Tagarchief: individualiteit

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-2)

 

de eerste jaren van een kind

Er wordt weleens gezegd dat de eerste drie levensjaren van een mens het meest bepalend zijn voor zijn hele verdere leven.

En inderdaad – als je ziet wat er in die eerste drie jaren allemaal gebeurt, wat een stormachtige ontwikkeling er plaats vindt vanaf de eerste ademtocht tot het moment dat een kind zijn intrede in de peuterklas kan doen, hoe het in die drie jaren van klein hulpeloos, onbewust dromend popje groeit tot een zich krachtig manifesterend wezentje, dan is het duidelijk dat zoiets maar éénmaal in een mensenleven zo overrompelend gebeurt. even zo overrompelend gebeurt.

Die eerste drie jaren zijn een aaneenschakeling van wonderen en je kunt het gevoel hebben dat het allemaal “vanzelf” gaat, er zijn niet te stuiten krachten aan het werk, waar je als ouder part noch deel aan hebt.

Aan de andere kant ben je als ouder ten nauwste met de hele gang van zaken verbonden. Van dag tot dag, van uur tot uur wordt er een beroep op je gedaan, wordt er in vol vertrouwen van je verwacht dat je alles in het werk zult stellen om die ontwikkeling mogelijk te maken. Moeder-zijn – en in zekere mate ook vader-zijn- is het meest verantwoordelijke en meest wezenlijke beroep dat er bestaat. Merkwaardigerwijze is het tegelijkertijd ongeveer het enige beroep waar geen opleiding voor bestaat en waarvoor geen diploma vereist wordt.

Gelukkig maar – stel je voor dat je alleen met een door de staat erkende akte van bekwaamheid moeder zou mogen worden! Aan de andere kant: nu kom je vaak totaal onvoorbereid voor deze gigantische taak te staan!

Er was een tijd dat de mensen nog meer vanuit een oorspronkelijke verbondenheid met de natuur leefden; ze waren minder knap, maar ze handelden meer instinctief. En het hele leven was natuurlijker en eenvoudiger. Moeders deden toen veel uit intuïtie en dat bleek dan vaak het juiste te zijn.

Nu leven we in zo’n uiterst gecompliceerde en onnatuurlijke maatschappij, dat we bij onze handelingen veel meer moeten nadenken en alles veel bewuster moeten en ook willen doen. Er zal dan ook wel zelden tevoren zoveel aandacht besteed zijn aan het onderwerp “zuigelingenzorg” en opvoeding als juist in deze tijd. Stapels boeken en tijdschriften worden aan dit onderwerp gewijd, consultatiebureaus staan ons ten dienste. Maar waar halen zij hun wijsheid vandaan? Is het altijd wel wijsheid?

Over het algemeen zijn de adviezen gebaseerd op het soort wetenschap, dat zich in de laatste eeuwen heeft ontwikkeld en dat de mens als hoger ontwikkeld dier tot uitgangspunt heeft, evenwel met het accent op ’dier’. De biologie, psychologie, gedragswetenschappen baseren zich op dit mensbeeld: het mensdier.

Maar wat houdt het ‘hogere’ nu eigenlijk in? Hoe openbaart zich dat en hoe zou nu juist dit typisch menselijke opgevangen en verzorgd moeten worden? Dit zijn vragen die bij jonge en aanstaande ouders zeker leven en de antwoorden hierop omvatten alles : zowel zaken als: hoe vaak doe ik de baby in het bad? wat geef ik hem te eten? als: wat voor muziek laat ik mijn kind horen? wat voor verhalen vertel ik?

Door de menswetenschap, die Rudolf Steiner gebracht heeft (antroposofie) is veel inzicht gewonnen in het typisch menselijke en hieruit blijkt, dat de mens tot een heel andere orde hoort dan het dier. Deze inzichten hebben hun uitwerking gevonden op medisch, pedagogisch, voedselkundig, maatschappelijk/cultureel en moreel gebied.

Het mensenkind dat op aarde geboren wordt, brengt zijn eigen unieke persoonlijkheid mee en zoekt in dit aardebestaan naar de omstandigheden, die hem helpen zijn eigen levensopgave te vervullen. De omgeving waarin hij opgroeit, de mensen die hem leiden en begeleiden, spelen daarbij vanzelfsprekend een grote rol. Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de moeder en de vader. En iedere moeder en vader zullen ook niet anders willen dan hun kind zo goed mogelijk te verzorgen.

A.Schukking-Perdijk, Geert Grooteschool, september 1974

Het artikel was de opmaat voor het in het leven roepen van een ‘zuigelingenzorggroep’

De eerste jaren van een kind (1-1)

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

 

920

 

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-1)

 

EEN MENS KOMT OP AARDE

Uitgangspunt voor onze pedagogie is het diepgewortelde besef dat ieder mens een absoluut unieke persoonlijkheid is. Alle invloeden van erfelijkheid en milieu, die zeer zeker hun stempel op de opgroeiende individualiteit zullen drukken, zijn niet meer dan gelaagde jasjes om een geheel eigen kern.
Deze persoonlijkheidskern kan dan later wel eens wat erg diep schuil gaan onder hele ladingen van deze jasjes, maar als je als opvoeder, pedagoog of medemens, goed toeziet, ontdek je toch hoe het eigene erdoorheen straalt. Het is dan onze taak er met al onze krachten naar te zoeken hoe dit eigene bij kind of mens verder kan worden gewekt.
Al tijdens de zwangerschap komt dit individuele zo duidelijk naar voren. Moeders zijn er telkens weer enthousiast over hoe ieder kind zich tijdens de zwangerschap op volkomen eigen wijze kenbaar maakt. De één maant zijn moeder tot rust, de ander geeft wonderkrachten. Kinderen die rustig zijn en kinderen die zoveel trappelen dat het er pijn van doet. Ook wat de aanstaande moeder er innerlijk aan beleeft is telkens weer anders.

En dan de geboorte zelf. Vroeg of laat, snel of langzaam, meer of minder met pijnen gepaard, met of zonder schreeuw, blauw of roze, hoofd of stuit, met of zonder ingreep, gerimpeld of glad, droog of vettig, open of gesloten ogen en ga zo maar door. Allemaal evenzovele gebaren waarmee het kind uitdrukking geeft aan zijn persoonlijkheid. En het gaat al net zo met het drinkgedrag, het slapen, het schreeuwen, het ritme van de ontlasting, enz. enz.

