Maandelijks archief: september 2017

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 306)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 306  4e voordracht blz. 93-94
Niet vertaald

blz. 93

So müssen wir bei der Botanik für das kindliche Alter von der ganzen Erde ausgehen und die Pflanzen gewissermaßen als die Haare betrachten, die da auf der Erde wachsen. Und die Tiere -ja, zu den Tieren gewinnt das Kind überhaupt kein Verhältnis, wenn Sie ihm das Nebeneinander entwickeln. Sie können da dem Kinde schon etwas mehr zumuten, weil das Behandeln des Tierischen ja erst eintritt im 10., 11. Lebensjahr. Dem Kinde dieTiere so nebeneinander beizubringen – gewiß, wissenschaftlich ist das ganz gut, aber wirklichkeitsgemäß ist es nicht. Wirklichkeitsgemäß ist nämlich, daß das ganze Tierreich ein ausgebreiteter Mensch ist. Neh­men Sie den Löwen: er ist die einseitige Ausbildung besonders der Brustorganisation. Nehmen Sie den Elefanten: die ganze Organisa­tion ist auf die Verlängerung der Oberlippe hin ausgebildet ; die Gi­raffe: die ganze Organisation ist auf die Verlängerung des Halses hin ausgebildet. Wenn Sie jedes Tier so begreifen, daß irgendein Organsystem des Menschen vereinseitigt ist im Tier, und dann die ganze 

Dus moeten we bij de plantkunde op de kinderleeftijd uitgaan van de hele aarde en de planten in zekere zin als de haren zien die op de aarde groeien.
En de dieren – ja, tot de dieren vindt het kind totaal geen verhouding, als je ze voor hem naast elkaar zet. Je kan wel wat meer van de kinderen vergen, omdat het behandelen van de dieren pas begint in het 10e, 11e jaar. De kinderen de dieren zo naast elkaar geven – zeker, wetenschappelijk is het heel juist, maar het is niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Daarmee in overeenstemming is dat het hele dierenrijk een uitgebreide mens is. Neem de leeuw maar eens: dat is de eenzijdige ontwikkeling van met name de borstorganisatie. Neem de olifant: de hele organisatie is gericht op het langer worden van de bovenlip; de giraffe: op de verlenging van de hals. Wanneer je ieder dier zo begrijpt, dat er een of ander orgaan van de mens in het dier eenzijdig geworden is en dan de

blz. 94

Tierreihe überblicken bis zum Insekt, und noch weiter hinunter kann das durchgeführt werden bis zu den geologischen Tieren – Terebra­ten sind im Grunde genommen keine geologischen Tiere -, dann kommen Sie dazu, sich zu sagen: Das ganze Tierreich ist ein fächer­förmig auseinandergefalteter Mensch, und der Mensch ist seiner phy­sischen Organisation nach die Zusammenfaltung des ganzen Tierrei­ches. Da bringen Sie in die richtige Entfernung vom Menschen – und auch wiederum richtig mit dem Menschen zusammen – dasjenige, was das Tierreich ist. Natürlich sage ich hier mit ein paar Worten etwas Abstraktes. Das müssen Sie sich umsetzen in Lebendiges, so daß Sie wirklich jede Tierform schildern können als eine einseitige Ausbildung eines menschlichen Organsystemes. Wenn Sie die nötige Kraft finden, vor den Kindern das lebendig zu schildern, so werden Sie sehen, wie die Kinder das rasch auffassen. Denn das wollen sie ha­ben. Das Tier wird angeknüpft an den Menschen so, wie wenn der Mensch sich vereinseitigen würde, wie wenn er bald Arme, bald Beine, bald Nase und dergleichen, bald Oberleib wäre, und dies dann Gestalt gewinnen wurde: dann bekommt man die Gestalt der Tiere, des ganzen Tierreiches. So gelangt man wirk­lich dazu, den Unterricht so zu gestalten, daß er verwandt ist demje­nigen, was in dem werdenden Menschen, dem Kinde selber lebt.

hele dierenreeks tot aan het insect toe overziet en dat kan nog verder doorgevoerd worden tot aan de geologische dieren – terebraten zijn dat in wezen niet – dan kun je ertoe komen te zeggen: ‘Het hele dierenrijk is een waaiervormig uiteengelegde mens en de mens is wat zijn lichamelijke organisatie betreft een samenvouwsel van het hele dierenrijk. Dan zet je op de juiste afstand van de mens – en ook weer op een goede manier met de mens samen – datgene wat het dierenrijk is. Natuurlijk zeg ik hier met een paar woorden iets abstracts. Dat moet je omwerken tot iets levendigs, zodat je echt iedere diervorm kan schetsen als een eenzijdige vorm van een menselijk orgaansysteem. Wanneer je de nodige kracht vindt om dat voor de kinderen levendig neer te zetten, dan zal je zien hoe snel de kinderen dat oppakken. Dat willen ze graag horen. De planten worden met de aarde verbonden, alsof het de haren van de aarde zijn. Het dier wordt met de mens verbonden, zo, alsof de mens eenzijdig zou worden, alsof hij nu eens armen, dan weer benen, dan weer een neus of zo, dan weer een bovenlip zou zijn en dat dit dan een gestaltevorm zou aannemen: dan krijg je de vorm van de dieren, van het hele dierenrijk. Zo kom je er daadwerkelijk toe het onderwijs zo vorm te geven dat het verwant is met hetgeen in de wordende mens, in het kind, zelf leeft.
GA 306/93-94
Niet vertaald

GA 306  5e voordracht

blz. 97-98

Wir können so, wie ich es gestern auseinandergesetzt habe, die Pflanzenwelt dem Kinde beibringen als die Haare, die auf der Erde wachsen; aber wir müssen bei der bildlichen Charakteristik bleiben. Wir können auch die Tierwelt so dem Kinde nahebringen, daß wir in einer Art, die eben dem Kinde liegt, jede Tierform auffassen wie ein Stück Mensch, das einseitig ausgebildet ist. Wir dürfen aber ja nicht nun übergehen etwa zu der Beschreibung des Menschen selber in dieser Zeit. Wir können sogar ganz gut daraufhin das Kind lehrend beeinflussen, daß wir von den Gliedern des Menschen sprechen und diese Glieder in einseitiger Ausbildung auf diese oder jene Tierform anwenden, aber die Zusammenfassung zum Menschen, die versteht das Kind noch gar nicht. Erst gegen das 12. Jahr hin bekommt es dann auch die Sehn­sucht, nun das ganze Tierreich zusammenzufassen zum Menschen. Und das kann man dann betreiben in denjenigen Klassen, die eben auf das Lebensalter zwischen dem I1. und 12. Jahr folgen.
Darin liegt nun ein scheinbarer Widerspruch, aber das Leben ist eben widerspruchsvoll. Der scheinbare Widerspruch ist der, daß man erst sollte das ganze tierische Reich wie den ausgebreiteten Men­schen beschreiben. Aber es ist doch richtig, es so zu machen, bevor man den Menschen nun als eine Raumesgestalt selbst in der Zusam­menfassung beschreibt. 

We kunnen zoals ik gisteren uiteengezet heb, de plantenwereld aan de kinderen bijbrengen als de haren die op de aarde groeien; maar we moeten het bij de beeldende karakterisering laten. We kunnen de kinderen ook vertrouwd maken met de dierenwereld door iedere diervorm op te vatten als een stukje mens dat eenzijdig gevormd is. Maar we mogen in deze tijd nog niet overgaan tot het beschrijven van de mens zelf. We kunnen zelfs heel goed het kind onderwijzend erin meenemen dat we over de ledematen van de mens spreken en deze ledematen eenzijdig ontwikkeld op een of ander dier toepassen, maar de synthese tot mens begrijpt het kind nog niet. Pas tegen het 12e jaar wil het nu ook wel graag het hele dierenrijk tot mens samensmelten. En dat kan je dan in de klassen doen die op het 11e en 12e jaar volgen. Dat lijkt in tegenspraak met elkaar, maar het leven zit vol tegenspraak. De schijnbare tegenspraak is dat je eerst het hele dierenrijk als een uitgebreide mens zou moeten beschrijven. Maar het is toch juist het zo te doen, voor je de mens zelf als een ruimtelijke gestalte in de synthese beschrijft.

Das Kind muß gewissermaßen zunächst ein Gefühl davon bekommen, daß alles Menschliche vereinseitigt die ganze Erde bewohnt, daß die Tierwelt die ganze Menschlichkeit vereinseitigt in ihren einzelnen Exemplaren ist. Und dann muß das Kind den großen Moment erleben, wo man ihm zusammenfaßt, wie alles dasjenige, was ausgebreitet ist in der Tierwelt, im Menschen kon­zentriert ist. Darauf kommt es beim Unterrichten an, daß man das Kind die entscheidenden Lebensmomente wirklich erleben läßt. Daß man also dem Kinde einmal das durch die Seele ziehen läßt: Der Ex­trakt und die synthetische Zusammenfassung der ganzen Tierwelt ist auf einer höheren Stufe der Mensch als physischer Mensch.

Het kind moet er in zekere zin eerst een gevoel voor krijgen dat alles van de mens op een eenzijdige manier de aarde bewoont, dat in de dierenwereld alles wat mens is op een eenzijdige manier in de aparte exemplaren zit. En dan moet het kind het grote ogenblik meemaken, dat je een geheel van maakt van alles wat in de dierenwereld uitgebreid is, in de mens geconcentreerd is. Het komt er bij het lesgeven op aan dat je het kind die diepgaande ogenblikken in het leven werkelijk laat beleven. Dat je mogelijk maakt dat het door de ziel van het kind gaat: de essentie en de synthese van de hele dierenwereld is op een hoger plan de mens als fysieke mens.
GA 306/ 97-98
Niet vertaald

blz. 101

Gerade in diesem Lebensalter zwischen dem 9. und 12. Jahr, da ist das Kind empfänglich für alles das, was ihm nun von außen her als Bild entgegengebracht wird. Bis zum 9. Jahre ungefähr will es mittun an dem Bild; da läßt es die Bilder nicht an sich herankommen. Da muß man immer so lebendig neben dem Kinde arbeiten, daß eigent­lich das, was der Lehrer macht und das Kind macht, zusammen schon ein Bild ist. Das Arbeiten selber muß schon ein Bild sein. Es kommt nicht darauf an, ob man da Bilder bearbeitet oder etwas anderes, die Arbeit selbst, der Unterricht muß ein Bild sein. So zwischen dem 9. und 10. Jahr tritt dann das auf, daß das Kind für die äußere Bildlich­keit einen besonderen Sinn hat. Die kann man jetzt heranbringen, und das gibt eben die Möglichkeit, in der richtigen Weise die Pflan­zen- und Tierwelt an das Kind heranzubringen, insofern darinnen die Bildlichkeit lebt. Bildliches muß man heranbringen gerade in der Pflan­zen- und Tierwelt. Und je mehr man imstande ist, bildlich darzustel­len dasjenige, was in unseren botanischen Lehrbüchern bis zur dritten Potenz der Unbildlichkeit dargestellt wird, ein desto besserer Lehrer ist man gerade für die Kinder zwischen dem 9. und 12. Jahr. Alles ins Bild hereinbringen, das ist ja auch das, was so unendliche innere Be­friedigung geben kann. Denn wenn man die Pflanzenwelt in ihren Formen in die Bilder hereinbringt, so muß man mitschöpferisch sein.

Juist op deze leeftijd tussen het 9e en het 12e jaar staat het kind open voor alles wat we als beeld van buitenaf aanreiken. Tot het 9e jaar ongeveer wil het met het beeld meedoen; dan laat het de beelden niet toe. Dan moet je steeds zo levendig naast het kind werken dat eigenlijk, wat de leerkracht doet en wat het kind doet, samen een beeld vormt. Het werken zelf moet al een beeld zijn. Het komt er niet op aan of je beelden bewerkt of iets anders, het werk zelf, het onderwijs moet beeld zijn. Zo tussen het 9e en 10e jaar begint het kind dan een bijzonder zintuig te krijgen voor wat uiterlijk beeld is. Die kun je nu aanreiken en dat schept de mogelijkheid op de juiste manier plant- en dierkunde te geven, voor zover daarin het beeldende zit. En hoe meer je in staat bent beeldend neer te zetten wat in onze plantkundeleerboekjes tot de derde macht zo niet beeldend gegeven wordt, een des te betere leraar ben je dan juist voor de kinderen tussen het 9e en het 12e jaar. Alles beeldend geven, dat is nu net wat zo’n tevredenheid kan geven. Want als je de plantenwereld in haar vormen in beelden geeft, moet je medeschepper zijn.

blz. 109

Und dann bedenken Sie doch nur einmal den Übergang in dieser Beziehung vom Tier zum Menschen. Das Tier sehen Sie nach seiner Gestalt an. In der Gestalt liegt schon das, was das Tier tut; man schaut an, was das Tier tut. Beim Menschen muß man die Causa, die Ursache, suchen. Ja, sehen Sie, weil das Kind erst gegen das 12. Jahr reif wird, die Causa zu suchen, muß auch da der Punkt eintreten, wo es die Tierwelt synthetisch zusammenfaßt in der Gesamtheit des Menschen. Da handelt es sich darum, daß man das dem Kinde entge­genbringt als ein Erlebnis, was die innere Natur verlangt, daß es Er­lebnis werde in einer bestimmten Zeit.

