Tagarchief: ritme

VRIJESCHOOL – Ritme (3-27)

.
G. Schmidt (arts), Weleda Berichten

 

WAARVAN HET HART ZICH NAUWELIJKS bEWUST IS

Ritme als grondslag van de menselijke gezondheid

Uit het 24-uur ritme, dat tegenwoordig reeds zeer grondig doorvorst is, blijkt, dat het menselijke organisme deze regelmaat tot in de kleinste bijzonderheden volgt. Er zijn meer dan 30 functies bekend die alle op dezelfde manier volgens het dagritme verlopen. Niet alleen de lichaamstemperatuur, de bloeddruk, de bloedvorming volgen dit ritme, maar ook de zo belangrijke organen als de lever en de nieren worden door dit ritme beheerst. Reeds daardoor alleen mogen we de gevolgtrekking maken, dat de gezondheid van de mens in dit opzicht een vraag is van het ritme.

Laten we als voorbeeld het ritme van de lever nemen. Dit werd voor het eerst beschreven door de Zweedse onderzoeker Forsgren. Hij ontdekte, dat de  galvorming in de lever om drie uur ’s middags zijn maximum en om drie uur ’s nachts zijn minimum bereikt. Wat betekent dit voor onze gezondheid? Zoals bekend hebben we de gal nodig voor het verteren van het vet. Wanneer we nu tussen 12 en 13 uur het middagmaal gebruiken, dan komt het vet uit het voedsel na ca. 2 uur in de dunne darm, waar de vertering met behulp van de gal plaatsvindt. Wanneer we echter ’s avonds laat een vetrijk maal tot ons nemen, of wanneer we zwaar verteerbare vetten gebruiken, dan wordt onze lever overbelast. Dat zal ook het geval zijn wanneer we onritmisch eten, onregelmatig, de ene keer vroeg, de ander keer laat. Dan bemoeilijken we ook weer het werk van de lever en tegelijkertijd van het hele spijsverteringsorganisme.

De milt is belangrijk voor de stofwisseling

Er grijpt echter nog een ander, niet altijd voldoende opgemerkt orgaan, in deze ritmiseringsprocessen in. Rudolf Steiner maakte reeds in 1911 erop attent, dat de milt een belangrijke regulator van onze stofwisseling is. Door de totale voedselopname, die tegenwoordig vaak zo willekeurig en onregelmatig plaatsvindt, waarbij ook het drinken, alsmede het snoepen op elk moment van de dag behoort, wordt de functie van dit orgaan ondermijnd. De milt moet er echter voor zorgen, dat dit onritmische gebeuren in zoverre in evenwicht gebracht en geharmoniseerd wordt als dat voor de opname van de voedselstroom in de streng ritmische regelmaat van de inwendige organen noodzakelijk is. Wat de oude Arabische artsen met de woorden „men eet zich ziek en verteert zich gezond” karakteriseerden, heeft vooral ook betrekking op de functie van de milt. Want de onritmische opname van het voedsel maakt de mens ziek en ondermijnt zijn gezondheid. En de milt, die evenals de lever zo overbelast is, wordt langzaamaan verlamd in zijn vermogen om de mens gezond te maken. Daarom is een ontlasting van de miltfunctie niet alleen door het handhaven van een geregeld eetritme, maar ook het verdelen van de voedselopname over verschillende kleine maaltijden in de loop van de dag vaak nodig. Dat betekent voor de milt, zoals Rudolf Steiner eens opmerkte een „inwendige massage”, die zijn regulerende functie weer opwekt.

Van hier uit bezien, doemen er nog verdere gezichtspunten op. We zullen erop moeten letten, dat het voedsel zélf door de wijze van produceren in de ritmische processen die wij hierboven bekeken hebben, ingeschakeld blijft. Daarmee moeten we al bij het verbouwen beginnen. Vooral de planten zijn het resultaat van een ritmische wisselwerking tussen aarde en kosmos. Deze wordt echter vaak reeds door de methodes van het verbouwen nadelig beïnvloed. Niet alleen de dwang, waaraan de plant bij het opnemen van snel oplosbare minerale mest wordt blootgesteld, maar ook het rijpen buiten het jaarverloop, het niet in acht nemen van kosmische ritmen bij het uitzaaien, het uitplanten en oogsten ondermijnt de kwaliteit van het voedsel. Rudolf Steiner heeft dit „minderwaardig worden” van de land- en tuinbouwproducten op niet mis te verstane wijze in samenhang gezien met dergelijke gebreken in het verbouwen van de planten.

Maar hij heeft ook een weg gewezen, hoe de planten weer gezond kunnen worden en in plaats van dat men „zich bedriegt met iets groots en opgeblazens” weer planten „met werkelijke voedingswaarde” heeft [1] De biologisch-dynamische landbouwmethode streeft naar een dergelijke kwaliteit van de voeding, de z.g. Demeterkwaliteit. Dat is vanzelfsprekend even belangrijk voor het verbouwen van geneesplanten. We mogen echter niet over ’t hoofd zien, dat door onrijp te oogsten, door moderne conserveringsmiddelen, hetzij door chemische toevoegingen of door diepvriezen veel aan voedingskwaliteit wordt ingeboet. Ook hier heeft men te maken met methodes van behandeling, die op een bepaalde manier vreemd zijn aan het ritme. Dergelijke factoren kunnen in hun diep ingrijpende betekenis voor de menselijke gezondheid ook nog door verdergaande inzichten onderkend worden. Niet alleen de ritmische voedselopname, maar ook het genot van ongeschikt, d.w.z. kwalitatief minderwaardig voedsel, alsmede veel te grote hoeveelheden betekenen voor de regulerende functie van de milt een verzwakking. Omgekeerd echter leidt een ritmische voedselopname tot een verbetering van het instinct van de mens, die bv. „een gemakkelijker vinden van het voor hem geschikte voedingsmiddel mogelijk maakt.[2]
En daarmee is gewezen op het grote probleem van de moderne voeding. Want de voeding wordt steeds meer oorzaak van ziekten. En het feit, dat men tegenwoordig moet spreken over „ziekten die van de voeding afhankelijk zijn”, die steeds meer toenemen (leverziekten, hart- en circulatiestoringen, suikerziekte enz.) laat duidelijk zien, van hoe groot gewicht deze factor al is geworden. In dit verband is het van belang te wijzen op de steeds onontbeerlijker wordende hulpmiddelen bij de voeding en spijsvertering, die in de vorm van Cassis-, Sleedoorn-, Duindoornen Berken Elixer ter beschikking staan.[3]

Ten slotte moet men bij het wijzen op het ritme als basis van de gezondheid nog een andere pool van de mens in het oog vatten, die een even groot gevaar in zich draagt, nl. het zenuw-zintuigstelsel. Wat tegenwoordig door het gehaaste, nerveuze leven, door de volkomen onritmische, chaotisch wisselende zintuigelijke indrukken, door het geraas van motoren dag en nacht op de mens afstormt, werkt eveneens vernietigend op het innerlijke ritme van de mens. Daarom is het niet alleen een eis van onze tijd, een bewuste hygiëne van de voeding en de diëtiek na te streven, maar eveneens een hygiëne van de hele wijze van leven, ook in geestelijk opzicht. Want wie beleeft er nog iets van echte ochtendstemming, zoals Eichendorff die heeft bezongen:

„Ich fühle mich recht wie neu geschaffen,
Wo ist die Sorge nun und Not?”

Ik voel me echt als opnieuw geboren
Waar is de zorg en de ellende?

of zijn avondlied:

„Schweigt der Menschen laute Lust:
Rauscht die Erde wie in Traumen
wunderbar mit allen Baumen,
was dem Herzen kaum bewusst”? ….

Als de mens stop met lawaai maken
ruist de aarde als in een droom
zo wonderbaarlijk met alle bomen
daar was het hart zich nauwelijks van bewust….
(vrij vertaald phaw)

Dat is geen voorbije romantiek. Het is een taal, die het menselijke innerlijk zich uit eigen krachten weer zou moeten verwerven. Een zwijgen, dat levenwekkend en tevens rustgevend een nieuwe harmonie met de ritmen in de natuur en de kosmos opwekt en dat het ritme als bron van de menselijke gezondheid opnieuw ontsluit. De mens van nu moet leren, zich uit een vrij inzicht en uit innerlijke activiteit te wenden naar de ritmische ordening van de wereld.

De volgende woorden van Rudolf Steiner kunnen hierbij voor hem een richtlijn zijn:

‘De ware vooruitgang en het heil van de mens bestaat niet daarin, dat hij tot het oude ritme terugkeert…. Maar het wezenlijke is ook, dat de mens tegenwoordig niet zou moeten menen, dat hij zonder ritme zou kunnen leven. Zoals hij zich van buitenaf heeft verinnerlijkt, moet hij zich van binnenuit weer ritmisch opbouwen. [4] Dat is het waarop het aankomt: Ritme moet het innerlijk doortrekken.’

[1] Landbouwcursus
[2] Geesteswetenschap en geneeskunde
[3] Het moge zo zijn dat dit hulpmiddelen zijn, maar er zit veel suiker in. Dat verschilt per product.
[4] De praktische ontwikkeling van het denken

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2574

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertentie

VRIJESCHOOL – Ritme (3-25)

.

Manfred Weckenmann, arts*, Weledaberichten nr. 153, maart 1991
.

HET RITME VAN DE MENSELIJKE UITSCHEIDINGSPROCESSEN
.

Alle processen in de mens – en dit geldt in de gehele levende natuur- verlopen met een ritmisch geordende intensiteit. Zo is het niet verwonderlijk dat ook in de processen van de menselijke stofwisselingsorganisatie ritmische processen een belangrijke rol spelen. In de volgende bijdrage onderzoekt Manfred Weckenmann, arts, de betekenis van het ritme voor de menselijke uitscheidingsfuncties.

Het is wellicht menigeen al opgevallen dat hij overdag vaker moet plassen en minder zweet dan ’s avonds en ’s nachts. Zulke waarnemingen geven aanleiding tot de idee dat uitscheiding periodiek plaatsvindt.
De wetenschap heeft, met name in de laatste dertig jaar [artikel uit 1991] laten zien dat niet alleen uitscheiding maar alle biologische en psychologische processen ritmisch verlopen. (Chronobiologie; Kronos = God van de periodieke tijdsindeling).

Laten wij met betrekking tot ons onderwerp eerst duidelijk maken wat men in biologische zin onder uitscheidingsprocessen verstaat en wat onder ritme.

Wat is uitscheiding? 

Etymologisch betekent “uit” (indogermaans: ud) “ergens op, ergens vandaan” en “scheiden” (indogermaans: skei) “snijden, splitsen”. Het Latijnse woord voor uitscheiding is excretie naar het woord excrescere “eruit-, tevoorschijn-, in de hoogte groeien”.
Uitscheiding is dus een actief proces, dat boven het organisme uitgroeit en het onherroepelijk verlaat. In deze betekenis gelden als uitscheiding onder andere: stoelgang, urine, kooldioxide (uitademing), nagels, haar, huidschilfers, talg, zweet, warmte (uitademing, huid), sperma, menstruatiebloed, tranen en moedermelk.

Wat zijn biologische ritmen?

De levensverschijnselen veranderen voortdurend. De wetmatigheden die aan deze veranderingen ten grondslag liggen zijn duurzaam. Een deel van deze wetmatigheden wijst op een onomkeerbare verandering, omdat de tijd niet omkeerbaar is (bijvoorbeeld de biologische evolutie). Een ander deel wijst op wetmatigheid die op terugkeer is gebaseerd (bijvoorbeeld de seizoenwisseling). Deze laatste wetmatigheid noemt men cyclisch (cyclus = kring) of periodiek (peri – odos = omloop, kringloop). In het leven kruisen beide vormen elkaar, zodat er een soort spiraalbeweging ontstaat waarbij steeds hetzelfde terugkeert. Dit noemt men “ritmisch”. In het taalgebruik worden cyclisch, periodiek en ritmisch vaak als synoniem gebruikt. Afgebakende perioden kunnen alleen door middel van gebeurtenissen worden beschreven (bijvoorbeeld de omloop van de wijzers van de klok). Diverse lange perioden kunnen door getalsverhoudingen met elkaar worden vergeleken (bijvoorbeeld: hoeveel zon – licht-donker – wisseling = dagen komen overeen met één maan -licht-donker – wisseling = maand?). Daarop berust onze “tijdmeting”.
Elke periode is onderverdeeld in fasen (bijvoorbeeld maanfasen).

Een periode van uitscheiding bestaat dus uit een fase van verhoogde en van vergaand verminderde uitscheiding.

De duur van een biologisch ritme loopt van onderdelen van seconden tot jaren. In het hiernavolgende beperken wij ons tot het ritme van dag en nacht.

Stoelgang

De ontlasting wordt gevormd uit onverteerbare stoffen, de uitscheidingen van het maag-darmkanaal en de bacteriën die zich in de darm bevinden. Hij is “giftig” en heel besmettelijk.
In de regel vindt de stoelgang eenmaal per dag, ’s morgens plaats. Dat dit “normaal” is kunnen wij herkennen aan het feit dat bijvoorbeeld bij een geneeskrachtige drinkkuur bij patiënten met een stoelgang van meermalen per dag deze wordt verlaagd en bij degenen met een stoelgang van eenmaal in de twee, drie of vier dagen, deze wordt verhoogd. Binnen de patiëntengroep treedt een zgn. normaliseringstendens op van ongeveer één stoelgang per dag.

Urine-uitscheiding

Met de urine wordt datgene uitgescheiden wat aan in water oplosbare substanties (kortgezegd: “urinezouten”) uit de stofwisseling aan het bloed werd afgegeven, voor zover het voor de verdere opbouw van het organisme onbruikbaar is. De nieren stellen voor het bloed de mate vast waarin deze substanties kunnen worden opgenomen. Als dat niet zo was, zou de stofwisseling de opname “blindelings” overschrijden. Faalt deze maatgevende functie van de nieren, dan vergiftigen deze stoffen het organisme. Het bewustzijn en de gezonde opbouw worden verstoord.
Het hoogtepunt van de hoeveelheid uitscheiding van deze “urinezouten” ligt bij gezonde volwassenen dagelijks tussen 12.00 uur en 22.00 uur wat betreft de hoeveelheid natrium, kalium, calcium, chloor, urinestof, urinezuur en creatinine. Alleen fosfaat wordt ’s nachts sterker uitgescheiden. Deze tijdsindeling geldt ook onafhankelijk van de voedselopname.
In de fase waarin maximale nierafscheiding plaatsvindt -overdag- neemt de mens voedsel en vloeistof tot zich en is hij actiever. Daardoor is hij van de kant van de stofwisseling sterker aan vergiftigingsgevaar blootgesteld. De activiteit van de nieren is op dit gevaar ingesteld en ontgift overdag actiever dan ’s nachts. Deze fasegewijze ontgifting door de nieren is echter geen passief gevolg van een verhoogde prestatie van de stofwisseling, want de nieren ”ont-giften” overdag sterker, ook wanneer voedselopname en activering van de stofwisseling uitblijven. Zowel sociaal gedrag als stofwisseling enerzijds en activiteit van de nieren anderzijds zijn dus harmonisch op elkaar afgestemd, ’s Nachts heeft de urine de hoogste concentratie; daarom bestaat dan het grootste gevaar voor niersteenvorming.

Deze periodieke afwisseling is bij gezonde mensen stabiel, ook wanneer hij gedurende een bepaalde tijd ’s nachts werkt. Zowel bij oude mensen als bij mensen met hart- en nierziekten verandert de relatie van de fasen tot de
“zonnedag”: de maximaal aanwezige hoeveelheid urine en ”urinezouten” verplaatst zich naar de nacht (ongeveer 22.00 – 5.00 uur).
In de urine worden echter ook hormonen uitgescheiden, voor zover zij een bepaalde bloedspiegel overschrijden. Omdat hormonen ook afhankelijk van de periode van de dag worden gevormd, is de uitscheiding hiervan ook periodiek. Zo worden de activerende hormonen van de bijnierschors en bijniermerg en ook de hormonen van de sympaticus in de vroege ochtend tot de middaguren versterkt uitgescheiden. Deze “ontgifting” beschermt de mens dus voor “overprikkeling” in de ochtend. De meer opbouwende hormonen, zoals insuline, worden daarentegen versterkt gevormd en uitgescheiden in de middag- en avonduren.

