Categorie archief: kerstspelen

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1375 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

vrijeschool en vrijheid van onderwijs
bij sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

spel

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de kerstspelen (1)

.

over de volkse kerstspelen
een herinnering aan een christusfeest

blz. 9

Vor fast vierzig Jahren*, etwa zwei oder drei Tage vor Weihnachten, erzählte mir mein lieber Lehrer und väterlicher Freund Karl Julius Schröer in seinem kleinen Bibliothekszimmer in der Wiener Salesianergasse von den Weihnachtspielen, deren Aufführung in Oberufer in Westungarn er in den fünfziger Jahren des 19. Jahrhunderts beige- wohnt und die er 1862 in Wien herausgegeben hatte.
Die deutschen Kolonisten dieser Gegend haben diese Spiele aus mehr westlich gelegenen Gegenden mitgebracht und ganz ‘in alter Weise jedes Jahr um die Weihnachtszeit weitergespielt. Es sind in ihnen wahre Perlen des deutschen Volkschauspieles aus einer Zeit erhalten, die der allerersten Entstehung der modernen Bühne vorangegangen ist.
In Schröers Erzählung war etwas, das eine unmittelbare Empfindung davon erregte, wie vor seiner Seele im Anblick der Spiele ein Stück ‘Volkstum aus dem 16. Jahrhundert stand. Und er schilderte ja aus dem vollen heraus. 

Ongeveer veertig jaar geleden, zo’n twee of drie dagen voor Kerstmis, vertelde mijn goede leraar en vaderlijke vriend Karl Julius Schröer me in zijn kleine bibliotheekkamer in de Weense Salesianersteeg over de kerstspelen waarvan hij in Oberufer in West-Hongarije in de jaren vijftig van de 19e eeuw een opvoering had bijgewoond en die hij in 1862 in Wenen had uitgegeven.
De Duitse kolonisten van deze streek hebben deze spelen uit meer naar het westen gelegen streken meegebracht en elk jaar tegen Kerst in die heel oude stijl weer opgevoerd. Er zitten nog echte pareltjes van Duits volkstoneel in uit een tijd die voorafging aan het allereerste ontstaan van het moderne toneel.
In wat Schröer vertelde zat iets wat onmiddellijk een gevoel opriep van wat hij beleefde als een stukje echt volksleven bij het zien van die spelen uit de 16e eeuw. Hij schetste het met verve.

Ihm war das deutsche Volkstum in den verschiedenen österreichisch-ungarischen Gegenden ans Herz gewachsen. Zwei Gebiete waren der Gegenstand seines besonderen Studiums. Dieses Volkstum und Goethe. Und wenn er über irgend etwas aus diesen beiden Gebieten sprach, dann teilte sich nicht ein Gelehrter mit, sondern ein ganzer Mensch, der sich der Gelehrsamkeit nur bediente, um auszusprechen, was ihn mit ganzem Herzen und intensivem Lebensinhalt persönlich damit verband.
Und so sprach er damals über die bäuerlichen Weihnachtspiele. Lebendig wurden aus seinen Worten die armen Leute von Oberufer, die jedes Jahr um die Weihnachtszeit für ihre Mitbewohner zu Schauspielern sich ausbildeten. Schröer kannte dieser Leute Art. Er hat ja auch alles getan, um sie kennenzulernen. Er bereiste das ungarische Bergland, um die Sprache der Deutschen in dieser Gegend Nordungarns zu studieren. Von ihm gibt es ein «Wörterbuch der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1858); eine «Darstellung der deutschen Mundarten des ungarischen Berglandes» (1864). Man 

Hem lag die Duitse volksgemeenschap in de verschillende Oostenrijks-Hongaarse streken na aan het hart. Wat zijn bijzondere studies betrreft, waren er twee onderwerpen. Deze volksgemeenschap en Goethe. En wanneer hij over iets van deze beide sprak, was er geen geleerde aan het woord, maar helemaal een mens die zijn geleerdheid alleen maar gebruikte om uit te spreken wat hem van ganser harte en met een intense volheid des levens daarmee verbond.
En zo sprak hij toen over die kerstspelen van de boeren. Door zijn woorden kwamen de arme mensen uit Oberufer die ieder jaar tegen Kerst voor hun dorpsgenoten toneelspelers werden, tot leven. Schroër kende de aard van deze mensen. Hij had er alles aan gedaan om ze te leren kennen. Hij reisde door het Hongaarse bergland om de taal van de Duitsers in deze streek van Noord-Hongarije te bestuderen. Er bestaat een woordenboek van hem: ‘Woordenboek van Duitse dialecten in het Hongaarse bergland’ (1858); een ‘Proeve van de Duitse dialecten van het Hongaarse bergland’ (1864). Je

blz. 10

braucht nicht gerade eine Vorliebe für die Lektüre von Wörterbüchern zu haben, um von diesen Büchern gefesselt zu werden. Das äußere Gewand der Darstellung hat zunächst allerdings ‘nichts Anziehendes. Denn Schröer sucht der wissenschaftlichen Art der Germanistik seiner Zeit gerecht zu werden. Und diese Art erscheint zunächst auch bei ihm recht trocken. Überwindet man aber diese Trockenheit und geht man auf den Geist ein, der da waltet, wenn Schröer Worte, Redensarten, Wortspiele und so weiter aus den Volksdialekten mitteilt: dann vernimmt man in wahrhaft anmutigen Miniaturbildchen Offenbarungen reinster Menschlichkeit. Aber man ist nicht einmal darauf angewiesen. Denn Schröer schickt seinen Wörterbüchern und grammatikalischen Aufzählungen Vorreden voraus, die weiteste kulturgeschichtliche Ausblicke geben. In Volkstümliches, das eingestreut in anderes Volkstum und innerhalb desselben im Untergange begriffen ist, verliebt sich eine selten sinnige Persönlichkeit und schildert es, wie man eine Abenddämmerung schildert.

hoeft niet meteen een voorliefde voor woordenboeken te hebben om door die boeken geboeid te raken. De uiterlijke kant van zijn betoog heeft echt niets aantrekkelijks. Want Schröer probeert recht te doen aan de wetenschappelijke manier van Germanistiek bedrijven. En dat is ook bij hem aanvankelijk nogal droog. Overwin je echter dit droge en pak je de geest die eruit spreekt, wanneer
Schröer woorden, manieren van zeggen, het spelen met woorden enz. uit het volksdialect meedeelt: dan merk je in werkelijk prachtige miniatuurbeeldjes uitingen van een pure menselijkheid. Maar daarop ben je niet eens aangewezen. Want Schröer schrijft in zijn woordenboeken en grammaticale opsommingen een voorwoord dat een wijde blik op een verreikende cultuurgeschiedenis werpt. Aan wat het eigene van een volk is, verstrooid tussen andere volksgroepen en gedoemd om ten onder te gaan, verliest een zeldzaam gevoelige persoonlijkheid zijn hart en toont het ons, zoals een avondschemering.

Und aus dieser Liebe heraus hat Schröer auch ein Wörterbuch der Heanzen-Mundart des westlichen Ungarns geschrieben [1859] und eines der ganz kleinen deutschen Sprachinsel Gottschee in Krain [1870].
.Es war immer etwas von einem tragischen Grundton da, wenn Schröer aussprach, was er empfand, wenn er hinblickte auf dieses untergehende Volksleben, das er in Form der Wissenschaft bewahren wollte.
Zur innigen Wärme steigerte sich aber diese Empfindung, als er von den Oberuferer Weihnachtspielen sprach. Eine angesehene Familie bewahrte sie und ließ sie als heiliges Gut von Generation auf Generation übergehen. Das älteste Mitglied der Familie war der Lehrmeister, der die Spielart von seinen Vorfahren vererbt erhielt. Der suchte sich aus den Burschen des Ortes jedes Jahr, wenn die Weinlese vorüber war, diejenigen aus, die er als Spieler für geeignet hielt. Ihnen brachte er das Spiel bei. Sie mußten sich während der Lehrzeit eines Lebenswandels befleißigen, der dem Ernste der Sache angemessen war. Und sie mußten sich treulich allem fügen, was der Lehrmeister verordnete. Denn in diesem lebte eine altehrwürdige Tradition.
In einem Wirtshaus waren die Aufführungen, die Schröer gesehen

En vanuit deze betrokkenheid schreef Schröer ook een woordenboek van het Heanzendialect uit West-Hongarije (1859) en een van de heel kleine Duitse taalenclave Gottschee in Krain (1870).
Er was altijd iets van een tragische ondertoon wanneer Schröer uitsprak wat hij beleefde wanneer hij naar dit verdwijnende volksleven keek, wat hij in een wetenschappelijke vorm wilde vastleggen.
Maar dit gevoel groeide aan tot een innerlijke warmte als hij over de kerstspelen uit Oberufer sprak. Een in aanzien staande familie bewaarde die en als iets heiligs ging het van generatie op generatie over. Het oudste familielid was de leermeester die de manier van spelen van zijn voorouders erfde. Hij zocht onder de jongens uit de streek, ieder jaar wanneer de wijnoogst voorbij was, enkele uit die hij geschikt achtte als speler. Aan hen leerde hij het spel. Ze moesten tijdens de instudeertijd hun best doen zo te leven dat het paste bij de ernst van de zaak. En ze moesten zich trouw schikken in wat de leermeester wilde. Want hij was de vertegenwoordiger van de oude, eerbiedwaardige traditie.
De opvoeringen die Schröer heeft gezien,

blz. 11

hat. Aber sowohl Spieler wie Zuschauer trugen in das Haus die herzlichste Weihnachtsstimmung hinein. – Und diese Stimmung wurzei,t in einer echt frommen Hingebung an die Weihnachtswahrheit. Szenen, die zur edelsten Erbauung hinreißen, wechseln mit derben, spaßhaften. Diese tun dem Ernst des Ganzen keinen Abbruch. Sie sind nur ein Beweis dafür, daß die Spiele aus derjenigen Zeit stammen, in welcher die Frömmigkeit des Volkes so festgewurzelt im Gemüte war, daß sie durchaus neben naiver volkstümlicher Heiterkeit einhergehen konnte. Es tat zum Beispiel der frommen Liebe, in der das Herz an das Jesuskind hingegeben war, keinen Eintrag, wenn neben der wunderbar zart gezeichneten Jungfrau ein etwas tölpischer Joseph hingestellt wurde oder wenn der innig charakterisierten Opferung der Hirten eine derbe Unterhaltung derselben mit drolligen Späßen voranging. Diejenigen, von denen die Spiele herrührten, wußten, daß der Kontrast mit der Derbheit die innige Erbauung bei dem Volke nicht herabstimmt, sondern erhöht. Man kann die Kunst bewundern, welche aus dem Lachen heraus die schönste Stimmung frömmster Rührung holt und gerade da- durch die unehrliche Sentimentalität fernhält.

vonden plaats in een herberg. De spelers, maar ook de toeschouwers brachten daar de warmste kerststemming mee naartoe. – En deze stemming is geworteld in een echt diepgelovige devotie voor de waarheid van Kerstmis. Scènes die het gemoed tot de puurste aandacht voeren, worden afgewisseld met wat minder fijngevoelige grappen. Die doen geen afbreuk aan de ernst van het geheel. Ze zijn er slechts een bewijs van dat de spelen uit een tijd stammen waarin de vroomheid van een volk zo vast in het gemoed wortelt dat die heel goed samen kon gaan met een naïve volkse vrolijkheid.
Het deed bijv. de gelovige liefde waarmee het hart toegewijd was aan het Jezuskind geen afbreuk, wanneer naast de wonderlijk teer aangeduide jonkvrouw, een wat sukkelige Jozef stond of wanneer aan de innige opvoering van de gaven aan het kind door de herders, hun wat lompere conversatie met potsierlijke grappen voorafging. Degenen van wie de spelen kwamen, wisten dat de tegenstelling van wat minder fijngevoelig is, de puurste aandacht niet in der eg staat, maar intenser maakt. Je kan de kunst bewonderen die vanuit de lach de stemming van het puurste aangedaan zijn laat ontstaan en juist daardoor blijft vals sentiment achterwege.

