Tagarchief: dier en mens

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

RUDOLF STEINER OVER DIERKUNDE

GA 295  3e voordracht

n.a.v. een verhandeling  van ‘L’ over het paard, zegt Steiner:
(we weten niet wat ‘L’ heeft gezegd)

Bei Tierbeschreibungen wird es nun aber ganz be­sonders wichtig sein, daß wir in jeder Einzelheit besonders ins Auge fassen, daß der Mensch eigentlich das ganze Tierreich ist. Das ausge­breitete Tierreich ist der Mensch. Nicht wahr, solche Ideen kann man den Kindern nicht theoretisch beibringen. Das soll man auch nicht

Bij beschrijvingen van dieren zal het echt heel belangrijk zijn, dat we er in detail de aandacht op vestigen dat de mens eigenlijk het hele dierenrijk is. Alle dieren samen, dat is de mens. Natuurlijk kan men de kinderen zulke ideeën niet theoretisch bijbrengen. Dat moet men ook niet doen.-
GA 295/37
Praktijk van het lesgeven/37

(voor het melancholische kind): Ja, was ich bei diesen Tierbeschreibungen bitten würde, das wäre nur, möglichst darauf Rücksicht zu nehmen, daß das Kind angeleitet wird zur Beobachtung der Tiere, daß in solchen Beschreibungen wirk­liche Naturgeschichte liegen könnte. Daß die Tierbeobachtung als solche gefördert würde.

Ja, wat ik alleen zou willen vragen bij deze beschrijvingen van dieren: probeer er zo veel mogelijk op te letten dat het kind ertoe wordt aangezet om de dieren goed te bekijken, dat er in zulke beschrijvingen werkelijk van biologie sprake zou kunnen zijn.
GA 295/46
Praktijk van het lesgeven/45-46

GA 295  14e voordracht  

blz. 152

Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Agypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kin­dern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter. Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Ver­wandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenom­men. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen. Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden enz. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met  dieren heel ver gevoerd. men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet.* De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen.
*zie ‘Algemene menskunde‘ 12e vdr.
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/140-141

.

Rudolf Steiner over dierkundealle artikelen

Dierkundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

1313
Advertenties

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (20)

.

Mineralen ~, planten -, dierenrijk       

GESTOLDE FASEN IN DE EVOLUTIE

Steen, plant en dier, ze beho­ren tot onze directe omgeving. Tot ieder van de drie hebben we echter een andere ver­houding.
Hoe kunnen we ze zien in ‘de draad’ van de mense­lijke evolutie? Een beschouwing naar aan­leiding van de aanwezigheid van deze drie natuurrijken in de kerststal.

Wanneer tegen Kerstmis allerwegen onder kerstbomen kerststalletjes worden opgesteld, met het Jezuskind in het kribje en Jozef en Maria aan weerszijden, ziet men bijna altijd ook os en ezel.

Lange tijd geleden zag ik veel kerststallen in Bohemen, met veel meer dieren erom heen. Men kreeg de indruk dat het de bedoeling was het hele dierenrijk te vertegenwoordigen. Er waren ook rijkelijk veel planten te zien, terwijl stenen ook nooit ontbraken. Aanvan­kelijk heb ik daar niet bij stil gestaan, doch langzamerhand is het tot mij door gaan drin­gen dat dit op een traditie berust, waarin een vroegere wijsheid zich nog uitspreekt, die wij langzamerhand uit het oog dreigen te verlie­zen. Het Kerstkind wordt geboren en dieren, planten en stenen – de rijken der natuur -staan ‘peet’. Waarom?

