Tagarchief: ritme

VRIJESCHOOL – 6e/7e klas – Natuurkunde – licht (3-1)

.

In de 6e en/of 7e klas van de vrijeschool komt in het vak natuurkunde ‘licht’ aan de orde.
Omdat verschijnselen zo veel mogelijk fenomenologisch benaderd worden, is onderstaand artikel een hulpmiddel voor de leerkracht het fenomeen ‘licht’ dieper te doorgronden.

licht

Licht is de zon, te fel om in te kijken. Het licht kan niet direct gezien worden, wel indirect via voorwerpen. Licht, waar is het? Als er geen voorwerpen zijn dan is er geen ‘zien’. In een lege ruimte is er geen licht zichtbaar. Het is er zwart, donker. Alleen de zon is zichtbaar. Tussen de voorwerpen is niets. Toch zijn ze licht. Licht is van voorwerp tot voorwerp. Als het donker wordt verlies je de voorwerpen, het contact. De afgrond begint. Het zoeken naar houvast. Licht kan overstralen; het maakt dingen kleiner, verder weg maar ook detailrijker. Het onderdeel gaat spreken. Licht kan onderstralen; het maakt voorwerpen groter, dichterbij, maar ook armer. De contouren gaan spreken. Licht is overal tegelijk, kent geen grenzen. Het verblindt, vernauwt de pupil, doet samentrekken. Licht is ongrijpbaar, weegt niets. Is warm noch koud. Het maakt je meestal ‘licht’. Het tilt op, het zuigt, het trekt. Het trekt aan planten. Het trekt planten de grond uit, naar zich toe. Het vormt. Planten vormt het. Het vormt planten in de aarde, het plant vormen in de aarde.
Licht dwingt soms door stoffen heen, meestal niet. Het laat contouren zien, structuren, vormen. Doorvallend licht laat materie verdwijnen, geeft het glans van bijna niets te zijn. Een boomblad, doorvallend licht.

Twee soorten licht: Indirect en lichtzelf of beter geformuleerd: Opvallend licht en direct licht (dit is bijna alles. Alle voorwerpen, dieren, planten, mensen).
Doorvallend licht (dunne voorwerpen, bladeren, water, een mineraal, een kristal).
Licht wordt steeds meer geremd, gevangen: Lucht, water, mineralen, bladeren, dichte voorwerpen.
Waar vind je direct licht in de natuur, waar komt het vandaan? Van de zon, de sterren, de planeten (heel soms), van vallende sterren, van vulkanen, van vuurvliegjes, van de lichtende zee, van het vuur.
De zon laat ons niet alleen, de maan houdt het contact. Soms ook niet, maar dan komen sterren lichten als vertrouwenslichten, als houvast. Zelfs wolken houden het licht vast, heel weinig maar. Het is nooit helemaal donker, altijd is de zon er, direct of indirect.
Is licht rechtlijnig? Je kunt het bewegen. Ieder voorwerp beweegt licht, door het overal heen te sturen. Een voorwerp sproeit licht alom, wordt zelf stralend, een zon in het klein, zo zijn er ontelbare zonnen.
Een kristal beweegt licht door het te ‘breken’. Is het dan stuk? Nee, het gaat elders heen, het vermenigvuldigt zich, het voegt zich samen. Mijn ooglens kan dat ook. Het licht wordt gevangen in mijn oog, in de ruimte van mijn oog. Even in mijn hoofd gevangen. Ik krijg daar een geweldige wereld voor terug; een wereld van voorwerpen, vormen, contouren, details. Vang ik het licht, of vangt het mij? Ik vang het door mijn ogen te openen. Licht wordt gevangen, een activiteit. Ik werp mijzelf om het licht, de voorwerpen, de wereld.

Licht is in beweging, in ritme. Grote en kleine ritmes, regelmatige en onregelmatige ritmes. Een wolk voor de zon, een verduistering. Dag en nacht, ochtendschemering en avondschemering.
Ochtend: Het licht schiet de wereld in, duwt zich binnen. Avond: Het licht ontglipt, trekt zich terug, weg naar boven. Winter en zomer, Kerstmis en St. Jan. Verschil van licht, kwaliteitsverschil, intensiteitsverschil. Groeiend licht in het voorjaar, stijgende zon. Krimpend licht in het najaar, dalende zon.

Maar ook de maan draagt een ritme als zonnegeschenk, afnemen en wassen, nieuw en vol. Wel een andere kwaliteit dan zonlicht. Krachtelozer, transparanter, nadenkender, bespiegelender. Licht staat nooit alleen. Het komt samen met lucht op aarde. Waar licht is, is lucht (niet andersom). Het breekt door de wolken, breekt ze open, duwt ze vaneen. Doorlichte lucht.
En het water? Het is transparant, laat licht door, maar soms niet. Spiegelende vlakken, rimpelingen, glinsteringen. Spel van het water en licht. Spel op grensvlakken. Wervelend, flonkerend, speels, schitterend. Doorlicht water, oplichtend water.

Begeertig zuigt de zwarte aarde het licht op. Verovert het totaal, schijnbaar onberoerd. Het speelt er niet mee, het doet in zijn innerlijk iets met de kwaliteit van het licht, maar houdt het geheim. Aarde slokt het op, water speelt ermee, licht laat het zichzelf zijn, vuur geeft het zelfs terug. Vuur schenkt licht. Tussen verteren en schenken werken de elementen met licht.

Dan is er nog kleur! En innerlijk licht, zielelicht!

Nieuwe kwaliteiten dienen zich aan. Nieuwe vergezichten, diepere lagen, een andere taal.

.

Willem Beekman, Jonas 23, 14-07-1978

.

Natuurkunde: alle artikelen

.

1628

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Zintuigen – bewegingszin (9/5-3)

.

Bewegen:

Je baby kon al lopen voordat hij werd geboren.
Bewegen is gewoon, vooral voor kinderen.
Toch vraagt iedere ouder zich wel eens af of zijn kind niet te weinig beweegt. Of juist te veel.

Een interview met een eigenzinnig denker over de oorsprong van beweging.

‘Als je in dit landschap een embryo ziet, ben je op de goede weg.’
Deze woorden* staan onder de foto waarmee de website van dr. Jaap van der Wal opent. Van der Wal is embryoloog en het embryo staat dan ook centraal op zijn site. De bemoedigende woorden waarmee hij je als bezoeker van de site toespreekt, kun je ook wel gebruiken, want zijn opvattingen over de oorsprong van het menselijke bewegen zijn op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk. Behalve embryoloog is Jaap van der Wal ook bewegingswetenschapper en promoveerde hij in 1988 op de door hem ontwikkelde ideeën over beweging en hoe je als mens je eigen bewegingen kunt waarnemen. Hij spreekt daarbij zelfs over een ‘bewegingszintuig’.

Van der Wal:
‘De bewegingswetenschapper en de embryoloog in mij groeien steeds meer naar elkaar toe. Het draait bij allebei om beweging. Op beide fronten torn ik voortdurend aan het gangbare idee dat het lichaam primair iets stilstaands is dat vervolgens in beweging kan worden gebracht vanuit het hoofd. Als je het embryo bestudeert – en de moderne bewegingstheoriën bevestigen dat inmiddels – merk je dat er van meet af aan beweging is. Beweging is dus primair en stilstand is secundair.’

Als je zwanger bent voel je je baby natuurlijk regelmatig een stompje of trapje geven. Maar je hebt het hier over een ander soort bewegen?

‘Ja, heel anders. De foetus beweegt door reflexen. Maar als je verder teruggaat in de ontwikkeling van het embryo, zie je dat de wijze waarop het lichaam gestalte krijgt op zichzelf één en al beweging is. Veel mensen denken dat je voor het eerst adem haalt als je net geboren bent. Of dat je je aan de spijlen van de box moet optrekken om voor het eerst rechtop te staan. Dat past bij de gedachte dat je eerst een lichaam hebt waarmee je vervolgens gaat leren ademhalen, staan en lopen. Maar het embryo ademt, staat en loopt al! Het doet dat in de vorming van zijn gestalte.

Je kunt dat goed zien aan het ontstaan van de longen. Aanvankelijk heeft het embryo nog helemaal geen borstkas. Daar is ook geen ruimte voor als je opgerold zit. Maar dan gaat het zich strekken en richt het zich op. Daar komen geen spieren aan te pas, dat is pure groeibeweging. Tijdens het strekken ontstaat de borstkas en dan gebeurt er iets prachtigs: in een soort ademhaling ontvouwt zich vanuit de keel een long en die long vult de hele borstkas. Geen wonder dat je daar later zo goed mee kan ademen, want dat orgaan is onstaan door een inademings-beweging.

Je ziet het ook aan het ontstaan van handen en voeten. Je voeten groeien van  meet af aan van je lichaam weg in een soort steungebaar, terwijl de handen naar het lichaam toe groeien in een grijpgebaar. Je krijgt gestalte door wat in je lichaam beweegt en niet door bewegingen die je mét het lichaam maakt. Beweging krijgt je baby in zijn lijfje mee. Langzaam maar zeker zal hij leren die bewegingen te laten aansluiten bij zijn bedoelingen. Dat is de essentie van het menselijke bewegen: het als een ruiter te paard richting geven aan datgene wat in jou beweegt.’

Hoe leer je als kind die samenhang aan te brengen tussen je bewegingen en je bedoelingen?

‘De foetus beweegt nog helemaal vanuit reflexen. Gaandeweg moet de baby leren zijn bewegingen te gaan sturen. Dat begint al als hij zijn handjes niet meer toevallig ziet langskomen, maar zijn armpjes gericht beweegt omdat hij iets wil pakken. In dat leerproces is ritme essentieel. Een vertrouwd ritme geeft een kind de nodige structuur en houvast om zich in de ruimte te leren bewegen. Liedjes waarbij handen en voeten meedoen, bewegingsspelletjes, het rondduwen van de trappers op zijn driewieler, alles waarbij beweging telkens op dezelfde manier terugkeert, helpt hem om zijn bewegingen steeds meer te bemeesteren. Als ze de basisschoolleeftijd hebben bereikt, zullen de meeste kinderen de steun van het ritme niet meer nodig hebben om zich vrij te kunnen bewegen.’

