Tagarchief: kind 0-7 jr

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-1)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Toen ik* aan het begin van de jaren zeventig mijn eerste kind kreeg, hoorde ik tot de laatste generatie vrouwen voor wie het vanzelf sprak dat je dan je bezigheden buitenshuis staakte en ging ‘moederen’. Waarschijnlijk hoorde ik ook tot de eerste generatie ouders voor wie opvoeden niet meer vanzelf ging. Daarover moest je nadenken. Want we vertrouwden niet meer op tradities en ook niet meer op onze intuïtie, ieder pukkeltje bij de baby werd nageplozen in Spock en als je echt wilde meedoen, ging je ‘anti-autoritair’ opvoeden. Toen zeven jaar geleden* onze jongste dochter werd geboren, lag Spock in de prullenbak en was de anti-autoritaire opvoeding afgedankt.

De mode in opvoeding en verzorging wisselt dus net zo hard als die van je kleren. Dat is eigenlijk een rare zaak. Want een pasgeboren baby van nu is hetzelfde beloftevolle wezen als de baby van vijfentwintig jaar geleden. Net als toen wil je ook nu de voorwaarden scheppen voor de ontplooiing van die sluimerende beloftes. Het is de vraag of dat het beste lukt als je de mode volgt. Misschien is de kans dat je baby opgroeit tot een mens van deze tijd zelfs groter als je durft te vertrouwen op je eigen inzichten: inzichten die je krijgt door goed te kijken naar je kind. Dan zie je hoe het met iedere stap in zijn ontwikkeling zijn persoonlijkheid voor je ontvouwt, net alsof het telkens een beetje opnieuw wordt geboren. Als het voor het eerst zijn hoofdje optilt of zich triomfantelijk aan de spijlen van de box optrekt om te gaan staan, is het eigenlijk opnieuw tijd voor beschuit met muisjes.

Puur Kind kijkt met je mee naar al die momenten die het opgroeien van je kind tot een avontuur maken. Twee keer per jaar vol artikelen en informatie over verzorging en opvoeding: van baby tot peuter en kleuter.
.
*Petra Weeda

Een engel uit de boerenkool

De meest intense en zuivere ontmoeting die je met je kind kunt hebben, speelt zich direct na de geboorte af. In de maanden daarna verdiept die ontmoeting zich. Om dat heel bewust te ervaren, is het vooral belangrijk goed te kijken en te luisteren naar wat je baby je te vertellen heeft. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel en verpleegkundige Paulien Bom besteden* daarom in hun kinderartsenpraktijk in Utrecht veel aandacht aan hoe je je kind kunt leren waarnemen.

‘Eigenlijk zagen ze het vroeger zo gek nog niet,’ zegt kinderarts Schoorel. ‘Als je als nieuwsgierig kind aan een volwassene vroeg waar de baby’s vandaan komen, zei de één steevast “uit de boerenkool” en de ander “van de ooievaar”. Hoe je er ook tegenaan kijkt, een kind bestaat inderdaad uit twee delen: een kosmisch deel en een aards deel, die beide bij de geboorte tot één geheel worden samengevoegd. Het kindje dat zo parmantig uit de boerenkool komt kijken, kun je zien als een beeld voor de enorme groeikrachten van zijn lichaampje. De ooievaar daarentegen is de bode van de hemelkrachten. Hij houdt het kind – nog voor het oog afgeschermd – in een luier en brengt daarmee dat deel van het kind waardoor het nieuw en veelbelovend is.’

‘Kort na de geboorte heb je die beide helften van het kind in hun zuiverste vorm bijeen. De meeste moeders weten het ook; als de baby is geboren, is de kamer helemaal “vol” van het kind. Lukt het om de roes waarin je na de bevalling verkeert nog even vast te houden en niet direct je familie op te bellen of enthousiast met de videocamera in de weer te gaan, dan kun je op zo’n moment je kind werkelijk ontmoeten. Dat is een gouden belevenis. Het kind is dan zo nabij als het misschien nooit meer in je leven zal zijn.’