Ich schildere, indem ich dies schreibe, den Eindruck, den ich empfing, nachdem Schröer, um seine Erzählung zu illustrieren, das Büchelchen aus seiner Bibliothek hervorgeholt, in dem er die Weihnachtspiele mitgeteilt hatte und aus denen er mir nun Proben vorlas. Er konnte darauf hinweisen, wie der eine oder der andere Spieler in Gesichtsausdruck und Gebärde sich verhielt, wenn er dieses oder jenes sprach. Schröer gab mir nun das Büchelchen mit (Deutsche Weihnachtspiele aus Ungarn, geschildert und mitgeteilt von Karl Julius Schröer Wien 1 858I62); und ich durfte, nachdem ich es durchgelesen hatte, ihn noch oft über vieles fragen, was mit der Spielart des Volkes und dessen ganzer Auffassung von dieser besonderen Weise, Weihnachten und das Dreikönigsfest zu feiern, zusammenhing.
Schröer erzählt in seiner Einleitung zu den Spielen: «In der Nähe von Preßburg, eine halbe Stunde Weg zu fahren, liegt auf einer VorInsel zur Insel Schütt das Dörfchen Oberufer, dessen Grundherrschaft die Familie Palfy ist. Die katholische sowohl wie die protestantische Gemeinde daselbst gehören als Filialen zu Preßburg und haben ihren 

Ik schets, wanneer ik dit zo beschrijf, de indruk die het op mij maakte, nadat Schröer, om zijn verhaal te illustreren, het boekje uit zijn bibliotheek tevoorschijn haalde, waarin hij de kerstspelen opgeschreven had en waaruit hij mij nu stukjes voorlas. Hij kon aangeven hoe de ene of de andere speler met een gezichtsuitdrukking of een gebaar acteerde wanneer hij dit of dat sprak. Schröer gaf mij dat boekje toen mee (Duitse kerstspelen uit Hongarije, gekarakteriseerd en meegedeeld door Karl Julius Schröer Wenen 1858/62) en ik mocht, nadat ik het gelezen had hem over veel nog vragen stellen m.b.t. de manier van dit volkse spelen en de hele opvatting van deze bijzondere manier om zo Kerstmis en Driekoningen te vieren.
Schröer vertelt in zijn inleiding tot de spelen: ‘In de buurt van Pressburg, een half uurtje rijden, ligt op een vooreilandje bij het eiland Schütt het dorpje Oberufer, waarvan de familie Palfry eigenaar is. De katholieke als ook de protestantse gemeente horen als afdelingen bij Pressburg en houden hun

blz. 12

Gottesdienst in der Stadt. Ein Dorfschulmeister für beide Gemeinden ist zugleich Notär, und so sind denn in einer Person alle Honoratioren des Ortes vereinigt. Er ist den Spielen feind und verachtet sie, so daß dieselben bis auf unsere Tage unbeachtet und völlig isoliert von aller von Bauern ausgingen und für Bauern aufgeführt wurden. Die Religion macht dabei keinen Unterschied, Katholiken und Protestanten nehmen gleichen Anteil bei der Darstellung sowohl als auch auf den Zuschauerplätzen. Es gehören die Spieler jedoch demselben Stamme an, der unter dem Namen der Haidbauern bekannt ist, im 16. oder zu Anfang des 17. Jahrhunderts aus der Gegend am Bodensee (Schröer stellt in einer Anmerkung das nicht als ganz gewiß hin) eingewandert und noch 1659 ganz protestantisch gewesen sein soll … In Oberufer ist nun der Besitzer der Spiele seit 1827 ein Bauer; er hatte schon als Knabe den Engel Gabriel gespielt, dann von seinem Vater, der damals der Spiele war, die Kunst geerbt. Von ihm hatte er die Schriften, die auf Kosten der Spieler angeschafften und instand gehaltenen Kleidungen und anderen Apparat geerbt, und so ging denn auch auf ihn die Lehrmeisterwürde über.»

diensten in de stad. Een dorpsschoolmeester voor de beide gemeenten is tegelijkertijd notaris en op deze manier zijn alle notabelen van de plaats in één persoon verenigd. Hij moet die spelen niet en verafschuwt ze, zodat ze tot nu toe door de gehele ‘intelligentsia’ niet worden opgemerkt en volledig los daarvan, van boeren uitgaan en voor boeren worden opgevoerd. De godsdienst doet er niet toe, katholieken en protestanten hebben een gelijk aandeel bij de uitvoeringen en ook bij het aantal zitplaatsen. Immers, de spelers behoren tot dezelfde volksgroep die onder de naam Haidboeren bekend staat, in de 16e of in het begin van de 17e eeuw uit de omgeving van het Bodenmeer (Schröer zegt in een voetnoot dat dat niet helemaal zeker is) geïmmigreerd en die zou in 1629 nog protestants geweest zijn….In Oberufer is degene die nu sinds 1827 de spelen in zijn bezit heeft een boer; hij had als jongen al de engel Gabriël gespeeld, toen van zijn vader, die toen ‘leermeester’ van de spelen was, de kunst geërfd. Van hem had hij de rollen, op kosten van de spelers aangeschaft en de bewaarde kleding en andere voorwerpen geërfd en zo ging dan op hem de waardigheid van de leermeester over.’

Wenn die Zeit zum Einüben gekommen ist, «wird abgeschrieben, gelernt, gesungen, Tag und Nacht. In dem Dorfe wird keine Musik gelitten. Wenn die Spieler über Land gehen, um in einem benachbarten Ort zu spielen, und es ist Musik da, so ziehen sie weiter. Als man ihnen zu Ehren in einem Orte einmal die Dorfmusikanten aufspielen ließ, fragten sie entrüstet: ob man sie für Komödianten halte? … Die Spiele dauern vom ersten Advent bis heiligen Dreikönig. Alle Sonntag und Feiertag wird gespielt; jeden Mittwoch ist eine Aufführung zur Übung. An den übrigen Werktagen ziehen die Spieler über Land auf benachbarte Dörfer, wo gespielt wird… Ich halte die Erwähnung dieser Umstände deshalb für wichtig, weil aus ihnen ersichtlich wird, wie auch gegenwärtig noch eine gewisse Weihe mit der Sache verbunden ist.»
Und wenn Schröer über die Spiele sprach, so hatten seine Worte noch einen Nachklang von dieser Weihe.
Ich mußte, was ich damals durch Schröer aufnahm, im Herzen behalten. Und nun spielen Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft seit einer Reihe von Jahren zur Weihnachtszeit diese Spiele. 

Wanneer de tijd van de repetities aanbrak, ‘wordt er overgeschreven, geleerd, gezongen, dag en nacht. In het dorp verdraagt men geen muziek. Wanneer de spelers door het land trekken om in een buurdorp te spelen en er wordt daar muziek gemaakt, trekken ze verder. Toen men te hunner ere eens in een dorp de dorpsmuzikanten liet spelen, vroegen ze gepikeerd: of ze misschien voor komedianten aangezien werden?….De spelen duren van de eerste advent tot aan Driekoningen. Elke zondag en feestdagen wordt er gespeeld; iedere woensdag is er een ‘try-out’. Op de andere werkdagen trekken de spelers door het land naar buurdorpen, waar wordt gespeeld…..Ik vind het noemen van deze feiten belangrijk, omdat daaruit blijkt hoe ook tegenwoordig nog een zekere gewijde ernst met de zaak is verbonden.”
En wanneer Schröer over de spelen sprak, klonk er in zijn woorden nog iets van deze wijding door.
Ik moest, wat ik toen van Schröer hoorde, in mijn hart bewaren. En nu spelen leden van de Antroposofische Vereniging al sinds jaren met de Kerst deze spelen.

blz. 13

Während der Kriegszeit durften sie sie auch den Kranken in den Lazaretten vorspielen. Wir spielen sie auch seit Jahren um jede Weihnachtszeit im Goetheanum in Dornach. Auch dieses Jahr wird es wieder so sein. Es wird, soweit das bei den veränderten Verhältnissen möglich ist, streng darauf gesehen, daß Spielart und Einrichtung dem Zuschauer ein Bild geben, wie es diejenigen vor sich hatten, die im Volksgemüt diese Spiele festgehalten und als eine würdige Art, Weihnachten zu feiern, angesehen haben.
Weihnachten 1922    Rudolf Steiner

Tijdens de oorlog mochten ze deze ook spelen voor de zieken in de veldhospitalen. We spelen ze sinds een paar jaar rond iedere Kerst ook in het Goetheanum in Dornach. Dat zal ook dit jaar weer zo zijn. Er zal, voor zover dat door de veranderde omstandigheden mogelijk is, streng op worden toegezien dat de manier van spelen en de enscenering de toeschouwer een beeld geven, zoals diegenen dat voor zich hadden, die in hun volkse ziel deze spelen hebben bewaard en als een waardige manier om Kerstmis te vieren, hebben opgevat.

Kerstmis 1992  Rudolf Steiner

.

Rudolf Steiner: toespraak bij de opvoering van het kerstspel  6 jan. 1918

Kerstspelen: alle artikelen

.

1388

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de kerstspelen (1-5)

.

In GA 274 [1] staan de toespraken die Rudolf Steiner hield ter gelegenheid van de opvoering van de Kerstspelen.

In de loop van de tijd zullen die op deze blog verschijnen.

 

Toespraak 6 januari 1918 

blz. 43

Im Namen aller derjenigen, die an dem Bau beschäftigt sind und an den Arbeiten am Bau> und im Namen all derjenigen, die in unserer Anthroposophischen Gesellschaft mitarbeiten, habe ich Ihnen als unseren lieben Gästen herzlichen Willkommgruß zu sagen und Ihnen unsere große Freude darüber auszudrücken, daß Sie diese unsere anspruchslosen Spiele – Weihnachtspiele – einmal ansehen wollen. Ich werde mir nur erlauben, ein paar Worte über diese Spiele vorauszuschicken und darf dabei an die Art und Weise anknüpfen, wie wir eigentlich zu diesen Spielen gekommen sind, deren Aufführung in einem gewissen loseren Zusammenhang steht mit unseren Bestrebungen, die aber, wie Sie dann bemerken werden, doch wiederum sich in richtiger Weise in unsere Bestrebungen eingliedern.
Diese Spiele, die wir Ihnen vorführen werden, stammen aus der ehemaligen deutschen Gegend Oberungarns, des westlichen Oberungarns, von Oberufer. 

Namens allen die bij de bouw van het Goetheanum zijn betrokken en namens allen die meewerken in onze Anthroposofische Vereniging heet ik u als onze beste gasten van vanavond hartelijk welkom en spreek ik onze grote vreugde uit dat u naar onze pretentieloze spelen, de Kerstspelen, wil komen kijken.

Ik ben zo vrij om van tevoren een paar woorden over deze spelen te zeggen en zou wel willen aanknopen bij de manier, waarop wij eigenlijk tot het opvoeren van deze spelen zijn gekomen. Een opvoering, die min of meer los staat van onze doelstellingen, maar die toch, zoals u wel zal merken, weer op de juiste manier daarin past.

De spelen die wij voor u gaan opvoeren, zijn afkomstig uit Boven-Hongarije, uit het westelijk gelegen dorpje Oberufer dat vroeger door Duitsers werd bewoond.

Sie sind durch Einwanderer nach Oberufer gekommen, die von mehr westlichen Gegenden nach diesem östlichen Teil von Mitteleuropa, wahrscheinlich schon im 16. Jahrhund,ert, mindestens im Beginne des 17. Jahrhunderts hingewandert sind. Gerade durch diesen Umstand, daß sie in dieser deutschen Kolonie gefunden worden sind, sind sie ganz besonders interessant; interessanter als ähnliche andere Weihnacht- und Osterspiele, die man ja zahlreich, besonders jetzt, da und dort aufgeführt kennenlernen kann. Dasjenige, was wir Ihnen vorführen, hat mein verehrter alter Freund, der jetzt schon längst verstorbene Karl Julius Schröer in den fünfziger und sechziger Jahren des 19. Jahrhunderts in Oberufer in der Nähe von Preßburg unter den Bauern dort gesammelt. Das heißt, er hat von seinem Wohnsitz, von Preßburg aus erfahren, daß die vor Jahrhunderten eingewanderten sogenannten deutschen Haidbauern, wenn die Weihnachtszeit herannahte, gewisse Spiele auf die Art aufführen, wie ich es dann sogleich schildern werde. Er hat dann öfter teilgenommen an solchen Spielen. Sie haben ihm sehr gefallen, und er hat dann das aufschreiben

Deze immigranten hebben ze meegebracht toen zij, waarschijnlijk in de 16e eeuw al, maar zeker wel in het begin van de 17e uit westelijke streken naar dit oostelijke deel van Midden-Europa trokken.
Juist het feit dat ze in deze Duitse kolonie bewaard gebleven zijn, maakt ze bijzonder interessant. Interessanter dan de vele andere oude kerst- en paasspelen waarmee we kennis kunnen maken omdat ze in deze tijd her en der worden opgevoerd. Wat wij hier voor u ten tonele brengen, heeft mijn vereerde oude vriend, Karl Julius Schröer, die al lang geleden gestorven is, in de vijftiger en zestiger jaren van de 19e eeuw verzameld onder de boerenbevolking in de buurt van Presburg. Hij woonde namelijk in Presburg en ontdekte dat de zogenaamde Duitse ‘Haidboeren’, die eeuwen geleden naar deze streek waren getrokken en zich daar hadden gevestigd, in de kersttijd bepaalde oude spelen opvoerden, en wel op een manier, die ik u hierna zal beschrijven. Hij was vaak bij die opvoeringen. Hij was enthousiast en heeft toen de rollen overgeschreven

blz. 44

können, was die einzelnen Bauern, die Mitspieler waren, als Rollen solcher Spiele sich abgeschrieben haben. Und dann hat er die Stücke zusammenstellen können.
Die Absicht war bei Karl Julius Schröer, das, was als Geistesgut in solchen Gegenden aus uralten Zeiten – denn es sind ja für solche Dinge uralte Zeiten – sich erhalten hat, zu bewahren. Denn die Zeiten, in denen Karl Julius Schröer diese Spiele dort gefunden hat, waren auch diejenigen, in denen schon diese alte Kultur am Zugrundegehen war, durch die neuere Form ersetzt worden ist. Und alle diejenigen ähnlichen Spiele, die mehr im Westen von Europa aufgeführt werden und die einen, wenn man nur ein gröberes Nachempfinden hat, ja erinnern können an die älteren Weihnachtspiele, wie wir sie heute hören und sehen werden, sind deshalb weniger interessant, weil sie in den Gegenden, in denen sie aufgeführt worden sind, später von Jahrzehnt zu Jahrzehnt immer mehr verändert, man möchte sagen, immer mehr modernisiert worden sind, so daß man in ihnen nicht mehr die echte, vorbildliche Gestalt hat.

van de boeren die meespeelden. Zo heeft hij de verschillende delen kunnen samenvoegen tot één geheel. Het was Schröers bedoeling dit geestesgoed uit oeroude tijden – want voor dit soort spelen kunnen we inderdaad wel spreken van oeroude tijden – te behoeden. Immers, in die tijd dat Karl Julius Schröer deze spelen ontdekte, was deze oude cultuur al bezig te verdwijnen en kwamen er nieuwe vormen voor in de plaats.

