Categorie archief: sterrenkunde

VRIJESCHOOL – Voorbereidende stemming voor de lessen over de natuur

.
Nog tijdens het leven van Rudolf Steiner schreven enthousiaste vrijeschoolleerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart over hun onderwijs. Zich uiteraard sterk beroepend op de mededelingen van Steiner die ze van hem hadden gehoord, dan wel gelezen.

In het tijdschrift dat de voorloper is van het Duitse blad ‘Erziehungskunst’ werden de artikelen voor voornamelijk de ouders gepubliceerd. In ‘Mededelingen vrijeschool’ uit 1924 staat onderstaand artikel over de stemming van waaruit je met de kinderen over de natuur kan spreken.
Hoewel dus ook bijna 100 jaar oud, is de inhoud nog even fris en belangrijk voor de vrijeschoolleerkracht van nu. Ik heb het iets ingekort.

Friedel Naegelin, Mitteilungenblatt Freie Waldorfscjhule, nr. 6 1924
.

voorbereidende stemming voor de lessen over de natuur

In de lessen over de natuur en bij aardrijkskunde proberen wij vanaf het begin een levend gevoel te wekken voor de aarde, gezien als een samenhangend organisme.
Het leven dat de aarde ons toont, neemt de mens over het algemeen als een vanzelfsprekend gegeven, zonder erbij stil te staan dat wanneer hij over de aarde loopt of van de voortbrengselen geniet, hij gedragen en gevoed wordt door iets bezields, iets wezenlijks.

De aarde neemt en daarmee alles wat leeft overdag die werking van de zon op, ’s nachts die van de sterren. Alles wat leeft hangt nauw samen met het leven van de mens en met de kleine en grote ritmen en met de tijdsduur. Overdag, ’s nachts, in de winter en de zomer, tijdens perioden van aardbevingen en vulkaanuitbarstingen, in de luchtbewegingen en in de kringloop van het water zijn krachten aan het werk die zoals in het menselijk lichaam leven en vorm geven.
Het gevoel van de mens bij de aarde te horen kan nog dieper worden, wanneer hij ervaart hoe in de warmte, de zuiverheid en helderheid van het zonnelicht iets naar de aarde toekomt, wat in al het aardse op de meest intieme manier de kiem voor een morele ontwikkeling legt.
De volksmond heeft het vaak over de zon als symbool van het licht, dat geen duisternis verdraagt en leugen en onrecht aan het licht brengt.

Je ziet de mens door de ontwikkelingsfasen gaan met de markante keerpunten (tandenwisseling, puberteit) en ook de aarde maakt haar ontwikkelingsfasen door. Er zijn mijlpalen aan te wijzen, net zoals in het leven van de mens.

Nu is de mens wat zijn fysieke materie betreft gescheiden van de aardse materie tot aan de dood, zoals een regendruppel van de zee. 

En telkens ontwikkelde en ontwikkelt de mens nieuwe impulsen naar de toekomst en schept vanuit het licht een nieuwe moraal, bevrijdende liefde en liefdevolle vrijheid.

Vanuit deze stemming proberen we de lesstof in het onderwijs zo te geven dat er bij de kinderen iets wakker wordt dat verder gaat dan alleen het materialistische denken en dat hem daar ook tegen beschermt.

Want wie alleen maar materialist is, kan slechts van de aarde houden vanuit egoïstische motieven. Dan gaat het alleen om het ‘nu’. Dan kijkt de wetenschapper alleen naar het vergankelijke. Dan is de aarde alleen iets wat iets oplevert voor de lichamelijke behoeften en houdt alles met de dood op.

De aarde beschouwen als een levend wezen met een zonnenatuur, zoals wij dat ook zijn, betekent aan haar ontwikkeling meewerken en vormen voor een verre toekomst. 

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Dierkunde: alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

 

2238

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 11e klas – wiskundige aardrijkskunde

.

wiskundige aardrijkskunde

Toen de vrijeschoolbovenbouwen iets minder onvrij waren dan nu – lees: minder te maken hadden met examendruk – was ‘wiskundige aardrijkskunde’ een periode waaraan alle leerlingen van de klas in het hoofdonderwijs deelnamen. Hoe dat nu is, weet ik niet.

Een van de allereerste aanwijzingen in het leerplan van Caroline von Heydebrand voor het vak aardrijkskunde in de 11e klas, is de behandeling van de mercatorprojectie. In dit nummer van het tijdschrift Vrije Opvoedkunst staat een artikel over ‘wiskundige aardrijkskunde’. 

Ook de zonnewijzer kan behandeld worden. 
In een verzameling artikelen in een bundel van vrijeschool ‘Novalis college’ in Eindhoven staat dit artikel uit het blad ‘Pythagoras’.

Daarin wordt genoemd deZonnewijzerkring‘. Op de website staat veel informatie en je kan er veel afbeeldingen vinden.

11e klas: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden.

2056

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-7)

.
Artikel opgenomen in een bundel met artikelen over sterrenkunde vrijeschool Eindhoven
.

En toch beweegt ze

In 1543 schreef de astronoom Copernicus in zijn beroemde boek „De revolutionibus orbi-um coelestrium”:

Praktisch alle geleerden zijn het er over eens, dat de aarde in het centrum van het heelal RUST. Zij vinden het onbegrijpelijk en zelfs belachelijk, als iemand er anders over denkt. Maar als men de zaak zorgvuldig overweegt, zal men inzien, dat het laatste woord hierover nog niet gesproken is en dat men niet zomaar aan deze kwestie voorbij kan gaan.

Honderd jaar later is de wetenschappelijke wereld (op enkele uitzonderingen na) er nog van overtuigd, dat de aarde in het middelpunt van het heelal staat; dat de sterrenhemel dagelijks éénmaal rond die aarde draait en dat de zon in één jaar een baan om de aarde beschrijft.

In 1633 wordt de bekende Italiaanse wis- en natuurkundige Galileo Galileï, een fervent aanhanger van het wereldbeeld van Copernicus, zelfs gedwongen zijn opinie niet meer in het openbaar te verkondigen. De legende zegt, dat Galileï na het proces uitgeroepen zou hebben: EN TOCH BEWEEGT ZE! Gedacht heeft hij het zeker.

Het duurt dan nóg bijna een eeuw vóór het copernicaanse wereldbeeld algemeen aanvaard wordt. In 1791 wordt voor het eerst met valproeven een experimenteel bewijs voor de aswenteling van de aarde gegeven. Zestig jaar later bedenkt de Franse natuurkundige Foucault zijn bekende slingerproef, waarbij de toeschouwers als het ware de aarde konden ZIEN draaien.

In het Panthéon te Parijs had hij een slinger opgehangen bestaande uit een staaldraad van 67 m met daaraan een stalen bol van 28 kg. De meer of minder geleerde toeschouwers konden zien, dat bij het verstrijken van de tijd het vlak, waarin de slinger zich bewoog, draaide. Dit kon bijvoorbeeld afgelezen worden op de schaalverdeling, die in de op de afbeelding zichtbare rand was aangebracht. Deze draaiing was een experimenteel bewijs voor de dagelijkse aswenteling van de aarde.

Bron Rémih, Wikipedia

Het gemakkelijkst is dat in te zien, als men zich de slinger opgesteld denkt aan de noordpool, het ophangpunt zuiver boven de plaats, waar de aardas het aardoppervlak snijdt.

Is in fig. 1 N de noordpool, waar we van boven af op kijken, dan zien we de aarde zich bewegen in de door de pijl bij P aangegeven richting. Beweegt de slinger zich in het door de rechte lijn aangegeven vlak, dan zal een toeschouwer, die zich niet boven maar op de aarde bevindt, en dus de draaiing van de aarde meemaakt, de indruk krijgen, dat hij zelf zich in rust bevindt en dat het vlak van de slingerbeweging draait en wel in een richting tegengesteld aan zijn eigen beweging, dus met de klok mee. Hij zal in de loop van een etmaal de indruk krijgen, dat het slingervlak 360° draait. Daarmee heeft hij dan de aswenteling van de aarde waargenomen.

We gaan een poging ondernemen dit te verklaren:

Dat de toeschouwer aan de noordpool het slingervlak ziet draaien is het gevolg van het feit, dat de slinger zich in de ruimte beweegt ten opzichte van een assenstelsel, dat onafhankelijk is van de aarde, alsof hij aan de sterrenhemel was opgehangen. De aarde draait dan onder hem door. Op de plaats, waar Foucault zijn proef nam, is de zaak nogal wat ingewikkelder. Nu wordt nl. het slingervlak ook door de aarde meegenomen. Toch blijft ook het verschijnsel bestaan, dat de slinger zich beweegt ten opzichte van een assenstelsel buiten de aarde.

Het onderste eind van de slinger beweegt zich in het raakvlak aan de aarde op de plaats van waarneming. Bij benadering kunnen we daarom de beweging van dit ondereind wel vervangen door die van een oscillator, die een harmonische trilling uitvoert rondom het raakpunt. Een waarnemer buiten de aarde ziet nu, dat na verloop van enige tijd het raakvlak, waarin de oscillator zich beweegt, een andere stand heeft aangenomen. Het is met de aarde mee gedraaid ten opzichte van de eerste stand.

Het raakvlak, dat bij de proef van Foucault de aarde raakt in een punt van de breedtecirkel van Parijs, rolt bij deze draaiing bij wijze van spreken over deze cirkel. Het rolt daarbij tevens over de kegel, die de aarde volgens deze breedtecirkel omhult (Fig.2). Zouden we op het raakvlak (aan de „onderzijde”) een veld van krijtlijntjes evenwijdig met de vector  atrekken, dan zouden die bij het draaien van het raakvlak sporen op de kegel achterlaten, waaraan het draaien van de vector te zien zou zijn. Die sporen zouden „evenwijdig” spiraallijnen zijn. Deze zelfde sporen zou men echter ook zien, als men niet het raakvlak over de kegel liet rollen, maar de kegel over het raakvlak. Stel je nu voor, dat de beschrijvende lijn TA van de kegel met het raakvlak samenvalt aan het begin van de beweging en dat op dat moment de richting van de oscillator samenvalt met de richting van TA (zie fig.4).

Is de kegel éénmaal rond gerold over het vlak, dan valt de beschrijvende lijn TA niet weer met zijn oorspronkelijke ligging samen, maar bijvoorbeeld met TB. Immers, als we een kegel over een vlak laten rollen, dan doen we het zelfde als wanneer we de oppervlakte van de kegel in het vlak uitslaan. De uitslag van een kegel is echter een cirkelsector, bijvoorbeeld met hoek a. De sporen van de krijtlijntjes zouden in deze uitslag van de kegel weer evenwijdig lijnen worden, zodat de richting van de vector in het punt B evenwijdig is met die in punt A. Maar die in punt A viel in het verlengde van de beschrijvende lijn TA. Die in B maakt met de beschrijvende TB (die eigenlijk ook TA is) de hoek a. De toeschouwers, die de draaiing een etmaal meemaakten, zouden als eindrichting van de oscillator dus die zien, die de hoek ∝ met de oorspronkelijke richting maakt. Het komt er nu nog maar op aan de hoek ∝te berekenen; dat gebeurt als volgt:

Nog eens de slingerproef van Foucault

Prof. Dr. O.Bottema te Delft

„…. dat in het gebouw van de Verenigde Naties te New-York, als geschenk van de Nederlandse regering, een slinger van Foucault is geplaatst, die in de hal gemonteerd veel aandacht trekt. Het geschenk, van het land van Huygens, is in 1955 door minister Luns aangeboden. Het technisch ontwerp is van Prof. Haringx te Eindhoven”.

De foto toont ons hoe de slinger in de grote hal is opgehangen. Hij bestaat uit een 90 kg zware bol, die aan een 17½ m lange staaldraad hangt. Vanzelfsprekend wil men deze slinger ononderbroken in beweging houden, zodat de bezoekers van het gebouw steeds de proef van Foucault kunnen aanschouwen. Daarvoor waren bijzondere voorzieningen nodig. Door geringe afwijkingen in het materiaal zou de bol zich op den duur niet langer in een verticaal vlak bewegen, zodat deze een ellips zou gaan beschrijven. Verder zou door de luchtweerstand en andere remmende factoren de slinger na zekere tijd tot stilstand komen. Door een bijzondere wijze van ophangen heeft men het slingeren in een elliptische baan voorkomen. Door op een vernuftige wijze gebruik te maken van Foucault-stromen in een koperen plaat, die in de bol is ondergebracht, wordt de slinger in beweging gehouden. Ieder keer nl. als deze het krachtenveld van een verticale spoel passeert, die in het voetstuk is aangebracht, krijgt de plaat een kleine energietoevoer, die juist voldoende is om de amplitude ongeveer 80 cm te doen blijven. Een uitvoerige bespreking van deze slinger van Foucault vindt men in Philips Technisch Tijdschrift, jaargang 19, no. 718, 1957, pag. 236-241. (Niet op deze blog)

.

Sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2033

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-6)

.

Annet Schukking, Jonas, 14e jrg. nr. 8/9
.

de binnenkant van de continue beweging

Zon, maan en sterren

Hoog aan de hemel staan zon, maan en sterren. Hun plaats is ver, hun werking dichtbij: zonder hun aanwezigheid is leven op aarde onmogelijk.
Wat zien we als we de blik omhoog richten?

Kort geleden is het me weer eens overkomen: een simpele, algemeen bekende ervaring. Je zit in een wachtende trein, kijkt uit het raam en je ziet, je voelt zelfs dat hij gaat rijden. Je kijkt uit een ander raam en hij blijkt nog stil te staan. Wat gebeurt er? Het is een passerende trein langs het ene raam die de gewaarwording van eigen beweging teweeg brengt. Door het andere raam zie je de omgeving die op zijn plaats blijft en je concludeert daaruit dat je zelf ook nog stil staat. Het is een ondervonden en toch telkens weer verrassend verschijnsel.

Toch is dat een verschijnsel dat we allemaal op een andere manier heel goed kennen en iedere dag weer opnieuw ervaren. Niet bepaald op een station dus, maar bijvoorbeeld wandelend over het strand of misschien wel vanuit het raam van ons eigen huis, overdag of ’s nachts, het geeft eigenlijk niet wanneer of waar. Het gaat om een continue beweging die ons omgeeft, een beweging die ook als je je er geen rekenschap van geeft, van existentiële invloed is op het leven van mens, plant, dier en aarde. Dat is de beweging of beter gezegd: de bewegingen van zon, maan en sterren.

We kijken naar de hemel en zien zon, maan en sterren een boog van oost naar west beschrijven. We spreken van opkomende en ondergaande zon. Toch leert de astronomie ons, dat het de aarde is die beweegt en de zon die stil staat. Maar wie beleeft het zo? Geen mens die ooit zegt of ervaart: we draaien van de zon af. Wat is waar?

Middelpunt

Lange tijd stond voor de mensheid vast: de aarde staat stil in het middelpunt van het heelal en het hele uitspansel draait er omheen. En het is bekend dat het een enorme revolutie voor wetenschap en wereldbeschouwing geweest is en er mensen voor op de brandstapel zijn gebracht, toen de gedachte opkwarn dat het ook andersom kon zijn: dat het de aarde was die ronddraaide en dat het heelal onbeweeglijk was.
Voor de waarneming en de beleving veranderde er niets, maar voor het denken werd alles anders. De aarde met zijn bewoners was niet langer het centrum van het heelal – en dus belangrijk! – maar de aarde werd een ding, een rondtollende grote bal en in het geheel van de kosmos zelfs een nietig balletje, een van de vele. De astronomische opvatting van de oudheid: de planeten verbonden met goden, de sterrenbeelden uitdrukking van kosmische krachten, kon zich in het nieuwe wereldbeeld niet lang meer staande houden en werd geleidelijk vervangen door het beeld van een mechanisme, een onmetelijk groot uurwerk, geheel onderworpen aan wetten van zwaartekracht, aan centrifugale en centripetale krachten, enzovoort.

Ieder tijdperk draagt de sporen van het zich verder inboren in de kennis, het meest recente is die van de kennis van de materie. Zo veranderde bijvoorbeeld de voorstelling van de zon in de laatste ongeveer 150 jaar van enorme kolenhaard via gasballon tot kernreactor. Ook de mens werd eerst tot machine, daarna tot electrische centrale, nu tot electronisch boodschappencomplex gebombardeerd. Hoewel alles denkbaar is, gedacht kan worden, in modellen gebracht en in techniek toegepast, lukt het de meeste mensen niet gevoelsmatig zich te verbinden met deze uitgedachte voorstelling van zaken. Want is eigenlijk het idee dat de stad Amsterdam ieder etmaal 24.626 kliometer aflegt (de lengte van de 52e breedtegraad) niet even absurd als het ronddraaien van de sterrenhemel om de aarde? Wat een mens beleeft is, dat niet de zon, zelfs niet de aarde, maar dat hij zelf het middelpunt is van zijn eigen leefwereld.

Fictie

Er is dus een kloof ontstaan tussen wetenschap en beleving. Wie de aarde als een balletje wil zien moet zich voorstellingsmatig eerst buiten de aarde verplaatsen en daarmee zijn normale werkelijkheidsbeleven uitdoven. Hij vormt zich een fictief model van ons zonnestelsel. Dit model blijkt dan later, na terugkeer in het dagelijks leven, te kloppen, met de zintuiglijke waarnemingen. Het is een soort spel dat heel fascinerend is, dit wegdromen in een fictieve wereld, dat je helemaal in de greep kan krijgen, zeker als het de bevrediging geeft de wetten van de natuur en de kosmos op het spoor te zijn en daar steeds verder in te kunnen doordringen. Fictie schijnt tot weten te leiden.

Zo werd de natuurwetenschap geboren, groeide snel en voorspoedig en is een eigen leven gaan leiden. Deze nieuwgeborene blijkt dan na verloop van tijd zich als een aanvankelijk kleine, later grotere potentaat te ontpoppen. Dat wil zeggen: mensen gaan er zo mee om. Triomfen leiden vaak tot dictatuur en onverdraagzaamheid. De nieuwe wetenschap usurpeert in betrekkelijk korte tijd alle gebieden van het. leven en zet zichzelf de keizerskroon op. En merkt niet dat abstracte denkmodellen dan wel op het gebied van de levenloze ‘natuur’ bruikbaar zijn, maar niet van toepassing op leven en beleven. Dus blijft toch:

De zonne gaat op,
de zonne gaat neer,
de zonne gaat op en gaat onder.
Standvastiglijk heen,
standvastiglijk weer,
standvastiglijk werkt zij dat wonder.                              

Wat voor model de astronomie ook van het zonnestelsel vermag uit te denken – zelfs voor de belevingswereld van ‘hooggeleerden’ zal het bovenstaande simpele gedichtje van Guido Gezelle een onweerlegbare ervaring zijn.

Is er dan misschien iets voor te zeggen om deze ervaring ook serieus te nemen en je af te vragen wat die je te zeggen kan hebben?
Je kunt er dan op komen dat er een soort muzikaal-creatieve relatie is tussen de aarde en de zon en tussen aarde, maan en zon in samenhang met de zich nog verder verwijdende omgeving van de overige planeten en de vaste sterren. Niet alleen dat de zon een onontbeerlijke bron van licht en warmte is en dat de aarde met zoveel sferen omhuld is, dat deze warmte en dit licht in een milde en gespreide intensiteit de daar levende wezens bereikt en zodoende wel voedend maar niet vernietigend werkt, maar ook is er een opvallende relatie tussen de ritmen van zon, aarde en. mens.

Daar is om te beginnen het dag- en nachtritme. Een ritme dat behalve met waken en slapen ook samenhangt met onze spijsvertering. Onze spijsvertering heeft een etmaalritme – we voelen ons wel bij een dagelijks terugkerend ritme van bepaalde maaltijden. Dan is er het jaarritme: de jaarlijks terugkerende afwisseling van de seizoenen en de daarmee samenhangende opeenvolging van kiemen, groeien en rijpen van de gewassen. Maar er zijn nog fijnere, minder opvallende relatie-ritmen. Zo verschuift geleidelijk het lentepunt, de plaats waar de zon aan het begin van de lente opkomt, ten opzichte van de vaste sterren en wel zo dat dit lentepunt in 25920 jaar de hele dierenriem doorloopt. Deze periode, het zogenaamde Platonisch wereldjaar, kun je evenals het aardejaar onderverdelen in dagen, ‘werelddagen’ en daarbij vind je opvallende overeenkomsten met het menselijk ritmisch systeem. Zo verhoudt zich het wereldjaar tot het aardejaar als een aardejaar tot de menselijke ademhaling. Een mens haalt gemiddeld 18 x per minuut adem (in- en uitademing), dat is per etmaal 18 x 60 x 24 is 25920 maal. Maar ook is een werelddag 1/365 van 25920 jaar is ruim 71 jaar, een mensenleven globaal genomen.

In het grote ritme van de verschuiving van het lentepunt door de dierenriem vind je de grote cultuurperioden terug: een Stiercultuur, een Ramcultuur, het tijdperk van de Vissen (waarin wij nu leven) en over enkele eeuwen zullen we het Watermantijdperk ingaan. Elk tijdperk heeft een eigen karakter en maakt daardoor nieuwe ontwikkelingen in de mensheidsgeschiedenis mogelijk. Iets anders, waar je gewoonlijk ook niet bij stilstaat, maar dat eigenlijk meer dan verbazingwekkend is, is hoe de mens is toegerust om op aarde te kunnen leven door te beschikken over zo’n verfijnd instrument als het fysieke lichaam. Dit fysieke lichaam is op zichzelf al een dermate complex kunstwerk dat er jaren van studie nodig zijn om het in grote lijnen in kaart te brengen. Maar nog verbazingwekkender is het dat dit lichaam een onzichtbare mens herbergt, een ziel en een geestwezen, en dat in zoveel verscheidenheid als er individuen zijn. Het is iets dat we primair als een vanzelfsprekend gegeven aanvaarden, maar dat bij nadere beschouwing eenzelfde soort duizelingen teweeg kan brengen als het kijken naar de sterrenhemel.

Motor

Terug naar het triviale voorbeeld van de passerende trein. Je kunt daar dan stellen dat de trein die door een motor wordt voortbewogen de rijdende trein is en dat je zelf in de stilstaande zit. Dat is dan duidelijk. Maar hoe is dat bij hemellichamen? Waar zit de motor die onze aarde doet rondtollen en om de zon voortstuwt? Hoe is die zaak zo in gang gekomen? Vragen die je niet moet stellen, zeggen de natuurwetenschappers, want daar kom je toch niet achter. Grenzen stellen dus. Toch gek, dat de méns behept blijkt te zijn met een drang om altijd weer zulke vragen te stellen. Steeds weer probeert die grenzen te verleggen of er overheen te kijken. Zinloos toch, als er geen antwoorden zijn en ook niet te verwachten zijn. Flauwe plagerij. Of zou misschien toch…? Zouden er toch mensen zijn, één desnoods, die het inderdaad gelukt is om over de grenzen heen te kijken?

Laten we nog eens gewoon naar de zon kijken. Warmte geeft ze, en licht, beide zonder meer nodig voor het gedijen van het leven op aarde. Kracht, energie stroomt naar de aarde toe. Het is de fysieke aanwezigheid van de zon die dit mogelijk maakt.
Maar er is nog een ander aspect van warmte en licht. Er is de koesterende warmte, de warmte van ‘het zonnetje’ in het voorjaar. ‘Het zonnetje’ is niet die kolenhaard of die kernreactor daar in de lucht, het is een wezen dat ons liefderijk omhult. ‘De zon schijnt over goeden en kwaden.’ Ze maakt geen onderscheid. Ze is ook een kunstenaar: ze strijkt met haar stralen over het landschap, over steden en dorpen, dan van de ene, dan van de andere kant, de kleuren lichten op, zelfs de schaduwen krijgen kleur. Schoonheid.
Ze is ook trouw. Dag in, dag uit, eeuw in, eeuw uit, altijd maar geven, stralen, met een onvoorstelbare gulheid het wereldruim in. Een hele lichtsfeer is om de zon heen, voor een mensenoog niet zichtbaar. Niet meer dan een kruimpje ervan bereikt de aarde en dat heeft nog zo’n kracht. Liefde.

Wat een onmetelijke liefde moet dit zonnewezen hebben om zoveel te.willen uitstralen, zo royaal te zijn, dat de aarde ervan kan leven, dat plant, dier en mens er door kunnen bestaan, miljoenen jaren lang. Klein en bekrompen kun je je voelen als je dat bedenkt, klein met je onnozele wensjes, hebbelijkheidjes, probleempjes, twijfels….Maar toch – blijkbaar ben je het waard. Het is alsof je iemand ontmoet die vertrouwen in je heeft, die een beroep op je doet en tegen je zegt: ik weet zeker dat je het kunt. Liefde die kracht geeft.

Drievoudige zon

Lang, lang geleden zijn er mensen geweest, ‘ingewijden’, die het ware wezen van de zon gekend hebben. Zij wisten dat de zon een woonplaats was van hoge geestelijke machten die zich met de ontwikkeling van de mens en de mensheid intensief bezighielden. Ze onderscheidden een drievoudige zon: als eerste de fysieke zon, die door bepaalde wezens zichtbaar gemaakt wordt, de buitenkant van de zon dus eigenlijk. Maar zoals een mens in zijn uiterlijk waarneembaar fysiek lichaam een ziel draagt, zo leefden in de zon andere, hogere wezens die het zieleleven van de mens zo gevormd hebben en verzorgen, zodat zijn denken, voelen en willen een samenhangend geheel zijn.

Dan kenden de ingewijden nog een derde zon, die zich achter de zichtbare zon verborg, de geestelijke zon, waarin het zonnewezen leeft dat eigenlijk de zon gemaakt heeft tot wat zij is: voor de mens de stralendste ster van de hele kosmos. Het is een heel hoog wezen, waaraan men in de loop der tijden verschillende namen heeft gegeven en dat men in onze tijd onder de naam ‘Christus’ kent. Het is dit zonnewezen dat zich in wat het mysterie van Golgotha genoemd wordt met de aarde heeft verbonden en daardoor voor de mens de mogelijkheid tot zijn ik-ontwikkeling heeft gegeven.

