VRIJESCHOOL – 1e klas – heemkunde (2)

 

OVER STEEN, PLANT EN DIER IN DE EERSTE KLAS.

Wanneer je de kinderen aankondigt, dat we het over stenen, planten en dieren zullen hebben, rijzen er enthousiaste en verwachtingsvolle geluiden op uit de klas.

Waar cijfers en letters nog nieuw en misschien moeilijk zijn, daar is de natuur herkenbaar en in zekere zin al “bezit” van de kinderen.

Vanuit dat gezichtspunt hoeven wij als volwassenen de kinde­ren in de eerste klas eigenlijk niets (aan) te leren over die natuur; meer is het m.i. van waarde iets bij te dragen aan dat mooie begrip “verwondering voor de wereld om ons heen”.

Wanneer zon periode klassikaal wordt ingezet hebben we hiervoor al een goed uitgangspunt, de opdracht: “Ieder neemt volgende week stenen mee!”, is al genoeg om de kinderen met andere ogen om zich heen te doen kijken (zoeken)’Als we dan met de klas rond de
“stenentafel” staan, liggen daar de prachtigste vondsten: stukken bergkristal, amethist uit vaders verzameling, kleine halfedelstenen uit eigen collectie, maar ook vuurstenen, kiezelstenen, stukken leisteen, hier en daar een potscherf en (niet minder origineel) een stuk hard plastic van een schroevendraaier…..

Plotseling is voor een ieder de hele minerale wereld (weer?) interessant geworden en er wordt gretig bewonderd, verzameld, getekend, en geluisterd naar het periode-verhaal over een jongetje dat naar de bron van de grote rivier zoekt en in het kristallenrijk terechtkomt.

Dan hebben wij de stenen, of de stenen ons, met rust gelaten en zijn we na de voorjaarsvakantie doorgereisd naar het plan­tenrijk.

Ook hier hebben we weer het heerlijke gegeven dat voor kinde­ren de natuur zo levend is en dat, (om met Gezelle te spre­ken) “elke blomme zijn taal spreekt”.

Je kunt in de verhaalstof de bloemen en planten nog echt met elkaar laten spreken (evenals de stenen), hetgeen een dank­baar hulpmiddel is om die plant in beeld te brengen, te ka­rakteriseren (de behoedzame, verlegen krokus en de joviale rondborstige, soms overmoedige tulp bijv.). En weer wordt er geschilderd, met bijenwas geboetseerd,
ge­tekend en gewandeld. Dan wordt het een sport om als eerste in de tuinen een krokusje te mogen ontdekken en we merken hoe de zonnestralen de koude aarde tot leven kussen.[1]

Tijdens de dierenweek hebben we de hele ark van Noach in de klas kunnen onthalen. Alle huisvrienden van hond tot hamster werden vol trots gedemonstreerd. Ook de schildpad kwam erbij en een rupsje dat in de sla was gevonden.

Bij deze week hoorde een uitstapje naar de kinderboerderij in Lunteren: tot onze schrik bleek deze nog gesloten, maar desondanks mochten de kinderen toch bij de dieren (in de stallen) komen: ezels, jonge bokjes, wilde zwijnen en prachtige pauwen werden bekeken en betast. Een enkel gelukskind vond tussen de struiken een grote pauwenveer met gekleurd oog.

1e klas 1

Je merkt aan de kinderen hoe hun waarneming nog veelomvat­tend is (de totaliteit van het dierenrijk spreekt hen aan)de gerichtheid op details komt meer aan het daglicht in de vierde klas bijvoorbeeld (dierkunde).

Ook bij deze periodeweek werden de indrukken op kunstzinni­ge wijze verwerkt in de vorm van boetseren (met klei), een tekenvelletje en niet te vergeten in het uitbeelden (en ra­den) van dieren.
Grappig is dan te zien hoe sommige kinderen zich “identificeren” met juist één bepaald dier; een jongen of meisje, dat zich stier- of ram of hertje voelt, zal juist zon dier ten tonele willen voeren.

Nu restte ons nog de ontbrekende schakel, het verbindende element temidden van deze natuurrijken, nl. de mens.

In de laatste dagen van de periode hebben we alles wat de afgelopen weken de revue heeft gepasseerd nog een keer teruggeroepen en zo nodig uitgebeeld. In een afrondend ge­sprek komen we aldoende op de boeiende vraag hoe de mens te zien valt temidden van deze drie rijken. Geheel uit zichzelf komen de kinderen dan op verrassende vondsten en geven feilloos aan, hoe onze botten en ons (harde) hoofd doen denken aan de minerale wereld, hoe in- en uitademen en bijv. haargroei doen denken aan de steeds weer afster­vende en opkomende plantenwereld, en hoe wij in ons ver­mogen tot bewegen, en in onze voeding bijvoorbeeld over­eenkomsten hebben met het dierenrijk (een kind noemde zelfs het bloed als overeenkomst).

Bij de vraag wat nu het verschil was tussen mens en dier antwoordde één der kinderen onder andere, dat een mens kan “leren”.

Wanneer je daarover later nadenkt merk je, wat daar voor subtiel onderscheid wordt bedoeld: het betreffende kind zal zich dat “leren” waarschijnlijk heel ‘concreet hebben voorgesteld (b.v. zittend in een schoolbankje met een schrift), toch wordt er m.i. een stukje waarheid aangetipt: een dier kan niet “uit zich zelf” leren, wel kunnen wij het als men­sen iets “aanleren”.

Bij zoiets wordt bij mij eens te meer het gevoel bevestigd, dat (om met Lievegoed te spreken) opvoeden niet betekent: een emmer vullen, maar een vuur ontsteken.
Laten we hopen dat het een vuur van enthousiasme voor de
wereld om ons heen is.

1e klas 2

 (Oene Schreuder, nadere gegevens ontbreken)
[1] in de heemkundeperiode is het mogelijk ‘vooruit’ te grijpen op de perioden die in hogere klassen nog komen. Dat kun je ook aan de kinderen zeggen: later, als we in de 5e klas zijn, gaan we weer over de planten spreken en leren jullie nog zoveel meer. Iets dergelijks kan gezegd worden voor bv. de mineralogie of de dierkunde.
Daarmee wek je in de kinderen een bepaalde verwachting – iets om naar uit te kijken – de ‘toekomstkant van de wil’.  (PHAW)

1e klas: alle artikelen

754

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.