Categorie archief: Rudolf Steiner

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1500 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 38-40 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

ZENUWEN

Wanneer Steiner bloed en zenuw als polariteiten beschrijft, komt hij ook tot de uitspraak dat er geen verschil is tussen motorische en sensitieve zenuwen.

Voor een leek zoals ik, is dat een onderwerp waarover ik – zonder gedegen studie en verdieping in allerhande literatuur – niet veel kan bijdragen.
Voorbeelden uit het eigen (dagelijks) ervaarbare leven zijn er niet.
En neuro-wetenschapstechnisch gebeuren er in deze tijd allerlei tot nog toe niet mogelijke ‘wonderen’ bij mensen die bijv. door de mogelijkheid elektrische impulsen, gestimuleerd door hun denken, naar een lichaamsdeel te zenden, dat door verlamming of andere beschadigingen tot dan toe niet meer functioneerde.
Dat gebeurt door de kennis van de zenuwen waarbij het onderscheid ‘motorisch-sensitief’ een grote rol speelt.

Steiner over sensitieve en motorische zenuwen:

Op blz. 39:
‘Om te spreken van motorische zenuwen – zoals gangbaar geworden is – is onzinnig, aangezien dat wat met ‘motorische zenuwen’ bedoeld wordt eigenlijk de bloedbanen zijn.’

In het schema vinden we de zenuw opzij van het rijtje waarbij ook het kennen staat; het bloed bij het rijtje waarbij het willen staat. In Steiners optiek behoren zowel de sensitieve als de motorische aan de kenniskant.

Op blz. 40 noemt hij het spreken over motorische en sensitieve zenuwen ‘een spel met woorden’. 

‘Er wordt van motorische zenu­wen gesproken, omdat het een feit is dat de mens niet kan lopen wanneer bepaalde zenuwen beschadigd zijn, bijvoorbeeld die welke naar de benen lopen. Men zegt dat de mens dan niet kan lopen omdat die zenuwen verlamd zijn die zijn benen in bewe­ging zetten; die zenuwen worden de ‘motorische’ genoemd. In werkelijkheid is het zo, dat men in zo’n geval niet kan lopen omdat men zijn eigen benen niet kan waarnemen.’

( ) die Naturwissenschaft ist nicht fähig, den Menschen in der richtigen Weise zu beurteilen. Sie sagt zum Beispiel den krassen Unsinn : Wenn Sie etwas fühlen, das Gefühl sei auch durch das Nervensystem vermittelt. Es ist der reine Unsinn. Das Gefühl ist direkt ebenso durch das Atmungssystem, das rhyth­mische System vermittelt, wie der Gedanke durch das Nerven­-Sinnessystem. Und der Wille ist durch den Stoffwechsel vermittelt, gar nicht durch das Nervensystem in elementarer Weise. Erst der Gedanke des Wollens ist durch das Nervensystem vermittelt. Nur indem Sie als Menschen ein deutliches Bewußtsein haben von dem Wollen, ist das Nervensystem beteiligt. Indem Sie Ihr Wollen mit­denken, ist das Nervensystem beteiligt. Weil man das nicht weiß, ist herausgekommen jenes furchtbar Beirrende der heutigen Physiologie und Anatomie, daß man sensitive Nerven und Bewegungsnerven unterscheidet. Es gibt gar keine krassere Unrichtigkeit als diese Unter­scheidung der sensitiven Nerven und Bewegungsnerven im mensch­lichen Leibe. Die Anatomen sind immer in Verlegenheit, wenn sie dieses Kapitel besprechen, aber sie kommen nicht darüber hinaus. Sie sind in furchtbarer Verlegenheit, weil sich anatomisch diese beiden Arten von Nerven nicht unterscheiden. Das ist reine Spekulation. Und alles das, was sich durch Untersuchungen der Tabes anschließt, das ist durchaus alles ohne Halt. Die Bewegungsnerven unterscheiden sich nicht von den sensitiven Nerven, weil die Bewegungsnerven nicht dazu da sind, die Muskeln in Bewegung zu setzen. Die Muskeln werden in Bewegung gesetzt durch den Stoffwechsel. Und während Sie mit den sogenannten sensitiven Nerven auf dem Umweg durch die Sinne die Außenwelt wahrnehmen, nehmen Sie mit den anderen Nerven ihre eigenen Bewegungen, die Muskelbewegungen wahr. Die heutige Physiologie nennt sie nur falscherweise Bewegungsnerven.

( ) de natuurwetenschap is niet in staat de mens op de juiste manier te beoordelen. Ze zegt bijv. deze krasse onzin: wanneer u iets voelt, wordt dit door het zenwusysteem overgebracht. Dat is je reinste onzin. Het gevoel wordt direct net zo door het ademhalingssysteem, het ritmische systeem overgebracht, als de gedachte door het zenuw-zintuigsysteem. En de wil wordt door de stofwisseling overgebracht, helemaal niet door het zenuwsysteem op elementaire manier. Pas de gedachte aan de wil wordt door het zenuwsysteem overgebracht. Alleen als u als mens een duidelijk bewustzijn hebt van het willen, doet het zenuwssyteem mee. Als u meedenkt met uw wil, heeft het zenuwsysteem daar deel aan. Omdat men dat niet weet, is die vreselijke verwarring van de huidige fysiologie en anatomie ontstaan van het onderscheiden van sensitieve en motorische zenuwen in het mensenlichaam. De anatomen komen steeds in verlegenheid wanneer ze dit hoofdstuk bespreken, maar ze komen niet verder. Ze zitten vreselijk in verlegenheid omdat er anatomisch geen verschil bestaat tussen deze zenuwen. Dat is pure speculatie. En alles wat er nog bij komt door onderzoek naar de tabes is eigenlijk van weinig belang. Er is geen verschil tussen tussen sensitieve en motorische zenuwen, omdat de motorische zenuwen niet de functie hebben om de spieren in beweging te brengen. Die worden in beweging gebracht door de stofwisseling. En terwijl u met de zogenaamde sensitieve zenuwen via de omweg door de zintuigen de buitenwereld waarneemt, zo neemt u met de andere zenuwen uw eigen bewegingen, de spierbewegingen, waar. De huidige fysiologie noemt deze alleen abusievelijk bewegingszenuwen.
GA 192/ 51-52
Niet vertaald

En op blz. 153:

Der Unterschied zwischen sensitiven und motorischen Nerven ist ein Unding, weil die sogenannten motorischen Nerven zu nichts anderem da sind als zu dem, wozu die sensitiven Nerven auch da sind. Ein sensitiver Nerv, ein Sinnesnerv ist dazu da, daβ er Werkzeug ist, um das wahrzunehmen, was in unserer Sinnesorganisation vorgeht. Und ein sogenannter motorischer Nerv ist kein motorischer Nerv, sondern auch ein sensitiver Nerv; er ist nur dazu da, daβ ich meine eigene Handbewegung, die aus anderen Gründen heraus kommen als aus den motorischen Nerven, wahrnehmen kann. Motorische Nerven sind innere Sinnesnerven zur Wahrnehmung meiner eigenen Willensentschlüβe. Damit ich das Äuβere, was sich in meinem Sinnesapparat abspielt, wahrnehme, dazu sind die sensitiven Nerven da, und damit ich mir nicht ein unbekanntes Wesen bleibe, indem ich selber gehe, schlage oder greife, ohne daβ ich etwas davon weiβ, dazu sind die sogenannten motorischen Nerven da, also nicht zur Anspannung des Willens, sondern zur Wahrnehmung dessen, was der Wille in uns tut.
Es gibt kein anderer Unterschied als das die einen sensitiv sind für das, was drauβen ist, und die andern für das, was im eigenen Körper ist.

Het verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen is een onding, omdat de zgn. motorische zenuwen er voor niets anders zijn dan waarvoor de sensitieve zenuwen er ook zijn. Een sensitieve zenuw, een zintuigzenuw is een instrument om waar te nemen wat er in onze zintuigorganisatie gebeurt. En een zgn. motorische zenuw is geen bewegingszenuw, maar ook een sensitieve zenuw; deze is er alleen maar om mijn eigen handbeweging die door een andere oorzaak ontstaat dan door de motorische zenuw, waar te nemen. Motorische zenuwen zijn inwendige zintuigzenuwen om mijn eigen wilsbesluiten waar te nemen. Om het uiterlijke, wat zich in mijn zintuigapparaat afspeelt, te kunnen waarnemen, heb ik sensitieve zenuwen en om geen onbekende voor mezelf te blijven, heb ik, wanneer ik zelf loop, sla, of grijp, de zgn. motorische zenuwen, dus niet om de wil in beweging te brengen, maar om waar te nemen wat de wil in ons doet.
GA 192/153-154
Niet vertaald

Op blz. 172:

Es gibt kein Unterschied zwischen sensitive und motorische Nerven: sie sind alle sensitiv.Die sogenannten motorischen Nerven sind nur dazu da, daβ wir innerlich unsere Bewegungen wahrnehmen, daβ wir sensitiv sind mit Bezug auf das, was wir selbst als Menschen tun. Geradeso wie der Mensch mit dem sensitiven Augennerv die Farbe sich vermittelt, so vermittelt er sich die eigene Beinbewegung durch die „motorischen“ Nerven, die nicht da sind, um das Bein in Bewegung zu setzen, sondern um wahrzunehmen, daβ die Bewegung des Beines ausgeführt wird.

Er bestaat geen verschil tussen sensitieve en motorische zenuwen: ze zijn allebei sensitief. De zgn. motorische zenuwen zijn er alleen maar om inwendig onze bewegingen te kunnen waarnemen, dat we sensitief zijn voor wat we zelf als mens doen. Precies zoals de mens met zijn sensitieve oogzenuw kennis neemt van de kleur, zo neemt hij kennis van zijn eigen beenbeweging door de ‘motorische’ zenuwen, die er niet zijn om het been te laten bewegen, maar om waar te nemen dat de beweging van het been uitgevoerd wordt.
GA 192/172

En in GA 293 op blz. 41:
‘Met waarnemen en willen is het niet zo dat er iets van een sensitieve zenuw naar een motorische zenuw wordt omgeleid, maar er springt recht­streeks een stroom van de ene zenuw over op de andere en daardoor wordt in ons, in de hersenen en in het ruggenmerg, de zielenwereld aangeroerd.’

Dit is op zich ook alweer een raadselachtige opmerking. Het ‘overspringen van een stroom’ is echter iets dat tegenwoordig als realiteit onderkend wordt.

In GA 201 benadert Steiner dit zo:

Sehen sie, wenn heute der materialistisch gesinnte Physiologie von dem Willen spricht, der sich zB in einer menschlichen Gliedbewegung offenbart, so denkt er, da wird irgendein telegraphisch Zeichen vom Zentralorgan, vom Gehirn abgeschickt, geht durch den sogenannten motorischen Nerv und bewegt dann, sagen wir das rechte Bein. ( ) Das ist eine unrichtige Hypothese.Wenn das rechte Bein gehoben wird durch den Willen, so geschieht von der Ich-Wesenheit des Menschen, von der wirklichen Ich-Wesenheit ein unmittelbarer Einfluβ auf das Bein und das Bein wird unmittelbar durch die Ich-Wesenheit gehoben. Nur verläuft das alles so, wie die Tätigkeit des Schlafens. Das Bewuβtsein weiβ nichts davon. Daβ hier Nerven eingeschaltet sind, die dann zum Zentralorgan gehen, das unterrichtet uns bloβ davon, daβ wir ein Bein haben, das unterrichtet uns nur fortwährend von der Anwesenheit dieses Beines. Dieser Nerv hat als solcher nichts zu tun mit der Wirkung des Ich auf das Bein. Es ist eine unmittelbare Korrespondenz zwischen dem Bein und dem Willen, der beim Menschen verknüpt ist mit der Ich-Wesenheit, beim Tiere verknüpft ist mit dem astralischen Leib.

Kijk, wanneer tegenwoordig de materialistisch gezinde fysiologie over de wil spreekt, die bijv. tot uiting komt in een menselijke ledematenbeweging, dan denkt hij dat er een of ander telegrafisch sein van het centrale orgaan, vanuit de hersenen gestuurd wordt, dat door de zgn. motorische zenwu gaat en dat dat het, laten we zeggen, rechterbeen beweegt. ( ) Dat is een verkeerd uitgangspunt. Wanneer het rechterbeen opgetild wordt door de wil, dan gaat er van het Ik van de mens, van zijn daadwerkelijke Ik-wezen, een directe invloed uit naar het been en het been wordt direct door het Ik opgetild. Alleen verloopt dit allemaal net zoals het in de slaap gaat. Het bewustzijn weet er niets van. Dat hier zenuwen ingeschakeld zijn die dan naar het centrale orgaan gaan, leert ons alleen dat we een been hebben, dat zegt ons alleen maar voortdurend dat dit been er is. Deze zenuw als zodanig heeft niets te maken met de invloed van Ik op het been. Tussen het been en de wil bestaat een direct contact, dat verbonden is met het Ik; bij het dier met het astraallijf.
GA 201/134
Niet vertaald

In GA 205:
Erstens lernt man aufgeben das Vorurteil, als ob unser See­lisches nur beigeordnet wäre dem Nerven-Sinnesapparat. Nur die Vor­stellungswelt ist dem Nerven-Sinnesapparat beigeordnet, die Gefühls­welt schon nicht mehr. Die Gefühlswelt ist direkt dem rhythmischen Organismus beigeordnet, und die Willenswelt ist dem Stoffwechsel-­Gliedmaßenorganismus beigeordnet. Wenn ich etwas will, so muß in meinem Stoffwechsel-Gliedmaßenorganismus etwas vor sich gehen. Das Nervensystem ist nur dazu da, daß man Vorstellungen haben kann von dem, was im Willen eigentlich geschieht. Es gibt keine Willens-nerven, ich habe das oftmals ausgesprochen; die Einteilung der Nerven in sensitive und in Willensnerven ist ein Unsinn. Die Nerven sind einer­lei Art, und die sogenannten Willensnerven sind zu nichts anderem da, als die Vorgänge des Willens innerlich wahrzunehmen; sie sind auch sensitive Nerven.

Allereerst laat je het vooroordeel achter je [wanneer je dit geesteswetenschappelijk bekijkt] dat ons zielenleven slechts gekoppeld zou kunnen worden aan het zenuw-zintuigapparaat. Alleen de wereld van de voorstellingen is aan het zenuw-zintuigapparaat te koppelen; de gevoelswereld al niet meer. De gevoelswereld is direct verbonden met het ritmische organisme en de wil hoort bij het stofwisselings-ledematenstelsel. Wanneer ik iets wil, moet er in mijn stofwisselings-ledematenstelsel iets gebeuren. Het zenuwsysteem is er alleen maar om voorstellingen te kunnen hebben van hetgeen er in de wil in feite gebeurt. Wilszenuwen bestaan niet, ik heb dat al vaak gezegd; de indeling in motorische en sensitieve zenuwen is onzin. De zenuwen zijn hetzelfde en de zgn. wilszenuwen zijn er voor niets anders dan de processen van de wil inwendig waar te nemen; het zijn ook sensitieve zenuwen.
GA 205/100
Niet vertaald

Ook in verschillende pedagogische voordrachten behandelt Steiner de zenuwen vanuit deze optiek.

GA 301

blz. 30

Das Nervenleben hat nicht die Beziehung zum Wol­len, die man ihm gewöhnlich zuschreibt, sondern der Wille hat un­mittelbar eine Beziehung zum Stoffwechsel, und diese Beziehung zum Stoffwechsel nimmt der vorstellende Mensch erst wiederum wahr durch das Nervensystem. Das ist die wirkliche Beziehung. Das Nervensystem hat keine andere Aufgabe als vorzustellen. Ob vorgestellt wird irgend­ein äußerer Gegenstand, ob vorgestellt wird dasjenige, was durch den Willen im Zusammenhange mit dem Stoffwechsel geschieht, der Nerv hat immer die gleiche Aufgabe. Die heutige Wissenschaft unterscheidet sensitive Nerven, die da sein sollen, um von der Körperperipherie aus gewissermaßen die Eindrücke der Außenwelt zum Zentralorgan, wie man sagt, zu tragen; dann wiederum sollen motorische Nerven da sein, welche dasjenige, was vom Zentralsystem als Willensimpuls ausgehen

Het zenuwleven heeft niet die relatie tot het willen, die men er gewoonlijk aan toeschrijft, maar de wil heeft een onmiddellijke relatie tot de stofwisseling en deze relatie neemt de zich voorstellende mens pas weer waar door het zenuwsysteem. Dat is de werkelijke relatie. Het zenuwsysteem heeft geen andere opdracht dan het voorstellen. Of er nu een of ander voorwerp van buiten, of voorgesteld wordt wat via de wil samenhangt met de stofwisseling, de zenuw heeft steeds dezelfde opgave. De wetenschap van tegenwoordig onderscheidt sensitieve zenuwen die zouden bestaan om vanuit de lichaamsperiferie bepaalde indrukken uit de buitenwereld naar het centrale orgaan – zoals men zegt – te transporteren; en dan zouden er motorische zenuwen zijn, die dan wat vanuit het centrale zenuwstelsel als wilsimpuls uit moet gaan

blz. 31

soll, nach der Peripherie des Körpers zu tragen haben. Man hat, ich werde davon noch genauer reden, sehr geistreiche – geistreich sind sie ja, die Dinge -, sehr geistreiche Theorien ersonnen, um nachzuwei­sen, wie man durch Durchschneiden und so weiter von Nerven be­weisen könne, daß ein solcher Unterschied besteht zwischen sensitiven und motorischen Nerven. Aber in Wirklichkeit existiert er nicht. Und viel bedeutungsyoller als alle im Laufe der Zeit geistreich ersonnenen Theorien über den Unterschied von motorischen und sensitiven Nerven ist die andere Tatsache, daß man allerdings den sogenannten moto­rischen Nerv zerschneiden kann, sein Ende zusammenstückeln kann mit dem Ende eines ebenfalls durchschnittenen sensitiven Nervs, und daß dies dann wiederum einen Nerv von einer Nervenart gibt. Das ist viel mehr sprechend als alles übrige, was sonst ersonnen worden ist, daß ein Unterschied in der wirklichen Funktion zwischen motori­schen und sensitiven Nerven nicht gefunden werden kann. Er kann auch in anatomisch-physiologischer Beziehung nicht gefunden werden. Die sogenannten motorischen Nerven sind nicht dasjenige, was den Willensimpuls vom Zentralorgan zu der Peripherie des Menschen trägt, sondern diese motorischen Nerven sind in Wirklichkeit auch sensitive Nerven.

naar de periferie van het lichaam moeten brengen. Men heeft, ik zal daar nog preciezer over spreken, zeer geestrijke – geestrijk zijn ze, die dingen -, zeer geestrijke theorieën bedacht om na te gaan hoe je door het doorsnijden van zenuwen kan bewijzen, dat er tussen sensitieve en motorische zenuwen zo’n onderscheid bestaat. Maar in werkelijkheid bestaat dat niet. En veel belangrijker dan alle in de loop van de tijd geestrijk bedachte theorieën over het verschil in motorische en sensitieve zenuwen, is het andere feit dat je dus de zogenaamde motorische zenuw door kan snijden, het eind ervan aan het eind van een eveneens doorgesneden sensitieve zenuw kan koppelen en dat dit dan weer een zenuw van een van de soorten oplevert. Dat is veel sprekender dan al het andere, wat maar bedacht is, dat een onderscheid in de werkelijke functie tussen motorische en sensitieve zenuwen niet kan worden gevonden. Ook in anatomisch-fysiologisch verband kan dit niet worden gevonden. De zogenaamde motorische zenuwen zijn niet datgene wat de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens brengt, maar deze motorische zenuwen zijn in werkelijkheid ook sensitieve zenuwen.

Sie sind dazu da, sagen wir, wenn ich zum Beispiel einen Finger bewege, daß eine unmittelbare Beziehung zwischen dem Willensentschluß und dem Stoffwechsel des Fingers zustande kommt, daß der unmittelbare Einfluß, der vom Willen ausgeübt wird, den Stoffwechsel des Fingers ergreift. Diese Stoffwechseländerung, dieser Stoffwechselvorgang wird durch den sogenannten motorischen Nerv wahrgenommen. Und wenn ich den Stoffwechselvorgang nicht wahr-nehme, dann erfolgt auch kein Willensentschluß, weil der Mensch darauf angewiesen ist, dasjenige, was in ihm vorgeht, ebenso wahr­zunehmen, wenn er dadurch etwas wissen soll, sich beteiligen soll daran, wie irgend etwas in der äußeren Welt wahrzunehmen ist, wenn er daran beteiligt sein soll.
Es ist geradezu, ich möchte sagen, diese Unterscheidung von sen­sitiven Nerven und motorischen Nerven der bequemste Knecht des Materialismus, allerdings ein Knecht, der nur hat heraufziehen können in der materialistischen Wissenschaft dadurch, daß man einen billigen Vergleich gefunden hat in dieser neueren Zeit, nämlich den des Tele-graphen. Man telegraphiert von einer Station zur anderen hin, und dann telegraphiert man wiederum zurück. Nach diesem Bilde des Telegraphierens

Ze zijn er om, laten we zeggen, als ik bijv. een vinger beweeg, dat er een directe verbinding tussen het wilsbesluit en de stofwisseling van de vinger tot stand komt, dat de directe invloed die door de wil uitgevoerd wordt, in de stofwisseling van de vinger dringt. Deze stofwisselingsverandering, dit stofwisselingsproces wordt door de zogenaamde motorische zenuw waargenomen. En wanneer ik het stofwisselingsproces niet waarneem, dan volgt er geen wilsbesluit, omdat de mens erop aangewezen is wat er in hem gebeurt, net zo waar te nemen, als wanneer hij iets weten moet, er deel van uit moet maken, hoe iets in de buitenwereld waar te nemen is, wanneer hij daar deel van uit moet maken.
Met name – zou ik willen zeggen – is dit onderscheid van sensitieve en motorische zenuwen de hulpvaardigste knecht van het materialisme, zeker een knecht die in de materialistische wetenschap opgeklommen is door een goedkope vergelijking te vinden in deze moderne tijd, die van de telegraaf. Men telegrafeert van het ene station naar het andere en dan telegrafeert men weer terug. Met dit beeld van telegraferen

blz. 32

stellt man sich ungefähr heute die Vorgänge vor von der Peripherie nach dem Zentralorgan und wiederum zurück durch sensitive und motorische Nerven. Das ganze Bild ist natürlich nur möglich in einem Zeitalter, in dem eben gerade die Telegraphie eine solche Rolle zu spielen hat wie im 19. Jahrhundert. Wäre die Telegraphie nicht da, so hätte man ja auch dieses Bild nicht gefunden, und man wäre vielleicht zu einer naturgemäßeren Anschauung der entsprechenden Vorgänge gekommen.
Sehen Sie, es sieht aus, als wenn man, ich möchte sagen, aus einem gewissen Radikalismus heraus, aus Kritikasterei dasjenige in Grund und Boden treten wollte, mit dem sich so viele Menschen soviel ernst­liche Mühe gegeben haben. Aber glauben Sie nicht, daß das leicht ist. Glauben Sie nicht, daß einem das leicht wird. Ich habe mich als ganz junger Mann zu beschäftigen angefangen mit der Nervenlehre, und es war für mich etwas Erschütterndes, zu bemerken, wie gerade diese Nervenlehre der schlechte Knecht des Materialismus ist, weil dasjenige, was ein unmittelbarer seelischer Einfluß des Willens auf den Stoff­wechsel ist, dadurch vermaterialisiert wird, daß man sich vorstellt, der materielle Nervenstrang trage den Willensimpuls vom Zetitralorgan zu der Peripherie des Menschen, das heißt zum Muskel, zum Be­wegungsorgan. Man zeichnet so die materiellen Prozesse in den Or­ganismus hinein.

stelt men zich min of meer tegenwoordig het proces voor van de periferie naar het centraalorgaan en weer terug door de sensitieve en motorische zenuwen. Dit hele beeld is natuurlijk slechts mogelijk in een tijd waarin nu juist de telegrafie een grote rol moest spelen, zoals in de 19e eeuw. Wanneer de telegrafie er niet was geweest, dan zou men dit beeld ook niet hebben gevonden en was man wellicht op een meer natuurgetrouwe opvatting van de onderhavige procesen gekomen.*
Kijk, het lijkt erop dat men – zou ik zeggen – vanuit een zeker radicaliteit, vanuit criticasterij dat waarmee veel mensen ernstig bezig waren geweest, in de grond wilde boren. Maar geloof maar niet dat dit makkelijk is. Geloof maar niet dat dit iemand makkelijk afgaat. Ik ben als heel jong mens me al gaan bezighouden met de leer van de zenuwen en het was voor mij nogal schokkend te merken hoe met name deze leer de slechte bediende van het materialisme is, omdat hetgeen een directe gevoelsmatige invloed van de wil op de stofwisseling is, materialistisch gemaakt wordt door zich voor te stellen dat een stoffelijke zenuwbaan de wilsimpuls van het centraalorgaan naar de periferie van de mens transporteert, d.w.z. naar de spieren, naar het bewegingsorgaan. Op die manier stelt men zich de stoffelijke processen in het organisme voor.