Uitademing van kooldioxide

De uitademing van kooldioxide is een gasvormige ontgifting want wanneer deze faalt lijden het bewustzijn en de opbouw van de organen daaronder. De functie lijkt dus op die van de nieren.
De intensiteit van de ademhaling neemt toe met de toenemende wakkerheid en daalt met de diepte van de slaap. Zo zijn de capaciteit van de longen en de zuurstofopname en ook de afgifte van kooldioxide overdag hoger dan ’s nachts. Prikkelingen van de ademhaling, zoals door lucht die rijk is aan kooldioxide, wordt dienovereenkomstig in de slaap zwakker beantwoord dan bij waakbewustzijn. Deze kan op een ziekelijke manier de aanzet van de ademhaling fasegewijs gedurende meer dan tien seconden doen stokken. Daarbij kan het zuurstofgehalte in het bloed dalen en kan het gehalte aan kooldioxide stijgen, waardoor de patiënt meestal wakker wordt. De bereidheid tot het afgeven van kooldioxide is dus gekoppeld aan de activiteitenfase van de mens met een verhoogde productie aan kooldioxide. Op deze manier is de werking van de longen net zoals bij de nieren compenserend afgestemd op de werking van de stofwisseling. Op de afgifte warmte en water bij de uitademing wordt hier niet ingegaan.

Alle hier besproken uitscheidingen hebben betrekking op de dag. Er worden nu drie uitscheidingsprocessen besproken die in de nacht plaatsvinden.

Over een dag- en nachtritme van nagel- en haargroei en over huidschilfering en talgklierafscheiding vond ik tot nu toe geen literatuur. Er werd wel onderzoek gedaan naar zweetafscheiding en afgifte van warmte.

Zweetafscheiding en warmteafgifte

De periodieke afwisseling van de zweetafscheiding en de warmteafvoer via de huid, is in vergaande mate onafhankelijk van het ritme van de buitentemperatuur en het lokale klimaat. Vanaf ongeveer 3.00 uur begint het binnenste van het lichaam warmer te worden, terwijl de huid steeds koeler en droger wordt (opwarmfase). Vanaf ongeveer 15.00 uur vindt er een omgekeerd proces plaats: de kern van het lichaam wordt koeler, de huid wordt warmer en heeft de neiging te gaan zweten. Daardoor stroomt er warmte naar de omgeving (afkoelingsfase). Iedereen kan dit aan zijn handen zien die ’s morgens meestal koel en bleek zijn en ’s avonds warm en rood. Deze regulering heeft tot gevolg dat zweetbevorderende maatregelen (thee, sauna) ’s avonds succesvoller zijn en koortsverhogende maatregelen (koortsbaden en medicijnen) ’s morgens.

Het subjectieve gevoel van een onaangename omgevingstemperatuur is ’s avonds het duidelijkst en ’s morgens het minst. Wij zullen daarom eerder geneigd zijn om ’s avonds onze kleding af te stemmen op de omgevingstemperatuur dan ’s morgens. Dit is zinvol; want wanneer het ’s avonds te koel wordt, dan is op dit tijdstip het organisme niet in staat de doorbloeding van de huid te verminderen (zoals ’s morgens) om overmatig warmteverlies te vermijden. Er bestaat een hoger risico voor ”kou vatten”. Wanneer het ’s avonds echter nog heel warm is, belemmert dit de afkoeling. Wij moeten dan iets uittrekken. Het subjectieve gevoel van warmte en kou is toegenomen op het moment dat het lichaam zichzelf niet kan helpen bij een niet passende temperatuur van de omgeving. Het is dan aangewezen op het voelende bewustzijn van de bedreigde warmteregulatie, zodat wij met ons gedrag kunnen helpen. Omdat de temperatuurregulatie in wezen betrekking heeft op het bloed, kan men ook zeggen dat het bloed ’s avonds meer betrekking heeft op de huid en de zintuigen en ’s morgens meer op de stofwisseling en de prestatie.

De seksuele functie

Het bekendste ritme op het gebied van de seksuele functie is de periodieke bloeding bij de vrouw (menstruatie) die -de naam drukt het al uit- regelmatig ongeveer in een maandritme plaatsvindt.

Minder bekend is het dag- en nachtritme van deze organisatie dat bij de man en de vrouw in gelijke mate optreedt en hetzelfde is als het ritme van de huid. Ook hierbij vindt er een afwisseling plaats tussen sterke en zwakke doorbloeding en afscheiding en wel in dezelfde fasen als die van de huid, d.w.z. een versterking ’s nachts en een reductie overdag. Over dit dag en nachtritme liggen in de nacht kortere ritmen die synchroon lopen met de diepte van de slaap.

Incidentele zelfwaarnemingen -vooral bij oudere mensen- laten zien dat men op vaste tijden enigszins regelmatig, ’s nachts steeds weer wakker wordt en zich daarbij vaak een droom kan herinnneren. Ook de goede slaper kent zulke fasen, alleen wordt hij niet helemaal wakker. Zo doorleeft de mens ’s nachts ongeveer elke 1½ à 2 uur een fase van een lichte droomslaap en daartussen een zgn. diepe slaap. In de droomfasen wordt de mens bewegelijker: de ogen en de ledematen bewegen zich meer, de frequentie van de hartslag en de ademhaling nemen toe, en in deze fase is het organisme van het onderlichaam ook sterker doorbloed. Dit duurt ongeveer 20 à 25 minuten; daarna ebt het in de fase van de diepe slaap weer weg.

Overigens is het aardig te bedenken dat de meeste geboorten in de nacht plaatsvinden.

Tussenbeschouwing

Kijken wij terug op datgene wat tot nu toe is beschreven dan kunnen wij concluderen dat stoelgang, urine- en kooldioxide-uitscheiding bij voorkeur overdag, en dat zweet en genitale uitscheiding vooral ’s nachts plaatsvinden. De eerstgenoemden lopen synchroon met de prestatiefase van de mens die overdag actief is en compenseren de dreigende vergiftiging door de stofwisseling. De laatstgenoemde uitscheidingen hebben betrekking op de nachtrust, d.w.z. op de fase van de regeneratie en reproductie. Dit is het tijdstip waarop in essentie de celdelingen in ons lichaam plaatsvinden, want overdag is er overwegend rust in de celdeling. De afscheidingsproducten van de nachtelijke uitscheidingen zijn eigenlijk niet ontgiftend van karakter. Ze kunnen wellicht als een soort “overvloed” worden gezien bij het vormen van het organisme, die aan de uitscheiding ten deel valt.

De volgende twee vormen van uitscheiding nemen een bijzondere plaats in: de tranen, voor zover deze alleen afscheiding zijn wanneer wij huilen en de moedermelk die alleen na een geboorte aanwezig is.

Afscheiding van traanvocht

De vorming en het weer opnemen van tranen gaat ’s morgens sneller dan ’s avonds. Een niet specifieke afweerstof (Lysozym) is ’s avonds sterker geconcentreerd in de traanvloeistof aanwezig dan ’s morgens. Dit pleit voor een innerlijk ritme waarvan de betekenis misschien ligt in het feit dat het oog ’s morgens na de lange nachtrust meer wordt “gewassen”. Daarentegen moet ’s avonds het afweren van infecties en irritaties meer door chemische substanties plaatsvinden.
De aard van de stofwisseling in het hoornvlies van ons oog is overdag anders dan ’s nachts. Dit lijkt gedragsbepaald te zijn, want bij gesloten ogen lijdt het hoornvlies onder een relatief gebrek aan zuurstof, omdat het immers geen bloedvaten heeft. In deze situatie overheersen de enzymen van de gistingsprocessen in de traanvloeistof. Bij geopende ogen neemt het hoornvlies daarentegen zuurstof op uit de lucht; in de tranen overheersen de enzymen van de zgn. oxidatieve processen.

Moedermelk

Over de gehele voedingsperiode (onderzocht van de 1e tot 36e dag), en tijdens de aparte borstvoedingsfasen stijgt het vetgehalte van de melk. Maar ook binnen een dag stijgt van voeding tot voeding het vetgehalte. Hieruit kunnen wij aflezen dat het voedingsproces alleen, maar ook de ritmische herhaling ervan een stimulering kent van het vetgehalte in de moederborst, als ware het een “roep” tot de moeder in overeenstemming met de behoefte van de zuigeling.

De vraag doet zich echter voor of het dagritme van de moedermelk alleen door de voedingsstimulans wordt bepaald, want het melksuikergehalte is ’s avonds het laagst, dat wil zeggen op het tijdstip dat het vetgehalte het hoogst is. Dit minimum aan melksuiker wordt weliswaar gecompenseerd door een maximum aan zogenaamde oligosachariden (meervoudige suikers) op datzelfde moment, maar de compensatie is ontoereikend. De onafhankelijkheid van de voedselopname wordt in het bijzonder duidelijk door het gehalte aan calcium. Dit is in de melk procentueel het laagste in de avond (ongeveer 20.00 uur) en in de nacht (ongeveer 2.00 uur) het hoogst. Hetzelfde geldt voor de urine van ieder gezond mens. Deze fasesituatie is een spiegelbeeld van de situatie van het calcium in het bloedplasma. Het heeft de hoogste concentratie tegen 20.00 uur en is in de ochtenduren minimaal. De uitscheiding van mineralen in de urine is zeker onafhankelijk van de opname van voedsel en drinken. Daarom kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor de concentratie aan calcium in de melk.

Slotbeschouwing

De uitscheidingen van de mens zijn met betrekking tot de dag en nacht periodiek niet uniform georiënteerd. Ten dele zijn zij ontgiftingen van de stofwisseling (stoelgang, urine, kooldioxide) en ten dele fenomenen van de vorm van het menselijk lichaam (zweet, warmte, seksuele uitscheiding), ten dele fysiologische uitdrukking van psychische processen (tranen) en ten dele sociaal betrokken op de omgeving (moedermelk).

Bij nauwkeuriger waarneming hebben alle uitscheidingen ook een psychosociale relatie, want ze voegen zich met hun periodieke afwisseling in het sociale gedrag van de mens. Men moet wel aannemen dat het sociale gedrag op de fysiologie van de mens is afgestemd, want een tegengesteld sociaal gedrag -werken in de nachtploeg- leidt maar zeer moeizaam en ten dele tot grote veranderingen in de stofwisseling. Wij mogen daar echter niet uit concluderen dat het sociale alleen maar een passief gevolg is van het fysiologische maar dat wij het sociale gevoelsmatig op het ritme van onze fysiologie afstemmen omdat dan de sociale prestatie het meest effectief en het meest efficiënt kan worden voltrokken. Dat is echter geen kwestie van “gemakzucht”, maar is zinvol. Want iedere keer dat wij iets moeiteloos kunnen doen, hebben wij de hoogste graad van vrijheid in onze ziel om ons naar de behoeften van de omgeving te kunnen richten.

Manfred Weckenmann: medische studie in Frankfurt en Tübingen. Homeopathie. Nog gedurende de studie in aanraking gekomen met de antroposofie. Sindsdien strevend naar antroposofisch georiënteerde therapie. Leidinggevend arts aan de Carl Unger Kliniek in Stuttgart. Na opheffing in 1975 leidinggevend arts in de Filderkliniek bij Stuttgart. Onderzoek in de richting van antroposofische therapie en chronobiologie. Thans [1991] gepensioneerd en met een eigen praktijk werkzaam in de Filderkliniek.

.

Ritme – alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2548

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-24)

.

Dr.Georg Unger, Weledaberichten nr. 82. juli 1969
.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCH TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping.
Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk.
In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier b.v. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot.

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, n.l. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt ten slotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigcwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter net stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, b.v. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijds-ziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, b.v. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie wordt b.v. om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de z.g. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet.
„Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar leven schenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct.

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die b.v. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuiglijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen – meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritmealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Met vreugde in het nu aanwezig zijn

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2530

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.
Annelon Geluk, Motief 196, okt. 2015*

 

adhd

Ook gevoel en wil vragen aandacht

CONCENTRATIEPROBLEMEN

Een groeiend aantal kinderen is snel afgeleid en heeft moeite om de aandacht vast te houden. Bij veel van hen wordt tegenwoordig de diagnose AD(H)D vastgesteld. Vanuit een antroposofische visie heeft het ‘ik’ dan onvoldoende grip, waardoor er te weinig sturing, zelfbewustzijn en zelfcontrole is. De informatiemaatschappij van vandaag en de eenzijdige nadruk op cognitie in het onderwijs, maakt volgens Annelon Geluk dat het denken, voelen en willen uit balans raakt.

Bij kindertherapeuten en -coaches komen veel hulpvragen binnen op het gebied van het denken. Dit ligt volgens mij mede aan onze snelle informatiemaatschappij, waarin we heel regelmatig voor een kort moment uit onze aandacht worden getrokken. Hierna duurt het een paar minuten voor je weer op je hoogste niveau van concentratie bent. Op deze manier duurt het veel langer voor je een taak af hebt.

En in het onderwijs heerst een grote waardering voor de cognitie. Het liefst ziet de minister kleuters al Cito-toetsen maken. Dit is een benadering die niet goed past bij de ontwikkeling van kinderen. Een kleuter speelt en bootst de wereld om zich heen na in het vrije spel. Pas na de kleuterklas is een kind toe aan het leren en al het denkwerk wat hierbij hoort. Ook is niet ieder kind in staat de strakke leerlijn te volgen in bijvoorbeeld rekenen of schrijven. Het huidige onderwijs vraagt veel van de denkkracht van een kind. Naast deze denkkracht heeft een kind ook het gevoel en de wil die aandacht vragen.

Rust en regelmaat

Het komt in het reguliere veld veel voor dat behandeling van AD(H)D enkel mogelijk is als er medicatie wordt gebruikt. Ritalin wordt het meest voorgeschreven, een medicijn met methylfenidaat, met als doel dat een kind meer rust krijgt. Bij de cognitieve gedragstherapie leert het kind om het gedrag te veranderen.

De aanpak die volgens mij goed helpt, is het bieden van rust en regelmaat. Jij moet de sturing geven die een kind niet aan zichzelf kan geven. Het helpt dus om ritme en regelmaat in te bouwen in het dagelijks leven. Daarnaast is de rust heel belangrijk, omdat dit kinderen laat ontspannen en tot zichzelf komen. Vanuit de ontspanning is het weer mogelijk om goed de aandacht te richten.

Therapie

Sommige kinderen komen terecht bij een kindertherapeut of kindercoach. Zij helpen kinderen met diverse hulpvragen. Antroposofische therapieën zijn erop gericht om kinderen weer in balans te brengen. Bij de lichaamsgerichte therapieën, zoals uitwendige therapie, bakeren en ritmische massages, kan een kind zijn grens beter beleven en beter bij zichzelf blijven. Onze huid is de fysieke uitdrukking van deze grens. Euritmie helpt ook bij het vinden van de balans tussen binnen en buiten.

Met behulp van de antroposofie worden muziektherapie, spelbegeleiding, verhalentherapie en kunstzinnige therapie toegepast. Bij kunstzinnige therapie kan een kind door middel van tekenoefeningen leren om controle te krijgen over het bewegen. Antroposofische en homeopathische geneesmiddelen ondersteunen kinderen in hun ontwikkeling. Het kan een kind helpen om zijn evenwicht te vinden.

In de beeldende kunstzinnige therapie kunnen kinderen innerlijk in beweging komen. In de kunstzinnige therapie schilder ik volgens de nat-in-nat techniek met kinderen om het gevoel aan te spreken. Boetseren en speksteen bewerken doe ik om de wil en de vormkracht aan te spreken. Het werkt heel ontspannend om met je handen bezig te zijn. Door het aanspreken van de tastzin kan een kind zich ontspannen. Dit kan op vele manieren, zoals spelen met zand, boetseren en deeg kneden. Een kind wordt zich bewust van de grens van zijn huid. Kinderen met concentratieproblemen kunnen hierdoor tot rust en tot zichzelf komen.

