Categorie archief: heemkunde

VRIJESCHOOL – Kind in de natuur (3)

.

KIND IN DE NATUUR

Er is een manier van contact met de natuur, waar we het nog helemaal niet over hebben gehad: de natuur in huis halen. Dat vinden kinderen prachtig. In de eerste plaats is er heel veel te beleven aan het opzetten en onderhouden van een Nederlands zoetwateraquarium. Dat is nog eens wat anders dan een bak vol tropische kweekprodukten! Wat heb ik daar vroeger als kind veel plezier mee gehad! De nestjesbouwende stekelbaarsjes, de mannetjes van de tienstekelige pikzwart, de driestekelige blauw-groen en rood. En om niet te vergeten: de spinnende watertor, die een huisje maakt met een mast er boven op. Vreselijke monsters komen na een tijdje daaruit. Ooit wel eens gezien hoe de bittervoorn een mossel temt om er eieren in te kunnen leggen? Om dit allemaal te beleven moet je eerst met je kroost naar de sloot. Een hele zaterdagmiddag van het ene slootje naar het andere zwerven, tot je de dieren bij elkaar hebt, die je graag wou hebben. Stinkend naar wier en blubber weer op huis aan. Daar samen al die plantjes uitzoeken op het aanrecht in de keuken, slakjes redden die door de gootsteen dreigen te spoelen. De halve zondag heb je nodig om de bak in te richten.

Deze winter hadden we een vreemde gast in de kelder. Hij heette Oen. Zijn achternaam was meerkoet. Helemaal bevroren was hij aangetroffen door een van onze kinderen. Met moeite en niet zonder gevaar, moest hij van het ijs gered worden. Zo kwam Oen, nadat hij wat ongepland een wandeling tussen de kamerplanten door op de vensterbank had gemaakt, in de kelder terecht. Het licht bleef er net zo lang aan als de zon buiten scheen. En hij at gehakt brood, stukjes hart, zonnepitten en marmottenvoer.

Ik denk dat zo’n reddingsactie plus vervolg, want daar begint het pas echt, een prima ervaring is voor een kind. Vooral als het succes heeft. Maar dat is beslist niet nodig. De poging alleen is al belangrijk. Overigens is het met Oen heel goed gegaan. Na twee weken was hij al weer het mannetje en kon hij bij zijn soortgenoten grote verhalen vertellen.

Het jaar daarvoor hadden we in dezelfde kelder een drietal jonge egels. Die hebben de hele winter rood en blauw rond gelopen, doordat ze in een doos tubes waterverf waren gaan zitten.

Dit zijn een paar voorbeelden van de levendenatuur in huis halen, maar het kan ook anders. Een stenenverzameling opzetten bijvoorbeeld. Er zijn in ons land zoveel prachtige stenen te vinden. Op de hei en in zandafgravingen vind je heel mooie stenen uit de noordelijke landen, in het rijngrind tref je mooie agaten en jaspis aan. In het buitenland kun je dan later zelf de stenen in de bergen gaan zoeken. Dat doen kinderen ook op een andere manier dan volwassenen. We waren eens op een trektocht in de Harz. Een heel bijzonder gebied. Ik heb in jaren niet zoveel Fries gesproken als daar. Maar dat is alleen voor enkelingen interessant. We waren in een gebiedje beland, waar je mooie ertsen kon vinden. Alle stenen die daar lagen waren grijs en zwart. Ik sloeg op goed geluk stenen door, om te kijken of er wat in zat. Altijd mis. Na een tijdje kwam mijn elfjarige reisgezel zijn buit laten zien: prachtige stukken loodglans en koperkies. Hij sloeg maar zelden voor niks een steen in stukken. Toen ik de kunst van het vinden van hem ging afkijken zag ik hoe hij het deed: hij woog elke steen even op zijn hand en voelde aan het gewicht of er wat in zat. Daar was ik nog niet op gekomen. Het bleek dat ertsstenen een klein beetje zwaarder waren dan de anden. Ik denk dat een volwassene alleen maar na een soort overleg tot zoiets zou komen. Je kunt het beredeneren. Mijn indruk is dat voor kinderen de zintuigen nog niet zo
gescheiden functioneren, dat ze samen een groot zintuig zijn, zoals het heel kleine kind nog één groot zintuig is. Het wegen van de stenen op de hand was een vanzelfsprekendheid, zoals het voor kleinere kinderen een vanzelfsprekendheid is om alles ook te willen proeven.

Daar moet je geloof ik best attent op zijn als je met kinderen op stap bent: je bent zo gauw geneigd ze van alles te willen laten zien, terwijl er nog zoveel meer bestaat dan zien. Hoezeer de zintuigindrukken door elkaar lopen bij kinderen, bleek ook uit een opmerking van een kind tijdens een boswandeling: ‘De vogels zingen hier precies zoals de bloemen bloeien.’

Tot dusver hebben we in deze stukjes alleen nog naar de grond gekeken en een beetje om ons heen. Maar je kunt ook nog naar boven kijken. Nee, ik bedoel niet de sterren, die zijn al eens eerder aan de orde geweest.

