Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Vertelstof – de zinvolle vertelling

.
Voor deze vorm van verhalen heeft het Duits ‘sinnige’, ‘zinnig’, een verhaal met ‘zin’, met betekenis. Zinvol of zinrijk kan ook.
.

Erhard Fucke, Erziehungskunst nr. 1 jrg. 34 ja. 1970
.

Het verhaal met betekenis

Een pedagogische opgave voor de eerste drie klassen van de basisschool

Rudolf Steiner kende een belangrijke rol toe aan het “verhaal met betekenis” in de eerste drie klassen van de basisschool. De leerkracht moest de gehele wereld in het gesprek betrekken, zodat deze zijn wezen kon onthullen door middel van een schat aan beeldende, individuele verhalen.
In verschillende delen van zijn voordrachten ging hij in op de onderliggende principes met betrekking tot de aard van de mens. Een centraal thema is dat het kind tot de leeftijd van negen jaar “nog geen onderscheid kan maken tussen wat het innerlijke wezen van de mens vormt en wat de uiterlijke omgeving of de natuur vormt.”
“Het kind schrijft dezelfde krachten die het in zichzelf waarneemt bij het ervaren van ongemak of pijn, ook toe aan zon en maan, aan bomen en planten.”*

*In GA 305  hier vertaald weergegeven.

Inspelen op deze situatie betekent dat natuurelementen worden voorgesteld als wezens die spreken, voelen en handelen zoals mensen.
De verbinding van het kind met de omgeving – een band waarvan het zich nog niet kan losmaken – is duidelijk onbewust en natuurlijk van aard. Door de gehele omgeving op menselijke wijze te bezielen, tilt de leerkracht deze verbinding naar het niveau van een droomachtige, gedeelde ervaring. De band wordt bewuster hersteld door de activiteit van de ziel, waardoor een natuurlijk gegeven wordt omgevormd tot de eerste menselijke vermogens en innerlijke verworvenheden van het kind.
Steiner heeft dit proces klaarblijkelijk voor ogen wanneer hij zegt:

“Het gaat erom – vooral in het eerste schooljaar – een zeker ontwaken van het kind ten opzichte van zijn omgeving teweeg te brengen, een ontwaken van de ziel, zodat het leert zich werkelijk met de omgeving te verbinden.”
Dat is het tweede motief.*

*GA 295/156  Vertaald/156

Het derde betreft het effect dat optreedt wanneer het kind zijn relatie tot de omgeving niet op deze antropomorfe wijze heeft ervaren.
“… het (kind) mist een deel van wat het betekent om mens te zijn in het latere leven”. (GA 305 – zie boven)

Wat met dit deel wordt bedoeld, blijft in het midden.
Wanneer de leerkracht “betekenisvolle verhalen” wil bedenken, stuit hij op vele moeilijkheden. Zijn pedagogische instincten verzetten zich ertegen de wereld op antropomorfe wijze vorm te geven. Hij vreest vanuit een beeldende wereld af te dwalen naar een wereld van louter fantasie, en zoekt daarom naar criteria die deze krachten in goede banen kunnen leiden en reguleren. Een dergelijk regulerend principe vindt hij bijvoorbeeld in de opmerking van Goethe dat alles wat vergankelijk is, het karakter van een metafoor draagt.

Zo zoekt hij naar de archetypische aard van elk verschijnsel, met als doel de wereld doorzichtig te maken voor een rijk van archetypen dat erin verborgen ligt en haar tegelijkertijd tot stand brengt. Hij wil, met andere woorden, ontwikkelen wat Goethe ‘exacte verbeeldingskracht’ noemt. Tegen een dergelijk streven is geen bezwaar; er zijn immers juist prachtige verhalen uit voortgekomen. De ervaring leert echter dat er jaren van regelmatige studie nodig zijn om zelfs maar de eerste bescheiden verhalen op dit gebied te kunnen vertellen. Moet men zichzelf in die tijd verbieden om ‘betekenisvolle verhalen’ te vertellen? En volstaat de vrucht van jarenlange studie om een ​​klas – gedurende een periode van drie jaar – te voorzien van verhalen die alle wereldverschijnselen in deze vorm aan het kind onthullen?
Bovendien sluiten sommige uitspraken van Steiner helemaal niet aan bij deze weg van strikt exacte beoefening. Er is bijvoorbeeld de uitspraak die de leerkracht onmiddellijk terugvoert naar het hachelijke terrein van tegenstrijdige indrukken: “Of gebeurtenissen daadwerkelijk plaatsvinden of niet, is in het individuele geval volstrekt onbelangrijk; waar het om gaat, is dat ze betekenisvol zijn.”*

*GA 177/203
Vertaald

Elders spreekt Steiner over de waarde van een verhaal dat zeker niet in strikte zin een archetypisch karakter heeft:
“De grootmoeder van Adalbert Stifter zei tegen de jongen: ‘Kind, wat is  avondrood? Kind, wanneer de avondgloed verschijnt, hangt de Moeder Gods haar gewaden op – want ze heeft er vele – om ze elke avond aan het hemelgewelf te tonen!’

“Dit zijn woorden waaruit de goden kunnen putten voor de verdere evolutie van de wereld.’*

*GA 276/170
Niet vertaald

Op zorgeloze wijze bezielt Stifters grootmoeder het natuurverschijnsel en stelt ze het voor als het werk van de Moeder Gods; daarmee speelt ze in op precies die behoefte aan menselijke bezieling van natuurprocessen die iets in het kind wakker roept. Toch kan dit korte verhaal ons ook helpen de kenmerkende kwaliteit van ‘zinvolheid’ (*Sinnigkeit*) beter te begrijpen.

Volgens Rudolf Steiner draait alles om deze kwaliteit; zij is het – en niet zozeer het archetypische karakter van het verhaal – die bepaalt of het verhaal al dan niet pedagogisch effectief is.

Adalberts grootmoeder moet hem vaak over de Moeder Gods hebben verteld, en het zal haar ongetwijfeld gemakkelijk zijn afgegaan om bij de jongen een gevoel van eerbied en bewondering voor deze geliefde gestalte te wekken. Vervolgens legde zij – op vrije en zelfs meesterlijke wijze – een verband tussen deze ervaringen en de avondgloed. Plotseling raakte de zonsondergang verbonden met de innerlijke gevoelswereld van de jongen; voortaan kon hij de avondgloed niet meer aanschouwen zonder dat die gevoelens in hem opkwamen. En zelfs toen hij later precies begreep hoe natuurwetten de zonsondergang teweegbrengen, verloor het beeld waarmee hij had geleefd – doordrenkt als het was van de herinnering aan een geliefde – niets van de vreugde die het ooit had opgeroepen.
Op dat moment ervaart hij het natuurverschijnsel echter op een zodanige wijze dat zijn innerlijke wereld er volledig mee kan samensmelten. De aldus bezielde natuur wordt voor het kind net zo vertrouwd als zijn eigen wereld van vreugde en pijn.
Wat is dan een verhaal dat de ziel aanspreekt? Het is een verhaal dat de mens aanzet tot reflectie op iets waar hij anders wellicht onopgemerkt aan voorbij zou zijn gegaan. Het beschouwend stilstaan ​​bij een dergelijk gevoel – dat tegelijkertijd een beeld is, en dus beide tegelijk – is een proces van ademhalen dat bij ieder mens, maar vooral bij een kind, een staat van bezinning bevordert. Het straalt een kalmte uit die niettemin de meest intense alertheid in zich draagt, waardoor schijnbare tegenstellingen op een zeldzame en bijzondere wijze met elkaar in harmonie worden gebracht.
De twee verhalen die volgen, en die trachten de aard van een dergelijk verhaal te belichamen, worden hier gepresenteerd om niet slechts abstracte gedachten, maar concrete voorbeelden te bieden.

Ik geloof niet dat ze in deze vorm verteld moeten worden; dat is een schrijfstijl
die streeft naar een zekere beknoptheid – iets wat niet van nature past bij een gesprek tussen volwassenen en jonge kinderen.
Het ideaal zou zijn dat het verhaal zijn uiteindelijke vorm pas vindt door de interactie met de kinderen.

Rudolf Steiners verhaal over het viooltje lijkt mij hier een treffend voorbeeld van, omdat hij de kwaliteit van het aandachtig luisteren lijkt aan te voelen en daaruit de uiteindelijke formulering ontwikkelt, zodanig dat men geneigd is de kinderen een deel van het auteurschap toe te schrijven. Dit vergt dezelfde artistieke benadering die Steiner ook bij het schilderen voorstaat. Het resultaat moet niet zijn wat alleen de leerkracht of alleen het kind wenst, maar een derde element – ​​iets dat tussen beide in ligt en beide partijen evenzeer verrast.
De voorbereiding vervalt zodoende tijdens het vertellen, en het verhaal wordt
in dat proces opnieuw ontdekt. ​​Dit getuigt van een hoog artistiek niveau.
Ik ben ook van mening dat het navertellen van verhalen van anderen slechts een
noodoplossing is. De pedagogische werking lijkt immers juist te schuilen in de
daad van de leerkracht zelf om de natuur tot leven te brengen – en daarmee
innerlijke krachten te wekken die hem in zijn volwassen aard anders niet zo
gemakkelijk ter beschikking staan. Verbeeldingskracht bezielt niet alleen het
verhaal, maar ook de verteller zelf, en dit bezielende effect treedt zelden op
wanneer men een verhaal vertelt dat door iemand anders is bedacht.

.

Vertelstof: alle artikelen

Rudolf Steiner over vertellen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3604-3397

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – 3e klas – Vertelstof – maak een schema

.

Het is een geruststellende gedachte wanneer je de vertelstof zo hebt ingedeeld, dat je op het eind van het schooljaar niet in tijdnood komt.

Indeling

.

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – De kracht van verhalen

Ilona Eveleens, Trouw 12-05-2015
.

de afrikaanse verhalencultuur

De Afrikaanse verhaalcultuur is springlevend, de opkomst van moderne communicatiemiddelen verandert daar niets aan. Verhalen bewezen hun kracht opnieuw tijdens de ebolacrisis..
 

Toen God de aarde schiep, stopte hij krokodillen en nijlpaarden samen in de wateren van de we­reld. De vraatzuchtige krokodil maakte zich zorgen over het eten. “Jij bent vet en hebt altijd honger. Jij bent in staat alle vis­sen op te eten. Een van ons moet ergens anders gaan leven”, zei de krokodil tegen het nijl­paard. Het nijlpaard gaapte eens grondig en schudde de kop. “Ik moet overdag onder water blijven anders verbrandt mijn gevoelige huid in de zon. Ik word wel vegetariër en ga ’s nachts de wal op om gras te vreten.” Het dier zakte iets dieper in het water zodat alleen de neusgaten en ogen nog te zien waren.
“En ik moet je vertrouwen”, sneerde de krokodil. Het nijlpaard dacht even na. “Je kan toch in mijn poep zien of er visgraten inzitten?”
De krokodil haalde zijn neus op: “Dus ik moet ’n beetje in jouw poep roeren om te zien of er graten inzit­ten. Je bent gek!”
Het nijlpaard dook onder wa­ter en kwam een paar meter verder weer bo­ven. “Ik heb een idee. Telkens als ik poep, laat ik mijn staart heel snel als een propeller rond­draaien zodat alles wordt verspreid. Dan hoef je er alleen maar naar te kijken om te contro­leren of ik je bedrogen heb.”
En zo gebeurde het en sindsdien poept het nijlpaard op die ma­nier.” 

Het verhaal van timmerman David Muriga wordt door zijn collega’s met geklap en gelach beloond. Het is lunchpauze en het personeel van een klein bedrijf even buiten Nairobi heeft de maïsmeelpap met spinaziesaus weggewerkt. De tijd voor het uitbuiken wordt vaak gebruikt om elkaar verhalen te vertellen. Dat gaat
ge­paard met gebaren, grimassen en gefloten deuntjes. De toehoorders reageren met opmer­kingen en vragen. Als het twee uur is, gaat ie­dereen naar de werkplek, vaak met een glim­lach op het gezicht.
 

Wat zouden Afrikaanse culturen zijn zonder verhalen? In verhalen wordt de geschiedenis van het continent doorgegeven. Als officieel onderwijs ontbreekt, bevatten ze wijze levens­lessen. In verhalen kunnen trauma’s of andere psychische problemen worden geuit. Daders gebruiken ze om zich te verantwoorden voor traditionele rechtbanken. En natuurlijk zijn er ook verhalen ter vermaak. 

Bevredigend avontuur 

“Verhalen vormen ons bestaan. Wij zijn de ver­halen en beheersen bij uitstek de kunst van het vertellen”, mijmert Aghan Odero achter een groot bureau in zijn werkkamer. Buiten klinkt enorme herrie. Het nationale theater waarvan hij directeur is, wordt gerenoveerd. Hij is blij met zijn baan, maar zijn eerste en grootste lief­de is de kunst van het verhalen vertellen. “Ik heb dat lang als mijn beroep kunnen doen. Elke dag was een bevredigend avontuur.” 

Lange tijd werd ervan uitgegaan dat Afrika geen geschiedenis had omdat slechts in een paar delen van het continent geschreven tek­sten bestonden. In het Malinese Timboektoe zijn vele duizenden perkamenten geschriften in het Arabisch bewaard uit de dertiende eeuw. 

Ook bestaan er overleveringen in het Geez, de taal die wordt gesproken in Ethiopië, waarvan de eerste bewijzen dateren uit 800 voor Chris­tus. Westerse geschiedschrijvers gingen volko­men voorbij aan de orale geschiedenis. De ver­halen over koninkrijken, krijgsheren, verove­ringen en uitvindingen gingen over van ouder naar kind, generaties lang. 

“Juist omdat er lange tijd nauwelijks geschre­ven teksten waren in grote delen van Afrika was de orale overlevering heel secuur. Hier en daar zal er iets bij zijn verzonnen of weggela­ten”, merkt Odero op. “Maar is de schriftelijke geschiedenis ook niet opgetekend door een waarnemer die eveneens door een gekleurde bril keek?” 

De liefde voor orale overlevering is Odero bijgebracht door zijn grootmoeder die hem me­rendeels opvoedde. Zij stond in het dorp be­kend als de beste verhalenvertelster in de wijde omtrek. “Het was in de avonduren en op zon- ­en feestdagen altijd druk bij haar huis. Ieder­een kwam om verhalen te horen. Soms waren het overleveringen uit de lokale geschiedenis, soms was het een maatschappelijke boodschap en soms puur vermaak.” 

Voor Odero bestaan verhalen uit veertig pro­cent woorden en zestig procent aanwezigheid. Hij herinnert zich hoe de verhalen van zijn grootmoeder nooit alleen bestonden uit woor­den. Er werden dansjes gedaan, liedjes gezon­gen, grimassen getrokken, weidse gebaren ge­maakt en veel verschillende stemmen gepro­duceerd. “Haar hele lichaam vertelde een ver­haal.” 

Tijdens zijn studie bedrijfskunde was Odero actief als acteur en specialiseerde hij zich in verhalen vertellen. Hij trad niet alleen op maar onderwees ook leerkrachten in de kunst van het vertellen. “Er is toch niets leukers dan naar goed vertelde verhalen te luisteren op school? Leerlingen steken er spelenderwijs iets van op en het stimuleert hun eigen creativiteit.” 

Ebolapreventie 

Het beste voorbeeld van hoe belangrijk verha­len zijn in de Afrikaanse context is volgens Odero de recente ebola-epidemie in West-Afrika. Het lukte de overheden van de drie zwaarst getroffen landen niet om burgers te overtuigen weg te blijven van begrafenissen, en vooral niet de lichamen te wassen en aan te raken. Niemand leek te luisteren. 

Tot het moment dat de waarschuwingen in verhalen werden verpakt en vertellers de boer opgingen om op die manier de boodschap te verspreiden. De verhalen werden ook via de ra­dio uitgezonden, samen met liedjes gecompo­neerd door bekende artiesten. “Toen kwam de boodschap wél aan. Je kunt niet iemand uit de stad naar het platteland sturen om daar te ver­tellen dat een eeuwenoude traditie per direct in de prullenbak hoort. Je moet zo’n boodschap verpakken in iets wat de bevolking eigen is.” 

Vroeger vertelden vooral ouderen verhalen. Zij hadden lang geleefd, veel meegemaakt en hen werd grote wijsheid toegedicht. Tegen­woordig gebruiken steeds meer jongeren ver­telkunst om hun boodschap met de wereld te delen. Zij uiten hun ervaringen, toekomstideeën en frustraties met moderne middelen. “In de veelal conservatieve samenlevingen heb­ben ouderen het voor het zeggen en moeten jongeren hun mond houden. Maar als je het via een verhaal doet, wordt het geaccepteerd om­dat het kunst is”, meent Odero. 

Het is de vraag of computers, iPads en mobie­le telefoons de traditie van verhalen vertellen niet ondermijnen. Odero gelooft van niet. Bloggers zijn volgens hem ook verhalenvertellers, op Facebook worden met foto’s verhalen ge­deeld. “In theaters worden verhalen verteld met foto’s of bewegende beelden op de achter­grond. Hoe een verhaal ook wordt gebracht, het gaat erom dat wat je wilt overbrengen ook aankomt. Maakt niet uit welke hulpmiddelen gebruikt worden. Het gaat om interactief com­municeren.” 

Straatkinderen 

De Undugu-vereniging in Kenia lijkt het hele­maal eens met die zienswijze. De organisatie laat straatkinderen verhalen vertellen om hun lot onder de aandacht te brengen. Undugu, ooit opgezet door een Nederlandse priester, ge­bruikt digitale middelen om jongeren hun er­varingen te laten delen. “We hebben een paar iPads want die zijn kindvriendelijk. Daarmee kunnen ze hun verhaal vertellen in woord, beeld en geluid”, vertelt Garnet Maina van Un­dugu. “Het is een manier om de omgeving van de kinderen, ouders of hulpverleners, te tonen wat de kinderen bezighoudt. Zo kunnen de kinderen communiceren met anderen.” 

Op de Undugu-school in de sloppenwijk Maathare Valley bij Nairobi zit Brenda Jeska (17) in de verhalengroep. Samen met Engels is het haar favoriete les. “Ik houd niet alleen van schrijven maar ook van tekenen en foto’s ne­men. Eigenlijk alle artistieke dingen vind ik leuk”, vertelt ze. De inhoud van haar verhaal is vooralsnog geheim. Ze liep van huis weg om­dat haar moeder het schoolgeld niet kon op­brengen voor een staatsschool. De Undugu-school waar ze nu op zit, is gratis. “Ik wil zo graag wat bereiken in mijn leven en heb on­derwijs nodig. Ik kan wel zeggen dat het ver­haal gaat over mezelf en mijn familie. Ik denk dat mijn familie er iets van kan opsteken.” Haar klasgenoot Samson Muturi (16) deelt en­thousiast de inhoud van zijn verhaal. Het gaat over geld stelen. “Ik heb dat zelf een keer ge­daan en dat is niet goed. Met mijn verhaal pro­beer ik uit te leggen waarom ik het deed en waarom het niet goed is.” 

Hij vindt verhalen vertellen net zo leuk als er­naar luisteren. “Mijn vader vertelt ook verha­len. Eentje ging over hoe belangrijk het is om tijdens de rekenles goed op te letten. Mijn va­der legde uit dat het me kan helpen als ik op een dag rijk ben en mijn geld moet tellen.” Brenda knikt en voegt eraan toe: “Je kunt iets leren van verhalen maar ik kan er ook bij weg­dromen. Dan maak ik de wereld mooi. Zoals ik het wil en daar word ik heel blij van.” 

Maasai 

Timmerman David Muriga snapt wat de tiener bedoelt. Hij vertelt zijn collega’s graag verha­len omdat het hem blij maakt. Hij, een weduw­naar met zes kinderen, kan even zijn eigen zor­gen vergeten. “Mijn vrouw was Maasai, een an­der volk dan waar ik toe behoor. Ze maakte mijn leven rijker, vooral ook door verhalen te vertellen van haar volk.” 