Dan ligt het pasgeboren kind daar in de wieg, met dicht opgetrokken knietjes, de gebogen armpjes bij het hoofd, de knuistjes gebald. Af en toe klinkt een klein murmelgeluidje, een gaap, een zucht. Er heerst vrede. De ademhaling gaat heel onregelmatig, wat hijgerig en weinig diep. Het moet nog leren te ademen. Soms worden de longen even goed volgezogen en stoot een driftige schreeuw de lucht weer fors naar buiten.

De eerste voedingen worden genoten (bij de oude Germanen gold een kind pas als aardeburger nadat het de eerste voeding had genoten). Diep klokt het naar binnen, het kind krult driftig zijn tenen en spant en ontspant al zijn kleine spieren om maar zoveel mogelijk zo snel mogelijk naar binnen te krijgen. Intense, volledige overgave. Als het verzadigd is, ontspant het zich van top tot teen, de mond glijdt af, eindeloze vredigheid. Er glijden hele fijne glimlachtrekjes (nog niet het eigenlijke lachen) over het gezichtje, alsof er engeltjes voorbij zweven op een zachte vleug van wind. De diepste rust in de wieg. Het slaapt. Het is alsof je kijkt naar een vleesgeworden droom, het is er en het is er toch ook niet. Dan heeft het een natte luier of ook weer honger en het feest begint. Geen twijfel mogelijk, geen droom, het is er. Een huilbui zonder tranen, de ene schreeuw is er nog niet uitgeperst of de volgende struikelt er al weer overheen en nog een en nog een, vreemd dat het er niet in stikt. Het geluid resoneert helemaal in het hoofdje met nasale hoge tonen (als van oosterse muziek). En toch ook weer van een eindeloze diepte, duiven die koeren boven je hoofd.

Een wonder temidden van al deze wonderen beleefden we rond de derde dag. De eerste dagen had ik bij onze zoon de indruk dat er wel een heel klein hoopje in de wieg of in mijn armen lag, maar dat de hele kamer tot in alle hoeken vervuld was van zijn bepaald niet geringe wezen. Een machtig, indrukwekkend wezen, dat ik bij de geboorte had ontmoet, toen het zijn allereerste levensmomenten besteedde door ons heel intensief met peilloze zeeën van ogen aan te kijken. Een blik die ik nooit zal vergeten, zozeer sprak die nog van de werelden die zojuist waren verlaten om hier op aarde te komen werken. Een blik uit het voorgeboortelijke èn een blik naar de toekomst, sprekend van zijn diepste levensbesluiten. Na de derde dag was hij uiterlijk gezien natuurlijk nog steeds een klein hoopje mens, maar zijn hele wezen sprak nu tot ons van binnenuit, hij leek enorm gegroeid.

De eerste spanningen, verwonderingen en emoties waren nu voorbij en we gingen nu echt eens goed kijken hoe hij er uit zag en wat hij allemaal deed. Een reusachtig hoofd met een onaanzienlijk lijfje eronder; in het hoofd zelf was deze verhouding weerspiegeld in de enorme welving van voor-, boven- en achterhoofd ten opzichte van het kleine teruggetrokken kinnetje en het kleine mondje met tuitlipjes en zuigblaasje. Eigenlijk één en al hoofd met vaak al heel wakkere ogen die dapper de nieuwe wereld inkeken. De armpjes en beentjes leken een heel eigen leven te leiden, zo schijnbaar doelloos maaiend en trappelend.

Zo’n klein kind is één en al zintuig. Het reageert op het kleinste geluidje, op het geringste lichtstraaltje, maar ook op de fijnste stemmingsnuancen van de volwassenen, met zijn totale organisme. Het is eigenlijk niet te geloven dat het mogelijk is om zó open, met zo’n volledige overgave indrukken van buiten waar te nemen. Dat kunnen wij ons met ons denkende bewustzijn, dat zich kritisch tegenover de dingen op een afstand plaatst (daaraan hebben wij ons zelfbewustzijn immers ontwikkeld), niet neer voorstellen. We kunnen de tegestelling beleven: het pasgeboren kind zonder denkend bewustzijn, maar met een waarnemings- en invoelingsvermogen dat dwars door alle uiterlijkheden, en cultuurvernisjes heen gaat en wij, met (zelf)bewustzijn, die eigenlijk voortdurend botsen tegen en blijven steken op de buitenkant van dingen en mensen.
Als een baby je aankijkt, voel je hoe alle zelfdunk en eigenwaan van je afglijdt. Het is een zegen voor ons, ons even zo helemaal puur te kunnen voelen, zoals we werkelijk zijn. Het kind houdt immers onvoorwaardelijk van ons en het draagt ons een eindeloos vertrouwen tegemoet. We zouden moeten proberen dat vast te houden voor later, dat gebaar van oneindige liefde en vertrouwen; een ware godendrank, waar de opvoeder krachten uit zal kunnen putten in moeilijkere tijden.
Maar het leven, dat uitsluitend lijkt te bestaan uit slapen en drinken, aan- en uitkleden, gaat verder. Het kind komt voor het eerst in de grote kamer. Wat een wereld! Wat is daar veel nieuws te zien. Het hoofdje beweegt bruusk heen en weer als dat van een vogeltje en je ziet de spannende aandacht waarmee alles wordt opgenomen. Het zou bijna vergeten te drinken, maar natuurlijk niet helemaal, want dat blijft voorlopig toch nog wel het allerzaligste. En dan mag hij van de dokter ook al even op de bank blijven liggen, om te “keten”. Lekker trappelen, maaien en geluidjes uitstoten. De slaap wordt er des te diepeer om, om dit alles weer te kunnen verwerken, te verteren. Want werkelijk, al deze zintuigindrukken vormen net zozeer kostelijke, onmisbare voeding als de melk.

