Tagarchief: ontwikkelingsfase 0 – 7

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfase en ziekte

.
Dr.Med. H.K.Mittelstrass, kinderarts, Weledaberichten nr.137 december 1995

.

ONTWIKKELINGSFASEN EN AANLEG VOOR ZIEKTEN IN DE EERSTE DRIE LEVENSPERIODES VAN ZEVEN JAREN

.

Elk jaar gedenken wij met Kerstmis de geboorte van het Jezuskind dat de Christus wordt, die wij als de Verlosser vereren. Als wij zijn levensgeschiedenis overzien, zoals die aan ons is overgeleverd, dan gebeuren er rondom de geboorte van het kind wonderbaarlijke dingen: de drie Koningen kwamen van verre. Zij begrepen de gebeurtenis vanuit de sterren. De herders beleefden die in hun harten en zij ontwaarden de hemelse heerscharen boven het heilige kind. Na de doop in de Jordaan begint echter pas de werking van Jezus van Nazareth, die zijn discipelen als de Christus herkennen. Nu stelt hij zelf tekenen. Wat ligt daartussen? Wij vernemen over de vlucht naar Egypte, een terugtocht in het verborgene. Daarna de terugkomst naar Galilea, die zo begenadigde streek van Israël, die los staat van het politieke leven van Jeruzalem. Daarna zien wij een uniek oplichten van hetgeen later zichtbaar zal worden, als de twaalfjarige Jezus, op de drempel van de kindsheid naar het jongelingschap, de Schriftgeleerden in verbazing brengt voor zijn leer en uitlegging van de Schrift in de tempel. In de stilte voltrok zich het rijpen, daarna kwam het begin van zijn taak op aarde.

Op die manier voltrekt zich ook de rijping van ieder mens. Er zijn vele jaren voor nodig, ongeveer twee decennia, tot wij diegenen zijn, die in het leven vormgevend ingrijpen, om onze taken op aarde te volbrengen. Het zijn jaren van leren, rijpen, groei en verandering. Vanaf onze geboorte zijn wij wel fysiek aanwezig, toegerust met een ontembare levensdrang, na een geheimzinnige, in het verborgene van de moederschoot zich voltrekkende voorbereiding, maar… hoe hulpeloos zijn wij niet? Wij hebben deel aan de wereld, hebben echter de krachten, de substanties van die wereld nodig, bovenal de andere mensen om op te groeien, te rijpen en uiteindelijk zelfstandig te worden.

Deze ontwikkelingsfase vertoont naast continuïteit duidelijk markante punten waar nieuwe eigenschappen en impulsen tevoorschijn komen, misschien alleen maar terloops zichtbaar worden, om dan weer in de stroom van de voortschrijdende ontwikkeling onder te duiken.

Dergelijke in het oog lopende punten herkennen wij in de vroege kindsheid gemakkelijker als zij gepaard gaan met zichtbare lichamelijke veranderingen. Later worden zij minder duidelijk, als zulke veranderingen nog slechts psychisch-geestelijke ontwikkelingen weergeven, die wij dus ook met andere waarnemingsorganen moeten observeren. Wij zien een groot, ongeveer zeven jaren omvattend biologisch en biografisch ontwikkelingsritme, dat op zich zelf in fasen is geleed.

Er zijn twee kenmerkende gebeurtenissen na de geboorte waardoor wij fysiek tot verschijning komen.

De eerste is het tijdstip van de tandenwisseling, die de kleuterfase afsluit en altijd al als het juiste ogenblik van de schoolrijpheid werd beschouwd, omdat er nu kennelijk nieuwe mogelijkheden en vaardigheden ontstaan.

De tweede is het intreden van de puberteit omstreeks het 14e jaar. Met de lichamelijke verandering van de geslachtsrijpheid ontwaken nieuwe zielenkrachten, die vrij komen en die zich naar de medemens en de wereld keren.

Rondom het 21e jaar is de menselijke gestalte voltooid. Het is de tijd van de volwassenheid. Daarna kan de mens het ”wij” beleven en in de wereld actief worden.

Tussen deze overgangen om de zeven jaren ligt het doorbreken van de eerste tanden in het zuigelingenstadium omstreeks de 6e maand. Vanaf nu kan ook vaster voedsel dan alleen de zoete moedermelk worden verdragen; het kind wil zich gaan oprichten. Als het één jaar is kan het dat. Daarop volgt het leren lopen. De wereld wordt groter. Het kind wil die wereld gaan begrijpen en ervaren. Na een eerste begin van de mogelijkheid om te denken ontvonkt met ongeveer 2½ jaar het ik-bewustzijn, waarmee dan allengs het continue zelfbewustzijn, de mogelijkheid van het zich-herinneren gepaard gaat.

Lichaamsbeheersing (wie beheerst wie?) en leren gaan geweldig vooruit. Het lichaam groeit op in fasen van afwisselend strekken en vullen. De kindsheid is door iets betoverends omgeven. Het echt-slechte bestaat niet. In de omgang met het kind krijgen wij eerbied voor hetgeen daar zienderogen opgroeit en rijpt onder onze zorgzame handen. Met ongeveer 9 jaar wordt die harmonie dikwijls haast onmerkbaar plotseling verstoord, als ons vragen, twijfel omtrent de ouders en opvoeders uit de droeve, resignerende blik van het kind tegemoet komen. Deze vertroebeling van onze relatie met het kind en van het kind met ons wordt verhevigd als wij beleven, hoe rondom de puberteit driften loskomen, verdorvenheid de ziel gaat beproeven, krachten in tegenstelling tot hetgeen de opvoeder en de wereld beogen, de vrije loop trachten te krijgen om dan weer te worden gebruikt voor lichamelijke en geestelijke prestaties die van een verbazingwekkende zekerheid getuigen en die vooral blijken in de adolescentie – vooropgesteld dat de jonge mens de juiste gelegenheid krijgt om lichaam, ziel en geest te voeden en te trainen. Maar rondom het 18e, 19e jaar komt er een nieuwe breuk als opeens gedurende een zekere tijd een opeenvolging van blunders en pech ontstaat waaruit de adolescent dan ontwaakt, gerijpt door de ervaring, dat niet alles zomaar vanzelf gaat en teleurstelling – waardoor het begrip voor de omgeving wordt verdiept – wordt ervaren; wij zien de mens nu volwassen worden. Wij vermoeden iets van de worsteling tussen opbouwende groeikrachten en vormgevende afbrekende krachten in de jonge mens, tot ten slotte na vele metamorfosen de bij hem passende gedaante met de daaraan inherente vermogens voor ons staat.

Het kan na het hierboven beschrevene duidelijk zijn, dat dit verloop van de menswording in ritmische ontwikkelingsfasen verloopt. Aan die fasen, waarin plotseling nieuwe resp. oude vermogens in veranderde gedaante tevoorschijn komen, gaan tijden van voorbereiding vooraf, waar in het verborgene de aanleg ontstaat voor hetgeen later verschijnt.

Wij weten, dat de stappen in een ontwikkeling vaak pijnlijk zijn en het beeld van ziekten vertonen. Uit de waarneming daarvan en het weten daaromtrent dringt zich de gedachte op, dat ziekten – vooral gedurende de kinderjaren- de uiting van ontwikkelingsfasen of op zijn minst de heftige poging om een ontwikkeling door te maken zijn, die zonder de inspanning van een ziekte niet mogelijk zou zijn geworden.

In het hierna volgende worden enkele typische ziekten met betrekking tot de verschillende levensfasen beschreven die deze gedachte kunnen illustreren.

Ziekten in de eerste zeven jaar

In de eerste zeven jaren spelen infectieziekten de hoofdrol. Zij zijn zo kenmerkend voor deze leeftijd, dat ze kinderziekten worden genoemd. Met de krachten van de nabootsing, waarover het kind op deze leeftijd beschikt en die bij de infectieziekten aan het fysieke lichaam gebonden optreden, verwerft het zich als resultaat van de ziekte de immuniteit, d.w.z. het kan niet een tweede keer zo’n ziekte krijgen. Het kind krijgt dus iets wat helemaal van hemzelf is: het vermogen om zich zelf in stand te houden.

Het beleeft, gekluisterd aan zijn lichaam, een proces, dat al in de ziel in de fase van het nee-zeggen, van het eerste ik-bewustzijn, is begonnen. Zulke ziekten, die van binnenuit via het zweten met hoge koorts, door de huid worden afgeleid, treden op in een fase van lichaamsverandering en groei. Na mazelen, roodvonk, waterpokken wordt tegelijk met de roofjes en korsten de oude huid afgelegd. Het kind komt als herboren tevoorschijn met zijn nieuwe vaardigheden, vooreerst nog een beetje uitgeput door de worsteling, op den duur echter versterkt. Het beschikt over nieuwe vaardigheden, heeft belemmeringen uit het verleden zoals bijv. gebrek aan eetlust en bedwateren overwonnen.

Ziekten in de tweede zeven jaar

Terwijl in de eerste zeven jaren deze ziekten de totale mens met hoge koortsen doorgloeiden, waarvoor men eigenlijk niet bevreesd behoeft te zijn, hebben de typische en veel voorkomende ziekten van de tweede fase van zeven jaren eerder een vluchtig nauwelijks vatbaar functioneel element. Het totaal van de wisselende symptomen vatte Holzapfel als schoolziekten samen: buikpijn, braken, diarree, verstopping, hoofdpijn, pijn in de ledematen, steken in de hartstreek, ademnood, duizeligheid wisselen elkaar af. De arts zal, als hij organische manifestaties zoekt, nauwelijks iets vinden wat van belang is.