Als je in de zomer ergens kampeert, of zeilt, dan levert dat vaak een prachtige gelegenheid op om een echt onweer dichterbij te zien komen, de spanning te beleven die er in de hele natuur is. Het onrustig loeien van de koeien, het felle steken van de vliegen. En dan het losbarstende onweer. Als je daar rustig onder blijft, ze met een soort ontzag wijst op dingen die te zien en te horen zijn, krijgen ze een beetje afstand tot de indrukwekkende gebeurtenissen. Juist het bewuste kijken en luisteren, bijvoorbeeld het tellen tussen bliksemflits en donderslag, maakt het de kinderen mogelijk zonder overweldigd te worden door het natuurgeweld, rustig, maar zeer geïmponeerd, het indrukwekkende spel van de elementen te ondergaan. Als je maar niet voortdurend staat te roepen, hoe dichtbij het wel is en dat je hier niet moet staan en daar niet, want o wee, alles is zo gevaarlijk. Je jaagt er de kinderen de stuipen mee op het lijf. Ik ken mensen die als kind te horen hebben gekregen, dat je niet naast een stopcontact, niet bij de schoorsteen, niet bij de radio, niet bij de kraan, niet op zolder, niet bij een open raam, niet bij een open deur, niet onder de lamp moest gaan zitten, want dat was allemaal levensgevaarlijk. Kijk dan is het niet zo’n wonder dat je kinderen bij de eerste donderslag panisch worden. Zo’n onweer is een geweldige natuurervaring, die je geen kind mag ontnemen door het overdreven bang te maken voor alle gevaren, die er aan verbonden zijn. Maak ze ermee vertrouwd, net zoals je je kinderen op een bepaald moment vertrouwd maakt met het water. Je krijgt vaak de indruk dat kinderen een onweer met een soort mythisch bewustzijn ondergaan. Met een mythisch bewustzijn zie je samenhangen, die je als volwassenen met je nuchtere verstand niet zo makkelijk meer beleeft.

Al weer lang geleden – ik had een tweede klas op de vrijeschool – had het ’s morgens vroeg gedauwd. We keken vanuit de klas in de schooltuin. Prachtige kleurige druppels die met felle fonkelingen rood, blauw of groen tussen het gras straalden. Na de ochtendspreuk gingen we naar buiten om al dat moois van dichtbij te zien. Wat een teleurstelling: kleurloze waterheldere druppels hingen daar aan de grassprietjes. We gingen weer naar binnen.

Daar zei een anders altijd heel stil en melancholisch jongetje: ‘Ik weet hoe de dauwdruppels hun kleur krijgen. Vannacht was er een grote regenboog in de lucht. Toen zijn de dauwdruppels daardoorheen gevallen. Zij hebben de kleur van de regenboog mee gekregen. Als je naar de regenboog toe wilt gaan, loopt hij ook voor je weg. Als je naar de dauwdruppels loopt, loopt de regenboog uit de dauwdruppels weg. Nu is hij er weer in, kijk maar! ’

kind-in-de-natuur-3

.
Rinke Visser, Jonas 25, 17-08-1079

.

Kind in de natuur [1]   [2]

 

1180

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Kind in de natuur (2)

.

KIND IN DE NATUUR

Er zijn kinderen die er soms behoefte aan hebben, om helemaal alleen een eindje te fietsen of te lopen: alleen zijn in de natuur is heel wat anders, dan samen met anderen een tocht maken. Ik geloof dat het erg waardevol is voor zulke kinderen, als ze zo nu en dan in de gelegenheid zijn er alleen op uit te gaan: niet gestoord door gepraat en drukte van anderen je eigen dingen beleven. En als je thuis komt vertellen wat je gedaan hebt, waar je geweest bent. Zo’n moment vraagt van de volwassenen bijzondere aandacht: het kind, vol van zijn indrukken heeft behoefte die ervaringen en belevenissen aan anderen te vertellen, zich te uiten, anders blijft hij er te veel alleen mee zitten. Hij zal toch al gauw ontdekken, dat het haast onmogelijk is een ander echt deelgenoot van zijn indrukken te maken.

Een kind van tien jaar maakt in zijn eentje een fietstochtje in de vakantie. Na een paar uur komt hij terug. Hij is wat stil, zegt niet veel tegen de andere kinderen. Als hij wat bijgekomen is, komt aarzelend, met ingehouden opwinding zijn verhaal. ‘Ik was onder een zingende boom. Ik zat onder een boom aan de weg. Toen kwamen er wel duizend vogels aanvliegen. Die gingen allemaal in mijn boom zitten. En toen ze op de takken zaten, gingen ze allemaal zingen. De hele boom zong, alle takken zongen. Het was een echte zingende boom.’
.

kind-in-de-natuur-2

 

Hij was erg onder de indruk van het gebeurde. Die vogelwereld boven hem en om hem heen die zich samengebald had in zijn boom. Je moet dan goed luisteren. Juist deze kinderen vertellen je door zo’n verhaal over een intensieve natuurbeleving, meer over zich zelf dan ze in andere situaties kunnen, luister maar eens wat zo’n stil kind je vertellen kan, als hij een middag in zijn eentje aan het vissen is geweest. Wat er niet allemaal gebeurt als je daar aan het water zit. De bromfiets die boven water kwam, de dikke vis die je verspeelde, de waterrat die voorbij zwom, die reiger die zo dicht bij kwam, de meeuw die heel hoog in de wolken zeilde, de dobber die je in het water vond en tegen de wal dreef.

