Categorie archief: sterrenkunde

VRIJESCHOOL – 11e klas – wiskundige aardrijkskunde

.

wiskundige aardrijkskunde

Toen de vrijeschoolbovenbouwen iets minder onvrij waren dan nu – lees: minder te maken hadden met examendruk – was ‘wiskundige aardrijkskunde’ een periode waaraan alle leerlingen van de klas in het hoofdonderwijs deelnamen. Hoe dat nu is, weet ik niet.

Een van de allereerste aanwijzingen in het leerplan van Caroline von Heydebrand voor het vak aardrijkskunde in de 11e klas, is de behandeling van de mercatorprojectie. In dit nummer van het tijdschrift Vrije Opvoedkunst staat een artikel over ‘wiskundige aardrijkskunde’. 

Ook de zonnewijzer kan behandeld worden. 
In een verzameling artikelen in een bundel van vrijeschool ‘Novalis college’ in Eindhoven staat dit artikel uit het blad ‘Pythagoras’.

Daarin wordt genoemd deZonnewijzerkring‘. Op de website staat veel informatie en je kan er veel afbeeldingen vinden.

11e klas: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden.

2056

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-7)

.
Artikel opgenomen in een bundel met artikelen over sterrenkunde vrijeschool Eindhoven
.

En toch beweegt ze

In 1543 schreef de astronoom Copernicus in zijn beroemde boek „De revolutionibus orbi-um coelestrium”:

Praktisch alle geleerden zijn het er over eens, dat de aarde in het centrum van het heelal RUST. Zij vinden het onbegrijpelijk en zelfs belachelijk, als iemand er anders over denkt. Maar als men de zaak zorgvuldig overweegt, zal men inzien, dat het laatste woord hierover nog niet gesproken is en dat men niet zomaar aan deze kwestie voorbij kan gaan.

Honderd jaar later is de wetenschappelijke wereld (op enkele uitzonderingen na) er nog van overtuigd, dat de aarde in het middelpunt van het heelal staat; dat de sterrenhemel dagelijks éénmaal rond die aarde draait en dat de zon in één jaar een baan om de aarde beschrijft.

In 1633 wordt de bekende Italiaanse wis- en natuurkundige Galileo Galileï, een fervent aanhanger van het wereldbeeld van Copernicus, zelfs gedwongen zijn opinie niet meer in het openbaar te verkondigen. De legende zegt, dat Galileï na het proces uitgeroepen zou hebben: EN TOCH BEWEEGT ZE! Gedacht heeft hij het zeker.

Het duurt dan nóg bijna een eeuw vóór het copernicaanse wereldbeeld algemeen aanvaard wordt. In 1791 wordt voor het eerst met valproeven een experimenteel bewijs voor de aswenteling van de aarde gegeven. Zestig jaar later bedenkt de Franse natuurkundige Foucault zijn bekende slingerproef, waarbij de toeschouwers als het ware de aarde konden ZIEN draaien.

In het Panthéon te Parijs had hij een slinger opgehangen bestaande uit een staaldraad van 67 m met daaraan een stalen bol van 28 kg. De meer of minder geleerde toeschouwers konden zien, dat bij het verstrijken van de tijd het vlak, waarin de slinger zich bewoog, draaide. Dit kon bijvoorbeeld afgelezen worden op de schaalverdeling, die in de op de afbeelding zichtbare rand was aangebracht. Deze draaiing was een experimenteel bewijs voor de dagelijkse aswenteling van de aarde.

Bron Rémih, Wikipedia

Het gemakkelijkst is dat in te zien, als men zich de slinger opgesteld denkt aan de noordpool, het ophangpunt zuiver boven de plaats, waar de aardas het aardoppervlak snijdt.

Is in fig. 1 N de noordpool, waar we van boven af op kijken, dan zien we de aarde zich bewegen in de door de pijl bij P aangegeven richting. Beweegt de slinger zich in het door de rechte lijn aangegeven vlak, dan zal een toeschouwer, die zich niet boven maar op de aarde bevindt, en dus de draaiing van de aarde meemaakt, de indruk krijgen, dat hij zelf zich in rust bevindt en dat het vlak van de slingerbeweging draait en wel in een richting tegengesteld aan zijn eigen beweging, dus met de klok mee. Hij zal in de loop van een etmaal de indruk krijgen, dat het slingervlak 360° draait. Daarmee heeft hij dan de aswenteling van de aarde waargenomen.

We gaan een poging ondernemen dit te verklaren:

Dat de toeschouwer aan de noordpool het slingervlak ziet draaien is het gevolg van het feit, dat de slinger zich in de ruimte beweegt ten opzichte van een assenstelsel, dat onafhankelijk is van de aarde, alsof hij aan de sterrenhemel was opgehangen. De aarde draait dan onder hem door. Op de plaats, waar Foucault zijn proef nam, is de zaak nogal wat ingewikkelder. Nu wordt nl. het slingervlak ook door de aarde meegenomen. Toch blijft ook het verschijnsel bestaan, dat de slinger zich beweegt ten opzichte van een assenstelsel buiten de aarde.

Het onderste eind van de slinger beweegt zich in het raakvlak aan de aarde op de plaats van waarneming. Bij benadering kunnen we daarom de beweging van dit ondereind wel vervangen door die van een oscillator, die een harmonische trilling uitvoert rondom het raakpunt. Een waarnemer buiten de aarde ziet nu, dat na verloop van enige tijd het raakvlak, waarin de oscillator zich beweegt, een andere stand heeft aangenomen. Het is met de aarde mee gedraaid ten opzichte van de eerste stand.

Het raakvlak, dat bij de proef van Foucault de aarde raakt in een punt van de breedtecirkel van Parijs, rolt bij deze draaiing bij wijze van spreken over deze cirkel. Het rolt daarbij tevens over de kegel, die de aarde volgens deze breedtecirkel omhult (Fig.2). Zouden we op het raakvlak (aan de „onderzijde”) een veld van krijtlijntjes evenwijdig met de vector  atrekken, dan zouden die bij het draaien van het raakvlak sporen op de kegel achterlaten, waaraan het draaien van de vector te zien zou zijn. Die sporen zouden „evenwijdig” spiraallijnen zijn. Deze zelfde sporen zou men echter ook zien, als men niet het raakvlak over de kegel liet rollen, maar de kegel over het raakvlak. Stel je nu voor, dat de beschrijvende lijn TA van de kegel met het raakvlak samenvalt aan het begin van de beweging en dat op dat moment de richting van de oscillator samenvalt met de richting van TA (zie fig.4).

Is de kegel éénmaal rond gerold over het vlak, dan valt de beschrijvende lijn TA niet weer met zijn oorspronkelijke ligging samen, maar bijvoorbeeld met TB. Immers, als we een kegel over een vlak laten rollen, dan doen we het zelfde als wanneer we de oppervlakte van de kegel in het vlak uitslaan. De uitslag van een kegel is echter een cirkelsector, bijvoorbeeld met hoek a. De sporen van de krijtlijntjes zouden in deze uitslag van de kegel weer evenwijdig lijnen worden, zodat de richting van de vector in het punt B evenwijdig is met die in punt A. Maar die in punt A viel in het verlengde van de beschrijvende lijn TA. Die in B maakt met de beschrijvende TB (die eigenlijk ook TA is) de hoek a. De toeschouwers, die de draaiing een etmaal meemaakten, zouden als eindrichting van de oscillator dus die zien, die de hoek ∝ met de oorspronkelijke richting maakt. Het komt er nu nog maar op aan de hoek ∝te berekenen; dat gebeurt als volgt:

Nog eens de slingerproef van Foucault

Prof. Dr. O.Bottema te Delft

„…. dat in het gebouw van de Verenigde Naties te New-York, als geschenk van de Nederlandse regering, een slinger van Foucault is geplaatst, die in de hal gemonteerd veel aandacht trekt. Het geschenk, van het land van Huygens, is in 1955 door minister Luns aangeboden. Het technisch ontwerp is van Prof. Haringx te Eindhoven”.

De foto toont ons hoe de slinger in de grote hal is opgehangen. Hij bestaat uit een 90 kg zware bol, die aan een 17½ m lange staaldraad hangt. Vanzelfsprekend wil men deze slinger ononderbroken in beweging houden, zodat de bezoekers van het gebouw steeds de proef van Foucault kunnen aanschouwen. Daarvoor waren bijzondere voorzieningen nodig. Door geringe afwijkingen in het materiaal zou de bol zich op den duur niet langer in een verticaal vlak bewegen, zodat deze een ellips zou gaan beschrijven. Verder zou door de luchtweerstand en andere remmende factoren de slinger na zekere tijd tot stilstand komen. Door een bijzondere wijze van ophangen heeft men het slingeren in een elliptische baan voorkomen. Door op een vernuftige wijze gebruik te maken van Foucault-stromen in een koperen plaat, die in de bol is ondergebracht, wordt de slinger in beweging gehouden. Ieder keer nl. als deze het krachtenveld van een verticale spoel passeert, die in het voetstuk is aangebracht, krijgt de plaat een kleine energietoevoer, die juist voldoende is om de amplitude ongeveer 80 cm te doen blijven. Een uitvoerige bespreking van deze slinger van Foucault vindt men in Philips Technisch Tijdschrift, jaargang 19, no. 718, 1957, pag. 236-241. (Niet op deze blog)

.

Sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2033

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-6)

.

Annet Schukking, Jonas, 14e jrg. nr. 8/9
.

de binnenkant van de continue beweging

Zon, maan en sterren

Hoog aan de hemel staan zon, maan en sterren. Hun plaats is ver, hun werking dichtbij: zonder hun aanwezigheid is leven op aarde onmogelijk.
Wat zien we als we de blik omhoog richten?