Met zijn grote bos witgrijze krullen is Jaap van der Wal zelf het toonbeeld van dynamiek. Zijn passie voor de bewegende mens werkt aanstekelijk. Als ik hem vraag of het goed is om je kind te stimuleren in het leren staan en lopen, roept hij haast verontwaardigd uit dat dat helemaal niet nodig is.

‘Bewegen kan je kind, dat kon het al voor de geboorte. Het gaat erom dat hij leert zijn bewegingen in te voegen in zijn innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat hij in de box opnieuw de strekkende beweging maakt die hij als embryo al maakte, maar nu bewust, omdat die beweging past bij zijn intentie te gaan staan. Als hij dat helemaal op eigen kracht voor elkaar krijgt, dan straalt de triomf uit zijn oogjes.
Natuurlijk kun je je baby stimuleren bij het leren lopen, ook als hij daar uit zichzelf nog niet de neiging toe heeft, want hij heeft nog een heel plastisch lijfje. Je kunt hem in een babybouncer zetten en dan loopt hij. Zijn beentjes kennen die reflex. Maar je ontneemt hem dan wei de vreugde die hij ervaart wanneer hij uit eigen beweging de eerste stappen zet. Dat doet hij pas wanneer hij daar ook geestelijk klaar voor is. Staan en lopen zijn dus niet alleen lichamelijke verworvenheden. Ze hebben ook een geestelijke dimensie. Daarvan kun je iets ervaren bij mensen die door een lichamelijke handicap niet kunnen staan en lopen. Vaak kun je daarbij het gevoel krijgen dat ze innerlijk wel degelijk zeer rechtop staan.
Je kunt het ook bespeuren als je probeert je eigen bewegingen nauwkeurig waar te nemen. Als jij bijvoorbeeld een kopje koffie wil pakken, komen je spieren in werking en gooi je je hand als het ware in de richting van het kopje. Onderweg stuur je die hand razensnel bij en hij komt precies op het goede moment en op de juiste plek bij het kopje aan. Maar met je geest was je al bij dat kopje voordat je hand er was. Het reiken naar het kopje is een geestelijk gebaar en je lichaam zorgt ervoor dat die reiking in je hand wordt ingevoegd.
Dat is precies waar het opgroeiende kind voortdurend mee bezig is: met het leren invoegen van het geestelijke gebaar in zijn lichamelijke motoriek. Eigenlijk groeit een kind niet op of uit, maar groeit het in. Bij dat ingroeien speelt het bewegingszintuig een belangrijke rol.’

Kun je meer vertellen over dat bewegingszintuig ?

‘Het bewegingszintuig zit over het hele lichaam verspreid. Je neemt er voortdurend mee waar wat er in je beweegt, hoe je beweegt en waar je naar toe wil met je beweging. Maar ook waar je staat wat betreft je intenties en je doelen. Hoe bewuster je met deze waarnemingen omgaat, hoe harmonieuzer je bewegingen zullen worden. Tot voor kort leek het vast te staan dat beweging uit het hoofd komt, dat als een soort marionettenspeler prikkels uitzendt waardoor onze spieren gaan bewegen. In de moderne bewegingswetenschap gaan we ervan uit dat het hoofd nodig is om te kunnen bewegen, maar dat dit niet wil zeggen dat beweging daar ook zijn oorsprong vindt. Beweging is gewoon een gegeven en het kind ontwikkelt het vermogen om die beweging steeds bewuster te sturen.

Je kunt een idee krijgen van de werking van het bewegingszintuig als je kijkt naar wat er gebeurt als je je peuter roept terwijl hij uit zijn bekertje drinkt. Hij draait zijn hoofd naar je om, maar tegelijkertijd kiepert het bekertje uit zijn hand. Het bewegingszintuig neemt dan het draaien van het hoofdje waar en er ontstaat automatisch een tegenbeweging in de armpjes. Dat gebeurt over twee jaar niet meer. Dan kan hij zijn bewegingen beter waarnemen en bewuster laten aansluiten bij zijn bedoeling: namelijk zowel naar zijn mamma kijken als zijn bekertje limonade in zijn hand houden. Je kunt het ook zien bij kleine kindjes die op de fiets zitten. Vaak word ik een beetje benauwd als ik dat zie. Want die beentjes vinden het heerlijk om ritmisch rond te trappen, maar ondertussen rijden de auto’s toeterend langs en roept mamma voortdurend:  ‘Kijk uit!’ Dat hoofdje wordt dus alle kanten uitgetrokken en de handjes aan het stuur maken allerlei tegenbewegingen omdat het bemeesteren van de motoriek nog niet helemaal is voltrokken. Het verkeer is dan gewoon een te harde leerschool.

Veel ouders maken zich wel eens zorgen dat hun kinderen te weinig bewegen, bijvoorbeeld omdat ze veel achter de computer zitten.

De computer hoort bij het kind van nu zoals het lichtknopje bij de generatie van mijn grootvader. Maar er ligt inderdaad wel een gevaar voor de gezonde ontplooiing van het bewegingszintuig. Dat gevaar is er eigenlijk alleen als je de eenzijdigheid ervan niet onderkent. Als je kind achter de computer zit beweegt er niets, behalve het vingertje aan de muis. Zelfs zijn ogen staan stil, want er is – laten we ons daarover geen illusies maken – geen enkele diepte in de virtuele wereld. En als jonge kinderen hun bewegingen, hun spel en hun sprongen alleen nog maar virtueel maken, mag je je wel afvragen wat ze mentaal aan bewegingskwaliteit ontwikkelen. Hoe zal het gaan met het staan, het lopen en het springen in zijn geest? Hoe zal hij zich als sociaal wezen, als denkend en beminnend wezen gaan ‘bewegen’.

Uit het oogpunt van beweging kun je inderdaad niet anders dan constateren dat de computer verarmend werkt, maar je kunt er ook voor zorgen dat het niet doorslaat naar die eenzijdigheid. Het heeft dan overigens niet zoveel zin om van je kind te verlangen dat het na het zitten voor het beeldscherm gaat voetballen of turnen omdat beweging nu eenmaal zo gezond is. Dan begin je aan de verkeerde kant. Beweging krijgt dan een element van prestatie in zich en dat hoort niet bij de wereld van het jonge kind. Spel kent die prestatiegerichtheid niet.

Wanneer je je kind een omgeving aanbiedt waarin hij als vanzelfsprekend gaat spelen, dan heft hij uit zichzelf die eenzijdigheid op.

Er zijn ook kinderen die te veel bewegen. Hoe kun je daarmee omgaan?

De zintuigen zijn de poorten waardoor de baby wakker wordt voor de wereld om hem heen. De indrukken die hij opdoet werken in het eerste levensjaar heel direct op zijn lijfje in. Sommige kinderen hebben extreem gevoelige zintuigen. Ze registreren alles en hun zintuigen raken overbelast: ook het bewegingszintuig. Het hyperactieve kind kan door die overbelasting zijn bewegingen niet meer zo goed waarnemen. Er beweegt te veel in hem. Wanneer je je kind wilt helpen met zijn hyperactiviteit om te gaan, sta je – zoals eigenlijk bij alle opvoedingskwesties – voor een keuze. Of je manipuleert het organisme door van buiten af in te grijpen (in dit geval bijvoorbeeld met ritalin) of je zoekt naar de gezonde vermogens in het kind zelf van waaruit je corrigerend kunt werken. Er is bij je overactieve kind sprake van een tekortschieten – en dat kan allerlei oorzaken hebben – in het bemeesteren van zijn bewegingen. Als je je dan fixeert op het oplossen van het bewegingsprobleem, zul je snel gefrustreerd raken. Want je kunt je overactieve kind nu eenmaal niet leren rustig op een stoel te zitten. Maar er zijn altijd gebieden te vinden waarop je kind wel kan laten zien dat hij zichzelf kan sturen. Om daarbij te kunnen aanknopen, zul je bijna een therapeutische houding naar hem moeten ontwikkelen. Soms moet je beslissingen nemen die niet voor de hand liggen. Bijvoorbeeld door je kind te laten paardrijden of op vioolles te doen terwijl zijn vriendjes juist allemaal op voetballen zitten. Het geven van een ritalinpil is natuurlijk makkelijker. Maar je ontneemt je kind dan wel de kans de ruiter, die ook in hem verscholen zit, zelf te wekken.

*de website heeft een verandering ondergaan

Petra Weeda, Weleda Puur Kind 7 lente 2001

.

Zintuigen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Ontwikkeling: alle artikelen

.

1599

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1581

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 9e-10e levensjaar

.

Dat onderstaand artikel al heel oud is, doet niet veel af aan de inhoud. Wat hier over het zich ontwikkelende kind wordt geschreven, geldt ook nu in grote mate nog. Het taalgebruik is uiteraard niet overal van deze tijd.
Ik heb de spelling van die tijd niet veranderd.

HET KIND VAN DE GEBOORTE TOT DE PUBERTEIT EN DEN OVERGANG MET HET 9e OF 10e LEVENSJAAR.

Geen opvoeding kan de juiste genoemd worden, als men niet voortdurend twee dingen in het oog houdt:

ten 1e: den mensch te beschouwen in den volstrekten zin des woords naar lichaam, ziel en geest,

en ten 2e: het geheele menschenleven van geboorte tot dood.

Want opvoeden beteekent, met inachtneming van het verleden en heden van het kind, hem de beste kansen voor de toekomstige ontwikkeling van lichaam, ziel en geest te geven.

Omdat menige opvoedkundige maatregel niet alleen in het heden werkt, maar tot ver in de toekomst zijn uitwerking doet gelden, is het noodig met dieper menschenkennis, dan waarover de gewone paedagogie beschikt den wordenden mensch gade te slaan.

Van Dr. Rudolf Steiner hebben de leeraren der Vrije School een schat van kennis en aanwijzingen ontvangen, die hun een dagelijkschen steun zijn bij hun paedagogischen arbeid.

Want zonder toereikend inzicht loopt men gevaar door te kortzichtigen blik, of verblind door een schijnbaar direct succes, groot kwaad voor de toekomst aan te richten.