Het is lang, lang geleden dat mensen – namelijk diegenen die in de mysteriën ingewijd waren – dit zo hebben kunnen waarnemen. De mysteriewijsheid was toen een verborgen wijsheid en mocht niet geopenbaard worden. Zij werd aan het volk niet verkondigd maar wel in het praktische en religieuze leven ingevlochten.

Nu heeft de mens zich zover ontwikkeld dat de mysteriewijsheid niet meer voor hem verborgen hoeft te worden, want hij kan nu naar eigen inzicht hiermee omgaan. Hij kan de kloof tussen zijn voorstellingswereld en zijn belevingswereld zelf overbruggen. Hij kan heel goed werken met astronomische modellen, maar tegelijkertijd weten, dat hij, opziend naar de hemel, alleen de buitenkant van zon, maan en sterren ziet. Dat de hemelruimte in feite niet leeg is, maar bevolkt wordt door wezens van hoge orde die werkzaam zijn en allen hun opgave en functies hebben in een grootscheepse en zinvolle onderneming. Een . onderneming die de ontwikkeling van de mens beoogt in samenhang met de gehele wereld en waarbij elk mens vanzelfsprekend zo betrokken is dat hij zich terecht in het middelpunt mag beleven..

Sterrenkunde 7e klasalle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2025

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-5)

.

In de 1e jaarging (1933) van het blad Vrije Opvoedkunst verscheen (al) een artikel over sterrenkunde. 
Met recht een artikel uit ‘de oude doos’ wat de leeftijd betreft. Maar veel van de inhoud is nog altijd te gebruiken in de periode sterrenkunde in klas 7. [1]
Het is de oorspronkelijke spelling. 

D.J. van Bemmelen, VOK jr. 1, nr 2.
.

DE BEHANDELING DER STERRENKUNDE VOOR 13-JARIGE KINDEREN
.

In ‘Mijn levensweg [2] van Rudolf Steiner staat de volgende gebeurtenis uit zijn jeugd beschreven:

Ook aan deze pastoor dank vooral door een sterke indruk heel veel voor mijn latere geestesrichting. Hij kwam een keer op school, nam de ‘rijpere’ leerlingen waartoe hij mij ook rekende, mee naar een klein lokaaltje, spreidde een tekening uit die hij gemaakt had en legde ons daarmee het wereldbeeld van Copernicus uit. Daarbij sprak hij zeer aanschouwelijk over de beweging van de aarde om de zon, over het draaien van de assen, de schuine stand van de aardas en over zomer en winter, alsook over de aardzones. Het sprak mij zeer aan, tekende dagenlang alles na en toen kreeg ik van de pastoor nog een speciale les over zons- en maansverduistering en hij richtte toen en later al mijn leergierigheid op dit onderwerp.
Ik was toen een jaar of tien en kon wat grammatica en spelling betreft nog niet goed schrijven.’

De paedagoog kan zich bij het lezen hiervan een goed beeld vormen van den samenhang tusschen de leerstof, die met geestdrift in de jeugd werd opgenomen en de geestelijke werkzaamheid van den volwassene. Met schroom begint hij dan zijn taak kinderen een leerstof voor te dragen, die richting gevend kan zijn voor het verder leven. Want hij heeft het gevoel, dat zoo’n onderwijs door het eigen enthousiasme van de kinderen moet worden opgenomen, dat hij ze vrij moet laten voor de toekomst, bijv. ze niet in een of andere wereldbeschouwing moet voeren. Heeft hij de juiste instelling gevonden, voor hij begint, dan is het nu in de paedagogische werkzaamheid der Vrije School noodzakelijk, dat hij zich afvraagt welke ziele-gesteldheid de 13/14-jarige kinderen hebben en hoe hij de stof voor het oogenblik moet inrichten, opdat het vruchtbaar kan worden opgenomen. Kinderen van dien leeftijd staan voor een grooten overgang. Tegelijk met de puberteit ontwikkelt zich nu een logisch denken. De ziel van het kind ontwaakt voor de buitenwereld. Tevoren was ze nog verbonden met de kosmische krachten, die aan den opbouw van het lichaam arbeidden. De ziel is nu aardeburger geworden, maar weet zich nog niet te schikken in de enge banden van de conventie, de regelen van onze samenleving. Zij komt met een groote liefdekracht, maar moet zich stooten aan de harde kanten van de werkelijkheid. Dat verwekt geweldige stormen en revoluties. De liefde en interesse voor de aarde moet men kunnen leiden als leeraar. Gelukt dit, dan kan men de interesse van ’t kind voor zich zelf afleiden op de buitenwereld en zóó harmonisch op hem werken.

Het kosmisch verband heeft het kind verloren, maar het heeft nu innerlijk behoefte als aardeburger terug te zien op den kosmos. Als mensch begint het zich te voelen en krijgt dus interesse om van buiten zijn gestalte te zien. Het getuigt van een fijne menschenkennis dat R. Steiner de leeraren aangeeft in deze jaren twee richtlijnen voor hun onderwijs te nemen n.l. de anthropologie en de cosmografie.

Begint men met de laatste dan moet men zorgvuldig vermijden van een of ander systeem uit te gaan of in abstracties te vervallen. Van de aarde wil het kind immers op den sterrenhemel terug zien en wat het daar ziet in zich opnemen, met zijn menschen-wezen verbinden door middel van zijn ontwaakt denkvermogen. Gaat men bijv. direkt van het Copenicaansche systeem uit, dan heeft men ten eerste het standpunt buiten in de sterrenwerelden zelf genomen en ziet hoe de aarde draait; (het zal verder uit dit artikel blijken dat de kinderen tot dit systeem komen moeten) en ten tweede heeft men de kinderen iets gegeven, waaraan ze zelf nooit meer iets toe kunnen voegen; als een steen ligt het in hun ziel. Gaat men er van uit ze tot bewustzijn te brengen wat ze nu eigenlijk zien en laat men ze het zooveel mogelijk zelf vinden, dan kan men een geheel anderen weg gaan waarvan hier een gebrekkig voorbeeld gegeven zal worden.

Wat ze dagelijks aan den hemel zien gebeuren moet in voorstellingsbeelden voor hen komen te staan. Deze beelden werken het sterkst, wanneer ze kunstzinnig zijn.

Men kan bijv. de groote beer voorteekenen hoe hij in de vier jaargetijden staat en hoe hij  dus om de poolster wandelt;

de kleine beer wandelt zoo achter hem aan, dat de vier  staarten aan een punt vast gehecht blijven. Zoo vinden ze het vaste middelpunt: de poolster.

Laat men de kinderen deze voorstelling nu nog begeleiden met bewegingen, dan zorgt men er voor, dat ook het wilsleven werkzaam blijft Men kan dan de heele mensch in het kind door het onderwijs laten leven.

Met groote armbewegingen beschrijven ze den dagelijkschen loop van de zon, ’s zomers hoog, ’s winters laag aan den hemel. Achter elkaar cirkelen de armen; hoog, laag, hoog, laag. En tot verbazing der leerlingen ontstaat er nu een spiraal. [3]

Behalve met de armen kunnen ze de beweging ook volgen door loopen.

Nu kan men de kinderen door middel van vragen er op brengen, dat de zon iedere maand weer wat verder van de poolster staat, totdat zij weer steeds naderbij komt. Zou men overdag de sterren zien dan zou men aan de sterrenbeelden den weg kunnen volgen. Deze sterrenbeelden liggen dan dus in een kring, zóó dat tegenover elkaar liggen het sterrenbeeld dat dicht bij de poolster en dat er ver van af staat. De twaalf sterrenbeelden, die aldus den  zonneweg als met merkteekens aanduiden, heeten tezamen sinds de oudheid dierenriem. Het beeld van dezen dierenriem kunnen de kinderen op een ronde schijf teekenen, die weer vastgemaakt is, op de plaats van de maagd en de visschen, op een andere schijf, zoodat de dierenriem een excentrische beweging om het middelpunt van de 2e schijf maakt. De zon kunnen ze dan met een in- en uitschuifbaren wijzer aan het midden vasthechten. Daardoor kan deze „zonnewijzer” cirkels beschrijven: kleine, wanneer hij op de hoogte van den schutter staat en groote, wanneer hij op de hoogte van de tweelingen staat. Met groot enthousiasme volgen ze nu iedere beweging van de zon aan de „schoon” geteekende sterrenkaart. [4]

De belangstelling is zoo groot, dat ze nu bijv. zonder moeite begrijpen kunnen, dat de zon iederen dag 1/365 van de cirkelbaan achter blijft bij de sterren dus schijnbaar van West naar Oost gaat.

Weer kan men, door ze bewegingen te laten maken, het gevoel bijbrengen van dezen jaarlijkschen gang van de zon in de ruimte door ze op de schaduwen attent te maken. Een jongen gaat op een stoel staan en zwaait zijn armen in het rond om den gang van de zon na te bootsen. Een ander staat voor hem en zal dus de zonnestralen in den weg staan. Een derde wijst met een langen stok aan hoe de schaduw van het hoofd van den jongen, die als schaduwwerper dienst doet, naar den grond loopt. Nu moet deze de bewegingen van de zon volgen. In het westen begint hij met eerst lange schaduwen aan te wijzen, die naar het midden korter en naar het oosten weer langer worden. Dat is in den zomer het geval, wanneer de zon hoog aan den hemel staat, ’s Winters blijvem de schaduwen natuurlijk steeds lang. Richt men den schaduwwerper nu naar de Poolster, dan krijgt men een zonnewijzer waarop men de uren kan aangeven.

De zieleontwikkeling de kinderen in deze jaren oriënteert zich meer en meer in de ruimte, zoodat een dergelijke behandeling waardoor de voorstellingen in de ruimte beleefd kunnen worden, in overeenstemming met deze ontwikkeling is.

Een praktische gevolgtrekking kunnen zij uit deze behandeling maken n.l. dat de schaduwrichtingen tegengesteld aan den zonnestand zijn, dus het meest naar het noorden gericht; zoodat ze op de wandeling bij zonneschijn zich altijd kunnen oriënteeren.

Uit het bovenstaande blijkt, dat van het eenvoudige voorstellingsbeeld werd uitgegaan en dat de weg werd gezocht, het wilsleven er bij te betrekken. Men kan de sterrenwereld toch alleen door het gezichtszintuig onderzoeken, in tegenstelling met de aarde, die men met den tastzin kan leeren kennen. Men kan de kinderen dit ook met eenvoudige beelden duidelijk maken: de tegenstelling van hemel en aarde en hoe van de aarde maar een oneindig klein deel is te zien, terwijl de hemel voor een overweldigend groot deel overzien wordt. Dit vormt den grondslag voor de geschiedkundige behandeling der sterrenkunde. Vroeger was de hemel met zijn Godenwereld veel belangrijker en levender voor de menschen dan de aarde, welks bekend en afgetast deel zeer beperkt was. Boven was alles licht en doorzichtig, terwijl beneden, buiten dat kleine bekende stuk aarde alles in duisternis was gehuld: daar was het einde der wereld, de onderwereld.

Om den weg tot het wilsleven te vinden moet men de kinderen in beweging kunnen zetten. Een zeer goede aanleiding vindt met bv. in de bewegingen van maan en planeten, zooals die zich aan ons oog voordoen. Een kind kan als de zon in een cirkel om een ander, dat de aarde voorstelt, heenloopen. Een derde, als maan, blijft iederen omloop een stukje bij de zon achter. Iederen keer kan men nu de andere kinderen vragen stellen en de kinderen moeten antwoorden: „eerste kwartier, — volle maan, — laatste kwartier!” Natuurlijk kan men ook op het bord een maansikkel teekenen en vragen: „waar staat de zon nu? Wijst haar aan!” Om het de kinderen makkelijk te laten onthouden behoeft men ze slechts opmerkzaam te maken op de eerste letter van het woord Premier, voor ’t eerste kwartier, en Dernier voor ’t laatste kwartier.

Bijgaande figuur stelt voor de baan van Venus zooals wij die aan den hemel zien. Wanneer men zulk een baan laat loopen kan men de interessantste bewegingen laten maken. Een kind wandelt rond in een cirkel: de zon; een ander loopt hem achterna, haalt hem daarna in, loopt voor hem langs, keert terug en maakt een lus, waardoor het weer achter komt en hem opnieuw achterna moet loopen: Venus.

De illustratie die Van Bemmelen gebruikt moet in 1933 van vóór die tijd stammen. Deze hier, is nogal vaag, de oorspronkelijke heb ik niet kunnejn vinden. Wél een soortgelijke van 2001-2008:

sterrenkunde 18 jpg.
Gaat het kind achter de eerste aan, dan stelt hij de morgenster voor, gaat hij voor hem langs, de avondster. Groote spanning is er bij de kinderen iederen keer, wanneer het „Venus”-kind het ,,zonne”-kind moet inhalen en men kan ze in koor laten roepen: „morgenster — avondster” enz.

Heeft men de kinderen zoo ver gevoerd, dan komen er natuurlijk allerlei vragen en problemen bij hen op, die ze meer of minder luid uitspreken. Hiermee kan men nu paedagogisch werken.

Sommigen merken op: „Ja maar de zon draait toch niet om de aarde?” Anderen: „de aarde staat toch niet stil?” Enkelen zijn er die nog nooit van zoo iets gehoord hebben, worden zelfs verontwaardigd over die vragen. Laat men nu zelf die vraag luider worden en richt het ook zelf tot de klas bv.: ,,wat is nu de waarheid” dan ontstaat er een woordenstrijd en levendige gedachtenwisseling. De gemoederen zijn gewekt, de slaperigsten worden wakker; algemeene belangstelling en aandacht voor het probleem.

Nu kan men overgaan tot de geschiedenis. De oude voorstellingen der Chaldaeérs, Egyptenaren en Grieken kan men voor de kinderen laten leven, daarna laat men zien hoe de ouden worstelden met het probleem Om berekeningen te kunnen maken, waardoor het stelsel van Ptolemeus ontstond, om eindelijk het Copernikaansche stelsel met zijn moedige nieuwe ideeën te voorschijn te roepen. Nu zijn de kinderen vol geestdrift en innerlijk bevredigd, omdat de strijd dien zij zelf in de klasse gevoerd hebben, een afspiegeling is van dien eeuwenlangen strijd, dien de menschheid om deze problemen gevoerd heeft. De omkeer in het bewustzijn der 15e eeuwers, die moedige zekerheid de natuur te onderzoeken om de waarheid te weten en zich niet meer door het oude laten storen zooals Galilèi, kunnen de kinderen in dezen leeftijd volgen, omdat ze zelf nu ook een soortgelijken omkeer doormaken.[5]

Daarom staat in het leerplan voor de 7e klas „Aan de beschrijving van de europeesche en buiteneuropeesche verhoudingen van het begin van de 15e eeuw tot het begin van de 17e eeuw, het tijdperk der ontdekkingen en uitvindingen en van den natuurwetenschappelijken opbloei, moet de meeste zorg worden besteed. Het kind moet van het buitengewone belang van dezen tijd, waarin het Leven de nieuwe menschheid te voorschijn brengt, een diepen indruk krijgen.”
En voor de aardrijkskunde: „De hemel en dampkring en de geestelijke kultuurverhoudingen der aardbewoners.”

Men leert het diepere kinderwezen kennen, wanneer men tracht dit leerplan te volgen.
.

[1] Dit artikel is nog niet opgenomen in het archief van de VOK-artikelen bij Antrovista.
[2] Rudolf Steiner: ‘Mein Lebensgang’, GA 28, vertaald
[3] J) Hierbij is weer het gezichtspunt genomen, waar we op aarde hier wonen. In het overigens zoo uitstekende boek van Alois Höfker: „Didaktik der Himmelskunde” wordt deze beweging een schroef genoemd, maar ook dat is van buiten af gezien en dan doet men beter het Copernicaansche gezichtspunt te nemen.
[4] Op de handenarbeidsles kunnen enkele kinderen uit hout een hemelkoepel maken waarlangs zon en maan zich bewegen.
[5] Nu wordt ook uitvoerig gesproken over Copernicus, Galileï en Kepler.

.

Sterrenkunde 7e klas: alle artikelen

.

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – astronomie

.
Artikelen voor de bovenbouw die hier worden gepubliceerd hebben alle betrekking op de tijd dat de bovenbouw nog veel meer vrijeschoolbovenbouw kon zijn dan nu het geval is. De exameneisen hebben steeds meer inbreuk gemaakt en daardoor afbreuk gedaan aan het leerplan zoals dat jaren werd gehanteerd, steeds vanuit het gezichtspunt: leerstof is opvoedings- en ontwikkelingsstof. In hoeverre dat principe – naast de examentraining – nog leidraad kan zijn bij de inhoud van de geboden lesstof in de verschillende vrijeschoolbovenbouwen weet ik niet. 
De artikelen voor deze klassen zijn wél vanuit dit gezichtspunt geschreven.

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 15 nr. 2
.

Kometen reinigen kosmos

Miljarden zijn geinvesteerd om de komeet Halley, een nietige Steenklomp, te onderzoeken. En in augustus is de laatste van vijf ruimtevoertuigen gelanceerd om in maart 1986 de komeet te ontmoeten. Wat is er zo fascinerend aan een vuile sneeuwbal in de ruimte? De natuur- en geesteswetenschap geven beide een antwoord.

Giotto di Bondone schilderde in 1301 een fresco, de aanbidding door de Wijzen uit het oosten, waarop een komeet mét grote vaart bijna het afdakje boven de heilige familie doorboort. Het is een stralende bol met lange staart, ongetwijfeld een afbeelding van de komeet uit 1301 die later Halley is genoemd en die tot op de huidige dag doet vermoeden dat de ster der wijzen een komeet moet zijn geweest. Giotto was een van de eerste en zeer getalenteerde perspectiefschilders, die de aarde en haar ruimteverhoudingen centraal stelde. De ontwakende belangstelling voor de aarde is ook terug te vinden in de opkomst van de moderne natuurwetenschappen in de tijd vlak na Giotto.

Fresco van Giotto di Bondone, 1302, Scrovegni kapel, Padua. Met de komeet en de aankomst van de Drie Koningen.

Maat, getal en gewicht doen langzamerhand hun intrede in het denken van de mens. Het is daarom zo aardig, dat het Europese ruimtevoertuig dat op 2 juli is gelanceerd om 8 maanden later de komeet Halley te begroeten, Giotto is genoemd. Immers, de technische prestatie die nu geleverd wordt is een bergtop in het natuurwetenschappelijke landschap van maat-getal-gewicht dat de Florentijnse schilder voor het eerst kunstzinnig heeft verkend.
De fresco van Giotto is niet de eerste afbeelding van de meest beroemde komeet aller tijden. Op een wandtapijt, zeventig meter linnen bekend als het tapijt van Bayeux, komen we hem ook tegen. Op het wandtapijt is de slag bij Hastings in 1066 en de invasie van Engeland door Willem de Veroveraar afgebeeld. Naast de arme, verliezende koning Harold is een futuristisch-spinachtige komeet geborduurd met de tekst: Isti mirant stella –
‘met bewondering kijken ze naar de ster’.
Bewondering, maar meestal schrik en vrees is het antwoord van de bevolking op de verschijning van welke komeet dan ook. En dat is tot de zeventiende eeuw niet zo vreemd, omdat de bezwerende kracht van Aristoteles’ visie, als zou het om atmosferische verschijnselen gaan, een komeet dus heel dichtbij suggereerde. Pas na verwoede pogingen van de Deense astronoom Tycho Brahé om te bewijzen dat we ver buiten de aarde in de planetaire ruimte kometen moeten zoeken, brak langzaam het inzicht door: kometen beschrijven gigantische ellipsbanen en staan onnoemelijk ver weg. Toch is Aristoteles’ visie niet helemaal verloren omdat in onze eeuw is komen vast te staan dat restanten van kometen, onder de naam vallende sterren, wel degelijk in de atmosfeer hun waterloo vinden.

Monstercampagne

Terug naar Halley. Zachtjes achterover geleund laat ik mij vermaken in de koepel van het Amsterdamse Zeiss-Planetarium. Zojuist bij de ingang stond ik oog in oog met een model op ware grootte van het Europese ruimtevoertuig Giotto. En nu middenin het programma over de komeet van Halley hoor ik een knetterend bombardement van stenen en gruisdeeltjes; ik waan me een ogenblik op 13 maart 1986, 500 kilometer van de kern van Halley en miljoenen kilometers van de aarde en ik vrees dat mijn Giotto het niet lang meer zal maken. Kosten noch moeite zijn gespaard voor dit voertuig dat – als de voorspellingen uitkomen – in enkele seconden verbrijzeld zal zijn. Ook Japan en Rusland sturen elk 2 satellieten en miljoenen zijn uitgetrokken voor een monstercampagne onder de naam International Halley Watch, waaraan duizenden astronomen over de hele wereld, deelnemen. Kometenkoorts is de naam voor een soort ziekte die plotseling uitbreekt als er weer een staartster verschijnt. Vroeger was het paniek, misoogst, zwarte dood, overstroming en oorlog, waarmee de zogenaamde ‘bijgelovig primitieve’ middeleeuwer een komeet verbond, als zou Gods Gesel op de aardse zondaren neerdalen. Tegenwoordig ‘weten-we-wel-beter’. Maar de koorts is er niet minder om, ook al denken we met ons geciviliseerde bewustzijn alles nuchter te kunnen bekijken. Wie geeft er nu zoveel geld en energie weg om een nietige, vieze ijsklomp tot op het bot uit te kleden? Koorts, denk ik.

Angstaanval

Wat we in essentie van kometen weten is in een paar woorden samen te vatten. Edmund Halley (1656-1742) bewees de ellipsvormige banen van kometen en was daarmee de eerste die ontdekte dat een komeet op vaste tijden terugkeert in zijn baan om de zon. Sommige ellipsen zijn klein en blijven vrij dicht bij de aarde, andere zijn zeer langgerekt waardoor het wel 200 jaar kan duren om dezelfde komeet terug te zien. Sommige komen zelfs helemaal niet terug. De door Halley waargenomen en naar hem genoemde staartster kent een ritme van 76 jaar en heeft dus een mensenleven nodig om ons weer met een angstaanval te plagen. In 1948, precies op het moment dat de komeet Halley het verste punt van zijn baan bereikte in de buitengewesten van ons zonnestelsel, komt Jan Hendrik Oort met de schokkende theorie dat een wolk van miljarden kometen ons zonnestelsel omgeeft. Uit die wolk komen regelmatig zendelingen afdalen naar het centrale gesternte – onze zon – om vervolgens voor eeuwig te blijven rondellipsen. Je kunt de ‘Oort-wolk’ als onuitputtelijk reservoir zien waardoor het kometenvolk nooit opraakt, hoewel een individuele komeet na enkele (soms honderden) omwentelingen voorgoed kan verdwijnen.

Pal daarop, in 1951, komt Fred Whipple met de ‘vuile-ijsbergtheorie’, die met een zekere ontluisterende nuchterheid alle fabels tot vlakbij het absolute nulpunt doet verstijven. Een klein, onregelmatig klompje steengruis met ijs en bevroren gifgassen heeft periodiek de eer om vlakbij de zon tot lichten te komen. Door warmte en zonlicht gaat de kop stralen en zwelt op tot een machtige, maar zeer ijle coma, een soort waterstofwolk, nog dunner dan het sterkste vacuüm dat op aarde bereikt wordt. Van de zon afgekeerd zien we dan het eigenlijke handelsmerk van de komeet, een miljoenen kilometers lange staart, die langer wordt hij het naderen tot de zon en krimpt bij het weer verdwijnen in de onmetelijke ruimte.

Materialistische impuls

Ondanks de akelige precisie waarmee de moderne astronoom de baan en de verschijning van een komeet kan berekenen en voorspellen, blijft er altijd een verrassingselement bestaan. Het is nooit met zekerheid te zeggen hoe indrukwekkend het lichtverschijnsel aan ons firmament zal worden en welke lengte en vorm de staart precies heeft. Deze vrijheid is onder de hemellichamen een typisch privilege voor kometen en het is mede daarom dat Rudolf Steiner in de twintiger jaren spreekt over ‘vrijheidshelden’ van het universum en de oproep doet om bij iedere verschijning een vrijheidsgedicht te maken. En dat niet zomaar uit literaire liefhebberij, maar om een wezenlijker reden: een komeet als Halley heeft een reële betekenis voor de mensheid. Zij doet een geweldig beroep op een goed gebruik van onze vrijheid. In die zin een lastige gast die je ertoe aanzet met ernst en wakkerheid de tijdsverschijnselen om je heen te bekijken. Met name de Halley-komeet krijgt van Steiner de karakterisering mee als zou hij een materialistische impuls versterken, vooral in het denken van de mens.

Nu is het niet moeilijk om, terugkijkend in de vorige eeuw en met een zekere afstand, de opkomst van het materialisme in de wetenschap te beschrijven. Met name rond 1910, toen Halley de laatste keer verscheen, waren er vele tekenen die daarop wijzen. En ook nu, in 1985, kun je spreken van een materialistische golf in onze cultuur, waarvan de overweldigende computeropmars wel het sterkste voorbeeld is. De haast dwingend geprogrammeerde invoeringstechnieken en -taktieken laten een hoge mate van vrijheidsberoving zien, waartegenover je wel heel sterk moet staan om niet meegezogen te worden.

Veel moeilijker is het verband te begrijpen tussen deze materialistische denkgolf en de verschijning van komeet Halley. Een gelijktijdig optreden van twee ogenschijnlijk totaal verschillende verschijnselen hoeft nog niet te betekenen dat ze elkaar veroorzaken, dat ze samen uit een gemeenschappelijke oorzaak voortkomen of dat ze innerlijk verwant zijn. Maar het kan wel en aangezien het hier om zaken gaat van een hoge geestelijke orde en eenvoudige natuurwetenschappelijke verklaringen en modellen vooralsnog ontoereikend zijn, ben ik geneigd Steiner als geesteswetenschappelijk onderzoeker voorlopig de autoriteit te verlenen, zijn uitspraken te onderzoeken en mee te kijken naar alle mogelijke fenomenen. Het is ook lange tijd raadselachtig geweest hoe het verband moest worden begrepen tussen het optreden van vlekken op de zon en de verkoop van maaimachines. Het is uiteindelijk verklaard door ritmes in het klimaat en daarmee gepaard gaande ritmes in agrarische productie als tussenschakels te onderzoeken. En dan zitten we nog op een natuurwetenschappelijk-fysiek terrein van onderzoek. De stap naar het geestelijk onderzoeksveld maakt het voor ons moderne stervelingen nog veel moeilijker.