Alle soortgelijke spelen, die nog meer in het westen van Europa worden opgevoerd en die ons, oppervlakkig beschouwd, doen denken aan de oude Kerstspelen die wij vandaag zullen horen en zien, zijn daarom minder interessant, omdat ze ieder jaar ’n klein beetje werden veranderd, ik zou zelfs willen zeggen: gemoderniseerd. Ze zijn niet meer authentiek.

Dagegen haben wir die echte Gestalt, die diese Spiele noch im 16. Jahrhundert hatten, in den Spielen der Bauern in den Zipser und in den sonstigen Gegenden Ungarns erhalten, wo sich deutsche Bauern angesiedelt haben und deutsche Kultur wie eine Art Kulturferment erhalten hat. Es war so, daß diese Menschen von Jahrzehnt zu Jahrzehnt diese Spiele in der wörtlich gleichen Weise fortgespielt haben und daß man sie daher im 19. Jahrhundert noch so finden konnte, wie sie im 16. Jahrhundert dort eingeführt worden sind. Deshalb sind gerade diese Spiele, die wir hier in diesem schwachen Versuch Ihnen vorzuführen trachten, besonders interessant.
Die Einrichtungen, die Karl Julius Schröer dazumal vorgefunden hat, waren diese, daß irgendeine Familie im Dorfe Oberufer – Oberufer ist auf einer Vorinsel der Insel Schütt, die gebildet wird von der Donau gleich unterhalb Preßburgs und ist von Preßburg soweit entfernt, daß man es mit einer Droschke bereits in einer halben Stunde erreichen kann -, in diesem Orte Oberufer, der dazumal ein reiches Bauerndorf war, da hatte in der Regel eine angesehene Bauernfamilie diese Spiele im Besitz. Und wenn die Erntearbeiten im Herbste vorüber waren, da versammelte der Bauer diejenigen Menschen, ältere und jüngere 

Daarentegen is de oorspronkelijke vorm die deze spelen in de 16e eeuw nog hadden, bewaard gebleven bij de Duitse boeren die zich in Hongarije hadden gevestigd en die daar een stukje Duitse cultuur vertegenwoordigden. Deze mensen hebben namelijk gedurende tientallen jaren deze spelen woordelijk op dezelfde manier gespeeld. Daarom trof men ze in de 19e eeuw nog precies zo aan als ze in de 16e eeuw waren geïntroduceerd. En daarom ook zijn deze spelen, die wij nu als een bescheiden poging van ons kunnen, voor u ten tonele zullen brengen, bijzonder interessant.

Het dorpje Oberufer is gelegen op een eilandje vóór het eiland Schütt, dat gevormd wordt door de Donau, direct onder Presburg. Het is niet zo ver van Presburg, met een rijtuig kan je het in een half uur bereiken.

Karl Julius Schröer trof in Oberufer, dat toentertijd een rijk boerendorp was, een van de voorname boerenfamilies aan, die van oudsher in het bezit waren van de spelen. Wanneer in de herfst de oogst binnen was, verzamelde de boer de mensen, jongens en

blz. 45

Burschen des Ortes, die mitspielen sollten. Frauen durften nicht mitspielen, das muß ich ausdrücklich bemerken, was hier natürlich aus leicht begreiflichen Gründen in unserer heutigen Aufführung anders sein muß. Die älteren und jüngeren Burschen, die mitspielen sollten, mußten im Oktober, November bis Advent hin ihre Rollen lernen. Daß diese Spiele mit einem großen Ernste, aber ohne jede Sentimentalität aufgeführt wurden, sieht man insbesondere aus folgendem. Es handelte sich keineswegs darum, eine bloße Komödie zu spielen, sondern diejenigen Burschen, die mitspielen sollten, mußten Bedingungen erfüllen, die vielleicht für manche Burschen gar nicht so leicht waren. Sie mußten sich verpflichten, ein ganz ehrsames Leben zu führen durch all die Wochen hindurch, in denen sie sich auf die Spiele vorzubereiten hatten; in der ganzen Zeit, wie man sagte, keine Schelmenlieder zu singen und so weiter. Außerdem während all dieser Zeit aufs Wort streng den Anordnungen zu folgen, die ihnen der Meister des Spieles gab. Unter diesen Bedingungen wurden dann die Rollen ausgeteilt und eingelernt. Auch die Rollen der Maria und der Eva hatte immer ein jüngerer Bursche.

mannen uit het dorp, die moesten meespelen. De vrouwen mochten niet meedoen, dat moet ik uitdrukkelijk vermelden, maar hier bij onze opvoering ligt dat natuurlijk om begrijpelijke redenen anders.

De jongelui die meespeelden, moesten in oktober, november, tot aan de adventstijd hun rollen leren. Dat deze spelen met grote ernst en waardigheid, maar zonder enige sentimentaliteit werden opgevoerd, blijkt wel heel duidelijk uit het volgende.

Het ging er helemaal niet om ‘zomaar een toneelstuk’ op te voeren. De spelers moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen, die wellicht voor veel jongens helemaal niet zo gemakkelijk waren. Zij waren verplicht ‘een eerzaam leven te leiden’ gedurende alle weken, waarin ze zich voorbereidden op de spelen. In die tijd mochten ze geen schelmenliederen zingen, enzovoorts. Bovendien moesten ze woordelijk de voorschriften van de meester opvolgen. Onder deze voorwaarden werden dan de rollen verdeeld en ingestudeerd. Ook de rollen van Maria en Eva, die altijd door jongere knapen werden gespeeld.

Wenn dann die Weihnachtszeit herankam, wenn alle alles gelernt hatten, dann ist das so eingeleitet gewesen, daß sich der Engel, den Sie hier auch sehen werden, welcher die ganze Kumpanei mit einem Stern anführte, ankleidete, daß von dem Lehrmeisterhaus aus sich der Zug der Mitspielenden in Bewegung setzte. Der Engel war schon angezogen, die anderen Mitspielenden waren vom Lehrmeisterhaus aus noch nicht angezogen; die Mitspielenden trugen dann voran einen großen, wie man sagte, Kranawittbaum, das ist ein Wacholderbaum, der als Weihnachtsbaum diente. So zogen sie, allerlei Weihnachtslieder absingend, vom Meisterhaus nach dem Wirtshaus, wo die Sachen gespielt werden sollten.
Während sie mit ihrem großen Baum dahinzogen, war mittlerweile der Teufel, der auch schon angezogen war und den Sie auch in den Spielen kennenlernen werden, damit beschäftigt, allerlei dummes Zeug zu treiben. Er lief durch das ganze Dorf mit einem Kuhhorn, durch das er fürchterlich tutete, und schrie zu allen Fenstern hinein, die Leute müßten zum Spiele kommen. Wenn ein Wagen vorbeikam, sprang der 

Als dan de kersttijd naderde en alles was ingestudeerd, konden de opvoeringen beginnen. Eerst ging de engel — die u hier ook zal zien —, die met de ster de hele ‘kompany’ leidde, zich verkleden en vanaf het huis van de meester zette de stoet van spelers zich in beweging. De engel was dus al verkleed, de andere spelers nog niet. Voorop droeg men een grote zogenaamde ‘Kranawitt-boom’, dat is een jeneverbes, die als kerstboom fungeerde. Zo trokken ze onder ’t zingen van allerlei kerstliederen, van het huis van de meester naar de herberg, waar de spelen zouden worden opgevoerd. Terwijl ze met hun grote boom voorop onderweg waren, was de duivel, die u ook in de spelen zal leren kennen, inmiddels ook al verkleed en druk bezig allerlei geintjes uit te halen. Met een koehoorn, waar hij verschrikkelijk hard op blies, liep hij door het dorp en schreeuwde door alle ramen, dat de mensen naar de
spelen moesten komen kijken. Als er een wagen voorbijkwam, sprong

blz. 46

Teufel auf den Wagen hinauf und rief und tutete von oben herunter und dergleichen mehr. Dann bewegte sich dieser ,Zug nach und nach zum Gasthause hin. Da war es so angeordnet, daß auf einer Anzahl in Hufeisenreihen aufgestellten Stühlen die Gäste untergebracht wurden. In der Mitte war der Spielplatz, die Bühne. Und dann wurden diese Spiele aufgeführt, die wir hier sehen und hören werden. Es ist in der Regel zuerst das Hirten-Spiel aufgeführt worden, das Sie hier als zweites sehen werden. Also in Wirklichkeit wurde es in Oberufer als erstes aufgeführt; wir hier führen es als zweites auf. Dann folgte das Paradeis-Spiel, das wir als erstes aufführen. Und dann folgte das, was wir bis jetzt nicht aufführen konnten, weil wir es bis jetzt nicht gelernt haben, vielleicht auch noch einmal aufführen werden: dann folgte ein Fastnacht-Spiel. So wie schon im alten Griechenland auf die ernsten Aufführungen ein sogenanntes Satyr-Spiel, ein komisches Spiel folgte, folgte da auch ein Fastnacht-Spiel. Es ist interessant, daß diejenigen Personen, welche die heiligen Personen spielten, ein gewisses Ansehen dadurch hatten, daß sie die heilige Maria und den Joseph und die anderen spielten, und daß diese nicht im Fastnacht-Spiel mitspielen durften. 

hij erop en schreeuwde en toeterde van boven af, en meer van zulke streken. Vervolgens trok de stoet langzaam op naar de herberg. Daar stonden de stoelen in een hoefijzervorm opgesteld en zaten de toeschouwers al te wachten. In het midden was het toneel en daar werden de spelen opgevoerd, zoals wij ze ook hier zullen zien en horen. Als regel begon men met het Herdersspel dat u hier als tweede spel zal zien.
Daarna volgde het Paradijsspel, dat wij als eerste opvoeren. En dan kwam er een spel, dat wij tot nu toe niet konden opvoeren, omdat we het nog niet hebben ingestudeerd, maar dat we misschien ook nog wel eens zullen doen: een Vastenavondspel. Zoals in het oude Griekenland al op de eerste twee spelen een zogenaamd saterspel volgde, een komisch stuk, zo volgde hier een vastenavondspel. Het is interessant dat degenen die de heilige personen uitbeeldden, in zeker opzicht in hoog aanzien stonden. Omdat ze de heilige Maria en Jozef of een van de anderen speelden, mochten zij niet aan het vastenavondspel meedoen.

Also die Sache wurde schon heilig gehalten. Die Spiele fanden dazumal unter den Bauern von Oberufer einen großen Beifall. Nur: die ganze Intelligenz – wie das ja bei solchen Dingen schon manchmal so ist – war der Aufführung dieser Spiele feindlich gesinnt. Diese Intelligenz glaubte, daß es nichts Gebildetes ist, was richtig der Aufführung entspricht. Also, die ganze Intelligenz war dagegen. Es war nur gut für das Dorf, daß diese ganze «Intelligenz» bloß aus dem Schulmeister, dem Notar und dem Gemeindevorstandsbeamten bestand. Aber die waren alle in einer einzigen Person versammelt. So daß diese Intelligenz zwar einstimmig versammelt war, aber sie bestand eben nur aus einer Person.
Diese Spiele wurden aufgeführt. Sie sind im Grunde die echte Fortsetzung der Spielweise von solchen Dingen, wie sie seit Jahrhunderten durch ganz Europa gingen, damals in diesen Tagen sich aber verloren hatten. Wir können nachweisen, daß schon im 12. Jahrhundert ein Adam und Eva-Spiel durch ganz Europa gespielt wurde. Beim Konstanzer Konzil 1417 wurde vor dem Kaiser ein solches Weihnacht

Het ging hier werkelijk om een heilige zaak!
De boeren van Oberufer waren destijds altijd enthousiast over de spelen. Alleen de ‘intelligentsia’ – zoals dat bij zulke dingen wel meer ’t geval is — stond er vijandig tegenover. Die geloofde, dat dergelijke vertoningen weinig of niets kunnen bijdragen tot de beschaving. Daarom was men er fel op tegen. Gelukkig voor de dorpsbewoners bestond deze hele ‘intelligentsia’ slechts uit de schoolmeester, de notaris en de gemeenteambtenaar. Bovendien waren die in één persoon verenigd, zodat ze, letterlijk en figuurlijk éénstemmig, zich kantten tegen de spelen.
Deze kerstspelen zijn dus in feite een regelrechte voortzetting van de manier waarop dergelijke spelen al sinds eeuwen in heel Europa werden gespeeld, maar die in onze dagen helaas verloren is gegaan.
We kunnen aantonen dat al in de 12e eeuw in heel Europa een Adam en Evaspel werd gespeeld. Bij het Concilie van Konstanz in 1417 werd voor de Keizer ook

blz. 47

spiel in Konstanz vorgespielt. Sie werden an einer Stelle des Spieles sehen, wo vom Rhein die Rede ist, daß sich das darauf bezieht, daß die Spiele wirklich aus einer westlicheren Gegend stammen und in Ungarn eingeführt worden sind. In Ungarn wurden sie von den Bauern rein erhalten, wie sie waren. Dadurch tragen die Spiele wirklich ihren Ursprung an der Stirne, möchte ich sagen, der Jahrhunderte bis heute.
Manches hat sich auch im Laufe der Zeit seit dem 16. Jahrhundert etwas geändert, zum Beispiel die drei Hirten, die Sie sehen werden, gibt es in dem ältesten Spiel auch schon, aber die drei Wirte sind in dem Spiel, wie es nicht mehr in Oberufer gespielt worden ist, nicht drei Wirte gewesen, sondern ein Wirt, seine Frau, die Wirtin, und eine Magd.
Nun werden Sie zwei von unseren Wirten hier sehen, die recht grausam sind, die Maria und Joseph zurückweisen; der dritte wird dann milde sein. Im allerursprünglichsten Spiel war es der Wirt, der Joseph und Maria nicht annahm, sondern hinauswarf; die Wirtin nahm sie ebenfalls nicht auf; nur die Magd wies Joseph und Maria den Stall an. 

zo’n kerstspel opgevoerd. Op een bepaald ogenblik in het spel zal u horen dat er sprake is van de Rijn. Dat is een bewijs dat de spelen werkelijk uit westelijker streken stammen en in Hongarije zijn geïntroduceerd. Daar werden ze door de boeren in hun oorspronkelijke vorm gehandhaafd. Ze verloochenen hun afkomst niet en hebben die tot op heden door de eeuwen heen bewaard.

