Tagarchief: baby

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

.

Beschermend badwater

Om schoon te worden heeft een kleine baby de dagelijkse badbeurt eigenlijk nog niet nodig. Toch kan regelmatig baden met een heilzame substantie in het water in een aantal gevallen een eenvoudige maar doeltreffende oplossing bieden voor een probleem. Uit de vele goede natuurlijke oliën die er verkrijgbaar zijn, kun je juist die kiezen die voor jouw kind het meest geschikt is.

Zo geborgen als toen hij nog in het lichaam van zijn moeder was, zal een baby zich na de geboorte nooit meer voelen. Daar werd hij voortdurend heen en weer gewiegd, zonder honger en dorst en in een constante aangename temperatuur. Bij iedere beweging voelde hij de begrenzende en beschermende aanraking met de baarmoeder. Na de geboorte komt de baby abrupt in een totaal andere toestand terecht. Hij wordt blootgesteld aan licht, lucht en zwaartekracht. Hij voelt kou, honger en dorst en als hij zijn armpjes beweegt is er de grenzeloze ruimte. Uiteraard verlangt dat kleine, open wezentje de eerste weken vooral naar een situatie die zo veel mogelijk lijkt op die van voor de geboorte, en daar speel je als ouders ook op in. Door het warmte te geven, te koesteren, te voeden en het zo nu en dan te baden in zijn vertrouwde element: water.

Reinigen en verwarmen

Wil je je baby of peuter verwennen met een lekker verwarmend bad, dan is een olie als Calendula Babyolie (Weleda)* altijd goed. Voordat je de olie aan het badwater toevoegt, kun je de olie ( het beste eerst in een (jam)potje met wat warm water goed schudden tot je kleine belletjes ziet.

Maar natuurlijk snuffel je ook eerst aan je baby om te weten wat hij er voor eentje is en stem je voeding en verzorging op zijn behoefte af. Lang niet iedere baby kan zich meteen aanpassen aan het gemiddelde ritme van voeden en slapen en lang niet iedere pasgeboren baby geniet er bijvoorbeeld van als je hem dagelijks in bad doet. Dat hoeft geen enkel probleem te zijn, want om schoon te worden heeft een zuigeling het bad eigenlijk ook nog niet echt nodig. Het reinigen gaat zeker zo goed met een beetje babyolie en wat babycrème of babybalsem voor de billetjes. Daarna is één keer per week in bad meestal ruim voldoende.

Een moeilijke start

Toch kunnen er omstandigheden zijn waarin het goed is ook de kleine baby regelmatig te baden: als de baby onrustig is en veel huilt, of als hij of een moeilijke start maakte na een zware bevalling of een verblijf in de couveuse. In die gevallen kun je hem helpen zich aan te passen aan het ‘aardse’ ritme door hem regelmatig te baden in water waar een heilzame substantie aan toe is gevoegd. Weleda Baby- en Kinderbad is daar een uitstekend geschikt middel voor, omdat het een ontspannende werking heeft en bij wijze van spreken een beschermend laagje om zijn huidje legt. Ook op een drukke peuter werkt Weleda Baby- en Kinderbad harmoniserend.

Als je baden voor je kind als therapeutisch middel gebruikt, is het belangrijk dat je erop let dat de temperatuur van het water niet hoger is dan 37 graden en dat je de baden gedurende een bepaalde tijd ritmisch toepast, dat wil zeggen twee of drie keer per week. Om de therapeutische werking niet weer teniet te doen, kun je zo’n bad beter niet combineren met zeep om de baby te wassen. Het bad werkt verder het beste als het kind daarna lekker onder de wol wordt gestopt.

Inwrijven met olie

Een angstige peuter of kleuter kun je ontspannen door een lavendelbad. Je versterkt de werking daarvan door hem voor het slapen gaan ook nog in te wrijven met een goede olie. Dat kan Calendula Babyolie zijn maar er bestaat een scala aan mogelijkheden met olie. Voor kinderen (en volwassenen!) die zeer gevoelig zijn voor zintuigindrukken – wat zich bijvoorbeeld uit in buikkrampjes – werkt ook Solum uliginosum van Wala heel ondersteunend. De olie breng je op met rustige, draaiende bewegingen naar de wervelkolom toe, van boven naar beneden. Ook de armpjes en beentjes masseer je van boven naar beneden. Bij de buik kun je het beste altijd met de klok mee draaien. Bij heel kwetsbare kinderen of bij baby’s met buikkrampjes kun je onder het hemdje dan bovendien nog een zacht zijden lapje op de buik leggen waardoor dit gebied van de stofwisseling nog wat extra wordt beschermd. Ook een paar theelepeltjes venkel- of kamillethee kunnen de buikkrampjes van de baby helpen verlichten.

Andere heilzame baden

Ook een mollige, dromerige peuter die vaak wat traag en snotterig is, kun je zo nu en dan in een heilzaam bad stoppen: maar dan natuurlijk niet met rustgevende lavendelolie! Bij het dromertje wil je juist wat meer belangstelling voor de wereld wekken en daarvoor is een bad met een handje zeezout erin heel geschikt. Zo’n bad mag zeker niet te warm zijn en het is het beste om het kind er maar kort in te laten zitten. Het is ook het enige bad dat je niet voor het slapen gaan geeft, omdat het er juist op is gericht te activeren. Het zout-bad kun je eventueel afwisselen met een dennennaalden- of rozemarijnbad, die dezelfde opwekkende werking hebben. Wanneer je hem na het bad ook nog inwrijft met rozemarijnolie (alleen op recept verkrijgbaar), dan zal zelfs de grootste dromer wakker de wereld in stappen.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.


 

 

 

 

 

 

 

meer Weleda

.

1441

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Toen ik* aan het begin van de jaren zeventig mijn eerste kind kreeg, hoorde ik tot de laatste generatie vrouwen voor wie het vanzelf sprak dat je dan je bezigheden buitenshuis staakte en ging ‘moederen’. Waarschijnlijk hoorde ik ook tot de eerste generatie ouders voor wie opvoeden niet meer vanzelf ging. Daarover moest je nadenken. Want we vertrouwden niet meer op tradities en ook niet meer op onze intuïtie, ieder pukkeltje bij de baby werd nageplozg in Spock en als je echt wilde meedoen, ging je ‘anti autoritair’ opvoeden. Toen zeven jaar geleden* onze jongste dochter werd geboren, lag Spock in de prullenbak en was de anti-autoritaire opvoeding afgedankt.

De mode in opvoeding en verzorging wisselt dus net zo hard als die van je  kleren. Dat is eigenlijk een rare zaak. Want een pasgeboren baby van nu is hetzelfde beloftevolle wezen als de baby van vijfentwintig jaar geleden. Net als toen wil je ook nu de voorwaarden scheppen voor de ontplooiing van die sluimerende beloftes. Het is de vraag of dat het beste lukt als je de mode volgt. Misschien is de kans dat je baby opgroeit tot een mens van deze tijd zelfs groter als je durft te vertrouwen op je eigen inzichten: inzichten die je krijgt door goed te kijken naar je kind. Dan zie je hoe het met iedere stap in zijn ontwikkeling zijn persoonlijkheid voor je ontvouwt, net alsof het telkens een beetje opnieuw wordt geboren. Als het voor het eerst zijn hoofdje optilt of zich triomfantelijk aan de spijlen van de box optrekt om te gaan staan, is het eigenlijk opnieuw tijd voor beschuit met muisjes.

Puur Kind kijkt met je mee naar al die momenten die het opgroeien van je kind tot een avontuur maken. Twee keer per jaar vol artikelen en informatie over verzorging en opvoeding: van baby tot peuter en kleuter.
.
*Petra Weeda,

Een engel uit de boerenkool

De meest intense en zuivere ontmoeting die je met je kind kunt hebben, speelt zich direct na de geboorte af. In de maanden daarna verdiept die ontmoeting zich. Om dat heel bewust te ervaren, is het vooral belangrijk goed te kijken en te luisteren naar wat je baby je te vertellen heeft. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel en verpleegkundige Paulien Bom besteden* daarom in hun kinderartsenpraktijk in Utrecht veel aandacht aan hoe je je kind kunt leren waarnemen.

‘Eigenlijk zagen ze het vroeger zo gek nog niet,’ zegt kinderarts Schoorel. ‘Als je als nieuwsgierig kind aan een volwassene vroeg waar de baby’s vandaan komen, zei de één steevast “uit de boerenkool” en de ander “van de ooievaar”. Hoe je er ook tegenaan kijkt, een kind bestaat inderdaad uit twee delen: een kosmisch deel en een aards deel, die beide bij de geboorte tot één geheel worden samengevoegd. Het kindje dat zo parmantig uit de boerenkool komt kijken, kun je zien als een beeld voor de enorme groeikrachten van zijn lichaampje. De ooievaar daarentegen is de bode van de hemelkrachten. Hij houdt het kind – nog voor het oog afgeschermd – in een luier en brengt daarmee dat deel van het kind waardoor het nieuw en veelbelovend is.’

‘Kort na de geboorte heb je die beide helften van het kind in hun zuiverste vorm bijeen. De meeste moeders weten het ook; als de baby is geboren, is de kamer helemaal “vol” van het kind. Lukt het om de roes waarin je na de bevalling verkeert nog even vast te houden en niet direct je familie op te bellen of enthousiast met de videocamera in de weer te gaan, dan kun je op zo’n moment je kind werkelijk ontmoeten. Dat is een gouden belevenis. Het kind is dan zo nabij als het misschien nooit meer in je leven zal zijn.’

Verpleegkundige Paulien Bom heeft de ervaring dat ouders in de kraamtijd soms nog iets van die eerste intense ontmoeting met hun kind kunnen terughalen.
‘Je kunt bijvoorbeeld proberen elkaar te vertellen wat je aan je kind beleeft. Want dat kind verandert die eerste weken met de dag en van die veranderingen moet je elkaar deelgenoot maken voordat ze weer naar de achtergrond zijn gedrukt door nieuwe ervaringen. Daar heb je momenten van rust voor nodig en die zijn niet altijd even gemakkelijk in te bouwen; zeker niet in een tijd waarin je wordt opgejut door de stoere tendens meteen na de bevalling onder de douche te gaan en de volgende dag in de kleren. Moeders zijn vaak opgelucht als ik vertel dat de kraamtijd eigenlijk zes weken duurt. Als het je lukt om de wereld na de bevalling een tijdje klein te houden en je baby die eerste zes weken nog niet mee op stap te nemen, dan kun je de sfeer die het kind meebracht blijven vasthouden.’

Eigen karakter
Schoorel gaat ervan uit dat een kind de manier bepaalt waarop het geboren wordt. Natuurlijk hangt het verloop van een bevalling er ook mee samen hoe ontspannen de moeder is en of ze bijvoorbeeld wel of geen zwangerschapsgymnastiek heeft gedaan. Maar in de manier waarop de bevalling begint, soms weer even ophoudt en dan opnieuw begint, is toch al het karakter van het komende kind te herkennen. Die heel eigen stijl van het kind bepaalt ook of de bevalling vervolgens langzaam gaat of snel, of hij meteen na de geboorte gaat krijsen of eerst eens even ernstig rondkijkt.