En bedenk dan nog eens de overgang van dier naar mens. Bij een dier kijk je naar de gestalte. In de gestalte zit al wat een dier doet. Bij de mens moet je naar de causa, de oorzaak zoeken. En omdat het kind pas tegen het 12e rijp wordt die oorzaak op te zoeken, moet ook daar het punt liggen waarop het de totale mens beschouwt als als een synthese van de dierenwereld. Dan gaat het erom dat je dat aan het kind geeft als een beleving waarnaar de innerlijke natuur verlangt, dat dat op een bepaald ogenblik ervaren wordt.
GA 306/1019
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1324

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Is de vrijeschool een antroposofische school? (3-4/2)

.

over de ochtendspreuk van de hogere klassen

 

IS DE VRIJESCHOOL EEN ANTROPOSOFISCHE SCHOOL?

Deze vraag stelt Luc Cielen, leerkracht met een zeer lange praktijkervaring waarvan een deel bij de Federatie van steinerscholen in België; het grootste deel op scholen die hij zelf oprichtte en waar hij de vrijeschoolpedagogie op zijn manier en met zijn gezichtspunten in de praktijk bracht.

Op mijn blog [rechts in de kolom BLOGROLL] staat een linkverwijzing naar een van zijn sites waarop hij vele gezichtspunten over o.a. zijn praktijk van het lesgeven heeft gepubliceerd.

Hier verwees ik naar hem toen het ging over ‘blokschrift aanleren of niet’, en stelde:
Het is zeer de moeite waard om zijn gedegen uiteenzettingen over de vrijeschoolmethodiek grondig te bestuderen!

Nu heeft Luc zich op zijn site LUXIELEN in een reeks artikelen uitgesproken over de vraag of de vrijeschool, in Vlaanderen steinerschool genoemd, een antroposofische school is.

In zijn eerste artikel zegt hij:
‘Is de steinerschool een antroposofische school? In vele opzichten niet, maar de wetenschappelijke vakken zijn wel sterk getekend door de antroposofie. Er is werk aan de winkel om de steinerscholen hiervan te bevrijden. Ik probeer al vele jaren de steinerleerkrachten hiervan bewust te maken, maar dit dringt moeilijk door. Dat Steiner zelf meer dan eens gezegd heeft dat er geen antroposofie in de school mag komen, is een uitspraak van hem die blijkbaar niet gehoord wordt.’ 

Luc is in de reeks van inmiddels 11 artikelen tot de conclusie gekomen dat er ‘een te groot antroposofisch keurslijf’ is waaruit – volgens hem – de scholen zich moeten bevrijden.’

Ik vraag me met hem af: wat is ‘het antroposofische’ in de school, waar vind je het.

Bij het lezen van de pedagogische voordrachten viel het mij op dat Steiner er steeds maar weer op terugkwam dat de vrijeschool geen wereldbeschouwelijke school moet zijn:

Rudolf Steiner over antroposofisch onderwijs

Luc is van mening dat er wél sprake is van ‘antroposofische dogma’s’ en hij geeft veel voorbeelden van wat in zijn optiek antroposofie in het vrijeschoolonderwijs is.

Hij begint zijn 3e artikel als volgt: (cursief)

DE OCHTENDSPREUK IN DE STEINERSCHOOL

Ook al heeft Rudolf Steiner herhaaldelijk gezegd dat er in de Waldorfschool (= Vrijeschool = Steinerschool) geen antroposofie gegeven wordt – in zijn eigen woorden: ‘We zullen in onze lessen geen antroposofische dogma’s onderwijzen’, toch heeft hijzelf van bij het ontstaan van de school zijn antroposofische leer in de school binnengebracht. In mijn blog Is de steinerschool een antroposofische school? deel 1 van 20/01/2017 heb ik drie voorbeelden gegeven van hoe zijn mens- en wereldbeeld toch aanwezig is in de leerstof. In mijn blog van 2 februari 2017 heb ik de ochtendspreuk in de eerste, tweede en derde klas (groep 3,4 en 5) onder de loep genomen. In dit derde deel komt de ochtendspreuk voor de klassen 4 tot en met 12 aan de beurt.

Hoe anders je hiernaar ook kan kijken, heb ik verwoord in:
over geschiedenis [1]   [2]
dierkunde
plantkunde
de ochtendspreuk voor de lagere klassen

In de ochtendspreuk die dagelijks bij aanvang van de schooldag door de leerlingen gezegd wordt onder leiding van de leerkracht, klinkt duidelijk de antroposofische leer door.

De tekst van de ochtendspreuk voor de klassen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12. Dit zijn de hoogste drie klassen van de lagere school en alle klassen van de middelbare school (voortgezet onderwijs).

In tegenstelling tot de spreuk voor de klassen 1-2-3 is de Nederlandse tekst van deze spreuk minder aan varianten onderhevig. Slechts hier en daar zijn er kleine verschillen.

De tekst hieronder heb ik gevonden op www.steinerschoolantwerpen.be(2016). Varianten staan er tussen haakjes naast. De Nederlandse variant komt van de site van de Utrechtse Vrijeschool (2010).

Ik zie rond in de wereld,
waarin de zon haar licht zendt,
waarin de sterren fonkelen,
waarin de stenen rusten,
de planten levend groeien,
de dieren voelend leven,
waarin de mens bezield
de geest zijn woning geeft; (de geest een woning geeft)

Ik schouw diep in mijn ziel, (NL: Ik schouw diep in de ziel)
die binnen in mij leeft,
De Godesgeest, hij weeft
in zon- en zielenlicht,
in wereldruimten buiten,
in zielendiepten binnen.

Tot u, o Godesgeest,
wil ik mij vragend wenden,
dat kracht en zegen, (dat kracht en zegening) (NL: dat in mij kracht en zegen)
voor leren en voor arbeid,
zich in mijn ziel ontplooien. (NL: tot wasdom moge komen)

De originele Duitse tekst van Rudolf Steiner uit 1919 ziet er zo uit:

Ich schaue in die Welt
In der die Sonne leuchtet,
In der die Sterne funkeln,
In der die Steine lagern,
Die Pflanzen lebend wachsen,
Die Tiere fühlend leben,
In der der Mensch beseelt
Dem Geiste Wohnung gibt.

Ich schaue in die Seele
Die mir im Innern lebet.
Der Gottesgeist, er webt
Im Sonn’- und Seelenlicht
Im Weltenraum, da drauβen
In Seelentiefen drinnen.

Zu Dir, o Gottesgeist,
Will ich bittend mich wenden
Dass Kraft und Segen mir
Zum Lernen und zur Arbeit
In meinem Innern wachsen.

Over het ontstaan van de ochtendspreuk:
Rudolf Steiner over de ochtendspreuk

De aanhef van deze spreuk geeft een opsomming van de vier natuurrijken – minerale rijk, plantenrijk, dierenrijk, mensdom – met wat extra kosmische verwijzing naar zon en sterren. Al lijkt dit een objectieve opsomming, toch is dit niet zo, want alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Daarmee is dan ook meteen het onderscheid tussen mens en dier gemaakt zoals dit in de antroposofie – en in sommige filosofische strekkingen en religies – gemeengoed is.

Beste Luc,
Als ik op je andere blog de vele citaten zie uit het werk van Steiner, verbaast het me dat je schrijft: alleen de mens blijkt een ziel te hebben. Je kan er toch moeilijk overheen gelezen hebben, dat we de ziel gemeen hebben met het dier. Weliswaar in beperkte mate: het gaat vooral om de gewaarwordingsziel, maar daar gaat het nu niet om. Wat je hier schrijft is niet waar. Het onderscheid ligt erin dat de mens een Ik-zegger is, het dier niet. Wezenlijk is in deze ook niet of dit nu ‘objectief’ is vastgelegd of niet: iedereen zal desgevraagd moeten erkennen dat hij een Ik-zegger is, simpelweg, omdat hij het dagelijks vele malen doet. Het is een realiteit. En dat hebben we al eens gehad: als antroposofie de realiteit beschrijft: wat is daar op tegen. Wie kan er iets hebben tegen het beschrijven van wat waar is; toch alleen maar iemand die de leugen liever heeft?
Ik zie je absoluut niet als iemand die de leugen liever heeft. Ik geef er alleen mee aan, dat ik je formulering ongelukkig vind.

Maar ik zie toch nog twee niet onbelangrijke onvolkomenheden in deze opsomming.

1. De stenen rusten. Voor een oppervlakkige beschouwer lijkt het inderdaad of de stenen gewoon liggen of rusten. Maar in feite is dat niet zo: stenen ondergaan vele invloeden van klimaat, weer, bewegingen van de aardkorst, waterstromen enz. Denk bijvoorbeeld aan kalk, dat in overgrote mate aanwezig is op aarde. Dit gesteente rust absoluut niet. Het is continu aan verandering onderhevig. Bovendien is het zelf uit levende wezens ontstaan en wordt het ook voortdurend door levende wezens opgenomen en uitgescheiden. Maar zelfs basalt en graniet – oergesteenten van de aardkorst – zijn voortdurend in beweging, al lijkt dat binnen de duur van een mensenleven dikwijls niet zo. Gesteenten, onder de vorm van mineralen, maken trouwens inherent deel uit van het leven op aarde. Planten, dieren en mensen nemen mineralen op en geven die ook af.

Maar dit, Luc, is precies wat Steiner meer dan 100 jaar geleden al zei: de stenen bewegen niet van binnenuit, maar als ze bewegen, of dit nu snel is: vallend of langzaam eroderend: de aanzet daartoe komt van buiten. Het feit dat de minerale wereld door levende wezens opgenomen en uitgescheiden wordt, wijst niet op de actieve werking van de ‘stenen’, maar op de activiteit van het levende organisme dat opneemt, verteert en uitscheidt. Ze zijn niet in beweging: ze WORDEN bewogen: dat is hier bedoeld met ‘rusten’. Het woord is volkomem juist gekozen.
Bovendien, we hebben hier te maken met een spreuk die boven het alledaagse wil staan, die het op een bijzondere wil zeggen.
Die bijzondere kant van ‘rusten’ zien we ook waar mensen vol respect spreken over hun geliefde overledene: zij/hij ruste in vrede!
Iedereen weet wel dat ook daar de processen niet stilstaan: maar daar denken we toch niet aan als we voor een grafsteen staan waar op staat: “Hier rust….”, ook al is die steen jaren geleden geplaatst.

Nee, Luc, ik kan er ‘geen onbelangrijke onvolkomenheid’ van maken. Ik zie de onvolkomenheid allereerst in je betoogtrant.

Nu signaleer je nog een tweede onvolkomenheid:

De planten levend groeien, de dieren voelend leven. En waar zijn de zwammen? In Steiners dagen werden de zwammen nog tot de planten gerekend, maar dat is nu al vele decennia niet meer zo. De spreuk is dan ook niet volledig, er zou tenminste één regel over de zwammen moeten toegevoegd worden. Zoals de tekst nu luidt, zeggen de leerlingen gedurende negen jaar een opsomming die niet correct is.

Jij hebt het opgeschreven, dus moet het voor jou wel een serieuze aangelegenheid zijn: waar zijn de zwammen? En waarom dan ook niet: waar zijn de blauwalgen die niet tot de algen worden gerekend, maar tot de bacteriën, de virussen, de microben. Alsof er in de bovenbouw niet zou worden stilgestaan bij allerlei vormen van leven die niet in de spreuk staan.
De spreuk is geen leerstof!
De plantkunde in klas 5 is ook niet in de eerste plaats wetenschap, al worden er al heel veel wetenschappelijke feiten geleerd: het gaat om een verbinding tussen kind en wereld:
Steiner: (over plant- en dierkunde (blz. 127) als eerste kennismaking): ‘We hoeven hier niet op de details in te gaan, omdat we hier niet met gewone wetenschap, maar met pedagogie te maken hebben.’