Kort geleden is het me weer eens overkomen: een simpele, algemeen bekende ervaring. Je zit in een wachtende trein, kijkt uit het raam en je ziet, je voelt zelfs dat hij gaat rijden. Je kijkt uit een ander raam en hij blijkt nog stil te staan. Wat gebeurt er? Het is een passerende trein langs het ene raam die de gewaarwording van eigen beweging teweeg brengt. Door het andere raam zie je de omgeving die op zijn plaats blijft en je concludeert daaruit dat je zelf ook nog stil staat. Het is een ondervonden en toch telkens weer verrassend verschijnsel.

Toch is dat een verschijnsel dat we allemaal op een andere manier heel goed kennen en iedere dag weer opnieuw ervaren. Niet bepaald op een station dus, maar bijvoorbeeld wandelend over het strand of misschien wel vanuit het raam van ons eigen huis, overdag of ’s nachts, het geeft eigenlijk niet wanneer of waar. Het gaat om een continue beweging die ons omgeeft, een beweging die ook als je je er geen rekenschap van geeft, van existentiële invloed is op het leven van mens, plant, dier en aarde. Dat is de beweging of beter gezegd: de bewegingen van zon, maan en sterren.

We kijken naar de hemel en zien zon, maan en sterren een boog van oost naar west beschrijven. We spreken van opkomende en ondergaande zon. Toch leert de astronomie ons, dat het de aarde is die beweegt en de zon die stil staat. Maar wie beleeft het zo? Geen mens die ooit zegt of ervaart: we draaien van de zon af. Wat is waar?

Middelpunt

Lange tijd stond voor de mensheid vast: de aarde staat stil in het middelpunt van het heelal en het hele uitspansel draait er omheen. En het is bekend dat het een enorme revolutie voor wetenschap en wereldbeschouwing geweest is en er mensen voor op de brandstapel zijn gebracht, toen de gedachte opkwarn dat het ook andersom kon zijn: dat het de aarde was die ronddraaide en dat het heelal onbeweeglijk was.
Voor de waarneming en de beleving veranderde er niets, maar voor het denken werd alles anders. De aarde met zijn bewoners was niet langer het centrum van het heelal – en dus belangrijk! – maar de aarde werd een ding, een rondtollende grote bal en in het geheel van de kosmos zelfs een nietig balletje, een van de vele. De astronomische opvatting van de oudheid: de planeten verbonden met goden, de sterrenbeelden uitdrukking van kosmische krachten, kon zich in het nieuwe wereldbeeld niet lang meer staande houden en werd geleidelijk vervangen door het beeld van een mechanisme, een onmetelijk groot uurwerk, geheel onderworpen aan wetten van zwaartekracht, aan centrifugale en centripetale krachten, enzovoort.

Ieder tijdperk draagt de sporen van het zich verder inboren in de kennis, het meest recente is die van de kennis van de materie. Zo veranderde bijvoorbeeld de voorstelling van de zon in de laatste ongeveer 150 jaar van enorme kolenhaard via gasballon tot kernreactor. Ook de mens werd eerst tot machine, daarna tot electrische centrale, nu tot electronisch boodschappencomplex gebombardeerd. Hoewel alles denkbaar is, gedacht kan worden, in modellen gebracht en in techniek toegepast, lukt het de meeste mensen niet gevoelsmatig zich te verbinden met deze uitgedachte voorstelling van zaken. Want is eigenlijk het idee dat de stad Amsterdam ieder etmaal 24.626 kliometer aflegt (de lengte van de 52e breedtegraad) niet even absurd als het ronddraaien van de sterrenhemel om de aarde? Wat een mens beleeft is, dat niet de zon, zelfs niet de aarde, maar dat hij zelf het middelpunt is van zijn eigen leefwereld.

Fictie

Er is dus een kloof ontstaan tussen wetenschap en beleving. Wie de aarde als een balletje wil zien moet zich voorstellingsmatig eerst buiten de aarde verplaatsen en daarmee zijn normale werkelijkheidsbeleven uitdoven. Hij vormt zich een fictief model van ons zonnestelsel. Dit model blijkt dan later, na terugkeer in het dagelijks leven, te kloppen, met de zintuiglijke waarnemingen. Het is een soort spel dat heel fascinerend is, dit wegdromen in een fictieve wereld, dat je helemaal in de greep kan krijgen, zeker als het de bevrediging geeft de wetten van de natuur en de kosmos op het spoor te zijn en daar steeds verder in te kunnen doordringen. Fictie schijnt tot weten te leiden.

Zo werd de natuurwetenschap geboren, groeide snel en voorspoedig en is een eigen leven gaan leiden. Deze nieuwgeborene blijkt dan na verloop van tijd zich als een aanvankelijk kleine, later grotere potentaat te ontpoppen. Dat wil zeggen: mensen gaan er zo mee om. Triomfen leiden vaak tot dictatuur en onverdraagzaamheid. De nieuwe wetenschap usurpeert in betrekkelijk korte tijd alle gebieden van het. leven en zet zichzelf de keizerskroon op. En merkt niet dat abstracte denkmodellen dan wel op het gebied van de levenloze ‘natuur’ bruikbaar zijn, maar niet van toepassing op leven en beleven. Dus blijft toch:

De zonne gaat op,
de zonne gaat neer,
de zonne gaat op en gaat onder.
Standvastiglijk heen,
standvastiglijk weer,
standvastiglijk werkt zij dat wonder.                              

Wat voor model de astronomie ook van het zonnestelsel vermag uit te denken – zelfs voor de belevingswereld van ‘hooggeleerden’ zal het bovenstaande simpele gedichtje van Guido Gezelle een onweerlegbare ervaring zijn.

Is er dan misschien iets voor te zeggen om deze ervaring ook serieus te nemen en je af te vragen wat die je te zeggen kan hebben?
Je kunt er dan op komen dat er een soort muzikaal-creatieve relatie is tussen de aarde en de zon en tussen aarde, maan en zon in samenhang met de zich nog verder verwijdende omgeving van de overige planeten en de vaste sterren. Niet alleen dat de zon een onontbeerlijke bron van licht en warmte is en dat de aarde met zoveel sferen omhuld is, dat deze warmte en dit licht in een milde en gespreide intensiteit de daar levende wezens bereikt en zodoende wel voedend maar niet vernietigend werkt, maar ook is er een opvallende relatie tussen de ritmen van zon, aarde en. mens.

Daar is om te beginnen het dag- en nachtritme. Een ritme dat behalve met waken en slapen ook samenhangt met onze spijsvertering. Onze spijsvertering heeft een etmaalritme – we voelen ons wel bij een dagelijks terugkerend ritme van bepaalde maaltijden. Dan is er het jaarritme: de jaarlijks terugkerende afwisseling van de seizoenen en de daarmee samenhangende opeenvolging van kiemen, groeien en rijpen van de gewassen. Maar er zijn nog fijnere, minder opvallende relatie-ritmen. Zo verschuift geleidelijk het lentepunt, de plaats waar de zon aan het begin van de lente opkomt, ten opzichte van de vaste sterren en wel zo dat dit lentepunt in 25920 jaar de hele dierenriem doorloopt. Deze periode, het zogenaamde Platonisch wereldjaar, kun je evenals het aardejaar onderverdelen in dagen, ‘werelddagen’ en daarbij vind je opvallende overeenkomsten met het menselijk ritmisch systeem. Zo verhoudt zich het wereldjaar tot het aardejaar als een aardejaar tot de menselijke ademhaling. Een mens haalt gemiddeld 18 x per minuut adem (in- en uitademing), dat is per etmaal 18 x 60 x 24 is 25920 maal. Maar ook is een werelddag 1/365 van 25920 jaar is ruim 71 jaar, een mensenleven globaal genomen.

In het grote ritme van de verschuiving van het lentepunt door de dierenriem vind je de grote cultuurperioden terug: een Stiercultuur, een Ramcultuur, het tijdperk van de Vissen (waarin wij nu leven) en over enkele eeuwen zullen we het Watermantijdperk ingaan. Elk tijdperk heeft een eigen karakter en maakt daardoor nieuwe ontwikkelingen in de mensheidsgeschiedenis mogelijk. Iets anders, waar je gewoonlijk ook niet bij stilstaat, maar dat eigenlijk meer dan verbazingwekkend is, is hoe de mens is toegerust om op aarde te kunnen leven door te beschikken over zo’n verfijnd instrument als het fysieke lichaam. Dit fysieke lichaam is op zichzelf al een dermate complex kunstwerk dat er jaren van studie nodig zijn om het in grote lijnen in kaart te brengen. Maar nog verbazingwekkender is het dat dit lichaam een onzichtbare mens herbergt, een ziel en een geestwezen, en dat in zoveel verscheidenheid als er individuen zijn. Het is iets dat we primair als een vanzelfsprekend gegeven aanvaarden, maar dat bij nadere beschouwing eenzelfde soort duizelingen teweeg kan brengen als het kijken naar de sterrenhemel.

Motor

Terug naar het triviale voorbeeld van de passerende trein. Je kunt daar dan stellen dat de trein die door een motor wordt voortbewogen de rijdende trein is en dat je zelf in de stilstaande zit. Dat is dan duidelijk. Maar hoe is dat bij hemellichamen? Waar zit de motor die onze aarde doet rondtollen en om de zon voortstuwt? Hoe is die zaak zo in gang gekomen? Vragen die je niet moet stellen, zeggen de natuurwetenschappers, want daar kom je toch niet achter. Grenzen stellen dus. Toch gek, dat de méns behept blijkt te zijn met een drang om altijd weer zulke vragen te stellen. Steeds weer probeert die grenzen te verleggen of er overheen te kijken. Zinloos toch, als er geen antwoorden zijn en ook niet te verwachten zijn. Flauwe plagerij. Of zou misschien toch…? Zouden er toch mensen zijn, één desnoods, die het inderdaad gelukt is om over de grenzen heen te kijken?