“Toen God Maasinta, de eerste Maasai, op aar­de zette, had hij geen vee. Na een tijdje riep God Maasinta en gaf hem de opdracht een flink stuk land te omheinen. Toen die klus geklaard was, zei God: “Morgenvroeg wil ik dat je tegen de buitenmuur van jouw huis gaat staan en je heel goed vasthoudt. Ik ga je iets geven dat vee heet. Hou je heel stil.”
Heel vroeg in de ochtend ging Maasinta bij zijn buitenmuur staan en hield zich vast aan een hoek. Kort daarop klonk een donderend geraas en zag hij hoe God langs een touw vee uit de hemel naar de aarde liet gaan, rechtstreeks in het omheinde stuk land. Maasinta hield zijn adem in. Dorobo, de huisgenoot Van Maasinta, kwam op het ge­luid af en zodra hij buiten kwam en het spek­takel zag, schreeuwde hij: ‘Ayieyieyie!’ God maakte direct een einde aan de stroom vee. Hij zei tegen Maasinta, denkend dat hij degene was die had gegild: ‘Jouw schreeuw betekent blijkbaar dat je genoeg vee hebt. Dit was een­malig, je krijgt niets meer. Van nu af aan ga je een nomadenbestaan leiden en van dit vee houden op dezelfde manier waarop ik van jou houd.’ Dat verklaart waarom de Maasai heel veel van hun vee houden, meestal meer dan van hun eigen vrouwen.” 

.

Vertelstof:  alle artikelen

Spraakoefeningen: alle oefeningen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3602-3395

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzifal (7)

.
lngeborg Sehröder, Erziehungskunst jrg. 25 nr. 5 1961
.

van zwivel tot saelde
.

Over het hoofdthema van de elfde klas: Wolfram von Eschenbachs *Parzival*

   Zelfs na jarenlange bestudering van *Parzival* kan het inzicht in wat nu precies het slot van dit gedicht vormt, ontoereikend blijven. De vraag wat uiteindelijk de doorslag geeft voor Parzivals tweede roeping tot de Graal, lijkt – alles bij elkaar genomen – onopgelost. We bevinden ons in de positie van Trevrizent, die weliswaar erkent dat hij zich had vergist toen hij meende te weten

daz den grâl ze keinen zîten
iemen möhte erstriten
(dat niemand ooit de Graal zou kunnen verwerven)

die zich niettemin gedwongen ziet erover te spreken als over een ondoorgrondelijk wonder. “Nooit heeft een groter wonder plaatsgevonden dan dat jij van God de gunst hebt afgedwongen dat Hij – in Zijn eeuwige Drie-eenheid – een medestrijder voor jouw wil werd.” Het feit dat Parzival de Graalburcht een tweede maal betreedt, en wel na een doelbewuste zoektocht, bewijst dat Trevrizent ongelijk had. Toch biedt dit feit geen verklaring. Op welke wijze verwierf Parzival de Graal? Hoe kwam het dat de woorden van Sigune over de burcht Munsalvaesche.

swer die suochet flîzeclîche
leider der envint ir niht
(wie ze ijverig zoekt, kan ze niet vinden)

zijn kracht verloor?

   De gebeurtenissen in Boek IX – de hereniging met Sigune, het gevecht met de Tempelridder, de onderrichting door de Grijze Ridder, het paasgesprek met Trevrizent – ​​markeren stuk voor stuk een cruciaal keerpunt in Parzivals leven; ze brengen hem tot inzicht in de toestand van *zwivel* (spirituele twijfel en innerlijke verscheurdheid) die hij voorheen zonder begrip had doorstaan. Toch leiden het pijnlijke, heldere besef van zijn eigen schuld en de ontdekking van het mysterie van de Graalburcht – die hem met ontzag vervult – op zichzelf niet tot *saelde*: die staat van volmaakte gelukzaligheid en de rust van de ziel in God. Door de gebeurtenissen in de vijf daaropvolgende boeken laat Wolfram hem een ​​weg afleggen die onzeker, vreugdeloos en onvervuld blijft. Op het eerste gezicht lijkt het er zelfs op dat de gevechten die vlak voor zijn tweede roeping plaatsvonden – gevechten tegen een vriend en tegen zijn eigen broer – hem door hun volstrekte zinloosheid verder dan ooit van zijn doel zouden verwijderen. Dat juist deze ‘zinloze’ gevechten de voorwaarden scheppen voor de tweede roeping tot de Graal, lijkt aanvankelijk een feit dat net zo raadselachtig is als de roeping zelf.
   Wat is er aan deze gevechten waardoor we ze kunnen zien als Parzivals laatste, noodzakelijke stap vooruit – die zelfs de inzichten van het negende boek overstijgt – van *zwivel* (twijfel) naar *saelde* (gelukzaligheid/heil), als de voorwaarde die hij zelf schiep voor zijn uiteindelijke roeping tot de Graal?
   Laten we alles wat volgt op het afscheid van Trevrizent eens nader bekijken. Om te beginnen zet Wolfram Parzivals verhaal niet direct voort – zoals hij dat wel deed na het zesde boek en de vloek van Kundry. Parzival rijdt over wegen waarover niets te vertellen valt. In plaats daarvan vergezellen we Gawan op zijn avontuurlijke tocht naar Klinschors bolwerk, het magische kasteel Schastelmarveile. Samen met Gawan zijn we getuige van de greep van magische krachten; we zien hoe standvastigheid en onbevreesdheid de macht van de boze betovering breken. Samen met de bevrijde vrouwen van Schastelmarveile en de ridders van de Ronde Tafel zien we Gawan “in geluk” – in *saelde*.
   Maar waar is de man wiens taak het is om de heilige magie van Munsalvaesche te bewaken? Waar is degene die *saelde* zo pijnlijk ontbeert? We vernemen dat ook hij op het terrein van Schastelmarveile heeft gestreden, maar er niet is gebleven; hij zocht niet, zoals Gawan, de weg naar het binnenste heiligdom van het betoverde kasteel.
Uiteindelijk, dagen later, vroeg in de ochtend, komen we hem opnieuw tegen, al herkennen we hem niet direct. Hij verschijnt voor ons – en voor zijn vriend Gawan – als een vreemdeling. Zijn gehavende schild verraadt hem als een man die al lange tijd op avontuur uit is. De rijke krans van de boom van koning Gramoflanz zet Gawan op het verkeerde been wanneer hij op de vreemdeling afstormt; hij waant zich tegenover de trotse koning Gramoflanz zelf, die bij de rivier de Sahins wacht op het afgesproken beslissende tweegevecht. Zo begint de strijd tussen de vrienden die elkaar niet herkennen – een gevecht “waarin de overwinnaar weinig kon winnen, maar veel kon verliezen.” In de hevige botsing stoten ze elkaar uit het zadel; scherven van schilden vermengen zich met het groene gras. Maar voordat Gawans nederlaag een feit is, herkent Parzival zijn tegenstander. Ontdaan werpt hij zijn zwaard weg en vervalt in zelfverwijt: “Ellendig en onwaardig ben ik,” zegt hij huilend; “ik heb alle genade, alle geluk, alle zaligheid verspeeld! Dat ik mijn vriend in zulk gevaar heb gebracht – dat was een zware dwaasheid, een zinloze daad. De schuld ligt volledig bij mij; want het is mijn ongelukkige noodlot dat zich hier opnieuw heeft gemanifesteerd, de draden van het lot heeft verward en mij voorgoed van de genade heeft afgesneden; ach, dat ik gedwongen was te strijden tegen mijn edele vriend Gawan!”

ich hân mich selben überstrîten
(Ik leidde de dodelijke aanval op mezelf)

“Hier trof mij het ongeluk, en hier ontglipte mij het geluk voorgoed!”
Maar Gawan ziet dit gevecht anders. Hij stelt zijn wanhopige vriend gerust met de woorden: “Dan is alles goed. Dan zijn de kronkelpaden van de dwaasheid eindelijk rechtgetrokken! Want jouw hand heeft ons beiden overwonnen. Je hebt jezelf overwonnen – mits je dit gevecht beschouwt als een daad die voortkwam uit de trouw van je hart.” Wanneer de twee vrienden, na zulke beproevingen te hebben doorstaan, bij de Tafelronde aankomen, wordt Parzival hartelijk verwelkomd door alle ridders en jonkvrouwen; bij het zien van deze oprechte erkenning verdwijnen zijn ongemak en verdriet. “Hij was gelukkig en vrij van bitterheid” en vroeg om opnieuw te worden toegelaten tot de Tafelronde, waarvan een “nu onbegrijpelijk wonder” hem ooit had gescheiden.

   Gawan had een nieuwe ontmoeting met Gramoflanz geregeld.
Maar opnieuw staan ​​de verkeerde tegenstanders tegenover elkaar. Ditmaal arriveert Gramoflanz als eerste op het afgesproken strijdperk. Hij treft Parzival aan, die in alle vroegte stiekem uit het kamp is geglipt. Wederom kruisen waardige tegenstanders de degens; want Gramoflanz is zo trots dat hij zijn krachten slechts met twee tegenstanders tegelijk wil meten – afgezien van Gawan. Parzival strijdt namens zijn vriend tegen de geduchte krijger. Net wanneer Parzival op het punt staat te overwinnen, worden de strijders gescheiden. Gramoflanz erkent Parzival als overwinnaar en verzoent zich uiteindelijk met zijn vriend Gawan. Binnen de kring van het hof van Arthur worden voorbereidingen getroffen voor een feest ter ere van de huwelijken van Gawan met Orgeluse en Gramoflanz met Itonje.
   Toch voelt Parzival de vreugdeloosheid van zijn ellendige omzwervingen sterker dan ooit; een plotseling verlangen naar zijn koningin overvalt hem.

“Moeten mijn ogen hier op het vreugdevolle rusten, terwijl mijn hart slechts ellende en verlangen kent? Dat gaat niet samen. Welke plaats is er voor wie geen vreugde kent te midden van de vreugdevolle, voor de ongelukkige te midden van de gelukkige? Moge God de gelukkigen vreugde schenken. Maar ik wil van deze vreugde weggaan.”

   Hij zadelt zijn paard, bewapent zich en rijdt weg zonder afscheid te nemen. Toen hij van Trevrizent afscheid nam, brak de dag net aan.
   Hiermee eindigt het veertiende boek. Het begin van het vijftiende boek bevat een zeer korte – en gemakkelijk over het hoofd te zien – aanwijzing van Wolfram dat juist deze laatste strijd, deze ultieme beproeving die Parzival moet doorstaan, de beslissende stap vooruit vormt in zijn streven naar de Graal. Het is het tweede ‘wonder’ van Parzivals reis, en toch is het geen herhaling van het eerste. De eerste keer kwam hij bij Munsalvaesche aan zonder naar de burcht op zoek te zijn geweest. Wat betreft de tweede, zo vurig verlangde roeping tot de Graal, zegt Wolfram

Parzival daz wirbet (Parzival krijgt het voor elkaar)

maar, zo vervolgt Wolfram: “Mogen moed en zelfbeheersing hem nu standvastigheid schenken, zodat hij zijn leven kan behouden. Want op zijn onbevreesde weg treft hij iemand die een meester is in elk gevecht – een heiden.”
Parzival rijdt op een groot woud af en ontmoet op een open plek de vreemdeling, die een rijk en machtig man blijkt te zijn. De ogen van beide ridders lichten op wanneer ze elkaar zien naderen. Ze stormen met hun lansen op elkaar af, maar geen van beiden slaagt erin de ander uit het zadel te lichten. Vervolgens vechten ze te paard met hun zwaarden. De heiden zet de gedoopte ridder zwaar onder druk; de paarden raken door het zwoegen oververhit en uiteindelijk stappen beide mannen af. De heiden is sterk, en zijn heidense strijdkreet verdubbelt zijn kracht. Op dit punt merkt Wolfram op: “Hun strijd ging om niets minder dan vreugde, heil (*saelde*) en eer. Maar wie hier ook zou zegevieren, zou alle vreugde verliezen en slechts verdriet winnen.” Tot nu toe heeft Parzival in stilte gevochten. Enkele slagen van de heiden hadden hem op de knieën gedwongen, maar Wolfram spoort hem aan om de strijdkreet van de heiden te beantwoorden met een eigen kreet. Dan herinnert Parzival het zich en vindt hij zijn strijdkreet: “Pelrapeire!” roept hij als antwoord op de “Thabronit!” van de heiden. En over land en zee komt Condwiramurs haar ridder te hulp. Met een machtige slag dwingt Parzival de heiden nu op de knieën; maar zijn zwaard breekt in stukken tijdens de beslissende uithaal. Het was het zwaard dat hij ooit in zijn dwaasheid van Ither had buitgemaakt; hier viel het uiteen in scherven. Wie is de overwinnaar? De heiden werpt zijn eigen zwaard achter zich, om geen oneerlijk voordeel te hebben, en de strijdmoede krijgers gaan in het gras zitten. Dan blijkt dat de twee die hier vochten broers zijn: Feirefiz, de gevlekte zoon van Belakane, en Parzival, de zoon van Herzeloyde, die in twijfel verkeert. Beiden dragen de kleuren van de ekster. Beiden zijn zonen van Gahmuret.
   Nogmaals klinken de woorden die Gawan na het gevecht tussen vrienden had gesproken:

mit dir selben hastu hie gestritn,
gein mir selbn ich kom ûf strît geritn,
mich selben het ich gern erslagn:
dune wertest mir mîn selbes lîp.

(Je vocht hier tegen jezelf,
ik ging hier de strijd aan tegen mezelf;
ik zou mezelf hier bijna hebben gedood,
als je niet zo onverschrokken
mijn leven voor me had verdedigd.)

   Wanneer de broeders terugkeren naar de Tafelronde, roept Kundry Parzival terug naar de Graalburcht.
   De laatste stap van twijfel (*zwivel*) naar gelukzaligheid (*saelde*) zou dus niet het paasgesprek met de kluizenaar zijn, noch de schuldbelijdenis en het besef van de gevolgen daarvan, en evenmin de vraag die voortkomt uit mededogen – een vraag die, nu Parzival weet dat hij haar moet stellen, een enigszins onbevredigend, formeel karakter heeft.
Zou de laatste stap – de ultieme stap die de weg naar genade vrijmaakt – de drievoudige strijd tegen zichzelf kunnen zijn? Zou het de overwinning op het eigen ik zijn die Parzival leidt naar de “hōher funt”, naar het hoogste dat hij kan vinden? En zou *saelde* de zielstoestand zijn van iemand die, na die laatste, uiterlijke zelfoverwinning, ervaart hoe “Gods goedheid in hem zegeviert” (hoe de goedheid – de genade – van God meester over hem wordt; hoe zijn eigen wil nu vervuld wordt door een andere, hogere wil; hoe een hoger ik in hem intrek neemt)?
   Destijds, op die Goede Vrijdag, toen Parzival voor het eerst een beslissende
keuze kon maken die het tij van zijn lot zou keren, zei hij – terwijl hij de teugels
over de oren van zijn paard liet hangen – “nu geng nâch gotes kür!” (Ga nu zoals God wil!)
Nu zijn die woorden op hemzelf van toepassing: “Ga nu als iemand in wiens wil
Gods wil werkzaam is!”

De interpretatie van de slothoofdstukken van *Parzival* die hier wordt gepresenteerd, is zeker niet nieuw; ze is vermoedelijk ergens terug te vinden in de omvangrijke literatuur over Wolframs *Parzival*. Toch heb ik haar niet aan boeken ontleend, maar aan de samenwerking met mijn laatstejaarsklas in Hamburg. Juist omdat deze beschouwingen voortkomen uit de levendige betrokkenheid van één specifieke klas bij deze vraagstukken, kunnen ze van waarde zijn voor ouders en collega’s. Dat is de enige geest waarin ze worden aangeboden.

.

11e klas: alle artikelen (w.o. over Parzival

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3593-3386

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Dit verhaaltje schreef Leo voor een lagere klas, dat kan klas 1 of 2 zijn geweest, gezien het sprookjessfeerkarakter. Een aanwijzing voor welke klas is niet vermeld. 
Het is goed denkbaar dat hij hiermee de eerste schilderles is begonnen.
Met een klein verhaal het bijzondere van een vak introduceren hoort bij een kunstzinnige aanpak. 

‘Het beeld zal ons aan begrippen helpen‘ (Steiner-15-)

Verteltijd ca 4 min.

Het bijzondere schilderij

Er was een prins met goudblond haar. Het blauw van zijn ogen had hij gekregen van het blauw van de hemel.
Op een nacht droomde hij dat hij een lichtwezen zag en een prinses zo mooi als sterrenlicht.
Een stem sprak: ‘Schilder de prinses. Je zal het schilderij nodig hebben om je haar te kunnen herinneren. Het werk moet na drie dagen klaar zijn. Op de kristallen bergtop zal je de verf vinden en een wit paard zal je brengen waar je maar wil. Vind de prinses en trouw met haar!
Toen verdween het lichtwezen dat gesproken had, langzaam.

De volgende dag klom de prins in een eik. Na een tijdje zag hij het schitterende ros met de golvende manen en staart over de velden draven. Hij stopte precies onder de tak waarop de prins zat. De prins liet zich op het paard zakken en meteen galoppeerde het ros weg, zo snel als de zwaluw die boven hem vloog.
Ze kwamen bij een lange, platte witte steen. Het steenwezen zei dat de wolken en de sneeuw de wens van de vroeger zwarte steen had gehoord en de steen hadden wit gemaakt. Van deze steen sprong het paard omhoog tot boven in de wolken. Daar ontmoette hij twee wolkenwezens, Ronder en Roller. Ze waren erg treurig omdat ze niemand hadden om mee te spelen. Maar de prins zocht en vond een paar wolkenwezens en Ronder en Roller waren heel blij. Nu kan je ze nog steeds in de wolken zien.

De prins nam lichten en grijzen en donker en ronde vormen voor zijn schilderij, het ros bracht hem terug naar de aarde, waar hij van de bloemen prachtige kleuren kreeg.
Hiermee gingen ze naar de kristallen berg en op de top verzamelde de prins regenboogkleuren en golven van engelenmuziek.
Hij maakte speciale olie van zonnebloemen die op het veld groeiden waar eens de Leraar van Mensenliefde die op kerstavond wad geboren, had gelopen.
Hij mengde de olie met de kleuren en schilderde met deze verf het portret van de prinses. Hij voltooide het net op tijd na drie dagen.
Op zijn paard reisde hij naar het koninkrijk waar de prinses woonde.
Hij vond haar en vroeg haar meteen ten huwelijk.
Zij zei: ‘In mijn land leeft een monster met een vlammenmuil. Breng sneeuw om dat in zijn bek te stoppen om het vuur te doven en geef antwoord op deze vraag: hoe kan je licht maken zonder vuur. Als je dit kan, kunnen we trouwen.’

De prins ging op weg met zijn ros naar de wolken en nam daarvan wat sneeuw, deed dat in de bek van het monster zodat het vuur doofde.
Hij gaf het antwoord: ‘Door mensen lief te hebben, dan is het net zoals het lieve zonlicht.’

Toen trouwden ze.
De koning zegende hen en wenste hen een vreedzaam en liefdevol leven.
Er kwamen muzikanten en dansers.
Ze aten bessentaart met slagroom.
Ook Ronder en Roller waren er met hun vrienden en ze genoten van al het heerlijks.

Later werden de prins en de prinses koning en koningin en zij en de mensen in hun rijk waren gelukkig, een heel lange tijd.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Vertelstof: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.
3578-3371

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – vertelstof – Edda (1-4)

.

