Maandelijks archief: mei 2018

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (54)

.

Camera’s in klas waarschuwen docent voor leerlingen die even niet opletten

In school nr. 11, een middelbare school in Hangzhou, China, kunnen de leerlingen niet meer wegdromen of even afhaken. Camera’s in hun klas scannen elke 30 seconden hun gezichtsuitdrukkingen. Verdriet en/of verveling blijft niet meer verborgen: de camera’s geven de informatie door aan de leerkracht. Ook hun bewegingen – lezen, luisteren, schrijven – worden nauwlettend in de gaten gehouden.

Het mes moet aan twee kanten snijden: de leerkrachten moeten hun lessen leuker maken en de leerlingen moeten zich oplettend gedragen.

Volgens de leiding vergeten de leerlingen dat ze in de gaten worden gehouden.

Een anonieme leerling die in Chinese media is opgevoerd, zegt echter iets anders. „Sinds de school de camera’s heeft geïntroduceerd voelt het alsof een paar mysterieuze ogen me constant in de gaten houdt. Ik durf mijn gedachten niet meer te laten gaan.”

„Dit is nog angstaanjagender dan in een gevangenis zitten”, schrijft iemand. Critici vinden het logisch dat leerlingen af en toe afdwalen. „Ze zijn geen studeermachines”, klinkt het.

Bron: Eindhovens Dagblad, Ellen van Gaalen, 19-05-2018

‘Ik durf mijn gedachten niet meer te laten gaan’.
Is dat niet de hoogste vorm van geestelijk onvrij te zijn?

Rudolf Steiner:

Voor opvoeding en onderwijs, wil het floreren, is het noodzakelijk dat je als opvoeder en leerkracht zo goed leert waarnemen dat je de gevoelsuitingen, de wordende gestalte van het kinderlijk organisme door de uiterlijke schijn heen begrijpt.

Wegwijzer 195

Econo­misch geef je les als je zo voorbereid bent dat voor de les zelf alleen nog de kunstzinnige vormgeving overblijft. Daarom is elk onderwijsvraagstuk niet alleen een kwestie van interes­se, van vlijt, van overgave van de leerling, maar in de eerste plaats een kwestie van interesse, van vlijt, van overgave van de leraar.

Wegwijzer 175

.

Opspattend grind: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

.

 

Oplossing:
Het gaat erom dat je een bepaalde logica ontwikkelt, logisch redeneert, op grond van wat je waarneemt. Je moet dus oplettend kijken.
De linker- en rechterbovenvleugel vormen in a-b en c-d een soort spiegelende tegenstelling. Vanuit e gezien, komt dan nr. 2 in aanmerking.
De linker- en rechterondervleugel doen dat ook en bij nr. 2, naast e, is dit ook het geval.
Nr. 2 hoort logischerwijs op de plaats van het vraagteken.

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

Taalraadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Willem Frederik Veltman

.

Gisteren (pas) bereikte mij het bericht dat op 24 mei j.l. Willem Veltman is overleden.

 

WILLEM FREDERIK VELTMAN
07-02-1923                     24-05-2018

Een persoonlijk dankwoord

In 1969 hoorde ik voor het eerst een voordracht van hem over de vrijeschoolpedagogie. Voor mij waren zijn woorden zeer inspirerend en enthousiasmerend.
Ik kreeg de gelegenheid om in het najaar van dat jaar de applicatiecursus vrijeschoolleerkracht te volgen aan de Haagse vrijeschool. Veltman gaf daarin Nederlandse literatuur, toneelspelen en antroposofie. Hij opende werelden voor mij. Steiners ‘dramatische cursus’ was toen al ‘vlees en bloed’ voor hem en door zijn bezielde manier van werken, haalde hij onvermoede talenten in ons omhoog. We leerden allerlei vormen van reciteren – nog zie ik hem ‘Stil, wees stil, op zilveren voeten…..(Boutens) voordoen; hoe we ‘Der alte Hexenmeister’ (Goethe) speelden – nog hoor ik hoe zijn ‘Besen, Besen seids gewesen’ machtig door de grote zaal van de school weerklonk. Met hem maakten we van het sprookje ‘De drie sinaasappelen’ een toneelstuk dat we ook opvoerden.

Zeven jaar lang mocht ik in Den Haag zijn collega zijn.
Hij was ook nog een jaar mijn ‘huisbaas’. Ik kon in zijn huis en dat van zijn voor mij ook onvergetelijke vrouw Hanna† met wie hij toen gehuwd was, aan de Badhuisweg 104 in Schevingen, een klein kamertje betrekken, toen ik in augustus 1970 met mijn allereerste eerste klas begon.
Wij – mijn vriendin Catherine – dit jaar al 48 jaar mijn partner – en ik aten regelmatig mee in het gezin en we waren er een keer bij dat Wim met Oudjaar ‘Scrooge’ uit Charles Dickens’ A Christmas Carol voorlas, d.w.z. hij wás wat hij vertelde.

In Steiners GA 295 wordt n.a.v. het cholerische temperament aan hem gevraagd of hij de scène tussen Napoleon en zijn secretaris wil vertellen. Steiner antwoordt: ‘Dan zouden we eerst toestemming moeten vragen aan de bouwcommissie!

Daar moest ik de andere dag aan denken, toen de avond ervoor – het was zeker al middernacht – Wim – thuiskomend van een cursus of voordracht – met bulderende stem verslag deed van de diefstal van zijn brommer. De scheldwoorden aan het adres van de dief – ik zal ze hier niet herhalen – deden ons stijf overeind in bed zitten. Ook ’s morgens was de woede daarover nog niet bekoeld.

In de m.n. ‘zakelijke’ vergaderingen op school kon je van tijd tot tijd zijn intense betrokkenheid bijna aan den lijve ervaren. Dan kon het in discussies met anderen – ook vaak begaafde sprekers – fel toegaan.
In het begin dacht ik dan: ‘Die kijken elkaar nooit meer aan!’. Ik was zeer verbaasd dat er dan ’s morgens weer volkomen normaal met elkaar werd omgegaan: geen spoor van de tegenstellingen van de vorige avond.

Toen ik hem daar eens naar vroeg, antwoordde hij: ‘We strijden niet tegen elkaar, maar voor de zaak.’