Deze kinderen komen vaak heel gemakkelijk in gesprek met de natuur. Ze vinden een heel eigen verhouding tot die wereld. Hoe waardevol dat is blijkt als je van een student hoort: ‘Als ik het geloof in de mensen verloren heb, ga ik naar de planten, die hebben me ook vroeger nooit in de steek gelaten.’ Voor andere kinderen ligt dat heel anders, zij kunnen helemaal niet alleen zijn in een bos of op een heideveld. Ze hebben het gevoel dat de hele wereld mag spreken, maar dat hun het zwijgen is opgelegd. Ze hebben mensen nodig, andere kinderen, of volwassenen om onmiddellijk te kunnen zeggen wat ze zien, horen of voelen. Een wandeling maken betekent voor hen altijd samen een wandeling maken. Het moet een sociaal gebeuren zijn. Vol mededelingen over en weer. Er ontgaat hun vast en zeker veel, maar de waarde van de wandeling wordt bij hen door andere factoren bepaald dan bij de alleen-wandelaars. Deze kinderen beleven de natuur door de aanwezigheid van de andere mensen. Terwijl de eerste groep het juist vaak heel moeilijk heeft met de sociale contacten. Het is daarom erg goed om je eerst te bedenken wat je met een wandeling wilt, als je met kinderen op stap gaat: met de ene ‘soort’ kinderen zul je, als je op hun aanleg in wilt gaan, een haal andere tocht maken dan met de andere.

Maar of een kind er nu graag alleen op uit gaat, of liever met meerdere mensen de natuur opzoekt, alle kinderen hebben één ding gemeen: kijken, luisteren is niet voldoende. Kinderen hebben niet alleen door middel van hun zintuigen contact met de natuur, maar vooral ook door het doen. Ze moeten met handen en voeten, sommigen zelfs met hun hele lichaam bezig kunnen zijn. Daarom is het eigenlijk altijd prijs als je aan het buitenzijn een doe-element verbindt. Het water biedt natuurlijk erg veel mogelijkheden: stekelbaarsjes vangen, of dikkopjes, die later uitgroeien tot kleine kikkertjes. Dat zijn dingen die je met een groepje kinderen kunt doen. Heel veel plezier kun je hebben met wat oudere kinderen, als je met hen op de garnalenvangst gaat: je maakt een groot sleepnet, dat je aan een lange lijn door de zee trekt als het vloed is. Vooral in het najaar zijn de vangsten de moeite waard. Het belangrijkste is dat je op deze manier niet alleen garnalen vangt, dan was de lol er waarschijnlijk gauw af, nee je vangt van alles: vreemde visjes die je nog nooit aan je hengel hebt gehad, prachtige blauwachtige, bijna doorzichtige visjes, andere zijn dik en bruinachtig, of grijs met een stekel. En pietermannen zijn heel spannend, want dat zijn vergiftige vissen, en vergiftige vissen zijn natuurlijk heel bijzonder. Verder vang je prachtige heremietkreeftjes en zeenaalden, dat lijken uitgerekte zeepaardjes: ze zijn hard en hebben een zeepaardenkop (hoofd?). Tussen al dit bewegende spul en de springende garnalen liggen kleine doorzichtige bolletjes, waterhelder, als grote dauwdroppels: kleine kwalletjes. Heel blij zijn de kinderen als er een mooie grote zeester tevoorschijn komt onder de vele schelpen, die natuurlijk ook mee aan land gekomen zijn. Je moet eens kijken hoe heerlijk het is als je zelf als een echte visser de buit uit mag zoeken, met beide handen in de levende massa zoekend, tastend, voorzichtig om niet door een pieterman geprikt te worden. Die visjes en kwalletjes gaan per trek van het net, in een grote weckfles om ze goed te bekijken. Daarna gaan ze weer in zee. De garnalen verzamel je, alleen de grote, om ze thuis te koken, te pellen en te eten op een geroosterde boterham. Heerlijk! Vooral omdat je ze zelf gevangen hebt. Dat trekken van het net door de branding, is een verhaal op zich: met vijf man kun je er je hele kindergewicht tegen aan gooien, om het net door het water te krijgen. Tot je knieën en verder sta je soms in het water. Vooral met een beetje wind is het een ware strijd.

