeitalter hineinfinden müssen. Denn das gegenwärtige Zeitalter, das hat ja wirklich sehr viel Unkünstlerisches in sich. Dasjenige, was zum Beispiel noch zur Zeit der Romantik üblich war, daß man auch mit einer großen Hingabe lauschte Dichtungen, die man gar nicht wort­wörtlich verstand, sondern die man anhörte bloß auf den Rhythmus, auf den Takt, auf die innere Gestaltung des Lautwortes, das ist ja wesentlich heute zurückgegangen.
Wir werden selbst bei der Rezitation, die ebenso wie die Musik zu begleiten hat die eurythmischen Darbietungen, wir werden sehen in der Rezitation, weil man anders gar nicht hervorheben könnte dieses künstlerisch-eurythmische Element, daß das eigentlich künstlerische Element ja schon in der Dichtung selbst ist; denn nicht der wortwört­liche Prosainhalt ist ja das Wesentliche der Dichtung, sondern das­jenige, was die formale Gestaltung ist, die der Künstler eben selbst hervorbringt. So werden Sie namentlich sehen, daß überall da, wo, wie wir das jetzt in ausgiebigem Maße versuchen, wo Formen, Raum­formen durch Gruppen hervorgebracht werden, daß da überall etwas zum Ausdrucke kommt, was nicht etwa ein mimischer Ausdruck des

Maar de tegenwoordige tijd zal eerst nog vertrouwd moeten raken met deze zichtbare spraak. Want in de tegenwoordige tijd is echt nog veel onkunstzinnigheid aanwezig. Wat bijvoorbeeld in de Romantiek nog gebruikelijk was, dat men met grote aandacht luisterde naar gedichten die men niet eens letterlijk begreep, maar waarbij men luisterde naar het ritme, de maat, naar hoe een woord verklankt was; dat is tegenwoordig sterk teruggelopen.
We zullen zelfs bij het reciteren dat net zo als muziek de euritmie moet begeleiden, bij het reciteren zullen we zien, omdat je anders het kunstzinnig euritmische element er helemaal niet uitkrijgt, dat het eigenlijke kunstzinnige element al in het gedicht zelf aanwezig is; want de letterlijke proza-inhoud is niet het wezenlijke van het gedicht, maar de vormcompositie die de kunstenaar zelf schept. U zult dus zien dat overal waar wij dit uitgebreid proberen wanneer er door de groepen vormen, vormen in de ruimte gemaakt worden, er overal iets tot uitdrukking komt wat niet zoiets is als de inhoud van het gedicht met

blz. 258

Inhaltes der Dichtung ist, sondern was aus dem Charakter der Be­handlung des Gedichtes folgt, die der Dichter dem wortwörtlichen Inhalte hat angedeihen lassen. Selbst wenn es sich um Groteskes, Pos­sierliches handelt, wie wir es ja versuchen zur Darstellung zu bringen im zweiten Teil heute, da werden Sie sehen, daß es uns wirklich nicht um eine naturalistische Darstellung, nicht um die Nachahmung von irgendeinem Inhalte geht, sondern darum, den Zusammenhang, den harmonischen Zusammenhang zu gestalten, daß das Einzelne nicht durch seinen Inhalt wirken, sondern das Ganze durch die in sich zu­sammenstimmende Form wirken will.
Im ganzen darf man sagen, daß deshalb hier in der Eurythmie zu­rückgegangen wird auf die Quellen des Künstlerischen, weil ja dieses Künstlerische beruhen muß darauf, daß nicht etwa Gedanken auf uns wirken. Wenn wir Wissenschaft pflegen im heutigen materialistischen Sinne, dann wirken bloß Gedanken auf uns. Dadurch können wir aber auch nur in den sinnlichen Gehalt der Welt eindringen. Hier aber han­delt es sich darum, daß in der Eurythmie das Künstlerische insoferne wirkt, zum Beispiel als sinnlich-übersinnlicher Charakter, als ja der ganze Mensch das Werkzeug ist oder Gruppen von Menschen das Werk­zeug sind für dasjenige, was zum Ausdrucke gebracht werden soll.

mimiek uitdrukken, maar wat het gevolg is van het karakter van het gedicht waaraan de dichter de letterlijke woordinhoud gegeven heeft. Zelfs wanneer het gaat om iets grotesk of iets potsierlijks wat we in het tweede deel willen laten zien, zult u zien dat het ons niet gaat om een naturalistische opvoering, niet om de een of andere inhoud na te bootsen, maar om de compositie, de harmonische samenhang vorm te geven, zodat niet de details als inhoud werken, maar het geheel  door de vorm die op zich een compositie is.
In het algemeen kun je zeggen dat we daarom hier in de euritmie teruggaan naar de bronnen van het kunstzinnige, omdat het zo moet zijn, dat niet zoiets als gedachten op ons moeten werken. Wanneer we wetenschap bedrijven in de materialistische betekenis, dan werken alleen gedachten op ons in. Daardoor kunnen we echter ook alleen maar doordringen tot de zintuiglijke inhoud van wat de wereld is. Hier gaat het er echter om, dat in de euritmie het kunstzinnige in zoverre werkt, als bijvoorbeeld iets van zintuiglijk-bovenzintuiglijke aard, wanneer de hele mens het instrument is of groepen mensen de instrumenten zijn voor wat tot uitdrukking gebracht moet worden.

So daß man sagen kann: Der Mensch, der beseelte Mensch, der durch­geistigte Mensch legt Seele und Geist in jede Bewegung hinein – solche Seele und Geist, wie wir sie noch aus der wahrklingenden Dichtung heraushören. Das alles zeigt uns, wie das Sinnliche, als das wir ja den Menschen in seinen Gliedern sehen, zugleich auf seinen Flügeln das Geistige trägt. Es ist also wirklich Sinnlich-Übersinnlich. Und es kommt so schön dann zum Ausdrucke, was Goethe im Grunde von jeder Kunst verlangt, indem er sagt: «Wem die Natur ihr offenbares Geheimnis zu enthüllen beginnt, der empfindet eine tiefe Sehnsucht nach ihrer wür­digsten Auslegerin, der Kunst.«
Die Kunst ist für Goethe in gewissem Sinne ein Gemütserlebnis der Natur. Und wie könnte man dieser Natur besser entsprechen, als in­dem man die im Menschen liegenden Bewegungsmöglichkeiten selbst zur Offenbarung bringt, den ganzen Menschen aus seinem Willen her­aus so sich bewegen läßt, daß durch ihn eine sichtbare Sprache zum Ausdrucke kommt. Das Gedankliche, das sonst die Kunst ablehnt, wird ja gerade dadurch ausgeschlossen: es kommt nur Wille in den Be­wegungen zum Ausdrucke. Und dadurch, daß die Persönlichkeit des

Zodat je zou kunnen zeggen: de mens, de bezielde mens, de mens van geest vervuld legt ziel en geest in iedere beweging – die ziel en geest die we nog horen uit een gedicht dat ons als waar in de oren klinkt. Dat laat ons allemaal zien hoe het zintuiglijke wat we als ledematen bij de mens zien, tegelijkertijd bevleugeld de geest draagt. Het is daadwerkelijk zintuiglijk-bovenzintuiglijk. En dan komt zo mooi tot uitdrukking wat Goethe in feite van iedere kunst vraagt, als hij zegt: ‘Degene aan wie de natuur haar openbare geheim begint te onthullen, voelt een onweerstaanbaar verlangen naar haar waardigste vertolkster: de kunst.’
Kunst is voor Goethe in zekere zin een gevoelsbeleving van de natuur. En hoe zou je deze natuur beter tegemoet kunnen komen dan door de mogelijkheid te kunnen bewegen, die in de mens zelf ligt, tot uitdrukking te brengen, de hele mens vanuit zijn wil zich zo te laten bewegen dat door hem een zichtbaar spreken tot uitdrukking komt. Gedachtespinsels die anders de kunst afwijzen, worden daardoor buitengesloten: nu komt de wil in de bewegingen tot uitdrukking. En doordat de persoonlijkheid van de