Anderzijds is er toch ook wel in de loop van de tijd, sinds de 16e eeuw, een en ander veranderd. De drie herders die u ziet, waren er in het alleroudste spel ook al, maar er waren bij voorbeeld vroeger geen drie verschillende waarden. Toen was er slechts één waard, en de waardin en een dienstmaagd.
Hier ziet u twee waarden, die echt onmenselijk zijn. Ze wijzen Jozef en Maria de deur. De derde is dan de ‘goede waard’. In het oorspronkelijke spel was het de waard, die voor Jozef en Maria geen plaats had en ze zelfs weer op straat zette; ook de waardin nam hen niet op. Alleen de dienstmaagd wees Jozef en Maria de stal.

Zum Beispiel, als die Dinge in Oberufer anfingen, hatte man nicht das nötige Material; man mußte natürlich immer ganz junge Burschen haben, um sie für die Rolle der Maria oder die der Wirtin zu verwenden. Die hatte man oft nicht genug, und die Rollen mußten von älteren Burschen übernommen werden. Davon rührte es offenbar her, daß Wirt, Wirtin und Magd in einen Wirt und noch zwei weitere Wirte verwandelt wurden. Diese Spiele hatten und haben durch die Jahrhunderte viele Umwandlungen erfahren. Die Zuschauer, die zu den Spielen dann kommen sollten – sie waren immer am Mittwoch und an den Sonntagen zwischen drei und fünf Uhr nachmittags gespielt -, mußten zwei Kreuzer bezahlen, also vier RapPen; Kinder die Hälfte. Und die Aufführungen wurden, wie gesagt, ohne Sentimentalität, aber mit einem gewissen wirklichen moralischen Ernst aufgefaßt. Das geht schon daraus hervor – das hat zum Beispiel Schröer selbst einmal er- lebt -, daß sich die Mitspielenden einmal geweigert haben in einem Dorfe zu spielen – sie zogen dann auch in der Nachbarschaft herum, um dort die Spiele aufzuführen -, wo sie von einer Musikbande empfangen wurden. Da haben sie gesagt: Glaubt Ihr vielleicht, daß wir 

Toen ze in Oberufer begonnen met het opvoeren van de Kerstspelen, waren er bij voorbeeld niet altijd genoeg geschikte spelers. Iemand die Maria of de waardin speelde, moest een jonge jongen zijn. Die waren er vaak niet en deze rollen moesten dan door oudere knapen worden bezet. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men daarom de waard, de waardin en de dienstmaagd maar veranderd in één waard en nog twee andere.

Het publiek dat elke woensdag en zondag tussen drie en vijf uur kon komen kijken, moest twee ‘kruisers’ per persoon betalen, vier rappen dus, kinderen half geld.

Zoals gezegd getuigden de opvoeringen van een zekere morele ernst, zonder sentimentaliteit. Zo heeft Schröer het bij voorbeeld zelf eens meegemaakt, dat de spelers een keer geweigerd hebben om op te treden in een dorp — ze trokken ook naar de omliggende dorpen, om daar te spelen – waar ze door een troep muzikanten welkom geheten werden. Ze zeiden: ‘Denken jullie soms,

blz. 48

Komödianten sind? Das lassen wir uns nicht gefallen! – Und haben die Sachen nicht aufgeführt. Sie wollten die Sache als eine ganz ernste Sache behandelt wissen.
Und wenn dann die Spiele ihren Eindruck gemacht hatten auf die Leute, dann kann man sagen, daß in diesen Gegenden wirklich die Erinnerung an dasjenige, was diese Spiele zu sagen hatten als ein
fache, schlichte Wiedergabe der biblischen Erzählungen, sehr, sehr lange und schön nachhielt. Es war wirklich eine Feier des Weihnachts- festes für diese Dörfer, welche einen ganz ungeheuer bedeutsamen moralischen und sozialen Einfluß hatte, in die Gemüter der Menschen tief, tief hineinwirkte.
Karl Julius Schröer hat diese Spiele gesammelt; sie sind nun gedruckt. Aber es ist sehr bedeutsam, daß Schröer schon die Manuskripte, die nachgeschrieben wurden, nicht mehr bei den deutschen Leuten gefunden hat, sondern bei einem Bauern, der Malatitsch hieß, also bei einem slawischen Bauern. Es war schon die neuere Zeit über dasjenige hingeflutet, was eigentlich die ganze Konfiguration des österreichischen Staates durch Jahrhunderte hindurch bewirkt hat. 

dat we komedianten zijn? Dat nemen we niet!’ — En ze hebben het spel niet opgevoerd, want ze wilden dat de spelen heel ernstig werden genomen.

De spelen maakten een diepe indruk op de bewoners van deze streken en het was werkelijk zo, dat deze eenvoudige, onopgesmukte weergave van de bijbelse verhalen heel lang een mooie herinnering achterliet. Voor deze dorpen gaven de Kerstspelen, waarvan een bijzonder belangrijke morele en sociale invloed uitging die diep, zeer diep op het gevoel inwerkte, een extra dimensie aan de feestelijke kersttijd.

Karl Julius Schröer heeft deze spelen verzameld en ze zijn nu ook in druk verschenen. Het is echter een teken aan de wand dat Schröer destijds de handschriften, die werden gekopieerd, al niet meer bij de Duitsers heeft gevonden, maar bij een Slavische boer, een zekere Malatitsch. De moderne tijd deed reeds zijn invloed gelden op datgene wat de Oostenrijkse staat in de loop der eeuwen had bewerkstelligd.

Die Staatshäupter Ungarns und Österreichs haben selbst immer Aufrufe erlassen, weil sie den Einfluß der westdeutschen Kultur brauchten. Daraufhin sind dann Bauern hingezogen, und es entstanden diese Kolonien, diese deutschen Kolonien in der Zipser Gegend, in der Banater Gegend. Auch nach anderen Gegenden, nach den böhmischen Gegenden, nach Siebenbürgen> zogen diese Menschen. Sie bildeten überall einen Kultureinschlag, der steckt in dem anderen drinnen, ist aber in der neueren Zeit von dem überflutet, was darübergegangen ist. Schröer ist einer derjenigen Menschen, die das deutsche Volkstum in den österreichischungarischen Gegenden studierten. Ich habe in seiner Gesellschaft vor Jahrzehnten kennengelernt, wie er den Spuren dieser alten Kultur inmitten Österreichs nachgegangen ist, und es ist mir in einer sehr bedeutsamen Erinnerung, was ich an seiner Seite gerade über diese Kultur und ihre Entwickelung dazumal habe kennenlernen können. Schröer hat nicht nur diese Weihnachtspiele gesammelt, sondern er hat Grammatiken, Wörterbücher zusammengestellt aus den Mundarten und Dialekten in den verschiedenen Gegenden Oösterreichs, in Westungarn, im 

De staatshoofden van Hongarije en Oostenrijk zelf hebben altijd de mensen opgeroepen om te immigreren, omdat ze de invloed van de Westduitse cultuur nodig hadden. Daarop zijn de boeren daarheen getrokken en er ontstonden Duitse nederzettingen, Duitse gemeenschappen in de omgeving van Zips en Banat. Ze trokken ook naar andere streken, naar Bohemen en Siebenburgen. Ze brachten hun eigen cultuur mee die van invloed was op de aldaar reeds gevestigde. Maar op den duur kon deze nieuwe impuls zich toch niet handhaven en werd door de laatste overspoeld.

Schröer nu was een van die mensen die een studie maakten van de Duitse folklore in de Oostenrijks-Hongaarse streken. Tientallen jaren geleden ben ik er getuige van geweest, hoe hij de sporen van deze oude cultuur in Midden-Oostenrijk is nagegaan en alles wat ik toen te weten ben gekomen over deze cultuur en zijn ontwikkeling is diep in mijn herinnering gegrift. Schröer heeft niet alleen de Kerstspelen verzameld, hij heeft ook grammatica- en woordenboeken samengesteld van de streektaal en het dialect in de verschillende streken van Oostenrijk, van West-Hongarije,

blz. 49

Gottscheer Land, in Siebenbürgen, in der sogenannten Heanzener Gegend. Das alles hat dieser Mann als einer der Letzten aus der lebendigen Geschichte zusammengestellt. Die Art und Weise, wie er das getan hat, ist mit Liebe geschehen, und Liebe hat auch aufbewahrt diese Stücke, die wir hier versuchen wiederzugeben.
So, sehr verehrte Anwesende, sind wir zu diesen Stücken gekommen, haben sie unseren Arbeiten hier am Goetheanum einverleibt, weil wir bestrebt sind, alles dasjenige, was im geistigen Leben der Menschheit hervortritt, wirklich zu pflegen. Was gewöhnlich draußen von uns erzählt wird, ist ja Unsinn zumeist. Dasjenige, was hier wirklich getrieben wird, ist aus einem Interesse an allem, was geistig in der Menschheit lebt, hervorgehend. Diese Spiele sind wirklich aus allgemein menschlichstem Interesse hervorgegangen. Wenn sie aufgeführt wurden, so saßen Katholiken und Protestanten in dem Zuschauerraum zusammen, denn die waren dazumal in jener Gegend. Und unter den Mitspielenden waren auch sowohl Katholiken als auch Protestanten. Daraus ersehen Sie, daß alles, was in diesen Spielen lebte, einen moralisch-religiösen Grundzug hatte, aber nichts irgendwie Konfessionelles. Daraus ersehen Sie, daß alles, was in diesen Spielen lebte, einen moralisch-religiösen Grundzug hatte, aber nichts irgendwie Konfessionelles. Das ist dasjenige, was besonders hervorgehoben werden soll.

van het Gottscheër land, van Siebenburgen en van de zogenaamde Heanzener streek.
Dat alles heeft deze man als een van de laatsten samengesteld uit de levende geschiedenis. De manier waarop hij dat heeft gedaan getuigt van een grote liefde voor dit werk. Dezelfde liefde heeft deze Kerstspelen, die wij hier proberen te vertolken, aan de vergetelheid ontrukt.
Zo zijn wij, geachte aanwezigen, tot het opvoeren van deze spelen gekomen. Wij hebben ze ingelijfd bij ons werk hier aan het Goetheanum, omdat het ons streven is om dergelijke spirituele inhouden zo goed mogelijk te behoeden. Wat men gewoonlijk, buiten Dornach, over ons vertelt, is meestal onzin. Wat hier werkelijk beoefend wordt, komt voort uit belangstelling voor alles wat als geestelijke impuls in de mensheid leeft. Deze spelen zijn echt voortgekomen uit een zeer grote algemeen menselijke belangstelling. Bij de uitvoeringen zaten katholieken en protestanten naast elkaar in de zaal, want in die streken waren beide geloofsovertuigingen te vinden. En onder de spelers zelf waren ook katholieken en protestanten. Daarop wilde ik graag nog even de nadruk leggen.

Nun werde ich noch einige Ausdrücke erklären zum Paradeis-Spiel, also die Austreibung von Adam und Eva aus dem Paradiese, und zum Hirten-Spiel, damit sie nicht unverständlich sind. Sternscher ist jener Apparat, durch den man den Stern weit weg von sich schieben kann und, dann ihn wiederum nahebringen kann. Und diese Sternschere trägt der Anführer des Ganzen, mit dem Stern. Hier haben wir die Sache so eingerichtet, daß außer dem Träger des Sternes noch der Engel einen Stern trägt, aber Sternscher ist also das, was da verwendet werden kann, um den Stern hin und her zu schieben.
Gschrei in der Bedeutung, wie Sie es hier im Stück hören werden, ist gleich einem Gerücht. Dasjenige, was man von jemandem erzählt. Man erzählt allerlei Dinge. Ein Geschrei, ein Klatsch hat sich erhoben.
Dann hören Sie den Ausdruck gespirret = zugeschlossen, zugesperrt.
Dann im Hirten-Spiel, wenn der Wirt sich rühmen will:
I a0ls a wirt von meiner gsta0lt,
Ha0b in mein haus und logament gwa0ltheißt

Nu zal ik nog een paar uitdrukkingen uit het Paradijsspel uitleggen, m.n. de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs en uit het Herdersspel, zodat u dat niet onbegrijpelijk vindt. De ‘schaarster’ is het voorwerp waarmee je de ster ver van je vandaan kan laten gaan en die je ook weer terug kan halen. En deze schaarster draagt de leider van het geheel, met de ster. Hier hebben we het zo georganiseerd dat naast de drager van de ster, ook de engel een ster draagt, maar de schaarster is dus het ding dat je kan gebruiken om de ster op en neer te laten gaan.
‘Geschrei’, (modern: geschreeuw) in de betekenis zoals het hier wordt gebruikt Crijspijn zegt het:
‘Was bringt ir denn für zeitung nei,
Is woar, was das volk mächt für a geschrei’

‘Hebt ghyj bygeval oock heuren verluyden
wat of die geruchten int volc beduyden’?