Laten we nog eens gewoon naar de zon kijken. Warmte geeft ze, en licht, beide zonder meer nodig voor het gedijen van het leven op aarde. Kracht, energie stroomt naar de aarde toe. Het is de fysieke aanwezigheid van de zon die dit mogelijk maakt.
Maar er is nog een ander aspect van warmte en licht. Er is de koesterende warmte, de warmte van ‘het zonnetje’ in het voorjaar. ‘Het zonnetje’ is niet die kolenhaard of die kernreactor daar in de lucht, het is een wezen dat ons liefderijk omhult. ‘De zon schijnt over goeden en kwaden.’ Ze maakt geen onderscheid. Ze is ook een kunstenaar: ze strijkt met haar stralen over het landschap, over steden en dorpen, dan van de ene, dan van de andere kant, de kleuren lichten op, zelfs de schaduwen krijgen kleur. Schoonheid.
Ze is ook trouw. Dag in, dag uit, eeuw in, eeuw uit, altijd maar geven, stralen, met een onvoorstelbare gulheid het wereldruim in. Een hele lichtsfeer is om de zon heen, voor een mensenoog niet zichtbaar. Niet meer dan een kruimpje ervan bereikt de aarde en dat heeft nog zo’n kracht. Liefde.

Wat een onmetelijke liefde moet dit zonnewezen hebben om zoveel te.willen uitstralen, zo royaal te zijn, dat de aarde ervan kan leven, dat plant, dier en mens er door kunnen bestaan, miljoenen jaren lang. Klein en bekrompen kun je je voelen als je dat bedenkt, klein met je onnozele wensjes, hebbelijkheidjes, probleempjes, twijfels….Maar toch – blijkbaar ben je het waard. Het is alsof je iemand ontmoet die vertrouwen in je heeft, die een beroep op je doet en tegen je zegt: ik weet zeker dat je het kunt. Liefde die kracht geeft.

Drievoudige zon

Lang, lang geleden zijn er mensen geweest, ‘ingewijden’, die het ware wezen van de zon gekend hebben. Zij wisten dat de zon een woonplaats was van hoge geestelijke machten die zich met de ontwikkeling van de mens en de mensheid intensief bezighielden. Ze onderscheidden een drievoudige zon: als eerste de fysieke zon, die door bepaalde wezens zichtbaar gemaakt wordt, de buitenkant van de zon dus eigenlijk. Maar zoals een mens in zijn uiterlijk waarneembaar fysiek lichaam een ziel draagt, zo leefden in de zon andere, hogere wezens die het zieleleven van de mens zo gevormd hebben en verzorgen, zodat zijn denken, voelen en willen een samenhangend geheel zijn.

Dan kenden de ingewijden nog een derde zon, die zich achter de zichtbare zon verborg, de geestelijke zon, waarin het zonnewezen leeft dat eigenlijk de zon gemaakt heeft tot wat zij is: voor de mens de stralendste ster van de hele kosmos. Het is een heel hoog wezen, waaraan men in de loop der tijden verschillende namen heeft gegeven en dat men in onze tijd onder de naam ‘Christus’ kent. Het is dit zonnewezen dat zich in wat het mysterie van Golgotha genoemd wordt met de aarde heeft verbonden en daardoor voor de mens de mogelijkheid tot zijn ik-ontwikkeling heeft gegeven.

Het is lang, lang geleden dat mensen – namelijk diegenen die in de mysteriën ingewijd waren – dit zo hebben kunnen waarnemen. De mysteriewijsheid was toen een verborgen wijsheid en mocht niet geopenbaard worden. Zij werd aan het volk niet verkondigd maar wel in het praktische en religieuze leven ingevlochten.

Nu heeft de mens zich zover ontwikkeld dat de mysteriewijsheid niet meer voor hem verborgen hoeft te worden, want hij kan nu naar eigen inzicht hiermee omgaan. Hij kan de kloof tussen zijn voorstellingswereld en zijn belevingswereld zelf overbruggen. Hij kan heel goed werken met astronomische modellen, maar tegelijkertijd weten, dat hij, opziend naar de hemel, alleen de buitenkant van zon, maan en sterren ziet. Dat de hemelruimte in feite niet leeg is, maar bevolkt wordt door wezens van hoge orde die werkzaam zijn en allen hun opgave en functies hebben in een grootscheepse en zinvolle onderneming. Een . onderneming die de ontwikkeling van de mens beoogt in samenhang met de gehele wereld en waarbij elk mens vanzelfsprekend zo betrokken is dat hij zich terecht in het middelpunt mag beleven..

Sterrenkunde 7e klasalle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2025

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-5)

.

In de 1e jaarging (1933) van het blad Vrije Opvoedkunst verscheen (al) een artikel over sterrenkunde. 
Met recht een artikel uit ‘de oude doos’ wat de leeftijd betreft. Maar veel van de inhoud is nog altijd te gebruiken in de periode sterrenkunde in klas 7. [1]
Het is de oorspronkelijke spelling. 

D.J. van Bemmelen, VOK jr. 1, nr 2.
.

DE BEHANDELING DER STERRENKUNDE VOOR 13-JARIGE KINDEREN
.

In ‘Mijn levensweg [2] van Rudolf Steiner staat de volgende gebeurtenis uit zijn jeugd beschreven:

Ook aan deze pastoor dank vooral door een sterke indruk heel veel voor mijn latere geestesrichting. Hij kwam een keer op school, nam de ‘rijpere’ leerlingen waartoe hij mij ook rekende, mee naar een klein lokaaltje, spreidde een tekening uit die hij gemaakt had en legde ons daarmee het wereldbeeld van Copernicus uit. Daarbij sprak hij zeer aanschouwelijk over de beweging van de aarde om de zon, over het draaien van de assen, de schuine stand van de aardas en over zomer en winter, alsook over de aardzones. Het sprak mij zeer aan, tekende dagenlang alles na en toen kreeg ik van de pastoor nog een speciale les over zons- en maansverduistering en hij richtte toen en later al mijn leergierigheid op dit onderwerp.
Ik was toen een jaar of tien en kon wat grammatica en spelling betreft nog niet goed schrijven.’

De paedagoog kan zich bij het lezen hiervan een goed beeld vormen van den samenhang tusschen de leerstof, die met geestdrift in de jeugd werd opgenomen en de geestelijke werkzaamheid van den volwassene. Met schroom begint hij dan zijn taak kinderen een leerstof voor te dragen, die richting gevend kan zijn voor het verder leven. Want hij heeft het gevoel, dat zoo’n onderwijs door het eigen enthousiasme van de kinderen moet worden opgenomen, dat hij ze vrij moet laten voor de toekomst, bijv. ze niet in een of andere wereldbeschouwing moet voeren. Heeft hij de juiste instelling gevonden, voor hij begint, dan is het nu in de paedagogische werkzaamheid der Vrije School noodzakelijk, dat hij zich afvraagt welke ziele-gesteldheid de 13/14-jarige kinderen hebben en hoe hij de stof voor het oogenblik moet inrichten, opdat het vruchtbaar kan worden opgenomen. Kinderen van dien leeftijd staan voor een grooten overgang. Tegelijk met de puberteit ontwikkelt zich nu een logisch denken. De ziel van het kind ontwaakt voor de buitenwereld. Tevoren was ze nog verbonden met de kosmische krachten, die aan den opbouw van het lichaam arbeidden. De ziel is nu aardeburger geworden, maar weet zich nog niet te schikken in de enge banden van de conventie, de regelen van onze samenleving. Zij komt met een groote liefdekracht, maar moet zich stooten aan de harde kanten van de werkelijkheid. Dat verwekt geweldige stormen en revoluties. De liefde en interesse voor de aarde moet men kunnen leiden als leeraar. Gelukt dit, dan kan men de interesse van ’t kind voor zich zelf afleiden op de buitenwereld en zóó harmonisch op hem werken.

Het kosmisch verband heeft het kind verloren, maar het heeft nu innerlijk behoefte als aardeburger terug te zien op den kosmos. Als mensch begint het zich te voelen en krijgt dus interesse om van buiten zijn gestalte te zien. Het getuigt van een fijne menschenkennis dat R. Steiner de leeraren aangeeft in deze jaren twee richtlijnen voor hun onderwijs te nemen n.l. de anthropologie en de cosmografie.

Begint men met de laatste dan moet men zorgvuldig vermijden van een of ander systeem uit te gaan of in abstracties te vervallen. Van de aarde wil het kind immers op den sterrenhemel terug zien en wat het daar ziet in zich opnemen, met zijn menschen-wezen verbinden door middel van zijn ontwaakt denkvermogen. Gaat men bijv. direkt van het Copenicaansche systeem uit, dan heeft men ten eerste het standpunt buiten in de sterrenwerelden zelf genomen en ziet hoe de aarde draait; (het zal verder uit dit artikel blijken dat de kinderen tot dit systeem komen moeten) en ten tweede heeft men de kinderen iets gegeven, waaraan ze zelf nooit meer iets toe kunnen voegen; als een steen ligt het in hun ziel. Gaat men er van uit ze tot bewustzijn te brengen wat ze nu eigenlijk zien en laat men ze het zooveel mogelijk zelf vinden, dan kan men een geheel anderen weg gaan waarvan hier een gebrekkig voorbeeld gegeven zal worden.

Wat ze dagelijks aan den hemel zien gebeuren moet in voorstellingsbeelden voor hen komen te staan. Deze beelden werken het sterkst, wanneer ze kunstzinnig zijn.

Men kan bijv. de groote beer voorteekenen hoe hij in de vier jaargetijden staat en hoe hij  dus om de poolster wandelt;

de kleine beer wandelt zoo achter hem aan, dat de vier  staarten aan een punt vast gehecht blijven. Zoo vinden ze het vaste middelpunt: de poolster.

Laat men de kinderen deze voorstelling nu nog begeleiden met bewegingen, dan zorgt men er voor, dat ook het wilsleven werkzaam blijft Men kan dan de heele mensch in het kind door het onderwijs laten leven.

Met groote armbewegingen beschrijven ze den dagelijkschen loop van de zon, ’s zomers hoog, ’s winters laag aan den hemel. Achter elkaar cirkelen de armen; hoog, laag, hoog, laag. En tot verbazing der leerlingen ontstaat er nu een spiraal. [3]

Behalve met de armen kunnen ze de beweging ook volgen door loopen.