blz. 259

Menschen, aber auf unpersönliche Art, in diese Bewegungen übergeht, dadurch kommt gerade ein eminent Künstlerisches, ein Sinnlich-Über-sinnliches in den Darstellungen zum Ausdrucke.
Dann hat ja diese unsere Eurythmie auch einen bedeutsamen päd­agogisch-didaktischen Effekt, indem sie ja tatsächlich zu gleicher Zeit ein beseeltes Turnen ist. Wenn man einmal objektiver über diese Dinge denken wird, dann wird man einsehen, daß dasjenige, was seit langer Zeit als Turnen geschätzt wird – was wir durchaus nicht missen wol­len -, daß das eine besondere Förderung erfährt, wenn wir ihm an die Seite stellen, wie wir es für die Kinder in der Waldorfschule in Stutt­gart tun – dieses beseelte Turnen.
Einiges von dieser Kinder-Eurythmie werden Sie ja heute im zwei­ten Teil unserer Darbietungen auch sehen können.
Es ist das gewöhnliche Turnen allerdings körperstärkend; wir wol­len es deshalb auch nicht entbehren für die Körperstärkung; aber das beseelte Turnen, das nicht bloß auf den Körper geht, sondern auf Leib, Seele und Geist geht, das ist insbesondere erzieherisch wirkend auf den Willen, auf die Willensenergie. Und die Willensenergie, das ist etwas, was künftige Generationen in dem immer schwerer werdenden Leben wahrhaftig brauchen werden!

mens, maar op een onpersoonlijke manier in deze bewegingen opgaat, komt er juist iets geweldig kunstzinnigs, iets zintuiglijk-bovenzintuiglijks in de uitvoering tot uitdrukking.
Daarnaast heeft onze euritmie ook nog een pedagogisch-didactische werking, omdat ze tegelijkertijd een bezielde gymnastiek is. Wanneer je eens objectiever over deze dingen nadenkt, zul je inzien dat wat al lange tijd als gymnastiek gewaardeerd wordt – wat we zeer zeker niet willen missen – wat een bijzondere meerwaarde krijgt, wanneer we deze bezielde gymnastiek, zoals we dat doen voor de vrijeschoolkinderen in Stuttgart, erbij nemen.
Iets van deze euritmie voor kinderen zult u vandaag in het tweede deel van onze voorstelling kunnen zien.
De gewone gymnastiek versterkt zeer zeker het lichaam; we willen dan ook niet zonder, voor de versterking van het lichaam; maar de bezielde gymnastiek die niet alleen op het lichaam werkt, maar op lichaam, ziel en geest, werkt in het bijzonder opvoedkundig op de wil, op de wilsenergie. En wilsenergie is iets wat toekomstige generaties in de steeds moeilijker wordende tijden heel erg nodig zullen hebben!

Dann hat unsere Eurythmie eine wichtige hygienische Seite. Es sind ja die Bewegungen des Menschen, wie sie hier hervorgeholt werden aus seinen Bewegungsmöglichkeiten, zugleich diejenigen, durch die sich der Mensch am besten einordnet in den ganzen Rhythmus, in die ganze Harmonie der Welt. Alles Ungesunde beruht ja im Grunde genommen darauf, daß der Mensch sich aus diesem Rhythmus herauslöst. – Hier wird nichts Reaktionäres getrieben, daher bitte ich, das, was ich sage, nicht aufzufassen, wie wenn ich mich auflehnen wollte gegen notwen­dige Kulturerscheinungen. Wir haben vieles in unserer Zeit, was selbst­verständlich notwendig ist, was wir brauchen, was wir durchaus nicht beseitigen können -, wenn wir dies ins Auge fassen, da müssen wir sagen: Es ist viel Veranlassung für die gegenwärtigen Menschen, sich herauszugliedern aus dem notwendigen Rhythmus, aus der notwen­digen Harmonie der Welt; im Grunde genommen jedesmal, wenn wir in der Eisenbahn fahren oder gar wenn wir im Auto sitzen, nicht zu reden von anderen Dingen, die in unserer Zeit geschehen und uns her­ausbringen aus dem Rhythmus der Welt: sie schleichen sich nach und nach in des Menschen Gesundheit hinein, sie untergraben sie in einer

Dan heeft onze euritmie nog een belangrijke hygienische kant. Juist de bewegingen van de mens die hier naar boven worden gehaald uit de mogelijkheden die hij tot bewegen heeft, zijn tegelijkertijd bewegingen waardoor de mens het beste in het totale ritme komt, in de totale harmonie met de wereld.
Alles wat ongezond is, berust in feite erop dat de mens zich buiten die ritmen plaatst. – Hier wordt niets revolutionairs gedaan, vandaar dat ik u vraag wat ik zeg niet op te vatten alsof ik me zou willen afzetten tegen noodzakelijke verschijnselen in de cultuur. In onze tijd hebben we veel wat vanzelfsprekend nodig is, wat we nodig hebben, waaraan we zeer zeker niet voorbij kunnen gaan -, en wanneer we dit beseffen, moeten we zeggen: voor de huidige mens is er veel aanleiding om zich buiten het noodzakelijke ritme, buiten de noodzakelijke harmonie met de wereld te plaatsen; in feite iedere keer, wanneer we met de trein reizen of wanneer we in de auto zitten; om maar niet te spreken van andere dingen die in onze tijd plaatsvinden, die in onze tijd gebeuren en ons buiten het ritme van de wereld plaatsen: langzaam maar zeker sluipt dat binnen in de gezondheid van de mensen; het ondergraaft hen op een manier

blz. 260

Art, die gar nicht bemerkt wird. Nur von dem, der den intimeren Zu­sammenhang des Menschen mit der Welt kennt, wenn er dies alles ins Auge faßt, kann es gesehen werden. Die Welt drängt heute danach, dem Menschen wiederum etwas Gesundendes zu geben.
Wo sucht man oftmals das Gesunde? Ja, meine sehr verehrten An­wesenden, ich weiß, daß ich damit sehr vielem entgegenrede; aber das sind Dinge, über die man schon objektiver denken wird: Man versuchte
– und das ist ja geschehen, schon bevor diese schreckliche Weltkata­strophe hereinbrach -, man versuchte zum Beispiel »Olympische Spiele« da oder dort aufzuführen. Das ist ein schrecklicher Gedanke, der ganz außerhalb jedes wirklichen Verständnisses steht! Olympische Spiele gehörten für den griechischen Körper. Man beachtet bei solchen Dingen nicht, daß ein jedes Zeitalter seine besonderen Anforderungen hat.
Das ist es aber, was wir gerade versuchen in unserer eurythmischen Kunst: nicht aus der abstrakten Theorie heraus irgend etwas Altes wiederum vor die Menschheit hinzustellen oder für die Menschheit zu fordern, sondern wir müssen dasjenige, was das gegenwärtige Zeitalter fordert, aus der Menschennatur heraus bekommen, müssen für den Menschen etwas finden, was gerade für die gegenwärtige Menschheits­organisation geeignet ist.

die helemaal niet opgemerkt wordt. Alleen door degene die de intiemere samenhang van de mens met de wereld kent, wanneer hij dat allemaal opmerkt, kan het worden gezien. De wereld verlangt er dringend naar dat de mens weer iets gezonds wordt gegeven.
Waar wordt dit gezonde vaak gezocht? Ja, geachte aanwezigen, ik weet dat ik hiermee tegen velen inga; maar dat zijn dingen waarover je objectiever kan nadenken: men probeerde – en dat gebeurde al voor deze verschrikkelijke wereldcatastrofe plaatsvond – men probeerde bijvoorbeeld hier of daar ‘Olympische Spelen’ te houden. Dat is een vreselijke gedachte, die geheel buiten ieder reëel begrip valt! Olympische Spelen hoorden bij het Griekse lichaam. Men denkt er bij zulke dingen niet aan, dat ieder tijdsgewricht zijn eigen bijzondere eisen stelt.
Maar dat is nu juist wat wij proberen met onze euritmiekunst: niet vanuit een abstracte theorie opnieuw iets ouds voor de mensen te brengen of voor de mensheid te eisen, maar we moeten wat de tegenwoordige tijd eist, uit de natuur van de mens halen, moeten voor de mens iets vinden wat juist voor de mens van nu geschikt is.

