Categorie archief: vertelstof

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1500 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – De beeldentaal van de sprookjes (1-3/3)

.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

ROODKAPJE

Het sprookje van Roodkapje heeft iets weg van het sprookje van de wolf en de zeven geitjes. Maar nu spelen de handelingen zich niet af in de instinctieve sfeer, maar we horen hier over de ziel zelf.

Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar het allermeest haar grootmoeder, en die had haar wel alles willen geven. Op een keer gaf zij haar een mutsje van rood fluweel en omdat het haar zo goed stond en zij niets anders meer op wilde zetten werd zij enkel Roodkapje genoemd.

Onervaren, naïef en onschuldig verschijnt de kinderlijke ziel waarvan iedereen houdt. Het rode kapje van grootmoeder is haar opvallende en belangrijke bezit. ‘Ich nehme das auf meine Kappe’, is een beeldrijke uitdrukking in het Duits. Niet bedoeld is de uiterlijke kap, net zo min als de uiterlijke hoed, wanneer we zeggen: ‘Da geht mir der Hut hoch’. [In het Nederlands kennen we ook wel dergelijke uitdrukkingen: ‘het gaat boven mijn pet’; ‘iets onder de pet houden’, gooi het maar in mijn pet’.]
Wat is echter de innerlijke kap? Ons eigen-denken is het, ons aan de hersenen gebonden denken. De hersenen zitten toch als een soort kap op het hoofd. En zoals deze ons bedenkt en naar boven afsluit, zo betekent ook ons hoofddenken een zekere afsluiting. Toch leeft daarin onze heel persoonlijke binnenwereld. Deze binnenwereld sluit ons aanvankelijk af van een geestelijke wereld boven ons. Denkend kunnen we weliswaar weer met deze wereld in contact komen, maar niet, wanneer we als Roodkapje na:ief en onervaren zijn. Want dan beleven we eigenlijk alleen maar onze subjectievie voorstellingen over de wereld.
Terwijl de vroegere mens door helderziende beelden tot kennis kwam – nog in de antieke oudheid schouwde de mens de wraakgeesten in de gestalte van de erinnynen of furie”s -, moet de hedendaagse mens de gevolgen van zijn daad denkend in zijn geweten verwerken, hij moet die ‘auf seine Kappe’ nemen.
Wanneer het sprookje erop wil wijzen dat het bloed van invloed is op dit hersendenken, spreekt het over de rode kap. Als een positief en negatief beeld komt de rode kap in verschillende Europse sprookjes voor. In het bloed leeft de hartstochtnatuur: ‘Ich sehe rot’, zegt menigeen in zijn opwinding; maar ook ons Ik is van het bloed afhankelijk. Gezond rood bloed maakt ons wakker, drukt de persoonlijkheid uit, die anders zwak en apathisch zou worden. De kwaliteit van het denken wordt zichtbaar in de kleur van de kap, het proces zelf echter wordt zowel in cultus als gewoonten en zeden zichtbaar. Witte kappen duiden erop dat het denken zich meer op het onstoffelijke, het bovenzintuiglijke richt (zie de hoofdbedenking in klooster, de mijters van bisschoppen, o.a.) De zwarte kap betekent het tegendeel: het denken is gericht op de aardse wereld. In een cultische handeling moet het hoofd van de priester onbedekt zijn, in zijn toepsraak of preek, waarbij de eigen gedachten tot uitdrukking komen, wordt een zwart hoofddeksel opgezet. Ook een rechter zet bij het uitspreken van de veroordeling bijv. zijn zwarte ambtsbaret op, want hij moet de uit eigen inzicht gewonnen veroordeling ‘auf seine Kappe nehmen’, op de ambts’kappe’ [verantwoorden]
Overal waar de hoed afgenomen wordt voor achtbare personen, stamt dit uit dezelfde opvatting: voor jou geldt mijn eigendenken niet, mijn wezen staat voor jouw wezen open. Dat wil dit gebruik zeggen.
Grootmoeder heeft het kind het rode kap geschonken: uit het oude voorvoelende weten – [ahnenden Wissen] vergelijk Ahnung [voorgevoel] en Ahne [voorouder] -heeft zich dit ik-achtige [ichhafte], persoonlijke hoofddenken voorbereid. Zij zelf heeft het niet. Zij is ‘ziek en zwak’. Een nieuw ontstane en een naar het einde gaande ontwikkeling staan tegenover elkaar. De ziel die met ik-kracht denkt is in verschijning getrreden en iedereen is blij met deze ontwikkeling.

Op een dag zei naar moeder tegen haar: ‘Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar je grootmoeder, zij is ziek en zwak en dit zal haar goed doen. Ga nu maar voor het te warm wordt en als je buiten komt, loop dan netjes en rustig en dwaal niet van het pad af, anders val je en breek je de fles en dan heeft grootmoeder niets. En als je haar kamer binnen komt, vergeet dan niet goedemorgen te zeggen en snuffel niet eerst overal rond.’ ‘Ik zal goed oppassen,’ zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar de hand op.

Oude voorouderwijsheid heeft liefdevolle aandacht nodig en aan de herinneringen moet zorg worden besteed. Brood en wijn zijn heilige gaven. De moederlijke ziel geeft ze, de kinderlijke moet ze wegbrengen. Hoe kinderlijk schetst het sprookje voor ons met een paar woorden. Gaat niet ieder Roodkapje van het pad af en volgt zijn eigen hoofd? En beleefdheid jegens anderen moet voortdurend worden geoefend, omdat we anders te veel met ons zelf bezig zijn. Nieuwsgierigheid is evenwel rijkelijk aanwezig, want je moet toch de wereld tot in alle uithoeken leren kennen.
Hier wordt ons de ziel die nog onervaren is in het denken getoond, de naïeve ziel wat het denken betreft. Zo was het in de mensheid toen het intellectuele denken begon, zo gaat het met ieder mens wanneer die voor het eerst naar school gaat. Dit tijdstip houdt een crisis in.

Grootmoeder woonde echter buiten in het bos een half uur van het dorp. Toen Roodkapje nu in het bos kwam ontmoette zij de wolf. Roodkapje wist echter niet wat voor een boos dier het was en was niet bang voor hem. ‘Goedemorgen, Roodkapje,’ sprak hij. ‘Dag Wolf.’ – ‘Waarheen ben je zo vroeg op pad, Roodkapje?’ – ‘Naar grootmoeder.’ – ‘Wat draag je daar onder je schortje?’ – ‘Koek en wijn, wij hebben gisteren gebakken en nu zal grootmoeder die ziek en zwak is zich tegoed kunnen doen en weer aansterken.’ – ‘Roodkapje, waar woont je grootmoeder?’ – ‘Nog ruim een kwartiertje lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis, en beneden staan de notehagen, dat weet je vast wel,’ zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: dat jonge tere ding dat is een mals hapje, dat smaakt nog lekkerder dan die oude vrouw; je moet het slim aanleggen zodat je ze allebei vangt.

In ‘Doornroosje’ hebben we de macht van het boze leren kennen, die onze voorouders Loki noemden, de Bijbel Lucifer, hier staat een macht voor ons die in de Bijbel Satan wordt genoemd. Tegenwoordig wordt er tussen deze twee niet veel verschil gemaakt, ze worden simpelweg duivel genoemd. Maar de sprookjes maken een heel precies onderscheid in spirituele verhoudingen. Het is de bekende, maar niet doorgronde macht van list en bedrog die de waarheid voor de mens verduistert en hem de wereld van de zintuigen voorschotelt als de enige echte en hem uitlevert aan het eenzijdige materialisme. Bedoeld is het ‘onschuldige’ dier wolf. Onze voorouders noemden hem de Fenriswolf, bij de Perzen had deze macht de naam Ahriman.
De Germaanse mythe zegt dat hij de godenschemering dichterbij zal brengen. Wanneer echter een goddelijke wereld verduistert en niet meer gezien kan worden, is elke individuele ziel overgeleverd aan de duisternis. Roodkapje toont ons de innerlijke crisis door de invloed van de wolf. het grote gevaar wat het boze betreft, is de naïviteit die het niet herkent. Roodkapje wist niet wat voor kwaadaardig dier het was. Nee, ze verklapt hem zelfs de weg naar grootmoeder, laat daarmee zien waar de eerbiedwaardige oertoestand zich bevindt. Voor de Germanen heersten in Midden-Europa de Kelten. Zij hadden een hoog ontwikkelde priesterstand, de Druïden. (In het Grieks betekent drys de eik…) Voor het huis van een Druïde stonden als een teken van waarheid drie eiken. Zij waren de grote strijders tegen de ook in Noorden oprukkende verduistering van spirituele overleveringen van een nog kosmisch weten. Zij kenden de wolf. De hazelnootstruik gold in de Keltische beeldspraak als een soort levensboom. Daar waar de Druïdenoverlevering nog heerst, onder de drie grote eikenbomen, daar bevindt zich ook het centrum van de levenskracht (notenhaag). Dat zul je wel weten, zegt Roodkapje; spreekt de grootste naïviteit.

Daarop liep hij een eindje met Roodkapje mee en zei toen: ‘Roodkapje, zie je al die mooie bloemen niet die overal in het rond staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe liefelijk de vogeltjes zingen. Je loopt maar door alsof je naar school gaat en dat terwijl het hier buiten in het bos zo verrukkelijk is.’
Roodkapje keek op en toen zij de zonnestralen door de bomen zag dansen en zag hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht zij: Als ik voor grootmoeder een vers geplukt boeketje meebreng zal zij dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg op de dag dat ik toch wel op tijd kom. Daarmee liep zij van het pad af het bos in en ging bloemen zoeken. En toen zij er één geplukt had, dacht zij dat er verderop een nog mooiere stond en liep daarheen en raakte steeds dieper het bos in.

Roodkapje keek op: toen vielen haar de schellen van de ogen, zoals in de Bijbel na de verleiding door de slang. De blik wordt afgeleid van de eigen diepe zielenwereld en op de buitenwereld gericht. De ziel haast zich van indruk tot indrik, van de ene vruegde van de zintuigen naar de volgende; als bloemen in een boeket worden ze verzameld.

Maar de wolf liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. ‘Wie is daar?’ – ‘Roodkapje, ik breng koek en wijn doe de deur maar open.’ – ‘Druk maar op de klink, ik ben te zwak en kan niet opstaan,’ riep grootmoeder. De wolf drukte op de klink, de deur ging open en hij liep, zonder een woord te zeggen, recht op grootmoeders bed af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar muts op, ging in het bed liggen en trok de gordijnen dicht. Roodkapje echter had rondgelopen en bloemen geplukt en toen zij er zoveel bij elkaar had dat zij er niet meer kon dragen, herinnerde zij zich haar grootmoeder weer en ging op weg naar haar toe. Zij was verbaasd dat de deur openstond en toen zij de kamer instapte was het haar zo vreemd te moede dat zij dacht: Lieve hemel, wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik anders toch zo graag bij grootmoeder ben. Zij riep: ‘Goedemorgen,’ maar kreeg geen antwoord. Toen liep zij naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met de muts over het gezicht getrokken en zij zag er erg vreemd uit. ‘O, grootmoeder,’ zei zij, ‘wat heb je grote oren.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen horen.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen zien.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je grote handen.’ – ‘Dat is om je beter te kunnen pakken.’ – ‘Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote mond.’ – ‘Dat is om je beter op te eten.’ En nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was met een sprong het bed uit en verslond het arme Roodkapje.