Nu kan men de kinderen door middel van vragen er op brengen, dat de zon iedere maand weer wat verder van de poolster staat, totdat zij weer steeds naderbij komt. Zou men overdag de sterren zien dan zou men aan de sterrenbeelden den weg kunnen volgen. Deze sterrenbeelden liggen dan dus in een kring, zóó dat tegenover elkaar liggen het sterrenbeeld dat dicht bij de poolster en dat er ver van af staat. De twaalf sterrenbeelden, die aldus den  zonneweg als met merkteekens aanduiden, heeten tezamen sinds de oudheid dierenriem. Het beeld van dezen dierenriem kunnen de kinderen op een ronde schijf teekenen, die weer vastgemaakt is, op de plaats van de maagd en de visschen, op een andere schijf, zoodat de dierenriem een excentrische beweging om het middelpunt van de 2e schijf maakt. De zon kunnen ze dan met een in- en uitschuifbaren wijzer aan het midden vasthechten. Daardoor kan deze „zonnewijzer” cirkels beschrijven: kleine, wanneer hij op de hoogte van den schutter staat en groote, wanneer hij op de hoogte van de tweelingen staat. Met groot enthousiasme volgen ze nu iedere beweging van de zon aan de „schoon” geteekende sterrenkaart. [4]

De belangstelling is zoo groot, dat ze nu bijv. zonder moeite begrijpen kunnen, dat de zon iederen dag 1/365 van de cirkelbaan achter blijft bij de sterren dus schijnbaar van West naar Oost gaat.

Weer kan men, door ze bewegingen te laten maken, het gevoel bijbrengen van dezen jaarlijkschen gang van de zon in de ruimte door ze op de schaduwen attent te maken. Een jongen gaat op een stoel staan en zwaait zijn armen in het rond om den gang van de zon na te bootsen. Een ander staat voor hem en zal dus de zonnestralen in den weg staan. Een derde wijst met een langen stok aan hoe de schaduw van het hoofd van den jongen, die als schaduwwerper dienst doet, naar den grond loopt. Nu moet deze de bewegingen van de zon volgen. In het westen begint hij met eerst lange schaduwen aan te wijzen, die naar het midden korter en naar het oosten weer langer worden. Dat is in den zomer het geval, wanneer de zon hoog aan den hemel staat, ’s Winters blijvem de schaduwen natuurlijk steeds lang. Richt men den schaduwwerper nu naar de Poolster, dan krijgt men een zonnewijzer waarop men de uren kan aangeven.

De zieleontwikkeling de kinderen in deze jaren oriënteert zich meer en meer in de ruimte, zoodat een dergelijke behandeling waardoor de voorstellingen in de ruimte beleefd kunnen worden, in overeenstemming met deze ontwikkeling is.

Een praktische gevolgtrekking kunnen zij uit deze behandeling maken n.l. dat de schaduwrichtingen tegengesteld aan den zonnestand zijn, dus het meest naar het noorden gericht; zoodat ze op de wandeling bij zonneschijn zich altijd kunnen oriënteeren.

Uit het bovenstaande blijkt, dat van het eenvoudige voorstellingsbeeld werd uitgegaan en dat de weg werd gezocht, het wilsleven er bij te betrekken. Men kan de sterrenwereld toch alleen door het gezichtszintuig onderzoeken, in tegenstelling met de aarde, die men met den tastzin kan leeren kennen. Men kan de kinderen dit ook met eenvoudige beelden duidelijk maken: de tegenstelling van hemel en aarde en hoe van de aarde maar een oneindig klein deel is te zien, terwijl de hemel voor een overweldigend groot deel overzien wordt. Dit vormt den grondslag voor de geschiedkundige behandeling der sterrenkunde. Vroeger was de hemel met zijn Godenwereld veel belangrijker en levender voor de menschen dan de aarde, welks bekend en afgetast deel zeer beperkt was. Boven was alles licht en doorzichtig, terwijl beneden, buiten dat kleine bekende stuk aarde alles in duisternis was gehuld: daar was het einde der wereld, de onderwereld.

Om den weg tot het wilsleven te vinden moet men de kinderen in beweging kunnen zetten. Een zeer goede aanleiding vindt met bv. in de bewegingen van maan en planeten, zooals die zich aan ons oog voordoen. Een kind kan als de zon in een cirkel om een ander, dat de aarde voorstelt, heenloopen. Een derde, als maan, blijft iederen omloop een stukje bij de zon achter. Iederen keer kan men nu de andere kinderen vragen stellen en de kinderen moeten antwoorden: „eerste kwartier, — volle maan, — laatste kwartier!” Natuurlijk kan men ook op het bord een maansikkel teekenen en vragen: „waar staat de zon nu? Wijst haar aan!” Om het de kinderen makkelijk te laten onthouden behoeft men ze slechts opmerkzaam te maken op de eerste letter van het woord Premier, voor ’t eerste kwartier, en Dernier voor ’t laatste kwartier.

Bijgaande figuur stelt voor de baan van Venus zooals wij die aan den hemel zien. Wanneer men zulk een baan laat loopen kan men de interessantste bewegingen laten maken. Een kind wandelt rond in een cirkel: de zon; een ander loopt hem achterna, haalt hem daarna in, loopt voor hem langs, keert terug en maakt een lus, waardoor het weer achter komt en hem opnieuw achterna moet loopen: Venus.

De illustratie die Van Bemmelen gebruikt moet in 1933 van vóór die tijd stammen. Deze hier, is nogal vaag, de oorspronkelijke heb ik niet kunnejn vinden. Wél een soortgelijke van 2001-2008:

sterrenkunde 18 jpg.
Gaat het kind achter de eerste aan, dan stelt hij de morgenster voor, gaat hij voor hem langs, de avondster. Groote spanning is er bij de kinderen iederen keer, wanneer het „Venus”-kind het ,,zonne”-kind moet inhalen en men kan ze in koor laten roepen: „morgenster — avondster” enz.

Heeft men de kinderen zoo ver gevoerd, dan komen er natuurlijk allerlei vragen en problemen bij hen op, die ze meer of minder luid uitspreken. Hiermee kan men nu paedagogisch werken.

Sommigen merken op: „Ja maar de zon draait toch niet om de aarde?” Anderen: „de aarde staat toch niet stil?” Enkelen zijn er die nog nooit van zoo iets gehoord hebben, worden zelfs verontwaardigd over die vragen. Laat men nu zelf die vraag luider worden en richt het ook zelf tot de klas bv.: ,,wat is nu de waarheid” dan ontstaat er een woordenstrijd en levendige gedachtenwisseling. De gemoederen zijn gewekt, de slaperigsten worden wakker; algemeene belangstelling en aandacht voor het probleem.

Nu kan men overgaan tot de geschiedenis. De oude voorstellingen der Chaldaeérs, Egyptenaren en Grieken kan men voor de kinderen laten leven, daarna laat men zien hoe de ouden worstelden met het probleem Om berekeningen te kunnen maken, waardoor het stelsel van Ptolemeus ontstond, om eindelijk het Copernikaansche stelsel met zijn moedige nieuwe ideeën te voorschijn te roepen. Nu zijn de kinderen vol geestdrift en innerlijk bevredigd, omdat de strijd dien zij zelf in de klasse gevoerd hebben, een afspiegeling is van dien eeuwenlangen strijd, dien de menschheid om deze problemen gevoerd heeft. De omkeer in het bewustzijn der 15e eeuwers, die moedige zekerheid de natuur te onderzoeken om de waarheid te weten en zich niet meer door het oude laten storen zooals Galilèi, kunnen de kinderen in dezen leeftijd volgen, omdat ze zelf nu ook een soortgelijken omkeer doormaken.[5]

Daarom staat in het leerplan voor de 7e klas „Aan de beschrijving van de europeesche en buiteneuropeesche verhoudingen van het begin van de 15e eeuw tot het begin van de 17e eeuw, het tijdperk der ontdekkingen en uitvindingen en van den natuurwetenschappelijken opbloei, moet de meeste zorg worden besteed. Het kind moet van het buitengewone belang van dezen tijd, waarin het Leven de nieuwe menschheid te voorschijn brengt, een diepen indruk krijgen.”
En voor de aardrijkskunde: „De hemel en dampkring en de geestelijke kultuurverhoudingen der aardbewoners.”

Men leert het diepere kinderwezen kennen, wanneer men tracht dit leerplan te volgen.
.

[1] Dit artikel is nog niet opgenomen in het archief van de VOK-artikelen bij Antrovista.
[2] Rudolf Steiner: ‘Mein Lebensgang’, GA 28, vertaald
[3] J) Hierbij is weer het gezichtspunt genomen, waar we op aarde hier wonen. In het overigens zoo uitstekende boek van Alois Höfker: „Didaktik der Himmelskunde” wordt deze beweging een schroef genoemd, maar ook dat is van buiten af gezien en dan doet men beter het Copernicaansche gezichtspunt te nemen.
[4] Op de handenarbeidsles kunnen enkele kinderen uit hout een hemelkoepel maken waarlangs zon en maan zich bewegen.
[5] Nu wordt ook uitvoerig gesproken over Copernicus, Galileï en Kepler.

.

Sterrenkunde 7e klas: alle artikelen

.

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – astronomie

.
Artikelen voor de bovenbouw die hier worden gepubliceerd hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen voor deze klassen zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 15 nr. 2
.

Kometen reinigen kosmos

Miljarden zijn geinvesteerd om de komeet Halley, een nietige Steenklomp, te onderzoeken. En in augustus is de laatste van vijf ruimtevoertuigen gelanceerd om in maart 1986 de komeet te ontmoeten. Wat is er zo fascinerend aan een vuile sneeuwbal in de ruimte? De natuur- en geesteswetenschap geven beide een antwoord.