Dat lijkt mij voor de spreuk ook te gelden. Die vier rijken volstaan volkomen!

Dat de dieren een gevoelsleven hebben, kunnen we gemakkelijk vaststellen, maar hebben de planten dan geen gevoelsleven? Steiner wil duidelijk een gradatie aanbrengen:

De stenen doen niets, die liggen er maar;
De planten leven (hier is er nog geen sprake van voelen);
De dieren voelen (ze leven dus én voelen, maar hebben geen ziel);
De mens heeft een ziel (de mens leeft, voelt én heeft een ziel).

Je begripshantering klopt hier eveneens niet: de dieren voelen: dat is hun ziel; de mens heeft daarnaast zijn Ik.

Na de opsomming van de natuurrijken (zij het zonder de zwammen) volgt het summum: het rijk van de geest: waarin de mens bezield de geest een woning geeft. De geest staat dus boven alles. Tegelijk wordt hier een antroposofische geloofsbelijdenis uitgesproken: de ziel van de mens is de woning van de geest. In Vlaamse steinerscholen zegt men meestal: de geest zijn woning geeft. Hiermee zegt men expliciet dat de geest een wezen is dat in de ziel van de mens woont, en lijkt het ook alsof de geest niet zonder die mensenziel kan, want hij heeft haar nodig zoals de mens een woonst nodig heeft.

Het spijt me, Luc, maar opnieuw vergis je je. Je kan niet spreken van ‘een summum; de geest staat niet boven alles. Wie Steiner bestudeert, komt al gauw tot het inzicht dat we als geest niets zijn zonder de materie. Hadden wij geen materieel lichaam: als denkende entiteit zou een bestaan onmogelijk zijn.
En ‘de geest een woning geven’ is niet, dat ‘de ziel de woning van de geest’ is: de hele mens is dat. Je kan ‘de geest’ ook niet ergens in de mens localiseren. Hoewel onderscheid er nog is te maken tussen Ik en geest, hier word ttoch vooral het wezen van de mens, zijn individualiteit, bedoeld. 

En een geloofsbelijdenis: al helemaal niet: de uitdrukking ‘ik zit lekker in mijn vel’, ‘ik zit er niet zo in’, en voor sommigen, kort na het wakker worden: ‘Ik ben er nog niet helemaal’, duiden klip en klaar op de betrekking ik-lichaam. Natuurlijk wordt dat ook weer poëtischer in de spreuk uitgedrukt.
En in deze tijd blijkt dat er mensen zijn die ‘zich niet thuis voelen in hun lichaam’ en die dit zelfs willen laten veranderen om er zich wél in thuis te kunnen voelen. Thuis, Luc, dat is je woning.
Wie zich niet laat verblinden door vooroordelen en zijn ogen en oren openhoudt, vindt overal in de wereld aanknopingspunten voor wat Steiner lang geleden al benoemde.

In de tweede strofe wordt het antroposofisch gedachtegoed klaar en duidelijk uiteengezet. In de ziel van de mens leeft (weeft) de geest van God net zoals hij in de wereld en in de kosmos werkt.

Die tweede strofe vereng je m.i. te veel tot antroposofisch gedachtegoed. Veel meer beleef ik er een religieuze stemming in die we in talloze christelijke godsdienstrichtingen terug vinden.
Ik heb in mijn artikel ‘Rudolf Steiner over de ochtendspreuk’ ook naar voren gebracht dat het er aanvankelijk op lijkt, dat de spreuken bedoeld waren voor het antroposofisch godsdienstonderwijs, dat op vraag van de ouders zou worden gegeven die dat voor hun kind(eren) wilden, i.p.v. geen godsdienstonderwijs, of het katholieke, dan wel het protestantse. En daarom kan ik je volgende opmerking wel begrijpen:

De derde strofe is een gebed tot die goddelijke geest met de vraag om de mens kracht te geven om te leren en te werken. En tegelijk is het een vraag om dit leren en dit werk te zegenen. Op de site van de Antwerpse Steinerschool staat nochtans dat deze spreuk geen gebed is: ‘Dit bezinnen met een spreuk onderscheidt zich in wezen van het gewone bidden, dat een bijzonder geloof veronderstelt.’

In dit geval de Antwerpse school, maar er zullen zeker andere scholen zijn met dezelfde opvatting of weer net iets anders. Bezinning, gebed, meditatie: het ligt allemaal dicht bij elkaar.

Gaat het in deze spreuk dan niet om een geloof? Volgens de antroposofen inderdaad niet want antroposofie is geen geloof, maar een wetenschap van de geest. Helaas is antroposofie een wetenschap die slechts door één persoon bedreven werd en nog nooit door anderen herhaald is, ondanks het feit dat Steiner een ‘methode’ heeft gegeven om net als hem tot inzicht in de geestelijke wereld te komen. Dit wil zeggen dat iedere antroposoof een gelovige is die aanvaardt dat wat Steiner over de geestelijke wereld zegt, waarheid is.

Als ik zou moeten aangeven waar ik ‘geloof’ in de spreuk zie, is dat in deze derde strofe. In de rest dan niet? Voor mij zeker niet! Wat jij hier zegt over ‘dat het door anderen nooit herhaald is’ heb ik ook al enkele malen bij andere gelegenheden geschreven. Ik weet van geen mensen die door de scholingsoefeningen van Steiner tot hetzelfde inzicht – de helderziende waarneming’ – zijn gekomen.
Maar Steiner geeft nog een andere weg. Die past meer bij mij. Het verifiëren langs een meer logisch denkende, beschouwende weg, zijn uitspraken in de praktijk van het leven verifiërend. En dan kom ik vaak tot verrassende uitkomsten. Dat is toch niet hetzelfde als de ‘gelovige’ waar jij het over hebt. Want wat ik niet als mijn realiteit kan overzien, is mijn realiteit niet en ga ik niet mijn of een, laat staan ‘de’ realiteit verkondigen, omdat Steiner dat nu eenmaal zo zei.

Is het gerechtvaardigd dat men kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze geloofsbelijdenis laat opzeggen?

Wie je artikel tot het eind heeft gelezen, weet dat je deze vraag ontkennend beantwoordt, maar door het woord ‘geloofsbelijdenis’ kleur je m.i. het antwoord al van tevoren in. En daar doe je nog een schepje bovenop door te stellen:

Omdat het zeggen van de ochtendspreuk een verplichting is in de steinerscholen, verkondigen kinderen en jongeren gedurende negen jaar dagelijks deze antroposofische mens- en wereldvisie. Een schooljaar telt gemiddeld 180 schooldagen. Negen jaar maal 180 is 1.620. De leerlingen zeggen dus 1.620 keer in hun jonge leven deze antroposofische tekst. Noemt men dat niet indoctrinatie?

Evenals in je artikel over de morgenspreuk in de lagere klassen kom je hier met de vraag of dit geen indoctrinatie is. Het is nog een vraag, maar wel met een retorisch karakter.
Ik antwoordde erop: Nee, voor mij is dit geen indoctrinatie. Wat voor boosaardig voordeel zou ik ervan hebben, kinderen te indoctrineren? Kan ik überhaupt een mens te kort doen als ik hem zie als een goddelijk-geestelijk wezen, als die unieke mens die ik hier op aarde een poosje begeleiden mag?

Gelukkig beseffen de meeste leerlingen niet wat er gezegd wordt in deze spreuk. Ofwel omdat ze te jong zijn om de inhoud ervan te begrijpen ofwel omdat ze er als puber of adolescent geen belang aan hechten. Mijn kinderen vonden het een van de eigenaardige gewoonten van de steinerschool – te vergelijken met het kruisteken in de katholieke scholen – en hechtten er verder geen belang aan, al kunnen ze twintig jaar na afzwaaien de tekst nog bijna volledig uit het hoofd opzeggen.

Ook dat opperde je al en ook nu zeg ik: ‘Waarom is het gelukkig dat leerlingen dat niet begrijpen. Hoe kan een leerkracht blij zijn wanneer hij met leerlingen iets doet en ze snappen het niet?
En pubers, uiteraard, geen huisje is heilig en dat ze daar lucht aan geven bij vrijwel alles, dus ook bij een spreuk, is nog geen reden om dat ten nadele van de spreuk uit te leggen.

Ondanks de verplichting tot het zeggen van de ochtendspreuk heb ik me – leraar zijnde in steinerscholen – al meer dan twintig jaar niet aan die verplichting gehouden omdat ik het niet eens ben met de inhoud ervan. Men kan toch moeilijk van een leerkracht verlangen dat hij dagelijks zijn eigen inzichten en overtuigingen overboord gooit en iets verkondigt waar hij niet achter staat.

Je hebt het volste recht om het met iets eens of oneens te zijn. En juist bij deze zaken gaat het om wat Steiner zo vaak het imponderabele noemt. Verkondigen waar je niet achter staat, het wellicht als leugen beleven, dat moet je niet willen uitstralen bij leerlingen.

De steinerscholen beweren trouwens dat ze opvoeden tot vrije mensen – of zoals een steinerschool zich propageert: Kind mogen zijn om vrij mens te worden – dan moeten ze ook accepteren dat leerkrachten die zover gekomen zijn ook afstand mogen (moeten) nemen van geloofsovertuigingen die niet de hunne zijn.

Dat ben ik met je eens. Maar bij dat accepteren hoort m.i. wel dat je opstapt. Hoe zou je op een school kunnen werken waar het opgroeiende kind als een unieke geest, individualiteit wordt gezien, wanneer je de geest ontkent?

Je wordt toch ook geen lid van een voetbalclub, omdat je handbal zo geweldig vindt?

Meer commentaren op Luc Cielens artikelenreeks: is de vrijeschool een antroposofische school:

.
geschiedenis [1]   [2]
dierkunde
plantkunde
de ochtendspreuk in de lagere klassen

Rudolf Steiner over: de ochtendspreuk

de ochtendspreuk [2]   [3]

vrijeschool en antroposofiealle artikelen

.

1323

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 305)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 305  5e voordracht blz. 170-173
Vertaald: Opvoeding en onderwijs

blz. 107

Ganz anders muß es, und zwar etwas später, an die Tierwelt heran­geführt werden. Wiederum, die einzelnen Tiere beschreiben, das ist etwas, was ganz unorganisch ist. Denn schließlich, man könnte doch fast sagen: Es ist ein reiner Zufall, daß ein Löwe ein Löwe, ein Kamel ein Kamel ist. Ja, an der Beobachtung des Löwen, wenn man ihn noch so gut abbildet oder sogar in der Menagerie dem Kinde vorführt, hat das Kind doch nur eine Zufallsbeobachtung; ebenso an dem Kamel. Diese Beobachtung hat gar keinen Sinn zunächst, wenn man auf das Lebendige ausgeht. Wie ist es mit dem Tiere? Nun, derjenige, der nun nicht mit abstrakter Intellektualität an das Tier herantritt, sondern mit bild­hafter Anschauung, der findet in jedem Tiere ein Stück Mensch. Das eine Tier hat besonders stark die Beine ausgebildet, die beim Menschen dem Ganzen dienen. Das andere Tier hat die Sinnesorgane, ein Sinnes­organ im Extrem ausgebildet. Das eine Tier schnüffelt besonders; das andere Tier ist, wenn es in den Lüften ist, für die Augen besonders veranlagt. Und wenn wir die ganze Tierwelt zusammennehmen, so finden wir in Abstraktionen draußen verteilt als Tierwelt dasjenige, was in der Zusammenfassung den Menschen gibt.