‘staat het gelijk aan gerucht. Wat door iemand verteld wordt. Er worden allerlei dingen verteld. Een ‘Geschrei’, er gaan praatjes.

Dan hoort u nog de uitdrukking ‘gespirret – gesloten, versperd.

In het Herdersspel, wanneer de waard zichzelf wil prijzen:
I als a wirt von meiner gstalt
Hab in mein haus und logemant gwalt –

blz. 50

das nicht so, wie man leicht glauben könnte, daß er meint, der Wirt, er hätte eine besonders schöne Statur und deshalb hätte er besondere Gewalt in seinem Hause. Sondern es heiß`t: Ein Wirt von meinem Ruf, von meinem Gestelltsein, ein Wirt, der so gestellt ist wie ich, der hat in seinem Hause Gewalt, das heißt, Personen zu gestatten, in sein Haus einzuziehen.
Dann sagt einmal einer der Hirten zum anderen, er habe ihm seine Handschuhe glichen um-und-um, das heißt: immer wieder, öfters geliehen. Dann werden Sie das Wort hören: Es hat sich etwas bekert. Das heißt in jenen Gegenden, es ist etwas geschehen, es hat sich etwas zugetragen, etwas begegeben. Dann spiegelkartenhal. Das heißt, es hat Glatteis gegeben, so daß man leicht hinfällt, niederfällt. Die Waldvegala piewa scho. Das heißt, die Vögel zwitschern schon. Dö Fuhrleut kleschn. Das heißt, mit der Peitsche knallen, kleschen.
Dann mache ich Sie noch aufmerksam gleich zu Anfang des Paradeis-Spiels, wo der Herrgott zu Adam spricht, den er machte aus Ton, aus Erde, was sich scheinbar nicht reimt, aber im Dialekt heißt es:

De waarden Rufinus en Titus zeggen het allebei:
‘Een waert van myn postuur,
coomt immer plaets te cort.’

betekent dat niet wat je makkelijk zou kunnen geloven dat de waard bedoelt dat hij er heel goed uitziet en dat hij daarom in zijn huis een bijzondere autoriteit is. Maar het betekent: een waard van mijn naam, van hoe en wie ik ben, die heeft aanzien in zijn huis, d.w.z. dat hij mensen toestaat in zijn huis binnen te komen.

Dan zegt een van de herders op een keer tegen de ander, dat hij hem zijn wanten ‘glichen um-und-um’, wat betekent: steeds weer; vaker gedaan.

Gallus:
I hob dem Stichl meine handschuh glichn,
I hob’s ihm glichn um-und-um

‘Myn wollen wanten heyt Stiechel geborregt!
Hy borregtse alsmaôr, keer op keer.’

Dan zal u horen: ‘Es hat sich etwas bekert.’
Dat betekent in die streken, dat er iets is gebeurd, er is iets voorgevallen.
Witok:
‘I hob gedacht, es sull sich bekern’

Dan ‘spiegelkartenhal’. Dat betekent dat er ijzel ligt, zodat je makkelijk valt.
Witok: ‘Ei dumper! spiegelkartenhal is,

‘Als ’t is! en deuvenkatersgladt;

Die Waldvegala piewa sch. Dat betekent, de vogels kwetteren al. Dö Fuhrleut kleschn. Dat betekent dat ze met de zweep knallen.

Gallus: ‘de veughelkens tuytren al!’, ‘de voerluy zwiepen al langs den weghen.

Dan wil ik u nog attenderen meteen op het begin van het Paradijsspel, waar Godvader tot Adam spreekt, die hij uit klei, uit aarde, formeert, wat schijnbaar niet klopt, maar in het dialect staat er:
“Adam, nim an de lebendigen atem=Ton

Adam, nim an den lebendigen atem = Ton.
Rieben müssen Sie sich nicht vorstellen, als ob es schlecht ausgesprochen wäre, sondern so sagt der Bauer statt Rippen. Rieben. Also die Eva ist nicht aus einer Rübe gemacht, sondern aus einer Rippe = Rieben, und es reimt sich richtig auf lieben.
Sie ist zugleich aus deinem rieben, Drum sullst du sie a büllich liaben.
Ra0tzen ist etwas, worüber man sich unterhält. Der Teufel hat einen rŁtzen, das heißt er hat Freude an irgend etwas. Frozzelei, das ist: zum Narren halten, an der Nase herumführen. Das ist auch solch ein Ausdruck, den der Teufel gebrauchen wird. – Logament. Der Bauer sagt es in der Regel, wenn er von seinem Wirtshaus oder von seinem Hause spricht; er spricht es ganz gebildet aus, meint er wenigstens, daß er es tue: in meinem Logament -,50 daß man nicht merkt, daß er einen fremden Ausdruck gebraucht. Dann:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress`n.

God de heer spreeckt:
‘Adam, nu neemt den adem des levens’

‘Rieben’ moet u zich niet voorstellen, als was het slecht uitgesproken, maar zo zegt de boer dat, i.p.v. van Rippen. Rieben. Dus Eva is niet geschapen uit een knol (Rübe), maar uit een rip (Rippe=Rieben) en dat rijmt precies op ‘lieben:
‘Sie ist zugleich aus deinem rieben
Drum sullst du sie a büllich liaben

Godt de Heer spreeckt:
Sy is temet uyt u gebeent,
dies – hebt haer lief, wees trou vereend.

‘Ratzen’ is iets waarover je plezier hebt. De duivel heeft ‘einen ratzen’, d.w.z. hij verlustigt zich in iets.
Duivel:
‘O recht, o recht, eim solchen ratzen
An solchen apfel gib i nit um an batzen.’

’t Is regt, ’t is regt, sulcke fruyt
en gheef ick niet om een duyt.’

Frozzelei, dat betekent: voor de gek houden, bij de neus nemen. Dat is ook een uitdrukking, die de duivel zal gebruiken.
Duivel:
‘Durch meine list und frotzerei
Hob i sollichs zu wega bracht frei.

‘Adam en Eva heb ick oock bedrooghen
hebse listichlyck iet voorgelooghen

Logament. De boer zegt dat in de regel, wanneer hij over zijn kroeg of over zijn huis spreekt; hij spreekt het heel gevormd uit, tenminste, hij denkt dat hij dat doet; in mijn logament- zodat de mensen niet in de gaten hebben dat hij een vreemde uitdrukking gebruikt.
Zie hierboven bij wat de waarden zeggen.

Dan:
Hätten Adam und Eva Kletzen gfress’n’

blz. 51

Kletzen sind gedörrte Birnen und Pflaumen, die insbesondere zu Weihnachten von den Leuten bereitet werden.
Das sind so einige Dinge, die ich noch vorausschicken wollte, damit die Ausdrücke nicht unverständlich bleiben. Im übrigen möchte ich nur sagen, daß natürlich die Spiele für sich selbst sprechen müssen, indem sie wirklich in einer einfachen, schlichten Weise dasjenige zum Ausdruck bringen, was die Leute aufnehmen konnten von den Erzählungen des Alten und des Neuen Testamentes, was in ihre Gemüter, in ihre Herzen davon übergehen sollte.
Ich bitte sie so aufzunehmen, wie sie gemeint sind. Die Spiele sollen anspruchslos hingenommen werden. Wir können sie natürlich nicht ganz genau in derselben Form, wie sie die Bauern aufgeführt haben, hervorbringen; aber soweit man es kann, soll es versucht werden. Die Musik hat unser Freund, Herr Leopold van der Pals, wiederum zu erneuern versucht. Sie werden sie als Begleitspiel finden. – Zwischen den Spielen wird eine kurze Pause stattfinden. Zwischenhinein werden wir eine Weihnachtsmusik von Corelli bringen und ein Adagio aus der ersten Bach-Sonate. Damit habe ich mir erlaubt, das Wichtigste vorauszuschicken, was zu den Weihnachtspielen zu sagen ist.

‘Kletzen’zijn gedroogde peren en pruimen die met name tegen Kerstmis door de mensen bereid werden.
Dat waren nog een paar dingen die ik van te voren wilde zeggen, zodat de uitdrukkingen niet onbegrijpelijk blijven. Voor het overige zou ik willen zeggen dat de spelen natuurlijk voor zichzelf moeten spreken, wanneer ze  daadwerkelijk op een eenvoudige, onopgesmukte manier tot uitdrukking brengen wat de mensen konden opnemen uit het Oude en Nieuwe Testament, wat in hun ziel, in hun hart moest komen.
Ik vraag u er zo naar te kijken, zoals ze bedoeld zijn. De spelen moeten in hun eenvoud aanvaard worden. We kunnen ze natuurlijk niet precies zo in dezelfde vorm brengen, als de boeren ze opgevoerd hebben; maar in zoverre het gaat, wordt het geprobeerd. De muziek heeft onze vriend, de heer Leopold van der Pals, weer geprobeerd te vernieuwen. Het is de begeleiding. – Tussen de spelen zal er een korte pauze zijn. Daarin zullen we kerstmuziek van Corelli laten horen en een adagio uit de eerste Bach-sonate. Hiermee heb ik de vrijheid genomen het belangrijkste van te voren te zeggen, wat er over de Kerstspelen te zeggen is.

[1] GA 274
Voor een groot deel vertaald door Wyts ten Siethoff en gepubliceerd in ‘Kerstspelen‘, wiens vertaling ik voor een deel als leidraad gebruikte.
.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

.
1380

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – herders en koningen

 

herders en koningen in het kerstspel uit oberufer

In de 16e tot aan het begin van de 17e eeuw namen de Duitse boeren die van de Bodensee naar Hongarije emigreerden, hun kerstspelen mee naar hun nieuwe woonplaats op het eiland Oberufer, een vooreiland van het eiland Schütt, dat door de Donau beneden Linz en Pressburg werd gevormd.

Deze spelen werden door mondelinge overlevering met precieze speel’regels’, weken voor Kerstmis ingestudeerd; en men was er zich bewust van, dat de diepe Bijbelse geheimen die deze spelen onthulden, een bijzonder moreel bewustzijn van iedere speler afzonderlijk verlangde. Alle rollen werden door de meer of minder wilde knapen uit het dorp gespeeld, wanneer ze bereid waren aan de volgende voorwaarden te voldoen:
in deze tijd niet naar de meisjes gaan; geen schunnige liedjes zingen en een deugdzaam leven leiden.

Er waren drie spelen: het Paradiis- het Geboorte- en het Driekoningenspel, die Karl Julius Schröer tussen 1840 en 1850 in Oberufer ontdekte (op soortgelijke manier waarop Elias Lönnrot, de Finse arts, het grote nationale epos  ‘De Kalewala) van de ondergang redde). Hij kon een tijdlang bij de heideboeren wonen en hen zorgvuldig over de spelen bevragen. Er was geen volledig manuscript. Er waren maar een paar rollen van de spelen aanwezig. Persoonlijk overgedragen gingen ze van generatie op generatie.
Schröer stelde de teksten na gewetensvolle bestudering weer samen, die Rudolf Steiner, zijn leerling, weer toevertrouwde aan de leraren van de vrijeschool Stuttgart.
Sindsdien worden ieder jaar op alle vrijescholen in de wereld tenminste één van deze drie spelen als een geschenk voor de kinderen en de ouders door de leerkrachten van de vrijescholen gespeeld.

Iets belangrijks in de drie spelen is het oerbeeld van iedere rol. De eerste twee spelen: het Pearadijsspel en het Geboortespel hangen innerlijk met elkaar samen, zoals Adam-en Evadag op 24 december samenhangt met de daaropvolgende 25e december. De zondeval, die in het eerste spel getoond wordt, wordt door het Geboortespel ongedaan gemaakt, zoals de engel in het Paradijsspel al verkondigd had, toen Adam en Eva bij de verdrijving uit het Paradijs werd beloofd: ‘Tot ik u langzaam wederkeren heet’.

Wanneer we de drie herders van het Geboortespel met de drie koningen van het Driekoningenspel vergelijken, dan valt in de hele entourage en compositie van elk van de spelen de tegenstelling op van de wereld van de herders en die van de koningen.

Bij de herders heerst een verinnerlijkte zielenstemming die helemaal past bij de omgeving van de geboorteplaats van het kind. De stille vrede van het land Galilea kan zeer zeker ook overgebracht worden naar de plek waar de spelen opnieuw gestalte krijgen. Je proeft in het herdersspel iets van de gemoedelijkheid van het Duitse dat de boeren meenamen naar hun nieuwe vaderland Hongarije, zoals weerspiegeld wordt in de talrijke kerstherdersliederen uit Beieren, Tirol en Oostenrijk. Een ervan is representatief voor vele andere, waarin een vergelijkbare zielenstemming heerst zoals in het Geboortespel:

‘Es blühen die Maien;
in klater Winterszeit
ist alles im Freien
auf unsrer Schäfersweid’,
ja, alles ist in schönster Blüe,
die Erd’ bringt süssen G’ruch herfür’.