Gewiß, solche Dinge lassen sich nicht anatomisch oder physiologisch nachweisen, weil man heute nicht alte Griechen sezieren kann; aber derjenige, der geisteswissenschaftlicheMittel hat, um in dieZeitentwik­kelung hineinzuschauen, der weiß, daß der heutige Mensch schon seiner physischen und dann besonders seiner seelisch-geistigen Organisation nach etwas anderes fordert. Die Anfänge solcher Forderungen, die das Zeitalter selbst stellt, sollen mit der Eurythmie aufgefunden wer­den; ihnen soll mit Eurythmie entsprochen werden.
Sie wissen, sehr verehrte Anwesende, daß dasjenige, was wir bieten können, heute erst im Anfange steht, daß es ein Versuch ist, vielleicht nur der Anfang eines Versuches. Wir sind auch überzeugt davon, weil wir ehrlich bestrebt sind, aus den Anforderungen des Zeitalters heraus zu wirken, daß, wenn vielleicht nicht mehr wir, sondern andere das­jenige, was heute als ein Versuch hingestellt werden muß, ausbauen, daß eine vollkommenere Kunstrichtung entsteht, die sich würdig wird hinstellen können neben die älteren Schwesterkünste.
In diesem Sinne bitte ich Sie, mit Nachsicht diese unsere Vorstellung anzuschauen.

Zeker, die dingen kun je niet anatomisch of fysiologisch bewijzen, omdat je nu geen Oude Grieken meer ontleden kan, maar degene die geesteswetenschappelijke middelen heeft, om in de ontwikkeling der tijden te schouwen, weet dat de mens van nu reeds, wat zijn fysieke en dan nog in het bijzonder zijn organisatie, wat betreft zijn ziel en geest, iets anders nodig heeft. Het begin van dergelijke eisen die de tijd zelf stelt, moeten met de euritmie gevonden worden; euritmie moet daarop antwoorden.
U weet, geachte aanwezigen, dat wat wij u hier kunnen bieden, staat vandaag nog in de kinderschoenen, het is een pogen, misschien pas het begin van een proberen. Wij zijn er ook van overtuigd, omdat we er eerlijk naar streven vanuit de vragen van de tijd te werken, dat misschien wij niet meer, maar anderen moeten ontwikkelen, wat nu als een pogen wordt getoond, dat er een meer volmaakte kunstrichting ontstaat die zich met waardigheid naast de oudere zusterkunsten kan opstellen.
In dit opzicht vraag ik u welwillend naar onze voorstelling te kijken.
GA 301/256-260
eigen vertaling van GA 301

.

Rudolf Steiner over euritmie

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldklankfiguren

.

1392

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-8-2/1)

.

Enkele gedachten bij blz. 24/25 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Omdat Steiner hier eerst uitgaat van de fysieke mens, zou je om het onderstaande nog wat nader te leren kennen, een gewoon anatomieboek kunnen opslaan. Daar vind je dan voldoende om de beschreven processen gedetailleerder te benaderen.

Wir rechnen zu den Gliedern des dreigliedrigen physischen Menschensystems zunächst den Stoffwechsel. Aber der Stoffwechsel hängt an dem einen Ende mit dem Atmen innig zusammen; der Atmungsprozeß hängt stoffwechselmäßig mit der Blutzirkulation zusammen. Die Blutzirkulation nimmt die auf anderem Wege eingeführten Stoffe der äußeren Welt auf in den menschlichen Körper, so daß gewissermaßen auf der einen Seite das Atmen mit dem ganzen Stoffwechselsystem zusammenhängt. Das Atmen hat also seine eigenen Funktionen, aber es hängt doch auf der einen Seite mit dem Stoffwechselsystem zusammen.

We rekenen tot de drieledigheid van de fysieke mens ten eerste de stofwisseling. Nu hangt de stofwisseling aan de ene kant ten nauwste samen met het ademen; het ademproces hangt wat de stofwisselingskant betreft samen met de bloedsomloop. De bloedsomloop neemt de langs andere wegen binnengeko­men stoffen van de buitenwereld op in het lichaam, zodat in zekere zin aan de ene kant het ademproces met het gehele stofwisselingsstelsel samenhangt. Het ademen heeft dus wel zijn eigen functies, maar hangt aan de ene kant toch samen met het stofwisselingsstelsel.

Auf der anderen Seite hängt dieses Atmen auch zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben des Menschen. Indem wir einatmen, pressen wir fortwährend das Gehirnwasser in das Gehirn hinein; indem wir ausatmen, prellen wir es zurück in den Körper. Dadurch verpflanzen wir den Atmungsrhythmus auf  das Gehirn. Und wie das Atmen zusammenhängt auf der einen Seite mit dem Stoffwechsel, so hängt es auf der anderen Seite zusammen mit dem Nerven-Sinnesleben. Wir können sagen: Das Atmen ist der wichtigste Vermittler des die physische Welt betretenden Menschen mit der physischen Außenwelt.

Aan de andere kant hangt het ademen samen met het zenuw- zintuigleven van de mens. Bij onze inademing stuwen we voortdurend het hersenvocht de hersenen in; bij onze uitade­ming stoten we het weer terug in het lichaam.0 Daardoor bren­gen we het ritme van de adem over op de hersenen. En zoals het ademen aan de ene kant verband houdt met de stofwisseling, zo houdt het aan de andere kant verband met het zenuw-zintuigleven. We kunnen wel zeggen dat het ademen de belangrijkste bemiddelaar is tussen de mens die de fysieke wereld betreedt en de fysieke buitenwereld.
0Verwijzing naar ‘De spirituele bronnen van de kunst’, voordrachten van 6 mei en 1 juni 1918

Hoe dit ritme van de adem overgebracht wordt naar de hersenen, is grondig onderzocht en beschreven in anatomieboeken – zie hieronder.

Rudolf Steiner heeft er in diverse voordrachten over gesproken. Hij wijst vaak op de belangrijke functie van het hersenwater bij het veel lichter maken van het gewicht van de hersenen:

Also dieses Gehirn, das ja ein sehr bedeutendes Gewicht hat, jedenfalls 1200, 1300 Gramm wiegt, das wirkt durchaus nicht mit seiner vollen Schwere, sondern nur, man möchte sagen, mit dem Gewichte von ein paar Grammen, weil es den Auftrieb erfährt. Sie wissen ja das archimedische Gesetz, wonach jeder Gegenstand um soviel leichter wird, als das Gewicht der verdrängten Wasser­masse beträgt. So liegt das ganze Gewicht des Gehirns nur mit ein paar Grammen auf, weil es im Gehirnwasser schwimmt. Der Mensch könnte nicht sein Gehirn zum Denken gebrauchen, wenn es die volle Tendenz hätte, nach unten zu drücken. Es bekommt den Auf­trieb. Es überwindet die Schwere in sich durch die Organisation, durch das Schwimmen im Gehirnwasser. Wir denken nicht mit der Materie, sondern wir denken mit dem, was sich der Materie entzieht durch die nach aufwärts strebenden Auftriebskräfte, mit dem, was aus der Erde herauswächst.