In Wahrheit ist bei einem Willensakt zunächst durchaus ein un­mittelbarer Zusammenhang zwischen dem, was der seelische Willens­impuls ist, und irgendeinemProzeß desStoffwechsels.DerNerv ist eben nur dazu da, um die Wahrnehmung dieses Prozesses zu vermitteln. Ebenso ist der Nerv nur dazu da, um jene Wahrnehmung zu ver­mitteln, welche bestehen muß für den Menschen, wenn zwischen seinem Fühlen und irgendeinem solchen Vorgang, der sich ausdrückt in Zir­kulation, eine Beziehung entsteht. Das ist immer dann der Fall, wenn wir fühlen. Da liegt zunächst nicht zugrunde irgendein nervöser Pro­zeß, sondern es liegt zugrunde eine Modifikation unseres Zirkulations­wesens. Bei irgendeinem Gefühl liegt immer ein Vorgang im, jetzt nicht Stoffwechsel, sondern im rhythmischen Gange der Zirkulations­prozesse vor. Und das, was vorgeht, was im Blute, in der Lymph­bildung vorgeht, in dem Sauerstoffwechsel, was aber nicht ein wirk­licher Stoffwechsel ist – der Sauerstoffwechsel ist schon ein Stoffwechsel, insofern gehört er aber zu den Willensvermittlern -, aber insofern wir

In waarheid is er bij een wilsactivieit allereerst een directe samenhang tussen wat de wilsimpuls van de ziel is en een of ander stofwisselingsproces. De zenuw is er alleen maar voor om de waarneming van dit proces over te brengen. Net zo is de zenuw er om iedere waarneming over te brengen die er voor de mens moet zijn, wanneer er tussen zijn voelen en een dergelijk proces dat zich uitdrukt in de circulatie, een relatie ontstaat. Dat is steeds het geval wanneer we voelen. Daaraan ligt niet meteen een of ander zenuwproces ten grondslag, maar er aan ten grondslag ligt een modificatie van ons circulatiewezen. Bij een of ander gevoel is er altijd een proces in – nu niet de stofwisseling – maar in het ritmisch verloop van het circulatieproces. En wat er gebeurt, wat in het bloed, in de lymfevorming plaatsvindt, in de zuurstofuitwisseling, die geen echte stofwisseling is – zuurstofuitwisseling is wel stofwisseling, in zoverre die hoort bij het overbrengen van de wil -, maar in zover wij

blz. 33

es zu tun haben mit einem rhythmischen Prozesse der Atmung, gehört das zum Fühlen. Alles Fühlen ist direkt zugeordnet dem rhythmischen Prozesse. Und wiederum sind die Nerven nur dazu da, um dasjenige wahrzunehmen, was sich da unmittelbar abspielt zwischen dem see­lischen Fühlen und dem rhythmischen Prozesse im Organismus. Ner­ven sind also auch da wiederum nur Wahrnehmungsorgane. So daß wir, ich möchte sagen, in dieser geisteswissenschaftlichen Unter­suchung erst sehen, was es eigentlich bedeutet, wenn wir in Lehrbüchern der Physiologie oder auch der Psychologie immer wieder und wie­derum finden mußten: Ja, man muß aus der Theorie heraus hypothe­tisch annehmen, der Mensch habe sensitive und motorische Nerven; aber anatomisch unterscheiden sich die beiden höchstens ein wenig durch ihre Dicke, jedenfalls nicht durch irgend etwas anderes. Speku­lationen bei der Tabes und dergleichen, die man gemacht hat – auf die werde ich noch zurückkommen. Ich wollte heute nur eben andeuten zu­nächst, daß eine unbefangene Betrachtung des menschlichen Organis­mus diesen als einen dreigliedrigen uns zeigt: den Nerven-Sinnes-Or­ganismus, der zugeordnet ist dem vorstellenden Seelenleben, dann den Organismus, der in Rhythmen lebt, zugeordnet dem Gefühlsseelen­leben, den Organismus, der im Stoffwechsel lebt, im weitesten Sinne, zugeordnet unmittelbar dem Willensteil des Seelenlebens.

te maken hebben met een ritmisch proces van de adem, hoort die bij het voelen. Alle voelen hoort direct bij het ritmische proces. En ook hier zijn de zenuwen er alleen maar om waar te nemen wat zich daar direct afspeelt tussen het voelen van de ziel en het ritmische proces in het organisme. Zenuwen zijn ook daar weer slechts waarnemingsorganen. Zodat we, in dit geesteswetenschappelijk onderzoek pas zien, wat het uiteindelijk betekent, wanneer we in de studieboeken over fysiologie of ook over psychologie steeds opnieuw weer moeten aantreffen: Ja, men moet vanuit de theorie hypothetisch aannemen dat de mens sensitieve en motorische zenuwen heeft; echter, anatomisch verschillen die twee hoogstens wat de dikte betreft, in ieder geval niet door iets anders. Op speculaties die men gemaakt heeft bij de tabes e.d. kom ik nog terug. Ik wilde nu allereerst even aanduiden dat een onbevangen waarnemen van het menselijk organisme ons dit als drieledig verschijnt: het zenuw-zintuigorganisme, dat hoort bij de zich voorstellende ziel, dan het organisme dat in ritmen leeft, behorend tot het gevoelsleven van de ziel; het organisme dat in de stofwisseling leeft, in de ruimste zin van het woord, direct behorend bij het wilsdeel van het zielenleven.
GA 301/30-33
Vertaald

GA 302A:

Sie wissen, die äußere Wissen­schaft unterscheidet heute am Menschen sogenannte Sinnesnerven, die von den Sinnen zum Gehirn beziehungsweise zu dem Zentralorgan ge­hen sollen und dort vermitteln sollen alles, was Wahrnehmen und Vor­stellen ist, und sie unterscheidet von diesen Sinnesnerven die sogenann­ten motorischen Nerven, die von dem Zentralorgan aus zu den Bewe­gungsorganen hingehen sollen und die Bewegungsorgane in Bewegung setzen sollen. Sie wissen, daß wir vom Gesichtspunkte der Initiations­wissenschaft aus diese Gliederung anfechten müssen. Es besteht absolut kein solcher Unterschied zwischen den sogenannten Sinnesnerven und den motorischen Nerven. Beide sind ein und desselben Wesens, und die motorischen Nerven dienen im wesentlichen zu nichts anderem als dazu, in dem Augenblick, wo wir uns bewegen sollen, das bewegende Organ und den Bewegungsvorgang selbst wahrzunehmen; sie haben nichts zu tun mit der Impulsierung des Willens als solchem.

Zoals u weet onderscheidt de uiterlijke wetenschap van tegenwoordig bij de mens zogenaamde sensibele zenuwen, die van de zintuigen naar de hersenen,       respectievelijk naar het centrale zenuwstelsel moeten gaan en alles wat bestaat uit waarnemen en voorstellen daarheen moeten overbrengen; die wetenschap onderscheidt van die sensibele zenuwen de zogenaamde motorische zenuwen,  die van het centrale zenuwstelsel naar de bewegingsorganen zouden lopen en de bewegingsorganen in beweging zouden moeten zetten. U weet dat we vanuit het gezichtspunt van de antroposofie deze onderverdeling moeten aanvechten. Zo’n verschil tussen de zogenaamde sensibele en de motorische zenuwen bestaat er absoluut niet. Beide zijn ze van één en hetzelfde wezen, en de motorische zenuwen dienen in wezen nergens anders toe  dan om op het ogenblik waarop we ons moeten bewegen, het bewegende orgaan en het bewegingsverloop zelf waar te nemen. Ze hebben niets te maken met de impulsering van de wil als zodanig.

Daher wer­den wir also sagen können: Wir haben Nerven, welche von unserer Peri­pherie mehr gegen das Zentrum hingehen, und dann haben wir Nerven, die vom Zentrum aus zu den Enden der Bewegungsorgane verlaufen. Aber das sind im Grunde genommen einheitliche Nervenstränge, und das Wesentliche ist nur, daß diese einheitlichen Nervenstränge unter­brochen sind, daß also gewissermaßen der innervierende seelische Strom, der zum Beispiel von einem Sinnesnerven nach dem Zentrum geht, im Zentrum unterbrochen wird und nun überspringen muß, wo­durch aber der innervierende Seelenstrom nichts anderes wird – wie etwa ein elektrischer Funke oder der elektrische Strom durch eine Um­schaltungsstelle überspringt, wo die Übertragung unterbrochen ist -, auf den sogenannten motorischen Nerv, der aber in jeder Beziehung dadurch zu nichts anderem wird, der vielmehr genau dasselbe ist wie302a/43 dem Sinnesnerv. Er ist nur dazu veranlagt, den Bewegungsvorgang und das bewegende Organ selbst wahrzunehmen. Aber es gibt etwas, das uns besonders intim hineinschauen läßt in diesen ganzen organischen Vorgang, in dem ineinanderwirken die seelischen Strömungen und die leiblichen Vorgänge.

Daarom kunnen we dus zeggen: we hebben zenuwen die vanuit de periferie meer naar het centrum lopen, en voorts hebben we zenuwen die vanuit het centrum naar de uiteinden van de bewegingsorganen lopen. Maar dat zijn in feite dezelfde soort zenuwstrengen en het wezenlijke is alleen dat die zelfde zenuwstrengen onderbroken zijn, dat de innerverende psychische stroom, die bijvoorbeeld van een sensibe­le zenuw naar het centrum gaat, in het centrum onderbroken wordt en nu moet overspringen, waardoor echter de innerverende psychische stroom niet iets anders wordt – ongeveer zoals een elektrische vonk of een elektrische stroom over­springt door een transformatorhuis, waar de overdracht
on­derbroken is -, op de zogenaamde motorische zenuw, die echter in ieder opzicht daardoor niet tot iets anders wordt, die integendeel precies hetzelfde is als de sensibele zenuw. Alleen is die zogenaamde motorische zenuw zo aangelegd dat die het bewegingsverloop en het bewegende orgaan zelf kan waarnemen.
GA 302A/42-43
vertaald/44-45

GA 303:

blz. 206

Sehen Sie, heute hat sich ja alles, möchte ich sagen, was der Mensch über den Menschen denkt, nach dem Kopfe hin geschlagen, und ob­wohl uns der Kopf selber fortwährend in das Materielle hineindrängt, eigentlich uns jeden Tag totschlagen will, wendet sich alle Menschenbetrachtung heute im Grunde genommen dem Kopfe zu. Das ist das Ungesunde der heutigen Menschenbetrachtung. Sie geht eigentlich von der Wissenschaft aus, diese Menschenbetrachtung, denn man denkt sich: im Kopfe ist das Gehirn, alles wird vom Gehirn aus dirigiert. Nun weiß ich nicht, wie man es gemacht hätte, wenn man diese Theo­rie in einem Zeitalter ausgebildet hätte, wo es noch keine Telegraphen gegeben hat, wo man also nicht von Telegraphenleitungen die Analogie hat hernehmen können. Aber das braucht uns ja auch nicht weiter zu interessieren. Die Theorie von dem Nervensystem ist ja ausgebildet worden, nachdem man die Telegraphenleitungen als einen Anhalts­punkt hatte, um eine Analogie zu bilden. Und so hat man denn das Gehirn als eine Art Zentralstation, sagen wir, London. (Es wird ge­zeichnet.) Dann hat man, wenn das das Zentrum ist, dann hat man vielleicht da Oxford, da Dover. Und nun, indem man London als das Zentrum betrachtet, sagt man sich: es geht eine Leitung von Oxford nach London; da wird umgeschaltet, und das geht dann weiter nach Dover. Man kann sich das ja unter gewissen Fällen so vorstellen.
Nun, so stellt man sich das Gehirn vor. Der Nerv geht zu dem Sinnesorgan hin, die Sensation tritt auf, wird bis zum Gehirn geleitet;

blz. 233 vert.

Ziet u, tegenwoordig is immers alles, laat ik zeggen, wat de mens over de mens denkt, naar het hoofd gestegen, en hoewel het hoofd zelf ons voortdurend het materiële doet binnen­dringen, ons eigenlijk iedere dag wil ‘doodslaan’, wendt tegenwoordig eigenlijk iedere beschouwing van de mens zich tot het hoofd. Dat is het ongezonde in de huidige beschou­wing van de mens. Die gaat eigenlijk uit van de wetenschap, deze beschouwing van de mens, want men denkt: in het hoofd zitten de hersenen, alles wordt vanuit de hersenen gestuurd. Nu weet ik niet hoe men het gedaan zou hebben als men deze theorie in een tijdperk ontwikkeld zou hebben toen de tele­graaf nog niet bestond, waar men dus niet aan de telegraafleidingen de analogie had kunnen ontlenen.* Maar dat hoeft ons verder niet te interesseren. De theorie van het zenuwstelsel is immers ontwikkeld nadat men de telegraafleidingen als een aangrijpingspunt had om een analogie te vormen. En zo heeft men dan de hersenen als een soort centraal station, laten we zeggen, Londen [het wordt getekend; bordtekening 8, zie blz. 197]. Als dit het centrum is, dan heeft men misschien daar Oxford, daar Dover. En nu, omdat men Londen als het cen­trum beschouwt, zegt men: er loopt een leiding van Oxford naar Londen; daar wordt omgeschakeld en dat gaat dan ver­der naar Dover. Men kan zich dat immers in bepaalde geval­len zo voorstellen. Welnu, zo stelt men zich de hersenen voor. De zenuw loopt naar het zintuigorgaan, de sensatie treedt op, wordt naar de hersenen geleid;

blz. 207

da im Gehirn ist die Zentralstation, das menschliche London. Dann geht der motorische Nerv vom Gehirn zu den Bewegungsorganen hin und treibt in Gemäßheit der Gedanken, die da irgendwie dazwischen sitzen, das Wollen, die Bewegung hervor.
Man kann, wenn man eine solche Theorie ausgesonnen hat, sogar die Tatsachen so registrieren, daß sie diese Theorie zu bestätigen schei­nen. Sie können ja heute jedes Physiologiebuch in die Hand nehmen und Sie werden, wenn Sie nicht sehr vorurteilsvoll sind – denn die Dinge schauen alle sehr plausibel aus -, da einfach sehen, wie die Expe­rimente mit dem Nervenzerschneiden gemacht werden, wie die Kon­klusionen gezogen werden aus der Reaktion und so weiter, und alles stimmt wunderbar. Es stimmt nur nicht vor einer eindringlichen Men­schenerkenntnis. Da ist es schließlich nicht so.
Ich will ganz absehen davon, daß ja schließlich die sensitiven von den motorischen Nerven anatomisch fast gar nicht zu unterscheiden sind; die einen sind höchstens etwas dicker als die anderen; aber in bezug auf die Struktur ist wirklich ein wesentlicher Unterschied nicht vorhanden. 

daar in de hersenen bevindt zich het centrale station, het ‘menselijke Londen’. Dan loopt de motorische zenuw van de hersenen naar de bewegingsorganen en brengt in overeenstemming met de gedachten die er op een of andere manier tussen zitten, het willen, de beweging op gang. Men kan, als men zo’n theorie bedacht heeft, de feiten zo registreren dat het lijkt alsof ze deze theorie bevestigen. U kunt immers tegenwoordig ieder fysiologieboek ter hand nemen en u zult, als u niet met al te veel vooroordelen behept bent – want de dingen zien er allemaal heel plausibel uit, daar eenvoudig zien hoe de experimenten met het doorsnij­den van zenuwen uitgevoerd worden, hoe de conclusies uit de reacties getrokken worden enzovoort, en alles klopt prachtig. Alleen, voor een dieper menskundig inzicht is het niet waar. Daar klopt het uiteindelijk niet.
Ik wil er nu helemaal van afzien dat uiteindelijk anato­misch de sensorische zenuwen bijna niet te onderscheiden zijn van de motorische zenuwen. De ene zijn hoogstens iets dikker dan de andere; maar wat de structuur betreft: is er echt geen wezenlijk onderscheid aanwezig.

Was anthroposophische Forschung in dieser Beziehung lehrt – ich kann das nur andeuten, nur Ergebnisse mitteilen, ich müßte sonst anthroposophische Physiologie vortragen -, das ist dieses, daß die Nerven durchaus einheitliche Organe sind, daß es ein Unding ist, von zweierlei Nerven, von sensitiven und motorischen Nerven zu sprechen. Da im Seelischen das Willensmäßige und Empfindungsmäßige überall durchgebildet ist, stelle ich es jedem frei, motorisch oder sensitiv zu sagen, aber er muß einheitlich werten, denn sie sind absolut einheit­lich, es gibt keinen Unterschied. Der Unterschied liegt nämlich nur in der Richtung der Funktion. Wenn der sensitive Nerv nach dem Auge hingeht, so öffnet er sich den Eindrücken des Lichtes, und es wirkt wiederum dasjenige, was an der Peripherie des Menschen liegt, auf einen anderen Nerv, den die heutige Physiologie als einen motorischen Nerv anspricht. Wenn er nun vom Gehirn ausgeht nach dem übrigen Organismus, so ist dieser Nerv dazu da, daß er dasjenige wahrnimmt, was bei einer Bewegung vorgeht. Eine richtige Behandlung der Tabes gibt schon auch durchaus Bestätigung dieses Resultates.
Der Nerv also, der motorischer Nerv genannt ist, der ist dazu da,

blz. 234 vert.

Wat het antroposo­fisch onderzoek in dit verband leert – ik kan dat alleen aan­duiden, alleen resultaten meedelen, anders zou ik voordrach­ten over antroposofische fysiologie2 moeten houden —, is het volgende: de zenuwen zijn organen die absoluut één geheel vormen. Het is een onmogelijkheid om over twee verschil­lende soorten zenuwen, over sensorische en motorische zenu­wen te spreken. Omdat in het psychische het wilsmatige en gevoelsmatige overal goed ontwikkeld is, staat het wat mij betreft iedereen vrij motorisch of sensorisch te zeggen, maar hij moet ze uniform beoordelen, want ze zijn absoluut het­zelfde, er is geen verschil tussen. Het verschil zit hem eigenlijk alleen in de richting van de functie. De sensorische zenuw loopt naar het oog, zij opent zich voor de lichtindrukken, en datgene wat aan de periferie van de mens ligt werkt anderzijds op een andere zenuw, die de hedendaagse fysiologie een moto­rische zenuw noemt. Als die nu van de hersenen naar de rest van het organisme uitgaat, dan is deze zenuw daar aanwezig om waar te nemen wat er bij een beweging plaatsvindt. Een juiste behandeling van tabes dorsalis3 geeft eveneens een vol­ledige bevestiging van dit resultaat. De zenuw dus die motorische zenuw genoemd wordt, is er om

  1. voordrachten over antroposofische fysiologie: In 1911 hield Steiner de voordrachtenreeks Spirituele fysiologie, (Okkulte Physiologie) GA 128. Uitgeverij Pentagon, Amsterdam 2014.
  2. Tabes dorsalis: ook wel syfilitische myelopathie, een langzame degeneratie (specifiek demyelinatie) van de zenuwen voorna­melijk in de dorsale kolommen (posterior kolommen) van het ruggenmerg (het deel het dichtst bij de achterkant van het lichaam).

blz. 208

um die Bewegungsimpulse, das, was da während der Bewegung vor­geht, wahrzunehmen, nicht um der Bewegung den Impuls zu geben. Nerven sind überall die Vermittlungsorgane für die Wahrnehmungen, die sensitiven Nerven für die Wahrnehmungen nach außen, die so­genannten motorischen Nerven, die auch sensitive Nerven sind, für die Wahrnehmungen nach innen. Es gibt nur einen Nerv. Und nur eine materialistischewissenschaftsgesinnung hat dieseTelegraphengeschichte als Analogon erfunden.
Diese materialistische Wissenschaftsgesinnung glaubt nämlich, eben­so wie sie für die Sensation, für die Empfindung, für die Wahrneh­mung der Vermittelung der Nerven bedarf, bedürfe sie auch der Ver­mittelung des Nervs für die Willensimpulse. Das ist aber nicht der Fall. Der Willensimpuls geht von dem Geistig-Seelischen aus. Da beginnt er, und er wirkt im Leibe, unmittelbar, nicht auf dem Umweg des Nervs, unmittelbar auf das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem. Und der Nerv, der in das Gliedmaßen-Stoffwechselsystem hineingeht, vermit­telt nur die Wahrnehmung desjenigen, was das Geistig-Seelische an dem ganzen Menschen in bezug auf sein Gliedmaßen-Stoffwechselsystem tut. Wir nehmen dasjenige wahr, was eine Folge ist seelisch-geistiger Willensprozesse in der Blutzirkulation, im übrigen Stoffwechsel und auch in der mechanischen Bewegung der Glieder; wir nehmen das wahr.

blz. 235 vert.

de bewegingsimpulsen, dus wat er tijdens de beweging gebeurt, waar te nemen, niet om de beweging de impuls te geven. Zenuwen zijn overal de bemiddelingsorganen voor de waarnemingen, de sensorische zenuwen voor de waarnemin­gen naar buiten, de zogenaamde motorische zenuwen, die ook sensorische zenuwen zijn, voor de waarnemingen naar binnen. Er bestaat slechts één soort zenuw. En alleen een materialistische wetenschappelijke gezindheid heeft dit tele- graafverhaal als analogie verzonnen.
Deze materialistische wetenschappelijke gezindheid ge­looft namelijk dat net zoals ze voor de gewaarwording, voor het gevoel, voor de waarneming de bemiddeling van de zenu­wen nodig heeft, zij ook voor de wilsimpulsen de bemidde­ling van de zenuw nodig heeft. Dat is echter niet het geval. De wilsimpuls gaat van het geestelijk-psychische uit. Daar begint hij en hij werkt in het lichaam, direct, niet via de omweg van de zenuw. En de zenuw die in het ledematen-stofwisselings- systeem binnenkomt, brengt alleen de waarneming tot stand van datgene wat het psychisch-geestelijke aan de hele mens doet met betrekking tot het ledematen-stofwisselingssysteem. We nemen datgene waar wat het gevolg is van psychisch-gees­telijke wilsprocessen in de bloedsomloop, in de overige stof­wisseling en in de mechanische beweging van de ledematen. We nemen dat waar.