Zie je aan die glimogen vol zand, zout en water wat dit voor een stel knapen van tien tot veertien jaar betekent? We hebben zo eens een verjaardagspartij ingericht. Moe dat ze waren na afloop! Des te warmer en gezellig kan de afloop zijn onder het genot van warm drinken, je pas gevangen garnalen op een toastje – of iets anders als je niet van garnalen houdt, want je hoeft ze natuurlijk niet te eten!

Iets anders dat je goed kunt doen met een paar kinderen is het zoeken van wildsporen. Dat hebben we op de Veluwe een paar keer gedaan, en is sindsdien min of meer ‘vaste prik’ geworden, als de gelegenheid zich voordoet. Het kan nog spannender zijn dan het zien van de dieren zelf: als je de sporen van wilde zwijnen vindt, kun je in je fantasie die beesten zo groot en gevaarlijk maken als je maar wilt. Als dan zo’n beest echt in zicht komt, kan het nog tegenvallen ook! Voor herten geldt hetzelfde. Vier reeën bij een plasje water op het pad maken sporen als van een kudde van wel twintig. En wie zal dan zeggen dat het er niet twintig geweest zijn! Het spannende van spoorzoeken is dat je heel vaak die dingen niet precies weet: hoeveel, hoe groot, hoe gevaarlijk. Dus is alles mogelijk. Het bos wordt dan vol dieren. Er bestaat een prachtig boekje: Elseviers Diersporengids. Dat maakt elk keuteltje interessant. En als je eenmaal met je kinderen braakballen van uilen en reigers hebt open gemaakt, houdt het nooit meer op. Wat daar inzit: al die tandjes, veertjes, haren, insecten, vleugels van insecten die je zelf nog nooit hebt gezien – prompt zie je diezelfde dag twintig van die beesten – soms zelfs hele fazantenkuikens, een beetje zwart en uitgeteerd, dat wel, maar duidelijk herkenbaar. Op een klein kamertje bij ons thuis heeft één van onze gezinsleden een schoenendoos vol van dat soort jachttrofeeën.

Kinderen zijn erg wilsmatig met de natuur verbonden. Daardoor beleven ze die wereld ook niet zo op afstand, zoals ons zo gemakkelijk overkomt. In het eerste artikeltje heb ik er nog al met nadruk op gewezen dat kinderen je weer de natuur kunnen leren zien -de lamme en de blinde – in dit stukje wou ik dat nog wat uitbreiden: als je zelf op een doe-manier met de kinderen de natuur intrekt, kun je het kind in je zelf weer tegenkomen. Die ontmoeting is heel verfrissend.
.

Rinke Visser, Jonas 24, 27-07-1979
.

Kind in de natuur [1]  [3]

 

Leesboek voor de plantkunde

Leesboek voor de dierkunde

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

VRIJESCHOOL in beeld: plantkunde

 

1179

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (45)

.

AFGODERIJ

leven-o-t-203

1. Masseben (opgerichte stenen van Gezer).
„Binnen de stad of althans in haar onmiddellijke nabijheid was voor de KanaÄnieten de plaats, waar de goden worden vereerd (Statenvert. „hoogten”). Zo’n hoogte, die niet minder dan vijftien eeuwen achtereen in hoge eer is geweest, hebben de opgravingen in Gezer ons weer voor ogen gesteld. Daardoor kunnen we ons althans met enige zekerheid een beeld vormen van de bekende „hoogtedienst” waartegen Israëls profeten zo lang hebben gestreden. We vinden hier een aantal „opgerichte stenen”; onder deze trekt de kleine de meeste aandacht: het bovenste deel ervan is gepolijst, zoals dat alleen kan ontstaan door de altijd weer vernieuwde aanraking van devote lippen, die met vuur de steen kussen, of wel van handen, die in bloed of olie gedoopt, daarmee de steen zalven ter ere van de godheid. (A. Noordtzij).

leven-o-t-204

2. Babylonische godheid in de gedaante van een vis. Deze godheid herinnert aan de Filistijnse god Dagon. Men neemt gewoonlijk aan, dat hij een visgod was. Uit 1 Sam. 5 blijkt, dat het Dagonbeeld van Asdod hoofd en armen had. Of het onderstuk in visvorm uitliep, hangt af van de vraag, of we vers 4 aldus moeten lezen: „slechts zijn visvorm was op hem gebleven”, dan wel: „slechts zijn romp was op hem gebleven”. In het eerste geval (dat nog steeds waarschijnlijk is) heeft Dagon het hoofd en het bovenlijf van een mens gehad, waarschijnlijk de romp van een vis.” (Prof. Noordtzij).