Terwijl het lichaam in de eerste zeven jaren steeds meer gevormd werd, moet het zich nu aan uiterlijke omstandigheden aanpassen. Dat lukt niet zonder dat ook het zielenleven, dat nu ontstaat hierbij betrokken is. Wij denken hierbij eraan, hoe schrik de adem doet stokken en het gelaat doet verbleken, toorn het gezicht rood laat worden en vreugde het hart sneller laat kloppen. Aldus kunnen wij meevoelen, wat in deze levensfase het voornaamste element is, dat wordt getraind en leiding geeft: de ziel, die gebruik maakt van de lichamelijke functies, wier kenmerk is heen en weer te pendelen tussen vreugde en smart, moed en angst, sympathie en antipathie, instemming en afkeuring en die in het gezonde heen-en-weer schommelen tussen de polen niet in de stilstand het evenwicht zoekt en vindt. In de eerste zeven jaren vinden wij uiterlijke oorzaken voor het optreden van de kinderziekten die worden “nagebootst”. Zij zijn een welkome aanleiding om de wil te activeren, die het kind van top tot teen doortrekt. Opdat dit goed gebeurt, behoeven wij als artsen en opvoeders hier niet veel aan toe te voegen.

In de gezondheidsstoornissen van de basisschoolleeftijd hebben wij eveneens uiterlijke aanleidingen die uitgaan van het ouderlijk huis, de civilisatie, de voeding, een tekort aan ritme in het dagverloop, intellectuele overbelasting, een overmaat van zintuigelijke indrukken. Een hulp, die wij ter overwinning van de stoornissen kunnen bieden ligt op het psychische vlak om het heen en weer gaan tussen twee uitersten weer op gang te brengen of tot de juiste maat te herleiden. Het pendelen heeft echter ook ten doel een evenwicht tot stand te brengen. Ondersteuning daarvan bestaat in een gezonde opvoeding, zoals die te vinden is in de vrijeschoolpedagogie. Wie zich daarmee bezig houdt scherpt ook zijn blik om de genoemde uiterlijke aanleidingen van de stoornissen te kunnen herkennen en verschaft aan ouders en opvoeders de mogelijkheid om de kinderen te helpen.

Ziekten in de derde zeven jaar

Als de puberteit zich aankondigt als een overgang van de 2e naar de 3e fase van zeven jaren, met een versnelling van de wasdom, in lichamelijke zwaarte vallen, rijping van geslachtsorganen, verandert ook het kenmerk van de typische door de leeftijd bepaalde ziekten: botnecrose, slechte lichaamshouding, vetzucht treden op en verkondigen, dat in de toekomst ziekten anders, meer aan de organen gebonden zullen zijn. Als wij bedenken, hoe verbonden met crises in het ziels- en wilsleven de fase van de puberteit bijna door iedereen wordt beleefd, dan wordt ook begrijpelijk, dat nu werkelijk de levensloop beïnvloedende storingen kunnen optreden, als deze overgang niet gelukt.

Nemen wij in dit verband de steeds meer in de puberteit optredende drift om te vermageren of een ander gedragspatroon (verslaving aan drugs, alcohol, nicotine etc.), wat in onze tijd een overgroot vraagstuk wordt, dan wijzen deze ziekten wat hun kiem betreft naar eerder liggende stadia. Niet in de eerste plaats in de directe omgeving, het heden, liggen de oorzaken van de ziekten, zoals dat bij de voorafgaande leeftijdsfasen voornamelijk het geval was; veeleer zijn die dan te vinden in factoren uit het verleden. Zij beïnvloeden de actuele situatie en werpen een drempel op voor de toekomst. Deze ziekten zijn misschien nog de uitdrukking van de wil tot zelfgenezing, van de poging om stadia van de ontwikkeling in te halen, maar door de ernst van de ziekte wordt toch duidelijk, dat zij uit zichzelf niet meer tot genezing in staat zijn. Veeleer kan men vermoeden, dat er beschadigingen zullen overblijven, als er niet energiek wordt ingegrepen en geholpen van buiten af door opvoeders en genezers.

Deze ziekten van de derde zevenjaarperiode blijken in tegenstelling te staan, tot de typische ziekten van de voorafgaande periodes. Van de eerstgenoemde ziekten krijgt men de indruk, dat zij gunstig zijn voor de ontwikkeling. De later optredende ziekten lijken die te remmen, af te snijden. Als wij nauwgezet andere ziekten nagaan, die behalve de genoemde in de eerste twee periodes van zeven jaren optreden, dan kunnen wij misschien in toenemende mate ook in eerdere levensperiodes dergelijke belemmerende ziekten ontdekken.

Daardoor rijst de vraag: wat zijn de voorwaarden voor het ontstaan van zulke ingrijpende en uiteindelijk vernietigende ziekten? Als men nagaat, wat jonge mensen, die verslavingsgedrag vertonen, tevoren hebben meegemaakt op hun ontwikkelingsweg, dan ontdekt men dikwijls krenkende en storende gebeurtenissen, die hoogst persoonlijk zijn en niet over één kam geschoren en vereenvoudigd kunnen worden opgesomd – gebeurtenissen, die schreden op de ontwikkelingsweg bemoeilijkten of onmogelijk maakten. Men denkt aan het ontbreken van kinderziekten, van nestwarmte in de eerste kinderjaren, intellectuele overbelasting in de schooltijd, vervelende leraren i.p.v. ontmoetingen met een enthousiasmerende, kunstzinnige persoonlijkheid die voor het kind een dierbare autoriteit wordt.)

De vraag naar de voorwaarden van de ontwikkeling-belemmerende ziekte in de derde zevenjaarperiode roept de vraag op naar de voorwaarden voor de ontwikkeling van een levend wezen in ’t algemeen.

In de planten- en dierenwereld ziet men, dat in elke ontwikkeling levenswetten een rol spelen. Men kan ze als volgt formuleren:

1e: dat de ontwikkeling naast een continuïteit een ritmische geleding in de tijd vertoont.
2e: dat met dit ritme in de tijd ook ritmisch zich voltrekkende gedaanteverwisselingen gepaard gaan (metamorfosen).
3e: dat ontwikkelingsfasen en veranderingen in het verborgene worden voorbereid in een beschermende omhulling.

De eerste beide gezichtspunten vonden wij reeds in de voorafgaande beschouwing. Het noemen van ziektefasen diende ter verduidelijking daarvan. De derde wetmatigheid werd ook reeds vermeld.

Wij willen daar nog enkele gezichtspunten aan toevoegen met de bedoeling de oorzaak van die de ontwikkeling remmende ziekten van de derde zevenjaarperiode na te gaan en misschien een bijdrage te leveren, hoe dit soort ziekten aan te pakken.

Ziekte is geen levensuiting van planten en dieren als het milieu intact is. Ziekte wordt echter in toenemende mate mogelijk door de mens, die het milieu ook van deze levende wezens verandert en is voor ons een signaal om zorgvuldiger met het milieu om te gaan. De plant verbergt voor onze blik de voorbereiding voor de volgende ontwikkelingsfase onder de schutbladeren van de knop. Het dier verbergt in het ei de larf. Die verpopt zich tot de rups een vlinder wordt. Het dier bouwt nesten, maakt holen, trekt zich in het struikgewas terug of het wordt in de kudde door de volwassen dieren omringd. Elke keer worden omhullingen gevormd in de bescherming waarvan stappen in de ontwikkeling worden gedaan. Voor zover die lichamelijk zijn kunnen wij ze zien, meten, wegen. Psychische ontwikkeling blijkt uit het gedrag. Die volgt meestal op lichamelijke veranderingen, zoals men door subtiele waarneming ook na de duidelijke keerpunten van de tandenwisseling, de puberteit nog kan zien. Ook psychische ontwikkelingsetappes hebben ter voorbereiding omhullingen, afzondering nodig. Wij mogen dit afleiden uit het voorafgaande betoog. Deze omhullingen, in de bescherming waarvan psychische, geestelijke en lichamelijke ontwikkelingen worden voorbereid, behoeven niet zichtbaar, moeten echter werkzaam zijn.

Laten wij niet vergeten, dat wij in tegenstelling tot de dieren kunstmatige verwarming door kleren en woningen nodig hebben. Vergeten wij ook niet de psychische omhulling die het gezin aan het zich in wording bevindende zielenwezen van het kind geeft. Daarbij komt nog de omhulling van de moedertaal voor het denken, die een klas, een schoolgemeenschap, een functionerende buurtschap kunnen geven om geestelijke en sociale vaardigheden te trainen, opdat daarna een eigen zielspatroon, het eigenlijke wezen van de mens, zich met behulp van de culturele omhulling kan ontwikkelen.

Als wij het wezenlijke van omhullingen nader beschouwen, dan wordt duidelijk dat die beschermende organen niet alleen naar binnen en naar buiten afsluiten. Ze zijn ook doorlaatbaar.

Die doorlaatbaarheid is echter ook gefilterd: de pop van de vlinder laat heel bepaalde werkingen door van buitenaf, bijv. bepaalde frequenties van stralingen uit een breed spectrum, die voor de wordingsprocessen van belang zijn; andere worden afgewezen.

De omhullende lagen zijn gevoelig voor licht, warmte en vochtigheid, zij beschermen tegen koude en droogte.
Wij zien nu in de omhullingen eigenschappen die onze huid ook heeft, die ons van de buitenwereld afschermt, maar tevens signalen van buiten naar binnen overbrengt in een gefilterde vorm. Omhullingen beschermen. Zij zijn noodzakelijk in de ontwikkelingsweg van levende wezens. Wij gaan beseffen, omdat omhullingen noodzakelijk zijn, hoe kwetsbaar de ontwikkeling van levende wezens in ’t algemeen is, vooral in het stadium van de gedaanteverwisseling, als de oude omhulling is afgeworpen en de nieuwe toestand nog niet is gevestigd.

Langs deze weg kan duidelijk worden, hoe gevoelig voor stoornissen een ontwikkeling is, als omhullingen niet te juister tijd zijn ontstaan of de bescherming die zij kunnen bieden, ontijdig is aangetast of te laat werd opgelost. De ervaringen en waarnemingen in het dierenrijk vertellen ons echter ook: hoe eerder zich ontwikkeling in het onbeschermde milieu voltrekt, des te lager is de graad van de uiteindelijke organisatie. Dieren hebben bijv. geen culturele omhullingen ontwikkeld, zij blijven dus in de soort gevangen.