Die sogenannten motorischen Nerven sind keine motorischen Nerven, die sind bloß dasjenige, was die Außerungen, den Impuls des Willens wahrnimmt. Ehe man diesen Zusammenhang nicht einsehen wird, eher wird man nicht zu einer durchsichtigen Menschenerkenntnis kommen. Wenn Sie aber diesen Zusammenhang voll einsehen, dann werden Sie es auch begreiflich finden, daß ich nun eben ein Paradoxon, eine Ket­zerei vor Sie hinstellen muß: denn dann wirkt das Geistig-Seelische ja eben auf den ganzen übrigen Menschen.
Beim Kinde also bis gegen das zwölfte Jahr hin äußern sich die Wir­kungen nach Maßgabe des eben Geschilderten in den Muskelkräften, die ein intimes Verhältnis zur Atmung und zum Zirkulationssystem haben. Beim Kinde vom zwölften Jahre an bis zur Geschlechtsreife nach denjenigen Kräften hin, die gegen das Skelett gehen. So daß wir also vor dem zwölften Jahre mehr dasjenige, was noch in unseren Mus­keln

De zogenaamde motorische zenuwen zijn geen motorische zenuwen. Die zijn slechts dat wat de uitingen, de impuls van de wil waarneemt. Zolang men deze samenhang niet duidelijk inziet kan men niet tot een transpa­rant menskundig inzicht komen. Maar als u deze samenhang duidelijk inziet, zult u het ook begrijpelijk vinden dat ik u nu een paradox, een ketterij moet voorschotelen: want dan werkt het geestelijk-psychische immers op de totale overige mens. Bij het kind uiten de werkingen volgens wat zojuist be­schreven is zich dus tegen het twaalfde levensjaar in de spier­krachten, die een intieme verhouding hebben tot de ademha­ling en de bloedsomloop. Bij het kind vanaf het twaalfde jaar tot aan de geslachtsrijpheid in die krachten die naar het skelet gaan. Zodat we dus voor het twaalfde jaar meer datgene wat nog in onze spieren

blz. 209

liegt, mit dem sogenannten motorischen Nerv wahrnehmen, nach dem zwölften Jahre nehmen wir mit diesem sogenannten motorischen Nerv mehr dasjenige wahr, was in unseren Muskeln und Knochen vor­geht. Nun, wenn Sie bedenken, daß in allem Denken etwas Willens-mäßiges liegt – es ist ja Wille, was da wirkt, wenn ich Vorstellungen synthetisch zusammenfasse oder analytisch trenne, es ist überall Wille darinnen-, so müssen Sie diesen Willen auch im Organismus aufsuchen. Und gerade dieser Wille in der seelischen Funktion des Denkens ist in dieser Art angeschlossen, wie ich es jetzt geschildert habe. Indem wir ins zwölfte Jahr eintreten, lernen wir ein solches Denken, das nach der Willensnatur seine Vorgänge in den Knochen, in der Skelettdynamik hat. Wir machen da den wichtigen Übergang vom weichen System des Menschen zum ganz harten System, das sich, ich möchte sagen, wie ein objektives Hebelsystem in die Welt hineinstellt.

blz. 236 vert.

ligt, met de zogenaamde motorische zenuwen waarnemen; na het twaalfde jaar nemen we met deze zogenaamde motorische zenuwen waar wat in onze spieren en botten gebeurt. Welnu, als u bedenkt dat in al het denken iets wilsmatigs aanwezig is – het is immers wil wat er werkt wanneer ik voor­stellingen synthetisch samenvat of analytisch scheidt, daarin is overal wil aanwezig -, dan moet u deze wil ook in het orga­nisme opzoeken. En juist deze wil in de psychische functie van het denken is toegevoegd op de wijze waarop ik dat nu beschreven heb. Als we aan het twaalfde levensjaar beginnen, leren we een dergelijk denken dat volgens de aard van de wil zijn activiteiten in de botten, in de dynamiek van het skelet heeft. We maken dan de belangrijke overgang van het weke systeem van de mens naar het zeer harde systeem, dat zich, laat ik zeggen, als een objectief hefboomsysteem in de wereld plaatst.
GA 303/206-209
Vertaald/233-236

*Toen ik zelf met dit onderwerp in aanraking kwam, was de telegraaf in zekere zin al ‘ouderwets’ en in de voorbeelden vervangen door de telefoon, de telefooncentrale. Na het populair worden van de computer is er veelvuldig sprake van ‘bedrading’, ‘harde schijf’ enz.

Stefan Leber heeft in zijn boek ‘Kommentar zu Steiners Algemeine Menschenkunde’ ruim aandacht besteed aan dit onderwerp, waarbij hij ook andere bronnen dan Steiner betrekt.

Een vertaling daarvan zal volgen.

Van antroposofische zijde heeft Wolfgang Schad dit probleem belicht en in Nederland de arts Leen Mees  Hoe beweegt de mens zich; gezond denken over beweging

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-5-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 38-40 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

Het ligt voor de hand dat Steiners mensbeeld – en omdat hij dit op vele manieren karakteriseert, je zou zelfs van mensbeelden kunnen spreken, is het niet moeilijk in dit schema een soort combinatie te zien van ‘denken – voelen – willen’  met ‘geest – ziel – lichaam’:

Het kennen, het voorstellen, het denken t.o. het willen; de ziel als de polariteiten antipathie en sympathie; de lichamelijke component in zenuw en bloed.

Zenuw en bloed in deze samenhang gezien, is dan een bijna vanzelfsprekende tegenstelling, die we – zonder ze in dit geheel te zien – niet zo snel als tegengesteld zouden omschrijven.

Wat Steiner over zenuwen en bloed zegt, is niet alleen voor mij, moeilijk te begrijpen.
Dat we om te kunnen denken, begrippen te kunnen vormen onze hersenen, dus zenuwen, nodig hebben, gaat nog wel.
Dat de zielenwereld van vóór de geboorte via antipathie, geheugen en begrip doorwerkt in het menselijk lichaam, is met behulp van de vorige artikelen ook nog wel in te leven, maar dat deze zielenwereld de zenuwen creëert is een mededeling die wij niet zo maar kunnen inzien.

Dat geldt ook voor wat hij over het bloed zegt. Dit zou voortdurend ‘geest’ willen worden. Dat zou het pas echt worden, wanneer het vrij van ons lichaam zou worden. Dan zou het als ‘geest verdanpen’. In ons lichaam mag het ook niet verdampen en dat zou de reden zijn waarom het bloed – telkens op weg om geest te worden – in ons lichaam vernietigd wordt – afgebroken en weer gevormd.

Blut ist schon als Physisches etwas, was Sie überhaupt nicht seiner Totalität nach physisch untersuchen können, weil es, wenn Sie es sehen können, gar nicht mehr das Blut ist, das im Körper rinnt, was es war. Es kann gar nicht physisch geschaut werden, denn in dem Augenblick, wo es bloβgelegt wird, wenn es dahin kommt, daβ es untersucht werden kann durch irgendwelche der Röntgen-methode ähnliche Methoden, dann untersucht man gar nicht mehr das Blut, sondern etwas, was der äuβere Abglanz des Blutes auf dem physischen Felde ist. 

Lichamelijk bekeken is het bloed iets wat je in zijn totaliteit niet lichamelijk kan onderzoeken, omdat het, als je het zou kunnen zien, het bloed niet meer is, dat door het lichaam stroomt, zoals het was. Het kan lichamelijk helemaal niet waargenomen worden, want op het ogenblik dat het buiten het lichaam komt, het ogenblijk waarop het onderzocht kan worden door een of andere of daarop lijkende röntgenmethode, onderzoek je helemaal niet het bloed meer, maar iets wat de uiterlijke afspiegeling van het bloed op lichamelijk niveau is.
GA 107/103
Niet vertaald

Dit ‘afbreken en weer vormen’ is wel iets wat bij het bloed hoort: ‘Per mm3 bevat het bloed van een gezonde man ca. 5.400.000 (5,4 miljoen) rode bloedcellen; gezonde vrouwen hebben er iets minder: circa 4.800.000. Iedere seconde worden er door het beenmerg tegelijkertijd 2,4 miljoen afgebroken en evenzovele nieuw aangemaakt.’

Het ‘vergaan en weer opkomen’ is zeker ook verwant aan ‘fantasie’. Immers bij de laatste komen allerlei beelden op die ook weer verdwijnen, die weer worden afgewisseld door nieuwe. Zelden worden ze realiteit, dus ook het ‘kiemkarakter’ is wel mee te voelen. 

Mensen maken dagelijks ongeveer 700 nieuwe hersencellen aan in hun hippocampus. En iedere dag verdwijnen er ook ongeveer evenveel neuronen. De hippocampus is een hersendeel dat belangrijk is bij het verwerken van informatie en de opslag in het geheugen. Ongeveer een derde van de hippocampus doet aan die vernieuwing mee. Het betekent dat jaarlijks 1,75 procent van de zenuwcellen in dat gebied worden vervangen.’

Hiermee vertoont het zenwuwweefsel dat wel een vermogen heeft tot herstel bij beschadiging, maar in een veel geringere mate dan wat er in het bloed gebeurt, een grote tegenstelling.

Misschien mag je zeggen dat deze tegenstelling ook zichtbaar wordt in de vorm van de bloed- en zenuwsubstantie.

De bloedcellen zijn over het algemeen rond, tot rondachtig:

de hersencellen vertonen zich a.h.w. in de lengte:

Er zijn gevallen bekend waarin mensen die een deel van hersenen missen, toch kunnen functioneren. Met een gedeelte van je bloed leven, is niet mogelijk.

De warmte die zo nauw verbonden is met het bloed en de stofwisseling, met het leven dus, heeft veel minder verbinding met het hoofd. Een ‘verhitte kop’ verhindert meestal het redelijke denken. Een warmtestuwing in het hoofd kan funest aflopen.
Warmte en beweging horen niet zo bij het hoofd. Koelte en rust: dan kan het als orgaan voor waarnemen en denken functioneren. Wij zouden bijna niet tot denken kunnen komen, wanneer we voortdurend ons hoofd zouden moeten bewegen, zoals o.a. duiven doen. Je kan ‘te veel aan je hoofd hebben’.

Over deze polariteit van zenuwen en bloed heeft Steiner ook in ander verband gesproken.

Op blz. 39/40 zegt hij daarover:

Er speelt zich een polair proces in ons af. We hebben processen in ons bloed die via het bloed, via de bloedbanen verlopen en die voortdurend de tendens hebben ons bestaan te vergeestelijken. ( )*. In tegenstelling tot het bloed hebben alle zenuwen de eigernschap dat ze zich voortdurend in een sterfteproces, in een materialisatieproces bevinden. Wat langs de zenuwbanen ligt, is eigenlijk afgescheiden materie; de zenuw is eigenlijk afgezonderde materie. het bloed wil steeds geestelijker worden, de zenuw steeds materiëler; daaruit bestaat de polariteit.

*Steiner zegt hier dat er geen ‘ motorische’ zenuwen bestaan. Daarover zal het in een ander artikel gaan (nog niet oproepbaar).

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 192 – 3 voordrachten over volkspedagogie- inhoudsopgave

.

Enige maanden voor de opening van de eerste vrijeschool ter wereld, in Stuttgart, september 1919, hield Steiner verschillende voordrachten over pedagogie(k), vaak in samenhang met vrijheid van het geestesleven als een van de autonome gebieden van zijn sociale driegeledingsgedachte.

Onder de titel ‘Geesteswetenschappelijke beschouwingen over sociaal-pedagogsche vraagstukken’ , GA 192 [1] zijn de 17 voordrachten gebundeld die hij van 21 april t/m 28 september hield in Stuttgart.

3 daarvan zijn bekend onder naam:

Drie voordrachten over volkspedagogie

de voordrachten 4, 5 en 6 van resp. 11, 18 mei en 1 juni.

Het gaat in deze drie voordrachten veel meer om de sociale omgeving waarin het gangbare onderwijs zich bevindt, dan om vrijeschoolpedagogie.
Door veel in te gaan op de omstandigheden van de tijd rond de 1e Wereldoorlog en daarvoor, is veel van de inhoud gedateerd, maar Steiner maakt steeds wel weer een opmerking die bijv, als wegwijzer zou kunnen dienen en die zich daarmee onttrekt aan de actualiteit van die tijd en erboven uitgaat. 

Hier volgt een kleine inhoudsopgave van elk van de drie voordrachten. Bij de voordracht zelf wordt naar de bladzij verwezen waar deze kernwoorden op slaan. (nu nog niet klaar)

Inhoudsopgave: voordracht 4, 11 mei 1919

Beispiele für die Unzulänglichkeit der naturwissenschaftlichen Weltorientierung gegenüber den sozialen Problemen der Gegenwart.
Zu zwei Aufsätzen von Jakob von Uexküll und Friedrich Niebergall.
Mangelnde Denkaktivität und die Tendenz zur Rückkehr in die katholische Kirche.
Das Verderbliche des Zusammenstoßens von technischer Kultur und Privatkapitalismus.
Die Notwendigkeit einer Erneuerung der Volkspädagogik und der Volksschule
auf der Grundlage einer Erkenntnis der menschlichen Natur und ihrer Entwicklungsgesetze.
Die notwendige Umgestaltung der Lehramtsprüfungen.
Die Ausbildung des Denkens, des Gemüts- und Gedächtnislebens und des
Willens im zweiten Lebensjahrsiebt.
Die Einführung in das heutige Leben während des dritten Jahrsiebts.
Die Nutzlosigkeit des Studiums von Latein und Griechisch für unsere Zeit und die Unzulänglichkeit der Übersetzungen von griechischen Dramen durch Wilamowitz.
Gleiche Grundbildung für die Menschen aller Klassen.
Die Bedeutung der Ökonomie im Unterricht, dargestellt am Beispiel der Geometrie.

Voorbeelden van het tekort schieten van de natuurwetenschappelijke wereldoriëntatie m.b.t. de sociale problemen van de huidige tijd.
N.a.v. twee opstellen van Jakob von Uexküll en Friedrich Niebergall.
Tekort schietende denkactivieit en de tendens terug te kerren naar de katholieke kerk.
Het verderfelijke van het samengaan van technische cultuur en privaarkapitaal.
De noodzakelijkheid van vernieuwing van de volkspedagogie en het onderwijs op basis van de menselijke natuur en de ontwikkelingwetmatigheden daarvan.
De noodzakelijke veranderingen van de onderwijzers- en lerarenexamens
De ontwikkeling van denken, voelen en geheugen en van de wil in de tweede zevenjaarsfase.
Het bekend maken met het moderne leven in de derde zevenjaarsfase.
Het nutteloze van een studie Latijn of Grieks voor onze tijd en het tekort schieten van vertalingen van Griekse drama’s door Wilamowitz.
Dezelfde basisontwikkeling voor de mensen van alle klassen.
De betekenis van economisch lesgeven aan de hand van wiskunde.

Inhoudsopgave: voordracht 5, 18 mei 1919 

Die Zukunftsaufgabe der Lehrerausbildung: Gewinnung eines unmittelbaren
Zusammenhanges mit dem Leben.
Die Einführung der Experimentalpsychologie 
in die Schule als Symptom für die Lebensfremdheit unserer Zeit.
Die Notwendigkeit anthropologischer Menschenerkenntnis zur Überwindung
dreier Zwangsimpulse: maskierter Priesterzwang, politischer Zwang und
wirtschaftlicher Zwang.
Die Notwendigkeit für den Pädagogen, die großen 
Entwicklungslinien der Menschheitsgeschichte zu erkennen: zum Beispiel den
Übergang vom natürlichen Recht zum historischen Recht oder das Einmünden
des neueren Geisteslebens in ein Parasitentum.
Die Hilflosigkeit heutiger 
Politiker wie Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg gegenüber den Erfordernissen unserer Zeit.
Ein Ziel der Schule: Das Hinführen zum Lernenkönnen 
vom Leben.
Im Westen: Wirtschaftsstreben ohne Brüderlichkeit; im Osten:

Brüderlichkeit ohne Wirtschaftsleben; in Mitteleuropa die Möglichkeit zur
Zusammenfassung der beiden.
Das notwendige Herauskommen aus dem 
Kleinlichen des Fachspezialistentums.

De toekomstopgave van de lerarenopleiding:een directe verbinding met het leven zien te krijgen.
De invoering van de experimentenpsychologie in de school als symptoom voor de de vervreemding van het leven in onze tijd.
De noodzakelijkheid van antropologische menskunde om drie dwangimpulsen te overwinnen: gemaskeerde dwang priester te worden; politieke dwang, economische dwang.
De noodzaak voor de pedagoog de grote ontwikkelingsimpulsen in de mensheidsgeschiedenis te kennen, bijv. de overgang van het natuurrecht in het historische recht; of het uitmonden van het modernere geestesleven in parasitisme.
De hulpeloosheid van huidige politici zoals Helfferich, Kapp und Bethmann Hollweg wat de eisen van onze tijd betreft.
Een doel van de school: zo ver brengen dat vanhet leven geleerd kan worden.
In het Westen: economisch streven zonder broederlijkheid; in het Oosten broederlijkheid zonder economie; in Midden-Europa de mogelijkheid tot een samengaan van beide.
De noodzaak om weg te komen van het kleinschalige van vakspecialisatie

Inhoudsopgave: voordracht 6, 1 juni 1919

Die Lebensfremdheit heutiger Erziehungsmethoden.
Der Epochen-Unterricht und seine Bedeutung für die Ausbildung eines gesunden Denkens.
Notwendigkeit einer philosophischen Propadeutik in den höheren Schulen und
der Einführung in die Probleme von Ackerbau, Gewerbe und Handel.
Erziehung zu wirklichkeitsgemäßem Beurteilen der Weltlage.
Die notwendige Verbindung von Kunst und Leben, von Kunst und Erziehung. Die Tendenz des Ostens nach wirklichkeitsfremder Mystik, des Westens nach Überbordung des materiellen Lebens, und das Abwehren dieser Schädigungen durch die Dreigliederung des sozialen Organismus.
Die Unmöglichkeit, diese Dreigliederung in privaten Gruppen zu realisieren.

De vervreemding van het leven van huidige opvoedingsmethoden.
Het periode-onderwijs en de betekenis ervan voor de ontwikkeling van een gezond denken.
De noodzaak van een filosofische propedeuse in de universiteiten en de inleiding tot de problemen van akkerbouw, industrie en handel.
Opvoeding en het beoordelen van de toestand in de wereld door een in de realiteit wortelend denken.
De noodzakelijke verbinding tussen kunst en leven, tussen kunst en opvoeding.
De hang van het Oosten naar wereldvreemde mystiek, van het Westen naar een overwaardering van het materiële leven en het afhouden van deze schadelijke invloeden door de driegeleding van het sociale organisme.
De onmogelijkheid om deze driegeleding  groepen ‘onder ons’ te realiseren.

.

[1] GA 192 voordracht 4 56  (Duits)

Rudolf Steiner over pedagogie(k): alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 192 – voordracht 6

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

Van 21 april t/m 28 september 1919 hield Rudolf Steiner in Stuttgart een aantal voordrachten die opgetekend zijn in GA 192 ‘Geesteswetenschappelijke behandeling van sociale en pedagogogische vraagstukken’ [1]

Op 11 en 18 mei en op 1 juni gaan de voordrachten over pedagogie: het zijn de zgn. ‘Drie voordrachten over volkspedagogie’.

De hele voordrachtenreeks gaat vooral over de idee van de sociale driegeleding.
Nu deze geen ingang vond in het cultuurleven van die tijd, was Steiners enige hoop dat er iets van gered zou kunnen worden door de oprichting van de vrijeschool. 
Na 100 jaar vrijeschool weten we dat ook dat niet gelukt is.