Terwijl de ziel alleen nog maar gericht is op de zintuigewereld – dat zou goed zijn, wanneer het niet op aanraden van de wolf gebeurd zou zijn – valt de voorouderwijsheid (grootmoeder) ten prooi aan het lot van de verduistering. Zoals waardige zeden en oude gebruiken als eerste verdwenen en eeuwenlange overleveringen door de mensheid geminacht werden, toen het moderne denken tot ontplooiing kwam, zo gaat ook individeel voorouderlijk gevoel, oerweten dat lang gold, verloren. De mens zelf levert het uit zonder het te beseffen aan die macht die het leven belemmert en vernietigt, die onze voorouders wolf noemden. Hij sluipt hier welisiwaar niet in schaapskleren rond, maar in de kleren van grootmoeder, d.w.z. hij trekt op die manier de mantel aan van het overgeleverde weten, de onervarenheid denkt hier oude, wijze taal horen, maar die is tot leugen verworden. Geen menselijke ziel kijkt naar de ander, maar dierlijke begeerte. Egoïsme en begeerte grijpen naar haar en verslinden haar en zo valt de ziel aan de verduistering ten prooi.

Toen de wolf zat was ging hij weer in het bed liggen, viel in slaap en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jagersman voorbij die bij zichzelf dacht: Wat is die oude vrouw aan het snurken. Ik zal eens even kijken of haar iets mankeert. Hij ging de kamer binnen en toen hij bij het bed kwam zag hij dat de wolf erin lag. ‘Moet ik je hier vinden, ouwe boosdoener,’ zei hij, ‘ik heb lang naar je gezocht.’ Hij wilde net zijn geweer aanleggen toen hij ineens bedacht dat de wolf de grootmoeder wel eens opgeslokt zou kunnen hebben en dat zij misschien nog gered kon worden en dus schoot hij niet maar nam een schaar en begon de buik van de slapende wolf open te knippen. Hij had nog maar een klein eindje geknipt toen hij het rode kapje zag glanzen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: ‘Ach, wat ben ik geschrokken, wat was het donker in de buik van de wolf.’ En toen kwam de oude grootmoeder er ook nog levend en wel uit, al snakte zij naar adem. Roodkapje haalde echter vlug grote stenen en daarmee vulden zij de buik van de wolf en toen hij wakker werd wilde hij weglopen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen in elkaar zakte en dood ter aarde viel.

In de Germaanse mythen stopt Widar, de zwijgende onder de Asen die lang had gewacht – want de wolf nam zijn eigen tijd – zijn schoen in de bek van de Fenriswolf en overwint hem in de strijd. Als daar op een grote geestesstrijd van de mensheid wordt gewezen, dan verhaalt het sprookje over wat er persoonlijk in de ziel geneurt. Het is, zoals Wilhel, Grimm zegt, een stukje van de gebarsten edensteenmythe. De helpende jaren verschijnt, hij verbeeldt een kracht die doelgericht wilde driften ‘op de korrel neemt’ en ze vernietigt. Maar hier moet de schaar worden gebruikt. De schaar die uit twee messen bestaat, is een teken voor de dubbel geslepen oordeelskracht. Deze kracht alleen is in staat de ziel weer te bevrijden. ‘Ach, wat was het donker in de buik van de wolf’: hoe duister was de tijd omdat de wolf niet werd herkend. Aan zijn eigen dodelijk materialisme (de stenen) moet hij ten gronde gaan.

Toen waren zij alle drie blij. De jager stroopte het vel van de wolf af en ging ermee naar huis, de grootmoeder at de koek op en dronk de wijn die Roodkapje had meegebracht en knapte weer op, maar Roodkapje dacht bij zichzelf: Zolang ik leef, zal ik nooit meer in mijn eentje van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder mij dat verboden heeft.

.

Friedel Lenz ‘Bildsprache der Märchen

 

Sprookjes: alle artikelen

.
VRIJESCHOOL in beeld: 1e klassprookjesillustraties

.

26 Grimm Roodkapje 2

 

 

 

 

 

VRIJE SCHOOL – Biografieën – Chagall (4)

.

Eenmaal terug in Parijs heeft Chagall veel succes. Zijn schilderijen worden opgenomen in de collecties van de beroemdste kunstverzamelaars. Gedurende de dertig jaren valt een schaduw over het leven van de familie Chagall. Het gedreun van de laarzen van Hitlers legers klinkt in Europa en ze zijn genoodzaakt via Spanje naar Amerika te vluchten…

De moeilijkheden die hij ondervindt, doen Chagall besluiten terug te keren naar Parijs. Als hij er aankomt, in 1922, vindt hij zijn atelier in de „Ruche” geplunderd. Deze bittere teleurstelling wordt echter goedgemaakt door ’t feit dat bij een kleine groep vrienden, critici en kunsthandelaren zijn werk waardering heeft gevonden. Met een gerust hart kan hij dan ook zijn vrouw Bella en zijn dochter Ida uit Moskou naar Parijs laten overkomen.

De gestolen doeken die door zijn minder scrupuleuze kunstbroeders zijn verkocht, worden teruggevonden in de beroemdste collecties. De bekende criticus Gustave Coquiot, die zich bijzonder interesseerde voor het werk van moderne schilders, had één kamer van zijn huis volgehangen met Chagalls. Vollard, een handelaar die rijk was geworden aan het werk van Cézanne, Van Gogh en Renoir, en het maar moeilijk kon verkroppen dat Modigliani en Utrillo zijn neus voorbij waren gegaan, had deze schilderijen gezien en wilde onmiddellijk met de schilder kennis maken. Chagall was altijd bang geweest voor Vollard. Als hij voor het begin van de Eerste Wereldoorlog langs de beroemde kunsthandel in de Rue Laffitte liep, die volhing met het werk van Cézanne en van Van Gogh, durfde hij er niet naar binnen te gaan. Voor de sombere man, die in het midden van zijn winkel in een stoel zat te dommelen of strak voor zich uitstaarde, ging hij op de vlucht. Hij wist niet, dat Vollard, die een vriendelijk man was, aan een soort slaapziekte leed, waardoor hij overdag vooral na de maaltijden urenlang half verdoofd was. Van hun eerste ontmoeting af had Vollard het erover gehad dat hij Chagall de illustraties wilde laten maken voor de luxe uitgave van een klassiek werk; hij had zich namelijk voorgenomen een uitgeverij te beginnen. Ze kozen „Dode Zielen” van Gogol. Hierna zou de schilder „De Fabels van La Fontaine” en de bijbel illustreren. Behalve „Dode Zielen” werd geen van deze werken tijdens het leven van Vollard uitgegeven. De kopergravures die Chagall voor hem had gemaakt werden pas na zijn dood, dik onder het stof, in de kelder van zijn huis teruggevonden.

„Vollard,” vertelt Chagall, „was bezeten door een, wat sadistische, verzamelwoede. Hij kon er niet tegen als je niet voor hém werkte, maar als je eenmaal voor hem werkte, borg hij alles wat je gemaakt had zorgvuldig op in z’n kelder. De koperplaten die ik stuk voor stuk bij hem bracht, bekéék hij zelfs niet, maar hij stopte ze onmiddellijk achter slot en grendel.

Hij sprak nooit over prijzen met me, maar betaalde gewoon wat ik vroeg. Hij heeft me 500 franks voor elk van de 96 gravures der „Dode Zielen” betaald. Later, voor de Fabels, betaalde hij zonder meer 10.000 franks per stuk. Inmiddels wist ik de prijs die men voor een dergelijk stuk betaalde.”

De vrienden van Chagall

Net zoals de „Ruche” bij Chagalls terugkomst onherkenbaar gebleken was, zo was Montparnasse volkomen veranderd. Het quartier was bezig een metamorfose te ondergaan. De kleine kruidenierszaken en groentewinkeltjes die er voor 1914 nog floreerden waren verdwenen, de intieme buurtkroegjes vervangen door grote, elektrisch verlichte cafés, behangen met spiegels en klatergoud; de eerste nachtclubs openden hun roodpluche gordijnen. Een bontgekleurde menigte, meer ontkleed dan gekleed, slenterde dag en nacht over de tot voor kort zo rustige Boulevard du Montparnasse. Bij de Dôme en de Rotonde wemelde het van de onbekende gezichten, voor het merendeel vluchtelingen uit Rusland en Midden-Europa, die tot diep in de nacht zaten te praten in een verstikkende atmosfeer van alcohol en tabakswalm.

Er heerste een grote geestelijke verwarring. Het kubisme was op een dood punt gekomen; Picasso, de geestelijke vader van het kubisme, had zijn eigen geesteskind de doodsteek toegebracht door met zijn portretten van struise vrouwen, „De Matrones”, terug te keren naar de traditionele figuratieve kunst. Het dadaïsme bezweek onder het gewicht van zijn eigen kolderieke uitingen. En te midden van kreten van afkeer en verheerlijking werd het surrealisme geboren.

Apollinaire en Modigliani waren dood en Chagall kon de vrienden die hem nog restten op de vingers van één hand tellen: Zadkine, Lipchitz, Delaunay en Pougny, die net als hij van de andere kant van het ijzeren gordijn kwam, Supervielle, Paulhan en bovenal de trouwe Cendrars die in de oorlog een arm verloren had. De schrijver en politicus Barrès, sterk onder de indruk van Cendrars heldhaftig gedrag, schonk hem een kunstarm. Maar de dichter geneerde zich voor deze prothese en wist zich ervan te ontdoen, door hem achter te later aan het buffet van het station Saint Lazare.

Chagall, die door de opdrachten van Vollard met één klap uit de zorgen was, ging hard aan het werk. Nu hij het zich financieel kon veroorloven, besloot hij een reis door Frankrijk te gaan maken. Hij hoopte op het hem onbekende Franse platteland nieuwe indrukken op te doen.

Op zijn eerste ontdekkingstocht belandde hij in Bretagne. Daar schilderde hij een van zijn belangrijkste werken: „Fenêtre à l’ile de Bréhat”.

Het daaropvolgende jaar bracht hij een bezoek aan Maillol in Banyuls. Het waren gelukkige en vruchtbare jaren, vol van nieuwe indrukken en ervaringen. Omdat hij de techniek van de schilderkunst nu volkomen beheerste, kon hij in zijn werk tot een ongebonden vrijheid van expressie komen. Van de invloed die het kubisme op hem had gehad, was geen spoor meer te bekennen. Gestimuleerd door zijn grote liefde voor Bella werden zijn schilderijen elke dag blijmoediger en kleurrijker.

Jonge gelieven, waarin men duidelijk de trekken van Bella en Chagall kan herkennen, omarmen elkander, zwevend door de lucht rond een met bloemen versierde Eiffeltoren. Al zijn werk uit die tijd getuigt van een grote tederheid en intense levensvreugde: Chagall had zichzelf eindelijk gevonden.

De vlucht naar Amerika
Gedurende de jaren dertig viel er een schaduw over de uitbundige creatieve sfeer die deze periode aanvankelijk kenmerkte: het gedreun van de laarzen van Hitlers leger werd steeds luider en Chagall begreep dat er dramatische ontwikkelingen op komst waren. In Duitsland werden zijn doeken als „Bolschewismus-kultur” bestempeld. Zij werden uit de musea verwijderd en vernietigd. Door de Spaanse burgeroorlog had zijn werk een dramatisch karakter gekregen, een sfeer die tot 1947 in zijn schilderijen terug te vinden zou zijn.