Een te vroeg geboren kind heeft de intensieve inzet van artsen en verpleegsters nodig om in leven te blijven. Het krijgt een kunstmatige omhulling in de gedaante van een couveuse. Dikwijls vertoont het zijn leven lang de sporen van een te vroege geboorte, bijv. cerebrale bewegingsstoornissen, waaruit blijkt, dat een rijping niet in rust werd volbracht, maar hals over kop moest worden ingehaald in een onnatuurlijk milieu buiten de beschermende en voedende moederlijke lichamelijke omhulling. De liefde van de moeder biedt weliswaar hulp in de eerste weken tegen het ’t leven bedreigend gevaar, maar is op zichzelf niet toereikend.

Evenzo kan het leven in de hoogste mate in gevaar komen of voortijdig uitblussen, als niet op tijd die tot dusver voedende en vormgevende omhulling wordt afgestoten, als de geboorte dus niet tot stand wil komen en een kunstmatige beëindiging van de zwangerschap voor het te lang gedragen kind noodzakelijk is.

Beide stoornissen aan het begin van een leven zijn oerbeelden van ziekten door een te vroeg of een te laat, zoals die op elke trede van de ontwikkeling mogelijk zijn, waarbij een te vroege geboorte laat zien, wat het betekent om op de toekomst vooruit te lopen: het heden en het verleden moeten worden ingehaald. Het te lang gedragen kind laat zien, hoe vernietigend en de toekomst onmogelijk makend het kan zijn, als het verleden te lang wordt vastgehouden.

Wij willen dus de mens beschouwen als een wezen, dat omhullingen heeft. Laten wij onze blik scherpen voor het feit, hoe dat is, waar hij littekens heeft, waar omhullingen ontbraken, als wij naar hem kijken zoals hij nu is. Maar wij willen tevens ook ontdekken wat er nu nodig is. Er wordt een appel op ons gedaan onze wil te activeren, tevens te zoeken naar wegen om hulp te bieden. Want wat doen wij als iemand gewond is? Wij maken een kunstmatige omhulling, wij verbinden de wond, opdat onder die bescherming de totaliteit weer kan ontstaan.

Met Kerstmis wordt elk jaar ter herinnering aan de geboorte van Jezus een beroep op die kant van ons wezen gedaan, dat liefderijk zich naar de medemens zou willen keren. Zou de kersttijd niet ook het juiste tijdstip zijn om met een innerlijke oefening te beginnen, n.l. dat men de medemens als een in omhullingen zich openbarend wezen ziet?

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2645

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1-1/3)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

In de ontwikkeling van het kind vóór de tandenwisseling ziet Rudolf Steiner het LOPEN, SPREKEN en DENKEN als een belangrijk verschijnsel, waar hij in diverse voordrachten bij stilstaat.

Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken

in de voordrachtenreeks:

Die pädagogische Praxis vom Gesichtspunkte geisteswissenschaftlicher Menschenerkenntnis

GA 306

De praktijk van de pedagogie bezien vanuit geesteswetenschappelijke menskunde

Op deze blog vertaald

Voordracht 2, Dornach 16 april 1923

Blz. 34  vert. 34

Denn was heißt denn das nur: das Kind lernt Gehen, Sprechen und Denken? Sehen Sie, Gehen ist zunächst etwas, was wir im Leben so populär zusammenfassen. Es liegt aber darin unendlich viel mehr, als daß das Kind bloß vom Fortkriechen sich auf­richtet zu derjenigen Art von Gehen, die es sich später aneignet für das ganze Leben. In diesem Gehenlernen liegt das Einstellen des Menschen, das Orientieren des Menschen in der Weise, daß sich das ganze Gleichgewicht des eigenen Organismus und aller seiner Bewe-gungsmöglichkeiten einordnet in das Gleichgewicht und in die Be­wegungsmöglichkeiten des Weltenalls, soweit wir drinnenstehen. Wir suchen, während wir gehen lernen, die dem Menschen entspre­chende Gleichgewichtslage zum Weltenall. Wir suchen, während wir gehen lernen, jene eigentümlichen, nur beim Menschen auftretenden Verhältnisse zwischen der Betätigung der Arme und Hände und der Betätigung der anderen Gliedmaßen. Jenes Zugeteiltwerden der Ar­me und Hände zu dem seelischen Leben, während die Beine zurück­bleiben und dem körperlichen Bewegen weiter dienen, das ist etwas ungeheuer Bedeutungsvolles für das ganze spätere Leben.

Want wat wil dat nu zeggen: het kind leert lopen, spreken en denken?
Lopen is vooral iets wat we in het leven populair als zodanig samenvatten.  Maar het betekent aanzienlijk veel meer dan dat het kind alleen maar vanuit het kruipen gaat staan om dan op die bepaalde manier te gaan lopen die het zich later eigen maakt voor zijn hele leven. In dit leren lopen ligt het positioneren van de mens, het oriënteren zodanig dat het hele evenwicht van het eigen organisme en al zijn mogelijkheden tot beweging invoegt in het evenwicht en in de  bewegingsmogelijkheden van het universum voor zover we daar deel aan hebben. We zoeken als we leren lopen de evenwichtspositie tot het universum die bij de mens hoort. We zoeken als we leren lopen de karakteristieke, alleen bij de mens voorkomende verhouding tussen de activiteit van de armen en de handen en de activiteit van de andere ledematen. Dat bij het zielenleven gaan horen van de armen en de handen, terwijl de benen achterblijven en voortaan ten dienste staan van het lichamelijk voortbewegen, dat is voor het verdere hele leven buitengewoon belangrijk.

Denn die Differenzierung in die Tätigkeiten der Beine und Füße und in die Tä­tigkeiten der Arme und Hände ist das Aufsuchen des seelischen Gleichgewichts für das Leben.. – Zunächst suchen wir das physische Gleichgewicht im Aufrichten – aber im Freiwerden der Betätigung der Arme und Hände suchen wir das seelische Gleichgewicht. Und noch unendlich viel mehr – was Sie ja nun selber sich ausführen kön­nen – liegt in diesem Gehenlernen, wobei wir, wenn wir diesen Na­men Gehenlernen gebrauchen, nur auf das Allerwichtigste sehen, und nicht einmal darauf im Grunde, sondern auf das, was für die Sinne äußerlich am Kinde hervortritt. Die Statik und Dynamik des inneren Men­schen in bezug auf das Weltenall lernen: das ist Gehenlernen. Und sogar: Die physische und die seelische Statik und Dynamnik des Men­schen in bezug auf das Weltenall lernen, das ist Gehenlernen.

Want de differentiëring in de activiteiten van de benen en de voeten en die van de armen en de handen, is het zoeken naar het gevoelsmatige evenwicht voor het leven. – Eerst zijn we op zoek naar het fysieke evenwicht als we gaan staan – maar met het vrij worden van de armen en de handen zoeken we het evenwicht van het gevoel. En nog oneindig veel meer – wat je alleen maar zelf kan doen – ligt in dit leren lopen besloten, waarbij wij, wanneer we het over leren lopen hebben, alleen naar het allerbelangrijkste kijken en in wezen nog niet eens fundamenteel, maar naar wat zich voor de zintuigen uiterlijk aan het kind te zien is. Denk eens na over wat ik nu ook populair samenvat met de woorden leren lopen; je moet eigenlijk zeggen: de statica en de dynamica van de innerlijke mens m.b.t. het universum: dat is leren lopen. En zelfs: de statica en de dynamica van het lichaam en de ziel m.b.t. het wereldal: dat is leren lopen. Maar

Blz. 35    vert. 35

sehen Sie, indem sich auf diese Weise die Arme und Hände für das Menschliche von den Beinen und Füßen emanzipieren, tritt etwas an­deres auf: damit ist eine Grundlage geschaffen für die ganze mensch­liche Entwickelung. Diese Grundlage tritt äußerlich dadurch hervor, daß mit dem Gehenlernen der Mensch mit seinem inneren Rhythmus und Takt und auch mit dem ganzen Innern seines Wesens sich einfügt in die äußerlich sichtbare Welt.
Und so gliedert sich ein in die Entwickelung der menschlichen We­senheit ein sehr Merkwürdiges. Dasjenige, was mit den Beinen aus­geführt wird, das wirkt Dasjenige, was mit den Beinen aus­geführt wird, das wirkt in einer gewissen Weise so, daß es in das ganze physisch-seelische Leben des Menschen den stärkeren Zusam­menhang mit dem Taktmäßigen, mit den Einschnitten des Lebens hervorbringt. Wir lernen in dem eigentümlichen Zusammenstimmen zwischen der Bewegung des rechten und linken Beines uns ins Ver­hältnis setzen, möchte man sagen, mit dem, was unter uns ist. Dann lösen wir dasjenige, was in den Armen sich emanzipiert, eben von der Bewegungsbetätigung durch die Beine los: damit kommt in das Taktmäßige und Rhythmische des Lebens ein musikalisch-melodiöses Element hinein. Die Themen des Lebens, möchte man sagen, der In­halt des Lebens, er tritt auf in der Armbewegung.

wanneer op deze manier de armen en de handen zich om mens te kunnen zijn, emanciperen van benen en voeten, gebeurt er nog wat anders: daarmee is een basis gelegd voor de hele menselijke ontwikkeling. Die basis wordt uiterlijk zichtbaar doordat de mens wanneer hij leert lopen met zijn innerlijk ritme en maat en ook met zijn hele innerlijk zich voegt naar de uiterlijk zichtbare wereld.
En op deze manier komt er bij de ontwikkeling van het mensenwezen nog iets opvallends. Wat met de benen gedaan wordt, werkt op een bepaalde manier zodanig dat het totale fysiek-psychische leven van de mens een sterkere samenhang vertoont met alles wat maat is, met de belangrijke episoden in het leven. We leren met het karakteristieke op elkaar afgestemd zijn tussen de beweging van het rechter en het linker been  een verhouding te krijgen met wat er beneden ons is. Dan maken we los van de bewegingsactiviteit van de benen wat met de armen op zich komt te staan: dan komt er bij alles wat maat is en ritme in het leven, een muzikaal-melodieus element bij. De thema’s van het leven, de inhoud van het leven, komt vanuit de armbewegingen.