In de cursus voor de leerkrachten die in 1919 met de vrijewaldorfschool beginnen, geeft Steiner voor alle klassen van de onderbouw – dat waren er 8, vanaf klas 1, motieven voor vertelstof.
In de 1e voordracht van GA 295 worden ze opgesomd en voor de 4e klas gaat het om ‘scènes uit de oude geschiedenis.’
GA 295/19
Vertaald/19-20
(Slechts een klein deel is daar nu oproepbaar. Voor het verkrijgen van een gratis scan: mail vspedagogie (voeg toe eraan vast) apenstaartje gmail.com)

Von Heydebrand zegt in haar beschrijving van het leerplan uit 1925 voor de vertelstof van de 4e klas: ‘Vertel- en leesstof voor deze klas vormen o.a. de sagen van de Germaanse mythologie en heldentijd.’

‘Ergens moet er ‘iets’ zijn geweest, waardoor ‘oude geschiedenis’ veranderde in ‘Germaanse mythologie’. (Over die verandering heb ik nog niets gevonden)

Dus is het al die tijd ‘Germaanse mythologie’ gebleven.
Waarom precies is ook niet zo makkelijk te achterhalen.

In 1928 schreef een waldorfleerkracht een stukje over het 9 à 10-jarige kind en deze mythologie. Misschien brengt ons dit verder. En een te beantwoorden vraag zou kunnen zijn: is het kind van 10 van toen, te vergelijken met het huidige kind van 10.

.

J.Burghardt, Erziehungskunst jrg. 2 nr. 1 mei 1928
.

Een levendige beschrijving van de Germaanse mythologie voor kinderen in de 4 klas
.

Ik wil het verhaal van de Germaanse goden vertellen. De negen- tot tienjarige kinderen in de klas kijken me verwachtingsvol aan; deze kinderen, die geboren zijn aan de Ruhr, op de plek waar de grens tussen Franken en Saksen lag.

Hier woonden op de beboste hoogten, de uitdagende Saksen die 1100 jaar geleden trouw Thor, Wotan, (Wodan, Odin) Freia en Baldur aanhingen, de goden van hun vaders, die nog steeds dicht bij hen stonden.

Als de stormwind door de knoestige, massieve eiken van hun thuisland blies
en brulde zodat ze kreunden en steunden, ervoeren de Saksen nog steeds de wilde, woedende jacht van Wod in de huilende hemel; als de bliksem flitste en de donder insloeg, dan voelden ze het stromen van hun eigen bloed: het is waar wat de legenden van onze  vaderen ons vertellen: De roodbaard Thor rijdt door de zware wolken en zwaait met de hamer; en wanneer in de lente de zonnestralen door het heldere gebladerte van de hoge, slanke beukenbomen schijnen, weven ze voor hen de lichte, milde gestalte van de god Baldur, toen hij zwevend voortbewoog en alles tot leven wekte.

Als we op deze manier aan het verleden van dit land denken, is het een bijzonder genoegen om de kinderen, uit wier ogen we dezelfde opstandigheid, maar ook dezelfde loyaliteit en kracht van de Saks zien, de Germaanse godenlegenden te vertellen.
Vooral als we ook de vaders van deze kinderen kennen en hun werk, hoe velen van hen onbevreesd naar de mijnen trokken om de kolen op de zwaarste en gevaarlijkste manier omhoog te halen; hoe anderen voor ovens stonden waarin metalen smelten bij temperaturen van meer dan 1000 graden. Vaak
staan de arbeiders daar, overdekt met een regen van vonken die schitteren in alle kleuren. Met vastberaden kracht en vaak sombere vasthoudendheid beheersen deze mensen hun leven, hun lot. Onverschrokken trotseren ze de dood die overal op de loer lig, in gevecht met de elementen, wiens meester ze willen worden.
De kinderen van deze mensen de legenden van de Germaanse goden vertellen, is iets bijzonders. Want waar worstelen goede en kwade krachten meer met elkaar dan in deze verhalen uit het verre verleden van ons volk?

Ik begon met de schepping van de wereld, zoals ons verteld wordt in de Edda.
Na het verhaal gaf ik de kinderen de volgende verzen, die ik in vorm bracht om te proberen hen volledig in een ervaring van het verhaal te brengen. Ze spraken ze uit en stampten bij elk alliteratie:

De auteur geeft nu een klein stukje van het hele scheppingslied.
Ik gaf er altijd de voorkeur aan een veel groter deel te nemen, omdat dat later van pas komt bij de eerste aardrijkskunde.

In de eerste twee regels wordt getoond hoe de vooruitgang van de wereld plaatsvindt door twee krachten: beweging en vormende kracht. Vervolgens ervaren de kinderen in de volgende verzen intuïtief de differentiatie en de verbinding tussen de fysieke aspecten van de mens en de aarde: in het bloed dat door het vlees stroomt, evenals de vruchtbare aarde bevochtigd wordt met water, openbaart zich het leven. In botten, net zoals in de wereld van het gesteente, heerst de dood. De schedel wordt een beeld van de hemelkoepel.

In andere verzen probeerde ik vervolgens de individuele figuren van de goden levendig tot leven te wekken voor de zielen van de kinderen, te beginnen met Wotan.

Dan probeert de leerkracht de verschillende goden te benoemen in de taal van de Edda:

Het is niet helemaal duidelijk of hij de verzen zelf maakt of uit de Edda haalt (en welke uitgave dan)
In het Nederlands vind je in  ‘Edda‘ van Jan de Vries (uitg. Ankh-Hermes) genoeg allitererende verzen over wat er ook in proza is verschenen.

R.L.Green vertelde de Edda na en een vertaling daarvan in beeldende taal is direct te gebruiken om in de klas te vertellen (uit je hoofd: niet voorlezen!)
Als je deze Prismapocket niet meer kan kopen, kun je hier een (gratis) scan opvragen: vspedagogie@gmail.com)

Wotan, de wijze, heerst als heerser in Valhalla.
Zijn blik reikt ver en breed over alle negen werelden.

Aan zijn voeten hurken twee wolven, Geri en Freki.
Zij zijn snelle boodschappers die Wotans bevelen uitvoeren.

Op zijn schouders zitten twee raven, Herinnering en Gedachte.
Zij fladderen dagelijks neer om de wereld te verkennen.

Zij keren terug en Wotan ontvangt via hen berichten.

Dan neemt Wotan de mantel, de blauwe en wijde.
Hij trekt de slappe hoed diep over zijn gezicht.

Het ontbrekende oog, dat hij voor wijsheid had opgeofferd, mag niet gezien worden.
Dan bestijgt hij Sleipnir, het wolkenpaard, zo snel als de wind, rijdt naar de aarde en doorkruist de wereld als een zwerver.

De kinderen voelen hoe Wotan in hen leeft, hoe ze hun gedachten kunnen uitzenden om de wereld te verkennen door middel van denken, net zoals Wotan zijn raven uitzond om informatie uit de wereld te verzamelen. De zielen van de kinderen worden groots, ruim en vredig contemplatief wanneer Wotans zwervende gestalte in zijn brede, blauwe mantel voor hen verschijnt. Maar ze voelen ook zijn rusteloze verlangen naar kennis in hun eigen ziel wanneer ze zich Wotan voorstellen op zijn wolkenpaard, racend en donderend over de brug naar Hels rijk om van Wala, de wijze Moeder Aarde, te horen over de ondergang van de goden. Hij kan haar uit haar dodelijke slaap wekken met de kracht van zijn woord, want het lot is in de aarde gegrift. De kinderen weten: alleen Wotan kon dit weten, Wotan, die een van zijn ogen had opgeofferd om dieper dan alle andere goden ingewijd te worden in de geheimen van de wereld, in schepping en vernietiging. Ook aan hem onthullen de Nornen, de godinnen van het lot, het verleden en de toekomst van aardse gebeurtenissen.

Verzen zoals de volgende probeerden de Nornen dichter bij de kinderen te brengen:

Aan een van de wortels van de wereldboom Yggdrasil,

Daar vervullen de drie Nornen hun taken.

Zij weven en vormen het lot van de wereld.

Urd, de oudste van de drie, in grijze gewaden, regeert over het verleden.

Werdandi, in vloeiende witte gewaden, leidt het heden.

En Skuld, de jongste van de drie, draagt ​​een zwart gewaad,

met gouden strepen,

Zij weet hoe ze ons de toekomst kan vertellen.

En dan roept Wotan Wala:

Wala, wijze, ontwaak en vertel me wat je weet.

Na driemaal roepen en kloppen, verschijnt Wala in een blauwachtig licht. Met tegenzin, met een holle, grafachtige stem, antwoordt ze (ik las toen verzen uit de Edda voor met de kinderen):

“Wie is deze man, mij onbekend,
die mij op dit zware pad stuurt?
“Bedekt met sneeuw, geteisterd door regen,
doorweekt door dauw; “Ik was lange tijd dood!”

De kinderen voelen een diepe innerlijke huivering: Ja, onbevreesdheid,
vastberadenheid, zelfopoffering en het overwinnen van elke moeilijkheid
en alle verschrikkingen zijn noodzakelijk als we wijs en ervaren willen worden.

Een andere god is Thor, de zoon van Wotan. Ik heb geprobeerd de essentie van deze god voor de kinderen te vatten in de volgende verzen:

Thor, de machtigste van alle goden, rijdt dagelijks van Kraftheim
naar de raad.

Maar vaak bestijgt hij de door geiten getrokken strijdwagen, snelt door de wolken,
Dan grijpt hij naar zijn baard, de rode, zodat de bliksem fel flitst.

Hij zwaait met zijn hamer, de zware, en met een dreun
slaat hij op de wolken.

Maar altijd keert de hamer terug in Thors hand.

Verschrikkelijk klonk Thors hamer in de oren van de reuzen,

Want Donar had hen altijd onheil gezworen.

Toen vertelde ik de kinderen alle legendes over hoe Thor met zijn hamer de boze reuzen doodde die de goden en godinnen zoveel leed hadden berokkend. Het is een genot om te zien hoe een gevoel van macht door de harten van de kinderen stroomt bij het zien van deze beelden.

Alle angst verdween. – Toen er op een dag een onweersbui was, eisten de kinderen ongeduldig dat ze Thors verzen mochten opzeggen, en zelfs de meest verlegen meisjes zongen en stampten de allitererende verzen zo hard als ze konden, tegen de donder in. – Toen ik ze later vroeg of Thor vandaag dood was, was het antwoord een verontwaardigd “Nee”, en verschillende kinderen riepen tegelijk: “Thor zit in onze harten, en als we iets stouts willen doen, dan slaat hij heel hard met zijn hamer in ons.”

De figuur van Baldur, de god van het licht en de lente, maakte bijzonder veel indruk op de kinderen:

Wanneer de lente overal op aarde is aangebroken;

Dan daalt Baidur, de leider van de zon, zo lichtvoetig neer op aarde,

Hij streelt de knoppen van de planten en heft ze op naar de hemel.

Dan raakt hij de knoppen van de planten heel zachtjes aan met zijn staf,

zodat ze zich voor hem openen en geurig in kleuren oplichten.

Hij wekt ook de dieren tot leven en roept de vogels tot zang;

De mensen bovenal houden van de helderste zonnegod,

Ze haasten zich naar de bossen en prijzen wat Baldur hen heeft geschonken.

Dan komen de heilige zangers, de skalden, die door het land trekken.

Ze zingen op de gouden lier wat Brage hun heeft geleerd,

En spoedig heerst er vrede in de wereld.

 

De kinderen ervaren de puurheid en tederheid van Baldur; alle zwaarte wordt van hen afgenomen. Ze voelen iets in zich dat alle aardse lasten kan overwinnen. – Vervolgens vertelde ik de kinderen een andere legende over Baldur, die hen een nieuwe richting in hun innerlijke leven zou kunnen wijzen. Er is een koningszoon die zijn vijand gevangen heeft genomen, die zijn bruid wilde stelen. Het vonnis wordt uitgesproken; de koningszoon moet hem zelf doden. Op weg naar de executieplaats komt hij door een helder berkenbos. Het is lente. Elke boom staat daar als een bruid in haar feestelijke jurk. Een jonge, knappe herder (Baldur) komt zingend door het bos. Hij vraagt ​​de somber kijkende koningszoon naar de reden van zijn ongenoegen. De koning vertelt hem alles. Dan vallen hun ogen op een paar lieveheersbeestjes, bedekt met een kluit aarde, die tevergeefs proberen zich te bevrijden. De herder maakt een beweging alsof hij ze met zijn stok wil verpletteren. Dan springt de koningszoon op, bevrijdt de kever van zijn last en laat hem wegvliegen in de heldere lucht. Dan roept hij in de lentemorgen:

“En mijn vijand zal niet sterven, hij zal mijn vriend worden.” – In dit verhaal leren kinderen: Zelfs slechte mensen hebben een sprankje licht; het is alleen verborgen, begraven, alsof onder een kluit aarde. We willen hen liefhebben en hen zo helpen die kluit aarde te verwijderen.

Er ontstond een nobele wedstrijd tussen de kinderen, Thor en Baldur,
om te bepalen wie de meest bekwame overwinnaar van vijanden was. Zowel krachtige slagen als vergevende liefde zijn immers noodzakelijk
om vijanden te overwinnen.

Toen verscheen Loki, de hatelijke en jaloerse god van het laaiende vuur, voor de kinderen. Ze zagen hoe list en leugens door hem de goden binnenslopen. Sterker nog, hij verleidt mensen tot allerlei slechte daden. Aanvankelijk genoten veel kinderen waarschijnlijk van de slimheid en listigheid waarmee Loki de reuzen bedroog, maar toen ervoeren ze de angstige gedachten van Wotan, de angstaanjagende dromen van Frigga. Ze hoorden van Iduna’s val.

Iduna, de godin van de verjongende kracht, zo mooi als een lenteochtend, was verdwenen. Tot dan toe had ze geleefd in de lichtrijke, vogelgezangrijke kruin van de wereldes, altijd actief, altijd vrolijk, altijd helder van geest. Eindelijk, na lang zoeken, vonden de goden haar bij de wortels van de es, waar de afgunstworm knaagde, dof kreunend en treurend zonder bewustzijn. Geen van de goden kon haar wakker maken. Is dit niet een beeld van de ziel in de loop van de menselijke geschiedenis? Vroeger bruiste ze van goddelijke gedachten, en hoe verstrikt is ze tegenwoordig in het materialisme.

Een groot verdriet overviel de kinderen bij dit beeld; ze werden pas getroost toen ik hen vertelde dat Brage, de god van de poëzie, bij Iduna bleef en haar steeds weer over haar goddelijke afkomst influisterde. Toen zeiden ze, volkomen opgelucht: “Brage zal er vast wel in slagen Iduna weer wakker en vrolijk te maken.”

Vervolgens vertelde ik de kinderen hoe Frigga’s dromen en Iduna’s  val de god Wotan, die naar kennis streefde, ertoe aanzetten om op zoek te gaan naar Baldurs dood en het lang voorspelde einde der goden, Ragnarök. De kinderen waren enorm geschrokken toen Baldur daadwerkelijk stierf, getroffen door zijn blinde broer Hödur, die de maretakpijl, die hij van Loki had gekregen, had afgeschoten. De zielen van de kinderen konden niet geloven dat dit wezen van licht moest sterven. Ze hoopten nog steeds op zijn wederopstanding. Veel later zouden ze het misschien ooit begrijpen: hebben de zielen in de oudheid niet de stralende aanwezigheid van God ervaren, en zijn ze daardoor niet blind geworden voor de geestelijke wereld, en ervaren ze nu alleen nog de wereld van de zintuigen?

Vanaf Baldurs dood neemt de spanning in het innerlijke leven van de kinderen met de dag toe. Aanvankelijk ervaren ze met een zekere voldoening hoe Loki gevangen wordt genomen en vastgebonden, maar ze beseffen de enorme omvang van zijn schuld pas echt door zijn vreselijke straf. Hij is geketend tussen twee rotsen en boven hem hangt een giftige worm, die constant gif op zijn gezicht druppelt, dat erdoor wordt weggevreten. Dan komt Loki’s vrouw en, overmand door medelijden, pakt ze een kom, vangt de gifdruppels op, en pas wanneer ze de kom moet legen, valt het gif op zijn gezicht. Dan schudt hij zo hevig dat de aarde beeft. Hieruit begrijpen de kinderen iets van hoe het menselijk gezicht, ooit geschapen naar Gods beeld, wordt weggevreten door al het kwaad, door afgunst en haat, maar hoe mededogen in de wereld kwam om haar van totale vernietiging te redden. Zweeft er niet een vage echo van een christelijk motief over dit beeld? –

Terwijl ik mijn verhaal vertelde, observeerde ik de kinderen.

Op hun gezichten was zichtbare voldoening te lezen na de gevangenneming van Loki, vervolgens grenzeloze afschuw over de straf, en daarna een wonderbaarlijke verlossing. Iedereen slaakte een zucht van verlichting door Sigune’s daad van mededogen.

En toen brak de laatste dag van dit alles aan. Ik had de indruk dat ik De Schemering der Goden voor de kinderen als een symfonie moest opbouwen. Eerst de voorbereidingen voor de laatste strijd tussen goden en reuzen. Trompetgeschal weergalmt: Heimdall, de bewaker van de Regenboogbrug, blaast op zijn hoorn, eerst waarschuwend en langzaam, dan luider en dringender. De goden roepen elkaar toe, dapper en vastberaden rukken de Einherjar op vanuit de poorten van Valhalla. Een chaos van heldere strijdkreten vult de lucht. Wotan geeft de hordes bevelen. Kalmte en beheersing keren terug. De geluiden klinken in harmonie. –

Op de gezichten van mijn kinderen stonden verwachting en spanning gegrift. Angstige vragen klonken, zoals: Wat zal er gebeuren, zullen de goden omkomen? Een van hen riep stoutmoedig: “Thor kan door niemand verslagen worden.” – Ik vervolgde: De reuzen rukken nu op, ik beschreef het schip met de ijsreuzen en Loki als hun leider. De Fenriswolf huilt met zijn gapende muil vooraan op het schip, de Midgardslang kronkelt achter hem, het zijn geluiden van de meest schrijnende disharmonie. De vuurreus komt met zijn reuzen. Er zijn vlammen en flikkeringen. Eindelijk, de goden en reuzen tegenover elkaar, en de strijd begint. Dan hoor je het gesis van de slang, het gehuil van de wolf, het geknetter van het vuur. Dan flitst de bliksem en slaat Thors hamer neer, die de schedels van de reuzen verbrijzelt. Met fonkelende ogen en rode wangen volgden de kinderen de individuele gevechten. Kreten als: Sla toe, Thor, verbrijzel de schedels van de reuzen! klonken door de klas. Een gejuich vulde de klas toen Thor de kop van de Midgardslang verbrijzelde. Maar direct daarna volgde sprakeloze afschuw toen ze hoorden: Thor doet drie stappen achteruit na het gevecht, zakt dan dood neer op de grond, vergiftigd door de adem van de slang. Ik vertelde verder hoe een vreselijk overwinningsgehuil van de wolf klonk, gevolgd door een ijzingwekkende stilte. Wat was er gebeurd? Thor was weg, verslonden door de wolf. – De kinderen keken me bleek van schrik aan, hun adem inhoudend. – En toen: een kreet van alle goden weerklonk, en Vidar zette zijn voet op de kaak van de wolf en stak zijn zwaard in diens keel.

Inmiddels waren bijna alle goden en reuzen verdwenen, toen de vuurreus de wereldboom in brand stak, en hij en de hele wereld in het water zonken, gehuld in vlammen en rook. Toen viel er een doodse stilte. – Bijna overweldigd door de machtige gebeurtenis zaten de kinderen daar. Op hun gezichten stond de vraag: “Is dit het einde?” Toen begon ik hen te vertellen over de nieuwe, groene aarde die uit het water oprees. Ik beschreef de stralende hal en vertelde hen over de herboren goden die in onschuld wandelden.