De eerste traan! Als een grote kostbare glanzende parel glijdt hij langzaam rollend langs zijn wang. Eerste voorbode van het menselijk vermogen om innerlijk leed te beleven. En de eerste lachjes! Waren het vroeger voorbij zwevende vleugjes, die het mondje als het ware van buitenaf even licht aantipten, nu komt het echt van binnenuit; je ziet het aan de stralende ogen en je hoort het aan de pogingen het met kraaigeluidjes te begeleiden.

Een brede warme stroom van wereldomvattende mildheid komt je uit het kind tegemoet. Je zo zonder enige terughouding te kunnen geven aan je omgeving, dat kan, waar nog geen bewustzijn heerst dat bijna alleen nog maar kan (ver)oordelen.

Zo is het kind onder ons, een geschenk uit de hemel, intens vol van liefde, vertrouwen, onbevangenheid en mildheid, zo schenkt het zichzelf aan ons. Een mens komt op aarde. Het vraagt ons niets en toch stelt het ons de allergewichtigste vragen. Wij moeten leren ze te verstaan.

Maarten Ploeger, Geert Grooteschool Amsterdam, sept.1974

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

919

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (9)

.

MICHAËL

Aarde en mensheid

Bij engelen denken we in de eerste plaats aan hogere wezens, die in hogere werelden verblij­ven. Engelen zijn in de hemel. De hemel is ver weg en een hemel op aarde is een uitzon­dering voor korte tijd, of een toekomstbeeld. Wat stellen we ons eigenlijk voor als we over de engel Michaël spreken? We vieren zijn feest in de herfst en dus heeft hij misschien iets met de herfst te maken? We zien dat in be­paalde eeuwen hele reeksen Michaëlkerken en – kapellen worden gesticht. Bijzonder zijn daarbij de vele Michaëlkapellen, die altijd in een westelijk deel van de kerk op een balkon zijn gebouwd. Toeval? Of hebben bepaalde historische tijdperken meer met Michaël te maken dan andere? Heeft Michaël iets te ma­ken met het westen? En voor alles denken we aan het bekende beeld van Michaël in de strijd met de draak. Wat is die draak en wie is de prinses die bevrijd moet worden door de ridder Joris, die in dienst van Michaël strijdt? Allemaal vragen die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar we kunnen be­ginnen naar een antwoord toe te werken, om inzicht te krijgen in het wezen van Michaël, de aartsengel. Voor menigeen, die nog wel een algemeen goddelijk wezen kan beleven, begint hier een moeilijkheid: er is dus niet slechts één God; bij hem zijn nog andere wezens, die een goddelijk karakter hebben. Bovendien heerst onder die wezens onder­scheid in rang en status. Beginnen we – om een begrip van engelen te krijgen – bij het enige waar een modern mens beginnen kan, bij ons zelf. We zien vaak dat in de levensloop dingen gebeuren die be­langrijke gevolgen voor het verdere leven hebben en waarvan het ‘waarom’ eerst dui­delijk wordt op latere leeftijd. Deze gebeur­tenissen zijn vaak niet bewust gewild, maar passen toch in een lijn of ritme van de ge­hele biografie. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat een vader voor zijn zoon een studie of beroepsopleiding wenst, die eigenlijk hele­maal niet bij hem past, maar die later vrucht­baar of noodzakelijk blijkt te zijn voor zijn wordingsgang. Zo besliste een eenvoudig spoorwegbeambte, dat zijn zoon meer moest worden bij het spoor dan hij zelf bereikt had. Hij maakte het mogelijk dat de zoon voor in­genieur werd opgeleid. Zo ging de jongen eerst naar een middelbare school met wiskunde-opleiding en daarna naar de Techni­sche Hogeschool. Daar ontmoette deze jon­geman – zijn naam was Rudolf Steiner – pro­fessor Schröer, die zijn belangstelling voor Goethe wekte. Hoe zou de antroposofie van­daag in de wereld hebben gestaan, wanneer Rudolf Steiner geen natuurwetenschappelij­ke vorming zou hebben gehad?

Een andere jongeman wordt door aanleg en de aandrang van een muziekleraar naar het beroepsmatige uitoefenen van muziek gedreven. Op de och­tend van de dag, waarop hij voorspelen zal op het conservatorium, valt hij op school uit de ringen en krijgt een hersenschudding, die hem verhindert muziek te maken voor een langere tijd. Zijn latere beroepsleven toont duidelijk aan dat hij geen musicus had moe­ten worden.

Zo kan vrijwel iedereen in zijn leven draden vinden, bijvoorbeeld ook in de ontmoetingen met mensen, die duidelijk doorlopen in de biografie, maar waarvan hij niet kan zeggen, dat hij deze ontmoetingen heeft gewild. Het kan bijvoorbeeld zo zijn, dat iemand zó lang zijn hoofd stoot op bepaalde punten tot hij zijn les heeft geleerd en dan houdt dit soort tegenslagen op. ‘Het is alsof de duvel er mee speelt’. Ja, waarschijnlijk speelt er iemand mee, maar is het de duvel of misschien een genadige geest, die ons helpen wil ons leven op de juiste wijze te vormen?  *

Een zeer bijzonder karakter hebben in dit opzicht de gebeurtenissen rondom geboorte en dood. Wanneer men leert erop te letten welke mensen er in het leven van een wor­dende moeder komen gedurende de tijd van verwachting en leert zien hoe dat samen­hangt met het latere leven van het kind dat geboren wordt, kan men vaak zien dat er achter de schermen een duidelijke ‘leiding’ is. Dit gaat vaak nog enkele jaren door in het leven van het kind. Hoeveel ouders hebben beslissende stappen gedaan onder invloed van mensen en gebeurtenissen die in hun le­ven kwamen door hun kinderen? Wanneer we naar de andere pool zien, komt het vaak voor dat een mens kort voor het sterven nog iets beleven moet dat belangrijk is voor zijn verdere ontwikkeling. Een vrouw wordt kunstmatig met zuurstof in het leven
gehou­den. Waarom eigenlijk? Ze was welvarend en had de gewoonte veel geld te geven voor lief­dadige doeleinden. Op zichzelf iets goeds, maar bij haar was het de basis voor haar zelf­bewustzijn. De echtgenoot ging failliet; het geven van geld was niet meer mogelijk. In de laatste twee jaren van haar leven, terwijl ze kunstmatig met zuurstof in het leven werd gehouden, leerde ze op een andere wijze ge­ven en ze leerde te ontvangen, afhankelijk te moeten zijn, dank-je-wel te moeten zeggen. Was daarvoor dat faillissement nodig? Dat is teveel gezegd, maar het was het middel er­toe. – Een ander had een leven lang alles nauwkeurig geregeld en zelf beslist. Het ster­ven kwam en op het moment dat iedereen het verwachtte en ook hijzelf er voor klaar was (‘zo, nu wil ik heengaan’) gebeurde het niet en het leven hield nog enige tijd stand.