In het verlengde hiervan ligt datgene wat het kind je in die eerste maanden na de geboorte laat zien. Ook daarin spreekt zich van alles uit, maar in een taal die je nog niet kent en die ook in geen enkel woordenboek staat. Je kunt die taal leren door zorgvuldig te kijken en te luisteren naar je kind en al je zintuigen daarvoor te gebruiken.
Schoorel: ‘Dat is helemaal niet zo makkelijk. Eigenlijk zou je dat het beste al voor je een baby krijgt kunnen oefenen door je voortdurend af te vragen wat je zintuigen je te vertellen hebben.’
Schoorel raadt ouders die met hun baby naar huis gaan – vooral als het een te vroeg geboren kindje is – aan om te leren waarnemen hoe warm de baby is. ‘De eerste paar dagen neem je regelmatig temperatuur op met de thermometer, maar je voelt hem ook even. Na een paar dagen weten je handen precies hoe warm je kind is. Controleer je handen nog enkele dagen met de thermometer en je zult zien dat het klopt en je die thermometer niet langer nodig hebt. Dat is handig, maar vooral ook leuk. Je merkt dat je gaandeweg in staat bent om ook andere signalen waar te nemen, zonder er meteen allerlei conclusies aan te verbinden. Gun jezelf bijvoorbeeld de tijd om buikkrampjes rustig even aan te zien zonder direct aan aangepaste voeding te gaan denken. Leg eventueel een kruik of een kamillewikkel op zijn buikje en bedenk dat je baby nooit eerder iets uit de buitenwereld in zich heeft opgenomen waarmee hij aan de slag moet om het te verteren.’

Het juiste moment bepalen
Ook Paulien Bom meent dat ervaring opdoen met je baby betekent dat je de dingen soms eens aankijkt. Als je baby het probleem zelf kan oplossen, moet je hem als ouder die kans niet ontnemen.
‘Dat gaat natuurlijk niet zonder huilen, maar op die momenten moet je net even iets sterker zijn dan je eigenlijk zou willen. Huilen kun je in wezen alleen maar verdragen als je het kunt zien als een uiting van je kind die bij zijn ontwikkeling hoort. Bovendien, aan voortdurend troosten zitten wel degelijk risico’s. Ik merk bijvoorbeeld dat ouders vaak niet doorhebben wanneer hun baby zou moeten gaan slapen. Door hem aandacht te geven als hij huilt, wordt hij juist wakkerder en raakt hij over zijn slaap heen. Wanneer het je lukt samen door te zetten en hem in dit geval toch gewoon naar bed te brengen, komt de baby na verloop van tijd meestal vanzelf in het juiste ritme terecht.’

‘Als een kind huilt, is hij aan het stemmen,’ vult Schoorel aan. ‘Een orkest vraag je ook niet om het stemmen voor een concert achterwege te laten omdat het zo hoogst onaangenaam klinkt. Huilen is het normale begeleidende verschijnsel van de twee delen van het kind die nog absoluut niet op elkaar zijn afgestemd. En dat blijft nog jaren zo. Het is ook niet gemakkelijk om al die kosmische intenties waarmee een kind wordt geboren in dat lijfje te krijgen. Dat is zoiets als een engel in de boerenkool zetten. Als de baby slaapt is er meestal geen probleem, maar iedere keer als hij wakker is voelt hij dat er iets wringt en schuurt. Eigenlijk kom ik zelden een moeder tegen die niet precies weet: dit is gewoon huilen omdat het wringt en dit is huilen omdat er echt iets aan de hand is. Dat merk je direct als je jezelf de mogelijkheid hebt gegeven ervaring op te doen met een manier van kijken, luisteren, voelen en ruiken die verder gaat dan de buitenkant van de baby. Als een kind ziek is, huilt het anders. En dan kom je natuurlijk onmiddellijk in actie.’

Liefdevolie distantie
Je kind waarnemen, is ook jezelf waarnemen. Waarom vind ik iets zielig? Waarom heb ik nu schuldgevoel? Waarom kan ik het niet opbrengen mijn kind eens flink te laten huilen?

De ouders die bij Edmond Schoorel in het kindertherapeuticum komen, kampen vaak met dit soort vragen. Ze zien het even niet meer zitten met hun kind dat het altijd benauwd heeft, zich openkrabt, niet meer slaapt of, als hij ouder wordt, dwars en ongehoorzaam is of veel te druk.
Schoorel: ‘Als deze ouders bij mij in de spreekkamer zitten, zijn ze geneigd iets te doen wat ze gewoonlijk niet doen. Ze leven dan namelijk even niet meer primair mee met hun kind, maar kijken samen met mij naar wat er nu eigenlijk aan de hand is. We bekijken dan bijvoorbeeld de tekeningen van het kind, kijken naar zijn bewegingen en luisteren naar hoe hij spreekt en ademt. Ik vraag ouders een paar minuten per dag gewoon achterover te leunen, een stemming van warme interesse bij zichzelf op te roepen en daarmee te kijken naar hun kind, met al zijn gekke dingen, zijn snottebellen, zijn gejengel en zijn ongehoorzaamheid.’
‘Ouders die bij mij komen zijn doorgaans in nood en dat maakt ze zeer gemotiveerd om beter naar hun kind te leren kijken. Maar ook als je niet in nood bent en een perfect gezonde zuigeling hebt, is het van belang goed te leren waarnemen. Daarvoor is het wel nodig dat je een middenweg vindt tussen de twee uitersten die in deze tijd veel relaties tussen ouders en hun kinderen kenmerkt: aan de ene kant extreem sentimentele verbondenheid met het kind en aan de andere kant het gebaar van distantie dat je maakt wanneer je het kind als door de lens van een camera bekijkt. In beide gevallen neem je je kind niet echt waar. Ergens tussen die twee uitersten zit een ander gebied: dat van de liefdevolle distantie.’

Schoorel legt uit wat dit betekent: ‘Ga eens vijf minuten bij de wieg staan. Neem je baby niet op om hem te knuffelen, maar kijk hoe hij ademt, hoe zijn oortjes en neusje zijn gevormd, hoe zijn voorhoofd welft, waar zijn handjes liggen en hoe zijn haartjes zijn ingeplant. Dat wat je direct na de geboorte van je kind in zijn zuiverste vorm hebt ontmoet, drukt zich uit in zijn lichamelijke kenmerken en die kun je ieder moment tot je laten spreken. Je hoeft niets te begrijpen of te interpreteren en toch zal het zijn vruchten afwerpen. Dat kan niet anders. Ik garandeer nooit dat alles beter zal gaan. Maar als het je lukt iedere dag vijf minuten met deze liefdevolle distantie naar je kind te kijken, dan ben jij een beetje een ander mens geworden en je kind ook, want dat vindt nieuwe kanalen om jou iets te zeggen.’

De kinderkamer
De zintuigen van een baby zijn nog heel open, zodat hij zich nog nauwelijks van zijn omgeving kan afsluiten. Alle indrukken die bij hem binnenkomen, werken nog heel lichamelijk. Een belangrijk thema in het eerste levensjaar van de baby is dan ook de verzorging van zijn directe omgeving: hoe richt ik de kinderkamer in, welke geluiden en geuren kunnen er doordringen, hoe verzorg ik zijn huidje? Ook wat je als volwassenen wel en niet zegt in aanwezigheid van de baby is van belang.
Schoorel: ‘Ouders en kind zijn nog heel sterk met elkaar verbonden. De navelstreng mag dan wel zijn afgebonden, op het gebied van ziekte en gezondheid is er de eerste zeven jaar nog een heel open verbinding. Al die tijd beweegt het kind mee met wat zijn ouders beleven – een zevenjarige misschien nog maar een uurtje, maar een baby vierentwintig uur per dag. Als je als moeder gespannen bent, is je kind dat ook. Dat uit zich bij het kind dan vaak in allerlei kleine kwaaltjes. Daar hoef je je niet schuldig over te voelen. Integendeel, het geeft inzicht in het samenspel tussen jou en je kind en daarmee biedt het je ook de mogelijkheid om de meeste problemen op dat gebied met betrekkelijk simpele maatregelen het hoofd te bieden.’

.
*Petra Weeda, Puur kind 1, lente 1998
.

Kindertherapeuticum

Edmond Schoorel: boeken

Petra Weeda: boeken

Weleda: voor de baby

.

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1429

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (11) worden/zijn

.

Worden / zijn

Evenwichtig gebruik maken van tegengestelde processen

De grote zaal van De Doelen in Rotterdam is nog niet half gevuld als het koor haar jaarlijkse uitvoering van de Johannes Passion van J.S. Bach geeft. Dat is jammer, en niet alleen omdat het een goede uitvoering is. Hoewel ik zelf vaak in de Johannes Passion heb meegezongen, valt het me iedere keer als ik ernaar luister op, dat je er steeds andere dingen aan kunt beleven. Ook merk je dat het beleven van de Passionsmuziek heel stimulerend op je gedachteleven inwerkt. Heel merkwaardig, maar misschien niet onbegrijpelijk, is dat de ‘Johannes’ het wat de belangstelling van het publiek betreft altijd moet afleggen tegen de ‘Mattheüs’, die steeds volle zalen blijft trekken.
Wanneer je beide versies van het passieverhaal naast elkaar beluistert, valt het op dat de Mattheüspassion ten opzichte van de Johannespassion iets extraverts heeft. Zij spreekt sterk het gevoel voor dramatiek aan, is meer breedsprakig in soli en koren en beschrijvend, beeldvormend van karakter. In de Johannes Passion is de beschrijving minder af. De nadruk ligt veel meer op het oproepen van een innerlijke beleving van het gebeuren voor en rond Golgotha. De toehoorder wordt ertoe aangezet om iets te doen met datgene wat door de lijdensgeschiedenis bereikt is, niet alleen nu, maar ook in de toekomst. Het verschil tussen de Johannes en de Mattheüs drukt zich misschien het beste uit in het verschil tussen ‘worden’ en ‘zijn’ (of ‘geworden’). In de Johannes wordt een mens in beweging gebracht, aangezet tot het beleven van een gebeurtenis die in de Mattheüs als een duidelijk uitgekristalliseerd beeld aanwezig is. Hiermee wil beslist geen waarde-oordeel uitgesproken zijn, het gaat veel meer om het karakteriseren van de stemming die beide Passionen beheerst.
.
Tegengestelde tendensen

Niet alleen in Bachs passiemuziek kun je de tegenstelling beleven tussen ‘worden’ en ‘zijn’. Al het leven wordt door die tegenstelling beheerst. In het functioneren van het levende lichaam, de fysiologie, herken je steeds de twee tegengestelde krachten: de een die in beweging brengt, oplost, vernieuwd (wordend) en de andere die vormt, tot stilstand brengt, kristalliseert (de gewordene). Elk lichaamsproces is een samenspel van oplossende, in beweging brengende, toekomstige krachten die ruimte maken voor iets nieuws, en de stollende, vastleggende en gestaltevormende krachten die het resultaat bevestigen. Het menselijk lichaam is voortdurend ‘worden’ in de stofwisseling, in de groei en in het bewegen. De gestalte, de holten, het uitgevormde zenuwstelsel en de hersenen geven uitdrukking aan het ‘zijnde’ in de mens. Zij zijn een tot stilstand gekomen groeiproces.