Picasso, met wie hij gedurende deze periode veel contact had, was op dezelfde manier bewogen door de verschrikkingen van de oorlog.

De twee mannen die elkaar sinds 1923 niet meer hadden ontmoet, konden voor het eerst van hun leven met elkaar opschieten. Terwijl de Spanjaard met zijn „Guernica”, een Baskisch dorp dat door Duitse bommen verwoest werd, schilderde, uit Chagall zijn beklemmende angst in „De Val van de Engel”. De zo gevreesde wereldoorlog kwam onvermijdelijk. In juni 1939 vluchtten Chagall, Bella, Ida en haar man naar Blois. Chagall zag er het nut niet van in om ver weg te gaan. Hoe vaak had hij al niet moeten vluchten, honger geleden en terreur meegemaakt. Hij was het zo beu, dat hij het aanbod van de Amerikaanse ambassade om, zoals men ook voorstelde aan Matisse, Roualt en Dufy, naar de Verenigde Staten te emigreren afsloeg. Maar het zogenaamde vrije Frankrijk raakte steeds vaster bekneld in de ijzeren vuist van nazi-Duitsland en gedurende een bezoek aan Marseille werd hij tijdens een razzia opgepakt. Men zocht buitenlandse joden. Gelukkig wist de Amerikaanse consul hem na enkele uren te bevrijden. Chagall was er echter eindelijk van overtuigd dat hij met zijn familie in groot gevaar verkeerde en hij besloot het aanbod van de Amerikanen te accepteren, op voorwaarde dat hij met zijn hele gezin en al zijn schilderijen kon vertrekken. Dank zij de tussenkomst van Louis Haute-coeur, staatssecretaris van beeldende kunsten van de Vichy-regering, wist hij met zijn gezin naar Spanje te ontkomen. In kisten gepakt verlieten 500 schilderijen het Frankrijk dat Chagall zoveel jaren gastvrijheid verschaft had, en toen de Duitsers er uiteindelijk achter kwamen dat de schilder vertrokken was, visten zij achter het net; Chagall zat inmiddels, op weg naar Amerika, in Madrid!

De Duitse ambassade verzocht onmiddellijk de Spaanse autoriteiten de schilderijen in beslag te nemen. De arbeid van twintig jaar intensief werken stond op het spel! Chagall en Bella reisden door naar Portugal, terwijl Ida in Spanje achterbleef om het gevecht tegen de ambtenaren van het Franco-regime voort te zetten. Hardnekkig volhoudend, wist zij het oeuvre van haar vader eindelijk uit handen van de autoriteiten te krijgen en in triomf kwam zij, twee uur voor het vertrek van de boot naar Amerika, in Lissabon aan. Na dit hachelijke avontuur voltrok zich de reis zonder incidenten. Toen de vluchtelingen in New York aankwamen, vermeldden de kranten met vette koppen de invasie in Rusland; het was 21 juni 1941!

De dood van Bella

Ondanks de warme ontvangst in New York — met exposities in musea, diverse beroemde kunstgalerijen en vele opdrachten — hield Chagall niet van Amerika. Hij voelde zich een volledige vreemde. De onbekendheid met de Engelse taal maakte hem een buitenstaander en het was hem onmogelijk van gedachten te wisselen met de andere kunstenaars.

In zijn appartementen aan de Riverside-Drive, aan de oevers van de Hudson, waar de wind zo sterk doorheen blies dat zijn gasten bijna wegwaaiden, ontving hij slechts enkele vrienden: Pierre Matisse, zoon van de grote „fauve” schilder, die een kunsthandel had in New York, Fernand Leger, zijn oude kameraad uit „La Ruche”, de schilder Ozenfant…

Het contact met het Russische Ballet maakte zijn ballingschap draaglijker. Massine, die balletmeester was geworden, vroeg hem de kostuums en de decors voor „Aleko” te ontwerpen, een ballet naar een vertelling van Poesjkin. De tijd van koortsachtig werken met vele adempauzes vol plezier uit de jaren voor 1914 keerde terug.

De première van het ballet van Massine vindt plaats in 1942 in het Paleis van Schone Kunsten te Mexico City. In de sfeer van een fiësta schildert Chagall zijn decors, geholpen door Mexicaanse kunstenaars, terwijl Bella een atelier opent waar de kostuums en de accessoires worden gemaakt. Ze blijven twee jaar in Mexico.

Weer terug in de Verenigde Staten blijkt dat Bella het slachtoffer van een dodelijke infectieziekte is. Chagall brengt haar naar een ziekenhuis, maar ze worden teruggestuurd omdat het te laat in de avond is om nog opgenomen te worden. De volgende dag sterft Bella. Haar laatste woorden waren: „Laten we snel naar huis gaan, pak de koffers in…” Men had haar net verteld dat Parijs op het punt stond bevrijd te worden.

En zo keerde Chagall eenzaam en gebroken in 1948 terug naar Frankrijk, samen met een getrouwd Engels meisje, Virginia Haggard MacNeil. Chagall werd verliefd op haar. Maar na zeven jaar verliet ze hem plotseling. Gelukkig ontmoette Chagall niet lang na deze pijnlijke emotie in Londen Valentina Brodsky. „Vava”, zoals hij haar noemde, werd Chagalls tweede vrouw. Hij noemt haar intelligent en krachtig. „Ze is mijn procureur-generaal,” zegt Chagall, „want ze heeft orde op zaken gesteld in mijn leven. Als we het samen oneens zijn, roep ik: „Echtscheiding”.” Chagall lacht als Vava antwoordt: „O, wij scheiden vele malen per dag”… Chagall is gelukkig met het werk dat in Frankrijk op hem wacht.

In het pottenbakkersatelier Madoura te Vallauris vindt de wedergeboorte plaats van dit kleine provinciale stadje. Op de lange houten tafels staan honderden borden, schalen, vazen en potten van klei om beschilderd en gevernist te worden. Chagall en Picasso werken,- ieder op hun eigen manier; Picasso die de hele tafel langsloopt houdt zich voortdurend met alle vormen en kleuren tegelijk bezig. Met zijn penseel geeft hij snel een lik hier en een streek daar. Chagall werkt stil en ingespannen aan een hoek van de tafel, hij concentreert zich op één bord, meer dan Picasso worstelend met de techniek van het pottenbakken.

Nerveus en geprikkeld, als hij niet het gewenste resultaat bereikt, staat hij op om een wandeling te maken. Als hij gekalmeerd terugkomt, vindt hij op het bord waar hij zo’n moeite mee had een prachtige haan geschilderd in zijn eigen stijl. Tijdens zijn afwezigheid heeft Picasso voor de grap met enkele snelle penseelstreken een haan a la Chagall geschilderd. „Dit moet werk van de duivel zijn!” roept Chagall uit.

Reeds gedurende enkele jaren wonen de beide kunstenaars naast elkaar aan de Cöte d’Azur. Zij hebben Renoir en Matisse opgevolgd als de „artistieke attracties” van de Midi. Ondanks het feit dat het niet altijd evengoed botert tussen de twee, kunnen ze moeilijk voor lange tijd van elkaar scheiden.

Eindelijk thuis

Chagall, nerveus en gevoelig, begint vaker naar Vence te trekken, waar hij de rust en stilte vindt na een veelbewogen leven. Hij laat een huis bouwen in Saint-Paul-de-Vence en richt daar zijn atelier in.
Tijdens de bouw van het huis zegt Chagall: „Op mijn leeftijd is het absoluut krankzinnig om een nieuw huis te laten bouwen.”
Inmiddels is Marc Chagall 79 jaar oud en woont hij al ruim een jaar in het nieuwe huis, samen met Vava, drie koks, een chauffeur en een dienstmeisje. Hij werkt te midden van tientallen paletten, kunstboeken, schilderijen, een samovar, en grammofoonplaten van Bach, Mozart, Stravinsky en Ravel.
Chagalls dochter Ida is nu getrouwd met de directeur van het Bazel museum, Franz Meyer. Ida zegt over haar vader: „Soms denk ik dat het enige dat ik van mijn vader leerde een verschrikkelijk schuldgevoel is als ik niets doe. Toen ik kind was had ik altijd een kalender boven m’n bed.” Nog steeds schildert Chagall met de kracht van zijn jeugd. Hij heeft ramen ontworpen voor de kathedraal van Metz, hij heeft het plafond van de grote Opéra van Parijs gedecoreerd, hij ontwierp 75 kostuums en 13 decors voor de Metropolitan Opera in New York, hij ontving een ridderorde van het Légion d’Honneur en is al driemaal doctor in de schone kunsten. Chagall heeft zich laten naturaliseren en hij voelt zich nu Fransman in hart en nieren. Hij zegt: „Als ik mijn leven overzie, vervult het mij met verwondering dat een arme jongen uit Vitebsk het zo ver in de wereld heeft geschopt. Ik kan me nauwelijks meer voorstellen dat ik zover van hier ben geboren!”

.

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Chagall (3)

.

Het geluk is niet met Chagall. Er is oorlog uitgebroken. De Russische revolutie is in volle gang. Er heerst een ijzige kou in het vervallen huis van de familie Chagall. Toch is Chagall ondanks de vele ontstellende tegenslagen, actiever dan ooit. Hij werkt onder andere aan de Academie voor beeldende kunst in Vitebsk en maakt decors en kostuums voor het nieuwe joodse theater in Moskou. De toestand in Rusland wordt langzamerhand ondraaglijk voor hem.

1917: honger, angst, koude, dood …
Chagall was gemobiliseerd en werkte reeds twee jaar achter een bureau in een Sint-Petersburgse kazerne waar hij, onder toezicht van een pietluttige kapitein, staatjes invulde.
Onder zijn raam hoorde hij het gevloek en geschreeuw van de muitende soldaten van het terugtrekkende leger. Hij ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was en was zo ontsteld van wat hij zag, dat hij nimmer meer een voet in de zojuist verlaten kazerne zette.

Omdat Chagall nu niets meer te doen had, bezocht hij vele bijeenkomsten van kunstenaars en op een dergelijke vergadering, in het theater Michailowsky, werd zijn naam genoemd. Een van de leden van de nieuwe regering stelde voor hem te benoemen als volkscommissaris van Beeldende Kunsten. Deze eer deed Chagall de angst om het hart slaan; en hij wilde dan ook alleen maar benoemd worden als directeur van de academie in zijn geboorteplaats. Daar zou hij tenminste te midden van familie en kennissen zijn en misschien kon hij zich in Vitebsk nuttig maken.

Zo begon een van de vreemdste experimenten van de Russische revolutie. Terwijl in het land verwoed werd gevochten, begon Chagall heel rustig zijn klein provinciestadje in een nieuw Florence te veranderen.

Bij zijn thuiskomst had hij alle leraren, alle artiesten, en zelfs de huisschilders bijeengeroepen en hun gevraagd hem te helpen bij het oprichten van een museum en een Academie van Beeldende Kunsten.