Hulpmiddelen en oefeningen

Bij kinderen met concentratieproblemen is de afwisseling tussen inspanning en ontspanning iets wat je als leerkracht steeds in gedachten kunt houden. Als kinderen ingespannen hebben gewerkt, dan moeten ze zich daarna even ontspannen door te bewegen. Dit hoeft maar een paar minuten te duren en kan van alles zijn, bijvoorbeeld een klapspelletje of stampoefening. Kinderen met concentratieproblemen hebben vaak moeite om stil te blijven zitten. Er zijn speciale wiebelkussens waarbij een slechte zithouding wordt gecorrigeerd, zodat rugklachten worden voorkomen. En ook tijd kan voor kinderen heel abstract zijn. Een digitale klok is abstracter dan een analoge klok, omdat kinderen de tijd plotseling zien veranderen in plaats van de secondewijzer gelijkmatig langs de cijferplaat zien lopen. Een zandloper is concreet wat betreft het aangeven van een hoeveelheid tijd. Als een taak binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden, dan kun je een kind de zandloper om laten draaien. Met de zandloper heeft een kind goed zicht op hoeveel tijd er is voor een taak.

Een prikkelarme ruimte zorgt ervoor dat een kind minder snel wordt afgeleid. Speelgoed in afgesloten bakken bewaren, een lichte tint verf op de muur en weinig decoratie helpt om een rustige omgeving te creëren. Structuur kun je op vele manieren bieden, bijvoorbeeld door een duidelijke dagindeling met vaste gewoontes. Structuurkaarten helpen om de dag overzichtelijk te maken. Maak samen met de kinderen een aantal kaarten waarop activiteiten afgebeeld zijn die regelmatig plaatsvinden, als opstaan, eten, school, thuis. Met de kinderen kun je de inhoud van de dag bespreken en de kaarten in de juiste volgorde leggen. Gebruik er niet teveel, want dan wordt het onoverzichtelijk. Kinderen weten wat ze kunnen verwachten van de dag en voelen houvast door de structuur die de kaarten bieden. Ontspanningsoefeningen, zoals ademhalingsoefeningen, brengen kinderen meer tot zichzelf. Door de rust die een oefening teweeg brengt, kunnen kinderen vanuit deze innerlijke rust waarnemen. Oefeningen die de tastzin aanspreken zijn gericht op het ervaren van de grens en het verschil tussen binnen en buiten. Bij het spelen met klei, bijenwas of schelpenzand ervaart een kind de grens van zijn huid en dit kan heel rustgevend werken. Vormtekenen helpt bij het sturen van de beweging en versterkt het concentratievermogen.

Bewegend leren 

Een kind heeft van nature een bewegingsbehoefte die in het onderwijs vaak te weinig aandacht krijgt. Ik zie dat op de vrijescholen hier steeds meer aandacht voor komt. [1] Op diverse scholen vinden experimenten plaats met bewegend leren. Hierbij is er een combinatie tussen bewegen en leren, om kinderen de stof eigen te maken op een manier die bij de ontwikkeling aansluit. Het doel is om te leren, en bewegen is hierbij een hulpmiddel. Dat zou nog eens de nieuwe manier van lesgeven kunnen worden waarmee een hoop concentratieproblemen voorkomen worden! 

Annelon Geluk is kunstzinnig therapeute (beeldend) en heeft een eigen praktijk in Den Haag: Kunst & Geluk. Ze heeft haar opleiding genoten aan Hogeschool Leiden, Kunstzinnige Therapie Beeldend. 
*(Deze informatie is misschien niet actueel meer)

[1] Opmerking Pieter HA Witvliet:
Als de waarneming van mevrouw Geluk juist is, zou dit betekenen dat de vrijescholen NU pas het belang van ‘beweging’ zouden gaan inzien. En dat zou betekenen dat er dus al geruime tijd te weinig beweging in dit onderwijs zou zijn, terwijl het belang van (kunstzinnige) beweging  altijd een pijler van de vrijeschooldidactiek is geweest. Een nieuwe tendens is wel ‘de beweeglijke klas‘.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

Zintuigen: waaronder de tastzin: alle artikelen

 

2402

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-23)

.
Wim Kuipers, 29-02-1988
.

Schrikkeldag: een schets van de 29e van de sprokkelmaand

Volgens de statistieken komen er vandaag [2020] ongeveer 475 [in het oorspronkelijke artikel staat voor 1988 ongeveer 600] Nederlandertjes bij, die over vier jaar pas hun eerste echte verjaardag vieren.

Wie beweert vandaag zilveren bruiloft te hebben, is de tel kwijt of een leugenaar.

De schrikkeldag blijkt niet aantrekkelijk als huwelijksdag, maar vrouwen kunnen vandaag de eerste stevige stap zetten op weg naar hun zilveren bruiloft: ze mogen volgens een oud gebruik hun geheime uitverkorene ten huwelijk vragen. In veel landen mocht dat het hele jaar door, maar daar is weinig meer van over.

Februari 29 dagen dan mogen meisjes de jongens vragen.

Dertig dagen heeft november,
april, juni en september,
de andere hebben er 30 en één,
uitgenomen februari alleen,
want die heeft er vier maal zeven,
schrikkeljaar nog een erneven.

Zo leerde mijn moeder tachtig jaar geleden hoeveel dagen de maanden hebben.

Het is ook niet eenvoudig, vooral door die rare februari. En dan: het had zo gemakkelijk gekund: zeven maanden van 30 dagen en vijf van 31, samen 365. Kun je altijd nog kijken welke dertiger eens in de vier jaar de schrikkeldag krijgt. Of een december van 32: gezellig zo’n lange feestmaand.

Zo had het gekund. Maar de man die ons de schrikkeldag bezorgd heeft, Julius Caesar, vond dat de naar hem genoemde maand – juli – 31 dagen moest hebben. Bijgeloof: een oneven getal bracht geluk, en hup, hij pakte er eentje van februari weg.

Die maand was toch rommelig. Een eeuw vóór Caesar was het nog de laatste maand; tel maar: september was oorspronkelijk de zevende maand (Frans sept is zeven), oktober (octaaf) de achtste). Februari wisselde toen sterk van lengte, alnaargelang astronomen nieuwe berekeningen maakten van het zonnejaar.

Augustus

Luttele jaren na de moord op Caesar besteeg keizer Augustus de troon. Hij waande zich zeker zo machtig als Caesar. Dus moest hij ook een eigen maand hebben, augustus, en die kon het met niet minder doen dan de maand van dat Caesartje. Gevolg: februari had er nog maar 28 over, tenminste in drie van de vier jaar.

De Romeinse sterrenkundigen hadden het jaar, dat is de omlooptijd van de planeet Aarde om de zon, behoorlijk nauwkeurig uitgecijferd, maar niet helemaal. Ze dachten dat die omlooptijd 365 dagen en zes uur zou zijn. In werkelijkheid is het: 5 uur, 48 minuten en – afgerond – 46 seconden. De kalender liep dus achter op de zon, elke 130 jaar een dag.

Er waren te veel schrikkeldagen geweest. Paus Gregorius XIII greep in. Hij zette in oktober 1582 de kerkelijke klokken elf dagen vooruit, 15 oktober volgde op de vierde. Zijn astronomen bepaalden verder dat uitsluitend de eeuwjaren die deelbaar zijn door 400, schrikkeljaar zija Dus: 1800, 1900 en 2100 niet, 2000 weL

Niet iedereen liet zich in 1582 de tijd voorschrijven door een verre paus. Groningen en andere oostelijke -protestantse- provincies weigerden die dagen te schrappen. Ze telden door en vierden langer dan een eeuw Kerstmis tien dagen later dan Limburg. Iemand die op Driekoningen 1600 vanuit Roermond naar de Veluwe reisde, kwam daar, mits de reis voorspoedig was, in 1599 aan; hij maakte twee keer de eeuwwisseling mee.

Er was een tweede reden om niet naar die paapse paus te luisteren. Wie er rotsvast van overtuigd was dat ieders sterfdag bij de geboorte al vaststaat, zou dus tien dagen korter leven.

Meikersen

Er is een veronderstelling dat ook het woord meikersen nog herinnert aan de tijd van vóór 1582. Die kersen waren waarschijnlijk eind mei rijp, maar door het verdwijnen van die tien dagen begonnen ze voortaan eerst in juni te blozen.

Uiteraard ging de schrikkeldag vroeger zwaar gebukt onder bijgeloof. Wat afwijkt van het normale, maakt bang. Zonsverduistering, kometen, bolbliksem. In verschillende landen werkten de mensen op schrikkeldag niet: dat bracht gegarandeerd ongeluk. Veel boeren durfden geen bomen te planten, want die zouden maar eens in de vier jaar vrucht dragen.

Trouwen in een schrikkeljaar was eveneens riskant. Dat kan nog zo zijn. In Maastricht, Heerlen, Kerkrade, Stein, Sittard, Geleen, Echt en Weert zijn er vandaag [29-02-1988] geen bruidjes. Roermond heeft er drie, Tegelen eentje.
Durvers? Misschien, maar het kan ook een kwestie van centen zijn: ’s maandags trouw je gratis in deze twee gemeenten.

Elly Dohmen en Wiel van der Zee uit Brunssum hebben de schrikkeldag juist bewust uitgekozen voor hun huwelijk. Op de uitnodiging staat een gedicht met het waarom. Daaruit deze regel:

‘wij zien geen gevaar, tenzij in de tijd’

Wiel, oud-keeper van voetbalclub Caesar uit Beek, verklaart: „We zijn al wat ouder. Als we op een schrikkeldag trouwen, zet je de tijd een hak: in 2000 vieren we pas onze derde trouwdag.”

Boete

Schrikkeldag is ook een dag dat de vrouwen iets te vertellen hadden. Daarom – zo kunnen we vermoeden – is de dag verdacht gemaakt, gevaarlijk, zwanger van onheil en rampspoed.

Al 760 jaar geleden – in het schrikkeljaar 1288- verordonneerde koningin
Margaretha van Schotland dat de vrouwen op een schrikkeldag mannen ten huwelijk mochten vragen, frank en zonder vrees. Vrije mannen die zo’n aanzoek kregen en weigerden, moesten een boete betalen.

Zo staat het tenminste te lezen. Maar die koningin was een kind, ze was in 1288 niet eens in Schotland, ze stierf tijdens de overtocht van haar vaderland Noorwegen naar het sombere Schotland, waar haar een onbekende troon wachtte. Er was geen opvolger meer: de Schotse koningen (Macbeth bijvoorbeeld) hadden elkaar uitgemoord.

Hoe het ook zij, het gebruik waaide over naar het vasteland, maar veel heeft het voor de vrouwen niet opgeleverd. We hebben er wel spreuken aan overgehouden.

’t Is van ’t jaar een schrikkeljaar, dan lopen de meisjes de jongens naar.

En een variant: Heeft februari 29 dagen, dan mogen meisjes de jongens vragen.

Ouders die vandaag [in 1988] een kind krijgen, kunnen dat laten registreren in het internationaal schrikkeljarenregister van de gemeente Purmerend. Het kleine schrikkelkind krijgt dan een certificaat toegestuurd. Verder krijgen ze enkele cadeautjes, onder meer een thermolepel. Deze lepel geeft de temperatuur van wat erop zit aan: papje, prakje, noem maar op.

Wat moet u doen? Vóór 1 april een geboortekaartje sturen van uw schrikkelkind naar: Redactie Leven en Welzijn (een blad dat door drogisten verspreid wordt), postbus 25,5530 AA Bladel, met de vermelding: Actie Schrikkeljarigen. Moeders die nog een foto (zwartwit) meesturen, maken kans dat haar baby de schrikkelbaby 88 wordt Dan tevens het tijdstip van de geboorte meedelen, lengte en gewicht, plus de naam van de drogist want er hoort nog een tegoedbon bij.

Informatie hierover is niet meer te vinden:

Schrikkelbaby van het jaar – Digibron.nl http://www.digibron.nl › search › detail › schrikkelbaby-van-het-jaar 26 feb. 1988 – Postbus 25, 5530 AA Bladel. … een zwart/wit-foto van de baby bijsluit, doet men mee aan de verkiezing van de schrikkelbaby van 1988.

De link werkt niet meer. ‘Digibron’ geeft nu dit

Meer over de schrikkeldag.


0-0-0

‘Schrikken’ betekende oorspronkelijk ‘springen’, nog gangbaar in ‘terugschrikken’= terugspringen .
De ‘el’ kan gehouden worden voor een zgn. ‘frequentatief’ – het aangeven van een regelmatige herhaling: hinken-hinkelen; duiken-duikelen.
Vandaar ‘schrikkel’, de regelmatiger sprong van 1 dag.

.
Ritmealle artikelen

.
2051

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – sterrenkunde (1-6)

.

Annet Schukking, Jonas, 14e jrg. nr. 8/9
.

de binnenkant van de continue beweging

Zon, maan en sterren

Hoog aan de hemel staan zon, maan en sterren. Hun plaats is ver, hun werking dichtbij: zonder hun aanwezigheid is leven op aarde onmogelijk.
Wat zien we als we de blik omhoog richten?

Kort geleden is het me weer eens overkomen: een simpele, algemeen bekende ervaring. Je zit in een wachtende trein, kijkt uit het raam en je ziet, je voelt zelfs dat hij gaat rijden. Je kijkt uit een ander raam en hij blijkt nog stil te staan. Wat gebeurt er? Het is een passerende trein langs het ene raam die de gewaarwording van eigen beweging teweeg brengt. Door het andere raam zie je de omgeving die op zijn plaats blijft en je concludeert daaruit dat je zelf ook nog stil staat. Het is een ondervonden en toch telkens weer verrassend verschijnsel.

Toch is dat een verschijnsel dat we allemaal op een andere manier heel goed kennen en iedere dag weer opnieuw ervaren. Niet bepaald op een station dus, maar bijvoorbeeld wandelend over het strand of misschien wel vanuit het raam van ons eigen huis, overdag of ’s nachts, het geeft eigenlijk niet wanneer of waar. Het gaat om een continue beweging die ons omgeeft, een beweging die ook als je je er geen rekenschap van geeft, van existentiële invloed is op het leven van mens, plant, dier en aarde. Dat is de beweging of beter gezegd: de bewegingen van zon, maan en sterren.

We kijken naar de hemel en zien zon, maan en sterren een boog van oost naar west beschrijven. We spreken van opkomende en ondergaande zon. Toch leert de astronomie ons, dat het de aarde is die beweegt en de zon die stil staat. Maar wie beleeft het zo? Geen mens die ooit zegt of ervaart: we draaien van de zon af. Wat is waar?

Middelpunt

Lange tijd stond voor de mensheid vast: de aarde staat stil in het middelpunt van het heelal en het hele uitspansel draait er omheen. En het is bekend dat het een enorme revolutie voor wetenschap en wereldbeschouwing geweest is en er mensen voor op de brandstapel zijn gebracht, toen de gedachte opkwarn dat het ook andersom kon zijn: dat het de aarde was die ronddraaide en dat het heelal onbeweeglijk was.
Voor de waarneming en de beleving veranderde er niets, maar voor het denken werd alles anders. De aarde met zijn bewoners was niet langer het centrum van het heelal – en dus belangrijk! – maar de aarde werd een ding, een rondtollende grote bal en in het geheel van de kosmos zelfs een nietig balletje, een van de vele. De astronomische opvatting van de oudheid: de planeten verbonden met goden, de sterrenbeelden uitdrukking van kosmische krachten, kon zich in het nieuwe wereldbeeld niet lang meer staande houden en werd geleidelijk vervangen door het beeld van een mechanisme, een onmetelijk groot uurwerk, geheel onderworpen aan wetten van zwaartekracht, aan centrifugale en centripetale krachten, enzovoort.

Ieder tijdperk draagt de sporen van het zich verder inboren in de kennis, het meest recente is die van de kennis van de materie. Zo veranderde bijvoorbeeld de voorstelling van de zon in de laatste ongeveer 150 jaar van enorme kolenhaard via gasballon tot kernreactor. Ook de mens werd eerst tot machine, daarna tot electrische centrale, nu tot electronisch boodschappencomplex gebombardeerd. Hoewel alles denkbaar is, gedacht kan worden, in modellen gebracht en in techniek toegepast, lukt het de meeste mensen niet gevoelsmatig zich te verbinden met deze uitgedachte voorstelling van zaken. Want is eigenlijk het idee dat de stad Amsterdam ieder etmaal 24.626 kliometer aflegt (de lengte van de 52e breedtegraad) niet even absurd als het ronddraaien van de sterrenhemel om de aarde? Wat een mens beleeft is, dat niet de zon, zelfs niet de aarde, maar dat hij zelf het middelpunt is van zijn eigen leefwereld.