Het beschrijven van deze tegenstelling zou de suggestie kunnen wekken dat het lichaam een soort slagveld is tussen deze krachten. Dat is niet zo. Je beleeft jezelf niet als een strijdtoneel, maar als een harmonisch functionerend wezen. In de mens is kennelijk iets aanwezig, dat die tegengestelde krachten harmonisch laat samenwerken. De uit de buitenwereld opnemende, inademende beweging van de zintuigen – uitdrukking van het geworden lichaam – en de in de buitenwereld creatief ingrijpende, uitademende beweging van de stofwisselingsorganen – dragers van het wordende in het lichaam – die uit het vernietigde voedsel van buiten het lichaam nieuwe eigen lichaamssubstantie opbouwen en het door middel van de bloedsomloop aan het hele lichaam ten goede laten komen, worden samengevat in een harmonisch geheel, een ritme.
Ritme ontstaat altijd wanneer twee tegengestelde polen afwisselend met elkaar in evenwicht aan bod komen. In het lichaam drukt dat vermogen tot evenwicht, harmonie, ritme zich uit in het hart en de longen, ritmische organen bij uitstek. Hart en longen maken voortdurend in- en uitademende bewegingen, lucht en bloed opnemend en afgevend. Je blijft als mens gezond zolang je in staat bent tot harmonisering van die tegengestelde tendensen en niet beheerst wordt door een van beide krachten. Het steeds weer bereiken van evenwicht stelt je in staat als vrij mens te handelen, te ‘spelen’ met de polaire tendensen en er zo het midden tussen te vinden.

Om dit aanschouwelijk te maken, moet je proberen je voor te stellen wat er zou gebeuren als je alleen maar zou inademen. Het lichaam zou zo rond worden als een ballon en uiteindelijk uit elkaar barsten. Een zeer veel voorkomend ziektebeeld dat deze situatie benadert, is de zogenaamde hyperventilatie. Hierbij geeft de mens zich te veel over aan de indrukken van de buitenwereld en kan die emotioneel niet verwerken. Deze toestand uit zich bij de patiënt onder andere in het voortdurend willen inademen. Hij heeft het gevoel te zullen stikken en haalt daarom nog dieper adem, waardoor hij zich zelf (door een steeds ongunstiger verhouding tussen de koolzuur- en zuurstofconcentratie in het bloed) nog benauwder maakt. Daar naast ontstaat ook een krampend, tintelend gevoel in de handen, zodat een vuist ontstaat die in zijn samengebalde, ronde vorm aan de schedel – zetel van zintuigen en hersenen -doet denken. Een psychisch overgeleverd zijn aan de buitenwereld spiegelt zich in een lichamelijk uit balans zijn. De hyperventilatiepatiënt is psychisch en lichamelijk aan de uitademing overgeleverd. Dat verhindert hem om vrijuit – in- en uitademend – te leven, in harmonie met zichzelf.
.

Tussen ‘worden’ en ‘zijn’
Bij het ademhalen gaat het niet alleen om het in- en uitademen, maar juist om dat ene momentje ertussen! Daar ben je vrij mens, niet meegesleept door een van de tegengestelde krachtstromen. Dat ondeelbaar moment tussen ‘worden’ en ‘zijn’ geeft je gelegenheid tot eigen oordeelsvorming, bezinning, zelfbewustzijn. Om te functioneren in het leven heb je het vermogen tot in- en uitademen nodig, maar het is even noodzakelijk ervoor te zorgen dat je niet de slaaf wordt van een van beide krachten. Hoe evenwichtiger je gebruik maakt van de tegengestelde processen in lichamelijk en psychisch functioneren, des te minder loop je het gevaar in je handelen en denken eenzijdig gericht te zijn.

Ziekte is zo niet het toevoegen van iets ongunstigs (bacterie, virus of gifstof) aan het lichaam, maar het ontbreken van het meest essentiële in het leven, namelijk het vermogen tot het vinden van een midden, een evenwicht. In de vaatverkalking word je beheerst door een verstarringstendens; in de koorts ben je uitgeleverd aan oplossende stofwisselingskrachten. Als je ziek bent, ben je uit het lood geslagen. Een nieuw herwonnen evenwicht maakt je weer vrij mens. Gezondheid, evenwicht en vrijheid zijn in deze zin synoniem.

Niet alleen in het lichaam wordt de vrijheid van het creatieve midden voortdurend belaagd en op de proef gesteld. Ook maatschappelijk gezien wordt een strijd om de vrijheid steeds meer zichtbaar. Dat klinkt vaag, maar het wordt al heel wat minder vaag als je je bijvoorbeeld verdiept in de Wet op het Basisonderwijs.

De kern van het probleem is, kort samengevat, dat de wet een miskenning inhoudt van het feit dat de mens een zich ontwikkelend wezen is, dat in zijn leven verschillende fasen doormaakt. Al die fasen brengen hun eigen opdracht, kenmerk en karakter met zich mee. Elke fase is ook de basis waarop de mens de volgende kan doormaken. In de kleutertijd is het kind bezig zijn lichaam te vormen en zich zo voor te bereiden op het aardebestaan. Pas als de lichaamsvorming een bepaald eindpunt heeft bereikt, krijgt het kind ‘energie’ tot zijn beschikking om aan zijn intellectuele ontwikkeling te werken en te leren denken.

De nieuwe wet gaat er vanuit dat hoe eerder je leert denken, des te gemakkelijker je dat later afgaat. Hoe sneller je tot leren in staat bent, hoe meer je ook kunt leren en hoe nuttiger je voor de samenleving bent. Er is geen benul van het eigene van de ontwikkeling van het kleine kind. De mens wordt als kleine volwassene geboren en het is de taak van de school daar zo snel mogelijk een grote volwassene van te maken.

Zo’n wet komt overigens niet uit de lucht vallen. Allerlei geledingen van de maatschappij zijn doortrokken van een tendens om de menselijke verrichtingen op lichamelijk, psychisch en geestelijk gebied verregaand beheersbaar te maken.
Denk bijvoorbeeld (op medisch gebied) eens aan het toenemend aantal ziektes waartegen je kunt (moet) worden ingeënt, aan het ontmoedigen van aanstaande moeders om thuis te bevallen en aan het groeiende aantal bevolkingsonderzoeken. Het menselijk leven is iets engs geworden; er kan van alles misgaan. Door al deze zorgen word je echter steeds met je neus op het feit gedrukt dat je een lichaam hebt, sterker nog, dat je een lichaam bent. Datgene wat het meest ‘geworden’ is aan een mens – zijn lichaam – is mede door de wetenschappelijk-materialistische benadering van dat wat we menselijk leven noemen, zo allesoverheersend aanwezig in ons denken, dat gaandeweg alle uitingen van het menselijk bestaan – ook de emotioneel-psychische – vanuit het ‘geworden’ lichamelijke worden bekeken.

Wat betreft de substanties waaruit ons lichaam is opgebouwd, hebben wij ook niets unieks. Alle botten van mensen zijn uit dezelfde kalk opgebouwd. Dat geldt echter niet voor datgene wat je met die botten doet, waarvoor je ze gebruikt, namelijk je bestaan op aarde mogelijk maken op een heel persoonlijke manier. Er is echter voor dat persoonlijk omgaan met het lichaam, de emoties, ervaringen en belevenissen – dat geheel waar je ‘ik’ of ‘van mij’ tegen zegt – vanuit de wetenschap geen formule beschikbaar die dat persoonlijke kan veralgemeniseren. Het ik iets dat niet bestudeerd kan worden als de kalk uit je botten. Daardoor valt het individuele weg uit het beeld dat de wetenschap geeft van de mens. Voor het individuele is het gedrag in de plaats gekomen, dat wat je aan de buitenkant, aan het zich gedragende lijf kunt zien. Voor datgene wat steeds vernieuwend is – belevenissen, ervaringen, emoties – daar waar een mens steeds wordt, is nog maar een bijrol gereserveerd. Het psychisch-geestelijke, zich uitdrukkend in de biografie, wordt zo langzamerhand als een gevolg van het lichamelijk functioneren beschouwd.
.
Anti-autoritair*
Je kunt je zorgen maken over zulke ontwikkelingen, en terecht. Maar daar kom je niet veel verder mee. Dat ons denken op boven beschreven wijze functioneert, is een constatering en de zorgen die je je maakt kunnen een uitgangspunt iets tegenover deze eenzijdigheid van onze tijd te stellen. Wat kun je bijvoorbeeld als ouders voor je kleine kind doen, zodat het later echt in staat is te functioneren in een steeds
gecompliceerdere maatschappij, als een echt vrij mens?

In eerste instantie ben je geneigd om tegenover het allesregelende streven in het onderwijs het anti-autoritaire onderwijs te plaatsen, waarin het kind alles mag en aan geen enkele regel of leerplan gebonden is. De ervaring leert dat het kind, ondanks alle vrijheid, tot niets komt. Het blijft toch een zekere leiding nodig hebben en zoeken! Het zijn ongelukkige kinderen aan wie systematisch leiding onthouden wordt. Zo’n anti-autoritaire houding van de opvoeders leidt niet zelden  tot alle mogelijke ziekteverschijnselen bij kinderen. Je kunt bij kinderen die te weinig structuur in de opvoeding aangeboden krijgen. zien dat ook het lichaam die structuur gaat missen. Allerlei lichaamsprocessen gaan onafhankelijk van elkaar functioneren. Zo kunnen de amandelen geweldig gaan opzwellen en ontsteken met enorme vochtafscheiding, waardoor de kinderen eeuwig snotteren en met hun oren tobben. Die amandelen kennen hun plaats niet, weten niet hoe ze in het geheel van het lichaam doelmatig moeten functioneren. Het kind weet als het ware geen leiding te geven aan zijn amandelen.