Kruipende vlieg

Treffend is in dit verband de uitspraak die Steiner doet in 1906 als zouden kometen het op aarde levensgevaarlijke gifgas cyaan bevatten, waarmee ze het planetenstelsel een soort kosmische reinigingsbeurt geven, vergelijkbaar met een koortsaanval bij een zieke, een woedeaanval bij een getergde en een on-weersaanval bij een overbeladen atmosfeer. (Overigens is vastgesteld dat bij een woedeaanval het cyaangehalte van ons bloed aanmerkelijk stijgt.) Astronomische metingen aan de Halleykomeet 1910 en andere zwerk-grazers in de jaren daarna gaven een overtuigende bevestiging van Steiners visie. De wegen waarlangs het cyaan ontdekt werd verschilden echter hemelsbreed. De manier waarop de uiterlijke wetenschap zich met kometen bezighoudt is te vergelijken met de bestudering van de Sixtijnse Madonna door een vlieg. Hij ziet, al kruipend over de Madonna, ook kleuren. Rood op de ene plaats en blauw op de andere, maar verder ziet hij niets van de betekenis en het totaalbeeld, de intentie van de schilder en de emotie van de waarnemer.

Wat we dan wél kunnen waarnemen zijn de beroemde wensvervuilers die we vallende sterren noemen en waarvan we noch verwachten dat de wensen uitkomen noch mogen zeggen dat het sterren zijn. In de atmosfeer regenen voortdurend fijne gruisdeeltjes – kiezelsteengroot – uit de kosmos, die door wrijving verbranden als ze met enorme snelheden door het luchtruim suizen. De goed zichtbare lichtende sporen, op slechts korte afstanden van enkele tientallen kilometers, zijn vingerafdrukken van een verdampingsproces, waarbij vooral ijzer en nikkel, maar ook kiezel in fijne dosering de atmosfeer doortrekt. Uiteindelijk regent het fijne ijzerdeeltjes op de bodem, waarbij het om honderden tonnen substantie per jaar gaat. Een soort kosmische voeding voor de aarde.

Op die manier worden de substanties langzamerhand ingebouwd en verteerd in de processen op aarde en kun je zeggen dat we kometen eten, want de gruisdeeltjes zijn overblijfselen van staartsterren die uitgewerkt zijn en hun giftige cyaanreiniging van het planetenstelsel vervangen door een ijzerreiniging van de atmosfeer. Van ver weg naar dichtbij, van planetosfeer naar atmosfeer, van cyaan naar ijzer, verandert het kometenproces en het verbazende daarbij is de aard van de substanties. IJzer is in ons lichaam, in ons bloed een centrale ademstof die de kern vormt van het hemoglobine en relaties legt met de levenwekkende zuurstof. Cyaan daarentegen is een van de meest dodelijke ademgiften, die zich ogenblikkelijk met bloedijzer verbindt en iedere opname van zuurstof blokkeert. Wat een geluk dat het ijzer in de lucht komt en het cyaan in de buitenaardse ruimte blijft! Overigens gaat het – op kosmische schaal – om onnoemelijk kleine hoeveelheden en was de paniek in Chicago 1910 dan ook onterecht: de ramen van vele huizen waren met kranten dichtgeplakt om het gevaarlijke gas buiten de deur te houden.

Onderstaande regels zijn nu niet meer actueel:

Mocht u nieuwsgierig zijn geworden naar deze vreemde indringer in onze huiselijke vrede, dan kunt u hem met enig geluk ook zelf waarnemen in de komende maanden bij goed heldere hemel en niet te veel storend licht van straatlantaarns en volle maan. Hoe mooi en indrukwekkend het gaat worden is niet te voorspellen, maar de verwachtingen zijn weinig hooggespannen, vooral ook omdat de komeet in de lage regionen van de dierenriem zijn grootste helderheid bereikt. Het mooist treffen de Australiërs het, omdat daar de komeet juist hoog verschijnt.
In november staat Halley in Stier en Ram en in december in Vissen en Waterman, maar is in verband met maanlicht niet altijd goed te zien. De eerste twee weken van november en vooral de eerste twee weken van december heeft u de meeste kans van slagen, maar reken erop dat het misschien niet eens met het blote oog zichtbaar is. Een eenvoudige veldkijker zal dan goede diensten bewijzen.
.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sterrenkunde (1-2-2)

.

Rinke Visser, Jonas jrg.10, nr 6
.

Astrologie, astronomie en astrosofie

Astrologie, astronomie en astrosofie, drie gebieden waarin de mens de door hem gevoelde verbinding met de kosmos heeft uitgedrukt. Wat is hun onderlinge verhouding, wat zijn hun onderlinge verschillen? Je hoort de eerste twee begrippen nogal eens door elkaar gebruiken, het laatste woord wordt nog nauwelijks gebruikt.

Het zou te ver voeren om op deze plaats de geschiedenis van de astrologie en de astronomie uitvoerig te behandelen; we beperken ons tot een korte karakterisering.

De astrologie, ook wel eens sterrenwichelarij genoemd, legt verbanden tussen de stand van de sterren aan de hemel en het menselijk leven. De sterren waar het hier om gaat zijn in de eerste plaats de zeven planeten: Maan, Venus, Mercurius, Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Dit zijn de zeven klassieke planeten. Pas in veel latere tijd zijn de overige ontdekt: Uranus, Neptunus en Pluto. Deze laatste zijn later ook in de astrologie ingevoegd, als aanvulling op de overgeleverde astrologische traditie.
De astrologie is in het oosten ontstaan. We zijn zeker niet in het bezit van
documenten die betrekking hebben op de allervroegste periode. Tot de oudste overleveringen behoren Babylonische lijsten van sterrenstanden, die plaats vonden op het moment van een eveneens opgesomde reeks van gebeurtenissen. In vele culturen is een vorm van astrologie tot bloei gekomen. Voor het bewustzijn van deze oude volken waren de planeten en de sterren geen hemellichamen in de huidige betekenis van het woord. Het waren lichten waarmee de goden hun wil aan de hemel zichtbaar konden maken. Het was aan de priesters om het sterrenschrift te ontraadselen en de betekenis aan de mensen door te geven. Aanvankelijk legde men ook veel meer verbanden tussen het lot van een volk en de sterren, dan tussen individuele lotsbeschikkingen en sterrenstanden. Deze volken zag men dan vaak als gerepresenteerd door de koning. Het lot van de koning was het lot van het volk. Een samenvatting van de oude traditie is bewaard gebleven doordat Ptolemaeus deze in de tweede eeuw na Christus in zijn boek Tetrabiblos heeft opgetekend. Dit werk is in welhaast alle talen vertaald. De astrologie zoals die ook thans beoefend wordt gaat bijna geheel terug op dit werk.

Voor het precies optekenen van de sterrenstanden waren nauwkeurige waarnemingen nodig. Maar dat was niet genoeg. Om de waarnemingen te kunnen gebruiken was er ook een tijdrekening noodzakelijk, anders kon je de verschijnselen onmogelijk goed vastleggen. De tijdrekening is een belangrijk nevenprodukt van de astrologie. Hier begint al een astronomisch aspect zichtbaar te worden. Het uiterst nauwkeurig waarnemen en vastleggen van verschijnselen werd een hulpwetenschap die een uiterst praktische waarde bleek te hebben voor bijvoorbeeld het tijdig heffen van de belastingen en voor het bepalen van de wisseling van de seizoenen. We hoeven ons er dus niet over te verbazen dat veel beroemde astrologen uit de oudheid tevens een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de astronomie geleverd hebben.

De ontwikkeling van de astrologie verloopt niet continu. Na de ondergang van het West-Romeinse rijk komt er een voorlopig einde. Pas in de middeleeuwen komt de astrologie opnieuw tot bloei. Het einde komt betrekkelijk definitief als in 1666 Jean Baptiste Colbert onder Lodewijk XIV bij de oprichting van de Franse Academie voor Wetenschappen aan de sterrenkundigen verbiedt zich met astrologie in te laten. Een betrekkelijk definitief einde, want na de Tweede Wereldoorlog heeft de belangstelling voor de astrologie weer zo’n hoge vlucht genomen, dat in 1975 maar liefst 192 Nobelprijswinnaars zich genoodzaakt voelden om een verklaring tegen de astrologie te tekenen. Deze verklaring is ook in Nederland verschenen onder de titel De mythe van de astrologie.

Zoals blijkt mogen we niet zeggen dat de astronomie zich na de astrologie ontwikkeld heeft, ze bestonden al heel vroeg tegelijkertijd. Voor het bewustzijn van de astrologen waren het ook geen gebieden die met elkaar in strijd zijn. Het feit dat de sterren goddelijk zijn hoeft nog geen beletsel te vormen hen goed waar te nemen. Eigenlijk heeft de astronomie pas in de 19e eeuw zijn materialistische karakter gekregen.

Vanuit het standpunt van de moderne natuurwetenschap is het niet moeilijk een vernietigend oordeel over de astrologie te vellen. Zonder moeite kunnen we bewijzen dat de oude opvattingen van waaruit de astrologie gerechtvaardigd kan worden voor ons geen geldigheid meer hebben. Teleskopen onthullen ons het materiële karakter van de 77 planeten. Van enig aannemelijke relatie tussen de mens en de onderlinge standen van de planeten blijkt niets.

Met dank aan de bijdragen die astrologen ooit aan de astronomie geleverd hebben, kan de astrologie verder als een dwaling van de menselijke geest terzijde geschoven worden.
De dwaling blijkt dan niet zozeer te bestaan in het feit dat men de sterren als goddelijk ervoer; daarvoor kan men respekt hebben. Het gaat echter om de manier van denken waar de kritiek naar uitgaat. En dat is eigenlijk veel interessanter dan allerlei andere argumenten waaruit kan blijken dat de astrologie, zoals die thans wordt bedreven, geen enkele geldigheid zou hebben.

De grote dwaling is: De astrologie denkt in analogieën. Een voorbeeld:

De zon loopt door de dierenriem. Elk jaar staat de zon in hetzelfde seizoen in hetzelfde sterrenbeeld. Bij een jaargetijde horen bepaalde, vaste eigenschappen: opbloeien of afsterven van de natuur, net uit de aarde komen van jonge kiemplantjes of al vrucht dragen.
De stap is nu dat het karakter van het jaargetijde wordt overgedragen op de sterrenbeelden. Als men nu woorden als: vruchtbaar, bloeiend, afstervend, doods, donker, licht, enzovoort in overdrachtelijke zin gebruikt, dan kan men ze op mensen die door het moment van hun geboorte bijzondere verbindingen met zo’n sterrenbeeld hebben van toepassing laten zijn.

Voor de nauwkeurigheid: eigenlijk mogen we in dit verband niet spreken over sterrenbeelden, we moeten zeggen sterrentekens. Het gaat om de tekens van de dierenriem. Deze dragen wel dezelfde namen als de beelden, maar vallen er in onze tijd niet meer mee samen. De beelden en de tekens zijn ten opzichte van elkaar verschoven. De beelden zijn de zichtbare sterrenconfiguraties, die in booggraden gemeten allemaal verschillende afmetingen hebben. De tekens zijn niet zichtbaar, het zijn gelijke delen van de dierenriem, elk deel is 30°. De afspraak is dat de zon bij het begin van de lente altijd het teken Ram binnenschrijdt. Daarmee is de positie van de ‘dierenriem van de tekens’ ten opzichte van de jaargetijden vastgelegd: In het begin van de zomer komt de zon altijd in het teken Kreeft, in de herfst in het teken Weegschaal, in de winter in het teken Steenbok en zoals gezegd in de lente in het teken Ram. Men kan hier meteen het verband leggen met de woorden Steenbokskeerkring en Kreeftskeerkring: Als de zon in het teken Kreeft staat, staat hij voor de landen op het noordelijk halfrond op zijn hoogst. Voor het zuidelijk halfrond is dat het geval als de zon in het teken Steenbok staat. Kijken we nu echter naar de hemel, dan kunnen we eenvoudig waarnemen dat de zon op het moment dat de lente begint in het dierenriembeeld de Vissen staat, en niet in de Ram! Toen de tekens hun naam kregen lagen tekens en beelden nog in dezelfde richting. Nu, tweeduizend jaar later zijn ze een heel beeld ‘uit elkaar geschoven’. De astrologie rekent altijd met de tekens, nooit met de werkelijk zichtbare beelden. De betekenissen hangen dan ook niet meer met de sterren samen, maar met richtingen ten opzichte van het punt waar de zon staat als de lente begint, het punt Ram. Het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden dat de astronomie, die geheel op de waarneming afgaat, nooit over tekens spreekt, daar gaat het uitsluitend om de reëel zichtbare beelden.

Na deze uitweiding komen we weer terug op het punt van het denken. De astrologie denkt niet logisch of analytisch, maar analoog. Denken in analogieën is iets geheel anders dan het eenvoudig naast elkaar zetten van bepaalde gegevens. Wie in analogieën wil denken, zal moeten leren in beelden te denken. Het denken in beelden verloopt anders dan het denken in begrippen. Het laatste kan geheel abstract zijn; het gaat er om de begrippen die men hanteert op een logische manier met elkaar in verband te brengen. Het op deze wijze verbinden van begrippen met elkaar leidt tot nieuwe conclusies. Dit denkproces is controleerbaar, het kan door iedereen navoltrokken worden. Bij dit nadenken komen eventueel gemaakte denkfouten aan het licht.

Bij het beelddenken ligt dat anders. In de eerste plaats is een beeld zelden logisch in de gewone zin van het woord.
Beeldentaal heeft zijn eigen logica. De consequentie is dat beeldentaal niet op dezelfde wijze door iedereen verstaan kan worden. Het beeld spreekt je aan, of niet. Het kan je haast niet aangepraat worden. In de litaratuurles worden beelden in gedichten wel eens verklaard. Daarmee komt misschien wel de kale betekenis van het gedicht dichterbij, maar niet het beeld zelf. Dat heeft iets van de dauwdruppel: Als je op een afstandje kijkt schittert hij in alle kleuren van de regenboog, kom je dichterbij dan is alle kleur verdwenen. Een heldere kleurloze waterdruppel aan een grassprietje. Elk beeld bevat zijn eigen waarheid, die nooit geheel in verstandelijke taal vertaald kan worden; altijd gaat er iets verloren. Dat iets is de bijzondere verbinding die een beeld geeft met de werkelijkheid achter het beeld.

Een beeld bedenk je niet, je ziet het.

Je spreekt het uit, en de ander ziet het ook, het spreekt hem aan. Het kan dan nog best lang duren eer beiden de werkelijkheid achter het beeld ten volle hebben leren kennen. Een beeld zien is niet hetzelfde als een beeld doorzien. Een beeld draag je in jezelf rond, na een tijd spreekt het zich uit. Dat is een volstrekt a-logisch proces. Het laat zich niet met verstandelijke argumenten overdragen op de ander. Het logische natuurwetenschappelijk denken geeft toegang tot het begrijpen van de dode natuur, tot de gestorven wereld. Het leven moet met een ander denken begrepen worden, waarvan het denken in beelden een voorstadium kan zijn. Het beeld als spiegeling van een levende werkelijkheid, daarop is van toepassing de uitspraak van Paulus: ‘Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben’. Wanneer wij ons verdiepen in de astrologie, merken we al gauw dat we terecht komen in een wereld van beelden. Met die beelden kan men op veel manieren omgaan. In veel gevallen zal men daar afwijzend tegenover staan. In de eerste plaats als die beeldenwereld gehanteerd wordt als gold het een begrippenwereld. Dat zal men vaak zien. Hierdoor komt de astroloog tot conclusies die niet voortvloeien uit het innerlijk verstaan van beeldentaal, maar door het betrekken van een beeld op een heel andere werkelijkheidscategorie dan waaraan het beeld oorspronkelijk ontleend is.

Een ander groot bezwaar kan men aanvoeren als de astrologie ons suggesties doet over uit te voeren handelingen. De beslissingen omtrent onze handelingen liggen geheel binnen het gebied van onze eigen verantwoordelijkheid en moeten vanuit de bij ons horende morele maatstaven genomen worden. Nooit mogen wij ons die persoonlijke verantwoordelijkheid laten ontnemen. Er wordt dan inbreuk gedaan op het gebied van onze vrijheid van handelen, de vrijheid van persoonlijke keuze; de beslissing wordt buiten ons om genomen en onderscheidt zich dan niet van besluiten die op grond van orakels als Tarot en I Tjing tot stand zijn gekomen.

Deze conclusies gelden voor onze tijd, voor mensen met een modern, twintigste-eeuws bewustzijn. Voor de oude culturen waarin de astrologie zijn oorsprong heeft golden ze zeker niet. Het bewustzijn van de mens is veranderd. Zonder ons met astrologie als orakelwijsheid bezig te houden, kunnen we toch inzien dat de beeldenwereld van de oude astrologie op zichzelf geen onzin is. De wijze waarop er mee omgegaan wordt kan echter gemakkelijk tot onzin leiden. Gevaarlijke onzin.

Jung heeft zich uitvoerig beziggehouden met het archetypisch karakter van de astrologische beeldentaal. Daarmee heeft hij in voor de moderne mens verstaanbare taal de rijkdom van de beeldentaal weer zichtbaar gemaakt.

Welke samenhang hebben de verschijnselen die wij aan de sterrenhemel waarnemen? Wat is de bewegingsoorzaak of wie is de beweger van het bewegende? Vragen waarop elke cultuur, elke tijd zijn eigen antwoord gegeven heeft. Het antwoord dat zijn uitersten vindt in de opvatting dat het de goden waren die de sterrenlichten aan de hemel bewogen en de verklaring van alle beweging met behulp van de wetten van de zwaartekracht. (Het onderdeel van de astronomie dat zich met het laatste bezighoudt heet ‘hemelmechanica’. Een merkwaardig woord, als we het homoniem van het woord ‘hemel’ erbij betrekken: de ‘plaats’ waar zich geestelijke wezens bevinden – God, engelen, mensenzielen. Maar dit terzijde). In verschillende oude negentiende-eeuwse astronomieboeken komt men als interessant vraagstuk het zogenaamde ‘drielichamenprobleem’ tegen. Dit probleem luidt, in ‘t kort gezegd: Op welke wijze zullen drie hemellichamen middels de zwaartekracht elkaar in beweging brengen, in het bijzonder als deze lichamen verschillende massa’s hebben? Dit drielichamenprobleem speelt een belangrijke rol bij het leren begrijpen van de planetenbewegingen.

Op een heel andere wijze kan men in onze tijd ook een drielichamenprobleem formuleren: Op welke wijze kan men leren begrijpen dat er een relatie tussen mens en kosmos bestaat, wat is de aard van het ‘mechanisme’ waarin zich de eventuele relatie manifesteert? De astrologie in zijn huidige vorm gaat aan deze vraag voorbij, zich beroepend op oude tradities, de oude astrologie vond het antwoord in een mythologisch bewustzijn, de astronomie stelt de vraag niet.

Steiner heeft de mens beschreven als een wezen met een drievoudige lichamelijkheid: het fysieke lichaam dat we met de hele stoffelijke natuur gemeen hebben, het etherlichaam dat aan dit stoffelijk lichaam de kwaliteit ‘levend’ verleent, dat we gemeen hebben met plant en dier, en het astrale lichaam dat de basis is voor ons bewustzijn en dat we gemeen hebben met het dier.
Door het inzicht dat deze kwaliteiten niet alleen in de mens aanwezig zijn maar eveneens in de kosmos, is het mogelijk de vraag te beantwoorden: Elk van de drie lichamen heeft met de kosmos zijn eigen relatie. We moeten dan ook niet spreken van dé relatie, maar van de verschillende relaties die er tussen mens en kosmos bestaan. Hiermee heeft Steiner het mogelijk gemaakt om de oude astrologische basisregel ‘Zoals boven, zo ook beneden’, zoals die op de Smaragden Tafel van Hermes is vastgelegd, op een nieuwe wijze te begrijpen. We kunnen met behulp van het antroposofisch mens- en wereldbeeld weer op weg gaan naar het inzicht dat de mens een microkosmos is. Dat inzicht kan maar heel langzaam verkregen worden, omdat het niet gaat om een verstandelijk kunnen aanvaarden, waarvoor studie alleen voldoende zou zijn. Het inzicht waar het hier om gaat wordt niet uit het denkende verstand alleen geboren.

Een belangrijk aspect van de vraagstukken rondom astrologie en astronomie is nog buiten beschouwing gebleven: Wat is de verhouding van de aarde tot de kosmos?

Ter illustratie een citaat uit een boek*) dat de geschiedenis van de astronomie behandelt: ‘… Philolaus’ ideeën bevorderden echter de vooruitgang van de sterrenkunde, want per slot van rekening was zijn aarde van ondergeschikt belang in het heelal en was zij geen stilstaand lichaam’. Het inzicht dat de aarde van ondergeschikt belang is in de kosmos, wordt door de materialistische astronomie een vooruitgang genoemd. Wanneer we ter beantwoording van de vraag omtrent de betekenis van de aarde voor de kosmos uitsluitend kwantitatieve grootheden in het geding brengen, kunnen we inderdaad tot geen ander inzicht komen dan dat de aarde een volstrekt onbetekenend nietig stofje in het heelal is. Nemen we daarentegen ook andere aspecten in overweging, dan zullen we wellicht nog tot andere uitspraken moeten komen. Voor de oude beschavingen was de aarde het middelpunt van de kosmos. Daarop is de hele oude astrologie gebaseerd. Voor de moderne mens doet de vraag naar het middelpunt zich niet meer voor. Voor de beantwoording van de vraag naar de relatie tussen mens en kosmos, zal het antwoord dat wij geven op de vraag naar de verhouding van de kosmos tot de aarde van eminent belang zijn.

In de aanhef van dit artikel is gewag gemaakt van drie begrippen: astrologie, astronomie en astrosofie. De eerste twee zijn van verschillende kanten gekarakteriseerd. Uiteraard kan het hier slechts bij een globale verkenning blijven. De astrosofie is als begrip nog buiten beschouwing gebleven, niet expliciet gemaakt ten minste. Impliciet is zij inmiddels wel gekarakteriseerd: als de moderne wijze waarop de mens in al zijn geledingen weer een bewuste relatie tot de kosmos kan vinden.

In de mens heeft de kosmos zichzelf samengevat; als we tot dit inzicht kunnen komen, zullen we ook kunnen gaan begrijpen dat de mens eens de weg naar de kosmos terug zal kunnen vinden.

*) Charles-Albert Reigen: Geschiedenis der Sterrenkunde.

Rinke Visser: astrosofie

.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1950

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde – de zon [3-5]

.

Willem Beekman, Jonas jrg. 9,no 25
.

DE ZON

‘Dir Seele des Weltalls, o Sonne’. Zo begint een lied van Mozart (KV 429). Hij prijst daarin de zon, de machtige. Aan haar danken we vruchtbaarheid, warmte en licht. Zonder haar kunnen we niet bestaan. Dat voelde Mozart zo. En met hem ontelbare andere dichters, schrijvers en filosofen. Hoe voelen we de zon nu, hoe zien we haar? Kunnen we nog een andere verhouding tot haar krijgen dan een gloeiende gasbol, waaromheen wat steenklompen draaien?

Ik geloof van wel en onderstaande bijdrage is een poging om fenomenen zichtbaar te maken, die kunnen helpen de zon beter te zien.

Daar is direct al iets merkwaardigs aan de hand. Kun je de zon eigenlijk wel zien? Soms doen we verwoede pogingen om erin te kijken en dat lukt zeer ten dele. Onze blik nadert de zon, maar blijft er niet dichtbij rusten want het licht verwondt, het maakt zelfs blind na lang staren. Even kunnen onze ogen langsflitsen om dan met een brandend gevoel achter te blijven. We voelen een soort druk van binnen, een enorme zwaarte achter het oog. Allemaal lichtplekken, kransen, flitsen, sidderingen vullen de lucht. Allerlei nabeelden, zelfs bij gesloten ogen. De zon heeft zich in ons afgedrukt, we zijn bijna geplet. Vreemd eigenlijk, dat licht zo verpletterend kan zijn. Maan en sterren werken niet zo op ons. We vinden het zelfs prettig om erin te kijken. Het geeft houvast en vertrouwen. De zon geeft dat ook, maar alleen als we er niet in kijken. Lekker vertrouwd in de zonbeschenen wereld. Hoe meer hoe beter, totdat we ons er helemaal aan overgeven als het te warm en te licht wordt.

’s Winters bij somber weer, is die wereld wat minder dichtbij. Dan kruipen we weg, soms in onszelf om daar houvast te vinden. Maar op zo’n heldere zomerdag kijken we zonnig rond, om vervolgens te ontdekken dat je overal naar kunt kijken behalve naar die lichtbron zelf. De zon is eigenlijk een uitsparing aan de hemel, een soort gat. Probeer maar eens om de zon te tekenen. Als je eerst de zonneschijf zwart maakt, of met een andere kleur opvult en daarna stralen gaat tekenen, gebeurt er niets. Het straalt niet. Andersom wel. Als je met de stralen begint en de zonneschuif op die manier uitspaart, dan ontstaat het stralende
effect. Ook in de tekening ga je uit van een gat, van een holle ruimte.

