VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 297 – voordracht 8

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER

BASISGEDACHTEN EN PRAKTIJK VAN DE VRIJESCHOOL

9 voordrachten, een bespreking en vragenbeantwoording tussen 24 augustus 1919 en 29 december 1920 in verschillende plaatsen [1]

GA 297: vertaling
Inhoudsopgave   voordracht   [1]   [2]  [3] [4]  [5]  [6]  [7]
vragenbeantwoording bij de 5e vdr.;  vragenbeantwoording bij de 6e vdr.
bespreking van pedagogisch-psychologische vragen

.
Pedagogisch-didactische Kunst und die Waldorfschule,
Dornach 8 september 1920
.

blz. 197

Zuerst darf ich Ihnen, die Sie erschienen sind als die Lehrerschaft unserer nächsten nachbarlichen Umgebung, meine herzliche Freu­de ausdrücken, und ich bin überzeugt davon, daß diejenigen, die tätig Anteil nehmen an unserem Goetheanum und allem, was damit zusammenhängt, mit mir voll übereinstimmen, wenn ich Sie im Namen dieses Goetheanums und seiner Arbeitenden heute herz­lichst begrüße und Ihnen ausspreche, daß wir uns außerordentlich freuen, Sie hier zu Gaste zu haben.
Es ist der Wunsch ausgesprochen worden, daß ich vor unserer eurythmischen Aufführung einiges gerade von dem bespreche, was sich im Gefolge unserer geisteswissenschaftlichen Bestrebungen für die pädagogische Kunst und für das Schulwesen ergibt und zum Teil auch schon praktisch ergeben hat. Vorher aber lassen Sie mich noch eine allgemeinere Bemerkung machen.
Sehen Sie, dasjenige, was hervorgehen soll auch in pädagogischer Beziehung und in didaktischer Hinsicht aus unserer anthropo­sophisch gemeinten Geisteswissenschaft, das hat ja im Grunde ge­nommen heute noch wenig wirklich verständnisvolle Vertreter in der Welt;

Pedagogisch-didactische kunst en de vrijeschool

Eerst mag ik aan u die hier naartoe bent gekomen als de lerarengroep uit onze directe naburige omgeving, mijn hartelijke vreugde tot uitdrukking brengen en ik ben ervan overtuigd dat degenen die actief zijn bij ons Goetheanum en alles wat ermee samenhangt, het met mij eens zullen zijn als ik u uit naam van dit Goetheanum en zijn medewerkers vandaag hartelijk welkom heet en tot u uitspreek dat wij buitengewoon verheugd zijn u hier als gast te hebben.
De wens is uitgesproken dat ik voor onze euritmische opvoering iets bespreek van wat het gevolg is van wat we met onze geesteswetenschap nastreven voor de pedagogische kunst en voor de school en wat al een praktisch resultaat heeft. Maar laat me vooraf nog een algemenere opmerking maken.
Ziet u, datgene wat ook in pedagogisch en didactisch opzicht het gevolg moet zijn van onze antroposofisch bedoelde geesteswetenschap, heeft vandaag de dag in wezen nog weinig begripsvolle vertegenwoordigers in de wereld; 

es hat umso mehr verständnislose Gegner und ebenso viele Leute, die sich gegenüber solchen Bestrebungen aus dem heu­tigen allgemeinen seelischen Schlafzustande der Menschheit heraus gleichgültig verhalten. Aber gerade in der allerletzten Zeit sind Dinge geschehen, die immerhin hier als, ich möchte sagen Kennzei­chen zu betrachten erlaubt sein wird, als Kennzeichen, wie auf der einen Seite sozusagen durch einsame Persönlichkeiten aus der gan­zen Breite unseres Zivilisationslebens heraus der Ausblick gerade auf dasjenige eröffnet wird, was von diesem Goetheanum-Bau in Dornach aus geschehen soll. Ich muß es doch als eine wichtige, wenn auch nur symptomhafte Tatsache bezeichnen, daß der gerade uns ja so wohlbekannte alte Professor Spitta in Tübingen, der in

maar er zijn des te meer inzichtsloze tegenstanders en eveneens mensen die t.o.v. een dergelijk streven, vanuit de huidige algemene slaaptoestand van de ziel van de mensheid daar onverschillig tegenover staan. Maar juist de allerlaatste tijd zijn er dingen gebeurd die in elk geval hier als teken mogen worden opgevat, als een teken hoe aan de ene kant door persoonlijkheden uit het heel brede spectrum  van onze beschaving die elkaar niet kennen met name de ogen geopend worden voor wat vanuit dit Goetheanum in Dornach moet gebeuren. Ik moet het toch als een belangrijk, ook alleen al als een symptomatisch feit noemen, dat juist de ons zo bekende oude professor Spitta* in Tübingen, die in

*Heinrich Spitta, «1849, filosofieprofessor in Tübingen. Werk: »De slaap- en droomtoestanden van de menselijke ziel», Tübingen 1878; »Inleiding in de psychologie als ‘wetenschap’», 1886.

blz. 198

diesen Tagen seine Lehrtätigkeit beschlossen hat, seine letzte Vor­lesung so gehalten hat, daß sie gipfelte in einer Besprechung der eminentesten geisteswissenschaftlichen Wahrheit: der Wahrheit der wiederholten Erdenleben. Aber nicht so sehr, daß dieser Universi­tätslehrer in dem feierlichen Augenblicke des Abschlusses seiner Universitätslaufbahn dasjenige noch einmal bekannt hat, was er ja eigentlich sein ganzes Leben vertreten hat – das scheint mir nicht einmal so bedeutungsvoll zu sein wie das andere, daß er gerade bei dieser Vorlesung gesagt hat: Meine Herren, erfassen Sie einmal, was es für das menschliche Erkennen und vor allen Dingen für das menschliche Tun in der Zukunft bedeuten würde, wenn diese Anschauung eine weitere Verbreitung finden würde. – Es ist ein bedeutsames Kennzeichen eines in der Wissenschaft, in der Philo­sophie der Gegenwart altgewordenen Mannes, wenn er mit einem solchen Bekenntnis seine Lehrtätigkeit abschließt! Denn man kann sich ja vorstellen, daß gerade auf eine solche Persönlichkeit die furchtbaren Ereignisse der Zeit einen ganz tiefen Eindruck gemacht haben und daß gerade eine solche Persönlichkeit aus dem einsamen Denken heraus das Bedürfnis fühlt, zu sagen, was der heute im Niedergang begriffenen Menschheit vom Geiste, von der Seele aus aufhelfen könnte, was wiederum zu einem Aufbau führen könnte.

deze dagen zijn college-activiteit beëindigd heeft, zijn laatste college zo heeft gegeven dat die uitmondde in een bespreking van de meest eminente geesteswetenschappelijke waarheid: de waarheid van de opeenvolgende aardelevens. Maar niet zozeer dat deze universiteitsdocent op het feestelijke ogenblik van zijn afscheid van zijn universiteitsloopbaan nog een keer onderschreef waarvoor hij eigenlijk zijn hele leven stond – dat lijkt mij niet eens zo belangrijk als dat andere, dat hij juist bij dit college zei: Heren, probeert u eens te begrijpen wat het voor het menselijk kennen en vooral voor de menselijke activiteit zou betekenen, wanneer dit gezichtspunt een grotere verspreiding zou vinden.
Het is een belangrijk signaal van een in de wetenschap, in de moderne filosofie oudgeworden man, wanneer hij met zo’n verklaring zijn collegewerk afsluit! Want je kan je wel voorstellen dat juist op zó’n persoonlijkheid de vreselijke gebeurtenissen van de tijd een heel diepe indruk gemaakt hebben en dat juist zo’n persoonlijkheid vanuit een denken waarin hij alleen staat, de behoefte voelt te zeggen, hoe de mensheid die deel uitmaakt van de huidige neergang vanuit de geest, vanuit de ziel geholpen zou kunnen worden, wat weer tot opbouw zou kunnen leiden.

Sehen Sie, das ist von der einen Seite dasjenige, was ich sagen möchte: überall, wo es erkennende, fühlende Seelen gibt, da treten wenigstens als Ahnungen die Anschauungen auf, welche von hier aus in wissenschaftlichem Zusammenhang vertreten werden wollen und von denen auch hier erwartet wird, daß sie, indem sie einflie­ßen in alles zivilisatorische Leben unserer Zeit, dem Niedergang wiederum einen Aufgang entgegenstellen können.
Aber allerdings, das sind solche Lichtblitze, die an einzelnen Orten aufsteigen. Wer sie beobachtet, der wird sie als seltene Licht-blitze wahrnehmen, aber er wird aus ihnen erkennen, wie gerade bei den Besten unserer Zeit das Streben besteht nach einer Erneue­rung des Geisteslebens aus sehr, sehr tiefen Seelenquellen heraus. Dem steht allerdings entgegen dasjenige – ich scheue mich nicht, es auszusprechen -, was heute aus einer gewissen nicht nur Schläfrigkeit,

Dit is dus wat ik aan de ene kant wilde zeggen: overal waar denkende, voelende zielen zijn, ontstaan toch op z’n minst als een voorgevoel, gezichtspunten die vandaaruit in een wetenschappelijke samenhang vertegenwoordigd willen zijn en waarvan ook hier wordt verwacht dat ze, wanneer ze opgang vinden in heel het culturele leven van onze tijd tegenover de neergang weer een opbouw kunnen plaatsen.
Maar zeer zeker ook zijn dit van die lichtflitsen die zich op een paar plaatsen voordoen. Wie ze beschouwt, ziet ze als spaarzame lichtflitsen, maar hij zal door hen onderkennen hoe juist bij de besten van onze tijd een streven bestaat naar een vernieuwing van het geestesleven vanuit zeer, zeer diepe bronnen van de ziel. Daar staat zeer zeker tegenover – ik aarzal niet om het uit te spreken – wat tegenwoordig uit een zekere, niet alleen maar slaperigheid,

blz. 199

sondern, zum mindesten gesagt, aus einer ungeheuren Ober­flächlichkeit unserer Zeit hervorgeht; was hervorgeht aus einer Oberflächlichkeit, die gerade oftmals in den Kreisen, die öffentlich publizistisch tätig sind, gegenüber den großen Fragen des Daseins und des Menschenlebens geradezu zur Frivolität führt. Und nach­dem ich Ihnen zuerst einen Lichtblitz gezeigt habe, möchte ich Ihnen auch gewissermaßen etwas von den Schatten zeigen, die allerdings nicht so vereinzelt auftreten, sondern die weit, weit ver­breitet sind. Ich könnte Hunderte von Tatsachen für die letzte Behauptung anführen; ich will aber jetzt nur eine ganz besonders charakteristische vor Sie hinstellen.
Einer unserer englischen Freunde hat sich in London bemüht, Interesse zu erwecken für dasjenige, was hier in Dornach gesche­hen soll. Er versuchte in einer, wie es scheint angesehenen Zeit­schrift – es gibt ja gegenwärtig viele solcher Zeitschriften und Zei­tungen – einen ganz wahrheitsgemäßen und sachlichen kleinen Artikel unterzubringen. Der Journalist, der sich die Sache anhörte, bei dem der betreffende Herr war, also der Londoner Journalist war sehr freundlich, war außerordentlich entgegenkommend.

maar op z’n minst gezegd, door een ongelooflijke oppervlakkigheid van onze tijd, opwelt, die dikwijls in de kringen die werkzaam zijn in de openbare publiciteit, t.o.v. de grote levensvragen en ook wat de mens aangaat juist tot van die lichtzinnigheid leidt. En nadat ik u eerst zo’n donderslag bij heldere hemel heb laten zien, zou ik ook in zekere zin iets van de schaduw willen laten zien, wat beslist niet op zichzelf staat, maar wat wijd verbreid is.
Ik zou voor de laatste bewering honderden feiten kunnen aangeven; ik wil  echter nu alleen maar een heel bijzonder voorval voor u schetsen. Een van onze Engelse vrienden* heeft zich in Londen ingespannen, interesse te wekken voor wat hier in Dornach moet gebeuren. Hij probeerde in een, naar het schijnt gezaghebbend tijdschrift – er zijn tegenwoordig veel van die tijdschriften en kranten – een artikel te plaatsen, een geheel volgens de waarheid zakelijk geschreven artikel. De journalist die de betreffende heer over het onderwerp aanhoorde, die Londense journalist, was heel vriendelijk, buitengewoon tegemoetkomend.

* Een van onze Engelse vrienden: vermoedelijk gaat het om de in Engeland wonende Deense baron Arild von Rosenkrantz (1870-1964), aan wiens initiatieven de »Summer Art Course»in augustus 1921 te danken is, die oorspronkelijk gepland stond voor augustus 1920. Deze cursus is wellicht bedoeld in het artikel van 16 juli 1920, toen er van een ‘tiendaags bezoek’ sprake was dat in augustus 1920 zal plaatsvinden.