Gaan wij voor een duidelijke en regelmatige uiteenzetting terug tot het pasgeboren kind.

Het physieke lichaam is geboren. Ziel en geest, nog slechts in kiem aanwezig, zijn er op de innigste wijze mee verbonden, veel inniger, dan dat bij een volwassen mensch het geval is.

Het jonge kind is eigenlijk geheel zintuigwezen en uiterst sensitief voor de sfeer, die het omgeeft. Zoo subtiel is het waarnemingsvermogen van het jonge kind, dat het, wat moreel en geestelijk in zijn omgeving leeft, in zijn organisme opneemt. In ons bloed en zenuwleven werken invloeden voort, die uit de eerste levensjaren dateeren. Omringt het kind een sfeer, die goed, zuiver, rustig en harmonisch is, dan bloeit het op en ontvangt ook voor de toekomst een bron van kracht.

Want het is een foutieve gedachte, te veronderstellen dat wat men voor het lichaam doet, alleen het lichaam beïnvloeden zou, of wat men voor den geest doet zijn invloed op den geest alleen doet gelden.

Slechts een materialistische tijd als de onze kan een zóó dwaze en grove scheiding trekken. Lichaam, ziel en geest zijn een drie-eenheid, die wederkeerig elkander beïnvloeden en onafscheidelijk in ’t kind verbonden zijn.

Wat men voor het lichaam doet, heeft zijn uitwerking op ziel en geest, wat men voor den geest doet, heeft zijn uitwerking op ’t lichaam. Niet een eenzijdig spiritueele opvoeding is het tegendeel van een materialistische, dat is slechts een moderne verdwazing. Men kan bij het kind, lichaam en geest niet van elkaar scheiden. Bovendien is het lichaam niet de vijand van den geest, maar zijn drager. Lichaam, ziel en geest tot een schoone harmonie te doen opbloeien is de eenige werkelijk geestelijke opvoeding.

Maar keeren wij tot het jonge kindje terug!

We zagen reeds van hoe overwegenden invloed de hem omgevende sfeer is. Wat het voorstellingsleven betreft, leeft het kind in een elementairen droomtoestand. Herinnering is wel aanwezig, maar onbewust en gebonden aan zintuigelijke waarneming.

Na het 7e jaar komt het kind vrijer tegenover zijn voorstellingsleven te staan. Dit is niet meer in die mate gebonden aan de zintuigelijke waarneming en den wil tot bevrediging van de daardoor opgewekte begeerte.
Ook kan het kind nu vrijer terugzien op wat het beleefd heeft en wordt de herinnering bewuster.
Het is alsof met de tandenwisseling latente krachten, die eerst voor den opbouw van het physieke lichaam verbruikt werden, vrijgekomen zijn, waarover het nu de beschikking krijgt. Het onbestemde en onbewuste leven van het kleine kind begint meer vorm en vastheid te krijgen.
De vrije ontwikkeling van het zieleleven wordt nu pas mogelijk, met als direct gevolg een krachtige ontwikkeling van het gevoelsleven en het rythmische systeem (ademhaling en bloedsomloop).
Langs den weg van het gevoel en het rythme moet het kind in deze jaren onderwezen worden. In beelden moeten hem de begrippen worden bijgebracht, want het denkleven, dat pas na het 12e jaar tot zijn volle ontplooiing komt, moet nu nog gespaard. Zoozeer moet de leeraar in het kunstzinnige leven, dat zijn beeldend onderwijs, als iets van zelfsprekends tot het kind komt. Een intellectueel uitgedacht beeld, waaraan de leeraar eigenlijk zelf niet gelooft, maar wat hij van zijn hoogverheven standpunt als volwassene slim heeft bedacht om het kind iets duidelijk te maken, blijft waardeloos.

Daar evenwel het verstand en het geheugen van het kind zijn voorbestemd om ontwikkeld te worden, moet ook hiermee rekening gehouden. Het geldt dus de juiste maat te vinden.

Overmatig intellectueel onderwijs wreekt zich, doordat het kind bleek, nerveus en prikkelbaar wordt, onrustig gaat slapen, zelfs kan gaan slaapwandelen. Intellectueel onderwijs werkt verstarrend, ontneemt het kind te veel groei- en levenskrachten en mist ook in latere jaren zijn uitwerking niet. Rheumatiek, jicht, en bloedvatenverkalking hangen samen met te verstandelijk onderwijs in de jeugd.

Het tegendeel, te weinig geheugenstof bij ’t onderwijs kweekt slappe, paffige kinderen. Te weinig voedsel wordt dan door hoofd en zenuwen opgenomen. Het lichaam groeit te snel. Hierdoor vraagt de maag steeds om meer voedsel, dat echter deels niet verwerkt wordt. Niet alleen de denkprocessen gaan te traag, maar op den duur ook de spijsvertering. Het geheele kind maakt den indruk van te weinig intensief levend, te slap, te lusteloos, te hangerig, te vegetatief.

Er moet evenwicht zijn in de juiste mate van beeldend onderwijs en geheugenstof, maar óók in de geestelijke en lichamelijke inspanning. Door de geestelijke inspanning moet het verlangen naar de lichamelijke gewekt worden, niet omgekeerd. Overmate van lichaamsoefening verstompt den geest en werkt te emotioneerend, roept te sterk dierlijke instincten op. De sportwaanzin van dezen tijd is dan ook een zeer verontrustend verschijnsel, dat zich wreken moet.

In de jaren van 7—12 komt zeer veel op de menschelijke verhouding van opvoeder tot kind aan. Omdat het „ik” van het kind nog bij lange na niet tot volle ontwikkeling is gekomen, heeft het behoefte zich veilig te voelen en beschermd te weten door de leiding van dengene, wiens autoriteit het ten volle erkent. Zulk een autoriteit kan natuurlijk nooit op dwang- of strafbedreiging berusten, maar alleen op innige genegenheid en liefde. Met liefde geeft het kind zich geheel over aan de leiding van den volwassene, uit liefde wil het gehoorzamen. Is de verhouding de goede, dan beschouwt het kind hem als het toonbeeld van goedheid, wijsheid en waarheid. Zóó wil het ook worden, zóó goed, zóó verstandig, zóó edel, zóó oprecht. En hiermede legt de opvoeder de basis voor de moreele ontwikkeling van meisje of jongen. Want de neiging tot moraliteit moet in deze jaren worden aangekweekt. De grootste invloed gaat uit van het dagelijksche voorbeeld van den volwassene. Verder moeten wij het goede zóó tot het kind brengen, dat het welgevallen krijgt aan het nobele. Het moet in deze jaren het edele als iets zeer begeerenswaardigs leeren liefhebben en het slechte haten.

Wilsimpulsen moeten we van het jonge kind nog niet verwachten, dat zou te hooggegrepen zijn. En met „je zult” of „je zult niet” wekt men slechts den prikkel tot verzet. Een dwingend bevel roept geen moraliteit op, eer het tegendeel. Het kind wil uit eigen overtuiging het goede liefkrijgen, niet, omdat hem dit opgedrongen wordt. Zóó alleen kweekt men later menschen met moreele wilskracht.

Tusschen het 9e a 10e levensjaar grijpt er met het kind een verandering plaats. Bij het eene komt het iets vroeger, bij het andere later.
Het is of er een „bewustzijnsverdichting” optreedt. Het kind begint zichzelf als alleenstaande, op zichzelfstaande ikheid te beleven, tegenover en te midden van andere schepselen ieder met een specifiek eigen innerlijk leven.
Dit gevoel van eigen afgeslotenheid brengt een eenzaamheidsgevoel met zich. Eenigszins schuw trekt het kind zich terug en het is of het meer en dieper dan vroeger onze liefde en belangstelling noodig heeft. Het vraagt ons onbewust om liefde en eerbiediging van zijn persoonlijkheid, om erkenning van zijn ikheid.

Het zelfrespect wil groeien aan de hand van ons respect voor hem.

Het kind, dat afdaalde uit goddelijk-geestelijke sferen tot deze aarde, zet in zijn eerste levensjaren nog het nabootsend principe voort, dat hem in de geestelijke wereld beheerschte. Daar was het nabootsend wezen, daar nam het voortdurend uit de goddelijk-geestelijke wereld krachten in zich op. Dit nabootsend principe, dat het als baby nog zoo sterk vertoonde, legt het nu langzamerhand af.

Waar het vroeger ouders en opvoeders als vanzelfsprekende autoriteit erkende, begint er op dezen leeftijd een vage weifeling in het kind te komen. Met den groei van zijn bewustzijn is de zin tot critiek ontwaakt. Het 9 a 10 jarige kind ziet scherper. Het wil, dat de volwassenen door hun gedragingen hem bewijzen, dat zij het onbeperkte vertrouwen, de liefde, de vereering, die het hun toedraagt, waard zijn. ’t Is alsof het kind ons onbewust smeekt: „Val mij niet tegen”! „Bewijs, dat je zóó goed, zóó edel, zóó volmaakt bent, als ik dacht dat je was”.

Onbeperkt zijn de eischem, die een kind ons stelt. Eigenlijk willen zij, dat wij alles kennen, alles beheerschen, alles begrijpen. De maatstaf van de hemelsche volmaaktheid leggen ze ook ons aan, maar gaande weg worden hun de oogen voor de aardsche betrekkelijkheid geopend, de groote ontgoochelingen beginnen. Als aardewezens moeten zij zich steeds meer met het aardsche verbinden. Van al de aardsche tekortkomingen beginnen ze nu een vermoeden te krijgen. Het is of het kind terugschrikt, of het door middel van ons volwassenen, den band met het volmaakte, het goddelijke waaruit het gekomen is, wil vasthouden. Op dezen leeftijd heeft het een mensch noodig, die door eigen diep-vromen aanleg zich een klare wereldbeschouwing opbouwde; op dezen leeftijd behoeft het een fijn religieus mensch. Zonder dat er in woorden zooveel over godsdienst gesproken wordt, moet het omgeven worden door innig, waarachtig geestelijk leven.

Twee maal in het kinderleven treedt die „bewustzijnsverdichting” op, dat is op het 9e en op het 17e a 18e jaar.