Er zijn weersomstandigheden waarbij de zon iets bijzonders laat zien. Het moet dan vochtig zijn in de lucht, soms iets nevelig. Je kijkt naar boven en ziet een halo. Heiligenschijn, lichtkrans heet het ook wel. Altijd op vaste afstand rondom de zon is dan een kleurcirkel zichtbaar, een lichtband. Daarin komen regenboogkleuren voor, maar veel fletser van toon en ook in andere tinten. Een gewone regenboog is het niet. Binnen die krans is het hemelsblauw dieper, anders van kleur dan erbuiten. Het is een prachtig gezicht, vooral als er nog extra glansplekken in de krans voorkomen, die zich een enkele keer zo groeperen, dat een kruis ontstaat. Zo’n Iers kruis, met een cirkel eromheen. Het beste kun je de halo zien, wanneer je met je vuist de zonneschuif afdekt. Het is namelijk iets heel teers, dat makkelijk door de felheid van het licht wordt toegedekt of door slordige waarneming niet wordt opgemerkt. De regenboog is krachtiger van kleur, veel tastbaarder zou je kunnen zeggen. Het verschijnen en weer verdwijnen is weliswaar ook zo’n teer gebeuren, maar de complete boog ‘staat’ aan de hemel. Voor iedereen opvallend zichtbaar. Het verschil met de halo is ook de afstand tot de zon. De regenboog staat tegenover de zon, aan de andere kant van de hemel. De vochtige lucht moet beschenen worden, terwijl de
zon omhullende halo doorschenen wordt. Ook de aarde om ons heen, de voorwerpen rondom ons, zien er anders uit, wanneer we de zon in de rug hebben of tegen de zon inkijken.

Probeer eens een aantal keren de volgende oefening te doen: Je gaat midden op een veld staan, met een wijd uitzicht over de omgeving en een ver verwijderde horizon. Overal zijn bomen, huisjes, akkers enzovoort. Wanneer je nu met de zon in de rug een eindje gaat lopen, dan is de wereld bijzonder goed zichtbaar. Je loopt er echt naar toe. De vormen en kleuren zijn helder en vertrouwd. De wolken zijn licht, de hemel is hemelsblauw.

Die wereld is gevuld, daar leef je prettig in.

Nu keer je je om (liefst snel) om dan tegen de zon in te lopen Alles is nu anders. De kleuren vervagen en alles gaat glanzen en spiegelen. Vormen zijn moeilijker te onderscheiden. Wolken lijken donkerder, somberder, dreigender. Het hemelsblauw is veranderd in een lichte melkachtige tint. Deze is leger, kaler. Door de glans verliezen de voorwerpen iets van zichzelf. Je loopt onzekerder, met minder vertrouwen. Als je dit enkele malen herhaalt, wordt het contrast steeds duidelijker. Het gaat overigens het best, wanneer de zon niet te hoog aan de hemel staat. Samenvattend ziet het beeld er zo uit:

– Van de zon af kijken, maakt de wereld duidelijker. De regenboog aan de hemel is krachtig.
– Naar de zon toe kijken maakt alles onduidelijker. De halo aan de hemel is heel teer.
Wederom zie je naar de zon toe bewegend steeds minder. De wereld lost op, het materiële-substantiële vervaagt.

De vraag komt nu op in hoeverre deze tendens doorgetrokken kan worden. Wat is er vlak rondom de zon aanwezig? Zien we iets niet dat er toch wel is? Het antwoord hierop wordt ons door de maan gegeven. Wanneer de zon en maan elkaar precies afdekken ten tijde van een zonsverduistering, dan komt de corona in het zicht. De zonschijf (in werkelijkheid dan de maanschijf) is een zwarte cirkel en daaromheen tekent zich een flauwe gloed af. Een soort zachte straling die zich naar alle kanten in de ruimte uitbreidt. Deze ‘kroon’ kun je normaal niet zien vanwege de overstraling, maar nu eventjes wel. Het is echt heel teer. Als een soort aura omgeeft het de zon. De corona wisselt van vorm afhankelijk van de toestand van de zon (er bestaat een relatie met storingen op de zon, die we zonnevlekken noemen). Deze zonneaura is buitengewoon groot en breidt zich zover in de ruimte uit, dat onze aarde er geheel in opgenomen is. Toch zien we haar niet. Een onzichtbare omhulling. Een beschermmantel wellicht.

In onze ziel kan dit verschijnsel ook optreden. En wel tijdens het overgangsgebied van zon en maan, daar waar de maan de zon een beetje gaat afdekken. Ik bedoel de zondagavond. Als de dag van de zon doorleefd is en wij hebben ons in onze ziel met spirituele inhouden beziggehouden, dan kan in de vooravond van de maandag een soort omhulling voelbaar worden. Een
beschermmantel, soms heel moeilijk voelbaar, en andere keren duidelijker, die een steun betekent om het werk te beginnen. Waar je ook naar terug kunt kijken als de week ten einde loopt. Een ‘corona’, een kroon die zich tot aan het einde van de week uitstrekt.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

In de jaren 70 schreef J.C.Alders over sterren in het blad ‘de Vacature’, een uitgave van Thieme in Zutphen.
Hij behandelde de toestand aan de hemel van de betreffende maand en illustreerde zijn artikel met gedichten en wetenswaardigheden, veelal uit de mythologie – ook nu: Griekse mythologie
De gedichten en wetenswaardigheden heb ik uit dit artikel ‘de sterrenhemel in januari’ (1975) hier overgenomen.

J.C.Alders, ‘de Vacature’, 18-12-1975

Volght de vaste en wufte lichten
Op hun spoor
Dat’s op d’aerde een hemel stichten.
Elke star bewaert haer plichten
In Godts koor.
Zeven losse danssen binnen
’t vaste vier.
Dat rondom om prijs te winnen
Zeven telt aen’s hemels tinnen
In hun zwier.
Dat ick dan de zon uitbeelde,
Gij mijn bruit
’t Maenlicht, ’t welckme nooit verveelde.
Scherpe prickel van mijn weelde,
Dans vooruit.

J. v.d. Vondel (1587-1679), „Adam in Ballingschap’.

Ik zal dit jaar citaten nemen van Vondel, daar waar hij over sterren spreekt. Maar dit eist wel toelichting, want vele lezers zullen bij dit citaat niet begrijpen waar Vondel op doelt. We moeten daarom eerst het wereldbeeld uit de tijd van Vondel kennen, dat vooral in de „Lucifer” naar voren komt. Men nam in die tijd het Ptolemeische wereldbeeld aan, dat van de 2e eeuw na Chr. tot ver na de middeleeuwen, ook nog in Vondels tijd, aanvaard werd. De Aarde was hier het middelpunt van het heelal, stil staand in de ruimte, terwijl zon en planeten om de Aarde draaien. Ptolemeus neemt 3 concentrische sferen aan: de sfeer der planeten, de sfeer der vaste sterren en de kristalyne hemel of het primum nobile. Daarbuiten komt dan volgens de mystiek der middeleeuwen het empyreum, de hemel van God en de engelen.

De hemelsferen of planetensferen zijn 7 in getal: de sfeer van de maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus, we begrijpen nu het getal 7 losse in Vondels citaat en Vier-Vuur. Vervolgens de sfeer der vaste sterren, dan komt het onzichtbare primum nobile en dan het empyreum. De Nederlandse taal kent nog twee uitdrukkingen, die aan de leer der sferen herinneren: „in hoger sferen zijn”, dat vooral voor dichters een geschikte verblijfplaats is. En dan „in de 7e hemel zijn”. Daar vertoeven de vrijers welke van de aangebeden vrijster het ja-woord verkregen mits zij wél op het juiste ogenblik aanzoek deden en Jacob Cats (1577-1660) zegt in „Houwelick veroorsaeckt uit Medelyden” uitdrukkelijk, dat dit voor élle vrijsters geldt:

„Daer is een vreemde luym, die alle vrijsters krijgen.
En komt, men weet niet hoe, haer in den boesem zijgen:

Wie na den rechten eysch dat uurtjen treffen kan,
Men houdt’ et voor gewis, die wort’ er meester van”.

In de hemel van Ptolemeus is echter géén plaats voor vrouwen!
Vondel wijst er in de „Lucifer” nog eens nadrukkelijk op en laat Apollon zeggen:

„Helaes, wij zijn misdeelt, wij weten van geen trouwen.
Van gade of gading in een hemel zonder vrouwen”,

(gade = echtgenote, gading = coitus).

Toch is dit wel te begrijpen, immers in de Middeleeuwen en nog lang daarna, meenden „geleerde” mannen „Mulieres homines non sunt” (de vrouwen zijn geen mensen) en nog in 1545 verscheen in Breslau het boek „Charteque” van Acidalius, waarin hij met behulp van alle natuurwetenschappen „bewijst”, dat vrouwen geen mensen zijn. Echter schrijft een tijdgenoot, dat de vrouwen wél bewezen mensen te zijn, althans de menselijke eigenschap van vermoorden bezaten, want „Acidalius moest oppassen dat de vrouwen hem de nek niet braken”.

Of aan zijn overlijden, kort na het verschijnen van het boek, zachte vrouwenhanden deel hadden, schrijft de tijdgenoot niet.

Als de vrouw dan geen mens was en dus geen ziel had bespaarde de theologen de moeilijkheid waar de vrouwenzielen te onderbrengen: in de hel, in het vagevuur. Daarom ontmoet Dante (1265-1321) bij zijn omzwervingen door de hel en het vagevuur géén dameszielen, wél pausen, koningen, keizers en herenzielen.

Volgens de Nederlandse taal hebben de vrouwen wél een ziel, getuige de uitdrukking „een vrouw op haar ziel geven” en blijkens afbeeldingen van middeleeuwse scherprechters „in functie” wisten deze heren precies waar de vrouwenziel zat, want zij geeselden de vrouwen op de blote billen.

In het slot zegt Vondel, dat Adam de zon en Eva de maan uitbeeldt.

We zullen dit verklaren. Dat de zon mannelijk voorgesteld wordt, komt omdat de zon de Aarde bevrucht en de oogst voortbrengt. Derhalve zijn zonnegoden altijd mannelijk. (Merkwaardigerwijze bestuurt bij de Germanen Suna, een godin, de zonnewagen). De maan móest wel vrouwelijk zijn, omdat de synodische omloopstijd van de maan gelijk is aan de cyclus van de vrouw en daarom kennen alle godsdiensten een maangodin.

Ook Vondel wijst daarop in de „Gijsbrecht”: „Hij (Gozewijn) scheen een zon gelijck en zij (Klaeris) de klaeremaen”.

Nu moeten we het getal 7 in Vondels citaat verklaren. Het was een zgn. „heilig” getal en is afkomstig van de maan:

7 dagen duurt het vóór de sikkel half is, 7 dagen voor de maan vol is, dan weer 7 dagen tot de sikkel half is en dan weer na 7 dagen nieuwe maan. Zo zijn dan de „heilige” dagen Sabbath en Zondag ontstaan.

Men telde 7 sterren in Orion en de Grote Beer. Dit leeft nog voort in het Frans: noordelijk is septentrional naar die 7 sterren in de Gr. Beer. En 7 sterren hadden de kleur van Mars, 7 die van Jupiter. Zelfs telde men 7 als er géén 7 te tellen was, want het Zevengesternte telt voor het blote oog 6 sterren en Newton „telde” 7 kleuren in de regenboog omdat 7 een „heilig” getal was.

In de bijbel vinden we tal van feiten en gebeurtenissen met de aanduiding 7 (en 40).

Toch waren in Vondels tijd de nieuwe inzichten der sterrenkunde wél degelijk bekend. Copernicus (1472-1 543) was de eerste, die aannam dat de zon het middelpunt van de planeten was. In 1543 verscheen zijn boek „de revolutionisbus orbium coelestium” (over de draaiing van aarde en hemel) dat van kerkelijke zijde fel bestreden werd en op de Index van verboden boeken in 1616 kwam. Buiten het bereik van de Inquisitie verscheen het boek in 1566 te Bazel en in 1617, na de plaatsing op de Index, in de stad der vrijheid, in Amsterdam, in herdruk.

Galilei nam de leer van Copernicus aan en in 1613 begon zijn strijd met de R.K. kerk. Men ving hem op de stelling van Copernicus en Galilei mocht de ideëen van Copernicus niet meer verkondigen. Galilei schreef nu een boek dat indirect de leer van Copernicus bevatte, het passeerde in 1630 de censuur in Rome en verscheen in 1632. Galilei moest daarom in 1633 voor een kerkelijke rechtbank verschijnen en bleef enigen tijd gevangen in het gebouw der inquisitie. Hij moest de leer van Copernicus afzweren en werd verbannen. In 1638 verscheen zijn boek bij Elsevier in Leiden. Door Galilei’s toedoen werd de leer van Copernicus in brede kring bekend en zetten zijn denkbeelden door. Hoewel deze denkbeelden in uitgaven in Amsterdam en Leiden te lezen waren, hield Vondel vast aan de leer der sferen van Ptolemeus, wat vooral in de „Lucifer” blijkt.

Saturnus

Bij Saturnus is nog [1975] geen ruimtevaartuig geweest, zodat we het met oude kijkerwaarnemingen moeten doen. Hoogstwaarschijnlijk is de structuur dezelfde als van Jupiter, dus een waterstofbol. De dichtheid van Saturnus is nog lager dan van Jupiter, nl. 0,69, het laagst van alle planeten.

Ook vertoont Saturnus banden als Jupiter. De rotatie-duur aan de evenaar bedraagt 10 uur 14 min. De afplatting is 1/10. Er zijn ook af en toe witte vlekken te zien. De temperatuur bedraagt -150°C. De equator middellijn is 12.800 km., dat is 10x de Aardmiddellijn. (Jup. 11 x). De massa van Sat. is 95,22 Aard-massa’s. De afstand tot de zon 1427 miljoen km. De siderische omloopstijd om de zon is 29,458 jaar (een jaar op Sat. duurt 297? aardse jaren).

De versnelling van de zwaartekracht g = 112°. In 1655 ontdekte Huygens de ring. Later bleken er 4 lagen te zijn, A, B, C, D waarbij D in 1969 ontdekt is.

De dikte van de ring bedraagt 20 km en de ring bestaat uit fijn stof. In 1981 zien we de ring op zijn kant. Staat Sat. tussen Stier en Tweelingen, dan is de ring wijd open, staat Sat. in de Leeuw of Vissen, dan is de ring onzichtbaar, want we kijken tegen de kant van de ring, die maar 20 km dik is. Tussen de grootste opening en onzichtbaar zijn van de ring liggen 7 jaar 4 maanden. Albedo 0,42. Baansnelheid 9,6 km/sec. Saturnus heeft 10 manen. We zetten de diameter er tussen haakjes bij: Mias (520), Enceladus (600), Thetys (1000), Dione (1000), Rhea (1400), Titan (5000), Hyperion (400), Japetus (1000), Phoebe (200),Janus (400).

Er is maar 1 maan bij van de grootte van de maan van de Aarde (3476 km). Dat is Titan, 5000 km reeds in 1655 door Huygens ontdekt. Titan heeft een dampkring van methaan en heeft m = 8,3 bij oppositie en kan nu in kleine kijkers bij 40x-50x gezien worden. Titan is de grootste van alle planetenmanen.

Phoebe is retrogade en de laatste maan Japetus is in 1966 ontdekt.

De helderheid m van de manen is gering, ligt tussen + 11 en+ 14.

De manen kregen namen van de titanen, de 6 zonen en 6 dochters van Uranos (hemel) en Gaia (Aarde). Uranos was de zoon en gemaal van Gaia.
Zijn zoon Saturnus (Kronos) ontmande zijn vader, Vondel herinnert er aan in de „Palemedes”:

Saturnus, die zijn vader lubt,
De zoute zee met bloet bedrupt
Een oirzaeck dat’er Venus quam,
Met haere onkuische minnevlam”

lubben = ontmannen. Het afgesneden lid viel in zee, bevruchtte de zee en uit het zeeschuim werd Venus, de godin van de liefde, geboren. Uit de bloeddruppels die op Aarde vielen, ontstonden de Giganten (reuzen) en Erinyen (wraakgodinnen). Saturnus, verwekte bij zijn zuster Rhea: Hestia, Demeter, Hera, Pluto, Poseidon, Zeus. Titanen waren Thetys, Rhea, Titan, Hyperion, Japetus, Phoebe, Dione was een nimf, echtgenote van Zeus, maar later door Hera verdrongen, Zij wordt ook de moeder van Venus (Aphodrite) genoemd. Enceladus was een Gigant.
Janus was een Romeinse god met twee gezichten, één gericht op het verleden, één op de toekomst.

De astrologen brengen Saturnus in verband met lood.

We zien in januari de winterhemel. Recht in het zuiden Orion, daaronder de bij ons zelden zichtbare Haas en Duif. Ook Sirius staat in het zuiden niet hoog boven de kim en flonkert sterk, (scintillatie). Tennyson drukte dit zo uit „and fiery Sirius altes hue And bickers into red and emerald” (en vurig wisselt Sirius van tint en fonkelt als robijn en smaragd). De dichtheid van de dampkring wordt van beneden naar boven steeds ijler en de lichtstraal van de ster gaat door lagen van ongelijke dichtheid en we zien reeksen van verschillende intensiteit en daardoor fonkelt de ster. Ook treedt interferentie op. De lichtstralen komen tot ons langs verschillende wegen, waardoor enkele golflengten verzwakt of versterkt worden, zodat de kleuren variëren. We zien dat goed bij Sirius: rood en groen. Venus en Jupiter fonkelen bijna niet. Maar Mercurius wel, omdat deze planeet altijd zeer laag boven de kim staat. Het fonkelen wordt niet veroorzaakt door de ster, maar door de dampkring van de Aarde. We zitten op de bodem van een luchtzee en daar doorheen moeten we naar de sterren kijken. Op de maan, waar geen dampkring is, is dus ook geen scintillatie. Als de luchtlagen ongelijk verwarmd worden, treden wervelingen op en fonkelen de sterren sterk. In het zenith is de scintillatie het geringst, hoe lager ze staan hoe sterker de sterren fonkelen. Beneden 35° boven de kim fonkelen ze altijd en daarom zien we Sirius altijd fonkelen. Bij lage barometerstand, grote luchtvochtigheid en wind neemt het fonkelen toe. Als des avonds de sterren sterk fonkelen en zelfs Jupiter fonkelt, betekent dat onrust in de dampkring en als de barometer laag staat kan men de volgende dag slecht weer verwachten.

.

7e klas sterrenkundealle artikelen

.

1932

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (2-4)

.

H. ter Beek, nadere gegevens onbekend.

.

DE ZEVEN PLANETEN EN DE ZEVEN DAGEN VAN DE WEEK

PERIODEVERSLAG ZEVENDE KLAS

In de periode KOSMOGRAFIE, beter bekend als STERRENKUNDE, kwamen we na de loop van Zon en Maan beschreven te hebben, toe aan de behandeling van de Planeten.

De Planeten worden ook wel Dwaalsterren genoemd, omdat zij in tegenstelling tot de Vaste Sterren, die de bekende sterrenbeelden vormen, en waaruit het grootste deel van de sterrenhemel bestaat, geen vaste plaats bezitten. Ze verplaatsen zich langs het firmament, evenals Zon en Maan dat doen. En dan is er nog een verschil; zij schijnen, terwijl de vaste sterren fonkelen.

In het oude Babylonië nu, nam men zeven planeten waar; zij werden gezien én beleefd als de werkingsgebieden van de goden. Ook bij de Grieken en Romeinen was dit het geval, daar zij de erfgenamen waren van de sterrenkunde der Babyloniërs. Tegenwoordig kennen we de planeten volgens hun Romeinse namen, die we hier dus ook zullen gebruiken.

Deze zeven planeten werden in volgorde van hun omwentelingssnelheid geplaatst:

Maan                                                           – 29½ dag
Mercurius                                                   – 88 dagen
Venus                                                          – 224 dagen
Zon                                                              – 1 jaar
Mars                                                            – 1 jaar + 321 dgn, 111/12   jaar
Jupiter                                                        – 12 jaar (11 jaar +315 dgn, 11 11/12 j.)
Saturnus 29½ jaar

Het interessante is nu dat de oude Babyloniërs hieruit ook de volgorde van de zeven weekdagen bepaalden, maar daartoe werd het getal zeven opnieuw gebruikt. De planeten worden dan in een kring gegroepeerd, zoals op bijgaande figuur.

Het getal 7 wordt vervolgens gezien als opgebouwd uit 3 en 4, twee getallen die opnieuw heilige getallen waren, de 3 voor het geestelijke, de 4 voor het aardse. Gaat men nu met de 4 rechtsom, of met de 3 linksom (op bijgaande figuur), dan krijgt .men in beide gevallen deze volgorde:

DAG                                         PLANEET      ROMEINSE GOD  GRIEKSE GOD

Zondag         Dimanche              Zon                     Apollo                   Apolloon
Maandag      Lundi                     Maan                  Diana                    Artemis
Dinsdag       Mardi                     Mars                   Mars                      Ares
Woensdag   Mercredi                Mercurius         Mercurius             Hermes
Donderdag  Jeudi                      Jupiter               Jupiter                   Zeus
Vrijdag         Vendredi               Venus                 Venus                    Aphrodite
Zaterdag      Samedi                  Saturnus             Saturnus              Kronos

Nu kwam evenwel het meest interessante deel.

Waren het alleen maar namen, of hadden de dagen van de week nog hun eigen werking, kleur, sfeer? In onze tijd is daar niet zoveel meer van te herkennen. Met planeten, sterren en goden wordt geen rekening gehouden. We hebben recht op een 5-óaagse werkweek. Een vrije zaterdag, en voor de middenstand een vrije maandag. In de agenda’s en op de kalenders begint de week voortaan op een maandag, en worden zaterdag en zondag als week-end beschouwd.

Hierover hebben we met elkaar gesproken. In het Scheppingsverhaal in het Oude Testament wordt op de eerste dag het Licht geschapen, op de zevende dag wordt er gerust. Dit was nog levend aanwezig, hoewel het als vertelstof 4 jaar geleden verteld is.

Hoe beginnen we de week op maandag? Dat is de eerste dag waarop we weer naar school gaan. Het valt niet mee om weer te moeten beginnen. Waar waren we ook al weer mee bezig? Ach ja, we zijn het weekend weg geweest, logeren, familiebezoek, lang in de auto, laat naar bed, sportwedstrijden, uitslapen enz. Voor ieder wat anders. Elkaar hebben we niet gesproken. Nu hebben we elkaar alleen maar te vertellen wat we het weekend gedaan hebben. Geen al te beste start voor de nieuwe week. De leraren hadden juist de zondagavond allerlei voornemens gemaakt voor wat er de komende week zou moeten gebeuren, en die eerste dag gebeurt er niet veel.

Hoe zou dat komen?

De maan werkt als een spiegel, evenals het zilver, dat met de maan verwant is. De maan weerkaatst het zonlicht’, spiegelt terug naar de week ervóór.

De zon werpt zijn licht vooruit. Op zondag, ook al ga je die dag niet naar school, bereid je je voor op de komende week. Je bepaalt wat je die week wilt bereiken, en… dat behoef je pas te bereiken op … donderdag, de dag van Jupiter (Zeus).

Op dinsdag, de dag van Mars (Ares), de krijgsgod, wordt met het eigenlijke werk, met de eigenlijke weektaak begonnen.
De maandag wordt niet verlummeld met niets doen, maar het oude wordt afgedaan, zoals de maandag vanouds de wasdag was! Al de vuile was wordt dan weggewassen.

Na de intensieve dinsdag (ook het lesrooster telt in onze klas die dag de meeste uren, het is de langste schooldag) moet er op de woensdag wat worden teruggenomen. Tevens moet er gekeken worden of we nog wel op het goede spoor zitten. (De ongetrouwde jonge mannen gingen op woensdag “de week doorzagen”: op woensdagavond kon er niet worden gesport, getraind, gebiljart, maar werd het meisje opgezocht.) Het is de dag van het kwikzilver, dat ook alle kanten op kan rollen, en dat evenals het zilver ook goed kan spiegelen.

Op de vrijdag, de dag van de godin der Schoonheid, wordt er ook extra aandacht besteed aan de verzorging en de schoonheid van het schrift. Er wordt nog wat getekend, er wordt nog wat verbeterd, er wordt nog wat geplakt, versierd, gekaft, enz. Alles in het teken van verzorging, mooi maken.

En de zaterdag? Kunnen we die wel missen? Is deze dag wel gelijkwaardig met de andere, wel een volwaardige werkdag? Er wordt die dag misschien voorgelezen, het is voorleesdag. Er is die dag muziek in de zaal. Die dag is de kortste van de week. Er worden geen nieuwe dingen meer begonnen.

Deze dag is toch heel belangrijk! Deze dag maakt het mogelijk dat de vrijdag een volwaardige vrijdag kan blijven. Op de zaterdag kan gerust worden ( = niets nieuws meer beginnen), zoals God dat in het Bijbels Scheppingsverhaal deed, dat wil zeggen terugkijken op het werk van de afgelopen week en “zien dat het goed was” of misschien “niet goed” was. Op de zaterdag ging men vroeger altijd in ’t bad, cn trok de vuile kleren uit, die dan op maandag gewassen werden.

Toen we hier zo met elkaar over gesproken hadden, herkenden de kinderen dit in de gang van de periodes. Dadelijk gingen ze er bewust aan werken, en toen het vrijdag was, werd er geroepens “Vandaag gaan we onze tekeningen maken!”, want deze zevende klas is nu eenmaal dol op tekenen.

.
7e klas sterrenkunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

1856

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (4)

.

De 7e klas – de eerste van de middelbare vrijeschool – heeft in het leerplan een periode sterrenkunde staan.

Het gaat vooral om ‘de blik omhoog’; de verder zich voltrekkende puberteit brengt ook met zich mee dat de jonge mens aanvankelijk erg op zichzelf betrokken raakt – de sterrenkunde opent andere perspectieven.

Het is geen periode astrologie met horoscopen o.i.d. meer een eerste kennismaking met waar en hoe je in de wereld staat t.o.v. de kosmische processen die o.a de jaargetijden veroorzaken.

Grondslag voor een nieuwe astrologie

Waarnemen van de sterrenhemel

Astrologie en natuurwetenschap hebben zich beide vervreemd van de werkelijke sterrenhemel. Voor een dergelijke ontwikkeling zijn historische lijnen aan te wijzen. Een nieuwe benadering kan ontstaan door de menselijke waarneming als uitgangspunt te kiezen. Met dat uitgangspunt ligt een oefenweg open.