Iedereen zette zich vol enthousiasme aan het werk. Ook belangrijke artiesten, afkomstig uit Moskou en Sint-Petersburg, kwamen bij hem werken. Onder hen bevonden zich Malevitch, die als eerste een theorie ontwikkelde over abstracte kunst, Pewsner en zijn broer Gabo, die op het ogenblik beschouwd worden als de belangrijkste abstracte beeldhouwers, en Tatlin, Rodzenko, Lissintzky en Pougny. Chagall moest in zijn veranderde positie als sovjetfunctionaris — in militaire blouse en met aktetas — deelnemen aan de Comités van de Revolutie om het geld te bemachtigen, waarvan hij zijn academie kon opbouwen. Men beschouwde hem als een ongevaarlijke gek, maar de bescherming van Lunatcharski, volkscommissaris van Openbaar onderwijs, nam alle hindernissen uit de weg. Chagall had deze zware man met het sikje en het wonderlijke faungezicht in Parijs leren kennen, waar hij in ballingschap samen met Lenin en Trotski de revolutie voorbereidde. Lunatcharski werkte voor revolutionaire bladen en was Chagall komen opzoeken in de „Ruche” om een artikel te schrijven over zijn werk. De ontmoeting was heel hartelijk geweest, maar de twee mannen hadden elkaar niet begrepen. Chagall zei hem: „Vraag me vooral niet waarom je een kalf in de buik van een koe kunt zien en zo…” Geamuseerd glimlachend had Lunatcharski zijn aantekeningen gemaakt.

Toen hij deel ging uitmaken van de regering herinnerde hij zich de hem sympathieke schilder. De revolutie had zich in die tijd onder andere ten doel gesteld de avant-gardeschilders naar voren te brengen en Lunatcharski, die dit als een van zijn functies zag, had zich daarom voorgenomen om van Vitebsk een groot artiestencentrum te maken. Door deze geweldige steun — Lunatcharski behoorde tot het presidium van de Opperste Sovjet en was zeer goed bevriend met Lenin en Trotski — kon Chagall het hoofd bieden aan zijn collega’s van de Plaatselijke Sovjet, en hen zelfs als kinderen behandelen. „Het amuseerde mij geweldig om een politieke commissaris, een puber van 19 jaar, of iemand van publieke werken, flink op z’n schouder of z’n achterste te slaan. Hoewel het forse jongens waren, vooral de eerste, gaven ze zich snel gewonnen.”

Zijn invloed werd zo groot dat niemand durfde te protesteren, tot… de dag waarop de feesten ter gelegenheid van de Oktoberrevolutie werden gehouden. In plaats van, zoals dat gebruikelijk was, grote portretten van Marx te laten maken, liet hij zijn leerlingen reproducties vervaardigen van enkele van zijn eigen werken. De officiële afvaardiging uit Moskou was buitengewoon verrast toen zij zagen dat de delegaties die ter ontvangst klaarstonden, spandoeken droegen waarop groene koeien, ezels en gevleugelde paarden stonden afgebeeld. „Wat heeft dit met Marx en Lenin te maken?” vroeg men Chagall.

„Niets,” antwoordde deze opgewekt.

Vitebsk had een levend kunstcentrum in Rusland kunnen worden als de kunstenaars van de academie niet door hun eerzucht en hun jaloezie, het hadden doen mislukken.

Van de afwezigheid van Chagall, die regelmatig naar Moskou moest om materiaal te halen, maakte een groepje van hen gebruik om de leerlingen een motie te laten ondertekenen, waarin werd geëist dat de directeur binnen vierentwintig uur de academie zou verlaten.

Hongersnood in Moskou

Geschokt door dit verschrikkelijke verraad, verliet Chagall met zijn vrouw Bella en zijn enkele dagen oude dochtertje Ida, Vitebsk. Later hoorde hij dat de leraren niet in staat waren om tot overeenstemming te komen en hadden besloten uiteen te gaan na de schilderijen uit het nieuwe museum en het meubilair van de academie onderling te hebben verdeeld.

In Moskou, waar zij de overblijfselen van een huis hadden betrokken, bestonden de dagen voor Chagall en zijn vrouw uit kou en honger en zelfs, ondanks de bescherming van kameraad Lunatcharski, uit angst.
Als hij ’s ochtends wakker werd, boog de schilder zich over de wieg van zijn dochtertje om de sneeuw die zich er ’s nachts in had opgehoopt te verwijderen. Het werd een afmattende strijd om het bestaan Chagall verloor hele dagen om een paar blokjes vochtig hout, een klein stukje paardevlees te bemachtigen. Hij schrijft in zijn autobiografie: „Het geldvraagstuk bestond niet. Men had het eenvoudig niet nodig, want er was niets om te kopen.” De verdeling van levensmiddelen was van een tragische waanzin. Eens wees men hem een halve koe en een zak meel toe… een buitenkansje dat nimmermeer werd herhaald en waarna hij opnieuw gedwongen was zijn hopeloze speurtocht naar een klein beetje melk en boter voor de kleine Ida, voort te zetten. Als er geen melk was, gaf men het kind wat gezoet water, en wanneer er geen suiker meer was: water.

Bella werd aangehouden op een markt waar zij probeerde een ring te ruilen voor wat boter. Haar dienstmeisje slaagde erin stukjes brood weg te pakken en ze onder haar rokken mee naar huis te smokkelen. Ze werd gesnapt toen ze probeerde om in de trein een zaak meel mee te nemen.

Ondanks alle moeilijkheden werkte Chagall als een bezetene. Men had hem opdracht gegeven schilderingen te maken voor het nieuwe Joodse Theater, en hij had zich vol enthousiasme op dit enorme werkstuk geworpen, ondanks de schaarste aan verf en penselen. Bovendien ontwierp hij decors en kostuums voor verschillende toneelstukken.

Het Joodse Theater is thans al geruime tijd gesloten en zijn werk is, in het beste geval, ergens opgeslagen.

Schilderen met oorlogsweesjes

De schrijnendste herinnering aan deze tijd van bloed en tranen is voor Chagall zijn kortstondige functie als hoofd van twee groepen verlaten kinderen. Elk zo’n groep bestond uit een twintigtal kinderen wier ouders slachtoffer waren van de burgeroorlog. „Deze weeskinderen waren de meest ongelukkige schepsels, die ik ooit heb gezien. Eenzaam door de straten zwervend hadden zij in hun ogen nog de doodsangst voor de moordenaars van hun ouders. Verdoofd door het fluiten van kogels en het lawaai van brekende ruiten, hoorden zij in hun oren nog steeds de laatste gebeden van hun vader en moeder klinken. Sommige van de kinderen hadden gezien hoe de baard van hun vader werd uitgetrokken, hoe hun zusters werden gemarteld, nadat zij in de gauwigheid waren verkracht.”
Deze ongelukkige wezentjes waren in de steden opgepakt, waar zij in groepen ronddoolden, half dood van honger en kou. Men had ze ondergebracht in verlaten landhuizen in de omgeving van Moskou.

De komst van een nieuwe directeur-tekenleraar bracht de kinderen weer tot enthousiasme. „Zij wierpen zich op de verf als beesten op een stuk vlees,” zegt Chagall. Hij bereikte met hen verrassende resultaten. „Een van de jongens gedroeg zich alsof hij voortdurend in een staat van creatieve dronkenschap verkeerde. Hij schilderde, componeerde muziek en schreef gedichten. Een ander werkte als ingenieur: rustig construeerde hij zijn kunstwerken. Sommigen gaven de voorkeur aan abstracte kunst die een gelijkenis vertoonde met de primitieven en kunstvormen zoals die werden toegepast bij de vervaardiging van kerkramen. Lange tijd ben ik verrukt geweest van hun tekeningen en de onhandige manier waarop ze hun inspiratie tot uitdrukking brachten. Helaas moest ik ze weer verlaten.”

Ondanks het feit dat hij zijn werk bij de kinderen met veel toewijding en liefde vervulde, realiseerde Chagall zich in 1922 dat hij zich in de Sovjetunie niet langer meer op zijn plaats voelde. De conventionele schilders, die gedurende enkele jaren niet veel van zich hadden laten horen, hadden inmiddels het proletarisch realisme uitgevonden en maakten een spectaculaire come-back. Zij schakelden de vernieuwers van de schilderkunst, artiesten die baanbrekend werk hadden verricht, uit, onder het mom dat hun werk onbegrijpelijk was voor het gewone volk.

Paspoort voor Parijs

Chagall voelde zich verlaten en een vreemdeling in dit nieuwe Rusland.

Op een dag, toen hij langs het Kremlin liep, kwam hij plotseling op het idee om naar binnen te gaan en aan zijn vriend Lunatcharski te vragen hem een paspoort te bezorgen. In die tijd was Stalins ijzeren gordijn nog niet neergelaten en was het nog mogelijk dat een kunstenaar naar het Westen trok. Chagall kreeg de benodigde papieren. Hij nam huilend afscheid van zijn leerlingen en verliet, zijn vrouw Bella en de kleine Ida zouden hem achterna reizen, zijn geliefde Rusland om er nooit meer terug te keren.

„Verwacht niet dat je ooit een cent zult krijgen …”

Na afloop van de oorlog had hij weer contact kunnen opnemen met de rest van Europa. Zijn vriend, de dichter Rubiner, had hem uit Berlijn een brief geschreven. „Weet je dat je hier inmiddels beroemd geworden bent? Je doeken brengen een heleboel geld op. Verwacht overigens niet dat je ooit een cent zult krijgen van Walden. Hij denkt dat de roem jou meer dan voldoende is.” Dit alles was woord voor woord waar. Toen Chagall in Berlijn aankwam, volslagen berooid, gekleed in dikke katoenen kleren die hem door het Amerikaanse Rode Kruis waren verstrekt, ontdekte hij, dat alle doeken die hij in 1914 bij Walden had achtergelaten, verkocht waren en dat de handelaar zelf, tot overmaat van ramp, was gestorven. Ondanks de haast die hij had om naar Parijs te vertrekken waar Cendrars op hem wachtte, bleef hij in Berlijn om te trachten zijn schilderijen te achterhalen. Na negen maanden was hij de strijd moe en vertrok met in zijn bagage slechts drie van de achtergelaten werken naar Parijs.

In plaats van de 40 grote schilderijen en de 160 kleinere werken die eens in Berlijn waren, stond er een miljoen waardeloze rijksmarken voor hem op de bank.

Heel naïef, geloofde hij dat het hem geen enkele moeite zou kosten Frankrijk binnen te komen, maar op het moment dat hij in de trein wilde stappen, ontdekte hij dat hij geen visum had. Op het consulaat weigerde men hem er een te geven, omdat Frankrijk nog geen burgers uit de Sovjet-Unie toeliet. Tenslotte werd alles toch geregeld, want, ordelijk als altijd, had Chagall sinds 1914 in zijn portefeuille een bewijs van de Franse politie bewaard, waarin stond dat hij slechts voor drie maanden het land zou verlaten. „O, als u nog steeds in Parijs gehuisvest bent, kunt u natuurlijk vertrekken,” zei men hem.

Zo kon hij dus eindelijk weer op weg naar huis gaan, waar hem een zeer onaangename verassing te wachten stond…

Direct na zijn aankomst, ging hij naar „la Ruche”. Voor zijn vertrek naar Berlijn had hij vol vertouwen het slot van zijn deur met een ijzerdraadje vergrendeld, en hij verwachtte niet anders dan alles terug te zullen vinden in de staat waarin hij het had achtergelaten. Tot zijn diepe teleurstelling zag hij dat het ijzerdraadje was verwijderd en het slot vervangen was door een nieuw. Het atelier werd bewoond door een ander en alle schilderijen die hij had achtergelaten waren verdwenen, verkocht door weinig fijnzinnige collega’s. Altijd zal hij zich nog zijn grote ontgoocheling herinneren en hij is nog steeds verbitterd tegenover degenen die hem dat aandeden.