Nu haalden de kinderen opgelucht adem. Ten slotte sprak ik met hen over de stralende, de machtige van boven (zoals Hij in de Edda wordt genoemd), die over alle goden heerst. Op dit laatste moment ervoeren de kinderen iets van verlossing en wedergeboorte door Christus.

.

4e klas vertelstof: alle artikelen 

4e klasalle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas Edda

.

3552-3337

.

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (104)

.

BEELDENSTORM ?

Op deze blog staan veel artikelen over sprookjes. De inhoud zou je kunnen samenvatten als ‘de beeldentaal’ van de sprookjes.

Om die beeldentaal te leren lezen, kun je je verdiepen in wat daarover is geschreven.
Sla je die weg in, dan is een sprookje niet ‘zomaar een verhaaltje’, een ‘fantasterijtje’ – in ons taalgebruik al synoniem met ‘onzin, lariekoek’.

Weet je dit niet, of vind je het onzin, dan kun je met de sprookjes doen wat je wil.

Schrijfster Eva Stalinski volgt met haar ‘Roodkapje, waar gaan we heen?’ die weg van onbekommerd rommelen met de inhoud van de sprookjes, of zoals recensent Bas Maliepaard in Tijdgeest’ – Trouw van 18-04-2026 kopt: E.S maakte een verrukkelijke sprookjesmix vol grappige details.’

De ‘mix’ bestaat o.a. uit ‘dat de stiefzusters van Assepoester in het kasteel van Doornroosje rondlopen en dat de kip met de gouden eieren op de tafel van het feestmaal zit.’

Kortom: van de betekenisvolle beelden blijft niets heel.

De inhoud van het boek wordt geschikt geacht voor kinderen vanaf 5 jaar.

Dat zijn nu net de kleuters op de vrijeschool die voor het eerst in hun leven deze bijzondere beelden verteld krijgen. 

Ik mag hopen dat hen de karikatuur van Eva Stalinski bespaard blijft!
.

Er was eens, maar hoe lang nog…

Er was eens, maar hoe lang nog….

Sprookjes: alle artikelen

Opspattend grind: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3532-3318

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Dit verhaaltje schreef Leo voor een lagere klas, dat kan klas 1 of 2 zijn geweest, gezien het sprookjessfeerkarakter. Een aanwijzing voor welke klas is niet vermeld. 

Verteltijd ca 5 min.

DE DRIE VRAGEN

Een jonge prins gaat op weg om de drie vragen van de wereld te ontmoeten. 
Hij gaat over bergen en dalen, door rivieren en onder de sterren. 
Dan ontmoet hij Idoha, een lichtwezen. ‘Ik weet wat je zoekt, Prins’, zegt deze.
Ik geef je drie raadsels. 
Na drie dagen zullen we elkaar hier weer ontmoeten, als je de antwoorden hebt gevonden. 
‘Wanneer zijn oog en oor vrienden? 
Wanneer is het oog en wanneer is het oor de poort voor wonderlijke gevoelens?’

De prins ziet Idoha daarna verdwijnen in het eigen licht.
Hij gaat op weg met kloppend hart.
Hij ziet de kristallen, vallend water, vogels, een hert. 
De mooiste kleuren heeft hij nog niet gevonden.
Op het eind van de dag ziet hij hoe elfen, serafijnen en cherubijnen zich losmaken van de ondergaande zon en weven en zweven door het firmament. Zij golven in de kleuren die hun sporen zijn.
De prins zuigt het tafereel in zich op als water in een droge spons. Ten slotte ziet hij de serafijnen oplossen in de kleuren.
Bij de ondergaande zon sluit hij zijn ogen en valt in slaap.

De volgende morgen beseft hij dat hij al één deel van het raadsel heeft opgelost.

Hij gaat op weg en hoort het vallende water, de wind door de bomen, de vogels, zijn eigen stap. Soms zit hij en luistert alleen maar, soms met gesloten ogen. Hij is verheugd dat de geluiden zo mooi zijn, maar hij voelt dat dit nog niet het mooiste is.
Hij valt in slaap en hoort muziek die hij kent.
Op de drempel van de droomwereld die hij nu binnengaat, beseft hij dat de wonderbaarlijke klanken door engelen gemaakt worden. Met een glimlach volgt hij een groot deel van de nacht de muziek.

De volgende morgen besef hij dat hij het antwoord op de tweede vraag heeft gevonden.

Hij ziet en hoort hanengekraai, paardengedraaf, een roepende boer en bliksem en donder. Zou hier het antwoord zijn?
Maar nu ziet hij voor zich een rotsspleet waaruit licht komt. Hij nadeert deze. De wanden wijken en uit de lichtnevel in de grot ontstaat een gestalte die hij als mens herkent. Maar hij hoort ook een stem en hij beleeft een wonder wanneer hij de woorden hoort die de gestalte spreekt. Want bij ieder woord dat hij hoort, ziet hij iets: de wolken, een helling, bergen, mensen, vogels, een ravijn. Hij ziet en hoort ze in het licht van de nevel en de glans waarin de sprekende gestalte is gehuld. Al luiserend worden machtige beelden zichtbaar.
In verbazing lijkt het of hij wegzweeft in het geluid van de nevel.

De derde morgen ontwaakt hij en beseft dat hij nu het laatste antwoord heeft gevonden.

Hij keert terug, kijkend, luisterend, verbeeldend, naar de plek waar hij Idoha heeft ontmoet.
Als hij daar is aangekomen, verschijnt Idoha en spreekt: ‘Ik weet dat je de antwoorden hebt gevonden. Daarvoor zal ik je belonen.

Je zult een dichter, muzikant en schilder worden en met de mensen uit je rijk de schoonheid van je verworvenheden delen.’

Toen verdween Idoha, loste op in het licht, maar liet een warme glans in het hart van de prins achter. 

Toen hij was teruggekeerd in het paleis, waren er niet drie dagen, maar vele jaren verstreken.

Kort na zijn thuiskomst stierf zijn vader en werd hij koning.

De mensen uit zijn rijk hielden van hem en vereerden hem omdat hij naast wijsheid en vrede ook het schone in het land tot bloei bracht.

Zo leefden zij vele jaren in geluk en werkten hard.
Velen schilderden, dichtten en musiceerden.

.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3512-3298

.

.

.

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Over de handen

 

.

Over de menselijke hand zijn op deze blog verschillende artikelen verschenen.
Zo bv. bij ‘Menskunde en pedagogie en bij ‘Rudolf Steiner over handvaardigheid‘.
M.n. de relatie tussen handvaardigheid en hersenontwikkeling komt ter sprake.
Bij ‘Rudolf Steiner over dierkunde‘ vind je o.a. een meer morele benadering van het feit dat wij mensen handen hebben.

Onderstaand bericht is geen artikel in die zin, maar een stukje uit het beroemde boek van Selma Lagerlöf  ‘Niels Holgersson’.

XXXIX. EEN GROOT LANDGOED

De Oude en de Jonge Heer

Een paar jaar geleden was er in een gemeente in Gotland een onbeschrijflijk goede en lieve onderwijzeres. Ze was bekwaam in het onderwijzen en kon goed orde houden; de kinderen hielden zoveel van haar, dat ze altijd hun lessen leerden, vóór ze op school kwamen. De ouders waren ook zeer met haar ingenomen. Er was maar één, die niet begreep hoe goed ze was en dat was ze zelf. Ze vond, dat alle anderen wijzer en knapper waren dan zij en treurde er over, dat ze niet zo kon worden.

Toen de onderwijzeres een jaar of wat in dienst was geweest, stelde het hoofdbestuur voor, dat ze naar de slöjdschool te Nääs zou gaan, zodat ze de kinderen voortaan niet alleen met het hoofd, maar ook met de handen zou kunnen leren werken. Niemand kan begrijpen hoe ze schrok van die uitnodiging.

Nääs lag in ’t geheel niet ver van de school. Ze was dikwijls voorbij dat mooie, statige gebouw gelopen en ze had vaak de slöjdcursus horen roemen, die op dat grote landgoed werd gegeven. Onderwijzers en onderwijzeressen uit het hele land kwamen daar bijeen, om te leren hun handen te gebruiken, ja, er kwamen zelfs mensen uit het buitenland. Ze wist vooruit hoe vreselijk bang ze zich voelen zou tussen zoveel uitstekende mensen. Ze vond, dat het meer was, dan ze zou kunnen uithouden.

Maar ze wilde ook het aanbod van het schoolbestuur niet weigeren en zond haar aanvrage om plaats in.

Ze werd als leerling aangenomen en op een mooie juni-avond, de dag vóór het begin van de zomercursus, pakte ze haar kleren in een klein zakje en wandelde naar Nääs. En hoe vaak ze ook stilstond onderweg — en zichzelf mijlen ver wenste, eindelijk kwam ze daar toch aan.

Op Nääs was er veel leven en beweging onder de deelnemers aan de cursussen. Ze kwamen van verschillende kanten en nu zouden hun kamers worden aangewezen in villa’s en hutjes, die bij het grote landgoed hoorden. Allen voelden zich wat vreemd in die ongewone omgeving, maar de onderwijzeres vond, zoals gewoonlijk, dat niemand zo raar en onhandig deed als zij. Ze had zich zo overstuur gemaakt, dat ze niets meer hoorde of zag. Ze moest ook heel wat moeilijks doormaken. Haar werd een kamer in een mooie villa aangewezen, die ze moest delen met een paar jonge meisjes, die ze in ’t geheel niet kende en ze moest het avondeten gebruiken met zeventien vreemde mensen. Aan haar ene zij zat een klein heertje met een geelachtige huid, die uit Japan kwam, en aan de andere kant een onderwijzer uit Jockmock. En er was gepraat en gelach geweest om heel de lange tafel heen van ’t eerste ogenblik af. Allen hadden samen gesproken en kennis gemaakt. Zij was de enige, die niets had durven zeggen.

De volgende morgen begon het werk. Hier, zoals in een gewone school, was de dag begonnen met gebed en gezang; toen had de directeur van de school wat over slöjd gesproken en een paar korte orders gegeven en toen, zonder dat ze goed wist, hoe het was toegegaan, stond ze opeens voor een schaafbank met een stuk hout in de ene en een mes in de andere hand, en een oude slöjdleraar probeerde haar te wijzen, hoe ze een bloemstokje moest snijden.

Zulk werk had ze nog nooit geprobeerd. Ze was er niet handig mee. En zo verlegen als ze was, kon ze er niets van begrijpen. Toen de leraar was heengegaan, legde ze ’t mes en ’t hout neer op de schaafbank en stond recht voor zich uit te staren.

In de rondte in de kamer stonden schaafbanken en bij alle zag ze mensen staan, die met frisse moed aan ’t werk begonnen. Een paar van hen, die al wat in de kunst waren ingewijd, kwamen bij haar en wilden haar terecht helpen. Maar ze kon geen aanwijzing aannemen. Ze stond eraan te denken, dat allen om haar heen opmerkten, hoe verkeerd ze deed en dat maakte haar zo ongelukkig, dat ze als verlamd was.

’t Koffie-uurtje kwam en na de koffie kwam er nieuw werk. De directeur hield een voordracht, toen volgden gymnastische oefeningen en toen begon weer het slöjdonderwijs. Daarop kwam de middagrust, met middagmaal en koffie in de grote vrolijke vergaderzaal en dan in de namiddag weer slöjd, zang en eindelijk spelen in de open lucht. De onderwijzeres was de hele dag in beweging, ging met de anderen mee, maar voelde zich aldoor even wanhopend. Als ze later terugdacht aan de eerste dagen die ze in Nääs had doorgebracht, was het haar, alsof ze in de mist had gelopen. Alles was donker en gesluierd geweest en ze had in ’t geheel niets gezien of begrepen, van wat er om haar heen gebeurde. Dit had twee dagen geduurd, maar de tweede dag ’s avonds, was het plotseling licht om haar heen geworden.

Toen ze ’t avondeten gebruikt hadden, had een oude volksonderwijzer, die al meermalen op Nääs was geweest, aan een paar nieuwelingen verteld, hoe de slöjdschool was ontstaan en doordat ze dicht bij hem had gezeten, had ze gehoord, wat hij zei.

Hij had er over gesproken, dat Nääs een heel oud landgoed was, maar meer dan een groot, mooi buiten was het niet geweest, vóór de oude heer, die ’t nu bewoonde, er was komen wonen. Hij was een rijk man en de eerste jaren, nadat hij er zich gevestigd had, gebruikte hij om het kasteel en ’t park mooier te maken en de woningen van de ondergeschikten daar te verbeteren. Maar toen was zijn vrouw gestorven en doordat hij geen kinderen had, voelde hij zich vaak alleen op de grote hoeve. Hij haalde dus een jonge neef, waar hij veel van hield, over om bij hem te Nääs te komen wonen.

Eerst was het de bedoeling, dat de jonge man zou helpen bij het besturen van ’t landgoed, maar toen hij zich met dat doel bewoog tussen de ondergeschikten en zag hoe er geleefd werd in de hutten der armen, kwam hij op wonderlijke gedachten. Hij had opgemerkt, dat op de meeste plaatsen noch de knechts, noch de kinderen en vaak ook de vrouwen niet met handenarbeid bezig waren op de lange winteravonden. Vroeger hadden de mensen hun handen vlijtig moeten gebruiken om hun kleren en huisraad te maken, maar nu kon men dat alles kopen en dus hadden ze met dat soort werk opgehouden. En nu meende de jonge man te begrijpen, dat uit de huizen, waar aan zulk soort huiswerk niet werd gedaan, ook de gezelligheid en de welvaart was verdwenen.

Nu en dan vond hij een huis, waar vader stoelen en tafels maakte en moeder weefde, en daar was het gemakkelijk te zien, dat de mensen er welvarender en ook gelukkiger waren dan op andere plaatsen.

Hij had hier met zijn oom over gesproken en de oude heer had ingezien, dat het een groot geluk zou wezen, als de mensen zich in hun lege uren aan handenwerk konden wijden. Maar voor het zover kon komen, was het een eerste vereiste, dat ze al van hun kindsheid af hun handen hadden leren gebruiken. De beide mannen vonden, dat ze die zaak niet beter konden bevorderen dan door een slöjdschool voor kinderen op te richten. Ze wilden hun leren eenvoudige dingen van hout te maken, omdat ze meenden, dat zulk werk voor iedereen ’t meest voor de hand lag. Ze waren er zeker van, dat iedereen, die zijn handen had geoefend om het mes te gebruiken, ook later gemakkelijker de smidshamer of het werktuig van de schoenmaker zou hanteren. Maar hij, die zijn handen niet aan ’t werk gewende, terwijl hij jong was, zou misschien nooit ontdekken, dat hij in zijn handen een werktuig bezat, dat alle andere te boven ging.

Ze waren dus begonnen de kinderen in handenwerk te oefenen op Nääs en ze hadden al gauw gevonden, dat dit zo goed en nuttig voor de kleintjes was, dat ze wensten, dat alle kinderen in Zweden zulk onderwijs konden krijgen.

Maar hoe zou dat mogelijk zijn? Er waren honderdduizenden kinde

ren in Zweden. Die kon men toch niet allemaal op Nääs bij elkaar halen om ze slöjdles te geven. Dat was immers onmogelijk!

Toen was de jonge man met een nieuw voorstel gekomen. Stel je voor, dat ze in plaats van de kinderen te onderwijzen, een slöjdschool voor onderwijzers oprichtten! Als nu eens onderwijzers en onderwijzeressen uit ’t hele land naar Nääs kwamen en slöjd leerden en dan weer slöjdles gaven aan alle kinderen in hun school!

Op die manier zouden misschien alle kinderen in Zweden hun handen evengoed kunnen ontwikkelen als hun hersens. Toen ze eenmaal door die gedachten sterk waren aangegrepen, konden ze die niet meer loslaten, maar trachtten ze uit te voeren.

De beide mannen hielpen elkaar trouw. De oude heer bouwde slöjd-zalen, een vergaderlokaal, een gymnastiekzaal, en zorgde, dat zij, die naar de school kwamen, kost en inwoning konden vinden. De jonge man werd directeur van de slöjdschool. Hij regelde het onderwijs, controleerde het werk en hield voordrachten. En meer dan dat, hij leefde voortdurend met de leerlingen mee, onderzocht hoe ieder van hen het had en werd hun warmste en trouwste vriend.

En wat een toeloop van leerlingen kwam er al dadelijk bij het begin! Er werden ieder jaar vier cursussen gehouden en voor alle meldden zich meer leerlingen aan dan er geplaatst konden worden. De school was ook in het buitenland bekend geworden en onderwijzers en onderwijzeressen uit alle landen der wereld kwamen naarNääs om te leren, hoe ze de ontwikkeling van de handen konden bevorderen. Er was geen plaats in Zweden, zó bekend over de hele wereld als Nääs en geen Zweed had zoveel vrienden overal, als de directeur van de slöjdschool te Nääs.

De jonge onderwijzeres zat hiernaar te luisteren en hoe meer ze hoorde, hoe lichter ’t om haar heen werd. Ze had eerst niet begrepen, waarom de slöjdschool op Nääs was. Ze had er niet over gedacht, dat die was opgericht door twee mannen, die hun volk goed wilden doen. Ze had helemaal niet begrepen, dat ze dat deden zonder iets te verdienen, dat ze alles opofferden, wat ze maar konden om mensen beter en gelukkiger te maken.

Toen ze nu aan de grote welwillendheid en mensenliefde dacht, die achter dit alles lag, maakte dat zo’n sterke indruk op haar, dat ze wel had willen huilen. Aan zoiets had ze nog nooit meegewerkt.

De volgende dag begon ze aan ’t werk met een heel ander gevoel. Nu haar alles uit welwillendheid werd aangeboden, moest ze het beter dan tot nu toe waarderen. Ze hield op aan zichzelf te denken, ze dacht alleen aan ’t slöjd en aan ’t grote doel, dat daarmee bereikt moest worden.

En van dat ogenblik ging alles uitstekend, want ze kon héél goed leren, als ze maar niet aan zichzelf twijfelde. Nu haar ogen van de duisternis waren bevrijd, merkte ze overal die grote wonderbare welwillendheid. Nu zag ze hoe liefderijk alles was ingericht voor hen die de school bezochten. De deelnemers aan de cursus ontvingen veel meer dan onderwijs in handenarbeid. De directeur hield voordrachten over opvoeding; ze deden gymnastiek, vormden een zangvereniging en bijna elke avond waren er samenkomsten met muziek en voordrachten. En ook waren er boeken, boten, een piano en een badhuis te hunner beschikking. De bedoeling was, dat ze het goed zouden hebben en gelukkig zijn.

Zij begon te begrijpen welk een onschatbaar voorrecht het was in de mooie zomerdagen op een groot Zweeds landgoed te mogen zijn. Het kasteel, waar de oude heer woonde, lag hoog op een heuvel, bijna geheel omsloten door een lang kronkelend meer en was met het land verbonden door een mooie stenen brug. Ze had nog nooit zoiets moois gezien als de bloemengroepen op de terrassen voor het kasteel, als de oude eiken in ’t park, als de wegen langs de oevers van ’t meer, waar de bomen over ’t water hingen, of als ’t paviljoen op de rots boven aan het meer. De schoolgebouwen lagen op het vaste land, vlak over het kasteel, op groene, beschaduwde velden, maar ze mocht vrij door ’t park zwerven, als ze tijd en lust had. Ze vond, dat ze nog nooit geweten had, hoe heerlijk de zomer was, vóór ze die had mogen genieten op zo’n mooie plaats.

Het verhaal gaat nog verder en beschrijft nog meer van de zielenstemmingen van de onderwijzeres. Daarbij gaat het niet meer over ‘de handen’.

Selma Lagerlöf  ‘Niels Holgersson’s wonderbare reis

Over ‘slöjd

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3509-3296

.

.

.

.

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Sprookjes in de kleuterklas

.