GA 192 voordracht 6, 1 juni 1919 [2]

blz. 127

Heute kommt außerordentlich viel darauf an, daß die tieferen Zu­sammenhänge innerhalb der Gesellschaftsordnung der Menschheit wirklich gesehen werden. Die Zeiten haben es mit sich gebracht, daß in vieler Beziehung die Menschen sich zufrieden gaben mit dem, was ich nennen möchte Oberflächenanschauung, Anschauungen, die an der Oberfläche des Daseins gewonnen worden sind und die dann dazu geführt haben, daß man das eine für richtig hält, oder besser gesagt, daß der eine etwas für richtig hält, der andere für falsch, daß aber dann mit diesen Ansichten von Richtig und Falsch nichts anzufangen ist. Es ist mit ihnen nichts anzufangen aus dem Grunde, weil man sich zwar Gedanken bilden kann, die an der Oberfläche liegen, doch kann niemals irgend etwas Vernünftiges geschehen, wenn man solche Ge­danken in die Wirklichkeit umsetzt. Die Wirklichkeit läßt sich Ober­flächenansichten nicht so leicht gefallen, wie die Dinge im menschlichen Kopfe. Da aber liegt ein Krebsschaden der heutigen Zeit. Und ein weiterer Krebsschaden ist der, daß die Menschen nicht wollen jene Selbstbesinnung aufbringen, die ihnen im rechten Moment sagen würde: Diese Dinge sind alle aus unserem persönlichsten Interesse heraus, die dürfen wir nicht etwa im sozialen Sinne auffrisieren; wir dürfen nicht sagen, wenn wir etwas in unserem persönlichen Interesse tun wollen, daß dies ein Zweig sei irgendeiner sozialen Wirksamkeit. In dieser Beziehung erlebt man ja so manches. Es hat sich mancherlei vergrößert heute von dem, was ja seit Jahren vorhanden ist: daß immer wiederum dasjenige, was hier von dieser Stelle aus gewollt wird, um­gesetzt wird in das persönliche Interesse einzelner Kreise, und dann gesagt wird, das sei irgendeine Konsequenz, eine Folge desjenigen, was von hier aus gewollt wird. Ich sage das aus dem Grunde, um auf­merksam zu machen, daß heute der gute Wille vorhanden sein müßte, in die Dinge tiefer hineinzuschauen, über Oberflächenanschauungen hinwegzukommen.
Nirgends mehr als auf pädagogischem Gebiete ist dieses Hinwegkommen

Het is van groot belang, dat tegenwoordig de diepere samenhang in het maatschappelijke gebeuren doorzien wordt. Het lag in vele opzichten in de aard van de tijd, dat de mensen zich tevreden stelden met een meer oppervlakkige kennis, die verworven werd door een uiterlijke beschouwing van de dingen, en dit was dan dikwijls een aanleiding voor de een om iets als juist te beschouwen, voor de ander als onjuist, maar wel zo, dat met beide meningen over juist en onjuist in de praktijk eigenlijk niets te beginnen was, omdat men zich voorstellingen vormde, die slechts aan de oppervlakte liggen, waarmee echter nooit iets rationeels kan gebeuren, wanneer men dergelijke gedachten wil verwezenlijken. De werkelijkheid verdraagt die oppervlakkige ideeën niet zo makkelijk als het abstracte, menselijke denken. En dit is voor onze tijd even schadelijk, als een woekergezwel in een levend organisme. En tevens is het iets schadelijks, dat de mensen niet die activiteit voor een diepere zelfbezinning willen ontplooien die hen op het juiste ogenblik zou kunnen doen zeggen: in deze dingen zijn we slechts persoonlijk geïnteresseerd, die mogen we dus niet tot iets, wat van sociaal belang schijnt, opblazen en we mogen niet zeggen als we iets, dat alleen het persoonlijk belang dient, willen doen, dat dit allemaal een tak van een of andere sociale werkzaamheid is. Wat dat betreft, maak je wat mee! Veel op dit gebied wat reeds jaren bestaat, vertoont zich tegenwoordig op grotere schaal: steeds wordt iets van wat we hier willen, veranderd in de persoonlijke belangstelling van bepaalde groepen en dan wordt er gezegd, dat dit de consequentie, het gevolg is, van wat we hier willen. Ik zeg dat hier om erop te wijzen, dat tegenwoordig de goede wil er moet zijn, om in de dingen intensiever, dieper door te dringen, om over een oppervlakkige beschouwing heen te komen. Nergens meer dan op pedagogisch gebied is dit overwinnen van oppervlakkigheid

blz. 128

über Oberflächenanschauungen notwendig, und nirgends mehr fehlt der gute Wille dazu, als gerade auf diesem pädagogischen Gebiet. Denn auf diesem pädagogischen Gebiet ist es notwendig, wenn wirklich sozial gedacht werden soll, ich möchte sagen, bis in die elementarsten Dinge hinein seine Aufmerksamkeit zu wenden. Das haben Sie vielleicht schon gesehen aus den beiden vorigen an Päd­agogisches anknüpfenden Vorträgen; das aber möchte ich insbesondere heute als etwas gewahrt wissen, das durch das ganze Anhören meines Vortrages durchgehen soll. Was wird heute schon von den untersten Schulstufen ab von Men­schen, von kleinen Kindern, erlebt. Wenn das kleine Kind in die Schule geführt wird, dann ist für dasjenige, was da geschieht, fast alles andere maßgebend, nur nicht die Bedürfnisse, die Impulse des sich ent­wickelnden Menschen. Und mit dem Aufrücken von Schulklasse zu Schulklasse wird das immer schlimmer und schlimmer. Bereits in einem Alter, das solche Dinge nicht im geringsten verträgt, tritt zum Beispiel folgendes ein: Der junge Mensch geht in die Schule zur ersten Schulstunde des Morgens. In dieser ersten Schulstunde ist vielleicht angesetzt aus den Bequemlichkeiten des Lehrerkollegiums heraus, sagen wir, Mathematik, Rechnen.

noodzakelijk . . . en nergens meer dan juist op dit gebied zien we een gebrek aan goede wil. En toch is het daar noodzakelijk, als men werkelijk sociaal wil denken, om, ik zou willen zeggen, tot in de kleinste, elementairste dingen dat in de gaten te hebben. Dit hebt u misschien al in de vorige voordrachten gezien. Vandaag in ’t bijzonder zie ik dat als iets, dat bij al onze verdere besprekingen in aanmerking genomen moet worden. Wat beleven de mensen, de kleine kinderen vandaag  vanaf de laagste schoolklassen? Als het kleine kind naar school gebracht wordt,  gaat men bij wat men doet van bijna alles uit wat belangrijk is, maar niet van de impulsen van de zich ontwikkelende mens zelf en wat deze nodig heeft. En met het doorlópen van de ene klas naar de andere wordt dit steeds erger. Al op een leeftijd, die dit onmogelijk verdraagt, gebeurt bijv. het volgende: De jonge mens is op school; het is het eerste uur in de morgen. Op dit eerste uur is misschien voor het gemak van de leerkrachten, laten we zeggen wiskunde, rekenen

Dann folgt vielleicht Latein, dann folgt vielleicht eine weitere Stunde religiösen Unterrichts. Und dann folgt vielleicht Musik oder Gesang, oder vielleicht nicht einmal das, sondern es folgt vielleicht Geographie darauf. Man kann das mensch­liche Gemüt von Grund auf nicht stärker ruinieren, als wenn man in dieser Weise bei dem jungen Menschen dafür sorgt, daß seine Kon­zentrationskraft auf das allergründlichste zerstört wird. Dasjenige, wo angefangen werden müßte, auf dem Gebiete des Unterrichts zu sozia­lisieren, das ist vor allen Dingen der Stundenplan, diese Mördergrube für alles dasjenige, was wahrhafte Pädagogik ist. Der Stundenplan, der dann seine Fortsetzung findet durch alle Schulstufen, das ist dasjenige, was heute zuallererst bekämpft werden muß.
Notwendig ist, daß gesorgt werde, wenn überhaupt an eine Ge­sundung unseres Unterrichtswesens gedacht wird, daß in der Zukunft der heranwachsende Mensch so lange bei einer Sache bleiben kann, als das konzentrierte Verweilen auf einer Sache durch die Entwickelungszustände

ingeroosterd, dan volgt Latijn, dan misschien een uur godsdienstonderwijs, dan muziek of zang, of misschien dat nog niet eens, maar bijv. aardrijkskunde .Je kan het gemoed van het kind niet grondiger ruïneren, dan wanneer je op zo’n manier ervoor zorgt het concentratievermogen van het kind totaal te verpesten. Waarmee we moeten beginnen om op onderwijsgebied te „socialiseren’, dat is in de eerste plaats de verdeling van de activiteiten, de lesrooster, die zo dodend kan zijn voor alle werkelijke pedagogie. De gebruikelijke manier van volgens een lesrooster te werken door alle schoolklassen heen, moet in de eerste plaats bestreden worden. Het is noodzakelijk, dat gezorgd wordt als we willen beginnen om ons onderwijs gezond te maken, dat in de toekomst de jeugd zolang bij een onderwerp kan blijven als het geconcentreerd zijn op dat onderwerp voor haar ontwikkeling wenselijk is.

blz. 129

des Menschen notwendig ist. So daß zum Beispiel, sagen wir, sorgfältig herausgefunden werden müßte: für ein bestimmtes Lebens­alter ist notwendig, dem heranwachsenden Menschen, sagen wir mathematische, physikalische Begriffe beizubringen. Dann müßte dazu nicht der schlechteste Weg gewählt werden, daß eine oder drei oder fünf wöchentliche Schulstunden dafür angesetzt werden, sondern es müßte dieses Sichaneignen eine Epoche werden beim heranwachsen­den Menschen, das heißt, er müßte immerzu, ohne durch anderes fort­während gestört zu werden, eine gewisse Zeit seines Lebens hindurch sich auf eines konzentrieren. Das heißt, man müßte aus wirklicher pädagogisch-psychologischer Anthropologie heraus zum Beispiel sich klar sein darüber, in welchem Lebensalter dem Menschen beizubringen ist irgend etwas Arithmetisches. In diesem Lebensalter müßte die Hauptsache auf Arithmetik gelegt werden; in diesem Lebensalter müßte der ganze Tag dazu verwendet werden, um auf Arithmetik die Hauptaufmerksamkeit zu lenken. Das meine ich natürlich nicht so, daß nun der junge Mensch von morgens bis abends nur Mathematik trei­ben müßte, aber ich meine es so, wie ich genötigt war, es einmal zu machen, als ich ein psychopathisches Kind von elf Jahren zu erziehen bekam.

Zodat we dus bijv. zorgvuldig moeten nagaan: voor een bepaalde leeftijd is het noodzakelijk de opgroeiende mens, laten we zeggen, begrippen uit de wiskunde of de natuurkunde bij te brengen. Dan moeten we daarbij niet de slechtste weg kiezen, en eenvoudig wekelijks een of drie of vijf uur daarvoor op de rooster plaatsen, maar het zich eigen maken van die begrippen moet een periode in het leven van de zich ontwikkelende mens innemen, d.w.z. hij moet, zonder voortdurend door iets anders gestoord te worden, een bepaalde tijd van zijn leven zich op een onderwerp concentreren. Dat betekent dat we vanuit een werkelijk pedagogisch—psychologische antropologie weten op welke leeftijd we met iets bijv. uit het rekenen kunnen beginnen, Op zo’n leeftijd moet dan hoofdzakelijk de aandacht gevestigd worden op rekenen; op deze leeftijd moet de hele dag benut worden om de grootste aandacht te schenken aan het rekenen. Natuurlijk is daarmee niet bedoeld, dat we de leerling nu maar bijv. van ’s morgens vroeg tot s’ avonds laat wiskunde laten studeren. Ik bedoel dit zo, toen ik zelf eens genoodzaakt was zo te handelen, toen ik een psycho-pathologisch kind van elf jaar moest opvoeden,

Da versuchte ich, auf ökonomische Weise vorzugehen: da reservierte ich mir von allen Persönlichkeiten, die für die Erziehung des Kindes verantwortlich waren, daß ich selber in der Zeit, wo ich die Seele besonders konzentrieren wollte auf eine bestimmte Sache, nun den ganzen Plan zu entwerfen hatte für das, was sonst mit dem Kinde getrieben wurde: also soundsoviel durfte Klavier gespielt, so­undsoviel durfte gesungen werden und so weiter. Es handelt sich nicht darum, nun etwa wiederum die Seele zu erfüllen mit irgend­einem Lehrstoff, sondern darum, die ganze Entwickelung so einzu­richten, daß die Seele von selbst sich in einer bestimmten Lebensepoche auf eines konzentrieren kann, und daß man, bevor man zu etwas anderem übergeht, es wirklich dahin bringt, daß ein gewisser Abschluß erreicht ist in einem einzelnen Zweige der Menschenbildung. Sagen wir also: Es ist nachzudenken darüber, wieviel man in einer bestimmten Lebensepoche von Arithmetik einem Menschen beizubringen hat, dann muß diese Lebensepoche damit abschließen,

probeerde ik op een economische manier te werk te gaan en ik trof de regeling met de andere personen, die voor de opvoeding van het kind mede verantwoordelijk waren, dat ikzelf in de tijd waarop ik de aandacht van het kind op iets bepaalds wilde concentreren ook het hele plan zou ontwerpen voor wat er nog meer met hem gedaan zou worden, dus zolang pianospelen, zolang zingen enz. Het gaat er nu niet om, de ziel te voeden met met wat voor leerstof dan ook, maar het hele verloop zo in te richten, dat de ziel uit zichzelf in een bepaalde leeftijdsfase zich op iets kan concentreren, en dat er iets afgerond wordt op een bepaald gebied van de menselijke ontwikkeling voordat men aan iets anders begint. Laten we dus zeggen: men moét erover nadenken, hoeveel rekenen men een kind, in een bepaalde periode van zijn leven moet aanleren; — dan moet deze periode daarmee eindigen,

blz. 130

daß das junge sich entwickelnde Kind das Gefühl haben kann: Jetzt habe ich in dieser Sache etwas erreicht. – Dann darf erst zu einem an­deren sogenannten Gegenstand übergegangen werden.
Sie sehen also: Dasjenige, was jetzt die Grundlage unseres Unter­richtens bis in die höchsten Hochschulstufen ausmacht, das trägt zu­gleich die aliergründlichsten Schäden unseres Unterrichtswesens an sich. Es kann kaum etwas Widersinnigeres geben, als wenn der Hoch-schüler zur Hochschule geht, so wie ich es zum Beispiel in meiner Zeit erfahren habe, und etwa hört:

Von 7-8 Uhr morgens praktische Philosophie, 
von 8-9 Uhr morgens Geschichtswissenschaft, 
von 9-10 Uhr morgens Literaturgeschichte, 
von 10-11 Uhr morgens Staatsrecht und so weiter.

dat het zich ontwikkelende kind het gevoel kan hebben: „nu heb ik in dit vak iets bereikt,” en dan pas mogen we ons weer met een ander vak bezighouden.
U ziet dus: wat vandaag praktisch voor ons onderwijs geldt, — tot op het hoogste niveau van het hogeschoolonderwijs, — dat heeft allemaal iets bijzonder schadelijks in zich. Er kan bijv. nauwelijks iets onzinnigers gedacht worden dan wanneer iemand naar de hogeschool gaat, en, zoals ik dit in mijn tijd meemaakte, ongeveer het volgende hoort:

van 7—8 uur ’s morgens praktische filosofie,
van 8—9 „ „ geschiedenis,
van 9-10 „ „ literatuurgeschiedenis,
van 10 -11 „ „ staatsrecht, enz.

Nun liegt alledem nicht die Absicht zugrunde, die aber zugrunde liegen müßte: keinen Kuddelmuddel anzurichten in dem sich ent­wickelnden Menschen, sondern es liegt lediglich die Absicht zu­grunde, allen Bequemlichkeiten der äußeren Schuleinrichtung zu dienen. Das ist ganz vorurteilslos anzuschauen.
Da liegt heute eine eminenteste Aufgabe vor. Das ist eine Aufgabe, von der man aber kaum glauben kann, daß in weitesten Kreisen nach den heutigen Denkgewohnheiten eine Neigung besteht, sich ernsthaft damit zu befassen. Das ist es auch, was man meint, wenn man immer wiederum sagt: Heute ist die Zeit nicht der kleinen, sondern der großen Abrechnungen. Die Leute glauben vielfach, es werde der Zeit der großen Abrechnungen gedient, wenn man große Worte spricht. Ihr wird aber nur gedient, wenn man sich mit innerem Mut heranmacht an große Wandlungen, und wenn man nicht den Mut verliert, entgegenzutreten allem, was sich solchen großen Wandlungen entgegenstellt. Ein anderes ist dasjenige, was heute für fast unerläßlich gehalten wird in den weitesten Kreisen, was insbesondere eine große Bedeutung für die unteren Schulstufen hat: das ist die sogenannte staatliche Schul­aufsicht. Es kann nichts Ruinöseres geben für eine wirklich sach­gemäße Entwickelung des Geisteslebens als eine solche amtliche oder

Nu heeft men bij dit alles niet de bedoeling om in de zich ontwikkelende mens een grote verwarring teweeg te brengen; men wil er enkel ’t gemak van een uiterlijke regeling van de lessen mee dienen. Daar moet je zonder vooroordelen naar kijken. We hebben in deze tijd een grootse taak te volbrengen. De taak, waarvan men echter nauwelijks kan geloven dat de neiging bestaat er zich serieus mee bezig te houden: gegeven de huidige denkgewoonten in brede maatschappijlijke kringen. Dit bedoelen we ook, wanneer we steeds weer zeggen: nu is het de tijd om niet in kleinigheden, maar in het groot met het verleden af te rekenen. De mensen geloven vaak, dat men dit het beste doet wanneer men grote woorden spreekt. Men dient de toekomst echter het beste, wanneer men met innerlijke moed zich werkelijk inzet voor grote veranderingen en niet de moed verliest om alles onder ogen te zien en te weerstaan wat zulke grote
veranderingen in de weg staat. Iets anders is wat tegenwoordig vaak in brede kringen als beslist noodzakelijk wordt gezien— wat vooral voor het basisonderwijs van groot belang is, is de z.g. onderwijsinspectie. Er kan bijna niets desastreuzer zijn voor een echte adequate ontwikkeling van het geestesleven dan die ambtelijke of halfambtelijke onderwijsinspectie.

blz. 131

halbamtliche Schulaufsicht. Dasjenige, was Bedürfnis des Geistes­lebens im Schulwesen ist – und derjenige, der in die Dinge innerlich hineinschaut, der könnte das wissen -, was zu einer wirklich gedeih­lichen Fortentwickelung notwendig ist, das erfordert eine Rücksicht­nahme auf alle einzelnen Augenblicke, die sich ergeben aus dem leben­digen Unterricht selber. Das kann und darf niemals beurteilt werden durch irgendeine außenstehende Schulaufsicht. Einem Menschen, dem man einmal in der Selbstverwaltung des Geisteslebens durch alle die Vorsichten, die dazu notwendig sind, das Vertrauen geschenkt hat, daß er auf irgendeiner Stelle Menschen erzieht oder unterrichtet, dem darf, solange er auf seinem Posten steht, niemand in seine Methodik oder dergleichen hineinreden. Das ist etwas, was viele Leute heute noch nicht verstehen; aber mit diesem Nichtverstehen verstehen sie zugleich nicht eine der Grundbedingungen alles wirklich heranreifenden Geisteslebens. Sie sehen daraus, in welch radikaler Weise Hand angelegt werden muß an all dasjenige, was heute die Leute als etwas Selbstverständliches hinnehmen, ja, dessen Erstarkung sie sogar noch fordern.

Datgene, wat het geestesleven in de praktijk voor het opvoeden nodig heeft — wie het doorziet weet dit — wat voor een vruchtbare ontwikkeling noodzakelijk is, dat eist een vrij onder ogen zien van ieder ogenblik, van iedere bijzondere situatie, die uit een levend onderwijs geboren wordt. Dit kan en mag nooit beoordeeld worden door een inspectie, die uiteraard der zaak buiten dit alles staat. Met iemand, die men eenmaal vanuit een zichzelf organiserend geestesleven, met in achtneming van alle voorzichtigheid, die daarvoor noodzakelijk is, het vertrouwen heeft geschonken, ergens andere mensen op te voeden of te onderwijzen, — met zo iemand mag, zolang hij zijn beroep goed uitoefent, niemand zich met zijn methodiek of iets dergelijks bemoeien. Dat begrijpen veel mensen tegeuwoordlg niet, maar daarmee begrijpen ze tegelijk niet, wat een van de eerste voorwaarden is voor een werkelijk groeiend geestesleven. Daar zie je aan, op wat voor radicale manier alles moet veranderen wat men tegenwoordig iets vanzelfsprekends vindt, waarvan men zelfs eist, dat het nog beter wordt.