Giotto di Bondone schilderde in 1301 een fresco, de aanbidding door de Wijzen uit het oosten, waarop een komeet mét grote vaart bijna het afdakje boven de heilige familie doorboort. Het is een stralende bol met lange staart, ongetwijfeld een afbeelding van de komeet uit 1301 die later Halley is genoemd en die tot op de huidige dag doet vermoeden dat de ster der wijzen een komeet moet zijn geweest. Giotto was een van de eerste en zeer getalenteerde perspectiefschilders, die de aarde en haar ruimteverhoudingen centraal stelde. De ontwakende belangstelling voor de aarde is ook terug te vinden in de opkomst van de moderne natuurwetenschappen in de tijd vlak na Giotto.

Fresco van Giotto di Bondone, 1302, Scrovegni kapel, Padua. Met de komeet en de aankomst van de Drie Koningen.

Maat, getal en gewicht doen langzamerhand hun intrede in het denken van de mens. Het is daarom zo aardig, dat het Europese ruimtevoertuig dat op 2 juli is gelanceerd om 8 maanden later de komeet Halley te begroeten, Giotto is genoemd. Immers, de technische prestatie die nu geleverd wordt is een bergtop in het natuurwetenschappelijke landschap van maat-getal-gewicht dat de Florentijnse schilder voor het eerst kunstzinnig heeft verkend.
De fresco van Giotto is niet de eerste afbeelding van de meest beroemde komeet aller tijden. Op een wandtapijt, zeventig meter linnen bekend als het tapijt van Bayeux, komen we hem ook tegen. Op het wandtapijt is de slag bij Hastings in 1066 en de invasie van Engeland door Willem de Veroveraar afgebeeld. Naast de arme, verliezende koning Harold is een futuristisch-spinachtige komeet geborduurd met de tekst: Isti mirant stella –
‘met bewondering kijken ze naar de ster’.
Bewondering, maar meestal schrik en vrees is het antwoord van de bevolking op de verschijning van welke komeet dan ook. En dat is tot de zeventiende eeuw niet zo vreemd, omdat de bezwerende kracht van Aristoteles’ visie, als zou het om atmosferische verschijnselen gaan, een komeet dus heel dichtbij suggereerde. Pas na verwoede pogingen van de Deense astronoom Tycho Brahé om te bewijzen dat we ver buiten de aarde in de planetaire ruimte kometen moeten zoeken, brak langzaam het inzicht door: kometen beschrijven gigantische ellipsbanen en staan onnoemelijk ver weg. Toch is Aristoteles’ visie niet helemaal verloren omdat in onze eeuw is komen vast te staan dat restanten van kometen, onder de naam vallende sterren, wel degelijk in de atmosfeer hun waterloo vinden.

Monstercampagne

Terug naar Halley. Zachtjes achterover geleund laat ik mij vermaken in de koepel van het Amsterdamse Zeiss-Planetarium. Zojuist bij de ingang stond ik oog in oog met een model op ware grootte van het Europese ruimtevoertuig Giotto. En nu middenin het programma over de komeet van Halley hoor ik een knetterend bombardement van stenen en gruisdeeltjes; ik waan me een ogenblik op 13 maart 1986, 500 kilometer van de kern van Halley en miljoenen kilometers van de aarde en ik vrees dat mijn Giotto het niet lang meer zal maken. Kosten noch moeite zijn gespaard voor dit voertuig dat – als de voorspellingen uitkomen – in enkele seconden verbrijzeld zal zijn. Ook Japan en Rusland sturen elk 2 satellieten en miljoenen zijn uitgetrokken voor een monstercampagne onder de naam International Halley Watch, waaraan duizenden astronomen over de hele wereld, deelnemen. Kometenkoorts is de naam voor een soort ziekte die plotseling uitbreekt als er weer een staartster verschijnt. Vroeger was het paniek, misoogst, zwarte dood, overstroming en oorlog, waarmee de zogenaamde ‘bijgelovig primitieve’ middeleeuwer een komeet verbond, als zou Gods Gesel op de aardse zondaren neerdalen. Tegenwoordig ‘weten-we-wel-beter’. Maar de koorts is er niet minder om, ook al denken we met ons geciviliseerde bewustzijn alles nuchter te kunnen bekijken. Wie geeft er nu zoveel geld en energie weg om een nietige, vieze ijsklomp tot op het bot uit te kleden? Koorts, denk ik.

Angstaanval

Wat we in essentie van kometen weten is in een paar woorden samen te vatten. Edmund Halley (1656-1742) bewees de ellipsvormige banen van kometen en was daarmee de eerste die ontdekte dat een komeet op vaste tijden terugkeert in zijn baan om de zon. Sommige ellipsen zijn klein en blijven vrij dicht bij de aarde, andere zijn zeer langgerekt waardoor het wel 200 jaar kan duren om dezelfde komeet terug te zien. Sommige komen zelfs helemaal niet terug. De door Halley waargenomen en naar hem genoemde staartster kent een ritme van 76 jaar en heeft dus een mensenleven nodig om ons weer met een angstaanval te plagen. In 1948, precies op het moment dat de komeet Halley het verste punt van zijn baan bereikte in de buitengewesten van ons zonnestelsel, komt Jan Hendrik Oort met de schokkende theorie dat een wolk van miljarden kometen ons zonnestelsel omgeeft. Uit die wolk komen regelmatig zendelingen afdalen naar het centrale gesternte – onze zon – om vervolgens voor eeuwig te blijven rondellipsen. Je kunt de ‘Oort-wolk’ als onuitputtelijk reservoir zien waardoor het kometenvolk nooit opraakt, hoewel een individuele komeet na enkele (soms honderden) omwentelingen voorgoed kan verdwijnen.

Pal daarop, in 1951, komt Fred Whipple met de ‘vuile-ijsbergtheorie’, die met een zekere ontluisterende nuchterheid alle fabels tot vlakbij het absolute nulpunt doet verstijven. Een klein, onregelmatig klompje steengruis met ijs en bevroren gifgassen heeft periodiek de eer om vlakbij de zon tot lichten te komen. Door warmte en zonlicht gaat de kop stralen en zwelt op tot een machtige, maar zeer ijle coma, een soort waterstofwolk, nog dunner dan het sterkste vacuüm dat op aarde bereikt wordt. Van de zon afgekeerd zien we dan het eigenlijke handelsmerk van de komeet, een miljoenen kilometers lange staart, die langer wordt hij het naderen tot de zon en krimpt bij het weer verdwijnen in de onmetelijke ruimte.

Materialistische impuls

Ondanks de akelige precisie waarmee de moderne astronoom de baan en de verschijning van een komeet kan berekenen en voorspellen, blijft er altijd een verrassingselement bestaan. Het is nooit met zekerheid te zeggen hoe indrukwekkend het lichtverschijnsel aan ons firmament zal worden en welke lengte en vorm de staart precies heeft. Deze vrijheid is onder de hemellichamen een typisch privilege voor kometen en het is mede daarom dat Rudolf Steiner in de twintiger jaren spreekt over ‘vrijheidshelden’ van het universum en de oproep doet om bij iedere verschijning een vrijheidsgedicht te maken. En dat niet zomaar uit literaire liefhebberij, maar om een wezenlijker reden: een komeet als Halley heeft een reële betekenis voor de mensheid. Zij doet een geweldig beroep op een goed gebruik van onze vrijheid. In die zin een lastige gast die je ertoe aanzet met ernst en wakkerheid de tijdsverschijnselen om je heen te bekijken. Met name de Halley-komeet krijgt van Steiner de karakterisering mee als zou hij een materialistische impuls versterken, vooral in het denken van de mens.

Nu is het niet moeilijk om, terugkijkend in de vorige eeuw en met een zekere afstand, de opkomst van het materialisme in de wetenschap te beschrijven. Met name rond 1910, toen Halley de laatste keer verscheen, waren er vele tekenen die daarop wijzen. En ook nu, in 1985, kun je spreken van een materialistische golf in onze cultuur, waarvan de overweldigende computeropmars wel het sterkste voorbeeld is. De haast dwingend geprogrammeerde invoeringstechnieken en -taktieken laten een hoge mate van vrijheidsberoving zien, waartegenover je wel heel sterk moet staan om niet meegezogen te worden.

Veel moeilijker is het verband te begrijpen tussen deze materialistische denkgolf en de verschijning van komeet Halley. Een gelijktijdig optreden van twee ogenschijnlijk totaal verschillende verschijnselen hoeft nog niet te betekenen dat ze elkaar veroorzaken, dat ze samen uit een gemeenschappelijke oorzaak voortkomen of dat ze innerlijk verwant zijn. Maar het kan wel en aangezien het hier om zaken gaat van een hoge geestelijke orde en eenvoudige natuurwetenschappelijke verklaringen en modellen vooralsnog ontoereikend zijn, ben ik geneigd Steiner als geesteswetenschappelijk onderzoeker voorlopig de autoriteit te verlenen, zijn uitspraken te onderzoeken en mee te kijken naar alle mogelijke fenomenen. Het is ook lange tijd raadselachtig geweest hoe het verband moest worden begrepen tussen het optreden van vlekken op de zon en de verkoop van maaimachines. Het is uiteindelijk verklaard door ritmes in het klimaat en daarmee gepaard gaande ritmes in agrarische productie als tussenschakels te onderzoeken. En dan zitten we nog op een natuurwetenschappelijk-fysiek terrein van onderzoek. De stap naar het geestelijk onderzoeksveld maakt het voor ons moderne stervelingen nog veel moeilijker.