De aarde zingt van wereldgeheimen en de herders begrijpen het in een droomachtige helderziendheid. Zo’n stemming heerst in het Geboortespel. En wanneer hier de herders Gallus, Stichl en Witok heten, dan zijn dat namen die vanuit het toenmalige landschap zijn ontstaan. In een ander lied heet een herder Lippai of Jost en in het boek van Felix Timmermans ‘Het kindeke Jezus in Vlaanderen’ hebben ze echt Vlaamse namen.
Ieder is een herder en niet de herder. En toch wordt in hun gedaante zichtbaar iets wat zo’n oerbeeld is, en dat ondanks de verschillende werelden, ook zoiets, bij de drie koningen is te vinden.

Daar hebben we de eerste herder: Gallus, die over een heel wakkere waarnemingsgave beschikt. Hij is de eerste die opkomt; hij neemt waar dat het geijzeld heeft; hij herinnert zich als eerste wat de engel verkondigd heeft; hij neemt de uiterlijke situatie goed waar en zingt: ‘ick docht in enen stal te gaan.’
Wanneer hij de engel waarneemt, denkt hij in eerste instantie met een ‘gespook’ te doen te hebben. Hij staat met zijn wakkere vragen, met zijn zorg voor de uiterlijke dingen het dichtst bij ons: ‘Welke geschenken zullen we aanbieden?’ Hij besluit aan de pasgeborene wol en meel te geven, iets van wat leeft: de wol en wat fijn gemalen is: het meel. Op weg naar Bethlehem ziet hij weer als eerste het ‘strohuis’. En als eerste aanbidt hij het kind en benoemt precies ‘het bedje van stro, het ‘neuzeken fijn’ en de oogjes. Later kan hij dan zijn oude, bijna dove kameraad Crispijn die bij de ‘kudden en schaopen’ de wacht hield toen zij drieën naar Bethlehem togen, precies vertellen waar het kindje, tussen os en eselken, te vinden is.

Qua leeftijd staat Gallus tussen de jonge Stiechel en de oude Witok. Stiechel, de jongste, heeft ook de meeste vragen die enerzijds op een sterk interesse in de wereldse zaken wijzen. Als Witok iets van zijn vrouw meebrengt, vraagt Stiechel: ‘Is er ook spek bij, altemet?’ Maar bij de vraag aan Gallus voel je dat hij over de zichtbare dingen verder denkt: ‘Moet dan meteen ook alles wolf heten?’, betekent toch niets anders dan: er zijn nog andere oorzaken voor het verlies van de lammeren dan een wolf. En wanneer hij vraagt: ‘Wat hebt jij wel gedroomd?’, geeft hij als zijn antwoord, dat hij een engel mocht zien, een bode van de geestelijke wereld. Als hij de verkondiging waarneemt, ziet hij ‘over zijn hoed zo’n fel licht’ en ook hier weer neemt hij van boven het aardeding hoed, het licht van de hemelglans waar. Stiechel heeft de diepe slaap van de jonge mens. Nadat hij de verkondiging meebeleefd heeft, valt hij in een diepe slaap en slechts door het ijverig bemoeien van Gallus en Witok wordt hij wakker en valt door de gladheid languit achterover. Door deze brute val op de harde grond herinnert hij zich de boodschap van de engel. Stiechel bevindt zich ook hier weer duidelijk tussen hemel en aarde.
Ook bij de aanbidding neemt hij enerzijds het kindje waar, hoe het ‘arm, naakt en bloot’ ligt, anderzijds is hij in staat het kind in de ‘hemelzaal’ te schouwen. Als gave brengt hij het kindje melk, die ‘de enige substantie – althans in essentie de enige is – die de slapende geest kan wekken.'[1]
‘Het geesteswezen van de natuur schept iets wat de brug kan slaan naar de spraakgeest van het kind: de melk. Het laat uit de ledematen, uit de ledematenmens een substantie ontstaan die – omdat ze met de ledematenmens verbonden is – iets van die ledematenmens in zich heeft. [1]

Wat betekent het veel voor Stiechel, die de jeugdkracht heeft die naar de toekomst wijst, om een geschenk te geven dat boven de fysieke materie uitgaand een werking heeft die geestelijk wekkend is!
Nog iets wezenlijks is in het hele Geboortespel bij Stiechel te zien: het contact met de andere mens, zijn uitgesproken sociale vaardigheid. Hij begroet – als enige trouwens – Jozef en wel met het vertrouwde ‘oud-vadertje’. Hij ziet als eerste Crispijn en spreekt hem – net als Gallus en Witok – met ‘broeder’ aan.

De derde herder is de oudste, Witok. Hij heeft de rijkste levenservaring die hem een sterk, dikwijls een bezorgd gevoel heeft gegeven: ‘Wee, onze jammer en onze ellende!’ Hij weet van ‘ongeluk op ongeluk’. – Hij vertelt zijn kameraden dat er ‘onlangs nogal breedvoerig’ werd verteld. Zijn vertrouwen in een zonnige toekomst, waarin men ‘verlost zou zijn van kommer en kwel.’ Hij ziet bij de verkondiging noch een ‘gespook’, zoals Gallus, noch een ‘fel licht’ zoals Stiechel, maar hij hoort. Ingekeerd luisterend, neemt hij waar, zonder een bevestiging van buitenaf nodig te hebben. En wat hij daarna in zijn lied over deze beleving weet uit te drukken, is alsof het uit de ziel van een oude mysticus komt:

‘In stille kerstnacht op het land,
door een diepe slaap werd ik overmand,
mijn hart vloeide over
van zoete vreugd en honing goed
en rozen bloeiden.’

Uit deze tere zielenstemming kunnen we ook zijn bijzondere verhouding tot het vrouwelijke begrijpen. Hij is de enige die over zijn vrouw spreekt; hij mocht van haar niet weggaan alvorens de oude schoenen opgeknapt te hebben. Ze gaf hem wel ‘zelfgebakken grutten’ mee.
Bij de aanbidding begroet hij het kindje met  ‘lief kindeke, lief Jezuke; gelaafd door ‘zijns moeders borst.’ En zijn ingetogen wezen met de bijna mystiek aandoende trekken doet hem als offergave een  lammetje schenken, leven dat echter geofferd moet worden door de slacht, zoals het kind later als het lam Gods het offer brengt voor de verlossing van de mensheid.
Hij weet dat het kindje:
‘Op de aarde kwam
om medelijden met ons te hebben
In het hemelrijk is hij zelfs aan de engelen gelijk.’

‘Dat deed hij zodat de mens kan leren
zich van hoogmoed af te keren
dat hij niet leeft in rijkdom en pracht,
maar waarlijk deemoedig probeert te leven.’

Hij neemt niet alleen maar de uiterlijke wereld waar, maar hij vormt door zijn gemoed oordelen waaruit iets moreels spreekt.

Wij zien in deze drieheid van de herders in wezen de drie zieleneigenschappen van de mens: denken, voelen en willen uitgedrukt, steeds met de nadruk op een van de eigenschappen in een van de herders.
Gallus leeft meer uit de zenuw-zintuigorganisatie in zijn wakker waarnemen. Stiechel is de actieve willer; Witok de uit zijn hart voelende.

In het Driekoningenspel komen we opnieuw drie koningen tegen.
Maar wat een andere wereld komt ons nu tegemoet. De koningen staan aan de top van de sociale ladder. Zij zijn – elk van hen – heerser over een grondgebied dat slechts van hen is. Het zijn drie zeer bewuste individualiteiten die met hun namen Melchior, Balthasar en Caspar niet te verwarren zijn en ze staan voor ons met een duidelijke opgave.
Melchior komt uit het met het goud der wijsheid doordrongen Perzië, de wereld van hoge wiskunde en astronomische berekeningen. Hij kan het gematerialiseerde zonnegoud als gave van wijsheid meebrengen.
Hij is weliswaar net als Gallus de eerste die de vraag van een geschenk stelt; maar hij ‘bedenkt het met zorg’. Hij leeft ook in de zintuigen, zoals Gallus, maar hij heeft alles helder doorzien. Wat bij de herders meer dromend beleefd wordt, is bij de koningen als een bewust weten aanwezig, omdat ze een wetenschap ontwikkeld hebben aan de wereldverschijnselen die hun het mogelijk maakt waar te nemen wat op aarde belangrijk is. [2]
Melchiors relatie met de Oude Schrift (Jesaja) is duidelijk; steeds weer wijst hij met nadruk op Jeruzalem; hij waarschuwt in zijn laatste woorden nog voor ‘het huis van Herodes’. Hieraan wordt duidelijk hoe het Driekoningenspel opgebouwd is met werelddramatiek. Heel het decadente van het koningshuis van Herodes; de overtrokken, verintellectualiseerde wereld van de Schriftgeleerden; de zwarte wereld van de duivel, het staat in schril contrast met de koninklijke waardigheid van de drie wijzen.
Kun je bij het herdersspel een zweem opvangen van een muzikaal-lyrische zielenstemming, het driekoningenspel ademt de dramatiek van de grote te,genstelling in de wereld: die van goed en kwaad. Hier is de spanning maatgevend: licht en duisternis. Licht en donker, wit en zwart.

Uit Ethiopië komt Caspar, de jongste koning en op dit punt met de herder Stiechel te vergelijken. Ook zijn onstuimig karakter. In zijn taalgebruik zitten krachtige uitdrukkingen: ‘grootste vrolijkheid’, ‘groot misbaar’, ‘groot wonder’,
‘uitzonderlijke ster’ zijn een paar van zijn kranige uitspraken.
Ook heeft hij met Stiechel gemeen: het directe contact met zijn omgeving. Hij begroet als eerste en enige Herodes met de woorden; hij neemt na het geven van de geschenken als enige duidelijk afscheid van Jozef.
Wanneer we naar de gaven kijken: Melchior – de rode koning – Goud; bij Caspar, de groene koning – is het Mirre, de geneeskrachtige plant. Interessant zou het zijn eens een vergelijking te maken van de drie herdersgaven met die van de drie koningen.
Ik laat het aan de lezer zelf over meer met het gevoel van het verschil te leven, dan met een over en weer vergelijken, waarbij steeds het gevaar dreigt van te veel intellectualisme.

Balthasar, de blauwe koning, zou uit het verre Indië zijn gekomen. Hij beroept zich steeds op de ster, maar op de ster ‘waarin een jonkvrouw met een kind’ staat.
Zoals Witok bij de herders met het vrouwelijke is verbonden, is bij Balthasar de toewijding tot de jonkvrouw bijzonder groot. Hij begroet als enige Maria als ‘jonkvrouw teer’. – Wat bij de herder Witok nog zorgen waren voor de last van alledag, is bij Balthasar omgevormd tot koninklijke zekerheid: ‘Nu behoedt u de almachtige god voor kommer, angst en alle nood.’
Hij brengt het kind wierook, de vluchtigste, maar ook de ‘geestelijke’ substantie die in het welriekende uitstroomt en opstijgt tot in de ‘hogere werelden’. Opmerkelijk krachtig zijn de laatste woorden van Balthasar, die zich vol dramatiek op Herodes richten: ‘Herodes, is dat uw boze strerven, dan hoeden wij ons ervoor naar u terug te keren.’
Hij die zich richt op de jonkvrouwster, kan zich op dit actuele moment in deze situatie in de wereld volledig tegenover zijn tegenstander opstellen.

Een korte blik op Goethes sprookje zij mij vergund. Al in 1899 wees de jonge Rudolf Steiner op de samenhang van de gouden koning met het denken, de zilveren met het voelen, de koperen met het wollen.
‘In de mens die op weg is een vrije persoonlijkheid te worden, zijn 3 zielenkrachten vermengd werkzaam: de wil (het koper), het voelen (het zilver), de kennis (het goud). Wat de ziel door deze 3 krachten zich eigen maakt, wordt in de loop van het bestaan door de levenservaring geopenbaard: de kracht waarin de deugd werkzaam is, komt tot uiting in de wil; de schoonheid ( de schone schijn) tot uiting in het voelen; de wijsheid in het kennen [3]. De schone jongeling ontvangt 3 gaven: de gouden koning zet hem de eikenkrans op het hoofd met de woorden: ‘Leer het hoogste kennen’. –
Hier is het het gevormde goud waarmee hij gekroond wordt. De zilveren koning geeft hem de scepter en hij spreekt de zin: ‘Weidt de schapen’. (We weten nog hoe de ‘zilveren’ herder Witok in het Geboortespel een lam als gave meebracht). De scepter wordt voor het hart gehouden.
Van de ijzeren koning krijgt hij het zwaard met de opdracht: ‘Het zwaard links: rechts vrij.” Hier worden op een speciale manier de ledematen aangesproken.

Vatten we het geheel nog eens samen in een overzicht, dan zie we een wereld van verschil, maar ook een wereld van overeenstemming tussen koningen en herders.

herders en koningen

 

 

Erika Schulz, Erziehungskunst, 23-11-1959

[1] GA 293/165
vertaald/167
[2] GA 203/15
[3] GA 22/76

*er is ook sprake van ‘koper’. Zie daarvoor de voordracht in GA 22

926

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (4)

 

Nadat de nazi’s de vrijeschool in Stuttgart hadden verboden, zodat deze haar deuren moest sluiten, gingen deze na de overgave van Duitsland op zeker ogenblik weer open: het schoolleven kwam weer op gang. Het tijdschrift ‘Erziehungskunst’, dat in de jaren 1938-1947 niet verscheen, hervatte de uitgaven in 1948. Uit het decembernummer van dit jaar vertaalde ik onderstaand artikel.
Opmerkelijk is de stemming die Ernst Bindel (ook leraar aan de vrijeschool Stuttgart) hier verwoordt.
Die stemming heb ik – vanaf begin jaren’70 van de vorige eeuw – vaak geproefd. Vooral bij de kleinere kinderen, tot een jaar of 10, 11. En bij de volwassenen.
Maar de groep daartussenin? Bij hen is die stemming niet meer vanzelfsprekend. Daarvoor zijn vele oorzaken te noemen – al doe ik dat hier nu niet.
Wel kan ik me voorstellen dat er leraren zijn die voor de bovenbouw (vanaf 12/13 jaar) een nieuwe vorm proberen te vinden – en zo speelt het Novalis College in Eindhoven al enkele jaren een geheel eigen Driekoningenspel.