De leiding die het kind in zijn opvoeding ervaart, spiegelt zich aan de leiding die aan de lichaamsprocessen wordt gegeven door datgene wat van het lichaam gebruik maakt, het individueel-persoonlijke. Anti-autoritair onderwijs is vormloos, chaotiserend, is alleen maar ‘worden’, zoals de voedselstroom in onze darmen chaotisch gemaakt wordt door het verteringsproces. Daar wordt echter nieuwe lichaamssubstantie uit opgebouwd! Dat vormende opbouwproces, dat structurerende, mist het anti-autoritaire onderwijs. In die zin is deze onderwijsrichting net zo eenzijdig als het door en door bedachte en gereglementeerde onderwijs van de basisschool. Het onderwijs dat door de antroposofie geïnspireerd wordt en zowel structuur (‘zijn’) als individuele ontwikkelingskansen (‘worden’) wil bieden, wordt dan ook gegeven in de vrijescholen, die door buitenstaanders zo graag over één kam geschoren worden met het anti-autoritaire onderwijs.
Niet alleen in de opvoeding van het lagere schoolkind is, als reactie op het al te gereglementeerde, het anti-autoritaire en daarmee het op misplaatste wijze vrijlaten van het kind waarneembaar. Al in de manier waarop veel moderne ouders met hun baby’s omgaan, uit zich het miskennen van het belang van het aanbrengen van structuur in de opvoeding en verzorging. Dat is natuurlijk geen boze opzet maar een gevolg van het denken over kinderen vanuit het standpunt van de volwassene. Je vindt het zelf, als ‘geworden’ volwassene, prettig om vrij te zijn, om niet altijd aan banden gelegd te worden, je eigen weg te gaan. Dus zal dat voor de baby ook wel gelden. Een baby is eigenlijk een kleine volwassene. Maar niets is minder waar.
.
Alleseter
Wanneer je naar het lichaam van een baby kijkt, zie je dat de ontwikkeling daarvan nog volop in beweging is. De groei barst er aan alle kanten uit. De organen hebben in hun groei en uitrijping beslist nog geen eindtoestand bereikt. Een baby is lichamelijk geen ‘zijnd’ maar een ‘wordend’ wezen. Daarbij is het geheel op de buitenwereld gericht. Het neemt alle mogelijke indrukken op (plaats van geboorte, het soort ouders dat je hebt, kleding, voeding, warmte etcetera en laat die ten goede komen aan zijn groeiende lichaam.
De baby is een ‘alleseter’, het zwelgt als het ware in datgene wat van buitenaf wordt aangedragen. Het kan ook nog niet goed bepalen wat goed en wat niet goed voor het lichaam is. In het omgaan met al die indrukken zit nog weinig vorm. Aanbrengen van vorm in het waarnemen (selecteren) en van daaruit in het opbouwen van het lichaam is iets wat het kind moet leren en wat hem dus voorgedaan moet worden. Zoals de volwassene als tegenwicht voor het al te gewordene (intellectuele belasting, stress, het moeten handhaven van maatschappelijke positie) iets losmakends nodig heeft en daarom in de vrije natuur gaat wandelen of gaat zeilen, zo heeft de baby het nodig dat zijn drang tot groei en uitdijen van buitenaf begeleid en een vormend houvast geboden wordt.
Je kunt die ‘wordende’ groeitendens enerzijds en de noodzaak van structuur anderzijds, bij baby’s al heel vroeg waarnemen. Het is bijvoorbeeld gebleken dat veel baby’s erg onrustig gaan slapen als ze te vaak – dat wil zeggen elke dag – in bad gedaan worden. Zeker in de eerste maanden moet je daar mee uitkijken. Water werkt zeer ontspannend en losmakend, oplossend bijna. Je geeft je helemaal over aan het warme water als je in bad ligt. Net zo geef je je aan de slaap over; je moet er ook altijd op bedacht zijn niet in bad in slaap te vallen. Na een bad of een goede nachtrust voel je je herboren, je lichaam voelt weer als nieuw. Het wegvallen van het dagbewustzijn heeft de
opbouwkrachten de kans gegeven herstelwerkzaamheden te verrichten. Je lichaam, dat teveel neigde naar het gewordene, verharde, heeft weer ‘wordingskracht’ gekregen, is weer een beetje in oplossing gebracht.
Maar dat heeft een baby niet nodig! Een baby is nog één en al wordingskrachten. Zijn lichaamssubstantie bevindt zich nog in zo’n opgeloste toestand dat er niets anders dan nieuwe dingen in dat lichaam gebeuren. Het kleine kind heeft dat kleine beetje houvast gevende bewustzijn van die paar wakkere uurtjes tussen al dat slapen door hard nodig om het wordende een beetje ‘zijnd’ te laten worden. Bij kinderen die van zichzelf al een sterke hang naar het ‘wordende’ hebben, snel koortsend, erg beweeglijk, vaak verkouden, snel luiereczeem enzovoort) en eigenlijk te ‘waterig’ zijn, kan het veelvuldig baden het broze evenwicht tussen vorm en substantie, tussen zijn en worden, verstoren en het kind nog wateriger maken. Het is zijn houvast kwijt in het structureren van het lichaam. En als je in het leven je houvast kwijt bent dan wordt je daar onrustig van. Wanneer een probleem je zó bezig houdt dat je het niet meer loslaat, dan komt er een moment dat het probleem jou niet meer laat schieten. Dat kan er toe leiden dat je je ook niet meer aan de slaap kunt overgeven; eerst moet je de heerschappij over jezelf terugkrijgen en afstand tot het probleem nemen voordat je in de nacht met de ‘herstelwerkzaamheden’ kunt beginnen. Zo is de te waterig geworden baby ook in zijn slaap bezig wat meer vorm en bewustzijn in zijn lichamelijke ontwikkeling aan te brengen. In die slaap strijden zo ‘zijn’ (bewustzijn) en ‘worden’ met elkaar om een nieuw evenwicht te vinden. Die strijd uit zich naar buiten toe als de genoemde onrust.

Zoals het warme bad ontgrenzend, ‘wordend’ werkt, zo zie je een daarop gelijkend proces zich voltrekken bij het te vroeg stoppen met het inwikkelen van een baby in een wikkel- of omslagluier, wanneer die überhaupt wordt toegepast. Zoals al in diverse toonaarden verkondigd, is het voor een baby heel belangrijk om zijn eigen grenzen te ervaren, in dit geval zijn eigen huid. Bij de gratie van het hebben van een huid kun je je een individueel persoon (gaan) voelen. Je scheidt je af van de buitenwereld. Door heel veel vallen, knieën stoten, stompen van klasgenoten en ga zo maar door, wordt een kind zich daar door middel van zijn huid bewust van. Je zou van een ‘huidbewustzijn’ kunnen spreken. Door je huid wordt je je bewust van jezelf. Dat huidbewustzijn is nog heel ver weg in de eerste maanden. Een baby huilt in de regel wanneer hij wordt uitgekleed. Dat zal wel meerdere redenen hebben (omgevingstemperatuur, honger of fel licht), maar één van de redenen zal toch zeker zijn dat het kind het als heel onaangenaam ervaart dat zijn huidbewustzijn weggevallen is. De wikkelluier, lekker stevig om het hele lijfje heen, fungeert immers als stand-in, als voorlopige huid. Natuurlijk is het helemaal niet slecht om een kind zo af en toe eens te laten spartelen met zijn armpjes en beentjes, ook het bewegen hoort bij het leven. Maar de mogelijkheden daartoe moeten uitgebreid worden in een tempo waarin het kind het bij kan houden. Zo voorkom je dat het kind zijn houvast verliest aan zijn lichaam, zijn huidbewustzijn. Het is daarbij verstandig langzaam te wennen van wikkelluier via trappelzak naar het helemaal vrijlaten van de ledematen.

Er is, kort samengevat, niets op tegen dat een klein kind eens met zijn beentjes spartelt of dat het in bad gaat, maar het moet een beetje begeleid worden en afgestemd op de fase van ontwikkeling. En het is je taak als dan niet beginnend ouder daar een sturend element in te zijn. Dat kan heel lastig zijn. Bij veel van dat wat je je kind onthoudt omdat je denkt dat je zo het beste inhoud aan je opvoeding kunt geven, blijf je in eerste instantie het gevoel houden: ‘Maar ik vind het zelf ook leuk, kan ik het daarom wel verbieden?’ Je gaat met jezelf in discussie. En eigenlijk gaat het daarbij dan niet alleen om het badje of iets dergelijks, maar om je eigen rol en betekenis als opvoeder. De centrale vraag daarbij is elke keer: ‘Ben ik niet te dwingend (te ‘zijnd’) of juist te loslatend (te ‘wordend’), ben ik in staat om mijn kind op een evenwichtige manier op te voeder. Wanneer je zo een aantal opvoedingssituaties doorgeworsteld en geprobeerd hebt daarbij zo bewust mogelijk met je kind bezig te zijn, dan ga je voelen dat dàt nu juist opvoeden is: autoriteit zijn, niet in de zin van allesweter of wetgever, maar als degene die zich een overzicht van de situatie verschaft heeft en van daaruit vormende met het kind meeleeft Je hebt daarbij dan ook niet zoveel aan al die boekjes over kinderopvoeding waarmee de boekhandels vol liggen. Wat je je niet zelf eigen gemaakt hebt, kun je nooit zinvol op je kind overbrengen. Hooguit kom je door het lezen van zulke boeken (en stukjes als het voorliggende!) een stukje verder in je denkproces. Zo groei je zelf ook met je kind mee. Het is heel afgezaagd maar daarom niet minder waar:
opvoeding is zelfopvoeding!
Alleen om dat te demonstreren werden bovenstaande illustraties gegeven.
.
Aart van der Stel, huisarts, Jonas 01-04-1983
.

*In de jaren 70 van de vorige eeuw ontstond er een beweging van ‘anti-autoritair’ opvoeden. Inmiddels is daarvan nauwelijks sprake meer.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

939

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (9)

 

Bedplassen

En het kind, het plaste voort…

Bedplassen: een probleem waar betrokkenen niet graag over praten. Kinderen die gezien hun leeftijd zindelijk zouden kunnen zijn, schamen zich ervoor. Ouders worden geplaagd door schuldgevoelens. Het kind merkt dat bedplassen niet ‘hoort’. Ouders vragen zichzelf af of ze wel voldoende aandacht hebben geschonken aan hun kind.
De kinderpsychiater Dick Hütter plaatst het probleem in een breder kader. ‘Bedplassen: een poging tot zelfgenezing’.
Als we de ontwikkeling van een kind in de eerste drie levensjaren bezien, dan kan ons het volgende opvallen. De pasgeborene spartelt met armen en benen, maar van enige gerichte beweging is nog geen sprake. Daarentegen is de baby met een groot aantal reflexbewegingen begiftigd, waardoor hij (of zij) zowel de tepel kan zoeken, kan drinken als ook op tal van prikkels uit de buitenwereld het beste antwoord kan geven.
We zien dan dat het kind langzamerhand een uitgebreidere greep op zijn bewegend lichaam krijgt en dat dit gepaard gaat met een geleidelijk verdwijnen van de reflexbewegingen. Dit greep-krijgen op de eigen bewegingsmogelijkheden gaat van boven naar beneden, van het hoofd, via de armen en handen tot in de benen en voeten.

Eerst kan het kindje voorwerpen slechts met de ogen en het hoofd volgen, dan kan hij er met de handjes naar grijpen en al die tijd spartelen de beentjes op hun eigen houtje en kan men merken dat het kindje er zelfs geen notie van heeft dat die benen ook bij hem horen, van hem zijn. Verschijnt er een eigen voetje in zijn blikveld, dan pakt hij dat alsof het een rammelaar of iets dergelijks is en probeer het dadelijk in zijn mond te steken. De mond is toch het eerste lichaamsdeel waarvan het kind zich bewust is geworden en dat hem dus door de tastzin kennis van de wereld overbrengt.

Vervolgens gaat ons kind zitten, kruipen, staan en lopen. Allemaal vermogens, die het verworven heeft door de indaling van een bewust en willekeurig kunnen gebruiken van zijn lichaamsbewegingen. Men kan dus met de heilpedagogisch arts Thomas Weihs stellen dat het kind evengoed ‘neergroeit’ als ‘opgroeit’. Het bewustzijn als essentiële eigenschap van het menselijke geestes-zielewezen daalt in de levende lichamelijkheid in, drukt dit laatste zijn stempel op en gaat het hanteren. In zeker opzicht groeit het er ook mee samen en vormt er een éénheid mee.