Mijn herinneringen aan hem zijn ook onlosmakelijk verbonden met ‘De kerstspelen’. Niet alleen was het een bijzondere ervaring om onder zijn leiding mee te spelen, maar ook wanneer hij zelf meespeelde. Zijn ‘Herodes’ zal ik nooit vergeten.

Zoals zoveel niet: zijn gloedvolle lezingen op zondagmorgen in het Haagse Diligentia; zijn inspirerende uiteenzettingen over Steiners mensbeeld; zijn grote kennis van allerlei onderwerpen: de hiërarchieën; Chartre, Shakespeare, Goethe. Te veel om hier op te noemen.
Ze staan uitvoerig beschreven op zijn website.

Wim wás vrijeschool, wás antroposofie: voor mij was hij een grote bron van inspiratie.

Ik ben hem veel dank verschuldigd.

VAN HARTE DANK, WILLEM

 

Website W.F.Veltman

zie ook: Motief

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De verankering van de tijd aan de aarde

In het scheppingsverhaal van de Bijbel worden door de scheppende Godheid op de Vierde Scheppingsdag de tijd-ritmen ingevoerd, die ten grondslag zullen liggen aan de schepping en aan het leven op aarde. Op deze vierde scheppingsdag worden zon, maan en sterren geschapen en in beweging gezet. die het ritme van dag en jaar bepalen, die het beeldschrift aan de hemel schrijven, dat het leven op aarde zal inspireren in zijn veelvoudige aspecten. En God sprak: ‘Lichten mogen schijnen aan het hemelgewelf om te onderscheiden tussen de dag en de nacht, en zij mogen worden tot tekenen en tot gezette tijden en tot dagen en jaren.’

De schrifttekens aan de hemel vormden de grondslag van het tijdbewustzijn van de mensen, in alle opeenvolgende cultuurperioden over de gehele aarde. Dit schrift te kunnen lezen gold als hoogste wijsheid. Deze wijsheid doordrong en ordende het menselijke leven in al zijn samenhangen en uitingen, en gaf inzicht in het wezen van de natuur, waarin de mens leefde. De verschijningen aan de hemel, in hun wetmatig zich wijzigende bestendigheid, eerden door wijze leidsmannen ervaren als goddelijke aanwijzingen en gaven hun de innerlijke zekerheid en kracht, om de hun toevertrouwde mensengemeenschappen te leiden en de natuur tot een menswaardige omgeving om te vormen.

In dit tijdsbeleven was de zon onveranderlijk trouw, in de afwisseling van dag en nacht, in de gang door het jaar. Haar dagelijkse gang werd beleefd aan hitte en koelte en aan de steeds wisselende licht- en schaduwverhoudingen, waarvoor de mens nog een open oog had. (Het kan in deze tijd voor ons een enthousiasmerende belevenis zijn om bijvoorbeeld in de vakantie deze tijdwaarnemingen te scholen, en te proberen de tijd waar te nemen uit zonnestand en schaduwwerking, uit het schaduwverloop in het bergdal of uit de licht- en kleurnuances van de zee in de loop van de dag!) De zonnejaargetijden, de seizoenen, spiegelden zich in de atmosferische verschijnselen en in planten- en dierenwereld (storm, regen, enz.).

De maan, met haar wisselende gestalten, bewerkstelligde maand en week, doorkruiste het zonnejaar, waartoe zij slechts iedere 18 jaar dezelfde verhouding terug vond. De Israëlieten schiepen de week van zeven dagen en nieuwe maan was voor hen het begin van de maand. Om de drie jaar moesten deze maan-maanden weer aan het zonnejaar worden aangepast. De oude Perzen, de zonaanbidders, hadden al de twaalf maanden ingevoegd in het zonnejaar, onafhankelijk van het maanverloop.

Deze wisselende, in een levende gelijkmatigheid voortgaande hemelse schrift  eiste van de mensen een voortdurende waakzaamheid en aandacht voor hun omgeving, die de huidige mens niet meer kent, waartegenover hij, zo te zeggen, in een diepe slaap is verzonken. Wie kijkt nog naar de hemel en weet, waar maan en planeten te vinden zijn? Hoe hun wegen gaan? Wie ervaart nog in de nuancering van het daglicht de voortgang van de tijd?

De mens is volledig aardeburger geworden, de hemel werd voor hem gesloten, de goden trokken zich terug uit hun werk. Dat moest ook zo zijn, want de mens moest volwassen worden en niet langer aan de leiband der goden gaan. Zo verloor hij allengs de mogelijkheid om in aarde- natuur- en hemelverschijningen het goddelijke oerbeeld te kunnen herkennen. De hemelse schrift werd zuivere mechanica, die echter, tot ergernis van de mannen van de wetenschap, toch geen helemaal sluitende rekening te zien gaf.

De sterrenwereld bleef zo dynamisch, dat zij niet in wetten was te vatten zonder voortdurende correcties door waarneming van de werkelijke verschijnselen. Zelfs de beweging van de nabije maan kan niet volledig berekend worden, omdat de maan niet alleen onder invloed van zon en aarde staat, maar eveneens onder invloed van alle andere planeten. De maan alleen al spiegelt in zijn beweging om de aarde de gehele planetaire beweging van ons zonnestelsel aan de aarde toe. De mens zocht nu zijn tijdbepaling op de aarde zelf. Eerst was het nog de zonnewijzer, die de tijd aangaf (zandloper en waterklok waren al duizenden jaren in gebruik, meten echter een bepaalde tijdsduur, niet een tijdstip in de loop van dag of jaar). In de late middeleeuwen werd de mechanische klok ontwikkeld, die op mechanische wijze de beweging van zon en sterren kon uitdrukken. Bij deze klokken probeerde men nog zover mogelijk het beeld van het zonnestelsel in mechanische constructies in te bouwen: de uurcirkel liet de gang van de zon langs de twaalf tekens van de dierenriem zien, de maangestalte verscheen op de wijzerplaat; ook werden gecompliceerde planetaria geconstrueerd. Er ontstond een grote geestdrift om de verschijningen van de hemel in mechanische constructies af te beelden. Al spoedig bleek het echter onmogelijk om met aardse middelen, als de mechanica is, te voldoen aan de oneindige verscheidenheid en veranderlijkheid van de verschijnselen aan de hemel. De aarde zelf is zo geschapen, zoals ook uit het scheppingsverhaal blijkt, dat zij alleen een eeuwig-gelijkblijvend ritme kan voortbrengen. De mechanische klok kon de schommelingen in de ware zonnetijd niet uitbeelden en zo keerde men de zaak om en verzon de ‘middelbare’ zonnetijd, die deze schommelingen uitwiste.