Ik meen, dat slechts de onthullingen van Rudolf Steiner hier licht kunnen brengen.
De drie natuurrijken, stenen, planten en dieren, die vóór het verschijnen van de mens op aar­de ontstaan zijn worden gewoonlijk be­schouwd als deel van zijn evolutie, dat wil zeggen dat de mens tenslotte uit het dieren­rijk voortgekomen is. Dit laatste moet men dan weer uit het plantenrijk ontstaan denken en dit ten slotte weer uit het minerale rijk. Het is hier niet de plaats om deze gedachtegang ter discussie te stellen. Hoogstens kun­nen wij zeggen dat 200* jaar intensief weten­schappelijk denken voor het raadsel van de verhouding van de mens tot deze drie rijken, geen bevredigende oplossing heeft gevonden.

Belicht vanuit de antroposofie is de mens nooit een dier, nooit een plant en nooit een mineraal geweest, doch hij heeft het dierenstadium, plantenstadium en minerale stadium doorlopen.
Hier mag niet verzwegen worden dat een moderne onderzoeker, Erich Blechschmidt, onafhankelijk van deze gegevens, tot het inzicht gekomen is dat de mens nooit een dier, doch altijd een mens geweest is. Rudolf Steiner spreekt erover, dat de mens in een eerste stadium, dat het minerale ge­noemd kan worden, slechts een fysiek lichaam geschonken kreeg, dat uit een ‘warmte-vorm’ bestond.
In een volgende fase werd de mens het leven geschonken, terwijl zijn sub­stantie zich ten dele tot ‘lucht’ verdichtte.
In de derde fase werd de mens de ziel geschon­ken en de substantie verdichtte zich verder ten dele tot het ‘vloeistofachtige’.
In de vier­de fase tenslotte werd de mens zijn geest ge­schonken, terwijl de substantie zich ten dele nog verder verdichtte tot ‘aarde’, dat wat wij nu de minerale wereld noemen.
Wat hiernaast vermeld moet worden is, dat van elke fase een gedeelte zich afsplitst wat zich niet verder ontwikkeld heeft, zodat wij een rijk gekregen hebben dat alleen het ‘lichamelijke’ element bevat, een tweede rijk dat lichaam en leven vertoont en een derde rijk dat lichaam, leven en ziel bevat.
Het zal de lezer niet veel moeite kosten, te herken­nen dat wij hier met het mineralenrijk, plan­tenrijk en dierenrijk te doen hebben, waarbij men zich voor ogen moet houden, dat de ge­leidelijke verdichting, die van warmte naar lucht, naar water en naar aarde plaats heeft gevonden en heeft geleid tot het beeld van de rijken zoals zij nu zijn. Men kan begrijpen dat het minerale rijk dus het langste verleden heeft en de mens pas betrekkelijk aan het be­gin van zijn ontwikkeling staat.

Vreugde
Ik zou nu verder drie formules willen uitspre­ken, waarvan ik hoop dat men zal kunnen merken dat zij in een logisch verband met het voorafgaande gedacht kunnen worden en ook de rijken geleidelijk aan in een geheel nieuw licht doen zien.

Het dierenrijk is de belichaming van een over­maat aan begeerte, die voor de mens een be­lemmering geweest zou zijn zijn mensenfa­se te beginnen.
Het plantenrijk is de belicha­ming van een overmaat aan vitaliteit, die voor de mens een belemmering geweest zou zijn in zijn dierenfase te komen.
Het mine­ralenrijk is de belichaming van een verdichting, die de mens belemmerd zou hebben tot de plantenfase te komen. Wij kunnen nu ook zeggen: daardoor is de mens in staat te leven op het mineraal, van de plant, met de dieren, onder de mensen.
Wanneer dit over mineraal, plant, dier en mens gezegd is, moeten wij niet verzuimen te beseffen wat het zeggen wil, ons op de vaste grond te kunnen verheffen, wat een vreugde wij kunnen ondervinden door het ‘kunnen staan’.
De plant daarentegen is de bron van het menselijk leven. Wat een vreugde beleven wij niet aan het plantenrijk.
Op drievoudige wijze kennen wij de plantenzegen, die ik als volgt pleeg aan te geven:
wij hebben mooie planten om naar te kijken, dikke planten om van te eten en onvolledige planten – die nog, wat ‘te zeggen hebben’ – om mee te genezen.
Wat zijn dieren? Wezens die ons dienen, doch ook onze vrienden zijn. Er zijn weinig woorden voor nodig om ons eraan te herin­neren welk een vreugde wij aan dieren kun­nen beleven. Wanneer wij echter tevens den­ken aan de zo-even gegeven definitie, veran­dert dit gevoel vóór alles in een van dank­baarheid.