We merkten reeds op dat de voedselopname, het drinken van de melk dus, geschiedt door een aangeboren reflexbeweging. Dat wil zeggen, drinken hoeft het kindje niet te leren, zoals kruipen, staan en lopen. Als het kindje op vast voedsel overgaat, verandert er al iets. Dan moet het leren kauwen. Het is altijd een aandoenlijk tafereel om een jong kind de eerste ervaringen met vast voedsel te zien hebben. Het begint met het vertrouwde tastritueel om dan met verbazing te merken dat het voorwerp eetbaar is, dat je het naar binnen kan werken. Sabbelen, proppen, weken in je wangen, maar ook het weer naar buiten kunnen blazen zijn dan even grote ernstige speelleer-activiteiten als voorwerpen pakken en weggooien met de handen en voor- en achteruit kruipen of lopen later met benen en voeten. Het is dan nog een hele weg om zelf met je lepel of vork te leren eten en niet langer af en toe je eten over de tafel op je liefhebbende moeder te blazen.

De uitscheidingsorganen, de endeldarm en de waterblaas, zijn geruime tijd nog geheel buiten het bewustzijn van het kind. Dat wil zeggen dat deze organen zich ontledigen op prikkels vanuit het lichaam; druk- of krampachtige prikkels. En het eerste wat het kind gaat merken is, dat een ontlediging gebeurd is. Ook dat is in feite een hoogst merkwaardig en belangrijk moment in de ontwikkeling, als het kind je gaat vertellen dat het een natte of volle broek heeft. Eigenlijk is dat moment het meest gunstige om met de zindelijkheidstraining te beginnen, omdat kennelijk dan pas het bewustzijn in de onderkant van de romp voldoende wakker is geworden om ‘er wat mee te doen’.
’s Nachts is het kind tijdens het slapen weer in een lager bewustzijn gedompeld en we zien dan ook dat het ’s nachts zindelijk zijn later optreedt dan het overdag zindelijk worden.
Zoals bij alle ontwikkelingsfacetten, komen ook op dit gebied storingen voor: sommige kinderen worden pas heel laat zindelijk, sommige plassen in bed, sommige ook overdag in hun broek. Meestal gelukt het wel om de ontlasting bewust te gaan regelen, maar de plassen blijven dan toch komen, voor je er erg in hebt. Andere kinderen ‘vallen terug’.
Ze zijn zindelijk geweest en beginnen dan weer te bedplassen, soms ook overdag natte of zelfs vuile broeken te maken.
Over de oorzaken van deze partiële ontwikkelingsstoornis zijn boekenplanken vol geschreven. Dat is altijd een ontmoedigende zaak voor ouders en kinderen, die met dit probleem te kampen hebben. Het betekent óf dat men de oorzaak niet weet, óf dat er vele verschillende oorzaken van dit symptoom zijn en in elk geval dat er niet voor al die kinderen één altijd afdoende behandeling bekend is. Ook mijn ervaring is, dat de omgeving zich vaak uitput in allerlei maatregelen en therapieën en zich steeds wanhopiger en onmachtiger voelt worden, terwijl, om de woorden van een bekende dichter te parafraseren: ‘en het kind, het plaste voort’.

Toch brengt dit ons op een belangrijk gegeven, dat bij vele partiële ontwikkelingsstoornissen aan te treffen is. En wel het volgende. Door de een of andere aangeboren of verworven stoornis is een kind niet zonder meer in staat om een bepaalde vaardigheid te verwerven op een leeftijd waarop de overige kinderen dit wel gelukt. Vaak zal dit een motorische vaardigheid betreffen. Het kind leert wat later lopen of spreken of het loopt en spreekt wel op tijd, maar op een wat slordige manier. Het kan zijn dat zo’n kind vaker valt of meer dingen ondersteboven loopt of lang krom blijft praten.

En ook de ontwikkeling van die vaardigheden kost dat kind kennelijk meer moeite dan gewoonlijk. Trappenlopen, ergens opklimmen of van iets afspringen, het gaat allemaal wat onhandig en stuntelig. Observeert men deze kinderen dan kan opvallen dat ze kennelijk moeite hebben met de beheersing van hun bewegingen, ze lijken niet goed genoeg waar te nemen wat hun armen, benen of spraakorganen voor bewegingen uitvoeren. Nogmaals dat kan heel goed slechts één bepaald gebied voornamelijk betreffen, er zijn kinderen die bijzonder onhandig in hun ledematen zijn en heel goed spreken en vele andere variaties. Zegt men nu dat deze kinderen zich onvoldoende bewust zijn van hun lichaamsverrichtingen, dan dient men wel te bedenken dat men het niet over het heldere bewustzijn heeft, dat ontstaat als men ergens de aandacht op richt. Het is bijna omgekeerd. Probeer maar eens welbewust de aandacht op de eigen bewegingen te richten als je loopt of fietst of een trap bestijgt. Alle vanzelf verlopende souplesse en ritmiek wordt ernstig verstoord en als je al niet hopeloos in de war raakt, worden de bewegingen houterig en onhandig. Bij alle motorische vaardigheden verloopt het leerproces kennelijk op dezelfde wijze: eerst probeert men bewust de handgrepen of bewegingen te leren en dan komt een moment dat het ‘vanzelf’ gaat en dat men de vaardigheid kan gaan gebruiken voor een los daarvan staand doel. Zo hebben we leren schrijven en fietsen en tal van dingen meer. De pen en de fiets zijn op een gegeven moment als het ware onderdelen van het eigen lichaam geworden, extra lichaamsdelen. Dit betekent echter dat een vaardigheid op een bepaald moment van het leerproces weer uit de aandacht moet verdwijnen.

Bij al die kinderen met partiële ontwikkelingsstoornissen ziet men nu hetzelfde gebeuren. Een onvolmaakt ontwikkelde vaardigheid wordt op een bepaald moment niet verder via een leerproces ontwikkeld maar zo goed en zo kwaad als het gaat in gebruik gesteld. Het kind leert te leven met zijn onhandigheid om de weg vrij te krijgen voor een volgend ontwikkelingsdoel. Daarmee wordt echter wel tegelijk de weg afgesloten om die slechte vaardigheid bewust verder te oefenen. Daarbij komt natuurlijk ook dat geen kind het plezierig vindt om steeds met zijn zwakke kanten geconfronteerd te worden. Zelfvertrouwen ontwikkelt zich door de groei van vaardigheden en niet door een eindeloze reeks van mislukkingen. Kort en goed: het kind past zich aan bij zijn beperkingen en verdringt deze uit zijn bewustzijn om er geen last van te ondervinden.
Kinderen zijn meesters in dit soort verdringingen en ik hoop aangetoond te hebben dat dit een zelftherapie is om de moed er in te houden, om vertrouwen in de toekomst te blijven hebben. De realiteit blijft hen echter confronteren met de ontwikkelingsbeperking en juist de spanning tussen de ervaringen en de verdringing maakt dat ze in een constant intern basisconflict leven.

In de Groninger kinderpsychiatrische Universiteitskliniek hebben we destijds een vervolgstudie gedaan van kinderen, die in de verloskundige kliniek geboren waren. We onderzochten daartoe alle baby’s op de bovenvermelde reflexen en vonden dat lang niet alle kinderen even volmaakt met deze reflexen ter wereld kwamen. En ook het verdwijnen van deze reflexen verliep niet bij alle kinderen even probleemloos. Voor een goed begrip, dit waren dus geen kinderen met duidelijke neurologische afwijkingen als verlammingen of spastische verschijnselen. Het waren ogenschijnlijk allemaal normale baby’s. Het bleek nu bij het volgen van deze kinderen dat er in de groep met de lichte afwijkingen in de reflexontwikkeling statistisch veel meer bedplassers voorkwamen dan in de ‘gave’ groep. En de bedplassers hadden soms wel en soms ook geen andere ontwikkelingsproblemen in de motoriek of, later op school, in het aanleren van schoolse vaardigheden zoals schrijven, rekenen en lezen.

Dit onderzoek leverde dus krachtige argumenten voor een factor bij bedplassen van een aangeboren moeilijkheid om voldoende greep op de lichaamshantering te krijgen, los van de opvoeding. Maar de opvoeding speelt natuurlijk wel een grote rol. Niet alle kinderen uit de eerste groep werden bedplassers en er waren ook in de tweede groep wel enkele bedplassers.
Nu is er nog een statistisch interessant gegeven dat juist de rol van de opvoeding in het blikveld brengt. In Engeland is het namelijk de gewoonte* om de kinderen vrij vroeg zindelijk te maken en wel vanaf het moment dat ze stevig op het potje kunnen zitten. Dat wil zeggen dat de training in het begin van het tweede levensjaar plaatsvindt. Op het continent wachten de moeders meestal tot de tweede helft van het tweede levensjaar of tot het derde levensjaar met de
zindelijkheidstraining. Dat betekent dat de Engelse moeders mikken op de reflextraining en de continentale moeders op het ontluikende bewustzijn van hun kinderen voor de eigen uitscheidingen. Het bleek nu, alweer statistisch, dat Engelse kinderen vaker terugvallen dan de andere.
Vervolgens is bekend dat een kind dat in een permanente toestand van spanning moet leven omdat er in zijn omgeving iets essentieels ontbreekt of omdat de omstandigheden meer van hem eisen dan het op kan brengen, als een soort zelfgenezing grijpt naar de regressie. Dat wil zeggen, dat het terugvalt in een reeds doorgemaakte ontwikkelingsfase. Dat kan dan weer een totale regressie zijn of een partiële. Symptomen kunnen zijn: spelletjes gaan spelen die het vroeger heeft gespeeld, met een kleuterstemmetje gaan praten, weer een afhankelijker houding aannemen dan bij de leeftijd past, of: bedplassen. En tenslotte is het een ervaring dat een symptoom van een ontwikkelingsstoornis kan ‘beklijven’. Dat het een gewoonte is geworden. De oorzaken zijn niet meer aanwezig, maar het symptoom blijft bestaan. Dit laatste is in feite de schaduwzijde van een gegeven waar alle opvoeding zo’n dankbaar gebruik van maakt, namelijk dat bij een kind gewoontes aan te leren zijn. Van tanden poetsen tot zindelijk worden, van omgangsnormen tot allerlei ‘goede eigenschappen’ zijn het gewoontes, die tot in het levensgevoel verankerd liggen en heel moeilijk weer uit te wissen zijn. Slechts van onze slechte gewoontes betreuren we dit.