 

‘Op alle vrijescholen voeren de leerkrachten als een kerstgeschenk voor hun leerlingen de oude kerstspelen uit Oberufer op. In het intiemere schoolleven dat in de adventstijd verlicht wordt door de kerstverwachting, vormen de kerstspelen een echt hoogtepunt in het jaar.
Om de ouders en vrienden van de school aan dit feest van de schoolgemeenschap te kunnen laten deelnemen, worden er ook openbare opvoeringen gehouden. De openingswoorden die wij hier laten volgen zijn een jaar geleden bij zo’n opvoering gesproken. Daarbij werden verklaringen van Rudolf Steiner gebruikt die hij gaf bij een opvoering van de kerstspelen in Dornach voor Duitse krijgsgevangenen en geïnterneerden ten tijde van de 1e Wereldoorlog – inhoudelijke verklaringen en gedeeltelijk letterlijk gebruikt uit het gepubliceerde ‘Weihnachtsspiele aus deutschem Volkstum’.

Voor de opvoering van het Oberuferer kerstspel

Inleidende woorden voor de ouders van de vrijeschool Stuttgart.

Voor het gordijn open gaat, sta mij toe een paar woorden als inleiding tot u te spreken! Ze gaan over iets wat de opvoering zelf niet kan vertellen. Wat op het toneel gebeurt, spreekt duidelijk genoeg voor zich. Maar hoe deze spelen zijn ontstaan, van waaruit en op welke bodem ze ontsproten, dat kom je door de opvoering niet te weten. Wellicht kan het de indrukken wat verdiepen die door de opvoering gegeven worden, als je er iets over weet.

Weliswaar heten de spelen ‘de Oberuferer kerstspelen’ en tot Oberufer is het een heel eind (‘machtig veer’). Maar de plaats waar ze ontstaan zijn, ligt veel dichter bij ons. Hun thuis is de omgeving van de Bodensee waar de Rijn doorheen stroomt. Op een bepaalde plaats in het spel komt dat naar voren: als de sterrenzanger in zijn begroetingswoorden bij het kerstspel de woorden spreekt:

‘Laten we de os en de ezel groeten
die daar bij het kribje staan.
Laten we ze groeten door de zon- en de maneschijn,
waarvan het licht straalt over het meer en over de Rijn!’

(In het Nederlands zoals Mevrouw Bruinier dit samenstelde:

‘Groetenme oock os end’ eselken
die daor staene by het krebbeken.
Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’)

Geachte aanwezigen! Dit meer is niet anders dan ons Schwabische meer met de Rijn. Daar zijn de spelen ontstaan en voor het eerst opgevoerd.
Toen moesten de mensen daar weg uit hun streek, zoals het de Duitsers vaak overkwam en ver, ver weg, naar andere landen trekken om daar te proberen het brood te verdienen. En de spelen zijn op die manier met hen meegegaan en in het verre Oberufer terecht gekomen, waar de Donau vanuit Hongarije Oostenrijk in stroomt en zich in verschillende zijarmen vertakt en zo een paar kleinere en grotere eilanden vormt; op een daarvan ligt het dorpje Oberufer. Als een kostbaar kleinood werden door hen in den vreemde, midden tussen onbekende volksstammen, de meegenomen spelen behoed. Om ze zo zuiver mogelijk te houden, was hun grootste zorg. Wat zal er niet allemaal door hun ziel gegaan zijn, wanneer rond de kersttijd tijdens de opvoeringen de woorden klonken:

Groetenmens deur son- ende maôneschyn
dwelc lighten al over seen en over den Ryn,’

Dan zullen ze in gedachten wel weer in hun geliefde vaderland teruggekeerd zijn, op hun boerderijen, waaruit ze noodgedwongen moesten vertrekken.

Het opvoeren van de spelen gaf hun nieuwe kracht om het in den vreemde uit te houden en te aarden.
De spelen gingen van generatie op generatie over, mondeling en zo getrouw mogelijk. Er mocht niets aan veranderd worden. Zo ging het in de 17e en 18e eeuw, tot de 19e aanbrak die overal in het leven het materialisme bracht en toen liepen de spelen ook gevaar, aangetast te worden of zelfs in vergetelheid te raken.

Maar toen was daar, op het juiste ogenblik eigenlijk, iemand die ze voor onze tijd veilig stelde. De man heet Karl Julius Schröer. Hij was weliswaar een geleerde, maar wel zo een die het hart op de juiste plek had. Hij had een heel mooi onderzoeksveld gekozen: de studie van de dialecten van al die kleine Duitse gemeenschappen die over Oostenrijk en Hongarije verstrooid waren. Wanneer je die wil leren kennen, kun je niet aan je bureau blijven zitten om woordenboeken uit te pluizen, maar je moest die woordenboeken eerst zelf samenstellen en daarom bij de mensen zelf aankloppen die deze dialecten spraken en trouw waren gebleven.

Zo kwam hij tijdens zijn reizen ook op het eilandje Oberufer en daar deed hij de ontdekking van onze kerstspelen. Een daar in aanzien staande boer, had de voor iedere speler uitgeschreven rol in zijn bezit, waarmee Schröer dan een manuscript kon samenstellen, want als geheel was dat niet voorhanden.
De boer moet hebben gemerkt dat hij met Schröer geen nieuwsgierige geleerde voor zich had, en hij vertrouwde hem. Hij kon hem veel meedelen wat met de voorbereiding van de spelen te maken had. Voor iemand anders had hij dit geheim gehouden. Hij vertelde hem hoe deze boer, die van zijn voorouders het recht op de spelen geërfd had – we zouden nu zeggen de opvoeringsrechten –  – wanneer de oogst er opzat en de stillere maanden van het jaar aanbraken, dan een groep jongens bij elkaar riep die hij als speler verkozen had. Het was een grote eer om aan de spelen te mogen meedoen. Maar deze eer had een hoge prijs.
Er waren vier voorwaarden waaraan de knapen moesten voldoen.
In de maanden van de voorbereiding en het instuderen mocht geen van hen met de meisjes omgaan, wat voor sommigen wel moeilijk geweest zal zijn. Er mochten door hen geen ondeugende liedjes worden gezongen. Bovendien moesten ze de hele tijd fatsoenlijk leven en ze mochten bij het repeteren nooit protesteren, maar ze moesten zonder meer luisteren naar de  ‘meester die het claor kan speulen’.
Zo werd er dus in oktober en november ijverig geoefend tot de adventstijd en daarmee de tijd van de opvoering. En dan was het eindelijk zo ver. De spelersgroep kwam op de dag van de opvoering bij elkaar en trok als ‘kompanij’ door het dorp, de sterrenzanger voorop met de engel en de duivel achteraan. Hij en de engel waren al verkleed, de anderen nog niet. De hele groep ging na de processie naar de herberg waar de opvoering zou plaatsvinden, trok de toneelkleren aan, bracht alles voor de opvoering in gereedheid. In die tussentijd bleef de duivel in het dorp  en haalde onder de dorpsbewoners zijn streken uit. Hij blies op een koeienhoorn die hij met zich meedroeg, praatte op de mensen in en maakte zoveel stampei, opdat maar heel veel mensen naar de opvoering zouden komen. Maar nodig was dat niet, want de opvoering was de grootste gebeurtenis van het hele jaar. Of er ook iemand was die niet ging? Ja, er was iemand en tijdens Schröers tijd was dat uitgerekend de schoolmeester, die tegelijkertijd ook het aanzien van een burgemeester of notaris genoot. Hij, als vertegenwoordiger van het intellect, hield niet van de spelen. Misschien stak het hem dat de spelen helemaal niet bij één van de godsdiensten hoorde, want ze werden zowel voor katholieken als door protestanten opgevoerd en de spelers waren zowel katholiek als protestant. Misschien was hij ook geïrriteerd, omdat de vrouwenrollen, bv. die van Eva en Maria, door jongens gespeeld werden.
Maar laten we de schoolmeester vergeten!
Tijdens de opvoering zaten de toeschouwers in een halve kring, in hoefijzervorm om de in het midden daarvan spelende groep en zo konden ze zich helemaal één voelen.
Tot zover over de manier hoe een opvoering tot stand kwam en verliep!

Toen Schröer oud geworden was en als professor aan de universiteit van Wenen werkte, volgde een jonge student zijn colleges, die we allemaal kennen en op wie we van harte zijn gesteld. Hij heet Rudolf Steiner. De oude Schröer had al snel in de gaten met wie hij te maken had en sloot hem in zijn hart. Beide, de oudere en de jongere waren spoedig diep bevriend. Het kon niet uitblijven dat Schröer de ander tot assistent en mederaadgever maakte bij alles wat hem zelf zo dierbaar was en zo gaf hij hem de kerstspelen uit Oberufer als een kostbaar erfstuk.
De jonge Rudolf Steiner heeft ze trouw bewaard.
Toen hij zelf ouder was en zich rondom hem een grote groep mensen aaneensloot die enthousiast was voor het nieuwe en het grootse wat hij te brengen had, was het ook aan de tijd de spelen die hij gekregen had weer een plaats te geven in het leven, eerst in Dornach en dan, toen de vrijeschool in Stuttgart opgericht was, ook daar.
Hij gaf ze de toenmalige lerarengroep als geschenk en zo werd in 1921 door de leraren van de vrijeschool, met persoonlijke aanwijzingen van Rudolf Steiner, het herdersspel opgevoerd. (Het is voor ons een mooie gedachte, dat twee van de leraren van toen, ook vandaag weer meespelen in de rollen waarin ze toen al opgingen: de sterrenzanger en de engel. Drie van hen die de jaren daarna met iedere kerst trouwe medespelers waren, zijn reeds door de poort van de dood gegaan.)

Zo loopt er een levende lijn vanaf de boeren uit Oberufer over Karl Julius Schröer en Rudolf Steiner naar de leerkrachten van de vrijeschool Stuttgart.
Maar de ketting heeft nog een schakel. Want tegelijk met ons en naast ons leerkrachten wedijveren oud-vrijeschoolleerlingen om deze spelen in een grotere openbaarheid door te dragen.
Tien jaar lang was het ons niet gegund de Oberuferer kerstspelen op deze plaats in deze zaal op te voeren. De vrijeschool was verboden en de grote zaal lag in puin. Die is weer opgebouwd en zo konden de drie voorbije avonden de leraren hierin hun kerstgeschenk aan de leerlingen geven. Dat was ook wat Rudolf Steiner graag wilde.
Uit het schoolleven van de vrijeschool zijn de spelen niet meer weg te denken. De leerlingen weten dit het beste. Ze verheugen zich, je zou willen zeggen, al een heel jaar, op het ogenblijk waarop ze naar de zaal komen en het gordijn opengaat.

U allen, beste aanwezigen, willen wij leraren, aan de vreugde van dit geschenk dat voor onze leerlingen is, laten deelnemen.

Ernst Bindel, Erziehungskunst 12e jaargang dec.1948

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

 

921

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – driekoningenspel

GATTERCOMPAS

Een aantal taalkundig-astronomische opmerkingen bij het Oberuferer driekoningenspel.

In de eerste zinnen die koning Melchior spreekt in het begin van het driekoningenspel uit Oberufer, komen o.a. de woorden ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’ voor.
Uit de vragen van collega’s weet ik dat er onzekerheid bestaat over wat daarmee wordt bedoeld. De volgende bijdrage is een poging hierin wat helderheid te verschaffen.

Allereerst helpt een blik in het boek van Helmut Sembdner, ‘De Oberuferer kerstspelen’ [1]. Hierin wordt de tekst van Schröer met andere, nauw verwante teksten bekeken wat veel verrassende ophelderingen over onleesbare stukken tekst oplevert, niet alleen voor het driekoningenspel. Rudolf Steiner zei bij zijn laatste begroetingstoespraak bij de opvoeringen in Dornach, dat hij de tekst van Schröer had willen bewerken om de echte bewoordingen weer in ere te herstellen, waaraan hij echter niet meer toekwam. [2]
Het is nu de verantwoording van iedere ‘kompanij’ om, waar in de loop der eeuwen de mondelinge traditie onbegrijpelijke tekst tot gevolg had – die al in de tijd van Schröer door de boerren uit Oberufer niet meer begrepen werd, tekstveranderingen door te voeren of ook niet.

Voor het nodige inzicht biedt het boek van Sembdner een solide basis.