Verpleegkundige Paulien Bom heeft de ervaring dat ouders in de kraamtijd soms nog iets van die eerste intense ontmoeting met hun kind kunnen terughalen.
‘Je kunt bijvoorbeeld proberen elkaar te vertellen wat je aan je kind beleeft. Want dat kind verandert die eerste weken met de dag en van die veranderingen moet je elkaar deelgenoot maken voordat ze weer naar de achtergrond zijn gedrukt door nieuwe ervaringen. Daar heb je momenten van rust voor nodig en die zijn niet altijd even gemakkelijk in te bouwen; zeker niet in een tijd waarin je wordt opgejut door de stoere tendens meteen na de bevalling onder de douche te gaan en de volgende dag in de kleren. Moeders zijn vaak opgelucht als ik vertel dat de kraamtijd eigenlijk zes weken duurt. Als het je lukt om de wereld na de bevalling een tijdje klein te houden en je baby die eerste zes weken nog niet mee op stap te nemen, dan kun je de sfeer die het kind meebracht blijven vasthouden.’

Eigen karakter
Schoorel gaat ervan uit dat een kind de manier bepaalt waarop het geboren wordt. Natuurlijk hangt het verloop van een bevalling er ook mee samen hoe ontspannen de moeder is en of ze bijvoorbeeld wel of geen zwangerschapsgymnastiek heeft gedaan. Maar in de manier waarop de bevalling begint, soms weer even ophoudt en dan opnieuw begint, is toch al het karakter van het komende kind te herkennen. Die heel eigen stijl van het kind bepaalt ook of de bevalling vervolgens langzaam gaat of snel, of hij meteen na de geboorte gaat krijsen of eerst eens even ernstig rondkijkt.

In het verlengde hiervan ligt datgene wat het kind je in die eerste maanden na de geboorte laat zien. Ook daarin spreekt zich van alles uit, maar in een taal die je nog niet kent en die ook in geen enkel woordenboek staat. Je kunt die taal leren door zorgvuldig te kijken en te luisteren naar je kind en al je zintuigen daarvoor te gebruiken.
Schoorel: ‘Dat is helemaal niet zo makkelijk. Eigenlijk zou je dat het beste al voor je een baby krijgt kunnen oefenen door je voortdurend af te vragen wat je zintuigen je te vertellen hebben.’
Schoorel raadt ouders die met hun baby naar huis gaan – vooral als het een te vroeg geboren kindje is – aan om te leren waarnemen hoe warm de baby is. ‘De eerste paar dagen neem je regelmatig temperatuur op met de thermometer, maar je voelt hem ook even. Na een paar dagen weten je handen precies hoe warm je kind is. Controleer je handen nog enkele dagen met de thermometer en je zult zien dat het klopt en je die thermometer niet langer nodig hebt. Dat is handig, maar vooral ook leuk. Je merkt dat je gaandeweg in staat bent om ook andere signalen waar te nemen, zonder er meteen allerlei conclusies aan te verbinden. Gun jezelf bijvoorbeeld de tijd om buikkrampjes rustig even aan te zien zonder direct aan aangepaste voeding te gaan denken. Leg eventueel een kruik of een kamillewikkel op zijn buikje en bedenk dat je baby nooit eerder iets uit de buitenwereld in zich heeft opgenomen waarmee hij aan de slag moet om het te verteren.’

Het juiste moment bepalen
Ook Paulien Bom meent dat ervaring opdoen met je baby betekent dat je de dingen soms eens aankijkt. Als je baby het probleem zelf kan oplossen, moet je hem als ouder die kans niet ontnemen.
‘Dat gaat natuurlijk niet zonder huilen, maar op die momenten moet je net even iets sterker zijn dan je eigenlijk zou willen. Huilen kun je in wezen alleen maar verdragen als je het kunt zien als een uiting van je kind die bij zijn ontwikkeling hoort. Bovendien, aan voortdurend troosten zitten wel degelijk risico’s. Ik merk bijvoorbeeld dat ouders vaak niet doorhebben wanneer hun baby zou moeten gaan slapen. Door hem aandacht te geven als hij huilt, wordt hij juist wakkerder en raakt hij over zijn slaap heen. Wanneer het je lukt samen door te zetten en hem in dit geval toch gewoon naar bed te brengen, komt de baby na verloop van tijd meestal vanzelf in het juiste ritme terecht.’