Op het 9e jaar is het onze taak den band tusschen het kind en het hemelsche vast te houden, nu het bewuster tot het aardsche afdaalt, waardoor het in staat is, van nu af aan met vrucht dierkunde, plantkunde, aardrijkskunde en geschiedenis onderwijs te ontvangen. Op het 18e moet hem den weg tot het aardsche in zijn vollen omvang gewezen, maar het aardsche gezien tegen een geestelijken achtergrond. Het geldt hier dus een bestaande, hoewel onbewuste band met het spiritueele, die op het 9e jaar zwakker dreigt te worden, te versterken en het kind op het 18e jaar van het aardsche uitgaande een hernieuwde, nu bewuste band met de geestelijke wereld te helpen vinden.

In verband met die diepere, zij het misschien onbewuste, behoefte aan het religieuze, staat de dankbaarheid en de ontwikkeling van de liefde-capaciteit in een kind.

Een menschenleven wordt slechts rijk en gelukkig, en krijgt waarde naar gelang van de mate der liefde, die een mensch voor iets waardevols kan opbrengen. Zonder liefde is het leven een rampzalige mislukking. Graag willen wij, dat onze kinderen later een groote liefdekracht zullen ontwikkelen. Daarvoor moet hand aan hand met het godsdienstige de zin voor dankbaarheid worden aangekweekt, deze beide leggen den grondslag, waarop later de liefde ontbloeien kan.

„Dankbaarheid”, het klinkt wat antiek! De moderne mensch vindt haar een beetje lastig, leeft liever oppervlakkig heen over de dingen. Toch is geen menschelijke verhouding goed, waar het element van dankbaarheid ontbreekt. Want hier is natuurlijk niet de dankbaarheid van het welopgevoede kindje, dat netjes: „dank u wel”! heeft leeren zeggen, bedoeld.

Dankbaarheid kan zelfs zeer goed bestaan, zonder dat ze ooit onder woorden gebracht wordt. Zij moet als een tastbare ondergrond leven in de gevoelsverhouding tusschen twee menschen. Geen vriendschapsdaad, geen offer heeft groote waarde voor wie ze ontvangt, als niet het dankbaarheidsgevoel daarbij een zeer reëele plaats inneemt.

Wie zichzelf niet hooghoudt tegenover anderen, nonchalant met
gaven en giften omspringt, oogst geen respect nóch een ontroerd gevoel van dankbaarheid, maar spot en minachting. Wie met diepen eerbied voor het heilige, dat hij hoog te houden heeft er anderen van meedeelt, in geen enkel opzicht „goedkoop” is, nóch tegenover ’t eigen zelf, nóch in hetgeen men anderen te brengen heeft, wekt achting en dankbaarheid. Zulk een dankbaarheid, die gebaseerd is op grootsche verheven gevoelens, opent de mogelijkheid tot de ontwikkeling van een krachtige liefde in later jaren.

Wie nu uit het bovenstaande afleidt, dat het 9 a 10 jarige kind iets stils, iets inzichzelfgekeerds is, heeft het glad mis. Innig ontroerend is deze leeftijd. Het eene oogenblik hulpzoekend, stil, indachtig, het andere uitgelaten, overmoedig, branie-achtig. Ze onderschatten zichzelf lang niet, in deze bewustwordingsphase! Het zijn kostelijke opscheppertjes, die bij voorkeur studentikoze termen gaan gebruiken. „Een aardige jongen”, klinkt veel te tam. Als je al zulk een groot mensch van 10 jaar bent, spreek je van: „een getapte kerel”, of „een verdomd lollige vent”. En dat doe je met des te meer smaak, naarmate je vader of moeder het woord „verdomd” en „lollig” minder apprecieert.

Als je gevraagd wordt: „Ken je die, of die jongen”? dan luidt het antwoord: „Och ja, het heet een geschikte vent, maar ’t is mijn soort niet. Van het oordeel van anderen kun je trouwens toch niet op aan, je moet zelf een oordeel vormen.”

Tot een vriend, dien je troosten wilt, zeg je eigenwijs schouderophalend: „Och kerel, stoor je er niet aan, die lui weten niet beter, wij zouden dat .heel anders doen!”

Met een der mooiste gesprekken, die ik opving, wil ik dit stuk besluiten. Een 10-jarig baasje, dat sinds een jaar op de Vrije School is, ontvouwde een ander zijn toekomstplannen: „Zie je,” zei hij: „ik heb er nog eens rijpelijk over nagedacht, maar ik blijf er bij, al mijn kinderen gaan later naar de Vrije School!”

Wel ja, mijn jongen, een beetje zorg voor de toekomst kan geen kwaad!
.

C. J. Gischler, vrijeschool Den Haag, Ostara 1/5  06-1928

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiek: alle artikelen
.
1545

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritmen in de mens (3-14/1)

.

Ritmen in de mens

Met de ritmen in de mens heeft een arts dagelijks te maken. Hij voelt het ritme van de polsslag van de mens, hij luistert naar het ritme van de ademhaling, hij informeert naar de regelmaat van de stoelgang, hij vraagt of het lukt om de afwisseling van waken overdag en slapen ’s nachts goed na elkaar te voltrekken.

Als veel van deze ritmische functies goed blijken te verlopen, dan is daarin al een zekere aanwijzing te vinden dat de patiënt redelijk gezond is. Maar als er een storing in de gezondheid optreedt en een therapie nodig is, dan is het nooit zo, dat een eenmalige maatregel de stoornis zal opheffen. De therapie zal meestal ook in een ritmisch terugkerende maatregel liggen. Of het nu een medicament is dat drie maal daags wordt ingenomen, of een fysiotherapeutische behandeling drie keer per week of de beoefening van kunstzinnige therapie; altijd is er een ritme nodig om weer tot die gezondheid terug te keren.
Wat wordt in het ritme uitgedrukt?

We zien dat daar waar twee werelden, twee gebieden elkaar ontmoeten, een ritme ontstaat. De mens is een burger van twee werelden: aan de ene kant een burger van deze aarde, aan de andere kant woont hij in de geest. Doordat hij een burger van twee werelden is, van beide tegelijk, ontstaat tussen die twee werelden een derde wereld: de wereld van het ritme.

Je kunt dit verschijnsel ook in andere vormen waarnemen. Bijvoorbeeld, als het luchtelement in de vorm van wind over het waterelement blaast, ontstaan er golven; als het water van de zee over het vaste element van het strand loopt, ontstaan er ritmische zandbanken en kleine ribbeltjes. Dat is een ruimtelijke vorm, maar eigenlijk is het ritme een tijdsfenomeen.

Het oerbeeld van het ritme in de mens vinden we in de verschijnselen van zijn ademhaling en bloedsomloop. Ook daar is het duidelijk dat twee verschillende werelden elkaar ontmoeten.
In de ademhaling: de inademing neemt de wereld buiten ons op en laat de zuurstof, de temperatuur, de helderheid van de lucht, de geuren en alle andere kwaliteiten van de omgeving binnen, en met de uitademing worden de kwaliteiten van onze binnenwereld weer naar buiten afgegeven. Een afwisseling van spanning bij het inademen en ontspanning bij het uitademen, dieper naar binnen komen in het lichaam bij het inademen en wat meer los komen bij het uitademen (denk maar eens aan het lachen).

Aan iemands ademhaling is te horen of hij op het punt staat om in te slapen of om wakker te worden: bij het inslapen wordt de uitademing sterker en bij het wakker worden, het tot zichzelf komen, komt de nadruk op de inademing te liggen. Geboren is een mens als hij zijn eerste inademing heeft gedaan. Dan is hij pas echt op aarde. En hij verlaat deze aarde weer met de laatste uitademing. Het ritmische proces van de ademhaling laat op een archetypische wijze zien hoe dat ritme de verbinding schept tussen twee werelden.

Het ritme van de bloedsomloop wordt door het hart geschapen. Ook het hart bemiddelt tussen verschillende werelden, zoals bijvoorbeeld tussen de grote en de kleine bloedsomloop. maar ook tussen alle stofwisselingsprocessen in de buik en de processen in het hoofd. Het proces van de bloedsomloop speelt zich meer af binnen het lichaam. De indrukken van de buitenwereld komen via de longen en via de zintuigen tot ons.

Zoals het ademhalingsproces naar buiten is gericht, zo is de bloedsomloop naar binnen gericht. Toch hebben de ritmen van ademhaling en bloedsomloop met elkaar te maken. Hart en long reiken als het ware elkaar toch nog de hand en dat komt tot uitdrukking in het ritme van ademhaling en bloedsomloop, die in een verhouding tot elkaar staan van één tot vier. Op één ademhaling vinden vier hartslagen plaats.
Dat is een verhouding die we nog vaker zullen ontmoeten in de signatuur van de tijd, in het omgaan met de tijd. De signatuur, waarin het buiten en het binnen tot uitdrukking komen, het ontvangen van indrukken uit de buitenwereld en het actief van binnenuit reageren daarop.

Mercurius

In de Griekse mythologie was er één God die de opdracht had om te bemiddelen tussen Goden en mensen, tussen hemel en aarde. Het was die God die tot schutspatroon werd gekozen door die mensen, die op aarde goederen van de ene plek naar de andere moesten brengen, de handelaars en ook de zeevarenden, maar ook door hen, die de verplaatsing van goederen buiten de rechtsorde volbrengen: de dieven. Het was de God Mercurius, de bode der Goden.

Mercurius is echter ook de schutspatroon van de artsen. Men zou kunnen zeggen dat bij ziekte het verkeer tussen hemel en aarde is verstoord; bepaalde delen van het organisme worden te egoïstisch en eigenen zich, als dieven, bepaalde krachten toe, die eigenlijk elders thuis horen. Bij ziekte wordt de mens te aards of te hemels en dat is niet gezond. Mercurius zorgt dat het verkeer weer op gang komt, herstelt het evenwicht tussen hemel en aarde en zorgt dat er een nieuwe ontwikkeling ontstaat.

Het symbool van Mercurius is de staf met twee gekronkelde slangen. Eén slang zorgt voor het verkeer van de aarde naar de hemel en de andere slang zorgt voor het verkeer van de hemel naar de aarde. Als dat verkeer goed loopt, wordt de mens weer gezond.