Fictie

Er is dus een kloof ontstaan tussen wetenschap en beleving. Wie de aarde als een balletje wil zien moet zich voorstellingsmatig eerst buiten de aarde verplaatsen en daarmee zijn normale werkelijkheidsbeleven uitdoven. Hij vormt zich een fictief model van ons zonnestelsel. Dit model blijkt dan later, na terugkeer in het dagelijks leven, te kloppen, met de zintuiglijke waarnemingen. Het is een soort spel dat heel fascinerend is, dit wegdromen in een fictieve wereld, dat je helemaal in de greep kan krijgen, zeker als het de bevrediging geeft de wetten van de natuur en de kosmos op het spoor te zijn en daar steeds verder in te kunnen doordringen. Fictie schijnt tot weten te leiden.

Zo werd de natuurwetenschap geboren, groeide snel en voorspoedig en is een eigen leven gaan leiden. Deze nieuwgeborene blijkt dan na verloop van tijd zich als een aanvankelijk kleine, later grotere potentaat te ontpoppen. Dat wil zeggen: mensen gaan er zo mee om. Triomfen leiden vaak tot dictatuur en onverdraagzaamheid. De nieuwe wetenschap usurpeert in betrekkelijk korte tijd alle gebieden van het. leven en zet zichzelf de keizerskroon op. En merkt niet dat abstracte denkmodellen dan wel op het gebied van de levenloze ‘natuur’ bruikbaar zijn, maar niet van toepassing op leven en beleven. Dus blijft toch:

De zonne gaat op,
de zonne gaat neer,
de zonne gaat op en gaat onder.
Standvastiglijk heen,
standvastiglijk weer,
standvastiglijk werkt zij dat wonder.                              

Wat voor model de astronomie ook van het zonnestelsel vermag uit te denken – zelfs voor de belevingswereld van ‘hooggeleerden’ zal het bovenstaande simpele gedichtje van Guido Gezelle een onweerlegbare ervaring zijn.

Is er dan misschien iets voor te zeggen om deze ervaring ook serieus te nemen en je af te vragen wat die je te zeggen kan hebben?
Je kunt er dan op komen dat er een soort muzikaal-creatieve relatie is tussen de aarde en de zon en tussen aarde, maan en zon in samenhang met de zich nog verder verwijdende omgeving van de overige planeten en de vaste sterren. Niet alleen dat de zon een onontbeerlijke bron van licht en warmte is en dat de aarde met zoveel sferen omhuld is, dat deze warmte en dit licht in een milde en gespreide intensiteit de daar levende wezens bereikt en zodoende wel voedend maar niet vernietigend werkt, maar ook is er een opvallende relatie tussen de ritmen van zon, aarde en. mens.

Daar is om te beginnen het dag- en nachtritme. Een ritme dat behalve met waken en slapen ook samenhangt met onze spijsvertering. Onze spijsvertering heeft een etmaalritme – we voelen ons wel bij een dagelijks terugkerend ritme van bepaalde maaltijden. Dan is er het jaarritme: de jaarlijks terugkerende afwisseling van de seizoenen en de daarmee samenhangende opeenvolging van kiemen, groeien en rijpen van de gewassen. Maar er zijn nog fijnere, minder opvallende relatie-ritmen. Zo verschuift geleidelijk het lentepunt, de plaats waar de zon aan het begin van de lente opkomt, ten opzichte van de vaste sterren en wel zo dat dit lentepunt in 25920 jaar de hele dierenriem doorloopt. Deze periode, het zogenaamde Platonisch wereldjaar, kun je evenals het aardejaar onderverdelen in dagen, ‘werelddagen’ en daarbij vind je opvallende overeenkomsten met het menselijk ritmisch systeem. Zo verhoudt zich het wereldjaar tot het aardejaar als een aardejaar tot de menselijke ademhaling. Een mens haalt gemiddeld 18 x per minuut adem (in- en uitademing), dat is per etmaal 18 x 60 x 24 is 25920 maal. Maar ook is een werelddag 1/365 van 25920 jaar is ruim 71 jaar, een mensenleven globaal genomen.

In het grote ritme van de verschuiving van het lentepunt door de dierenriem vind je de grote cultuurperioden terug: een Stiercultuur, een Ramcultuur, het tijdperk van de Vissen (waarin wij nu leven) en over enkele eeuwen zullen we het Watermantijdperk ingaan. Elk tijdperk heeft een eigen karakter en maakt daardoor nieuwe ontwikkelingen in de mensheidsgeschiedenis mogelijk. Iets anders, waar je gewoonlijk ook niet bij stilstaat, maar dat eigenlijk meer dan verbazingwekkend is, is hoe de mens is toegerust om op aarde te kunnen leven door te beschikken over zo’n verfijnd instrument als het fysieke lichaam. Dit fysieke lichaam is op zichzelf al een dermate complex kunstwerk dat er jaren van studie nodig zijn om het in grote lijnen in kaart te brengen. Maar nog verbazingwekkender is het dat dit lichaam een onzichtbare mens herbergt, een ziel en een geestwezen, en dat in zoveel verscheidenheid als er individuen zijn. Het is iets dat we primair als een vanzelfsprekend gegeven aanvaarden, maar dat bij nadere beschouwing eenzelfde soort duizelingen teweeg kan brengen als het kijken naar de sterrenhemel.

Motor

Terug naar het triviale voorbeeld van de passerende trein. Je kunt daar dan stellen dat de trein die door een motor wordt voortbewogen de rijdende trein is en dat je zelf in de stilstaande zit. Dat is dan duidelijk. Maar hoe is dat bij hemellichamen? Waar zit de motor die onze aarde doet rondtollen en om de zon voortstuwt? Hoe is die zaak zo in gang gekomen? Vragen die je niet moet stellen, zeggen de natuurwetenschappers, want daar kom je toch niet achter. Grenzen stellen dus. Toch gek, dat de méns behept blijkt te zijn met een drang om altijd weer zulke vragen te stellen. Steeds weer probeert die grenzen te verleggen of er overheen te kijken. Zinloos toch, als er geen antwoorden zijn en ook niet te verwachten zijn. Flauwe plagerij. Of zou misschien toch…? Zouden er toch mensen zijn, één desnoods, die het inderdaad gelukt is om over de grenzen heen te kijken?

Laten we nog eens gewoon naar de zon kijken. Warmte geeft ze, en licht, beide zonder meer nodig voor het gedijen van het leven op aarde. Kracht, energie stroomt naar de aarde toe. Het is de fysieke aanwezigheid van de zon die dit mogelijk maakt.
Maar er is nog een ander aspect van warmte en licht. Er is de koesterende warmte, de warmte van ‘het zonnetje’ in het voorjaar. ‘Het zonnetje’ is niet die kolenhaard of die kernreactor daar in de lucht, het is een wezen dat ons liefderijk omhult. ‘De zon schijnt over goeden en kwaden.’ Ze maakt geen onderscheid. Ze is ook een kunstenaar: ze strijkt met haar stralen over het landschap, over steden en dorpen, dan van de ene, dan van de andere kant, de kleuren lichten op, zelfs de schaduwen krijgen kleur. Schoonheid.
Ze is ook trouw. Dag in, dag uit, eeuw in, eeuw uit, altijd maar geven, stralen, met een onvoorstelbare gulheid het wereldruim in. Een hele lichtsfeer is om de zon heen, voor een mensenoog niet zichtbaar. Niet meer dan een kruimpje ervan bereikt de aarde en dat heeft nog zo’n kracht. Liefde.

Wat een onmetelijke liefde moet dit zonnewezen hebben om zoveel te.willen uitstralen, zo royaal te zijn, dat de aarde ervan kan leven, dat plant, dier en mens er door kunnen bestaan, miljoenen jaren lang. Klein en bekrompen kun je je voelen als je dat bedenkt, klein met je onnozele wensjes, hebbelijkheidjes, probleempjes, twijfels….Maar toch – blijkbaar ben je het waard. Het is alsof je iemand ontmoet die vertrouwen in je heeft, die een beroep op je doet en tegen je zegt: ik weet zeker dat je het kunt. Liefde die kracht geeft.

Drievoudige zon

Lang, lang geleden zijn er mensen geweest, ‘ingewijden’, die het ware wezen van de zon gekend hebben. Zij wisten dat de zon een woonplaats was van hoge geestelijke machten die zich met de ontwikkeling van de mens en de mensheid intensief bezighielden. Ze onderscheidden een drievoudige zon: als eerste de fysieke zon, die door bepaalde wezens zichtbaar gemaakt wordt, de buitenkant van de zon dus eigenlijk. Maar zoals een mens in zijn uiterlijk waarneembaar fysiek lichaam een ziel draagt, zo leefden in de zon andere, hogere wezens die het zieleleven van de mens zo gevormd hebben en verzorgen, zodat zijn denken, voelen en willen een samenhangend geheel zijn.

Dan kenden de ingewijden nog een derde zon, die zich achter de zichtbare zon verborg, de geestelijke zon, waarin het zonnewezen leeft dat eigenlijk de zon gemaakt heeft tot wat zij is: voor de mens de stralendste ster van de hele kosmos. Het is een heel hoog wezen, waaraan men in de loop der tijden verschillende namen heeft gegeven en dat men in onze tijd onder de naam ‘Christus’ kent. Het is dit zonnewezen dat zich in wat het mysterie van Golgotha genoemd wordt met de aarde heeft verbonden en daardoor voor de mens de mogelijkheid tot zijn ik-ontwikkeling heeft gegeven.

Het is lang, lang geleden dat mensen – namelijk diegenen die in de mysteriën ingewijd waren – dit zo hebben kunnen waarnemen. De mysteriewijsheid was toen een verborgen wijsheid en mocht niet geopenbaard worden. Zij werd aan het volk niet verkondigd maar wel in het praktische en religieuze leven ingevlochten.

Nu heeft de mens zich zover ontwikkeld dat de mysteriewijsheid niet meer voor hem verborgen hoeft te worden, want hij kan nu naar eigen inzicht hiermee omgaan. Hij kan de kloof tussen zijn voorstellingswereld en zijn belevingswereld zelf overbruggen. Hij kan heel goed werken met astronomische modellen, maar tegelijkertijd weten, dat hij, opziend naar de hemel, alleen de buitenkant van zon, maan en sterren ziet. Dat de hemelruimte in feite niet leeg is, maar bevolkt wordt door wezens van hoge orde die werkzaam zijn en allen hun opgave en functies hebben in een grootscheepse en zinvolle onderneming. Een . onderneming die de ontwikkeling van de mens beoogt in samenhang met de gehele wereld en waarbij elk mens vanzelfsprekend zo betrokken is dat hij zich terecht in het middelpunt mag beleven..

Sterrenkunde 7e klasalle artikelen

7e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld7e klas

.

2025

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen

.
Ingrid Gouda Quint in gesprek met Monique Wortelboer, Weleda Puur Kind, herfst 2006, nr. 18
.

Opvoeden is meebewegen op de stroom
.

Kinderen hebben andere behoeften dan volwassenen, en daardoor een ander tempo. Zitten zij net lekker te spelen, wil jij aan tafel. Moet jij de deur uit voor ue boodschappen, treuzelen zij met hun jas. Hoe grijp je daarbij in en hoe voed je hen spelenderwijs op? Monique Wortelboer, zelf moeder van vijf kinderen, pleit voor go with the flow.

Iedere ouder weet het: kinderen opvoeden vergt geduld. Doe maar eens een poging een kleuter mee te nemen naar de supermarkt als hij net lekker bezig is een hut te bouwen. Probeer die kleuter weer uit die supermarkt te krijgen als hij daar trots met een klein winkelwagentje rondstapt. En probeer de ontbijtboel af te ruimen omdat je nu écht naar je werk moet en hij naar het kinderdagverblijf, terwijl diezelfde kleuter net heeft ontdekt dat je rozijnen uit een krentenbol kunt peuteren. Je wilt dat je kind naar jou luistert, maar het heeft er soms alle schijn van dat je kind uitgerekend op de momenten dat het juist moet, niet gehoorzaamt.

Monique Wortelboer studeerde wijsbegeerte en Franse taal- en letterkunde, gaf jarenlang les aan een middelbare school, zette vijf kinderen op de wereld en schreef een paar jaar geleden het boek Huishouden, de zorg voor het leven. Een praktijkdeskundige dus met een aansprekende visie op het opvoeden van kinderen, die haar adviezen verhelderend kan toelichten.

Afdwingen leidt tot dwarsliggen

‘Probeer je bij kinderen iets af te dwingen, dan is dat vrijwel zeker tot mislukken gedoemd,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Dat komt niet doordat kinderen zo nodig dwars moeten liggen, maar doordat volwassenen vaak niet weten en zien wat er in een kind omgaat. De ideale situatie is dat je de dagelijkse dingen laat gebeuren zonder dat de kinderen het in de gaten hebben. Het geheim daarvan is dat je die dagelijkse dingen niet direct benoemt. Zeg niet: “Nu moet je opstaan, want we gaan ontbijten”, maar zorg ervoor dat het patroon rond het opstaan voor je kind herkenbaar is.’

’s Ochtends vroeg hoort je kind het geluid van de douche, het hoort een deur en er zijn de vertrouwde geluiden vanuit de keuken. Het patroon kan zijn dat je daarna naar zijn kamer gaat, de gordijnen openschuift en op de rand van zijn bed gaat zitten. Welk patroon je ook hebt, die vaste handelingen gedurende de ochtend laten je kind weten dat het tijd is om uit zijn bed te komen en dat hij hierna gaat eten. ‘Dat vaste ritme is essentieel,’ legt Monique uit. ‘Een telkens terugkerende vorm geeft houvast. Als je een gezond ritme in de dagelijkse handelingen weet te krijgen, geef je je kind daarmee houvast en herkenningspunten en gaat het opvoeden bijna vanzelf.’

Veilig houvast

Tegenwoordig gebeurt er veel op impulsen van tijd: nu dit, gauw even dat, niet vergeten zus en dan nog snel even zo. ‘Telkens impulsief doen wat in je opkomt, is funest voor een gezond ritme,’ stelt Monique Wortelboer. ‘Ik pleit absoluut niet voor een starre tijdsindeling, maar ik ben wel voorstander van een duideliik herkenbaar ritme in de week. Eten en slapen zijn basisgegevens die al automatisch zorgen voor een kader, maar er zijn meer herkenningspunten aan te brengen waar je kind een veilig houvast aan heeft. Stel dat je drie dagen per week werkt, zorg dan dat die dagen duidelijk herkenbaar zijn door dezelfde oppas, of hetzelfde ritueel voordat je hem naar het kinderdagverblijf brengt. Op de dagen dat je thuis bent, breng je een duidelijk ritme aan door simpele handelingen als bijvoorbeeld eendjes voeren na het boodschappen doen, of strijken als je kind uit zijn bedje komt. Zit dat ritme goed, dan beweegt een kind als vanzelf mee op die stroom.’

Levende situaties 

Toch hoef je maar om je heen te kijken om te weten dat het ook grandioos mis kan gaan. Menig ouder kent het moment van bijna niet te onderdrukken ongeduld als je kind in de gang bij de kapstok staat te teuten, terwijl jij al veel te laat bent voor je werk. Meesleuren dat kind, of toch maar meegaan op de stroom, die doorgaans stukken trager is dan dat van de jachtige volwassene?
‘Kleine kinderen varen niet alleen mee op de stroom, ze zijn ook afhankelijk van de dingen die zij om zich heen zien,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Zij kunnen zich niet, zoals een volwassene, een beeld vormen van dat wat gaat komen. Kinderen hebben levende situaties nodig. Als je tegen een klein kind zegt dat je samen naar buiten gaat en dat hij daarom zijn jasje aan moet trekken, zal dat weinig effect hebben. Maar als hij jou kan nabootsen, verandert dat de situatie. Als jij je eigen jas aantrekt, hem een beetje helpt met de zijne en intussen rustig uitlegt dat
je samen naar buiten gaat, voelt je kind zich verbonden met jouw beweging en daarin gaat hij vanzelf mee. Even afgezien van tweejarige kinderen, die nu eenmaal op hun leeftijd de koppigheidsfase doormaken, is het de kunst een kind af te leiden en hem mee te laten bewegen op de stroom die jij hem aanbiedt. Verzin een liedje. Dat heeft een ritme en een stroming waardoor kinderen vanzelf mee gaan bewegen. Bedenk maar iets, geeft niet wat: “Hé, pak je jasje en hier is je dasje, en pak ook je schoen, dan gaan we het samen doen”. Zoiets.’