In 1919, toen Steiner de inleidende cursussen voor het vrijeschoolonderwijs gaf, raadde hij voor de 1e klas ‘sprookjes ‘aan. (GA 295 blz. 20, vertaling)

Daarmee bedoelde hij – dat blijkt uit opmerkingen in andere voordrachten – (zie bv. hier  vooral de uit de volksmond opgetekende verhalen, volkswijsheid, waarvan de inhoud (voor een deel) bestaat uit beelden. Geen ‘gewone’ beelden, maar beelden die een ‘hogere’ waarde, waarheid in zich dragen.
Dat zijn dus per definitie geen ‘bedachte’ verhalen, zoals bv. de spookjes die Godfried Bomans schreef. 
Beelden die ‘toen’ nog in het volk leefden, zoals mythen en sagen.
Omdat dit ‘in het volk’ verloren is gegaan m.n. in de westerse wereld – zou je de conclusie kunnen trekken, dat er in deze tijd eigenlijk in die zin geen sprookjes meer kunnen verschijnen.
Tenzij je – door de antroposofische scholingsweg – in de astraalwereld kan waarnemen waar deze beelden- ze heten dan imaginaties – ‘leesbaar, ervaarbaar, kunnen zijn.

Maar wie van ons kan dat. 
En in het algemeen: wie heeft er ‘weet’ van.

De kennis over het bovenstaande is voor het sprookje al zo verdwenen, dat ‘sprookje’, evenals ‘mythe’ tegenwoordig vaak synoniem is aan verzinsel, zelfs leugen.

Vandaaruit is het ook begrijpelijk dat hier en daar de roep om ‘herschrijving‘ klinkt, en daadwerkelijk wordt uitgevoerd, om de inhoud ‘inclusiever’ te maken: waarom mag de prins niet ook een prinses zijn, bv.

Wie zich bezighoudt met de ‘vertaling’ van de beelden en overtuigd raakt van hun eigen werkelijkheid, zal dit niet willen.

In het licht van bovenstaande is het niet vreemd dat mensen zich afvragen waarom er in deze tijd nog sprookjes worden verteld op de vrijeschool – in de 1e klas – en nadat later ook de vrijekleuterklas ontstond, ook in die kleuterklassen.

In het blad ‘Erziehungskunst frühe Kindheit (Opvoedkunst voor het kleine kind) verscheen volgend artikel over de waarde van de sprookjes vanuit taalkundig opzicht.

Kikker of koning?

Sebastian P. Suggate, Erziehungskunst frühe Kindheit, Winter 2016
.

Hoe sprookjes de taalontwikkeling bevorderen
.

Sprookjes zouden zowel de taalvaardigheid als het esthetische en morele besef van kinderen ontwikkelen.
Maar in hoeverre is dit idee wetenschappelijk bevestigd?

Sebastian Suggate, pedagoog aan de Universiteit van Regensburg, rapporteert over recent onderzoek naar deze vraag.

Er zijn talrijke manieren om de taalontwikkeling op de kleuterschoolleeftijd te stimuleren: door fonologisch bewustzijn, uitbreiding van de woordenschat,
correcte uitspraak, klemtoon en grammaticaal gebruik, bevordering van de communicatieve vaardigheden in het algemeen, tot en met de eerste leesoefeningen.
De redenen voor deze maatregelen en programma’s zijn even talrijk: naast de volkomen gerechtvaardigde bezorgdheid over het taalniveau van opgroeiende kinderen zijn er ook sociaal-politieke redenen, zoals de na de PISA-schok geformuleerde onderwijsdoelstellingen of de integratie van migrantenkinderen.

De Waldorfpedagogiek wordt slechts half terecht beschouwd als tegenpool van deze “stimuleringswaanzin”. Waldorfkleuterscholen zouden plaatsen zijn waar ruimte wordt geboden zodat kinderen zich vrij kunnen ontplooien, zonder enige ‘stimulering’.
Bij nader inzien blijkt echter iets heel anders, want de Waldorfkleuterscholen bieden al lang hun eigen, zachte, maar zeer effectieve vorm van taalstimulering aan.

Taalstimulering door sprookjes? 

Een uniek kenmerk van de Waldorfpedagogiek is het vertellen van sprookjes. Tegenwoordig worden sprookjes door velen afgedaan als ‘wreed’ of ‘kinderachtig’
en bovendien zouden ze achterhaalde modellen doorgeven.
Verder wordt gezegd dat ze vanwege hun verouderde taalgebruik zowel te opwindend als niet nuttig zijn voor kleine kinderen. In vergelijking met modernere verhalen lijken ze niet meer van deze tijd, net als de manier waarop ze worden verteld: sprookjes in de Waldorfkleuterschool worden niet via cd of dvd verteld, maar vaak door de leerkrachten vrij verteld.

Tegen deze achtergrond is het volkomen gerechtvaardigd om te vragen of deze praktijk van het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool ten eerste nog wel eigentijds is en ten tweede effectief.

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet worden nagedacht over
welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of de praktijk de moeite waard is. Hiervoor worden empirisch-wetenschappelijke normen uit de experimentele psychologie gebruikt.

Nieuw ontstaat uit oud

Enerzijds hebben sprookjes een klassieke opbouw, die kinderen snel vertrouwd raakt en die het begrip van de verhalen bevordert. Bovendien bevatten sprookjes steeds weer “magische” getallen en rituelen, bijvoorbeeld moeten er meestal drie pogingen worden ondernomen om betoverde prinsessen of prinsen te redden. Dergelijke ritmes en patronen kunnen een belangrijke rol spelen, zowel voor het begrip als voor het esthetisch gevoel en het inleven in de verhalen.

Als het echter waar is dat sprookjes door hun verouderde taalgebruik moeilijk te begrijpen zijn voor kleine kinderen, kunnen ze niet bevorderlijk zijn voor de taalontwikkeling.

Om dit te onderzoeken heb ik samen met collega’s van de universiteiten van Regensburg en Würzburg daar studies over gemaakt.
In deze studies werden aan in totaal bijna 200 kinderen klassieke sprookjes of moderne, eigentijdse verhalen verteld.
In vergelijking met een controlegroep hebben de kinderen inderdaad veel nieuwe woorden uit beide soorten verhalen kunnen leren, wat pleit voor de taalbevorderende kwaliteit van het vertellen.
Interessant genoeg hebben de kinderen evenveel nieuwe woorden geleerd uit de sprookjes als uit de ‘hedendaagse’ verhalen. Blijkbaar vormt de ‘verouderde’ sprookjestaal op zich geen groot probleem voor de kinderen. Dit laatste gold
ook voor kinderen met een migratieachtergrond.

Levendig vertellen is belangrijk

Zoals gezegd, worden sprookjes in de Waldorfkleuterschool met regelmaat vrij verteld, dus niet voorgelezen of zelfs afgespeeld met een cd.
Speelt de manier van vertellen een rol of, anders gezegd, is het de moeite waard
dat kleuterleidsters sprookjes uit het hoofd leren?

Er zijn al experimentele studies die aantonen dat peuters slechts weinig
nieuwe woorden leren via de televisie of dvd’s. Volgens deze studies werd het leren van nieuwe woorden veel meer bevorderd als er volwassenen bij waren, maar de beste manier leek het leren in de levende relatie met volwassenen. Een dvd is nauwelijks voldoende om taalbevorderende imitatie bij kinderen te stimuleren.

In een experiment aan de universiteit van Würzburg hebben we de woordenschatverwerving van leerlingen uit groep 4 en 6 vrijeschoolklas 2 en 4) onderzocht.
Om precies te zijn wilden we nagaan of vertellen voor kinderen van deze leeftijd
nog steeds een belangrijke rol speelt of dat leesvaardigheid de kunst van het vertellen overbodig maakt.
De verhalen werden op drie verschillende manieren voorgesteld: de kinderen lazen ze zelfstandig, ze werden voorgelezen of vrij verteld.

Hoewel ze allemaal goed konden lezen en ruim de tijd hadden om het gelezene nog eens te bekijken, hadden ze het minste baat bij zelfstandig lezen en het meeste bij vrij vertellen.
In vervolgstudies bij kleuters hebben we echter geen voordeel van het vrij vertellen ten opzichte van het voorlezen kunnen aantonen wat betreft de woordenschatverwerving.
Voor het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool lijkt het belangrijk dat de vertolking van de opvoeders zo levendig mogelijk (maar niet dramatiserend) is. Belangrijk hierbij zou kunnen zijn dat de opvoeders
zich inspannen om de gebeurtenissen in de verhalen te vertellen vanuit
hun eigen innerlijke beelden. Dit beeldende vertellen is eenvoudigweg moeilijk uitvoerbaar onder de gestandaardiseerde omstandigheden van experimenteel
onderzoek, wat onze resultaten zou kunnen verklaren.

Daarentegen is het voordeel van een levendige vertelstijl ten opzichte van een
didactische vertelstijl duidelijk aantoonbaar. In een onderzoek hebben we een ‘klassieke’ vertolking met woorddefinities en begripsvragen vergeleken met een
Waldorfachtige vertelstijl. Bij deze laatste werden de sprookjes levendig verteld met gebaren, verwondering en metaforen, zonder uitleg van moeilijke woorden. Verrassend genoeg heeft het definiëren van woorden in het kader van de klassieke verhalen de woordenschat niet sterker doen groeien dan het vertellen in Waldorfstijl.
De kinderen waren echter onder levendigere omstandigheden meetbaar
rustiger en aandachtiger.

Sprookjes en esthetische vorming

Naast het taalbevorderende aspect van het vertellen van sprookjes, wordt steeds meer erkend dat er rekening moet worden gehouden met de esthetische
vorming van de kleuter.
Hieronder wordt niet alleen verstaan dat de ruimtes in de kleuterschool ‘mooi’ worden ingericht of dat kinderen veel tekenen.
Onder esthetische vorming wordt veeleer verstaan dat via zintuiglijke ervaringen
kennis kan worden vergaard. Esthetiek speelt een belangrijke rol bij het vertellen van sprookjes in de Waldorfkleuterschool. Sprookjes gaan gepaard met rituelen zoals het aansteken van een kaars, in een kring zitten of bezinning en rust. De manier waarop sprookjes zelf is ook heel esthetisch, waarbij de taal correct moet worden gearticuleerd en rijk en metaforisch moet zijn.
Sprookjes bevatten bijna altijd een wijsheid die kinderen emotioneel in contact kan brengen met eeuwenoude menselijke vragen, zoals moed, trouw en het overwinnen van gevaren.
Sprookjes uit alle culturen bestaan waarschijnlijk uit deze universele elementen en hebben daarom een fascinerend effect op kinderen, zodat ze er bijna zonder uitzondering met verwondering en volle aandacht naar luisteren.

.15 Grimm Hans en Grietje 3
Grimm: nr. 15 Hans en Grietje

.

Sprookjesalle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Vrijeschool in beeld: sprookjes klas 1

.

3473-3270

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – Sint-Joris (3-16/2)

.

Sint-joris in de schilderkunst

.

In de westerse kunst wordt Sint-Joris altijd afgebeeld als drakendoder.
De oosterse kerkelijke kunst kent hem ook zonder de draak, zittend of staand, maar in beide gevallen jeugdig en gekleed als een krijger.
Een bijzonder mooi voorbeeld hiervan is een icoon in het Iconenmuseum in Recklinghausen in Westfalen.

Icoon uit Novgorod. De heilige Georg, 16e eeuw. Iconenmuseum Recklinghausen.
.

Het komt uit de 16e eeuw en vertoont alle kenmerken van de Moskouse School, die omstreeks 1300 ontstond en in de 14e en 15e eeuw dominant werd in de Russische iconenschilderkunst. De iconen van deze school kenmerken zich door een bijzonder hoffelijke elegantie, tot stand gebracht met tere handen en nobele ovale gezichten, door een meer zwevende dan staande houding en door gedempte, ingetogen, warme kleuren. Dit alles is ook terug te vinden op de eerder genoemde Sint-Joris-icoon uit Recklinghausen. De heilige staat rechtop voor een gouden achtergrond die vanaf de knieën olijfgroen kleurt. Over een groene toga die tot aan de knieën reikt, draagt ​​hij een gouden, honingraatvormig pantser met een groen borstpantser en een brede buikbescherming. Een rode jas, geknoopt op de rechterschouder, hangt naar achteren tot aan de laarzen, die met linten zijn vastgezet. De linkerhand rust op het zwaard, terwijl de rechterhand een lans vasthoudt.

Icoon uit Novgord. De heilige Georg en de draak. 14e eeuw
.

Een andere, vroegere icoon toont Georg al als drakendoder. Het is eveneens van Russische oorsprong en dateert uit de 14e eeuw.
In dit geval hebben we te maken met een werk uit de school van Novgorod, die zich rond het midden van de 11e eeuw ontwikkelde en in een latere fase, tot 1570, opmerkelijke iconen voortbracht. Hun eerste bloei vond waarschijnlijk plaats tussen 1050 en 1300. Na de val van Constantinopel weerspiegelen hun werken opnieuw het Byzantijnse erfgoed en een overgang van tekenen naar schilderen. Er zijn slechts enkele werkelijk markante iconen uit deze school bewaard gebleven. Bij al deze schilderijen besteedt de kunstenaar echter altijd bijzondere aandacht aan het gezicht, een strikt ovaal gezicht met een doorgaans laag voorhoofd en een kleine kin. In het werk uit de latere periode vallen vooral de scherpe tekeningen en de sterke schaduwen onder de ogen, wenkbrauwen, nek en voorhoofd op. Bovendien wordt er vaak de voorkeur gegeven aan zuivere en onvermengde kleuren, waarbij de schilder vaak gebruik maakt van middelen met sterke contrasten. Gezien de bijzondere functie van de lijn ontstaat de indruk dat deze in wezen alleen dient om ‘de tastbaarheid van de lichamen te vergroten’. Dit is ook duidelijk te zien op het icoon van Sint-Joris in Novgorod. In de eerste plaats vinden we een afwijking van de legende wat het monster betreft, een vreemd wezen gemaakt van een slang en een gevleugelde draak, in die zin dat het geen zeemonster is, maar een grotdier dat zich boven de open grot bevindt – niet geheel zonder humor – en zijn slangenlichaam om een ​​torenhoge boom slingert. George, gekleed in het rood en te paard, steekt zijn speer door de schedel van de slangendraak, waardoor er bloed uit spuit. Niettemin – en dat is wat deze icoon, net als alle iconen van Sint-Joris in de Oosterse Kerk, theologisch zo interessant maakt – mist deze Sint-Joris de acrobatiek die wel te vinden is in westerse afbeeldingen van Sint-Joris, met name in de gebeeldhouwde versies. Wat de heilige hier tot stand brengt, is niet zijn eigen menselijke prestatie, maar veeleer een prestatie van goddelijke genade. Daarom kon de speer zo flinterdun zijn, daarom legt Joris zijn rechterhand zo stil en zonder stevige grip op de speer en daarom is in de rechterbovenhoek van de afbeelding vooral Christus afgebeeld, van wie alle kracht om het kwaad te overwinnen – hier gesymboliseerd door de draak – uitgaat.

Deze theologische aspecten, die passend zijn voor een echte cultusafbeelding, zijn in een andere afbeelding van George veel minder duidelijk aanwezig. Deze keer betreft het een mozaïek uit de 14e eeuw, dat zich in het Louvre in Parijs bevindt.

Mozaïek Sint-Joris, 14e eeuw. Louvre, Parijs
.

Het paard is zeer realistisch afgebeeld; het steigert, waarschijnlijk als reactie op het sissen en spugen van een langbenige draak met grote vleugels die lijken op die van een vleermuis. George zelf grijpt de speer vast en steekt deze met opperste concentratie in de kaken van het zich vreemd gedragende monster.

Zowel het feit van een echte strijd als de werking van goddelijke kracht is duidelijk zichtbaar op een afbeelding van Sint-Joris in het Staatsmuseum in Hannover.

Meester van het Blotevoetenaltaar (werkzaam in het eerste derde deel van de 15e eeuw. De heilige Georg van het zgn. blotevoetenaltaar. Landesmuseum Hannover.
.

Het wordt toegeschreven aan de Meester van het Blotevoetenaltaar, een schilder die het voorbeeld van Meester Bertram volgde en ook beïnvloed werd door Konrad von Soest. Hij woonde en werkte in het zuiden van Nedersaksen, met name in Göttingen. De “draak” wordt hier afgebeeld terwijl hij snuift van woede, een walgelijke naakte viervoeter met een gekrulde staart, die onmiskenbaar de duivel voorstelt, die herkenbaar is aan zijn oren en vooral aan zijn hoorns. George, de ruiter, stormt in woeste galop voorwaarts, zoals ruiters elkaar tijdens middeleeuwse toernooien te lijf gaan. Met één steek doorboort hij de gehoornde neus en de nek van de draak, waaruit bloed over zijn walgelijke bruine lichaam vloeit. George zelf draagt ​​hier ridderkleding. Hij draagt ​​een pantser, een helm en vecht met zijn vizier omhoog. De kunstenaar benadrukt het element van strijd nog meer door de wijde, vloeiende mouwen van de prachtige riddermantel. Toch ligt de nadruk niet alleen op de strijdlustige ridder George. Vanuit de rechterbovenhoek van de schildering, vanuit een dichtbewolkte lucht, schiet een engel met grote vleugels letterlijk naar beneden, waarbij hij krachtig zijn arm leent voor Georges werk. Het is vreemd hoe in de West-Noordse kunst een theologisch idee dat zo vanzelfsprekend is in de oosterse kerk, op een unieke en nieuwe manier opgepakt wordt en voortleeft. Ook de licht versierde gouden achtergrond doet denken aan het christelijke Oosten. Overigens speelt het tafereel zich af in een landschap vol bloemen, met links en rechts rotspartijen, waardoor het Sint-Jorisgevecht zich afspeelt als in een krans, wat het geheel op een bijzondere manier accentueert. Geheel nieuw op dit schilderij van de Meester van het Blotevoetenaltaar is echter de verschijning van de in de legende genoemde koningsdochter, die hier herkenbaar is aan de kroon. Zij zou door het lot worden geofferd aan het monster, een godheid die begerig was naar mensen. George bevrijdde haar uit haar nood. Prachtig gekleed, als ridder Joris, knielt ze op de rots links van de toeschouwer en kijkt vol belangstelling toe hoe de draak wordt gedood. Ze houdt haar handen voor haar borst in gebed – of zelfs in een licht applaus 

Ook de dochter van de koning is een geïnteresseerde toeschouwer van Georges gevecht op een schilderij in de Pinacoteca in Bologna. Het is een werk van Vitale da Bologna, die rond 1290-1369 leefde.

Vitale de Bologna (ca. 1290-1369. Joris en de draak. Pinacoteca Bologna
.

De strijd hier is van een moeilijk te overtreffen hevigheid. In een volkomen desolaat landschap, rood alsof het met bloed bevlekt is, rolt een draak met puntige vleugels rond. Zijn grote kop, met zijn puntige neus en wijd open mond om giftige tanden en een rode tong te onthullen, strekt zich naar achteren uit in de richting van de lans die Joris moedig en krachtig toestoot. Het witte paard, hier eveneens op een zeer realistische manier afgebeeld, verplettert het monster met zijn voorhoeven, maar draait zijn kop weg van de sissende bek van de draak en ook naar achteren met een bijna hoorbaar gehinnik. Georg zelf, gekleed in het rood over zijn ridderharnas, bereikt zijn doel niet zo gemakkelijk als weleer. De felheid van zijn gevecht blijkt uit de manier waarop hij zich met zijn bovenlichaam over de nek van het paard op de draak werpt, maar vooral uit de manier waarop hij de kalme houding van een ruiter op een oorlogsros heeft verlaten en nu letterlijk knielt in het zadel en op de rug van het steigerende paard. Zulke beelden komen geheel voort uit de geest van westerse vroomheid.