leven-o-t-205

3. Vrouwelijke godheid.
De figuur is gehuld in een nauwsluitende kledij, die de lichaamsvormen goed doet uitkomen; de godin draagt halsketting, gordel en enkelring. Op het hoofd heeft zij een kroon naar Hethietisch model. De vrouwelijke godheid van het Kanaänietisch heidendom is de pendant van de mannelijken Baäl, naast wie zij herhaaldelijk wordt genoemd (Richt. 2 : 13; 10 : 6; 1 Sam. 7 : 4; 12 : 10). De naam is: Astarte, in het Hebreeuws As’toreth; meervoudsvorm Astaroth; daarnaast ook Asjerah. De Statenvert. heeft hiervoor „bos” maar het is duidelijk, dat wij b.v. in de „vierhonderd profeten van het bos” (1 Kon. 18 : 19) te doen hebben met dienaren van deze godheid. (Daarnaast komt het woord Asjerah ook nog in een andere zin voor, namelijk als de benaming van een voorwerp, dat tot de Kanaänietische eredienst behoorde; wel heeft de Statenvert. hiervoor ook „bos”, maar dit voorwerp is hoogstens een enkele boom, liever nog een boomstam of paal). Astarte vertegenwoordigt de vrouwelijke natuurkracht en wordt als de bron van alle vruchtbaarheid, als de verwekkende en onderhoudende godin van het leven vereerd” (Prof. G. C. Aalders).

leven-o-t-206

4. Baäl.
De naam van de mannelijke godheid in het Kanaänietisch heidendom. Oorspronkelijk is Baäl geen eigennaam; de goden werden niet bij hun naam genoemd, maar deze vervangen door het vage „baäl” d. i. heer of eigenaar van bepaalde heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen. Van deze lokale Baäls, die dus waarschijnlijk slechts beschouwd werden als de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, smeekte de Kanaäniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven (Hosea 2:4). — De Baäldienst in de dagen van Achab en Izebel was gewijd aan de god der Feniciërs; deze dienst te bestrijden was dus nationale en godsdienstige plicht.

leven-o-t-207

1. Moloch
(volgens H. Vincent). Moloch is een woord, dat eigenlijk hetzelfde is als „melek”, dat koning betekent; vermoedelijk is Moloch hetzij slechts een andere naam voor Baäl in zijn verderfbrengende gedaante, hetzij een van de verschillende Baäls van Kanaän geweest. In Jer. 32 : 35 worden Moloch en Baäl gelijkgesteld. Moloch is de god van de verterende zon, die door de ritus van het „door het vuur gaan” gediend werd (Lev. 21 : 21; 2 Kon. 23 : 10). — De hier afgebeelde „Moloch” is een „stierenkop”, die ook herinneringen wekt aan de kalverendienst (1 Kon. 12 : 28) en drukt de gedachte aan de zinnelijke dienst uit door het mannelijk lid boven de neus op het voorhoofd. — Maar het is een betwiste kwestie of dit beeld wel „echt” is.

leven-o-t-208

2. Babylonisch levermodel.
Bij de Babyloniërs speelde de waarzegging uit de lever (hepatoscopie) een grote rol. Men beschouwde de lever van het geslachte dier met grote aandacht; „de lever bezien” (Ezech. 21 : 21) was geen uitvinding van mensen maar een gave van de godheid. De zonnegod „bepaalde de juiste stand van de ingewanden in het lijf van het schaap” en „schreef zelf in het lijf van het offerlam het orakel op”. Geen schaapslever is volkomen gelijk aan de andere. Steunende op dit feit, heeft men een geheel stelsel opgebouwd, om uit de lever der offerdieren de toekomst te voorspellen. Zo in het gezicht van Ezechiël 21 : 21. De koning van Babel staat op de kruisweg, aan het begin van de beide wegen om waarzeggerij te plegen: hij schudt de pijlen, ondervraagt de terafim, beziet de lever. — Nu werd ook bij Israël de lever wel beschouwd als de zetel van het leven en van het gevoel (Spr. 7 : 23; Klaagl. 2 : 11). Maar de Israëlietische wet heeft de bijgelovige praktijken onmogelijk gemaakt, door het voorschrift dat de leverkwabben der offerdieren verbrand moesten worden (Ex. 29:13; Lev. 3:4; 4:9).

leven-o-t-2093. „Assyrische” goden.
Relief van Tiglath Pileser III uit Kalach. Assyrische soldaten met spitse krijgshelm dragen godenbeelden; misschien als buit; in dat geval zijn het geen Assyrische goden. De voorste (a, b) schijnen vrouwelijke godheden te zijn; beide zitten. De derde godheid is grotendeels verborgen in een kast (c). De vierde (d) godheid is een bliksemgod met de dubbele bliksem in de linker- en de bijl in de rechterhand. De processie kan een trotse uiting wezen, hoe Assyrië’s macht sterker is dan de goden der volken (Jes. 36 : 19; 2 Kon. 18 : 34).

leven-o-t-210

4.Beeld van de godin Diana in de tempel te Efeze. Diana, de Latijnse naam voor de Grieksche godin Artemis was een godheid, die in de Grieks-Oosterse wereld veel geëerd was. De dienst van Artemis van Efeze, de „Diana der Efeziërs” was wijd verbreid („aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst”, Hand. 19 : 27). Oorspronkelijk was de dienst van deze godheid een Oosters getinte natuurdienst; het beeld van Diana had dan ook verschillende zinnebeeldige kentekenen, die wezen op vruchtbaarheid en groeikracht. Afbeeldingen werden als wijgeschenk door vereerders van Diana meegenomen naar huis (Hand. 19 : 24).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: vertelstof

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas Oude Testament

 

1160

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL- 3e klas – het leven in het Oude Testament (43)

.