Heel anders moet het kind en weliswaar iets later, met de dierenwereld kennismaken.
Iets later= dan de plantkunde. Zie opmerking bij GA 294/194
Wederom, de dieren afzonderlijk beschrijven is iets wat niet levend is.
[Ik heb hier voor ‚niet levend‘ gekozen; het Duits heeft ‚unorganisch‘, anorganisch, wat niet tot het planten-of dierenrijk behoort. Woordspeling van Steiner? Het Nederlandse ‚anorganisch‘ betekend ook ‚niet-leven‘.]
Want uiteindelijk zou je bijna kunnen zeggen: het is puur toeval dat een leeuw een leeuw, een kameel een kameel is. Als het kind een leeuw bekijkt of deze nu goed wordt weergegeven of zelfs in de dierentuin, dat is voor het kind toch maar een toevallige waarneming; net zo bij de kameel. Zo waarnemen heeft dan pas zin, wanneer je uitgaat van het levendige. Hoe staat het met de dieren? Welnu, degene die niet alleen maar met abstract intellect met het dier bezig is, maar met een beeldend waarnemen, die vindt in ieder dier een stukje mens.
Bij het ene dier zijn bv. de benen sterk ontwikkeld – die staan bij de mens ten dienste van de totale mens. Het andere dier heeft de zintuigorganen, één zintuigorgaan sterk ontwikkeld.
Het ene dier snuffelt op een bijzondere manier; het andere dier, wanneer het in de lucht is, heeft bijzonder ontwikkelde ogen. En als we heel de dierenwereld samen nemen, vinden we in abstracties buiten verdeeld als dierenwereld datgene wat synthetisch samengevat de mens is.

Wenn ich alle Tiere synthetisch zusammenfasse, so bekomme ich den Menschen. Irgendeine Eigenschaft, eine Fähigkeitsgruppe des Menschen ist einseitig äußerlich ausgebildet in einer Tierart. Wenn wir den Löwen studieren – wir brauchen das dem Kinde nicht so vorzuführen, wir können es ihm in einfachen Bildern vorführen -, so finden wir, daß insbesondere das­jenige, was im Menschen Brustorgane sind, Herzorgane, einseitig im Löwen ausgebildet ist. In der Kuh ist dasjenige, was im Menschen Ver­dauungsorgane sind, einseitig ausgebildet, und wenn ich dasjenige be­trachte, was zum Beispiel in unserem Blute als weiße Blutkörperchen herumschwimmt, so bin ich auf die einfachsten, primitivsten Tiere gewiesen. Das ganze Tierreich bildet zusammen den Menschen, syn­thetisch, nicht summiert, aber synthetisch ineinander verwoben.
Das ist etwas, was ich durchaus in primitiver, in einfacher Weise vor dem Kinde entwickeln kann. Selbst in sehr lebendiger Form kann ich dem Kinde so etwas bringen, indem ich auf die Eigenschaften des

Wanneer ik alle dieren als een synthese samenneem, krijg ik de mens. Een of andere eigenschap, een vermogen van de mens is eenzijdig uiterlijk gevormd in een diersoort.  Wanneer we de leeuw bestuderen – we moeten dit niet op deze manier aan de kinderen brengen, we kunnen het hun in eenvoudige beelden schetsen, dan vinden we wat in de mens de borstorganen zijn, het hart, op een eenzijdige manier bij de leeuw ontwikkeld. [In GA 303, 10e vdr. deelt Steiner de leeuw in bij de ledematendieren] Bij de koe is datgene wat bij de mens stofwisselingsorganen zijn, eenzijdig gevormd en wanneer ik bekijk wat bijv. in ons bloed als witte bloedlichaampjes rondzwemt, dan wordt gewezen op de eenvoudigste, primitiefste dieren. Heel het dierenrijk vormt samen de mens, synthetisch, niet opgeteld, als synthese ineen geweven.
Dit kan ik zeer zeker op een elementaire, eenvoudige manier voor het kind uiteenzetten. Maar ook op een heel levendige manier kan ik zoiets aan het kind geven, wanneer ik op de eigenschappen van de

blz. 108

Löwen hinweise, wie sie kalmiert sein müssen, untertauchen müssen in das, was beim Menschen eine Individualität ist. Ja selbst was moralisch und seelisch beim Kamel lebt, kann man so bringen, daß man zeigt, wie das, was im Kamel lebt, untergeordnet sich in die Menschennatur hin-einfügt. So daß der Mensch eine Synthese ist von Löwe, Adler, Affe, von Kamel, von Kuh und von allem. Das ganze Tierreich betrachtet man als auseinandergelegte Menschennatur. Das ist die andere Seite, die das Kind dann im 11., 12. Jahre in sich aufnimmt. Nachdem es die Pflanzenwelt von sich abgesondert hat, die Empfindung des Objektiven der Pflanzenwelt, das Zusammenhängen der Pflanzenwelt mit der objektiven Erde in seiner Seele hat wirken lassen, lernt es die enge Beziehung der Tierwelt zum Menschen kennen, das Subjektive. Und so wird das Universum auf eine empfindungs­gemäße Weise mit dem Menschen wiederum zusammengebracht. Das Unterscheidungsvermögen wird gerade dadurch in der richtigen Weise veranlagt. Das heißt, aus dem Lebendigen der Welt heraus das Kind erziehen.

leeuw wijs, hoe die in de mens tot rust moeten komen, ondergeschikt moeten worden aan wat bij de mens een individualiteit is. Zelfs wat deugdaam (Duits: moralisch) en aan ziel bij de kameel leeft, kan je zo brengen dat het zich voegt naar de natuur van de mens. Zodat de mens een synthese is van leeuw, adelaar, van kameel, van de koe en van alles. Heel het dierenrijk moet men zien als een uiteengelegde mens.
Dat is de andere kant die het kind dan in het 11e, 12e jaar in zich opneemt. Nadat het zich los heeft kunnen maken van de plantenwereld, het gevoel van het objectieve van de plantenwereld, de samenhangen van de planten met de objectieve aarde in zijn ziel heeft laten doorwerken, leert het de nauwe band van de dierenwereld met de mens kennen, het subjectieve. En zo wordt het allesomvattende (Duits: Universelle) op een manier die meegevoeld kan worden weer met de mens samengebracht. Zo wordt op een juiste manier het onderscheidingsvermogen aangelegd. Dat is het: uit het levende van de wereld het kind opvoeden.
GA 305/107-108
Opvoeding en onderwijs 5e voordracht

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1322

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 304)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 304  7e voordracht (24-11-1921) blz. 170-173
Niet vertaald

blz. 170

Zunächst wird man beachten müssen, daß man das Kind nicht zu früh heranführt an dasjenige, an dem sich nur der Verstand, das Begriffsver-mögen, das Intellektuelle betätigen kann. Man soll daher die Betrachtung des Tierischen, des Pflanzlichen der Betrachtung des Mineralischen, des Physikalischen und Chemischen immer vorangehen lassen, und man wird auch gegenüber dem Pflanzlichen und dem Tierischen sehen, daß sich das Kind in verschiedener Weise unterscheiden lernt von seiner Umgebung. Das Tierische fühlt das Kind seinem eigenen Wesen durch­aus näher im zehnten, elften Lebensjahre als das Pflanzliche. Das Pflanz­liche fühlt es wie etwas, was sich von der Welt herein offenbart. Das Tierische fühlt es so, daß man mit ihm mitfühlen muß, daß es gewissermaßen doch ein ähnliches Wesen hat wie der Mensch. 

Allereerst moet je in ogenschouw nemen dat je het kind niet te vroeg de dingen moet geven waarbij hij alleen maar met zijn verstand, met zijn begripsvermogen, het intellectuele, bezig kan zijn. Je moet daarom het behandelen van mineralogie, van natuur- en scheikunde steeds vooraf laten gaan door de behandeling van de dieren, en van de planten en wat de planten en de dieren betreft, zal je zien dat het kind zich op verschillende manieren leert onderscheiden van zijn omgeving. Het kind van 10, 11 jaar voelt het dier dichter bij zijn eigen wezen staan dan de plant. Van de planten voelt het dat die zich vanuit de wereld aan hem vertonen. Het dier beleeft het zo dat je met hem moet meevoelen, dat het op een bepaalde manier toch een soortgelijk wezen is als de mens.

blz. 171

Dagegen sollte bei der Betrachtung des Tierreiches ein durchaus anderes walten. Das Kind hat gewissermaßen eine Gefühlsbrücke hin­über zum Tiere, eine Seelenbrücke, und dem sollte Rechnung getragen werden. Es wird heute vielfach belächelt, was ältere Naturphilosophen in dieser Beziehung als Anschauung gehabt haben. Man hat das alles durchaus auch in der Goetheschen Art der Tierbetrachtung. Man hat den Blick gewendet zu irgendeiner Tierform, man hat gefunden bei der einen Tierform, sagen wir zum Beispiel bei dem Löwen, insbesondere die Brustgruppe mit dem Herzen besonders ausgebildet, bei einer anderen Tierform sind die Verdauungsorgane hervorstechend, bei dieser Tier-form ist dasjenige, was in das Gebiß schießt, ganz besonders ausgebildet,

T.o.v. van de behandeling van planten moet het bij de behandeling van het dierenrijk heel anders gaan. Het kind heeft op een bepaalde manier een gevoelsrelatie met het dier, een ‘zielenbrug’ en daarmee moet je rekening houden. Er wordt tegenwoordig vaak gegrinnikt om wat oudere biologen in dit opzicht als visie hadden. Dat is ook zo bij de opvatting van Goethe over de dieren. Men richtte de blik op een of andere diervorm en men vond het bijv. heel bijzonder dat bij de leeuw de borstpartij met het hart nogal prominent gevormd was; bij een andere diervorm de stofwisselingsorganen nogal opvielen; bij weer een andere diervorm wat het gebit vormgeeft, 

blz. 172

bei einer anderen Tierform sind wiederum die Hörner oder dergleichen besonders ausgebildet. Man hat studiert die verschiedenen Tierformen als Ausdrucksformen für die einzelnen Organe. Man könnte sagen: Es gibt Kopftiere, Brusttiere, Gliedmaßentiere. Und weiter noch könnte man die Tierformen einteilen. Dann hat man das Gesamte. Nimmt man nun alle einzelnen Tierformen zusammen, bildet man gewissermaßen eine Synthese, so daß dasjenige, was bei der einzelnen Tierform beson­ders hervorsticht, zurücktritt und sich einem Ganzen fügt, dann bekommt man die Form des Menschen. Der Mensch ist in seiner äußeren Form gewissermaßen die Zusammenfassung des ganzen Tierreiches.
Man kann im Kinde durchaus ein Empfinden von dieser Zusammen­fassung der gesamten Tierwelt im Menschen hervorrufen. Dann ist etwas außerordentlich Bedeutsames getan, dann hat man das Kind auf der einen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Pflanzenreich, auf der anderen Seite in der richtigen Weise hingestellt zum Tierreich; zum Tierreich so, daß es gewissermaßen in dem ganzen Tierreich einen ausgebreiteten Menschen sieht, und in dem Pflanzenreich etwas sieht, was organisch mit der ganzen Erde zusammengehört. Wenn man in konkreter Einzelausführung innerlich verlebendigt in dieser Weise Tier­kunde, Pflanzenkunde belebt, dann nimmt man zugleich Rücksicht auf dasjenige, wie der Mensch sich durch seine innere Wesenheit hineinstel­len soll in die Welt.

bij een andere diervormde hoorns of iets dergelijks weer bijzonder gevormd zijn. Men bestudeerde de verschillende diervormen als uitdrukking van vormen voor de aparte organen. Men kon zeggen: er zijn kopdieren, borstdieren, ledematendieren. En men kan de diervormen nog verder indelen. Dan had men een geheel. Wanneer je alle aparte diervormen bij elkaar neemt, vorm je in zekere zin een synthese, zodat hetgeen wat bij een aparte diervorm bijzonder in het oog springt, zich terughoudt en zich voegt in het geheel; dan krijgt je de mensenvorm. De mens is in zijn uiterlijke verschijning in zekere zin de samenvatting van het hele dierenrijk.
Je kan in het kind zeker een gevoel voor deze samenvatting van de totale dierenwereld in de mens, oproepen. Dat heb je iets heel belangrijks gedaan, want dan heb je het kind enerzijds op een goede manier zijn houding tot de plantenwereld laten bepalen, [door de manier waarop plantkunde wordt gegeven] wat organisch bij de hele wereld hoort, anderzijds zijn houding tot het dierenrijk; tot het dierenrijk zo, dat het in zekere zin in het hele dierenrijk een uitgebreide mens ziet en in het plantenrijk wat organisch bij de hele aarde hoort. Wanneer je concreet in detail op deze manier innerlijk levend maakt plant- en dierkunde, dan hou je tegelijkertijd rekening met hoe de verhouding van de mens met zijn innerlijk wezen t.o.v. de wereld zou moeten zijn.