Genezing komt altijd uit de wereld van het ritme. Ritme is als het ware het voertuig waarop Mercurius door de wereld rijdt.

Als arts ontdekte ik dat verschillende ritmen in de verschillende lagen van het mensenwezen hun werkzaamheid ontplooiden. Dat bleek uit het feit, dat ik medicamenten voorschreef in bepaalde ritmen; een gegeven dat vooral door het onderbewuste van de mens wordt opgenomen. Voor mij ontstond de vraag: kun je die verschillende ritmen ook niet vanuit het bewustzijn gaan hanteren. Kun je die ritmen die in de natuur van de mens zijn gelegen en corresponderen met de natuur buiten ons, met de zon, met de maan, met de aarde, kun je die niet zo bewust hanteren dat je ze in cultuur brengt.

Lagen

Eerst wil ik beschrijven wat bedoeld wordt met de ‘verschillende lagen in het mensenwezen’.

Als eerste laag vinden we het stoffelijke, fysieke lichaam, dat we gemeen hebben met de minerale wereld. Het fysieke lichaam wordt bestudeerd in de anatomie en we vinden daarin vaste, duurzame vormen. Er is een lange tijd (tien maanmaanden) voor nodig om dit fysieke lichaam op te bouwen. Daarna duurt het nog zo’n twintig tot vijfentwintig jaar voordat dit fysieke lichaam helemaal volgroeid is. Maar dat het fysieke lichaam de vorm kan behouden die het heeft en niet de wetten van de minerale wereld vertoont, met zijn chemische en natuurkundige afbraakprocessen, komt doordat er een tweede laag op inwerkt. Dat is de laag van onze levenskrachten, een organisme van tijdsprocessen die door de fysiologie wordt bestudeerd.

Het bijzondere van die processen is dat ze allemaal op elkaar afgestemd zijn; die processen vormen als het ware één geheel. Het levenskrachtenorganisme is om zo te zeggen de architect die zorgt dat alles één geheel vormt en als het dat niet meer is, dan zorgt dat organisme ervoor dat het weer ‘geheeld’ wordt. Het levenskrachtenorganisme is de ‘grote genezer’ in ons. Het is als het ware één groot ecologisch systeem, samengesteld uit allerlei sub-systemen. Alle schadelijke invloeden die op de mens inwerken, of het nu beschadigingen van het fysieke lichaam zijn of ‘verterende’ emoties uit de ziel, die invloeden worden door het ecologische vermogen van het levenskrachtenorganisme verwerkt, zodat het weer een nieuwe eenheid wordt. Maar voor de verwerking van die schadelijke invloeden is, zoals we zullen zien, een bepaalde tijd nodig.

Als derde laag zien we in de mens zijn zielenwezen. Het vermogen, dat hij met het dierenrijk gemeen heeft, om een bewustzijn te hebben, een afwisseling van waken en slapen, en het vermogen om van binnenuit te reageren op de buitenwereld.

Die reactie op de buitenwereld uit zich meestal in een beweging. Het bewegen is een typisch fenomeen bij het dierenrijk. Natuurlijk bewegen planten ook wel. Afhankelijk van de stand van de zon veranderen hun bloemen en bladeren van vorm en houding, maar dat zijn bewegingen die zo langzaam gaan, dat we die haast niet waarnemen en daarom ook niet van beweging spreken. De bewegingen van het dier kunnen we waarnemen, want daar heeft de tijd een korter bestek. Het tijdsprincipe in het zielengebied is al veel kortstondiger dan in het levenskrachtengebied. Tenslotte, als vierde en kroonlaag zien we, dat de mens uitstijgt boven de drie natuurrijken, door zijn geestelijke kern, zijn ik. Dat is het principe in de mens dat hem doet verschillen van alle andere levende wezens, dat hem uniek maakt, dat hem zijn creatieve vermogen schenkt en het vermogen tot bewustzijn van zichzelf geeft.

Dat ‘ik’-bewustzijn treedt op een heel bepaald moment op in het leven van een mens. Zo tussen het tweede en derde jaar gaat hij ineens ‘ik’ tegen zichzelf zeggen. Tegelijkertijd treedt een nieuw vermogen op, de gave van de herinnering, het vermogen om een bewuste relatie te hebben met de tijd. Die actieve, gewilde herinnering, die onafhankelijk is van indrukken van de buitenwereld, die is alleen aan de mens eigen. Pas bij de mens is het mogelijk de biografie te overzien. Door zijn herinnering kan de mens het verleden met het heden verbinden, omdat zijn verleden werkzaam wordt in zijn geweten. Hij kan ook vanuit zijn ‘ik’ zijn eigen toekomst scheppen. Met het bewustzijn van de tijd ontstaat tevens het bewustzijn van ontwikkeling, waardoor hij het innerlijk kan verdragen dat de toekomst weer anders zal zijn dan het nu is.

Tijd

In het verloop van een mensenleven verandert het beleven van de tijd. In de vroege jeugd, als de wereld nog wat paradijskarakter heeft, dan heeft de tijd in zijn beleven nog iets van de eeuwigheid. Dat is voortdurend nog een beetje tijdeloos. Heel anders is het in de puberteit. Dan is de tijd al veel aardser. Maar soms kan je belevenissen hebben, waar je zó in bent, waar je bij wijze van spreken zo alles om je heen vergeet, dat je daarna pas weer wakker wordt in de ‘gewone’ wereld. En dan zeg je ‘was het nog maar weer zoals toen’. Om met Goethe te spreken: ‘Verweile doch, Du bist so schön’.

Pas als de mens volwassen is geworden, als zijn eigenlijke ‘ik’-wezen is geboren, heeft hij het vermogen om te beleven, dat in het leven bloeien en verwelken, dood en opstanding, Stirb und Werde, beide nodig zijn – voor de ontwikkeling.

Samenhangend met het ontwaken van het ‘ik’-bewustzijn in de mensheidsgeschiedenis kan men ook zien, dat het beleven van de tijd ingrijpende veranderingen ondergaat. Als men ontdekt, dat de woorden modern en oud, of het woord anachronisme pas enkele eeuwen oud zijn en dat het begrip ontwikkeling pas in de vorige eeuw operationeel werd, dan kan men een vermoeden krijgen hoe jong eigenlijk nog het individuele ‘ik’-bewustzijn van de mensheid is.

Het omgaan met de tijd is een functie van het ‘ik’. Als het ‘ik’ binnentreedt in de tijd, dan treden ook de creatieve vermogens binnen in de aardewereld. Dan komen er allerlei dingen tot stand die onverwacht en onberekenbaar zijn. Maar dat gebeurt alleen maar als je daar de tijd voor neemt. In de haast ontstaan zulke creatieve, nieuwe dingen niet. In de haast worden alle handelingen tot routine-handelingen, dan komt er niets nieuws. Een van de beste manieren om cultuurvernieuwing tegen te houden is om het wezen van de tijd te verdonkeremanen.

Ik kan erg aanraden om daarvoor het belangrijke jeugdboek ‘Momo en de Tijdspaarders’ van Bruno Endlich eens te lezen. Daarin wordt het wezen van de tijd uiterst fijnzinnig beschreven; de mensen krijgen een aanbieding van de agenten van de Tijdspaarbank om, door hun werk zo effectief mogelijk te doen, tijd te kunnen sparen en daar dan bij de Tijdspaarbank uiteraard rente over te kunnen krijgen. Het gevolg is, dat het leven gestandaardiseerd wordt, de mensen haast krijgen en niet meer zelf erbij zijn, bij de gewone dingen van het dagelijkse leven. Hun ‘ik’ is uitgeschakeld. Ze beleven niets meer, ze krijgen geen invallen meer. Ze gaan lijden aan de dodelijke ziekte van de verveling. Alleen het ‘ik’ kan kiezen, en kan daarom ook bewust met tijdritmes omgaan.

Laten we nu eens naar de bekende tijdritmen kijken, die voor het grootste deel vanuit de natuur gegeven zijn, om na te gaan hoe deze met het mensenwezen samenhangen en in hoeverre we daarmee zo kunnen omgaan, dat we bij wijze van spreken deze natuur in cultuur brengen. We kijken dan naar de ritmen van de dag, van de week, van de maand en van het jaar.

Dagritme

Het ritme van de dag is nog het gemakkelijkst met het bewustzijn te omspannen. Het is ook een duidelijk fysiologisch ritme van waken en slapen. Het is echter niet alleen maar een erin of eruit zijn.

Zowel in het waken als in het slapen zit een bepaald verloop. Bij het ontwaken beleef je heel duidelijk, dat je langzaam tot jezelf komt, je zou kunnen zeggen van perifeer – ver weg – weer centraal wordt.

Het is vaak moeilijk om vanuit dat centrale, vanuit dat in het lijf binnengedoken zijn, weer contact te leggen met de wereld om ons heen. Vaak moeten we ons ertoe zetten om echt weer met de ziel naar buiten te gaan en over het ‘goede morgen’, dat nog niet veel meer dan een bereidverklaring tot contact inhoudt, heen te komen.
Aan het begin van de dag zitten we nog diep ‘onder’ in het lichaam en in de loop van de dag stijgen we dan op en raken steeds meer ook in ons hoofd geïncarneerd, we worden wakker.

Aan het eind van de dag begint dan weer het perifeer worden zich aan te kondigen. De indrukken van de buitenwereld, ook als die wat verder van ons verwijderd is, zijn sterker dan ’s ochtends, we zijn er dan gevoeliger en kwetsbaarder voor. Dat komt omdat we al weer een beetje buiten onszelf beginnen te komen. Tenslotte worden we weer helemaal perifeer en slapen we in. Het is een soort kringloop van ons wezen door het lichaam heen, ‘s ochtends in de stofwisseling en ‘s avonds eruit gaand bij het hoofd.

Als je dat weet, dan begrijp je plotseling het verschil tussen ochtend- en avondmensen. Ochtendmensen hebben meestal niet zo’n sterke stofwisseling, ze zijn er bij wijze van spreken zo doorheen en kunnen zich dan snel behaaglijk voelen, in dat deel van hun wezen, waar ze van nature wakker zijn. Maar zij zijn al in de loop van de middag moe en kunnen ’s avonds niet veel meer.