Wanneer iemand in een kleine roeiboot midden op een enorme zee zit met water aan alle kanten zover het oog reikt, dan ziet hij de horizon of beter: zijn horizon. Deze horizon wordt anders wanneer hij zich ook maar minimaal verplaatst. Zo heeft iedereen een horizon die met hem mee beweegt. De horizon is een individueel gegeven. Ieder mens heeft, waar hij ook is, altijd de helft van de sterrenhemel boven zich en de andere helft onder zich. Steeds opnieuw geldt dus dat de mens in het midden van de sterrenwereld, de kosmos staat. Boven zich heeft hij zijn zenith. Dat is het punt aan de hemel dat in het verlengde ligt van de vertikale lijn die de opgerichte gestalte vormt. Ook het zenith is daarmee strikt individueel.

De sterren bewegen zich in cirkelbogen en de cirkelboog waarvan de waarnemer het middelpunt is, wordt de hemelequator genoemd. Deze sterrencirkel is voor ieder menselijk individu dezelfde en kan daarom mensheidscirkel genoemd worden.

Kiest de waarnemer zich een bepaalde plaats dan zullen de mensheidscirkel en de horizon elkaar op twee punten snijden en wel in oost en west. Oost en west kunnen daarom als de punten worden beschouwd, waar mensheid en individu met elkaar verbonden zijn. Deze wetmatigheden zijn door eenvoudige waarneming en bewustwording vast te stellen. Zij gelden voor de waarnemer die zich op de aarde bevindt.

De waarneming als mogelijkheid om de wereld te leren kennen, heeft in de geschiedenis van de mensheid een veranderlijke betekenis. Ver voor het begin van onze jaartelling leefde in de mensen nog een innerlijke wijsheid, die ‘gegeven’ was en waarvoor geen harde, individuele oefenweg van studie nodig was. Die wijsheid deed de mens de kosmos op natuurlijke wijze kennen, zonder dat hij hiervoor de fenomenen aan de hemel behoefde te bestuderen.

Ptolemeus was een van de laatsten die de oude wijsheid bezat en om deze niet geheel verloren te laten gaan, schreef hij die neer in zijn boek Tetrabiblos.
Vanaf die tijd stelde de mens zich vragen over vroeger vanzelfsprekende verschijnselen. Wanneer de inhouden van de wereld de mensheid niet meer duidelijk en helder zijn, ontwaakt de drang om antwoorden te zoeken op deze onbegrijpelijkeheden. En waar de poort naar het religieuze zich meer en meer sluit, wordt de mens gedwongen om verstandelijke verklaringen daarvoor in de plaats te stellen.
Plato viel het op dat de planeten, die door de Grieken als goden werden voorgesteld, geen mooie gelijkmatige banen aan de hemel beschrijven, maar grillige slingers.

Hoe te verklaren dat de planetengoden zich als dronken mannen langs de hemel bewegen? Een ander voorbeeld van deze manier van vragen stellen, waarin het meetbare en het religieuze ongemerkt verward worden, is dat in de middeleeuwen de mensen zich afvroegen hoeveel engelen er op de punt van een naald pasten.

Sinds Kopernikus, die rond 1500 zijn wereldbeeld lanceerde, begon datgene wat wij nu met het begrip natuurwetenschap aanduiden, opgang te maken. Een wetenschap die zich gedachten vormt over de natuur. Sterrenbeelden kunnen dan niet meer als realiteiten worden opgevat.

De sterren die voor ons oog aan de hemel de Grote Beer vormen, kunnen lichtjaren uit elkaar liggen en ons zo het idee geven dat een sterrenbeeld uit kleinere en grotere sterren bestaat. Ook over de gang der planeten worden verklaringen gegeven.

Natuurwetenschap

Een belangrijke stap in de ontwikkeling van de natuurwetenschap wordt gezet door Francis Bacon (1561-1626). Hij formuleert uitgangspunten* :

1. het wantrouwen in de zintuigelijke waarneming
2. de subjectiviteit van het gevoelsleven
3. het misleidende karakter van kwalitatieve begrippen

Bacon formuleert deze stellingen niet geheel ten onrechte, maar bij het eerste punt bijvoorbeeld zijn er twee manieren waarop je kunt proberen met deze onvolmaaktheden om te gaan:

— het persoonlijke aspect en de zintuiglijke waarneming uitschakelen en vervangen door het uiterst objectieve opnemen en registreren via instrumenten; — het waarnemingsvermogen oefenen.

Francis Bacon ‘koos’ voor de eerste manier, wat tot gevolg had dat de onderzoeker steeds verder en verder afgroeide van de realiteit en de werking van de kosmos, daar deze meer dan alleen maar meetbaar is. De natuurwetenschap was destijds in ontwikkeling gekomen tot verruiming van het bewustzijn; het resultaat was echter een verarming.

De huidige wetenschapsbeoefening kent een geweldige catalogiseerijver. In het onderzoek van de kosmos beperkt de methode zich tot de vraagstelling: Waar is wat in de ruimte? Het antwoord vinden op die vraag is in principe een oneindige bezigheid. Het registreren van gegevens via de wetenschappelijke apparatuur kan onbeperkt voortgaan, De registraties leiden vervolgens tot hypothesevorming. De modellen van de werkelijkheid die zo ontstaan, hebben met menselijke waarneming en ervaring niets meer van doen. Er wordt slechts uit duidelijk hoe instrumenten reageren op kosmische verschijnselen.

Het is zinvol om hiernaast de verwaarloosde weg van de waarneming te plaatsen, vanuit de vraagstelling: Wat neem ik waar? Het is dan nodig dat de waarneming wordt geoefend.

Het belang van het scholen van het waarnemingsvermogen ligt onder meer in het feit dat de mens door de fenomenen te bestuderen, opnieuw buiten zich kan ontdekken wat vroeger als vanzelfsprekende wijsheid binnen hem leefde. Wanneer wij de fenomenen in ons opnemen, kunnen we tot een ‘innerlijke ruimtevaart’ komen.

Er heerst tegenwoordig de neiging om terug te grijpen naar oude mysteriën (oude, naar binnen gerichte wegen), die zouden kunnen helpen de innerlijke wijsheid te heroveren. Het bereiken van de goddelijke wereld langs deze natuurlijke weg is niet meer passend in deze tijd. De enige toegang ontstaat pas weer door het scholen van het bewustzijn. Het is moeilijk voor de moderne mens om naar de dingen te kijken en zuiver binnen de waarnemingswereld te blijven zonder er meteen een hypothese uit af te leiden.

De waarnemingswereld is tegenwoordig een verborgen, dus occulte mogelijkheid om de werkelijkheid te beleven. Toegepast op de kennismaking met de kosmos levert een waarnemende methode op dat de sterrenwereld als beeld verschijnt. Ruimte immers valt niet waar te nemen, die is alleen theoretisch voor te stellen. Alleen begrenzingen van ruimte zijn zichtbaar.

Astrologie

Nu dringt zich vanouds de vraag op hoe de samenhang tussen mens en kosmos is met het oog op de menselijke levensloop en de menselijke vrijheid.
De oude astrologie beschreef die samenhang door de mens gebonden te zien aan de sterrenconstellatie op het moment van zijn geboorte. Deze geboorteconstellatie, die een beeld gaf van de ervaringen die een mens in zijn voorgeboortelijke bestaanstoestand in de planetensferen had doorgemaakt, was bepalend voor de rest van zijn aardeleven. De kracht van de menselijke individualiteit was nog niet geboren en de enkeling kon zich als zelfstandige persoonlijkheid nog niet beleven. Door de komst van Christus op aarde en door de gebeurtenissen op Golgotha is de mens vrij geworden. Van zijn gang door de sterrenwereld neemt een mens ook nu een afdruk mee bij de geboorte, maar die behoeft dankzij de Ik-ontwikkeling van de mensheid niet meer bepalend te zijn voor de rest van zijn leven. In tegenstelling hiertoe draagt de mens datgene wat hij door vrije wilsontplooiing ontwikkeld heeft gedurende het leven, na zijn dood mee in de sterrenwereld.

De waarde van de voorspellende astrologie is om deze reden beperkt. Wanneer een zorgvuldige geboortehoroscoop zich gedurende het leven inderdaad realiseert, dan blijkt daaruit dat de betrokken persoon in sterke mate gebonden bleef aan de sterrenconstellatie van zijn geboortemoment. Op de mate waarin een mens zich door een krachtige persoonlijke ontwikkeling een stuk innerlijke vrijheid verwerft, kan de geboortehoroscoop geen betrekking hebben.

Het is overigens opmerkelijk hoe de voorspellende horoscopie nog pas een jonge twijg is van de astrologische wetenschap. Vooral na 1930 heeft de horoscopie een enorme vlucht gemaakt, die tenslotte heeft geresulteerd in de wekelijkse horoscopen in dagbladen en tijdschriften.

Terwijl de natuurwetenschappen vervreemd waren van de menselijke waarneming — zoals eerder beschreven —, overkwam de astrologie in feite hetzelfde. Ook de astrologie betrekt zich niet meer op de eigenlijke waarnemingen, doordat zij te werk gaat met traditie en overgeleverde wijsheid. De natuurwetenschap stelde voor de menselijke zintuigen het gewapende, instrumentele oog in de plaats.

De astrologie verloor zich in speculatieve gedachtespinsels; zij vervreemdde van de waarneming, doordat zij zich niet oriënteerde op de werkelijke fenomenen, mede door een gebrek aan astronomische kennis. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de benamingen van de dierenriemelementen, zoals vissen, ram, stier, enz. voor tweeduidige uitleg vatbaar zijn. Dit feit wordt weinig onderkend.

Voor het goede begrip is het nodig een onscheid te maken tussen sterrenbeeld en sterrenteken. Wanneer iemand geboren is tussen 21 maart en 21 april, dan draagt hij van oudsher het dierenriemteken ram, omdat het eerste teken na het lentepunt ram wordt genoemd. Op deze wijze werkt de astrologie met een indeling van het jaar in twaalf tekens, samenhangend met de seizoenen. Feitelijk komen echter deze twaalf tijdvakken niet meer overeen met de gang van de zon door de beelden van de dierenriem. Dit komt door het verschuiven van het jaarritme binnen de dierenriem:

Platonisch wereldjaar

Tot de interessante ontdekkingen die bij waarneming aan de nachtelijke hemel kunnen worden gedaan, behoort ook de cirkelbeweging van de sterren. Alleen de poolster verschijnt voor onze waarneming elke nacht weer en gedurende alle uren van één nacht als een vast punt. Het is mogelijk om ook waarnemingen uit veel vroeger tijden bijeen te leggen; de eerste die zoiets deed was de Griekse filosoof en natuuronderzoeker Hipparchus (190 – 125 v Chr). Hij stelde vast hoe Homerus vele eeuwen voor hem het sterrenbeeld van de Grote Beer had zien ondergaan in de oceaan, terwijl dat in zijn eigen tijd reeds een circumpolair sterrenbeeld was, dat wil zeggen een sterrenbeeld dat zijn boog aan de hemel zodanig maakt, dat het altijd zichtbaar blijft en dus niet op- en ondergaat. Het hier gesignaleerde ritme van verschuivingen drukt zich ook uit in de veranderlijkheid van het lentepunt. Wanneer de zon opkomt op 21 maart – het moment in het jaar waarop dag en nacht even lang duren, zoals ook bij het herfstpunt – dan staat er op die plaats aan de hemel een dierenriemteken. Na 2160 jaar blijkt dat lentepunt in de dierenriem een teken te zijn verschoven. Pas wanneer twaalfmaal 2160 jaar, dus 25920 jaar zijn verstreken, lig het lentepunt weer op dezelfde plaats in hetzelfde teken van de dierenriem. Dit tijdvak heeft de naam platonisch wereldjaar. Nu valt een opmerkelijke samenhang met de mens op aarde vast te stellen. De menselijke ademhaling, die gemiddeld 18 maal per minuut plaats vindt, blijkt zich gedurende één dag juist datzelfde aantal van 25920 malen voor te doen. Om die reden kan het platonisch wereldjaar ook worden aangeduid als één aardedag, waarbij dan één jaar is te benoemen als één aarde-ademhaling, in- en uitgaand in winter en zomer.

Zo kan het goed zijn dat de persoon uit het voorbeeld wel als dierenriemteken ram heeft, maar dat de feitelijke situatie aan de sterrenhemel op de dag van zijn geboorte zo was, dat de zon opkwam in het sterrenbeeld van de vissen. Omdat de tekens betrekking hebben op de verschillende seizoenen werkt de astrologie dus met de samenhang tussen aarde en zon en niet met de samenhang van aarde en sterren.

Voor een juiste verhouding tot de kosmos is een helder begrip van de fenomenen van belang. Een eenvoudige waarneming laat zien dat het lentepunt zich momenteel in het sterrenbeeld van de vissen bevindt en niet in de waterman. De geruchten over het aquariustijdperk, waarin de huidige mensheid thans zou overgaan, missen daarmee een fundament. Het zal nog enkele eeuwen duren alvorens het lentepunt feitelijk zal zijn verschoven naar het sterrenbeeld van de waterman.
.

*R. van Romunde – Materie en straling in ruimte en tijd.
J.von Baravalle, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
Kraul, ‘Erscheinungen am Sternenhimmel
E.Mulder, Zon, maan en sterren

.

Ir. L.de la Houssaye, Jonas 8/9, 19-12-1975
.

Sterrenkunde: alle artikelen

.

1495

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-4)

 

.

De jaargetijden aan de sterrenhemel

Nu na de dag en nachtevening de nachten het in lengte weer van de dagen gaan winnen, zullen velen onwillekeurig wat meer aandacht besteden aan de nachtelijke hemel. Maar hoe vind je de weg tussen de sterren, en wat is er eigenlijk te zien? Het heeft weinig zin iemand een sterrenkaart te geven, als hij geen enkel punt heeft waarop hij zich kan oriënteren.
De Grote Beer echter zal voor de meeste mensen wel een begrip zijn. Dit vertrouwde beeld aan de noordelijke hemel kan als baken dienen om ons in alle jaargetijden de weg langs het uitspansel te laten vinden.

Het zal velen nooit opgevallen zijn dat elk jaargetijde aan de sterrenhemel zijn eigen signatuur heeft. Elk ogenblik van het jaar zouden we aan de stand van de sterren kunnen zien in welk jaargetijde we zijn, welk jaargetijde hieraan vooraf ging, en wat er gaat komen.
In de herfst zien we in het westen de beelden van de zomer verdwijnen, de karakteristieke beelden van het najaar staan hoog aan de zuidelijke hemel, terwijl op de late avond de wintersterren in het oosten zichtbaar worden.

sterrenkunde-12

De voor de zomer kenmerkende sterrengroep is gemakkelijk te vinden. Zoals gezegd, in de herfst moeten we daarvoor de westelijke hemel bekijken. Maar eerst gaan we de Grote Beer zoeken aan de noordelijke hemel. Op het kaartje is te zien waar dit sterrenbeeld zich in de herfst ’s avonds bevindt. We staan met ons gezicht naar het noorden en betrekkelijk laag aan de hemel zien we de zeven bekende sterren staan. Voor het gemak zijn ze op het kaartje voorzien van Griekse letters. Als we de lijn van β naar ∝ vijf maal met zichzelf verlengen, vinden we een betrekkelijk alleen staande ster: de Poolster. Eigenlijk kunnen we niet van lijnen spreken: alle schijnbaar rechte lijnen op een sterrenkaart zijn in werkelijkheid boven.
Terug naar de Grote Beer. We verlengen de lijn y δ tot we in de melkweg terecht komen, dat is dus een heel eind want de melkweg staat hoog aan de hemel. Nu komen we terecht in de buurt van de helderste ster van het sterrenbeeld de Zwaan: Deneb. Gaan we nu vanuit Deneb een beetje schuin naar beneden, dan ontmoeten we de zeer heldere Wega in de Lier. Een flink eind links van Wega staat, in de melkweg, Altaïr, de helderste ster van de Adelaar. Deneb, Wega en Altaïr vormen samen de zomerdriehoek. In de zomer vindt men deze drie sterren hoog aan de zuidelijke avondhemel, terwijl men dan in het westen het lentetrapezium ziet verdwijnen, maar daarover later. Het herfstbeeld, dat in de zomer in het oosten zichtbaar is, staat nu in het zuiden hoog aan de hemel: het herfstvierkant, gevormd door de vier heldere sterren van Pegasus.

Ook deze configuratie kunnen we met behulp van de Grote Beer vinden. We trekken daarvoor een lijn vanuit 5 naar de Poolster en trekken die lijn door tot we op de zuidelijke helft van de hemel komen. We vinden dan het herfstvierkant.

In het oosten kondigt zich in deze tijd de winter reeds aan: de bovenste sterren van de winterzeshoek worden in de late avond al zichtbaar: als we van de Grote Beer doortrekken, komen we uit bij de heldere Capella in de Voerman.

Tot zover deze eerste verkenning van de sterrenhemel.

Rinke Visser, Jonas 10/11, 3e jrg.

 

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

 

7e klas: alle artikelen

 

1230

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde

.

In de jaren 70 schreef J.C.Alders over sterren in het blad ‘Vacature’, een uitgave van Thieme in Zutphen.

GEDICHTEN

Gedichten met een toelichting. Ze hebben alle iets met sterren.

 

DE WIJSGEER

„Jongeling” dus sprak een Wijsgeer:
„Jongeling, gij moet den hemel
In den stillen nacht beschouwen,
Wen geen wolkje hem verduistert;
Dan moet gij die groote lichten,
Die ontelbre groote lichten,
Om hun assen om zien rollen!”

J. Bellamy (1756-1786)

Bellamy was bakker in Vlissingen en kwam in 1782 aan de Hogeschool te Utrecht om er theologie te studeren. Hij was fel patriot. Hij overleed vóór hij afgestudeerd was.
Lichten=sterren.
Dat men zien kan dat zij „om hun assen om ziet rollen”, is dichterlijke fantasie.

,,d’ ander slaet de sterren ga,
’s Morgens vroegh en ’s avonds spa.
Wordt door ’t ondervinden rijcker,
Wenscht slechts om een verder kijcker.
Huylt vaeck eens om dat hij niet
In den raet der Gode ziet.”

J. van den Vondel (1587-1679)

Gesangh op het Latijnse woort „Trahet sua quemque voluptas” (Elk wort van zyn lust getrocken).

Vondel noemt de kijker verder kijcker. Buys = kijker-buis.

De heldre en starrelichte vliet,
Die door den hemel vloeyt bij duyster,
Is d’ltaljaense Padus niet,
Nocht oock de Nijl, Egyptens luister.

Vondel (de Rijnstroom.)

starrelichte vliet = Melkweg
Padus — Po, rivier in Italië.

====

Koninginne van den nacht,
in den onbewolkten hemel
zwemt de mane in ’t blij gewemel
van haar pinkelende eerewacht.

Albrecht Rodenbach.

Rodfenbach werd in 1856 te Roeselaere geboren, waar hij studeerde aan het seminarie aldaar. Later studeerde hij aan de Hoogeschool te Leuven, in 1880 overleed hij op 24 j. leeftijd. Dat was een zware slag voor de jonge Vlaamse letterkunde, want men had gehoopt dat hij het werk van Gezelle zou voortzetten: een West-Vlaamse school.- Hij schreef „Gedichten” en „Gudrun”, een verheerlijking van het Germaanse ras.

Aan die verheerlijking van het Germaanse ras was allerminst behoefte, zeker niet bij de Fransen na de nederlaag van 1871 en ook tegenwoordig is daar geen behoefte aan.

Verrekijcker

„Daer ick een moye meit sagh in haer’ venster leggen,
Met den neus in de locht en de hand aen de Buys,
En haelen Jupiter met haer’ schoon’ ooghen t’huys,
Moer, seid ick, dat gaet wel; maer wat sal Juno seggen?”

C. Huygens (1596-1687)

Juno was de zeer jaloerse echtgenote van Jupiter, zij kon niet hebben dat haar gemaal kinderen verwekte bij andere godinnen, nymphen en aardse vrouwen.

De bruidegom aan Aurora

„Blonde Auroor’, uw Titons jeugd
Moest voor lang vergryzen;
De eenzame echtkoets baart geen vreugd;
En gy toeft te ryzen!
Heeft een droom U afgemat?
Op Uw kille rozen?

Hield Uw arm Cephaal gevat?
Leer, by Zeus!, leer blozen!
‘k zwyg, gy naakt! – ’t is Amors schuld,
Zoo ‘k Uw rust kwam storen.
Nimmer zal myn ongeduld
Weer dien toon doen hooren.
Morgen, als hier ’t kuisch gordyn
Hymens kus omsluiert,
Zal myn prys te grooter zyn,
Hoe gy langer luiert.”

1788 A.C.W. Staring (1767-1840).

Men zou niet zeggen dat dit zeer erotisch gedicht van een dichter van o.a. vrome kerkgezangen is. Want de dichter verbergt zijn erotische verlangens achter mooie Griekse woorden. De opdracht al: aan Aurora, een nymFomane godin, nog erger dan Venus! De bruidegom ligt alleen in het echtelijke bed en hij herinnert er aan, dat Tithonos, één van de geliefden van Aurora, oud en impotent werd. Hij vindt er niets aan alleen in het echtelijk bed te liggen, het baart geen vreugd als niet datgene gebeurt waardoor de vrouw baart. En Aurora, komt niet, de dag breekt maar niet aan. De kille rozen zijn het morgenrood. Hij onderstelt, dat Aurora nog door Cephaal, een andere minnaar van Aurora, omarmd wordt. Zij moet blozen, d.w.z. het morgenrood moet de dag aankondigen. Maar zij nadert. De vertraging is Amors (de god van de liefde) schuld geweest. De dichter is ongeduldig omdat de bruid nog niet het bed met hem deelt. Maar morgen komt de bruid in het echtelijke bed en dan gaan de gordijnen van de bedstede of hemelbed dicht als de bruid Hymens kus krijgt. (Hymen is de god van het huwelijk, Hymens kus = coïtus.) Hij zal blij zijn als Aurora luiert, d.w.z. het lang duurt vóór het dag wordt en de kus van Hymen een paar keer herhaald kan worden. En de gevolgen blijven t.z.t. niet uit: 8 kinderen!

Om de 1e, 2e, 7e regel beter te begrijpen moeten we wat over Aurora weten. Zij was de zuster van Helios, de zonnegod en Selene, de maangodin. Zij is het voorbeeld van de nymfomane godin, die elke nacht de omarming van telkens weer een andere man nodig heeft, hoewel zij een getrouwde vrouw was. Zij was gehuwd met Astraios, die 5 kinderen bij haar verwekte: 4 zonen, goden van de winden: Euros (oosten), Bor-as (noorden), Zephyros (westen) en Notos (zuidenwind en een dochter de godin van de morgenster). Immers, de Grieken wisten niet, dat morgenster en avondster dezelfde planeet Venus waren, Aurora was de godin van de dageraad. Haar armen,. handen, vingers waren rose, daarom spreekt Homeros van de „roosvingerige Eoos”. De haren van Eoos (Aurora) waren blond, hadden de kleur van de krokus, de wielen van haar wagen waren goudkleurig, rose strepen omgaven haar hoofd, haar vurige ogen zijn groot. Zij ijlt met haar wagen de zonnewagen vooruit. De paarden heten Lampos (glans) en Phaeton (schittering).

De Griekse vrouwen haten haar. Als haar man voor dag en dauw, als het nog nacht is, zo nodig op jacht moet, dan wéét de Griekse vrouw, dat hij een intiem tête-a-tête met Aurora heeft en als hij dan thuis komt, dodelijk vermoeid en zonder buit, dan wéét de gade waardoor dit komt. Een van de vele minnaars van Aurora is Orion, de geweldige jager, want Aurora verlangt, als alle vrouwen, een sterke gespierde man. En dat zijn jagers en krijgslieden. Haar jaloerse medeminnares Diana verlangt Orion ook als man en zij gunt hem Aurora niet. Zij doodt hem met pijlen, maar Zeus zet, ver buiten het bereik van de wraakgierige Diana, hem hoog aan de hemel.

Ook de jager Kephalos was één van Aurora’s minnaars. Hij was gehuwd met Prokris. Maar ook Prokris was haar man ontrouw en zij verweten elkaar echtbreuk. Prokris ging naar Kreta, waar de wraakgierige Diana haar een onfeilbare speer gaf om haar man te doden. Toen Kephalos weer eens een intieme samenkomst met Aurora had, sloop Prokris hem na. Toen Kephalos geritsel in de struiken hoorde, wierp hij zijn speer en doodde zijn vrouw. Uit wanhoop sprong hij van de rotsen van Leukadie.

Dan ontmoet Aurora Tithonos, een zeer schone man. Deze is haar meer waard dan een man voor één nacht. Zij houdt hem bij zich. Maar hij is een aardse man, dus sterfelijk en de zoon, die hij bij Aurora verwekt, is ook sterfelijk. Aurora vraagt aan Zeus aan Tithonos onsterfelijkheid te verlenen. Zeus doet dat. Maar Aurora vergat de eeuwige jeugd er bij te vragen. Tithonos wordt ouder en ouder, zijn haar wordt grijs, zijn ledematen worden stram, zijn rug gekromd, zijn potentie is verdwenen. Aurora walgt van haar oude man en ontvlucht het echtelijke bed. Zij kan hem letterlijk niet meer luchten of zien en hij wordt in een kamer opgesloten. Maar sterven kan hij niet. Dan verandert Zeus hem uit medelijden in een cicade, een subtropisch insect. Aurora heeft een zoon Memnon van Tithonos. Hij vecht mee aan Trojaanse zijde in de Trojaanse oorlog. Zijn grote tegenstander is Achilleus. Beiden wacht hetzelfde lot: jong sterven. Beiden hebben een aardse vader en een goddelijke moeder, zij zijn dus sterfelijk.