Er versprach in der Weise für die Sache einzutreten, daß ein Besuch von etwa ebensoviel Menschen, als uns von Ihrer Seite her heute hier die Freude bereiten, da zu sein, arrangiert werden sollte von London her. Der betreffende Journalist hat dann etwa gesagt, wie umgestaltend dasjenige sei, was ihm mitgeteilt worden ist. Über diese Umgestaltung möchte ich Ihnen etwas vorlesen als ein Doku­ment für die Frivolität, mit der man heute von demjenigen, was man nicht kennt, spricht – denn der Journalist hatte natürlich keine Ahnung von dem, was hier in Dornach vorgeht. So etwas zeigt, wie wenig heute die Menschen geneigt sind, überhaupt darauf einzuge­hen, wenn irgendwo aus einer Quelle heraus sich etwas geltend machen will, was in ehrlicher Weise meint, dem Niedergang einen Aufgang entgegenstellen zu können. Da erscheint also in einer Londoner Zeitschrift als Ergebnis dieser, von dem Journalisten wohlwollend geführten Unterredung das Folgende:

Hij beloofde zich voor de zaak in te zitten, dat een bezoek van ongeveer net zoveel mensen als wij hier nu door u voor de vrienden mogelijk maken, ervoor in te staan dat zoiets door Londen georganiseerd zou worden. De betreffende journalist heeft toen iets gezegd, wat anders is dan wat er aan hem was verteld. Over deze verandering zou ik u iets willen voorlezen als een bewijs voor de lichtzinnigheid waarmee men tegenwoordig over wat men niet kent – spreekt, want de journalist had natuurlijk geen idee van wat er hier in Dornach gebeurt. Zoiets laat zien hoe weinig de mensen tegenwoordig geneigd zijn om überhaupt in te gaan op iets wat door bepaalde informatie, iets tot stand wil bregen, wat op een eerlijke manier bedoeld is om tegengover de neergang een verbetering te kunnen zetten. Dan komt dus het volgende in een Londens tijdschrift te staan als resultaat van een door een goedwillende journalist gevoerd gesprek:

blz. 200

Bemerkungen und Kommentare

Eine Hochschule für Geisteswissenschaft

Eine Hochschule für Geisteswissenschaft ist unter dem Namen «Goethe­anum» in Dornach bei Basel, Schweiz, errichtet worden. Der Bau selbst veranschaulicht ein neues Kunstkonzept, das von Dr. Rudolf Steiner initiiert wurde. Es ist vorgesehen, eine Reise nach Basel zu veranstalten, um es zu besichtigen, und Dr. Steiner hat versprochen, die Teilnehmer während des zehntägigen Besuches, der im August stattfinden soll, persönlich zu unter­richten. Geht man davon aus, daß die Reise vier Tage in Anspruch nimmt, so wird es für die Teilnehmer möglich sein, sich in den übrigen sechs Tagen von dem Schock zu erholen, den der erste Anblick von Dr. Steiners Schöp­fung verursacht. In der Voraussetzung, daß niemand, dem die Reise möglich ist, diese, wie wir erwarten, interessante Erfahrung versäumen möchte, geben wir eine Illustration dessen, was die Teilnehmer am Ende ihrer Pilgerreise erwartet, und falls jemand von unseren Lesern reisen wird, hoffen wir, daß er uns den Gefallen erweist, uns seine Eindrücke nach seiner Rückkehr zu schildern.*             [«The Architect», Nr.34, London 16. Juli 1920)

Opmerkigen en commentaar*

Een hogeschool voor geesteswetenschap

In Dornach bij Basel, Zwitserland, is onder de naam ‘Goetheanum’ een hogeschool voor geestestenschap gesticht. Het gebouw zelf is een toonbeeld van een nieuw kunstconcept dat door Dr. Rudolf Steiner geïnitieerd is. Men is van plan een reis naar Basel te organiseren om het te bezichtigen en Dr. Steiner heeft beloofd de deelnemers tijdens het tiendaagse bezoek dat in augustus zal plaatsvinden, persoonlijk informatie te verstrekken. Ervan
uitgaand dat de reis vier dagen zal duren, zal het voor de deelnemers mogelijk zijn om in de resterende zes dagen van de eerste schok te bekomen die de eerste aanblik van Dr. Steiners schepping veroorzaakt. Vooropgesteld dat niemand voor wie de reis mogelijk is, deze, zoals we verwachten, interessante ervaring zou willen missen, geven we een illustratie van wat de deelnemers aan het eind van hun pelgrimstocht wacht en in het geval een van onze lezers de reis maakt, hopen wij dat hij ons het plezier wil doen ons zijn indrukken te schetsen nadat hij terug is.
(The Architect’, nr. 34, Londen, 16 juli 1920)

*Bemerkungen und Kommentare: Im englischen Original («The Architect», Nr. 34/1920) heißt es; «Notes and Comments: A College für Spiritual Science, – A College für Spiritual Science has been erected under the name of the Goetheanum at Dornach, Basle, Switzerland, and the building itself illustrates a new conception of art which has been initiated by Dr. Rudolf Steiner. It is proposed to organize a visit to Basle to see it, and Dr. Steiner has promised to personally instruct the party during a visit of ten days, which is to take place in August. Allowing for four days spent in travelling, this will allow for nearly six days in which the party should be able to recover from the first shock caused by the appearance of Dr. Steiner’s creation. In order that no one who is able to go should miss what we anticipate should be an interesting experience we give an Illustration of what they will see at the end of their pilgrimage, and if any of our readers go we hope they will give us the benefit of their impressions on their return.»

Sie sehen also, so behandelt man dasjenige, was man nicht kennt. Das ist heute die Stimmung der Welt, das sind heute die Schwierig­keiten, gegen die man zu kämpfen hat.
Nun, meine sehr verehrten Anwesenden, Geisteswissenschaft ist für viele da und sie soll – das wird ja vor allen Dingen unser Herbstkurs, der am 26. September eröffnet werden soll, zeigen -auf alle möglichen Zweige des Geisteslebens einen befruchtenden Einfluß ausüben. Im Frühling wurde ja hier schon in einem enge­ren Kursus dargestellt, wie gerade das Medizinisch-Therapeutische befruchtet werden kann von dieser Geisteswissenschaft. Und so ist es für die verschiedensten Gebiete. Was in künstlerischer Weise versucht wird von dem, was sich in unsere Empfindungen einleben kann durch dieGeisteswissenschaft, davon soll ja die äußere For­mung des Baues selbst Zeugnis ablegen. Aber heute will ich Ihnen reden von dem, was Geisteswissenschaft als Folge haben kann in pädagogisch-didaktischer Hinsicht. Ich rede Ihnen ja da nicht von irgendeinem bloßen Programm, auf das wir nichts geben würden, auch nicht bloß von irgendwelchen theoretischen pädagogischen

U ziet dus, zo gaat men om met wat men niet kent. Dat is tegenwoordig de stemming in de wereld, dat zijn vandaag de dag de moeilijkheden waartegen je je te weer moet stellen.
Welnu, zeer geachte aanwezigen, geesteswetenschap is er voor velen en zij moet – en dat zal vooral onze herfstcursus die op 26 september* zal beginnen, laten zien – op alle mogelijke takken van het geestesleven een bevruchtende invloed uitoefenen.
In het voorjaar** werd hier al in een kleinere cursus aan de orde gesteld hoe met name het medisch-therapeutische die positieve invloed van deze geesteswetenschap kan ondergaan. En zo is het voor de verschillende gebieden. Wat op een kunstzinnige manier geprobeerd wordt door wat we ons door de geesteswetenschap in onze gevoelens kunnen inleven, zal de uiterlijke vorm van het gebouw zelf getuigenis afleggen. Maar vandaag wil ik er met u over spreken wat het resultaat van de geesteswetenschap kan zijn in pedagogisch-didactisch opzicht. Ik ga het niet met u hebben over enkel maar een of ander programma, waar we niets voor geven, ook niet alleen maar over theoretische pedagogische

*onze herstcursus die op 26 september zal beginnen: de zgn. ‘Eerste antroposofische hogeschoolcursus (26 sept.-16 okt., die met ongeveer 100 voordrachten over de meest verschillende wetenschaps- en levensgebieden en talrijke kunstzinnige programma’s het werk aan het eerste Goetheanum begon. 
Zie daarvoor vooral de voordrachtenreeks GA 322, vertaald.
De kunst van de recitatie en declamatie in GA 281, niet vertaald  
GA 314, vertaald
**In het voorjaar werd hier al in een kleinere cursus aan de orde gesteld: het gaat om de twintig voordrachten voor artsen en medicijnstudenten die in Dornach werd gehouden van 21 maart tot 9 april 1920: GA 312, vertaald
***zal de uiterlijke vorm van het gebouw zelf getuigenis afleggen. zie GA 286, vertaald

blz. 201

Erörterungen, sondern von etwas, was immerhin praktisch wäh­rend eines Schuljahres in unserer «Freien Waldorfschule» in Stutt­gart sich bereits ausgelebt hat. Diese Freie Waldorfschule in Stutt­gart ist eine Schöpfung von Emil Molt. Sie hat sich zunächst zur Aufgabe gestellt, praktisch dasjenige zum Leben zu erwecken, was hervorgehen kann aus einer Ausgestaltung dessen, was in unserer Geisteswissenschaft vor allen Dingen für eine wirkliche Menschen-und damit auch Kindes-Erkenntnis liegen kann.
Sehen Sie, ich lege einen besonderen Wert darauf, daß wir auch schon ein Jahr wirklicher Schulpraxis hinter uns haben. Ich lege deshalb einen besonderen Wert darauf, weil diese ganze Geistes­wissenschaft, wie sie hier vom Goetheanum in Dornach aus in die Welt gesetzt werden soll, im Grunde genommen auch nichts wäre als irgendeine neue sektiererische Bewegung oder irgendeine Welt­anschauungstheorie oder dergleichen – solch schöne Dinge gibt es ja schon viele in der Welt -, wenn nicht etwas anderes da wäre; wenn nicht gerade diese Geisteswissenschaft gegenüber allem, was in dieser Art in die Welt tritt, etwas ganz anderes wollte. Diese Geisteswissenschaft will nicht Ideen zu einer neuen Weltanschau­ung hervorbringen; diese Geisteswissenschaft will nicht irgendeine Theorie oder gar ein neues religiöses Bekenntnis sein, wie man ihr verleumderisch nachsagt – das letztere am allerwenigsten.

uitlatingen, maar over iets wat al gedurende een schooljaar van onze vrijeschool in de praktijk tot stand gekomen is. Deze vrijeschool in Stuttgart is de schepping van Emil Molt*. Deze school heeft zich allereerst als taak gesteld praktisch in het leven te roepen wat volgen kan uit een concretisering van wat in onze geesteswetenschap vooral voor een echte mensenkennis en daarmee ook voor een echt kennen van kinderen voorhanden kan zijn. 
Ik hecht er bijzondere waarde aan dat we ook al een jaar daadwerkelijke schoolpraktijk achter ons hebben liggen. Ik hecht er zoveel waarde aan, omdat deze hele geesteswetenschap zoals die hier vanuit het Goetheanum in Dornach in de wereld een plaats wil innemen, uit de aard der zaak ook niets zou betekenen als een of andere nieuwe sektarische beweging of een of andere wereldbeschouwelijke theorie of iets dergelijks – dit soort mooie dingen zijn er al veel op de wereld – als er niets anders zou zijn, wanneer met name deze geesteswetenschap wat betreft alles wat op deze manier zich in de wereld vertoont, niet iets heel anders zou willen. Deze geesteswetenschap wil geen ideeën voor een nieuwe wereldbeschouwing opvoeren; deze geesteswetenschap wil niet een of andere theorie of zelfs een nieuwe religieuze stroming zijn, zoals men deze beledigend toedicht – dit laatste wel het allerminst.

*Emil Molt, 1876-1936, directeur van de Waldorf-Astoria sigarettenfabriek in Stuttgart, industrieel. Hij organiseerde voor de medewerkers van zijn onderneming vormingscursussen voor de werknemers. Hieruit ontstond uiteindeijke de gedachte een school voor de kinderen van de werknmers op te richten. Voor de in inrichting en de leiding van deze Waldorfschool vroeg hij Rudolf Steiner. Molt was in 1919 een betrokken vertegenwoordiger van Rudolf Steiners idee van de driegeleding. Zie Emil Molt: ‘Entwurf einer Lebensbeschreibung’Stuttgart 1972, alsmede een paar van zijn artikelen in de serie ‘Bijdragen aan de GesamtAusgabe van Rudolf Steiner, band 103, Michael 1989. Zie ook de voordracht van 24 september in deze voordrachtenserie (GA 297)

Dasjeni­ge, was sie sein will, ist eigentlich ursprünglich gar nicht mit Bezug auf irgendein religiöses Bekenntnis konzipiert worden, sondern es ist konzipiert worden auf die naturwissenschaftliche Denkungsart und Gesinnung unserer Zeit hin. Es ist gefaßt worden als dasjenige, was für den Geist und für die Seele ebenso als Erkenntnis vom Menschen hervorgebracht werden kann, wie die für unsere Zeit so befruchtende Naturwissenschaft als Erkenntnis für das physische Leben hervorgebracht worden ist. Und es beruht diese Geisteswis­senschaft darauf, daß, wenn man die rechten Methoden anwendet, die ich geschildert habe in meinen Büchern «Die Geheimwissenschaft im Umriß» und «Wie erlangt man Erkenntnisse der höheren Welten?», man in der Lage ist, ebenso sichere Erkenntnis­se, so umschlossene, konturierte Erkenntnisse zu gewinnen über

Wat ze wil zijn, is eigenlijk oorspronkelijk helemaal niet opgezet, gericht op een of andere religieuze stroming, maar opgezet volgens de natuurwetenschappelijke manier van denken en invoelen van onze tijd. Het is genomen als iets wat voor de geest en voor de ziel net zo als kennis over de mens naar voren kan worden gebracht als de voor onze tijd zo bevruchtende natuurwetenschap als kennis voor het materiële leven. En deze geesteswetenschap berust erop dat wanneer je de juiste methoden toepast die ik geschetst heb in mijn boeken: De wetenschap van de geheimen der ziel en De weg tot inzicht in hogere werelden, je in staat bent net zulke zekere kennis, vastliggende, afgebakende kennis te verkrijgen over

blz. 202

Seele und Geist, wie man sie gewinnen kann durch die naturwis­senschaftlichen Methoden der Gegenwart für die physische Welt.
Allerdings, dasjenige, was zu tun ist, um in einer wirklich me­thodischen Weise zu geisteswissenschaftlichen Erkenntnissen zu kommen, das ist nicht bequemer und nicht leichter als das, was etwa zu tun ist im chemischen, im physikalischen Kabinett, auf der Sternwarte, in der Klinik. Nur weil sich die Menschen vorstellen: anthroposophisch Forschende sind solche Leute, die sich allerlei Einfälle zukommen lassen, die man schnell haben kann, die schnell aus der Phantasie geschöpft sind – nur weil sich die Leute dieses vorstellen, deshalb verkennen sie die Wege, die von der Anthropo­sophie aus in die geistige Welt hinein gegangen werden sollen. Wenn man sich bekannt macht mit der ganzen Art und Weise, wie der Mensch in einer Selbsterziehung seines ganzen Wesens allein dazu kommen kann, in sich die Ausblicke zu eröffnen in die gei­stige Welt, die dann ebenso exakt und sicher sind wie die naturwissenschaftlichen Ergebnisse; nur wenn man sich davon unter­richtet, wie lange für verhältnismäßig kleine, unbedeutende Wahr­heiten, die zu dem äußerlich-physischen Wissen hinzugebracht werden – sagen wir zum Beispiel für die menschliche Sinneslehre, für die menschliche Anatomie oder dergleichen –

geest en ziel, hoe je deze kan verkrijgen door de natuurwetenschappelijke methoden van deze tijd voor de materiële wereld. Wat er moet gebeuren om op een daadwerkelijk methodische manier tot geesteswetenschappelijke kennis te komen, is beslist niet makkelijker en niet eenvoudiger dan wat er moet gebeuren in het lab met scheikunde, natuurkunde, of op de sterrenwacht, in de kliniek. Alleen omdat de mensen zich voorstellen: mensen die aan antroposofisch onderzoek doen, zijn dat soort mensen die allerlei invallen over zich heen laten komen, die snel ontstaan, die snel uit de fantasie gehaald zijn – alleen omdat die (oordelende) mensen zich dat voorstellen ontkennen ze de wegen die vanuit de antroposofie naar de geestelijke wereld gegaan moeten worden. Wanneer je je uiteenzet met de hele manier van doen, hoe de mens alleen in zijn zelfopvoeding van zijn totale wezen ertoe kan komen in zichzelf de vensters te openen naar de geestelijke wereld die dan net zo’n exacte en zekere blik geven als de natuurwetenschappelijke resultaten; alleen wanneer je leert beseffen hoe lang je voor betrekkelijk kleine onbelangrijke waarheden die toegevoegd worden aan het uiterlijke fysieke weten – laten we bv. voor de menselijke zintuigleer, voor de menselijke anatomie o.i.d.