De avondmensen doen er lang over voordat ze echt zo wakker zijn, dat ze zich lekker voelen om hun dagtaak te kunnen doen. Voor hen kan de stofwisseling een probleem zijn waar ze zich doorheen moeten worstelen. Voorbeelden daarvan zijn mensen die lijden aan endogene depressies. Het zijn diegenen, die altijd stofwisselingsproblemen hebben (obstipatie, een miserabele eetlust, vieze smaak in de mond) en die met name moeten worstelen om in hun lever- en galorganisme door te dringen. De wanhopigste tijd is voor deze mensen de vroege ochtend, terwijl ‘s avonds het ‘innerlijk’ weer helemaal opgeklaard kan zijn.

Waken en slapen

Het ritme van waken en slapen heeft een heel ingrijpende invloed op ons lichaam. Er is zelfs een hele tak van wetenschap ontstaan voor het bestuderen van het zogenaamde circadiane ritme, het ritme van het etmaal. In de loop van een etmaal verschuiven bepaalde stoffen in het lichaamsvocht tussen de weefsels van binnen de cel naar buiten de cel. Ook het vermogen van het lichaam om bepaalde stoffen te verteren, verandert gedurende een etmaal. Zo kunnen bepaalde geneesmiddelen overdag dodelijk zijn, die in de nacht met gemak door het lichaam verteerd worden.

Het zal duidelijk zijn dat daarmee rekening kan worden gehouden in de therapie en met die kennis kan ook besloten worden op welk moment van de dag een bepaalde impuls ter kennisgeving kan worden gebracht aan het organisme. Soms laat een patiënt je zien, dat je er geen rekening mee houdt. Bij voorbeeld: een van de antroposofische therapieën bij migraine is dat men, om een patiënt beter te laten incarneren, hem ijzer (in combinatie met andere substanties) geeft, met de bedoeling dat dat ijzer de stofwisselingskrachten, die te sterk stijgen en in het hoofd dat kloppen en bonzen teweegbrengen, in toom houdt. Nu kon een patiënt, die het ijzer in de vorm van meteoorijzer kreeg, door omstandigheden die injectie pas in de middag komen halen. Het ging goed met zijn migraine, maar hij sliep het eerste deel van de nacht niet meer. Pas toen het mogelijk werd de injecties ’s ochtends te geven, was zowel de migraine als ook de slapeloosheid verdwenen. Ook Iscador, het antroposofische geneesmiddel tegen kanker, is een substantie die gegeven wordt aan het begin van de dag, om daarmee het ‘ik’ dat de eigenlijke schepper van de menselijke gestalte is en dat in gevaar is als iemand kanker heeft, te helpen bij zijn incarnerende fase.

In de laatste vijftien jaar is ontdekt dat ook het slapen een heel ritmisch proces is. Gedurende de nacht wisselt het heel diep slapen en het oppervlakkig slapen, waarbij de mens dan gaat dromen en snelle oogbewegingen maakt, die op het E.E.G. (Elektro Encefalogram) geregistreerd worden, elkaar af. Als deze beide fasen elkaar vaak afwisselen in een nacht dan is de slaap verkwikkend en wordt men uitgerust en als herboren wakker. Treden die snelle oogbewegingen niet vaak op dan is men niet uitgerust. Er vindt in de nacht een soort verwerking plaats, een ritmisch al ademend verwerken van de fysiologische en psychologische gebeurtenissen van de dag.

Bij bepaalde omstandigheden treedt dit ritmische verloop niet meer op, onder anderen bij hoge koorts, maar ook bij het gebruik van slaapmiddelen. Dan heeft dus het verwerkingsproces niet plaats gehad en zit men de volgende avond niet alleen met de problemen van de dag zelf, maar ook nog met die van de vorige dag. Geen wonder, dat slaapmiddelen uiteindelijk de slapeloosheid bevorderen.

Een goed er overdag in zijn, betekent dat je er ’s nachts ook goed uit kunt zijn. De ervaring leert dat als je overdag intensief erbij bent geweest, dat je dan ook goed kunt slapen. Haast verhindert om er goed bij te zijn en de poort naar de slaap is dan ook vaak gesloten.

Een van de mogelijkheden om er overdag goed bij te zijn, is het maken van een bewuste pauze, een moment, waarin je dingen doet die met het verloop van de dag niets te maken hebben, maar die je doet omdat jij ze zelf wilt.

Ik zal nooit de raad vergeten die een stratenmaker zijn uiterst nerveuze moeder gaf, die door haar nervositeit ook veel lichamelijke klachten had. Hij zei: ‘Nu zal ik eens even dokter zijn. Ik schrijf je voor: driemaal daags je nergens druk over maken’.

Vierdeling

Nu heeft de dag, het etmaal, ook een vierdeling. We komen hier de verhouding 1:4 weer tegen. Het midden van de dag, de eigenlijke nacht en dan de twee overgangstijden van de

helaas ontbreekt hier de rest van het artikel. Er is nog een tweede deel.

Joop van Dam, Jonas 15, 21-03-1980

.

Ritme: alle artikelen

.

1526

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-13)

.

De tijd als ritme van de dag

Van de tijdseenheden waarmee we leven, spreekt de dag van 24 uur ons het meest direct aan. In ritmisch opzicht is er ook een duidelijke polariteit: dag en nacht. De verdere indeling in 24 uren is dan meer een rekensommetje: 8 uur slapen en 16 uur om te verdelen over werk, eten en ontspanning. Die verdeling wordt meestal door de praktijk bepaald, door het werk dat er te doen is, door de verbreidheid die optreedt, door het eten dat op vaste uren op tafel staat, enz.
De maaltijden brengen voor het grootste deel van de mensen een heel bepaalde dagindeling, een zeker ritme met kleine variaties. Voor deze mensen is er dus door onze leefgewoonten een bepaalde dagindeling. Die kan meer of minder ritmisch zijn maar ze is er en ze speelt zich voor het grootste gedeelte buiten ons bewustzijn af. Voor 25 procent van de werkende mensen ligt de zaak anders. Deze 25 procent werken namelijk in continuediensten en -bedrijven. Hieronder vallen niet alleen de arbeiders bij Hoogovens of Philips e.a., maar ook bijvoorbeeld buschauffeurs, trambestuurders, verpleegkundigen, horecapersoneel. Dit is een zichzelf ontwikkelende toestand, want naarmate er meer mensen in continuedienst werken, moet er meer nachtelijk vervoer zijn, enz. Dit alles grijpt in elkaar en voert steeds meer tot het niet beleven van dag en nacht. Men denke hier ook aan mijnwerkers bijvoorbeeld die overdag ondergronds werken en in de winter nooit het daglicht zien. Het werkt ook door in de gezinnen. De kinderen leven nog min of meer regelmatig door hun schooltijden en dergelijke, maar de huismoeders worden voortdurend heen en weer geslingerd tussen de regelmaat van het leven van de kinderen en het onregelmatige leven van de man-vader. Voor de kinderen treedt een grote onregelmatigheid op in de tijden dat ze de vader zien. Behalve sociale problemen kan dit ook innerlijke conflicten oproepen.

Voor een deel van onze tijdgenoten is dus ritmisch leven uitgesloten. Iedere bedrijfsarts kan vertellen, hoeveel groter het ziekteverzuim is bij degenen die in onregelmatige diensten werken, dan bij degenen die hun vaste werktijden hebben. Aan het ziek worden door een onritmisch leven, kan in eerste instantie, de betekenis van het ritme voor de dagindeling worden afgelezen.

Er zijn blijkbaar wetten in onze dagindeling, die we niet straffeloos kunnen negeren, bijvoorbeeld slapen overdag en werken ’s nachts, het onregelmatig innemen van de hoofdmaaltijden en alles wat met deze ritmen samenhangt. Juist voor de mensen, die dit betreft, is het echter belangrijk te weten, dat er bepaalde wetten zijn, die met het ritme van de dag te maken hebben, ook al kan men aan de eigen levenssituatie op het moment niet veel veranderen.

Hier komt de vraag op, of men niet individueel dit ritme veranderen kan. Tot op zekere hoogte is dit mogelijk, wanneer het bewust gehanteerd wordt en het onritmische of een tijdsindeling met eigen ritme bewust gecorrigeerd wordt. Men kan bijvoorbeeld zeker zijn eigen middernacht scheppen, maar moet dan wel weten wat men doet en hoe men dit doen kan. Daartoe is het nodig te zien, of er een ‘objectief’ ritme is in de dag van 24 uur. We zullen daartoe uit moeten gaan van de geografische en biologische gegevens, om daarna te komen tot de werking op ziel en geest en omgekeerd van geest en ziel op deze natuurlijke gegevens.

Een etmaal kent twee grote polariteiten. We kunnen van de eerste polariteit uitgaan, die van dag en nacht. In onze wereld, die in tijdszones is ingedeeld, klopt de middernacht niet met 0 uur op de klok en de middag niet met 12 uur. Onze klokken lopen circa 50 minuten voor. De zon staat dagelijks op haar hoogste punt als het horloge 12.50 uur aanwijst. In de zomer wordt dat zelfs 13.50 uur. Ook deze tijden zijn een benadering, daar er tussen Amsterdam en Arnhem bijvoorbeeld nog een verschil van enkele minuten ligt. Dit vertroebelt ons beleven van de tijd. Vooral omdat we het hoogste punt van de zon, pas met veel oefening en ervaring kunnen waarnemen. De middernacht nemen we nooit waar aan de zon. Wel is dit mogelijk aan de maan, bijvoorbeeld bij volle maan. Dan staat hij te middernacht op de hoogste plaats aan de hemel, voor die nacht. Omdat deze hoogste plaats voor elke dag en nacht weer een andere is, behoort deze waarneming praktisch voor de gewone mens tot de onmogelijkheden. Wij leven naar ons horloge en moeten ons dus voor het beleven van de werkelijke middag of middernacht telkens even omschakelen, omdat het horloge ons maar ongeveer met de werkelijkheid verbindt. Daarin ligt reeds een stuk vervreemding van de natuur, dat wil zeggen van licht en duisternis. Als we weten hoe belangrijk het licht is voor alle leven, kunnen we ook tot het inzicht komen, dat het bewust waarnemen van licht en duisteris wel eens belangrijk zou kunnen in.