Deze mens leerde dat men niet alles kan re­gelen en beslissen.

Deze dingen bewijzen niets, maar de mens die ervoor wakker is kan de vleugelslag voe­len van een wezen dat men als het hogere zelf kan beleven. Men kan dat ook de engel noemen, omdat het niet identiek is met wat we in ons wakker bewustzijn als onszelf be­leven, alhoewel het er wel mee verwant is. Nog een enkel ander gebied kan hier worden aangeduid. Vaak kunnen we in slapeloze nachten iets beleven, dat een oordeel lijkt te zijn over gedachten en daden van onszelf, die we in het morele dagbewustzijn anders be­oordelen. Wanneer we dat oordeel niet uit de weg gaan, maar er van aangezicht tot aan­gezicht tegenover willen staan, slapen we in en na een korte slaap worden we verfrist weer wakker, alsof we een hele nacht gesla­pen hebben. Zo kun je de aanraking van een engel beleven.

Het Oude Testament vertelt het verhaal van Jakob, die op het punt staat zijn broer, die hem wel iets te verwijten heeft, na eenen­twintig jaren opnieuw te ontmoeten. Hij blijft die nacht aan de grens alleen, gescheiden van gezin en bezit. Hij droomt dat een engel met hem strijdt. Als hij ontwaakt is hij een ander geworden en draagt vanaf dat moment een andere naam. Dat wil zeggen dat hij iets meer diegene is geworden, die hij worden moest.

Zo kun je beleven dat het lot van een mens geleid wordt door een hoger wezen, ook al kunnen tegelijkertijd de meeste van deze be­levenissen ‘verklaard’ worden binnen de zintuigelijk waarneembare wereld. Het één sluit het andere niet uit.

Ook groepen van mensen kennen gemeen­schappelijke ervaringen, die de biografie van zo’n groep bepalen, zelfs in wisselende sa­menstelling. De redactie van Jonas is bijvoor­beeld zo’n groep. Wie tien jaar lang de ont­wikkeling van Jonas mocht volgen, ziet dui­delijk de lijn die de redactie zelf aangeeft in haar ‘Concreet’ van het eerste nummer van de elfde jaargang. Het ‘opstaan van de ware Jonas’ is ‘geen eenvoudige klus’. Nee, dat is het werkelijk niet.
De oudtestamentische Jonas beleefde het dan ook niet als een klus, maar als een werk van hogere machten. Wan­neer de redactie van een klus spreekt, drukt ze daarmee uit dat de leiding, die de oude Jonas beleefde, in onze tijd steeds meer be­geleiding wordt van wat we zelf doen. Veel van wat de redactie als ‘per definitie willend orgaan’ tot stand heeft gebracht is bewust gewild en gekund. Maar hoeveel is er achter de schermen gebeurd bijvoorbeeld in de vorm van mensen die ‘toevallig’ de redactie kwamen versterken (of misschien ook wel eens uit de koers brachten)?
Groepen, volken en staten zijn altijd uit mensen samengesteld. In een kleine groep kan men waarnemen hoe de levensloop van een enkeling de biografie van een groep sterk kan bepalen, maar hoe de groep toch ook zijn eigen lot heeft. Dat wordt met name duidelijk wanneer de enkelingen niet steeds dezelfden zijn. In grotere samenhangen lijkt vaak het lot van de groep, van het volk meer bepalend te zijn voor het lot van de enkeling. Maar wanneer men de biografie van een aan­tal enkelingen ziet, kan men vaak zien hoe de wisselwerking is.
Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in Europa het lot van Joodse mensen bepaald door factoren uit het geheel van de Europese situatie, maar het paste bij alle overeenkomstigheid toch individueel in het leven van iedere Joodse mens anders.
Hetzelfde kan men zeggen van de groepen en mensen die in Duitse of in
Ja­panse kampen gezeten hebben. In de biogra­fie van Janus Korczak, die een stralende en zingende kinderschaar naar de gaskamers voerde, liggen heel andere elementen dan in het afgevoerd worden van vele anderen. Een oude Joodse vrouw, die steeds onrustig was, werd rustig op de ochtend dat ze werd opge­haald. Had ze haar bestemming bereikt?
En toch is er tegelijk het lot van de tijd waar­in men leeft, en het volk waarvan men deel uitmaakt. Grote raadsels doen zich daar aan ons voor. Het Duitse volk werd in twee we­reldoorlogen verslagen. Het staat er economisch beter voor dan de overwinnaars! Het is goed zoiets eens onbevooroordeeld te overdenken. Dan kan men zich tevens afvra­gen of dit volk van Goethe en Schiller (en van de antroposofie) niet nog een heel ande­re taak heeft, die het als geheel helemaal niet ziet. In het niet zien van zijn werkelijke taak zou de economie wel eens een belemmeren­de factor kunnen zijn. Toch zijn in Duits­land de meeste mensen te vinden die Rudolf Steiner hebben onderkend. Hier staan we voor het karakter van een volk, waarvan vele individuen een sterke drang ontwikkelen geestelijke realiteiten te zien, en die ook te willen laten doorwerken in het maatschappe­lijke leven. Maar tevens ontwikkelen zich in dit volk het sterkst de krachten, die alle heil van uiterlijke maatregelen verwachten. Be­ginnen we hier iets te vermoeden van Michaël en de draak?