geforscht werden muß; nur wenn man sich das klar macht, wie jahrzehntelange For­schung oftmals notwendig ist für die allergeringfügigsten Kleinig­keiten auf geisteswissenschaftlichem Gebiet: dann wird man einse­hen lernen, daß das Forschen auf diesem Gebiet keineswegs beque­mer und leichter ist als das Forschen auf klinischem Gebiet, auf der Sternwarte, im physikalischen oder chemischen Laboratorium. Aber man hat heute noch nicht den Willen, darauf einzugehen, daß es eine solche Geistes- und Seelenforschung geben kann. Groß und gewaltig sind die Absichten gewesen, die in den letz­ten drei bis vier Jahrhunderten und insbesondere im 19. Jahrhun­dert für das naturwissenschaftliche Erkennen zutage getreten sind. Und ich brauche Ihnen nicht zu erwähnen, was diese naturwissen­schaftliche Erkenntnis der Welt gebracht hat. Aber das eine möchte ich erwähnen: daß derjenige, der ganz fest auf dem Boden unserer

onderzoek heb moeten doen; alleen wanneer je je realiseert hoe vaak onderzoek nodig is dat voor de kleinste kleinigheden op geesteswetenschappelijk gebied tientallen jaren duurt: dan zal je leren inzien dat het onderzoeken op dit gebied geenszins makkelijker en eenvoudiger is dan het onderzoek op klinisch gebied, op de sterrenwacht, in het natuurkundig of scheikundig laboratorium. Maar tegenwoordig is de wil er nog niet om in te gaan op het feit dat er zo’n onderzoek op het gebied van geest en ziel kan bestaan. Groots en geweldig waren de voornemens die in de laatste drie tot vier eeuwen en in het bijzonder in de 19e eeuw voor wat betreft de natuurwetenschappelijke kennis aan de dag gelegd zijn. En ik hoef voor u niet te noemen wat deze natuurwetenschappelijke kennis aan de wereld heeft gebracht. Eén ding wil ik wél noemen: iets wat heel stevig op het fundament staat van onze

blz. 203

anthroposophisch gemeinten Geisteswissenschaft steht, der aller­letzte sein wird, der irgend etwas Berechtigtes in der naturwissen­schaftlichen Forschung irgendwie abfällig kritisieren wird. Denn darum handelt es sich zunächst: daß derjenige allein feststehen kann auf dem Gebiete unserer Geisteswissenschaft, der nicht dilettantisch oder gar laienhaft in dem naturwissenschaftlichen Betriebe der Gegenwart drinnensteht. Erst wenn man sich wissen­schaftliche Gewissenhaftigkeit und wissenschaftlich-strenge For­schungsmethoden im Laboratorium, auf der Sternwarte und so weiter [angeeignet hat], wenn man sich selbst erzogen hat zu dem, was da an Exaktheit des Forschens angestrebt wird, dann hat man die innere Weltanschauungs-Moral in sich erweckt, welche not­wendig ist, um ein Geistesforscher zu werden. In der äußeren Welt hat man immer vor sich, wie man sagt, die rauhe Wirklichkeit, die einen korrigiert. Bin ich ein schlechter Brückenbauer in der Theo­rie und rechne eine Brücke schlecht aus, dann belehrt mich der herunterstürzende Eisenbahnzug, daß ich meine Brücke schlecht gebaut habe. Und so ist die Korrektur immerfort da, wenn man in der äußeren physischen Wirklichkeit die vom Geiste erschauten Gesetze anwenden will. Allerdings, je weiter wir von den unteren Grundlagen der physischen Wirklichkeit hinaufkommen und uns der eigentlichen Geistes- und Seelenforschung nähern, desto wack­liger wird ihre Erforschung für die Wirklichkeit.

antroposofisch bedoelde geesteswetenschap, die de allerlaatste zal zijn om iets wat in het natuurwetenschappelijk onderzoek terecht is, op de een of andere manier af te vallen en te bekritiseren. Want het gaat er allereerst om: dat alleen degene die op het gebied van onze geesteswetenschap stevig kan staan, die niet amateuristisch of als een leek zich ophoudt op het gebied van het natuurwetenschappelijk reilen en zeilen in onze tegenwoordige tijd. Pas wanneer je wetenschappelijk gewetensvol en wetenschappelijk strikte onderzoeksmethoden in het laboratorium, op de sterrenwacht enz. [je eigen hebt gemaakt] wanneer je jezelf ontwikkeld hebt tot wat daar aan exactheid van onderzoek nagestreefd wordt, dan heb je de innerlijke wereldbeschouwelijke moraal in jezelf opgewekt die noodzakelijk is om een onderzoeker van de geest te worden. In de uiterlijke wereld heb je steeds, zoals men zegt, te maken met de rauwe werkelijkheid die iemand verbetert. Wanneer ik theoretisch een slechte bruggenbouwer ben en slechte berekeningen maak, dan wijst de naar beneden stortende trein me erop dat ik de brug slecht gemaakt heb. En het corrigeren is voortdurend aanwezig, wanneer je in de uiterlijk fysieke werkelijkheid de wetten wil toepassen vanuit het geestelijke.
En ja, hoe verder we af komen te staan van de onderste lagen van de fysieke werkelijkheid en ons richten op het eigenlijke onderzoeken van geest en ziel, des te wankeliger wordt het onderzoek voor de werkelijkheid.

Und wenn Sie ebenso streng wären in der Beurteilung desjenigen, der zerstörte Gesundheiten als Arzt wiederum aufzubauen hat, wie Sie es durch die Natur finden, wenn sie durch den abstürzenden Eisenbahnzug den schlechten Mechaniker korrigiert, da würden Sie nach heutiger Auffassung nicht in der Weise vorgehen können. Denn als Mecha­niker können Sie von der Natur nachgeprüft werden. Ob einer gestorben ist trotz oder sogar wegen der Medizin – da wird die Sache schon etwas wackliger! Und wenn man erst hinaufkommt in das geistige und in das seelische Gebiet, da muß man die innere Gewissenhaftigkeit mitbringen und vor allen Dingen das ernsteste, strengste Wahrheitsgefühl, wenn man übersinnlich forschen will, denn da ist es leicht, sich Phantasie für Wirklichkeit vorzumachen.

En wanneer u net zo streng zou zijn bij de beoordeling van wat de dokter aan verstoorde gezondheid weer heeft goed te maken, hoe u door de natuur erachter komt wanneer deze door de naar beneden stortende trein de slechte ingenieur verbetert, zou u volgens de huidige opvattingen niet op die manier kunnen werken. Want als technicus kun je door de natuur getest worden. Of er iemand gestorven is ondanks of zelfs door de medicijnen – daar wordt de zaak al wel wankeliger! En als je dan op het gebied van geest en ziel gekomen bent, moet je het innerlijk gewetensvolle meebrengen en vooral als je bovenzinnelijk onderzoek wil doen, het ernstig gemeende, strenge gevoel voor waarheid, want het is al te gemakkelijk de fantasie voor de werkelijkheid te houden. 

blz. 204

Aber es tritt nun etwas ganz Besonderes ein, wenn man auf diese Weise durch innere Seelenerziehung und Seelenzucht sich die Methode für die Geistesforschung aneignet. Es tritt das nämlich ein, daß man den Dingen der Welt näher kommt, als man will als äußerlicher Naturforscher. Denn sehen Sie, das ist ja gerade das Merkwürdige bei der mehr auf das Materielle hingehenden Natur­forschung der neueren Zeit, daß sie sich auf der einen Seite vor die Tatsachenwelt der äußeren Sinne stellt, daß sie aber, indem sie sich Ideen, die sie sich in Naturgesetzen stellt, von dieser äußeren Sin­nenwelt schafft, immer mehr und mehr zum Intellektualistischen, zum Theoretischen, zum Wirklichkeitsfremden kommt, so daß die neueren Weltanschauungsforscher nicht mehr wissen, wie sie eigentlich die Ideen, die sie aushecken, an die Wirklichkeit anknüp­fen sollen. Sie forschen vielfach darüber, ob die Ideen, die der Mensch in der Seele trägt, überhaupt noch etwas zu tun haben mit der äußeren Wirklichkeit. Das ist das Tragische der modernen, naturwissenschaftlich-orientierten Weltanschauung, daß die Men­schen wohl zu dieser Weltanschauung sich bekennen; sie wollen mit der Wirklichkeit, mit der bloß äußeren Wirklichkeit sich befas­sen und kommen von dieser äußeren Wirklichkeit gerade durch ihre Ideen ab. 

Maar wanneer je je op deze manier door de innerlijke scholing en discipline van de ziel de methode voor het onderzoeken van de geest eigen maakt, gebeurt er iets heel bijzonders. Nu gebeurt namelijk dat je dichter bij de wereldse dingen komt dan je zou willen als natuurwetenschappelijk onderzoeker van de uiterlijke dingen. Want zie je, dat is nu het merkwaardige bij het natuuronderzoek van heden, dat zich meer op het materiële richt, dat dit zich enerzijds bezighoudt met de feitenwereld van de uiterlijke zintuigen, dat dit onderzoek echter, wanneer het ideeën ontwerpt die ze in natuurwetten kleedt, werkt vanuit deze uiterlijke zintuigwereld en steeds meer tot het intellectualistische, tot het theoretische, tot het werkelijkheidsvreemde komt, zodat de onderzoekers van de wereldbeschouwing van de laatste tijd niet meer weten hoe ze eigenlijk de ideeën die ze bedenken bij de werkelijkheid moeten aansluiten. Ze onderzoeken veelvuldig of de ideeën die de mens in zijn ziel meedraagt, eigenlijk nog wel iets te maken hebben met de uiterlijke werkelijkheid. Dat is de tragiek van de moderne wereldbeschouwing die zich oriënteert op de moderne natuurwetenschap, dat de mensen deze wereldbeschouwing aanhangen; ze willen zich met de werkelijkheid, alleen met de uiterlijke werkelijkheid bezighouden en raken door deze uiterlijke werkeljkheid nu juist hun ideeën kwijt.

Sie haben nicht mehr die lebendige Verbindung, die Verbindung der ganzen Menschenwesenheit mit der lebendigen Wirklichkeit. Sie wollen auf die Wirklichkeit losgehen und wach­sen aus der Wirklichkeit heraus. Zu abstrakten intellektualistischen Seeleninhalten kommt man. Und so kommt es, daß, je mehr der Mensch in den Materialismus hineinwächst, er um so mehr aus der Wirklichkeit herauswächst. Begibt man sich nun auf den Weg der Geistesforschung, da hat man sofort das innere Erlebnis: Du tauchst in die Wirklichkeit unter; du stehst nicht nur da und schaust dein Objekt an, sondern tauchst in diese Wirklichkeit mit dem ganzen Seelenleben ein; du wirst eins mit der Wirklichkeit. Deshalb kann dasjenige, was hier als Geisteswissenschaft gemeint ist, niemals bestehen, ohne daß man dasjenige, was man erkennen will, zu lieben anfängt und im­mer mehr und mehr liebt. Geisteswissenschaft ist zugleich etwas,

Ze hebben de levende relatie niet meer, de relatie van het hele mensenwezen met de levende werkelijkheid. Ze willen op de werkelijkheid ingaan en raken weg van de werkelijkheid. Men komt tot abstracte, intellectualistische gevoelsinhoud. En zo komt het dat naarmate de mens toegroeit naar het materialisme, hij des te meer van de werkelijkheid vervreemdt.
Begeef je je op de weg van het geestesonderzoek, dan krijg je onmiddellijk de innerlijke beleving: je duikt onder in de werkelijkheid; je staat daar niet alleen naar een voorwerp te kijken, maar je begeeft je met je totale zielenleven in deze werkelijkheid, je wordt één met deze werkelijkheid. Daarom kan dat wat hier met geesteswetenschap bedoeld wordt, nooit bestaan zonder dat je van wat je wil leren kennen, begint te houden en er steeds meer van gaat houden. Geesteswetenschap is tegelijkertijd iets

blz. 205

was, wenn es sich in unserer Seele geltend macht, uns mit der Liebe für die Welt durchdringt; was gar nicht sein kann, trotzdem es mathematische Klarheit anstrebt in der Ideenfassung und Ideen-gestaltung, ohne daß es den ganzen Menschen, das Fühlen und Wollen ergreift. Deshalb darf ich sagen: Die praktische Erpro­bung dessen, was pädagogisch-didaktisch folgt aus der Geistes­wissenschaft, ist eigentlich dasjenige, was uns erst wertvoll sein kann. Denn reden über irgend etwas aus noch so schönen Theorien heraus, wenn man fremd gegenübersteht dem, worüber man redet:das ist im Grunde genommen leicht und ist heute die Aufgabe, die sich zahlreiche Weltanschauungs-Menschen und Bekenntnis-begründer setzen. Mit dem hat dasjenige, was hier gewollt wird, gar nichts zu tun. Sondern gerade dieses Untertauchen in die Wirklich­keit und besonders die menschliche Wirklichkeit, ist es, was im Gefolge dieser Geisteswissenschaft ganz von selbst durch die Na­tur, durch die Wesenheit dieser Geisteswissenschaft auftritt.
Und so kommt es denn, daß vor allen Dingen dasjenige, was durch diese Geisteswissenschaft auftritt, ein intimeres Erkennen der menschlichen Wesenheit selber ist.

wat, wanneer het in onze ziel realiteit wordt, ons doordringt met liefde voor de wereld; wat helemaal niet kan ontstaan, ondanks dat er bij het begrijpen en vormgeven van de ideeën gestreefd wordt naar wiskundige exactheid, zonder dat het de hele mens, het voelen en het willen aanspreekt. Daarom mag ik zeggen: het in de praktijk uitproberen van wat er aan pedagogie en didactiek volgt uit de geesteswetenschap, is eigenlijk iets wat voor ons nu van waarde kan zijn. Want over iets praten vanuit theorieën, al zijn die nog zo mooi, wanneer je vreemd staat tegenover waarover je spreekt: dat is in de aard der zaak makkelijk en is tegenwoordig de opdracht die zich talloze stichters van wereldbeschouwingen voor mens en geloof stellen. Daarmee heeft, wat hier bedoeld wordt, helemaal niets van doen. Met name dit je diep begeven in de werkelijkheid is als gevolg van deze geesteswetenschap iets vanzelfsprekends door de manier waarop het wezenlijke van de geesteswetenschap zich manifesteert.
En zo komt het dan, dat vooral hetgeen wat door deze geesteswetenschap ontstaat, een fijnzinniger kennen van het mensenwezen zelf is.