In zeker opzicht kunnen we dat ook. De polariteit van dag en nacht, staat in een zekere verhouding tot de polariteit van zomer en winter. In de winter zijn de dagen kort en de nachten lang, in de zomer is het omgekeerd. In onze streken is de kortste dag nog geen 8 uur en de langste iets meer dan 16 ½ uur. Van Kerstmis tot St.-Jan worden de dagen steeds langer en wel onregelmatig. Eerst langzaam en dan steeds sneller tot Pasen toe, na Pasen gaat het weer langzamer.
Omstreeks St.-Jan en Kerstmis blijven de dagen gedurende een week ongeveer even lang, omstreeks Pasen en Michael scheelt het per dag 4 of 5 minuten. Daarin zit dus reeds een zeker ritme; we leven iets versneld met het licht naarmate we van Kerstmis verder gaan naar Pasen, van Pasen tot St.-Jan worden we langzamer in de verlenging van de dagen, van St.-Jan tot Michael treedt weer een versnelling op, terwijl het van Michael tot Kerstmis weer vertraagt. Loopt dit niet merkwaardig parallel met het beleven van de ochtend en de avond ten opzichte van het nidden van de dag? Direct na zonsopgang neemt de hoeveelheid licht sneller toe dan later op de ochtend, en ’s avonds neemt het sneller af. Hierin onderscheidt zich het ritme duidelijk van regelmaat.

Daarmee zijn we tegelijkertijd bij de andere polariteit van de dag, namelijk morgen en avond. Naar uren gemeten duurt de schemering niet zo lang, maar kwalitatief zijn het opgaan van de zon en haar ondergaan hoogst belangrijk. Ze zijn dat voor het biologische leven maar vooral ook voor het zielenleven. Met wat voor een verlangen kunnen we in een slapeloze nacht uitzien naar de komst van het eerste licht. En hoe kan een kind ernaar verlangen dat het met St.-Maarten, St.-Nikolaas of Kerstmis donker wordt, of dat met St.-Jan het licht zo lang mogelijk blijft.

Er zijn echter ook ‘objectieve’ kenmerken van ochtend en avond. De kleuren zijn bijvoorbeeld anders dan overdag, intensiever en meer gedifferentieerd. Iedereen kent het verschijnsel dat de vogels een half uur voor zonsondergang zwijgen. Vaak kan men ook waarnemen, hoe voor de zonsopgang de wind sterker wordt en bij zonsondergang gaat liggen. Beleven we dag en nacht vooral bijna vertikaal als licht en duisternis, scherpe tegenstellingen, het beleven van ochtend en avond is meer het gaan van een horizontale weg. We gaan onze levensweg van de morgen tot de avond begeleid door ons wakkere bewustzijn, de dag en de nacht daarentegen kennen de tegenstelling van bewustzijn en bewusteloosheid. Vooralsnog is ons slechts 2/3 van ons leven min of meer bewust. Daartussen ligt telkens 1/3  waarvan we niets weten.

Hoe kunnen we nu met deze ritmen omgaan? Als we ontwaken worden onze zintuigen werkzaam. Bij sommige mensen ineens, bij anderen langzaam aan. Misschien wisten we eerst bij het wakker worden nog net iets van een droom, maar enkele minuten later is dat verdwenen. Onze wakkerheid neemt toe in de loop van de ochtend, maar midden op de dag is het net of we weer wat slaperig worden, een zekere loomheid overvalt ons. We hebben ons met onze zintuigen zo aan de wereld overgegeven, dat we onszelf als het ware aan de wereld verliezen.

In de Oud-Griekse wereld wist men, dat de natuur ons dan teveel gevangen nam en ons bewustzijn wat uitdoofde. Het hoofd van alle natuurwezens, de god Pan nam de mensen dan in het ootje en er ontstond paniek. Paniek ontstaat als de buitenwereld sterker wordt dan ons bewustzijn. Dat is midden op de dag een beetje het geval. Het is goed om er rekening mee te houden. Oude legenden kennen de middagsvrouw, die ons domme dingen laat doen.

De middernacht is anders. We hebben dan de diepste slaap. In de slaap beleven wij verfrissing. Dat komt omdat het bewustzijn overdag onze levenskrachten afbreekt. In de nacht kan zich dat herstellen. Maar de ziel heeft in de nacht ook haar eigen leven. Soms speelt er in onze dromen iets door, dat we in de nacht verwerken, wat we overdag hebben beleefd. Daardoor kijken we na een verfrissende nacht anders tegen de problemen van de vorige dag aan. We hebben er een nachtje over geslapen.

Wat speelt zich hier af? Aan de wisseling van dag en nacht worden we ons als Ik bewust. Ik neem waar en ik denk zolang ik wakker ben. Bij het in slaap vallen verliezen we het bewustzijn van het Ik. Juist door deze wisseling worden we ons van ons Ik bewust. Maar het bewustzijn verliezen, is niet hetzelfde als het verloren gaan van het Ik. Ons waarnemingsvermogen schiet tekort. Uit het verwerken van de dag in de nacht blijkt de activiteit van het Ik, want er is continuïteit van de ene dag op de andere. Het Ik lijkt alleen in de nacht vaak wijzer te zijn dan overdag. We moeten vaak veel moeite doen, om met ons dagbewustzijn te begrijpen wat we bij het ontwaken ‘intuïtief’ weten. Ja, we moeten zelfs moeite doen om dat weten niet onmiddellijk te vergeten. Reeds Nietzsche wist dat de nacht wijzer is dan de dag (‘Die Nacht ist weiser als der Tag gedacht’ uit Zarathustra).

Daarom zijn de overgangen van dag naar nacht en nacht naar dag zo belangrijk. Op dit gebied is wel vrijwel ieder mens geëmancipeerd van de natuurlijke gang van zaken. Wij gaan niet met de kippen op stok en staan niet op bij het hanengekraai. We doen dat naar eigen ritme.

Wie de gewoonte neemt om ’s avonds de dag te overzien, zal na korte tijd de vruchten daarvan bemerken in een meer consequent leven. We bereiden daardoor voor, wat we in de nacht onbewust gaan doen. We bereiden dat bewust voor. We brengen een klein stukje bewustzijn naar de nacht toe. Dit proces wordt bevorderd wanneer we deze terugblik teruglopend doen, dus beginnen bij de avond. Het voert hier te ver om dat geheel te funderen. Hier moet naar de werken van Rudolf Steiner verwezen worden, met name naar die boeken waarin de scholingsweg beschreven wordt. Een weg om te begrijpen wat hier gebeurt, is wanneer we ons duidelijk maken wat er gebeurt als we fysiek terug lopen. We moeten dan ‘ogen in de rug’ ontwikkelen, dat wil zeggen zekerheid krijgen van binnen uit, niet vertrouwend op de zintuigen, maar op een innerlijk gevoel. Als we ons verder op de nacht willen voorbereiden, is het goed ons te verdiepen in alles wat met het leven van de ziel te maken heeft wanneer het uiterlijke zich niet opdringt. Wie zich de tijd geeft om tot een gebed of meditatie te komen, versterkt zijn mogelijkheid om de nacht bewuster te gaan beleven. Want gebed en meditatie betekenen zich verdiepen in inhouden, die de ziel vervullen buiten de zintuigelijke indrukken om. Iedereen kent de ervaring dat een teveel aan zintuigelijke indrukken ons uitloogt. In het waarnemen door de zintuigen versterken wij ons Ik, we worden wakkerder. Maar een gezonde ontwikkeling van het Ik verlangt nu ook het polaire, het zich terugtrekken van de zintuigelijke indruk en het rust zoeken in zichzelf. Maar daarvoor moet er wel een inhoud zijn, omdat anders alleen de zintuigelijke indrukken nawerken.

Zo ontstaat dan een verdere versterking van het Ik. Het Onze Vader is een gebed dat in de eerste drie beden de hogere wereld zoekt en in de volgende vier (brood – schuld – verzoeking – het boze) de aardewereld zoals die er vanuit de geesteswereld uitziet. In dit laatste ligt vooral de zin van ochtendgebed en -meditatie: het leven in de nachtelijke zielen-geesteswereld als het ware mee te nemen in het leven met de zintuigen. Het is daarbij van belang dat dit in volle wakkerheid gebeurt. In het leven is iedere overgang van groot belang. Het wakker beleven van een overgang, bevrijdt ons van schrik en bewusteloosheid. De dingen overvallen ons dan niet meer, maar we treden ze tegemoet.

Zulk een overgang is ook het middaguur. We spraken eerder reeds over de paniek. Het toenemen van het licht is op het middaguur voorbij. De sterkte van de zintuigelijke indrukken neemt af. We hebben het allermeest uitgeademd en gaan nu weer inademen. Het is zaak niet buiten adem te raken en ons niet te laten overweldigen. Enkele minuten concentratie op een geestelijke inhoud zijn voor iedereen praktisch mogelijk. Als het meer dan enkele minuten kunnen zijn, werkt het sterker.

Tenslotte: vanuit het inzicht in dit ademingsproces van de dag en van dag en nacht zullen we – indien ons werk dat mogelijk maakt – ’s ochtends kunnen komen tot meer creatieve arbeid, ’s middags en ’s avonds tot een meer bezonnen opnemen. Voor de meeste mensen is dit nog niet mogelijk. Een ordening in die zin, hoort ook in een nieuwe maatschappij thuis, maar het weten omtrent deze wetten kan ook tot vindingrijkheid leiden.

.

Jacobus Knijpenga, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

.

1523

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

De onmacht van kalender en klok

Bewustzijn voor ritme en regelmaat

Een kort krantenbericht uit de afgelopen vrieswinter*: op Ameland maakt men normaal zijn afspraken in samenhang met de aankomst en afvaart van de boot: ‘we zien elkaar morgen bij de vroege boot’. Toen de boot bij de ijsgang niet meer varen kon, ontstond er een ander tijdsbewustzijn: we zien elkaar morgen om kwart over tien. Hier een abstracte aanduiding met behulp van het horloge, daar een aansluiting aan een concrete waarneming, die in het gewoonteleven verankerd lag.