Wanneer tenslotte over het ‘onder de mensen’ leven ook als een bron van vreugde gespro­ken wordt, hoor ik in gedachten stemmen, die veel kritiek op hun medemens hebben en deze gedachte in twijfel zouden willen trek­ken. Laat men zich echter eens voorstellen wat het betekent, eenzaam te zijn, naast het samen-zijn met onze medemensen. Laten we niet vergeten hoe sterk de liefdeband met an­dere mensen zijn kan.

Verantwoordelijkheid
Men spreekt te veel over het slechte in de mens en vergeet daarbij het goede dat in alle mensen te vinden is, dat wij elk ogenblik van de dag meemaken. Doch wij moeten dan niet in de eerste plaats denken aan de regerings­leiders, de bekende staatslieden. Ik wil geen kwaad van hen zeggen, doch ik zou erop willen wijzen, dat het werkelijk goede ge­zocht moet worden in de kleine dingen, die zich voortdurend om ons heen afspelen, klei­ne attenties, kleine offers, een vriendelijke blik, een helpende hand. Waardoor kunnen wij dankbaar zijn? Door­dat in elk mens iets van dit goede leeft. Het is het zelfde mysterieuze iets in de mens, waardoor hij zijn vrijheid beleeft en zijn ver­antwoordelijkheid voelt, ook wanneer dit niet elk ogenblik aan den dag treedt. Het is er, in elk mens op de wereld. Vroeger was dat niet zo. Mag ik nog een keer in een enke­le formule uitdrukken hoe in vroegere tij­den de mensen met hun leiders, die destijds vaak koningen genoemd werden, leefden?
‘De volkeren hingen aan de koning, de ko­ningen hingen aan de hemel.’ Dit betekent, dat de mensheid tenslotte nog geheel afhan­kelijk was van richtlijnen, die direct vanuit de geestelijke wereld aangegeven werden. Niet alleen in mythologische verhalen, ook het hele Oude Testament getuigt van deze af­hankelijkheid van de mens. De mens was nog niet goed. ‘God was goed.’
Dit veranderde op dat ogenblik, dat datgene wat de mensheid eens van buitenaf geleid had, in de mens ging wonen: toen een godde­lijk wezen de mens volgde in datgene, wat altijd genoemd wordt ‘de zondeval’. Het is zelfs niet moeilijk om wat over het ontstaan van het dierenrijk gezegd is, ook hiermee in verband te brengen.

Offer
Door dit alles heen loopt ‘de draad’ van de menselijke evolutie. Het algemeen herkennen van deze evolutie in de natuur, een paar hon­derd jaar geleden, heeft een golf van enthousiasme in de wetenschappelijke wereld ver­oorzaakt. Wanneer we ons een ogenblik voor de geest halen dat mens-zijn onverbrekelijk verbonden is met ontwikkeling, met evolutie dan moeten we even terugdenken aan de rij­ken, die door hun achterblijven ons het mens-worden mogelijk gemaakt hebben.
Stenen, planten en dieren kunnen zich nooit ontwikkelen. Dit geldt zeker voor die wezens die de rijken geschapen hebben en ze in stand houden. Zij zijn daardoor buitengeslo­ten van de evolutie, doch men moet dit vóói alles zien als een grandioos offer.
Wat tot nu toe gezegd is, leeft in het gedicht van Christian Morgenstern

‘Die Fusswaschung’:

Ich danke dir, du stummer Stein,
und neige mich zu dir hernieder:
Ich schulde dir mein Pflanzensein.