Dus de hersenen, die wel een erg duidelijk gewicht hebben, in ieder geval zo’n 1200, 1300 gram, functioneren niet met het volle gewicht, maar met het gewicht van maar een paar gram door de opwaartse druk. ( de wet van Archimedes). Dus het brein drukt maar met een gewicht van een paar gram, omdat het in het hersenwater zwemt. De mens zou zijn hersenen niet kunnen gebruiken om te denken, wanneer ze de neiging zouden hebben, naar onderen te drukken. Ze worden opgetild. Hierdoor overwinen ze de zwaarte. We denken niet met de materie, maar we denken met wat aan de materie wordt onttrokken door de omhoog strevende opwaartse krachten, met wat van de aarde afgroeit:

tekening Steiner:

 

 

 

 

 

 

 

GA 201/80
Niet vertaald

( ) ich habe Sie schon einmal aufmerksam darauf gemacht -das Aufundabwogen des Gehirnwassers durch den Rückenmarkskanal ins Auge faßt, so sieht man, wie durch die Einatmung und Ausatmung eine regelmäßige Oszillationsbewegung, eine schwingende Bewegung des Gehirnwassers von unten nach oben, von oben nach unten statt­findet, wie das Gehirnwasser bei der Einatmung nach aufwärts ge­trieben wird, anschlägt gewissermaßen an die Gehirnorganisation, wie es wiederum sinkt bei der Ausatmung.

Ik heb er al eens op gewezen – het op- en neergaan van het hersenwater door het ruggenmergkanaal: dan zie je hoe door het in- en uitademen een regelmatige fluctuatie ontstaat, een schommelende beweging van het hersenwater van onder naar boven, van boven naar onder, hoe het hersenwater bij inademing omhoog gestuwd wordt, in zekere zin de hersenen aanraakt, hoe het dan weer bij het uitademen daalt.
GA 202/164
Niet vertaald

Ook in de pedagogische voordracht GA 301:

Der Nerven-Sinnes-Organismus, der zentralisiert ist im menschlichen Gehirn, ist so zentralisiert, daβ das Gehirn eigentlich nur zum geringsten Teil in einem gewissen festen Zustande ist; das ganze Gehirn schwimmt im Gehirnwasser. Es würde unser Gehrin, wenn es nicht im Gehirnwasser wirklich schwimmen würde fortwährend auf die an der Schädelunterlage befindlichen Blutgefäβe drücken und diese fortwährend zerdrücken. Unser Gehirn erleidet nähmlich dadurch, daβ es im Gehirnwasser schwimmt, einen fortwährenden Auftrieb 90-so daβ von dem reichlich 1300 bis 1500 Gramm wiegenden Gehirn eigentlich auf die Unterlage des Schädels sehr wenig gedrückt wird. Aber dieses Gehirnwasser, das ist nicht minder beteiligt an unsern ganzen menschlichen Erleben als etwa das Feste des Gehirnes. Dieses Gehirnwasser, das ist nähmlich in einer stetigen Auf-und Abbewegung. Es bewegt sich das Gehirnwasser rhythmisch auf und ab vom Gehirn durch den Rückenmarkskanal, strahlt dann aus in die Bauchhöhlung, wird bei der Einatmung zurückgestoβen in die Gehirnhöhlung, wieder herausgestoβen, und bei der ausatmung flieβt es wieder herunter. In fortwährendem Auf-und Abbewegen ist dieses Gehirnwasser, das heiβtt, seine Fortsetzung in den übrigen Organismus hinein, so daβ eine fortwährende vibrierende Bewegung stattfindet, die im Grunde genommen den ganzen Menschen erfüllt und die mit dem Atem zusammenhängt.

Dit zenuw-zintuigorganisme, dat gecentraliseerd is in de menselijke hersenen; zo gecentraliseerd dat de hersenen eigenlijk maar voor het kleinste deel zich in een zekere vaste toestand bevinden; het hele brein zwemt in het hersenwater. Ik probeer om wat daaraan ten grondslag ligt door het volgende duidelijk te maken: onze hersenen zouden, wanneer ze niet daadwerkelijk in het hersenvocht zouden zwemmen, voortdurend op de bloedvaatjes van de schedelbasis drukken en deze voortdurend verdrukken. Onze hersenen ondergaan namelijk doordat ze in het hersenvocht zwemmen een voortdurende opwaartse druk – wat je naar Archimedes de opwaartse druk kan noemen, zoals u die uit de natuurkunde kent – zodat er van de ruim 1300 tot 1500 gram wegende hersenen eigenlijk op de schedelbasis hooguit 20 gram drukken. Zodat er door de opwaartse druk waaraan de hersenen onderhevig zijn, op de schedelbasis zeer weinig druk wordt uitgeoefend. Maar dit hersenwater is niet minder betrokken bij heel ons menselijk beleven dan de vaste hersensubstantie. Dit hersenwater is namelijk in een op-en-neerbeweging. Het hersenwater beweegt ritmisch op en neer vanuit de hersenen door het ruggenmergkanaal, straalt dan uit in de buikholte, wordt door het inademen weer teruggedrukt in de hersenholte, weer weggedrukt en bij de uitademing vloeit het weer naar beneden. In een voortdurende stijg- en daalbeweging is dit hersenwater; dat betekent: het gaat vandaaruit de rest van het organisme in, zodat er een voortdurende vibrerende beweging plaatsvindt die uiteindelijk door de hele mens heengaat en die met de adem samenhangt.
GA 301/34 e.v.
Vertaald

Steiner gaat er in de ‘Algemene menskunde’ in de 1e voordracht niet dieper op in, maar in andere voordrachten wel, waarbij de hersenvloeistof niet alleen maar vloeistof is, maar ook een bovenzintuiglijke functie vervult.
Dat doet denken aan wat uit de (materialistische) (natuur)wetenschap populair naar voren komt als ‘het zit in de genen’. Of ‘het zit in je brein’. Gedrag, gedachten. Maar in genen en brein zijn nog nooit gedrag en gedachten gevonden. En toch zijn ze voor gedrag en gedachten onmisbaar. Wellicht zoals de viool onmisbaar is voor vioolmuziek. In de viool wordt die echter nooit gevonden. Juist! Er moet een violist zijn (en een strijkstok!) 
Die ‘violist’ is hier – waar het om het hersenvocht gaat – de ziel. 

Als met de allereerste inademing het wezen van de mens incarneert, geest-ziel wordt, in een aards lichaam, dan is de adem de fysieke basis voor dit zielenleven.

Kranich [4] verwoordt dit zo:
Dit wezen belichaamt zich in de ademorganisatie van het kind en leeft in de [volgende] geschetste modulaties van de ademhaling.
Vanhieruit dringt het dieper door in het organisme. Allereerst werkt het ademritme op de aderen vena azygos en vena hemiazygos in de borstholte en vooral op de beide vaten van vena lumbalis ascendens in de buikholte die in de lichaamsholte achter rechts en links naast de wervelkolom lopen. Deze nemen het bloed op dat vanuit het binnenste van het wervelkanaal, voor een deel door de wervellichamen naar buiten wegstroomt:

 

 

 

 

 

 

 

 

Uit het wervelkanaal stroomt aderlijk (veneus) bloed langs verschillende wegen, vooral ook door het wervellichaam naar het aderstelsel aan het wervellichaam en dan in de vena lumbalis en de vena (hemi)azygos. [5]

1=cavitas epiduralis, het vetrijke weefsel met het adernetwerk dat in het ruggenmergkanaal het door het ruggenmergvlies omsloten ruggenmerg
2=spinalganglion -ruggenmergszenuwknoop
3=vena basivertebralis
4=adervlechtwerk buiten

Meer afbeeldingen

Kranich geeft ook deze afbeelding:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het inwendige van het wervelkanaal, omsloten door de wervelboog (boven) en het wervellichaam (onder)
1=cavitas epiduralis – zie 1 in de vorige afbeelding
2=harde ruggenmergvlies (dura mater spinalis): de buitenste van drie ruggenmergvliezen
3=spinnenwebvlies (arachnoida spinalis), het tweede, veel zachtere ruggenmergsvlies
4=vaatvlies (pia mater spinalis): die omsluit het ruggenmerg
5=suarachnoïdale ruimte: deze is gevukld met het hersenwater (liquor cerebrospinalis)
6=achterzenuwwortel van het ruggenmerg
7=voorwortel
8=ruggenmergszenuwknoop (spinalganglion)    [6]