Ein solches Erkennen der menschlichen Wesenheit, daß derjenige, der nun vor dem werden­den Menschen, dem Kinde steht – vor diesem wunderbaren Wel­tenrätsel, das geboren wird, das in den ersten Tagen seines äußeren Weltendaseins uns den wunderbaren Aufbau eines physischen Organismus aus dem Geistig-Seelischen heraus in jedem Augen­blick zeigt, das uns dann zeigt, indem es heranwächst, wie aus dem Innern, dem Geistig-Seelischen heraus alles gestaltet wird -, daß derjenige, der nun als Lehrer oder als Erzieher gegenübergestellt ist diesem lebendigen Weltenrätsel, diesem werdenden Menschen, in einer Weise zusammenwächst mit seiner Aufgabe, daß man wirk­lich sagen muß: Die Geisteswissenschaft ist dann das Feuer, durch welches die Liebe zu der Erziehung, zum Unterricht unmittelbar erweckt wird. Das ist es, was das Ziel unseres ganzen Strebens hier ist: den Menschen kennen zu lernen.
Aber man kann den Menschen nicht kennen lernen, ohne ihn als werdend kennen zu lernen. Und geht man einmal wirklich darauf gegenübergestellt ist diesem lebendigen Weltenrätsel, diesem werdenden Menschen, in einer Weise zusammenwächst mit seiner Aufgabe, daß man wirk­lich sagen muß: Die Geisteswissenschaft ist dann das Feuer, durch welches die Liebe zu der Erziehung, zum Unterricht unmittelbar erweckt wird. Das ist es, was das Ziel unseres ganzen Strebens hier ist: den Menschen kennen zu lernen.
Aber man kann den Menschen nicht kennen lernen, ohne ihn als werdend kennen zu lernen. Und geht man einmal wirklich darauf

Een dergelijke kennis van het mensenwezen dat degene die voor de wordende mens staat – voor dit wonderbaarlijke raadsel mens, het kind – dat wordt geboren, dat in de eerste dagen van zijn uiterlijke aardse bestaan ons ieder ogenblik de wonderbaarlijke opbouw van een fysiek organisme vanuit de geest-zielenwereld laat zien,  ons dan laat zien als het opgroeit, hoe vanuit het innerlijk geest en ziel gevormd worden – dat degene die als leraar of als opvoeder voor dit levende wereldraadsel staat, deze wordende mens, op de een of andere manier één wordt met zijn taak, zodat je daadwerkelijk moet zeggen: de geesteswetenaschap is dan het vuur waardoor de liefde voor de opvoeding, voor het onderwijs direct gewekt wordt. Dat is het doel waarop heel ons streven hier gericht is: de mens te leren kennen. Maar je kan de mens niet leren kennen, zonder hem als wordend te leren kennen. En leg je je dan daadwerkelijk toe op

blz. 206

zu, den Menschen als Werdenden kennen zu lernen, dann muß man sogar unsere Sprache mit einem neuen Worte bereichern. Für denjenigen, der etwas tiefer hineinschaut in die Wirklichkeit des Lebens, für den haben alle europäischen Zivilisationssprachen für die Grundtatsache des Lebens nur ein Wort, und zwei müßte es dafür geben! Ein Wort haben sie. Nun, wenn wir in Urweitzeiten zurückgehen, in jene Zeiten des Menschenlebens, von denen nur noch alte Dokumente in mythischer Weise reden, dann finden wir noch etwas Ähnliches von dem, was wir wieder brauchen: wir brauchen, wenn wir von dem Ewigen, von dem Unzerstörbaren im Menschenwesen reden gegenüber dem zerstörbaren, vergänglichen Leibe, wir brauchen zu unserem Wort «Unsterblichkeit», das uns hinweist auf das physische Lebensende, ein anderes Wort; wir brauchen das Wort «Ungeborenheit». Denn ebenso, wie wir mit unserem ewigen, geistigen Teil durch die Todespforte gehen und in der geistigen Welt weiterleben ein anderes Leben, das für die Gei­stesforschung durchschaubar ist, ebenso treten wir aus geistigen Welten, bevor wir hier geboren beziehungsweise empfangen wer­den, herunter zu dieser physischen Erdenverkörperung. Wir gehen nicht nur als Unsterbliche durch die Todespforte – wir kommen als Ungeborene durch die Geburtspforte.

de mens als wordend te leren kennen, dan moet je zelfs onze taal met een nieuw woord verrijken. Voor wie een wat dieper inzicht heeft in de werkelijkheid van het leven, hebben alle Europese cultuurtalen voor de basis van het leven slechts één woord en daarvoor zouden er twee moeten zijn! Één woord hebben ze. Nu, wanneer we teruggaan naar de oertijd, in die tijden van het mensenleven waarover alleen nog de oude documenten op een mythische manier spreken, dan vinden we nog iets wat lijkt op wat we hier weer nodig hebben: we hebben nodig, wanneer we over het eeuwige, over het onverwoestbare in het mensenwezen spreken t.o.v.  het wel te vernietigen, vergankelijke lichaam, naast het woord ‘onsterfelijkheid’, dat ons wijst op het aardse levenseinde, een ander woord; we hebben het woord ‘ongeborenheid’ nodig. Want precies zoals we met ons eeuwige geestelijke deel door de poort van de dood gaan en in de geestelijke wereld een ander leven verder leven, wat het geestelijk onderzoeken kan overzien, net zo dalen wij uit de geestelijke werelden, vóór we hier geboren worden, respectivelijk vóór de conceptie, af naar deze fysieke aardse belichaming. We gaan niet alleen als onsterfelijk door de poort van de dooed – wij komen als ongeborene door de poort van de geboorte.

Wir brauchen das Wort Ungeborenheit zu dem Worte Unsterblichkeit dazu, wenn wir den Menschen in seiner Wesenheit ganz erfassen wollen.
Dasjenige, was ich Ihnen hier andeute, finden Sie in meinen Schriften nach allen Seiten hin ausgeführt. Ich kann nur sozusagen resultathafte Züge Ihnen anführen, weil ich ja darauf hinzielen möchte, dasjenige darzustellen, was nun aus dem menschlichen Le­ben und der menschlichen Empfindung wird, wenn wir eine solche Anschauung fruchtbar machen wollen.Stellen Sie sich den Lehrer vor, der – wie unsere Waldorflehrer in Stuttgart – dasjenige durchgemacht hat, was man durchmachen kann, wenn man Geisteswissenschaft auf seine Seele wirken läßt. Stellen Sie sich ihn vor: Er steht vor dem werdenden Menschen, vor dem Kinde. Er hat nicht nur als eine graue Theorie, er hat als einen lebendigen Lebensinhalt in sich dieses, daß er sich sagt: Aus geistigen

We hebben het woord ongeborenheid nodig naast het woord onsterfelijkheid als we de mens in zijn wezen helemaal willen begrijpen.
Wat ik hier voor u aanduid, vindt u in mijn boeken van alle kanten uitgewerkt. Ik kan u zogezegd alleen maar in grote trekken op de resultaten wijzen, omdat ik ernaar toe wil werken uiteen te zetten wat er van het menselijk leven en het menselijk voelen wordt, wanneer we een dergelijke opvatting vruchtbaar willen maken.
Stelt u zich de leerkracht voor die – zoals onze vrijeschoolleerkrachten in Stuttgart – ervaren heeft wat je kan ervaren wanneer je geesteswetenschap op je ziel laat inwerken. Stelt u zich hem voor: hij staat voor de wordende mens, voor het kind. Hij heeft niet alleen een saaie theorie, hij draagt als een levende inhoud van het leven met zich mee dat hij bij zichzelf zegt: uit geestelijke

blz. 207

Welten sind heruntergestiegen die Seelen, diese Seelen, an de­nen ich nun zu arbeiten habe. – Und nun wird ihm von derjenigen Pädagogik und Didaktik, die aus der Geisteswissenschaft folgt, eine Erkenntnis übermittelt, wie diese Seelen nun von Jahr zu Jahr, von Monat zu Monat behandelt werden können. Und ich darf Ihnen, da Sie ja alle Jugenderzieher sind, vielleicht aus einer Kleinigkeit heraus, die bei mir allerdings das Ergebnis einer mehr als drei Jahr­zehnte lang dauernden Forschung ist, eine Idee entwickeln, die dann, wenn sie nicht Idee bleibt, nicht Gedanke bleibt, sondern wenn sie lebendiges Tun im Erzieher und Unterrichter wird, eben ein merkwürdig impulsierendes Verhältnis des Lehrers zum Schü­1er, des Erziehers zum zu erziehenden Kind hervorruft. Sehen Sie, man redet heute viel in der Psychologie von der Beziehung des Physischen zum Geistigen. Und es gibt Theorien, die sagen, wie Seele und Leib aufeinander wirken sollen. Aber man studiert diese Dinge nicht. Man hat nicht die Methode der Geisteswissenschaft, durch die man diese Dinge studieren kann. Denn man muß sie im einzelnen studieren. Man kann nicht, indem man so im allgemeinen herumschwafelt, reden von einem Verhältnis der menschlichen Seele zum Leibe, sondern da muß man alle Einzelheiten kennen. Denn Einzelheiten der Seele wirken auf Einzelheiten des mensch­lichen Leibes.

werelden zijn de zielen afgedaald waaraan ik nu moet werken. En nu krijgt hij van die pedagogie en didactiek die uit de geesteswetenschap volgt, kennis aangereikt wat er met deze zielen van jaar tot jaar, van maand tot maand gedaan kan worden. En ik mag u, omdat u allemaal opvoeders bent van de jeugd, misschien vanuit iets kleins dat bij mij in ieder geval het resultaat is van een meer dan drie decennia lange onderzoekstocht, dat wanneer dit geen idee blijft, niet een gedachte, maar wanneer het een levendig doen wordt, in de opvoeder en de leerkracht zelfs een merkwaardige verhouding tussen de leraar en de leerling, tussen de opvoeder en het op te voeden kind teweegbrengt. Men praat in de psychologie tegenwoordig veel over de relatie tussen het fysieke en het geestelijke. En er zijn theorieën die zeggen hoe ziel en lichaam op elkaar inwerken. Maar men bestudeert die dingen niet. Men heeft niet de methode van de geesteswetenschap waardoor je deze dingen kan bestuderen. Want die moet je apart bestuderen. Je kan niet, als je zo in het algemeen in de rondte kletst, spreken over een relatie tussen de menselijke ziel en het lichaam, dan moet je alle details kennen. Want bijzonderheden van de ziel werken in op bijzonderheden van het lichaam.

Nur andeuten will ich, welche von den einzelnen Ideen, um die sich die Sache dreht, ich eigentlich meine.
Wir beobachten zunächst das Kind vor seiner Schulzeit. Wir wissen, es hat zunächst die sogenannten Milchzähne. Es treibt dann vom sechsten bis achten Jahr an die dauernden Zähne hervor. Das ist für denjenigen, der nicht bloß den äußeren Menschen beobach­tet, sondern durch Geisteswissenschaft den ganzen Menschen beobachtet, eine außerordentlich wichtige Lebensepoche. Nicht zufällig fällt sie zusammen mit derjenigen, in der das Kind der Volksschule übergeben wird. Denn was da zuletzt sich herausstößt als Zähne, das entstammt Kräften, die ja im ganzen Menschen vor­handen sind, die am ganzen Menschen tätig sind; und das ist sozu­sagen der Schlußpunkt; wenn diese zweiten Zähne erscheinen, wird mit etwas, was bis dahin im menschlichen Organismus tätig ist, ein

Ik wil alleen maar aangeven welke van de losse ideeën waarom het gaat, ik eigenlijk bedoel.
We nemen eerst het kind voor het naar school gaat. We weten dat het eerst de zogenaamde melktanden heeft. Van het zesde tot het achtste jaar komen dan de blijvende tanden tevoorschijn. Dat is voor degene die niet alleen naar de uiterlijke mens kijkt, maar door de geesteswetenschap naar heel de mens, een buitengewoon belangrijke leeftijd. Niet toevallig valt die samen met die waarop het kind naar de basisschool gaat. Want wat er uiteindelijk als tanden naar buiten gestoten wordt, stamt uit krachten die in de hele mens aanwezig zijn, die aan de hele mens werken en dit is zogezegd het eindpunt. Wanneer deze tweede tanden verschijnen, komt aan iets wat tot dan in het menselijk organisme actief is, een

blz. 208

Schlußpunkt gemacht. Dasjenige, was da tätig war, das ist bis zum Hervorbringen der Zähne gegangen.
Nun, wer das menschliche Leben tiefer beobachtet, der findet, daß gerade von einem Abschnitt des menschlichen Lebens an das Gedächtnis, namentlich aber die Kombinationsfähigkeit und die Vorstellungsfähigkeit eine ganz bestimmte Struktur erreicht. Das­jenige, was später intellektuelles Leben wird, das tritt von diesem Lebensabschnitt an ganz besonders auf. Und verfolgt man nun, was sich in dem Seelisch-Geistigen des Kindes abspielt bis zu dem Zeit­punkte, in dem hauptsächlich die zweiten Zähne hervorschießen, verfolgt man das ganz sachgemäß, wie man ein Naturobjekt ver­folgt unter dem Mikroskop: Was wird mit der Seele, wenn die Zähne heraus sind? – dann entdeckt man, daß es dieselbe Kraft ist, die zuerst den Organismus durchflutet und durchsetzt hat und die dann sich emanzipiert vom Organismus und frei im Seelischen zum intellektuellen Vermögen wird.
Sie beobachten das Kind vom siebenten, neunten Jahr an, sein seelisch-verstandesmäßiges Leben, und sagen sich: Was jetzt her­auskommt als Verstand, das hat früher, wo es noch im Unter­bewußten war, gearbeitet im Organismus. Das war als Seelisches am Leibe tätig.

einde. Wat daar actief was, was da,t tot aan het doen verschijnen van de tanden. Wel, wie het menselijk leven dieper beschouwt, vindt dat juist vanaf een bepaalde fase in het mensenleven, het geheugen, met name de mogelijkheid tot combineren en de voorstellingskracht, een heel bepaalde structuur krijgt. Wat later intellectueel leven wordt, wordt vanaf dit punt in het leven bijzonder manifest. En volg je nu wat er zich afspeelt in de geest en ziel van het kind tot dit tijdstip waarop voornamelijke de blijvende tanden tevoorschijn komen. vervolg je dat heel zakelijk zoals je een natuurobject volgt onder de microscoop: hoe gaat het met de ziel als de tanden zijn verschenen? Dan ontdek je dat het dezelfde kracht is die eerst het organisme doordrong en doorleefde en die zich nu af, van het organsime losmaakt en vrij in de ziel tot intellectueel vermogen wordt. U kijkt naar het kind van zeven, negen jaar, zijn gevoelsleven, zijn verstandelijk leven en dan zeg je: wat nu naar buiten komt als verstand, heeft vroeger toen het zich nog in het onderbewuste bevond, in het organisme gewerkt. Dat was als iets van de ziel werkzaam in het lichaam.