Denn es gibt doch kaum irgendein, sagen wir, auch nur soziales Programm, das aus Parteidenken hervorgeht und nicht irgend­welche Punkte über amtliche oder halbamtliche Schulaufsicht hat. Da­mit ist nicht irgend jemand ein Vorwurf gemacht, auch nicht einer Partei ein Vorwurf gemacht, sondern einfach hingewiesen auf das­jenige, was sich ergeben hat gerade aus dem verkehrten Geistesleben, das allmählich heraufgekommen ist. Man kann ja diese Verkehrtheiten des Geisteslebens besonders stu­dieren, wenn man an die hohen Schulstufen herangeht. Wie hat sich denn eigentlich unser Hochschulwesen entwickelt? Das konnte man sogar noch in der zweiten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts gut beobachten. Schließlich sind all diejenigen Menschen, die gerade inner­halb des deutschen Geisteslebens es irgendwie gebracht haben zu dem, was eine gewisse Weltbedeutung hat, noch herangewachsen, als das neuere System nicht zerstört hatte die Grundlage einer wirklich gei­stigen Entwickelung. Goethe hat schon genügend geschimpft über die Hindernisse, die ihm während seiner Schulausbildung gelegt worden sind. Man sollte sich erst einmal Rechenschaft darüber ablegen, wie

Want we vinden immers nauwelijks een of ander program, al was ’t alleen maar een programma door een of andere politieke partij opgesteld, dat niet een of ander punt over ambtelijk of halfambtelijk schooltoezicht bevat. Hiermee willen we niemand, ook geen partij, iets verwijten, maar er slechts op wijzen, wat uit de verschillende dingen die er mis zijn in ons geestesleven, langzaam maar zeker is voortgekomen. Je kan in ’t bijzonder deze misstanden van ons geestesleven bestuderen, wanneer je ons hogeschoolwezen beschouwt. Hoe heeft zich dit ontwikkeld? Je kon dat nog zelfs in de tweede helft van de 19e eeuw goed waarnemen. Tenslotte zijn al de mensen, die het in het Midden-Europese geestesleven tot iets hebben gebracht, wat een zekere betekenis voor de wereld heeft, opgegroeid in tijden, waarin het nieuwere systeem nog niet de bodem voor een werkelijk geestesleven onvruchtbaar heeft gemaakt. Goethe heeft zich echter al krachtig uitgelaten over de belemmeringen, die door het schoolwezen van zijn tijd op zijn weg kwamen. Je zou eens moeten nagaan, hoe anders

blz. 132

anders dasjenige, was in Goethes «Dichtung und Wahrheit» über Professor Ludwig und andere steht, sich ausnehmen würde, wenn Goethe hineingezwängt worden wäre mit achtzehn, neunzehn oder zwanzig Jahren in einen heutigen Hochschulzwang. Diese Dinge müssen heute durchaus angeschaut werden.
Was ist denn eigentlich ausgemerzt worden, nach und nach aus­gemerzt worden? Sehen Sie, als das Gymnasium, das heute ja ein Schreckgespenst ist gegenüber den Forderungen der Zeit, die einzige Vorbereitungsstätte für das höhere Bildungswesen war, als es noch den Typus des alten Klostergymnasiums hatte, das natürlich für seine Zeit gar nicht so schlecht war, da hatte es noch einen letzten Rest von dem, was man etwa so charakterisieren könnte: Der Mensch nimmt etwas in sich auf, was ihn auf den Standpunkt einer allgemeinen Welt­anschauung bringt. Es figurierte im Studienplan der Gymnasien die sogenannte philosophische Propädeutik. Sie wurde allerdings nur in den beiden letzten Jahrgängen gepflegt. Es wurde zumeist zwar das gemacht, daß, was in den zweiten Jahrgang gehörte, in den ersten ge­nommen wurde, und was in den ersten gehörte, in den zweiten ge­nommen wurde.

alles eruit gezien zou hebben wat Goethe in „Dichtung und Wahrheit” over professor Ludwig en anderen zegt, als Goethe op 18-, 19- of 20-jarige leeftijd de dwang van het tegenwoordige hogeschoolonderwijs had moeten ondergaan. Zulke dingen zou men eens onder ogen moeten zien. Wat heeft men dan eigenlijk langzamerhand in dit onderwijs laten verdwijnen. Toen het gymnasium, dat tegenwoordig iets onmogelijks is geworden ten opzichte van de eisen van de tijd, de enige voorbereidingsschool voor het universitair onderwijs was, toen het nog het typische vertoonde van het oude kloostergymnasium, dat voor zijn tijd helemaal niet zo slecht was, bezat het nog een laatste rest van wat men als volgt kan karakteriseren: de mens neemt daar iets in zich op, wat hem op het niveau van een algemene wereldbeschouwing brengt. In het studieplan van het gymnasium nu, is een filosofische voorbereiding opgenomen. In ieder geval in de laatste twee jaren. Het werd zo gedaan dat wat in het tweede jaar hoort, in het eerste opgenomen werd en wat in het eerste zat, kwam in het tweede.

Nun aber, es war wenigstens etwas da: es war ein stehengebliebener Rest von dem, wofür in den älteren Hochschulen gesorgt wurde, daß die ersten Jahre, die der Mensch an der Hoch­schule zubringt, jedem die Möglichkeit gaben, etwas von allgemeiner Weltanschauung in sich aufzunehmen, etwas von dem in sich auf­zunehmen, was ihm überhaupt erst die Berechtigung geben kann, sich in ein besonderes Berufsstudium hineinzubegeben. Denn niemand kann in Wirklichkeit in einem besonderen Berufs studium etwas taugen, der nicht durch einen propädeutischen, einen vorbereitenden Unter­richt die Möglichkeit gewonnen hat, über allgemein menschliche An­gelegenheiten sich ein verständig empfindendes Urteil zu bilden. Man hält es heute für überflüssig, dem Menschen in einer wahren Gestalt etwas logische, etwas psychologische Begriffe beizubringen. Niemand kann vorteilhaft überhaupt irgendeinen Zweig des höheren Geistes­lebens studieren, der nicht den Durchgang durch solche logischen und psychologischen Vorstellungen genommen hat, der sich nicht dadurch gewissermaßen erst die innere Berechtigung dazu erworben hat. 

Er was tenminste daarmee nog iets: een laatste rest van waarvoor in de vroegere universiteiten werd gezorgd en waardoor in de eerste jaren, die men aan de universiteit doorbracht, ieder de mogelijkheid kreeg om iets van algemene wereldbeschouwing in zich op te nemen, iets op te nemen van alles wat eigenlijk pas het recht en de mogelijkheid kan geven om zich met zijn bijzondere
beroepsstudie bezig te houden. Want niemand kan daarvoor eigenlijk in werkelijkheid deugen, die niet door een dergelijk voorbereidend onderwijs zich de mogelijkheid heeft verworven, om over algemeen menselijke aangelegenheden te kunnen oordelen.
Men houdt het tegenwoordig vaak voor iets overbodigs om de mens werkelijke logische of psychologische begrippen bij te brengen. Niemand kan echter met succes eigenlijk een of andere tak van het hogere geestesleven bestuderen, die niet die logische en psychologische gedachtegangen is nagegaan, die daardoor in zekere zin innerlijk niet gerechtvaardigd is zich met zijn studie bezig te houden.

blz. 133

All diese Dinge hat das neuere Kulturgeistesleben absolut ausgemerzt. Dieses will gar nicht mehr auf den Menschen überhaupt sehen; dieses neuere Kulturgeistesleben will aus dem Geistesleben ganz fremden Impulsen heraus dieses Geistesleben dressieren.Das hat aber dazu geführt, daß, was in unserem allgemeinen Geistesbetrieb drinnen steckt, eben gar nicht mehr irgendwie das Gepräge einer einheitlichen Kultur trägt. Es hat uns zersplittert, und es hat bis jetzt nicht bewältigen können, was wir bewältigen werden müssen. Wer Erfahrung hat in diesem Gebiet, der weiß, in wie unzähligen Lob-reden gepriesen worden ist das sogenannte Spezialistentum der neueren Zeit. Man hat betont, unser Kulturleben habe eine solche Ausbreitung erfahren, daß der Mensch fruchtbar nur einen einzelnen speziellen Zweig beherrschen kann. Man hat damit auf etwas hingewiesen, was von der einen Seite her, ich möchte sagen, selbstverständlich ist. Aber man hat sich aus innerer Bequemlichkeit zugleich dieser Selbstver­ständlichkeit mit wahrer Wollust hingegeben. Denn man braucht ja jetzt nichts anderes, als sich einzukapseln in irgendeine Spezialität, und gerade durch das Einkapseln in irgendeine Spezialität wurde man ein für die heutige Zeit besonders berechtigter Kulturmensch.

Al zulke dingen nu zijn in onze cultuur uit het geestesleven verdwenen. Dit geestesleven wil eigenlijk helemaal niet meer naar de mens als zodanig kijken; onze nieuwere cultuur wil uit impulsen, die het eigenlijke geestesleven vreemd zijn, dat geestesleven dresseren. Dat heeft er echter toe geleid dat alles wat ons algemene geestesleven inhoudt, helemaal niet meer de kwaliteit heeft van een gezamenlijke cultuur en het heeft het tot nog toe niet voor elkaar gekregen wat wij hadden moeten bereiken.
Wie op dit gebied enige ervaring heeft, weet hoe vaak al het specialistendom van de nieuwere tijd is geprezen. Men heeft er de aandacht op gevestigd, dat ons cultuurleven zich zodanig heeft ontwikkeld, zo rijk en gedifferentieerd geworden is, dat de mens slechts met succes een deel van dit cultuurleven beheersen kan. Men laat met dit alles zien, wat vanuit een bepaalde optiek beschouwd vanzelfsprekend is. Met een zekere innerlijke gemakzucht heeft men zich echter verder rustig bij dit alles neergelegd. Want men behoeft immers nu niets anders te doen, dan op een of ander gebied specialist te zijn; en verder behoeft men zich niet met het geestesleven te bemoeien en op zo’n manier wordt men zelfs juist voor onze tijd een bijzonder waardevol cultuurmens.

Natürlich kann derjenige, dem die Kultur am Herzen liegt, nicht hoffen, und er kann es auch nicht wollen, daß das Spezialistentum sich umwandeln soll in einen allbeherrschenden Dilettantismus; aber was angestrebt werden muß, ist, daß die ganze Erziehung, das ganze Schulwesen für den Menschen so eingerichtet werde, daß er, ich möchte sagen, in einer unteren Schichte seines Bewußtseins immer die Möglichkeit hat, von seiner Spezialität aus verständnisvolle Fäden zu ziehen zur ge­samten Kultur. Das kann nicht anders geschehen, als wenn man jeder Hochschule einen Unterbau gibt von allgemeiner Menschenbildung. Diejenigen, die heute zu den Zöpfen gehören, die werden einwenden:Ja, was tun wir denn dann mit der Fachbildung? – Man sollte nur wirk­lich einmal prüfen, wie ökonomisch man dann, wenn die Spezialitäten beginnen, mit der Fachbildung vorgehen könnte, wenn man auf all­gemein gebildete Menschen wirken kann, auf Menschen wirken kann, die wirklich etwas Menschliches in sich haben. Heute sind wir ja nun durch unsere perversen Kulturverhäitnisse leider so weit, daß man in

Natuurlijk kan hij, die de cultuur ter harte gaat, niet hopen en ook niet willen dat het specialistendom overgaat in een dilettantisme, dat op alle gebieden „thuis” is; maar we moeten er wel naar streven, dat de gehele opvoeding, het gehele schoolwezen, zodanig wordt ingericht, dat het tot gevolg heeft, dat het voor de mens, — ik zou willen zeggen in een onderlaagje van zijn bewustzijn, toch steeds mogelijk is om, vanuit zijn specialisme, begripsvolle verbindingen te leggen met de volle cultuur. Dit kan niet anders gebeuren, dan wanneer men aan iedere universiteit de basis geeft van een algemeen menselijke vorming. Diegenen, die tegenwoordig de oude pruiken dragen, zullen de tegenwerping maken: „Ja, maar wat doen we dan met de vakopleiding.” Men zou echter werkelijk eens moeten onderzoeken, hoe men zo’n vakopleiding pas dan economisch kan inrichten, wanneer men met algemeen ontwikkelde mensen kan werken, wanneer men mensen kan opleiden, die werkelijk iets menselijks in zich hebben. Tegenwoordig zijn we door onze perverse cultuurverhoudingen helaas zover, dat men het op

blz. 134

seiner Spezialität der höchstentwickelte Mensch sein kann und blitz-dumm sein kann in bezug auf alle großen Menschheitsfragen, nichts verstehen kann von diesen. Wir haben heute einmal die sonderbare Erscheinung vor uns, daß derjenige, der nur eine Volksschule, oder vielleicht diese nicht einmal ordentlich durchgemacht hat, aber durch das Leben gezerrt worden ist, über allgemein menschliche Verhält­nisse Besseres zu sagen hat, als derjenige, der durch Hochschulbildung durchgegangen ist und ein exzellenter Mensch auf seinem Gebiet ge­worden ist. Gegen diese Erscheinung hat man heute zu kämpfen, wenn man überhaupt nur daran denkt, in die Tiefe hinein diejenigen Impulse zu senden, die allein zu einer Besserung führen können, die nicht bloß dahin führen, an der Oberfläche allein Maßnahmen zu treffen, wie es die Leute wollen; die nicht dahin gehen, wohin zu gehen die Wirklich­keit fordert, wenn tatsächlich etwas geschehen soll. Natürlich haben wir heute das Übel schon so weit getrieben, daß wir ja für den Unter-bau der Hochschule gar nicht mehr die geeigneten Persönlichkeiten haben, daß wir in der furchtbaren Lage sind, überhaupt keine Lehrer mehr zu haben für eine allgemeine Menschenbildung. Denn wir haben es ja dazu gebracht, daß gerade unsere Hochschulen verschlafen haben, ich möchte sagen, die alleräußersten Ranken der Kultur.

zijn speciaal gebied bijzonder ver kan hebben gebracht, op het gebied van grote mensheidsvragen echter grenzenloos stupide kan zijn. En we kunnen daarnaast tegenwoordig het vreemde verschijnsel waarnemen, dat degene, die een basisschool, of deze nog niet eens, doorlopen heeft, door het leven zelf echter ruw is aangepakt, over algemeen menselijke verhoudingen dikwijls meer reëels weet te zeggen, dan degene, die onze universiteit heeft doorloopen en op zijn gebied een geleerd man is geworden.
Tegen zulke dingen heeft men tegenwoordig te strijden, wanneer men er werkelijk aan wil denken, om in diepere gebieden van ons cultuurleven zodanige impulsen te wekken, die werkelijk tot verbetering kunnen leiden, en die er niet enkel toe leiden dat we alleen oppervlakkige maatregelen te treffen, zoals zij willen, die geen rekening willen houden met alles wat de werkelijkheid van ons vraagt, wil er inderdaad iets positiefs gebeuren. We zitten tegenwoordig natuurlijk al zo diep in het schip, dat we voor zo’n basis op de universtiteit moeilijk meer de geschikte mensen vinden, zodat we in de verschrikkelijke toestand zitten, geen leraren meer te hebben voor zo’n algemeen menselijke opvoeding. Want zover is het gekomen dat juist onze universiteiten verslapen hebben, wat zich zelfs in het alleruiterlijkste in ons cultuurleven heeft voltrokken.

Man kann es erleben, daß an unseren Hochschulen irgendeine Wissenschaft in der Stunde, in der sie angesetzt ist, aus dem Kollegienheft von irgend­einem Professor vorgelesen wird, daß der Student sich die Sache an­hört, daß er sich dann irgendwelche Nachschriften kauft, um sich schriftlich für das Examen einzudressieren. Es ist das sogar ein ziem­lich gewöhnlicher Vorgang. Was heißt das aber in Wirklichkeit? Das heißt in Wirklichkeit: der junge Mann hat völlig versessen die Zeit, die er da zugehört hat; denn dasjenige, was wirklich geschehen ist, das ist ja nur das, daß er die Nachschriften sich eindressiert hat. Wenn er bloß das gemacht hätte, so hätte er wirklich alles das getan, was eine Wirklichkeit in der Sache ist. Das heißt: daß der Professor sich herauf-stellt aufs Podium, sein Kollegheft abliest, ist eine völlig unnötige Sache, ist absolut überflüssig.
Nun wird leicht gesagt werden können: Da haben wir also einen

Men kan meemaken, dat op onze universiteiten een of andere wetenschap op het daarvoor aangewezen uur uit het colleschrift van een of andere professor wordt voorgelezen, terwijl de student daarnaar luistert, dat die dan op een of andere manier een dictaat van dit college koopt, om zodoende in staat te zijn zich voor het examen klaar te stomen. Zoiets is zelfs tamelijk gebruikelijk. Wat betekent dit werkelijk? Dat zo’n jong mens zijn tijd op het college totaal heeft verspild met luisteren, want wat er werkelijk is gebeurd, is alleen, dat hij de dictaten erin heeft gestampt. Als hij alleen dit laatste had gedaan, had hij inderdaad gedaan, wat bij dit hele gebeuren de werkelijkheid is. D.w.z. dat het een totaal onnodige zaak, absoluut overbodig is, dat de professor op het podium is gaan staan, zijn college heeft voorgelezen. Nu zal men makkelijk zeggen: „daar heb je

solchen Botokuden vor uns, der die Abschaffung der Kollegien ver­langt! Nein, das ist nicht der Fall. Ich verlange ganz gewiß nicht die Abschaffung der Kollegien, ich mache nur darauf aufmerksam, daß die Kollegien heute gelesen werden mit Nichtberücksichtigung der kulturgeschichtlichen Tatsache, daß einmal die Buchdruckerkunst er­funden worden ist, daß dasjenige, was man bloß vorliest, wirklich besser in den Hirnkasten hineindringt, wenn es in einem ordentlich geschriebenen Buch gelesen wird. Aber ich mache auch darauf auf­merksam, daß das beste, was man durch ein gut geschriebenes Buch bekommen kann, kaum ein Zehntel von dem sein kann, was wirklich aus der unmittelbaren Persönlichkeit des Unterrichtenden so hervor­geht, daß eine seelische Verbindung entsteht zwischen dem Unter­richtenden und demjenigen, der unterrichtet wird. Das kann aber nur in einem auf sich selbst gestellten, sich selbst verwaltenden Geistes­leben geschehen, wo die Individualität sich voll entfalten kann, wo nicht Traditionen, wie es bei den Universitäten oder anderen Hoch­schulen ist, jahrhundertelang herrschen, sondern wo der Einzelne die Möglichkeit hat, bis ins einzelnste hinein er selbst zu sein. Dann wird gerade von dem mündlichen Unterricht das ausgehen, wovon man sagen kann: 

waarachtig een dwaas, die afschaffing van de colleges verlangt”. Nee, dat is niet het geval. Ik wil zeer zeker niet de colleges afschaffen. Ik wijs er alleen maar op, dat tegenwoordig colleges worden voorgelezen, zonder rekening te houden met het feit, dat al lang de boekdrukkunst is uitgevonden en dat wat men alleen maar voorleest, werkelijk beter in de hersenen doordringt, wanneer men het eenvoudig in een behoorlijk geschreven boek kan lezen. Ik leg er echter tevens de nadruk op, dat het beste, wat men door een goed geschreven boek kan opnemen, nauwelijks het tiende deel van datgene kan zijn, wat onmiddellijk door de persoon van de leraar wordt gegeven, wanneer er een innerlijk verband is tussen hem en zijn toehoorders. Zoiets kan echter alleen maar in een zelfstandig zich organiserend geestesleven, waarin de individualiteit zich ten volle kan ontplooien, waar geen tradities overheersen, zoals door de eeuwen heen op de universiteiten of andere hogescholen, maar waar de individualiteit de mogelijkheid wordt geboden, om in de kleinste kleinigheden zichzelf te zijn. Dan echter zal juist van dit mondelinge onderwijs iets uitgaan, waarvan je kan zeggen:

Wir haben abgestoßen alles das, was auch durch die Buch­druckerkunst in die Menschheit kommen will, durch die Illustrations­kunst und so weiter. Aber wir haben gerade dadurch, daß wir das ab­gestoßen haben, die Möglichkeit bekommen, ganz neue Lehrfählg­keiten zu entwickeln, die heute noch in der Menschheit schlafen. Diese Dinge gehören auch, und sie gehören sogar in allererster Linie zu den sozialen Fragen der Gegenwart. Denn erst, wenn man Herz und Sinn haben wird für diese Dinge, wird man auch eindringen können in das­jenige, was sonst vonnöten ist heute. Sehen wir uns einmal an, was aus der verkehrten höheren Bildung für die allgemeine soziale Lage herauskommt. Ich habe gestern sogar im öffentlichen Vortrag darauf aufmerksam machen müssen, daß wir im Grunde genommen gar keine Spiegelung der wirklichen sozialen Zustände, weder in der Nationalökonomie des Bürgertums noch in der Nationalökonomie des Proletariertums haben, weil wir einfach nicht die Kraft hatten, zu einer wirklichen sozialen Wissenschaft zu

we hebben ons bevrijd van alles, wat ook door de boekdrukkunst in de mensheid wil komen, door de illustratiekunst enz. Maar juist omdat we ons daarvan bevrijd hebben, hebben wij echter de mogelijkheid gekregen om heel nieuwe vermogens om les te geven, te ontwikkelen, vermogens, die tegenwoordig nog in de mensheid sluimeren. Al deze dingen behoren ook, ze horen zelfs in eerste instantie tot de sociale vragen van onze tijd. Want pas als men hart en begrip voor deze dingen heeft, zal men ook kunnen doordringen tot alles, wat op andere gebieden nodig is.
Laten we eens een blik werpen op een en ander, wat tengevolge van een verkeerde universitaire opleiding voor de algemene, sociale toestand ontstaat. Ik heb gisteren zelfs in een voordracht er opmerkzaam op moeten maken, dat we in de grond van de zaak eigenlijk helemaal niet in het tegenwoordige wetenschappelijke bewustzijn de werkelijke sociale toestanden gespiegeld vinden, noch in de staathuishoudkunde van de bourgeoisie, noch in die van het proletariaat, omdat wij eenvoudig niet de geestelijke capaciteit hadden, om tot een werkelijke sociale wetenschap te

blz. 136

kommen. Was ist unter dem Bürgertum statt der sozialen Wissenschaft entstanden? Etwas, auf das man sehr stolz ist, das man nicht müde wird, immer wieder und wieder zu preisen: das ist die moderne Sozio­logie. Nun, diese moderne Soziologie ist das unsinnigste Kultur­produkt, das überhaupt hat entstehen können. Denn diese Soziologie sündigt wider alle elementarsten Notwendigkeiten, die eine soziale Wissenschaft haben müßte. Diese Soziologie sucht ihre Größe darin, daß sie absieht von allem, was zum sozialen Wollen, zum sozialen Im­puls führen könnte, daß sie bloß historisch und statistisch verzeichnet die sogenannten soziologischen Tatsachen, damit sie den Beweis scheinbar liefert, daß der Mensch eine Art soziales Tier ist, daß der Mensch in der Gesellschaft drinnen lebt. Diesen Beweis, den hat sie, allerdings unbewußt, recht stark geliefert, diese Soziologie; sie hat ihn dadurch geliefert, daß sie nichts anderes zutage förderte, als die platte­sten soziologischen Urteile, das heißt diejenigen, welche allgemein, welche Gemeingut sind, Trivialitäten. Nirgends aber ist der Wille vor­handen, die Erkenntnisse der Gesellschaftsgesetze so zu finden, wie sie einlaufen müssen in das menschliche soziale Wollen. 

komen. Wat is onder de bourgeoisie in plaats van een sociale wetenschap ontstaan? Waarop men zeer trots is, zodat men er geen genoeg van krijgt het voordturend te prijzen: dat is de moderne sociologie. Wel dit is het meest onzinnige cultuurproduct dat heeft kunnen ontstaan. Want deze sociologie zondigt tegen de meest elementaire eisen die aan een sociale wetenschap gesteld moesten worden. Deze sociologie zoekt haar grootheid, daarin dat ze ervan afziet om in alles door te dringen, wat mensen tot sociaal willen, tot sociale impulsen brengen kan. Ze zoekt groot te zijn, daarin dat ze enkel historische en statistische z.g. sociologische feiten registreert, opdat ze schijnbaar het bewijs levert, dat de mens een soort sociaal dier is, dat de mens in het maatschappelijk leven als zodanig geheel opgaat. Dat bewijs heeft ze zeer zeker onbewust zeer sterk geleverd, door niets anders te vragen dan de meest triviale sociologische oordelen, d.w.z. algemeenheden, wat gemeengoed is, trivialiteiten. Nergens echter bespeur je de wil, de wetten van de samenleving zo te leren kennen dat  ze uitmonden in de sociale wil van de mens.