Hersenvocht

Hier bevindt zich ook het ruggenmerg (vanaf het hoofd tot de eerste lendenwervel). Het is omsloten door de vliezen en zweeft in het hersenvocht. De ruggenmergsvliezen worden omsloten door een vaatnetwerk, dat ingebed ligt in een vetrijk weefsel: door de lichaamswarmte is dit vet half-vloeibaar.
Wanneer nu door het ademritme bij het inademen het aderbloed in het inwendige van het wervelkanaal terugstuwt, worden de aderen van het aderwerk dikker en oefenen van alle kanten druk uit op het hersenvocht. Daardoor wordt iets van het hersenvocht in de schedel geperst, waar het de hersenen omgeeft. Het ritmisch pulserende hersenvocht omgeeft niet alleen de hersenen – door fijne openingen dringt het overal de hersenen binnen – in de grijze hersenschors, de cortex, en zelfs in de schors tot de witte substantie. Door deze fijne kanaaltjes, de zgn. Virchow-Robin ruimten, komt het ademen met de ritmen tot in de hersenen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het hoofd van de mens hebben we het harde hersenvlies, direct bij het bot
=1 en 2
naar binnen volgt het spinnenwebvlies =3
de vaathuid omsluit de hersenen =4
tussen het spinnenwebvlies en de vaathuid ligt de subarachnoidalruimte  =5 met het hersenvocht. Dit komt samen met de kleine bloedvaten = 6 in de ruimten van Virchow Robin =7 in de cortex =8 en tot in de witte substantie =9. Bij de granulaties van Pacchioni wordt hersenvocht in het aderbloed opgenomen. [7]

Kranich vervolgt, waarbij hij zich duidelijk baseert op mededelingen van Steiner:

Aanvankelijk leeft de ziel van het kind met zijn gevoelens in de ritmen van de adem. Wanneer deze ritmen zich voortplanten in het op- en neergaande pulseren van het hersenvocht, gaat de ziel over van de luchtsubstantie naar het element van het water. Wanneer de ziel levend met de lucht in het dichtere gebied van het levens-lijfelijke komt, wordt ze onbewust. Dat gebeurt ook door onder te gaan in het hersenvocht. Hier leven de gevoelens onbewust in het ritmische pulseren van deze waterheldere vloeistof die voortdurend in de binnenruimten van de hersenen, in de ventrikels aangemaakt wordt uit het bloed. Vandaaruit gaat ze naar buiten in de smalle ruimten tussen de aderhuid die direct het ruggenmerg en de hersenen omgeeft en het zgn. spinnenwebvlies.

Een volwassene heeft ongeveer 140 ml. hersenvocht. Het wordt in de loop van de dag viermaal vernieuwd. Voortdurend is er in de ventrikels aanmaak dat vooral in het hoofd door de aderen geabsorbeerd wordt. T.o.v. het bloed draagt het hersenvocht maar weinig leven. Het eiwitgehalte is wezenlijk lager (1/300e van het bloedplasma) Er zit ook minder suiker in dan in het bloed (60%), maar iets meer (natrium)zout.

Met het pulseren van het hersenvocht bereiken de gevoelens voortdurend de hersenen en komen door de ruimten van Virchow Robin in de hersenen. Zo komen ze echter in het gebied waar het voorstellen en het denken in het zgn. zenuw-zintuigproces actief is. Maar dat ben je je niet bewust, doordat de gevoelens wanneer ze in het hersenvocht onder gaan in een toestand van bewusteloosheid overgaan. Maar dat is van grote betekenis. Zouden de gevoelens met hun vele innerlijke stadia direct op het voorstellings- en gedachteleven inwerken, dan zou de mens nooit zakelijk en objectief tot kennen komen.

Wat gebeurt er als gevoelens wél direct op het voorstellings- en gedachteleven inwerken? Wat gebeurt er überhaupt als gevoelens daarop inwerken?

Ik bewaar een antwoord op die vraag voor de tweede voordracht waarin Steiner over het denken spreekt als een ‘spiegelende activiteit’.

Kranich spreekt over ‘het beleven’, dat is dus dat hele gebied van ‘gevoelens’, van ziel, die een impuls betekenen voor gedachte- en begripsvorming. Dan wordt de vraag belangrijk: wat beleven de kinderen, wat laten wij de kinderen beleven. Dat wil dan zeggen, welke gevoelens geven wij als impulsen voor het gedachte- en begripsleven. 
En kan dat op een leeftijd waarop de adem nog niet zo functioneert als later.
Steiner:

Aber wir müssen uns auch bewußt sein, daß dieses Atmen durchaus noch nicht so verläuft, wie es zum Unterhalt des physischen Lebens beim Menschen voll verlaufen muß, namentlich nach der einen Seite nicht: es ist beim Menschen, der das physische Dasein betritt, noch nicht die richtige Harmonie, der rechte Zusammenhang hergestellt zwischen dem Atmungsprozeß und dem Nerven-Sinnesprozeß.
Betrachten wir das Kind, so müssen wir in bezug auf sein Wesen sagen: Das Kind hat noch nicht so atmen gelernt, daß das Atmen in der richtigen Weise den Nerven-Sinnesprozeß unterhält. Da liegt wiederum die feinere Charakteristik desjenigen, was mit dem Kind zu tun ist. Wir müssen zunächst die Menschenwesenheit anthropologisch-anthroposophisch verstehen. Die wichtigsten Maßnahmen in der Erziehung werden daher liegen in der Beobachtung alles desjenigen, was in der rechten Weise den Atmungsprozeß hineinorganisiert in den NervenSinnesprozeß. Im höheren Sinne muß das Kind lernen, in seinen Geist aufzunehmen dasjenige, was ihm geschenkt werden kann dadurch, daß es geboren wird zum Atmen. Sie sehen, dieser Teil der Erziehung wird hinneigen zu dem Geistig-Seelischen: dadurch, daß wir harmonisieren das Atmen mit dem NervenSinnesprozeß, ziehen wir das Geistig-Seelische in das physische Leben des Kindes herein. Grob ausgedrückt, können wir sagen: Das Kind kann noch nicht innerlich richtig atmen, und die Erziehung wird darin bestehen müssen, richtig atmen zu lehren.

Maar we moeten wel bedenken, dat dit ademproces bepaald nog niet zo verloopt als het in zijn volledigheid moet verlopen ter instandhouding van het fysieke leven – vooral naar de ene kant toe niet: bij de mens die de fysieke wereld betreedt, bestaat er nog niet de juiste harmonie, de juiste samenhang tussen het ademproces en het zenuw-zintuigproces.
Kijken we naar een kind, dan moeten we met betrekking tot zijn wezen zeggen: het kind heeft nog niet zo leren ademen, dat de adem op de juiste wijze het zenuw-zintuigproces onder­houdt. Ook dat is een nauwkeurige karakterisering van wat er met het kind moet gebeuren. We moeten eerst het mensenwe­zen antropologisch-antroposofisch begrijpen. De belangrijkste maatregelen in de opvoeding zullen dan ook liggen in het in acht nemen van alles wat op juiste wijze het ademproces laat doorwerken in het zenuw-zintuigproces. In hogere zin uit­gedrukt: het kind moet leren om in zijn geest dat op te nemen, wat hem geschonken kan worden doordat het geboren is om te ademen. U ziet, dit gedeelte van de opvoeding zal gericht zijn op geest en ziel: doordat we het ademen en het zenuw-zintuig­proces met elkaar in harmonie brengen, halen we de geestziel meer in het fysieke leven van het kind. Grof gezegd: het kind kan innerlijk nog niet juist ademen en de opvoeding zal erin moeten bestaan het kind te leren dat op de juiste wijze te doen.
[1] GA 293/24-25
Vertaald

Het moge duidelijk zijn dat je het kind geen ademhalingsoefeningen kan laten doen om de ademhaling te harmoniseren: hier laat de natuur zich niet dwingen. Een groot deel zal dus ‘van nature’ gaan.
Er is onderzocht hoe dat er voor de verschillende leeftijden uitziet:

 

 

 

 

 

 

 

 

Nomogram naar Radford

De verhouding van ademhaling en hartpuls wordt uiteindelijk 1 : 4.
Dat is hier bij het kind rond het 9e jr.