Dann wächst der Mensch in der richtigen Weise in die Welt hinein in dem Lebensalter, in dem er sich gerade von dieser Welt anfängt unterscheiden zu lernen, indem er Subjekt vom Objekt zu sondern beginnt. Man bringt es auf diese Weise dahin, die Welt in der richtigen Weise durch die Betrachtung der Pflanzenwelt vom Menschen abzusondern, und wiederum vom Menschen aus die Brücke nach der Welt zu schlagen; jene Brücke, die da sein muß, wenn überhaupt richtiges Gefühl für die Welt, Liebe für die Welt sich entwickeln soll. Man bringt das zustande, indem man das Tierreich wie ein ausgebreitetes Menschenwesen an das Kind heranbringt. So kann man durch das Organische, durch das Lebendige gehen und in dieser Weise dem Kinde sein Verhältnis zur Welt vermitteln. Und wenn so das zwölfte Lebens­jahr beginnt, hat man erst eigentlich die Möglichkeit, ohne schädlich in die kindliche Entwickelung einzugreifen, überzugehen zu einer Pflege des reinen Intellektuellen, des verstandesmäßigen Lebens.

Dan vindt de mens op een goede manier zijn plaats in de wereld op de leeftijd waarin hij zich nu juist van de wereld begint te onderscheiden, wanneer hij het subject van het object begint los te maken. Je brengt het op een goede manier ertoe dat het de wereld op de juiste manier door de behandeling van de plantenwereld van de mens af te zonderen om dan weer de brug van de mens naar de wereld te slaan; die brug die er zijn moet wanneer er überhaupt een goed gevoel voor de wereld, liefde voor de wereld zich moet ontwikkelen. Dat komt tot stand wanneer je het dierenrijk als een uitgebreid mensenwezen aan het kind aanbiedt. Zo kun je door de organen, door wat leeft gaan en op deze manier het kind zijn verhouding tot de wereld aanreiken. En wanneer dan het twaalfde jaar begint, heb je pas eigenlijk de mogelijkheid zonder nadelige gevolgen voor de kinderlijke ontwikkeling in te grijpen, en over te gaan tot het verzorgen van het puur intellectuele, verstandelijke leven.

blz. 173

Wenn jener Lehrgang eingehalten wird, von dem ich heute gesprochen habe, so gehen wir von einer Willenskultur aus; gehen dann, indem wir in solcher Weise das Verhältnis des Kindes zum Pflanzenreich, zum Tierreich entwickeln, indem wir Naturgeschichtliches an das Kind heranbringen, gehen wir zu einer Gefühls- oder Gemütsbildung über. Das Kind lernt überall sich zu der Pflanzenwelt, zu der Tierwelt nicht nur theoretisch zu verhalten; es lernt nicht nur, sich Vorstellungen darüber zu machen, sondern es begründet ein Verhältnis zu dieser Umwelt. Es wird in ihm etwas bewirkt, was an das Gefühl, an das Gemüt herankommt. Und das ist von ungeheurer Wichtigkeit. Wenn wir nun in dieser Weise durch die äußere Bewegung und durch die richtige Führung durch Willens- und Gemütskultur hindurch das Kind gebracht haben bis nahe zum zwölften Jahre, dann können wir den Übergang finden zu der eigentlichen Verstandeskultur, die sich nun äußern kann, indem wir mehr diejenigen Lehrgegenstände und Erziehungsmittel an das Kind heranbringen, die nun auch die leblose Natur behandeln.

Wanneer je de methode volgt waarover ik vandaag heb gesproken, ga je van een wilscultuur uit; dan gaan we, als we op deze manier de relatie van het kind tot de plantenwereld, tot de dierenwereld ontwikkelen, wanneer we het kind biologie geven, over tot de vorming van het gevoel. Het kind leert van alle kanten een relatie te ontwikkelen tot de plantenwereld, tot de dierenwereld, niet alleen theoretisch; het leert niet alleen daarover zich voorstellingen te maken, maar bouwt een relatie op tot dit mlieu. Er ontstaat iets in hem wat zijn gevoel, zijn gemoed raakt. En dat is heel erg belangrijk. Wanneer we het kind nu op deze manier door ons op de buitenwereld te richten en door een goede begeleiding naar een wils- en gemoedscultuur tot aan het twaalfde jaar, dan kunnen we de overgang vinden naar de eigenlijke verstandscultuur die duidelijk wordt, wanneer we het kind meer die leerstof en die opvoedingsmiddelen geven die over de levenloze natuur gaan.
GA 304/170-173
Niet vertaald

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1321

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding – sociale initiatieven (5-2)

.

Dag- en nachtzijden van organisaties

Het verzorgen van sociale initiatieven   (2)

In het eerste artikel over het verzorgen van sociale initiatieven wordt beschreven hoe de mens onvrij wordt door de begeerte-opwekkende en wilsverlammende krachten, die vanuit de maatschappij op hem inwerken.

De uitdrukking ‘sociaal initiatief’’ bevat eigenlijk een innerlijke tegenstrijdigheid: ‘initiatief’ duidt op een sterke ik-betrokkenheid, ‘sociaal’ zegt meer over het betrokken zijn op anderen, op de omgeving.

Door het nemen van sociale initiatieven, gericht op de behoeften, die in de omgeving leven, kan de mens een vrije daad stellen, vanuit de geest tot handelen komen.

Talrijke weerstandskrachten – ze worden als 12 draken ten tonele gevoerd – belagen deze jonge initiatieven. Het is daarom van belang ze zorgzaam te behoeden, te begeleiden. Alleen dan kan het bewustzijnsproces – waarin de initiatiefnemers met hun ideeën de omgeving bevruchten plaatsvinden, zodat nieuwe sociale organismen (consumentenkringen, scholen, therapeutica etc.) tot leven gewekt worden en kunnen gaan groeien.

We zijn gewend organisaties te beschrijven in termen van het zichtbare productiecentrum (fabriek, school, kantoor, ziekenhuis), waar mensen werken in min of meer georganiseerd verband aan een product of dienstverlening. Er wordt veel intelligentie en wakkerheid aangewend, om alles in van te voren bepaalde rationele banen te laten verlopen. De mensen die in de organisatie werken, verwerven er een inkomen en zijn aanspreekbaar op concrete verantwoordelijkheden.

Is daarmee het verschijnsel organisatie uitgeput? Dat dit niet het geval is, blijkt bijvoorbeeld uit ontwikkelingen in opleidingsinstituten. Daar rijst de vraag: ‘Horen de consumenten bij de organisatie?’ In een universiteit zijn de ‘afnemers’ van het onderwijsproces de studenten. Het interessante van dit type organisatie is dat het zijn afnemers in huis heeft. Moderne opvattingen over inspraak en samenwerking hebben tot het inzicht geleid dat de afnemers – in dit geval de studenten – een wezenlijk deel van de organisatie vormen. Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat zij – naast onderwijzend en technisch-administratief personeel – zitting hebben in de Hogeschool Raad. Nu is de relatie van een organisatie tot degenen in wier behoefte zij voorziet, zeer verschillend al naar gelang het type organisatie. Een school heeft dagelijks al zijn afnemers een keer binnenshuis. Voor een gezondheidscentrum geldt ook dat de afnemers bekend zijn (kaarsysteem van ingeschreven patiënten), maar de arts weet nooit wie er ’s morgens in de wachtkamer zal zitten. Slechts een klein deel van de patiënten treedt af en toe uit het duister naar voren in het licht van de behandelkamer. Voor een producent van tijdschriften zijn de lezers op papier bekend, maar ze worden eigenlijk nooit zichtbaar als personen. Voor een warenhuis is het klantenbestand een anonieme massa, die zich weliswaar in het centrum kenbaar maakt, maar waarvan de identiteit alleen door steekproeven en statistieken enigszins achterhaald kan worden. Voor producenten van massagoederen is de consument extreem anoniem en onzichtbaar. De spullen komen via groothandel en detaillist op de markt in binnen- en buitenland. Toch is er geen enkele reden, om in al deze gevallen de consument niet wezenlijk tot het levende organisme van de onderneming te rekenen. Waarom de studenten wel en de gebruikers van diensten en de kopers van producten niet?

Wanneer we dit deel van de organisatie trachten te beschrijven dan beschrijven we iets in de periferie, dat als het ware onzichtbaar om het producerend centrum heenligt; iets dat als distributiesysteem vanuit de producent gezien, wel een zekere organisatiegraad heeft, maar vanuit het feitelijke consumentengedrag beschreven, een vaak amorf, onvoorspelbaar beeld vertoont zonder veel bewustzijn, zonder veel verantwoordelijke binding aan de producent, de dienstverlener, de winkelier. We hebben twee aspecten van het organisatiewezen gekarakteriseerd in de woord-paren:

. zichtbaar – onzichtbaar.
. georganiseerd – amorf
. centraal – perifeer
. mensen verant- – mensen in
woordelijk               vrijblijvende
gebonden                 relatie
. wakend – slapend
. producerend – consumerend
. initiërend – receptief
. antwoord – vraag
. manlijk – vrouwelijk

We zouden de polariteit die we hier trachten aan te duiden, misschien het meest kernachtig kunnen omschrijven door te zeggen dat de organisatie een dagzijde en een nachtzijde heeft. Voor zover wij als werkers in organisaties bezig zijn, horen wij tot de dagzijde van die organisaties. Wij voelen ons dan in ons waakbewustzijn aangesproken. Voor zover wij als consumenten door onze koopdaad, door onze vraag, door het kenbaar maken van behoeften, organisaties in het leven roepen en houden, behoren wij tot de nachtzijde van die organisaties.

Dat feit dringt nauwelijks tot ons bewustzijn door. Wij zijn in dat gebied nog slapend. Zoals mensen overdag in hun fysieke lichaam ruimtelijk van elkaar gescheiden zijn, en zich daarvan bewust zijn, terwijl zij ’s nachts, wanneer zij vrij van hun lichaam zijn, door elkaar heen leven en weven, zonder daar bewust van te zijn, zo zijn de dagzijden van ondernemingen ruimtelijk gescheiden als zichtbare instituties en organisaties, terwijl de nachtzijden van al die organisaties in en door elkaar leven. Bedenk eens hoeveel mensen daar kopend, diensten gebruikend, goederen verslijtend door elkaar heen leven en van hoeveel verschillende organisaties zij daardoor de onbewuste nachtzijde vormen!

Wanneer in de mensengemeenschap steeds meer tot werking komt, wat als kracht in de menselijke ziel leeft, wanneer de maatschappij zich steeds meer vormt door zich te spiegelen aan de mensenziel, dan moeten we in de mens zelf het oerbeeld vinden van het verschijnsel dat sociale organismen een centrale, zichtbare dagzijde en een perifere onzichtbare nachtzijde, hebben. We komen hiermee op een van de meest centrale hoofdstukken uit Steiners antroposofie. Dat is het onderwerp over de dubbele verschijningsvorm van het Ik. Steiner beschrijft dit als volgt. Het hogere Ik van de mens bereidt zich in het voorgeboortelijk leven voor op een volgende incarnatie. Het doet dit enerzijds door voor zichzelf een sterfelijk lichaam te scheppen waarin het op aarde kan leven, anderzijds door een omgeving uit te zoeken waarmee het in wisselwerking kan treden. Ongeveer tot het derde jaar werkt dit hoger Ik nog direct in de fysieke omhulling, dan trekt het zich terug in de geestelijke wereld. Het laat op aarde z’n afspiegeling achter. Dit aardse Ik kan zich bewust worden van zijn dag- en nachtzijde. Van de dagzijde is sprake als wij met ons waakbewustzijn Ik zeggen tegen wat wij in onze fysieke constitutie, in onze levenskrachten, in onze zielenkwaliteiten met ons meedragen als omhulling van dit Ik. Van de nachtzijde is sprake als wij met ons intuïtieve nachtbewustzijn langzamerhand Ik leren zeggen tegen datgene wat als lot uit de periferie op ons afkomt, aan wensen, aan vragen, aan weerstanden, aan uitdagingen, aan grenzen. Het Ik verschijnt zichtbaar centraal in de fysieke gestalte, het maakt zich onzichtbaar perifeer kenbaar in het op ons toekomende lot. Het mensen-ik verschijnt in een dag- en een nachtzijde, in een vrouwelijk vragende bedding en in een manlijk-actieve stroom die daarop antwoordt.