Damit ist aber auf diesem Gebiet die Kraft des Geisteslebens überhaupt gelähmt. Wir haben in allen nicht proletarischen Schichten heute, das muß ruhig zugestanden werden, überhaupt kein soziales Wollen. Das soziale Wollen fehlt vollständig, weil gerade da, wo es hätte gepflegt werden sollen, im Hochschulunterricht, Soziologie an die Stelle von Sozial­wissenschaft getreten ist; ohnmächtige Soziologie an die Stelle von den Willen durchpulsender, den Menschen anregender Sozialwissen­schaft. Bis in die Tiefen des Kulturlebens hinein gehen diese Dinge. Da müssen sie aufgesucht werden, sonst kommt man ihnen überhaupt nie­mals bei. Man denke sich nur einmal, wie anders die Menschen im Leben drinnen stehen würden, wenn erfüllt würde, was in einer vorigen Betrachtung hier ausgesprochen worden ist. Statt daß die Men­schen den Blick abgewendet bekommen zu urältesten Kulturepochen, die unter ganz anderen Gesellschaftsverhältnissen ihre Struktur emp­fangen haben, müßte gerade in dem Lebensalter, wo die Empfindungs-seele fein vibrierend zum Dasein kommt, vom vierzehnten, fünfzehnten

Door dit alles is zodoende op dit gebied de reëele kracht van het geestesleven lam geslagen. We hebben in alle niet proletarische lagen van de bevolking tegenwoordig helemaal geen sociaal willen: dit moet men gewoon toegeven. Sociaal willen ontbreekt daar volkomen, omdat juist op de plaatsen, waar dit willen zijn wetenschappelijke loutering en bewustwording moest vinden, n.l. op de universiteiten, sociologie de plaats van de sociale wetenschap inneemt; krachteloze sociologie i.p.v. een sociale wetenschap die de wil van de mens impulseert, die de mens stimuleert. Tot in de diepten van ons cultuurleven gaan deze dingen en daar moeten ze worden opgezocht, anders begrijpt men nooit hoe deze dingen in het sociale leven werken. Bedenk eens, hoe heel anders de mensen in het leven zouden staan, als werkelijkheid zou worden, wat bij andere uiteenzettingen hier werd uitgesproken. In plaats dat de mensen leren wegkijken van de oudste cultuurperioden die onder heel andere maatschappelijke verhoudingen hun structuur kregen, moet juist in de tijd waarin de gewaarwordingsziel op een fijzinnige manier tot uitdrukking komt, vanaf het veertiende, vijftiende

blz. 137

Jahre aufwärts, der Mensch unmittelbar eingeführt werden in das aller-, allernächstliegende gegenwärtige Leben. Er müßte kennen­lernen, was auf dem Acker vor sich geht, er müßte kennenlernen, was im Gewerbe vor sich geht, er müßte die verschiedenen Handelsverbin­dungen kennenlernen. Das alles müßte der Mensch aufnehmen. Und man denke sich, wie er dann ganz anders ins Leben hinaustreten würde, wie er ein selbständiger Mensch wäre, und wie er nicht sich aufdrängen lassen würde dasjenige, was heute oftmals gerade als die höchste Er­rungenschaft der Kultur gepriesen wird, was aber nichts anderes ist als die wüsteste Dekadenzerscheinung. Nur auf dem Boden eines sich selbst verwaltenden Geisteslebens kann zum Beispiel auch wirkliche Kunst gedeihen. Und wirkliche Kunst ist Volkssache; wirkliche Kunst ist im eminentesten Sinne etwas Soziales. Derjenige, der den griechischen, den romanischen, den goti­schen Baustil studiert in dem Sinne, wie das heute oftmals geschieht, der weiß über das, was in Betracht kommt, im Grunde genommen noch recht wenig. Erst derjenige kennt, was im griechischen, im ro­manischen, im gotischen Baustil liegt, welcher weiß, wie die ganze soziale Struktur der Zeit, als diese Stile herrschten, in Formen, in Linienführung, in Abbildlichkeit innerhalb dieser Stile zu sehen war, wie die Kunst fortschwang in den menschlichen Seelen. 

levensjaar af, de mens zonder omwegen in aanraking moet komen met het actuele leven van tegenwoordig. Hij moet weten wat er in de landbouw gebeurt, wat in de handel, hij moet de verschillende handelsverbindingen leren kennen. Dat moet hij allemaal in zich opnemen. En bedenk dan hoe hij dan heel anders het leven in zou gaan, hoe zelfstandig hij dan als mens zou zijn en hoe hij zich niet zou laten opdringen wat tegenwoordig vaak als het hoogste resultaat van de cultuur geprezen wordt, wat in feite toch niets anders is dan de grofste verschijnselen van decadentie. Ook alleen maar op basis van een geestesleven dat zichzelf organiseert, kan bijv. de echte kunst gedijen. Werkelijke kunst is een zaak van het volk, is iets eminent sociaals. Wie de Griekse, de Romaanse, de Gothische bouwstijl bijv. op de manier bestudeert, die men tegenwoordig dikwijls gewend is, komt van wat daarin van betekenis is, eigenlijk maar zeer weinig te weten. Pas diegene weet echt ietst van wat in de Grieke, Romaanse, Gothische bouwstijl leefde, die weet, hoe de hele sociale structuur van die tijd, toen deze bouwstijlen overheersten, in de vormen, in het bewegen van de lijnen, in de plasticiteit van deze bouwstijlen te zien was, die weet, hoe de kunst dan verder doorklonk in het menselijke zieleleven.

Was der Mensch im Alltag tat, bis in die Fingerbewegung hinein, war ein Fort-schwingen desjenigen, was er sah, wenn er diese Dinge betrachtete, die ihm die Möglichkeit boten, die wirklich reale Wesenheit, sagen wir, eines Baustiles in sich aufzunehmen. Man bedarf heute der Ein­setzung der Ehe zwischen Kunst und Leben, die aber nur auf dem Boden eines freien Geisteslebens gedeihen kann. Oh, welcher Jammer, meine lieben Freunde, daß unsere Kinder in Schulstuben geführt wer­den, die wahrhaftig barbarische Umgebungen für die jungen Gemüter sind! Man denke sich jede Schulstube – nicht in der dekorativen Weise künstlerisch ausgestaltet, wie man sich das heute oftmals denkt, aber man denke sie sich von einem Künstler so ausgestaltet, daß dieser Künstler die einzelnen Formen in Einklang gebracht hat mit dem, worauf das Auge fallen soll, während es das Einmaleins lernt.
Die Gedanken, die sozial wirken sollen, können nicht sozial wirken,

Al wat de mens in het dagelijks leven deed, tot in de beweging van zijn vingers was als een verder bewegen en leven van alles, wat hij zag, als hij naar deze dingen keek; deze gaven hem de mogelijkheid, het werkelijk sociaal reëele, dat in deze kunstwerken leefde, in zich op te nemen. We hebben tegenwoordig zo’n  huwelijk tussen kunst en leven op onze manier weer nodig; dit kan echter enkel op de bodem van een vrij geestesleven gedijen. Wat jammer beste vrienden, dat onze kinderen in schoollokalen worden gebracht, die werkelijk een barbaarse omgeving voor het jeugdige gemoedsleven zijn! Denk je eens in dat ieder
schoollokaal — niet op decoratieve manier versierd, zoals men zich dit tegenwoordig dikwijls voorstelt— maar door een kunstenaar zo gevormd, dat deze kunstenaar de verschillende daar aanwezige vormen in harmonie heeft gebracht met datgene waarop het oog moet rusten, terwijl het kind de tafels van vermenigvuldiging leert. De voorstellingen, die sociaal moeten werken, kunnen dat niet,

blz. 138

wenn nicht, während diese Gedanken sich formen, in einer Neben­strömung des geistigen Lebens in die Seele dasjenige einzieht, was aus einer wirklich lebensgemäßen Umgebung herkommt. Dazu aber be­darf es auch, sagen wir, für das Künstlertum eines ganz anderen Le­bensganges, als ihm heute gegönnt ist während des Heranwachsens. Es wird ja heute gerade derjenige, der den künstlerischen Trieb in sich fühlt, gar nicht die Möglichkeit haben, dem Leben nahezukommen. Fühlt er in sich, sagen wir, den Trieb, Maler zu werden, dann drängt ihn das Leben dazu, möglichst früh irgendwelche Schinken anzustrel­chen, denn er meint, es käme darauf an, irgend etwas zu schaffen, was innere Befriedigung gibt. Selbstverständlich kommt es darauf an; aber es handelt sich darum, ob zuerst der Impuls für diese innere Be­friedigung den Weg hinaus ins Leben gefunden hat, so daß man die größte innere Befriedigung dann empfindet, wenn man das Leben zu­erst frägt: was ist zu schaffen? und wenn man auch immer die Ver­pflichtung, die gewissenhafte Verpflichtung fühlt, daß man dem Leben nichts entnimmt, was man ihm nicht wieder zurückgibt. Dadurch daß heute, sagen wir, die Maler Landschaften liefern für diejenigen Leute, die doch nicht viel verstehen davon, dadurch wird nicht Kunst ge­fördert, sondern Kunst in den Abgrund hineingeworfen. 

als niet, terwijl deze gedachten zich vormen, als in een nevenstroom een geestesleven de zielen doortrekt, dat zijn omgeving een vorm heeft gegeven die in overeenstemming met het werkelijke leven is. Daarvoor is echter eveneens een heel andere levensgang voor de kunstenaar nodig, dan hem tegenwoordig is gegund. Tegenwoordig wordt immers juist degene, die een kunstenaarsdrang in zich voelt, helemaal niet de mogelijkheid gegeven, het leven nader te leren kennen. Voelt de wordende kunstenaar de drang in zich om, laten we zeggen, schilder te worden, dan dwingt het leven hem, zo vroeg mogelijk iets te schilderen, wat bevalt, want men meent, dat het er vooral op aankomt, iets te scheppen, wat innerlijke bevrediging geeft. Natuurlijk komt het daarop aan; maar het gaat er vooral om, of de impulsen, die tot zo’n innerlijke bevrediging leiden, eerst de weg in en door het leven hebben gevonden, zodat men de grootste innerlijke bevrediging dan pas geniet, als men eerst het leven heeft gevraagd: „wat leeft er in de werkelijkheid, dat mij aanleiding tot scheppende arbeid geeft?” en dan de verplichting voelt, dat men aan het leven niets ontleent, wat men dit leven niet op zijn beurt teruggeeft. Omdat tegenwoordig de schilder, laten we zeggen, landschappen levert voor mensen, die daarvan toch niet veel begrijpen, wordt ware kunst niet gediend, daardoor wordt kunst enkel in de afgrond geworpen.

Wir haben so eine unnötige Luxuskunst neben einer barbarischen Gestaltung un­serer Lebensumgebung. Denken wir uns nur einmal, daß der Zustand eintritt, den herbeizuführen bestrebt ist mein Buch über die soziale Frage, wo aus dem einfachen Grunde, daß jedes Produktionsmittel nur so lange etwas kosten kann, bis es fertig ist, es nach Fertigstellung frei in den Gesellschaftsbau übergeht. Denken wir uns, wie da wegfallen würde jedes individuelle egoistische Interesse, wie ganz von selbst, instinktiv, intuitiv auf keimen würde in jedem, der schafft, die Ten­denz, für die ganze Menschheit zu schaffen, und wie er suchen würde diese Möglichkeit, für die ganze Menschheit zu schaffen, statt dessen, was heute bei vielen vorliegt, daß sie für die Kapitalisten schaffen, nach deren Unbedürfnissen. Das ist ja vor allen Dingen die Aufgabe:
so zu sozialisieren, daß unter der Sozialisierung nicht alles Geistesleben unter die Räder kommt.
In diesem Punkte haben ja unsere leitenden, führenden Kreise überhaupt

Zo’n onnodige kunst hebben we echter, die enkel de luxe dient en daarnaast zijn we in ons dagelijks leven door barbaarse vormen omgeven.
Denken we ons nu eens in, dat een toekomst gaat dagen, waarin gestreefd wordt om na het tot stand brengen van de productiemiddelen deze vrij beschikbaar kunnen komen voor het maatschappelijke leven om de eenvoudige reden, dat ieder productiemiddel slechts in de periode van zijn totstandkoming een waar kan zijn, iets kan „kosten.”. Ik heb dit alles in mijn boek „De Kernpunten van het Sociale Vraagstuk” [3] nader uiteengezet. Denken we ons in hoe dan geheel „van zelf” instinctief, intuïtief in iedere productieve individualiteit de drang zou ontstaan, om voor de samenleving te werken, in plaats van, zoals tegenwoordig, voor de „kapitalist” te scheppen, naar diens behoeften, die meest zeer triviaal genoemd kunnen worden. Dat is vooral nodig voor ons, om zo te socialiseren, dat ook het geestesleven gesocialiseerd wordt, en niet onder de voet gelopen wordt. Op dit punt hebben onze leidende kringen überhaupt

blz. 139

noch nicht einmal den allerersten Impuls, auf das Richtige zu sehen. Diese Kreise skandalisieren sich heute über Spartakisten, Bol­schewisten und so weiter. Ja, die Spartakisten, die Bolschewisten haben sich nicht selber gemacht. Wer hat sie gemacht? Unsere leiten­den, führenden Kreise! Denn die haben keinen Impuls in sich gefühlt, eine wirkliche Volkskultur zu begründen.Es gäbe keinen Bolschewis­mus und keinen Spartakismus, wenn die leitenden, führenden Kreise ihre Pflicht getan hätten. Abgesehen davon, daß auch Spartakismus und Bolschewismus nicht so sind, wie die Leute in den führenden Kreisen heute sie sich ausmalen, um Schauerstückchen vor die Welt hinzustellen und ihre Kanonen zu rechtfertigen. Das nur nebenbei.
Heute wäre insbesondere in den leitenden, führenden Kreisen not­wendig ein klares und ungefärbtes In-sich-Einkehren. 

nog niet eens de allereerste impuls het juiste te zien. Deze kringen vinden tegenwoordig de spartakisten, de bolsjewieken enz. schandalig. Maar die hebben zichzelf niet gemaakt. Wie dan wel? Onze leidinggevende kringen! Want die hebben in zichzelf geen impuls gevoeld tot het in het leven roepen van een werkelijke volkscultuur. Er zou geen bolsjewisme of spartakisme bestaan wanneer de leidinggevende kringen hun plicht gedaan zouden hebben. Afgezien daarvan dat het bolsjewisme en spartakisme niet zo zijn als de mensen in die leidende kringen ze tegenwoordig afschilderen om de wereld schrikbeelden te geven en hun kanonnen te rechtvaardigen. Maar dat terzijde.
Voor die leidende kringen is het nu heel nodig om bij zichzelf te rade te gaan, zuiver en niet gekleurd.

Dazu ist wenig, wenig Neigung vorhanden. Sehen Sie, das Zeug zu einer Besserung der Seele, das hat wahrhaftig die Menschheitsentwickelung noch nicht aus dieser Seele herausge­rissen, das wäre noch immer da; das wäre selbst, und sogar in beson­derem Maße, im deutschen Volke da. Aber dieses deutsche Volk, das hat seit langer, langer Zeit stets abgesehen davon, die Keimkräfte der eigenen Gedanken, der eigenen Empfindungen, der eigenen Impulse in sich zu entwickeln.
Und in die unterste Schulstufe sind die Impulse eingeimpft worden, die den so großartig angelegten deutschen Men­schen zu einer Obrigkeitsmaschine machen; zu einer Maschine, die blind der Obrigkeit folgt. Es ist ein Zusammenhang zwischen all dem, was heute so furchtbar uns vor Augen tritt, und dieser falschen Er­ziehung, dieser Erziehung, die den Menschen nicht frei und selbstän­dig macht, weil sie selbst nicht frei und selbständig ist.

Daar heeft men heel weinig zin in.
Ziet u, voor een verbetering van de ziel heeft de mensheidsontwikkeling echt nog niet de rommel uit deze ziel weggehaald, die zit er nog steeds; die zit zelfs en dat nog op een bijzondere manier in het Duitse volk. Maar dit Duitse volk heeft sinds heel lang afgezien de kiemkracht van de eigen gedachten, de eigen gevoelens, de eigen impulsen in zich te ontwikkelen.
En in de laagste schoolklassen zijn de impulsen ingepeperd die van de zo rijk begaafde Duitser een overheidsmachine maken; een machine die blind de overheid volgt. Er bestaat een samenhang tussen wat ons nu zo vreselijk duidelijk wordt en deze verkeerde opvoeding, een opvoeding die de mens niet vrij en zelfstandig maakt, omdat deze opvoeding zelf niet vrij en zelfstandig is.

Diese Erzie­hung, die sich um so wohler fühlt, je mehr sie in den Staat eingeschnürt sein kann, damit sie sich dann weiter wohl fühlen kann, wenn in un­zähligen Versammlungen der Beschluß gefaßt werden kann: Wir ste­hen voll Vertrauen zu der Regierung, die in Versailles jetzt das Nötige dazu beiträgt, uns den Kragen abzuschneiden. In unzähligen Versamm­lungen werden die Beschlüsse gefaßt: Wir stehen fest hinter dieser Re­gierung. Während in Wahrheit in dieser Regierung kaum ein Mensch sitzt, der hineingehört, während die ersten Anforderungen wären,

Deze opvoeding die zich des te beter voelt naar mate zij meer in de staat ingebed kan zijn, zodat ze zich dan verder ook goed kan voelen, wanneer er in talloze vergaderingen het besluit genomen kan worden: we hebben het volste vertrouwen in de regering die in Versailles nu het nodige bijdraagt om ons te benadelen. In talloze vergaderingen worden besluiten genomen: wij staan pal achter deze regering. Terwijl er in werkelijkheid in deze regering nauwelijks iemand aanwezig is die daar hoort, terwijl toch de eerste vereisten zijn,

blz. 140

offen und frei zu gestehen: Alles dasjenige, was da geschieht, ist nur die Fortsetzung jenes Unheils, das sich in deutschen Gauen vollzogen hat im Unglücksjahr 1914. In diese Dinge hinein ergießen sich die Fehler unseres Erziehungswesens. Und diese Fehler unseres Erzie­hungswesens, sie haben dem Menschen alle Möglichkeit benommen, Augenmaß zu haben für die Ereignisse des Lebens. Wie ich Ihnen heute geschildert habe, daß auf der einen Seite ver­nünftiges Schulwesen, das auf Konzentration sieht, nicht auf den ver­ruchten Stundenplan, hineinbringen würde in den Menschen selb­ständige Verstandeskraft und Vernünftigkeit, so würde wahres Durch­dringen unserer Gesellschaft schon von der Erziehung aus mit sozialer Kunst eine richtige Willenskultur zustande bringen. Denn niemand kann wollen, der nicht den Willen anerzogen hat durch echte künst­lerische Erziehung. Dieses Geheimnis vom Zusammenhang der Kunst mit dem Leben und namentlich mit dem Willenselement des Menschen, dieses zu erkennen, das ist eine der allerersten Anforderungen künfti­ger psychologischer Pädagogik, und alle zukünftige Pädagogik muß psychologisch sein.

open en vrij toe te geven: alles wat er gebeurt, is alleen maar de voortzetting van het onheil dat zich ook in het Duitse volk voltrokken heeft in het rampjaar 1914. En daarbij komen dan nog de fouten van ons opvoedingssyteem. En die hebben de mensen alle mogelijkheden ontnomen, adequaat onder ogen te zien wat er in het leven gebeurt.
Zoals ik u heb laten zien dat enerzijds het zinvolle van het onderwijs om in de mens de kracht om zelfstandig en ook samenhangend te kunnen denken tot ontwikkeling te brengen, waarbij het om concentratie gaat, niet om dat vermaledijde urenrooster, zo zou een werkelijk doordríngen van onze maatschappij met sociale kunst, beginnend in de opvoeding, een juiste wilscultuur tot stand brengen. Want niemand kan zijn wil ontplooien wanneer zijn wil niet ontwikkeld is door een echte kunstzinnige opvoeding. Dit geheim van de samenhang van de kunst met het leven, vooral met het wilselement van de mens, dit te erkennen is een van de allereerste eisen aan een toekomstige psychologische pedagogiek en de totale pedagogiek van de toekomst moet psychologisch zijn. 