Als in de 20ste eeuw de meetinstrumenten en meetmethoden tot een steeds grotere nauwkeurigheid worden ontwikkeld en tegelijkertijd de kennis van de aardestoffen steeds verder wordt verdiept, voldoen ook de mechanische constructies niet meer voor tijdmeting. Als grondslag voor tijdmeting worden de stabiele en elektrisch op te wekken trillingen van een kristal genomen, waarvoor kwarts zeer geschikt bleek. In de kwartsklok, en nu ook het kwartshorloge, vervangen deze ‘piëzo-elektrische’ trillingen van een kwartskristalletje de vroegere mechanische onrust, die nodig was om de gang van het uurwerk gelijkmatig te doen verlopen. Dit was het begin van de verankering van de tijdmeting, nu niet alleen aan de aardse mechanica, maar aan de aardse materie zelf. Het ging echter nog verder: in het jaar 1955 werd de atoomklok ingevoerd, die berust op de zeer stabiele absorptie- en resonantietrillingen van bepaalde metaalatomen en die volgens wetenschappelijke berekening in 300.000 jaar slechts één sekonde verkeerd kan lopen.

De tijdmeting, die voor de huidige natuurwetenschap bruikbaar is, is nu volledig verankerd aan de aardematerie en de hemel wordt voortaan overgelaten aan de wetenschap van de astronomie. In het dagelijkse leven, waaraan in werkelijkheid geheel andere wetmatigheden ten grondslag liggen, kan men nu beleven, wat in de wetenschap begon. Ook voor het dagelijkse leven wordt de hemel oninteressant. Men kan reeds bemerken, dat de wijzerklok alleen nog esthetische waarde heeft; de digitale klok is in de mode gekomen. Daaruit blijkt, dat men er zich nog maar nauwelijks van bewust is, dat het beeld (van de wijzerstand in de uurcirkel) veel sneller en sterker werkt dan het getal. De mechanische klok, die altijd weer gecontroleerd en gelijk gesteld moet worden, wordt afgelost door de kwartsklok met elektrische batterij-aandrijving, die zelfs al als dameshorloge in mini-formaat te verkrijgen is. Want deze lopen altijd gelijk. Wat echter tijd in werkelijkheid is, wat zij te betekenen heeft in het leven van mens en aarde als levend, richtinggevend, wisselend ritme, dat kan de mens nu volledig vergeten, hij verzinkt, wat de tijd betreft, in de diepe slaap van de monotonie. In de christelijke kerk was het levende inzicht in de kosmisch-goddelijke wetmatigheden van de hemelse wereld al vroeg verloren gegaan of tot dogma’s verstard. Zo verloor, in de loop van de verdere cultuurontwikkeling, ook de kerk de hemel, die zij had moeten beschermen tegenover de steeds materialistischer wordende natuurwetenschap.

Wij hebben het aan Rudolf Steiner te danken, dat hij de wetenschappelijke methoden van de natuurwetenschap weer heeft kunnen verbinden met een helder inzicht in de goddelijk-geestelijke wetmatigheden van ons zonnestelsel; dat hij aarde en mens weer in samenhang heeft kunnen brengen met de zonne-planeten-wereld zoals zij ook in de bijbelse scheppingsgeschiedenis in een onscheidbare samenhang waren gedacht.

In de scheppingsgeschiedenis worden mens en dier pas geschapen als de hemelse ordeningen van zon, maan en sterren zijn ingezet. De ziel heeft ritme nodig om te kunnen existeren, geordend in dag en nacht, in waken en slapen, in week en maand, in jaargetijden, in 7-jaar-perioden, in geboorte en dood. Aan deze ritmen kan zij steeds nieuwe impulsen ontlokken, die haar de mogelijkheden schenken tot een voortdurende, nooit eindigende ontplooiing. *)

Juist in het voortdurende verstarringsproces van de aarde, ingeleid door de zondeval, heeft de mens de dynamiek nodig van het hemelgebeuren, om zich te kunnen ontworstelen aan de aardse, statische monotonie. De mens is in het aardse gebeuren ingeschakeld als stadhouder Gods, alleen hij heeft de mogelijkheid en dientengevolge de taak zich steeds verder te ontwikkelen en zich en zijn wereld te leren kennen in hun levende, vanuit het goddelijke vormgegeven wetmatigheden, om vanuit die kennis daaraan leiding te kunnen geven.

Om opnieuw de weg naar de hemel te vinden, moet de mens uit zichzelf een sterk bewustzijn ontwikkelen, het wordt hem niet meer geschonken. De aarde kan door haar massieve resistentie deze bewustzijnskrachten sterken. Staande op de aarde en omhoogziend tot de hemel verkrijgt de mens pas zijn werkelijke menszijn.
.

Ruth Scherpenhuijsen Rom, Jonas 24, 27-07-1979

.

*) Zie ook D. Lauenstein, Wetmatigheden in de levensloop van de mens, Christofoor, Rotterdam, 1978.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-5)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Samen een zintuig voor warmte ontwikkelen

Warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in het leven van een kind. Vanzelfsprekend, zou je zeggen, maar in de praktijk blijkt het uitzoeken van de juiste wandelwagen of een goede school voor je kind vaak meer aandacht te krijgen dan het kiezen van warme kleren. Kinderen hebben veel warmte nodig om goed te
kunnen groeien. En omdat ze zelf nog niet zo goed kunnen voelen of ze het koud hebben, zullen wij dat voor hen moeten doen. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel vertelt waarop je bij je kind moet letten als je wilt weten of hij het wel warm genoeg heeft.