Wat er geboren wordt aan nieuwe vermogens en nieuwe ervaringen in de wisselwerking tussen de dag- en de nachtzijde van het Ik, tussen de dagbewuste mens en wat er uit het duister van het lot op hem afkomt, dat is de vrucht van deze incarnatie, dat is het geesteskind dat door de dialoog van het vader-ik en het moeder-ik verwekt is. Dat geesteskind wordt na de dood, als het fysieke lichaam is afgelegd en het aardse lot tot een einde is gekomen, aan het hogere Ik, wachtend aan de drempel, aangeboden.

Dit oerbeeld van de incarnatie van de mens als geesteswezen in de aardse werkelijkheid vinden we weerspiegeld in het verschijnsel dat wij eerder beschreven: nieuwe sociale vormen die ontstaan doordat het vaderzaad van het initiatief valt in de moederschoot van een deel van de samenleving, of wel doordat de vragende leegte van een behoefte de mogelijkheid schept om deze behoefte op creatieve wijze te bevredigen. Zo ontstaan sociale vormen, organisaties die in hun dag- en hun nachtzijde voortdurend herinneren aan de twee stromen waaruit zij ontstaan zijn.

Deze beschouwing kan ons helpen dieper in te gaan op de vraag wat het verzorgen van sociale initiatieven eigenlijk inhoudt, of beter uitgedrukt: het verzorgen van hetgeen als resultaat van sociale initiatieven in de wereld is gezet.

Voor het opgroeiende kind is van vitaal belang het pedagogisch klimaat dat de vader en moeder om het kind heen creëeren, of meer algemeen gezegd: dat ontstaat doordat het vaderlijk en het moederlijk element in de opvoeding evenwichtig verzorgd worden. Het sleutelwoord daarvoor is de dialoog. In de dialoog tussen diegenen die met verantwoordelijkheid om en naast het kind staan, worden de inzichten en krachten geboren waarmee het kind in z’n ontwikkeling geholpen kan worden. Wanneer we nu op zoek gaan naar deze dialoog-kwaliteit daar waar het gaat om het verzorgen, opvoeden en grootbrengen van maatschappelijke schepsels, resultaten van sociale initiatieven, dan springen een vijftal dialogen in het oog.

Ik wil deze artikelen eindigen in Jonas 17 door deze vijf in concreto te beschrijven.

Lex Bos, Jonas 16, 06-04-1979\

.
Sociale initiatieven [1]     [3]

Sociale driegeledingalle artikelen   waaronder vrijeschool en vrijheid van onderwijs

 

1320

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 303)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 303  9e voordracht  vertaald: gezondmakend onderwijs

Wir mussen durchaus alles, was wir dem Kinde beibringen über Pflanzliches, über Tiere, so beibringen, daß wir eigentlich dabei als Künstler wirken, daß wir auf die harmonische Gestaltung des Pflanzenwesens und auf die harmonische Beziehung der einzelnen Pflanzenart zu der anderen, auf dieses, was auch da rhythmisch-harmonisch-ge­fühlsmäßig ist, einen viel größeren Wert legen als auf das, was in den Botanikbüchern steht.
Es ist eben durchaus notwendig, daß wir über Pflanzen, über Tiere so reden lernen, wie es einer künstlerischen Anschauung entspricht. Dadurch allein bringen wir auch das mit einem musikalischen Duk­tus in das ganze kindliche Wesen hinein. Das ist eben etwas, was wir berücksichtigen müssen, daß der Unterricht vom künstlerischen Element ausgehen müsse, nicht von dem gedanklichen Element, auch nicht von einem abstrakten Anschauen, sondern von einem von Kunst und künstlerischer Lebensempfindung durchdrungenen Elemente. Die­ses verlangt das Kind.

Wij moeten volstrekt bij alles wat wij het kind leren over het plantaardige en het dierlijke, dat zo doen dat we daarbij eigenlijk als kunstenaar werken, dat we veel grotere waarde hechten aan de harmonische groei van het plantenwezen en aan de harmonische betrekking tussen de ene plantensoort en de andere, aan wat daar ook ritmisch-harmonisch-gevoelsmatig aanwezig is, dan aan wat er in de plantkundeboeken staat. Juist bij een plant is het immers toch al zo dat ons de systematiek van de planten, dat indelen van de plantenwereld zoals dat gebeurt, in feite het meest tegen staat.
GA 303/162-163
Gezondmakend onderwijs/175

blz. 188

Wie man nun die Pflanzenwelt in Beziehung setzen muß zu dem Irdischen, so die Tierwelt in Beziehung zu dem Menschen. Man wird bemerken, indem man bei den Kindern Vorstellungen über das Pflanzliche hervorruft, wie ich sie geschildert habe, daß die Kinder gerade an dem Pflanzlichen die Frage nach dem Warum und Wie der Welt entwickeln. Es ist wirklich viel gesundender für das kindliche Gemüt, wenn es die Frage nach dem Warum und Wie an dem Pflanzlichen entwickelt, als etwa an dem Mineralischen und dem Maschinenartigen. Wie man sozusagen das Kausalgefühl, das Ursachengefühl an der an die Erde gebundenen Pflanze entwickeln soll, so den Vergleich, die Analogie, die immer eine entsprechende Stellung im Leben einnehmen soll, an der Tierwelt.

Net zoals je de plantenwereld in relatie moet brengen tot de aarde, zo moet je de dierenwereld betrekken op de mens. Je zult merken dat je, door bij de kinderen voorstellingen over het plantenrijk op te roepen zoals ik dat beschreven heb, de kinderen juist aan de hand van het plantenrijk de vraag naar het waarom en hoe van de wereld ontwikkelen. Het is voor het gemoed van het kind echt veel gezonder als het de vraag naar het waarom en hoe aan de plantenwereld ontwikkelt dan bijvoorbeeld aan het minerale en het machinale. Zoals je zogezegd het gevoel voor oorzaak en gevolg, het causale gevoel moet ontwikkelen aan de aan de aarde gebonden plant, zo moet je de vergelijking, de analogie, die altijd een passende plaats in het leven moet inne­men, aan de dierenwereld ontwikkelen.

Nun möchte ich, damit wir uns richtig verstehen, einen gewissen Gedanken so ausführen, wie er nur für uns Erwachsene gemeint ist, der dann in allerlei Weise in der Schule umgesetzt, dem kindlichen Verständnis zwischen dem zehnten und zwölften Jahre angepaßt wer­den muß, aber wie er heute eigentlich viel zu wenig gepflegt wird.
Wenn man den Menschen, ich möchte sagen, morphologisch, physio­logisch und so weiter betrachtet, so kann einem zunächst das Folgende auffallen. Betrachten wir das menschliche Haupt, schon seiner äußeren Form nach: es ist kugelig. Gehen wir dann in das Innere, finden wir die graue Gehirnmasse, wenig herausgebildet in ihrer Differenzierung von dem, was noch zellige Ganglien sind, und weiter nach innen erst die faserige weiße Masse. – Wir sehen diese menschliche Kopfbildung an, und wir können sie vergleichen mit der Tierwelt. Aber wo müssen wir das suchen, was wir in der tierischen Welt mit der menschlichen Kopfbildung vergleichen können? Wir müssen es bei den ganzen niederen

Nu zou ik, om elkaar goed te begrijpen, een bepaalde gedachte uit willen werken zoals die alleen voor ons volwasse­nen bedoeld is. Die kan dan op allerlei manieren op school omgezet worden, aan het kinderlijk begrip tussen het tiende en twaalfde levensjaar aangepast worden, wat tegenwoordig helaas veel te weinig gebeurt.
Als je de mens, ik zou willen zeggen morfologisch, fysiolo­gisch enzovoort bekijkt, dan kan je allereerst het volgende opvallen. Als je het menselijk hoofd naar zijn uiterlijke vorm bekijkt, dan zie je dat die de vorm van een bol heeft. Ga je dan naar het inwendige, dan vind je de grijze hersenmassa, weinig ontwikkeld in haar differentiatie van dat wat nog celachtige zenuwknopen, ganglia zijn, en nog verder naar binnen pas de vezelige witte massa. — Wij kijken naar de vorm van het men­selijk hoofd en we kunnen die vergelijken met de dierenwe­reld. Maar waar moeten we zoeken wat we in de dierenwereld met de vorm van het menselijk hoofd kunnen vergelijken? We moeten dat bij de lagere dieren zoeken.

blz. 189

Tieren suchen. Am menschlichen Kopfe ist allerdings alles diffe­renziert. Aber die Hauptsache, worauf es beim menschlichen Kopf auch ankommt: innerlich weiche Masse, von einer Schale umgeben, das ist bei den niederen Tieren noch in seinem undifferenzierten Zu­stand vorhanden. Derjenige, der die Natur unbefangen betrachtet, wird gerade bei dem Schalentier das Einfache, das Primitive für den menschlichen Kopf finden, und er wird die menschliche Hauptesbil­dung zu den niederen Tieren in eine Beziehung bringen. Innerlich be­trachtet, steht eine Auster dem menschlichen Kopf viel näher als ein Affe. Wenn Sie ein schleimiges Tier, umgeben von einer Schale betrach­ten, so ist das eigentlich die einfachste Form für einen menschlichen Kopf.
Gehen wir jetzt zu den menschlichen Brustorganen über, zu dem­jenigen, was vorzugsweise unter der Herrschaft des Rückgrates steht, so werden wir schon zu höheren Tieren geführt, zum Beispiel zum Fisch. Beim Fisch, was ist denn da vorhanden? 

Aan het menselijk hoofd is weliswaar alles gedifferentieerd. Maar de hoofdzaak waar het bij het menselijk hoofd om gaat: inwendig zachte massa, door een schaal omgeven, dat is bij de lagere dieren nog in zijn ongedifferentieerde toestand aanwezig. Wie de natuur onbevangen waarneemt zal juist bij het schaaldier het principe van het menselijk hoofd in zijn meest eenvoudige en primitieve vorm vinden, en hij zal de vorm van het menselijk hoofd in relatie brengen met de lagere dieren. Innerlijk gezien staat een oester veel dichter bij het menselijk hoofd dan een aap. Als u een slijmerig dier, door een schaal omgeven, bekijkt dan is dat eigenlijk de eenvoudigste vorm voor een menselijk hoofd.
Gaan we nu over naar de borstorganen van de mens, naar dat wat vooral onder de heerschappij van de ruggengraat staat, dan worden we al naar hogere dieren geleid, bijvoorbeeld de vis. Bij de vis, wat is daarbij dan zoal aanwezig?

Der Kopf ist da kaum etwas anderes als eine ein klein wenig differenzierte Fortsetzung des­jenigen, was überall sich an das Rückgrat anschließt. Der ganze Fisch ist ein Rückgrattier. Und gehen wir auf die Organisation des Fisches, als auf eines in der mittleren Lage der Tierreihe liegenden Wesens ein, so mussen wir es mit der menschlichen Lymphorganisation, mit dem mittleren Menschen vergleichen.
Und gehen wir zu den höheren Tieren herauf, dann können wir nicht anders, als das, was an den höheren Tieren sich entwickelt, mit dem Stoffwechsel-Gliedmaßensystem des Menschen vergleichen. Se­hen Sie sich den Löwen, sehen Sie sich das Kamel an: alles ist da be­herrscht von der besonderen Organisation des Gliedmaßen-Stoffwech­selleibes. So daß wir eine merkwürdige Gliederung des Tierreiches in bezug auf die menschliche Organisation bekommen:
    Kopforganisation    –    niedere Tiere
    rhythmische Organisation    –    mittlere Tiere
    Stoffwechsel-Gliedmaßenorganisation    –    höhere Tiere

Eine solche Einsicht gibt erst einen richtigen Blick über die Evolution. Die menschliche Entwickelung ist von etwas ausgegangen, was dann

De kop is daarbij nauwelijks iets anders dan een kleine, weinig gediffe­rentieerde voortzetting van wat overal bij de ruggengraat aan­sluit. De hele vis is een ruggengraatdier. En gaan we in op de organisatie van de vis als op een wezen dat tot de middelste gelederen van de dieren behoort, dan moeten we het met de menselijke lymfe-organisatie, met de midden-mens vergelij­ken.
En gaan we verder omhoog naar de hogere dieren, dan kunnen we niet anders dan datgene wat zich bij de hogere die­ren ontwikkelt, met het stofwisselings-ledematensysteem van de mens vergelijken. Kijkt u eens naar de leeuw, kijkt u eens naar de kameel: alles wordt daar beheerst door de bijzondere organisatie van het ledematen-stofwisselingslichaam. Zodat we een merkwaardige indeling van het dierenrijk met betrek­king tot de menselijke organisatie krijgen.