Nu is me bij een groot aantal bedplassers opgevallen, dat veel van wat ik kort aangestipt heb, aanwezig is. Er is vaak een constitutionele factor aan te tonen:

– Het bewustzijn voor de eigen lichamelijkheid is gebrekkig, ze merken de aandrang niet, of ze beleven de natte broek of het natte bed niet als onaangenaam.
– Vaak blijven ze ook op ander gebied lichte problemen te hebben: concentratiestoornissen of lichte motorische problemen. Dan kan men soms de verdringing constateren: ze zeggen wel dat ze het vervelend vinden, maar je merkt daar eigenlijk niet veel van.
Ook de regressie speelt soms een rol. Af en toe kan je je niet aan de indruk onttrekken dat het kind het zelfs wel lekker lijkt te vinden om in een warm nat bed wakker te worden.
Tenslotte is er bij velen een soort berusting, een zekere resignatie opgetreden: ik heb er wel last van, kan niet mee op het kamp of uit logeren gaan, maar er is toch niets aan te doen.
Al deze factoren maken dat het bedplassende kind meestal in een situatie is, die een bewuste wilsinzet om er af te komen niet bijster begunstigt. Er zijn al zoveel mislukkingen geweest, het gebeurt altijd als het slaapt en zelf dus ‘vertrokken’ is. Dan is er toch wel steeds een zekere schaamte, alhoewel die soms overdekt wordt door een onverschilligheid als afweer tegen deze schaamte. En de omgeving is vaak evenmin in een situatie om veel steun te verlenen. Straffen heeft geen zin, belonen is op niets uitgelopen, allerlei toestanden als niet drinken, medicijnen, het bed schuin zetten, ’s nachts opnemen, of de elektrische wekker hebben evenmin succes geboekt. En vaak gaat het gezin met het kind mee in de resignatie: men probeert te leren leven met de vervelende gewoonte, die kennelijk voorlopig niet meer af te leren is.
Hoeveel bedplassers er rondlopen is moeilijk te schatten. En wel omdat slechts een deel in behandeling is en waarschijnlijk een groot deel in de bovengeschetste situatie is beland van afwachten en hopen dat het vanzelf wel eens over zal gaan. Verder is het een probleem waar je niet graag over praat. Het kind schaamt zich ervoor en verder krijg je tegenwoordig als ouders toch al snel overal de schuld van. Er zal wel wat haperen aan de onderlinge relaties in het gezin en dan niet in de zin van een te verhelpen situatie, die slechts aanwezig is omdat een mens in een situatie die nu eenmaal moeilijker overziet, dan een mens die van buiten de situatie een overzicht probeert te krijgen.
Nee, schuldgevoelens steken de kop op, verwaarlozing, prikkelbaarheid, onvoldoende standvastigheid in de opvoeding, ongezelligheid, en tientallen andere vermeende onvolkomenheden ontdekt men bij zichzelf en het bedplassende kind zou wel eens meer vuile was naar buiten kunnen brengen dan alleen de beddelakens en de pyjama.

Hoe dan wel verder? Wel, ten eerste zijn er nog altijd veel meer kinderen van hun bedplassen afgekomen dan dat er mensen zijn die tot in hun volwassenheid aan deze vervelende kwaal zijn blijven lijden. Ten tweede blijkt het dus wel een voorwaarde te zijn dat het kind weer zelfvertrouwen krijgt en echt zelf er ook van af wil komen. Dat betekent dat voor ieder kind in iedere situatie een individueel plan moet worden opgezet. Wie gaat het kind erbij helpen, wie geeft het kind vertrouwen? Fijn als het de ouders zijn. Maar als die al een reeks mislukkingen achter de rug hebben, hebben ze vaak wel wat vertrouwen ingeboet. Niet omdat het zulke slechte ouders zijn, maar vanuit de gemeenschappelijke ervaring van mislukte pogingen. Soms zal men ook helemaal niet beginnen met het bedplassen aan te pakken, maar moeten ontdekken waarvan het een uiting is en op een geheel ander gebied het kind moeten helpen. Dat kan dan zijn dat men een therapie instelt die ten doel heeft de weerstanden te doen afnemen tegen het greep krijgen op de eigen lichamelijkheid, dus oefeningen, heileuritmie, fysiotherapie en dergelijke. Maar het is ook mogelijk dat men de levenssituatie kan veranderen door bijvoorbeeld een andere school voor het kind te zoeken, die meer aangepast is bij de leervermogens van het kind. Soms kan men bij gefixeerde gewoontes succes hebben met een suggestieve therapie, maar dan moet wel eerst een relatie geschapen worden waarop zulk een therapie kan rusten. Hoewel ik daar met bedplassers geen ervaring mee heb, kan ik me goed voorstellen dat gespreksgroepen van ouders met jonge of oudere bedplassende kinderen bijzonder goed zouden kunnen werken, gezien de ervaringen met groepen, waar andere problemen in de opvoeding een rol speelden.

Noch schaamte noch onverschilligheid is een goed uitgangspunt. En toch neigt het kind zelf tot deze twee grondhoudingen. Noch een ongeduldig bestrijden, noch een resignatie is een goed uitgangspunt. Toch neigen ouders vaak tot deze opstelling. Het is werkelijk geen wonder dat het hier vaak een zo hardnekkige toestand wordt. Daarbij komt dat men in een gezin nog wel wat meer met elkaar te doen en te laten, te beleven en te ontwikkelen heeft dan alleen dat probleem van die bedplasser. Vandaar dat het voor de hand ligt, dat een hulp van buiten het gezin vaak onontbeerlijk is.
Men zal steeds het kind zelf bij de behandeling moeten betrekken. Niet als passief persoon waarop het één en ander wordt toegepast, maar als actieve medewerker. Wel samen doen. Niet het kind alleen laten staan in zijn strijd. Maar ook niet dat iedereen vecht, behalve het kind zelf. In wezen is hulp bij bedplassen, hulp bij het gaan van een stuk ontwikkelingsweg voor het kind. Geduld, moed geven, optimisme, vertrouwen, leiden en begeleiden zijn hierbij alle van grote betekenis. Heeft men die vermogens niet voldoende als ouder, welnu dan geeft het bedplassende kind je alle kans om die eigenschappen zelf te ontwikkelen en daarmee ook wat aan jezelf te doen.
Daarbij is een opmerking van Rudolf Steiner van onschatbare waarde, waarin hij zegt dat het niet zozeer de verworven eigenschappen van de opvoeder zijn die het kind helpen in zijn ontwikkeling, maar veel meer de krachten, die vrijkomen bij de zelfontwikkeling van de opvoeder. Ergo: een geduldige ouder te hebben is fijn voor een kind. Een ongeduldige ouder, die zich oefent in geduld, is mogelijk nog fijner. Het kind ervaart aan deze laatste dat het niet alleen staat in zijn ontwikkeling en dat eigenschappen niet onveranderlijk zijn. Doch dat het wezen van de mens zijn ontwikkeling is. Deze ervaring is de stevigste grond voor ieder zelfvertrouwen.
Dick Hütter, Jonas 1, 04-09-1981

*1981

Opvoedingsvragen: alle artikelen

 

924

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-2)

 

de eerste jaren van een kind

Er wordt weleens gezegd dat de eerste drie levensjaren van een mens het meest bepalend zijn voor zijn hele verdere leven.

En inderdaad – als je ziet wat er in die eerste drie jaren allemaal gebeurt, wat een stormachtige ontwikkeling er plaats vindt vanaf de eerste ademtocht tot het moment dat een kind zijn intrede in de peuterklas kan doen, hoe het in die drie jaren van klein hulpeloos, onbewust dromend popje groeit tot een zich krachtig manifesterend wezentje, dan is het duidelijk dat zoiets maar éénmaal in een mensenleven zo overrompelend gebeurt. even zo overrompelend gebeurt.

Die eerste drie jaren zijn een aaneenschakeling van wonderen en je kunt het gevoel hebben dat het allemaal “vanzelf” gaat, er zijn niet te stuiten krachten aan het werk, waar je als ouder part noch deel aan hebt.

Aan de andere kant ben je als ouder ten nauwste met de hele gang van zaken verbonden. Van dag tot dag, van uur tot uur wordt er een beroep op je gedaan, wordt er in vol vertrouwen van je verwacht dat je alles in het werk zult stellen om die ontwikkeling mogelijk te maken. Moeder-zijn – en in zekere mate ook vader-zijn- is het meest verantwoordelijke en meest wezenlijke beroep dat er bestaat. Merkwaardigerwijze is het tegelijkertijd ongeveer het enige beroep waar geen opleiding voor bestaat en waarvoor geen diploma vereist wordt.

Gelukkig maar – stel je voor dat je alleen met een door de staat erkende akte van bekwaamheid moeder zou mogen worden! Aan de andere kant: nu kom je vaak totaal onvoorbereid voor deze gigantische taak te staan!

Er was een tijd dat de mensen nog meer vanuit een oorspronkelijke verbondenheid met de natuur leefden; ze waren minder knap, maar ze handelden meer instinctief. En het hele leven was natuurlijker en eenvoudiger. Moeders deden toen veel uit intuïtie en dat bleek dan vaak het juiste te zijn.

Nu leven we in zo’n uiterst gecompliceerde en onnatuurlijke maatschappij, dat we bij onze handelingen veel meer moeten nadenken en alles veel bewuster moeten en ook willen doen. Er zal dan ook wel zelden tevoren zoveel aandacht besteed zijn aan het onderwerp “zuigelingenzorg” en opvoeding als juist in deze tijd. Stapels boeken en tijdschriften worden aan dit onderwerp gewijd, consultatiebureaus staan ons ten dienste. Maar waar halen zij hun wijsheid vandaan? Is het altijd wel wijsheid?

Over het algemeen zijn de adviezen gebaseerd op het soort wetenschap, dat zich in de laatste eeuwen heeft ontwikkeld en dat de mens als hoger ontwikkeld dier tot uitgangspunt heeft, evenwel met het accent op ’dier’. De biologie, psychologie, gedragswetenschappen baseren zich op dit mensbeeld: het mensdier.

Maar wat houdt het ‘hogere’ nu eigenlijk in? Hoe openbaart zich dat en hoe zou nu juist dit typisch menselijke opgevangen en verzorgd moeten worden? Dit zijn vragen die bij jonge en aanstaande ouders zeker leven en de antwoorden hierop omvatten alles : zowel zaken als: hoe vaak doe ik de baby in het bad? wat geef ik hem te eten? als: wat voor muziek laat ik mijn kind horen? wat voor verhalen vertel ik?

Door de menswetenschap, die Rudolf Steiner gebracht heeft (antroposofie) is veel inzicht gewonnen in het typisch menselijke en hieruit blijkt, dat de mens tot een heel andere orde hoort dan het dier. Deze inzichten hebben hun uitwerking gevonden op medisch, pedagogisch, voedselkundig, maatschappelijk/cultureel en moreel gebied.

Het mensenkind dat op aarde geboren wordt, brengt zijn eigen unieke persoonlijkheid mee en zoekt in dit aardebestaan naar de omstandigheden, die hem helpen zijn eigen levensopgave te vervullen. De omgeving waarin hij opgroeit, de mensen die hem leiden en begeleiden, spelen daarbij vanzelfsprekend een grote rol. Het allerbelangrijkste zijn natuurlijk de moeder en de vader. En iedere moeder en vader zullen ook niet anders willen dan hun kind zo goed mogelijk te verzorgen.