‘Als een kind huilt, is hij aan het stemmen,’ vult Schoorel aan. ‘Een orkest vraag je ook niet om het stemmen voor een concert achterwege te laten omdat het zo hoogst onaangenaam klinkt. Huilen is het normale begeleidende verschijnsel van de twee delen van het kind die nog absoluut niet op elkaar zijn afgestemd. En dat blijft nog jaren zo. Het is ook niet gemakkelijk om al die kosmische intenties waarmee een kind wordt geboren in dat lijfje te krijgen. Dat is zoiets als een engel in de boerenkool zetten. Als de baby slaapt is er meestal geen probleem, maar iedere keer als hij wakker is voelt hij dat er iets wringt en schuurt. Eigenlijk kom ik zelden een moeder tegen die niet precies weet: dit is gewoon huilen omdat het wringt en dit is huilen omdat er echt iets aan de hand is. Dat merk je direct als je jezelf de mogelijkheid hebt gegeven ervaring op te doen met een manier van kijken, luisteren, voelen en ruiken die verder gaat dan de buitenkant van de baby. Als een kind ziek is, huilt het anders. En dan kom je natuurlijk onmiddellijk in actie.’

Liefdevolie distantie
Je kind waarnemen, is ook jezelf waarnemen. Waarom vind ik iets zielig? Waarom heb ik nu schuldgevoel? Waarom kan ik het niet opbrengen mijn kind eens flink te laten huilen?

De ouders die bij Edmond Schoorel in het kindertherapeuticum komen, kampen vaak met dit soort vragen. Ze zien het even niet meer zitten met hun kind dat het altijd benauwd heeft, zich openkrabt, niet meer slaapt of, als hij ouder wordt, dwars en ongehoorzaam is of veel te druk.
Schoorel: ‘Als deze ouders bij mij in de spreekkamer zitten, zijn ze geneigd iets te doen wat ze gewoonlijk niet doen. Ze leven dan namelijk even niet meer primair mee met hun kind, maar kijken samen met mij naar wat er nu eigenlijk aan de hand is. We bekijken dan bijvoorbeeld de tekeningen van het kind, kijken naar zijn bewegingen en luisteren naar hoe hij spreekt en ademt. Ik vraag ouders een paar minuten per dag gewoon achterover te leunen, een stemming van warme interesse bij zichzelf op te roepen en daarmee te kijken naar hun kind, met al zijn gekke dingen, zijn snottebellen, zijn gejengel en zijn ongehoorzaamheid.’
‘Ouders die bij mij komen zijn doorgaans in nood en dat maakt ze zeer gemotiveerd om beter naar hun kind te leren kijken. Maar ook als je niet in nood bent en een perfect gezonde zuigeling hebt, is het van belang goed te leren waarnemen. Daarvoor is het wel nodig dat je een middenweg vindt tussen de twee uitersten die in deze tijd veel relaties tussen ouders en hun kinderen kenmerkt: aan de ene kant extreem sentimentele verbondenheid met het kind en aan de andere kant het gebaar van distantie dat je maakt wanneer je het kind als door de lens van een camera bekijkt. In beide gevallen neem je je kind niet echt waar. Ergens tussen die twee uitersten zit een ander gebied: dat van de liefdevolle distantie.’

Schoorel legt uit wat dit betekent: ‘Ga eens vijf minuten bij de wieg staan. Neem je baby niet op om hem te knuffelen, maar kijk hoe hij ademt, hoe zijn oortjes en neusje zijn gevormd, hoe zijn voorhoofd welft, waar zijn handjes liggen en hoe zijn haartjes zijn ingeplant. Dat wat je direct na de geboorte van je kind in zijn zuiverste vorm hebt ontmoet, drukt zich uit in zijn lichamelijke kenmerken en die kun je ieder moment tot je laten spreken. Je hoeft niets te begrijpen of te interpreteren en toch zal het zijn vruchten afwerpen. Dat kan niet anders. Ik garandeer nooit dat alles beter zal gaan. Maar als het je lukt iedere dag vijf minuten met deze liefdevolle distantie naar je kind te kijken, dan ben jij een beetje een ander mens geworden en je kind ook, want dat vindt nieuwe kanalen om jou iets te zeggen.’