HEILIGE PERSONEN, GEBEDSRIEM

leven-o-t-196

1. Hogepriester.
De Hogepriester droeg over het priesterkleed:
a. Een bovenkleed, geheel geweven, ongenaaid, violetkleurig, met een door boord omgeven halsgat om er het hoofd door te steken, zonder mouwen, dat ongeveer tot even beneden de knieën reikte, zodat de witte linnen priesterrok zichtbaar was. Van onderen was de rand versierd met granaatappelen, gemaakt van dubbeldraadsgaren, afgewisseld met gouden klokjes.
b. De efod, vervaardigd uit violette, purperkleurige, karmozijnkleurige en witte draden, met gouddraad doorweven. Dit was waarschijnlijk een kledingstuk, dat de hogepriester droeg onder de armen over borst en rug. Het was vast om het lichaam gesnoerd; van achteren waren twee schouderstukken, die over de schouders heen, van voren aan de efod verbonden waren. Op de schouders waren twee onyxsteenen bevestigd in gouden rosetten gevat, en waarin de namen der twaalf stammen van Israël, zes op elke steen, gegraveerd waren.
c. Op deze efod bevond zich de borstlap; het was dubbelgevouwen en vormde een soort tas. Aan de buitenzijde bevonden zich twaalf edelstenen, vier rijen van drie, waarin de namen der twaalf stammen van Israël gegraveerd stonden. De borstlap diende tot bewaring van de Urim en Thummim.
d. Tot hoofdbedekking diende de Hogepriester een muts, waaraan door middel van een violetkleurige band bevestigd was een diadeem van zuiver goud, waarop de woorden „den Heere heilig” gegraveerd waren.

leven-o-t-197

2 en 3. Priesters
(naar Prof. de Groot). De priesters hadden voor hun dienst in het heiligdom een ambtskleding:
a. een lange rok met mouwen van wit linnen, geheel geweven, zonder dat eraan genaaid was;
b. een korte witte broek;
c. een muts van wit linnen tot hoofdbedekking, kegelvormig gewonden;
d. een gordel vervaardigd van dezelfde stoffen en in dezelfde kleuren als de voorhang van de Tabernakel (Ex. 39 : 29). „De beide einden van deze gordel konden tot de aarde reiken, doch werden, als de priester dienst had (3) over de linkerschouder geslagen (2). Deze gordel was vele meters lang en werd verscheiden malen van onder de oksels tot de heupen om het lichaam gewonden” (Prof. Dr Joh. de Groot).

leven-o-t-198

 

 

leven-o-t-199

4. Een Nazireeër.
Eigenlijk is het een gewezen Nazireeër. Wilde hij zijn gelofte beëindigen, dan nam hij de geschoren haardos in de linkerhand en voordat hij weer in het gewone leven mag terugkeeren, moet hij de offers brengen, die in Num. 6 : 13 v.v. worden opgesomd.

leven-o-t-200

5. Gebedsriemen (tefilliem):
zij bestaan uit een riem, waaraan een, uit zeer sterk perkament vervaardigd, zwart gelakt vierhoekig doosje (a) bevestigd is. In dit doosje bevinden zich vier op perkament geschreven gedeelten der Thora en wel: Ex. 13 : 1 en 11 : 6; verder Deut. 6 : 4—9 en 11 : 13—21. Op grond van Deut. 6 : 4—9 zijn er twee gebedsriemen: een voor het hoofd en een voor de arm. De gebedsriemen worden nu zó bevestigd, dat het ene kastje op het hoofd komt, tussen de ogen (zetel van het verstand) en het andere op de linkerarm, tegenover het hart (zetel van het handelen en van het gevoel, om aan te duiden, dat men met zijn hart de Heer liefheeft). De gebedsriemen heten in de Statenvert. van het Nieuwe Testament gedenkcedels (Matth. 23 : 5).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

 

1146

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (42)

.

TEMPEL VAN HERODES (naar Schick).

leven-o-t-195

 

 

 

 

 

 

 