Und das wiederum bildet die Grundlage für dasjenige, was sich ausbildet im Sprechen-lernen; was äußerlich schon dadurch charakterisiert ist, daß der bei den meisten Menschen stärkeren Betätigung des rechten Armes die Ausbildung des linken Sprachorgans eben entspricht. Aus demjeni­gen, was Sie da sehen können beim lebendig bewegten Menschen an Verhältnissen eintreten zwischen der Beinbetätigung und der Arm­betätigung, aus dem bildet sich heraus das Verhältnis, das der Mensch zur Außenwelt gewinnt dadurch, daß er das Sprechen lernt. Wenn Sie hineinsehen in diesen ganzen Zusammenhang, wenn Sie hineinsehen, wie in dem Satzbildungsprozeß von unten herauf die Beine in das Sprechen wirken, wie in den Lautbildungsprozeß, also in das innere Erfühlen der Satzstruktur die Wortinhalte hineinsteigen, so haben Sie darin einen Abdruck dessen, wie das Taktmäßig-Rhyth­mische der Beinbewegungen wirkt auf das mehr Thematisch-Inner­liche der Arm- und Handbewegungen. Wenn daher ein Kind vorzugsweise

En dat vormt op zijn beurt de basis voor wat er gevormd wordt bij het leren spreken, wat uiterlijk gekarakteriseerd kan worden door het feit dat bij de meeste mensen de rechterarm sterker is en dienovereenkomstig de vorming van het linkerspraakorgaan. Wanneer je die hele samenhang bekijkt, wanneer je kijkt naar hoe het proces van zinnen formuleren van onderop vanuit de benen doorwerkt in het spreken, hoe het proces van klankvorming, dus hoe in het innerlijke invoelen van de zinsstructuur daar de inhoud van de woorden bij komt, dan vind je daarin een afdruk van hoe alles wat maat en ritme van de beenbewegingen is, invloed heeft op het thematisch innerlijke van de arm- en handbewegingen. Wanneer dus een kind voornamelijk

Blz. 36  vert. 36

stramm ist im regelmäßigen Gehen, wenn es nicht schlampig wird im regelmäßigen Gehen, sondern stramm sich hineinzulegen vermag ins regelmäßige Gehen, so haben Sie darin eine körperliche Unterlage, die ja natürlich, wie wir später sehen werden, schon aus dem Geiste herauskommt, aber als körperliche Unterlage in Erschei­nung tritt: die Unterlage für ein richtiges Abteilen auch im Sprechen. So daß das Kind mit der Bewegung der Beine lernt, richtige Sätze zu bilden. Sie werden sehen: wenn ein Kind schlampig geht, so führt es auch nicht richtige Intervalle zwischen Satz und Satz herbei, sondern alles verschwimmt in den Sätzen. Und wenn ein Kind nicht ordent­lich lernt harmonische Bewegungen mit den Armen zu machen, dann ist seine Sprache krächzend und nicht wohllautend. Ebenso wenn Sie ein Kind gar nicht dazu bringen, das Leben zu fühlen in seinen Fin­gern, dann wird es keinen Sinn bekommen für die Modulation in der Sprache.
Das alles bezieht sich auf die Zeit, während das Kind gehen und sprechen lernt. Aber Sie sehen noch etwas ganz anderes daraus. Sie sehen, wie sich im Leben manches durcheinandermischt, wie manches später auftritt, als es eigentlich dem inneren Zusammenhang nach auftreten sollte.

bij het gewone lopen dat nogal energiek doet, wanneer er bij dat regelmatige lopen niet iets willoos komt, maar er een stevige regelmatig gang is, dan heb je daar een lichamelijke basis, die natuurlijk, zoals we nog zullen zien, vanuit de geest stamt maar als lichamelijke ondergrond zich vertoont: de basis voor afgemeten te kunnen zijn, ook bij het spreken. Dus het kind leert met de beweging van de benen, goede zinnen te vormen. U zal zien: wanneer een kind willoos loopt, dan maakt het ook geen juiste scheiding tussen de ene en de andere zin, dan gaan ze in elkaar over. En wanneer een kind niet op een goede manier leert harmonische bewegingen met zijn armen te maken, dan is zijn spreken krassend, hees en niet welluidend. En wanneer je een kind niet zo ver krijgt, leven in zijn vingers te voelen, dan krijgt het geen gevoel voor de modulatie in het spreken.
Dit alles heeft betrekking op de tijd waarin het kind leert lopen en leert praten. Maar daar kun je nog iets anders uit opmaken. Namelijk hoe in het leven veel door elkaar loopt, hoe er later pas veel naar buitenkomt, van wat eigenlijk gezien de innerlijke samenhang, er al uit had moeten komen.

Sie sehen aber aus diesem inneren Zusammenhang, daß das richtige Verhältnis beim Menschen dadurch herauskommt, daß man zuerst auf das Gehenlernen sieht, und daß man womöglich versucht zu vermeiden, daß das Kind das Sprechen vor dem Gehen lernt. Es muß sich auf der Basis des Gehenlernens, des Armbewegenlernens in einer geordneten Weise das Sprechenlernen entwickeln, sonst wird die Sprache des Kindes nicht eine im ganzen Menschen fundierte Betätigung, sondern eine Betätigung, die bloß eben heraus­lallt.
Bei denjenigen Menschen, die zum Beispiel statt zu sprechen meckern, was ja sehr häufig vorkommt, ist eben nicht acht gegeben worden auf solche Verhältnisse, wie ich sie eben jetzt charakterisiert habe.

Das dritte nun, was das Kind dann auf Grundlage von Gehen und Sprechen zu lernen hat, das ist das immer mehr und mehr bewußte Denken. Das muß aber eigentlich zuletzt kommen. Das Kind kann nämlich nicht seiner Wesenheit nach das Denken an etwas anderem

Maar aan deze innerlijke samenhang zie je dat de juiste verhouding er bij de mens uitkomt doordat je eerst het leren lopen ziet en dat je zoveel mogelijk probeert te vermijden dat het kind leert spreken vóór het leert lopen. Het moet op basis van het leren lopen, het leren zijn armen te bewegen op een geordende manier, het praten ontwikkelen, anders wordt het spreken van het kind niet iets wat de hele mens als basis heeft, maar een activiteit die als onduidelijk praten naar buitenkomt. Bij mensen die bijv. i.p.v. echt te spreken dat met een beetje hoge, metaalachtige stem doen, wat vrij veel voorkomt, is er niet gelet op die verhoudingen die ik net beschreven heb.
Het derde wat een kind met als basis lopen en spreken moet leren, is  het steeds meer bewuste denken. Dat moet eigenlijk het laatst komen. Het kind kan nl. naar zijn aard het denken niet aan iets anders

Blz. 37  vert. 37

lernen als an dem Sprechen. Das Sprechen ist zunächst ein Nachah­men des gehörten Lautes: indem der gehörte Laut von dem Kinde aufgenommen wird und das Kind zugrunde liegend hat jenes eigen­tümliche Verhältnis zwischen den Bewegungen der Arme und den Bewegungen der Beine, findet es Verständnis für diese Laute und ahmt sie nach, ohne zunächst mit den Lauten noch Gedanken zu ver­binden. Zunächst verbindet das Kind mit den Lauten nur Gefühle; das Denken, das dann auftritt, muß sich erst aus der Sprache heraus entwickeln. Die richtige Folge, auf die wir also sehen müssen bei dem heranwachsenden Kinde, ist: Gehenlernen, Sprechenlernen, Denken-lernen.

leren dan aan het spreken. Het spreken is in de eerste plaats een nabootsen van de gehoorde klanken; als de beluisterde klank door het kind opgenomen wordt en het kind beschikt over de bijzondere verhouding tussen de bewegingen van de armen en van de benen die eraan ten grondslag ligt, krijgt het begrip voor deze klanken en bootst ze na, zonder aanvankelijk met de klanken nog gedachten te verbinden. In het begin verbindt het kind met de klanken alleen gevoelens; het denken dat dan begint, moet zich uit het spreken zelf ontwikkelen. De juiste volgorde waarop we dus moeten letten bij het opgroeiende kind is, leren lopen, leren spreken, leren denken.

Blz. 44  vert. 44

Derjenige, der nun hineinsieht in das, was ich heute geschildert habe: wie der Mensch sich in der Dynamik und Statik seines Wesens, im Sprechen, im Denken der Umgebung anpaßt, der wird auch eine richtige Einsicht bekommen, wieviel rein physisch vererbt ist, und wieviel von demjenigen abhängt, was in der menschlichen Umgebung sich abspielt, was viel mehr einfließt in den Menschen, als man ge­wöhnlich glaubt. Von manchem sagt man heute, der Mensch habe es von seinem Vater oder seiner Mutter geerbt, während er es in Wirk­lichkeit dadurch sich angeeignet hat, daß er die besondere Gehweise seiner Umgebung oder die Bewegung der Hände oder das Sprechen eben in der ersten Lebensperiode nachahmte. Die Hingabe an die Umgebung ist es, die vorzugsweise in Betracht kommt in der ersten

Degene die inzicht heeft in wat ik vandaag geschetst heb: hoe de mens in het dynamische en statische van zijn wezen, in het spreken, in het denken zich aan de omgeving aanpast, zal ook een juist inzicht krijgen in wat puur fysiek geërfd is en hoeveel er afhangt van wat zich in de omgeving van de mens afspeelt, wat veel meer bij de mens naar binnenaat dan men gewoonlijk gelooft. Van velen zegt men tegenwoordig dat de mens het van zijn vader of moeder heeft, terwijl hij zich in werkelijkheid die aparte manier van lopen of de beweging van zijn handen of het spreken, dus eigen heeft gemaakt in de eerste levensfase, omdat hij vanuit zijn omgeving nabootste. Het is de overgave aan de omgeving die allereerst in aanmerking komt in de eerste

blz. 45

Lebensperiode, nicht die Vererbung. Die Vererbungstheorien haben ja auf ihrem Gebiet ganz recht, aber das muß eben auch so angesehen werden wie dasjenige, was ich gestern gesagt habe. Ich sagte: Wir gehen hinaus auf den Weg, er ist jetzt weich; wir drücken unsere Fußspuren ein. Jetzt kommt einer, der irdische Menschen nicht kennt, vom Mars herunter, und der erklärt jetzt: 

levensfase, niet de erfelijkheid. De erfelijkheidstheorieën hebben op hun gebied helemaal gelijk, maar dat moet ook zo beschouwd worden als wat ik gisteren heb gezegd. Ik zei: we gaan naar buiten, op de weg, die is onverhard; we drukken er onze voetstappen in af. Nu komt er iemand die de aardse mens niet kent, van Mars en die geeft dan een verklaring:

Nun ja, diese Fußspuren sind dadurch bewirkt, daß da unten in der Erde Kräfte sind; die drücken an einer Stelle den Boden etwas stärker, an einer anderen Stelle etwas weniger, dann konfigurieren sich die Spuren, so daß ge­nau so etwas entsteht wie ein Fußabdruck.
So etwa erklären aus vererbten Anlagen heraus und aus dem Gehirn heraus die Menschen das Seelenwesen. Gerade so wie die Fußspuren von außen einge­drückt sind, so sind in den Körper, besonders in das Gehirn und in die Nervenorganisation eingedrückt diejenigen Dinge, die aus der Umgebung herein im nachahmenden Leben erlebt werden im Gehen-lernen, Sprechenlernen, Denkenlernen.