Ich füge Ihnen jetzt etwas zusammen, was, wie gesagt, Ergebnis einer mehr als drei Jahrzehnte langen Forschung ist. Da haben Sie in ganz konkreter Weise im einzelnen festgestellt, wie das Seeli­sche, das allerdings in den ersten sieben Jahren noch nicht in seiner Urform, seiner Naturform auftritt, am Leibe arbeitet. – So ist es überall mit unserer Geisteswissenschaft. Aus strengen Forscher-prinzipien heraus redet sie über das Verhältnis von Seele und Leib, nicht philosophisch-schwafelnd, sondern nach konkreten Er­gebnissen, wie das einzelne Seelische, also in diesem Falle der Verstand, zuerst gearbeitet hat am Leibe. Wir verfolgen, wie der Verstand drinnen am Leibe arbeitet und allmählich den Leib organisiert, bis die Zähne herausgestoßen sind.
Und so kann man es immer weiter und weiter machen und kann zum Verständnis des ganzen menschlichen Leibes aus dem Geistig-Seelischen

Ik vat nu iets voor u samen wat, zoals ik zei, het resultaat is van meer dan dertig jaar onderzoek. Je hebt dan op een heel concrete manier in detail vastgelegd hoe de zielenkracht die in de eerste zeven jaar beslist nog niet in zijn oervorm, zijn natuurvorm actief is, aan het lichaam werkt. Zo is dat met onze geesteswetenschap bij alles. Vanuit stringente onderzoeksprincipes spreekt zij over de relatie van ziel en lichaam, niet filosofisch kletsend, maar door concrete feiten hoe iets bepaalds van de ziel, dus in dit geval het verstand, eerst gewerkt heeft aan het lichaam. Wij vervolgen hoe het verstand van binnen aan het lichaam werkt en geleidelijk het lichaam organiseert, tot de tanden tevoorschijn komen zijn.
En zo kan je steeds verder gaan en kan je tot het begrijpen van het hele menselijke lichaam komen vanuit geest en ziel.

blz. 209

heraus kommen. Da werden nicht Theorien aufgestellt über die Wechselwirkung von Seele und Leib. Da wird nicht bloß das unmittelbar in einem Zeitabschnitt vorliegende Menschen­wesen angeschaut, sondern das ganze menschliche Wesen wird ver­folgt. Man kann nicht fragen: Wie wirken Seele und Leib zusam­men von der Geburt bis zum Zahnwechsel? Denn dasjenige, was da gewirkt hat, erscheint äußerlich erst vom siebenten bis zum vier­zehnten Lebensjahr. Dann beginnt wiederum eine neue Epoche. Und so wird Stück für Stück aus der Geisteswissenschaft heraus studiert, was dieser Mensch eigentlich ist. Das ergibt dann nicht jene abstrakte, jene graue Theorie vom Menschen, die man heute gewohnt ist, in den gebräuchlichen Lehr- und Handbüchern zu finden; das gibt etwas, was uns so mit der Erkenntnis erfüllt, wie wir in einem individuellen, persönlichen Verhältnis von etwas er­füllt werden, was uns im Leben entgegentritt und uns unmittelbar aus dem Leben heraus interessiert.
Das öffnet den Blick zur Betrachtung des werdenden Menschen, des Kindes: wie die Seele des Kindes sich immer mehr und mehr ausgestaltet im äußeren Leibe.

Hier worden geen theorieën opgesteld over de wisselwerking van ziel en lichaam. Hier wordt niet gekeken naar wat direct waargenomen kan worden in een bepaalde leeftijd van een mensenwezen, maar het totale mensenwezen wordt gevolgd. Je kan niet vragen: hoe werken ziel en lichaam samen vanaf de geboorte tot de tandenwisseling? Want wat daar werkzaam was, verschijnt pas uiterlijk vanaf het zevende jaar tot het veertiende. Dan begint er weer een nieuwe fase. En zo wordt deel voor deel vanuit de geesteswetenschap bestudeerd wat deze mens eigenlijk is. Dat levert dan niet die abstracte, die saaie theorie op over de mens die je tegenwoordig gewend bent in de gangbare leer- en handboeken te vinden; het geeft ons wel zoiets als wat ons zo met kennis vervult als wanneer wij in een individuele, persoonlijke relatie van iets vervuld zijn, wat we in het leven ontmoeten en wat ons direct vanuit het leven interesseert.

Und das durchfeuert den Willen, in der pädagogisch richtigen Weise an dieses werdende Kind heranzu­gehen. Da erlangt man dann die Fähigkeit, sich zu sagen, wie das werdende Kind eigentlich steht zu dem, was ihm dargeboten werden soll.
Sehen Sie, wir lehren unsere Kinder Lesen und Schreiben. Wenn man absieht von gewissen Urzeiten der Menschheit, in denen Le­sen und Schreiben noch sehr nahe war dem menschlichen Empfin­den – ich erinnere nur an die alten Bilderschriften -, und wir auf unsere Zeiten, auf unsere Zivilisationszeiten blicken – und das müssen wir ja, in denen leben wir und haben wir zu erziehen -, ja, was sind denn unsere Schriftzeichen, was sind unsere Buchstaben anderes als etwas, was dem ursprünglich-elementaren kindlichen Erleben sehr ferne steht! Das Kind wird ja eigentlich in eine ihm ganz fremde Welt eingeführt, wenn es Lesen und Schreiben lernen soll. Mit dem Rechnen ist es nicht so, denn das liegt mehr im Menschen. Zählen ist etwas viel mehr dem Ursprünglich-Elementaren

En dat spoort de wil aan om op een pedagogisch juiste manier met het wordende kind om te gaan. Dan krijg je het vermogen te zeggen hoe het wordende kind eigenlijk staat t.o.v. wat hem aangereikt moet worden.
We leren onze kinderen lezen en schrijven. Wanneer je afziet van bepaalde oertijden van de mensheid waarin lezen en schrijven nog heel dicht bij de menselijke beleving stond – ik herinner u even aan de oude beeldschriften – en wanneer we dan naar onze tijd kijken, naar onze beschavingstijd – en dat moeten we wel doen want we leven erin en moeten erin opvoeden, wat zijn dan onze schrifttekens, wat zijn onze letters dan anders dan iets wat verre staat van het oorspronkelijk-elementaire beleven van het kind! Het kind wordt eigenlijk in een hem totaal vreemde wereld binnengeleid, wanneer het moet leren lezen en schrijven. Met rekenen is dat niet zo, want dat ligt meer in de mens zelf. Tellen hoort veel meer bij het oorspronkelijk-elementaire

bolz. 210

der Menschenseele Naheliegendes als gerade Lesen und Schreiben. Die Schrift hat sich weiterentwickelt, und aus den Bil­dern sind Zeichen geworden, durch die man wie in eine fremde Welt hineinkommt. Nun haben wir aus ganz wesentlichen Erkenntnissen der Men­schennatur heraus für unseren Waldorf-Lehrplan das in Aussicht genommen, daß das Kind, indem es gerade im Anfang volksschul­mäßig erzogen und unterrichtet wird, aus dem künstlerischen Er­fassen der Schrift heraus das Schreiben lernt und dann aus dem Schreiben das Lesen. Also wir bringen an das Kind nicht die fremdartigen Schriftzeichen heran, sondern wir suchen aus der Kindesnatur – die uns geisteswissenschaftlich die Anleitung gibt, sie genauer zu erkennen – heraus die Art und Weise: Wie möchte sich die Hand bewegen? Was erlebt die Hand, wenn sie einen Strich, eine Handlung vollzieht? Wir lassen das Kind zeichnen. Wir lassen das Kind dasjenige entwickeln, was mit seinem Elementari­schen zusammenhängt; und daraus entwickeln wir erst die Schrift­zeichen. Also wir gehen vom Leben aus und führen zum Abstrak­ten hin. Wir vermeiden überall, das Intellektualistische irgendwie in den Vordergrund zu stellen. Wir gehen vom Leben aus.

wat dichter bij de ziel van de mens staat dan lezen en schrijven. Het schrift is verder tot ontwikkeling gekomen en uit de beelden zijn tekens ontstaan waardoor je in een vreemde wereld binnengaat.
We hebben nu uit heel wezenlijke kennis van de mensennatuur voor ons vrijeschoolleerplan in ogenschouw genomen dat het kind wanneer het met name in het begin van de basisschool opgevoed wordt en onderwijs krijgt, het schrijven leert uit een kunstzinnig begrijpen van het schrift en van daaruit schrijven en lezen leert. Dus we geven het kind niet de vreemde schrifttekens, maar we zoeken vanuit de natuur van het kind – die wij vanuit de geesteswetenschap preciezer willen leren kennen – het hoe en waarom. Hoe zou de hand zich moeten bewegen? Wat beleeft de hand wanneer die een lijn trekt, een handeling verricht? We laten het kind tekenen. We laten het kind ontwikkelen wat in essentie bij hem hoort; en daaruit ontwikkelen we pas het letterteken. Dus we gaan van het leven uit en komen bij het abstracte aan. We vermijden overal dat het intellectualistische op de eerste plaats komt. We gaan van het leven uit.

Und auch so gehen wir vom Leben aus, daß wir zum Beispiel in den Lehrplan hinein nicht jene, von manchem so wohltätig emp­fundene Abwechslung bringen, daß jede Stunde etwas anderes ge­trieben wird, sondern wir treiben irgendeinen Gegenstand in den hauptsächlichsten Schulstunden so lange, bis ihn das Kind be­herrscht, bis das Kind drinnen ist in der Sache. Wir haben daher nicht den stundenmäßigen Lehrplan, sondern für die hauptsäch­lichsten Schulfächer haben wir einen Lehrplan, der etwa durch drei Monate bei dem Gleichen bleibt. Natürlich ist davon ausgeschlos­sen das Sprachenmäßige und so weiter.
Und dann versuchen wir, alles dasjenige, was zu lernen ist, ge­nau in den Zeitpunkt hineinzustellen, in dem das Kind die Sache aus sich selbst heraus entwickeln kann. Wir versuchen zum Beispiel alles das zu studieren, was nun folgt daraus, daß gewissermaßen dasjenige, was zuerst im Organismus gearbeitet hat, dann aufhört

En we gaan ook zo van het leven uit, dat wij bv. in het leerplan niet die, door velen zo als weldadig ervaren afwisseling invoeren dat ieder uur iets anders wordt gedaan, maar wij staan in de belangrijkste schoolurennet zo lang bij een onderwerp stil, tot het kind het beheerst, tot het kind erin thuis is. Daarom hebben wij geen urenrooster, maar voor de belangrijkste schoolvakken hebben we een leerplan dat ongeveer gedurende drie maanden [3] bij hetzelfde stilstaat. Natuurlijk zijn de talen enz. daarvan uitgesloten. En dan proberen we alles wat er aangeleerd moet worden, precies op dat ogenblik te doen waarop het kind zoiets vanuit zichzelf kan ontwikkelen. Wij proberen bv. alles te bestuderen wat volgt op wat in zekere zin eerst actief was in het organisme, dan bij

blz. 211

zu arbeiten beim Zahnwechsel, indem das von Jahr zu Jahr im achten, neunten, zehnten Jahr herauskommt. Wir verfolgen, was wir etwa vom Rechnen beibringen können in einem bestimmten Jahr; was wir von den allerersten Anfangsgründen aus der Natur­beobachtung, aus dem Geschichtsleben dem Kinde beibringen können. Wir versuchen wahr zu machen, was heute vielfach gesagt wird, was aber abstrakt bleiben muß. Die Pädagogik, die wir heute haben, soll gar nicht kritisiert werden. Ich schätze dasjenige, was an theoretischer Pädagogik und an Anleitungen zum Pädagogischen vorhanden ist, außerordentlich hoch. Ich glaube nicht, daß wir da etwas Wesentliches hinzufügen können. Aber worin wir, weil es ein Lebendiges ist, aus der Geisteswissenschaft etwas hinzufügen können, das ist in der Erweckung des pädagogischen Handgriffes, des Didaktischen, in der Verwertung der genauen Menschen-erkenntnis beim Kinde. So kann man sorgfältig studieren, wenn einen die Erkenntnisse der Geisteswissenschaft anleiten, wie um das neunte Lebensjahr herum wiederum ein ganz wichtiger Ab­schnitt in der kindlichen Seele ist. Bis dahin ist eigentlich das Kind immer in einer solchen Verfassung, daß es sich von der Umwelt nicht wesentlich unterscheidet. 

de tandenwisseling ophoudt actief te zijn, wanneer dat jaar voor jaar in het achtste, negende, tiende jaar naar buiten komt. Wij volgen wat we bv. van rekenen in een bepaald jaar kunnen aanleren, wat we van de allereerste beginregels bij het waarnemen van de natuur, van het geschiedenisleven de kinderen kunnen bijbrengen. We proberen waar te maken, wat tegenwoordig veel wordt gezegd, wat echter abstract moet blijven. De pedagogie die we tegenwoordig hebben, moet helemaal niet bekritiseerd worden. Ik schat wat aan theoretische pedagogiek en aan pedagogische richtlijnen voorhanden is, buitengewoon hoog in. Ik geloof niet dat we daar wezenlijk iets aan kunnen toevoegen. Maar waarin wij, omdat het iets levends is, uit de geestgeswetenschap kunnen toevoegen: het doen ontstaan van pedagogische handgrepen, van iets didactisch, in het toepassen van exacte menskunde bij het kind. Zo kan je zorgvuldig bestuderen, wanneer kennis van de geesteswetenschap iemand daartoe aanzet, hoe er rond het negende jaar weer een heel belangrijk ontwikkelingsmoment in de kinderziel plaatsgrijpt. Tot die tijd leeft het kind eigenlijk in een dergelijke sfeer waarin hij geen wezenlijk onderscheid maakt tussen zichzelf en de omgeving.

Um das neunte Jahr herum fängt das Kind an, sich soweit von der Umwelt zu unterscheiden, daß wir von da ab anfangen, über die Pflanzen und Tiere mit ihm ganz anders als vorher zu reden. Und der Geschichtsunterricht sollte überhaupt nur in marchenhafter und legendenhafter Weise, in bild­hafter Weise vorher getrieben werden. Er sollte überhaupt – auch in den ersten Anfangsgründen – erst getrieben werden, nachdem das Kind sich unterscheiden gelernt hat von der Umwelt, also so um das neunte Jahr herum. So wird aus dieser prinzipiellen Menschenerkenntnis heraus, die wir anstreben durch Geisteswissenschaft – nicht nur im allgemein Pädagogischen und Didaktischen -, dasjenige, was uns zeigt, was wir Tag für Tag der Wesenheit des werdenden Menschen wegen an diesem Menschen zu vollbringen haben. Aber das alles hat noch immer einen Anstrich von Denken, von Ideenhaftem. Etwas wesentlich Wichtigeres ist noch das andere.