Ook slapengaan is in veel gezinnen met jonge kinderen een dagelijks terugkerend probleem. Monique Wortelboer is ervan overtuigd dat ook hier het geheim is te vinden in een dagelijks terugkerend ritueel met een bijbehorende vertrouwde onderstroom van herkenningspunten. ‘Zeg niet: “Zo, nu ga je naar bed”, maar zorg voor een vast ritme en een vaste volgorde. Begin met wassen, tanden poetsen, verhaaltje voorlezen en een liedje zingen en roep bij die handelingen beelden op die jouw kind aanspreken. Als jullie een poes hebben, kun je het erover hebben dat ook de poes gaat slapen, dat hij al lekker in z’n mandje ligt en dat de poes ook gaat dromen.’

Neem spelen serieus

Hoewel het in de ogen van menig volwassene ‘maar’ spelen is, is spelen voor een kind totale levensernst. Het is zijn vorm van werk. ‘Kijk naar het spel van je kind zoals je kijkt naar je eigen werk’, raadt Monique Wortelboer dan ook aan, ‘en respecteer het als zodanig. Dat betekent dat je ook de overgang van zijn spel naar rust moet eerbiedigen.’
Net zo min als jij het zou pikken als een collega jouw rapporten en verslagen op je bureautafel bijeen zou vegen met de woorden “Zo, nu gaan we samen lunchen”, pikt een kind het niet als jij de duplo waarmee hij speelt in een krat stopt, en zegt: “Zo, nu gaan we naar oma”.

Om een brug te slaan tussen spel en bijvoorbeeld ‘aan tafel gaan’ of ‘jas aantrekken en vertrekken’, kun je je kind helpen. ‘Overval je kind niet, maar laat merken dat er andere bezigheden aankomen’, zegt Monique. ‘Vroeger was het afdoen van het schort een duidelijk teken van de moeder dat het werk er in de keuken opzat, maar niemand draagt tegenwoordig nog zo’n ding. Zoek het daarom in andere herkenningspunten.’ Als het bijna etenstijd is, kun je vast beginnen met tafeldekken of een kaarsje aansteken. Je kunt ook weer gebruik maken van een liedje. Snel zal het allemaal niet gaan, maar bedenk maar dat de jaren dat je op deze manier gedwongen onthaast, zijn te tellen op de vingers van nauwelijks twee handen. Jaren die later mooi en van onschatbare waarde blijken te zijn. 

Monique Wortelboer: boeken

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-17/2)

.

Rinke Visser, Jonas 21, 17-06-1977

.

ROMMELEN MET DE TIJD

Om kwart voor één stapten we op de fiets. Na een kwartier fietsen kwamen we thuis. De zonnewijzer naast de keukendeur wees aan dat het tien voor half twaalf was. Dat hadden we dus mooi snel gedaan.

Een kind kan niet begrijpen dat het al naar bed moet. Het slapen lukt ook maar slecht. Het is nog zo licht.

Veel kinderen zijn al moe als ze ’s morgens op school komen, hoorde ik onlangs van een leraar uit de laagste klassen, ’s Avonds vallen ze niet makkelijk in slaap, ’s morgens is het al weer vroeg dag. ‘Mam, wat eten we vroeg’. ‘Nee jongen, het is zes uur’. Op een sombere ochtend kun je je over het schemerige licht verbazen.

Zo hebben we de laatste maanden interessante ervaringen kunnen opdoen.

De zomertijd is weer in Nederland ingevoerd. Hoewel het voor heel veel onder ons een nieuwe ervaring is, is het voor Nederland niet de eerste keer dat met het ingaan van het zomerseizoen de klokken verzet worden. Tot aan het begin van onze eeuw kennen we in ons land geen centrale wettelijke voorschriften betreffende de tijdsrekening. Pas in 1909 wordt een wet van kracht die voor heel Nederland de Amsterdamse tijd voorschrijft. Vanaf 1916 kennen we de jaarlijkse invoering en beëindiging van de zomertijd. In 1937 wordt de Nederlandse Tijd ingevoerd. Deze regeling geldt tot 16 mei 1940, toen het de Duitsers beter uitkwam de in Duitsland geldende Midden Europese Zomertijd hier in te voeren. De klokken moesten toen maar liefst 1 uur en 40 minuten verzet worden. Vanaf 1942 werd ieder najaar overgeschakeld op Midden Europese tijd. Na het vertrek van de Duitsers bleven we, wat de tijd betreft, tot Midden-Europa horen: de Midden Europese Tijd die 40 minuten met onze Nederlandse Tijd scheelt (gerekend naar de meridiaan 0 20’ 00”), bleef gehandhaafd. In het maandblad Zenith hebben I. Draaisma en R. Kaarls een uitvoerig artikel gewijd aan tijd en tijdregeling.

De herinnering van de zomertijd blijkt voor veel mensen gunstig uit te vallen. Na enige onzekerheid van ‘hoe zal dat zijn’, komen al snel de voordelen aan het licht. De weldadig lange avonden. Het gevoel dat het al zomer is. En, vooral niet te vergeten, het commerciële profijt. De verkorting van het ochtendlicht is geen tegenwicht van belang, wordt nauwelijks opgemerkt. Eigenlijk alleen maar praktische voordelen dus. En daar ging het toch maar om. Principiële tegenwerpingen kun je trouwens haast niet maken, want de hele tijdrekening is alleen maar een kwestie van afspraken. Afspraken kun je veranderen. Je staat in feite gewoon een uur vroeger op en je gaat een uur vroeger naar bed.

Maar dat zit me toch niet lekker. Er blijft, na alle nuchtere feiten en praktische overwegingen een gevoel van ‘je kunt toch niet zomaar wat rommelen met de tijd?’ Er is, naast alle logica, iets waardoor het niet kan — maar hoe krijg je dat duidelijk voor jezelf? De reacties van de kinderen helpen. Zij leven nog niet in de mechanische tijd van de horloges. Tijd verstrijkt voor hen met het veranderen van het licht. Ook als het bewolkt is. Moeders van jonge kinderen kennen dat goed: de slaaptijd van de kleintjes wordt afgestemd op het ware midden van de dag.

Levensprocessen spelen zich af in een ander tijdritme dan het getik van de klokken. Het is de stijgende en dalende beweging van de zon die zegt hoe laat het is. Ik heb een zonnewijzer nodig waar ik de ware zonnetijd op af kan lezen. Kleine kinderen hebben nog niet de schaduw nodig om te weten hoe licht het is.

Waar het mij om gaat is niet de vraag of we misschien vanaf morgen de plaatselijke ware zonnetijd in moeten voeren. Naast het gebrek aan draagbare zonnewijzers zijn er nog wel enkele bezwaren te bedenken die daaraan verbonden zijn. Punt is of je bewustzijn hebt voor wat je doet. Als je de invoering van de zomertijd afdoet met de vaststelling dat het alleen maar praktisch is, dan loop je ergens aan voorbij: dat wij een gebied in ons meedragen dat met onze horloges niets van doen heeft, waarvoor het tijdsverloop zoals dat door de zon wordt aangegeven, de realiteit is. ’s Morgens zitten we anders in elkaar dan ’s avonds, en daartussen zitten alle nuances die ons van het ochtend-bewustzijn naar het avond-bewustzijn voeren. Het middaguur neemt daarin als wendingspunt een bijzondere plaats in.

Een dag is als een jaar in het klein. Zoals je het ene jaargetijde naar licht en warmte kwaliteiten kunt onderscheiden van het andere, zo ook de uren van de dag. Een vakantie zonder horloge kan je daarin veel leren. Het ene jaargetijde biedt je andere innerlijke mogelijkheden dan het anderen. Ook dat geldt voor de uren van de dag. Die uren zijn dan niet de horloge-afspraak-uren, maar de uren van het dagelijks zonneritme.

Als we ons door onze eigen tijdafspraken in de luren laten leggen, verslapen we de tijd die zich niet door mensenvingers laat verdraaien.

Ik geloof dat het er erg op aankomt, hoe je in de tijd staat. Dat je bewustzijn voor de tijd-kwaliteiten probeert te krijgen. Alleen maar op je horloge kijken en zeggen: ‘het is twaalf uur’, werkt vervuilend op dat gebied in ons dat weet: het midden van de dag valt tegenwoordig om tien over half twee.

.

Ritme: alle artikelen

.

1781

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-1)

.

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden.

licht

Licht is de zon, te fel om in te kijken. Het licht kan niet direct gezien worden, wel indirect via voorwerpen. Licht, waar is het? Als er geen voorwerpen zijn dan is er geen ‘zien’. In een lege ruimte is er geen licht zichtbaar. Het is er zwart, donker. Alleen de zon is zichtbaar. Tussen de voorwerpen is niets. Toch zijn ze licht. Licht is van voorwerp tot voorwerp. Als het donker wordt verlies je de voorwerpen, het contact. De afgrond begint. Het zoeken naar houvast. Licht kan overstralen; het maakt dingen kleiner, verder weg maar ook detailrijker. Het onderdeel gaat spreken. Licht kan onderstralen; het maakt voorwerpen groter, dichterbij, maar ook armer. De contouren gaan spreken. Licht is overal tegelijk, kent geen grenzen. Het verblindt, vernauwt de pupil, doet samentrekken. Licht is ongrijpbaar, weegt niets. Is warm noch koud. Het maakt je meestal ‘licht’. Het tilt op, het zuigt, het trekt. Het trekt aan planten. Het trekt planten de grond uit, naar zich toe. Het vormt. Planten vormt het. Het vormt planten in de aarde, het plant vormen in de aarde.
Licht dwingt soms door stoffen heen, meestal niet. Het laat contouren zien, structuren, vormen. Doorvallend licht laat materie verdwijnen, geeft het glans van bijna niets te zijn. Een boomblad, doorvallend licht.

Twee soorten licht: Indirect en lichtzelf of beter geformuleerd: Opvallend licht en direct licht (dit is bijna alles. Alle voorwerpen, dieren, planten, mensen).
Doorvallend licht (dunne voorwerpen, bladeren, water, een mineraal, een kristal).
Licht wordt steeds meer geremd, gevangen: Lucht, water, mineralen, bladeren, dichte voorwerpen.
Waar vind je direct licht in de natuur, waar komt het vandaan? Van de zon, de sterren, de planeten (heel soms), van vallende sterren, van vulkanen, van vuurvliegjes, van de lichtende zee, van het vuur.
De zon laat ons niet alleen, de maan houdt het contact. Soms ook niet, maar dan komen sterren lichten als vertrouwenslichten, als houvast. Zelfs wolken houden het licht vast, heel weinig maar. Het is nooit helemaal donker, altijd is de zon er, direct of indirect.
Is licht rechtlijnig? Je kunt het bewegen. Ieder voorwerp beweegt licht, door het overal heen te sturen. Een voorwerp sproeit licht alom, wordt zelf stralend, een zon in het klein, zo zijn er ontelbare zonnen.
Een kristal beweegt licht door het te ‘breken’. Is het dan stuk? Nee, het gaat elders heen, het vermenigvuldigt zich, het voegt zich samen. Mijn ooglens kan dat ook. Het licht wordt gevangen in mijn oog, in de ruimte van mijn oog. Even in mijn hoofd gevangen. Ik krijg daar een geweldige wereld voor terug; een wereld van voorwerpen, vormen, contouren, details. Vang ik het licht, of vangt het mij? Ik vang het door mijn ogen te openen. Licht wordt gevangen, een activiteit. Ik werp mijzelf om het licht, de voorwerpen, de wereld.

Licht is in beweging, in ritme. Grote en kleine ritmes, regelmatige en onregelmatige ritmes. Een wolk voor de zon, een verduistering. Dag en nacht, ochtendschemering en avondschemering.
Ochtend: Het licht schiet de wereld in, duwt zich binnen. Avond: Het licht ontglipt, trekt zich terug, weg naar boven. Winter en zomer, Kerstmis en St. Jan. Verschil van licht, kwaliteitsverschil, intensiteitsverschil. Groeiend licht in het voorjaar, stijgende zon. Krimpend licht in het najaar, dalende zon.

Maar ook de maan draagt een ritme als zonnegeschenk, afnemen en wassen, nieuw en vol. Wel een andere kwaliteit dan zonlicht. Krachtelozer, transparanter, nadenkender, bespiegelender. Licht staat nooit alleen. Het komt samen met lucht op aarde. Waar licht is, is lucht (niet andersom). Het breekt door de wolken, breekt ze open, duwt ze vaneen. Doorlichte lucht.
En het water? Het is transparant, laat licht door, maar soms niet. Spiegelende vlakken, rimpelingen, glinsteringen. Spel van het water en licht. Spel op grensvlakken. Wervelend, flonkerend, speels, schitterend. Doorlicht water, oplichtend water.

Begeertig zuigt de zwarte aarde het licht op. Verovert het totaal, schijnbaar onberoerd. Het speelt er niet mee, het doet in zijn innerlijk iets met de kwaliteit van het licht, maar houdt het geheim. Aarde slokt het op, water speelt ermee, licht laat het zichzelf zijn, vuur geeft het zelfs terug. Vuur schenkt licht. Tussen verteren en schenken werken de elementen met licht.

Dan is er nog kleur! En innerlijk licht, zielelicht!

Nieuwe kwaliteiten dienen zich aan. Nieuwe vergezichten, diepere lagen, een andere taal.

.

Willem Beekman, Jonas 23, 14-07-1978

.

Natuurkunde: alle artikelen

.

1628

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1599

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1581

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 9e-10e levensjaar

.

Dat onderstaand artikel al heel oud is, doet niet veel af aan de inhoud. Wat hier over het zich ontwikkelende kind wordt geschreven, geldt ook nu in grote mate nog. Het taalgebruik is uiteraard niet overal van deze tijd.
Ik heb de spelling van die tijd niet veranderd.

HET KIND VAN DE GEBOORTE TOT DE PUBERTEIT EN DEN OVERGANG MET HET 9e OF 10e LEVENSJAAR.

Geen opvoeding kan de juiste genoemd worden, als men niet voortdurend twee dingen in het oog houdt:

ten 1e: den mensch te beschouwen in den volstrekten zin des woords naar lichaam, ziel en geest,

en ten 2e: het geheele menschenleven van geboorte tot dood.

Want opvoeden beteekent, met inachtneming van het verleden en heden van het kind, hem de beste kansen voor de toekomstige ontwikkeling van lichaam, ziel en geest te geven.

Omdat menige opvoedkundige maatregel niet alleen in het heden werkt, maar tot ver in de toekomst zijn uitwerking doet gelden, is het noodig met dieper menschenkennis, dan waarover de gewone paedagogie beschikt den wordenden mensch gade te slaan.

Van Dr. Rudolf Steiner hebben de leeraren der Vrije School een schat van kennis en aanwijzingen ontvangen, die hun een dagelijkschen steun zijn bij hun paedagogischen arbeid.

Want zonder toereikend inzicht loopt men gevaar door te kortzichtigen blik, of verblind door een schijnbaar direct succes, groot kwaad voor de toekomst aan te richten.

Gaan wij voor een duidelijke en regelmatige uiteenzetting terug tot het pasgeboren kind.

Het physieke lichaam is geboren. Ziel en geest, nog slechts in kiem aanwezig, zijn er op de innigste wijze mee verbonden, veel inniger, dan dat bij een volwassen mensch het geval is.

Het jonge kind is eigenlijk geheel zintuigwezen en uiterst sensitief voor de sfeer, die het omgeeft. Zoo subtiel is het waarnemingsvermogen van het jonge kind, dat het, wat moreel en geestelijk in zijn omgeving leeft, in zijn organisme opneemt. In ons bloed en zenuwleven werken invloeden voort, die uit de eerste levensjaren dateeren. Omringt het kind een sfeer, die goed, zuiver, rustig en harmonisch is, dan bloeit het op en ontvangt ook voor de toekomst een bron van kracht.