Aurora vraagt Hephaistos, de smid der goden, een wapenrusting voor Memnon te smeden. Thetis, de goddelijke moeder van Achilleus, vraagt hetzelfde. Beiden zijn nu met die wapenrusting onoverwinnelijk. Zeus zelf moet beslissen. Hij heft de gouden weegschaal met de zielen van Memnon en Achilleus. Beide godinnen kijken angstig toe en als de schaal met Memnons ziel langzaam daalt, weet Aurora dat haar zoon moet sterven. Maar ook Thetis weet, dat haar zoon hem spoedig volgt. Want hij heeft het zelf zo gekozen. Toen Achilleus mocht kiezen tussen een kort en roemrijk leven en een lang en roemloos leven, koos hij het eerste.

Aurora laat Memnons ziel vóór hij de reis naar de onderwereld aanvaardt, ontvoeren naar de Elysion, de velden met eeuwig voorjaar, waar de helden vertoeven, die in de gunst der goden staan. Daar leeft Memnon in eeuwige jeugd in het Licht.

We hebben nu gezien, dat het gedicht van Staring wel zeer erotisch is en is op Staring van toepassing het gedicht van J. C. Pruimers (1799-1822) die als 22-jarige, in 1821, een bundel gedichten in Amsterdam uitgaf:

„Waarom toch”, vraagt gy, Phillis!
„Waarom toch zyn Poëten
Steeds yverige Priesters
Van Bacchus en van Amor?”
Die Poëzy beminnen
Vereren deze Goden;
Want zonder hunne gaven
Is ’t leven enkel proza.”

Ook P. C. Hooft (1581-1647) heeft Aurora bezongen, maar op geheel andere manier zonder erotiek:

„Van purper en van goudt het heerlyk gewaedt
Dat ’s morghens het tooneel des hemels op komt pronken,
‘T en is de Zonne niet,
maer ’t voorspel van haer lonken,
De jeught van ’t lieve licht dat in het Oost op gaet.”

===

De moede zonnewagen
Staat vrachtloos, d’Avontzon
zinkt in de wester pekelbron.
Aldus ontglippen ons de wentelende dagen.
De star der Mingodin
Ziet d’eerste op ’t aerdtryck neder.
Mineyas’ dochters vliegen weder.
Ook spant de stille Nacht zyn zwarte paerden in.

Wij zien de schemeringen
Verdikken, daer we staan.
Alrede heft de gulden maen
Haar horens op en ruktterbaene in haerer kringen.”

H.K. Poot (1689-1733)

Wester pekelbron= Noordzee.
Mingodin = Venus, hier avondster.
Mineyas dochters = vleermuizen.
De 3 dochters van Mineyas erkenden Dionysos (Bacchus) niet als zoon van Zeus en zijn dochter Persephone. Bovendien namen zij niet deel aan de bacchanaliën, waarop Dionysos, ter wiens ere die feesten plaats vonden, een „bacchantische woede” veroorzaakte in de ongehuwde dochter Leukippe waardoor zij haar kind Hippasos in stukken scheurde. Tot straf werden de 3 dochters door Hermes in vleermuizen veranderd. Een zware straf, want dit betekende in het zonovergoten Griekenland nooit meer goddelijk zonlicht te zien, want vleermuizen zijn nachtdieren.

Poot maakt een fout: vleermuizen vliegen niet, maar fladderen.

De maan heft de horens op: de maan vóór EK is een horenvormige sikkel. Dionysos was de god van de wijn. Hij droeg de granaatappel, symbool van de vruchtbaarheid, wijnranken en de thyrsos staf, met klimop omwonden. Klimop groeit in de zachte Griekse winter door en blijft groen, dus de geest van de groei blijft leven. Dionysos (Bacchus) rijdt op beelden op een bok. Zijn vader was Zeus, die bij zijn dochter Persephone de zoon Dionysos verwekte. De moeder van Persephone was een zuster van Zeus: want Zeus had bij zijn zuster Demeter een dochter Persephone verwekt.

We zien hier de incest vader-dochter en broeder-zuster. Zeus had ook een liefdesverhouding met zijn dochter Venus, die hij bij de nymph Dione verwekt had. Hierop slaat een duistere zin van Vondel: „Jupyn ontvonckt door Cypris’ straal”, dus Jupyn=Jupiter= Zeus in liefde ontbrand door een pijl van Cypris=Venus. Vondel noemt Venus de Cyprische omdat zij op Cyprus een tempel had.

Dyonysos (Bacchus), de god van de wijn, was gehuwd met Ariadne. Theseus was met Ariadne op weg naar Athene. Hij liet Ariadne op het eiland Naxos achter. Want Dionysos had Theseus in een droom laten weten dat hij Ariadne begeerde en zich tegen een god verzetten is nutteloos. Theseus huwde de zuster van Ariadne, Phaidra, die hij ook meegebracht had. Zij werd verliefd op een zoon Hippolytos van Theseus bij een andere vrouw. Hij wilde haar niet en zij pleegde zelfmoord.

We zagen hierboven de incest vader-dochter en broeder-zuster, dat de gebruikelijke leerboeken discreet verzwijgen. Maar aangezien dit gebruik was bij do Griekse koningen en bij de Egyptische farao’s zelfs wettelijk verplicht was en bij de Middeleeuwse hoog adellijke ridders ook gebruik was, zullen we dit even bespreken.

De godenwereld op de Olympos was de spiegel van de aardse Grieken en wat op Aarde mocht of niet mocht, vinden we ook op de Olympus. Bij de antieke Grieken was de incest moeder-zoon taboe, wat wel blijkt uit het Oidipous-verhaal. Maar bij de heersende klasssen en de koningen in Griekenland was de incest vader-dochter en broeder-zuster gebruikelijk. Immers, het draait om de kwestie „van gelijke hoge rang”. Bij de Egyptische farao’s was de incest wettelijk verplicht, immers bij een huwelijk vader-dochter of broeder-zuster zijn beiden van gelijke hoge rang, want in beide gevallen is een farao de verwekker. De farao was een levende god, de zoon van zonnegod Re. De farao moest dus een vrouw van gelijke hoge rang, verwekt door een farao, trouwen en dat was zijn dochter of zuster. En zusters had hij altijd wel, omdat de vele bijvrouwen van de farao dochters hadden, verwekt door een farao. Ter onderscheiding van de hemelse goden was de farao een „goede god” en de hemelse oóden waren „grote goden”. Na zijn dood kon de farao ook een grote god worden. In sept. 1976 kwam Ramses II (1301-1235 v. Chr.) in het nieuws, toen zijn beschimmelde mummie in Parijs schimmelvrij gemaakt werd. Hij was zo’n „grote god”. Die Ramses was waarschijnlijk de farao, die in Exodus 12 bij de uittocht der Joden uit Egypte genoemd wordt. Zijn residentie was de deltastad Tanis.

In de Middeleeuwen vinden we in geheel West-Europa de kwestie van de gelijke hoge rang. Voor ons absurd. Denk maar aan de uitdrukking „geen handwater bij iemand hebben”, (dus zijn mindere zijn). Als de vorst zijn handen moest wassen, mocht alléén iemand van gelijke hoge rang hem de kom met water reiken! Voor een hoogadellijke heer (graaf, hertog, adellijk ridder), was het vaak onmogelijk voor de dochters een man van gelijke hoge rang te vinden. Gelukte het ook niet haar als bijvrouw (concubine, kebse) bij een reeds gehuwde hoogadellijke man onder te brengen (ook de bijvrouwen moesten een hoogadellijke rang hebben), dan bleef er niets anders over dan dat de dochters concubines van haar vader, haar verwekker dus, werden. Vader en dochter hadden gelijke hoge rang, dus hun kinderen ook. Bovendien heerste het patriarchale systeem van de Germanen, Grieken, Romeinen in de Middeleeuwen en de Middeleeuwse ridder beschouwde zich als „eigenaar” van vrouw en dochters. Bovendien kon hij zich beroepen op Gen. 3:16 „hij zal over u (de vrouw) heerschappij hebben”. Het trouwverbod voor de dochters van Karel de Grote berustte ook op de hoge lang. Géén man was hóóg genoeg om een keizersdochter te trouwen. Karel had 40 kinderen: 18 zonen en 22 dochters bij 4 wettige en 6 bijvrouwen. Dat de dochters tóch kinderen kregen van ridders, abten, e.a. deed er niet toe, deze waren „onwettig” en konden dus niet opvolgen.
Met 10 vrouwen is 40 kinderen zo’n prestatie niet. Graaf Babo von Abensberg op burcht Randeck (ca 1300) verwekte bij slechts 2 vrouwen Irmgard en Gertrud 32 zonen en 8 dochters, dus ook 40 kinderen. Toch stierf dit geslacht spoedig uit, in 1485, toen Niklas von Abensberg vermoord werd.

Hun burcht stond in het Altmühldal bij Essing, bij de monding in Kelheim.

Nu een voorbeeld uit de vaderlandse geschiedenis, dat de schoolboekjes discreet verzwijgen. Floris V, Graaf van Holland, had minstens 4 hoogadellijke bijvrouwen en 1 wettige vrouw, Beatrix. Eén dezer vier bijvrouwen was moeder van Witte van Haemstede, een bekende naam, want hij versloeg in 1304 de Vlaamse benden bij Haarlem. Na het vermoorden van Floris V in 1299 mocht deze Witte van Haemstede niet opvolgen omdat hij de zoon van een bijvrouw was. Daarom werd Jan, een ziekelijk jongetje, die in 1299 op 15j. overleed, de opvolger van Floris V. En met hem stierf het Gravenhuis uit. Het bijvrouw of kebse zijn was geen schande in die tijd, noch voor de hoogadelijke ridder noch voor de bijvrouw. Het was gebruikelijk! De oud-testamentische joden kenden ook de incest vader-dochter. Zie Gen. 19-31. De 2 dochters  van Lot voeren hun vader dronken en zij hebben sexuele gemeenschap met haar vader en elke dochter kreeg een zoon van haar vader.

Staring heeft op het huwelijk van Ariadne en Bacchus een gedicht gemaakt en de lezer kan nu zelf beoordelen of Beets gelijk heeft in de „Volksuitgave van de gedichten van Staring” (Uitg. Thieme, Zutphen als hij zegt dat Staring veel te moeilijk is voor het „Algemeen”. Immers, hij gebruikt ongebruikelijke namen voor de goden:

„Hulpzaam liet het Paphisch Wicht
Vocht uit Lethe, van zijn schicht,
In de wijnteug droppen.
Niet vergeefs! De Slaapster voelt
Als ’t nat haar dorren mond bekoelt,
Geen smart meer in heur boezem kloppen;
Slechts blijft de min! Doch Theseus beeld
Versmelt in Libers wezenstrekken.

Lyaeus Bruid! en draaft de stranden over.

Nu davert het dal,
Waar deTelg van Dione
De Minnenden beidt,
En het Leger der Schoone
Met rozen bespreidt.
lo, roept met wild en geschater,
Faun en Sater
Als de grot het paar besluit”.

Paphisch wicht= Amor.
Lethe= rivier in de onderwereld, de rivier van het vergeten. De zielen drinken dit water en vergeten de aardse zorgen. Staring doelt dus: Amor deed water van het vergeten aan zijn pijlen en liet dit water in de wijn van Ariadne druppelen en zij vergat Theseus,
Liber = Latynse naam voor Bacchus.
Lyaeus = andere naam voor Bacchus.
Telg van Dione= Venus. Zeus had bij de nymph Dione Venus verwekt.

Saters= bosgeesten in het gevolg van Bacchus. Zij drinken onmatig wijn en dansen met de nympfen. Zij hadden een geiten- of paardestaart en bokkepoten. Vondel heeft op de Saters een gedicht gemaakt:

„De dertiende Sater,
De boxvoet, vast hippelt.
Langs d’oevers van ’t water,
En beitelt en trippelt
Met alle zyn vrysters,
Die zingen als lysters.
Het velt is vol vreught
O vrolijk leven! o zoete jeught!

beitelen = buitelen
de vrijsters = de nymfen
Faun = :atijnse naam van Pan. Pan betekent de „voedende”(van het vee en staat in verband met „weide”.
Pan een bosgod was gehuwd met zijn zuster Fauna. de godin van de vruchtbaarheid. We zien hier weer de incest broeder-zuster. Volgens Homeros is Pan de zoon van de god Hermes en een jongedame Dryope. Hermes nam de gedaante van een bok aan toen hij Pan verwekte, daardoor heeft Pan 2 hoorns, een staart en bokkepoten. Pan had een gevolg van nymfen. Pan leverde de woorden: paniek, panische angst, panische schrik omdat hij altijd geheel onverwacht aan de mensen verscheen. Hij speelde op de panfluit met 7 holle rietstengels. Hij was het prototype voor Satan, heeft ook 2 horens, bokkepoten en staart. Maar, zal de opmerkzame lezer zeggen, Mozes staat in Middeleeuwse kerken ook met 2 hoorns op zijn hoofd en hij is toch niet verwekt door een god, vermomd als bok, noch heeft zijn vrouw hem door overspel horens opgezet. Neen, Mozes is slachtoffer van een vertaalfout!

We lezen in Exodus 33: 23 „en wanneer Ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste deelen zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden”. (Statenvert.). Door het zien van de billen van God krijgt Mozes wat aan zijn gezicht en „het volk vreesde tot hem toe te treden”. De Vulgata vertaalde nu Exodus 34:29 met „dat het vel zijns aangezichts gehoornd was”. De Vulgata is de Latijnse bijbel van 400, later in 800 door Alkuin verbeterd. De Statenvertaling maakte die fout niet, en vertaalde Exodus 34: 29, 30, 35 zo „dat het vel zijns aangezigts glinsterde”. Wat moet nu de kunstenaar doen als hij een Mozes moet uitbeelden?

De Vulgata heeft niet aangegeven wéér de hoorns zitten, noch of zij rechte bokkehoorns of gebogen koehoorns zijn. Hij kent wel de beelden van Satan en Pan met bokkehoorns en zo staat Mozes dan in de kerk van Goszweinstein (Frankische Schweiz) levensgroot met bokkehoorns op het hoofd bij het altaar. Of het glinsteren van de Statenvertaling juist is, betwijfel ik. Glinsteren doen, natuurkundig gesproken, sterk reflecterende zout- en ijskristallen, waterdruppels, sneeuw, edelstenen, glassplinters in het zonlicht. Maar het „vel des aangezichts” kan niet glinsteren, wel glanzen of glimmen van vet of zweet. Wat er in de grot op het bed van rozenblaren gebeurde, zal de scherpzinnige lezer wel begrijpen. Bacchus verwekte bij Ariadne een zoon met de toepasselijke naam Staphylos (druif). Ook had Bacchus een zoon Priapos bij Venus. Hij was de god van de vruchtbaarheid van geiten, schapen, bijen, wijngaarden, vissen, louter Griekse produkten. Later werd hij de god van de zinnelijke iust. Men offerde hemprimeurs van de tuinbouw.

Ook Vondel heeft op de bruiloft van Ariadne en Bacchus een gedicht gemaakt en de lezer kan nu zélf vergelijken wat een grote en een kleine dichter van hetzelfde onderwerp gemaakt hebben. Staring eindigt dat het paar de grot ingaat, maar Vondel beschrijft wat in de grot gebeurde, Staring doet onnodig „geleerd” met ongewone godennamen, Vondel niet en beheerst de taal veel beter en muzikaler.

„Toen Bacchus lag en sliep en sliep,
In Ariadnes armen,
Evoe, Evoe,
Al in ’t leger zong en riep,
De zee en ’t Eyland klonk, en klonk,
Van Bommen en Cymbalen,
Evoe, Evoe,
Wat voeten had, dat sprongk.

De Bruygom loeg haartoe, haartoe,
En kuste mond en wanghen,
Evoe, Evoe,
De Bruyd nam ’t al in goe.

Maer endlyck afgeslooft, geslooft,
Van kussen en omhelzen,
Evoe, Evoe,
Nam hy haer kroon van ’t hooft,
Hy wierp se naar zyn troon, zyn troon,
De steenen wierden starren”.

Evoe = vreugderoep der Bacchanten, gesproken Eveu. ‘
t Eyland = Naxos.
Bommen = trommels.
Loeg = verleden tijd van lachen.
In ’t goe nemen = er niets op tegen hebben.
Steenen wierden starren, zou mogelijk kunnen slaan op de Noorderkroon ???

=

Wie kan al de starren meten,
Wie spreekt heur getallen uit,
Wie heur doel en during melden
Of de kring van haar besluit?

Hieronymus van Alphen (1 746-1803) -,,De Starrenhemel”

=

Hoe Mars aan Venus kleefde, en zij met roode wangen
Het Godendom omhoog uit eene wolk zag hangen
En lachte om ’t bedrog der overschoone bruid.

J.v.d.Vondel (1587-1679) ‘Johannes de boetgezant’

Teneinde dit citaat van Vondel te begrijpen, dienen we wat nader in te gaan op de liefdesavonturen van Afrodite =Venus). Venus heette bij de 17e en 18e eeuwse dichters de mingodin, de minnenmoer.
We vinden dit bijv. bij C. Huygens (1597-1687):

„Komt de Minnenmoer niet blincken
Even als de Dagh verspaeyt,
Evenals de Wielen Sincken
Daer de Sonne karr’ op draeyt”.

Hij bedoelt, dat Venus als avondster zichtbaar wordt als de zon ondergaat.
Venus was de godin der liefde. Zij was een dochter van Zeus en de nimf Dione (nu een maan van Saturnus).
Venus bedreef de liefde zeer intensief met meerdere goden, want – als alle vrouwen – had zij een voorliefde voor sterke gespierde mannen.

Zij had van de oorlogsgod Mars (Ares) de zonen Anteros en Eros (Amor) en de dochter Harmonia, godin van de eendracht; van de god van de wijn Dionysos had zij een zoon Priapos, de god van de zinnelijke lust; van Apollon een zoon; van Hermes, de bode der goden, god van de kooplieden en dieven, geleider der doden naar de onderwereld, een tweeslachtig kind, vandaar dat de tweeslachtigen naar Hermes en Afodrite hermafrodrieten heten. Van de aardse man Anchises had zij een zoon Aeneias. Ook had Venus een liefdesverhouding met de zeer schone jongeling Adonis, die Vondel in hetzelfde gedicht ook memoreert „Hij smolt, gelijk Adoon, in Venus dartlen schoot”.

Een wild zwijn, dat de jaloerse Mars op Adonis afzond, doodde hem.

Er kwam nu ruzie tussen minneras Venus en minnares Persefone, de godin van de onderwerld, over zijn ziel. Zeus bepaalde dat Adonis 8 maanden in het licht bij zijn minnares Venus en 4 maanden in de duisternis der Hades bij zijn minnares Persefone moest vertoeven.

De naam Adonis kent de Ned. taal nog steeds voor een – in vrouwenogen – mooie jongeling! Een plant heet ook Adonis en een Adonistuin is een bloempot met snel groeiende en snel verwelkende planten, symbool voor ontstaan en vergaan in de Natuur. Venus was gehuwd met de mismaakte, manke, éénogige Hefaitos (Vulcanus), de smid der goden. Hij was de zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid wierp mama Hera hem van de Olympus in zee, waar de zeegodin Thetis hem opnam. Uit wraak smeedde Hefaistos later voor Hera een gouden stoel, waarin zij vastklemde en er niet meer uit kon. Dionysos maakte Vulcanus dronken met wijn en in zijn dronkenschap bevrijdde hij Hera.
Merkwaardigerwijze waren ook Alferich en Wieland mismaakte smeden in de Germaanse sagen.

Nu het citaat van Vondel.

Mars verleidde Venus het bed met hem te delen. Toen Hefaistos daarvan hoorde, smeedde hij een onzichtbaar stalen net boven het bed.

We vinden dit in de „Pegnische schäfergedichte” van 1644:

„Sag an Vulkan, wie kommts das deine Schmiede blitzet?
Ich weiss wol, was du machst, du ziehest Drat zu Netzen.
Du willst gewisz den Mars und seine Venus hetzen”.

Vulkanus zei, dat hij naar Lemnos ging, waar hij vereerd werd. Nauwelijks was hij weg of Ares (Mars) kwam en ging met Venus in het bed liggen.

Net was hij erin en kleefde hij aan Venus of het net viel over hen heen en zij waren gevangen. Hefaistos kwam terug en riep de goden en godinnen, zodat zij het overspel van Venus konden zien. De goden keken vanuit de wolken omlaag en braken in een homerisch gelach uit en de godinnen deden schijnheilig beschaamd. Poseidon eiste, dat het paar vrij gelaten werd en Venus ging naar Cyprus, waar zij een heiligdom had. Daarom noemt Vondel haar in de „Palame-des” met de naam „Cypris”: Jupyn ontvonckt door Cypris strael’ waarbij we moeten beden ken dat Jupyn (Jupiter, Zeus) haar vader was!
Ook in Akoorith was een Afroditecultuur, waar 1000 priesteressen van Venus de mannen ‘verwenden en aan alle wensen voldeden en to[less waren om de bewoordingen der annonces der moderne sexclubs te gebruiken.

„Wat een komeet is, heeft geen wijze ons nog verklaard.
Men zoekt en vorscht, tot heden.
Maar Piet zegt „Dat weet ik, een star is ’t met een staart”
En met dat licht is Piet tevreden.”

P. A. de Génestet (1829-1861)

De Génestet, in 1829 in Amsterdam geboren, bezocht aldaar de Latijnse school en studeerde theologie aan het seminarium der remonstrantse broederschap in Amsterdam en werd in 1852 predikant in Delft.

Reeds in 1851 – hij was 22 jaar – gaf hij gedichten uit, waarvan het bijzondere is, dat zij geen erotische gedichten bevatten, hoewel hij reeds op 1 6 j. leeftijd de 22 j. Henriette adoreerde. Hij huwde haar in 1852 en Henriette heeft geweten wat het huwelijk betekende in die tijd, want vrijwel elk jaar moest zij in het kraambed en in 7 jaar huwelijk produceerde zij 5 kinderen. In 1859, 35 jaar oud, overleed zij en het vijfde kind volgde haar spoedig in het graf. Reeds na 2 jaar was de dichter al weer verloofd, nu met zijn jongste schoonzuster. Tot een huwelijk kwam het niet, hij overleed in 1861 op 31 j. leeftijd.

De dichter had inmiddels om theologische redenen reden ontslag genomen van de Delftse gemeente. Hij was een flauwe afspiegeling van Byron, De Musset, Goethe, Heine. Hij was een voorbeeld van de „kerkhof'”-romantiek en zijn geliefkoosde onderwerpen waren dood, graf, kerkhof, waar hij verschillende gedichten aan wijdde. Hij was een gevierd predikant, geadopteerd door de oude vrijsters, wegens zijn melodieuze stem, zijn innemend gelaat, zijn krulhaar, zijn donkere ogen. Hij was de lieveling van de „beschaafde vroomheid” die in zijn kerk kwam. Busken Huet zei van De Génestet „de weke man, de lieveling en het bedorven kind van de ouderen van dagen, die het loven van zijn tijdgenoten zo onnavolgbaar idealiseerde”. In 1911 werd, op zijn 50-ste sterfdag, zijn reliëf-portret in steen op de remonstrantse kerk in Delft onthuld, meer in 1961, op zijn 100-ste sterfdag, gebeurde er niets. Hij is volkomen vergeten. Slechts straatnamen herinneren aan hem. De Génestet leefde in het midden van de 19e eeuw, een eeuw gekenmerkt door felle godsdiensttwisten. We zullen dit nare stukje geschiedneis even nader belichten. Wie weet er nog van Vermittlungstheologie, supranaturalisme, monisme, determinisme, dualisme en dogmatiek. En wat het „kroost van april” was? De Génestet heeft de godsdiensttwisten onnavolgbaar belachelijk gemaakt in „Machteld en Leno-nard” van 1859. Het jonge paar, hij een orthodox proponentje, zij een theologiserend jong „deerntje” vrijt in een prieel. De dichter zegt „luid en luider klonk hun zoete liefdestaal”. „Dwepen zij met dichtren-zangen, is er jaloezie in het spel, hebben zij het over de huwelijksreis of is de proponent wat vrij?” (d.w.z. kan hij zijn handen niet thuis houden en beroert hij haar „twee bronnen van ivoor” zoals Vondel zegt in de „Lucifer” bij de beschrijving van Eva.

„Neen, o neen,” zegt de dichter, „zij bespreken de echtheid van de Handelingen der Apostelen, minder niet”.

Hij, orthodox, gelooft aan de echtheid, zij, onder in vloed der Tübingse kritiek, niet. Zij zegt, dat zij de brief aan de Galaten niet rijmen kan met de Handelingen. (En zij heeft gelijk ook, Hand. X en Galaten II zijn met elkaar in tegenspraak. De voorstelling in Handelingen over de ontmoeting van Petrus met Paulus in Antiochië is geheel anders dan de voorstelling van Paulus in de Galaten, De Handelingen, later geschreven dan Paulus’ brief, zouden daarom niet echt zijn.) En de dichter besluit „Machteld is een beter minnaar, is een Leids professor waard”. Waarom juist een Leids? De historische kritiek op de bijbel was uit Tübingen naar de Leidse hogeschool overgewaaid. In 1857 had Busken Huet de Tübingse kritiek in zijn „Brieven over de bijbel” gepubliceerd. Dit boek werd veel gelezen en door orthodoxen hevig bestreden.

De Tübingse School ging Nederland fel beroeren, meer nog dan Duitsland. De school wilde eerst de geloofwaardigheid van de bijbel bewijzen door historische argumenten, daarna de inhoud des bijbels geloven. Men zag de geschiedenis als these, anti-these en synthese. De these: de apostelen leerden een joods christendom met besnijdenis en zich houden aan de wetten van Mozes. Anti-these: Paulus leerde een universeel Christendom zonder besnijdenis en zonder wetten van Mozes. Synthese: men combineert het bovenstaande in de 2de eeuw n. Chr. In het Nieuwe Testament zou die strijd te vinden zijn: Galaten, 1 en 2 Cor., Rom. zouden anti-joods; Openbaringen: joods zijn. Prof. dr. Grosheide, een befaamd theoloog van de dertiger jaren, zegt: „Heel deze theorie van de Tübingse school is onjuist gebleken!”

In „Dogmatisch Roosje” hekelt de Génestet de vrouwen, welke theologiseren. De Génestet noemt ze zelfs de slechtste christenen:

„De slechtste Christnen hier op aard
’t Zijn theologen – zonder baard”.