Wat Schröer zegt, klinkt bij Sembdner zo:

Mein gatter compas und alle instrument
bring her du pagi jetzund behend
des himels gloria auch nit vergiss
es scheint ein stern der nie gewesen ist:
wie Venus mit der sonnen sich consamaniert
auch etwas anders ist vor mir:….
[door Schröer veranderd in:
äuget was anders sich itzt vor mir….]
(cursief en vet door de schrijver)

De vertaling van mevrouw Bruinier luidt:

Myn gattercompas end instrumenten goet,
haestelyc, pagie, hende bringhen doet,
der heemlen gloria reickt boven dien
gins blinckt een star ao noyt en wiert gesien:
daor Venus mit Sonne doet consamaneren
staot iet veurt oogh als nimmer te veuren:

Nu bestaat er een in 1693 waarschijnlijk in Pressburg gedrukte tekst van een kerstspel, die op veel plaatsen bijna letterlijk hetzelfde is als de tekst van het Oberuferer herders- en driekoningenspel en dat hoogstwaarschijnlijk een gemeenschappelijke wortel heeft met de traditionele mondeling overgeleverde en geschreven spelen. [3]
Daarin luidt de betreffende passage:

Mein Quadrant/Compass und all Instrument/
Bring her du Bashi jetzo behend/
Des Himmels Globi auch nit vergiss/
Es scheint ein Stirn so niegewiss/
Wie Venus mit der Sonn sich conjungiret/
Darneben eteas anders doch ist formiret/….

Met de woorden ‘gatter, compas en ‘hemel-gloria’ wil Melchior een aantal astronomische instrumenten hebben, die in de tijd voor de ontdekking van de telescoop in de 17e eeuw. dus vóór Galileï en Kepler, tot de standaarduitrusting van een astronoom (of astroloog – dat was toch nog één) behoorden en hij gebruikt een paar namen uit het Latijn stammende vakjargon: (conju[n]giren: van planeten: een conjunctie hebben, d.w.z. dicht bij elkaar staan en formiren: vormen.

Hoe kwam nu ‘gatter’ uit ‘kwadrant’ en uit ‘Himmels Globi’ de ‘heemlen gloria’? Dat is gemakkelijk te verklaren: wat een kwadrant (Latijn voor quadrare, in vieren delen, vierhoekig maken) en wat Globi (meervoud voor het Latijnse globus, bollen) waren, wisten de boeren uit Oberufer niet, alleen al omdat ze in de regel geen Latijn kenden. Wel kenden ze het woord ‘gatter’ en ‘gloria’was hun uit de godsdienst wel vertrouwd. Zo pasten ze de hun onbekende woorden aan, aan daarop lijkende woorden die wèl vertrouwd klonken  en die daardoor een nieuwe betekenis kregen. Zulke aanpassingen die met het begrip volksetymologie worden beschreven, komen in bijna alle talen voor. Het is buitengewoon stimulerend ze te onderzoeken.

Wat was er nu met de genoemde apparaten? Waarvoor dienden ze en hoe zagen ze eruit?

kwadrant in 2 andere standen

Een kwadrant is, zoals zijn Latijnse naam al zegt, een kwart van een cirkel, in de praktische uitvoering meestal een  kwart cirkelschijf. Op het gebogen deel – dus op het kwart van de cirkelomtrek – bevindt zich een getallenschaal van 0 tot 90 en in het middelpunt van de cirkel een draad met een gewicht, een schietlood dus, of een arm die kan draaien, de alhidade: vizierlineaal (een woord uit het Arabisch, zoals zo veel astronomische begrippen)

Met het loodkwadrant wordt zo gemeten: wanneer langs één van de beide rechte kanten van het kwadrant – dus langs de straal van de cirkel – een punt tussen horizon en zenith gepeilt wordt, geeft het loodrecht naar beneden hangende schietlood op de schaal de hoogtehoek aan, d.w.z. de hoek die de straal van de blikrichting naar de horizon en die naar het ruimtepunt met elkaar vormen. Wanneer dat punt op de horizon ligt, is de hoek 0′, ligt deze in het zenith, dan is hij 90′. Met het loodkwadrant wordt dus de hoek gemeten die een ster maakt met de horizon

De kwadrant met de vizierarm kan onafhankelijk van de horizon gebruikt worden, bv. om de hoek tussen 2 sterren te meten. Daarbij wordt tegelijkertijd gepeild langs de vizierarm en langs de zijde van het kwadrant, waartoe het apparaat in de regel vrij draaibaar op een standaard gemonteerd is en de meting door twee waarnemers tegelijk uitgevoerd kan worden. In plaats van een kwadrant heeft men ook dikwijls de handzamere sextant gebruikt die precies zo geconstrueerd is, maar als basis een zesde van een cirkel heeft (niet te verwarren met de pas in de 18e eeuw uitgevonden en tegenwoordig nog gebruikte spiegelsextant).

Het is niet zo moeilijk om met behulp van een passer, gradenboog en lineaal uit karton of triplex een kleine loodkwadrant te maken. Een zevende klasser zou hiertoe eigenlijk de gelegenheid moeten krijgen in de geschiedenis- of meetkundeperiode. Kwadranten waren in het tijdperk van de veroveringen onontbeerlijk voor de navigatie..

driekoningenspel gatter

Met een kompas – in de zin van een oud astronomisch apparaat – wordt niet, zoals men zou kunnen denken, een magneetkompas, maar een passer bedoeld. In het Engels is het duidelijk: passer is in die taal: a pair of compasses. Waar deze bij gebruikt werd, wordt pas duidelijk wanneer je de Himmels Globi, dus de hemelgloben bekijkt. Ze waren in de regel zo gemaakt dat de sterrenbeelden in spiegelbeeld afgebeeld werden, omdat men de hemelbol als van buitenaf bekeek en ze hadden aan de buitenkant een horizontale ring, die de positie van de horizon aangaf. Wilde men de afstand tussen twee sterren aan de hemelboog markeren, dan mat men eerst hun hoekafstand, bv. met behulp van een kwadrant, bracht deze hoek over op een steekpasser waarvan de lengte van de benen precies overeenkwam met de bolradius van de hemelglobe en zo kon men met de passerpunten deze afstand zuiver op de bovenkant van de hemelglobe overbrengen. Nu is het ook niet meer zo verwonderlijk waarom men op oude prenten de astronoom zo vaak met de passer in de hand voor een hemelglobe afgebeeld ziet.

 

Blijft nog het raadsel wat zich verbergt achter de woorden alle instrumenti – vertaald in – end instrumenten goet. Waarschijnlijk een kijker, die men echter niet mag verwarren met een verrekijker omdat er geen lenzen inzaten en misschien een jakobsstaf. De eerste is sinds de oudheid, de laatste sinds de 13e eeuw bekend.
Met een kijker, bv.een eenvoudige rol karton, kun je ook zonder de lichtconcentratie van lenzen het zicht op de hemel aanzienlijk verscherpen, omdat het oog zich fixeert op een klein stukje hemel.
Een jakobsstaf is een staf met een gradenschaal waarop een kortere dwarsstaf verschoven kan worden.

 

Peilt men 2 punten en verschuift men de dwarsstaf tot de punten precies met het einde samenvallen, dan kan men op de schaal van de hoofdstaf de hoek tussen de 2 punten aflezen.

Wat kun je van het bovenstaande nu gebruiken in het driekoningenspel?

Dat moet iedere ‘kompany’ zelf beslissen. Maar je kunt je afvragen hoe het staat met het bewustzijn waarnaar we ook op school vanuit de antroposofie streven, wanneer onbegrijpelijk verbasterde woorden alleen maar gebruikt worden om niet met een geliefde traditie te breken.

Klaarblijkelijk is aan het begin van deze traditie meteen al met een eerdere traditie gebroken, waardoor het tot onbegrijpelijke woordverbasteringen kwam.

De vraag hoeveel en welke astronomische instrumenten de page moet brengen, moet met veel inlevingsvermogen beantwoord worden. Een kerstspel is geen tentoonstelling. Vermoedelijk is een mooie, een koning waardige kijker genoeg, zoals tot nog toe bij de speltraditie in onze scholen gebruikelijk is.

(Klaus Hünig, Leherrundbrief dec. 1996)

[1] Helmut Sembdner, Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext
[
2] blz.179
[3] blz.35

In de tekst van het driekoningenspel waarover ik beschik, staan de woorden ‘gatter’ en ‘kompas’ aan elkaar geschreven. Uit bovenstaande blijkt dat er eigenlijk een spatie of komma tussen hoort: het zijn 2 instrumenten.

voor meer informatie over de instrumenten

 

695

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – achtergronden (2)

Over de boodschap van de kerstspelen.

Toespraak bij een openbare uitvoering.*

Vele van de aanwezigen zijn de ‘oude volkse spelen’, de kerstspelen uit Oberufer, diepgaand vertrouwd. Ze worden in alle Duitse en ook buitenlandse vrijescholen als een geschenk van de leerkrachten aan de leerlingen ieder jaar opgevoerd. Maar niet alleen op onze scholen, ook in woon- en werkgemeenschappen voor mensen met een verstandelijke beperking, meervoudige handicaps en / of gedragsproblematiek. In afdelingen van de antroposofische vereniging, in de Christengemeenschapskerken nemen de spelen een vertrouwde plaats in. Ze worden opgevoerd in bedrijven en ziekenhuizen en menig ‘kompany’ stelt zich ten doel in gevangenissen te spelen. We kunnen dus tegenwoordig wel spreken van een zich uitbreidende beweging van de kerstspelen uit Oberufer.

Voor wie er door geraakt wordt, wordt Kerstmis weer een Christusfeest

De uitgeefster van het tekstboek, Marie Steiner, vele jaren medewerkster van Rudolf Steiner, wijst in het voorwoord op de vredesboodschap van deze eenvoudige volksspelen.
Onze tijd* die als nieuwe takken van wetenschap ‘vredesvraagstukken’ en ‘toekomstvraagstukken’ heeft, kan veel ‘vredesboodschappen’ opmerken.

Wat de boodschap van vrede in onze spelen betreft, die heeft niet als resultaat dat ergens de oorlogshandelingen ophouden. Ware vrede is gebonden aan voorwaarde; die vraagt de bereidheid tot de ‘goede wil’, zich te doordringen met het licht dat sinds de eerste wereldkerstnacht in de duisternis schijnt. Wanneer die wil de harten vervult, wordt Kerstmis een feest dat vrede in de ziel brengt en eenheid sticht.

Bijna 60 jaar geleden* werden de spelen uit Oberufer op een nieuwe manier opgevoerd. Kerstmis 1910 heeft Rudolf Steiner ze opnieuw vorm gegeven en vanuit een nieuwe geest de traditie geschapen waarin we nu staan.

Het jaar 1910 neemt in het leven van Rudolf Steiner een belangrijke plaats in. In relatie tot Goethes ‘Sprookje van de groene slang en de schone lelie’ ontstond het eerste van de vier ‘mysteriedrama’s’, waarin de profetes Theodora het begin van de nieuwe Christustijd aankondigt.

In het zelfde jaar klonk er soort begeleidingsmotief: de activiteit rond de kerstspelen begon in Berlijn, midden in de drukte van de miljoenenstad. Het jaar daarop volgden opvoeringen in Wenen, in 1921 op de vrijeschool in Stuttgart.

Onder de spelers bevond zich – al sinds het begin in Wenen – de onvergetelijke Karl Schubert, wiens 80e verjaardag op 25 november 1969 zijn vrienden over de hele wereld in gedachten samenbracht. Met de hem eigen uitdrukkingskracht in spraak en gebaar, vertolkte hij de rol van boompjesdrager, sterrenzanger, de herder Witok en de lakei.

Wat in 1910 weer ontstond, was een honderd jaar daarvoor verloren gegaan. In het midden van de 19e eeuw vonden de laatste opvoeringen plaats op het eilandje Oberufer in de Donau, niet ver van Pressburg, het huidige Bratislava. Toentertijd tekende een jonge gymnasiumleraar uit Pressburg de spelen op en behoedde ze daarmee dat ze verloren zouden gaan. Hij kon het vertrouwen van de boer winnen in wiens familie het recht van opvoering erfelijk was en die af en toe nog, met tussenfasen van vijf tot tien jaar jongens uit het dorp samenbracht en ze instudeerde.

Die jonge leraar, de Goethe-enthousiast Karl Julius Schröer, voelde zich in het diepst van zijn wezen verbonden met een stroming die in de vroege middeleeuwen zijn oorsprong had en in Oberufer ophield: met de geestelijke spelen uit de middeleeuwen waarvan aan het begin de eerste Duitse dichteres staat, de non Hrotsvitha uit het klooster Gandersheim in de Harz. Duizend jaar hield de stroming het uit, toen verzandde ze.

Wat Schröer gevonden had, liet hij in boekvorm verschijnen. Maar het werkje zou in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer Schröer, inmiddels beroepen aan de Technische Hogeschool in Wenen, niet een paar studenten had gehad aan wie hij zijn vondst kon toevertrouwen. Het was Rudolf Steiner die weer tot leven wekte wat de volkskundige Schröer had opgetekend. Door hem hebben wij de spelen gekregen en al die leerlingengeneraties die ze sinds die tijd hebben leren kennen.
Wanneer de leraren jaar na jaar het Paradijsspel, het Herdersspel en het Driekoningenspel opvoeren en wanneer de leerlingen door de opeenvolging van deze diepzinnige beelden in deze ‘trilogie’ geboeid worden, raken we vervuld met hoop.
De eenvoudige spelen uit Oberufer zouden erbij kunnen helpen dat de kersttijd werkelijk weer een vernieuwing voor de wereld wordt: een vernieuwde Christustijd – een tijd van ingetogenheid waarbij in de ziel het vredebrengende kerstlicht in toenemende mate helderder wordt.

*toespraak door Johannes Tauz, opgetekend in Erziehungskunst, 23e jrg. 1969
671