Op de voorgronde is een brug (a) over de beek Kedroti (2 Sam. 15 : 23; Johannes 18 : 1). Op de berg Moria (2 Kron. 3 : 1) of Zion (1 Maccab. 14 : 26) ligt het wijde grootse tempelplein. Aan de oostzijde van het tempelplein verheft zich in blanke schoonheid een zuilengalerij: dat is (c) de hal van Salomo (of voorhof van Salomo, Joh. 10 : 23; Hand. 3 : 11; 5 :12). Het schoonste is de koninklijke hal van Herodes (b) aan de zuidzijde; in één van die hallen daar heeft de twaalfjarige Jezus gezeten in het midden der leraren (Luk. 2 : 46). Aan de noord-westzijde is de oude burcht Baris, door Herodes de Groote vernieuwd, versterkt en omgedoopt tot Antonia (k); in de statenvert. „legerplaats” genoemd (Hand. 21 : 34); in de vert. van het Bijbelgenootschap „kazerne”. Van het tempelplein leiden trappen (j) opwaarts naar de burcht (Paulus staande op de trappen, Hand. 21 : 40). De grote voorhof (p) aan de zuidzijde is de „voorhof der heidenen”. Midden op het plein verheft zich een platform omgeven door een lage muur (d). Op zuilen zijn opschriften aangebracht, die iedere Jood verbieden niet verder te gaan. Daarom is het een zware beschuldiging tegen Paulus als de Joden van Azië het uitroepen: Deze heeft Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd (Hand. 21 : 28). — Klimt men omhoog, dan is men op het platform. Negen poorten geven toegang: vier van het noorden, vier aan het zuiden, een aan het oosten. Deze laatste is de voornaamste (bij e); hier is de Schone Poort (Hand. 3 : 2). De Schone Poort geeft toegang tot het Voorhof der Vrouwen (ƒ). Daar waren tijdens het Loofhuttenfeest twee grote standaarden elk met vier lichten; elke avond verzamelde zich de menigte met brandende fakkels en werden de lichten met gejuich ontstoken. Het is naar aanleiding daarvan dat de Heiland spreekt: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben (Joh. 8 : 12). Daar, op het voorhof der vrouwen was ook „de schatkist” (Mark. 12 : 41—44). Een hoge trap (i) van 15 treden geeft toegang tot het hoger gelegen voorhof der Israëlieten (g). Op die trap bij (i) mogen wij ons denken de plaats, waar Anna de profetes de Heere heeft beleden en waar de oude Simeon jubelde over het „Licht tot verlichting der heidenen” (die daarbuiten op het grote Tempelplein wandelden) en „tot heerlijkheid van het volk Israël” dat mocht naderen tot het heiligdom (Lukas 2 : 25—38). Van het voorhof der Israëlieten scheidt een lage borstwering van het Voorhof der Priesters (h) ; hier zijn Brandofferaltaar en Wasvat. Twaalf trappen ten westen van het altaar voeren naar het voorhuis van de Tempels; op die trappen zegenen de Priesters het volk; hier heeft de stomme Zacharia gewenkt tot de schare (Luk. 1 : 22). Achter het voorhuis zijn het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier is bij de dood van Jezus het voorhangsel gescheurd (Matth. 27 : 51).
Het is niet met zekerheid te zeggen, waar men zich moet denken „de tinnen van de tempels”; wel wordt aangenomen de hoge hoektoren in het zuidoosten, oprijzend boven de Kedronvallei (bij m). Aan de westzijde van het tempelplein was in de oudheid een dal, het dal Tyropeon (thans met puin gevuld); over dat dal leidde een brug (n) naar de Bovenstad, naar de stad Jeruzalem.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1139

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (41)

.

VOORHOF VAN DE TEMPEL

leven-o-t-194


Voorhof in de Tempel
(naar een voorstelling van Ch. Chipiez en G. Perrot). Op de achterzijde van de voorhof, vóór het Tempelgebouw, staan de zuilen Jachin en Boaz (b en c). De hoogte van deze kolossale bronzen zuilen (1 Kon. 7 : 15 w.; 2 Kon. 25 : 13 v.v.; 2 Kron. 3 : 15 v.v.; Jer. 52 : 21 v.v.) was 18 ellen (9 m); „een draad van twaalf ellen omving de pilaar” (1 Kon. 7 : 15) wat dus wijst op een doorsnede van 39/11 el — ongeveer 1.90; de dikte was vier vingers en de pilaar was hol (Jer. 52 : 21). Boven op de schacht was een kapiteel van vijf ellen (21 m. hoog) en omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen, elk 100 in getal. Hoe die kapitelen er precies uitzagen, weet men niet (zie 40 no. 3). Vermoedelijk waren zij vóór het tempelgebouw, en hadden zij geen draagfunctie. Tussen de zuilen ziet men (bij h) de ingang tot de voorhal: een dubbele deur van cypressenhout; de deurposten van olijvenhout. Daarboven de tempelmuur van massieve, zeer grote en forse stenen opgebouwd (met volmaakte steen, zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd; 1 Kon. 6 : 7). — De Salomonische tempel stond in een groten voorhof (a); men neemt aan, dat de vloer met stenen platen is bedekt. Dit plein heet “In de Bijbel de „binnenste voorhof” (1 Kon. 6 : 36; 1 Kon. 7 : 12). Vóór de ballingschap had het volk vrije toegang tot deze voorhof, waar de feesthoudende menigte dan samenstroomde (Jes. 1 : 12). In deze voorhof stond het grote brandofferaltaar (d, e); de koperen zee (maar zeer gedeeltelijk te zien bij i) en de rijdende ketelwagens (ƒ). Het brandofferaltaar is een statig bouwwerk van steen. Aan de oostzijde van het altaar is (naar de voorstelling in Ezechiël 43 : 17) een trap (in de tempel van Herodes was de opgang aan de zuidzijde en dan zonder trappen naar het oude gebod in Exodus 20 : 26). Rechts en links van het grote brandofferaltaar waren vijf rijdende ketelwagens (ƒ) het zijn in horizontale doorsnede vierhoekige stellages, twee meter in het vierkant, anderhalve meter hoog, van lijstwerk of repen brons gemaakt, waarop een ketel staat met een inhoud van ongeveer 141 hl. (Prof. Dr Joh. de Groot). Immers die „wasvaten” (gelijk de statenvert. 1 Kon. 7 : 38 ze noemt) hielden veertig bath (en 1 bath = 6 hin = 36,44 l, dus 40 bath 40 x  36,44 l = 1457,6 l). Op het lijstwerk van de stelling waren versieringen nl. leeuwen, runderen, cherubs (1 Kon. 7 : 29). De stellages reden op raderen (1 Kon. 7 : 33).