In elk geval kan ons het volgende duidelijk worden. Zoals er grote verschillen zijn in de biografieën van enkelingen, juist daar waar het gaat om wat men niet zelf bewust gewild heeft, maar waar toch een lijn in zit, zo zijn er eveneens grote verschillen in de biografieën van groepen, volken en opeenvolgende tijd­perken. Je kunt bijvoorbeeld zien dat het vanaf de vijftiende tot de negentiende eeuw van groot belang wordt van wie men afstamt. Het erfelijke koningschap komt op. In de middeleeuwen en in de antieke oudheid speelt dat eigenlijk geen rol. Ook de nationaliteit is in het middeleeuwse Europa niet be­langrijk. Het ‘Heilige Roomse Rijk der Duit­se natie’ was in de eerste plaats Romeins. De keizers werden gekozen. Na de middeleeu­wen valt de nadruk op de nationaliteit. In onze tijd treden heel andere krachten op. Na de blunder van Wilson in 1918 – 1919 om Europa te ordenen naar nationaliteiten, gaat de ontwikkeling gewoon een andere weg. Er ontstaan wereldbeschouwelijke- en belangenblokken, die met de nationaliteit niet veel te maken hebben. Hier werken vooral economische theorieën en maatstaven. Europa wordt geordend naar de maatstaven van uiterlijke bestaansbehoeften en intellectueel uitgedach­te ideologieën die behoren tot de wereld van de draak, die het tere zielenleven van de maagd helemaal verslinden wil. Wat zich
spi­ritueel in de zielen wil ontwikkelen wordt voortdurend bedreigd door de gepantserde machten van economische en politieke noodzakelijkheid.

Maar ook andere krachten worden in onze tijd duidelijk. Uit onbevredigdheid en angst wanneer men vaak alleen de draak nog maar in de verte waarneemt, komt de behoefte naar een spiritueel leven. Dat dit in hoofd­zaak gezocht wordt in stromingen die uit het verleden komen en opgepoetst worden aan­geboden aan zielen die eigenlijk wat anders zoeken, is weer een manoeuvre van de draak die volgens het beeld van de Openbaring van Johannes twee zijden heeft: de verleidende, naar grootheid, glans en macht strevende Diabolos-Lucifer en de verhardende Satan-Ahriman, die op alles een stempel wil druk­ken vóór het mag functioneren. Naast deze behoefte aan het spirituele leven, komt de behoefte mensen te leren kennen. Niet langer is belangrijk wat iemand zegt, maar wie het is die iets zegt. Wie ben jij als mens, zonder je beroep, je afstamming, zon­der je titels? Dit vormt een wonderlijke te­genstelling met de bewondering voor de vele mooie titels van mensen als Bhagwan. Al zulk soort mooie namen zijn eigenlijk titels. Deze zelfde behoefte om als mens de andere mens te ontmoeten, leidt ook tot de vele en verre reizen. Ook hier steekt de draak de kop op in de protserigheid van het steeds verder en steeds duurder, in de verharding van het alleen maar zintuiglijke waarnemen, of in het helemaal niet meer waarnemen door de veel­heid en onbegrijpelijkheid van de indrukken. Maar de impuls zelf is een uiting van een nieuwe tijdgeest: het komt niet meer aan op de natie, maar op de mensheid als geheel en op de enkeling.

Nog een ander kenmerk van onze tijd is de waarde die gehecht wordt aan het eigen oor­deel, de inspraak in de dingen waarin men in­geschakeld is. De voorafgaande eeuwen leef­den uit de autoriteit, eerst die van de kerk, daarna die van de bijbel en weer later die van de wetenschap. Al deze autoriteiten vallen weg, de enkeling wordt op zichzelf teruggestoten. Is hij sterk genoeg om alleen te kun­nen staan of zoekt hij nieuwe autoriteiten in Poona of Dornach? Tot het veertiende jaar heeft een kind autoriteit nodig om later zelf­standig te kunnen zijn. De ene gestalte van de draak heeft bewerkt dat men kinderen au­toriteitsloos ging opvoeden, zodat ze later te zwak waren en autoriteit zochten waar ze zelf moeten oordelen. Daarmee heeft de tweede gestalte van de draak ze in de tang. Maar ook weer hier: de vorming van een zelf­standig Ik, dat zijn eigen autoriteit is, is de ware drang van onze tijdgeest. Een laatste punt: in de middeleeuwen werd de aarde zo gebruikt, dat er een
vanzelfspre­kend evenwicht was. In dezelfde tijd waarin het nationalisme hoogtij gaat vieren, begint steeds sterker de uitbuiting van de aarde. Steeds sterker wordt nu de roep om bescher­ming van het milieu. Ook dat is een kant van de eigen verantwoordelijkheid van de enke­ling. Deze verantwoordelijkheid kan alleen worden uitgeoefend in gemeenschap met an­deren. Deze gemeenschappen zijn enerzijds regionaal, anderzijds naar alle kanten toe grensoverschrijdend. Alleen mensheidsbewustzijn kan hier helpen. Maar niet alleen dat: de enkeling moet bereid zijn offers te brengen. De draak van de techniek maakt ons duidelijk dat zoiets niet eenvoudig is. Valse bescheidenheid zegt: wat ik doe is zo weinig in het geheel, dat het geen rol speelt. Vals ontzag voor de draak zegt: we kunnen de klok niet terugdraaien. En beide hebben nog gelijk ook. Mogelijk is echter individuele inspanning voor gezamenlijk werk; het zien van de eigen bescheiden plaats in het ge­heel en het innemen en vullen ervan. Dit alles is herfststemming: de bloei is voor­bij, een slechte zomer gaf ons vele rotte cul­tuurvruchten. Menselijke krachten zijn nodig. De mens is het enige wezen dat uit slechte vruchten nog een toekomst kan vormen door inventiviteit, geloof in innerlijke kracht en innerlijk licht. Het westen is de richting van de ondergang, van de zon, van de verharding in taal en techniek. Het is ook de richting van het zelfbewustzijn van eigen kunnen. Om dit eigen kunnen in de juiste wijze te ge­bruiken voor de geestelijke groei van de mensheid, hebben we inzicht nodig in ontwikkeling van aarde en mensheid, en goe­de wil om in vrijheid dit inzicht in daden om te zetten.

Dat is onze ware tijdgeest. Die kan men Michaël noemen. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw beleefde men hem in beelden, sagen en legenden.