In vroeger eeuwen was de theologie geheel „mannenzaak”. Maar in de 19e eeuw namen ook de vrouwen met hun scherpe tongen hartstochtelijk deel aan de godsdiensttwisten. En dat was juist het fatale. Hoeveel verlovingen zouden er verbroken zijn, hoeveel huwelijken ontwricht door verschil van inzicht over theologische strijdvragen, hoeveel verwijdering hierdoor tussen ouders en volwassen kinderen? We mogen ons gelukkig prijzen, dat in onze tijd geen mens meer warm loopt over dergelijke theologische twistpunten als in de 19e eeuw. Geen mens zou de artikelen in de krant hierover lezen, de televisie werd uitgeschakeld als een „hooggeleerde” er over begon te zwammen.

In april 1853 was er grote beroering in protestants Nederland toen men protesteerde tegen herstel der r.k. bisschoppelijke hiërarchie. De Génestet noemt ze daarom „kroost van april”.

Met die door godsdiensttwisten verscheurde 19e eeuw was er niets nieuws onder de zon. Ook vroeger kende men dat. Men denke alleen maar aan de Arminianen en Gomaristen in de 1 7e eeuw.

In de middeleeuwen waren die twistpunten veel „kinderlijker”.

We zullen er twee bespreken om er duistere zinnen in Vondels „Lucifer” mee te verklaren. Zo redetwistten de „geleerde” theologen of Eva wel een navel had! Immers, zeiden ze, Eva was gevormd uit de rib van Adam en niet geboren uit een vrouw en had dus geen navelstreng. We vinden dit in Vondels „Lucifer”:

„Wat dunkt u van zijn ribbe en lieve gemalin”.

Die ribbe was Eva. Ook Adam werd ondersteld geen navel te hebben. Toch ziet men op afbeeldingen van Adam en Eva dat zij wel degelijk een navel hebben! Dan was een punt van fel dispuut in de middeleeuwen de vraag of vrouwen wel mensen zijn. Neen, zegt de geleerde theoloog, „mulieres homines non sunt (Vrouwen zijn géén mensen)”. Dus, redeneerde de theoloog, tot in de 16e eeuw toe, als de vrouw géén mens is, heeft ze ook geen ziel en kan niet in de hemel komen. Vondel nam dit ook aan. In de „Lucifer” laat hij de engel Apollin klagen, dat er geen vrouwen in de hemel zijn, zodat de engelen niet met jonkvrouwen kunnen cohabiteren:

Bywylen hield hy (Adam) stand,
Beschouwde ze (Eva) overzy en onder dat belonken
Begon een heilig vier zyn zuivre borst ’t ontvonken:
Dan kuste hy zyn bruid, en zy den bruidegom;
Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom
En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;
Een hooger zaligheid, die d’ Engelen nog missen.
Hoe arm is eenigheld! wy kennen geen gespan
Van tweederhande kunne, een jonkvrouw, en een man.
Helaas! wy zyn misdeeld: wy weten van geen trouwen,
Van gade of gading, in een hemel zonder vrouwen.”

Eenigheid, hier het alleen zijn, dus zonder vrouw.
Gading = coïtus.
De engelen worden afaeheeld als naakte haardeloze mannen en met een – soms reusachtige = penis en een navel. Merkwaardigerwijze hebben ze lang, bijna altijd blond. Roodharige engelen heb ik tot dusver niet gezien op middeleeuse afbeeldingen. Kenmerkend is het feit, dat de hogere wezens, die door de mens zijn uitgedacht, kunnen vliegen, zoals engelen, duivelen en draken.

De naïeve middeleeuwse schilders hebben de engelen voorgesteld als mannen met vogelvleugels, de duivels en draken met vleermuisvlerken. Echter werden zij ongewild afgebeeld als reusachtige insecten. Bij de vogels en vleermuizen is de arm tot vleugel geworden, maar bij de insecten is de vleugel een aanhangsel van de rughuid en zij hebben alle poten behouden. Als men een engel of duivel afbeeldt met twee vleugels op de rug, dan is hij een insect met 4 poten! En de vleugels worden altijd veel te klein getekend. De engel wordt verondersteld zo groot als een mens te zijn en een man van 80 kg zou vleugels met een spanwijdte van 6 meter nodig hebben om te kunnen vliegen. De duivel en de draak hebben vleermuisvlerken. Immers het volk was bang voor een nachtdier als de vleermuis. Reeds de beroemde Nederlandse geleerde Camper (1722 – 1789), de ontdekker van de gelaatshoek, toonde al de ongerijmdheid aan engelen met armen, benen én vleugels af te beelden. Gen. 3:24 heeft het over „een cherubim en een vlammig lemmers eens zwaards”. In Openbaringen 15:6 hebben de engelen gordels: „De 7 engelen die de 7 plagen hadden, waren bekleed met rein en blinkend gewaad en omgord op de borst met gouden gordels”. Openb. 12:7 zegt, „dat de engelen krijgers waren”. En er werd krijg in den hemel. Michaël en zijn engel krijgden tegen de draak en de draak krijgde tegen de engelen. En de draak is geworpen op de aarde en zijn engelen zijn met hem geworpen” (Staten-vert.). Blijkbaar inspireerde deze tekst Vondel tot het maken van de „Lucifer”. De engelen worden daarom ook met schild, speer en zwaard afgebeeld.

Hoe de engelen legaal aan wapens kwamen, staat er niet bij. Maar het waren wel echte vechtersbazen volgens Openb. 12:7. De urnine van de engelen was zeer smakelijk en lekker, blijkens een oude Vlaamse zegswijze: „Het is alsof er een engeltje op je tong piest” als Vlamingen een wijn prijzen. Zelfs vergelijkt men een wijn met de melk van de Heilige Maagd, nl. de moezelwijn Liebfraumilch. Merkwaardig is, dat de Nederlandse taal verder geen uitdrukkingen met „engel” kent. Wel het Duits: Es geht ein Engel durchs Zimmer en Engels: There is an angel passing, als in een gezelschap allen plotseling zwijgen.

Het woord engel komt van het Griekse aggelos = bode. De Grieken namen aan dat Hermes de bode van Zeus was en boodschappen overbracht aan de mensen. Daarom had Hermes vleugeltjes aan de voeten. Maar Zeus zou Zeus niet zijn als hij „die holde Weiblichkeit” daar ook niet bij betrok, want de gevleugelde Iris, de godin van de regenboog (de brug tussen aarde en hemel) was boodschapster van Zeus en Hera. In de lijst van godinnen, nymfen, aardse vrouwen, welke kinderen van Zeus kregen, ontbreekt Iris. Blijkbaar was zij hem met haar vleugeltjes te vlug af!

Het christendom creëerde de engelen als hemelse boodschappers. In de Statenvertaling van Hebr. 1:14 staat: „zijn zij (de engelen) niet alle gedienstige geesten, die tot dienst uit gezonden worden”. En dat verklaart waarom de engelen baardeloos zijn. Immers, al wat „dienstbaar” was, zoals slaven, e.a. mochten nooit een baard dragen. Daarom hebben hogere wezens op de afbeeldingen wel een baard (God, Jezus, Heiligen). Ook Middeleeuwse keizers, koningen en allerlei hoge heren hebben een baard.

Het woord baard is zeer oud en in allerlei talen ongeveer gelijk: Ned. baard, D. Bart, Eng. bearth, Fr. Barbe, Lat. barba, It. barba. Russ. Boroda, Germ. bart. Het komt van een Indo-Germ. woord bhar = stekel, borstel. Men spreekt ook van de baard van een sleutel, van een bijl, en hellebaard (helle = steel), men zweert bij de baard van de profeet, men speelt om ’s keizers baard. Iemand iets in zijn baard wrijven, iemand de baard smouten, onze Heer een vlassen baard aan doen.

Het christendom kent (gewone) engelen, aardsengelen, beschermengelen, cherubijnen, sefarijnen, en zij hebben een naam. Vondel noemt in de „Lucifer”: Gabriël, Michaël, Lucifer, Apollion, Rafaël, Uriël, Ozias, Azarias, Maceda. Maar de Wederdopers beschouwden de engelen als vrouwelijk. In het „Wonderboek” van de Wederdoper D. Joris (1501 – 1556) komt een afbeelding voor van een naakte vrouwelijke engel, gekroond en met stralen krans, zwevend boven de bazuin van het laatste oordeel. En zij hebben gelijk! De Nederl. taal kent de engel als iets specifieks vrouwelijks. Men noemt alléén een vrouw een engel. Een man heet nooit een engel. Zelfs bestaat er geen vrouwelijke vorm engelin of engelster. Blijkbaar duidt het woord engel als zodanig iets vrouwelijks aan. Maar wel bestaat duivelin. De duivel is altijd mannelijk en op het heksenfeest op de Broeken in de Harz hebben de heksen sexuele gemeenschap met de duivel. Bekent een heks na folteren op de pijnbank sexuele gemeenschap met de duivel, dan werd zij levend verbrand.

De Ned. taal kent nóg een woord, dat zó vrouwelijk is, dat het geen vrouwelijke uitgang kent, nl. baker. Baken betekent verwarmen; koesteren. Een woord baakster of bakerin bestaat niet.

Beets zegt in 1845 in de „Camera Obscura”: ..De naam baker is een zonneklaar bewijs dat juist geen uitgang op „ster” vereischt wordt om de titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te geven. Vrouwelijker dan het hare is er wel geen”. En de tegenwoordige kraamverpleegster of kraamverzorgster is beledigd als men haar baker noemt, want ze weten niet wat het woord ‘baken’betekent. Daardoor sterft dit goede Holaandse woord uit. Dat Eva uit de rib van Adam gevormd is, kan de sterrenkunde wel verklaren. De zon is het maneelijke element, alle volkeren kennen een zonnegod. De zon bevrucht met haar stralen de aarde en brengt de oogst voor.t De maan móest wel vrouwelijk zijn, omdat de synodische omloopstijd van de maan gelijk is aan de cyclus van de vrouw. We vinden dit ook in Vondels Gysbregt: „Hy (Gozewyn), scheen een zon, zy (Klaeris) de klaere maen”.

Men ziet kort na NM een fijn sikkeltje, men dacht dat dit een stukje zon was, dat aangroeide tot de volle maan. Alzo was de (vrouwelijke) maan uit de (mannelijke) zon ontstaan. Neemt men nu voor de (mannelijke) zon het (mannelijk) element Adam en voor het fijne sikkeltje de rib van Adam, dan is het (vrouwelijk) element Eva uit de rib van Adam ontstaan.

=

Wat sleipt een staertstar al ellenden
En jammer na?
Ais Goden zulck een’ voorbo zenden,
Dan dient men dra
Dees sprinkmaer naer te speuren,
Te mercken uit
Wat bron het spruit.
Dat vleck en volck sal treuren.
Wij zagense als een roode roede
Ten Westen staen,
Van ’t Oosten; als een zwaert, dat bloedde,
En halve maen,
Dit lantschap dreigen, uit ons teken
Den Steenbock van
Den vader Pan,
Vergramt op deze streeken.

J. v. d. Vondel (1 587-1697), „Leeuwendalers”.

Sprinkmaer = oorsprong;
uit ons teeken: de steenbok is een aan Pan gewijd dier en is het wapen der Leeuwendalers.
Pan was een bosgod met ruig hoofdhaar, bokkepoten en hoorns. Blijkbaar was hij het prototype van de duivel, die ook van bokkepoten, hoorns en staart voorzien is. Overdag is Pan met de nymfen in de bossen, des middags slaapt hij en des avonds blaast hij op een herdersfluit met 7 of 9 rietjes. Zijn fluitspel veroorzaakt bij de mensen paniek, van Pan afgeleid. De nymfen ware schone meisjes, begeleidsters van Hermes, Dionysos, Artemis, Venus en Pan. Ze waren niet onsterfelijk, maar werden wel zeer oud. Men onderscneidde Najaden
(water-nymphen), Dryaden (boomnymfen), Oreiaden (bergnymfen), Nereiden zeenymfen} e.a.
Natuurlijk kop  Pan niet van de nymfen afblijven en hij verwekte bij de nymf Iynx een dochter Echo.  Zij was verliefd op de schone jongeling Narcissus, die haar versmaadde. Echo loste op tot een stem, de echo.
Seilenos was een zoon van Pan en een andere nymf.
Kastalia was een bronnymf. Zij werd door Apollon achtervolgd en zij stortte zich in een bron aan de Parnassus en loste daarin op.
Calypso was de nymf die Odysseus opnam en 2 kinderen van hem Kreeg.
Dafne (= laurier) werd ook door Apollon  achtervolgd en haar vader veranderde haar in een laurierboom.
Melissa, een nimf, vond de bereiding van honingdrank uit.
De begeleidster van Venus was de nymf Chloris (Flora), gemaiin van Zefyros (god van de westenwind). Zij deed de bloemen groeien.
De nymf Dione was de moeder van Venus, verwekt door Zeus.
De zanger Orfeus was gehuwd met de nymf Eurydike.

Het citaat van Vondel slaat op een komeet en men geloofde dat een komeet de voorbode was van oorlog, hongersnood, overstroming, aardbeving.

In 1975 is weer eens een komeet verschenen. Op 2 juli 1975 is de komeet van Kobayashi-Berger-Milon in de Waterman ontdekt als object 8ste grootte. Eind aug. 75 was m = 4 en was er een kleine staart zichtbaar. Op 5 sept. bereikte de komeet de kleinste afstand tot de zon: 63 miljoen km.

We zullen de tegenwoordige inzichten omtrent de kometen vermelden.

De kometen lopen in ellipsvormige banen om de zon en volgen de wetten van Kepler: de zon staat in één van de brandpunten. De ellips is zeer langgerekt. In het perihelium staat de komeet het dichtst bij de zon, in het afelium zeer ver weg. Daardoor worden de omloopstijden eeuwen en tientallen eeuwen. De planeten hebben deze banen soms veranderd in kleinere, waardoor de omloopstijden geringer werden. De komeet is een hoop stenen en stof, soms met grote rotsblokken er door en gas. Dit gas is ammoniak, methaan, koolmonoxyde, daar de temperatuur in het heelal bij het absolute nulpunt ligt, is alles bevroren. De totale massa van een komeet bedraagt 10 miljoen tot 10 biljoen ton (dat is niet veel, de Aarde weegt 6 quadriljoen ton) en de ruimte, welke de bevroren komeetmassa inneemt, is klein. Nadert de komeet de zon, dan ontdooit de massa. De zonnestraling werkt nu op de komeetatomen. Van de zon gaat de zonnewind uit, een stroom vrije elektronen en laadt de gasatomen van de komeet op en zij worden lichtend. Tegelijk sleurt de zonnewind de geïoniseerde atomen van de kop van de komeet af, zodat de staart ontstaat, welke dus aantoont dat de zonnewind werkt.

 

 

Jupiter

Op 3 dec. 1973 heeft een ruimtevaartuig op 132000 km boven Jupiter gezweefd en tal van informaties naar de Aarde geseind. Verschillende raadsels zijn nu opgelost, zoals de rode vlek. Deze was in 1878 ontdekt en de sterrekundigen fantaseerden er lustig op los om een verklaring te vinden.

Men dacht, dat de planeet daar gebarsten was en de gloeiende inhoud naar buiten kwam. Anderen dachten, dat Jupiter een planetoïde aangetrokken had, weer anderen onderstelden dat daar materie uitgeslingerd werd. Maar niets van alles was waar. Het ruimtevaartuig leerde dat de rode vlek een draaikolk, een cycloon, boven het wolkendek van Jupiter bleek te zijn met een lengte van 40.000 en breedte 13.000 km. In 1888, 1912, 1916, 1938, 1944 verdween de rode vlek geheel. Verder bleek Jupiter een draaiende bol waterstof te zijn zonder vaste schil en-mogelijk zonder vaste kern onder geweldige druk, dus zoiets als de zon. Boven J. ligt een dampkring van een 100 km dik. J. heeft een massa die 2½ x zo zwaar is als de massa van alle andere planeten samen. Het oppervlak van J. is 120 x dat der Aarde, het volume 1300 x de Aarde, het gewicht 318 x de Aarde, dichtheid 1,33 (Aarde 5,52). Afstand tot de Aarde 590-960 miljoen km, bij oppositie 13 okt. 1975 was dit 591 miljoen km. Afstand tot de zon. 778 miljoen km. waar de zonnestraal 44 min. over doet.

De omwentelingstijd is 9 u. 50 min. om de as, de dag duurt 9 u. 50 min. Het jaar duurt 11,862 jaar want de omloopstijd om de zon is 11,862 jaar. De horizontale diameter is 142800 km, de verticale 1 51000 km, verschil 9000 km, afplatting 1/15. Dit komt door de hoge omwentelingssnelheid van 13 km/sec. Het ruimtevaartuig mat 1000 km onder de toplaag van de dampkring een temperatuur 2000°C, op 25000 km diepte 1 1.000 °C en de kern zou een 30.000 °C zijn. Men onderstelt, dat bij het ontstaan van het zonnestelsel, 41/2 miljard jaar geleden, Jupiter nog veel heter was. Veel onderzoekers menen op goede gronden dat Zon en Jupiter een dubbelster gevormd hebben. Jupiter meet weliswaar 1/10 zonsdiameter, maar zulke ver houdingen komen meer voor bij dubbelsterren: Sirius B = 1/50 van Sirius A en B straalt nog, Procyon B is zeer klein t.o.v. Procyon A en straalt vij wel niet meer.

Het ruimtevaartuig loste ook de kwestie der gekleurde banden op. De witte zijn witte wolkenkammen tot 20 km boven de wolken, de oranje zijn wolkentroggen van 20 km diep. De dampkring is 100 km dik en er woeden orkanen en cyclonen. Hij bestaat uit 80% waterstof, 20% helium, iets ammoniak. Temperatuur dampkring-1 50 °C.

Mogelijk zijn er in de rode vlek en in de witte vlekken sterke elektrische ontladingen.

Manen.
Er zijn 12 manen, maar alleen lo (3300 km), Europa (2900 km), Ganymedes (5100 km), Callisto (4700 km) hebben de afmeting van een maan (maan Aarde 3476 km). De maan Amaltheia meet 140 km, Atlas 100 km, de manen VII-XII meten 19-20 km middellijn. Ganymedes toont als onze maan kraters. De temperatuur der manen bedraagt -145 °C. Op maan lo ligt methaansneeuw, welke verdampt als lo van de nacht in de dag komt. De helderheid is zo groot (Ganymedes m = 5,1; lo 5,5; Europa 5,7 en Callisto m = + 6,3) dat ze met het blote oog zichtbaar zouden zijn als zij niet zo sterk door Jupiter worden over-straald. Reeds in een kijker 30-40x kan men ze zien. Men laat de planeet uit het gezichtsveld lopen, ze worden dan beter zichtbaar. Galileo ontdekte in 1610 de 4 grootste manen. Maan V Amaltheia werd in 1892 ontdekt, maan VI Atlas en VII Herakles in 1904, maan VIII Proserpina in 1908, IX Cerberus in 1914, X Pro-metheus in 1938, XI Daedalus in 1951, XII Hephaistos in 1951.

Maan VIII, IX, XI, XII hebben een tegengestelde rotatie als Jupiter, dus retrogade beweging. De astrologen brachten Jupiter in verband met tin. Daar Jupiter zo helder is, gaf men hem de naam van de oppergod Jupiter, bij de Grieken Zeus geheten. Bij de naamgeving der manen heeft men een keuze gedaan uit de vele godinnen, nymfen, vrouwen, bij wie Zeus kinderen verwekte. Ook op Aarde verwekte Zeus kinderen. Bij de ritus van de heilige bruiloft met Zeus werden de Griekse meisjes met verdovende middelen in slaap gemaakt en werden door de Zeuspriesters, als plaatsvervangers van Zeus op Aarde, zwanger gemaakt. Wie waren nu de naamgeefsters van de manen?

IO was priesteres in een heiligdom van Hera, de jaloerse vrouw van Zeus. Zij kon niet hebben dat Zeus intieme relatie had met andere vrouwen. Toen IO een verhouding had met Zeus, veranderde Hera haar in een koe opdat Zeus geen zin meer in haar zou hebben. Zeus nam de gedaante van een stier aan en dekte de koe. Door de aanraking van Zeus werd IO weer mens. I0 baarde een zoon Epaphos (— aanraking). Een cultus van de Oude Grieken was het dekken van een heilige koe door een heilige stier. Dan werd de stier ritueel geslacht en opgegeten, dus niet aan de góden geofferd, zó dom waren de Grieken niet! Het herinnert aan de stiercultus der Egyptenaren: de Apisstier en de koegodin Isis, die dan IO werd.

Ook Europa herinnert aan de stiercultus, haar naam betekent „breed plat gezicht als van een koe”, en Homeros verklaart de naam Hera als „die met de koeienogen”. Europa was een aardse vrouw, die onder de kudden een witte stier ontdekte. Zij ging er op zitten en de stier ontvoerde haar naar Kreta, het land van de stierencultus en Zeuscultus. De witte stier was Zeus. Hij verwekte bij Europa twee zonen: Rhadamanthys en Minos. Deze Minos haalde zich de woede van Poseidon op de hals. Poseidon zond hem een stier om te offeren, maar Minos deed dit niet. Poseidon strafte hem met impotentie.

De vrouw van Minos, Pasiphae, werd verliefd op deze stier. Daedalus maakte een kunstmatige koe, zij kroop er in en de stier dekte haar. Zij baarde de Minotaurus. Ganymedes was een schone jongeling, welke door een arend van Zeus naar de Olympos ontvoerd werd. Daar was hij schenk-kellner met eeuwige jeugd. Zeus gaf aan zijn vader een stel merries. Blijkbaar kenden de Grieken een paardencultus. Poseidon verschijnt ook vaak als hengst, godin Demeter als merrie. En men kende de Kentauren, half paard, half mens. Callisto was ook geliefde van Zeus ën de jaloerse Hera veranderde haar in een berin. Amaltheia was de nimf, die de pasgeboren Zeus op Kreta met geitemelk opfokte. Ook de geit wordt Amaltheia genoemd.
Atlas was een titaan, die de Aarde droeg en de tuin der Hesperiden bewaakte.
Herakles was een held, een buitenechtelijke zoon van Zeus en Alkmene. Hij was getrouwd met Hebe. Hij verrrichtte 12 heldendaden en werd op de Olympos opgenomen.
Proserpina (Gr. Persophone), was een dochter van Zeus en zijn zuster Demeter, Proserpina was godin van de onderwereld. Cerberus was een hond, bewaakte de toegang tot de onderwereld. Typhon had hem verwekt bij de slangenmaagd Echidna, een mensenetend monster. Zij was de moeder van Cerberus, Hydra, Chimaera. Prometheus was zoon van titaan Japetus en Themis, ook al een geliefde van Zeus. Prometheus gaf de Aardbewoners het vuur, geroofd van de bliksems van Zeus. Daedalus vervaardigde de kunstkoe voor Pasiphae. Toen Minos hem wegens het maken van de koe wilde straffen, vloog hij met zelf gemaakte vleugels naar Sicilië.

Hephaistos was de god van het vuur en smid. Hij was de zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid slingerde Hera hem in zee. De zeegodin Thetis nam hem op en fokte hem op. Hephaistos was mank en mismaakt. Hij was de gemaal van Venus, maar die wilde niets van hem weten. Daarom smeedde hij twee gouden slavinnen.

 

 

Jupiter

Naam. Daar Jupiter zo helder is, gaf men hem de naam van de oppergod, welke bij de Grieken Zeus heette. Bij de naamgeving van de manen heeft men een keus gedaan uit de vele hele en halve godinnen, nymfen en aardse vrouwen, die liefjes van Zeus waren en bij wie hij kinderen verwekte.

Ook verwekte Zeus indirect kinderen op Aarde en wel door tussenkomst van zijn priesters als plaatsvervangers van de god. Bij de ritus van de heilige bruiloft met Zeus werden uitverkoren mooie Griekse meisjes door de Zeus-priesters zwanger gemaakt. (Ditzelfde gebruik kwam bij meerdere Germaanse stammen voor). We zullen nu de naamgeefsters bespreken, lo was een aards meisje, priesteres in een heiligdom van Hera, de gemalin en zuster van Zeus. Nu was de godenwereld een afspiegeling van de aardse Grieken en Hera was, als alle aardse vrouwen, jaloers op de liefjes van Zeus. Zij kón niet hebben dat Zeus intieme relaties had met andere vrouwen. Toen lo het liefje van Zeus was, veranderde de jaloerse Hera haar in een koe, hopende dat Zeus dan van een koe niets meer wilde weten. Nu nam Zeus de gedaante aan van een stier en dekte de koe. Door de aanraking van Zeus werd lo weer mens. lo baarde een zoon Epaphos (aanraking). Dit verhaal herinnert aan de stiercultus van de Oude Grieken. Dan werd een heilige koe gedekt door een heilige stier, en tot dank werd de stier dan door de priesters plechtig ritueel geslacht en door het volk opgegeten. Het herinnert aan de stiercultus van de Egyptenaren: de Apis-stier en de koe-godin Isis, welke dan lo werd. Ook Europa herinnert aan de stiercultus. Haar naam betekent „breed plat gezicht als van een koe” en Homeros verklaart de naam van de gemalin en zuster van Zeus, Hera, als „zij met de koeien-ogen”.

Ook wij kennen de aanduiding „met de kalfsogen” voor vrouwen.’ Alle lezers van de „Vacature” hebben in hun studietijd één van de belangrijkste stukken van de „Camera Obscura” van Beets van 1839 moeten lezen: de Familie Stastok, „er komen mensen op een kopje thee”. En wel wordt Mietje daarin aangeduid „met de kalfsogen” wat geen compliment was.