Wanneer je naar dit aspect van de menselijke wording kijkt – waaraan je dus niet direct kan werken – is de vraag: kan je er dan indirect aan werken. Daar het om ritme gaat, is dat het gebied waarmee je veel positiefs voor de ontwikkeling kan aandragen.
Maar, ook heel nuchter: – vooral op school – is het nodig dat de in te ademen lucht schoon is, d.w.z. ventileer voldoende.

Met bovenstaande mededelingen kan dít weer een beetje begrijpelijker worden:

Probeert u nooit zo te vertellen dat u het hoofd en het verstand aanspreekt, maar zo dat u in het kind een soort stille hui­vering – binnen bepaalde grenzen – oproept, dat u lust- of onlust­gevoelens oproept die de hele mens aangrijpen. Die klinken dan nog na wanneer het kind weer naar huis gaat, en van daaruit kan het dan de stap tot begrip en interesse zetten.
GA 294/20
vertaald/31

Wat ik aan het eind van het vorige artikel opmerkte, wordt hier nog eens herhaald:

Steiners benadering gaat nu uit van ‘bovenmens en benedenmens, bovenfysiek, halffysiek en fysiek.
Daarover is hier al een en ander opgemerkt. 

Zonder nu op details in te gaan, kun je veel van de manier waarop in de basisafdeling (de onderbouw) van de vrijeschool gewerkt wordt, verbinden met dit belangrijke fenomeen van de ademhaling.
Zingen, spreken, fluitspelen.
Het met plezier de dingen doen: schilderen, boetseren.
Met fantasie, de open vorm van de creativiteit.
De ritmische afwisseling tussen actief en passief, tussen doen en luisteren – dat laatste ook naar de verhalen waarop de ziel meebeweegt in de afwisseling tussen spanning en ontspanning; stille huiver en lachen, verontwaardiging en instemming enz.  [1e klas – vertellen]

Voor de tweede keer in deze 1e voordracht gebruikt Steiner hier als van groot belang voor de opvoeding, het woord: harmonie:
‘het ademen en het zenuw-zintuig­proces met elkaar in harmonie brengen‘.

Op blz. 24: De taak van de opvoeding in geestelijke zin is nu om de zielegeest en het licha­melijk organisme of organisch lichaam met elkaar in overeen­stemming te brengen. Die moeten met elkaar in harmonie ko­men,
Daar zitten nog meer kanten aan die in de verdere voordrachten aan de orde komen. Ik heb al genoemd: de boven-mens en de onder-mens.
Hoe e.e.a. concreter wordt, is prachtig te zien bij het aanleren van de letters: bij het leren schrijven en lezen.
.
*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
[4]  Kranich: Anthropologische Grundlagen der Waldorfpädagogik, Stuttgart 1999
[5] Kopsch: Anatomie des Menschen, band 3
[6] idem
[7] J.Rohen: Funktionele Anatomie des Nervensystems

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

1390

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de kerstspelen (1)

.

over de volkse kerstspelen
een herinnering aan een christusfeest

blz. 9

Vor fast vierzig Jahren*, etwa zwei oder drei Tage vor Weihnachten, erzählte mir mein lieber Lehrer und väterlicher Freund Karl Julius Schröer in seinem kleinen Bibliothekszimmer in der Wiener Salesianergasse von den Weihnachtspielen, deren Aufführung in Oberufer in Westungarn er in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts beige- wohnt und die er 1862 in Wien herausgegeben hatte.
Die deutschen Kolonisten dieser Gegend haben diese Spiele aus mehr westlich gelegenen Gegenden mitgebracht und ganz ‘in alter Weise jedes Jahr um die Weihnachtszeit weitergespielt. Es sind in ihnen wahre Perlen des deutschen Volkschauspieles aus einer Zeit erhalten, die der allerersten Entstehung der modernen Bühne vorangegangen ist.
In Schröers Erzählung war etwas, das eine unmittelbare Empfindung davon erregte, wie vor seiner Seele im Anblick der Spiele ein Stück ‘Volkstum aus dem 16. Jahrhundert stand. Und er schilderte ja aus dem vollen heraus. 

Ongeveer veertig jaar geleden, zo’n twee of drie dagen voor Kerstmis, vertelde mijn goede leraar en vaderlijke vriend Karl Julius Schröer me in zijn kleine bibliotheekkamer in de Weense Salesianersteeg over de kerstspelen waarvan hij in Oberufer in West-Hongarije in de jaren vijftig van de 19e eeuw een opvoering had bijgewoond en die hij in 1862 in Wenen had uitgegeven.
De Duitse kolonisten van deze streek hebben deze spelen uit meer naar het westen gelegen streken meegebracht en elk jaar tegen Kerst in die heel oude stijl weer opgevoerd. Er zitten nog echte pareltjes van Duits volkstoneel in uit een tijd die voorafging aan het allereerste ontstaan van het moderne toneel.
In wat Schröer vertelde zat iets wat onmiddellijk een gevoel opriep van wat hij beleefde als een stukje echt volksleven bij het zien van die spelen uit de 16e eeuw. Hij schetste het met verve.

Ihm war das deutsche Volkstum in den verschiedenen österreichisch-ungarischen Gegenden ans Herz gewachsen. Zwei Gebiete waren der Gegenstand seines besonderen Studiums. Dieses Volkstum und Goethe. Und wenn er über irgend etwas aus diesen beiden Gebieten sprach, dann teilte sich nicht ein Gelehrter mit, sondern ein ganzer Mensch, der sich der Gelehrsamkeit nur bediente, um auszusprechen, was ihn mit ganzem Herzen und intensivem Lebensinhalt persönlich damit verband.
Und so sprach er damals über die bäuerlichen Weihnachtspiele. Lebendig wurden aus seinen Worten die armen Leute von Oberufer, die jedes Jahr um die Weihnachtszeit für ihre Mitbewohner zu Schauspielern sich ausbildeten. Schröer kannte dieser Leute Art. Er hat ja auch alles getan, um sie kennenzulernen. Er bereiste das ungarische Bergland, um die Sprache der Deutschen in dieser Gegend Nordungarns zu studieren. Von ihm gibt es ein «Wörterbuch der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1858); eine «Darstellung der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1864). Man 

Hem lag die Duitse volksgemeenschap in de verschillende Oostenrijks-Hongaarse streken na aan het hart. Wat zijn bijzondere studies betrreft, waren er twee onderwerpen. Deze volksgemeenschap en Goethe. En wanneer hij over iets van deze beide sprak, was er geen geleerde aan het woord, maar helemaal een mens die zijn geleerdheid alleen maar gebruikte om uit te spreken wat hem van ganser harte en met een intense volheid des levens daarmee verbond.
En zo sprak hij toen over die kerstspelen van de boeren. Door zijn woorden kwamen de arme mensen uit Oberufer die ieder jaar tegen Kerst voor hun dorpsgenoten toneelspelers werden, tot leven. Schroër kende de aard van deze mensen. Hij had er alles aan gedaan om ze te leren kennen. Hij reisde door het Hongaarse bergland om de taal van de Duitsers in deze streek van Noord-Hongarije te bestuderen. Er bestaat een woordenboek van hem: ‘Woordenboek van Duitse dialecten in het Hongaarse bergland’ (1858); een ‘Proeve van de Duitse dialecten van het Hongaarse bergland’ (1864). Je

blz. 10

braucht nicht gerade eine Vorliebe für die Lektüre von Wörterbüchern zu haben, um von diesen Büchern gefesselt zu werden. Das äußere Gewand der Darstellung hat zunächst allerdings ‘nichts Anziehendes. Denn Schröer sucht der wissenschaftlichen Art der Germanistik seiner Zeit gerecht zu werden. Und diese Art erscheint zunächst auch bei ihm recht trocken. Überwindet man aber diese Trockenheit und geht man auf den Geist ein, der da waltet, wenn Schröer Worte, Redensarten, Wortspiele und so weiter aus den Volksdialekten mitteilt: dann vernimmt man in wahrhaft anmutigen Miniaturbildchen Offenbarungen reinster Menschlichkeit. Aber man ist nicht einmal darauf angewiesen. Denn Schröer schickt seinen Wörterbüchern und grammatikalischen Aufzählungen Vorreden voraus, die weiteste kulturgeschichtliche Ausblicke geben. In Volkstümliches, das eingestreut in anderes Volkstum und innerhalb desselben im Untergange begriffen ist, verliebt sich eine selten sinnige Persönlichkeit und schildert es, wie man eine Abenddämmerung schildert.