Kruipende vlieg

Treffend is in dit verband de uitspraak die Steiner doet in 1906 als zouden kometen het op aarde levensgevaarlijke gifgas cyaan bevatten, waarmee ze het planetenstelsel een soort kosmische reinigingsbeurt geven, vergelijkbaar met een koortsaanval bij een zieke, een woedeaanval bij een getergde en een on-weersaanval bij een overbeladen atmosfeer. (Overigens is vastgesteld dat bij een woedeaanval het cyaangehalte van ons bloed aanmerkelijk stijgt.) Astronomische metingen aan de Halleykomeet 1910 en andere zwerk-grazers in de jaren daarna gaven een overtuigende bevestiging van Steiners visie. De wegen waarlangs het cyaan ontdekt werd verschilden echter hemelsbreed. De manier waarop de uiterlijke wetenschap zich met kometen bezighoudt is te vergelijken met de bestudering van de Sixtijnse Madonna door een vlieg. Hij ziet, al kruipend over de Madonna, ook kleuren. Rood op de ene plaats en blauw op de andere, maar verder ziet hij niets van de betekenis en het totaalbeeld, de intentie van de schilder en de emotie van de waarnemer.

Wat we dan wél kunnen waarnemen zijn de beroemde wensvervuilers die we vallende sterren noemen en waarvan we noch verwachten dat de wensen uitkomen noch mogen zeggen dat het sterren zijn. In de atmosfeer regenen voortdurend fijne gruisdeeltjes – kiezelsteengroot – uit de kosmos, die door wrijving verbranden als ze met enorme snelheden door het luchtruim suizen. De goed zichtbare lichtende sporen, op slechts korte afstanden van enkele tientallen kilometers, zijn vingerafdrukken van een verdampingsproces, waarbij vooral ijzer en nikkel, maar ook kiezel in fijne dosering de atmosfeer doortrekt. Uiteindelijk regent het fijne ijzerdeeltjes op de bodem, waarbij het om honderden tonnen substantie per jaar gaat. Een soort kosmische voeding voor de aarde.

Op die manier worden de substanties langzamerhand ingebouwd en verteerd in de processen op aarde en kun je zeggen dat we kometen eten, want de gruisdeeltjes zijn overblijfselen van staartsterren die uitgewerkt zijn en hun giftige cyaanreiniging van het planetenstelsel vervangen door een ijzerreiniging van de atmosfeer. Van ver weg naar dichtbij, van planetosfeer naar atmosfeer, van cyaan naar ijzer, verandert het kometenproces en het verbazende daarbij is de aard van de substanties. IJzer is in ons lichaam, in ons bloed een centrale ademstof die de kern vormt van het hemoglobine en relaties legt met de levenwekkende zuurstof. Cyaan daarentegen is een van de meest dodelijke ademgiften, die zich ogenblikkelijk met bloedijzer verbindt en iedere opname van zuurstof blokkeert. Wat een geluk dat het ijzer in de lucht komt en het cyaan in de buitenaardse ruimte blijft! Overigens gaat het – op kosmische schaal – om onnoemelijk kleine hoeveelheden en was de paniek in Chicago 1910 dan ook onterecht: de ramen van vele huizen waren met kranten dichtgeplakt om het gevaarlijke gas buiten de deur te houden.

Onderstaande regels zijn nu niet meer actueel:

Mocht u nieuwsgierig zijn geworden naar deze vreemde indringer in onze huiselijke vrede, dan kunt u hem met enig geluk ook zelf waarnemen in de komende maanden bij goed heldere hemel en niet te veel storend licht van straatlantaarns en volle maan. Hoe mooi en indrukwekkend het gaat worden is niet te voorspellen, maar de verwachtingen zijn weinig hooggespannen, vooral ook omdat de komeet in de lage regionen van de dierenriem zijn grootste helderheid bereikt. Het mooist treffen de Australiërs het, omdat daar de komeet juist hoog verschijnt.
In november staat Halley in Stier en Ram en in december in Vissen en Waterman, maar is in verband met maanlicht niet altijd goed te zien. De eerste twee weken van november en vooral de eerste twee weken van december heeft u de meeste kans van slagen, maar reken erop dat het misschien niet eens met het blote oog zichtbaar is. Een eenvoudige veldkijker zal dan goede diensten bewijzen.
.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-2-2)

.

Rinke Visser, Jonas jrg.10, nr 6
.

Astrologie, astronomie en astrosofie

Astrologie, astronomie en astrosofie, drie gebieden waarin de mens de door hem gevoelde verbinding met de kosmos heeft uitgedrukt. Wat is hun onderlinge verhouding, wat zijn hun onderlinge verschillen? Je hoort de eerste twee begrippen nogal eens door elkaar gebruiken, het laatste woord wordt nog nauwelijks gebruikt.

Het zou te ver voeren om op deze plaats de geschiedenis van de astrologie en de astronomie uitvoerig te behandelen; we beperken ons tot een korte karakterisering.

De astrologie, ook wel eens sterrenwichelarij genoemd, legt verbanden tussen de stand van de sterren aan de hemel en het menselijk leven. De sterren waar het hier om gaat zijn in de eerste plaats de zeven planeten: Maan, Venus, Mercurius, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit zijn de zeven klassieke planeten. Pas in veel latere tijd zijn de overige ontdekt: Uranus, Neptunus en Pluto. Deze laatste zijn later ook in de astrologie ingevoegd, als aanvulling op de overgeleverde astrologische traditie.
De astrologie is in het oosten ontstaan. We zijn zeker niet in het bezit van
documenten die betrekking hebben op de allervroegste periode. Tot de oudste overleveringen behoren Babylonische lijsten van sterrenstanden, die plaats vonden op het moment van een eveneens opgesomde reeks van gebeurtenissen. In vele culturen is een vorm van astrologie tot bloei gekomen. Voor het bewustzijn van deze oude volken waren de planeten en de sterren geen hemellichamen in de huidige betekenis van het woord. Het waren lichten waarmee de goden hun wil aan de hemel zichtbaar konden maken. Het was aan de priesters om het sterrenschrift te ontraadselen en de betekenis aan de mensen door te geven. Aanvankelijk legde men ook veel meer verbanden tussen het lot van een volk en de sterren, dan tussen individuele lotsbeschikkingen en sterrenstanden. Deze volken zag men dan vaak als gerepresenteerd door de koning. Het lot van de koning was het lot van het volk. Een samenvatting van de oude traditie is bewaard gebleven doordat Ptolemaeus deze in de tweede eeuw na Christus in zijn boek Tetrabiblos heeft opgetekend. Dit werk is in welhaast alle talen vertaald. De astrologie zoals die ook thans beoefend wordt gaat bijna geheel terug op dit werk.

Voor het precies optekenen van de sterrenstanden waren nauwkeurige waarnemingen nodig. Maar dat was niet genoeg. Om de waarnemingen te kunnen gebruiken was er ook een tijdrekening noodzakelijk, anders kon je de verschijnselen onmogelijk goed vastleggen. De tijdrekening is een belangrijk nevenprodukt van de astrologie. Hier begint al een astronomisch aspect zichtbaar te worden. Het uiterst nauwkeurig waarnemen en vastleggen van verschijnselen werd een hulpwetenschap die een uiterst praktische waarde bleek te hebben voor bijvoorbeeld het tijdig heffen van de belastingen en voor het bepalen van de wisseling van de seizoenen. We hoeven ons er dus niet over te verbazen dat veel beroemde astrologen uit de oudheid tevens een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de astronomie geleverd hebben.

De ontwikkeling van de astrologie verloopt niet continu. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk komt er een voorlopig einde. Pas in de middeleeuwen komt de astrologie opnieuw tot bloei. Het einde komt betrekkelijk definitief als in 1666 Jean Baptiste Colbert onder Lodewijk XIV bij de oprichting van de Franse Academie voor Wetenschappen aan de sterrenkundigen verbiedt zich met astrologie in te laten. Een betrekkelijk definitief einde, want na de Tweede Wereldoorlog heeft de belangstelling voor de astrologie weer zo’n hoge vlucht genomen, dat in 1975 maar liefst 192 Nobelprijswinnaars zich genoodzaakt voelden om een verklaring tegen de astrologie te tekenen. Deze verklaring is ook in Nederland verschenen onder de titel De mythe van de astrologie.

Zoals blijkt mogen we niet zeggen dat de astronomie zich na de astrologie ontwikkeld heeft, ze bestonden al heel vroeg tegelijkertijd. Voor het bewustzijn van de astrologen waren het ook geen gebieden die met elkaar in strijd zijn. Het feit dat de sterren goddelijk zijn hoeft nog geen beletsel te vormen hen goed waar te nemen. Eigenlijk heeft de astronomie pas in de 19e eeuw zijn materialistische karakter gekregen.

Vanuit het standpunt van de moderne natuurwetenschap is het niet moeilijk een vernietigend oordeel over de astrologie te vellen. Zonder moeite kunnen we bewijzen dat de oude opvattingen van waaruit de astrologie gerechtvaardigd kan worden voor ons geen geldigheid meer hebben. Teleskopen onthullen ons het materiële karakter van de 77 planeten. Van enig aannemelijke relatie tussen de mens en de onderlinge standen van de planeten blijkt niets.

Met dank aan de bijdragen die astrologen ooit aan de astronomie geleverd hebben, kan de astrologie verder als een dwaling van de menselijke geest terzijde geschoven worden.
De dwaling blijkt dan niet zozeer te bestaan in het feit dat men de sterren als goddelijk ervoer; daarvoor kan men respekt hebben. Het gaat echter om de manier van denken waar de kritiek naar uitgaat. En dat is eigenlijk veel interessanter dan allerlei andere argumenten waaruit kan blijken dat de astrologie, zoals die thans wordt bedreven, geen enkele geldigheid zou hebben.

De grote dwaling is: De astrologie denkt in analogieën. Een voorbeeld:

De zon loopt door de dierenriem. Elk jaar staat de zon in hetzelfde seizoen in hetzelfde sterrenbeeld. Bij een jaargetijde horen bepaalde, vaste eigenschappen: opbloeien of afsterven van de natuur, net uit de aarde komen van jonge kiemplantjes of al vrucht dragen.
De stap is nu dat het karakter van het jaargetijde wordt overgedragen op de sterrenbeelden. Als men nu woorden als: vruchtbaar, bloeiend, afstervend, doods, donker, licht, enzovoort in overdrachtelijke zin gebruikt, dan kan men ze op mensen die door het moment van hun geboorte bijzondere verbindingen met zo’n sterrenbeeld hebben van toepassing laten zijn.