A.Schukking-Perdijk, Geert Grooteschool, september 1974

Het artikel was de opmaat voor het in het leven roepen van een ‘zuigelingenzorggroep’

De eerste jaren van een kind (1-1)

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

 

920

 

VRIJESCHOOL – De eerste jaren van een kind (1-1)

 

EEN MENS KOMT OP AARDE

Uitgangspunt voor onze pedagogie is het diepgewortelde besef dat ieder mens een absoluut unieke persoonlijkheid is. Alle invloeden van erfelijkheid en milieu, die zeer zeker hun stempel op de opgroeiende individualiteit zullen drukken, zijn niet meer dan gelaagde jasjes om een geheel eigen kern.
Deze persoonlijkheidskern kan dan later wel eens wat erg diep schuil gaan onder hele ladingen van deze jasjes, maar als je als opvoeder, pedagoog of medemens, goed toeziet, ontdek je toch hoe het eigene erdoorheen straalt. Het is dan onze taak er met al onze krachten naar te zoeken hoe dit eigene bij kind of mens verder kan worden gewekt.
Al tijdens de zwangerschap komt dit individuele zo duidelijk naar voren. Moeders zijn er telkens weer enthousiast over hoe ieder kind zich tijdens de zwangerschap op volkomen eigen wijze kenbaar maakt. De één maant zijn moeder tot rust, de ander geeft wonderkrachten. Kinderen die rustig zijn en kinderen die zoveel trappelen dat het er pijn van doet. Ook wat de aanstaande moeder er innerlijk aan beleeft is telkens weer anders.

En dan de geboorte zelf. Vroeg of laat, snel of langzaam, meer of minder met pijnen gepaard, met of zonder schreeuw, blauw of roze, hoofd of stuit, met of zonder ingreep, gerimpeld of glad, droog of vettig, open of gesloten ogen en ga zo maar door. Allemaal evenzovele gebaren waarmee het kind uitdrukking geeft aan zijn persoonlijkheid. En het gaat al net zo met het drinkgedrag, het slapen, het schreeuwen, het ritme van de ontlasting, enz. enz.

Dan ligt het pasgeboren kind daar in de wieg, met dicht opgetrokken knietjes, de gebogen armpjes bij het hoofd, de knuistjes gebald. Af en toe klinkt een klein murmelgeluidje, een gaap, een zucht. Er heerst vrede. De ademhaling gaat heel onregelmatig, wat hijgerig en weinig diep. Het moet nog leren te ademen. Soms worden de longen even goed volgezogen en stoot een driftige schreeuw de lucht weer fors naar buiten.

De eerste voedingen worden genoten (bij de oude Germanen gold een kind pas als aardeburger nadat het de eerste voeding had genoten). Diep klokt het naar binnen, het kind krult driftig zijn tenen en spant en ontspant al zijn kleine spieren om maar zoveel mogelijk zo snel mogelijk naar binnen te krijgen. Intense, volledige overgave. Als het verzadigd is, ontspant het zich van top tot teen, de mond glijdt af, eindeloze vredigheid. Er glijden hele fijne glimlachtrekjes (nog niet het eigenlijke lachen) over het gezichtje, alsof er engeltjes voorbij zweven op een zachte vleug van wind. De diepste rust in de wieg. Het slaapt. Het is alsof je kijkt naar een vleesgeworden droom, het is er en het is er toch ook niet. Dan heeft het een natte luier of ook weer honger en het feest begint. Geen twijfel mogelijk, geen droom, het is er. Een huilbui zonder tranen, de ene schreeuw is er nog niet uitgeperst of de volgende struikelt er al weer overheen en nog een en nog een, vreemd dat het er niet in stikt. Het geluid resoneert helemaal in het hoofdje met nasale hoge tonen (als van oosterse muziek). En toch ook weer van een eindeloze diepte, duiven die koeren boven je hoofd.

Een wonder temidden van al deze wonderen beleefden we rond de derde dag. De eerste dagen had ik bij onze zoon de indruk dat er wel een heel klein hoopje in de wieg of in mijn armen lag, maar dat de hele kamer tot in alle hoeken vervuld was van zijn bepaald niet geringe wezen. Een machtig, indrukwekkend wezen, dat ik bij de geboorte had ontmoet, toen het zijn allereerste levensmomenten besteedde door ons heel intensief met peilloze zeeën van ogen aan te kijken. Een blik die ik nooit zal vergeten, zozeer sprak die nog van de werelden die zojuist waren verlaten om hier op aarde te komen werken. Een blik uit het voorgeboortelijke èn een blik naar de toekomst, sprekend van zijn diepste levensbesluiten. Na de derde dag was hij uiterlijk gezien natuurlijk nog steeds een klein hoopje mens, maar zijn hele wezen sprak nu tot ons van binnenuit, hij leek enorm gegroeid.

De eerste spanningen, verwonderingen en emoties waren nu voorbij en we gingen nu echt eens goed kijken hoe hij er uit zag en wat hij allemaal deed. Een reusachtig hoofd met een onaanzienlijk lijfje eronder; in het hoofd zelf was deze verhouding weerspiegeld in de enorme welving van voor-, boven- en achterhoofd ten opzichte van het kleine teruggetrokken kinnetje en het kleine mondje met tuitlipjes en zuigblaasje. Eigenlijk één en al hoofd met vaak al heel wakkere ogen die dapper de nieuwe wereld inkeken. De armpjes en beentjes leken een heel eigen leven te leiden, zo schijnbaar doelloos maaiend en trappelend.

Zo’n klein kind is één en al zintuig. Het reageert op het kleinste geluidje, op het geringste lichtstraaltje, maar ook op de fijnste stemmingsnuancen van de volwassenen, met zijn totale organisme. Het is eigenlijk niet te geloven dat het mogelijk is om zó open, met zo’n volledige overgave indrukken van buiten waar te nemen. Dat kunnen wij ons met ons denkende bewustzijn, dat zich kritisch tegenover de dingen op een afstand plaatst (daaraan hebben wij ons zelfbewustzijn immers ontwikkeld), niet neer voorstellen. We kunnen de tegestelling beleven: het pasgeboren kind zonder denkend bewustzijn, maar met een waarnemings- en invoelingsvermogen dat dwars door alle uiterlijkheden, en cultuurvernisjes heen gaat en wij, met (zelf)bewustzijn, die eigenlijk voortdurend botsen tegen en blijven steken op de buitenkant van dingen en mensen.
Als een baby je aankijkt, voel je hoe alle zelfdunk en eigenwaan van je afglijdt. Het is een zegen voor ons, ons even zo helemaal puur te kunnen voelen, zoals we werkelijk zijn. Het kind houdt immers onvoorwaardelijk van ons en het draagt ons een eindeloos vertrouwen tegemoet. We zouden moeten proberen dat vast te houden voor later, dat gebaar van oneindige liefde en vertrouwen; een ware godendrank, waar de opvoeder krachten uit zal kunnen putten in moeilijkere tijden.
Maar het leven, dat uitsluitend lijkt te bestaan uit slapen en drinken, aan- en uitkleden, gaat verder. Het kind komt voor het eerst in de grote kamer. Wat een wereld! Wat is daar veel nieuws te zien. Het hoofdje beweegt bruusk heen en weer als dat van een vogeltje en je ziet de spannende aandacht waarmee alles wordt opgenomen. Het zou bijna vergeten te drinken, maar natuurlijk niet helemaal, want dat blijft voorlopig toch nog wel het allerzaligste. En dan mag hij van de dokter ook al even op de bank blijven liggen, om te “keten”. Lekker trappelen, maaien en geluidjes uitstoten. De slaap wordt er des te diepeer om, om dit alles weer te kunnen verwerken, te verteren. Want werkelijk, al deze zintuigindrukken vormen net zozeer kostelijke, onmisbare voeding als de melk.

De eerste traan! Als een grote kostbare glanzende parel glijdt hij langzaam rollend langs zijn wang. Eerste voorbode van het menselijk vermogen om innerlijk leed te beleven. En de eerste lachjes! Waren het vroeger voorbij zwevende vleugjes, die het mondje als het ware van buitenaf even licht aantipten, nu komt het echt van binnenuit; je ziet het aan de stralende ogen en je hoort het aan de pogingen het met kraaigeluidjes te begeleiden.

Een brede warme stroom van wereldomvattende mildheid komt je uit het kind tegemoet. Je zo zonder enige terughouding te kunnen geven aan je omgeving, dat kan, waar nog geen bewustzijn heerst dat bijna alleen nog maar kan (ver)oordelen.

Zo is het kind onder ons, een geschenk uit de hemel, intens vol van liefde, vertrouwen, onbevangenheid en mildheid, zo schenkt het zichzelf aan ons. Een mens komt op aarde. Het vraagt ons niets en toch stelt het ons de allergewichtigste vragen. Wij moeten leren ze te verstaan.

Maarten Ploeger, Geert Grooteschool Amsterdam, sept.1974

Meer over het kleine kind, ritme, warmte, groeikrachten, spel, nabootsing enz.

919

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5)

 

Dit artikel uit 1975 heeft – 40 jaar later – nog niets aan actualiteit ingeboet. In tegendeel: met name de hier gesignaleerde milieu-aspecten zijn in deze tijd veel duidelijker. Maar ook de wil onder vele mensen om het anders te doen, is toegenomen.

kunststof of natuurproduct

Kleden we onze kinderen met dralon, nylon of acryl, of zoeken we stad en land af naar wol, katoen of linnen? Geven we ze plastic speelgoed, of zoeken we naar “verantwoord” houten speelgoed?

In onze wegwerp-maatschappij, waarin men op zoek is naar zijn gemak, zichzelf en zijn milieu dreigt te verstikken, zoeken steeds meer mensen naar een gezonde levensstijl. Gezond in voeding, verantwoord in kleding, speelgoed etc. Hoort bij dit zoeken ook het afwijzen van kunststoffen? Volgens het gevoel al gauw “ja”, maar waarom eigenlijk? Is dit gevoel terecht, in hoeverre is het terecht, en waar slaan we door naar de andere kant, in ons verzet tegen alles wat we mis zien gaan?

Laten we eens proberen of we een “waarom” kunnen ontdekken, in wat velen misschien instinctief voelen.

Met een omweg hierheen, wil ik uitgaan van het kleine kind, dat, pasgeboren, alleen en hulpeloos in de wereld staat. Als het niet in de eerste jaren lukt een goed gevoelscontact met de wereld op te bouwen, dan kunnen hieruit ernstige stoornissen ontstaan. Uit onderzoekingen [1] is gebleken dat kinderen in dié tehuizen, waar een slechte vervanging van de moeder tot stand is gekomen, slecht groeien, vaker ziek zijn, zelfs eerder sterven, dan kinderen die door een zorgzame moeder of verzorgster zijn grootgebracht. Dit is goed in te voelen. Een kind dat echte gevoelens ontmoet, kan gezond opgroeien. Zulke gevoelens moeten ook inderdaad echt zijn, van binnen uitkomen. Er mag geen doen — alsof bij zijn, geen surrogaat gevoel, geen imitatie.

Er zijn echter nog meer terreinen, waar ons contact met de wereld wordt opgebouwd, zoals het gebied van onze waarnemingen. Door onze ogen, oren, tastzin, warmtezin, smaak-en reukzin, leren we ook de wereld kennen. En pas als we de wereld kennen zoals hij is, kunnen we hem vertrouwen.