De kinderkamer
De zintuigen van een baby zijn nog heel open, zodat hij zich nog nauwelijks van zijn omgeving kan afsluiten. Alle indrukken die bij hem binnenkomen, werken nog heel lichamelijk. Een belangrijk thema in het eerste levensjaar van de baby is dan ook de verzorging van zijn directe omgeving: hoe richt ik de kinderkamer in, welke geluiden en geuren kunnen er doordringen, hoe verzorg ik zijn huidje? Ook wat je als volwassenen wel en niet zegt in aanwezigheid van de baby is van belang.
Schoorel: ‘Ouders en kind zijn nog heel sterk met elkaar verbonden. De navelstreng mag dan wel zijn afgebonden, op het gebied van ziekte en gezondheid is er de eerste zeven jaar nog een heel open verbinding. Al die tijd beweegt het kind mee met wat zijn ouders beleven – een zevenjarige misschien nog maar een uurtje, maar een baby vierentwintig uur per dag. Als je als moeder gespannen bent, is je kind dat ook. Dat uit zich bij het kind dan vaak in allerlei kleine kwaaltjes. Daar hoef je je niet schuldig over te voelen. Integendeel, het geeft inzicht in het samenspel tussen jou en je kind en daarmee biedt het je ook de mogelijkheid om de meeste problemen op dat gebied met betrekkelijk simpele maatregelen het hoofd te bieden.’

.
*Petra Weeda, Puur kind 1, lente 1998
.

Kindertherapeuticum

Edmond Schoorel: boeken

Petra Weeda: boeken

Weleda: voor de baby

.

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1429

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 1e klas – schrijven (2-4)

.

In dit artikeltje uit 1927! vind je de nog altijd actuele gezichtspunten over fantasie, leren schrijven en lezen door de letterbeelden.
Ik heb de spelling van die tijd laten staan.

 

NIEUWE GEZICHTSPUNTEN VOOR HET SCHRIJF- EN LEESONDERWIJS.

Indien men het zes- tot zevenjarige kind met onbevangen blik en met diepgaande belangstelling beschouwt, zal het voor ieder duidelijk zijn, dat zoo’n jong mensch een heel andere wereld heeft dan een volwassene. Bij de kleinste uitingen, in spel en ernst, merkt men dat hij tot zijn omgeving in heel andere verhouding staat dan de volwassene. Aan alle dingen ontwaakt zijn fantasie; voor de meest onbegrijpelijke zaken heeft hij belangstelling. Alles om hem heen is van leven bezield en het is alsof hij overal goede vrienden heeft, waar hij mee praten kan. Meestal bestaan die vrienden niet uit levende wezens, kameraadjes of dieren, neen in tegendeel, zijn kinderlijke fantasie brengt juist bij voorkeur de doode dingen tot leven. Hij spreekt met steenen en planten, houdt met een innige liefde van, voor de begrippen van oudere menschen, vaak leelijke dingen. Ook is een typisch verschijnsel, dat vele kinderen hun speelgoed voor andere spelen gebruiken, dan waar het voor bestemd was. Zoo kan men b.v. het poppenhuis bevorderd vinden tot stal, alle meubels ervan beesten. Ieder zal in staat zijn uit eigen ervaring nog tallooze overeenkomstige voorbeelden aan te halen. In de eerste levensjaren kan men de fantasie van het kind vrij spel laten. Jammer genoeg is er door de veranderingen, die het speelgoed in onzen modernen tijd ondergaan heeft, veel waardevols verloren gegaan. De groote perfectioneering, die het in de oogen der volwassenen aantrekkelijker maakt, doet het voor de kinderen ten eenenmale ongeschikt zijn, daar zij geen mogelijkheid meer vinden om er hun fantasie aan te ontwikkelen. Voor ,,kinderfantasie’’ blijft bij het tot in de kleinste finesses uitgewerkte speelgoed niet veel over. En maar al te dikwijls hoort men de klacht, dat de kinderen hun ,,mooie speelgoed’’ laten staan voor, wat ouderen geneigd zijn, een prul te noemen. Of wel hun verbeeldingskracht in een richting, die met de oorspronkelijke bedoeling van het stuk in het geheel geen rekening houdt en het de meest curieuse gedaanteveranderingen doet ondergaan.