Let op: deze voetsporen zijn ontstaan, omdat er beneden in de aarde krachten aanwezig zijn die op de ene plaats een sterkere druk op de bodem uitoefenen, op een andere plaats een beetje minder, dan vormen zich de sporen zodat het er precies zo uitziet als een voetafdruk. – Zo ongeveer verklaren vanuit erfelijke aanleg en vanuit de hersenen de mensen de ziel. Net zoals de voetsporen van buitenaf er ingedrukt zijn, zo zijn in het lichaam, met name in de hersenen en het zenuwstelsel ingeprent de dingen die vanuit de omgeving vandaan in het nabootsende leven beleefd worden bij het leren lopen, spreken en denken.

Es ist ja alles richtig, was die äußere, physische Psychologie sagt: das Gehirn ist ein deutlicher Ab­druck dessen, was der Mensch seelisch ist; aber man muß eben wis­sen, daß es nicht der Erzeuger des Seelischen ist, sondern der Boden, auf dem sich das Seelische entwickelt. Gerade so wenig wie ich gehen kann ohne Boden unter den Füßen, ebensowenig kann ich als irdi­scher Mensch ohne Gehirn denken, selbstverständlich. Aber das Ge­hirn ist nichts anderes als der Boden, in den das Denken und Spre­chen hineinkonfiguriert dasjenige, was Sie gerade aus der Welt her­aus, aus der Welt Ihrer Umgebung bekommen, nicht aus den vererb­ten Anlagen heraus.
Nun sehen Sie aber daraus, daß vor dem heutigen Menschen es in einer sehr starken Undeutlichkeit liegt, was da eigentlich vorgeht während dieser drei ersten nicht «akademischen» Lebensjahre. Da wird ja in einem höheren Maße der ganze Mensch konfiguriert und

Het klopt allemaal wel wat de uiterlijke fysieke psychologie zegt: de hersenen zijn een duidelijke afdruk van wat de mens als ziel is; maar je moet wel weten dat ze niet de maker van de ziel is, maar alleen de basis waarop de ziel zich ontwikkelt. Net zo min als ik kan lopen zonder grond onder mijn voeten, net zo min kan ik als aards mens zonder hersenen denken, vanzelfsprekend. Maar het brein is niets anders dan de bodem waarin het denken en spreken vormend opnemen wat u met name vanuit de wereld van uw omgeving aangereikt krijgt, niet vanuit de erfelijke aanleg.
Nu kan u echter daaruit wel de conclusie trekken dat het voor de tegenwoordige mens heel erg onduidelijk is, wat er eigenlijk gebeurt tijdens deze drie niet ‘academische’ levensjaren. Dan wordt de hele mens in een hogere mate gevormd en

Blz. 46 vert. 46

verinnerlicht. Nun sagte ich schon: das Denken, das dann später auftritt, es wendet sich gegen die Außenwelt, es bildet Abbilder der Na­tur, der Naturdinge und Naturvorgänge. Aber dasjenige, was sich früher bildet, das Sprechen, das nimmt schon temperiert, nuanciert alles dasjenige auf, was geistig in der Sprache liegt, die auf den Men­schen wirkt, was seelisch auf den Menschen aus der Umgebung wirkt. Mit der Sprache nehmen wir auf, was wir uns seelisch aneignen aus der Umgebung. Die Seele des ganzen Milieus dringt in uns ein auf dem Umwege durch die Sprache. Und wir wissen, daß das Kind ganz Sinnesorgan ist, daß wirklich sich innere Vorgänge abspielen, indem diese Dinge als seelische Eindrücke da sind. So daß zum Beispiel, sa­gen wir, wenn das Kind in der Umgebung eines jähzornigen Vaters ist, der seine Worte immer ausstößt wie ein Jähzorniger, dann erlebt das Kind im Innern diese ganze seelische Eigentümlichkeit, die in der Formung der Worte durch den Jähzorn liegen; und das prägt sich in dem Kinde jetzt nicht nur dadurch aus, daß es auch seelisch wird, son­dern das Kind sondert dadurch, daß es jähzornige Ereignisse in der Umgebung hat, aus feinen Drüsen mehr Stoff ab, als es in einer nicht jähzornigen Umgebung absondern würde.

verinnerlijkt. Nu zei ik al: het denken dat dan later komt, keert zich tegen de buitenwereld, het maakt beelden van de natuur, van wat er in de natuur is en gebeurt. Maar wat eerder werd gevormd, het spreken, neemt al wat getemperd, genuanceerd alles op wat er geestelijk in de spraak aanwezig is, die op de mens inwerkrt, wat psychisch op de mens inwerkt vanuit de omgeving. Met het spreken nemen wij in ons op wat wij ons psychisch eigen maken vanuit de omgeving. De ziel van het hele milieu dringt bij ons binnen via de omweg van het spreken. En we weten dat het kind helemaal zintuigorgaan is, dat zich daadwerkelijk innerlijke processen afspelen wanneer deze dingen als zielenindrukken aanwezig zijn. Zodat bijv, laten we zeggen, wanneer het kind in de omgeving van een opvliegende vader is, die zijn woorden steeds als een opvliegend persoon naar buiten stoot, dan beleeft het kind innerlijk heel deze psychische eigenschap waar het vormen van de woorden door opvliegendheid bijhoort; en dat zet zich in het kind niet alleen maar af door ook psychisch te worden, maar het kind scheidt, omdat het in zijn omgeving met opvliegendheid heeft te maken, uit fijne klieren meer stof af dan wanneer het in een niet opvliegende omgeving zou doen.

Und seine Drüsen gewöh­nen sich an eine starke Stoffabsonderung. Das wirkt dann im ganzen Leben weiter, ob die Drüsen gewohnt worden sind, mehr oder weni­ger Stoff abzusondern. Dadurch kann der Mensch, wenn das die Schule später nicht zurechtrichtet, dazu veranlagt werden, gerade, wie man heute sagt, nervös zu werden für alles dasjenige, was in der Umgebung jähzorniger Äußerungen liegt. Sie sehen, da dringt in das Physische Seelisches unmittelbar ein. Sonst suchen wir überall in der Welt das Verhältnis des Seelischen und Physischen zu begreifen; aber auf die Tatsache, wo das Physische in der ersten Periode des Le­bens unmittelbar in seelischen Tatsachen sich äußert, darauf schauen wir gar nicht hin. Indem nun das Kind in die Statik und Dynamik seiner Umgebung hineinkommt, tut es unbewußt etwas außerordentlich Bedeutsames. Denken Sie nur einmal, wieviel Mühe es manche Menschen kostet, später in der Schule Statik und Dynamik zu lernen und sie anzuwen­den nur soweit man sie anwendet auf das Maschinelle! Das Kind tut

En zijn klieren raken gewend aan een sterke uitscheiding. Of de klieren eraan gewend zijn geraakt meer of minder af te scheiden, werkt dan het hele leven door. Daardoor kan de mens, wanneer de school dat later niet in evenwicht brengt, de aanleg krijgen, zoals men dat vandaag de dag zegt, nerveus te reageren op alles wat in de omgeving zich voordoet als opvliegendheid. Dat gaat meteen over in het fysiek-psychische. We zoeken dan wel overal in de wereld de relatie van de ziel en het lichaam te begrijpen, maar op het feit waarop het lichamelijke in de eerste periode van het leven zich direct uit in gevoelsfeiten, letten we helemaal niet. Wanneer het kind dan in de statische en dynamische sfeer van zijn omgeving komt, doet het onbewust iets buitengewoon belangrijks. Bedenk eens hoeveel moeite het kost bij veel mensen, statica en dynamica te leren en toe te passen alleen maar in zoverre men die toepast op het mechanische! Het kind doet

blz. 47

das unbewußt. Es gliedert wirklich Statik und Dynamik in sein gan­zes Menschenwesen ein. Und gerade aus anthroposophischer For­schung kann man ersehen, daß selbst das, was die gelehrtesten Stati­ker und Dynamiker ausdenken für die äußere Welt, ein Kinderspiel ist gegen dasjenige einer so komplizierten Statik und Dynamik, wie sie das Kind sich im Gehenlernen eingliedert. Das tut es durch Nach­ahmung.Daher werden Sie sehen, wie merkwürdig gerade auf diese Verhältnisse die Nachahmung wirkt. Dergleichen Beispiele können Sie viele im Leben sehen; ein Beispiel möchte ich Ihnen anführen. Da waren zwei Mädchen, sehr wenig im Alter unterschieden, die gingen nebeneinander. Der Fall trug sich in einer mitteldeutschen Stadt zu vor vielen Jahren. Wenn man sie nebeneinander gehen sah, dann tra­ten sie beide so auf, daß das eine Bein hinkte und unregelmäßig ging. Bei ganz gleichen Bewegungen hatten sie einen eigentümlich konfi­gurierten Unterschied zwischen einer lebendigeren Art des rechten Armes und der rechten Finger, und einem etwas abgelähmten Tra­gen des linken Armes und der linken Finger. Beide Kinder waren ge­naue Kopien voneinander; das jüngere Kind war richtig eine Kopie vom älteren Kinde. 