Want het is een foutieve gedachte, te veronderstellen dat wat men voor het lichaam doet, alleen het lichaam beïnvloeden zou, of wat men voor den geest doet zijn invloed op den geest alleen doet gelden.

Slechts een materialistische tijd als de onze kan een zóó dwaze en grove scheiding trekken. Lichaam, ziel en geest zijn een drie-eenheid, die wederkeerig elkander beïnvloeden en onafscheidelijk in ’t kind verbonden zijn.

Wat men voor het lichaam doet, heeft zijn uitwerking op ziel en geest, wat men voor den geest doet, heeft zijn uitwerking op ’t lichaam. Niet een eenzijdig spiritueele opvoeding is het tegendeel van een materialistische, dat is slechts een moderne verdwazing. Men kan bij het kind, lichaam en geest niet van elkaar scheiden. Bovendien is het lichaam niet de vijand van den geest, maar zijn drager. Lichaam, ziel en geest tot een schoone harmonie te doen opbloeien is de eenige werkelijk geestelijke opvoeding.

Maar keeren wij tot het jonge kindje terug!

We zagen reeds van hoe overwegenden invloed de hem omgevende sfeer is. Wat het voorstellingsleven betreft, leeft het kind in een elementairen droomtoestand. Herinnering is wel aanwezig, maar onbewust en gebonden aan zintuigelijke waarneming.

Na het 7e jaar komt het kind vrijer tegenover zijn voorstellingsleven te staan. Dit is niet meer in die mate gebonden aan de zintuigelijke waarneming en den wil tot bevrediging van de daardoor opgewekte begeerte.
Ook kan het kind nu vrijer terugzien op wat het beleefd heeft en wordt de herinnering bewuster.
Het is alsof met de tandenwisseling latente krachten, die eerst voor den opbouw van het physieke lichaam verbruikt werden, vrijgekomen zijn, waarover het nu de beschikking krijgt. Het onbestemde en onbewuste leven van het kleine kind begint meer vorm en vastheid te krijgen.
De vrije ontwikkeling van het zieleleven wordt nu pas mogelijk, met als direct gevolg een krachtige ontwikkeling van het gevoelsleven en het rythmische systeem (ademhaling en bloedsomloop).
Langs den weg van het gevoel en het rythme moet het kind in deze jaren onderwezen worden. In beelden moeten hem de begrippen worden bijgebracht, want het denkleven, dat pas na het 12e jaar tot zijn volle ontplooiing komt, moet nu nog gespaard. Zoozeer moet de leeraar in het kunstzinnige leven, dat zijn beeldend onderwijs, als iets van zelfsprekends tot het kind komt. Een intellectueel uitgedacht beeld, waaraan de leeraar eigenlijk zelf niet gelooft, maar wat hij van zijn hoogverheven standpunt als volwassene slim heeft bedacht om het kind iets duidelijk te maken, blijft waardeloos.

Daar evenwel het verstand en het geheugen van het kind zijn voorbestemd om ontwikkeld te worden, moet ook hiermee rekening gehouden. Het geldt dus de juiste maat te vinden.

Overmatig intellectueel onderwijs wreekt zich, doordat het kind bleek, nerveus en prikkelbaar wordt, onrustig gaat slapen, zelfs kan gaan slaapwandelen. Intellectueel onderwijs werkt verstarrend, ontneemt het kind te veel groei- en levenskrachten en mist ook in latere jaren zijn uitwerking niet. Rheumatiek, jicht, en bloedvatenverkalking hangen samen met te verstandelijk onderwijs in de jeugd.

Het tegendeel, te weinig geheugenstof bij ’t onderwijs kweekt slappe, paffige kinderen. Te weinig voedsel wordt dan door hoofd en zenuwen opgenomen. Het lichaam groeit te snel. Hierdoor vraagt de maag steeds om meer voedsel, dat echter deels niet verwerkt wordt. Niet alleen de denkprocessen gaan te traag, maar op den duur ook de spijsvertering. Het geheele kind maakt den indruk van te weinig intensief levend, te slap, te lusteloos, te hangerig, te vegetatief.

Er moet evenwicht zijn in de juiste mate van beeldend onderwijs en geheugenstof, maar óók in de geestelijke en lichamelijke inspanning. Door de geestelijke inspanning moet het verlangen naar de lichamelijke gewekt worden, niet omgekeerd. Overmate van lichaamsoefening verstompt den geest en werkt te emotioneerend, roept te sterk dierlijke instincten op. De sportwaanzin van dezen tijd is dan ook een zeer verontrustend verschijnsel, dat zich wreken moet.

In de jaren van 7—12 komt zeer veel op de menschelijke verhouding van opvoeder tot kind aan. Omdat het „ik” van het kind nog bij lange na niet tot volle ontwikkeling is gekomen, heeft het behoefte zich veilig te voelen en beschermd te weten door de leiding van dengene, wiens autoriteit het ten volle erkent. Zulk een autoriteit kan natuurlijk nooit op dwang- of strafbedreiging berusten, maar alleen op innige genegenheid en liefde. Met liefde geeft het kind zich geheel over aan de leiding van den volwassene, uit liefde wil het gehoorzamen. Is de verhouding de goede, dan beschouwt het kind hem als het toonbeeld van goedheid, wijsheid en waarheid. Zóó wil het ook worden, zóó goed, zóó verstandig, zóó edel, zóó oprecht. En hiermede legt de opvoeder de basis voor de moreele ontwikkeling van meisje of jongen. Want de neiging tot moraliteit moet in deze jaren worden aangekweekt. De grootste invloed gaat uit van het dagelijksche voorbeeld van den volwassene. Verder moeten wij het goede zóó tot het kind brengen, dat het welgevallen krijgt aan het nobele. Het moet in deze jaren het edele als iets zeer begeerenswaardigs leeren liefhebben en het slechte haten.

Wilsimpulsen moeten we van het jonge kind nog niet verwachten, dat zou te hooggegrepen zijn. En met „je zult” of „je zult niet” wekt men slechts den prikkel tot verzet. Een dwingend bevel roept geen moraliteit op, eer het tegendeel. Het kind wil uit eigen overtuiging het goede liefkrijgen, niet, omdat hem dit opgedrongen wordt. Zóó alleen kweekt men later menschen met moreele wilskracht.

Tusschen het 9e a 10e levensjaar grijpt er met het kind een verandering plaats. Bij het eene komt het iets vroeger, bij het andere later.
Het is of er een „bewustzijnsverdichting” optreedt. Het kind begint zichzelf als alleenstaande, op zichzelfstaande ikheid te beleven, tegenover en te midden van andere schepselen ieder met een specifiek eigen innerlijk leven.
Dit gevoel van eigen afgeslotenheid brengt een eenzaamheidsgevoel met zich. Eenigszins schuw trekt het kind zich terug en het is of het meer en dieper dan vroeger onze liefde en belangstelling noodig heeft. Het vraagt ons onbewust om liefde en eerbiediging van zijn persoonlijkheid, om erkenning van zijn ikheid.

Het zelfrespect wil groeien aan de hand van ons respect voor hem.

Het kind, dat afdaalde uit goddelijk-geestelijke sferen tot deze aarde, zet in zijn eerste levensjaren nog het nabootsend principe voort, dat hem in de geestelijke wereld beheerschte. Daar was het nabootsend wezen, daar nam het voortdurend uit de goddelijk-geestelijke wereld krachten in zich op. Dit nabootsend principe, dat het als baby nog zoo sterk vertoonde, legt het nu langzamerhand af.

Waar het vroeger ouders en opvoeders als vanzelfsprekende autoriteit erkende, begint er op dezen leeftijd een vage weifeling in het kind te komen. Met den groei van zijn bewustzijn is de zin tot critiek ontwaakt. Het 9 a 10 jarige kind ziet scherper. Het wil, dat de volwassenen door hun gedragingen hem bewijzen, dat zij het onbeperkte vertrouwen, de liefde, de vereering, die het hun toedraagt, waard zijn. ’t Is alsof het kind ons onbewust smeekt: „Val mij niet tegen”! „Bewijs, dat je zóó goed, zóó edel, zóó volmaakt bent, als ik dacht dat je was”.

Onbeperkt zijn de eischem, die een kind ons stelt. Eigenlijk willen zij, dat wij alles kennen, alles beheerschen, alles begrijpen. De maatstaf van de hemelsche volmaaktheid leggen ze ook ons aan, maar gaande weg worden hun de oogen voor de aardsche betrekkelijkheid geopend, de groote ontgoochelingen beginnen. Als aardewezens moeten zij zich steeds meer met het aardsche verbinden. Van al de aardsche tekortkomingen beginnen ze nu een vermoeden te krijgen. Het is of het kind terugschrikt, of het door middel van ons volwassenen, den band met het volmaakte, het goddelijke waaruit het gekomen is, wil vasthouden. Op dezen leeftijd heeft het een mensch noodig, die door eigen diep-vromen aanleg zich een klare wereldbeschouwing opbouwde; op dezen leeftijd behoeft het een fijn religieus mensch. Zonder dat er in woorden zooveel over godsdienst gesproken wordt, moet het omgeven worden door innig, waarachtig geestelijk leven.

Twee maal in het kinderleven treedt die „bewustzijnsverdichting” op, dat is op het 9e en op het 17e a 18e jaar.

Op het 9e jaar is het onze taak den band tusschen het kind en het hemelsche vast te houden, nu het bewuster tot het aardsche afdaalt, waardoor het in staat is, van nu af aan met vrucht dierkunde, plantkunde, aardrijkskunde en geschiedenis onderwijs te ontvangen. Op het 18e moet hem den weg tot het aardsche in zijn vollen omvang gewezen, maar het aardsche gezien tegen een geestelijken achtergrond. Het geldt hier dus een bestaande, hoewel onbewuste band met het spiritueele, die op het 9e jaar zwakker dreigt te worden, te versterken en het kind op het 18e jaar van het aardsche uitgaande een hernieuwde, nu bewuste band met de geestelijke wereld te helpen vinden.

In verband met die diepere, zij het misschien onbewuste, behoefte aan het religieuze, staat de dankbaarheid en de ontwikkeling van de liefde-capaciteit in een kind.

Een menschenleven wordt slechts rijk en gelukkig, en krijgt waarde naar gelang van de mate der liefde, die een mensch voor iets waardevols kan opbrengen. Zonder liefde is het leven een rampzalige mislukking. Graag willen wij, dat onze kinderen later een groote liefdekracht zullen ontwikkelen. Daarvoor moet hand aan hand met het godsdienstige de zin voor dankbaarheid worden aangekweekt, deze beide leggen den grondslag, waarop later de liefde ontbloeien kan.

„Dankbaarheid”, het klinkt wat antiek! De moderne mensch vindt haar een beetje lastig, leeft liever oppervlakkig heen over de dingen. Toch is geen menschelijke verhouding goed, waar het element van dankbaarheid ontbreekt. Want hier is natuurlijk niet de dankbaarheid van het welopgevoede kindje, dat netjes: „dank u wel”! heeft leeren zeggen, bedoeld.

Dankbaarheid kan zelfs zeer goed bestaan, zonder dat ze ooit onder woorden gebracht wordt. Zij moet als een tastbare ondergrond leven in de gevoelsverhouding tusschen twee menschen. Geen vriendschapsdaad, geen offer heeft groote waarde voor wie ze ontvangt, als niet het dankbaarheidsgevoel daarbij een zeer reëele plaats inneemt.

Wie zichzelf niet hooghoudt tegenover anderen, nonchalant met
gaven en giften omspringt, oogst geen respect nóch een ontroerd gevoel van dankbaarheid, maar spot en minachting. Wie met diepen eerbied voor het heilige, dat hij hoog te houden heeft er anderen van meedeelt, in geen enkel opzicht „goedkoop” is, nóch tegenover ’t eigen zelf, nóch in hetgeen men anderen te brengen heeft, wekt achting en dankbaarheid. Zulk een dankbaarheid, die gebaseerd is op grootsche verheven gevoelens, opent de mogelijkheid tot de ontwikkeling van een krachtige liefde in later jaren.

Wie nu uit het bovenstaande afleidt, dat het 9 a 10 jarige kind iets stils, iets inzichzelfgekeerds is, heeft het glad mis. Innig ontroerend is deze leeftijd. Het eene oogenblik hulpzoekend, stil, indachtig, het andere uitgelaten, overmoedig, branie-achtig. Ze onderschatten zichzelf lang niet, in deze bewustwordingsphase! Het zijn kostelijke opscheppertjes, die bij voorkeur studentikoze termen gaan gebruiken. „Een aardige jongen”, klinkt veel te tam. Als je al zulk een groot mensch van 10 jaar bent, spreek je van: „een getapte kerel”, of „een verdomd lollige vent”. En dat doe je met des te meer smaak, naarmate je vader of moeder het woord „verdomd” en „lollig” minder apprecieert.

Als je gevraagd wordt: „Ken je die, of die jongen”? dan luidt het antwoord: „Och ja, het heet een geschikte vent, maar ’t is mijn soort niet. Van het oordeel van anderen kun je trouwens toch niet op aan, je moet zelf een oordeel vormen.”

Tot een vriend, dien je troosten wilt, zeg je eigenwijs schouderophalend: „Och kerel, stoor je er niet aan, die lui weten niet beter, wij zouden dat .heel anders doen!”

Met een der mooiste gesprekken, die ik opving, wil ik dit stuk besluiten. Een 10-jarig baasje, dat sinds een jaar op de Vrije School is, ontvouwde een ander zijn toekomstplannen: „Zie je,” zei hij: „ik heb er nog eens rijpelijk over nagedacht, maar ik blijf er bij, al mijn kinderen gaan later naar de Vrije School!”

Wel ja, mijn jongen, een beetje zorg voor de toekomst kan geen kwaad!
.

C. J. Gischler, vrijeschool Den Haag, Ostara 1/5  06-1928

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiek: alle artikelen
.

1545

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritmen in de mens (3-14/1)

.

Ritmen in de mens

Met de ritmen in de mens heeft een arts dagelijks te maken. Hij voelt het ritme van de polsslag van de mens, hij luistert naar het ritme van de ademhaling, hij informeert naar de regelmaat van de stoelgang, hij vraagt of het lukt om de afwisseling van waken overdag en slapen ’s nachts goed na elkaar te voltrekken.

Als veel van deze ritmische functies goed blijken te verlopen, dan is daarin al een zekere aanwijzing te vinden dat de patiënt redelijk gezond is. Maar als er een storing in de gezondheid optreedt en een therapie nodig is, dan is het nooit zo, dat een eenmalige maatregel de stoornis zal opheffen. De therapie zal meestal ook in een ritmisch terugkerende maatregel liggen. Of het nu een medicament is dat drie maal daags wordt ingenomen, of een fysiotherapeutische behandeling drie keer per week of de beoefening van kunstzinnige therapie; altijd is er een ritme nodig om weer tot die gezondheid terug te keren.
Wat wordt in het ritme uitgedrukt?

We zien dat daar waar twee werelden, twee gebieden elkaar ontmoeten, een ritme ontstaat. De mens is een burger van twee werelden: aan de ene kant een burger van deze aarde, aan de andere kant woont hij in de geest. Doordat hij een burger van twee werelden is, van beide tegelijk, ontstaat tussen die twee werelden een derde wereld: de wereld van het ritme.

Je kunt dit verschijnsel ook in andere vormen waarnemen. Bijvoorbeeld, als het luchtelement in de vorm van wind over het waterelement blaast, ontstaan er golven; als het water van de zee over het vaste element van het strand loopt, ontstaan er ritmische zandbanken en kleine ribbeltjes. Dat is een ruimtelijke vorm, maar eigenlijk is het ritme een tijdsfenomeen.

Het oerbeeld van het ritme in de mens vinden we in de verschijnselen van zijn ademhaling en bloedsomloop. Ook daar is het duidelijk dat twee verschillende werelden elkaar ontmoeten.
In de ademhaling: de inademing neemt de wereld buiten ons op en laat de zuurstof, de temperatuur, de helderheid van de lucht, de geuren en alle andere kwaliteiten van de omgeving binnen, en met de uitademing worden de kwaliteiten van onze binnenwereld weer naar buiten afgegeven. Een afwisseling van spanning bij het inademen en ontspanning bij het uitademen, dieper naar binnen komen in het lichaam bij het inademen en wat meer los komen bij het uitademen (denk maar eens aan het lachen).