In onze tijd wil hij in ons denken en willen worden opgenomen.

(Jacobus Knijpenga, Jonas, nr.2, 19-09-1980)

.

* wanneer je op zulke verschijnselen let, zul je ze vaak genoeg aantreffen in wat mensen uit hun leven vertellen.
Zo oud-huisarts Hans Moolenburgh: (91)
December 1944 omsingelden de Duitsers Haarlem en pakten tijdens die zogeheten Sinterklaasrazzia honderden jongens en mannen op. Terwijl de Duitsers bij ons op de voordeur bonsden, ontsnapte ik samen met een vriend via de achterdeur. We renden op blote voeten het besneeuwde Naaldenveld in. Ik nam toen ineens een gekke slingerweg. Ik had het idee dat ik werd geleid, alsof ik niet zelf rende. Door die slingerweg ontweken we exact de Duitse wachtposten, bleek later. Een wonder. Ik heb daarna altijd het gevoel gehad dat ik leefde in geleende tijd. Ik moest wat van mijn leven maken. Ik was niet voor niets gespaard.”

“Op 31 augustus 1981 hoorde ik midden in de nacht een stem, die me vertelde: ‘Jij gaat vanaf nu iedere patiënt in je praktijk vragen of die ooit een engel heeft gezien.’ Ik vond het een vreemd voorstel, maar vertrouwde die stem en vroeg de eerstvolgende patiënt die ochtend of zij ooit een engel had gezien. ‘Zeker dokter, gisteren op tv’. Dat was natuurlijk niet wat ik bedoelde. Nadat ik die vraag aan vierhonderd patiënten had gesteld, had ik genoeg stof voor mijn boek ‘Engelen als beschermers en als helpers der mensheid’. Dat boek en ook het vervolg ‘Een engel op je pad’ werden onverwacht internationale bestsellers. Die boeken hebben mij zo veel gebracht. Niet alleen kennis over engelen, maar ook bijzonder veel contacten en correspondentie met mensen van over de hele wereld. Ik ben daardoor zelfs mijn haat tegen Duitsers kwijtgeraakt, omdat ik in die tijd Duitsers ontmoette die mij vertelden hoezeer zij zelf geleden hadden tijdens de oorlog.”
(Trouw, Tijd 27-08-2106)

Michaël: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Michaël       jaartafel

.

255-240

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (2)

.

VAN AANSCHOUWEN TOT INNERLIJK BELEVEN

Als men kijkt naar de manier waarop de fees­ten van het christelijk jaar worden gevierd, kan men in de eerste plaats constateren dat ze als ‘christelijke’ feesten door heel weinig mensen worden beleefd. De meerderheid be­leeft primair de vrije dagen. Maar er is bo­vendien in dit beleven een duidelijke lijn te zien die als het ware afloopt van Kerstmis tot Pinksteren. Het kerstfeest spreekt zeer veel mensen aan in het gemoed: een zekere ver­broedering, aardig voor elkaar zijn. Het beeld van het kind in de kribbe spreekt nog sterk menselijk aan.

Dit menselijk aangesproken worden vinden we dan wat spaarzamer terug in de lijdenstijd. Velen, die zich nauwelijks of helemaal niet als christenen beleven, bezoeken beslist een uitvoering van de Mattheüspassion. Of de emoties daar alleen maar muzikaal zijn? Het paasfeest is een feest van de levenshernieuwing in de natuur. De moderne mens weet met ‘opstanding’ geen raad. Men leze daarvoor nog eens de ingezonden brief van Mr. Van Leeuwen in het vorige nummer na. Uit deze brief blijkt dat Mr. Van Leeuwen zich nauwelijks meer interesseert voor het ei­genlijke gebeuren, maar meer voor wat de mensen eraan beleven. Nu is dat een zeer ge­rechtvaardigde instelling. Wat helpt ons alles wat er eventueel is gebeurd, wanneer we er zelf niets aan beleven? Het gaat tenslotte toch om de mens en ik kan mijn voedsel heel goed genieten zonder te weten hoe het is samengesteld. Maar juist dit beeld van het voedsel kan ook duidelijk maken waarom het belangrijk is te weten wat er gebeurt. Onze smaak is namelijk zodanig bedorven dat we gedenatureerd wittebrood lekkerder vinden dan een goed volkorenbrood. En dan kan het weten omtrent de samenstelling van het brood me wel helpen om mijn smaak weer gezond te maken. Juist als we zien dat hetgeen de mens zelf beleeft en doormaakt het belangrijkste is, is het een merkwaardig fenomeen dat het pinksterfeest nauwelijks meer wordt beleefd.
Pinksteren immers is het feest van de mense­lijke individualiteit en het gaat ons toch juist om deze individualiteit. De moderne mens wil heel graag de individu­aliteit beleven en verwerkelijken. Maar daar komt de broodvraag, de vraag naar de kwa­liteit. Wordt de individualiteit beleefd en ver­werkelijkt als bijvoorbeeld de vervulling van persoonlijke wensen of machtsbehoefte? Is verwerkelijking van de mens een aangelegen­heid van wat we bereikt hebben in het maat­schappelijke leven aan zichtbare resultaten, aan erkenning ook? Een duidelijk voorbeeld: wanneer de antroposofische geneeskunst door de universiteiten wordt erkend en wan­neer vele mensen een antroposofische arts bezoeken, zijn daarmee de wezenlijke inten­ties van Rudolf Steiner verwerkelijkt? Hetzelfde kan men voor de vrijescholen vragen. Hebben zichtbare resultaten en erkenning iets te maken met het wezen van een zaak? Hebben ze voor een mens te maken met de werkelijke ontwikkeling van zijn indiviualiteit? Ze kunnen er een rol in spelen maar zo­wel negatief als positief. Ze kunnen een ge­vaar zijn.
‘Als de wereld u haat, haat ze u omdat ge bij mij behoort. Als ge bij de we­reld zoudt behoren, zou de wereld liefheb­ben wat bij haar behoort’ (Joh 15:18-20).

Succes hangt vaak samen met aanpassing. Oudere generaties noemden dat ‘der wereld gelijkvormig worden’. Wie zich met ‘deze we­reld’ verbindt, zal met deze wereld ten onder gaan.