„Ik moest tien frank geven om m’n schildersezel terug te krijgen!” Chagall is zonder huis, zonder geld, zonder roem. Ja, in 1922 was de artiestenwereld van Montparnasse niet zo fijngevoelig…

.

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Marc Chagall (1-2)

.

Parijs 1912. Mare Chagall woont in een naargeestige armoedige kamer in de schilderswijk van Montmartre. Hij schildert ’s nachts, bij het licht van een bescheiden petroleumlamp, omdat alleen dan het huis een beetje rustig is. Terwijl andere schilders drinken en feestvieren, verscheurt Chagall zijn lakens en hemden in lappen om genoeg doeken te hebben om op te schilderen. Hij werkt als een bezetene…

Parijs, 1912. „La Ruche”

In deze „bijenkorf”, een twaalfhoekig houten gebouw, woonden de artiesten en politieke vluchtelingen in bouwvallige en naargeestige kamertjes. Het monsterlijke bouwwerk stond op een steenworp afstand van de abattoirs, waar van tijd tot tijd een angstig geloei opsteeg uit de stallen, waar de koeien wachtten om geslacht te worden.

Chagall, die sinds achttien maanden een van de ateliers had betrokken, werkte, om het lawaai te ontvluchten, gedurende de nacht. Geheel naakt, om te voorkomen dat z’n kleren vuil werden, schilderde hij bij het zwakke licht van een armzalige petroleumlamp.

„Als in een naburig atelier een model begon te huilen,” vertelt hij in zijn autobiografie, „als de Italianen, spelend op hun mandolines begonnen te zingen, als Soutine terugkwam met een koppel eenden die hij wilde schilderen, dan stond ik alléén in m’n houten cel voor de schildersezel.

Het atelier was al een week niet schoongemaakt. Vuile potten, pannen en eierschalen stonden en lagen verspreid over de houten vloer. Maar ik werkte als ’n bezetene. Daar tussen die vier muren ben ik schilder geworden.” Tot zonsopgang was hij bezig om doek na doek te vullen met z’n herinneringen: Vitebsk met scheefgezakte huisjes, de witte synagogen, z’n vader met een lange baard, oom Nush, die viool speelde en Bella, z’n geliefde, van wie hij voor z’n vertrek uit Rusland een portret had geschilderd: z’n eerste meesterwerk.

„Ik vond ’t heerlijk om ’s nachts te schilderen, het bracht me in een vreemde extase,” zegt hij. „In gedachten verbleef ik in mijn vaderland. Ik leefde in die tijd volkomen in de omgekeerde wereld.”

Door deze voortdurende verdieping in zichzelf en in zijn werk had hij weinig contact met zijn buren.

„Modigliani en Soutine, die in hetzelfde huis woonden, gingen aan de zwier met hun modellen en als ze midden in de nacht dronken thuiskwamen, gooiden ze hun schoenen door mijn raam. „Hé, jij zit zeker weer koeien te schilderen,” riepen ze dan. En inderdaad werd ik volkomen door mijn werk in beslag genomen. Ik dronk niet en dacht slechts aan schilderen. Ik scheurde m’n handdoeken, m’n lakens en m’n nachthemden in stukken om doeken te hebben, waarop ik kon werken.”

Soutine woonde pas enkele weken naast hem. De twee jonge Russen (Chaim Soutine was zeven jaar jonger dan Chagall) waren maar matig op elkaar gesteld, ondanks hun vrijwel identieke levensloop. Soutine was net als Chagall in een Russisch getto geboren, en hij kwam uit een nog armer gezin. Zijn vader, kleermaker, zijn moeder en zijn tien broertjes en zusjes woonden in één kamer te midden van het vee. Evenals Chagall werd ook Soutine niet toegelaten tot de academie en het was slechts dank zij een van de leraren, die medelijden met hem had en hem onderdak bood, dat hij zich iets van de teken- en schildertechniek eigen kon maken. En net als Chagall kreeg hij van een arts een beurs aangeboden om in Parijs te gaan studeren. Chagall verdroeg Soutine meer, dan dat hij op hem gesteld was. „Hij was afschuwelijk om te zien,” zegt hij, „of misschien ben ik altijd al erg gevoelig geweest voor de schoonheid van een gezicht. Hij had dikke, altijd wat vochtige lippen, een grote paarse neus, een peervormig hoofd en vette lange haren die in slierten over z’n voorhoofd vielen. Het zal dan ook wel aan z’n grote blauwe ogen te danken zijn geweest, dat hij zoveel amoureuze avontuurtjes had.”

Chagall kon evenmin goed opschieten met de andere schilder van „La Ruche”. Hij hield niet van uitgaan en de luidruchtige manieren van zijn huurlieden stonden hem tegen. Vriendelijk en ernstig van aard, altijd verdiept in de visioenen van zijn jeugd, prefereerde hij het gezelschap van schrijvers en dichters. Zij waren het dan ook die in hem een groot schilder zagen en aan zijn werk de bekendheid gaven die het verdiende. Blaise Cendrars kwam als eerste naar Chagalls schilderijen kijken. De twee jongemannen werden, ondanks hun totaal verschillend karakter, goede vrienden.

Het was Cendrars, die Chagall aan Guillaume Apollinaire voorstelde. Apollinaire kon, ondanks de nauwe banden die hij onderhield met de kubisten, het poëtische en overrompelende werk van de jonge Rus waarderen. Hij ging Chagall in „La Ruche” opzoeken en bekeek geruime tijd zijn schilderijen.

„Hij droeg zijn buik alsof het een bundel verzamelde werken was,” vertelt Chagall. „Gezeten op de enige stoel in het atelier, bekeek hij, voortdurend kreten slakend, elk doek van mij. „Bovennatuurlijk! U hebt bovennatuurlijke gaven!” riep hij uit.

Minder omvangrijk en minder luidruchtig was Canudo, directeur van het tijdschrift „Montjoie”, die zich eveneens voor Chagall interesseerde. Hij organiseerde een tentoonstelling van zijn gouaches en bezorgde hem er baantje als figurant in een van de films van Abel Cance. Chagall moest meespelen in een scène waar in een uitspanning in het Bois de Boulogne een groot banket werd aangericht. Omdat de opgediende schotels echt waren, kon hij die dag eindelijk weer eens voldoende eten. Canudo gaf Chagall bovendien een keer een aanbevelingsbrief voor de couturier Jaques Doucet, een verzamelaar van moderne kunst. Bij Doucet werd hij ontvangen door de butler, aan wie hij de meegebrachte werken moest afgeven. Nadat Chagall een kwartier in de antichambre had gewacht, kwam de bediende terug en zei, namens zijn meester, op plechtige toon: „Wij zijn niet geïnteresseerd in de grootste colorist van onze tijd.”

Zoals geen van de jonge schilders lukte het Chagall zijn werk te verkopen.

„Niemand exposeerde, niemand had succes, niemand verkocht,” verzucht hij. Het was dus logisch dat toen het Cendrars en Apollinaire in 1914 was gelukt de Duitse kunsthandelaar-criticus Walden over te halen een tentoonstelling van Chagalls schilderijen in zijn galarie te Berlijn in te richten, Chagall zowel opgetogen als verbaasd was. Hij zocht meer dan 100 schilderijen, tekeningen en aquarellen uit, waaronder zijn Golgotha, en zond ze naar Duitsland.

Omdat het bijna zomer was, besloot hij naar Berlijn te gaan om persoonlijk aanwezig te zijn bij de opening van zijn tentoonstelling, die een succes werd. Daarna wilde hij naar Vitebsk om er zijn vakantie door te brengen en zijn verloofde Bella terug te zien. Hij had nu gedurende vier jaar met haar gecorrespondeerd en hij voelde dat het tijd werd om haar te gaan opzoeken. Na nog een jaar van afwezigheid zou er misschien niets meer van hun liefde over zijn.

Hun ontmoeting stelde hem gerust; de liefde was nog even diep. Het huwelijk zou echter nog de nodige voeten in de aarde hebben. Bella Rosenfeld was de dochter van de rijkste juwelier van Vitebsk en Chagall had haar slechts een armoedig bestaan te bieden. In de familie vond men een schilder een slechte partij. Maar de zaken waren reeds te ver om nog een keer te kunnen nemen. Bella had erin toegestemd naakt voor haar verloofde te poseren en voor de afwijzende moeder hoefde Chagall alleen maar het doek te onthullen, waarop haar dochter stond afgebeeld, om toestemming te krijgen…

Het jonge meisje was immers te veel gecompromitteerd om nog van een huwelijk af te kunnen zien.

„Bovendien,” biecht Chagall op, „was het eigenlijk Bella die mij ten huwelijk vroeg. Ik heb mijn hele leven nog nooit iets durven vragen.”

Inmiddels was de eerste wereldoorlog, die de terugkeer naar Parijs erg bemoeilijkte, in volle gang. Chagall bleef in Vitebsk. In 1917 pas werd hij volledig door de familie van zijn vrouw geaccepteerd.

Politiemannen drongen met een onduidelijk bevel tot ontruiming de juwelierszaak van de familie Rosenfeld binnen. Ze hakten muren om en braken de vloeren open. Toen ze vertrokken met een wagen vol juwelen, waren de ouders van Bella net zo arm als die van Chagall…

deel 1

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Marc Chagall

.

Marc Chagall, wie kent die naam niet? Het is de naam van de zoon van een straatarme kuiper. Het is de naam van een man, die jaren honger leed; die schuw en verborgen in de voor joden verboden stad Petersburg leefde; die na jaren van onvoorstelbare pijn en ellende een van ’s werelds beroemdste schilders werd.

Het bewogen leven van Marc Chagall, schilder van de liefde en de droom

Weinig mensen zullen in hun leven zoveel moeilijkheden hebben moeten overwinnen om dat te bereiken wat zij zich ten doel hebben gesteld, als Marc Chagall. Zelfs wanneer hij in het hart van Afrika was geboren, zou zijn leven niet moeizamer zijn verlopen. Alles zat hem tegen: de armoede van zijn vader, die kuiper van haringtonnen was, de apartheid van het getto, de wet van Mozes die de afbeelding van de mens verbiedt en die hem dus tot een heiligschenner maakte.
In zijn autobiografie „Mijn Leven”, die hij schreef toen hij 35 jaar oud was, vertelt Chagall van een jeugd, waaraan hij ondanks de armoede en de voortdurende angst voor een pogrom, een gelukkige herinnering heeft behouden en die zijn gehele werk heeft beïnvloed. Als oudste van tien kinderen kreeg hij niet veel kans om met buurjongetjes te spelen. Al heel jong moest hij de handen uit de mouwen steken en het was voor hem dan ook een evenement om tijdens de feestdagen in de synagoge te mogen zingen. Hij droomde ervan ooit een groot voorzanger te worden. De weinige uitstapjes die de kleine Mare kende waren de tochtjes naar het platteland met het karretje van oom Nush. Zij haalden daar de koeien en de kalveren op die later door zijn grootvader, een slager, tussen twee gebeden door, geslacht zouden worden. Mare had een diepe bewondering voor oom Nush. Urenlang kon hij luisteren naar zijn vioolspel. Later zou hij zeggen dat de man speelde „als een schoenmaker”, maar als kind kon hij er intens van genieten. „Als hij ophield met spelen, vertelde hij mij verhalen uit de Heilige Schrift”, schrijft Chagall. Die Heilige Schrift heeft in zijn jeugd een grote rol gespeeld. De familie leefde in een bijbelse sfeer; als de profeet Jesaja tijdens de maaltijd bij hen was binnengetreden, had hij onmiddellijk aan tafel kunnen plaatsnemen; zijn stoel stond altijd voor hem klaar. Toch heeft Chagail nooit het gevoel gehad dat zijn ouders het geloof op een voor hem verstikkende manier beleden. Het heeft integendeel aan zijn armelijke jeugd een mystieke glans gegeven.