dat onbewust. Het geeft daadwerkelijk statica en dynamica een plaats in zijn wezen. En met name door antroposofisch onderzoek kun je zien dat zelfs wat de meest geleerde mens in statica of dynamica uitdenkt voor de uiterlijke wereld, kinderspel is in vergelijking met een zo gecompliceerde statica en dynamica als het kind bij het leren lopen in zich opneemt. Dat doet het door na te bootsen. Vandaar dat je zal zien hoe merkwaardig juist bij deze omstandigheden nabootsing werkt. Dergelijke voorbeelden kun je in het leven vaak tegenkomen; één voorbeeld wil ik geven. Er waren twee meisjes, weinig verschillend in leeftijd, die naast elkaar liepen. Het gebeurde vele jaren geleden in een stad in Midden-Duitsland. Wanneer je ze zo naast elkaar zag lopen, dan deden ze dat allebei zo dat het ene been hinkte en onregelmatig ging.
Bij geheel dezelfde bewegingen vertoonden ze een eigenaardig gevormd verschil tussen de rechter arm en de rechter vinger die levendiger waren en een ietwat stijvere linker arm en linker vinger. Beide kinderen waren het evenbeeld van elkaar; het jongere kind was echt een evenbeeld van het oudere.

Aber nur das ältere Kind hatte nämlich einen Beinschaden an der linken Seite; das jüngere war ein ganz gesundes Kind, das sich das alles nur angeeignet hatte, indem es nachahmend die falsche Dynamik des Schwesterchens aufnahm. – Solche Fälle kön­nen Sie überall im Leben finden, nur treten sie einem nicht in solchen extremen und groben Dingen entgegen, so daß man sie gleich sieht. In feineren Gestaltungen ist es überall im Leben vorhanden.Da wo Gehen gelernt, wo Dynamik und Statik angeeignet wird, da nimmt der Mensch aus seiner Umgebung den Geist auf. So daß man sagen kann: Im Denkenlernen eignen wir uns Dinge der äußeren Natur an. Im Sprechenlernen eignen wir uns das Seelische des Milieus an. Und in dem, was eigentlich zuerst der Mensch machen soll, indem er ins Er­denleben eintritt, eignet man sich aus der Umgebung den Geist an.Geist, Seele, Leib – Geist, Seele, Natur, das ist die Reihenfolge, wie die Welt des umliegenden Erdenlebens an den Menschen heran­tritt. Aber wenn wir aufnehmen das Seelische, so eignen wir uns mit diesem Seelischen zu gleicher Zeit im wesentlichen an unsere Sympathien

Maar alleen het oudere kind had namelijk aan de linkerkant een beenbeschadiging; het jongere was helemaal gezond, het had zich dit alles alleen maar eigen gemaakt, toen het nabootsend de verkeerde dynamiek van het zusje in zich opnam. Waar het lopen wordt geleerd, waar dynamica en statica eigen gemaakt worden, neemt de mens uit zijn omgeving de geest op. Zodat je kan zeggen: bij het leren denken maken we ons de dingen van de uiterlijke natuur eigen. Bij het leren spreken maken we ons de ziel van de omgeving eigen. En in dat wat eigenlijk pas de mens tot mens maakt wanneer hij in het aardse leven verschijnt, maak je je vanuit de omgeving de geest eigen. Geest, ziel en levende lichamelijkheid – geest ziel, natuur, dat is de volgorde waarin de mens met de wereld van het aardse leven om hem heen in contact komt. Maar wanneer we het psychische opnemen, maken we tegelijkertijd eigen wat onze sympathieën zijn,

blz. 48

und Antipathien im Leben. Sie fließen ganz unvermerkt ein. Die Art und Weise, wie wir sprechen lernen, ist zu gleicher Zeit die Art und Weise des Aneignens bestimmter Sympathien und Antipathien. Und das Kuriose ist: derjenige, der sich dafür ein richtiges Auge an­schafft, ein Seelenauge natürlich, der findet in der Art und Weise, wie das Kind auftritt, ob es mehr mit den Hacken oder mehr mit den Fuß­spitzen auftritt, ob es stramm auftritt oder schleicht, er findet in die­sem Äußerlich-Physischen den ganzen moralischen Charakter des Menschen für das spätere Leben vorbereitet. So daß wir sagen kön­nen:Mit jenem Geistigen, das wir aufnehinen, indem wir gehen ler­nen, fließt auch aus der Umgebung das Moralische ein. Und es ist gut, wenn man sich ein Auge dafür aneignet, wie ein Kind die Beine bewegt, das dann ein gutes Kind wird, und wie ein Kind die Beine be­wegt, das dann ein böses wird. Denn am meisten naturalistisch ist dasjenige, was wir durch das Denken in der Kindheit aufnehmen. Schon seelisch durchsetzt ist, was wir durch die Sprache aufnehmen. Und moralisch-geistig durchsetzt ist dasjenige, was wir durch die Statik und Dynamik aufnehmen. Das ist eben keine bloße Statik und Dynamik, wie wir sie in der Schule lernen, das ist eine aus dem Gei­ste heraus geborene Statik und Dynamik.

en antipathieën in het leven. Die komen heel ongemerkt binnen. De manier waarop we leren spreken, is tegelijkertijd de manier waarop we ons bepaalde sympathieën en antipathieën eigen maken. En het opmerkelijke is, degene die daar een goed opmerkingsvermogen voor ontwikkelt, een zielenoog natuurlijk, die ziet ook aan de manier waarop een kind loopt of het meer op zijn hielen, dan wel op zijn voorvoeten loopt of het stijf loopt of zich een beetje langzaam, a.h.w. heimelijk, voorzichtig beweegt, hij vindt in dit uiterlijk fysieke het hele morele karakter van de mens als voorbereiding voor het latere leven. Zodat we kunnen zeggen: Met dat geestelijke aspect dat we in ons opnemen wanneer we leren lopen, komt ook vanuit de omgeving de moraliteit naar binnen. En het is goed wanneer je een zienswijze ontwikkelt voor hoe een kind zijn benen beweegt, of het een goed kind wordt en hoe een kind zijn benen beweegt die dan een slecht kind wordt. Want het meest naturalistisch is wat wij door het denken in onze kindertijd in ons opnemen. Met ziel doortrokken is wat wij door het spreken opnemen. En moreel-geestelijk doortrokken is wat wij door statica en dynamica opnemen. Dat is niet alleen maar iets statisch of dynamisch, zoals we dat op school leren, het is statica en dynamica vanuit de geest geboren.
GA 306/vdr.2
Op deze blog vertaald

Voordracht 3, Dornach 17 april 1923

Blz. 50

Ich habe schon gestern darauf aufmerksam gemacht, wie eigentlich in diesen drei bedeutsamsten Betätigungsweisen des kindlichen Lebens, in dem Aneignen des Gehens, des Sprechens und des Denkens, noch anderes darinnen liegt. Und man kann nicht den Menschen beobach­ten, wenn man seine Außenseite von seiner Innenseite nicht unterscheiden kann. Man muß gerade mit Bezug auf das, was im ganzen Menschen nach Leib, Seele und Geist steckt, sich ein feines Unter­scheidungsvermögen aneignen, wenn man den Menschen pädago­gisch-didaktisch behandeln will. Gehen wir zunächst heran an dasjenige, was man so populär als das Gehenlernen bezeichnet. Ich habe schon gesagt: eigentlich ist darin enthalten die ganze Art, wie sich der Mensch mit der physi­schen Außenwelt, die ihn auf der Erde umgibt, ins Gleichgewicht ver­setzt. Es ist eine ganze Statik und Dynamik des Lebens darin enthal­ten. Und wir haben ja auch gesehen, wie dieses Suchen des Gleichge­wichts, dieses Emanzipieren der Hand- und Armgliedmaßen von den Bein- und Fußgliedmaßen, wiederum die Grundlage bildet für die Sprachfähigkeit des Menschen; und wie aus der Sprachfähigkeit die Denkfähigkeit eigentlich erst herausgeboren wird. Nun liegt aber in diesem dynamisch-statischen System, das sich der Mensch mit dem Gehen aneignet, noch etwas wesentlich anderes. 