Rond het negende jaar begint het kind zich in zoverre van zijn omgeving te onderscheiden, dat we vanaf dat ogenblik beginnen over de planten en dieren te spreken, op een heel andere manier dan daarvoor. Daarvóór moet geschiedenisles alleen maar op een sprookjesachtige en legendenachtige manier, op een beeldende manier worden gegeven. Dat zou eigenlijk – ook met de eerste beginmotieven – pas gegeven moeten worden, nadat het kind geleerd heeft zich van de buitenwereld te onderscheiden, dus rondom het negende jaar.
Zo ontstaat uit deze principiële mensenkennis die wij door geesteswetenschap nastreven – niet alleen algemeen pedagogisch en didactisch – datgene wat ons laat zien wat wij dag voor dag door het wezen van de wordende mens met deze mens te doen hebben. Maar dit alles heeft nog steeds de schijn van denken, van iets ideëels.
Iets wat wezenlijk belangrijker is, is nog iets anders.

blz. 212

Denken Sie nur einmal nach, was es für die Erziehung heißt, wenn man auf dem Standpunkt steht: Wir haben im Menschen bloß das höchste Wesen der Tierreihe vor uns, und wir haben das in ihm zu entwickeln, was er durch die physische Geburt mitbekommt. Durch die Geisteswissenschaft geht der Lehrer dagegen von der Grundlage aus: Aus der geistigen Welt ist ein geistig-seelisches Wesen heruntergestiegen; es hat sich in einem Menschenwesen physischer Art verkörpert. Es hat Geistiges aus der geistigen Welt gebracht und mit dem verbunden, was aus der Vererbungs­strömung herstammt. Wir haben dieses ganze lebendige Menschen-rätsel vor uns und haben an seinem Werden zu arbeiten. – Wie überkommt einen da eine ungeheure Ehrfurcht vor dem werden­den Menschen! Denn ehrfurchtgebietend steht vor uns, was uns die Götter vom Himmel zur Erde heruntergeschickt haben.
Und das zweite Gefühl, was uns beschleicht, wenn wir dem Kinde gegenüberstehen, das ist ein ungeheures Verantwortungs­gefühl; aber ein Verantwortungsgefühl, das uns trägt, das uns wirk­lich Kraft und Wollen gibt zum Erziehen und zum Unterrichten.

Denk eens na wat het voor de opvoeding betekent, wanneer je op het standpunt staat: we hebben in de mens alleen maar het hoogste wezen van de dieren voor ons en we moeten bij hem ontwikkelen wat hij door zijn lichamelijke geboorte meekrijgt. Door de geesteswetenschap gaat de leraar daarentegen van de grondregel uit: vanuit de geestelijke wereld is een geest-zielenwereld neergedaald; dat heeft zich in een fysiek mensenwezen belichaamd. Het heeft uit de geestelijke wereld iets geestelijks meegebracht en daarmee verbonden wat uit de erfelijkheidsstroom komt. Dit totale levende mensenraadsel staat voor ons en wij moeten aan zijn wording werken.
Wat krijg je dan een ongekende eerbied voor de wordende mens! Want wat de hemelse goden naar de aarde gestuurd hebben, staat voor ons en gebiedt ons eerbied.
En het tweede gevoel dat ons bekruipt, wanneer we tegenover het kind staan, is een ongekend verantwoordelijkheidsgevoel; maar een verantwoordelijkheidsgevoel dat ons draagt, dat ons werkelijk kracht geeft en de wil tot opvoeden en onderwijzen.

Es ist also das etwas, was lebendig in den Menschen hineinfahren kann. Ich möchte nicht mißverstanden werden, ich meine: was als Leben – nicht als Theorie, nicht als theoretische Pädagogik, nicht als lehrhafte Pädagogik – in den Menschen hineingeht, das ist dasjenige, was uns durch Geisteswissenschaft zukommt. Denn Geisteswissenschaft will [nicht] nur in den Ideen wiedergeben das allgemeine Weltenleben; sie will den Menschen teilhaftig werden lassen an diesem allgemeinen Weltenleben. Deshalb spielen bei dem aus der Geisteswissenschaft hervorgehenden pädagogischen Tun Dinge eine Rolle, die man eigentlich erst bemerkt, wenn man auf dieses Geisteswissenschaftliche sich einläßt.
Wir kommen oftmals in die Lage, den Kindern irgend etwas zu sagen, was zunächst, wenn wir es ihnen in Begriffen beibringen, über ihr Verständnis hinausgeht. Nehmen wir an, wir wollen einem Kinde das Wesen der unsterblichen Menschenseele beibringen. Wer Erfahrung hat, weiß, wie schwierig das ist, wenn man die Sache verantwortungsvoll und ehrfurchtsvoll nehmen will. Nehmen

Dat is iets wat levendig in de mens post vatten kan. Ik zou niet graag verkeerd begrepen worden, ik bedoel: wat als leven – niet als theorie, niet als theoretische pedagogie, niet als didactische pedagogie – in de mens post vat, is wat we krijgen door geestgeswetenschap. Want geesteswetenschap wil niet alleen maar het algemene wereldleven in de ideeën weergeven; ze wil de mens deelgenoot laten worden van dit algemene wereldleven. Daarom spelen bij het pedagogische handelen dat uit de geesteswetenschap stamt, dingen een rol die je eigenlijk pas merkt, wanneer je je bezighoudt met deze geesteswetenschap.
We komen dikwijls in de positie dat we de kinderen iets zeggen, wat aanvankelijk, wanneer we hen dat in begrippen aanleren, boven hun begrip uitgaat. Laten we aannemen dat we een kind het wezen van de onsterfelijke mensenziel willen bijbrengen. Wie ervaring heeft, weet hoe moeilijk dat is, wanneer je dit met verantwoording en met eerbied wil. Laten we

blz. 213

wir an – ich will von einem Vergleich ausgehen -, wir schauen eine Schmetterlingspuppe an. Wir sagen zu dem Kinde: Sieh, der Schmetterling fliegt heraus aus dieser Puppe; den Schmetterling siehst du, wenn er aus der Puppe kommt. So ist es auch mit der Menschenseele; die Menschenseele verläßt die Puppe des Leibes im Moment des Todes. Diese Seele kannst du nur nicht sehen. – Ein Bild stellt sich vor die Kinder hin. Die Menschen denken nun oftmals, wenn einer dies so macht, sei es dasselbe, als wenn es ein anderer so macht. Geisteswissenschaft zeigt uns, daß das nicht so ist. Wenn ich aus meiner Gescheitheit heraus erst nachzudenken habe, um darauf zu kommen, daß die Schmetterlingspuppe mit dem herausfliegenden Schmetterling ein Bild für die unsterbliche Menschenseele ist, wenn ich, weil das Kind dümmer ist als ich, mir das Bild zusammenstopple und es ihm bringe, damit es die Unsterblichkeit verstehen kann – wenn man mit dieser Gesinnung an das Kind herangeht, bringt man die Sache dem Kinde nicht bei. Nur, wenn man selber an das Bild glaubt, bringt man auch dem Kinde das Richtige bei. Und ich gestehe Ihnen offen: aus der Geisteswissenschaft heraus ist das für mich kein zusammengestoppeltes Bild, sondern da ist es eine Tatsache; die Menschenseele macht das durch, was der Schmetterling im Bil­de zeigt.

eens aannemen – ik wil van een vergelijking uitgaan -, we kijken naar een vlinderpop. We zeggen tegen het kind: kijk, de vlinder vliegt uit deze pop naar buiten; de vlinder zie je, wanneer die uit de pop komt. Zo is het ook met de ziel van de mens; de mensenziel verlaat de pop van het lichaam op het ogenblik van de dood. Alleen, deze ziel kan je niet zien. Nu staat er een beeld voor het kind. De mensen denken nu dikwijls, wanneer iemand dit zo doet, is dat hetzelfde als wanneer iemand anders dat doet. Geesteswetenschap laat ons zien, dat dat niet zo is. Wanneer ik uit mijn schranderheid eerst moet nadenken om erop te komen dat de vlinderpop met de wegvliegende vlinder een beeld is voor de onsterfelijke mensenziel, wanneer ik, omdat het kind dommer is dan ik, het beeld in elkaar flans en het dan aan hem geef, zodat het de onsterfelijkheid kan begrijpen – wanneer je met deze stemming het kind benadert, breng je de zaak het kind niet bij. Alleen wanneer je zelf in het beeld gelooft, breng je het kind ook het juiste bij. En ik beken u ronduit: vanuit de geesteswetenschap is dit voor mij niet een in elkaar geflanst beeld, maar het is daar een feit; de mensenziel maakt dat door, wat de vlinder in het beeld laat zien.

Und nicht mein Verstand hat in diesem Schmetterling das Bild gefunden für die Unsterblichkeit, sondern: auf einer unteren Naturstufe steht ganz derselbe Vorgang da. Durch die Natur, durch den Geist der Natur selbst ist das Bild gemacht. Nicht ich mache das Bild, sondern ich glaube, daß die schöpferischen Kräfte der Natur in dem Ausfliegen des Schmetterlings dasselbe hinstellen wie die Menschenseele, die aus dem Leibe geht. Ich glaube nicht: das Kind ist dumm und ich bin gescheit, sondern ich stelle mich auf dieselbe Stufe, weil ich ehrlich mir dasjenige errungen habe im Bewußtsein, was ich dem Kinde sage. In demselben Maße und in derselben Art, wie ich es dem Kinde beibringen will, muß ich es glauben. Dann ist da etwas Imponderables, dann ist es wirklich meine Seele und die Kindesseele, die in diesem Momente noch durch ganz andere Kräfte miteinander verbunden sind als durch die

En niet mijn verstand heeft in deze vlinder het beeld gevonden voor de onsterfelijkheid, maar: op een ander natuurniveau bevindt zich dit hele zelfde proces. Door de natuur, door de geest van de natuur zelf is dit beeld gemaakt. Niet ik maak dit beeld, maar ik geloof dat de scheppende krachten in de natuur in het uitvliegen van de vlinder hetzelfde neerzetten als de menselijke ziel die het lichaam verlaat.
Ik geloof niet dat het kind dom is en ik ben niet knap, maar ik begeef me op hetzelfde niveau, omdat ik eerlijk met inspanning in mijn bewustzijn heb gekregen wat ik tegen het kind zeg. In dezelfde mate en op dezelfde manier zoals ik het het kind wil bijbrengen, moet ik het zelf geloven. Dan bestaat er iets imponderabels, dan is het werkelijk mijn ziel en die van het kind die op dit ogenblik nog door heel andere krachten met elkaar zijn verbonden dan door de

blz. 214

Worte, die in Begriffen und Gedanken und Theorien leben. Dieses Verbundensein mit der werdenden Kindesseele durch solche Din­ge, das ist es, worauf es oftmals ankommt.
Und wiederum sehen wir, wie in der letzten Zeit manches in einseitiger Weise mißverstanden worden ist. Man hat immer mehr und mehr danach gestrebt, dem Kinde dasjenige beizubringen, was es verstehen kann. Aber dadurch kommt man ja immer mehr und mehr in die furchtbarste Trivialität hinunter. Man denke nur dar­über nach, wie banal man die Dinge vorbringen müßte, wie ge­wöhnlich, um sie dem Kinde verständlich zu machen! Und wenn man die methodischen Lehrbücher daraufhin anschaut, die darstel­len, wie man die Dinge behandeln soll, was für Banalitäten man dem Kinde zumuten soll – es ist zum Die-Wände-Hinaufkriechen!
Man weiß eben eines nicht, das für das Menschenleben so wich­tig und bedeutungsvoll ist. Lernt man das Menschenleben kennen, so ist es doch so: Man erinnert sich zuweilen, vielleicht mit fünf­unddreißig Jahren, an etwas, was man vielleicht im achten Jahr gelernt hat. Hat man es richtig gelernt, aus dem richtigen Geiste heraus, so weiß man es so deutlich, als wenn es gestern geschehen wäre.

woorden die in begrippen en gedachten en theorieën leven. Deze verbondenheid met de wordende kinderzielen door dergelijke dingen: daar komt het dikwijls op aan.
En we zien weer hoe de laatste tijd veel op een eenzijdige manier verkeerd begrepen is. Men heeft er steeds meer naar gestreefd het kind bij te brengen wat het kan begrijpen. Maar daardoor kom je steeds meer uit bij de vreselijkste trivialiteit. Je hoeft er maar aan te denken hoe banaal je de dingen zou moeten brengen zoals dat gewoonlijk gaat, om ze het kind duidelijk te maken! En wanner je de de methodiekboeken erop naslaat hoe je de dingen moet behandelen, welke banaliteiten je het kind moet meegeven – dat is om uit je vel te springen!

Eén ding weet men niet, wat voor het mensenleven zo belangrijk en betekenisvol is. Wanneer je het mensenleven leert kennen, dan is het toch zo: soms herinner je je, misschien wanneer je vijfendertig bent, iets van wat je misschien op je achtste geleerd hebt. Heb je het goed geleerd, vanuit de juiste stemming, dan weet je dat net zo goed, als was het gisteren gebeurd.

Man erinnert sich auch: Das hast du nicht verstanden, das hast du auf Autorität hin angenommen. – Du hast das gefühlt: Ich bin jünger, der Lehrer ist älter, der versteht es, ich verstehe es nicht. Jetzt, mit fünfunddreißig Jahren, kommt das Ganze wieder herauf. Jetzt verstehst du es dadurch, daß du reifer geworden bist. Wenn einmal die Menschen schätzen werden, was das bedeuten kann, wenn man sich im späteren Leben durch eigene Reife befähigt fühlt, etwas zu verstehen, was man früher nur geglaubt hat, weil man den Menschen geschätzt hat, der es einem sagte, weil der ei­nem Autorität war – wenn das einmal die Menschen begreifen werden, dann werden sie auch schätzen können, was es heißt, daß Geisteswissenschaft sagt: Man muß hinschauen auf das werdende Kind bis zum siebenten Jahr ungefähr, da findet man, daß das Kind vor allen Dingen ein Nachahmer ist. Es tut alles das, was seine Umgebung tut. Das ist ein Grundgesetz der sich in diesen Jahren entwickelnden Menschennatur. Da kann man nicht durch Ermahnungen

Je herinnert je ook: dit heb je niet begrepen, dit heb je aangenomen op gezag. Je hebt het gevoel: ik ben jonger, de leraar is ouder, hij begrijpt het, ik begrijp het nog niet. Nu, met vijfendertig jaar, komt alles weer boven. Nu begrijp je het omdat je rijper geworden bent. Wanneer de mensen eens zouden waarderen wat het kan betekenen als je op latere leeftijd door je eigen volwassenheid je in staat voelt iets te begrijpen van wat je vroeger alleen maar aannam, omdat de mens naar waarde schatte wat iemand hem zei, omdat deze een autoriteit was – als de mens dat eenmaal eens zou begrijpen, dan zouden ze ook kunnen waarderen wat het betekent dat de geesteswwetenschap zegt: je moet naar het wordende kind kijken tot ongeveer het zevende jaar, dan zie je dat het kind vooral een nabootser is. Het doet alles na wat zijn omgeving doet. Dat is een basale wet in de ontwikeling van de zich ontwikkelende mens in deze jaren. Je kan niet door vermaningen opvoeden,

blz. 215

erziehen, sondern nur durch das Vorbild, bis in die Gedan­ken hinein. Wer unreinliche Gedanken in der Kinderstube hat, wirkt schlecht auf die Kinder. Denn die Seelen haben einen unter­bewußten Zusammenhang. Also bis zu den Gedanken hin wird von dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin alles nachahmend erlebt und nachahmend dem ganzen Menschenwesen einverleibt.
Dann aber beginnt mit dem Zahnwechsel, mit dem Eintreten des Verstandesteiles der Seele, dasjenige, was die Menschenseele bis zur Geschlechtsreife will: Hingabe an eine verehrte Autorität. Beson­ders unserer Zeit sollte das gesagt werden, daß das einem mensch­lichen Entwicklungsgesetz entspricht. Das Kind kann deshalb Wahrheiten aufnehmen in dieser Zeit, weil es sieht: die verehrte Autorität hängt an diesen Wahrheiten. Wer das nicht erlebt hat, ungefähr vom siebenten bis zum vierzehnten Jahr aus dem Autoritätsgefühl heraus Wahrheiten aufzunehmen, der steht später kaum als ein selbständiger und freier Mensch im Leben drinnen, denn er hat in seinem Menschenwesen nicht das richtige Verhältnis von Mensch zu Mensch entwickelt!

maar alleen door het voorbeeld, tot in de gedachten aan toe. Wie in de kinderkamer onzuivere gedachten heeft, werkt slecht op de kinderen in. Want de zielen hebben een onderbewuste verbinding. Dus tot in de gedachten wordt door het kind tot de tandenwisseling alles nabootsend beleefd en nabootsend in het mensenwezen opgenomen.
Dan echter begint met de tandenwisseling, met het optreden van de verstandsdelen van de ziel, wat de mensenziel tot aan de puberteit wil: zich richten op een vereerde autoriteit. In het bijzonder in onze tijd moet worden gezegd, dat dit in overeenstemming is met een menselijke ontwikkelingwet. Het kind kan dus in deze tijd waarheden in zich op nemen, omdat het ziet: de vereerde autoriteit is aan deze waarheden gehecht. Wie ongeveer vanaf het zevende tot het veertiende jaar niet heeft beleefd, waarheden in zich op te nemen, vanuit het gevoel voor autoriteit, staat later nauwelijks als een zelfstandig en vrij mens in het leven, want hij heeft in zijn menselijk wezen niet de juiste relatie van mens tot mens ontwikkeld.