Nu wordt het kind ouder. De tijd van naar school gaan nadert. Het is een groote overgang, een heele nieuwe wereld wacht. En hoe verschillend is die van zijn sprookjesland. Voor fantasie is geen plaats meer. Hij komt al dadelijk in ,het practische leven’ moet leeren lezen, schrijven, rekenen. Om te beginnen moeten hem de letters worden bijgebracht. Weinig wordt er aan gedacht, hoe dit te doen in een reëele aansluiting aan het bewustzijn, dat het kind tot op dat oogenblik bezit. Te veel wordt ook daarbij uitgegaan van eenvoudig „mededeelen”, zooals dat onder volwassenen op zijn plaats zou zijn. Het kind kan niet inzien, waarom de ,,groote menschen” het eene figuurtje p, het andere k noemen. Hij heeft geen verbinding met de teekens. Natuurlijk zal hij ze binnen korten tijd den zelfden naam geven als de volwassenen, omdat hij het eenvoudig na kan zeggen. Maar voor zijn eigen wezen blijven de dingen vreemd en men brengt als opvoeder het kind volkomen onbegrijpelijke niet alleen, maar ook onverteerbare kost bij. Er wordt iets gedaan, wat tegen het ware wezen van het kind indruischt. Hoe kan men nu tegemoet komen aan de behoeften van het kind en hem dan op andere, minder intellectueele wijze, de letters leeren? Het antwoord op deze vraag gaf Rudolf Steiner. Hij wees er op, hoe men als opvoeder van jonge kinderen beginnen moet de eigen fantasie te ontwikkelen. Hij toonde aan, hoe de letterteekens in vroegere tijden b.v. bij de Egyptenaren ontstonden uit beelden. Langzamerhand veranderde zich dit beeldenschrift tot eenvoudiger teekens en men kan van de tegenwoordige letters zeggen, dat ze op een afspraak tusschen menschen berusten. Nu zou men het kind plotseling en onvoorbereid de moderne schrijfteekens willen bijbrengen. Men kan heel gemakkelijk het kind den ontwikkelingsgang van beeld tot teeken opnieuw laten beleven. Het is niet noodig om nu kultuurgeschiedenis te gaan studeeren. Er kan verband gelegd worden door een beeld tusschen letterteekens en klanken en het is overgelaten aan de vrije verbeeldingskracht van den leeraar om beelden voor de letters te vinden, die ontleend zijn aan dier- of plantenvormen, of wel aan het een of andere voorwerp. En men kan waarnemen, hoe een op die manier geleerde letter door de kinderen innerlijk aangenomen wordt. Het is geen vreemd ding voor hen gebleven. Als men de kinderen die beelden laat schilderen, zoodat de letter langzaam te voorschijn komt, dan laat teekenen, met handen en voeten beleven, zoodat ze opgenomen worden door het geheele lichaam en niet alleen door het hoofd, dan kan men spoedig merken, hoe levenwekkend en frisch het op hen werkt. Hun fantasie kan zich uitleven en zij komen er zelfs toe in de hun nog niet bekende letters zelf beelden te zien. Als volwassene kan men er zich in verheugen, als men een verhaaltje in dergelijk zelf uitgevonden beeldenschrift kan voorschrijven voor de kinderen. En als er dan langzamerhand overgegaan moet worden van beeld tot abstracte letter en, om een concreet voorbeeld te noemen, de dansende beer verandert in een B, dan kan men merken, hoezeer het de kinderen ter harte gaat, als hij stuk voor stuk alles gaat verliezen, haren en ooren van hem afvallen enz. tot er ten laatste de B overblijft. Op een dergelijke manier leven de kinderen de letters innerlijk mee. En het komt zelden voor, dat er een letter vergeten of fout geschreven wordt. Alle lettervormen kunnen gebruikt worden, zoowel hoofdletters als schrijf- of drukletters. Met een beetje fantasie kan men de vormen afleiden van de eene die behandeld is. Als voorbereiding van het schrijven kan men de kinderen eenvoudige vormen laten teekenen, daarna hebben ze steeds gelegenheid zich aan de letters, die groot en duidelijk gemaakt moeten worden, te oefenen. Letters of woorden, zelfs zinnen worden niet gelezen, voor ze door de kinderen nageteekend of geschreven kunnen worden, het lezen ontwikkelt zich geheel van zelf sprekend uit het teekenend schrijven. Bij deze manier van schrijven en lezen leeren blijven leerlingen en leeraren frisch. Van den opvoeder worden telkens andere, nieuwe vormen gevraagd. Zijn vindingrijkheid kan niet verdorren. Men moet steeds voor iedere nieuwe klas andere beelden bedenken. Soms zal men er naar moeten streven, zooveel mogelijk humoristische beelden te gebruiken, terwijl voor andere kinderen het ernstige of lieflijke meer in aanmerking zal komen. Dat ligt geheel aan den geest der klasse. Ook kan men aansluiten bij een verteld sprookje. Zoo kan er altijd afwisseling zijn.

G.Hartman, Ostara vrijeschool Den Haag, juni 1927

.

1e klas: schrijven – alle artikelen

1e klas: Rudolf Steiner over schrijven en lezen

1e klas: alle artikelen

 VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle letterbeelden

.

858

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.