Voor de nauwkeurigheid: eigenlijk mogen we in dit verband niet spreken over sterrenbeelden, we moeten zeggen sterrentekens. Het gaat om de tekens van de dierenriem. Deze dragen wel dezelfde namen als de beelden, maar vallen er in onze tijd niet meer mee samen. De beelden en de tekens zijn ten opzichte van elkaar verschoven. De beelden zijn de zichtbare sterrenconfiguraties, die in booggraden gemeten allemaal verschillende afmetingen hebben. De tekens zijn niet zichtbaar, het zijn gelijke delen van de dierenriem, elk deel is 30°. De afspraak is dat de zon bij het begin van de lente altijd het teken Ram binnenschrijdt. Daarmee is de positie van de ‘dierenriem van de tekens’ ten opzichte van de jaargetijden vastgelegd: In het begin van de zomer komt de zon altijd in het teken Kreeft, in de herfst in het teken Weegschaal, in de winter in het teken Steenbok en zoals gezegd in de lente in het teken Ram. Men kan hier meteen het verband leggen met de woorden Steenbokskeerkring en Kreeftskeerkring: Als de zon in het teken Kreeft staat, staat hij voor de landen op het noordelijk halfrond op zijn hoogst. Voor het zuidelijk halfrond is dat het geval als de zon in het teken Steenbok staat. Kijken we nu echter naar de hemel, dan kunnen we eenvoudig waarnemen dat de zon op het moment dat de lente begint in het dierenriembeeld de Vissen staat, en niet in de Ram! Toen de tekens hun naam kregen lagen tekens en beelden nog in dezelfde richting. Nu, tweeduizend jaar later zijn ze een heel beeld ‘uit elkaar geschoven’. De astrologie rekent altijd met de tekens, nooit met de werkelijk zichtbare beelden. De betekenissen hangen dan ook niet meer met de sterren samen, maar met richtingen ten opzichte van het punt waar de zon staat als de lente begint, het punt Ram. Het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de astronomie, die geheel op de waarneming afgaat, nooit over tekens spreekt, daar gaat het uitsluitend om de reëel zichtbare beelden.

Na deze uitweiding komen we weer terug op het punt van het denken. De astrologie denkt niet logisch of analytisch, maar analoog. Denken in analogieën is iets geheel anders dan het eenvoudig naast elkaar zetten van bepaalde gegevens. Wie in analogieën wil denken, zal moeten leren in beelden te denken. Het denken in beelden verloopt anders dan het denken in begrippen. Het laatste kan geheel abstract zijn; het gaat er om de begrippen die men hanteert op een logische manier met elkaar in verband te brengen. Het op deze wijze verbinden van begrippen met elkaar leidt tot nieuwe conclusies. Dit denkproces is controleerbaar, het kan door iedereen navoltrokken worden. Bij dit nadenken komen eventueel gemaakte denkfouten aan het licht.

Bij het beelddenken ligt dat anders. In de eerste plaats is een beeld zelden logisch in de gewone zin van het woord.
Beeldentaal heeft zijn eigen logica. De consequentie is dat beeldentaal niet op dezelfde wijze door iedereen verstaan kan worden. Het beeld spreekt je aan, of niet. Het kan je haast niet aangepraat worden. In de litaratuurles worden beelden in gedichten wel eens verklaard. Daarmee komt misschien wel de kale betekenis van het gedicht dichterbij, maar niet het beeld zelf. Dat heeft iets van de dauwdruppel: Als je op een afstandje kijkt schittert hij in alle kleuren van de regenboog, kom je dichterbij dan is alle kleur verdwenen. Een heldere kleurloze waterdruppel aan een grassprietje. Elk beeld bevat zijn eigen waarheid, die nooit geheel in verstandelijke taal vertaald kan worden; altijd gaat er iets verloren. Dat iets is de bijzondere verbinding die een beeld geeft met de werkelijkheid achter het beeld.

Een beeld bedenk je niet, je ziet het.

Je spreekt het uit, en de ander ziet het ook, het spreekt hem aan. Het kan dan nog best lang duren eer beiden de werkelijkheid achter het beeld ten volle hebben leren kennen. Een beeld zien is niet hetzelfde als een beeld doorzien. Een beeld draag je in jezelf rond, na een tijd spreekt het zich uit. Dat is een volstrekt a-logisch proces. Het laat zich niet met verstandelijke argumenten overdragen op de ander. Het logische natuurwetenschappelijk denken geeft toegang tot het begrijpen van de dode natuur, tot de gestorven wereld. Het leven moet met een ander denken begrepen worden, waarvan het denken in beelden een voorstadium kan zijn. Het beeld als spiegeling van een levende werkelijkheid, daarop is van toepassing de uitspraak van Paulus: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. Wanneer wij ons verdiepen in de astrologie, merken we al gauw dat we terecht komen in een wereld van beelden. Met die beelden kan men op veel manieren omgaan. In veel gevallen zal men daar afwijzend tegenover staan. In de eerste plaats als die beeldenwereld gehanteerd wordt als gold het een begrippenwereld. Dat zal men vaak zien. Hierdoor komt de astroloog tot conclusies die niet voortvloeien uit het innerlijk verstaan van beeldentaal, maar door het betrekken van een beeld op een heel andere werkelijkheidscategorie dan waaraan het beeld oorspronkelijk ontleend is.

Een ander groot bezwaar kan men aanvoeren als de astrologie ons suggesties doet over uit te voeren handelingen. De beslissingen omtrent onze handelingen liggen geheel binnen het gebied van onze eigen verantwoordelijkheid en moeten vanuit de bij ons horende morele maatstaven genomen worden. Nooit mogen wij ons die persoonlijke verantwoordelijkheid laten ontnemen. Er wordt dan inbreuk gedaan op het gebied van onze vrijheid van handelen, de vrijheid van persoonlijke keuze; de beslissing wordt buiten ons om genomen en onderscheidt zich dan niet van besluiten die op grond van orakels als Tarot en I Tjing tot stand zijn gekomen.

Deze conclusies gelden voor onze tijd, voor mensen met een modern, twintigste-eeuws bewustzijn. Voor de oude culturen waarin de astrologie zijn oorsprong heeft golden ze zeker niet. Het bewustzijn van de mens is veranderd. Zonder ons met astrologie als orakelwijsheid bezig te houden, kunnen we toch inzien dat de beeldenwereld van de oude astrologie op zichzelf geen onzin is. De wijze waarop er mee omgegaan wordt kan echter gemakkelijk tot onzin leiden. Gevaarlijke onzin.

Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met het archetypisch karakter van de astrologische beeldentaal. Daarmee heeft hij in voor de moderne mens verstaanbare taal de rijkdom van de beeldentaal weer zichtbaar gemaakt.

Welke samenhang hebben de verschijnselen die wij aan de sterrenhemel waarnemen? Wat is de bewegingsoorzaak of wie is de beweger van het bewegende? Vragen waarop elke cultuur, elke tijd zijn eigen antwoord gegeven heeft. Het antwoord dat zijn uitersten vindt in de opvatting dat het de goden waren die de sterrenlichten aan de hemel bewogen en de verklaring van alle beweging met behulp van de wetten van de zwaartekracht. (Het onderdeel van de astronomie dat zich met het laatste bezighoudt heet ‘hemelmechanica’. Een merkwaardig woord, als we het homoniem van het woord ‘hemel’ erbij betrekken: de ‘plaats’ waar zich geestelijke wezens bevinden – God, engelen, mensenzielen. Maar dit terzijde). In verschillende oude negentiende-eeuwse astronomieboeken komt men als interessant vraagstuk het zogenaamde ‘drielichamenprobleem’ tegen. Dit probleem luidt, in ‘t kort gezegd: Op welke wijze zullen drie hemellichamen middels de zwaartekracht elkaar in beweging brengen, in het bijzonder als deze lichamen verschillende massa’s hebben? Dit drielichamenprobleem speelt een belangrijke rol bij het leren begrijpen van de planetenbewegingen.

Op een heel andere wijze kan men in onze tijd ook een drielichamenprobleem formuleren: Op welke wijze kan men leren begrijpen dat er een relatie tussen mens en kosmos bestaat, wat is de aard van het ‘mechanisme’ waarin zich de eventuele relatie manifesteert? De astrologie in zijn huidige vorm gaat aan deze vraag voorbij, zich beroepend op oude tradities, de oude astrologie vond het antwoord in een mythologisch bewustzijn, de astronomie stelt de vraag niet.

Steiner heeft de mens beschreven als een wezen met een drievoudige lichamelijkheid: het fysieke lichaam dat we met de hele stoffelijke natuur gemeen hebben, het etherlichaam dat aan dit stoffelijk lichaam de kwaliteit ‘levend’ verleent, dat we gemeen hebben met plant en dier, en het astrale lichaam dat de basis is voor ons bewustzijn en dat we gemeen hebben met het dier.
Door het inzicht dat deze kwaliteiten niet alleen in de mens aanwezig zijn maar eveneens in de kosmos, is het mogelijk de vraag te beantwoorden: Elk van de drie lichamen heeft met de kosmos zijn eigen relatie. We moeten dan ook niet spreken van dé relatie, maar van de verschillende relaties die er tussen mens en kosmos bestaan. Hiermee heeft Steiner het mogelijk gemaakt om de oude astrologische basisregel ‘Zoals boven, zo ook beneden’, zoals die op de Smaragden Tafel van Hermes is vastgelegd, op een nieuwe wijze te begrijpen. We kunnen met behulp van het antroposofisch mens- en wereldbeeld weer op weg gaan naar het inzicht dat de mens een microkosmos is. Dat inzicht kan maar heel langzaam verkregen worden, omdat het niet gaat om een verstandelijk kunnen aanvaarden, waarvoor studie alleen voldoende zou zijn. Het inzicht waar het hier om gaat wordt niet uit het denkende verstand alleen geboren.