hoeft niet meteen een voorliefde voor woordenboeken te hebben om door die boeken geboeid te raken. De uiterlijke kant van zijn betoog heeft echt niets aantrekkelijks. Want Schröer probeert recht te doen aan de wetenschappelijke manier van Germanistiek bedrijven. En dat is ook bij hem aanvankelijk nogal droog. Overwin je echter dit droge en pak je de geest die eruit spreekt, wanneer
Schröer woorden, manieren van zeggen, het spelen met woorden enz. uit het volksdialect meedeelt: dan merk je in werkelijk prachtige miniatuurbeeldjes uitingen van een pure menselijkheid. Maar daarop ben je niet eens aangewezen. Want Schröer schrijft in zijn woordenboeken en grammaticale opsommingen een voorwoord dat een wijde blik op een verreikende cultuurgeschiedenis werpt. Aan wat het eigene van een volk is, verstrooid tussen andere volksgroepen en gedoemd om ten onder te gaan, verliest een zeldzaam gevoelige persoonlijkheid zijn hart en toont het ons, zoals een avondschemering.

Und aus dieser Liebe heraus hat Schröer auch ein Wörterbuch der Heanzen-Mundart des westlichen Ungarns geschrieben [1859] und eines der ganz kleinen deutschen Sprachinsel Gottschee in Krain [1870].
.Es war immer etwas von einem tragischen Grundton da, wenn Schröer aussprach, was er empfand, wenn er hinblickte auf dieses untergehende Volksleben, das er in Form der Wissenschaft bewahren wollte.
Zur innigen Wärme steigerte sich aber diese Empfindung, als er von den Oberuferer Weihnachtspielen sprach. Eine angesehene Familie bewahrte sie und ließ sie als heiliges Gut von Generation auf Generation übergehen. Das älteste Mitglied der Familie war der Lehrmeister, der die Spielart von seinen Vorfahren vererbt erhielt. Der suchte sich aus den Burschen des Ortes jedes Jahr, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen aus, die er als Spieler für geeignet hielt. Ihnen brachte er das Spiel bei. Sie mußten sich während der Lehrzeit eines Lebenswandels befleißigen, der dem Ernste der Sache angemessen war. Und sie mußten sich treulich allem fügen, was der Lehrmeister verordnete. Denn in diesem lebte eine altehrwürdige Tradition.
In einem Wirtshaus waren die Aufführungen, die Schröer gesehen

En vanuit deze betrokkenheid schreef Schröer ook een woordenboek van het Heanzendialect uit West-Hongarije (1859) en een van de heel kleine Duitse taalenclave Gottschee in Krain (1870).
Er was altijd iets van een tragische ondertoon wanneer Schröer uitsprak wat hij beleefde wanneer hij naar dit verdwijnende volksleven keek, wat hij in een wetenschappelijke vorm wilde vastleggen.
Maar dit gevoel groeide aan tot een innerlijke warmte als hij over de kerstspelen uit Oberufer sprak. Een in aanzien staande familie bewaarde die en als iets heiligs ging het van generatie op generatie over. Het oudste familielid was de leermeester die de manier van spelen van zijn voorouders erfde. Hij zocht onder de jongens uit de streek, ieder jaar wanneer de wijnoogst voorbij was, enkele uit die hij geschikt achtte als speler. Aan hen leerde hij het spel. Ze moesten tijdens de instudeertijd hun best doen zo te leven dat het paste bij de ernst van de zaak. En ze moesten zich trouw schikken in wat de leermeester wilde. Want hij was de vertegenwoordiger van de oude, eerbiedwaardige traditie.
De opvoeringen die Schröer heeft gezien,

blz. 11

hat. Aber sowohl Spieler wie Zuschauer trugen in das Haus die herzlichste Weihnachtsstimmung hinein. – Und diese Stimmung wurzei,t in einer echt frommen Hingebung an die Weihnachtswahrheit. Szenen, die zur edelsten Erbauung hinreißen, wechseln mit derben, spaßhaften. Diese tun dem Ernst des Ganzen keinen Abbruch. Sie sind nur ein Beweis dafür, daß die Spiele aus derjenigen Zeit stammen, in welcher die Frömmigkeit des Volkes so festgewurzelt im Gemüte war, daß sie durchaus neben naiver volkstümlicher Heiterkeit einhergehen konnte. Es tat zum Beispiel der frommen Liebe, in der das Herz an das Jesuskind hingegeben war, keinen Eintrag, wenn neben der wunderbar zart gezeichneten Jungfrau ein etwas tölpischer Joseph hingestellt wurde oder wenn der innig charakterisierten Opferung der Hirten eine derbe Unterhaltung derselben mit drolligen Späßen voranging. Diejenigen, von denen die Spiele herrührten, wußten, daß der Kontrast mit der Derbheit die innige Erbauung bei dem Volke nicht herabstimmt, sondern erhöht. Man kann die Kunst bewundern, welche aus dem Lachen heraus die schönste Stimmung frömmster Rührung holt und gerade da- durch die unehrliche Sentimentalität fernhält.

vonden plaats in een herberg. De spelers, maar ook de toeschouwers brachten daar de warmste kerststemming mee naartoe. – En deze stemming is geworteld in een echt diepgelovige devotie voor de waarheid van Kerstmis. Scènes die het gemoed tot de puurste aandacht voeren, worden afgewisseld met wat minder fijngevoelige grappen. Die doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel. Ze zijn er slechts een bewijs van dat de spelen uit een tijd stammen waarin de vroomheid van een volk zo vast in het gemoed wortelt dat die heel goed samen kon gaan met een naïve volkse vrolijkheid.
Het deed bijv. de gelovige liefde waarmee het hart toegewijd was aan het Jezuskind geen afbreuk, wanneer naast de wonderlijk teer aangeduide jonkvrouw, een wat sukkelige Jozef stond of wanneer aan de innige opvoering van de gaven aan het kind door de herders, hun wat lompere conversatie met potsierlijke grappen voorafging. Degenen van wie de spelen kwamen, wisten dat de tegenstelling van wat minder fijngevoelig is, de puurste aandacht niet in der eg staat, maar intenser maakt. Je kan de kunst bewonderen die vanuit de lach de stemming van het puurste aangedaan zijn laat ontstaan en juist daardoor blijft vals sentiment achterwege.