Heel wat problemen met baby’s en kleine kinderen die op het spreekuur van de huisarts belanden, zijn eigenlijk terug te voeren op het niet goed verzorgen van de grote behoefte aan warmte die ze hebben. Ik word als dokter wel eens voor ouderwets versleten als ik ouders aanraad hun kind een wollen hemd en onderbroek aan te trekken. Maar op termijn – en die is vaak korter dan je denkt – merk je als je je kind goed warm houdt dat allerlei gekwakkel en vage pijntjes afnemen of verdwijnen. Maar warmte geven is meer dan de zorg voor wollen ondergoed of een kruik in de wieg.

Enthousiasme

Je lichaam functioneert het beste bij een temperatuur van rond de 37 graden. Bij infecties wordt de temperatuur hoger en spreek je van koorts. De warmte varieert met het welbevinden: hoe beter je in je vel zit, hoe constanter en dichter bij de 37 graden je lichaamstemperatuur is. Temperatuur is de maat voor je gezondheid en weerstand, dus voor je vermogen om bacteriën en virussen die niet in je lijf thuis horen te weren. En koorts is het moedwillig verhogen van de warmte om indringers te vernietigen. Het is een uitdrukking van het lichaam dat het weet hoe het hoort.

Maar warmte doet meer. Substanties kunnen er door veranderen: van gedaante of kleur, zoals kaarsvet dat smelt of je huid die bruin wordt onder invloed van de zonnewarmte. Het belangrijkste is echter misschien wel dat warmte het vermogen heeft om alles in beweging te brengen. Water gaat borrelen, kwik zet uit en mensen zetten als het plotseling mooi weer wordt de ramen en deuren open of gaan buiten lopen genieten van de zon. Dus niet alleen substanties komen in beweging door warmte, maar de ziel ook.
Enthousiasme, beweeglijkheid van de ziel, ontstaat als je ergens warm voor loopt.

Op het lijf geschreven

Warmte heeft dus vele gedaantes: lichaamstemperatuur, weerstand, vermogen tot verandering, beweging, differentiatie, enthousiasme. Al die begrippen zijn een klein kind letterlijk op het lijf geschreven. Alles aan zijn lichaampje is in beweging, verandert, verfijnt en differentieert. In de eerste jaren is een kind eigenlijk voortdurend bezig zich thuis te gaan voelen in zijn lichaam. Het vormt, op basis van het erfelijk materiaal dat het van zijn ouders meekrijgt, een eigen lijfje dat als gegoten zit. Het wordt dan een veilige basis waarmee het de wereld in kan om contact te maken met zijn medemensen en van alles te leren en tot stand te brengen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het kind werkt er heel hard aan om in zijn lichaam thuis te raken en het moet daarbij worden geholpen. Dat laatste is essentieel, want je kind heeft het voor zijn ontwikkeling nodig dat je als ouders meeleeft en meedoet, kortom, dat je voorbeelden geeft die hij innerlijk en uiterlijk kan nabootsen.

Nabootsen: meer dan imiteren

Vanaf de geboorte bezit een kind dat vermogen tot nabootsen. Nabootsen wil zeggen dat je iets waarneemt en in staat bent dat op je eigen wijze weer naar buiten te brengen. Dat is net zoiets als een pianist die een muziekstuk waarneemt, daar zo zijn eigen overwegingen bij heeft en het vervolgens op strikt persoonlijke wijze ten gehore brengt. Een klein kind ziet zijn ouders bewegen en lopen en hoort hen spreken. Hij neemt dat in zich op en ontwikkelt aan de hand daarvan zijn eigen manier van lopen, bewegen en spreken.

Nabootsen is meer dan imiteren omdat het veel diepgaander is. Imitatie is gebonden aan één onderwerp. Denk maar aan de soundmixshow waarbij iemand laat zien hoe hij één liedje van één artiest kan nadoen.

Nabootsen heeft meer te maken met een zangopleiding die je in staat stelt in principe alles te kunnen zingen. Vaardigheden die je als kind op fysiek niveau hebt verworven, vormen in het latere leven de basis voor het ontwikkelen van psychische en sociale vermogens. Zo kun je je, doordat je als klein kind hebt leren staan en lopen, later min of meer onafhankelijk opstellen tegenover de wereld om je heen. Je kunt een eigen ‘standpunt’ innemen omdat je hebt geleerd wat afstand nemen is. De ontwikkeling van lichamelijke vaardigheden in de kindertijd vormt zo bezien het uitgangspunt voor het hele verdere leven. En warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in die ontwikkeling.

Zintuig voor warmte

Kruiken, omslagdoeken, warm drinken, wollen kleertjes en een warm bad hebben maar een doel: het kind net zolang warm houden tot het dat zelf kan. Het wachten is op het moment dat hij zoveel warmte heeft ervaren, dat hij voor ‘home made’ warmte kan zorgen en zichzelf op temperatuur kan houden. Het lichaam van het kleine kind leert hoe het warmte kan hanteren om gezond te worden en te blijven, groeiprocessen te ondersteunen en te herkennen wat de eigen warmte bedreigt. Om dat te kunnen leren heeft hij een gevoeligheid nodig die je het ‘warmtezintuig’ zou kunnen noemen. Hij ervaart een stuk ijs als koud omdat zijn eigen warmte erin wegvloeit. Een glas thee voelt heet omdat er vreemde warmte bij hem binnen dreigt te komen met alle gevolgen van dien. Door al dit soort ervaringen ontstaat zijn warmtezintuig en gaat hij als het ware innerlijk met zijn ervaringen mee bewegen. Zoals het zien lopen op een bepaald moment de drang doet ontstaan om dat ook te doen, zo is het waarnemen van warmte van buitenaf aanleiding tot het vormen van eigen warmte.

Plannen maken

Met hetzelfde warmtezintuig kan hij later in zijn leven ook warmte in overdrachtelijke zin herkennen en hanteren. Zijn warmtezin wordt dan gevoed door een enthousiaste leerkracht, een meeslepende popheld of een boeiende schrijver. Je zou ook van een enthousiasmezintuig kunnen spreken. Enthousiasme heeft veel te maken met plannen maken, met iets willen. Het is voor een zinvol leven belangrijk dat je zoveel mogelijk doet wat je wilt, dat je contacten legt die iets voor je kunnen betekenen en de stappen zet die nodig zijn om dat wat je met je leven van plan bent te realiseren. Dat is voor een klein kind nog ver weg, maar in de kiem is het toch al aanwezig in zijn worsteling om een werkzame relatie op te bouwen met zijn lichaamstemperatuur.