Deze twee manieren om de tijd te ervaren doordringen ons hele leven. Op de voorgrond treedt de meetbare tijd. Het werk in werkplaatsen en fabrieken wordt ernaar ingedeeld, de lonen zijn uurlonen. Voor de vrije beroepen en de hogere functies in het bedrijfsleven gelden andere maatstaven: de kwaliteit van het werk, de ervaring en bijzondere capaciteiten worden uitgedrukt in het honorarium, maar de uiteindelijke waardering blijft kwantitatief. De status van velen wordt door de hoogte van het inkomen bepaald. [1]

Kwantiteit beheerst voor een groot deel ons uiterlijke leven. Toch kennen wij allen de uren, die we nooit vergeten omdat er iets wezenlijks voor ons leven gebeurde. Die uren worden niet gewaardeerd naar hun lengte, hun kwantiteit, maar naar hun kwaliteit. Ritmische herdenking van deze uren en dagen (bijvoorbeeld geboorte, huwelijk, enzovoort) vormt een wezenlijk bestanddeel van ons zielenleven. De oorspronkelijke gebeurtenis wordt telkens herhaald met alle gevoelens die er bij horen. Tot ze hun kracht beginnen te verliezen en tot routine worden. Routine werkt leven-slopend; ritme werkt leven-bevorderend.

Ritme is geen regelmaat. De klok kent regelmaat, het hart kent ritme. Het hart is nooit regelmatig. Door bepaalde gevoelens, door veranderende fysieke omstandigheden (maaltijden, slaap), gaat het sneller of langzamer kloppen. Maar het staat altijd in een zekere verhouding tot de ademhaling, namelijk één in- en uitademing op vier hartkloppen.

Dit fundamentele ritme van ons lichaam heeft merkwaardige samenhangen met een kosmisch ritme: 18 ademhalingen per minuut (uitgaande van 72 polsslagen) worden 1080 per uur, dat is 25920 per etmaal.

Het voorjaarspunt (het punt op de dierenriem waar de zon opkomt als dag en nacht in het voorjaar even lang zijn), verplaatst zich elk jaar een heel klein beetje, elk jaar 50 sec van de gradenboog. Dat wordt in 2160 jaar 10800 sec = 1800 min = 30°, dat is één teken van de dierenriem. 12 x 2160 jaar heeft het voorjaarspunt nodig om op dezelfde plaats weer terug te komen, dat is 25920 jaar. Dit zijn evenveel jaren als het aantal ademhalingen van de mens per etmaal. Dan heeft ons zonnestelsel één werelddag doorgemaakt.
Voor wie zich van deze samenhangen rekenschap geeft, wordt het duidelijk hoe sterk de mens in zijn ritmen met zon en aarde verbonden is. Ritmisch beleven van de tijd betekent dus verbinding met de wereld waaruit wij stammen. Deze verbinding wordt ons normaal niet bewust. Ze bestaat in de levensprocessen. Het bewust maken ervan kan het gevoel van verbinding met de wereld om ons heen versterken.

Er zijn andere ritmen, die meer in het bewustzijn liggen. Ze hangen eveneens samen met de verhoudingen in ons zonnestelsel en betreffen achtereenvolgens de tijdsritmen van dag, week, maand en jaar. Wat is het kenmerk van deze ritmen?

Allereerst leven we van dag tot dag zo, dat we van slapen gaan tot slapen gaan leven of van wakker worden tot wakker worden. Dat is een bewustzijnswisseling, verwant met in- en uitademen. We worden wakker en ademen met onze zintuigen de wereld om ons heen in, we gaan slapen en ademen uit. Aan het waken en slapen worden we ik-bewust. Wie niet goed slaapt en niet goed wakker is, verliest snel zijn ik-bewustzijn. Men denke hierbij aan het niet laten slapen van politieke gevangenen bijvoorbeeld.

Week-ritme

Een tweede ritme is dat van de week. Dit lijkt op zichzelf in ons organisme geen grondslag te hebben. het is meer psychisch. Er zijn in ons lichamelijk organisme wel grondslagen voor aanwezig, maar die liggen niet zo aan de oppervlakte als het ritme van de dag.
Men kan hier bijvoorbeeld denken aan de zeven jaren, waarin zich telkens een nieuwe levensfase, ook lichamelijk, openbaart. De namen van de weekdagen verwijzen ons naar de planeten. Maar dat zegt voorlopig niet meer dan dat men er vroeger een samenhang met de planetengoden in zocht.

Kan men een weg vinden om nu weer een verhouding tot dit getal zeven te krijgen? Hier ligt een van de belangrijkste vragen omdat telkens weer voorgestelde kalenderhervorming ook inhoudt dat het ritme van de week doorbroken wordt. Het historische gezichtspunt, dat hier terecht geldt, komt in een volgend artikel ter sprake. Hier kan voorlopig een volgende proefneming worden aangeduid om tot een begrip voor dit psychische ritme te komen.

Wie bijvoorbeeld een artikel moet schrijven of een lezing houden, kan drie dagen besteden aan het verzamelen van materiaal en daarna drie dagen aan de manier waarop men dit materiaal verwerken zal om dan op de zevende dag het artikel te schrijven of de lezing te houden. Juist omdat dit ideaal vaak niet te verwerkelijken is, kan men de resultaten vergelijken wanneer het werk wel of niet zo voorbereid is. Dit ritme geldt voor alles waarin wij productief moeten zijn. Een week als voorbereiding! De oer-productiviteit, de schepping van de wereld wordt beschreven in zeven dagen. Zou dat een waardeloze mythe zijn?

Laten we dit getal zeven nog eens bezien van de kant van de namen der planeten. We zagen reeds bij dag en nacht, bij in- en uitademing, dat ritme ook berust op polariteit, activiteit en passiviteit. Het oerbeeld hiervan vond Goethe in de plant. De plant heeft als oervorm het blad. Ritmisch afwisselend trekt zich dit samen of breidt het zich uit (zaad – kiemblad – stengel – blad – knop – bloem -vruchtbeginsel – vrucht). Als we nu de planetennamen in de week bezien, verschijnen de snellopende planeten (maan, mercurius, venus) afwisselend met de langzaamlopende (mars-jupiter-saturnus). De zon staat dan in het midden. Opnieuw een ritme in polariteit. De week verloopt ritmisch met de zon als rustpunt, de zondag als rustdag.

Eén enkel punt moet hier nog worden genoemd. Een zevenhoek is de eerste meerhoekige figuur, die niet exact-mathematisch te construeren is. Het getal 7 ontsnapt aan de ruimte en gaat zich in de tijd bewegen. Vandaar misschien dat het getal 7 in ons ruimtelijk organisme niet te vinden is?

Het derde ritme is dat van de maand, ten naaste bij dertig dagen. Het ritme van de maan is ruim 29 dagen. Hier klopt het dus niet precies. Het maanritme van ruim vier weken vinden we in eb en vloed weerspiegeld en in de vruchtbaarheidscyclus van de vrouw. Bovendien in het ontkiemen en groeien van de planten (zie de zaaikalender van Maria Thun). Het heeft dus kennelijk met onze levensprocessen te maken, nog iets minder bewust dan het zielenritme van de week. Levensritmen verlopen trager dan zielenprocessen, zoals zielenprocessen trager verlopen dan bewuste gedachtegangen en daden.

Tenslotte als vierde het ritme van het jaar. Dit richt zich naar de zon. We tellen onze jaren naar de ouderdom van ons fysieke lichaam. Telkens als de aarde één tocht rond de zon volbracht heeft is er één jaar verstreken. Op merkwaardige wijze hangt dit jaarritme weer samen met het getal 7. Na de eerste 7 jaar wisselen we onze tanden, na nog eens 7 jaar treden we in de puberteit en na nog eens 7 jaar is onze lichamelijke ontwikkeling voltooid. De verdere 7-tallen voltrekken zich meer merkbaar in de psychische sfeer maar toch ook meer verborgen in het lichamelijke.

Het jaar heeft ook zijn samenhang met het getal 4 van de maand in zijn vier jaargetijden. Zo heeft ook de dag vier perioden: nacht, morgen, middag en avond.

Samenhang

Ook dit is een kenmerk van levend ritme: de verschillende ritmen hangen met elkaar samen, maar ze gaan nergens in elkaar op. Het jaar is geen compleet aantal dagen (365, 2422), de maand is niet precies vier weken en ook geen geheel aantal dagen. Evenzo is de week geen geheel aantal dagen van 24 uur. Geen enkele dag is van zonsopgang tot zonsondergang even lang als de andere. Het lengen en korten van de dagen hebben we allemaal in ons bewustzijn, voorzover het langer of korter licht is. Maar het leeft minder in ons bewustzijn dat een dag duurt van zonsopgang tot zonsopgang en dat dat elke dag verandert, veel in voor- en najaar, weinig in winter en zomer. Daaruit volgt dat ook de week van zonsopgang op zondag tot zonsopgang op de volgende zondag van december tot juni steeds langer wordt en daarna steeds korter. De jaren zelf zijn alle even lang, maar de dagen, weken, maanden passen er niet in. Om het min of meer passend te houden hebben we schrikkeljaren nodig, die dan bij een eeuwwisseling weer uitvallen. Maar helemaal kloppen doet het nooit.

Dit is het kenmerk van ritme tegenover regelmaat: het eerste klopt nooit helemaal. Levensprocessen zijn bewegelijk.

Onze kalender weerspiegelt dat levende nog min of meer: de maanden zijn niet even lang, de paasdatum verschuift, op onregelmatige tijden zijn er feestdagen op een werkdag. Elke verstarring hiervan mag misschien voor industrie en zakenleven voordelen bieden, misschien is het ook gemakkelijker voor de statistiek, maar we worden er steeds verder door van het leven verwijderd.
.

J.Knijpenga, Jonas 15, *26-03-1976
.

[1] Merkwaardig is dat hier, waar een kwaliteitselement zich gaat uitdrukken in kwantiteit, door steeds meer mensen een onbillijkheid wordt beleefd. Waarom geven bepaalde kwaliteiten recht op een hogerre kwantiteit aan inkomen?

.

Ritme: alle artikelen

.

1512

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.