Ook Rafaëls beroemde afbeelding van Sint-Joris in het Louvre in Parijs hoort hier thuis. De meester, geboren op 6 april 1483 in Urbino in Noord-Italië en overleden in Rome in 1520 op 37-jarige leeftijd, was een leerling van Perugino.

Raffael (Raffaello Santi), 14982-1520. De heilige Joris en de draak. Louvre Parijs
.

Hij schilderde zijn zwaar maar elegant geharnaste George op een bijzonder jeugdige manier en plaatste de scène in een prachtig, geurig Italiaans landschap met een duidelijk zicht op de verte. Maar ook hier wordt gesproken over een bijzonder heftige strijd. Ook hier steigert een krachtig wit paard en rent weg, bedreigd door een ramp. Ondertussen staat Ridder Georg op het punt om het monster een zware slag toe te brengen op zijn schedel. Er is groot gevaar; omdat de draak gewond is, en de stomp van een drievoudig gebroken lansschacht zit vast in zijn nek, die kronkelt van de pijn. Met zijn giftige bek wijd open en zijn scherpe, opgeheven klauwen kwam hij gevaarlijk dicht bij het paard en de ruiter. De kunstenaar drukt ook de verschrikking van een moment van de grootste dreiging uit in de manier waarop hij de prinses behandelt die bevrijd moet worden. Zij, die in de legende Margaretha wordt genoemd, kijkt niet langer rustig naar het gevecht, zoals op het schilderij van Vitale da Bologna, maar is rechts op de achtergrond afgebeeld als iemand die in paniek wegrent.

Van de latere schilders die het thema >Joris en de draak< uitwerkten, wist vrijwel niemand de dynamiek van Rafaëls voorstellingen zo sterk te bereiken als Eugéne Delacroix. Deze grote Franse schilder werd geboren op 16 april 1798 in Charenton-Saint-Maurice, vlak bij Parijs, en stierf op 13 augustus 1863 in Parijs. Als leerling van Guérin en onder de indruk van Géricault, zag hij Peter Paul Rubens als zijn grote voorbeeld. Door een nieuwe kracht van vorm en kleur overwon hij het classicisme in de schilderkunst en wijdde hij zich aan een romantiek van de hoogste orde, waarvan hij in Frankrijk in die tijd als de belangrijkste vertegenwoordiger moet worden beschouwd. Bovendien wordt hij ongetwijfeld beschouwd als de vroegste vertegenwoordiger van de stroming die in de tweede helft van de 19e eeuw in de architectuur, beeldhouwkunst en schilderkunst ontstond als de zogenaamde De neobarok domineerde de Europese kunst. Ongetwijfeld is ook zijn afbeelding van Sint-Joris, die zich nu in de Moussalli-collectie in Parijs bevindt, geheel in de geest van de barok geschilderd.

Eugène Delacroix (1798-1863) De heilige Joris en de draak. Collectie Mousalli, Parijs.
.

Net als Rafaël legde Delacroix ook een tweede fase van de veldslag vast in zijn schilderij. In de eerste fase vocht Georg met een lans. Deze is nu gebroken – eveneens zoals bij Rafaël – en zit als een stomp vast in het lichaam van het op zijn rug liggende drakenmonster, dat kwijlend en met uitgestoken rode tong zijn smalle kop op zijn langgerekte nek opheft naar de gepantserde ridder Joris. Deze man staat in opperste concentratie en heeft zijn rechterhand opgeheven om met een bijl te slaan. Hier lijkt het erop dat de kunstenaar, meer nog dan in andere schilderijen van Sint-Joris, een bijzondere symbolische betekenis hecht aan de kleuren van de lucht, het landschap en de aarde. Het algemene karakter wordt bepaald door groenachtige en rode, vurige tinten. Hoewel er in de afbeelding van Sint-Joris door de Fransman Delacroix sprake is van een beperking tot de essentie, wat ten koste gaat van details die anders wel zouden zijn opgenomen, waaronder een verwijzing naar de dochter van de koning die vrijgelaten moet worden, komt dit, zoals we al zagen, juist steeds voor in laatmiddeleeuwse afbeeldingen van Sint-Joris.

Paolo Uccello verwijst naar een specifiek deel van de legende, waarin hij de dochter van de koning heel dicht bij de draak brengt en haar de draak laat vastbinden als een hond. Het schilderij bevindt zich nu in de National Galery in Londen. Paolo Uccello werd rond 1397 in Florence geboren en stierf daar in 1475. Zijn bijzondere verdienste op het gebied van de schilderkunst van de vroege Italiaanse Renaissance ligt waarschijnlijk in het oppakken en consequent verder ontwikkelen van de toen pas ontwikkelde perspectieftheorie, waardoor hij het vegetatieve leven in zijn landschappen soms met een bijna botanische precisie afbeeldde.

Paolo Uccello (eigenlijk Paolo di Dono, ca. 1397-1475. Strijd met de draak van de heilige Joris. Ca. 1435. National Gallery, Londen
.

Wat de legende van Sint-Joris betreft, lezen we in de verslagen van Jacobus de Voragine dat de naderende heilige ridder tegen de bedreigde maagd zei: “Neem je gordel en gooi hem om de nek van de worm en wees nergens bang voor.” Dat deed ze, en de draak volgde haar als een tamme hond. Dit is precies wat Uccello in zijn beeld vastlegde; want de dochter van de koning, die hier een gigantische draak met machtige klauwen aan haar riem houdt, staat er majestueus en zonder enige angst, terwijl Georg naar voren snelt en zijn lans in de kop van het monster stoot, wiens bloed de aarde rood kleurt. De kracht van de stoot en de dappere aanval worden niet alleen extra benadrukt door de houding van het paard, maar ook door de donkere wolken die zich achter Georg verzamelen en eromheen cirkelen. Het contrast tussen de krijger en de serene maagd benadrukt op wonderbaarlijke wijze de angst voor het dreigende kwaad en de zekerheid die het bezit van het geloof biedt.

De Meester van Bedford, die tussen 1424 en 1435 miniaturen schilderde voor het beroemde Breviarium van Bedford, verwerkt in zijn verhaal over Sint-Joris ook het verhaal dat in de legende over de dochter van de koning wordt verteld en die de draak de stad in leidde. Dit breviarium bevindt zich in de Nationale Bibliotheek in Parijs. Wie die ‘Meester van Bedford’ was, is tot op de dag van vandaag onbekend. De naam verwijst naar John of Lancaster, hertog van Bedford en regent van de Engelse koning in Frankrijk na het Verdrag van Troyes. De mysterieuze ‘Meester van Bedford’ schilderde het ‘Breviarium’ voor hem en zijn vrouw. Jean Porcher schrijft over hem: »Als schilder en colorist gebruikt hij de pen nooit om contouren en modellering te benadrukken. Hij gebruikt vage tinten waardoor alles in een harmonieuze en delicate sfeer lijkt te komen. Deze indruk wordt nog versterkt door de ronding van de gezichten en de zachtheid van de kleding; ‘Uitdrukking en houding interesseren hem echter niet.’

Meester van Bedford. Geschiedenis van de heilige Joris. Uit het brevier van de hertog van Bedford, ca. 1424-1435. Nationale bibliotheek Parijs
.

Zijn ‘Geschiedenis van Sint-Joris’ bevestigt Porchers observatie. Maar er is nog iets anders opvallends: hij maakt een zeer realistisch concept van het landschap, waarin hij vervolgens zoveel mogelijk mensen of groepen mensen samenstelt. Hij weet echter heel goed het onderscheid te maken tussen het essentiële en het onessentiële. En in elk detail onthult hij de legende, niet alleen in het meer, maar ook in de stad, die — volgens het verslag in de Legenda Aurea — nadrukkelijk Silena wordt genoemd. Hij beeldt Sint-Joris driemaal af op zijn miniatuur. Ook de koningsdochter komt drie keer voor. In het midden van de afbeelding, bij de stadspoort, ontmoet hij de dochter van de koning, die wordt weggestuurd om geofferd te worden. Bovenaan de afbeelding vecht Georg tegen het monster, terwijl de dochter van de koning met gevouwen handen terzijde knielt. Onderaan de afbeelding is de ridder afgestegen en steekt hij zijn lans met volle kracht in de nek van de vuurspuwende draak, waardoor het bloed eruit spuit als een rode ster. De koningsdochter leidt de draak aan een rood touw naar de stad, die hier meer op een gotisch kasteel lijkt, terwijl de mensen eromheen in paniek wegrennen. De liefde van de meester voor verhalen vertellen is onmiskenbaar. Ook de mooie en zachte sfeer mag niet over het hoofd worden gezien. Deze sfeer wordt voornamelijk gecreëerd door het edele kleurenschema, waarin rood, blauw en wit als rustgevende blikvangers fungeren en de algehele groene en bruine toon krachtig versterken.

Nauwelijks minder dynamisch is het gevecht van Sint-Joris op een schilderij van Lucas Cranach de Oudere. dat zich nu in de Kunsthalle in Hamburg bevindt. Cranach werd in 1472 in Kronach in Opper-Franken geboren en stierf op 16 oktober 1553 in Weimar. In 1505 werd hij door Frederik de Wijze, een vriend van Maarten Luther, naar het hof van het keurvorstendom Saksen in Wittenberg geroepen. Door Cranach werd Wittenberg, waar Luther les gaf, een centrum van Saksische schilderkunst, die ook na Cranachs dood van belang bleef. Hij stelde zijn kunst niet alleen in dienst van het hof, maar ook van de Reformatie. In zijn werken zijn nog duidelijk de kenmerken van de zogenaamde Donaustijl te herkennen, vooral in de beginperiode van zijn werk, d.w.z. hij hield ervan om landschappen te creëren met een grote spanning tussen een sterke, soms zelfs dramatische expressiviteit en tegelijkertijd een lyrische, idyllische schoonheid. Cranach heeft het thema van >Joris en het gevecht met de draak< meerdere malen uitgebeeld, onder andere in een houtsnede, waarbij hij zijn houtsneden op Dürer baseerde. Interessant is ook dat Cranach graag heiligen uit zijn eigen tijd haalde. Dat betekent niet dat hij ze alleen maar kleedde in de modedrachten van zijn tijd, maar ook dat hij ze representatief maakte voor een intellectueel debat over de problemen van zijn tijd. Het is een tijd van religieuze spanningen, waarin het contrast tussen goed en kwaad niet langer uitsluitend door geleerden werd bestudeerd. Dit kan ook te maken hebben met het feit dat de krijger Georg een favoriet onderwerp werd voor de kunstenaar.

Lucas Cranach de oudere (1472-1553) Joris en de draak. Kunsthal Hamburg
.

Om de ware verschrikkingen van het kwaad te laten zien, geeft Cranach de draak niet alleen een enorm formaat, maar schildert hij ook een schedel en een menselijk skelet bij de hebzuchtige kaken en scherpe klauwen. Daarmee wilde hij ongetwijfeld een niet te missen teken geven van het erbarmelijke lot van de maagd die geofferd moet worden. Zij wordt op de afbeelding twee keer getoond: rechts van de toeschouwer biddend met een lam aan haar voeten, en links van de toeschouwer wordt zij te paard vergezeld door Joris, die de draak aan haar riem de stad binnenleidt. Hierbij wordt het legendarische verhaal van het ‘tamme hondje’ op een heerlijke humoristische manier gepresenteerd. Het schaap wordt genoemd in de >Legenda Aurea< van Jacobus de Voragine. Toen het aantal schapen steeds kleiner werd en er nooit genoeg konden zijn, werd er afgesproken dat men elke dag een man en een schaap aan de draak zou offeren. Daarom wierpen ze loten om te bepalen welke man of vrouw aan de draak zou worden gegeven; en niemand wilde eraan ontsnappen. Toen bijna alle zonen en dochters van de stad waren geofferd, gebeurde het dat het lot viel op de enige dochter van de koning, die aan de draak moest worden gegeven. De kunstenaar probeert de gruwel van het legendarische verhaal recht te doen door de hevigheid van de strijd. Hij geeft zijn landschap en de lucht een bijzonder melancholische sfeer. Hij accentueert de figuur van de overwinnaar Georg op een bijzondere manier door een woest oprijzende rots achter hem te plaatsen, die als een krachtig accent op de gebeurtenis van de strijd fungeert.

Hoe ver verwijderd van een dergelijk Cranachiaans drama is de afbeelding van de Sint-Jorisstrijd op een Russisch icoon uit de 16e eeuw in het iconenmuseum in Reddinghausen. Om ze correct te kunnen classificeren, moet men in gedachten houden dat er bij iconen – waar het de voorstelling van de heilige betreft – geen sprake is van de ontwikkeling van sterke individuen. In alle iconen uit het christelijke Oosten hebben de gezichten van de heiligen iets typisch. Paarden, maar ook landschappen en architectuur, behoren tot een bepaald, gedefinieerd type. Omdat de icoon het heilige in zijn objectiviteit onder alle omstandigheden moest tonen, moest het aardse en vergankelijke op de tweede plaats komen. Er was geen ruimte voor een sterke dynamiek. De iconische figuren zijn altijd beelden van plechtige rust. Ze zijn er nog steeds, zelfs daar waar thematisch een dynamiek voor de hand zou liggen, zoals in het gevecht tussen Sint-Joris en de draak.

Icoon uit Novgorod ‘Het drakenwonder’16e eeuw. Iconenmuseum Recklinghausen
.

Het icoon van Recklinghausen heeft één voordeel ten opzichte van veel andere afbeeldingen van Sint-Joris: het beeldt de in de legende beschreven gebeurtenissen met een zeker plezier en detail af. Er is bijvoorbeeld in de >Legenda Aurea< sprake van een draak die zich een weg baant uit een meer bij de stad Silena in Libië. Op de icoon wordt het meer duidelijk benadrukt en niet slechts aangeduid zoals op de afbeelding van Paolo Uccello. De draak kronkelt er letterlijk uit. Dan wordt er gesproken over een stad waar de dochter van de koning, verkleed als prinses, de gewonde draak naartoe zou leiden. Op het icoon staat de gekroonde prinses, volgens de legende voordat ze geofferd werd door haar vader gekleed in koninklijke gewaden, in een plechtige houding voor de stadspoort; boven haar, leunend over de stadsmuur, is de koning te zien met zijn gevolg. Ondanks het rijke verhaal blijft de strijd met de draak het hoofdonderwerp van het icoon. Niets wordt afgedaan aan de rust van het geheel, een rust die bepaald wordt door het feit dat de strijd hier – zoals reeds opgemerkt in verband met een eerdere icoon – niet bedoeld is als een menselijke prestatie, maar als een prestatie van goddelijke genade.

Overigens is Sint-Joris in de westerse kunst niet altijd als vechter afgebeeld. Bijna even vaak wordt hij na de slag afgebeeld als de overwinnaar. Dan gaat de verslagen en gedode draak gewoonlijk aan zijn voeten liggen. Albrecht Dürer heeft ons hiervan een bijzonder karakteristiek voorbeeld nagelaten. Deze grote schilder en graficus werd geboren in Neurenberg op 21 mei 1471 en stierf daar op 6 april 1528. Hij werkte aanvankelijk in de werkplaats van zijn vader, die goudsmid was, en werd later leerling van Michael Wolgemut. Het leven van Dürer valt samen met de overgang van de late gotiek naar de renaissance. Waarschijnlijk heeft hij zich aanvankelijk zeer bewust met de Italiaanse Renaissance beziggehouden, wat echter niet wil zeggen dat hij zijn grote en heldere artistieke vorm alleen in Italië heeft gevonden. Er kan hier nauwelijks sprake zijn van meer dan inspiratie, zelfs niet bij de meest Italiaanse van zijn figuren, de vier apostelen in de Alte Pinakothek in München. Ondanks hun grote, rustige vormen roepen ze toch de spirituele inhoud op die tot uitdrukking komt in de werken van Veit Stoß en andere beeldhouwers uit de laatgotische periode. Het valt niet te ontkennen dat Dürer zich tot aan zijn dood verbonden voelde met een hoge mate van spanning en een sterke menselijkheid in al zijn picturale figuren. Dat blijkt ook uit de afbeelding van Georg op de linkervleugel van het Baumgartner-altaar, die zich eveneens in de Alte Pinakothek in München bevindt.

Albrecht Dürer (1471-1528) De heilige Joris. Ale Pinakothek München
.

De gepantserde held staat daar, te midden van de euforie van de overwinnaar, maar wederom in een nonchalance die nauwelijks iets van het vorige gevecht onthult. Met zijn rechtervoet stapt hij op de geringde staart van de draak. Met zijn linkerhand grijpt hij de gewonde, dunne nek van het monster en trekt deze omhoog, zodat de kop van de walgelijke duivel naar voren blijft hangen en de toeschouwer met glazige, dode ogen aanstaart. Het beeld straalt een grote ernst uit, niet in de laatste plaats door de vreemde rode kleur van de riddermantel op de donkerbruine achtergrond, maar vooral door het strenge, opvallende gezicht met de scherpe neus, de stevige, licht naar beneden gerichte mondhoeken en de wijd opengesperde ogen die dromerig in de verte staren. Dit gezicht, niet geheel zonder sporen van vermoeidheid, lijkt nu enigszins de nonchalance van het staan ​​te verhullen, maar verkondigt toch dat er een inspanning is geleverd. Prachtig als we kijken naar het geheel, is de meester erin geslaagd het kenmerk van de overwinning uit te drukken in de manier waarop hij de figuur van Joris uit de weerzinwekkende knoop van de gedode draak laat opduiken en laat opstaan. De witte vlag met het rode kruis, symbool van de Ridders van Sint-Joris, dat aan de uiteinden is opgerold als de staart van een draak, vormt een kader en geeft de overwinnaar een uniek en onderscheidend accent.

Een ander beeld van Sint-Joris als overwinnaar heeft niet dezelfde kracht. Het werd gemaakt door Hans Holbein de Jongere, die rond 1497 in Augsburg werd geboren en in 1543 in Londen overleed. Op aanbeveling van de beroemde humanist Erasmus van Rotterdam kwam hij in 1526 naar Londen, waar hij goede vrienden werd met Lord Chancellor Thomas More, wiens familieleden hij tekende en schilderde. In 1536 werd hij hofschilder van koning Hendrik VIII van Engeland. Ongetwijfeld bereikte Holbein de grote en heldere vormen van de Renaissance gemakkelijker in zijn schilderkunst dan bijvoorbeeld Dürer, en toch verloochende hij daarbij zijn eigen essentie niet. Toch krijg je bij zijn schilderijen met religieuze thema’s soms de indruk dat ze zonder veel innerlijke betrokkenheid van de kunstenaar zijn ontstaan. Ook zijn ze niet vrij van poses en innemende gebaren, iets wat bij zijn vele portretten minder het geval is. Deze verwijzing is belangrijk omdat het ook de manier waarop hij Georg verbeeldt, beter doet begrijpen.

Hans Holbein de jongere (1497-1543) De heilige Joris. Kunsthal Karlsruhe

Het enige wat in dit schilderij krachtig is, is de op de grond liggende, doorboorde draak. In dit geval is alleen de kop met de open keel, waarin scherpe tanden en een rode tong uitsteken, nog iets van het voorheen dreigende aspect te zien. De figuur van Joris, gekleed als een Romeinse officier, in contrapposto, zoals geliefd in het oude Griekenland en nieuw leven ingeblazen in de Renaissance, lijkt daarentegen zacht en machteloos. Zelfs het rechterbeen heeft niet genoeg kracht om weerstand te bieden aan de staart van het monster. Ook de rechterarm, rustend op de heup, met de hand bijna zelfvoldaan naar binnen gebogen, lijkt geposeerd. Het past perfect bij het mooie ronde hoofd met het wollige krullende haar en het zachte gezicht, dat niet strakker wordt door de omlijsting van een zorgvuldig verzorgde baard. En de grote vlag, ditmaal rood, met een wit kruis, is in dit geval niet meer dan een prachtige achtergrond voor een prachtig gezicht, waarvan de geveinsde meditatie je het niet eens laat geloven. Na 1500 zijn er tal van dergelijke afbeeldingen te vinden. In principe willen ze het heilige of de heilige dwingen tot een bepaald schoonheidsideaal, wat ze vervolgens vaak ten koste van de spirituele inhoud bereiken.