Evenwicht

Als ouders kun je aan de ontwikkeling van het warmtezintuig werkelijk bijdragen als je je realiseert dat een klein kind gediend is met kwaliteit, zeker waar het warmte betreft, want het kan niet meer nabootsen dan het krijgt aangeboden. Het is echt geen overbodige luxe om voor de kleding van je baby, peuter of kleuter natuurlijke materialen als wol, zijde en katoen te gebruiken en op de kwaliteit van de voeding te letten. Maar ook in de verzorging moet het kleine kind warmte voelen. Het is kou lijden als het plichtmatig wordt verschoond of even snel gevoed. Het moet kunnen ervaren dat je vanuit een bepaalde betrokkenheid met zijn opvoeding bezig bent. Ook aandacht, bijvoorbeeld als het kind ziek is, kan koud of warm zijn. Een kind wordt niet beter van een ouder die zich alleen maar zorgen maakt, maar ook niet van eentje die overloopt van vertrouwen in het idee dat ziek zijn nuttig en noodzakelijk is voor kleine kinderen. Het gaat om het vinden van het goede evenwicht. Dat vraagt nogal wat van je als ouder. Je moet vaak heel wat in jezelf opzij zetten om te willen inzien wat nodig is voor je kind. Maar je kunt daarbij wel merken dat jouw warmtezin ook nog steeds in beweging is en zich ontwikkelt en verfijnt.

En het is heel waarschijnlijk dat je dat aan het opvoeden van je kind, met alle problemen die daarbij horen, te danken hebt. Want het zintuig voor de kwaliteit van de warmte kan zich juist door de warme band die er tussen jou en je kind bestaat ontplooien. Opvoeden en warmte ontwikkelen gaan dan hand in hand.

.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

DE kwaliteit van tijd

De Griekse taal kent twee woorden voor voor tijd: xpóvos (chrónos) en xaipós (kairós).

Het eerste herkennen we meteen in woorden als chronometer en chronologie. Deze woorden geven tevens een belangrijk kenmerk van de xpóvos weer, namelijk dat hij meetbaar is, dat hij in stukken te verdelen is, dat bepaalde tijdsperioden met getallen (jaartallen en data) zijn aan te geven, zodat iedereen weet over welke tijd het gaat.

Kortom: in chrónos zien we de tijd in zijn kwantiteit en dus ook meetbaarheid  (kortere of langere tijd). Daartegenover bestaat er niet zoiets als een ‘kairometer’ om een bepaald tijdstip te meten, omdat nu juist de kairós onmeetbaar is. Hier komen we op het gebied van de kwaliteit van de tijd, zijn innerlijke, wezenlijke waarde. Uitdrukkingen als: ‘de tijd is rijp’ of ‘te rechter tijd’, geven enigzins aan in welke richting we ons dan begeven, namelijk daar waar we met een geheel ander orgaan moeten waarnemen dan met een tijdmeter.

Iedereen weet uit ervaring, hoe belangrijk het is het juiste moment te kiezen om iemand iets belangrijks te vragen, of een verheugende of juist schokkende mededeling te doen. Om dat ‘juiste moment’ te vinden kunnen we niet volstaan met een count-down (zoals dit voor het startsein van een raketlancering gebruikelijk is), maar we moeten met een fijner ‘zintuig’ aanvoelen wanneer zoiets aan de orde is (‘an der Zeit’! ).

In een ander ervaringsgebied kennen we ook het bestaan van deze twee soorten tijd, namelijk bij het fenomeen, dat bijvoorbeeld bij een (dag) droom in nog geen seconde tijd (chrónos) een ‘eindeloos’ verhaal van spannende gebeurtenissen zich kan afspelen, waar alles ‘zijn tijd’ (kairós) heeft. Of omgekeerd, wanneer we zo geconcentreerd opgaan in een bepaalde bezigheid, studie of gesprek, dat we ‘de tijd vergeten’ en – voordat we het goed en wel in de gaten hebben – er al weer twee uur voorbij zijn. Een kwartier kan kan onder vervelende omstandigheden eindeloos duren, terwijl eenzelfde tijdsduur van 15 minuten in een andere situatie ‘geen tijd’ is en voorbij is voordat je ’t weet.

Kennelijk ligt de kairós op een ander vlak, in een ander gebied, dan de meetbare, dus aardse tijd. De voorbeelden en ervaringen schijnen daarop te wijzen. Hoe meer we ons van het aards-stoffelijke-meetbare verwijderen en ons bewust (concentratie) of onbewust (in slaap of droom) trachten in te leven in het bovenzintuigelijk-spirituele, des te meer zal dat verschil tussen chrónos en kairós ervaarbaar, waarneembaar worden. Maar hoe verschillend deze twee soorten tijd ook zijn, toch bestaat het bekende verschijnsel, dat iemand op een een bepaald moment (dus in de chrónos) in een situatie komt, die hij tot in de kleinste details al eens eerder (!) in een droom (dus niet in de uiterlijke werkelijkheid) heeft beleefd. Met andere woorden, in de bovenzintuigelijke tijd kan al iets ‘bekend’ zijn of zich afspelen, dat zich pas later in de aardse tijd manifesteert. Hierop berust de gave van de profetie, namelijk het waarnemen van gebeurtenissen in de geestelijke wereld, die zich later ‘verdichten’ op aarde, als een soort
incarnatieproces. De grootste verdichting op dit gebied is de incarnatie van Christus op een bepaald moment (chrónos) in de geschiedenis van de mensheid. Een gebeurtenis, die door vele profeten reeds lang te voren was voorzien, alsof het voor hen reeds werkelijkheid was. ‘Het uur zal komen en is er reeds. . .’ is een uitspraak uit het Johannesevangelie, die deze wonderbaarlijke paradox tot uitdrukking brengt.