hoofdorganisatie         —        lagere dieren

ritmische organisatie  —        middelste dieren

stofwisselings-ledematenorganisatie — hogere dieren

Een dergelijk inzicht geeft pas een juiste blik op de evolutie. De menselijke ontwikkeling is van iets uitgegaan wat dan

[de leeuw wordt ook tot de middendieren gerekend, juist met het oog op zijn ritmische leen van rust, honger, jacht, prooi, rust enz. Zie [leeuw]

blz. 190

später Kopf geworden ist. Aber in sehr frühen Zeiten, wo in der Um­welt andere Verhältnisse waren, hat sich das entwickelt, was später beim Menschen zum Kopf geworden ist, und der Mensch hat reichlich Gelegenheit gehabt, von der Zeit, wo er, einer Auster ähnlich, ange­wiesen war auf die Impulse seiner Umgebung, sich dahin zu entwickeln, wo der Kopf als ein Parasit auf dem ganzen übrigen Organismus sitzt und dasjenige, was die Auster noch aus ihrer Umgebung ziehen muß, aus dem übrigen Teil seines Organismus anzieht. Er hat die anderen Teile herausgesetzt. Er hat sich die Erdenumgebung ersetzt durch sei­nen Kopf, den er angesetzt hat. Sie können das in der Embryologie heute noch verfolgen. Wenn man auf die Embryologie des Menschen sieht, muß man sagen, der Mensch hat in bezug auf seinen Kopf eine lange Evolution durchgemacht. Diese Kopforganisation ist von einem Punkt ausgegangen, auf dem heute noch die niederen Schalentiere ste­hen; nur haben sich die in der Evolution verspätet. Sie müssen unter ungünstigeren äußeren Verhältnissen sich entwickeln. Sie kommen da­her nicht bis zu der Dichte des Kopfes; sie bleiben bei dem schleimigen Leib und der schaligen Umgebung stehen. Sie stellen heute unter ganz anderen Erdenverhältnissen dasjenige dar, was unter früheren Verhält­nissen in seiner Kopforganisation der Mensch selbst noch war

later hoofd geworden is. Maar in heel vroege tijden, waarin andere omstandigheden in de buitenwereld golden, heeft zich ontwikkeld wat dan later bij de mens hoofd is geworden. En de mens heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om, vanaf de tijd waarin hij als een oester was aangewezen op de impul­sen van zijn omgeving, zich in een richting te ontwikkelen waar het hoofd als een parasiet op het hele overige organisme zit. Datgene wat de oester nog uit zijn omgeving moet halen, trekt het hoofd uit het overige deel van het menselijk orga­nisme naar zich toe. De mens heeft de andere delen buiten zich gezet. Hij heeft de aardeomgeving vervangen door zijn hoofd aan zijn organisme te zetten. U kunt dat tegenwoordig in de embryologie nog nagaan. Als je de embryologie van de mens bekijkt, moet je zeggen dat de mens met betrekking tot zijn hoofd een lange evolutie heeft doorgemaakt. Deze hoofdorganisatie is uitgegaan van een punt waarop nu nog de lagere schaaldieren staan; alleen zijn die in de evolutie achtergebleven. Ze moeten zich onder ongunstigere uiterlijke omstandigheden ontwikkelen. Ze komen daardoor niet tot de dichtheid van het hoofd; ze blij­ven op het niveau van het slijmerige lichaam en de schaalachtige omgeving staan. Ze geven vandaag de dag onder heel andere aardse omstandigheden een beeld van datgene wat onder vroegere omstandigheden de mens in zijn hoofdorga­nisatie zelf nog was.

Und die Fischorganisation, sie trat später in der Erdenentwickelung auf als die Menschenorganisation und traf schon eine andere äußere Umgebung. Der Mensch war schon so weit, daß er Impulse, die der Fisch aus seiner Umgebung ziehen muß, aus seinem eigenen rhythmischen Organismus ziehen konnte. Es kam also zu der Menschheitsevolution, die bis zu einem gewissen Punkte heraufgekommen war, die Organisation der mittleren Tiere hinzu. Und zuletzt, als der Mensch schon seinen Glied­maßen-Stoffwechselorganmsmus mm heutigen Sinne angesetzt hatte, so daß sich der Stoffwechsel differenziert hat, daß der Stoffwechsel nur seine Reste zurückgelassen hat in den Kopf- und Brustorganen, da kamen die höheren Tiere dazu.
Man wird auf diese Weise einsehen, daß die Deszendenztheorie für den Menschen richtig ist, aber nur, wenn man seinen Kopf betrachtet. Er stammt in physischer Beziehung seiner Kopforganisation nach von Vorfahren ab, die eine entfernte Ähnlichkeit haben mit den heutigen

En de vissenorganisatie, die trad later in de aardeontwikkeling op dan de mensenorganisatie en trof al een andere uiterlijke omgeving aan. De mens was al zo ver dat hij impulsen die de vis uit zijn omgeving moet halen, uit zijn eigen ritmische organisatie kon halen. Zo werd dus aan de mensheidsevolutie, die zich tot een bepaald punt had ontwik­keld, de organisatie van de middelste dieren toegevoegd. En ten slotte kwamen de hogere dieren erbij, toen de mens zijn ledematen-stofwisselingsorganisme zoals we die vandaag kennen had aangezet, zodat de stofwisseling zich differentieerde, dat de stofwisseling alleen nog restanten achtergelaten heeft in de hoofd- en borstorganen.
We zullen op deze wijze inzien dat de afstammingstheorie voor de mens juist is, maar alleen als je zijn hoofd bekijkt. Hij stamt met betrekking tot zijn fysieke hoofdorganisatie af van voorvaderen die een verre gelijkenis hebben met de huidige

blz. 191

niedersten Tieren, aber doch wiederum verschieden sind, weil sich diese niederen Tiere unter anderen Verhältnissen heute entwickeln. Er stammt seiner mittleren Organisation nach von Wesen ab, die durchaus schon auf dem Wege zum Menschen waren, die Ähnlichkeit haben mit der Fischorganisation. Aber die Fische sind zu spät gekommen. Die muß­ten den Kopf schon ganz unentwickelt lassen; weil sie ihn früher nicht entwickelt haben, da ging es nicht mehr, den Kopf in entsprechender Weise zu entwickeln, insbesondere nicht, weil sie auf das flüssige Ele­ment sich beschränkt haben. Und so kommt man zu einer Überschau, man kommt auf eine Deszendenztheorie, die dann der Realität ent­spricht; während, wenn man den ganzen Menschen nimmt, ohne seine Dreigliederung zu beachten, kommt man zu einer einseitigen Deszen­denztheorie, die sehr geistvoll, sehr scharfsinnig ist, aber eben vor einer durchgreifenden Beobachtung nicht standhält. So daß man sagen kann:
Was wir in der Tierreihe draußen finden, ist überall die einseitige Aus­bildung irgendeines menschlichen Organsystems. Die Austern sind ein­seitige Kopftiere, die Fische sind einseitige Brusttiere, die höheren Säu­getiere namentlich sind einseitige Stoffwechsel-Gliedmaßentiere. Jede Tierform verstehen wir, wenn wir sie als eine einseitige Ausbildung eines menschlichen Organsystems betrachten.

laagste dieren, maar die toch weer anders zijn, omdat deze lagere dieren zich nu onder andere omstandigheden ontwik­kelen. Hij stamt wat betreft zijn middelste organisatie af van wezens die al helemaal op weg waren mens te worden, die gelijkenis hebben met de vissenorganisatie. Maar de vissen zijn te laat gekomen. Die moesten de kop al helemaal onontwikkeld laten. Omdat zij die niet vroeger al ontwikkeld hebben, lukte het niet meer de kop op de daarvoor bestemde manier te ontwikkelen, vooral niet omdat ze zich tot het vloeibare element beperkten. En zo kom je tot een overzicht, je komt tot een afstammingstheorie die met de werkelijkheid overeenkomt. Terwijl je, als je de hele mens neemt zonder rekening te houden met zijn drieledigheid, tot een eenzijdige afstammingstheorie komt, die zeer geestrijk, zeer scherpzinnig is, maar bij een grondige waarneming geen standhoudt. Zodat je kunt zeggen: in wat wij in de dierenreeks buiten ons vinden, is overal de eenzijdige ontwikkeling van een of ander menselijk orgaansysteem aanwezig. De oesters zijn eenzijdige hoofddieren, de vissen zijn eenzijdige borstdieren, de hogere zoogdieren met name zijn eenzijdige stofwisselings-ledematendieren. Iedere diervorm begrijpen we wanneer we hem als een eenzijdige ontwikkeling van een menselijk orgaansysteem beschouwen.

Man hat einmal für eine solche Sache eine Empfindung gehabt, am Übergang des 18. zum 19. Jahrhundert; aber nur die Empfindung war richtig. Man hat zu wenig Kenntnisse gehabt, um diese Dinge nun wirklich real auszubilden. Einer von den vielverachteten deutschen Naturphilosophen, Oken, der aber ein sehr geistreicher Mann war, tat einen grotesken Ausspruch, über den heute zu lachen leicht ist, aber der aus einer gewissen richtigen Empfindung hervorgegangen ist: die Zunge des Menschen sei ein Tintenfisch. Ja, gewiß, die Zunge ist kein Tintenfisch. Man kann darüber sehr leicht ein Urteil haben. Aber die allgemeine Empfindung, daß man zu den niederen Tieren hinunter-gehen müsse, wenn man die Formen der menschlichen Kopfglieder er­kennen will, lag in dieser Behauptung.
Nun, dasjenige, was ich Ihnen hier auseinandergesetzt habe, ist eben zu unserer Orientierung. Man kann das aber durchaus auf dasjenige übertragen, was für das Kind verständlich ist. Man kann vor dem

Ooit had men voor een dergelijke zaak gevoel, bij de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw; maar alleen het gevoel was juist. Men had te weinig kennis om deze dingen nu werkelijk reëel te ontwikkelen. Eén van de veel versmade Duitse natuuronderzoekers Oken, die toch een heel geestrijk mens was, heeft een groteske uitspraak gedaan, waarover men vandaag gemakkelijk kan lachen, maar die voortgekomen is uit een zeker juist gevoel: de tong van een mens zou een inktvis zijn. Ja, natuurlijk, de tong is geen inktvis, men kan daarover heel gemakkelijk een oordeel hebben. Maar in deze bewering zat het algemene gevoel dat je naar de lagere dieren moet afdalen als je de vormen van de delen van het menselijk hoofd wilt begrijpen.
Welnu, wat ik voor u hier uiteengezet heb, is maar ter oriën­tering. Je kunt dat echter volledig overbrengen op wat voor het kind te begrijpen is.

blz. 192

Kinde morphologisch, der Form gemäß, allerlei an dem Menschen be­trachten und es dann überführen in die Analogie mit der oder jener Tierform, und man kann durchaus in dem Kinde die Empfindung ent­stehen lassen: Das ganze Tierreich ist ein ausgebreiteter Mensch; der Mensch ist ein Kompendium des ganzen Tierreiches. – So bringt man das Tierreich an den Menschen heran, wie man das Pflanzenreich an die Erde herangebracht hat, und man erweckt gerade dadurch in dem Kinde ein gesundes Weltgefühl, daß man gewissermaßen auf die Ni­veaulinie Rücksicht nimmt zwischen Tier und Pflanze, bei der Pflanze hinuntergeht zur Erde, beim Tier herauf zum Menschen. Dadurch stellt sich die Seele empfindungsgemäß in richtiger Art zu ihrer Um­gebung ein, von der sie sich zu unterscheiden gelernt hat mit dem voll­endeten neunten Jahre. Und nicht darauf kommt es ja eigentlich an, daß man dem Kinde allerlei Kenntnisse übermittelt, sondern daß man ihm die Vorbereitung gibt zu einer richtigen Weltempfindung.