Die Erbauer dieser Psychologie werden sogar kaum, so wie die Dinge jetzt stehen, wo alle Psychologie den Leuten ausgetrieben ist, andere Menschen sein können als die Künstler, die noch ein wenig Psychologie in ihren Adern haben, während Psycho­logie sonst aus unserer Bildung verschwunden ist. In der wissenschaft­lichen Bildung ist auch nicht ein Atömchen davon mehr vorhanden. Eine solche Hineinstellung ins Leben, die wäre möglich, wenn wirk­lich einer für alle und alle für einen arbeiten würden, weil dann die Produktionskräfte so angewendet würden, daß die Zeit vorhanden wäre zu solcher Erziehung. Denn viel Humbug, der heute geredet wird, brauchte gar nicht geredet zu werden, wenn man ernst und offen reden wollte, wenn erfüllt würde, was dem Geistesleben auch nur nützen könnte, daß ineinander arbeitet Handarbeit und Geistesarbeit, was in der Zukunft doch angestrebt werden müßte. Dann würde auf der gan­zen Erde, wenn jeder – nun, der Jeder wird es nicht sein können, aber eine gewisse Annäherung an das Ideal kann stattfinden – seinen Teil Handarbeit verrichten würde, kein Mensch mehr als höchstens drei bis vier Stunden am Tage handzuarbeiten brauchen. Eine wenigstens­

De samenstellers van deze psychologie zullen nauwelijks, zoals het er nu uitziet, nu alle psychologie zowat verbannen is, andere mensen kunnen zijn dan de kunstenaars die nog een beetje psychologisch gevoel in hun aderen hebben, terwijl de psychologie uit ons vormingswezen is verdwenen. In de wetenschappelijke vorming is daar geen greintje meer van over. Zo in het leven staan zou mogelijk zijn wanneer daadwerkelijk die ene voor iedereen en iedereen voor die ene zou werken, omdat dan de productiekrachten zo gebruikt zouden worden dat er tijd zou zijn voor een dergelijke opvoeding. Want de vele onzin die er tegenwoordig uitgekraamd wordt, zou helemaal niet gezegd worden wanneer men ernstig en open zou willen spreken, wanneer in vervulling zou gaan wat ook het geestesleven ten goede zou komen, dat het handwerk en het intellectuele werk samengaan, waarnaar in de toekomst toch gestreefd moet worden. Dan zou over de hele wereld, wanneer iedereen – nu ja, het ideale iedereen zal niet gaan, maar een zekere benadering van het ideaal kan plaatsvinden – zijn deel handwerk zou verrichten, geen mens dat meer dan ten hoogste drie tot vier uur per dag zou hoeven te doen.

blz. 141

approxirnative Rechnung ergibt dieses. Was über drei bis vier Stunden hinaus handgearbeitet wird, das bewirken nicht die in der Mensch­heitsentwickelung liegenden Notwendigkeiten, das bewirken – das kann man ohne Emotion, ohne alle Aufregung heute sagen als voll­ständig objektive Tatsache -, das bewirken die unzählig unter uns wandelnden Faulenzer und Rentengenießer. Aber diesen Dingen muß eben ganz notwendig ehrlich und aufrichtig ins Auge geschaut wer­den. Denn die Korrektur dieser Verhältnisse hängt nicht allein davon ab, daß im kleinen da oder dort etwas geändert wird, sondern sie hängt davon ab, daß wir unsere Erziehung, unsere Volkspädagogik so ein­richten, daß die Menschen durch die Erziehung, durch das Schul­wesen, Augenmaß für das Leben bekommen. Heute liegt die Sache so, daß unser Erziehungswesen Menschenpflanzen an die Oberfläche treibt, die nicht das geringste Augenmaß haben für die Dinge, die um uns herum vorgehen. Daher sind alle die Nachrichten, die zum Beispiel von Versailles kommen, so unsinnig, weil niemand ein Urteil darüber hat, welches Gewicht das eine oder das andere hat, aus welchen Motiven heraus das eine oder andere Volk urteilt, was bei dem einen oder anderen Volk aus seiner menschlichen Wesensgrundlage eine Notwendigkeit ist.

Dat blijkt tenminste bij benadering uit een berekening. Wat er meer dan drie à vier uur aan handwerk verricht moet worden, komt niet door wat in de mensheidsontwikkeling noodzakelijk is, dat komt – dat kun je zonder emotie, zonder alle opwinding tegenwoordig zeggen als een volledig objectief feit –  door de luilakken die onder ons zijn. Maar deze dingen moeten toch nodig eerlijk en oprecht onder ogen worden gezien. Want het verbeteren van deze omstandigheden hangt er niet alleen van af of we onze opvoeding, onze volkspedagogie zo vormgeven dat de mens door zijn opvoeding, door de school, geleerd heeft op adequate manier in het leven te handelen.
Tegenwoordig zit het zo dat ons opvoedingswezen menselijke planten kweekt die niet de geringste opmerkingsgave hebben voor de dingen die om ons heen gebeuren. Daarom zijn alle berichten die bijv. uit Versailles komen, zo onzinnig, omdat niemand een oordeel heeft over met welk belang voor het een of het ander, met welke motieven het ene of het andere volk een oordeel velt, wat bij het ene of het andere volk vanuit zijn menselijke wezensgrond een noodzakelijkheid is.

Daher wird man auch nicht verstanden, wenn man über solche Dinge redet. Würde auch nur ein Fünkchen von dem Wesen des dreigliedrigen sozialen Organismus in das menschliche Verständnis einziehen können, so würde man sehen, wie dasjenige, was uns vom Westen droht, die Überflutung alles poli­tischen und Geisteslebens mit dem Wirtschaftsleben ist; wie dasjenige, was vom Osten zu uns dringt, auch aus Rußland heraus, der Aufschrei der Menschheit ist nach Herausrettung des Geisteslebens aus dem Wirtschaftsleben. Zwei Pole stehen sich entgegen, der Westen und der Osten, und wir in der Mitte haben die Aufgabe, auf den Westen hin­zusehen und seine Schäden nicht bei uns aufkommen zu lassen; auf den Osten hinzusehen und dasjenige aus uns selbst zu pflegen, was er uns sonst nicht nach Jahrhunderten, sondern nach Jahrzehnten auf­erlegen muß, weil der Menschheit das auferlegt werden muß, was sie sich nicht selber auferlegt. Wir haben die Aufgabe, hier in der Mitte Europas dasjenige zu pflegen, was nur aus den drei Gliedern des sozialen

Vandaar dat ze je ook niet begrijpen, wanneer je over deze dingen spreekt. Al zou ook maar een sprankje van wat sociale driegeleding is op menselijk begrip kunnen rekenen, dan zou men zien wat ons vanuit het Westen bedreigt, het overspoelen van het gehele politieke en geestelijke leven met het economische; en wat vanuit het Oosten tot ons komt, ook vanuit Rusland, een schreeuw van de mensheid naar de redding van het geestesleven uit het economische.
Twee polen staan tegenover elkaar, het Westen en het Oosten en wij in het midden, hebben de opdracht naar het Westen te kijken en het schadelijke bij ons geen kans te geven; naar het Oosten te kijken en bij onszelf te verzorgen wat het Oosten ons ook niet na eeuwen, maar na decennia moet opleggen, omdat de mensheid opgelegd moet krijgen, wat het zichzelf niet oplegt. Wij hebben de opdracht, hier in het midden van Europa te verzorgen, wat alleen maar uit de drie gebieden van het sociale

blz. 142

Organismus heraus gepflegt werden kann. Würde heute eine Über­macht der Kultur des Ostens entstehen, dann würde die Erde über­schwemmt werden mit nebuloser Mystik, die Erde würde über­schwemmt werden mit wirklichkeitsfremder Theosophie. Würde die Übermacht im Westen entstehen, dann würde die Erde überschwemmt werden, tyrannisiert werden durch das bloße materielle Leben. Diese Aufgabe hätten wir: zwei furchtbare Schädigungen der Menschheit abzuhalten durch eine vernünftige Dreigliederung des sozialen Orga­nismus, dadurch, daß wir das Wirtschaftsleben, das Geistesleben ver­selbständigen und dem Staate die Möglichkeit benehmen, diese Dinge so weit zu treiben, bis von Westen und Osten, über uns zusammen-brechend, unser Untergang kommt.
Ein objektiver Blick nach dem Westen hin ergibt das heute vor allen Dingen, wie sehr man aufmerksam sein müßte auf alles dasjenige, was ausgeht von den romanischen Völkern. 

organisme verzorgd kan worden. Wanneer er nu een overmacht aan Oosterse cultuur ontstaat, dan zou de wereld overspoeld worden met schimmige mystiek, de aarde zou overspoeld worden met een wezensvreemde theosofie. Zou die overmacht in het Westen ontstaan, dan zou de wereld overspoeld worden, getiranniseerd door alleen maar het materiële leven. Deze opdracht hebben wij: twee vreselijk schadelijke stromingen in de mensheid tegen te houden door een verstandige driegeleding van het sociale organisme, door het economische en geestesleven op zichzelf te stellen en de staat de mogelijkheid te ontnemen, deze dingen zo ver te laten komen dat vanuit het Westen en het Oosten over ons losbarstend, onze ondergang komt.
Een objectieve blik naar het Westen leert ons nu vooral hoe zeer je moet letten op alles wat er van de Romaanse volkeren uitgaat.

Denn nichts Gefährlicheres könnte für uns sein, als wenn wir uns Illusionen hingeben würden darüber, daß aus sehr tiefen, tiefen Grundlagen heraus vor allen Din­gen Frankreich an unserem Untergang arbeitet. Wenn wir Frankreich daran verhindern, dann kommen wir über dasjenige, was uns von eng­lischer Seite droht, leicht hinweg. Aber dazu gehört Unterscheidungs­vermögen, ein Augenmaß für die Dinge. Dazu ist vor allen Dingen notwendig die Einsicht, daß, vielleicht mit wenig Ausnahmen, alle diejenigen, die von Deutschland aus – ich weiß nicht, wie man sagen soll, damit man niemand kränkt – heute in Versailles über das Schick­sal Deutschlands verhandeln, nicht weiter als Instrumente verwendet werden für diese Verhandlungen. Das sind Dinge, die eben heute ge­sehen werden müßten ungeschminkt, die heute so gesehen werden müssen, meine lieben Freunde, daß man gar keine Konzessionen auch in seinem inneren Urteil macht. Sieht man das aber heute ein, dann mmmt man durch ein solches Sehen den ersten Impuls auf, den man insbesondere für Volkspädagogik braucht; man sieht, was die bis­herige Volkspädagogik an die Oberfläche getrieben hat an Menschen, die heute Menschenschicksal machen.
Es ist natürlich bequemer, die allertrivialsten Urteile an dasjenige anzugliedern, was hier eigentlich gemeint ist, als ausgehend von den

Want niets kan gevaarlijker voor ons zijn dan wanneer we er ons illusies maken over dat met name Frankrijk vanuit diepe, zeer diepe gronden aan onze ondergang werkt. Wanneer we Frankrijk dit beletten, dan ontsnappen we makkelijker aan wat ons van Engelse zijde bedreigt. Maar daar heb je onderscheidingsvermogen voor nodig, een vermogen om die dingen goed te zien. Daarvoor is vooral het inzicht noodzakelijk dat, misschien met een paar uitzonderingen, dat ieder die namens Duitsland – ik weet niet hoe ik dat moet zeggen, zonder te beledigen – nu in Versailles over het lot van Duitsland onderhandelt – niet meer dan als werktuig gebruikt wordt voor deze onderhandelingen.
Dat zijn de dingen die nu gezien moeten worden, zonder opsmuk, die nu, beste vrienden, zo gezien moeten worden dat men helemaal geen concessies doet, ook niet in zijn eigen diepe oordeel. Als men dat nu maar inziet, dan neemt men daardoor de eerste impuls op die men in het bijzonder nodig heeft voor de volkspedagogie; je ziet wat de volkspedagogie tot nog toe als gevolg heeft bij mensen die tegenwoordig het lot van de mensheid bepalen.
Het is natuurlijk makkelijker de meest triviale oordelen te verbinden aan wat hier eigenlijk wordt bedoeld, uitgaand van de 

blz. 143

Anregungen, die gegeben werden, auf die verschiedenen Menschen­felder zu sehen, damit auf diesen verschiedenen Menschenfeldern das Richtige getroffen werden kann. Als ich vor längerer Zeit in unserem Bau in Dornach gesprochen habe von der Dreigliederung des sozialen Organismus, da verging einige Zeit, und es tauchte nachher auf ein ganz sonderbarer Plan. Als ein groteskes Beispiel, wie die Menschen heute erzogen sind, darf ich vielleicht diesen Plan anführen. Da ist der Bau, an dem Bau beschäftigt einige Menschen, damit verbunden an­dere, die nichts zu tun haben, und die in der Umgebung leben. Über die Dreigliederung des sozialen Organismus wurde gesprochen. Nun entstand in einigen Köpfen, die heute, möchte ich sagen, selbstver­ständliche Idee, man müsse doch irgendwo anfangen. Und man wollte nun irgendwo zu sozialisieren anfangen, indem man in der wüstesten Weise sektiererisch ein kleines Gebiet ins Auge faßt und in diesem kleinen Gebiet die wüstesten Pflanzen der Selbstsucht aufsprießen läßt, und dann sagt, man hat doch irgendwo mit dem Sozialisieren an-gefangen. Also sollte zunächst das, was an Menschentum um den Bau herum gruppiert war, sozialisieren, den dreigliedrigen sozialen Orga­hismus in Szene setzen.

stimulans die gegeven wordt om op de verschillende menselijke terreinen te kijken, zodat daarop dan het juiste gedaan kan worden. Toen ik al een poos geleden in ons gebouw in Dornach over de driegeleding van het sociale organisme had gesproken, verstreek er een bepaalde tijd en toen dook er later een wonderlijk plan op. Als een grotesk voorbeeld van hoe de mens vandaag de dag opgevoed wordt, mag ik dit plan wellicht belichten. Want niets kan gevaarlijker voor ons zijn dan wanneer we er ons illusies maken over dat met name Frankrijk vanuit diepe, zeer diepe gronden aan onze ondergang werkt. Wanneer we Frankrijk dit beletten, dan ontsnappen we makkelijker aan wat ons van Engelse zijde bedreigt.
We hebben het gebouw*, bij het gebouw werkzaam een paar mensen, een paar andere eraan verbonden die niets hebben te doen en die in de omgeving wonen. Er werd over de driegeleding gesproken. Nu ontstond in een paar hoofden het in deze tijd vanzelfsprekende idee dat je toch ergens moet beginnen. En men wilde nu met socialiseren beginnen door op de meest vreselijke manier sektarisch een klein gebied te nemen om het meest vreselijke egoïsme te laten opbloeien om dan te zeggen dat men toch ergens met socialiseren begonnen is. Dus dan zou alles wat aan menselijkheid rondom ons gebouw allereerst moeten socialiseren door het drieledige sociale organisme in scène te zetten. 

Pläne wurden entworfen, wie die Dornacher den dreigliedrigen sozialen Organismus in Szene setzen. Man konnte nichts anderes tun, als den Leuten sagen: Was soll denn das eigentlich heißen? Nehmt einmal an, ihr macht Ernst mit der Sache: Dann käme als erstes die Selbständigkeit des Wirtschaftslebens. Ja, dann müßtet ihr euch natürlich vor allen Dingen Kühe anschaffen und melken und alles dasjenige tun, was scheinbar eine Wirtschaftsoase herbeiführen kann. Und dann könnten, weil mit dieser Wirtschaftsoase nach außen hin in Verbindung stehen müssen andere Menschen, die schönsten Parasiten der Wirtschaft werden, denn jede solche sektiererische Ab­schließung ist nichts anderes als ein Wirtschaftsparasitismus. Man kann in einem geschlossenen Wirtschaftsgebiet drinnen ja nur sozial egoisieren; wenn man etwas ausschließt, so lebt man auf Kosten an­derer. Es ist erst recht der wüsteste Kapitalismus. Und das Rechts-leben: nun, ich möchte sehen, falls ihr ein Gericht einsetzt, wenn einer etwas ausfrißt, und ihm das Urteil sprecht, ich wollte sehen, was dann der schweizerische Staat sagen würde, wenn ihr diese Dreigliederung

Er werden plannen gemaakt hoe de Dornachers de sociale driegeleding in scène zouden zetten. Je kon niets anders doen dan tegen de mensen zeggen: wat betekent dit dan? Neem eens aan dat je de zaak serieus neemt: dan komt als eerste de autonomie van het economische leven. Ja, maar dan zou je natuurlijk ook eerst maar eens koeien moeten kopen en melken en alles doen wat klaarblijkelijk een economische oase dichterbij kan brengen.
En dan zouden, omdat met deze economische oase naar buiten toe andere mensen moeten zijn verbonden, de meest uitgelezen parasieten van de economie ontstaan, want iedere dergelijke sektarische afzondering is niets anders dan een economisch parasitisme. Je kan in een gesloten economisch gebied alleen maar sociaal egoïstisch worden; als je iets buitensluit, leef je ten koste van anderen. Dat is pas het zuivere kapitalisme. En het rechtsleven: nu, ik zou weleens willen zien, voor het geval het gerecht wordt ingezet wanneer iemand iets uitgevreten heeft, dat hem dan veroordeelt; wat de staat Zwitserland dan zegt, als je deze driegeleding

blz. 144

hättet! Und das Geistesleben: seit wrr eine anthroposophische Be­wegung haben, ist gerade für das Geistesleben dasjenige angestrebt worden gegen alle Widerstände, was Unabhängigkeit ist nach allen Seiten hin. Das haben wir getan, solange wir existieren, und ihr seht gar nicht einmal, daß dies gleich in Angriff genommen worden ist. So wenig Verständnis dafür ist da, daß gemeint wird, auch das noch solle eingerichtet werden.Darauf kommt es nicht an, daß heute irgend jemand sagt: Ja, an irgendeinem Punkte muß man doch anfangen. – Mit diesem Anfangen ist zumeist nur ein wüstes kapitalistisches Individualisieren gemeint, und dieses muß ja damit beginnen, daß man zunächst kapitalistisch eine solche Kolonie begründet. Damit ist man ganz ferne von dem, was mit den wirklich sozialen Gedanken gemeint sein kann. Aber damit soll nicht eine Kritik über den Einzelnen ausgeübt werden; denn ich bin der letzte, der verkennt, welche Schwierigkeiten der Ein­zelne hat, wenn er sich heute hineinversetzen soll in die großen Auf­gaben der Zeit. Aber etwas anderes möchte ich damit an Ihr Herz legen: sich nicht in Illusionen zu wiegen, sondern wenn Sie eben kapi­talistisch individualisieren wollen, so gestehen Sie es sich ein. Sie sind aus den heutigen Verhältnissen heraus genötigt, noch kapitalistisch zu individualisieren zu Ihrer Wohlfahrt. 

zou hebben! En het geestesleven: sinds we een antroposofische beweging hebben, is er voor het geestesleven juist naar gestreefd tegen alle weerstand in, naar wat in elke richting onafhankelijkheid is. Dat hebben we gedaan, zolang we bestaan en jullie zien niet eens dat dit meteen aangevallen werd. Er is zo weinig begrip voor dat men denkt dat dit nog gedaan moet worden. Maar het komt er niet op aan dat nu iemand zegt: maar ergens moeten we toch beginnen. Met dit begin is meestal een zuiver kapitalistisch individualiseren bedoeld en dat moet er wel mee beginnen dat men eerst kapitalistisch zo’n kolonie sticht. Daarmee staat men heel ver van alles wat met werkelijk sociale gedachten bedoeld kan zijn. Maar hiermee wordt geen kritiek gegeven op een enkeling, want ik ben de laatste die miskent welke moeilijkheden de enkeling heeft, wanneer hij zich nu in de grote opgaven van de tijd moet verplaatsen. Maar nog iets anders zou ik u hiermee aan het hart willen leggen: niet mee te wiegen op illusies, maar wanneer u zelf kapitalistisch zou willen individualiseren, geef eraan toe. Door de huidige omstandheden bent u gedwongen om voor uw welvaart nog kapitalistisch te  individualiseren.

Gestehen Sie sich bitte die Wahr­heit, denn Wahrheit wird dasjenige sein, von dem auch wirklich alles soziale Leben wird ausgehen müssen. Wahrheit sollte nicht einmal in den Sätzen verleugnet werden. Man sollte vor die Menschheit auch nicht einmal in der Formulierung von Sätzen hintreten mit einer Un­wahrheit.Es geht ja heute durch die Lande der Ruf: Unentgeltlichkeit des Schulwesens. – Ja, was soll denn das überhaupt heißen? Es könnte doch nur der Ruf durch die Lande gehen: Wie sozialisiert man, damit ein jeder die Möglichkeit hat, seinen gerechten Beitrag zum Schulwesen zu schaffen? Unentgeltlichkeit des Schulwesens ist ja nichts weiter als eine soziale Lüge, denn entweder verbirgt man dahinter auf der einen Seite, daß man erst einer kleinen Clique den Mehrwert in die Tasche liefern muß, damit die ihr Schulwesen gründet, durch das sie die Men­schen beherrscht, oder man streut allen Sand in die Augen, damit sie

Geef a.u.b. de waarheid toe, want waarheid zal datgene zijn van waaruit daadwerkelijk heel het sociale leven uit moet gaan. De waarheid zou in uitspraken geen enkele keer verloochend moeten worden. Men zou voor de mensheid geen enkele keer moeten verschijnen met onware formuleringen.
Tegenwoordig klinkt door het land de roep: het onderwijs moet kosteloos zijn. Maar wat betekent dat dan? Door het land kan toch alleen maar de roep klinken: hoe moet je socialiseren zodat iedereen de mogelijkheid heeft zijn wettelijke bijdrage aan het onderwijs op te brengen. Kosteloos onderwijs is niets meer dan een sociale leugen, want of daarachter verbergt men enerzijds dat men eerst de meerwaarde van dat geld naar een kleine groep toeschuift zodat die de scholen kan stichten waardoor die groep de mensen overheerst of men strooi iedereen zand in de ogen zodat zij

blz. 145

nur ja nicht wissen, daß unter den Pfennigen, die sie aus dem Porte­monnaie nehmen, auch diejenigen sein müssen, von denen die Schulen unterhalten werden. In der Formulierung unserer Sätze müssen wir schon so gewissenhaft sein, daß wir nach Wahrheit streben.
Die Aufgabe ist groß, aber die Größe der Aufgabe sollte sich jeder vor Augen halten. Dasjenige, was in der Anthroposophie als Ideal hingestellt worden ist innerhalb einer kleinen Bewegung seit Jahr-zehnten, das, meine lieben Freunde, kann ja natürlich nicht jeder er­füllen: der eine hat Rücksicht zu nehmen auf sein Amt, der andere auf seine Frau, die andere auf ihren Mann, der andere hat Rücksicht zu nehmen auf die Erziehung seiner Kinder. Das müßte rücksichtslos jeder sich gestehen, damit er einen Überblick darüber erhält, wie wenig er dem nachkommt, um was es sich handelt.

dus niet weten dat er van de munten die ze uit hun portemonnee nemen er ook bij zitten die de scholen moeten onderhouden. In het formuleren van onze uitspraken moeten we al zo gewetensvol zijn, dat we naar de waarheid streven.
De opdracht is groot, maar de omvang moet ieder voor ogen staan. Wat in de antroposofie  sinds decennia als ideaal gesteld wordt binnen een kleine beweging, dat, beste vrienden, kan natuurlijk niet iedereen voor elkaar krijgen: de een moet rekening houden met zijn beroep, de andere met zijn vrouw, of met haar man, de andere weer met de opvoeding van de kinderen. Dat moet iedereen zonder pardon toegeven, zodat hij kan overzien hoe weinig hij na kan komen van waarom het gaat.