Ich danke euch, ihr Grund und Flor,
und bücke mich zu euch hernieder:
Ihr halft zum Tiere mir empor.

Ich danke euch, Stein, Kraut und Tier,
und beuge mich zu euch hernieder:
Ihr halft mir alle drei zu Mir.

Wir danken dir, du Menschenkind,
und lassen fromm uns vor dir nieder:
weil dadurch, dass du bist, wir sind.

Es dankt aus aller Gottheit Ein-
und aller Gottheit Vielfalt wieder.
In Dank verschlingt sich alles Sein. *

Wat ‘mensenkind’ betekent, is hopelijk tus­sen de regels door uit het voorafgaande dui­delijk geworden. Het is datgene, wat met het woord ‘het goede’ aangeduid is. Dit alles heeft echter zijn gevolgen. De scheppende wezens die met de drie rijken verbonden zijn, kunnen weer opgenomen worden in de stroom der evolutie, wanneer zij daartoe bevrucht worden door hetgeen wat de mens tegenover de rijken doet, dat wil zeggen dat hij ze leert begrijpen, dat hij leert dankbaar te zijn en dat hij op de juiste manier met ze om leert gaan. Wat dit laatste betreft, wil ik hier liever niet in verwijten treden, die ons op de lippen kunnen komen wanneer wij er aan denken wat de mens dieren, planten en mineralen op het ogenblik aandoet. Laten wij terugkeren naar de eerste zinnen, toen gezegd werd dat de rijken ‘peet staan’ bij de geboorte van dat­gene, dat de bron kan worden van hun ‘be­vrijding’.

*Hoe dank ik U, Gij stille steen,
en neig ik nederig mij tot U:
aan U dank ik mijn planten-zijn.

Ik breng U dank, Gij plant en steen
en maak een buiging naar U heen:
het dieren-zijn viel mij ten deel.

Ik dank U, steen en plant en dier,
en buk mij diep voor U terneer:
door U pas kwam ik tot mij zelf.

Wij danken U, Gij mensenkind,
en knielen, liefdevol en vroom:
want door Uw komen zijn wij hier.

Zo dankt het een het ander steeds
en alles telkens weer elkander:
het zijn omvat slechts dankbaarheid.

(Leen Mees, Jonas 8/9, 14-12-1984)

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmisjaartafel

.

393-371

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/5)

.

DIERKUNDE IN DE IVe EN Ve KLASSE

Een artikel uit 1927.

Geen onderwijs, dat zóó vanzelfsprekend de warme belangstel­ling en liefde van het kind heeft, als het dierkunde-onderwijs; waar­mee op de Vrije School in de 4e klasse begonnen wordt, om in de 5e over te gaan tot plantkunde en in de 6e tot de mineralogie.

Van klein kind af heeft het dier hem geboeid, eerst als een wezen, dat hem zóó na staat, dat hij het eigen gedachten en gevoelens toe­schrijft, met wien hij babbelt en speelt als met een kameraadje. De diersprookjes zijn werkelijkheid voor hem, met gretige aandacht volgt hij deze vertelsels, wier oorsprong teruggaat tot in het ver­leden, toen de menschheid kinderlijk en naïef, als onze kleuters, in een totaal andere verhouding stond tot de natuurrijken en bovenal tot de dieren.

Evenals de menschheid de evolutie van sprookje tot fabel door­maakte gaat het de kinderen. Naarmate zij zich ontwikkelen, begin­nen ze oog te krijgen voor het karakteristieke van de verschillende dieren, bewuster en duidelijker gaat hij het dier als deels anders geaard, deels overeenkomstig wezen voelen; zoo naderen zij den tijd, dat ze het dierkunde onderwijs kunnen ontvangen.