Gebeten door een hond, had hij nog vier dagen te leven. Een ongeluk, dat fataal had kunnen zijn, veranderde niets aan de vreugde van Marcs kinderjaren. Toen hij dertien jaar was werd hij gebeten door de hond van de rabbijn van wie hij les kreeg. Het dier was dol geworden en Mare werd onmiddellijk naar het ziekenhuis in Sint-Petersburg gebracht. Daar ontdekte hij een tot dan toe voor hem onbekende wereld. Het verbijsterde hem allemaal een beetje: de trein, het vreemde ziekenhuis, de iconen, de kleren van de verplegende nonnen. Maar ’t meest verbaasd was hij over ’t gekleurde speelgoed dat men hem gaf. Het was het eerste speelgoed dat hij ooit onder ogen had gekregen. „Men gaf mij nog vier dagen te leven”, vertelt Chagail in zijn boek. Maar ondanks de pessimistische diagnose van de doktoren keerde hij genezen naar het ouderlijke huis in Vitebsk terug, net op tijd om naar het Keizerlijk College te kunnen gaan. Een leraar, die door zijn moeder voor 50 roebel is omgekocht — de staatsschool was voor joden verboden — zorgde ervoor dat hij werd toegelaten.

Zijn eerste doeken hingen in het kippenhok. Mare was een slechte leerling die alleen maar aan tekenen dacht. Hij had zijn talent ontdekt en de drang om zijn gevoelens met dat talent tot uitdrukking te brengen, viel niet meer te onderdrukken. Hij tekende en schilderde alles wat hij om zich heen zag: boeren met pofbroeken, behaarde bedelaars, oom Nush gezeten op de bok van zijn karretje… Ondanks het feit dat zijn moeder bang was dat deze bezigheid haar zoon weinig toekomst zou bieden, moedigde zij hem aan: ,,Je hebt talent, m’n zoon,” zei ze toen zij een portret zag van de pianist Rubinstein dat hij had nagetekend van een in een tijdschrift gepubliceerde foto. „Als je zo doorgaat kun je misschien een goede fotograaf worden.” Zij stemde erin toe hem voor te stellen aan de schilder Pen, die in Vitebsk een tekenschool had en die in het kleine ingeslapen provinciestadje de wereld der schone kunsten vertegenwoordigde. Pen schilderde hoofdzakelijk portretten van de stadsnotabelen; hij was een vriendelijk man met veel belangstelling en begrip voor zijn medemensen. Toen hij enkele tekeningen van Mare had bekeken, verklaarde hij moeder Chagail dat haar zoon voldoende talent had om bij hem in de leer te gaan; een uitspraak die Chagalls gehele leven zou bepalen. „Ik hield van Pen,” zegt Chagall, „hij zal altijd als een vader in mijn herinnering blijven voortleven.”

Omdat Mare geen geld had om linnen te kopen, gebruikte hij lege bonenzakken om op te schilderen. Die zakken haalde hij uit het kruidenierswinkeltje van zijn moeder en wanneer zijn zusters aan het eind van de week hadden schoongemaakt werden de helder geboende planken afgedekt met zijn „doeken”. Andere schilderijen dienden om het kippenhok te bekleden.

Toen Mare voldoende had geleerd, besloten zijn ouders een passend baantje voor hem te zoeken. En zo begon hij zijn artistieke loopbaan als leerling-retoucheur bij een fotograaf.

Die eerste werkkring werd geen succes; hij haatte de bezigheden die hij werd verondersteld de gehele dag met vlijt en toewijding te verrichten en nam wraak door de rimpels van de afgebeelde personen nog wat aan te dikken. Alleen zijn vrienden hadden recht op een verjongingskuur.

Ongetwijfeld was Chagall een onbekend kunstenaar, een zondagsschilder, gebleven, wanneer hij Vitebsk niet had verlaten. Maar een vriend van de lekenschool wist hem te bewegen mee te gaan naar Sint-Petersburg om daar het toelatingsexamen af te leggen voor de Academie van Beeldende Kunsten. Zijn vader gaf hem 25 roebel — alles wat de man op dat moment bezat — met de boodschap dat hij verder niets meer van hem hoefde te verwachten. Dat weerhield Mare Chagall er echter niet van zich in het avontuur te storten. Een avontuur waardoor hij gedurende vijftien jaar, van 1907 tot 1922, als een behoeftig kunstenaar zou moeten leven. Decadente adel beschermt de kunstenaar. In Sint-Petersburg zakte hij voor het toelatingsexamen van de academie, maar het lukte Marc te slagen voor een andere staatsschool en bovendien om een beurs van 50 roebel per maand te bemachtigen. Van dat geld kon hij net voldoende voedsel kopen om niet van honger te sterven. ,,Ik las de menu’s van restaurants alsof het gedichten waren,” vertelt Chagall. Te arm om een eigen atelier te betrekken, had hij een gedeelte van een kamer gehuurd waar hij het bed moest delen met een arbeider. Men kan zich nauwelijks voorstellen hoe bitter de armoede was die in het oude Sint-Petersburg werd geleden en hoe overdadig de luxe van de aristocratie. Gelukkig interesseerde deze decadente Russische adel zich, in navolging van Catherina II, voor de schone kunsten. Chagall vond dan ook een baron die hem gedurende vele maanden een toelage verschafte. Vervolgens werd hij geprotegeerd door de jurist Vinaver en dank zij hem kon hij werken in een hoekje van het redactielokaal van het tijdschrift ,,De Dageraad” waarvan Vinaver hoofdredacteur was. Voortdurend bang om op een kwade dag te worden gearresteerd — de keizerlijke stad bood geen onderdak aan hen die tot het joodse ras behoorden —, ondermijnd door de vele ontberingen, vroeg de schuwe Marc zich weleens af of de manier waarop hij zich van dag tot dag trachtte te handhaven, nog wel iets met „leven” te maken had. Toen hij een kopie had gemaakt van een schilderij van de beroemde schilder Levitan, bood een kunsthandelaar hem er 10 roebel voor. Enkele dagen later zag hij zijn kopie in de etalage staan, voorzien van een fraaie lijst en een duidelijke signering van Levitan. Dat bracht hem op het idee zijn eigen werk te gaan aanbieden. Hij bracht een honderdtal gouaches, aquarellen en tekeningen naar de kunsthandelaar die hem beloofde te zullen proberen zijn werk te verkopen. Toen hij twee dagen later terugkwam om te informeren hoeveel er was verkocht, bekeek de handelaar hem stomverbaasd en zei: ,,Pardon, meneer, wie bent u? Ik kan mij niet herinneren u eerder te hebben ontmoet!” ,,Ik was zo overrompeld en hechtte in die tijd zo weinig waarde aan bezit,” vertelt Chagall, dat ik zonder te reageren zei: „Ach ja, dat is waar ook…!” en rustig weer de winkel uitstapte. Niets was echter in staat hem te ontmoedigen: hij ging koppig door met schilderen.

Bang voor een beroemdheid

Een van de bekendste ateliers in Sint-Petersburg was dat van de schilder Leon Bakst. De lessen die hij gaf werden vooral gevolgd door vrouwen uit de Russische aristocratie en door kunstzinnige prinsen. Bakst, wiens eigenlijke naam Rosenberg was, had zijn faam voornamelijk te danken aan de decors die hij had gemaakt voor het Russische ballet. Met behulp van Serge Diaghilev vernieuwde hij de techniek van de decorbouw. Hij genoot de reputatie een revolutionair artiest te zijn en schroomde niet de felste contrasten van uiterst koele tot diep warme kleuren naast elkaar te gebruiken, in die tijd een sensatie!

„Ik was bang om naar Bakst te gaan,” schrijft Chagall. „Hij was zo’n beroemdheid!” Gelukkig wist hij deze vrees met steun van enige vrienden te overwinnen, want hij had zich reeds gerealiseerd, dat het droge onderricht dat hij tot dan toe had ontvangen, tot niets leidde. Bakst betekende Europa, vrije kunst, Monet, Renoir, Cézanne… „Ik zal nooit vergeten hoe hij mij met een medelijdende maar niet onwelwillende glimlach, ontving,” herinnert Chagall zich. Een ontvangst, die er overigens toe leidde dat hij gedurende enkele maanden bij Bakst ging werken. Gekleed in een afgedragen Russische blouse, een paar simpele vilten laarzen aan de voeten, maakte Chagall te midden van de beau monde een armzalige indruk. Maar hij was nog nooit zo gelukkig geweest. Bakst, die hij bewonderde, had hem als leerling aangenomen, hem, de arme jood die niet eens het recht had om in Sint-Petersburg te wonen! Maar geen van de snobistische leerlingen die trachtten met behulp van Leon Bakst het modeltekenen onder de knie te krijgen, kon zich echter vergissen: tussen al die dilettanten was er maar één kunstenaar, en die heette Marc Chagall! Eindelijk in Parijs. Die kunstenaar had inmiddels nog steeds één doel: naar Parijs gaan, de stad waarvoor de grote meester Bakst zijn hart in vuur en vlam had gezet. „Ik vroeg Bakst mij mee te nemen naar Parijs om hem daar te helpen bij de vervaardiging van de decors. Hij vond het best, mits ik eerst het vak zou leren. Met het geld dat ik daarvoor van hem kreeg ging ik aan de slag. Maar mijn onhandigheid werkte Bakst zo op zijn zenuwen dat hij ervan afzag mij mee te nemen.” Tenslotte was het de mecenas Vinaver die Chagall het reisgeld verschafte door twee doeken van hem te kopen. „Ik begrijp niets van schilderkunst,” zei hij hem, „maar ik heb vertrouwen in je.” En hij bood hem een toelage van 125 frank per maand. In de lente van 1910 kwam Marc Chagall na een eindeloze reis in een derdeklastreincoupé, in Parijs aan. De stad maakte een diepe indruk op hem, maar zijn geluk was toch niet geheel onverdeeld. Want nu hij ’t doel had bereikt waarnaar hij zo mateloos had verlangd, besefte hij plotseling wat hij allemaal had moeten achterlaten; Vitebsk, dat altijd zijn bron van inspiratie was geweest, al zijn vrienden en kennissen, en Bella, zijn geliefde, van wie hij sinds hij haar voor het eerst ontmoette geweten had dat zij de vrouw in zijn leven zou zijn. Deze grote liefde, versterkt door het zich zo ver verwijderd voelen van zijn vaderland, gaf aan zijn werk het poëtische en nostalgische karakter dat hem tot een van de grootste kunstenaars van de 20ste eeuw heeft gemaakt.

deel 2    deel 3

.

Alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Louis Bolk

.

louis bolk 1866-1930

De vader van de foetalisatietheorie

‘De mens staat niet aan het eind, maar aan het begin van de evolutiereeks.’
Een revolutionaire uitspraak van de anatoom Louis Bolk, die zo contrasteerde met de ideeën over evolutie, dat hij toen, en ook nu nog, op weinig waardering kon rekenen.
Een miskend genie? De antroposofische arts Leen Mees meent van wel en zet in deze schets uiteen waarom.

olieverfschilderij van Lizzy Ansingh 1921

 

Prof. Dr. Louis Bolk is in de wetenschap weliswaar geen onbekende, doch in het algemeen wat men zou kunnen noemen een omstreden figuur. Men heeft zijn retardatietheorie, ook foetalisatietheorie genoemd, in het begin van deze eeuw met zeer gemengde gevoelens opgenomen. Mij persoonlijk is het overkomen dat ik er nooit een warm woord van waardering over heb horen uitspreken.

Welwillendheid, dat was de grens tot welke men wilde gaan.

Het contrast met de officiële opvattingen over evolutie was dermate groot, dat dit niet dieper ingaan op Bolks voorstellingen begrijpelijk is. Wie met de antroposofische belichting van het evolutievraagstuk bekend is, kan echter niet anders dan met diep respect kijken naar een figuur die, zonder ooit iets van antroposofie gehoord of gelezen te hebben, tot een inzicht kwam dat zich ongedwongen met resultaten van de geesteswetenschap laat verbinden.

In verschillende uitspraken van vooraanstaande antroposofische vrienden – het dunkt mij niet nodig deze persoonlijk te vermelden, hoewel ze schriftelijk vastliggen – bespeurt men een zeker gebrek aan waardering. Een van de opmerkingen was, dat voor Bolk de mens slechts een geslachtsrijp geworden apenfoetus zou zijn. Een andere is, dat hij gemeend zou hebben dat de menswording slechts het gevolg is van diepgaande storingen van de productie van hormonen en hun samenwerking. Er wordt letterlijk gezegd dat Bolk de mens beschouwde als een ‘hormonale misvorming’, dat wil zeggen het zwaar beschadigde toevalsproduct van een ongelukkig verlopen zijnde mutatie.
Ik kan zulke uitspraken slechts bedroevend, de laatste zelfs schandelijk noemen. Beide opmerkingen zijn het gevolg van het feit dat men op een gegeven ogenblik een mededeling van Bolk zo uit z’n verband gerukt heeft en het voor een eigen belichting misbruikte. Het duidelijkst komt dit wel naar voren in de opmerking dat voor Bolk de mens een toevalsproduct zou zijn. Wie de inhoud van het volgende leest, zal merken hoe Bolk juist op dit punt zijn tijd ver vooruit was.

Voor mij is Bolk een in hoge mate miskende figuur, ik durf zelfs te zeggen: een miskend genie. Waar ik hem verscheidene jaren heb mogen meemaken, berust een en ander op persoonlijke indrukken. Ik was bijzonder gelukkig toen ik vernam dat het Bolk Instituut zijn naam met zijn activiteiten verbonden heeft. Voorzover het mogelijk is in kort bestek iets van de fenomenologische benaderingswijze uit Bolks werk te geven, zal ik dat in deze schets trachten te doen. Het is mede als een verduidelijking bedoeld van de impuls die Bolk aan de evolutieleer hoopte te geven.

Vrees en verering

Een stampvolle collegezaal. Doodse stilte, je kunt een speld horen vallen. Dan gaat de deur open, de amanuensis laat Bolk binnen. Hij is moeilijk ter been, loopt met twee stokken. Toch gaat er een grote waardigheid van hem uit. ‘Dames en Heren’, – de wijze waarop Bolk deze woorden voor ieder college uitsprak zal ik nooit vergeten. Rustig, zonder emotie. Toch leefde er in die zachte stem een soort geladenheid, die het kenmerk is voor elke spreker die zich bewust is van de autoriteit die men hem toekent.

Hij was uiterst correct in zijn optreden en eiste dat ook van anderen. Te laat komen op college betekende dat je riskeerde weggestuurd te worden. Ook wanneer je onder de voordracht met anderen zat te praten. Een student kwam op examen op blote voeten in sandalen. ‘Mijnheer, gaat u eerst naar huis zich fatsoenlijk aankleden.’ (Feitelijk hoorde je in die dagen nog in jacquet examen te doen!)

Ook op het taalgebruik lette hij. Toen ik zei dat ik mijn trein nog moest halen, vroeg hij een beetje smalend: ‘O, is dat uw trein?’. Het was echter kenmerkend dat er in die tijd nog haast geen kritiek in ons op kwam. Naast een zekere vrees leefde er ook een grote mate van verering in ons.

Hij was hoogleraar in de anatomie. In de Winkler Prins vindt men de opmerking: ‘Bolk is de grondvester van de nieuwere Hollandse ontleedkundige school, zodat zowel in Nederlands-Indië als hier te lande, alle leerstoelen in de ontleedkunde werden bezet door zijn leerlingen. Grote bekendheid verkreeg hij door zijn werken over de segmentale anatomie, over de kleine hersenen en op het laatst van zijn leven door zijn foetalisatietheorie. Ook zijn antropologische onderzoekingen verdienen genoemd te worden’.

Wat wij vóór alles moesten kennen waren de beenderen, de spieren en het zenuwstelsel. Het skelet moest van te voren bestudeerd worden, elke student moest een tentamen osteologie (‘botjes’) afleggen, bij Bolk zelf. Hij eiste veel, nam bijvoorbeeld een pijpbeen, stak het in z’n mouw en aan het uiteinde moest je herkennen en weten wat het was, wat vóór of achter was en of het een linker of een rechter was. Hij was beslist niet iemand die bovenmatig veel kennis vroeg. Wat hij eiste waren korte, duidelijke formuleringen.

Hij had zo zijn speciale definities en indelingen.
‘Wat is een spier?’ ‘Een spier is een contractiel orgaan.’
‘Wat is een gewricht?’ Een gewricht is een verbinding tussen twee
skeletstukken.’
Daarbij werden we voor het eerst geconfronteerd met het feit dat ook bijvoorbeeld bij de later totale vergroeiing van de zogenaamde voorhoofdsbeenderen tot één geheel, toch van een gewricht gesproken mag worden.
‘Wat voor soorten beenderen onderscheiden we?’ ‘Lange pijpbeenderen, korte pijpbeenderen, platte beenderen en onregelmatige beenderen.’

Het deed iedereen goed tegelijkertijd exact en beeldkrachtig te leren denken. Reeds in deze wijze van weergeven lag een eigenschap besloten, die in Bolks werk zo duidelijk naar voren springt: het overzien van de feiten. Niet met je neus te dicht erop zitten, je niet in details verliezen. Bolk was een wetenschappelijk onderzoeker van de grote lijn. We kunnen dit zo duidelijk aflezen aan zijn uitspraak:
‘Wij zijn gewoon het leven na te sporen door vergrootglazen en daardoor het anders onzichtbaar stoffelijke binnen onzen gezichtskring te brengen. Hoe geheel anders, hoe ruimer zeker zou onze opvatting van het leven zijn, indien het ons gegeven ware, dit eens te bestudeeren met verkleinglazen, waardoor wij het voor het ongewapende oog onoverzichtbare binnen onzen gezichtskring konden brengen, om dan in plaats van zooals thans de stoffelijke verbindingen, den samenhang der verschijnselen meer tot studiedoel te nemen.’

Twee jaar lang gaf hij een extra college over de zogenaamde retardatietheorie, door hem zelf ook foetalisatietheorie genoemd. Deze term was zeker gerechtvaardigd, doch zij heeft aanleiding gegeven tot veel misverstanden. Reeds jaren vóór Bolk in staat was zijn theorie aan de wereld voor te leggen, was hij getroffen door het feit dat de mens, die traditiegetrouw achter de dierenreeks geplaatst werd in de evolutie en uit het dierenrijk geëvolueerd gedacht werd, zo’n verschillend tempo in z’n ontwikkeling vertoont ten opzichte van de dieren.
Bolk zegt in ‘Het vraagstuk van het ontstaan van de mens’ hierover: ‘Er is geen zoogdier dat zich in een dusdanig langzaam tempo ontwikkelt als de mens; er is geen tweede, dat pas zoo lang na zijn geboorte volwassen wordt. Kunt u mij een ander zoogdier noemen dat, als het volwassen is, over zoo’n lange bloeitijd beschikt? Bovendien wordt deze langzaame ontplooiing ten slotte gevolgd door een phase van ouder worden, die zich zoo langzaam voltrekt als bij geen enkel zoogdier bekend is. Waar is het dier dat, nadat zijn voortplantingsfunctie afgelopen is, nog zoo lang lichamelijk gezond verder blijft leven?’

Hij kon deze fenomenen nog niet met andere ervaringen in samenhang zien; hij constateerde alleen maar een feit. Een andere zaak was, dat de gangbare evolutietheorieën hem beslist niet bevredigden. Integendeel, hij sprak openlijk uit dat hij het oneens was met de opvattingen van Lamarck en Darwin, ter verklaring van het ontstaan van de mens in de evolutie. Aanpassing aan de omgeving, teeltkeus, strijd om het bestaan, het waren voor Bolk eerder argumenten tegen dan vóór deze theorieën. Een paar citaten mogen dit verduidelijken.

Wanneer de gedachte ‘aanpassing aan de omgeving’ naar voren wordt gebracht, pleegt men deze ook met de overgang van dier naar mens in verband te brengen: de nog half-opgericht-lopende ‘mensaap’ richtte zich op en ontwikkelde daardoor zijn menselijke eigenschappen. Bolk denkt hier radicaal anders over. In ‘Het vraagstuk over het ontstaan van de mens’ zegt hij: ‘Naar mijn mening was het rechtop gaan loopen een aanpassing aan veranderingen die zich in verband met geheel andere oorzaken in de lichaamsvorm hadden voltrokken. Zij was een consequentie. Niet omdat het lichaam zich oprichtte werd de menschwording voorbereid, maar omdat de vorm menschelijk werd, richtte het lichaam zich op. ’

Ten opzichte van de strijd om het bestaan is hij minstens even radicaal (‘Hersenen en Cultuur’): ‘Eerst een algemene opmerking naar aanleiding van dit laatste. Wanneer ooit die harde strijd om het bestaan, die dan van meerdere zijden voor de ontwikkeling van de menschheid van zoo groote beteekenis geacht wordt, een rol zou gespeeld hebben in de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid, de mensch zou dier gebleven zijn. Want nooit of te nimmer zou die strijd in den vorm waarin hij werkelijk in de natuur gestreden wordt, de menschheid tot moreel inzicht, tot zedelijk bewustzijn hebben kunnen voeren. Het wezen toch van den strijd om het bestaan, zooals deze in de natuur gestreden wordt, is een kamp tusschen macht en overmacht; in dien strijd is overmacht recht en zwakheid een misdaad. En is het niet juist een uiting van ’s menschen hooger, verhevener standpunt, wanneer hij de toepassing van dit laatste beginsel, wanneer het zich in ’t maatschappelijk leven nog eens voordoet, als ‘brutisme’ kenmerkt. Als grondslag voor de menschwording, als drijfkracht voor de hooger ontwikkeling der menschheid, heeft dan ook voor mij de strijd om het bestaan niet de minste betekenis’.

Ten slotte over de teeltkeus nog dit (eveneens uit ‘Hersenen en Cultuur’): ‘Blijft nu ter beantwoording nog over de vraag in hoeverre van de sexueele teeltkeus een dergelijke invloed kan zijn uitgegaan. En ook op deze vraag zullen wij een ontkennend antwoord moeten geven, er zijn meerdere gronden aan te voeren, die tegen deze oorzaak van de evolutie van den menschelijken geest pleiten. Reeds in ’t algemeen moet er op gewezen worden, dat, hoewel bepaalde eigenschappen van geest of karakter niet zelden van een der ouders op het kind overgedragen worden, werkelijke superioriteit van den geest niet erfelijk is. De brieven van geestelijken adeldom luiden persoonlijk ’.