Aan iemands ademhaling is te horen of hij op het punt staat om in te slapen of om wakker te worden: bij het inslapen wordt de uitademing sterker en bij het wakker worden, het tot zichzelf komen, komt de nadruk op de inademing te liggen. Geboren is een mens als hij zijn eerste inademing heeft gedaan. Dan is hij pas echt op aarde. En hij verlaat deze aarde weer met de laatste uitademing. Het ritmische proces van de ademhaling laat op een archetypische wijze zien hoe dat ritme de verbinding schept tussen twee werelden.

Het ritme van de bloedsomloop wordt door het hart geschapen. Ook het hart bemiddelt tussen verschillende werelden, zoals bijvoorbeeld tussen de grote en de kleine bloedsomloop. maar ook tussen alle stofwisselingsprocessen in de buik en de processen in het hoofd. Het proces van de bloedsomloop speelt zich meer af binnen het lichaam. De indrukken van de buitenwereld komen via de longen en via de zintuigen tot ons.

Zoals het ademhalingsproces naar buiten is gericht, zo is de bloedsomloop naar binnen gericht. Toch hebben de ritmen van ademhaling en bloedsomloop met elkaar te maken. Hart en long reiken als het ware elkaar toch nog de hand en dat komt tot uitdrukking in het ritme van ademhaling en bloedsomloop, die in een verhouding tot elkaar staan van één tot vier. Op één ademhaling vinden vier hartslagen plaats.
Dat is een verhouding die we nog vaker zullen ontmoeten in de signatuur van de tijd, in het omgaan met de tijd. De signatuur, waarin het buiten en het binnen tot uitdrukking komen, het ontvangen van indrukken uit de buitenwereld en het actief van binnenuit reageren daarop.

Mercurius

In de Griekse mythologie was er één God die de opdracht had om te bemiddelen tussen Goden en mensen, tussen hemel en aarde. Het was die God die tot schutspatroon werd gekozen door die mensen, die op aarde goederen van de ene plek naar de andere moesten brengen, de handelaars en ook de zeevarenden, maar ook door hen, die de verplaatsing van goederen buiten de rechtsorde volbrengen: de dieven. Het was de God Mercurius, de bode der Goden.

Mercurius is echter ook de schutspatroon van de artsen. Men zou kunnen zeggen dat bij ziekte het verkeer tussen hemel en aarde is verstoord; bepaalde delen van het organisme worden te egoïstisch en eigenen zich, als dieven, bepaalde krachten toe, die eigenlijk elders thuis horen. Bij ziekte wordt de mens te aards of te hemels en dat is niet gezond. Mercurius zorgt dat het verkeer weer op gang komt, herstelt het evenwicht tussen hemel en aarde en zorgt dat er een nieuwe ontwikkeling ontstaat.

Het symbool van Mercurius is de staf met twee gekronkelde slangen. Eén slang zorgt voor het verkeer van de aarde naar de hemel en de andere slang zorgt voor het verkeer van de hemel naar de aarde. Als dat verkeer goed loopt, wordt de mens weer gezond.

Genezing komt altijd uit de wereld van het ritme. Ritme is als het ware het voertuig waarop Mercurius door de wereld rijdt.

Als arts ontdekte ik dat verschillende ritmen in de verschillende lagen van het mensenwezen hun werkzaamheid ontplooiden. Dat bleek uit het feit, dat ik medicamenten voorschreef in bepaalde ritmen; een gegeven dat vooral door het onderbewuste van de mens wordt opgenomen. Voor mij ontstond de vraag: kun je die verschillende ritmen ook niet vanuit het bewustzijn gaan hanteren. Kun je die ritmen die in de natuur van de mens zijn gelegen en corresponderen met de natuur buiten ons, met de zon, met de maan, met de aarde, kun je die niet zo bewust hanteren dat je ze in cultuur brengt.

Lagen

Eerst wil ik beschrijven wat bedoeld wordt met de ‘verschillende lagen in het mensenwezen’.

Als eerste laag vinden we het stoffelijke, fysieke lichaam, dat we gemeen hebben met de minerale wereld. Het fysieke lichaam wordt bestudeerd in de anatomie en we vinden daarin vaste, duurzame vormen. Er is een lange tijd (tien maanmaanden) voor nodig om dit fysieke lichaam op te bouwen. Daarna duurt het nog zo’n twintig tot vijfentwintig jaar voordat dit fysieke lichaam helemaal volgroeid is. Maar dat het fysieke lichaam de vorm kan behouden die het heeft en niet de wetten van de minerale wereld vertoont, met zijn chemische en natuurkundige afbraakprocessen, komt doordat er een tweede laag op inwerkt. Dat is de laag van onze levenskrachten, een organisme van tijdsprocessen die door de fysiologie wordt bestudeerd.

Het bijzondere van die processen is dat ze allemaal op elkaar afgestemd zijn; die processen vormen als het ware één geheel. Het levenskrachtenorganisme is om zo te zeggen de architect die zorgt dat alles één geheel vormt en als het dat niet meer is, dan zorgt dat organisme ervoor dat het weer ‘geheeld’ wordt. Het levenskrachtenorganisme is de ‘grote genezer’ in ons. Het is als het ware één groot ecologisch systeem, samengesteld uit allerlei sub-systemen. Alle schadelijke invloeden die op de mens inwerken, of het nu beschadigingen van het fysieke lichaam zijn of ‘verterende’ emoties uit de ziel, die invloeden worden door het ecologische vermogen van het levenskrachtenorganisme verwerkt, zodat het weer een nieuwe eenheid wordt. Maar voor de verwerking van die schadelijke invloeden is, zoals we zullen zien, een bepaalde tijd nodig.

Als derde laag zien we in de mens zijn zielenwezen. Het vermogen, dat hij met het dierenrijk gemeen heeft, om een bewustzijn te hebben, een afwisseling van waken en slapen, en het vermogen om van binnenuit te reageren op de buitenwereld.

Die reactie op de buitenwereld uit zich meestal in een beweging. Het bewegen is een typisch fenomeen bij het dierenrijk. Natuurlijk bewegen planten ook wel. Afhankelijk van de stand van de zon veranderen hun bloemen en bladeren van vorm en houding, maar dat zijn bewegingen die zo langzaam gaan, dat we die haast niet waarnemen en daarom ook niet van beweging spreken. De bewegingen van het dier kunnen we waarnemen, want daar heeft de tijd een korter bestek. Het tijdsprincipe in het zielengebied is al veel kortstondiger dan in het levenskrachtengebied. Tenslotte, als vierde en kroonlaag zien we, dat de mens uitstijgt boven de drie natuurrijken, door zijn geestelijke kern, zijn ik. Dat is het principe in de mens dat hem doet verschillen van alle andere levende wezens, dat hem uniek maakt, dat hem zijn creatieve vermogen schenkt en het vermogen tot bewustzijn van zichzelf geeft.

Dat ‘ik’-bewustzijn treedt op een heel bepaald moment op in het leven van een mens. Zo tussen het tweede en derde jaar gaat hij ineens ‘ik’ tegen zichzelf zeggen. Tegelijkertijd treedt een nieuw vermogen op, de gave van de herinnering, het vermogen om een bewuste relatie te hebben met de tijd. Die actieve, gewilde herinnering, die onafhankelijk is van indrukken van de buitenwereld, die is alleen aan de mens eigen. Pas bij de mens is het mogelijk de biografie te overzien. Door zijn herinnering kan de mens het verleden met het heden verbinden, omdat zijn verleden werkzaam wordt in zijn geweten. Hij kan ook vanuit zijn ‘ik’ zijn eigen toekomst scheppen. Met het bewustzijn van de tijd ontstaat tevens het bewustzijn van ontwikkeling, waardoor hij het innerlijk kan verdragen dat de toekomst weer anders zal zijn dan het nu is.

Tijd

In het verloop van een mensenleven verandert het beleven van de tijd. In de vroege jeugd, als de wereld nog wat paradijskarakter heeft, dan heeft de tijd in zijn beleven nog iets van de eeuwigheid. Dat is voortdurend nog een beetje tijdeloos. Heel anders is het in de puberteit. Dan is de tijd al veel aardser. Maar soms kan je belevenissen hebben, waar je zó in bent, waar je bij wijze van spreken zo alles om je heen vergeet, dat je daarna pas weer wakker wordt in de ‘gewone’ wereld. En dan zeg je ‘was het nog maar weer zoals toen’. Om met Goethe te spreken: ‘Verweile doch, Du bist so schön’.

Pas als de mens volwassen is geworden, als zijn eigenlijke ‘ik’-wezen is geboren, heeft hij het vermogen om te beleven, dat in het leven bloeien en verwelken, dood en opstanding, Stirb und Werde, beide nodig zijn – voor de ontwikkeling.

Samenhangend met het ontwaken van het ‘ik’-bewustzijn in de mensheidsgeschiedenis kan men ook zien, dat het beleven van de tijd ingrijpende veranderingen ondergaat. Als men ontdekt, dat de woorden modern en oud, of het woord anachronisme pas enkele eeuwen oud zijn en dat het begrip ontwikkeling pas in de vorige eeuw operationeel werd, dan kan men een vermoeden krijgen hoe jong eigenlijk nog het individuele ‘ik’-bewustzijn van de mensheid is.

Het omgaan met de tijd is een functie van het ‘ik’. Als het ‘ik’ binnentreedt in de tijd, dan treden ook de creatieve vermogens binnen in de aardewereld. Dan komen er allerlei dingen tot stand die onverwacht en onberekenbaar zijn. Maar dat gebeurt alleen maar als je daar de tijd voor neemt. In de haast ontstaan zulke creatieve, nieuwe dingen niet. In de haast worden alle handelingen tot routine-handelingen, dan komt er niets nieuws. Een van de beste manieren om cultuurvernieuwing tegen te houden is om het wezen van de tijd te verdonkeremanen.

Ik kan erg aanraden om daarvoor het belangrijke jeugdboek ‘Momo en de Tijdspaarders’ van Bruno Endlich eens te lezen. Daarin wordt het wezen van de tijd uiterst fijnzinnig beschreven; de mensen krijgen een aanbieding van de agenten van de Tijdspaarbank om, door hun werk zo effectief mogelijk te doen, tijd te kunnen sparen en daar dan bij de Tijdspaarbank uiteraard rente over te kunnen krijgen. Het gevolg is, dat het leven gestandaardiseerd wordt, de mensen haast krijgen en niet meer zelf erbij zijn, bij de gewone dingen van het dagelijkse leven. Hun ‘ik’ is uitgeschakeld. Ze beleven niets meer, ze krijgen geen invallen meer. Ze gaan lijden aan de dodelijke ziekte van de verveling. Alleen het ‘ik’ kan kiezen, en kan daarom ook bewust met tijdritmes omgaan.

Laten we nu eens naar de bekende tijdritmen kijken, die voor het grootste deel vanuit de natuur gegeven zijn, om na te gaan hoe deze met het mensenwezen samenhangen en in hoeverre we daarmee zo kunnen omgaan, dat we bij wijze van spreken deze natuur in cultuur brengen. We kijken dan naar de ritmen van de dag, van de week, van de maand en van het jaar.

Dagritme

Het ritme van de dag is nog het gemakkelijkst met het bewustzijn te omspannen. Het is ook een duidelijk fysiologisch ritme van waken en slapen. Het is echter niet alleen maar een erin of eruit zijn.

Zowel in het waken als in het slapen zit een bepaald verloop. Bij het ontwaken beleef je heel duidelijk, dat je langzaam tot jezelf komt, je zou kunnen zeggen van perifeer – ver weg – weer centraal wordt.

Het is vaak moeilijk om vanuit dat centrale, vanuit dat in het lijf binnengedoken zijn, weer contact te leggen met de wereld om ons heen. Vaak moeten we ons ertoe zetten om echt weer met de ziel naar buiten te gaan en over het ‘goede morgen’, dat nog niet veel meer dan een bereidverklaring tot contact inhoudt, heen te komen.
Aan het begin van de dag zitten we nog diep ‘onder’ in het lichaam en in de loop van de dag stijgen we dan op en raken steeds meer ook in ons hoofd geïncarneerd, we worden wakker.

Aan het eind van de dag begint dan weer het perifeer worden zich aan te kondigen. De indrukken van de buitenwereld, ook als die wat verder van ons verwijderd is, zijn sterker dan ’s ochtends, we zijn er dan gevoeliger en kwetsbaarder voor. Dat komt omdat we al weer een beetje buiten onszelf beginnen te komen. Tenslotte worden we weer helemaal perifeer en slapen we in. Het is een soort kringloop van ons wezen door het lichaam heen, ‘s ochtends in de stofwisseling en ‘s avonds eruit gaand bij het hoofd.

Als je dat weet, dan begrijp je plotseling het verschil tussen ochtend- en avondmensen. Ochtendmensen hebben meestal niet zo’n sterke stofwisseling, ze zijn er bij wijze van spreken zo doorheen en kunnen zich dan snel behaaglijk voelen, in dat deel van hun wezen, waar ze van nature wakker zijn. Maar zij zijn al in de loop van de middag moe en kunnen ’s avonds niet veel meer.

De avondmensen doen er lang over voordat ze echt zo wakker zijn, dat ze zich lekker voelen om hun dagtaak te kunnen doen. Voor hen kan de stofwisseling een probleem zijn waar ze zich doorheen moeten worstelen. Voorbeelden daarvan zijn mensen die lijden aan endogene depressies. Het zijn diegenen, die altijd stofwisselingsproblemen hebben (obstipatie, een miserabele eetlust, vieze smaak in de mond) en die met name moeten worstelen om in hun lever- en galorganisme door te dringen. De wanhopigste tijd is voor deze mensen de vroege ochtend, terwijl ‘s avonds het ‘innerlijk’ weer helemaal opgeklaard kan zijn.

Waken en slapen

Het ritme van waken en slapen heeft een heel ingrijpende invloed op ons lichaam. Er is zelfs een hele tak van wetenschap ontstaan voor het bestuderen van het zogenaamde circadiane ritme, het ritme van het etmaal. In de loop van een etmaal verschuiven bepaalde stoffen in het lichaamsvocht tussen de weefsels van binnen de cel naar buiten de cel. Ook het vermogen van het lichaam om bepaalde stoffen te verteren, verandert gedurende een etmaal. Zo kunnen bepaalde geneesmiddelen overdag dodelijk zijn, die in de nacht met gemak door het lichaam verteerd worden.

Het zal duidelijk zijn dat daarmee rekening kan worden gehouden in de therapie en met die kennis kan ook besloten worden op welk moment van de dag een bepaalde impuls ter kennisgeving kan worden gebracht aan het organisme. Soms laat een patiënt je zien, dat je er geen rekening mee houdt. Bij voorbeeld: een van de antroposofische therapieën bij migraine is dat men, om een patiënt beter te laten incarneren, hem ijzer (in combinatie met andere substanties) geeft, met de bedoeling dat dat ijzer de stofwisselingskrachten, die te sterk stijgen en in het hoofd dat kloppen en bonzen teweegbrengen, in toom houdt. Nu kon een patiënt, die het ijzer in de vorm van meteoorijzer kreeg, door omstandigheden die injectie pas in de middag komen halen. Het ging goed met zijn migraine, maar hij sliep het eerste deel van de nacht niet meer. Pas toen het mogelijk werd de injecties ’s ochtends te geven, was zowel de migraine als ook de slapeloosheid verdwenen. Ook Iscador, het antroposofische geneesmiddel tegen kanker, is een substantie die gegeven wordt aan het begin van de dag, om daarmee het ‘ik’ dat de eigenlijke schepper van de menselijke gestalte is en dat in gevaar is als iemand kanker heeft, te helpen bij zijn incarnerende fase.

In de laatste vijftien jaar is ontdekt dat ook het slapen een heel ritmisch proces is. Gedurende de nacht wisselt het heel diep slapen en het oppervlakkig slapen, waarbij de mens dan gaat dromen en snelle oogbewegingen maakt, die op het E.E.G. (Elektro Encefalogram) geregistreerd worden, elkaar af. Als deze beide fasen elkaar vaak afwisselen in een nacht dan is de slaap verkwikkend en wordt men uitgerust en als herboren wakker. Treden die snelle oogbewegingen niet vaak op dan is men niet uitgerust. Er vindt in de nacht een soort verwerking plaats, een ritmisch al ademend verwerken van de fysiologische en psychologische gebeurtenissen van de dag.