Is dit wereldvreemd? Is het ascetisme, secta­risme?

Misschien kan een beschouwing van wat er met Pinksteren aan het begin van onze jaar­telling gebeurde ons helpen hier gezichtspun­ten te vinden. Daarvoor willen we eerst te­rugkeren naar Pasen en dat biedt dan tevens de mogelijkheid enkele punten, die Van Leeuwen aanraakt nader te belichten.

De leerlingen van de Christus moesten heel langzaam wennen aan de nieuwe situatie, die was ontstaan door de opstanding. Hun voor­bereiding had daaruit bestaan dat ze drie ja­ren lang steeds sterker hadden beleefd wie hun meester eigenlijk was. Een enkele keer brak dat bewustzijn door. Men kan hier den­ken aan Petrus, die op een vraag antwoordt: ‘gij zijt de Christus’, maar die onmiddellijk daarop dan helemaal niet begrijpt dat de Christus lijden moet. Zijn voorstelling van de Messias is er meer een van een heerser. Later worden Petrus, Jacobus en Johannes voor een heel korte tijd geconfronteerd met de Christus als lichtgestalte in de zogenaamde verheerlijking op de Berg. Dit is reeds ver­want met de herrezene en laat zien hoe het lichaam van de herrijzenis werd voorbereid tijdens het aardeleven. Het is als het ware on­zichtbaar aanwezig in het stoffelijke lichaam. Zo had er ook voorbereiding plaats gevonden door de vele gesprekken waarbij dan op de wezenlijke momenten wordt gezegd dat de leerlingen het niet begrepen. Daarom konden ze ook niet onder het kruis staan. Dat kon slechts één, namelijk Johannes, degene aan wie Jezus zijn liefde bewees. Deze ene, die rijper was dan de anderen, was als het ware de toegangspoort voor het begrijpen bij de anderen. Hoewel ze dus voorbereid waren hadden ze de voorbereiding niet bewust ver­werkt. Vandaar hun ontsteltenis en aarzeling na de opstanding. Misschien kunnen we ver­gelijkenderwijs er iets van begrijpen als we ons ermee bezig houden hoe het leven na de dood zal zijn. We kunnen daarover lezen, er­over denken, misschien een kleine ervaring hebben. Maar zullen we daarom na de dood direct weten in welke wereld we ons bewe­gen? Ik vrees van niet. Dit kan misschien hel­pen om de gemoedstoestand van de leerlin­gen te begrijpen.

Ze moesten nu leren een toestand te begrij­pen, die tot dan toe op aarde nog nooit
aan­wezig was geweest, alleen in oude mysteriën symbolisch was aangeduid. Wie de verhalen na de opstanding onbevangen tracht te lezen kan zien hoe er een zekere groei in het bele­ven is.

Wanneer men zich min of meer kan verbin­den met de voorstelling van een onstoffelijk lichaam, dat wel de vorm heeft van een stof­felijk lichaam en in deze uitzonderingstoe­stand zichtbaar werd voor bepaalde mensen, kan men verder gaan naar de Hemelvaart. Na veertig dagen lost de vorm zich op in de wolken. Wolken hebben een steeds wisselen­de vorm. We hebben hier weer met een my­thologisch beeld te doen, dat wil zeggen met een beeld dat een werkelijkheid uitdrukt, die eigenlijk niet uit te drukken is. Toch kan men zich in de beweeglijke vormen van de wolken en in hun functie van een mantel om de aarde heen zo trachten in te leven, dat men een verhouding kan krijgen tot het mys­terie van de Hemelvaart. Dit kan nog des te meer als men tracht zich voor te stellen hoe het water, de drager van alle leven, voortdu­rend in beweging is tussen aarde en de wol­ken, de wolken en de sfeer daarboven en dan weer terug. Een eeuwig heen en weer staat ons dan voor ogen: ‘zo als ge Hem hebt zien heengaan, zult ge Hem ook zien wederkeren’. De Christus wordt met de Hemelvaart de Heer van de hemelkrachten op aarde. Dat is dan niet alleen in natuurlijke zin zo maar ook in een meer innerlijke zin, omdat sinds de opstanding alle gebeurtenissen met het doorchristelijkte lichaam van Jezus tegelijk gebeurtenissen zijn met de aarde en met de ziel van de mens.

Op het eerste heeft in dit artikel tot nu toe de nadruk gelegen. De verbinding met de zie­len van de mensen ontstaat ten dele daaruit, voorzover we met onze zielen deel hebben aan het leven van ons lichaam en daardoor aan het leven van de aarde waarmee ons li­chaam samenhangt. Maar er komt nu iets bij. Door zijn daad schept de Christus een nieu­we verbinding tussen hemel en aarde. De geestelijk-goddelijke werelden waren voor de mensheid verloren gegaan en konden alleen nog in moeizame inwijdingsarbeid worden beleefd of als traditioneel geloof. De Chris­tus had goddelijkheid teruggebracht in de aarde en de aardemensen. Zijn terugkeer tot de hemelen is niet een verlaten van de aarde. Hij laat zijn wezen daar achter, in de stoffe­lijkheid die doorchristelijkt was. Dit stoffe­lijk lichaam was door de Christus met geest doordrongen en werkte in de aarde-materie verder, zoals een ferment in hele kleine hoe­veelheden materie kan doordringen. Verder in het sacrament van de heilige maaltijd en tenslotte in de doordringing van de levens­sfeer van de aarde die in de wolken wordt aangeduid. De mens, die zich hiermee inner­lijk verbindt, die ‘gelooft’, kan nu ook een eigen verbinding door de Christuskracht be­leven met de hemelen. Daarmee wordt ook de werking van de geestelijke hemelkrachten weer mogelijk in de aarde en in de mensen­zielen. De hemelkrachten in de mensenzielen zijn die van ons lot, van onze bestemming, ons karma. Christus wordt door Rudolf Steiner de Heer van het karma genoemd. Veertig dagen duurt het proces tussen opstan­ding en Hemelvaart. In de kwalitatieve getal­lenreeks is veertig de tijd waarin een kiem tot geboorte komt. Veertig weken is de zwangerschapstijd van de mens. Veertig maanden is de tijd tussen de doop in de Jordaan en de opstanding. Veertig jaren hadden de joodse stammen nodig om na Egypte tot een volk samen te groeien. De oude traditie spreekt over veertig eeuwen tussen schepping en geboorte van Jezus. Met de Hemelvaart wordt voor de kosmos geboren, dat wil zeg­gen zelfstandig levend, wat met Pasen als kiem werd gelegd. De lichtlichamelijkheid wordt mogelijk voor de gehele stoffelijke we­reld.
Tien dagen duurt het dan nog tot aan het Pinksterfeest. Tien dagen van stille afzonde­ring op de plaats waar de leerlingen het avondmaal hadden beleefd met hun Meester en waarin hen voor het eerst iets was duide­lijk geworden van het feit dat werking van de Christus zich verder uitstrekte dan tot in het lichaam van Jezus.