Geen systematische indeeling van het dierenrijk in hoofdafdeelingen, klassen, orden en families geven wij het lagere schoolkind. Dat komt pas veel later, tijdens den middelbaren schoolleeftijd, als zijn ontwikkeling zoover gevorderd is, dat hoofdzakelijk aan het verstand geappelleerd moet worden. Hier echter is het 9-jarige kind nog lang niet aan toe, het leeft nog geheel in zijn gevoelsleven, in den stroom van sympathieën en antipathieën.

Als superieur aan het dier is hij zich gaan voelen, en ’t behoort niet tot de uitzonderingen, dat hij hiervan gebruik en misbruik ma­kend, zich in zijn meerdere macht doet gelden.

Wat dus ons uitgangspunt moet zijn: is hem tegenover de ver­schillende natuurrijken te wijzen op zijn plaats als mensch, hem zich-zelven te doen voelen als geestelijk en lichamelijk wezen tegenover en te midden van dier, plant en mineraal.

Wij gaan niet uit van het dierenrijk om op te klimmen tot den mensch en hem deze, als hoogste vertegenwoordiger der dieren te beschrijven, zoodat hij zichzelven als een hooge diersoort leert be­schouwen — neen — we gaan uit van den mensch als hoogste der aardeschepselen, als geestelijk wezen verhevener dan het dier, vrijer dan het dier en ook anders dan het dier. Komend uit geestelijke werel­den, terugkeerend tot geestelijke werelden, zijn oorsprong vindend in tijdperken, die nog veel verder terugreiken, dan die waarin het dier ontstond, is niet de mensch laatste van de dierenrijk, maar eerste der aardeschepselen, tegenover de in ontwikkeling teruggebleven dieren. Heilig is zijn plaats, maar groot aan verplichtingen tevens.

Fier is ’s menschen gestalte. Verticaal de stand van het ranke lijf, dragend het fijne, ronde hoofd, in tegenstelling tot de horizontale romplijn van het dier en den kop, die hangt aan den hals.

Hoog welft de menschelijke schedel in stevige omsluiting de teere hersenen en zintuigen voor letsel behoedend. Edel is de vorm van het menschelijk hoofd, als een weerspiegeling van den hoogen hemel­koepel. Dan volgt het langer gerekte lijf, de zetel van hart en lon­gen, van spijsverteringsorganen. En eindelijk de slanke ledematen, die hooger doel kunnen dienen, dan die van het dier. Want het meest specifiek menschelijke zijn onze handen, die geen wezen heeft als wij, ook een aap niet, bij wien ze meer als een tweede paar voeten, dan als eigenlijke handen dienst doen.

Menschelijke handen kunnen een sociaal doel dienen, dierlijke handen, juister pooten, slechts een egoïst doel.

In het hoofd kunnen nobele gedachten gewekt worden, maar zoolang ze in het hoofd besloten blijven, hebben ze slechts in de ideeënwereld waarde, sociale waarde krijgen ze pas, als de lede­maten gehoor geven aan den wil tot de daad en hunne medewer­king verleenen.

Met het werk zijner handen en het gesproken woord stelt de mensch zich sociaal te midden van zijne medemenschen.

Zoo moet het kind het waarachtig menschelijke leeren onderschei­den, om met dieper eerbied, dan een materialistisch-natuurwetenschappelijke zienswijze mogelijk maakt, zichzelven te midden van het dierenrijk te leeren zien.

En nu het dier!

Doffer in zijn bewustzijnsvormen, sterk gebonden aan eigen
licha­melijkheid, aan oer-instincten, aan lust en onlustgevoelens, vertoont zich het dier.

De primitiefste dieren, nauwelijks van een plant in leefwijze
on­derscheiden, zijn het meest aard-gebonden en vertoonen een zekere overeenkomst met het oudste deel van den mensch n.l. met het hoofd, dat vegeteert op de rest van het lichaam. De eenvoudige ronde vorm, de beperkte bewegingsmogelijkheid, het vegetatieve bestaan, men vindt het alles bij de laagste diersoorten, protozoën, holtedieren en stekelhuidigen terug, zelfs de merkwaardige inktvisch, die al tot de hoofdafdeeling der weekdieren behoort is eigenlijk niet anders dan een groote levende rompachtige kop met 8 of 10 lange pootachtige uitstekende lippen.