Na het voorgaande zal het ook geen verwondering wekken, dat juist in het evangelie de twee Griekse woorden voor tijd terug te vinden zijn. Van de vele plaatsen waar dit het geval is, moge in dit verband dié genoemd worden, die juist met dit incarnatieproces samenhangen.
Na de geboorte van Jezus vraagt Herodes aan de drie wijzen uit het morgenland ‘naar de tijd (chrónos) waarop de ster verschenen was’. Daartegenover spreekt Johannes tot de mensen: ‘De tijd (kairós) is vervuld, het Rijk Gods is nabij’. Dat wil zeggen, datgene wat in het goddelijke tijdsplan zich afspeelt komt ‘in dekking’ met de aardse tijdenloop, ‘de tijd is vervuld’.

Maar ook aan het einde van de Drie Jaren, naar het hoogtepunt, respectievelijk dieptepunt van het incarnatieproces toe, blijken de beide soorten tijd steeds met elkaar in dekking te komen: ‘Nog een korte tijd (chrónos) ben ik bij U. . .’, en bij de voorbereiding door de leerlingen van het Paasmaal: ‘de meester spreekt: ‘Mijn tijd (kairós) is nabij’.

Bij de woorden aan het kruis ‘Het is volbracht’ zouden we kunnen zeggen dat het grootste niet aan aardse tijd gebonden goddelijke wezen, (‘Ik ben de alfa en de omega, aanvang en einde, oerbegin en werelddoel’) en als zodanig representant van het eeuwige leven, zich verbindt met het tijdstip van de dood.
Gods buitentijdelijke werken worden ingevoegd in ónze geschiedenis, kairós wordt chrónos. Of misschien ook wel omgekeerd, dat de chrónos ‘vervuld’ wordt, en daarmee tot kairós wordt. Zo bezien leeft diegene in christelijke zin, die tracht tijd vrij te houden voor het ‘buiten-tijdelijke’, zodat er steeds meer momenten in de biografie kunnen komen, die het spiritueel-kwalitatieve karakter van de kairós dragen.

‘Dat God eeuwig tijd heeft voor ons, vinden we al even vanzelfsprekend als het feit dat wij geen tijd hebben voor Hem’, stelt Dag Hammarskjöld beschaamd in zijn dagboek vast.

Maar het lijkt tevens een appèl, wél tijd voor Hem te vinden.

En in onze tijd lijkt dat wel ‘aan de tijd’ te zijn.

.

Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJE SCHOOL – Biografieën – Chagall (4)

.

Eenmaal terug in Parijs heeft Chagall veel succes. Zijn schilderijen worden opgenomen in de collecties van de beroemdste kunstverzamelaars. Gedurende de dertig jaren valt een schaduw over het leven van de familie Chagall. Het gedreun van de laarzen van Hitlers legers klinkt in Europa en ze zijn genoodzaakt via Spanje naar Amerika te vluchten…

De moeilijkheden die hij ondervindt, doen Chagall besluiten terug te keren naar Parijs. Als hij er aankomt, in 1922, vindt hij zijn atelier in de „Ruche” geplunderd. Deze bittere teleurstelling wordt echter goedgemaakt door ’t feit dat bij een kleine groep vrienden, critici en kunsthandelaren zijn werk waardering heeft gevonden. Met een gerust hart kan hij dan ook zijn vrouw Bella en zijn dochter Ida uit Moskou naar Parijs laten overkomen.

De gestolen doeken die door zijn minder scrupuleuze kunstbroeders zijn verkocht, worden teruggevonden in de beroemdste collecties. De bekende criticus Gustave Coquiot, die zich bijzonder interesseerde voor het werk van moderne schilders, had één kamer van zijn huis volgehangen met Chagalls. Vollard, een handelaar die rijk was geworden aan het werk van Cézanne, Van Gogh en Renoir, en het maar moeilijk kon verkroppen dat Modigliani en Utrillo zijn neus voorbij waren gegaan, had deze schilderijen gezien en wilde onmiddellijk met de schilder kennis maken. Chagall was altijd bang geweest voor Vollard. Als hij voor het begin van de Eerste Wereldoorlog langs de beroemde kunsthandel in de Rue Laffitte liep, die volhing met het werk van Cézanne en van Van Gogh, durfde hij er niet naar binnen te gaan. Voor de sombere man, die in het midden van zijn winkel in een stoel zat te dommelen of strak voor zich uitstaarde, ging hij op de vlucht. Hij wist niet, dat Vollard, die een vriendelijk man was, aan een soort slaapziekte leed, waardoor hij overdag vooral na de maaltijden urenlang half verdoofd was. Van hun eerste ontmoeting af had Vollard het erover gehad dat hij Chagall de illustraties wilde laten maken voor de luxe uitgave van een klassiek werk; hij had zich namelijk voorgenomen een uitgeverij te beginnen. Ze kozen „Dode Zielen” van Gogol. Hierna zou de schilder „De Fabels van La Fontaine” en de bijbel illustreren. Behalve „Dode Zielen” werd geen van deze werken tijdens het leven van Vollard uitgegeven. De kopergravures die Chagall voor hem had gemaakt werden pas na zijn dood, dik onder het stof, in de kelder van zijn huis teruggevonden.

„Vollard,” vertelt Chagall, „was bezeten door een, wat sadistische, verzamelwoede. Hij kon er niet tegen als je niet voor hém werkte, maar als je eenmaal voor hem werkte, borg hij alles wat je gemaakt had zorgvuldig op in z’n kelder. De koperplaten die ik stuk voor stuk bij hem bracht, bekéék hij zelfs niet, maar hij stopte ze onmiddellijk achter slot en grendel.

Hij sprak nooit over prijzen met me, maar betaalde gewoon wat ik vroeg. Hij heeft me 500 franks voor elk van de 96 gravures der „Dode Zielen” betaald. Later, voor de Fabels, betaalde hij zonder meer 10.000 franks per stuk. Inmiddels wist ik de prijs die men voor een dergelijk stuk betaalde.”

De vrienden van Chagall

Net zoals de „Ruche” bij Chagalls terugkomst onherkenbaar gebleken was, zo was Montparnasse volkomen veranderd. Het quartier was bezig een metamorfose te ondergaan. De kleine kruidenierszaken en groentewinkeltjes die er voor 1914 nog floreerden waren verdwenen, de intieme buurtkroegjes vervangen door grote, elektrisch verlichte cafés, behangen met spiegels en klatergoud; de eerste nachtclubs openden hun roodpluche gordijnen. Een bontgekleurde menigte, meer ontkleed dan gekleed, slenterde dag en nacht over de tot voor kort zo rustige Boulevard du Montparnasse. Bij de Dôme en de Rotonde wemelde het van de onbekende gezichten, voor het merendeel vluchtelingen uit Rusland en Midden-Europa, die tot diep in de nacht zaten te praten in een verstikkende atmosfeer van alcohol en tabakswalm.