Europa was een aards meisje, die onder de kudden een prachtige witte stier ontdekte. Zij ging op de stier zitten en de stier, niemand minder dan Zeus, ontvoerde haar naar Kreta – hét land van de stierencultus en de Zeus-cultus. Zeus verwekte bij Europa twee zonen: Rhadamantys en Minos. Deze Minos haalde zich de woede van Poseidon, de god van de zee, op de hals, want Minos offerde geen stier aan Poseidon. De god strafte hem met impotentie. De vrouw van Minos, Pasiphae, was daar ook het slachtoffe van. Zij liet Daedalus een kunstkoe maken, Pasiphae kroop er in en de niet geofferde stier dekte haar. Zij baarde de Minotaurus. Poseidon verwekte bij Europa ook een zoon: Euphemos.

Ganymedes was een schone jongeling, welke de naamgever van de volgende maan is. Dat was toch geen liefje van Zeus, zal de lezer zeggen. Toch enigszins wel, homosexuele handelingen met jongens werden bij de Oude Grieken veel uitgeoefend. Zeus liet Ganymedes door een arend naar de Olympos ontvoeren. Daar moest hij als kelner de goden en godinnen dranken serveren en diende bij de goden nog voor wat anders ook. Zeus gaf aan Ganymedes’ vader als schadevergoeding een stel merries. Dat brengt ons op het spoor van de paardencultus van de Oude rieken.

In de godenverhalen is Poseidon soms veranderd in een hengst en zijn zuster, de godin Demeter, veranderd in een merrie. Poseidon verwekte nu bij zijn zuster Demeter een dochter en, hij in de gedaante van een hengst, zij als merrie, verwekte hij het paard Arcion. Demeter, de godin van de landbouw, was ook zuster van Zeus. Zeus verwekte bij haar een dochter Persephone en Zeus verwekte bij die dochter Persephone een zoon Dionysos, de god van de wijn.

We zien hier de incest broeder-zuster en vader-dochter. Maar de incest moeder-zoon was taboe en we zien dit in het verhaal van Oedipous. Hij was met zijn moeder getrouwd en had 4 kinderen bij haar. De goden sloegen hem met verderf. Bij de vele koninkjes van de Griekse stadstaatjes vinden we de incest broeder-zuster. Dat was overgenomen van het Oude Egypte. De farao was wettelijk verplicht met een zuster te huwen. De farao werd als goddelijk beschouwd en aangezien zijn zuster verwekt was door de goddelijke vader, mocht hij daarom alleen met een zuster trouwen. En zusters waren er genoeg, de farao’s hadden harems met vele vrouwen, bewaakt door gecastreerde mannen (de eunuchen) zodat de farao er zeker van was, dat de dochters door hemzelf verwekt waren en dus een goddelijke vader hadden. Dan herinneren aan de paardencultus de Kentauroi, tot de navel man, verder paard.

Een aardse man, tot de Olympos toegelaten, deed Hera oneerbare voorstellen. Als beschermvrouw van het huwelijk kon zij daarom er „ambtshalve” niet op ingaan. Zij toverde een wolk, die haar gedaante had. De man had gemeenschap met de wolk, die de Kentauroi baarde.

Callisto was ook een liefje van Zeus. Zij was nymf. De jaloerse Hera veranderde haar in een berin.

Amalthea was de nymf, die de pasgeboren Zeus op Kreta met geitenmelk opfokte. Ook de geit heet Amathea.

Atlas was een titaan, die de Aarde droeg.

Heracles was een held, een zoon van Zeus en Alkmene. Alkmene was de vrouw van Amphitryon en moeder van zijn zoon Iphikles. Toen haar man op krijgstocht was, naderde Zeus haar in de gedaante van haar man en Zeus verwekte bij haar Heracles. Toen haar man gesneuveld was, huwde Alkmene een zoon van Zeus, de rechter Rhadamantys.

Persephone (Proserpina) was een dochter van Zeus en zijn zuster Demeter en Zeus verwekte bij zijn dochter de god van de wijn Dionysos. Persephone was de godin van de onderwereld.

Cerberus was de hond die de toegang tot de onderwereld bewaakte, Typhon was hem verwekt bij de slangenmaagd Echidna. Zij was de moeder van Cerberus, Hydra en Chimaera.

Prometheus was de zoon van Themis, ook al een liefje van Zeus en de moeder van de 4 Horen, de godinnen van de jaargetijden.

Prometheus roofde voor de Aardbewoners het vuur van de bliksems van Zeus.

Daédalus vervaardigde de hiervoor genoemde kunstkoe van Pasiphae.

Hephaistos was de god van het vuur. Hij was smid. Hij was een zoon van Zeus en Hera. Wegens zijn lelijkheid wierp Hera hem in zee. De zeegodin Thetis viste hem op en fokte hem op. Hij was op „papier” de gemaal van Venus (Aphodrite) die niets van hem wilde weten en geen kind van hem wilde (wèl 3 van Mars, 1 van Hermes, 1 van Apolloon, 1 van Anchises, (een aardse man). Hephaistos smeedde twee gouden slavinnen, die als „vrouw” dienst deden.

 

 

We weten uit de Edda, het IJslandse „wetboek” en van de IJslandse sterrenkundige Oddi Gelgason (10e eeuw) enkele namen van de Germaanse hemel.

Deze namen zijn geheel vergeten, alleen de Duitse naam „Wagen” voor de Grote Beer herinnert er nog aan.

De Germanen namen een wereldes aan, deYggdrasil, welks stam tot de hemelpool reikt, dus de top van de es ligt bij de Poolster. Met zijn 8 takken vormde de wereldes een rad met 8 spaken.

De Kleine Beer heet „Vrouwenwagen” of „wagen van Frigg”, de gemalin van oppergod Wodan of Odin, De Grote Beer heet „Wodanswagen”, De Noorder-kroon heet de „Teen van Aurwandil”, de „ogen van de reus Thiazi” vormden de Tweelingen. De gordelsterren van Orion heetten naar de spoelvorm het „spinrokken van Frigg”. Het Zevengesternte zag men voor een troep „wilde zwijnen” aan.

De Melkweg heette „Iringsweg”. De Hyaden in de Stier vormden de „Kleine Wolfsmuil”, terwijl Andromeda, Pegasus en Zwaan samen de „Grote Wolfsmuil” vormden. Procyon in de KI. Hond heette de „Fakkeldrager”, Sirius in de Gr. Hond de „vlam van Loki”. Loki was de god van het vuur. Hij vormde met Wodan of Odin (lucht), Aegir (water) en Loki (vuur), een drie-eenheid, zoals in zoveel godsdiensten voorkomt. (Een andere drie-eenheid vormen Odin-Thor-Freyr).

En daarmede is onze kennis van de Germaanse namen uitgeput. De IJslanders zagen de planeten altijd laag boven de kim, want zover in het noorden loopt de ecliptica laag. We weten de Germaanse namen van de planeten niet, het is mogelijk dat ze geen afzonderlijke namen hadden omdat ze niet opvielen. Dat de Germanen zwijnen, wolfsmuil namen, komt omdat dit dieren waren die ze kenden. Een leeuw, dolfijn, schorpioen, giraffe, steenbok, enz. kenden ze niet. Deze dieren waren wel bij de Babyloniers e.a. oosterse volkeren bekend en gaven hun naam aan sterrenbeelden.

J.C.Alders in verschillende ‘Vacatures’ in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw.

.

7e klas sterrenkunde: alle artikelen

.

1214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – met kinderen sterren kijken (1-3)

.

vanaf 12 jaar

 

De weg van hemel naar aarde

In dit laatste artikel over kinderen en sterren zullen we proberen die
onderwerpen te vinden die voor het kind dat aan het begin van de puberteit staat van belang zijn. De gevorderde puber zal zelf zijn weg wel vinden als hij voldoende belangstelling heeft.
Het kind van dertien-veertien jaar staat op een grens. In een grensgebied sta je altijd tussen de dingen in, de situatie kan heel snel van de ene in de andere overgaan. Zo ook hier. Het kind zet zijn beslissende stappen om aardeburger te worden. De astronomische dingen waarvoor een kind van deze leeftijd zich interesseert zullen bijna evenveel met de aarde te maken hebben als met de hemel.

Hemel en aarde komen met elkaar in aanraking bij de horizon. Dat is dus een heel mooi beginpunt. We kunnen zowel ’s avonds als overdag waarnemingen doen. In de eerste plaats kunnen we kijken hoe de vier windstreken Noord, Oost, Zuid en West liggen. Met een kompas kun je daar gemakkelijk achter komen.

Als je dertien bent is een kompas een fijn bezit. Je kunt ook met behulp van je horloge en de zon het Zuiden vinden. Van daaruit kun je dan de andere windstreken vinden. Voor wie het niet wist: kleine wijzer op de zon richten, hoek tussen kleine wijzer en het cijfer twaalf in tweeën delen en je hebt het zuiden gevonden. Als je het heel precies wilt doen moet je er nog rekening mee houden dat het horloge niet de plaatselijke zonnetijd aanwijst, maar de Midden-Europese tijd. Eigenlijk gaat het horloge steeds veertig minuten voor.

Als je eenmaal weet hoe de horizon ligt t.o.v. de windstreken, kun je de hele dag volgen boven welk gedeelte van de horizon de zon zijn dagboog beschrijft. Als je dat op verschillende momenten in het jaar doet, kun je goed zien dat de zon niet altijd hetzelfde gebied van de horizon bestrijkt. Zomer en winter verschillen daarin enorm. Er blijkt een vrij groot gebied te zijn waar de zon in de loop van het jaar op kan komen; tussen noord-oost (zomer) en zuid-oost(winter). Precies in het Oosten gaat de zon maar twee keer per jaar op: aan het begin van de lente (21 maart) en aan het begin van de herfst (23 september). Boven de noordelijke horizon zul je bij ons de zon nooit aantreffen; boven de zuiderhorizon bereikt de zon altijd zijn hoogste punt.

Ook ’s nachts kun je allerlei interessante dingen aan en boven de horizon zien. Je kunt bijvoorbeeld zien dat boven de oostelijke horizon alle sterren schuin omhoog gaan, dat ze boven de zuiderhorizon grote bogen beschrijven, dat ze boven de westelijke horizon allemaal schuin naar beneden gaan en dat ze boven de noordelijke horizon grote cirkels beschrijven rondom de Poolster.

Verder zie je daar een heleboel sterren die nooit onder gaan. Dat cirkelen om de Poolster kun je erg mooi aan de Grote Beer zien, bijvoorbeeld als je ’s winters in de vroege avond gaat kijken en een paar uren later nog eens. Dan zie je al heel duidelijk dat het hele sterrenbeeld een stuk tegen de klok in gedraaid is. In het vorige stukje hebben we het al even gehad over het vinden van de Poolster met behulp van de Grote Beer. Hoe dat moet? De twee achterste sterren van het vierkant verlengen met vijfmaal hun onderlinge afstand.

sterrenkunde-11

Kinderen vinden het altijd erg fijn als ze iets kunnen maken, waar je een waarneming mee kunt doen. Zelfgemaakte instrumenten zijn altijd veel interessanter dan dure gekochte. Nu ze op een leeftijd gekomen zijn waar ze vast al iets van de vlakke meetkunde hebben geleerd, en dus een beetje om kunnen gaan met passer en geodriehoek, is het een goed moment om een eenvoudige zonnewijzer [2] te maken. Deze hoeft dan nog niet de maanden aan te kunnen geven. Zo’n zonnewijzer geeft de plaatselijke ware zonnetijd aan. Gemiddeld verschilt deze zo’n veertig minuten van de tijd die onze horloges aanwijzen, doordat wij hier in Nederland gewoonlijk de Midden-Europese middelbare zonnetijd als tijdaanwijzing toepassen. In de zomermaanden is dat tegenwoordig zelfs de Oost-Europese middelbare zonnetijd, deze verschilt een uur en veertig minuten met onze plaatselijke tijd.

Als je al deze dingen niet van te voren zegt, ontdekt het kind zelf dat er iets vreemds met de tijdaanwijzing aan de hand is. Je kunt nu aan het langzame verschuiven van de schaduw zien dat de zon zich aan de hemel verplaatst. De beweging van het licht wordt door de beweging van het duister – de schaduw -zichtbaar.

In de winter kun je ’s avonds een heel groot gedeelte van de dierenriem hoog aan de hemel zien staan. Dat geeft mooi gelegenheid om er op te wijzen hoe de planeten zich door deze sterrenbeelden bewegen. We doen dit door een paar maanden de maan te volgen. Bijvoorbeeld de maanden december en januari. Je kunt dan prachtig zien hoe de maan die twee keer vrijwel dezelfde weg, aflegt. Je moet daarbij ook opmerken dat de maan in die twee maanden niet elke keer in hetzelfde sterrenbeeld vol wordt. Hoe zou dat komen?

Vanuit deze vraag kom je op het ontstaan van de maanfasen. Je bent eigenlijk steeds geneigd om over schijngestalten te spreken, maar wat geeft daartoe aanleiding? Het denken! Je wilt verklaren waardoor de maan er de ene dag anders uitziet dan de andere. Het denken verklaart het niet zichtbare deel van de maan als schaduw, naar analogie van op aarde bekende verschijnselen. Je verplaatst daarmee denkend aardewetmatigheden naar de kosmos. Het ziet er misschien wat flauw uit, daar zo de nadruk op te leggen, maar het is toch erg belangrijk om je te realiseren dat je kijkend naar de schijngestalten van de maan, niet ziet wat je ziet, maar dat je ziet wat je denkt te weten: de maan is een don-dere bol met een door de zon verlichte kant en met een schaduwkant. En soms zie je.. .enz.

De verklaring van de maanfasen brengt je denkend op het ruimtelijk aspect van de kosmos. Een ruimtelijkheid waar je niets van kunt waarnemen. Daarmee kom je precies op het punt waar de puber zich bevindt: aan gewaarwording en waarneming van de wereld voegt zich het denkend leren begrijpen van de verschijnselen. Beeldentaal gaat langzaam over in begrippentaal.

Als je eenmaal op dit spoor zit, ligt het voor de hand dat ook zons- en maansverduisteringen ter sprake komen. Pas als we de ruimtelijkheid van de kosmos ingevoerd hebben, is het zinvol echt verklarend bij de eclipsen van zon en maan stil te staan.

Tenslotte wil ik nog wijzen op een gebied dat voor de dertien—veertienjarige ook erg interessant is: de navigatie. Juist in deze leeftijd komen de grote ontdekkingsreizen [1] aan de orde. Als je je voorstelt hoe de Poolster steeds hoger en hoger aan de hemel zal komen te staan als je van hier naar het Noorden reist. Als je op de Noordpool staat zal de Poolster precies boven je hoofd staan. Reis je van hier uit naar het zuiden, dan gebeurt het omgekeerde: de Poolster komt steeds lager aan de hemel te staan. Totdat je op de Evenaar bent aangekomen: dan verdwijnt hij onder de horizon. Aan de hoogte van de Poolster kan je dus afmeten hoe ver je van de Noordpool afbent (in graden gemeten). Dat wil zeggen dat je aan de Poolster kunt meten op welke breedtegraad je zit. Later kun je begrijpen dat je daar ook andere sterren voor kunt gebruiken als je maar precies weet waar die sterren aan de hemel staan ten opzichte van de Poolster. Ook op het zuidelijk halfrond kun je dus met behulp van de sterren je positie bepalen. Een kind dat zelf een zonnewijzer gemaakt heeft begrijpt ook iets van de tijdmeting op aarde. Het wordt dan vanzelfsprekend dat het niet overal op aarde even laat is op hetzelfde moment. Daardoor is het mogelijk ‘de andere helft’ van je geografische positie (de geografische lengte) te bepalen door je eigen plaatselijke tijd te vergelijken met de plaatselijke tijd van Greenwich. Ook voor de tijdmeting heb je de kosmos nodig. Het zijn de sterren die ons op aarde de weg kunnen wijzen!

We maken in deze leeftijdsfase een soort overkruising: om bepaalde verschijnselen aan de hemel te kunnen verklaren heb je aardse begrippen nodig, om op aarde de weg te kunnen vinden, om te weten waar je staat, heb je de sterrenhemel nodig.

We zijn nu aan het eind van onze eerste kennismaking met de sterrenhemel, zoals een kind die aan de hand van zijn ouders kan ervaren. Een ontdekkingstocht in verschillende fasen. De kleuter, het schoolkind, de beginnende puber. In de loop van de lagere schooltijd is het kind steeds een beetje minder hemelburger geworden, tot hij op aarde aangekomen is. Aarderijp geworden is, kun je zeggen. Dan sta je voor de taak op aarde je weg te vinden. Je zult moeten leren op welke plaats je staat in het leven, je zult de tijd waarin je leeft moeten leren kennen. Je thuis leren voelen in de tijd waarin je leeft en binnen de horizon om je heen, dat is een opgave waar je een leven lang mee bezig bent.

Staande op aarde, opkijkend naar de sterren kunnen we ons mens leren voelen: levend tussen de wereld die onder ons is en de wereld boven ons.

Rinke Visser, Jonas 15, 24-03-1978

.

Met kinderen sterren kijken: 5-7 jr      8-12jr

[1] Onder de vele biografieën ook ontdekkingsreizigers

[2] constructie (niet eenvoudige) zonnewijzer;  maanwijzer

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

 

1176

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – met kinderen sterren kijken (1-2)

.

leeftijd tussen  8 en 12jr.

STERRENWEGEN

In het vorige artikel hebben we ons bezig gehouden met de sterrenwereld en het kleine kind; nu willen we kijken naar de kinderen van de lagere schoolleeftijd en hun verhouding tot de sterren.

In de eerste plaats moeten we er ook nu weer van uitgaan dat de relatie van het schoolkind tot de natuur geen denkrelatie is, maar een gevoelsrelatie. Alles wat je aan het kind wilt vertellen over de natuurwereld, moet dus kunstzinnig-beeldend zijn, wil het er ook in zijn verdere leven wat aan hebben. Op de Vrije School krijgt het kind pas in de zesde klas te maken met de dode natuur: de mineralen en gesteenten. In dit gebied van de natuur zijn niet de wetten van het leven van toepassing, maar die van oorzaak en gevolg. Een eerste denkbenadering van de natuur dus, hoewel ook hier het beleven van de schoonheid van kleur en vorm een belangrijke plaats inneemt. Toch blijft het een dode wereld, waar je je als mens niet zo gemakkelijk in terugvindt. En daar blijkt het nu voor het lagere-schoolkind juist om te gaan: alle onderwijs moet het kind iets leren over de betrekking van de mens tot de wereld.

Wat moet je daarmee aan als het over de sterren gaat en kinderen van negen tot ongevveer dertien jaar? Je komt dan al gauw bij de sterrenbeelden terecht. Het vervelende is, dat zoiets vreselijk tegen kan vallen, als je iets heel moois denkt te gaan zien, terwijl het dan aan de hemel om puntjes blijkt te gaan die je door middel van streepjes met elkaar moet verbinden. En dan nog heb je geen beeld, alleen een soort beeldskelet.

Een goeie instap is het, die beelden te kiezen waar je echt iets in kunt zien. Daar komen een paar heel mooie dierenbeelden voor in aanmerking Het gaat maar om een paar. Je kind hoeft niet direct een levende sterrenatlas te worden. Het kan aan die paar beelden die het steeds weer terug kan vinden, geweldig veel beleven.
In de eerste plaats is er dat prachtige beeld de Zwaan*[8], dat in de zomernachten hoog over ons heen vliegt.

zwaan

Als je goed kijkt is het een echte zwaan, die daar met zijn enorme lichtende vleugelslag stil over ons heen ruist. Van de Zwaan*[8] wordt wel eens gezegd, dat hij het beeld van het menselijk bewustzijn is. De Zwaan, zo luidt het verhaal, was oorspronkelijk donker, onzichtbaar. Pas later werd hij wit. Komt ook het menselijk bewustzijn niet uit werelden van onbewustzijn tot het heldere denken dat in zijn hoogste vorm lichtkwaliteit heeft?

zwaan-2

Uit: Kleine Sternkunde-Verein für ein erweitertes Heilwesen

Als je het beeld van de Zwaan gevonden hebt, zie je ook meteen de Melkweg. Deze sterrenweg gloeit geheimzinnig op als het heel donker is geworden, ver van het stadslicht. Niet om veel bij te praten, wel om stil naar te kijken, want het zijn zeldzame ogenblikken als je in deze tijd de Melkweg ziet.

Een ander mooi beeld, leuk voor kinderen om te leren kennen is die lange sliert die daar langs de hemel kronkelt: de Slang*[15] met zijn driehoekige kop. Eerst wat moeilijk te vinden misschien, maar als je hem eenmaal kent spoor je hem steeds weer op. En dan is er natuurlijk de Draak die zich rondom de hemelnoordpool slingert. In veel verhalen ben je draken tegengekomen, maar dat er elke avond een boven je hoofd kronkelt, is nieuw! Stieren*[dierenriemteken 4] kunnen heel gevaarlijk zijn, ze stormen dan met bloeddoorlopen ogen op je af. Nou berg je dan maar. Met enorme horens komen ze aandenderen. Veiliger is het aan de hemel zo’n stier in de aanval te zien. Het rode oog kijkt je fonkelend aan. Hij kan in de wintermaanden de ene avond gevaarlijker zijn dan de andere. Dat kun je aan het fonkelen van zijn oog zien. Echt iets om zo nu en dan eens naar te kijken: hoe boos de Stier vanavond is.

Als een kind iets heeft gehoord van de prachtige verhalen uit de Griekse mythologie, dan is het toch wel erg leuk om die grote helden en heldinnen aan de sterrenhemel weer tegen te komen. Door de machtige goden daar geplaatst als beloning voor hun grote daden en als eeuwig lichtend voorbeeld voor de mensen. Dat kan je ook een gevoel van verbondenheid geven met die mensen van heel lang geleden. Zij keken op naar dezelfde beelden als die wij nu boven onze hoofden hebben. Ze staan soms zelfs zo aan de hemel dat ze ons hun geschiedenis laten zien als een groot beeldverhaal. Neem nu de held Perseus*[4] die de schone Andromeda*[3] het leven redde. Zie ze daar aan de hemel staan, alle betrokkenen uit dit verhaal: Andromeda, Perseus met het afgehakte hoofd van Medusa in zijn hand, de moeder van Andromeda: de ijdele Cassiopeia*[3] en haar vader Cepheus*[3]. Verder wil ik nog noemen als mooie beelden: Orion*[20] met zijn twee honden, de grote en de kleine, en Hercules*[12].

Een klasse apart is de bekende Grote Beer*[1]. Als sterrenbeeld is het niet zo moeilijk te vinden, als we ons tenminste beperken tot de zeven helderste sterren, die samen ook wel de Steelpan of de Wagen genoemd worden. Het hele beeld Grote Beer is echter veel groter, er horen nog een heleboel veel zwakkere sterren bij. Pas als je die erbij neemt kun je er een reusachtige lopende beer in zien. Als beeld spreekt het dus niet zo aan, als je alleen de bekende zeven sterren kent. Toch is het wel fijn als de kinderen deze sterrengroep leren kennenL je kunt er de befaamde Poolster mee vinden en als je die gevonden hebt, weet je precies waar het Noorden is. Voor de oriëntatie is het beeld dus erg belangrijk. In het volgende artikel komen we hier weer op terug.

Als je zo’n jaar of twaalf bent geworden heb je meestal al iets van de meetkunde geleerd. Je weet dan dat er vierkanten bestaan, rechthoeken, driehoeken enzovoort. Zulke figuren kun je ook aan de hemel terug vinden. Het is zelfs zo dat elk jaargetijde gekenmerkt wordt door zo’n meetkundige figuur aan de sterrenhemel. In de zomer wordt de zuidelijke hemel beheerst door een grote driehoek, de Zomerdriehoek, gevormd door de sterren Deneb in de Zwaan, Wega in de Lier*[8] en Altaïr in de Arend*[10].

De herfsthemel wordt gekenmerkt door het Herfstvierkant, gevormd door de sterren van Pegasus*[5], het gevleugelde paard. De winterhemel laat ons de imponerende Winterzeshoek zien, gevormd door de sterren Capella in de Waterman*[dierenriemteken 1], Castor en Pollux van de Tweelingen*[dierenriemteken 5], Procyon van de Kleine Hond*[19], Sirius van de Grote Hond*[19], Rigel in Orion*[20] en Aldebaran, het rode oog van de Stier*[dierenrienteken 4]. In de lente prijkt het Lentetrapezium aan de zuidelijke hemel, gevormd door de helderste sterren van het sterrenbeeld de Leeuw*[dierenriemteken 7]. Verder zou ik niet gaan met deze kinderen. Geen planeten, ook geen verduisteringen: dan kom je te snel op het ruimtelijke, en dat gebied zou ik liever voor de puberteit bewaren, waar de beweeglijke wereld van de planeten in de eigen ziel beleefbaar wordt, waar de wereld van licht en duisternis hun wereld wordt.

Op deze wijze vindt het kind heel geleidelijk de weg langs de sterrenhemel, hij krijgt er zijn vertrouwde plekje vanwaaruit de verkenningstochten kunnen worden voortgezet. Verder wil ik er voor de duidelijkheid nog even op wijzen dat niet alles wat er in dit stukje genoemd wordt, geschikt is voor iedere willekeurige leeftijd tussen negen en dertien jaar. De dierensterrenbeelden lijken me echt iets voor kinderen van de vierde klas [10 jaar], de mythologische beelden voor de vijfde klas [11 jaar] en de met de meetkunde samenhangende jaargetijdeveelhoeken voor de zesde klas [12].

Ook is het natuurlijk zo dat je je kind alleen maar wegwijs kunt maken als je zelf iets meer dan de Grote Beer aan de hemel kunt vinden. Het is niet mogelijk alle informatie daarvoor hier in deze artikelen te verwerken.

Rinke Visser, Jonas14, 10-03-1978

Deze artikelenreeks is vooral geschreven voor ouders die met hun kind(eren) op een bepaalde leeftijd naar de sterren willen kijken.

5-7 jr        v.a. 12jr

Op de vrijeschool wordt in klas 7 – de eerste klas van de middelbare vrijeschool – een periode sterrenkunde gegeven.

*de namen met een asterisk zijn hier als sterrenbeeld te vinden; het cijfer verwijst naar het volgnummer daar.

7e klas – sterrenkunde: alle artikelen

Klaar Zicht

1175

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.