Komen wij tot de beschrijving van de overige weekdieren bijv. de slakken, dan vinden we daar een sterk uitgesproken rompvorm. Kop en pooten zijn bitter klein, maar ’t dier is eigenlijk een langgerekt lichaam. Evenzoo de wormen tot zelfs de vischsoorten toe.

Pas bij de hooger gewervelde dieren vindt men krachtig ontwik­kelde ledematen, om bij den mensch daarvan de hoogste volmaking aan te treffen.

Komen wij nu, na deze zeer globale beschouwing tot de bespre­king van de verschillende meer bekende diersoorten, dan is het goed met het negenjarige kind eenige typische vormen meer uitvoerig te bespreken, en van deze bijzondere representanten uitgaande een groote groep van dieren daaromheen te rangschikken.

Gaan wij bijv. uit van de drieheid leeuw, koe(stier), adelaar, reeds eeuwen geleden als symbolen der evangelisten gekozen.

De koninklijke leeuw, het zonnedier bij uitnemendheid. Zijn krachtige ademhaling en bloedsomloop zijn onderling in hooge mate evenwichtig.
Geweldig zijn de weelderige manen,, die als zonnestralen rond den indrukwekkenden kop staan. Zonnekleurig is zijn huid, in de heete zonverzengde streken zijn woonplaats.

Geheel anders de koe, het spijsverteringsdier bij uitnemendheid. Reeds bij de Oud-Indiërs als heilig dier aanbeden, zet de koe het gras in zijn lichaam om tot kostelijk voedzame melk. Niet voor niets is de romp zoo groot en plomp, niet voor niets heeft het dier vier magen en een darmkanaal, dat 22 maal zoo lang is als zijn lichaam. Ongeveer 1/8  van eigen lichaamsgewicht wordt dagelijks door de koe als voedsel verteerd. Dit goedige, phlegmatische dier.

Weer geheel anders is de adelaar. — Een vliegend hoofd zou men hem kunnen noemen. Evenals de mensch met zijn gedachtenleven ’t oneindige wil doorgronden, steeds hooger en hooger vlucht wil nemen zoo verheft de adelaar zich hooger en hooger in de ijle luch­ten. Ver boven ’t bereik van andere dieren op ongenaakbare berg­kammen bouwt hij zijn nest. Eenzaam, fier en zelfbewust is het be­staan van dezen vogel als van den denker.

Geheel overeenkomstig aan zijn groot vliegvermogen is zijn lichaamsbouw. De pooten, schraal, dun en licht van bouw zijn de minder belangrijke ledematen. Op de vleugels komt het bij de vogels aan. Hoe mooi en doelmatig is hun bouw! Hoe stevig de
schouder­gordel met 2 paar sleutelbeenderen. Op den hoogen kam van het borstbeen kunnen sterke vleugelspieren zich vasthechten. De rugge-, lenden- en heiligbeenwervels zijn vergroeid, om het lichaam meer stevigheid te geven. De staart dient als roer. De groote beenderen zijn hol en met lucht gevuld; bovendien heeft de vogel luchtzakken, die met de longen in verbinding staan. De lucht in deze luchtzakken wordt door de lichaamstemperatuur, welke bij een vogel ± 42° C. bedraagt, verwarmd. Omdat warme lucht lichter is dan koude, komt dit het vliegvermogen ten goede.
Iedere vogel draagt dus eigenlijk een warme-lucht-vogel in zich.
Van warme lucht doordrongen, daarin specifiek in zijn element, leeft de vogel zijn luchten-bestaan, vliegend alle aardezwaarte over­winnend.

(T. Gischler  in ‘Ostara”  1e jrg. nr.2, blad van de Haagse vrijeschool, dec. 1927.)

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: dierkunde

 

227-214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.