Er heerste een grote geestelijke verwarring. Het kubisme was op een dood punt gekomen; Picasso, de geestelijke vader van het kubisme, had zijn eigen geesteskind de doodsteek toegebracht door met zijn portretten van struise vrouwen, „De Matrones”, terug te keren naar de traditionele figuratieve kunst. Het dadaïsme bezweek onder het gewicht van zijn eigen kolderieke uitingen. En te midden van kreten van afkeer en verheerlijking werd het surrealisme geboren.

Apollinaire en Modigliani waren dood en Chagall kon de vrienden die hem nog restten op de vingers van één hand tellen: Zadkine, Lipchitz, Delaunay en Pougny, die net als hij van de andere kant van het ijzeren gordijn kwam, Supervielle, Paulhan en bovenal de trouwe Cendrars die in de oorlog een arm verloren had. De schrijver en politicus Barrès, sterk onder de indruk van Cendrars heldhaftig gedrag, schonk hem een kunstarm. Maar de dichter geneerde zich voor deze prothese en wist zich ervan te ontdoen, door hem achter te later aan het buffet van het station Saint Lazare.

Chagall, die door de opdrachten van Vollard met één klap uit de zorgen was, ging hard aan het werk. Nu hij het zich financieel kon veroorloven, besloot hij een reis door Frankrijk te gaan maken. Hij hoopte op het hem onbekende Franse platteland nieuwe indrukken op te doen.

Op zijn eerste ontdekkingstocht belandde hij in Bretagne. Daar schilderde hij een van zijn belangrijkste werken: „Fenêtre à l’ile de Bréhat”.

Het daaropvolgende jaar bracht hij een bezoek aan Maillol in Banyuls. Het waren gelukkige en vruchtbare jaren, vol van nieuwe indrukken en ervaringen. Omdat hij de techniek van de schilderkunst nu volkomen beheerste, kon hij in zijn werk tot een ongebonden vrijheid van expressie komen. Van de invloed die het kubisme op hem had gehad, was geen spoor meer te bekennen. Gestimuleerd door zijn grote liefde voor Bella werden zijn schilderijen elke dag blijmoediger en kleurrijker.

Jonge gelieven, waarin men duidelijk de trekken van Bella en Chagall kan herkennen, omarmen elkander, zwevend door de lucht rond een met bloemen versierde Eiffeltoren. Al zijn werk uit die tijd getuigt van een grote tederheid en intense levensvreugde: Chagall had zichzelf eindelijk gevonden.

De vlucht naar Amerika
Gedurende de jaren dertig viel er een schaduw over de uitbundige creatieve sfeer die deze periode aanvankelijk kenmerkte: het gedreun van de laarzen van Hitlers leger werd steeds luider en Chagall begreep dat er dramatische ontwikkelingen op komst waren. In Duitsland werden zijn doeken als „Bolschewismus-kultur” bestempeld. Zij werden uit de musea verwijderd en vernietigd. Door de Spaanse burgeroorlog had zijn werk een dramatisch karakter gekregen, een sfeer die tot 1947 in zijn schilderijen terug te vinden zou zijn.

Picasso, met wie hij gedurende deze periode veel contact had, was op dezelfde manier bewogen door de verschrikkingen van de oorlog.

De twee mannen die elkaar sinds 1923 niet meer hadden ontmoet, konden voor het eerst van hun leven met elkaar opschieten. Terwijl de Spanjaard met zijn „Guernica”, een Baskisch dorp dat door Duitse bommen verwoest werd, schilderde, uit Chagall zijn beklemmende angst in „De Val van de Engel”. De zo gevreesde wereldoorlog kwam onvermijdelijk. In juni 1939 vluchtten Chagall, Bella, Ida en haar man naar Blois. Chagall zag er het nut niet van in om ver weg te gaan. Hoe vaak had hij al niet moeten vluchten, honger geleden en terreur meegemaakt. Hij was het zo beu, dat hij het aanbod van de Amerikaanse ambassade om, zoals men ook voorstelde aan Matisse, Roualt en Dufy, naar de Verenigde Staten te emigreren afsloeg. Maar het zogenaamde vrije Frankrijk raakte steeds vaster bekneld in de ijzeren vuist van nazi-Duitsland en gedurende een bezoek aan Marseille werd hij tijdens een razzia opgepakt. Men zocht buitenlandse joden. Gelukkig wist de Amerikaanse consul hem na enkele uren te bevrijden. Chagall was er echter eindelijk van overtuigd dat hij met zijn familie in groot gevaar verkeerde en hij besloot het aanbod van de Amerikanen te accepteren, op voorwaarde dat hij met zijn hele gezin en al zijn schilderijen kon vertrekken. Dank zij de tussenkomst van Louis Haute-coeur, staatssecretaris van beeldende kunsten van de Vichy-regering, wist hij met zijn gezin naar Spanje te ontkomen. In kisten gepakt verlieten 500 schilderijen het Frankrijk dat Chagall zoveel jaren gastvrijheid verschaft had, en toen de Duitsers er uiteindelijk achter kwamen dat de schilder vertrokken was, visten zij achter het net; Chagall zat inmiddels, op weg naar Amerika, in Madrid!

De Duitse ambassade verzocht onmiddellijk de Spaanse autoriteiten de schilderijen in beslag te nemen. De arbeid van twintig jaar intensief werken stond op het spel! Chagall en Bella reisden door naar Portugal, terwijl Ida in Spanje achterbleef om het gevecht tegen de ambtenaren van het Franco-regime voort te zetten. Hardnekkig volhoudend, wist zij het oeuvre van haar vader eindelijk uit handen van de autoriteiten te krijgen en in triomf kwam zij, twee uur voor het vertrek van de boot naar Amerika, in Lissabon aan. Na dit hachelijke avontuur voltrok zich de reis zonder incidenten. Toen de vluchtelingen in New York aankwamen, vermeldden de kranten met vette koppen de invasie in Rusland; het was 21 juni 1941!