Een belangrijk aspect van de vraagstukken rondom astrologie en astronomie is nog buiten beschouwing gebleven: Wat is de verhouding van de aarde tot de kosmos?

Ter illustratie een citaat uit een boek*) dat de geschiedenis van de astronomie behandelt: ‘… Philolaus’ ideeën bevorderden echter de vooruitgang van de sterrenkunde, want per slot van rekening was zijn aarde van ondergeschikt belang in het heelal en was zij geen stilstaand lichaam’. Het inzicht dat de aarde van ondergeschikt belang is in de kosmos, wordt door de materialistische astronomie een vooruitgang genoemd. Wanneer we ter beantwoording van de vraag omtrent de betekenis van de aarde voor de kosmos uitsluitend kwantitatieve grootheden in het geding brengen, kunnen we inderdaad tot geen ander inzicht komen dan dat de aarde een volstrekt onbetekenend nietig stofje in het heelal is. Nemen we daarentegen ook andere aspecten in overweging, dan zullen we wellicht nog tot andere uitspraken moeten komen. Voor de oude beschavingen was de aarde het middelpunt van de kosmos. Daarop is de hele oude astrologie gebaseerd. Voor de moderne mens doet de vraag naar het middelpunt zich niet meer voor. Voor de beantwoording van de vraag naar de relatie tussen mens en kosmos, zal het antwoord dat wij geven op de vraag naar de verhouding van de kosmos tot de aarde van eminent belang zijn.

In de aanhef van dit artikel is gewag gemaakt van drie begrippen: astrologie, astronomie en astrosofie. De eerste twee zijn van verschillende kanten gekarakteriseerd. Uiteraard kan het hier slechts bij een globale verkenning blijven. De astrosofie is als begrip nog buiten beschouwing gebleven, niet expliciet gemaakt ten minste. Impliciet is zij inmiddels wel gekarakteriseerd: als de moderne wijze waarop de mens in al zijn geledingen weer een bewuste relatie tot de kosmos kan vinden.

In de mens heeft de kosmos zichzelf samengevat; als we tot dit inzicht kunnen komen, zullen we ook kunnen gaan begrijpen dat de mens eens de weg naar de kosmos terug zal kunnen vinden.

*) Charles-Albert Reigen: Geschiedenis der Sterrenkunde.

Rinke Visser: astrosofie

.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1950

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde – de zon [3-5]

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 9,no 25
.

DE ZON

‘Dir Seele des Weltalls, o Sonne’. Zo begint een lied van Mozart (KV 429). Hij prijst daarin de zon, de machtige. Aan haar danken we vruchtbaarheid, warmte en licht. Zonder haar kunnen we niet bestaan. Dat voelde Mozart zo. En met hem ontelbare andere dichters, schrijvers en filosofen. Hoe voelen we de zon nu, hoe zien we haar? Kunnen we nog een andere verhouding tot haar krijgen dan een gloeiende gasbol, waaromheen wat steenklompen draaien?

Ik geloof van wel en onderstaande bijdrage is een poging om fenomenen zichtbaar te maken, die kunnen helpen de zon beter te zien.

Daar is direct al iets merkwaardigs aan de hand. Kun je de zon eigenlijk wel zien? Soms doen we verwoede pogingen om erin te kijken en dat lukt zeer ten dele. Onze blik nadert de zon, maar blijft er niet dichtbij rusten want het licht verwondt, het maakt zelfs blind na lang staren. Even kunnen onze ogen langsflitsen om dan met een brandend gevoel achter te blijven. We voelen een soort druk van binnen, een enorme zwaarte achter het oog. Allemaal lichtplekken, kransen, flitsen, sidderingen vullen de lucht. Allerlei nabeelden, zelfs bij gesloten ogen. De zon heeft zich in ons afgedrukt, we zijn bijna geplet. Vreemd eigenlijk, dat licht zo verpletterend kan zijn. Maan en sterren werken niet zo op ons. We vinden het zelfs prettig om erin te kijken. Het geeft houvast en vertrouwen. De zon geeft dat ook, maar alleen als we er niet in kijken. Lekker vertrouwd in de zonbeschenen wereld. Hoe meer hoe beter, totdat we ons er helemaal aan overgeven als het te warm en te licht wordt.

’s Winters bij somber weer, is die wereld wat minder dichtbij. Dan kruipen we weg, soms in onszelf om daar houvast te vinden. Maar op zo’n heldere zomerdag kijken we zonnig rond, om vervolgens te ontdekken dat je overal naar kunt kijken behalve naar die lichtbron zelf. De zon is eigenlijk een uitsparing aan de hemel, een soort gat. Probeer maar eens om de zon te tekenen. Als je eerst de zonneschijf zwart maakt, of met een andere kleur opvult en daarna stralen gaat tekenen, gebeurt er niets. Het straalt niet. Andersom wel. Als je met de stralen begint en de zonneschuif op die manier uitspaart, dan ontstaat het stralende
effect. Ook in de tekening ga je uit van een gat, van een holle ruimte.

Er zijn weersomstandigheden waarbij de zon iets bijzonders laat zien. Het moet dan vochtig zijn in de lucht, soms iets nevelig. Je kijkt naar boven en ziet een halo. Heiligenschijn, lichtkrans heet het ook wel. Altijd op vaste afstand rondom de zon is dan een kleurcirkel zichtbaar, een lichtband. Daarin komen regenboogkleuren voor, maar veel fletser van toon en ook in andere tinten. Een gewone regenboog is het niet. Binnen die krans is het hemelsblauw dieper, anders van kleur dan erbuiten. Het is een prachtig gezicht, vooral als er nog extra glansplekken in de krans voorkomen, die zich een enkele keer zo groeperen, dat een kruis ontstaat. Zo’n Iers kruis, met een cirkel eromheen. Het beste kun je de halo zien, wanneer je met je vuist de zonneschuif afdekt. Het is namelijk iets heel teers, dat makkelijk door de felheid van het licht wordt toegedekt of door slordige waarneming niet wordt opgemerkt. De regenboog is krachtiger van kleur, veel tastbaarder zou je kunnen zeggen. Het verschijnen en weer verdwijnen is weliswaar ook zo’n teer gebeuren, maar de complete boog ‘staat’ aan de hemel. Voor iedereen opvallend zichtbaar. Het verschil met de halo is ook de afstand tot de zon. De regenboog staat tegenover de zon, aan de andere kant van de hemel. De vochtige lucht moet beschenen worden, terwijl de
zon omhullende halo doorschenen wordt. Ook de aarde om ons heen, de voorwerpen rondom ons, zien er anders uit, wanneer we de zon in de rug hebben of tegen de zon inkijken.

Probeer eens een aantal keren de volgende oefening te doen: Je gaat midden op een veld staan, met een wijd uitzicht over de omgeving en een ver verwijderde horizon. Overal zijn bomen, huisjes, akkers enzovoort. Wanneer je nu met de zon in de rug een eindje gaat lopen, dan is de wereld bijzonder goed zichtbaar. Je loopt er echt naar toe. De vormen en kleuren zijn helder en vertrouwd. De wolken zijn licht, de hemel is hemelsblauw.

Die wereld is gevuld, daar leef je prettig in.

Nu keer je je om (liefst snel) om dan tegen de zon in te lopen Alles is nu anders. De kleuren vervagen en alles gaat glanzen en spiegelen. Vormen zijn moeilijker te onderscheiden. Wolken lijken donkerder, somberder, dreigender. Het hemelsblauw is veranderd in een lichte melkachtige tint. Deze is leger, kaler. Door de glans verliezen de voorwerpen iets van zichzelf. Je loopt onzekerder, met minder vertrouwen. Als je dit enkele malen herhaalt, wordt het contrast steeds duidelijker. Het gaat overigens het best, wanneer de zon niet te hoog aan de hemel staat. Samenvattend ziet het beeld er zo uit:

– Van de zon af kijken, maakt de wereld duidelijker. De regenboog aan de hemel is krachtig.
– Naar de zon toe kijken maakt alles onduidelijker. De halo aan de hemel is heel teer.
Wederom zie je naar de zon toe bewegend steeds minder. De wereld lost op, het materiële-substantiële vervaagt.

De vraag komt nu op in hoeverre deze tendens doorgetrokken kan worden. Wat is er vlak rondom de zon aanwezig? Zien we iets niet dat er toch wel is? Het antwoord hierop wordt ons door de maan gegeven. Wanneer de zon en maan elkaar precies afdekken ten tijde van een zonsverduistering, dan komt de corona in het zicht. De zonschijf (in werkelijkheid dan de maanschijf) is een zwarte cirkel en daaromheen tekent zich een flauwe gloed af. Een soort zachte straling die zich naar alle kanten in de ruimte uitbreidt. Deze ‘kroon’ kun je normaal niet zien vanwege de overstraling, maar nu eventjes wel. Het is echt heel teer. Als een soort aura omgeeft het de zon. De corona wisselt van vorm afhankelijk van de toestand van de zon (er bestaat een relatie met storingen op de zon, die we zonnevlekken noemen). Deze zonneaura is buitengewoon groot en breidt zich zover in de ruimte uit, dat onze aarde er geheel in opgenomen is. Toch zien we haar niet. Een onzichtbare omhulling. Een beschermmantel wellicht.

In onze ziel kan dit verschijnsel ook optreden. En wel tijdens het overgangsgebied van zon en maan, daar waar de maan de zon een beetje gaat afdekken. Ik bedoel de zondagavond. Als de dag van de zon doorleefd is en wij hebben ons in onze ziel met spirituele inhouden beziggehouden, dan kan in de vooravond van de maandag een soort omhulling voelbaar worden. Een
beschermmantel, soms heel moeilijk voelbaar, en andere keren duidelijker, die een steun betekent om het werk te beginnen. Waar je ook naar terug kunt kijken als de week ten einde loopt. Een ‘corona’, een kroon die zich tot aan het einde van de week uitstrekt.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.