Denn das anthroposo­phische Ideal ist ja ein solches, daß es die Einsetzung des ganzen Men­schen notwendig macht. Das können ja heute viele nicht. Aber sie sollen sich nicht die Illusion, den Nebel vormachen, daß sie nun schon genug getan haben, sondern sie sollen sich die Wahrheit über sich selbst gestehen. Aber auf der anderen Seite sollen sie durchdrungen sein davon, daß es heute ums Stehen oder Fallen geht, gerade bei der Pflege eines wirklich kulturgemäßen Geisteslebens. Und niemand kann über dasjenige, was dem Geistesleben und damit dem sozialen Leben notwendig ist, zu richtigen Anschauungen kommen, der es nicht wagt, mutig sich zu gestehen: Der Radikalismus muß bis in die Abänderung des verruchten Stundenplanes, bis in manche Kleinigkeiten hinein gehen; denn aus diesen Kleinigkeiten heraus entwickeln sich jene Schneebälle, welche dann zu Lawinen anwachsen, die heute als die großen Kulturschäden da sind.
Das bitte ich zu bedenken. Davon wollen wir dann ein nächstes Mal weiter sprechen.

Want het antroposofische ideaal is zo, dat het de inzet van de hele mens noodzakelijk maakt. Dat kunnen velen vandaag niet. Ze moeten echter niet de illusie koesteren, zich in nevelen hullen, dat ze nu al genoeg gedaan hebben, maar ze moeten de waarheid over zichzelf toelaten. Aan de andere kant echter moeten ze ervan doordrongen zijn dat het nu gaat om vallen en opstaan, met name bij het verzorgen van een werkelijk cultuurgericht geestesleven. En niemand kan over wat voor het geestesleven en daarmee voor het sociale leven nodig is, tot goede opvattingen komen, die niet moedig durft te zijn de waarheid onder ogen te komen: een radicale houding is nodig tot aan de verandering van dat onmogelijke urenrooster aan toe, tot in vele kleinigheden aan toe; want uit deze kleinigheden hebben de sneeuwballen zich ontwikkeld, die zijn aangegroeid tot lawines, waarvan we nu de schadelijke werking zien.
Ik vraag u dat eens te overdenken. Een volgende keer zullen we er nog verder over spreken.
.
*(Duits: Der Bau), bedoeld wordt het Goetheanum
.

[1] GA 192
[2] GA 192 voordracht 6 (Duits)
[3] De kernpunten

.

Rudolf Steiner over pedagogie(k)alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 302)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 302

voordracht 3

blz. 52

Wenn wir den Menschen, der schließt, den Menschen, der also sich betätigt, sehen, wie er drinnensteht in der ganzen Welt, nicht sich herauslöst durch den Kopf aus der Welt, wenn wir diesen Menschen uns vergegenwärtigen, so ist er eigentlich ohne den Raum gar nicht denkbar. Der Raum gehört zu diesem Menschen dazu. Er ist ein Glied in der räumlichen Welt, insofern er ein Beine und Füßemensch ist.
Und wenn wir das räumlich betrachten, dann ist es in gewisser Weise für unseren astralischen Leib ein Sich auf die Beine Stellen, wenn wir Geographie mit dem Kinde treiben. Es wird tatsächlich der astralische Leib unten mächtiger und dichter. Wir treiben das Räumliche, und wir verdichten daher das Geistig-Seelische des Menschen nach dem Boden hin. Mit anderen Worten: Wir bringen den Menschen zu einer gewissen Festigung in sich gerade dadurch, daß wir recht anschaulich das Geographische betreiben, aber diese Geographie so betreiben, daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen, daß der Niagara nicht an der Elbe liegt, sondern daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen: wieviel Raum liegt zwischen Elbe und Niagara.Wenn wir das wirklich anschaulich betreiben, dann stellen wir den Menschen in den Raum hinein, wir bilden insbesondere dasjenige in ihm aus, was ihm ein Weltinteresse beibringt, und das wird sich in der verschiedensten Weise in der Wirkung zeigen. Ein Mensch, mit dem wir verständig Geographie treiben, steht liebevoller seinem Nebenmenschen gegenüber als ein solcher, der nicht das Daneben-im-Raum erlernt. Er lernt das Danebenstehen neben den anderen Menschen; er berücksichtigt die anderen. Diese Dinge gehen stark in die moralische Bildung hinüber, und das Zurückdrängen der Geographie bedeutet nichts anderes als eine Aversion gegen die Nächstenliebe, die sich in unserem Zeitalter immer mehr und mehr zurückdrängen lassen mußte.
Man merkt solche Zusammenhänge nicht, aber sie sind vorhanden. Denn es wirkt immer eine gewisse unterbewußte Vernunft oder Unvernunft in den Erscheinungen des Zivilisationslebens.

Als we de mens die conclusies trekt, die dus actief is, zien zoals hij in de wereld staat, en niet zoals hij zich door zijn hoofd van de wereld losmaakt, als we ons die mens voor de geest halen, dan is die eigenlijk helemaal niet denkbaar zonder de ruimte. De ruimte hóórt bij die mens. Hij is een deel van de ruimtelijke wereld voor zover hij benen- en voetenmens is. En als we het ruimtelijk bekijken, dan is het voor ons astrale lichaam in zekere zin een met-de-voeten-op-de-grond-gaan-staan wanneer we met de kinderen aardrijkskunde doen. Het astrale lichaam wordt inderdaad van onderen steviger en dichter. We gaan om met het ruimtelijke en daardoor verdichten we het geestelijk-psychische van de mens naar de grond toe.
Met andere woorden: we brengen de mens tot een zekere verste­viging in zichzelf doordat we op aanschouwelijke wijze aardrijks­kunde geven; aardrijkskunde wel zó dat we steeds het bewustzijn wekken dat de Niagarawatervallen niet in de Elbe liggen, maar dat we altijd een bewustzijn wekken voor de hoeveelheid ruimte die er tussen de Elbe en de Niagara ligt.
Als we dat echt aanschouwelijk doen, dan plaatsen we de mens in de ruimte, dan ontwikkelen we bij hem vooral dat wat zijn interesse voor de wereld opwekt; en dat zal op de meest uiteenlo­pende manieren tot uiting komen. Een mens die we met verstand van zaken aardrijkskunde bijbrengen, staat liefdevoller ten opzichte van zijn medemens dan iemand die het naast-elkaar-in-de-ruimte niet leert kennen. Hij leert naast de andere mensen te staan, hij houdt rekening met de anderen. Deze dingen raken sterk de morele ontwikkeling; het verdringen van de aardrijkskunde* betekent niets anders dan afkeer van de naastenliefde, die zich in onze tijd steeds meer heeft moeten laten verdringen. Men merkt dergelijke samen­hangen niet, maar ze zijn er wel degelijk. Want in de verschijnselen van onze cultuur werkt steeds een bepaald onderbewust verstand of onverstand door.
GA 302/52
vertaald/51-52

*Even tevoren heeft Steiner een opmerking gemaakt over hoe men in die tijd (1921) en daarvoor, over aardrijkskunde dacht:

Sehen Sie, da wirken manchmal merkwürdige Dinge; sie werden nicht beobachtet und sie gehören doch zu den kulturgeschichtlich aller- wichtigsten Dingen. Wir haben eine Zeit gehabt, so im letzten Drittel des 19. Jahrhunderts, da ist der Geographieunterricht gegenüber dem Geschichtsunterricht eigentlich in den Lehrplänen etwas zurückgedrängt worden. Man hat ja auch immer die Geographie bei den Lehrbefähigungsprüfungen an irgend etwas angehängt. Sie ist weniger berücksichtigt worden. Entweder der Geschichtslehrer bekam sie ange hängt, oder in gewissen Gegenden wurde sie an den Naturgeschichtsunterricht angehängt. Die Geographie ist tatsächlich eine Zeitlang zurückgedrängt worden. 

Weet u, er zijn soms merkwaardige dingen in het spel; ze worden niet opgemerkt en toch behoren ze cultuurhistorisch tot de allerbe­langrijkste dingen. Er is een tijd geweest, rond het laatste derde deel van de 19e eeuw, waarin het aardrijkskundeonderwijs in het leer­plan enigszins is teruggedrongen ten opzichte van het geschie­denisonderwijs. Men heeft immers ook de aardrijkskunde bij de bevoegdheidsexamens voor het onderwijs altijd ergens aan ge­koppeld. Het vak werd minder voor vol aangezien. Ofwel de geschiedenisleraar kreeg het als aanhangwagen, ofwel – in bepaalde streken – viel het onder de natuurlijke historie. Aardrijkskunde is werkelijk een tijd lang teruggedrongen.
GA 302/51
vertaald/51

.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 2 (2-2-2)

.

Enkele gedachten bij blz. 35-38 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

antipathie, geheugen en begrip

Op bladzijde 38 staat een schema dat Steiner destijds op het bord zette:

 

 

 

 

 

 

In [2-3-2]  ging het over de fantasie. Dat Steiner dit in het rijtje zet bij het willen en de sympathie is makkelijk te begrijpen. Ik merkte op: als je ergens warm voor loopt, er enthousiast voor bent, betekent dit, dat je er sympathie voor hebt, het graag wil. Je kan dit ook wel omkeren: je sympathie voor iets veroorzaakt warmtegevoelens in je ziel, je beleving, misschien mag je zelfs zeggen: de sympathie is de zielenwarmte. 
En na de uitleg dat ziel en geest zich ook fysiek manifesteren [2-5] neem je al in je overpeinzingen mee dat aan deze warmte van de ziel, ook de lichaamswarmte verwant is. De wil – vanuit een andere optiek gezien, verbonden aan de ledematen en de stofwisseling – heeft de warmte nodig om zich te kunnen manifesteren. Dat geldt voor de zielenwarmte, maar ook voor de fysieke warmte. Met steenkoude handen kun je vrijwel niets ten uitvoer brengen. Koude voeten houden je wakker. Het warme bloed vindt daar moeilijk toegang en remt de activiteit af. Dat is a.h.w. tegen de natuur. 
Een gezegde uit de volksmond luidt: ‘hoofd koel, voeten warm’. De taal is ook hier weer leermeester: heethoofdig moet iemand niet zijn; het bloed hoort daar niet zo; niet te veel warmte: geen verhitte koppen! En ‘met bloed doorlopen ogen’ heeft iets afschrikwekkends. 
Ook uit eigen ervaring weten we dat warmte/hitte niet bevorderlijk is voor een juiste studie-omgeving. Hoe vaak hebben we geen boeken meegenomen om in de zomervakantie nog wat te studeren en hoe weinig is daarvan gekomen. Warmte en wakkerheid gaan niet zo gemakkelijk samen; koude en slaap ook niet.
En we hebben ook vrijwel allemaal de ervaring dat we het van studeren, blokken, veel met het hoofd werken, lang achter de pc zitten, koud krijgen. Geen heet hoofd met rode wangen: integendeel: kouwelijk en bleek. De ‘kamergeleerde’ stellen we ons niet voor als een blozend iemand! “Theoreticus’, zegt het woordenboek, ‘weinig contact met het praktische leven’. Met het doen, zouden wij zeggen, dus met de wil.
We moeten ons wél steeds voor ogen houden dat het denken enerzijds de spiegelende activiteit is, van het na-denken, ik beschreef dat aan het begin van [2-3-2] en anderzijds het ‘vooruit’denken. 

Het is een open deur: wat we nog niet ‘vooruit’gedacht hebben, kunnen we ons niet ‘vooruit’herinneren. Je iets herinneren kan alleen wanneer dit iets heeft plaatsgevonden, er al geweest is. In het rijtje dat Steiner geeft, kan het herinneren niet weggelaten worden: wat we ooit hebben geleerd, geweten, hebben leren kennen is ons geestelijk eigendom en we kunnen er weer overbeschikken als we het ons herinneren, ‘voor de geest roepen’. 

Voor ons mensen zijn ‘geheugen, herinneren en herinnering’ moeilijk te doorgronden verschijnselen. Wat is het, hoe komt tot tot stand, als we iets vergeten, waar blijft het; waarom onthouden kleine kinderen bepaalde dingen zo goed (zodat je altijd verliest met memory), waarom vergeten we als ouderen steeds meer van het heden; kunnen we iets doen waardoor we minder snel vergeten; en voor ons als pedagogen; hoe leren we de kinderen iets, zodat ze het ook, goed en makkelijk, onthouden. Wat voor raadselachtigs geeft ons de taal op: ‘onder de knie krijgen’, ‘uit het hoofd leren – o.a. in het Engels en Frans: ‘leren met het hart’; ‘er niet óp kunnen komen, te binnen schieten‘, het ‘kwijt‘ zijn; ‘het ligt op mijn tong, maar komt niet over mijn lippen’; ‘ik kan het (net niet) pakken; je kan je geheugen opfrissen, pijnigen; je kan er iets inprenten, ingriffen; daar? kan het lang bljven: een geheugen als een ijzeren pot; of juist niet: als een zeef.

Mensen die zich iets moeten herinneren, maar niet kunnen, kijken vaak wat omhoog, ze fronsen hun wenkbrauwen, rimpels verschijnen op het voorhoofd en of ze maken met hun hand(en) wat korte, ronddraaiende bewegingen. Waarom? En dan is er nog het fenomeen dat door te gaan lopen, herinneringen soms weer makkelijker opkomen; en waarom doet geur wat met herinneringen. Kortom: vele vragen.

Daar is veel studie naar verricht, met ook vele uitkomsten, die elkaar enerzijds ondersteunen, anderzijds weer tegenspreken. [artikelen over het geheugen]

Wanneer we in deze tweede voordracht blijven en we realiseren ons dat ‘na’denken en daarmee voorstellingen vormen, een ‘oude’ activiteit is, waarbij er ‘gespiegeld’ wordt en dat voor dit spiegelen antipathie nodig is, is ook begrijpelijk dat voor een spiegeling die moeilijker tot stand komt, meer antipathie nodig is. 

Wanneer we naar iets kijken dat ons niet bevalt, trekken we ook vaak rimpels in ons voorhoofd, onze ogen beginnen wat meer te kieren en dit is een gevolg op dat gevoel van ‘het bevalt mij niet’, waarbij een toenemende antipathie te bespeuren valt.
Misschien is die fronsende blik – het bedenkelijk kijken – een kleine verhoging van de antipathiekracht in ons als we proberen een herinneringsbeeld te laten ontstaan. 

Steiner nog eens over de antipathie i.v.m. het voorstellen:

Wir entwickeln in uns die Gefühlswelt, die ein fortwährendes Wechselspiel – Systole, Diastole – zwischen Sympathie und Antipathie ist. Dieses Wechselspiel ist fortwährend in uns. Die Antipathie, die nach der einen Seite geht, verwandelt fortwährend unser Seelenleben in ein vorstellendes; die Sympathie, die nach der anderen Seite geht, verwandelt uns das Seelenleben in las, was wir als unseren Tatwillen kennen, in das Keirnhafthalen dessen, was nach dem Tode geistige Realität ist. Hier komnen Sie zum realen Verstehen des geistig-seelischen Lebens: wir schaffen den Keim des seelischen Lebens als einen Rhythmus von Sympathie und Antipathie.
Was strahlen Sie nun in der Antipathie zurück? Sie strahlen Das ganze Leben, das Sie durchlebt, die ganze Welt, die Sie vor der Geburt beziehungsweise vor der Empfängnis durchlebt haben, zurück. Das hat im wesentlichen einen erkennenden Charakter. Also Ihre Erkenntnis verdanken Sie eigentlich dem Hereinschauen, dem Hereinstrahlen Ihres vorgeburtliehen Lebens.
Und dieses Erkennen, das in weit höheren- Maße vorhanden ist, als Realität vorhanden ist vor der Geburt oder der Empfängnis, wird abgeschwächt zum Bilde durch die Antipathie. Daher können wir sagen: Dieses Erkennen begegnet der Antipathie und wird dadurch abgeschwächt zum Vorstellungsbild.

We ontwikkelen in ons de gevoelswereld, die een voortdurende wisselwerking is van sympathie en antipathie — systole en diastole. Deze wisselwerking is voortdurend in ons aanwezig. De antipathie, die de ene richting uitgaat, brengt ons ziele-leven voortdurend tot voorstellingen; de sympathie, die de andere richting uitgaat, verandert ons zielenleven in hetgeen we als wil kennen, en houdt in kiemvorm wat geestelijke realiteit is na de dood. Hiermee komt u tot een werkelijk inzicht in het leven van geest en ziel: we scheppen de kiem van het zielenleven als een ritme van sympathie en antipathie. Wat straalt u nu in de antipathie terug? U straalt uw hele leven van voor de geboorte respectievelijk de conceptie, de hele wereld die u toen meegemaakt heeft, terug. Dat heeft hoofdzakelijk het karakter van kennen. Uw kennis heeft u dus eigenlijk te danken aan het feit dat uw leven voor de geboorte doorstraalt, doorwerkt tot in uw leven nu. En deze kennis, die in veel grotere mate als realiteit bestaat voor de geboorte of conceptie, wordt door de antipathie afgezwakt tot een beeld. Derhalve kunnen we zeggen: deze kennis stuit op de antipathie en wordt daardoor afgezwakt tot een voorstellingsbeeld.

Als de antipathie sterker wordt:

Wenn die Antipathie nun genügend stark wird, dann tritt etwas ganz Besonderes ein. Denn wir könnten auch im gewöhnlichen Leben nach der Geburt nicht vorstellen, wenn wir es nicht doch auch mit derselben Kraft in gewissem Sinn täten, die uns geblieben ist aus der Zeit vor der Geburt. Wenn Sie heute als physische Menschen vorstellen, so stellen Sie nicht mit einer Kraft vor, die in Ihnen ist, sondern mit der Kraft aus der Zeit vor der Geburt, die noch in Ihnen naehwirkt. Man meint vielleicht, die habe aufgehört mit der Empfängnis, aber sie ist noch immer tätig, und wir stellen vor mit dieser Kraft, die noch immer in uns hereinstrahlt. Sie haben das Lebendige vom Vorgeburtlichen fortwährend in sich, nur haben Sie die Kraft in sich, es zurückzustrahlen. Die begegnet Ihrer Antipathie. Wenn Sie nun jetzt vorstellen, so begegnet jedes solche Vorstellen der Antipathie, und wird die Antipathie genügend stark, so entsteht das Erinnerungsbild, das Gedächtnis, so daß das Gedächtnis nichts anderes ist als ein Ergebnis der in uns waltenden Antipathie. Hier haben Sie den Zusammenhang zwischen dem rein Gefühlsmäßigen noch der Antipathie, die unbestimmt noch zurückstrahlt, und dem bestimmten Zurückstrahlen, dem Zurückstrahlen der jetzt noch bildhaft ausgeübten Wahrnehmungstätigkeit im Gedächtnis. Das Gedächtnis ist nur gesteigerte Antipathie. Sie könnten kein Gedächtnis haben, wenn Sie zu Ihren Vorstellungen so große Sympathie hätten, daß Sie sie «verschlucken» würden; Sie haben Gedächtnis nur dadurch, daß Sie eine Art Ekel haben vor den Vorstellungen, sie zurückwerfen – und dadurch sie präsent machen. Das ist ihre Realität.

Wanneer de antipathie nu sterk genoeg wordt doet zich iets heel bijzonders voor. Wij zouden ons namelijk ook in het ge­wone leven na de geboorte geen voorstellingen kunnen vormen, wanneer we dat niet in zekere zin toch ook met dezelfde kracht zouden doen die we hebben overgehouden uit de tijd voor de geboorte. Wanneer u zich als fysiek mens voorstellingen maakt, dan doet u dat niet met een kracht die in u is, maar met de kracht uit de tijd voor de geboorte die nog in u nawerkt. Men meent wellicht dat die kracht zijn werking verliest bij de con­ceptie, maar die is nog steeds werkzaam; ons voorstellen ge­beurt met die kracht die nog steeds in ons doorstraalt. U heeft het leven van voor de geboorte voortdurend in u, maar u heeft ook de kracht in u om het terug te stralen. Die kracht ontmoet uw antipathie. Wanneer u zich nu voorstellingen maakt dan ontmoet dit proces iedere keer de antipathie, en wordt de anti­pathie sterk genoeg dan ontstaat het herinneringsbeeld, het geheugen, zodat het geheugen niets anders is dan het resultaat van de in ons werkende antipathie. Hier heeft u het verband tussen het nog louter gevoelsmatige van de antipathie — die nog niet gericht terugkaatst – en het gerichte terugkaatsen, het terugstralen van de waarnemingsactiviteit die nu nog met beeldkarakter in het geheugen ontplooid wordt. Het geheugen is slechts geïntensiveerde antipathie. U zou geen geheugen kunnen hebben, wanneer u zo grote sympathie zou koesteren voor uw voorstellingen dat u ze zou ‘opslokken’; u heeft alleen een geheugen doordat u een soort afkeer heeft van de voorstel­lingen, ze terugkaatst – en ze daardoor aanwezig doet zijn. Dat is hun realiteit.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37

Hierboven zei ik dat het niet mogelijk is herinneringen te hebben aan iets wat nog moet komen. Maar ook wanneer we iets beleven, hebben we daar op dat ogenblik nog geen herinneringen aan. Vooral nog niet als we helemaal op gaan in deze beleving. Pas als we er afstand van kunnen nemen, kunnen de herinneringen, de herinneringsbeelden ontstaan. In het water zwemmend  hebben we al snel geen bewustzijn, geen weet meer van de temperatuur die – toen we er in sprongen, voor ons gevoel best laag was; uit het water, op de kant, voelen we hoe ‘lekker’ het water eigenlijk aanvoelde. Bijna letterlijk tegenover het water staand, herinneren we ons hoe het was.

Op een bepaalde manier komt Steiner nu ook bij ‘begrip’ uit:

Wenn Sie diese ganze Prozedur durchgemacht haben, wenn Sie bildhaft vorgestellt haben, dies zurückgeworfen haben im Gedächtnis und das Bildhafte festhalten, dann entsteht der Begriff. Auf diese Weise haben Sie die eine Seite der Seelentätigkeit, die Antipathie, die zusammenhängt mit unserem vorgeburtlichen Leben.

Wanneer u deze hele procedure doorlopen heeft, wanneer u in een beeld een voorstelling heeft gevormd, deze heeft terug­gekaatst in het geheugen en het beeld van de voorstelling vast­houdt, dan ontstaat het begrip. Op deze wijze functioneert de ene kant van de ziele-activiteit, de antipathie, die verband houdt met ons leven voor de geboorte.

Wie der Begriff aus dem Gedächtnis, so geht aus der Phantasie die Imagination hervor, welche die sinnlichen Anschauungen liefert. Die gehen aus dem Willen hervor.

Precies zoals uit de antipathie het geheugen ontstaat, ont­staat uit de sympathie de fantasie.
GA 293/35-36
Vertaling/36-37

Op vele plaatsen heeft Steiner – uiteraard vanuit vele invalshoeken – gesproken over herinnering en geheugen.

In een apart artikel zullen zijn opmerkingen daarover worden weergegeven.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.