Bij bepaalde omstandigheden treedt dit ritmische verloop niet meer op, onder anderen bij hoge koorts, maar ook bij het gebruik van slaapmiddelen. Dan heeft dus het verwerkingsproces niet plaats gehad en zit men de volgende avond niet alleen met de problemen van de dag zelf, maar ook nog met die van de vorige dag. Geen wonder, dat slaapmiddelen uiteindelijk de slapeloosheid bevorderen.

Een goed er overdag in zijn, betekent dat je er ’s nachts ook goed uit kunt zijn. De ervaring leert dat als je overdag intensief erbij bent geweest, dat je dan ook goed kunt slapen. Haast verhindert om er goed bij te zijn en de poort naar de slaap is dan ook vaak gesloten.

Een van de mogelijkheden om er overdag goed bij te zijn, is het maken van een bewuste pauze, een moment, waarin je dingen doet die met het verloop van de dag niets te maken hebben, maar die je doet omdat jij ze zelf wilt.

Ik zal nooit de raad vergeten die een stratenmaker zijn uiterst nerveuze moeder gaf, die door haar nervositeit ook veel lichamelijke klachten had. Hij zei: ‘Nu zal ik eens even dokter zijn. Ik schrijf je voor: driemaal daags je nergens druk over maken’.

Vierdeling

Nu heeft de dag, het etmaal, ook een vierdeling. We komen hier de verhouding 1:4 weer tegen. Het midden van de dag, de eigenlijke nacht en dan de twee overgangstijden van de

helaas ontbreekt hier de rest van het artikel. Er is nog een tweede deel.

Joop van Dam, Jonas 15, 21-03-1980

.

Ritme: alle artikelen

.

1526

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De tijd als ritme van de dag

Van de tijdseenheden waarmee we leven, spreekt de dag van 24 uur ons het meest direct aan. In ritmisch opzicht is er ook een duidelijke polariteit: dag en nacht. De verdere indeling in 24 uren is dan meer een rekensommetje: 8 uur slapen en 16 uur om te verdelen over werk, eten en ontspanning. Die verdeling wordt meestal door de praktijk bepaald, door het werk dat er te doen is, door de verbreidheid die optreedt, door het eten dat op vaste uren op tafel staat, enz.
De maaltijden brengen voor het grootste deel van de mensen een heel bepaalde dagindeling, een zeker ritme met kleine variaties. Voor deze mensen is er dus door onze leefgewoonten een bepaalde dagindeling. Die kan meer of minder ritmisch zijn maar ze is er en ze speelt zich voor het grootste gedeelte buiten ons bewustzijn af. Voor 25 procent van de werkende mensen ligt de zaak anders. Deze 25 procent werken namelijk in continuediensten en -bedrijven. Hieronder vallen niet alleen de arbeiders bij Hoogovens of Philips e.a., maar ook bijvoorbeeld buschauffeurs, trambestuurders, verpleegkundigen, horecapersoneel. Dit is een zichzelf ontwikkelende toestand, want naarmate er meer mensen in continuedienst werken, moet er meer nachtelijk vervoer zijn, enz. Dit alles grijpt in elkaar en voert steeds meer tot het niet beleven van dag en nacht. Men denke hier ook aan mijnwerkers bijvoorbeeld die overdag ondergronds werken en in de winter nooit het daglicht zien. Het werkt ook door in de gezinnen. De kinderen leven nog min of meer regelmatig door hun schooltijden en dergelijke, maar de huismoeders worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen de regelmaat van het leven van de kinderen en het onregelmatige leven van de man-vader. Voor de kinderen treedt een grote onregelmatigheid op in de tijden dat ze de vader zien. Behalve sociale problemen kan dit ook innerlijke conflicten oproepen.

Voor een deel van onze tijdgenoten is dus ritmisch leven uitgesloten. Iedere bedrijfsarts kan vertellen, hoeveel groter het ziekteverzuim is bij degenen die in onregelmatige diensten werken, dan bij degenen die hun vaste werktijden hebben. Aan het ziek worden door een onritmisch leven, kan in eerste instantie, de betekenis van het ritme voor de dagindeling worden afgelezen.

Er zijn blijkbaar wetten in onze dagindeling, die we niet straffeloos kunnen negeren, bijvoorbeeld slapen overdag en werken ’s nachts, het onregelmatig innemen van de hoofdmaaltijden en alles wat met deze ritmen samenhangt. Juist voor de mensen, die dit betreft, is het echter belangrijk te weten, dat er bepaalde wetten zijn, die met het ritme van de dag te maken hebben, ook al kan men aan de eigen levenssituatie op het moment niet veel veranderen.

Hier komt de vraag op, of men niet individueel dit ritme veranderen kan. Tot op zekere hoogte is dit mogelijk, wanneer het bewust gehanteerd wordt en het onritmische of een tijdsindeling met eigen ritme bewust gecorrigeerd wordt. Men kan bijvoorbeeld zeker zijn eigen middernacht scheppen, maar moet dan wel weten wat men doet en hoe men dit doen kan. Daartoe is het nodig te zien, of er een ‘objectief’ ritme is in de dag van 24 uur. We zullen daartoe uit moeten gaan van de geografische en biologische gegevens, om daarna te komen tot de werking op ziel en geest en omgekeerd van geest en ziel op deze natuurlijke gegevens.

Een etmaal kent twee grote polariteiten. We kunnen van de eerste polariteit uitgaan, die van dag en nacht. In onze wereld, die in tijdszones is ingedeeld, klopt de middernacht niet met 0 uur op de klok en de middag niet met 12 uur. Onze klokken lopen circa 50 minuten voor. De zon staat dagelijks op haar hoogste punt als het horloge 12.50 uur aanwijst. In de zomer wordt dat zelfs 13.50 uur. Ook deze tijden zijn een benadering, daar er tussen Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld nog een verschil van enkele minuten ligt. Dit vertroebelt ons beleven van de tijd. Vooral omdat we het hoogste punt van de zon, pas met veel oefening en ervaring kunnen waarnemen. De middernacht nemen we nooit waar aan de zon. Wel is dit mogelijk aan de maan, bijvoorbeeld bij volle maan. Dan staat hij te middernacht op de hoogste plaats aan de hemel, voor die nacht. Omdat deze hoogste plaats voor elke dag en nacht weer een andere is, behoort deze waarneming praktisch voor de gewone mens tot de onmogelijkheden. Wij leven naar ons horloge en moeten ons dus voor het beleven van de werkelijke middag of middernacht telkens even omschakelen, omdat het horloge ons maar ongeveer met de werkelijkheid verbindt. Daarin ligt reeds een stuk vervreemding van de natuur, dat wil zeggen van licht en duisternis. Als we weten hoe belangrijk het licht is voor alle leven, kunnen we ook tot het inzicht komen, dat het bewust waarnemen van licht en duisteris wel eens belangrijk zou kunnen in.

In zeker opzicht kunnen we dat ook. De polariteit van dag en nacht, staat in een zekere verhouding tot de polariteit van zomer en winter. In de winter zijn de dagen kort en de nachten lang, in de zomer is het omgekeerd. In onze streken is de kortste dag nog geen 8 uur en de langste iets meer dan 16 ½ uur. Van Kerstmis tot St.-Jan worden de dagen steeds langer en wel onregelmatig. Eerst langzaam en dan steeds sneller tot Pasen toe, na Pasen gaat het weer langzamer.
Omstreeks St.-Jan en Kerstmis blijven de dagen gedurende een week ongeveer even lang, omstreeks Pasen en Michael scheelt het per dag 4 of 5 minuten. Daarin zit dus reeds een zeker ritme; we leven iets versneld met het licht naarmate we van Kerstmis verder gaan naar Pasen, van Pasen tot St.-Jan worden we langzamer in de verlenging van de dagen, van St.-Jan tot Michael treedt weer een versnelling op, terwijl het van Michael tot Kerstmis weer vertraagt. Loopt dit niet merkwaardig parallel met het beleven van de ochtend en de avond ten opzichte van het nidden van de dag? Direct na zonsopgang neemt de hoeveelheid licht sneller toe dan later op de ochtend, en ’s avonds neemt het sneller af. Hierin onderscheidt zich het ritme duidelijk van regelmaat.

Daarmee zijn we tegelijkertijd bij de andere polariteit van de dag, namelijk morgen en avond. Naar uren gemeten duurt de schemering niet zo lang, maar kwalitatief zijn het opgaan van de zon en haar ondergaan hoogst belangrijk. Ze zijn dat voor het biologische leven maar vooral ook voor het zielenleven. Met wat voor een verlangen kunnen we in een slapeloze nacht uitzien naar de komst van het eerste licht. En hoe kan een kind ernaar verlangen dat het met St.-Maarten, St.-Nikolaas of Kerstmis donker wordt, of dat met St.-Jan het licht zo lang mogelijk blijft.

Er zijn echter ook ‘objectieve’ kenmerken van ochtend en avond. De kleuren zijn bijvoorbeeld anders dan overdag, intensiever en meer gedifferentieerd. Iedereen kent het verschijnsel dat de vogels een half uur voor zonsondergang zwijgen. Vaak kan men ook waarnemen, hoe voor de zonsopgang de wind sterker wordt en bij zonsondergang gaat liggen. Beleven we dag en nacht vooral bijna vertikaal als licht en duisternis, scherpe tegenstellingen, het beleven van ochtend en avond is meer het gaan van een horizontale weg. We gaan onze levensweg van de morgen tot de avond begeleid door ons wakkere bewustzijn, de dag en de nacht daarentegen kennen de tegenstelling van bewustzijn en bewusteloosheid. Vooralsnog is ons slechts 2/3 van ons leven min of meer bewust. Daartussen ligt telkens 1/3  waarvan we niets weten.

Hoe kunnen we nu met deze ritmen omgaan? Als we ontwaken worden onze zintuigen werkzaam. Bij sommige mensen ineens, bij anderen langzaam aan. Misschien wisten we eerst bij het wakker worden nog net iets van een droom, maar enkele minuten later is dat verdwenen. Onze wakkerheid neemt toe in de loop van de ochtend, maar midden op de dag is het net of we weer wat slaperig worden, een zekere loomheid overvalt ons. We hebben ons met onze zintuigen zo aan de wereld overgegeven, dat we onszelf als het ware aan de wereld verliezen.

In de Oud-Griekse wereld wist men, dat de natuur ons dan teveel gevangen nam en ons bewustzijn wat uitdoofde. Het hoofd van alle natuurwezens, de god Pan nam de mensen dan in het ootje en er ontstond paniek. Paniek ontstaat als de buitenwereld sterker wordt dan ons bewustzijn. Dat is midden op de dag een beetje het geval. Het is goed om er rekening mee te houden. Oude legenden kennen de middagsvrouw, die ons domme dingen laat doen.

De middernacht is anders. We hebben dan de diepste slaap. In de slaap beleven wij verfrissing. Dat komt omdat het bewustzijn overdag onze levenskrachten afbreekt. In de nacht kan zich dat herstellen. Maar de ziel heeft in de nacht ook haar eigen leven. Soms speelt er in onze dromen iets door, dat we in de nacht verwerken, wat we overdag hebben beleefd. Daardoor kijken we na een verfrissende nacht anders tegen de problemen van de vorige dag aan. We hebben er een nachtje over geslapen.

Wat speelt zich hier af? Aan de wisseling van dag en nacht worden we ons als Ik bewust. Ik neem waar en ik denk zolang ik wakker ben. Bij het in slaap vallen verliezen we het bewustzijn van het Ik. Juist door deze wisseling worden we ons van ons Ik bewust. Maar het bewustzijn verliezen, is niet hetzelfde als het verloren gaan van het Ik. Ons waarnemingsvermogen schiet tekort. Uit het verwerken van de dag in de nacht blijkt de activiteit van het Ik, want er is continuïteit van de ene dag op de andere. Het Ik lijkt alleen in de nacht vaak wijzer te zijn dan overdag. We moeten vaak veel moeite doen, om met ons dagbewustzijn te begrijpen wat we bij het ontwaken ‘intuïtief’ weten. Ja, we moeten zelfs moeite doen om dat weten niet onmiddellijk te vergeten. Reeds Nietzsche wist dat de nacht wijzer is dan de dag (‘Die Nacht ist weiser als der Tag gedacht’ uit Zarathustra).

Daarom zijn de overgangen van dag naar nacht en nacht naar dag zo belangrijk. Op dit gebied is wel vrijwel ieder mens geëmancipeerd van de natuurlijke gang van zaken. Wij gaan niet met de kippen op stok en staan niet op bij het hanengekraai. We doen dat naar eigen ritme.

Wie de gewoonte neemt om ’s avonds de dag te overzien, zal na korte tijd de vruchten daarvan bemerken in een meer consequent leven. We bereiden daardoor voor, wat we in de nacht onbewust gaan doen. We bereiden dat bewust voor. We brengen een klein stukje bewustzijn naar de nacht toe. Dit proces wordt bevorderd wanneer we deze terugblik teruglopend doen, dus beginnen bij de avond. Het voert hier te ver om dat geheel te funderen. Hier moet naar de werken van Rudolf Steiner verwezen worden, met name naar die boeken waarin de scholingsweg beschreven wordt. Een weg om te begrijpen wat hier gebeurt, is wanneer we ons duidelijk maken wat er gebeurt als we fysiek terug lopen. We moeten dan ‘ogen in de rug’ ontwikkelen, dat wil zeggen zekerheid krijgen van binnen uit, niet vertrouwend op de zintuigen, maar op een innerlijk gevoel. Als we ons verder op de nacht willen voorbereiden, is het goed ons te verdiepen in alles wat met het leven van de ziel te maken heeft wanneer het uiterlijke zich niet opdringt. Wie zich de tijd geeft om tot een gebed of meditatie te komen, versterkt zijn mogelijkheid om de nacht bewuster te gaan beleven. Want gebed en meditatie betekenen zich verdiepen in inhouden, die de ziel vervullen buiten de zintuigelijke indrukken om. Iedereen kent de ervaring dat een teveel aan zintuigelijke indrukken ons uitloogt. In het waarnemen door de zintuigen versterken wij ons Ik, we worden wakkerder. Maar een gezonde ontwikkeling van het Ik verlangt nu ook het polaire, het zich terugtrekken van de zintuigelijke indruk en het rust zoeken in zichzelf. Maar daarvoor moet er wel een inhoud zijn, omdat anders alleen de zintuigelijke indrukken nawerken.

Zo ontstaat dan een verdere versterking van het Ik. Het Onze Vader is een gebed dat in de eerste drie beden de hogere wereld zoekt en in de volgende vier (brood – schuld – verzoeking – het boze) de aardewereld zoals die er vanuit de geesteswereld uitziet. In dit laatste ligt vooral de zin van ochtendgebed en -meditatie: het leven in de nachtelijke zielen-geesteswereld als het ware mee te nemen in het leven met de zintuigen. Het is daarbij van belang dat dit in volle wakkerheid gebeurt. In het leven is iedere overgang van groot belang. Het wakker beleven van een overgang, bevrijdt ons van schrik en bewusteloosheid. De dingen overvallen ons dan niet meer, maar we treden ze tegemoet.

Zulk een overgang is ook het middaguur. We spraken eerder reeds over de paniek. Het toenemen van het licht is op het middaguur voorbij. De sterkte van de zintuigelijke indrukken neemt af. We hebben het allermeest uitgeademd en gaan nu weer inademen. Het is zaak niet buiten adem te raken en ons niet te laten overweldigen. Enkele minuten concentratie op een geestelijke inhoud zijn voor iedereen praktisch mogelijk. Als het meer dan enkele minuten kunnen zijn, werkt het sterker.

Tenslotte: vanuit het inzicht in dit ademingsproces van de dag en van dag en nacht zullen we – indien ons werk dat mogelijk maakt – ’s ochtends kunnen komen tot meer creatieve arbeid, ’s middags en ’s avonds tot een meer bezonnen opnemen. Voor de meeste mensen is dit nog niet mogelijk. Een ordening in die zin, hoort ook in een nieuwe maatschappij thuis, maar het weten omtrent deze wetten kan ook tot vindingrijkheid leiden.

.

Jacobus Knijpenga, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1523

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1512

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.