De voorhof was mogelijkerwijze (naar de reconstructie van Chipiez en Perrot) omgeven door een zuilengalerij; het tempelcomplex zelf was omringd door zijgebouwen (g).

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1133

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (40)

.

HET HEILIGE

leven-o-t-1931. Het Heilige was van het Heilige der Heiligen
afgescheiden door de Voorhang (F) die daar aan vier pilaren is opgehangen. De wanden rechts en links zijn opgetrokken uit houten berderen.* Aan de zuidzijde (Ex. 40 : 24) staat de Kandelaar (A) beter: luchter (Ex. 25 : 6; 35 : 8) want tot verlichting van het heiligdom diende „reine olie van olijven, gestoten tot de luchter” (Ex. 27 : 20). Het is een kunstwerk van louter goud. Op het voetstuk verheft zich de schacht (de recht opgaande stam): daaruit schieten drie paar rieten uit, die met hun top gelijk in hoogte staan met de top van de schacht. Op die top en op de zes rieten zijn „schaaltjes gelijk als amandelnoten”; daarin werden lampen met olie geplaatst. Onder het schaaltje ziet men een versiering van knopen en bloemen (Ex. 25 : 35). De lichten van de lampen in de amandelnoten op de rieten branden „aan zijn zijden” (Ex. 25 : 3, eigenlijk staat er: naar ‘de kant van zijn aangezicht”, dus aan het voorste deel). Bij de luchter behoorden nog kleinere gereedschappen „snuiters” en „blusvaten” (D links). — Vlak tegenover de gouden luchter stond aan de noordzijde (Exod. 40 : 22) de Tafel der Toonbrooden (bij C). De beschrijving is in Ex. 25 : 23—30 en 37 : 10—16. De tafel was van sittimhout** met goud overtrokken. Aan alle zijden was haar blad omgeven door een gouden krans (c); onder de krans was een lijst van een hand breed en onder die lijst weer een gouden krans; zij stond op vier pooten; verder waren er vier gouden ringen en daardoor werden de handbomen gestoken (bij H). Bij de tafel waren verschillende gereedschappen: schotels, rookschalen, [vermoedelijk kleinere schalen om daarin wierook te doen; die wierook maakte, naar Lev. 24 : 7, 8 het brood ten gedenkoffer] ; platelen (lage bekers) en kroezen (offerkannen). De broden waren twaalf in getal in twee rijen, zes bij zes, op de reine tafel (Lev. 24 : 6; daarbij was dan de wierook). — Het Reukaltaar (B) (Ex. 30 : 1—7; 37 : 25— 28) was van sittimhout overtrokken met louter goud; aan de hoeken zijn hoornen. — In Ex. 30 : 7, 8 wordt van Aaron gezegd, dat hij het gouden Reukaltaar zou aansteken; Aaron deed het bij de inwijding van de Tabernakel, bij de aanvaarding van zijn priesterdom, gelijk hij en de Hogepriesters na hem het deden op de Grote Verzoendag, op de Sabbath, op het feest der nieuwe maan en op de gezette hoge feesten. (Zo’n geval is hier voorgesteld op de tekening, waar de Hogepriester staat bij het Reukaltaar). Het reukwerk bestond uit vier bestanddelen (Ex. 30 : 34—36). – Het is dit reukwerk waarvan David bij vergelijking zegt: Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht (Ps. 141 : 2).

2. De koperen zee (koper is brons). De hoogte van de koperen zee (a), het bekken bedraagt ongeveer 2½ m„ de doorsnede aan de bovenrand ongeveer 4.90 m.; de dikte is één handbreed. Het bekken wordt gedragen door vier groepen van drie runderen (b) alle van brons vervaardigd (1 Kon. 7 : 23 v.v.; 2 Kron. 4 : 2v.v.).

3. Twee vormen, hoe men zich de zuilen Jachin en Boaz voorstelt. De kapitelen zijn omgeven door een bronzen vlechtwerk met twee rijen granaatappelen.

*oud woord voor plank, bord
**sittimhout

 

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1131

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.