Ich schildere, indem ich dies schreibe, den Eindruck, den ich empfing, nachdem Schröer, um seine Erzählung zu illustrieren, das Büchelchen aus seiner Bibliothek hervorgeholt, in dem er die Weihnachtspiele mitgeteilt hatte und aus denen er mir nun Proben vorlas. Er konnte darauf hinweisen, wie der eine oder der andere Spieler in Gesichtsausdruck und Gebärde sich verhielt, wenn er dieses oder jenes sprach. Schröer gab mir nun das Büchelchen mit (Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn, geschildert und mitgeteilt von Karl Julius Schröer Wien 1 858I62); und ich durfte, nachdem ich es durchgelesen hatte, ihn noch oft über vieles fragen, was mit der Spielart des Volkes und dessen ganzer Auffassung von dieser besonderen Weise, Weihnachten und das Dreikönigsfest zu feiern, zusammenhing.
Schröer erzählt in seiner Einleitung zu den Spielen: «In der Nähe von Preßburg, eine halbe Stunde Weg zu fahren, liegt auf einer VorInsel zur Insel Schütt das Dörfchen Oberufer, dessen Grundherrschaft die Familie Palfy ist. Die katholische sowohl wie die protestantische Gemeinde daselbst gehören als Filialen zu Preßburg und haben ihren 

Ik schets, wanneer ik dit zo beschrijf, de indruk die het op mij maakte, nadat Schröer, om zijn verhaal te illustreren, het boekje uit zijn bibliotheek tevoorschijn haalde, waarin hij de kerstspelen opgeschreven had en waaruit hij mij nu stukjes voorlas. Hij kon aangeven hoe de ene of de andere speler met een gezichtsuitdrukking of een gebaar acteerde wanneer hij dit of dat sprak. Schröer gaf mij dat boekje toen mee (Duitse kerstspelen uit Hongarije, gekarakteriseerd en meegedeeld door Karl Julius Schröer Wenen 1858/62) en ik mocht, nadat ik het gelezen had hem over veel nog vragen stellen m.b.t. de manier van dit volkse spelen en de hele opvatting van deze bijzondere manier om zo Kerstmis en Driekoningen te vieren.
Schröer vertelt in zijn inleiding tot de spelen: ‘In de buurt van Pressburg, een half uurtje rijden, ligt op een vooreilandje bij het eiland Schütt het dorpje Oberufer, waarvan de familie Palfry eigenaar is. De katholieke als ook de protestantse gemeente horen als afdelingen bij Pressburg en houden hun

blz. 12

Gottesdienst in der Stadt. Ein Dorfschulmeister für beide Gemeinden ist zugleich Notär, und so sind denn in einer Person alle Honoratioren des Ortes vereinigt. Er ist den Spielen feind und verachtet sie, so daß dieselben bis auf unsere Tage unbeachtet und völlig isoliert von aller von Bauern ausgingen und für Bauern aufgeführt wurden. Die Religion macht dabei keinen Unterschied, Katholiken und Protestanten nehmen gleichen Anteil bei der Darstellung sowohl als auch auf den Zuschauerplätzen. Es gehören die Spieler jedoch demselben Stamme an, der unter dem Namen der Haidbauern bekannt ist, im 16. oder zu Anfang des 17. Jahrhunderts aus der Gegend am Bodensee (Schröer stellt in einer Anmerkung das nicht als ganz gewiß hin) eingewandert und noch 1659 ganz protestantisch gewesen sein soll … In Oberufer ist nun der Besitzer der Spiele seit 1827 ein Bauer; er hatte schon als Knabe den Engel Gabriel gespielt, dann von seinem Vater, der damals der Spiele war, die Kunst geerbt. Von ihm hatte er die Schriften, die auf Kosten der Spieler angeschafften und instand gehaltenen Kleidungen und anderen Apparat geerbt, und so ging denn auch auf ihn die Lehrmeisterwürde über.»

diensten in de stad. Een dorpsschoolmeester voor de beide gemeenten is tegelijkertijd notaris en op deze manier zijn alle notabelen van de plaats in één persoon verenigd. Hij moet die spelen niet en verafschuwt ze, zodat ze tot nu toe door de gehele ‘intelligentsia’ niet worden opgemerkt en volledig los daarvan, van boeren uitgaan en voor boeren worden opgevoerd. De godsdienst doet er niet toe, katholieken en protestanten hebben een gelijk aandeel bij de uitvoeringen en ook bij het aantal zitplaatsen. Immers, de spelers behoren tot dezelfde volksgroep die onder de naam Haidboeren bekend staat, in de 16e of in het begin van de 17e eeuw uit de omgeving van het Bodenmeer (Schröer zegt in een voetnoot dat dat niet helemaal zeker is) geïmmigreerd en die zou in 1629 nog protestants geweest zijn….In Oberufer is degene die nu sinds 1827 de spelen in zijn bezit heeft een boer; hij had als jongen al de engel Gabriël gespeeld, toen van zijn vader, die toen ‘leermeester’ van de spelen was, de kunst geërfd. Van hem had hij de rollen, op kosten van de spelers aangeschaft en de bewaarde kleding en andere voorwerpen geërfd en zo ging dan op hem de waardigheid van de leermeester over.’

Wenn die Zeit zum Einüben gekommen ist, «wird abgeschrieben, gelernt, gesungen, Tag und Nacht. In dem Dorfe wird keine Musik gelitten. Wenn die Spieler über Land gehen, um in einem benachbarten Ort zu spielen, und es ist Musik da, so ziehen sie weiter. Als man ihnen zu Ehren in einem Orte einmal die Dorfmusikanten aufspielen ließ, fragten sie entrüstet: ob man sie für Komödianten halte? … Die Spiele dauern vom ersten Advent bis heiligen Dreikönig. Alle Sonntag und Feiertag wird gespielt; jeden Mittwoch ist eine Aufführung zur Übung. An den übrigen Werktagen ziehen die Spieler über Land auf benachbarte Dörfer, wo gespielt wird… Ich halte die Erwähnung dieser Umstände deshalb für wichtig, weil aus ihnen ersichtlich wird, wie auch gegenwärtig noch eine gewisse Weihe mit der Sache verbunden ist.»
Und wenn Schröer über die Spiele sprach, so hatten seine Worte noch einen Nachklang von dieser Weihe.
Ich mußte, was ich damals durch Schröer aufnahm, im Herzen behalten. Und nun spielen Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft seit einer Reihe von Jahren zur Weihnachtszeit diese Spiele. 

Wanneer de tijd van de repetities aanbrak, ‘wordt er overgeschreven, geleerd, gezongen, dag en nacht. In het dorp verdraagt men geen muziek. Wanneer de spelers door het land trekken om in een buurdorp te spelen en er wordt daar muziek gemaakt, trekken ze verder. Toen men te hunner ere eens in een dorp de dorpsmuzikanten liet spelen, vroegen ze gepikeerd: of ze misschien voor komedianten aangezien werden?….De spelen duren van de eerste advent tot aan Driekoningen. Elke zondag en feestdagen wordt er gespeeld; iedere woensdag is er een ‘try-out’. Op de andere werkdagen trekken de spelers door het land naar buurdorpen, waar wordt gespeeld…..Ik vind het noemen van deze feiten belangrijk, omdat daaruit blijkt hoe ook tegenwoordig nog een zekere gewijde ernst met de zaak is verbonden.”
En wanneer Schröer over de spelen sprak, klonk er in zijn woorden nog iets van deze wijding door.
Ik moest, wat ik toen van Schröer hoorde, in mijn hart bewaren. En nu spelen leden van de Antroposofische Vereniging al sinds jaren met de Kerst deze spelen.

blz. 13

Während der Kriegszeit durften sie sie auch den Kranken in den Lazaretten vorspielen. Wir spielen sie auch seit Jahren um jede Weihnachtszeit im Goetheanum in Dornach. Auch dieses Jahr wird es wieder so sein. Es wird, soweit das bei den veränderten Verhältnissen möglich ist, streng darauf gesehen, daß Spielart und Einrichtung dem Zuschauer ein Bild geben, wie es diejenigen vor sich hatten, die im Volksgemüt diese Spiele festgehalten und als eine würdige Art, Weihnachten zu feiern, angesehen haben.
Weihnachten 1922    Rudolf Steiner

Tijdens de oorlog mochten ze deze ook spelen voor de zieken in de veldhospitalen. We spelen ze sinds een paar jaar rond iedere Kerst ook in het Goetheanum in Dornach. Dat zal ook dit jaar weer zo zijn. Er zal, voor zover dat door de veranderde omstandigheden mogelijk is, streng op worden toegezien dat de manier van spelen en de enscenering de toeschouwer een beeld geven, zoals diegenen dat voor zich hadden, die in hun volkse ziel deze spelen hebben bewaard en als een waardige manier om Kerstmis te vieren, hebben opgevat.

Kerstmis 1992  Rudolf Steiner

.

Rudolf Steiner: toespraak bij de opvoering van het kerstspel  6 jan. 1918

Kerstspelen: alle artikelen

.

1388

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.