In deze tien dagen groeide in hun zielen het bewustzijn van wat er gebeurd was en zij za­gen dat in een groots perspectief. Daarom kan Petrus op de pinkstermorgen hun bele­ven plaatsen in de samenhang van de geschie­denis van het joodse volk. Tien is kwalitatief het aardegetal. Onze wil oefenen wij uit met onze ledematen waaraan tien vingers en tien tenen zitten. Aardse economie kan alleen maar werken met een tientallig stelsel. Met Pinksteren komt het gehele gebeuren terecht in de wil van de aardemens en niet alleen in zijn bewustzijn. Bovendien is het zeven maal zeven weken na de opstanding. Zeven is het ritme van de tijd die nodig is om van de ene ontwikkeling naar de andere te komen. Men denke hier aan de betekenis van het zevenja­rig ritme in het mensenleven en ook aan de zeven dagen van de week. Van zondag tot zondag kunnen wij nieuwe impulsen pakken, nieuwe ideeën vormen. Op al deze ritmen kan hier niet worden ingegaan. Daarvoor is de desbetreffende litteratuur van Wilhelm Hoerner en Walther Bühler 1). Maar het is duidelijk dat het hier om een ontwikkeling gaat, die een zielenontwikkeling is waarvoor tijd nodig is.

Wanneer we de verschijnselen bezien die het Pinksterfeest brengt, gaat het in hoofdzaak om drie dingen: de hevige wind, het spreken in klanken en de vlammen boven hun hoof­den.

Was er bij de Hemelvaart sprake van het water- ­en luchtelement in de wolken, bij Pasen van het aarde- en lichtelement (en ook van lucht, voorzover de herrezene spreekt), hier gaat het om lucht- en vuurwerking. Het aarde-element is verdwenen ook in de gestal­te van het water. Lucht en vuur zijn de ele­menten, die met ziel en geest te maken heb­ben. Hierin uit zich de verinnerlijking van het gehele gebeuren. Het Griekse woord, dat gebruikt wordt voor wind, ‘pnoè’ is verwant met ‘pneuma’ = geest. Het woord, dat gespro­ken wordt, is een geest-gedragen woord, dat ver uitgaat boven de eigen mogelijkheden van Petrus. De vlammen zweven boven hun hoofden en zijn nog niet ingedaald. Maar het zijn wel individuele vlammen. Wanneer we ons in deze beelden proberen te verdiepen, treedt duidelijk naar voren dat er iets objectiefs werkzaam is. Dat objectieve wordt ook uitgesproken, het is de werking van de herrezen Christus, die nu door de apostelen verder werken wil. Het is nog een werking die sterk van buitenaf komt maar zich toch in het eigen woord verwezenlijkt. Er wordt een taal gesproken, die in het Grieks ‘lallein’ genoemd wordt. We zijn niet ver van de betekenis als we dit door ‘lallen’ vertalen, voorzover het een spreken betreft uitsluitend in klanken. Lallen is een spreken in klanken, oerklanken, die verstaan konden worden buiten het intellectuele begrijpen om. Het is weer Paulus die hier, evenals bij het begrij­pen van de opstanding, vooropgaat als ‘een te vroeg geborene’ (zoals hij het zelf uit­drukt). Paulus zegt dat hij dit lallen ook kan maar dat hij liever enkele woorden zo spreekt dat ze begripsmatig verstaanbaar zijn dan dat hij veel zou zeggen ‘in tongen’. Paulus geeft hiermee aan dat het mysterie, waar het om gaat zich steeds verder verbinden wil met het wakkere denken van de mens. Dat is niet hetzelfde als intellectueel denken. Het is een denken dat zich verbindt met een waarne­mingsvermogen voor het bovenzintuiglijke, zoals het zich in de zintuigelijke wereld openbaart; het is een waarnemen van de idee in de werkelijkheid.

Dit waarnemen van de idee in de werkelijk­heid gebeurt in het sacrament. Het eigenaar­dige van het sacrament is, dat het leidt van een nog tamelijk dromerig waarnemen tot een steeds grotere wakkerheid, het leidt van het oorspronkelijke pinksterbeleven tot dat wat het in onze tijd worden kan. Wat het worden wil, is dat mensen in zichzelf de kracht ontwikkelen het Christus-mysterie te begrijpen. Begrijpen is niet alleen gedachtenwerk. Het is ook be-‘grijpen’. Daarmee komt een wilselement in ons denken, dat wil zeg­gen er ontstaat een begin van de ontwikke­ling van de bewustzijnsziel. Niet alleen in het sacrament is dit mogelijk, het sacrament is een hulp. Het kan ook gebeuren door een zuivere kennisweg, waar het denken zichzelf zo versterkt dat het zichzelf waarneemt. Hierover uitwijden is in dit artikel niet moge­lijk. 2)

 Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’20 29 mei 1981

1)  W. Bühler. leder jaar is anders – Ultg. Christofoor.
W. Hoerner. Zeit und Rhytmus – Uitg. Urach-haus.
R. Frieling – W. Hoerner. Zondag – de eerste dag – Uitg. Christofoor.

2)  R. Steiner – Filosofie der vrijheidFilosofie der vrijheid – uitg. Christofoor
R. Steiner – Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden – Uitg. Christofoor

 

Pinksteren: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

149-142

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

.