Ik heb er gisteren al op gewezen, hoe eigenlijk in deze drie belangrijkste activiteiten van het kinderleven, in het eigen maken van lopen, spreken en denken, daar nog iets anders bij behoort. En je kan de mens niet beschouwen, wanneer je zijn buitenkant niet van zijn innerlijk kan onderscheiden. Juist m.b.t. wat de hele mens is naar lichaam, ziel en geest, moet je je een vermogen eigen maken om precies te kunnen waarnemen, wil je met de mens pedagogisch-didactisch omgaan.
Nemen we allereerst onder de loep wat men zo populair het leren lopen noemt. Ik heb al gezegd: eigenlijk behelst dit de hele manier waarop de mens zijn evenwicht vindt in de fysieke buitenwereld die hem op aarde omgeeft. Dat omvat een hele statica en dynamica van het leven. En we hebben ook gezien, hoe dit zoeken naar evenwicht, dit emanciperen van de handen en de armen t.o.v. de benen en de voeten, op zijn beurt voor de mens weer de basis vorm voor het vermogen te kunnen praten; hoe vanuit het vermogen om te kunnen spreken eigenlijk pas het denkvermogen ontstaat. Nu zit echter in dit dynamisch-statische systeem dat de mens zich eigen maakt bij het leren lopen, nog iets dat wezenlijk anders is. Zie nu verder bij [9-1-1/17] vanaf blz. 50

Blz. 51  vert. 51

Es ist ja, wenn wir als Kind den Vater oder die Mut­ter die Hand bewegen sehen, den Arm bewegen sehen, sogleich im Kinde der innere Trieb, auch solch eine Bewegung zu machen. Und von den allgemeinen zappelnden, irregulären Bewegungen geht es über zu bestimmten Bewegungen, indem es die Bewegungen seiner Umgebung nachahmt. So lernt das Kind auch das Gehen. Wir müssen im Gehen auch nicht in demselben Grade ein Vererbungselement se­hen, wie man das aus der heutigen naturwissenschaftlichen Zeitmode heraus tut – es ist nur eine Mode, dieses überall Appellieren an die Vererbung -, sondern das Auftreten bei dem einen Kinde mit der Ferse, bei dem anderen Kinde mit den Zehenspitzen, auch das rührt von der Nachahmung von Vater oder Mutter oder sonst jemand her

Het is zo dat als wij als kind zien dat vader of moeder een hand beweegt, een arm, er in het kind meteen een innerlijke drijfveer is, net zo’n beweging te maken. En van de in het algemeen wat drukke, onregelmatige bewegingen komt het tot bepaalde gerichte bewegingen wanneer het de bewegingen van zijn omgeving nabootst. Zo leert een kind ook lopen. We moeten ook bij het leren lopen niet in dezelfde mate iets erfelijks zien, zoals men dat doet met wat vandaag de dag de natuurwetenschappelijke mode is – het is maar een modeverschijnsel, overal maar refereren aan de erfelijkheid -, maar wanneer het ene kind op de achtervoeten loopt en het andere op de voorvoeten, dan komt dat ook door het nabootsen van vader of moeder of iemand anders. 

Blz. 54  vert. 54

Und derjenige, der nun be­obachten kann, wie das Kind sich von außen beeinflussen läßt durch diese religiöse Hingabe an die Umgebung, und wer unterscheiden kann von dem, was auf diese Art geschieht, dasjenige, was das Kind noch individuell gerade in diese Statik und Dynamik hineingießt, der findet dann schon veranlagt gerade in dieser leiblichen Äußerung des Kindes die Impulse des späteren Schicksals. Sehen Sie, es ist sehr merkwürdig, aber durchaus wahr, was zum Beispiel solch ein Mensch wie Goethes Freund Knebel im hohen Alter zu Goethe gesagt hat: Wer zurückblickt auf das Leben, der findet sehr leicht, daß, wenn wir ein entscheidendes Ereignis im Leben haben und wenn wir dasjenige, was vorangegangen ist, verfolgen, es so ist, wie wenn wir hingesteu­ert wären zu diesem entscheidenden Ereignis, wie wenn nicht nur der vorhergehende Schritt, sondern viele vorhergehende Schritte so ge­wesen wären, daß wir aus innerem Seelentrieb heraus gerade dahin gestrebt haben.
Ist das betreffende Ereignis so, daß es mit einer Persönlichkeit zu­sammenhängt, dann wird der Mensch, wenn er wirklich sich heraus­lösen kann aus dem Getöse des Lebens und auf die feineren Empfin­dungen hinschauen kann, sich auch sagen: Es ist nicht bloß eine Illu­sion, ein Erträumtes, sondern hast du einen Menschen gefunden bei einer bestimmten Lebensstation, mit dem du inniger verbunden sein willst als mit anderen Menschen, so hast du ihn eigentlich gesucht. 

En wie nu kan waarnemen hoe het kind zich van buitenaf laat beïnvloeden door deze religieuze overgave aan de omgeving en wie het verschil ziet tussen wat er op deze manier gebeurt met wat het kind nog individueel met name in het statische en dynamische binnenbrengt, vindt dan al als aanleg vooral in deze lichamelijke uiting van het kind de impulsen van het latere levenslot. Kijk, het is erg merkwaardig, maar beslist waar, wat bijv. een mens als Goethes vriend Knebel op hoge leeftijd tegen Goethe zei: wie op het leven terugkijkt, vindt zeer gemakkelijk, dat wanneer we een ingrijpende gebeurtenis in ons leven meemaken en wanneer we volgen wat daaraan vooraf is gegaan, het wel lijkt, als waren we naar deze ingrijpende gebeurtenis toe gedreven, alsof niet alleen maar de voorafgaande schrede, maar vele voorafgaande schreden zo waren dat wij vanuit een innerlijke gevoelsdrang juist daarnaar streefden. Is de betreffende gebeurtenis zo dat het met een persoonlijkheid samenhangt, dan zal de mens, als hij zich echt los kan maken van het gedoe in het leven en naar de fijnzinnigere gewaarwordingen kan kijken, ook bij zichzelf zeggen: het is niet alleen maar illusie, een wegdromen, maar wanneer je een mens hebt gevonden op een bepaald levensstation met wie je inniger verbonden wil zijn dan met andere mensen, dan heb je die eigenlijk opgezocht.

Du hast ihn ja schon gekannt, bevor du ihn das erstemal gesehen hast. – Die intimsten Dinge des Lebens stehen gerade neben diesem Sichhineinfinden in die Statik und Dynamik. Und wer sich ein Beob­achtungsvermögen nach dieser Richtung aneignet, der wird finden, daß die Lebensschicksale sich in einer merkwürdig bildhaften Form ausdrücken in der Art und Weise, wie das Kind beginnt aufzutreten, wie das Kind beginnt, die Knie zu beugen, wie es beginnt, sich seiner Finger zu bedienen. Das alles ist ja nicht bloß etwas materiell Äußer­liches, das alles ist ja das Bild gerade für das Geistigste des Menschen.
Und wenn das Kind zu sprechen beginnt, dann ist es ein größerer Kreis, dem es sich anpaßt. Es ist zunächst, wenn es nur seine Mutter­sprache lernt, der Kreis des Volkstums, nicht mehr jener engere Kreis derjenigen Persönlichkeiten, die ein mehr intimes soziales Milieu ausmachen. Der Kreis hat sich erweitert. Indem das Kind sich in die

Je kende deze al, voordat je deze voor de eerste keer zag. – De intiemste dingen van het leven zijn al aanwezig naast het thuisraken in statica en dynamica. Wie in deze richting een waarnemingsvermogen ontwikkelt, zal vinden dat het levenslot zich in een merkwaardig beeldende vorm uitdrukt op de manier waarop het kind begint te lopen, zijn knieën begint te buigen, hoe hij zijn vingers gebruikt. Dat is allemaal niet alleen maar iets uiterlijk stoffelijks, het is allemaal een beeld voor het meest geestelijke van de mens.
En wanneer het kind begint te spreken, is de kring waaraan hij zich aanpast, groter. Allereerst, wanneer het zijn moedertaal leert, is het de reikwijdte van het volk, niet meer de beperktere reikwijdte van die persoonlijkheden die een meer intiem sociaal milieu vormen. De cirkel is groter geworden. Wanneer het kind thuisraakt in de

blz. 55

Sprache hineinlebt, paßt es sich schon an etwas an, was nicht mehr so eng ist wie das, an was es sich anpaßt mit Statik und Dynamik. Daher können wir sagen: das Kind lebt sich mit dem Sprechen hinein in den Volksgenius, den Sprachgenius. Und indem die Sprache durch und durch ein Geistiges ist, lebt sich das Kind noch in ein Geistiges hin­ein, aber nicht mehr in das individuell Geistige, das für es dann schick­salmäßig, unmittelbar persönlich schicksalmäßig wird, sondern in et­was, was das Kind aufnimmt in einen größeren Lebenskreis. Und lernt das Kind dann denken -ja, im Denken sind wir gar nicht mehr individuell darinnen. In Neuseeland denken die Menschen ge­rade so, wie wir heute hier denken. Da ist es der ganze Erdenkreis, dem man sich anpaßt, indem man das Denken herausentwickelt aus der Sprache. Also mit der Sprache stehen wir noch in einem kleineren Lebenskreise drinnen; im Denken stehen wir in der ganzen Mensch­heit drinnen. So erweitern wir unseren Lebenskreis im Gehen, Spre­chen, Denken. Und hat man ein Unterscheidungsvermögen, dann fin­det man schon die durchgreifenden spezifischen Unterschiede zwi­schen jenen menschlichen Lebensäußerungen heraus, die in der Aneignung der Statik und Dynamik mit dem Schicksal liegen. 

taal, voegt het zich in iets wat niet meer zo stringent is als het statische en dynamische waarnaar het zich voegt. Daarom kunnen we zeggen: met het spreken leeft het kind zich in, in het eigene van zijn volk, de taalgeest. En daar de taal door en door iets geestelijks is, leeft het kind zich in iets geestelijke in, maar niet meer in het individueel geestelijke dat voor hem dan iets wordt van het lot, het direct persoonlijke lot, maar in iets wat het kind in zich opneemt in wat in zijn leven een bredere kring om hem heen vormt.
En als het kind dan leert denken – ja, in het denken zijn wij helemaal niet meer individueel. In Nieuw-Zeeland denken de mensen ongeveer net zo als wij hier vandaag de dag denken. Dan is het de hele wereld waar je je in inleeft, wanneer je het denken ontwikkelt aan het spreken. Dus met het spreken bevinden we ons nog binnen een kleinere straal van de levenscirkel; met het denken maken we deel uit van de hele mensheid. Op deze manier vergroten wij ons levensgebied door lopen, spreken, denken. En als je over het vermogen beschikt om onderscheid te kunnen maken, vind je de doorslaggevende, bijzondere verschillen tussen datgene wat in het menselijk leven tot uitdrukking komt bij het thuisraken in de statica en dynamica, met wat in het lot besloten ligt.