Je kunt voor het kind morfologisch, overeenkomstig de vorm, allerlei aan de mens beschouwen en dat dan overbrengen in analogie met deze of gene diervorm, en je kunt in het kind beslist het gevoel laten ontstaan: het hele dierenrijk is een uitgebreide mens; de mens is een samen­stelling van het hele dierenrijk. – Zo verbind je het dierenrijk met de mens, zoals we het plantenrijk met de aarde verbon­den hebben. En we wekken in het kind een gezond wereldgevoel juist door in zekere zin rekening te houden met de niveaulijn tussen dier en plant, en bij de plant afdaalt naar de aarde en bij het dier opstijgt naar de mens. Daardoor stelt de ziel zich gevoelsmatig op de juiste wijze in op haar omgeving, waarvan ze zich heeft leren onderscheiden vanaf het voltooide negende jaar. En het komt er toch eigenlijk niet op aan dat je het kind allerlei kennis overdraagt, maar dat je het de voorbe­reiding geeft tot een juist wereldgevoel.
GA 303/188-192
Vertaald/211-216

blz. 227

Das ist durchaus möglich, wenn man einen solchen Lehrgang wählt, wie ich ihn in diesen Tagen auseinandergesetzt habe, wo man das Na­turkundliche auf der einen Seite an das Irdisch-Geographische anreiht, und dasjenige, was sich auf die Tiere bezieht, an den Menschen heran-bringt. Man wird da insbesondere mit dem zunächst bloß Beschrei­benden am meisten ausrichten, wird das Beschreibende so gestalten können, daß es nun nicht mehr den Menschen so ganz in Anspruch nimmt, aber noch das Seelische in Anspruch nimmt.

Dat is zeer zeker mogelijk als je zo’n leerweg kiest zoals ik die in deze dagen uiteengezet heb, waar je enerzijds het biolo­gische element bij het aards-geografische element laat aan­sluiten, en dat wat op de dieren betrekking heeft in verband brengt met de mens. Je zult daar vooral het meest bereiken met het in eerste instantie louter beschrijvende, je zult het beschrijvende zo vorm kunnen geven dat het nu niet meer de mens zo helemaal in beslag neemt, maar wel nog het psychi­sche.
GA 303/227
Vertaald/256

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas dierkunde

.

1319

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde voordracht 1 (1-7-2/5)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van het ‘verstands-gemoedsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

VERSTANDS-GEMOEDSZIEL

Op blz. 23/24 is niet specifiek genoemd ‘de geest’, hoewel  verschillende keren sprake is van ‘geestelijk’ en deze wordt wél in combinaties gebruikt: geestzelf, levensgeest, geestesmens.
Om iets meer greep te krijgen op dit begrip geest, allereerst een korte karakteristiek, waarbij ook lichaam en ziel weer betrokken zijn:

In ‘Theosofie’ geeft Steiner een voorbeeld van iemand die over een weiland loopt.
Die iemand had ik kunnen zijn. Ik wandel veel en loop dan vaak over begroeide weilanden, zoals laatst nog, over een met veel paardenbloemen.
Met mijn ogen neem ik de plant: de groene blaadjes, de gele bloemen en/of grijze pluizenbollen waar. Ze staan daar, buiten mijn toedoen. Ik vind ze mooi; ik geniet van zo’n geel veld. Door dit gevoel is er een band ontstaan tussen mij en die bloemen.
De boer, die diezelfde bloemen daar liever niet had zien groeien, heeft, door ze te zien, ook een gevoelsband gekregen, die heel anders is dan de mijne.
Een jaar later loop ik weer over dat zelfde weiland. Er groeien weer paardenbloemen, al zijn het niet de bloemen van vorig jaar. Opnieuw word ik er blij van. Ik herinner mij dat ik er vorig jaar ook al zo vrolijk van werd. Die herinnering is er, zonder dat de bloemen van het vorige jaar er zijn.
Maar de paardenbloemen van het vorige jaar, zijn toch precies hetzelfde als de paardenbloemen van dit jaar. En als ik ze verleden jaar grondig bestudeerd heb en van alles gevonden over hun groei en bloei, dan vind ik, bij bestudering nu, alles, wat ik al gevonden had, weer opnieuw.
De boer zal het nog steeds niet prettig vinden, dat ze daar staan, maar als hij ze bestudeerd zou hebben, dan waren we tot dezelfde kennis over de paardenbloem gekomen en we zouden kunnen voorspellen dat onze kennis het jaar daarop waarschijnlijk niet zou zijn veranderd, omdat de paardenbloem zo is gebleven als ze is.

Deze ervaring leert ons:

WE STAAN OP DRIEËRLEI MANIER IN DE WERELD

DE WERELD OM ONS HEEN
We vinden een ons gegeven wereld. Deze wordt in de antroposofie vaak beschreven als de fysiek/lijfelijke wereld.

ONZE BINNENWERELD
We hebben onze eigen binnenwereld – onze gevoelens: onze emoties; onze ziel.

DE INHOUD VAN DE WERELD OM ONS HEEN
In mijn voorbeeld: de “wereld” van de paardenbloem: hoe die groeit enz .- het wezen van. Dat wordt de wereld van de geest genoemd.

Uit dit soort ervaringen kan ik niet anders dan de conclusie trekken dat ik:

–met mijn fysiek/lijfelijke zintuigen: ogen, oren, neus enz. de wereld om me heen waarneem-me er via mijn zintuigen mee verbindt; dat vindt plaats in de gewaarwordingsziel waar ik ook gewaar wordt wat er van binnen in het ‘fijnere etherlijf’, gewaarwordingslijf genoemd, aan primaire gevoelens leeft; primair, omdat ze allereerst te maken hebben met mijn (voort)bestaan.

–een binnenwereld heb, waarmee ik gevoelsbelevingen heb die verschillen van iemand anders zijn beleving, dus puur mijn belevingen zijn;

–een wereld kan leren kennen die ook gegeven is, die echter niet gelijktijdig met het waarnemen door mijn fysiek/lijfelijke zintuigen wordt weergegeven; een wereld die ik kan zoeken of niet; een wereld die er is, onafhankelijk van mijn gevoelsbelevingen, of ik deze nu mooi of lelijk vind. Een wereld zelfs, die er kan zijn zonder dat ik er weet van heb; een wereld ook waarvoor het niet uitmaakt of ik het er mee eens ben of niet.

BEGRIPSBEPALING
Om te weten wat de begrippen lichaam, ziel en geest inhouden, dienen ze duidelijk omschreven te worden.

LICHAAM
Alles wat we in de wereld aan stoffelijkheid vinden dat buiten ons toedoen daar is gekomen. De “gegeven” wereld. De wereld die we aantreffen. Daar nemen we de objecten waar. Maar net zo nemen we ons eigen lichaam – ook een gegeven wereld – waar.

ZIEL
Een innerlijke kracht die het ons mogelijk maakt de buitenwereld tot onze eigen wereld te maken; tot onze eigen aangelegenheid. En die het ons mogelijk maakt weer met ‘die aangelegenheid’ naar buiten te komen.

GEEST
De wereld van de wetmatigheden, de waarheden. Hoe de ons gegeven wereld in elkaar zit; de ideële inhoud van de stoffelijke wereld

TUSSEN TWEE WERELDEN
Als het ervarende wezen mens sta ik enerzijds in verbinding met de stoffelijke wereld; anderzijds kan ik mij openstellen voor die wereld van wetmatigheden, waarheden enz. die hier geestelijke wereld wordt genoemd.

Ook mijn vader, die niet meer leeft, hield van paardenbloemen; na zijn dood was de paardenbloem zoals deze is, er nog steeds en ook na mijn dood zal deze er nog wel op dezelfde manier zijn. Zo sta ik als ervarend wezen dus tussen het kort-tijdelijke: de paardenbloem van dit voorjaar – al weer afgestorven; en die van het veel langer durende: de geestelijke inhoud van de paardenbloem. Een beetje poëtisch zou ik willen zeggen: zo sta ik als mens tussen het vergankelijke en het eeuwige: tussen de stof en de geest.

Daartussen sta ik, als denkend, voelend en willend wezen. De stoffelijkheid – mijn lichaam – is een absolute voorwaarde om er te kúnnen zijn. Steiner toedichten dat hij – als geesteswetenschapper – de materie niet belangrijk zou vinden of ondergeschikt – is, alleen op grond hiervan al – een onzinnige gedachte.
Niet alles wat ik wil, kan ik lichamelijk uitvoeren: mijn lichaam legt mij beperkingen op, die beperkingen gaan soms, zoals we kunnen zien aan mensen met lichamelijke beperkingen heel ver. En van hoe het met mijn zintuigen is gesteld, hangt af, hoeveel ik vanuit de wereld kan gewaarworden.

Zoals al eerder opgemerkt: al deze niet zintuiglijk waarneembare aspecten van het wezen mens, kun je eigenlijk niet beschrijven met:  (bijv. de ziel IS, de geest IS). In zekere zin is alles voortdurend in beweging, werkt in op elkaar, is afhankelijk van elkaar.

 

GEMOEDSZIEL
Bij onze gewaarwording: ‘ik heb dorst’, zeggen we niet dat we ‘vinden dat we dorst hebben.’ Wanneer we tegenover een schilderij staan en we worden de kleuren, vormen, voorstellingen gewaar, komen er ook andere gevoelens bij zonder dat er direct ‘verstand’ aan te pas komt. Zonder dat, kan het schilderij je iets doen, of niet; het kan je aanspreken, of niet; je vindt het mooi – waarom? dat is nog lastig te verwoorden, daar heeft het denken nog niet zoveel invloed – of je vindt het lelijk. Maar waarom?
Dit is het gebied waar je sympathie of antipathie voelt. Daarvan weet je dat een hevige vorm van sympathie liefde genoemd kan worden en van antipathie haat. Daartussen zitten heel veel gevoelsschakeringen. Dat zijn de stemmingen, die hebben we in ons gemoed. Dat deel van de ziel waar we geen wakkere toegang toe hebben, het onttrekt zich nog aan ons helder weten van wat er eigenlijk gebeurt en waarom. Het gebied van ‘ik vind’, ‘voor mij ziet het er zo uit’, enz.
Dat gebied van de ziel wordt door Steiner gemoedsziel genoemd.

VERSTANDSZIEL
Neem de volgende ervaring die iedereen wel op haar/zijn manier heeft:
Ik vind gevulde speculaas erg lekker en soms loop je net langs de bakker en ruik je die voor jou heerlijke geur. Via het reukzintuig voor even mijn wereld. Ik heb ook nog niet veel gegeten, dus trek in iets: het etherlijf leeft op in het gewaarwordingslijf. Zou de speculaas nu open en bloot op een tafeltje voor de bakkerij liggen en ik was bijv, een hond, dan snaaide ik het er waarschijnlijk af – direct handelend vanuit mijn begeerte.
Maar ik weet dat dat niet mag – ik begrijp het ook: zo verdient de bakker op den duur zijn eigen brood niet meer – en een innerlijke stem zegt, alsof hier een tweede persoon aanwezig is: ‘Zou je dat nu wel kopen? Het is wel lekker, maar ook nog al veel verzadigd vet en suiker; het is niet echt gezond voor je!’
Ik neem het besluit de speculaas niet te kopen en loop door.

Dat ik niet, zoals het dier hoogstwaarschijnlijk wel zou doen, onmiddellijk mijn zin, trek, lust volg, maar die afrem door overwegingen – verstandig – zou je kunnen zeggen, komt door een vermogen van de ziel waarover wij als mens ook beschikken: we denken en bedenken en omdat we in dit geval iets ‘bedenkelijk’ vinden, laten we het achterwege. Aan dit wikken en wegen in de ziel heeft de gewaarwordingsziel geen deel; het is het vermogen dat Steiner de verstands- noemt.

 

Die Denkkraft stelle die Seele in eine Gesetzmäβigkeit hinein, der sie als bloβe Empfindungsseele nicht angehört. Die bloβe Empfindungsseele ist daher verschieden von dem entwickelten höheren Seelengliede, welches das Denken in seinen Dienst stellt.
Als Verstandesseele sei diese vom Denken bediente Seele bezeichnet. Man könnte sie auch die Gemütsseele oder das Gemüt nennen. Die Verstandesseele durchdringt die Empfindungsseele.

De kracht van het denken brengt de ziel in een wetmatigheid waar ze als gewaarwordingsziel geen deel aan heeft. Daarom verschilt de gewaarwordingsziel van het ontwikkelde hogere zielengebied omdat het denken dit in zijn dienst stelt. Dit deel van de ziel waarin het denken al een rol begint te spelen, wordt verstandsziel genoemd. Je zou die ool gemoedsziel kunnen noemen of gemoed. De verstandsziel doordringt de gewaarwordingsziel.
GA 9/42
Vertaald/42

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1318

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.