Daher geht als Grundimpuls durch unsere Pädagogik: die päd­agogische und didaktische Erziehung bis zum siebenten Jahr durch Nachahmung. Es sieht sich dann der Lehrer der Volksschulzeit bis zum vierzehnten Jahr so auf sich selbst gestellt, daß er die selbst­verständliche Autorität ist. Es hat eine ungeheure Bedeutung für das Leben, wenn man sich später erinnern kann: Durch eigene Reife hast du jetzt etwas errungen, was in der Schulzeit veranlagt war. Das gibt eine besondere Kraft. Da wirkt die Schule und Erzie­hung in das spätere Leben hinein, wenn der Lehrer durch selbstver­ständliche Autorität das dem Kind beibringt, was es erst später versteht. Es ist im allgemeinen leicht und für die oberflächliche Betrachtung einleuchtend: Man will dem Kinde nur beibringen, was es versteht. Dann macht man aber die Menschen früh alt. Man zerstört das Leben. Man gibt dem Menschen nicht das richtige Erdengut für das spätere Leben.
Durch diese Wahrheiten wollte ich nur klarmachen, wie nicht aus theoretischer Pädagogik, sondern durch das im lebendigen

Vandaar dat als een grondimpuls door onze pedagogiek gaat: pedagogische en didactische opvoeding tot het zevende jaar: door nabootsing. De leerkracht van de basisschool tot aan het veertiende jaar moet zo zichzelf zijn dat hij de vanzelfsprekende autoriteit is. Voor het leven is het van buitengewone betekenis wanneer je je later kan herinneren: door eigen rijping ben je nu zover met iets gekomen, wat in de schooltijd aangelegd is. Dat geeft een bijzondere kracht. Dán werkt school en opvoeding tot in het latere leven door, wanneer de leraar door vanzelfsprekende autoriteit het kind bijbrengt wat het pas later begrijpt. In het algemeen is het makkelijk en voor de oppervlakkige beschouwing duidelijk: men wil het kind alleen aanleren wat het begrijpt. Dan echter, maak je de mens vroeg oud. Je verstoort het leven. Je geeft de mens niet de juiste aardebagage voor het latere leven mee.
Door deze waarheden wilde ik alleen duidelijk maken hoe er niet vanuit theoretische pedagogiek, maar door dat in de levende

blz. 216

Menschen, was er werden kann durch das Sich-Durchdringen mit der Geisteswissenschaft, im menschlichen Verhältnis eben das­jenige geleistet wird für das Kind, was wir hinzufügen möchten zu dem, was an Großartigem die Pädagogik des 19. Jahrhunderts hervorgebracht hat, in ganz großartige Prinzipien gebracht hat. Geisteswissenschaft möchte aus dem Bedürfnis unserer Zeit heraus das lebendige Leben befruchten, weil sie ja ein Erkennen ist, das den Menschen ganz durchdringt in seiner innersten Wesenheit. Deshalb muß das auch in allen Einzelheiten so durchgeführt wer­den. Aus der unmittelbaren Menschenerkenntnis heraus sollen unsere Pädagogen und Didaktiker wirken. Daher beurteilt derjeni­ge schlecht, was wir wollen, der uns nachsagt, wir wollten ein neues Bekenntnis, eine Weltanschauung in die Schule hineintragen.
In unserer Freien Waldorfschule in Stuttgart, deren oberste Lei­tung mir ja unterstellt ist und die ich von Zeit zu Zeit wiederum zu inspizieren habe, da habe ich, da von mir der Lehrplan und die ganze Konstitution herrührt, von vorneherein gesagt: Das ist un­möglich, daß wir den Inhalt einer Weltanschauung in die Schule hineintragen. Die evangelischen Kinder werden von evangelischen Pfarrern, die katholischen Kinder von katholischen Pfarrern in ih­rem Bekenntnis unterrichtet. 

mens wat hij worden kan doordat hij vervuld raakt van de geesteswetenschap, in de menselijke relatie met het kind bereikt wordt, wat wij zouden willen toevoegen aan wat aan grootsheid de pedagogiek van de 19e eeuw opgeleveerd heeft en aan heel grootse opvattingen heeft gebracht. Geesteswetenschap zou vanuit de behoefte van onze tijd vruchtbaar willen zijn voor het vitale leven, omdat zij een kennen is dat de mens geheel doordringt tot in zijn diepste wezen. Daarom moet dit ook in alle details worden doorgevoerd. Vanuit een practische menskunde moeten onze pedagogen en didactici werken. Daarom beoordeelt degene die ons nadraagt, dat wij een nieuw geloof, een wereldbeschouwing in de school brengen. slecht wat wij willen. [4]
In onze school in Stuttgart waarover ik de leiding heb gekregen en die ik van tijd tot tijd moet inspireren, omdat het leerplan en de hele opbouw van mij komt, heb ik meteen gezegd: het is niet mogelijk dat wij de inhoud van een wereldbeschouwing in de school opnemen. De evangelische kinderen worden door een evangelische dominee, de katholieke kinderen door een katholieke pastoor in hun geloof onderwezen.

Dissidentenkinder können Dissiden­tenkinder bleiben. Wenn dann eine ganze Anzahl von diesen Kin­dern beziehungsweise die Eltern dieser Kinder gekommen sind und uns gesagt haben: Ja, dasjenige, was Ihr die Kinder lehrt, das er­weckt in ihnen das Gefühl, sie müßten auch einen religiösen Impuls empfangen – so sind die Dissidenteneltern gekommen, nicht etwa bloß diejenigen, die in irgendeinem Bekenntnis drinnenstehen; die gegenwärtigen Bekenntnisse bringen es nicht zustande, daß un­mittelbar ein so reges religiöses Bedürfnis entsteht. Wir waren ge­nötigt – weil bei den anthroposophisch erzogenen Kindern aus dem Geiste unseres Unterrichts heraus das religiöse Bedürfnis kam und weil die Dissidenteneltern ihre Kinder in konfessionellen Religionsunterricht nicht schicken wollen -, einen allgemeinen Religionsunterricht einzurichten. Die Kinder, die diesen Unterricht genießen, die hätten sonst überhaupt keinen genossen. Und wie

Afvallige’ kinderen kunnen afvallige kinderen blijven. Toen er dan een groot aantal kinderen, resp. de ouders van deze kinderen naar ons toe zijn gekomen en zeiden: ‘Ja, wat jullie de kinderen leren, wekt bij hen het gevoel dat ze ook een religieuze impuls zouden moeten krijgen – dus op die manier zijn de dissidentenouders gekomen, niet degenen die al bij een of ander geloof hoorden; de kerken van nu krijgen het niet voor elkaar dat er zo’n onmiddellijke religieuze behoefte ontstaat. Wij werden gevraagd – omdat bij de antroposofisch opgevoede kinderen vanuit de geest van ons onderwijs het religeuze gevoel ontstond en omdat de dissidentenouders hun kinderen niet naar het confessionele godsdienstonderwijs wilden sturen, een algemeen godsdienstonderwijs te geven. De kinderen die dit onderwijs krijgen, hadden dat anders niet gekregen. En zoals gezegd,

blz. 217

gesagt, die katholischen Kinder genießen einen katholischen Reli­gionsunterricht, die evangelischen Kinder einen evangelischen. Wir können, weil wir eben nicht eine Weltanschauung in die Schule hineintragen wollen, durchaus im wahren, echten Sinne tolerant sein in dieser Beziehung. Und diese Toleranz trägt in der Praxis wahrlich keine schlechten Früchte. Denn dasjenige, was wir suchen, ist nicht, eine Weltanschauung in die Schule hineinzutragen oder ein Bekenntnis, sondern eine praktische Pädagogik und Didaktik, die aus Geisteswissenschaft und nur aus Geisteswissen­schaft kommen kann. Ein ganz sachliches pädagogisches Interesse haben wir bei der Einrichtung unserer Schule und nicht, Propagan­da zu machen für irgendeine Weltanschauung. Und derjenige, der das letztere behauptet, wir hätten ein Interesse aus unserer Gei­steswissenschaft, für diese Propaganda zu machen, für eine Weltan­schauung Propaganda zu machen, der lügt. Nur derjenige beurteilt das, was wir wollen, richtig, der da weiß, wie wir nichts anderem dienen wollen als dem praktischen Leben durch dasjenige, was diesem Leben gegenüber nicht in weltfremden Fernen steht, son­dern gerade durch diese Erkenntnis, wie ich sie Ihnen eben ge­schildert habe, mit dem praktischen Leben zusammenhängt.

de katholieke kinderen krijgen katholiek godsdienstonderwijs, de evangelische kinderen het evangelische. Wij kunnen, omdat we geen wereldbeschouwing in de school willen brengen, wat dit betreft in de ware, echte zin van het woord beslist tolerant zijn. En deze tolerantie werpt in de praktijk echt geen slechte vruchten af. Want wat wij zoeken, is niet een wereldbeschouwing de school binnen te brengen of een geloof, maar een practische pedagogie en didactiek die uit geesteswetenschap en alleen uit geesteswetenschap kan voortvloeien. Wij hebben een heel zakelijke pedagogische interesse bij de inrichting van onze school en niet om propaganda te maken voor een of andere wereldbeschouwing. En wie dit laatste beweert, als zouden wij erin geïnteresseerd zijn vanuit onze eigen geesteswetenschap propaganda te maken voor een wereldbeschouwing, die liegt. Alleen degene beoordeelt juist wat wij willen, die weet hoe wij niets anders willen dienen dan het practische leven door wat t.o.v. dit leven niet wereldvreemd staat, maar juist door dit weten zoals ik u zojuist geschetst heb, met het practische leven samenhangt.

Daher konnten wir auch in den Lehrplan die Eurythmie aufneh­men als obligatorischen Unterrichtsgegenstand. Sie werden mich nicht für so albern halten, daß ich gegen die segensreiche Wirkung des Turnens, die im 19. Jahrhundert mit Recht hervorgehoben worden ist, etwas einwenden werde. Aber es wird einmal eine Zeit kommen, in der man über diese Dinge etwas objektiver denkt. Dann wird man finden: Ja, das Turnen, es entspricht der Physiolo­gie des Menschen; es bringt diejenigen körperlichen Bewegungen an das Kind, an den Menschen heran, welche dem Studium der menschlichen Körperlichkeit entsprechen. Dazu fügen wir nun -aber nicht, indem wir das Turnen anfechten – unsere Eurythmie.
Was ist diese Eurythmie? Es ist zunächst eine Kunst, wie sie hier in öffentlichen Vorstellungen dargeboten wird. Aber daneben hat sie auch ein hygienisch-therapeutisches und außerdem ein starkes pädagogisch-didaktisches Element in sich. Sie beruht nicht auf irgendwelchen

Vandaar dat wij ook de euritmie in het leerplan konden opnemen als een verplicht vak. U zal mij niet voor zo onnozel verslijten dat ik tegen de zegenrijke invloed van de gymnastiek die in de 19e eeuw met recht naar voren is gekomen, iets ou willen inbrengen. Maar er zal een tijd komen waarin men over deze dingen iets objectiever gaat denken. Dan zal men zeggen: Ja, de gymnastiek is in overeenstemming met de fysiologie van de mens; die brengt het kind, de mens, de lichamelijke bewegingen die in overeenstemming zijn met de studie over het menselijk lichaam. Daar voegen wij nu – maar niet  omdat we de gymnastiek aanvechten – onze euritmie aan toe.
Wat is deze euritmie? Alleereerst een vorm van kunst die hier in openbare voorstellingen uitgevoerd wordt. Maar daarnaast heeft deze ook iets hygiënisch-gezondmakends en bovendien een sterk pedagogisch-didactisch element. Ze berust niet op een of ander

blz. 218

ausgedachten Gebärden – durch zufällige Zusammen­hänge der äußerlichen Gebärden oder der Mimik mit dem, was in der Seele vorgeht -, sondern sie beruht auf dem, was man im sorg­fältigen Studium gewinnen kann durch das, was ich im Sinne Goethes «sinnlich-übersinnliches Schauen» nennen möchte. Wenn man das menschliche Sprachorgan mehr von innen studiert und das, was sich – jetzt nicht an Bewegungen, Modulationsbewegun­gen, sondern an Bewegungsanlagen – vollzieht, durch sinnlich­übersinnliches Schauen erschaut, dann kann man es, ganz nach dem Prinzip der Goetheschen Metamorphosenlehre, auf den ganzen Menschen übertragen. Goethe sieht in der ganzen Pflanze nur ein komplizierter ausgestaltetes Blatt. Was Goethe im Hinblick auf die Formen in seiner Morphologie ausgeführt hat und was erst später einmal geschätzt werden wird, das versuchen wir funktionell in der menschlichen Tätigkeit künstlerisch zur Anwendung zu bringen. Wir versetzen den ganzen Menschenorganismus oder Menschen­gruppen in solche Bewegungen, die abgelesen sind von der Laut-sprache. 

uitgedacht gebaar – door toevallig samengaan van uiterlijke gebaren of mimiek met een gevoel, maar ze berust op wat je door zorgvuldig bestuderen te weten kan komen door wat ik met Goethe ‘zintuiglijk-bovenzintuiglijk’ waarnemen zou willen noemen. Wanneer je het menselijk spraakorgaan van binnenuit bestudeert en door het zintuiglijk-bovenzintuiglijk waarnemen ziet-  niet alleen aan bewegingen, modulatieveranderingen, maar aan de aanzet van de bewegingen – dan kun je, geheel volgens de metamorfoseleer  van Goethe, deze op de hele mens toepassen. Goethe ziet in de totale plant alleen maar een gecompliceerd gevormd blad. Wat Goethe uitgewerkt heeft in zijn morfologie wat betreft de vormen en wat ooit later naar waarde geschat zal worden, proberen wij functioneel in de menselijke activiteit kunstzinnig toe te passen. Het menselijk organisme of een groep mensen laten we bewegingen maken die afgelezen zijn aan de spraakklank.