Als de kunstenaar niet langer afhankelijk is van de Italiaanse Renaissance en zich meer verbonden voelt met de Noordse Renaissance, krijgt het beeld van de heilige ook weer serieuze trekken. Dat is duidelijk te zien op het schilderij van Sint-Joris van de Meester van Meßkirch, dat zich nu in de Staatsgalerie Stuttgart bevindt; Er is vrijwel niets over deze schilder bekend. Lange tijd werd hij verward met Schäufelin, totdat Koetschau hem als zelfstandig kunstenaar ontdekte aan de hand van een schilderij van de Drie Koningen, gemaakt rond 1540, in de stadskerk van Meßkirch. Of zijn werkelijke naam Jörg Ziegler was, zoals beweerd wordt, is nog niet overtuigend bewezen. In zijn heldere vormentaal doet het enigszins denken aan Hans Baldung-Grien. Qua kleur geeft hij de voorkeur aan opvallende helderheid en rustige uniformiteit. Zijn religieuze schilderijen stralen een rustige warmte uit, maar zelfs zijn heiligenfiguren zijn niet geheel vrij van poses en wekken soms de indruk niet geheel ongevoelig te zijn voor applaus.

Meester van Meßkirch (werkzaam tussen 1535-1542) De heilige Joris, Staatsgalerij Stuttgart
.

De Georg van de Meester van Meßkirch is iemand van adellijke afkomst, iemand uit de adelstand. Het metaal van zijn pantser glanst en het rode fluweel is afgewerkt met goud. Verder draagt ​​hij aan een brede ketting het gouden kruis van de Ridders van Sint-Joris, waarop aan de voorzijde de Onbevlekte Ontvangenis in blauw emaille is afgebeeld en aan de achterzijde Sint-Joris zelf in rood emaille. De afstotelijkheid van de draak die aan zijn voeten ligt, wordt merkbaar vergroot door de diepe snee in zijn nek en nog meer door de manier waarop hij op zijn rug ligt. Zo presenteert zich een walgelijke naaktheid, de afstotelijke naaktheid van een draak. Georg zet niet zoals op de andere afbeeldingen, zijn voet op het karkas, maar staat vrij en rechtop, met zijn linkerhand het gouden gevest van zijn zwaard vasthoudend en met zijn rechterhand het verzamelde witte doek van zijn overwinningsbanier. Zijn gezicht, scherp van profiel, met een licht uitstekende kin en een puntige snor, verraadt de onkreukbaarheid van een man die evenzeer gewend is aan vechten als aan winnen.

Er zijn maar weinig kunstenaars die andere gebeurtenissen uit het leven van de heilige hebben uitgebeeld, afgezien van het drakengevecht en de overwinning van Sint-Joris. Waar het gebeurde, moesten ze enkel afgaan op verslagen in legenda. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een schilderij van Vittore Carpaccio in S. Giorgio degli Schiavoni — Sint-Joris der Slovenen in Venetië, waarop verschillende scènes uit het leven van Sint-Joris zijn afgebeeld, waaronder de doop van het koningspaar, de ouders van de Maagd die aan de draak is geofferd. Carpaccio werd rond 1455 in Venetië geboren en stierf daar vóór 1526. Hij schilderde tussen 1502 en 1507 de Sint-Joriscyclus voor S. Giorgio degli Schiavoni. Hij studeerde onder andere in de school van Lazzaro Bastiani en Gentile Bellini. Deze twee kunstenaars waren voor hem een ​​voorbeeld met zijn beschrijvende figuurtekeningen en zijn uitgebreide vertelstijl. Altijd voel je de liefde en toewijding waarmee Carpaccio zich wendde tot legendarische en sprookjesachtige werken.

Vittorio Carpaccio (ca. 1455 tot  voor 1526) Heilige Joris doopt koning Aja en zijn gevolg
.

Hij legt ook zijn Georg vast, deze favoriet van de 15e eeuw, zeer romantisch en toont de scènes uit zijn leven in een prachtige harmonie van landschap en architectuur. Ongetwijfeld vond hij het onderwerp voor zijn >Doop van het Koninklijk Paar van Silena< in de regio Libië in de Legenda Aurea. Daar lezen we: »St. George wenkte de mensen en riep: Wees niet bang; Want God heeft mij naar jullie toe gestuurd om jullie van deze draak te verlossen. Geloof daarom in Christus en laat jullie allen dopen, en Ik zal deze draak doden. Toen werd de koning gedoopt, en al het volk met hem, en Sint-Joris trok zijn zwaard en doodde de draak. Wat bij Carpaccio nu van de dopende Joris is geworden, doet niet meer denken aan de dappere strijder. Er staat een figuur, lichtvoetig en vroom gestemd, wiens zachte gezicht doet denken aan Giorgiones afbeeldingen, net zoals de harmonieuze perspectieven op de trap voor het paleis, waarin kleur en ruimte wonderbaarlijk op elkaar zijn afgestemd, duidelijk de schilderkunst van deze mysterieuze, grote kunstenaar oproepen. Dromerig lyrisch als Giorgiones figuren, is in de afbeelding van de >Doop< niet alleen Joris, die nog steeds zijn stalen ridderharnas toont onder een elegant gegooide rode mantel, maar ook het knielende koningspaar, omringd en verzorgd door een rijk hof, die vroom hun handen vouwen en zich overgeven aan de stille doopceremonie, waarin muziek van links komt, ongetwijfeld vrome, cultische muziek, te oordelen naar de gezichten van de paukenspeler 

Hoe Ridder Joris aan zijn einde kwam, is in geen enkel historisch document vastgelegd. De Legenda Aurea van Jacobus de Voragine, die vaak wordt geraadpleegd, doet hier wel uitgebreid verslag van. De auteur laat Georg tijdens de christenvervolging onder keizer Diocletianus zijn ridderpantser afleggen en laat hem optreden als een moedige prediker van Christus. Naar verluidt viel hij in de handen van rechter Dacian, die hem op alle mogelijke manieren liet martelen, waarna Joris werd onthoofd. Er wordt echter niet expliciet melding gemaakt van een geseling, hoewel dit waarschijnlijk wel het geval was in het geval van Alexandria, de vrouw van de koning. Zij had zich tot het christendom bekeerd en werd aan haar haar opgehangen en gegeseld tot de dood erop volgde. We lezen over Georg dat hij op de pijnbank werd gelegd en dat zijn lichaam met spijkers deel voor deel uiteen werd gereten. Bernardo Martorell, die kort na 1453 stierf, heeft er in een vrije interpretatie een geseling van Sint-Joris van gemaakt.

Bernado Martorell (tot kort na 1453) Martelaarschap van de heilige Joris. Louvre Parijs
.

Zijn schilderij is bijzonder mooi vanwege de helderheid van de kleuren. Ook hier is de scène van de geseling een groot schouwspel geworden, maar dan wel een schouwspel voor een sensatiebelust publiek. Talloze mensen staan ​​in de menigte hoofd aan hoofd. Links op het schilderij staart een woud van lansen ons aan. De dragers ervan hebben de grimmige gezichten van door de strijd geharde huurlingen. Rechts staat de koning, prachtig gekleed in oosterse stijl, omringd door zijn lakeien en verklikkers. Op de voorgrond, in een open ruimte, knielt Sint-Joris naakt, schaars gekleed rond de heupen, zijn handen vastgebonden aan een paal. De slagen van de flagellanten regenen neer op zijn naakte lichaam. Het zijn echt krachtige slagen, zoals duidelijk te zien is aan de gespannen houding en de grimmige gezichten van de aanvallers. Als een draaiend wiel cirkelen hun bewegingen rond de heilige. Hij knielt op zijn beurt sereen neer en heft zijn hoofd op, biddend, vervuld van de realiteit van het geloof, een monument voor zijn eigen woorden tegenover de woedende Daciër: “Mijn naam is Georgius en ik kom uit Cappadocië, van adellijke afkomst. Ik heb Palestina veroverd met de hulp van Christus. Maar ik heb alles opgegeven om God beter te kunnen dienen in de hemel.”

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3432-3230

.

.

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof – Sint Joris (1)

.
In de 2e klas worden aan de kinderen heiligenlegenden verteld.

Ook die van Sint-Joris en de draak.

Hier volgt een uitgebreider artikel als achtergrond voor ‘het vertellen over Sint-Joris.
Dat betekent niet dat ook alles aan de kinderen hoeft worden verteld: daar gaat het meer om de bekende legende.
.

Rafael: Heilige Sint-Joris met de draak. Louvre, Parijs

.

Naamdag: 23 april

Naamvarianten o.a.:  Jerg; Jurg, Jöm, Jurgen, Sjors, George, Georges, Igor, Juri, Georgia, Georgina/e.

Plaatsen van verering: Saloniki, Barcelona, Genua, Venetië, Verona, Bamberg, Limburg a. d. Lahn, in England en vele andere landen, steden en bisdommen.

Beschermheilige: van militairen, van Duitse ridderorden, van ruiters, van paarden, van boeren, van wapensmeden en zadelmakers.
Hij wordt aangeroepen tegen oorlogsgevaar, sneuvelen en wordt gerekend tot de veertien helpers in nood.

sint-joris

Er zijn nogal wat mensen die Sint-Joris naar het rijk der legenden verwijzen, d.w.z. die hem geen enkele historische betekenis toekennen.
Sommigen denken dat hij teruggaat op de oude Egyptische afbeelding van Horus te paard die een krokodil doorboort, die wordt beschouwd als de overwinnaar van Set.
Anderen wijzen op de vele relikwieën die gevonden zijn, vooral in Bulgarije, van de zogenaamde ‘Thracische ruiter’, een galopperende god met een wapperende mantel die vecht met een leeuw of een slang.
Weer anderen denken aan een replica van de Mithras-mythe. Dergelijke opvattingen worden bestreden door een christelijke opvatting die Joris, Georg ziet als een verifieerbare historische figuur. Deze kan echter niet vertrouwen op overvloedig tastbaar bewijs, maar verwijst vooral naar de vroegst mogelijke vermeldingen van Sint-Joris.

Het oudste bewijs van het historische bestaan van Sint-Joris is een oude inscriptie die aantoont dat er al in 367 een ontwikkelde cultus van Sint-Joris bestond in de regio Trachonitis.
Ongeveer 100 jaar eerder, vóór 397, noemt ook de heilige Ambrosius van Milaan hem, in 494 hield een synode zich bezig met de figuur van Sint-Joris omdat de Arianen zijn ware beeld hadden verdraaid, en ongeveer 100 jaar later, vóór 594, spreekt Gregorius van Tours over hem.
Het kan iets te maken hebben met het schaarse historische bewijs dat in de katholieke kerk – zowel in het missaal als in het dagelijkse gebed van de priesters – de herdenking van Sint-Joris naar de 5e plaats is verdrongen.
In de Oosterse Kerk zijn de dingen echter anders. Hier wordt Sint-Joris – naast Sint-Demetrios van Salonica – beschouwd als een ‘megalo-martelaar’, d.w.z. een groot martelaar, waarschijnlijk vanwege het speciale karakter en de overvloed aan wrede martelingen die hij moest ondergaan voor zijn executie.
In het Westen werd hij opgenomen in de kring van de zogenaamde ‘Veertien Helpers in Nood’ en kreeg hij ook een aantal beschermheiligen. Hij werd uitgeroepen tot patroonheilige van landen en bisdommen, soldaten en legers, de Duitse Ridderorde, ruiters en paarden. Op zijn feestdag, 23 april, vond op sommige plaatsen de zogenaamde Sint-Jorisrit plaats, gecombineerd met een zegening van de paarden, en in de Middeleeuwen werden op deze dag ridders gewijd.
Er zijn al in de 6e eeuw bewijzen van Sint-Joriskerken in Italië en Sicilië. De verering van de heilige werd later vooral bevorderd door pelgrimstochten naar het Heilige Land en de zogenaamde kruistochten. Richard Leeuwenhart plaatste zijn leger kruisvaarders onder de bescherming van Sint-Joris, de Duitse ridderorde koos hem als patroonheilige voor hun missiewerk in het Baltische gebied en in Engeland werd hij in 1222 zelfs tot nationale heilige uitgeroepen. Met een dergelijke populariteit is het niet verwonderlijk dat er in de loop der tijd aparte religieuze gemeenschappen werden gevormd die de naam Sint-Joris gebruikten en  zich volledig onder zijn bescherming plaatsten. De oudste is de ‘Congregatie van de Augustijner Ridders van Sint Joris’, opgericht in 1404 door Laurentius Justiniani. Er waren zelfs twee pauselijke ridderorden van Sint-Joris, die – net als een Oostenrijkse – in de 16e eeuw werden opgeheven. De bekendste Orde van Sint-Joris is de ‘Beierse Orde van Ridders van Sint-Joris’, opgericht ten tijde van de kruistochten rond 1143, die – na vele veranderingen en aanpassingen – vandaag de dag nog steeds bestaat.

Wat zegt de geschiedenis over de figuur van Sint-Joris?

Zoals al eerder gezegd, levert de geschiedenis maar weinig bewijs. Er is echter een redelijke mate van overeenstemming dat Sint-Joris een hooggeplaatste soldaat was in het Romeinse leger in Kaap Padocië die werd onthoofd in Pa-lastina, waarschijnlijk in Diospolis of in Lydda, tijdens de vervolging van christenen onder keizer Diocletianus in 303.
Ernst Hello schrijft over hem in zijn boek ‘Saintly Figures’: “De ouders van Sint- Joris waren christenen. Sommige auteurs geloven dat zijn vader een martelaar was. Hij werd geboren in het jaar 280. Zijn moeder begeleidde zijn opvoeding. Hij nam de wapens op toen hij zeventien jaar oud was. Om een opmerking van pater Faber te lenen: bovennatuurlijke gaven worden altijd geënt op de natuurlijke gaven die er het meest op lijken. Sint-Joris zou de beschermheilige van de overwinning worden. Dus werd hij een Romeins soldaat.

Hij begon met natuurlijk heldendom om bovennatuurlijk heldendom te bereiken, of het bovennatuurlijke heldendom dat hij al bezat werd in het begin verborgen onder de schijn van natuurlijk heldendom.”

Het idee van Sint-Joris als ‘Propaiophoros’, d.w.z. als een ‘overwinningsdrager’, dat vooral in de Oosterse Kerk het beeld van de heilige bepaalde, is ook terug te vinden in de Westerse wereld, maar de heilige wordt hier ongetwijfeld meer vereerd als de vechtende drakendoder en wordt ook afgebeeld in de kunst, zij het relatief laat, pas sinds de 12e eeuw.
Alleen de legende kan als bron worden genomen. Deze is zeer gedetailleerd opgeschreven in de zogenaamde ‘Legenda aurea’, de ‘Gouden Legende’ van Jacobus de Voragine uit het einde van de 13e eeuw. Ernst Hello put er ook uit in zijn ‘Saintly Figures’. Hier lezen we over de heiligen en Sint-Joris in het bijzonder: “Eén aspect van hun leven is altijd bepalend voor al het andere, en hun beeld maakt indruk op de menselijke verbeelding onder dit specifieke aspect”.
In het geval van Sint-Joris geeft het doden van de draak aanleiding tot deze eigenschap. De kunst beeldt Sint Joris nooit anders af dan door de draak te verslaan.

Legende

In de buurt van Beiruth woonde een monsterlijke draak in een meer en maakte water en land onveilig. Hij verliet het water alleen om dieren en mensen aan te vallen. Soms kwam hij voor de poorten van de stad, waar hij de lucht verpestte. 
Men besloot hetzelfde te doen als met het brandoffer en elke dag twee schapen aan hem te offeren. Maar al snel raakten de schapen op. Het orakel werd geraadpleegd. Dit antwoordde dat de draak mensenoffers moest krijgen om te verslinden en dat degenen die gedood zouden worden, door het lot zouden worden gekozen.
Op een dag viel het lot in Beiruth op Margaretha, de dochter van de koning. De koning weigerde zijn dochter, maar het volk was toen al opstandig. Ze omsingelden het paleis en dreigden het in brand te steken. Ze wilden de koninklijke familie levend verbranden. De koning kreeg te horen dat hij moest toegeven, en dat deed hij; hij leverde zijn dochter uit. Ze was gekleed in haar feestkleding.

Margaret wordt naar de plek geleid waar het monster haar zal grijpen. Ze leunt tegen een rots, tranen stromen uit haar ogen. Een schaap ligt naast haar. Het moet haar metgezel zijn. Het monster zal Margaretha en haar symbool in één keer verslinden: twee lammeren tegelijk.
Maar zie, voorbij de rots komt Sint-Joris over het pad. Hij ziet de huilende maagd, gaat naar haar toe en vraagt haar naar de reden van haar verdriet. Ze vertelt over haar ongeluk. De heilige held blijft aan haar zijde.

Plotseling kookt het water: de draak wringt zich eruit, doet de golven splijten en een vreselijk gesis vult de lucht die wordt vergiftigd door stinkende geuren; het jonge meisje slaakt een kreet van angst. – ‘Wees niet bang’ zegt de heilige Georg, bestijgt zijn paard, beveelt zichzelf tot God, stormt op het monster af, steekt het diep met zijn lans en dwingt het tot onder zijn voeten.
‘Nu’, zegt Georg tegen het jonge meisje, ‘moet je je riem nemen en die om de nek van de draak gespen’.
En ze leidde het monster de stad in, waar de verzamelde mensen uitbarstten in kreten van vreugde en dankbaarheid. En Georg zei tegen de mensen dat als ze in God zouden geloven, hij het monster helemaal zou doden. Toen werd de koning gedoopt en twintigduizend mensen met hem.
De koning wilde Georg overladen met eerbetoon en zijn schatten met hem delen. Maar Joris verdeelde alles wat hij kreeg onder de armen, omarmde koning, beval alle ongelukkigen bij hem aan en keerde terug naar zijn land.

Diocletianus regeerde in deze tijd. Hij was een zeer vroom man, want vroom betekent toegewijd, en deze vrome man was toegewijd aan Apollo. Op een dag raadpleegde hij het orakel over regeringszaken, maar het orakel antwoordde vanuit zijn grot dat het daarbij weerstand ondervond. ‘De rechtvaardigen op aarde belemmeren mij om vrijuit te spreken’, zei het. ‘Zij maken de zuivere inspiratie van drietand troebel.’ – ‘Wie zijn de rechtvaardigen?’,  vroeg de keizer. ‘O, vorst, dat zijn de christenen’, antwoordde het orakel.

Vanaf deze dag nam de vervolging, die al was afgenomen, een verschrikkelijke omvang aan.

Georg was een belangrijke figuur in het rijk. Hij kwam uit een voorname familie, was rijk en een soldaat. Al deze kwaliteiten gaven hem bepaalde voorrechten, want in Rome stond de soldaat in hoog. Toen Georg zag dat de vervolgingen opnieuw waren begonnen, werd hij boos en kon hij niet zwijgen. Zijn vrienden raadden hem aan voorzichtig te zijn, maar hun raad was nutteloos. En toch wist hij dat Diocletianus de man was om zelfs zijn beste vrienden op in een vlaag van woede te offeren. Hij kende de gewoonten van het hof. Hij kende ze zelfs zo goed dat hij zijn geld en kleren onder de armen verdeelde, die hij binnenkort niet meer voor eigen gebruik nodig zou hebben.