De dood van Bella

Ondanks de warme ontvangst in New York — met exposities in musea, diverse beroemde kunstgalerijen en vele opdrachten — hield Chagall niet van Amerika. Hij voelde zich een volledige vreemde. De onbekendheid met de Engelse taal maakte hem een buitenstaander en het was hem onmogelijk van gedachten te wisselen met de andere kunstenaars.

In zijn appartementen aan de Riverside-Drive, aan de oevers van de Hudson, waar de wind zo sterk doorheen blies dat zijn gasten bijna wegwaaiden, ontving hij slechts enkele vrienden: Pierre Matisse, zoon van de grote „fauve” schilder, die een kunsthandel had in New York, Fernand Leger, zijn oude kameraad uit „La Ruche”, de schilder Ozenfant…

Het contact met het Russische Ballet maakte zijn ballingschap draaglijker. Massine, die balletmeester was geworden, vroeg hem de kostuums en de decors voor „Aleko” te ontwerpen, een ballet naar een vertelling van Poesjkin. De tijd van koortsachtig werken met vele adempauzes vol plezier uit de jaren voor 1914 keerde terug.

De première van het ballet van Massine vindt plaats in 1942 in het Paleis van Schone Kunsten te Mexico City. In de sfeer van een fiësta schildert Chagall zijn decors, geholpen door Mexicaanse kunstenaars, terwijl Bella een atelier opent waar de kostuums en de accessoires worden gemaakt. Ze blijven twee jaar in Mexico.

Weer terug in de Verenigde Staten blijkt dat Bella het slachtoffer van een dodelijke infectieziekte is. Chagall brengt haar naar een ziekenhuis, maar ze worden teruggestuurd omdat het te laat in de avond is om nog opgenomen te worden. De volgende dag sterft Bella. Haar laatste woorden waren: „Laten we snel naar huis gaan, pak de koffers in…” Men had haar net verteld dat Parijs op het punt stond bevrijd te worden.

En zo keerde Chagall eenzaam en gebroken in 1948 terug naar Frankrijk, samen met een getrouwd Engels meisje, Virginia Haggard MacNeil. Chagall werd verliefd op haar. Maar na zeven jaar verliet ze hem plotseling. Gelukkig ontmoette Chagall niet lang na deze pijnlijke emotie in Londen Valentina Brodsky. „Vava”, zoals hij haar noemde, werd Chagalls tweede vrouw. Hij noemt haar intelligent en krachtig. „Ze is mijn procureur-generaal,” zegt Chagall, „want ze heeft orde op zaken gesteld in mijn leven. Als we het samen oneens zijn, roep ik: „Echtscheiding”.” Chagall lacht als Vava antwoordt: „O, wij scheiden vele malen per dag”… Chagall is gelukkig met het werk dat in Frankrijk op hem wacht.

In het pottenbakkersatelier Madoura te Vallauris vindt de wedergeboorte plaats van dit kleine provinciale stadje. Op de lange houten tafels staan honderden borden, schalen, vazen en potten van klei om beschilderd en gevernist te worden. Chagall en Picasso werken,- ieder op hun eigen manier; Picasso die de hele tafel langsloopt houdt zich voortdurend met alle vormen en kleuren tegelijk bezig. Met zijn penseel geeft hij snel een lik hier en een streek daar. Chagall werkt stil en ingespannen aan een hoek van de tafel, hij concentreert zich op één bord, meer dan Picasso worstelend met de techniek van het pottenbakken.

Nerveus en geprikkeld, als hij niet het gewenste resultaat bereikt, staat hij op om een wandeling te maken. Als hij gekalmeerd terugkomt, vindt hij op het bord waar hij zo’n moeite mee had een prachtige haan geschilderd in zijn eigen stijl. Tijdens zijn afwezigheid heeft Picasso voor de grap met enkele snelle penseelstreken een haan a la Chagall geschilderd. „Dit moet werk van de duivel zijn!” roept Chagall uit.

Reeds gedurende enkele jaren wonen de beide kunstenaars naast elkaar aan de Cöte d’Azur. Zij hebben Renoir en Matisse opgevolgd als de „artistieke attracties” van de Midi. Ondanks het feit dat het niet altijd evengoed botert tussen de twee, kunnen ze moeilijk voor lange tijd van elkaar scheiden.

Eindelijk thuis

Chagall, nerveus en gevoelig, begint vaker naar Vence te trekken, waar hij de rust en stilte vindt na een veelbewogen leven. Hij laat een huis bouwen in Saint-Paul-de-Vence en richt daar zijn atelier in.
Tijdens de bouw van het huis zegt Chagall: „Op mijn leeftijd is het absoluut krankzinnig om een nieuw huis te laten bouwen.”
Inmiddels is Marc Chagall 79 jaar oud en woont hij al ruim een jaar in het nieuwe huis, samen met Vava, drie koks, een chauffeur en een dienstmeisje. Hij werkt te midden van tientallen paletten, kunstboeken, schilderijen, een samovar, en grammofoonplaten van Bach, Mozart, Stravinsky en Ravel.
Chagalls dochter Ida is nu getrouwd met de directeur van het Bazel museum, Franz Meyer. Ida zegt over haar vader: „Soms denk ik dat het enige dat ik van mijn vader leerde een verschrikkelijk schuldgevoel is als ik niets doe. Toen ik kind was had ik altijd een kalender boven m’n bed.” Nog steeds schildert Chagall met de kracht van zijn jeugd. Hij heeft ramen ontworpen voor de kathedraal van Metz, hij heeft het plafond van de grote Opéra van Parijs gedecoreerd, hij ontwierp 75 kostuums en 13 decors voor de Metropolitan Opera in New York, hij ontving een ridderorde van het Légion d’Honneur en is al driemaal doctor in de schone kunsten. Chagall heeft zich laten naturaliseren en hij voelt zich nu Fransman in hart en nieren. Hij zegt: „Als ik mijn leven overzie, vervult het mij met verwondering dat een arme jongen uit Vitebsk het zo ver in de wereld heeft geschopt. Ik kan me nauwelijks meer voorstellen dat ik zover van hier ben geboren!”

.

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.