Pas als we dit vertrouwen hebben, kunnen we ons erin bewegen, erin leven, erin werken, erin onszelf zijn. Dit is zó vanzelfsprekend, dat het haast moeilijk is om te zien hoe belangrijk dit is. Probeer je bv. eens voor te stellen dat je ergens gaat wandelen, en bij elke volgende stap moet uitproberen of de bodem je wel kan houden, zoals over één nacht ijs. Behalve dat het eindeloos zal duren voordat je ergens komt, ben je onzeker, en voortdurend met je lijfsbehoud bezig, je kunt geen gesprek meer voeren, niet meer op de vogels letten of dat probleem overdenken waar je mee bezig was. In werkelijkheid vertrouwen we op onze zintuigen, we herkennen een stevige bosgrond. Doordat ruiken, zien, horen, tasten met elkaar in overeenstemming zijn, zijn we zeker van onszelf. Uit ervaring kennen we het verschil tussen bosgrond en water. In water durven we te duiken, als we gezien hebben dat het diep genoeg is.

Stel je eens voor dat je duikt, maar dat het ijs blijkt te zijn? Of dat je in een boom klimt, maar eruit valt doordat de takken breken omdat je de sterkte van het materiaal verkeerd beoordeeld hebt. Als kind bouw je op grond van je waarnemingen je ervaringen op. En je ervaringen geven je zekerheid — als je je waarnemingen kunt vertrouwen.

PLASTIC
Hoe zit dat met bv. plastic gebruiksvoorwerpen? Je pakt een beker op, en tot je verrassing schiet je hand omhoog, omdat je dacht dat ie van steen was, maar van plastic blijkt te zijn. Je hebt z’n gewicht verkeerd geschat. Hij voelt ook anders dan steen, minder koel. Hij gaat ook niet kapot, als hij valt. Eigenschappen, die stuk voor stuk positief of negatief beoordeeld kunnen worden, maar in ieder geval samen een geheel vormen, dat met de wereld zoals we die van nature leren kennen, niet overeenkomt.

Een ding van kunststof, of het nu kleding, speelgoed of een gebruiksvoorwerp is, is een imitatie, maar altijd een gebrekkige. Kunststoffen hebben geen eigen combinatie van eigenschappen, zoals hout, leer, wol, katoen. Kunststoffen zijn de éne keer zacht, dan hard, dan breekbaar, dan doorzichtig, kunnen dan eens niet, dan eens wél krassen krijgen, afhankelijk van het soort imitatie. De combinatie van waarnemingen bij kunststoffen is altijd nieuw, je kunt ze zelden vertrouwen. Wie voelt zich niet gefopt als hij aan een plastic bloem ruikt? Vooral bij jonge kinderen is het goed te bedenken dat mèt het geven van bv. een rammelaar, ook een stuk materiaal gegeven wordt. Leren zijn zintuigen hem een stuk van de wereld kennen, of een stuk imitatie? Kan hij met dit materiaal bruikbare ervaring opdoen, om vertrouwen tot de wereld op te bouwen, of is het een imitatie-ervaring? Net zoals bij de gevoelsontwikkeling van belang is of het gevoel echt is, is het bij waarnemingen van belang of de waarneming “echt” is, of een imitatie.

Het net-echte van vele kunststoffen is altijd maar net-echt voor enkele eigenschappen. Vaak alleen voor het oog. Namaakleer lijkt in enkele eigenschappen precies op echt leer, maar niet in alles. Je ruikt gelukkig nog of het wel of niet echt is. Maar je ogen kun je al niet meer vertrouwen. Het geheel van eigenschappen maakt dat het niet “echt” is, dat het imitatie is. Ook wat de kosten betreft. Niet toevallig zijn de meeste kunststoffen goedkoper: namaakleer is goedkoper dan echt leer, nylon is goedkoper dan wol, plastic is goedkoper dan zilver of staal. Dat betekent, dat veel dingen zo gemaakt worden, dat als er iets aan kapot is, je het beter kunt weggooien dan het laten repareren. Weggooien is het goedkoopste. Dit geldt voor kleding, speelgoed, keukengerei, tot technische apparaten toe. Dit werkt in de hand dat je minder hecht aan je spullen, minder gevoelsbanden met je omgeving aanknoopt, onverschilliger voor je omgeving wordt. Hoort bij een gezonde ontwikkeling ook niet een goed gevoelscontact met de dingen? Een duurzaam gevoelscontact? Wie kan er houden van plastic lepels? En wie van de zilveren lepels, die je nog van je grootmoeder hebt gekregen? En zeg eens eerlijk, wie kan er nog geroerd raken bij de aanblik van bontgekleurde elektrische kaarsjes, die we niet meer aan hoeven te steken, die niet druipen, die we niet meer uit kunnen blazen? En hoe lang [2] zal het nog duren voordat we een namaakkerstboom hebben, die niet uitvalt, geen kale plekken heeft, geen…?

Gebruik van kunststof werkt het scheppen van een na-maak-wereld in de hand. Namaak-hout, namaak-bont, namaak-haar, namaak-wol, het is allemaal “alsof”. En er is al zoveel “alsof”’ in de wereld. We doen zoveel “alsof” tegen elkaar, en we zoeken er juist naar dat masker van het alsof te laten vallen.Moeten we dan ook in onze materialen het alsof-idee niet vermijden? Het doen-alsof is natuurlijk niet aan kunststoffen gebonden, maar we kunnen ons wel afvragen in hoeverre we met kunststoffen bezig zijn met een doen alsof.

Zeker zijn er ook gebieden waar kunststoffen wèl hun plaats hebben, zoals in industrie en techniek waar juist de combinatie van eigenschappen die kunststoffen hebben, hen onvervangbaar maken. Maar dan is het ook geen alsof-gebruik meer.

In het bovenstaande zijn alleen maar bepaalde kanten van
kunststofgebruik bekeken. Niet ter sprake kwam bv. het milieu-aspect. Wat betekent het niet kunnen vergaan in de kringloop van de natuur? Bijna alle producten die uit natuurstoffen gemaakt zijn, kunnen weer in de natuur opgenomen worden. Dit kan vrijwel nooit met kunststoffen. Ook het directe gezondheidsaspect kwam niet ter sprake. Van belang is bv. dat kunststoffen zeer brandbaar zijn, waar je bij de keuze van huisraad en kleding rekening mee kunt houden. Van meer dagelijks belang is het, dat kunststoffen vrijwel geen vocht opnemen, ze “ademen” niet. Voor mensen met een gevoelige huid kan dit een huiduitslag opleveren (nylon ondergoed). Bij baby’s is het gebruik van plastic luierbroekjes erg bevorderlijk voor het ontstaan van luiereczeem. Zo zijn er nog meer kanten aan het kunststofgebruik, zowel positieve als negatieve.

Maar ik hoop dat het gelukt is voor enkele gezichtspunten het gebruik van kunststoffen uit de sfeer van vóór en tegen te halen, zodat we met meer bewustzijn voor onszelf kunnen uitmaken waar kunststoffen wèl, en waar ze niet op hun plaats zijn.

 
B.W. Jonas 17-01-1975

[1] Bij het verschijnen van dit artikel was dit nog niet bekend:
In zijn boek ‘Mijn brein denkt niet, ik wel’ zegt de auteur Arie Bos:

Plasticiteit van verbindingen
Maar hoe komen die hersenen zo slim? Wel, daar hebben wij zelf voor gezorgd. Natuurlijk, we moeten het om te beginnen doen met wat we bij de geboorte hebben meegekregen. Maar dan begint het pas echt. We moeten ze gebruiken. En daarmee veranderen we de hersenen, dankzij de ‘plasticiteit’ van de hersenen. Natuurlijk doen we dat niet in ons eentje. Daar hebben we hulp bij gehad. Zeker in onze kindertijd doen we niets in ons eentje. De geschiedenis heeft ooit iets laten voorvallen dat dit zichtbaar heeft gemaakt. De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte namelijk nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier (afb.1):

hersenscan verwaarloosde kinderen

 

hersenontwikkeling in normale drie jaar oude kinderen (links) en bij extreme verwaarlozing (rechts)

Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie. Niet aangeboren dus, maat veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met de opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op. (S.Gerhardt ‘Why love matters. How affection shapes a baby’s brain’ (2004))

[2] Inmiddels zijn deze volop te koop.

In de jaren ’80 kende ik een ouderpaar wiens pasgeboren kindje naar het ziekenhuis moest: geelzucht. Het had aanhoudend een te lage lichaamstemperatuur. Onder- en bovenlakentjes/dekentjes waren voornamelijk van kunststof. De moeder, die zich een krantenartikel uit 1979 herinnerde,  nam op zeker ogenblik het wollen onderdekentje van thuis mee en legde dat ongezien – wol mocht niet!!! – verpakt in een echt lakentje onder haar baby. De temperatuur steeg dezelfde dag nog. Dat was in 1980.

In 1979 was dit echter al bekend:

Te vroeg geboren baby’s groeien en slapen beter op dekentje van lamswol

Een te vroeg geboren baby die niet op het gebruikelijke ziekenhuislaken maar op een warm, zacht dekentje van lamswol te rusten wordt gelegd, groeit sneller, slaapt beter en verliest minder lichaamswarmte. Dat is de conclusie van een Engels onderzoek op de Universiteit van Cambridge. Maar ook normale, voldragen baby’s die een met lamswol „beklede” wieg hebben, voelen zich daarin overduidelijk meer op hun gemak dan op een strak gespannen laken. Het resultaat: ze huilen minder en slapen beter. „Geen wonder ook”, zegt dr. Martin Richards, de leider van het Engels onderzoek. „Ik kan me goed voorstellen dat een baby een ondergrond waarin hij of zij zacht wegzinkt verre prefereert boven een hard laken dat vaak nog koud is ook”.

In Cambridge legde dr. Martins gedurende zo’n twee weken zes baby’s de ene dag op het gebruikelijke ziekenhuislaken en de andere dag op een lamswollen dekentje. Aan het eind van elke dag werden de kleintjes gewogen. Met verbazingwekkende resultaten. Dr. Martins: „Onze verwachtingen werden verre overtroffen. Per dag groeiden de baby’s 30 gram op lamswol tegen 20 gram op laken. Een verschil van 50%.

Bovendien huilden ze minder en lagen ze rustiger. Ik kan me voorstellen dat de isolerende werking van lamswol de baby’s warmer houdt. En als ze dan rustiger zijn in hun slaap kan de energie van de voeding worden omgezet in groei. Maar dat verklaart het verschil maar voor een deel”.

„Ik denk dat deze baby’s vooral hard groeien, omdat ze gewoon gelukkiger zijn. Op lamswol zien ze er ook meer tevreden uit en ik kan me goed voorstellen dat het voor een baby geen pretje is om in een couveuse op de nogal harde katoenen lakens te liggen die gewoonlijk worden gebruikt”. Dr. Richards hoopt meer onderzoek te doen naar de effecten van lamswol bij voldragen baby’s.

 

peuter/kleuter: alle artikelen

 

909