We moeten niet vergeten dat Georg een erg jonge man was. Misschien werden zijn vertrouwen en bovennatuurlijke vrijmoedigheid nog meer versterkt door deze omstandigheid. Hij was ongeveer twintig jaar oud, maar hij was tribuun, of liever gezegd hij was tribuun geweest, want hij had zijn ambt neergelegd. Hij had toegang tot de keizer, en daar maakte hij gebruik van. ‘Jongeman’, zei de keizer tegen hem, ‘denk aan je toekomst’. George haastte zich te antwoorden, maar de keizer werd boos, en zijn woede moet des te groter zijn geweest omdat deze geen duidelijke oorzaak had en zijn oorsprong vond in de antwoorden van het orakel.

De bewakers kregen het bevel om Georg naar de gevangenis te brengen. Daar gooiden ze hem op de grond, bonden hem vast en rolden een zware steen op zijn borst.

De volgende dag werd hij opnieuw voor Diocletianus gebracht, maar omdat alle overredingskracht niet meer hielp dan de dag ervoor, werd Georg vastgebonden aan een wiel met stalen spijkers, alsof hij in duizend stukken gescheurd zou worden.
Omdat de gebruikelijke martelingen niet genoeg waren, moesten er nieuwe worden uitgevonden. Ze geselden hem tot het vlees van zijn botten sprong en gooiden hem toen in een brandende put.
In de vlammen zong de martelaar de psalmen van David. Maar een engel maakte het werk van de vlammen ongedaan en na drie dagen en nachten was Georg niet verbrand maar genezen.
Toen liet Diocletianus met graagte roodgloeiende ijzeren laarzen met spijkers aan de binnenkant aan zijn voeten doen; deze kastijding had lange tijd geen effect, uiteindelijk veroorzaakte het bij Georg dat hij kreunde.

Maar omdat hij niet dood was, bonden ze kettingen aan hem vast en gooiden hem in een kerker. Zodra hij de eucharistie ontving, vielen zijn ketenen vanzelf af.
Georg werd opnieuw gemarteld. 
Maar toen gebeurde er iets vreemds. Tijdens zijn martelaarschap werd hij een wonderdoener en terwijl hij zijn bloed vergoot, toonde hij barmhartigheid aan een dier.
Bij een heidense boer genaamd Glycerus was er een os doodgegaan en het verlies kan hij maar moeilijk kon dragen. De boer ontmoette de martelaar op zijn lijdensweg en vroeg hem de os weer tot leven te wekken. Georg vroeg hem of hij in Christus wilde geloven, en toen hij bevestigend antwoordde, zei hij tegen hem: ‘Ga naar huis naar je ploeg, je zult je os levend vinden.’

Toen Glycerus op het veld kwam, stond zijn os daar, klaar om te werken. Een paar dagen later stierf de boer een martelaarsdood.

Ondertussen moest Georg verder lijden zonder te sterven. Hij vroeg zelf om naar de tempel gebracht te worden om de goden te zien die daar vereerd werden. Diocletianus verzamelde de senaat om die getuige te laten zijn van zijn overwinning. Alle hoge persoonlijkheden zouden er getuige zijn van hoe Georg werd verslagen en uiteindelijk aan Apollo geofferd. Alle ogen waren op hem gericht.

George naderde het beeld, hief zijn hand op en maakte het kruisteken.
‘Wilt u’, zei hij tegen het afgodsbeeld, ‘dat ik u offers breng als aan God?’
‘Ik ben God niet’, antwoordde de demon, en gedwongen bekende hij: ‘Er is geen andere God dan die jij verkondigt.

Toen klonken er jammerende en angstaanjagende stemmen uit de afgodsbeelden en ze vielen neer op de grond.

Georg werd opnieuw beetgepakt en ze onthoofden hem

Alle tradities die verbonden zijn met de verering van Sint-Joris verwijzen naar het karakteristieke wat al eerder genoemd werd en naar de overwinning op de draak.

Er wordt gezegd dat de heilige aan het leger van de kruisvaarders verscheen voor de Slag bij Antiochië en dat de ongelovigen met zijn hulp werden verslagen.
Een andere verschijning van Sint-Joris zou hebben plaatsgevonden aan Richard de Eerste, koning van Engeland, die zegevierend vocht tegen de Saracenen.

Constantinopel had ooit vijf of zes kerken gewijd aan Sint-Joris, waarvan de oudste werd gebouwd door Constantijn de Grote.

Een zeer wijdverspreide traditie beweert dat Sint-Joris voor zijn dood God vroeg om de smeekbeden te horen van degenen die hem zouden aanroepen bij de herdenking van zijn martelaarschap.

.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

3425-3223

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 55)

.

Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

Rudolf Steiner spreekt in de hieronder genoemde voordracht over ‘geestelijke ontwikkeling’.
In de inleiding bij GA 34 geef ik een triviaal voorbeeld van hoe de ene mens meer van een bepaald onderwerp weet dan een ander.
Nu gaat het bij ‘ingewijd zijn’ niet om een bepaald ‘weten’ dat je door studie je zou kunnen eigen maken.
Je gaat ‘anders’ en ‘iets anders’ waarnemen.

Als Steiner bij verschillende gelegenheden eenzelfde onderwerp bespreekt, voegt hij meestal weer iets nieuws toe; hij belicht e.e.a. weer vanuit een andere hoek, enz.

In deze voordracht staat hij langer stil bij hoe het bewustzijn van de mensheid zich ontwikkelde en veranderde. 

GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het weten van het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het tegenwoordige leven

Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906 

Blut ist ein ganz besonderer Saft 

                                     Bloed is een heel bijzonder sap

Blz.37

Alle diejenigen Dinge, welche aus den Sagen und Mythen des Volkes uns überkommen sind und sich auf das Menschenleben beziehen, werden in unserer Zeit in bezug auf die ganze Anschauung und Auffassung des Menschen einer
besonderen Umwandlung unterliegen. Dasjenige Zeitalter liegt hinter uns, in dem man auf Sagen, Märchen und Mythen so geblickt hat, als ob in ihnen nur kindliche Volksphantasie sich ausspräche. Ja, selbst die Zeit liegt hinter uns,
in der man in einer kindlich gelehrtenhaften Weise davon gesprochen hat, daß in der Sage die dichtende Volksseele zum Ausdruck komme. Die dichtende Volksseele ist nichts anderes als ein Erzeugnis des grünen Gelehrtentisches, denn es gibt ebenso einen grünen Gelehrtentisch, wie es einen grünen Bürokratentisch gibt. Wer einen Blick hineingetan hat in die Volksseele, der weiß sehr gut, daß es sich im Volke nicht um Erdichtungen und dergleichen Dinge handelt, sondern um etwas viel Tieferes, das in seinen Sagen
und Märchen von wunderbaren Mächten und wunderbaren
Ereignissen zum Ausdruck kommt.
Wenn wir uns von dem neuen Standpunkte der Geistesforschung aus wieder in die Sagen und Mythen vertiefen,

Al die dingen die uit legendes en mythen van een volk tot ons zijn gekomen en betrekking hebben op het menselijk leven, zijn in onze tijd in relatie tot de hele  perceptie en opvatting van de mens onderhevig aan speciale transformatie.
Het tijdperk ligt achter ons, waarin zo naar legendes, sprookjes en mythen
werd gekeken alsof ze slechts de uiting waren van kinderlijke volksfantasieën. Ja, zelfs de tijd ligt achter ons, waarin men op een kinderlijk geleerde manier spreekt over dat in de sage de poëtische ziel van het volk tot uiting komt. De poëtische ziel van het volk is niets anders dan een product van de groene geleerdentafel; er bestaat een groene geleerdentafel, evenals een groene bureaucratische tafel. Iedereen die in de ziel van het volk heeft gekeken, weet heel goed dat het in een volk niet gaat om verdichtsels e.d., maar om iets veel diepers dat tot uitdrukking komt in de sagen en sprookjes over wonderbaarlijke krachten en wonderbaarlijke gebeurtenissen.
Als we ons vanuit het nieuwe standpunt van spiritueel onderzoek opnieuw verdiepen in de sagen en mythen,

Blz. 38

wenn wir jene großartigen und gewaltigen Bilder, die uns aus der Urzeit überkommen sind, auf uns wirken lassen, nachdem wir mit geisteswissenschaftlichen Forschungsmethoden ausgerüstet sind, so erscheinen uns diese Mythen und Sagen so, daß sie uns zum Ausdruck einer tiefsinnigen
Urweisheit werden.
Wahr ist es, daß der Mensch sich zunächst fragt, wie es komme, da wir es doch ursprünglich mit primitiven Volksstufen, primitiven Volksanschauungen zu tun haben, daß der naive Mensch sich die Welträtsel bildlich veranschaulichen konnte in diesen Sagen und Märchen und daß, wenn wir uns heute in diese Sagen und Märchen vertiefen, wir im Bilde dasjenige erblicken, was uns die Geistesforschung heute klar enthüllt. Zunächst muß das unsere Verwunderung erregen. Wer sich aber tiefer und tiefer einläßt in die Art und Weise, wie diese Märchen und Mythen zustande gekommen sind, dem schwindet jedes Erstaunen, jeder Zweifel und er wird nicht nur das, was man naive Anschauung nennt, in diesen Sagen und Märchen finden, sondern den weisheitsvollen Ausdruck einer uralten, wahren Weisheits-Anschauung der Welt erkennen.

wanneer we die grootse en krachtige beelden die zijn overgeërfd uit de prehistorie, op ons laten inwerken, nadat we zijn uitgerust met de onderzoeksmethoden van de geesteswetenschap, verschijnen deze mythen en sagen aan ons op zo’n manier dat ze voor ons de uitdrukking worden van een diepgaande oerwijsheid.
Het is waar dat de mens zich eerst afvraagt ​​hoe het komt, aangezien we toch te maken hebben met primitieve volkeren, de opvattingen van primitieve volkeren, dat de naïeve mens zich de raadsels van de wereld in deze sagen en sprookjes in beelden kon zien en dat wanneer wij ons vandaag verdiepen in deze sagen en sprookjes, wij in beelden zien wat het spiritueel onderzoek ons ​​vandaag de dag duidelijk onthult. Dit moet allereerst wel onze verbazing wekken. Maar als je je steeds dieper verdiept in de manier waarop deze sprookjes en mythen tot stand kwamen, verdwijnt alle verbazing, alle twijfel en je zal in deze sagen en sprookjes niet alleen vinden wat men een naïeve opvatting noemt, maar de wijze uitdrukking van een oude, ware wijsheidsopvatting over de wereld.
GA 55/38-39
Vertaald
Dit is een eigen vertaling.

Blz. 61

Vóór deze passage heeft Steiner uiteengezet hoe het bewustzijn van de vroegere mens veel meer helderziend was dan het onze en hoe dit ging veranderen.
We kennen de uitdrukking: ‘zo oud als Methusalem’, wiens leeftijd in de Bijbel op 969 jaar werd bepaald. Dit ongelooflijk aantal jaren zou hier een verklaring vinden (zonder met name te worden genoemd).

Weil der Mensch dieses Bewußtsein hatte, weil er nicht bloß in seiner persönlichen Welt lebte, sondern weil in seinem Innern das Bewußtsein seiner vorhergehenden Generation auflebte, deshalb bezeichnete er auch nicht bloß seine Person mit einem Namen, sondern eine ganze Generationenreihe. Der Sohn, der Enkel und so weiter bezeichneten das Gemeinsame, das durch sie alle hindurchging, mit einem Namen. Der Mensch empfand sich als ein Glied der ganzen Generationsreihe. Das war eine wirkliche und wahre Empfindung. Und wodurch wurde diese Bewußtseinsform in eine andere verwandelt? Sie wurde es durch ein Ereignis, das die geheimwissenschaftliche Geschichte gut kennt. Wenn Sie in der Geschichte zurückgehen, dann tritt für alle Völker des Erdkreises ein Moment auf, der Ihnen ganz genau bei jedem einzelnen Volke bezeichnet werden kann. Das ist der Moment, wo das Volk in einen neuen Kulturzustand eintritt, in dem es aufhört, alte Traditionen zu haben, wo es aufhört, Urweisheit zu besitzen, jene Weisheit, die durch das Blut der Generationen hindurchgerollt ist.

Omdat de mens dit bewustzijn had, omdat hij niet alleen in zijn persoonlijke wereld leefde, maar omdat het bewustzijn van zijn vorige generatie in hem leefde, gaf hij niet alleen zijn eigen persoon een naam, maar een hele reeks generaties. De zoon, de kleinzoon, enzovoort, gaven het gemeenschappelijke element dat in hen allen terugkwam een ​​naam. De mens voelde zich lid van de gehele generatieketen. Dat was een echt en waar gevoel. En hoe werd deze vorm van bewustzijn getransformeerd in een andere? Dit gebeurde door een gebeurtenis die bekend is in de verborgen wetenschap. Als je teruggaat in de geschiedenis, dan is er een moment dat voor alle volkeren ter wereld geldt en dat heel precies voor ieder afzonderlijk volk beschreven kan worden. Dit is het moment waarop de mensen een nieuwe culturele staat bereiken, waarop ze ophouden met het hebben van oude tradities, als ze niet langer de oeroude wijsheid bezitten, de wijsheid die door het bloed van de generaties stroomt.

Die Völker haben ein Bewußtsein davon, und dieses Bewußtsein finden wir ausgedrückt in den alten Sagen der Völker. Die Stämme blieben nämlich in früherer Zeit in sich abgeschlossen, die einzelnen Mitglieder der Familien heirateten untereinander. Das finden Sie ursprünglich bei allen Rassen und Völkern. Und ein wichtiger Moment für die Menschheit ist der, als dieses Prinzip durchbrochen wird, sich fremdes Blut mit fremdem Blute mischt, wo die Nah-Ehe in die Fern-Ehe übergeht. Die Nah-Ehe bewahrt das Blut der Generationen, sie läßt dasselbe Blut durch die einzelnen Glieder rinnen, das seit Generationen den Stamm, die Nation durchfloß. Die Fern-Ehe gießt neues Blut dem Menschen ein, und diese Durchbrechung des Stammesprinzipes, diese Mischung des Blutes, die bei allen Völkern sich findet und früher oder

De volkeren zijn zich hiervan bewust en we vinden dit besef terug in de oude sagen van de volkeren. Vroeger leefden de stammen afgesloten in zichzelf, de individuele familieleden trouwden met elkaar. Je vindt dit oorspronkelijk bij alle rassen en volkeren. En een belangrijk moment voor de mensheid is wanneer dit principe wordt doorbroken, wanneer vreemd bloed zich vermengt met vreemd bloed, wanneer een huwelijk in eigen kring verandert in een huwelijk buiten deze kring. Een huwelijk in eigen kring zorgt ervoor dat het bloed van de generaties behouden blijft. Het zorgt ervoor dat hetzelfde bloed door de individuele leden stroomt dat al generaties lang door de stam, door het volk stroomt. Het huwelijk buiten de kring brengt nieuw bloed in de mens, en dit doorbreken van het stamprincipe, deze vermenging van bloed, die in alle volkeren voorkomt en vroeger of later 

später auftritt, bedeutet die Geburt des äußeren Verstandes, die Geburt des Intellektes.
Das ist eben das Wichtige, daß in alten Zeiten eine Art dämmerhaften Hellsehens vorhanden war und daß Mythen und Sagen aus diesem hellseherischen Vermögen heraus entstanden sind, welches sich in dem verwandtschaftlichen Blute ausleben kann wie in dem vermischten Blute das gegenwärtige Bewußtsein. Mit dem Eintritt der Fern-Ehe fällt auch die Geburt des logischen Denkens, die Geburt des Intellektes zusammen. So überraschend das ist, so wahr ist es.

plaatsvindt, betekent de geboorte van het uiterlijke verstand, de geboorte van het intellect.
Belangrijk is dat er in de oudheid een soort vage helderziendheid bestond en dat uit dit helderziende vermogen mythen en sagen zijn ontstaan, die zich door het verwantschapsbloed kunnen manifesteren, net zoals het huidige bewustzijn zich door het gemengde bloed kan uiten. Het ontstaan ​​van huwelijken buiten de eigen kring valt ook samen met de geboorte van het logisch denken, de geboorte van het intellect. Hoe verrassend dit ook klinkt, het is waar.
GA 55/61-62
Vertaald
Dit is een eigen vertaling.

.
Rudolf Steiner over mythen e.d.: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3411-3209

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Uit LEO KLEINs aantekeningen

.

Tijdens een pauze waren de leerlingen van klas 2 op het grote wilde speelterrein stenen aan het zoeken. Ze sloegen ze open om er kristallen in te zien. Een jongen toonde mij zo’n steen.
‘Weet jij hoe de kristallen erin komen’, vroeg ik?
Ik bedacht en vertelde een verhaal. 
Daarna kwamen er nog drie leerlingen. ‘Kunt u hier ook een verhaal over vertellen?’
Ik deed dat en zo ontstonden deze verhalen. 
Daarna ging de bel en was de pauze voorbij.
.

hoe kristallen in de steen kwamen

.

Eens lag er een steen op het strand. 
Hij was oud en bracht zijn dagen door met zich te verbazen en ’s nachts verwonderde hij zich over de schepping en de sterren in het bijzonder.
Ten slotte vroeg hij een ster iets van zijn twinkelend licht.
De ster die de steen bewonderde omdat hij en zijn vrienden het de mens mogelijk maken op aarde te lopen en te staan, antwoordde: ‘Beste steen, omdat je steun het mogelijk maakt voor de mensen op aarde hun werk te doen, schenk ik je iets van mijn licht.’
Sinds die tijd heeft de steen kristallen diep in zijn binnenste.

Eens sprak een steen die naast een roos lag: ‘Roos, wat glanzen je bladeren als de zon erop schijnt. Wil je iets over je leven vertellen?’
De roos zei: ‘Toen Gabriël aan Maria de geboorte van haar zoon verkondigde, werd mij het voorrecht gegeven naast haar voeten te groeien.
Mijn houten stengel ging met plezier diep in de aarde. Zo kan ik de mensen laten zien de aarde lief te hebben. Mijn bloemen helpen de mensen zich te herinneren elkaar lief te hebben. Het licht op mijn bladeren toont de glorie van de engelen.
Ik ben dankbaar je te ontmoeten. Jij hebt jezelf opgeofferd om een deel van je lichaam te laten verweren tot grond, zodat planten en bomen en ook ik daarop kunnen leven. Mag ik je iets van mijn bladerenlicht geven?
De steen was diep bewogen en op hetzelfde ogenblik had hij van binnen kristallen.
Nu nog kunnen we ze vinden in talloze stenen.

Twee stenen lagen in de woestijn en verheugden zich in de zon, de hemel en de wind. 
‘Weet je’, zei een steen, ‘dat we een geheim in ons dragen? We kunnen vuur maken en de lucht kan ons helpen. De wind kan het laten groeien. We hebben alleen een mens nodig om ons tegen elkaar te slaan.’
Juist toen kwam er een oude reiziger langs. Hij wilde een vuur maken.
Hij nam de stenen en sloeg ze tegen elkaar. Enige vonken sprongen weg en spoedig dansten de vlammen in de rondte.
De stenen waren zo gelukkig dat het vuur zoveel licht gaf, dat ze er iets van namen.
Nu nog kunnen we diep van binnen de kristallen zien.

Eens was er een grote rots. Zijn hoofd was in de wolken en als hij de zon zag, was hij gelukkig. Maar soms als de wolken een deken om hem heen legden, was hij treurig.
Hij werd nog verdrietiger als hij besefte dat hij niemand iets kon geven.
Maar eens, toen er een aardbeving en een zonsverduistering hadden plaatsgevonden midden op de dag, vroeg een man hem of hij een groot gat voor een graf in hem mocht maken.
‘Te dienen door je lichaam te schenken, moet geweldig zijn,’ dacht de rots en hij gaf toestemming. 
Ze maakten een graf in hem en legden de man in hem die nieuw leven zou brengen. 
De stukken steen die weggehakt waren, kregen licht van binnen.
Nu nog kan je het vinden als kristallen.

.

Vrijeschool in beeld: Leo Klein  [1]  [2]

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3328-3132

.

.

.