Das heißt, wir lassen Hände, Beine und den Kopf solche Bewegungen ausführen, die den Bewegungstendenzen des Kehl­kopfes und seiner Nachbarorgane entsprechen. Wir machen sozu­sagen den ganzen Menschen zum Kehlkopf und schaffen so eine tonlose, aber sichtbare Sprache – nicht eine Gebärdensprache, die der Willkür der Phantasie entstammt. Wir schaffen eine Sprache, die wir auf den Menschen und seine Bewegungen übertragen. Sie ist ebenso gesetzmäßig ausgebildet – nur eben durch Studium aus­gebildet – wie von der Natur ausgebildet ist, was vom Kehlkopf und den Nachbarorganen ausgeführt wird.
Und wenn wir nachher, nach einer kurzen Pause, etwas von Kindern vorführen lassen werden, damit auch das pädagogisch-di­daktische Element zum Ausdruck kommt, dann werden Sie sehen, daß diese Eurythmie neben dem, daß sie eine Kunst ist, zu gleicher Zeit ein beseeltes Turnen ist. Jede Bewegung wird nicht ausgeführt aus physiologischer Einsicht, sondern aus der Erkenntnis des Zu­sammenhanges zwischen Körper und Seele. Jede Bewegung ist durchseelt, wie der Laut durchseelt ist. Der ganze Mensch wird

Dat betekent dat we de handen, benen en het hoofd die bewegingen laten uitvoeren die met de bewegingsimpulsen van het strottenhoofd en de aangrenzende organen in overeenstemming zijn. We maken zogezegd de hele mens tot strottenhoofd en creëren op deze manier een geluidloze spraak, maar wel een zichtbare – niet een gebarentaal die uit de willekeur van de fantasie komt. We scheppen een taal die we op de mens en zijn bewegingen overbrengen. Die is dus wetmatig gevormd – juist slechts door studie gevormd – zoals door de natuur gevormd is wat door het strottenhoofd en de aangrenzende organen uitgevoerd wordt. Euritmie is een bezielde gymnastiek. Iedere beweging wordt niet gemaakt door inzicht in het lichamelijke, maar uit de kennis van de samenhang tussen lichaam en ziel. Iedere beweging is bezield, zoals de klank bezield is. De hele mens wordt

blz. 219

zum Sprachorgan. Daher tritt da auch zutage, was in der Dichtung künstlerisch gestaltet werden kann. Heute haben die Menschen keine Ahnung davon, daß der Prosainhalt nicht die Hauptsache ist in bezug auf die Dichtung. Es wird ja heute überhaupt neunund­neunzig Prozent zuviel gedichtet! Dasjenige, was Dichtung ist, beruhte entweder in Goethescher Art auf Gestaltung der Sprache, oder auf dem Rhythmus der Sprache – man braucht nur auf Schiller hinzuweisen; man könnte viele andere Beispiele anführen. Schiller sagte, Gedichte wie zum Beispiel «Der Taucher» oder «Der Spa­ziergang» hätten nicht zuerst prosamäßig in seiner Seele gelebt, sondern etwas wie Musik, etwas wie ein Bild, etwas Visionäres lebte in ihm. Und aus diesem Wortlos-Melodiösen, aus dem Wort­los-Bildlichen haben Schiller und auch Goethe erst die Worte ge­bildet, haben sie gleichsam angefügt an das Wortlose oder Musika­lische oder innerlich Plastische. Und so sind wir auch, wenn zum Beispiel rezitiert werden muß, genötigt, auf das Rhythmische der gewöhnlichen Sprache zurückzugehen. Denn Sie werden hören,

tot spraakorgaan. Daardoor wordt ook duidelijk wat er in het dichten kunstzinnig tot stand kan worden gebracht. Tegenwoordig hebben de mensen er geen idee van dat de proza-inhoud niet het belangrijkste van het gedicht is. Tegenwoordig wordt er zeker negenennegentig procent te veel gedicht. Wat dichten is berustte of op het vormen van taal op de manier van Goethe, of op het ritme van het spreken – je hoeft maar op Schiller te wijzen; je zou vele andere voorbeelden kunnen geven. Schiller zegt dat hij gedichten zoals bijv. ‘Der Taucher’ of ‘Der Spaziergang’ niet eerst als proza beleefde, maar enigszins als muziek, of als een beeld, iets visionairs in hem. En uit dit woordenloos-melodieuze, uit deze woordloze verbeelding vormden Schiller en ook Goethe pas de woorden, voegden ze a.h.w. toe aan dat woordloze of muzikale of innerlijke beeld. En daarom zijn ook wij wanneer er bijv. gereciteerd moet worden, genoodzaakt terug te vallen op het ritme van de gewone spraak. Want u zal horen

daß die eurythmische Vorstellung – wie ich sagte, der Mensch als lebendiger Kehlkopf vor Ihnen auf der Bühne sich bewegend – auf der einen Seite durch Rezitation, auf der anderen Seite durch Musik begleitet sein wird. Man kann es auch begleiten von dem, was man nicht ausdrückt mit der Dichtung. Dann muß aber nicht so rezitiert werden, wie in unserem unkünstlerischen Zeitalter rezitiert wird, wenn man eben den Inhalt der Dichtung aus dem Untergrund der Seele herausholt, sondern dann muß gerade Takt und Rhythmus und die Zusammenhänge, die gestaltet sind im Reim, also das eigentlich Künstlerische, in der Rezitation zum Ausdrucke kom­men. Denn mit dem gewöhnlichen heutigen unkünstlerischen Re-zitieren könnte man die Eurythmie nicht begleiten. Daher wird die Eurythmie auch gesundend zurückwirken auf das, was in unseren übrigen Künsten im Rückgang ist. Vor allen Dingen wird es Sie gewiß interessieren, daß die Eurythmie ein pädagogisch-didaktisches Element in sich hat. Das Turnen ist etwas Ausgezeichnetes für den Menschen, aber es ent­wickelt nur den äußeren, physischen Organismus. Eurythmie als

dat de voorstelling – zoals ik zei, de mens als levend strottenhoofd voor u op het toneel zich bewegend – aan de ene kant door recitatie, aan de andere kant door muziek begeleid wordt. Je kan het ook begeleiden* met wat je niet tot uitdrukking brengt in een gedicht. Dan moet er echter niet zo gereciteerd worden zoals dat in onze onkunstzinnige tijd gebeurt, wanneer men de inhoud van een gedicht uit de onbewuste ziel naar bovenhaalt, maar dan moeten juist maat en ritme en de samenhang met het rijmen, dus eigenlijk het echte kunstzinnige, in het reciteren tot uitdrukking komen. Want met het gebruikelijke onkunstzinnige reciteren van tegenwoordig kan je geen euritmie begeleiden. Vandaar dat de euritmie ook gezondmakend terug kan werken op wat in onze andere kunsten achteruit gaat. Bovenal zal het u interesseren dat de euritmie een pedagogisch-didactisch element bevat. Gymnastiek is iets uitstekends voor de mens, maar ontwikkelt alleen het uiterlijk, fysiek organisme. Euritmie als

*Je kan het ook begeleiden: deze niet helemaal te begrijpen zin stond zo in de bewoordingen van mevrouw Hummel. Ook het ernaast leggen van de originele stenotekst gaf geen bevredigende oplossing omdat de twee woorden tussen ‘wat….uitdrukt, onleesbaar zijn.

blz. 220

obligatorischer Gegenstand in der Schule wirkt vor allen Dingen auf dasjenige, was ich nennen möchte die Willensinitiative, die Selbständigkeit der menschlichen Seele. Und das ist dasjenige, was wir eigentlich für das nächste Zeitalter der Menschheit brauchen. Wer hineinschaut in das heutige Chaos unserer sozialen Zustände, der weiß, daß den Menschen vor allen Dingen diese Seeleninitiative fehlt.
Ich sagte schon, der Lehrer und der Erzieher können nicht aus­kommen ohne das Bewußtsein, das sie mit Ehrfurcht erfüllen kann, aber auch mit Verantwortung: daß er zu arbeiten hat an den Seelen, die aus der geistigen Welt kommen, aber so, daß sich die nächste Generation in einer richtigen Weise in die Welt hineinstellt. Wer die heutige Zeit ansieht, der fühlt schon, wie wichtig es ist, was wir als nächste Generation in die Welt hineinstellen. Und deshalb hat man eine solche innere Befriedigung, wenn man sehen kann, wie, ohne daß man Weltanschauung in die Schule hineinträgt, von un­seren Lehrkräften zum Beispiel in der fünften Klasse Anthropolo­gie behandelt wird: nicht in trockenem Sinne, nicht etwa anthropo­logisch-theoretische Erkenntnisse, sondern so, daß man dasjenige, was man als erste Anthropologie an die Kinder heranbringt, durch-leuten und durchwärmen läßt vom Geiste aus.

verplicht schoolvak werkt met name op wat ik zou willen noemen de wilsinitiatieven, de zelfstandigheid van de menselijke ziel. En dat hebben we eigenlijk voor het komende tijdperk van de mensheid nodig. Wie een blik werpt op de chaos van onze sociale toestand weet dat de mensen boven alles die initiatieven van de ziel missen. Ik zei al, de leraar en de opvoeder komen niet verder zonder het bewustzijn dat hen met eerbied kan vervullen, maar ook met verantwoordelijkheidsgevoel: dat hij moet werken aan de zielen die uit de geestelijke wereld komen, maar zo, dat de volgende generatie op een goede manier zijn plaats in de wereld inneemt. Wie naar de huidige tijd kijkt, voelt al hoe belangrijk het is wat wij als de komende generatie in de wereld een plaats geven. En daarom kan je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, hoe, zonder dat je een wereldbeschouwing de school binnenbrengt, door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie gegeven wordt: niet op een droge manier, niet met wat antropologisch-theoretische kennis is, maar zo, dat je, wat je aan eerste antropologie aan de kinderen geeft, deze doorlíchten en doorwarmen laat vanuit de geest.

Wenn man das den Kindern so beibringt, dann fangen die Kinder an, in ganz anderer Weise beim Unterricht dabei zu sein; da gründen sie etwas in sich, was ihnen für das ganze Leben bleibt.
Ebenso habe ich die tiefste Befriedigung gehabt, wie von unse­rem Lehrer der siebenten Klasse in dieser geisteswissenschaftlichen Weise Geschichte vor den Kindern entwickelt worden ist – aber wie gesagt, nicht Geisteswissenschaft, sondern die Geschichte gei­steswissenschaftlich-methodisch behandelt. Da verwandelt sich dasjenige, was sonst mehr oder weniger den Kindern fremd bleibt, in etwas, was das Kind unmittelbar verwandt mit seiner eigenen Wesenheit weiß. Und da kann man überall die Brücke herstellen zwischen dem, was das Kind erfährt vom Entwicklungsgang der Menschheit und dem, was in das Kind hineinsprühen kann, damit es ein brauchbares Mitglied der künftigen Menschheit sein soll.

Wanneer je dat de kinderen zo bijbrengt, beginnen ze op een heel andere manier aandacht te hebben voor het onderwijs; dan leggen ze in zichzelf iets aan, wat het hele leven blijft.
Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.

blz. 221

Diese paar Worte wollte ich voranschicken den eurythmischen Darbietungen. Und nun möchte ich noch einmal am Schlusse sa­gen: Wenn ich hinschaue auf solche Leute wie Spitta, auf dasjenige, was fließen kann aus einer Erneuerung des Geisteslebens, wenn ich, auf diesen hinschauend, dasjenige Werturteil über die Geisteswis­senschaft ausdrücken soll, was mich selbst beseelt, so lassen Sie mich meine Freude ausdrücken. Diese Freude erfüllt ganz gewiß diejenigen, die hier am Goetheanum und vom Goetheanum aus sich geisteswissenschaftliche, anthroposophisch-orientierte Auf­gaben gestellt haben. Und ich hoffe nicht, daß es gerade unbedingt das allein Richtige sein könnte, Ihnen zu wünschen, daß Sie – nach­dem Sie die Güte gehabt haben, mich fünf Viertelstunden anzu­hören und nachdem Sie noch die Güte haben werden, nach einer kurzen Pause die eurythmische Vorstellung sich anzuschauen und anzuhören, was gespielt und rezitiert wird – danach noch nötig haben werden, sich nach den Worten des englischen Journalisten von dem «Schock», den Sie erlitten haben, just zu erholen in einer sechs Tage langen Zeit!

Deze paar woorden wilde ik voor de euritmische opvoeringen laten klinken. En nu zou ik tot slot nog een keer willen zeggen: wanneer ik kijk naar zulke mensen als Spitta, naar wat vanuit een vernieuwing van het geestesleven kan vloeien wanneer ik kijkend naar wat als waardeoordeel over de geesteswetenschap moet uitdrukken, wat mijn ziel bezieling geeft, laat u mij dan mijn vruegde tot uitdrukking brengen. Deze vreugde vervult zeer zeker de mensen die hier aan het Goetheanum en vanuit het Goetheanum zichzelf aan geesteswetenschappelijk georiënteerde opgaven gesteld hebben. En ik hoop in ieder geval niet dat het alleen het juiste is, u toe te wensen dat u – nadat u de goedheid had, mij vijf kwartier aan te horen en daarna nog de goedheid hebt, na een korte pauze naar de euritmische voorstelling te kijken en te luistern, het nog nodig is, volgens de woorden van de Engelse journalist, dat u nog zes dagen moet herstellen van de ‘schok’  die u onderging!.

.
[1] GA 297 Duits
[2] GA 297 8e voordracht Duits
[3] meestal gaat het bij periodeonderwijs om 3 tot 4 weken
[4] Steiner benadrukt op veel meer plaatsen dat het niet gaat om een wereldbeschouwelijke school: zie Steiner over antroposofisch onderwijs
.

Over ongeborenheid

Over schrijven en lezen

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

.

1841

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.