Und wir schauen darinnen dasjenige wirksam, was wir in der Anthroposophie gewöhnt worden sind, die Ichwesenheit des Menschen zu nennen. Nicht eine abstrakte Unterscheidung wollen wir pflegen, sondern nur das Spezifische, das im Menschen wirkt, eben damit fixieren. Ebenso sehen wir, daß etwas ganz anderes als diese ganz individuelle Men­schennatur in der Sprache herauskommt. Deshalb sagen wir: In der Sprache wirkt mit des Menschen astralischer Leib. Dieser astralische Leib kann zwar auch beim Tier beobachtet werden; aber beim Tier wirkt er nicht nach außen, sondern mehr nach innen und bewirkt die Gestalt des Tieres. Wir bilden auch die Gestalt, aber wir nehmen ge­wissermaßen ein wenig weg von diesem gestaltbildenden Elemente und verwenden es dazu, die Sprache auszubilden. Da wirkt also der astralische Leib mit. Und im Denken, was dann ganz allgemein ist, was wiederum etwas spezifisch von dem anderen Verschiedenes ist, im Denken bilden wir dasjenige aus, was wir so abgrenzen, daß wir sagen: da wirkt der Ätherleib des Menschen mit. Und erst bei den Sinneswahrnehmungen wirkt der ganze physische Leib des Menschen mit.

En we zien daarin werkzaam zijn wat wij in de antroposofie het Ik-wezen van de mens zijn gaan noemen. We willen geen abstract onderscheid maken, maar wel
willen we daarmee het specifieke dat in de mens werkzaam is, vastleggen. Net zo zien we dat er iets heel anders dan deze volledig individuele natuur van de mens in het spreken zichtbaar wordt. Daarom zeggen we: in de spraak werkt het astraallijf van de mens mee. Dit astraallijf kan echter ook bij het dier waargenomen worden; maar bij het dier is de activiteit niet op buiten gericht, maar meer naar binnen en zorgt voor de gestalte van het dier. Wij vormen ook de gestalte, maar wij nemen a.h.w. een beetje terug van deze gestaltevormende elementen en gebruiken deze om het spreken te vormen. Daar werkt dus het astraallijf aan mee. En bij het denken, dat dan geheel algemeen is, en op zijn beurt specifiek verschilt met het andere, in het denken vormen we datgene dat we zo begrenzen dat we zeggen: daar werkt het etherlijf van de mens mee. En pas bij de zintuigwaarnemingen werkt het hele fysieke lichaam van de mens mee.
GA 306/vdr. 3
Op deze blog vertaald

.

Een artikel over lopen, spreken, denken
.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2229

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind, lente 2006, nr. 17
.

Onbevangen op ontdekkingsreis
.

Negen maanden lang is de baby omsloten door natuurlijke grenzen. En dan, plotseling, komt hij terecht in de wijde wereld, in zijn blootje: een en al huid. Dit ( tuurlijke jasje is zijn steun en toeverlaat op de ontdekkingreis die voor hem ligt. Hoe bied je jouw baby én zijn huidje de bescherming die hij nodig heeft. En wat kan hij zelf? Deze vragen legden we voor aan pedagoge Hanne Looij.

Wie een pasgeboren baby in de wieg ziet liggen, kan zich verbazen hoe afhankelijk zo’n kleintje is van de mensen om hem heen. Hij lijkt niets te kunnen, maar schijn bedriegt. Want al vanaf het eerste moment is hij bezig met het verkennen van zijn grenzen. En in het begin heeft hij maar één instrument tot zijn beschikking om dit te doen en dat is zijn lijfje. Of beter gezegd: zijn huid.

De ene huid is de andere niet en dat geldt ook voor baby’s. Dat neemt niet weg dat iedere babyhuid in diverse opzichten verschilt van die van een volwassene. Zo is hij bijvoorbeeld vier tot vijf keer dunner, wat komt doordat bepaalde elementen nog nauwelijks zijn ontwikkeld. Bij volwassenen bestaat het bovenste laagje van de huid uit een hoornlaagje: een beschermend laagje dat voornamelijk uit dode cellen bestaat. Dat laagje is bij baby’s nog niet aanwezig. Ook heeft de babyhuid nog bijna geen haar. Vandaar dat deze zo zacht aanvoelt en er zo glanzend uitziet. Zelfs de handpalmen en de voetzolen – bij volwassenen vaak met eelt bedekt – voelen bij een baby nog aan als fluweel. Tel daarbij op dat de babyhuid nog een relatief laag vetgehalte heeft en je kunt je voorstellen dat het geheel dun en kwetsbaar is.

Een kring van lieve mensen

Maar er zijn meer redenen waarom de huid van de baby supergevoelig is. Hier bevinden zich namelijk ook receptoren, die prikkels van buitenaf aan de hersenen doorgeven. Zijn dat er bij de volwassen huid al een paar duizend per vierkante centimeter, bij de babyhuid is deze dichtheid nog hoger. De meeste receptoren liggen in de vingertoppen, in de lippen en de tong. Dat verklaart waarom een baby’tje alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond wil stoppen: op deze manier neemt hij de wereld om hem heen waar. De huid is het zintuig van de tastzin en de steun en toeverlaat op de grote ontdekkingsreis die voor hem ligt. Want wie is hij en hoe zit de wereld in elkaar? Maar om daar achter te komen, heeft hij ook mensen nodig. En het liefst mensen die van hem houden. Onderzoeken tonen aan dat liefdevolle aanraking in de eerste weken een grote invloed heeft op de ontwikkeling van een mens. Kinderen die veel gestreeld en gemasseerd worden, ontwikkelen aantoonbaar meer lichaamsbewust-zijn en een hoger zelfbewustzijn dan zij die dergelijke aanrakingen moeten ontberen. 

Hé, een lijf!

Een baby’tje vraagt om omhulling, in alle opzichten: om kleertjes om hem heen, om de beslotenheid van een wiegje, maar ook om de koesterende armen van zijn ouders, ieder contact, of het nu met een hand is of met een luier, leert hem iets over zichzelf. Zo begint hij te beseffen dat hij een lichaam heeft dat ergens ophoudt, dat zijn grenzen heeft. Kun je hem als ouder daarbij ondersteunen?

‘De meest directe manier om je baby de grens van zijn lijfje te laten beleven, is door hem regelmatig te masseren en hem van top tot teen zachtjes in te wrijven met een olie,’ antwoordt Hanne Looij op mijn vraag.
‘Maar ook door weerstand, bijvoorbeeld als je hem een trappelzak aandoet of zijn beentjes in een flanellen luier wikkelt. Al trappelend en maaiend, merkt hij dat hij armpjes en beentjes heeft. Waar het om gaat is dat hij niet in een lege ruimte trappelt, maar zichzelf beleeft als hij beweegt. Soms kun je een baby bijna zien beseffen: Hé, ik heb blijkbaar een lijf!
En als je hem met zijn hele lijfje in een omslagdoek wikkelt, vindt hij dat ook heerlijk. Tenminste, de meesten. Begrenzing geeft rust. Daarom is het ook een belangrijke hulp voor een baby om in slaap te kunnen vallen. Het spreekt voor zich dat je niet moet overdrijven. Hij moet niet het gevoel krijgen dat hij in een ijzeren harnas zit.’

Tot hier en niet verder

‘Voor een goede start, adviseer ik ouders altijd om de eerste weken na de geboorte de natuurlijke begrenzing van de baarmoeder een beetje na te bootsen’, zegt Hanne. ‘Dus kleed je kindje de eerste maanden in verschillende laagjes en gebruik daarvoor het liefst natuurlijke materialen zoals wol en katoen: die ademen. Zijn kleertjes worden zo een extra huidje, iets dat bij hem hoort. Dat geeft hem een veilig gevoel. En vergeet het hoofdje niet. De fontanel is nog open en vaak hebben baby’s nog maar heel weinig haar. Bovendien is het hoofd van een baby in verhouding een groot deel van zijn lichaam; via zijn hoofd kan hij dus erg veel warmte verliezen. Door het te bedekken met een mutsje, scherm je hem af. Je legt eigenlijk een grens aan, zo van: je komt tot hier.’

Je neus stoten hoort erbij

‘Natuurlijk heeft een grens meer functies. De muren van je huis beschermen je tegen invloeden van buitenaf, maar daarnaast beperken ze je ook. Als je naar buiten wilt, kun je niet door de muur heen lopen. Probeer je dit toch, dan stoot je je neus. Deze uitdrukking betekent dat je geconfronteerd wordt met jezelf. En dat is wat een grens ook doet. Die maakt je bewust van een stuk van jezelf dat je nog niet kende. Iedere uiterlijke beperking is een uitdaging om innerlijk sterker te worden.

Als je baby bijvoorbeeld in de box ligt en gewoon een beetje aan het mopperen is vanwege een kleine ongemakkelijkheid, pak hem dan niet direct op. Door hem even te laten liggen, wordt hij een moment op zichzelf teruggeworpen. Misschien is die ervaring niet aangenaam, maar hij vormt wel een basis voor groei en ontwikkeling. Je geeft je kind de kans te ontdekken dat hij kleine probleempjes ook heel goed zelf kan oplossen. Zo beleeft en ontwikkelt hij zijn eigen innerlijke kracht.

Als je nooit de beslotenheid van je eigen wezen ervaart, ontwikkel je ook geen gevoel van eigenheid. En zou je ook nooit de ander kunnen begrijpen. Een baby beleeft dit natuurlijk nog onbewust, maar dit soort ervaringen zijn een voorwaarde om later tot een bewuste beleving van dit gevoel te komen. In feite is de hele opvoeding erop gericht om dit proces zo evenwichtig mogelijk te laten verlopen.’ 

KLEINE ANTENNETJES

Haartjes beschermen niet alleen de tere babyhuid, ze tasten ook af wat er om hen heen gebeurt. De zenuwen rond de haarwortels reageren al wanneer een zuchtje wind de babyhaartjes 0,001 millimeter ombuigt.

UIT DE ZON

Om de huid te beschermen maken de pigmentcellen in de opperhuid de bruine kleurstof melanine aan. Onder invloed van de zon neemt die activiteit sterk toe, maar niet bij baby’s. Zij moeten het nog zonder deze natuurlijke bescherming stellen. Zet daarom het eerste jaar je baby niet in de volle zon.

.
Zie in dit artikel een hersenfoto van een kind dat aandacht kreeg en van een kind dat dit niet kreeg.

Hanne Looij: Caleidoscoop van een levende pedagogie.
.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1973

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.