Men voelt misschien al wel hoe door dit alles heen een rode draad loopt. Voor Bolk was de gedachte aan de werkelijkheid van een scheppend principe, dat wil zeggen de werkelijkheid van de geest, een vanzelfsprekendheid, al sprak hij dit (nog) niet direct zo uit.

Haeckel

Om het volgende in z’n volle omvang te waarderen, ik zou haast willen zeggen, in z’n dramatiek te ondergaan, moet nog even iets gezegd worden over het werk van een oudere tijdgenoot van Bolk, die een grote rol in de evolutieleer gespeeld heeft: Ernst Haeckel. Haeckel had zich de opgave gesteld sterkere argumenten te vinden voor de juistheid der stelling, volgens welke elke latere diersoort zich uit een voorafgaande vorm ontwikkeld zou hebben. Hij vond dit argument door het bestuderen van de embryonale ontwikkeling van verschillende dieren. Haeckel nam waar dat gedurende de ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm van bijvoorbeeld een vogel, in het embryo een stadium doorlopen wordt met eigenaardige uitstulpingen aan de oorspronkelijke slokdarm, die later weer spoorloos verdwijnen. Hij kon hiervoor aanvankelijk geen verklaring vinden. Hij bracht dit echter met recht in verband met het feit dat ook bij de foetale ontwikkeling van de mens iets dergelijks optreedt. Ook de mens vertoont een tijdlang ‘kieuwspleten’.

Toen hij bij de reptielen hetzelfde constateerde en ten slotte ontdekte dat hetzelfde bij de vissen voorkwam, dat echter hier die genoemde uitstulpingen niet verdwenen doch tot de kieuwen werden, zag hij in een grootse visie datgene wat door hem samengevat werd als de zogenaamde biogenetische grondwet. Deze houdt in dat elke diersoort in haar ontwikkeling van eicel tot voldragen vorm in het kort de stadia doormaakt die zij in de evolutie tot dan toe doorlopen heeft. Het feit dat de reptielen, vogels en zoogdieren de genoemde uitstulpingen, die bij de vissen tot kieuwen worden, slechts voorbijgaand vertonen, betekende voor hem dat de latere dieren hun vroegere vissenstadium als het ware als een soort herinnering nog even snel doorlopen. In wetenschappelijke termen uitgedrukt luidt dit: elke ontogenie (ontwikkeling van het embryo) is een verkorte phylogenie (ontwikkeling van de soort). Men heeft later Haeckel veel bekritiseerd. Men heeft gezegd dat zijn waarnemingen niet exact waren, dat het wel ongeveer zo was, doch dat er te veel vragen over de details bleven. Wat men daarbij niet besefte, was dat ook een genie als Haeckel in grote lijnen denkt en weet dat de verklaringen van de details zich naar die grote lijn zullen moeten richten.

Ook Bolk voelde de juistheid van het principe van Haeckels grondwet, ondanks het feit dat hij tegelijkertijd steeds meer moeilijkheden zag bij het verklaren van de evolutie door het laten ontstaan van één diersoort uit de vorige. Hij zat in een impasse. Hij had het gevoel dat het feit dat de dierensoorten een duidelijke reeks vormen, dat de wet van Haeckel in wezen niet genegeerd kan worden, dat de mens zich zo geheel anders ontwikkelt dan alle dieren, dat al deze feiten een reeks aparte fenomenen betekenden, die ergens met elkaar samenhingen.

Bolk wachtte om zo te zeggen op een ervaring, die deze beduidende schakel zou kunnen zijn. Die schakel kwam, toen op zekere dag aan Bolk een chimpansee-foetus van ongeveer zeven maanden gestuurd werd. De moeder was door een ongeval om het leven gekomen. Wat Bolk zag, was een wezentje dat met een kaal lichaam en alleen haar op het hoofd, met een voorhoofd en een kin precies op een menselijke foetus leek. Hij zag in gedachten dit mensachtige diertje later uitgegroeid als chimpansee met z’n behaarde lijf, z’n hellende voorhoofd en z’n sterk naar voren dringende snoet en was diep getroffen door het intense verschil.

Zijn eerste verdere gedachte was: volgens de biogenetische grondwet zou de mens, die na de aap op aarde verschijnt, vóór zijn geboorte een apenstadium moeten doormaken. Hier zien we dat het omgekeerde het geval is! De aap maakt vóór z’n geboorte een mensenstadium door. Later verwijdert de aap zich snel van dit stadium. De mens ontwikkelt zich echter niet zo veel verder, hij blijft ten opzichte van de aap achter, hij is vertraagd in z’n ontwikkeling, geretardeerd. Vandaar de uitdrukking: retardatietheorie. De ontwikkeling van de aap is versneld, hij is propulsief. Hij snelt zo te zeggen naar de aarde toe.

Dit komt er echter op neer dat de mens weliswaar later op aarde verschijnt dan de aap, doch in wezen ouder is! De aap is een aftwijging van de zich langzamer ontwikkelende mens. Hij was eerst mensachtig en werd dier. Het was voor Bolk haast vanzelfsprekend dit onmiddellijk als een oerbeginsel te herkennen, dat aan het ontstaan van het hele dierenrijk ten grondslag ligt. Daarmee was hij echter genoodzaakt de hele evolutie in een totaal nieuw licht te gaan zien.

Hij moest tegen zich zelf zeggen: het is nu duidelijk dat de dierensoorten weliswaar een reeks vertonen, doch niet uit elkaar zijn ontstaan. Ze zijn achtereenvolgens afgetwijgd van een zich naast de dieren ontwikkelende vorm, die de latere mens zou worden. Dieren zijn gefixeerde stadia van de menselijke evolutie.

Revolutionaire gedachten

Het meest revolutionaire van deze gedachtegang is dat daarmee de mens als idee, als beginsel niet aan het eind doch aan het begin van de
dierenevolutiereeks geplaatst moet worden. In zijn eigen woorden zegt Bolk hierover (‘Hersenen en Cultuur’): ‘In zijn uiterste consequentie toegepast moet dit standpunt voeren tot de meening dat in het laagste, of laat ik het maar aanduiden als oer-organisme, reeds de noodzakelijkheid besloten lag der menschwording, die met even groote zekerheid in den loop der tijden daaruit volgen moest, als uit een bevruchte dierlijke eicel een volwassen dier als eindstadium van den ontwikkelingsgang ontstaat. Dat klinkt mystiek maar geeft mij zelve toch meer bevrediging dan de consequente toepassing van de selectie- of aanpassings-theorie, als eenig leidend beginsel der evolutie, waarbij ten slotte de menschwording een louter spel van het toeval geweest is’.

Evenzeer was Bolk zich ervan bewust dat hij daarmee iets in een wetenschappelijke beschouwing introduceert dat in de moderne wetenschap radicaal afgewezen wordt: de gedachte aan een richtinggevende kracht die in de evolutie impulserend gewerkt heeft. Hoezeer hij zich van dit revolutionaire standpunt bewust was, spreekt duidelijk uit zijn eigen woorden (‘Hersenen en Cultuur’):
‘Nu ben ik mij zeer wel bewust, dat ik met de boven getrokken conclusie op zeer glad en gevaarlijk terrein gekomen ben. Want ik stel mij toch bloot aan de opmerking, dat ik met de invoering van een inwendigen, in het organisme zelve gelegen ontwikkelingsfactor, die het voorkomen en de vormveranderingen der diervormen in den loop der tijden mede beheerscht zou hebben, de evolutiegang als iets a priori gedetermineerds, iets als van binnen uit gegeven zal moeten gaan beschouwen. Elke nieuwe vorm zou dan tot zekere hoogte zijn een vorm-noodwendigheid, ontstaan door de actie van dien, de evolutie reguleerenden en beheerschenden, in het organisme zelve wonenden factor. De opmerking is juist, maar ik wijk voor deze consequentie niet terug’.

De werkelijke waarde van deze uitspraak, de grootheid van Bolks persoonlijkheid, kunnen we het beste illustreren door een gesprek te vermelden dat meer dan een eeuw geleden in Frankrijk plaats gevonden zou hebben. Laplace (1749-1827) had in de loop van jarenlange studies en in verband met de filosofische beschouwingen van zijn tijd een speciale theorie opgesteld over het ontstaan van de aarde en van de natuurrijken. Deze theorie komt in het kort hierop neer dat de oorspronkelijke oneindig uitgebreide en verspreide
deeltjeswereld (men sprak toen over atomen, nu zou men over elektronen spreken) samenklonteringen ging vertonen, waardoor vanuit de atomen moleculen en moleculaire samenstellingen ontstonden. Deze werden steeds gecompliceerder, om ten slotte zo samengesteld en ingewikkeld te worden, dat ze de verschijnselen gingen vertonen van wat we als ‘leven’ plegen te omschrijven. Deze levende vormen ontwikkelden zich onder invloed van buitenaf verder en verder tot de verschijnselen van reageren, van bewustzijn, begonnen op te treden. Zo ontstond uit een oorspronkelijk universeel stadium een planten- en een dierenstadium. De verdere evolutie van dier naar mens werd op dezelfde manier voortgezet gedacht, zoals in wezen de meeste moderne evolutietheorieën nog steeds doen. Zo ontstond ten slotte de mens.

Laplace – zo doet het verhaal de ronde -toonde de conceptie van deze totale evolutietheorie aan Napoleon, die deze eerst aandachtig bestudeerde en toen met enige verbazing zei: ‘Ik kom het begrip God niet tegen in uw beschouwing,’ waarop Laplace bescheiden glimlachend geantwoord zou hebben: ‘Sire, je n’avais pas besoin de cette hypothèse’ (Sire, aan deze hypothese had ik geen behoefte meer). Het scheppende principe tot overbodige hypothese gedegradeerd aan de ene kant; aan de andere kant Bolk, die evenzeer via een wetenschappelijk onderzoek tot een uitspraak komt, waarvan ik meen dat de hele wereld kennis zou moeten nemen.

‘Ik wijk voor deze consequentie niet terug’!

Moed, in dienst van wat hij als waarheid voelde, is hetgeen we hier bij Bolk op zulk een bijzondere wijze ontmoeten. Bolk was een eenzame figuur, diep in zijn ziel was hij ervan doordrongen dat hij geen algemene bijval van de wereld kon verwachten.

Ik heb later nog met meerdere familieleden van hem kennis kunnen maken. Ze spraken altijd met de grootste verering over ‘Louis’, doch er was ook een kloof: Bolk stond op zichzelf; hij volgde geheel zijn eigen lijn. Waar het erom ging eigenschappen van een mens uit de erfelijkheid te willen verklaren, had hij ook een strikt persoonlijke visie. We zijn z’n uitspraak tegengekomen: ‘Brieven van adeldom luiden persoonlijk’. Dit was geheel in overeenstemming met wat hij, in mijn laatste ontmoeting met hem op z’n ziekbed, uitsprak: ‘Wat een mens als geestelijk wezen hier op aarde vertoont, hangt weliswaar af van waartoe zijn tijdelijke vorm hem in staat stelt; in wezen is de menselijke geest echter universeel’.

Onbeantwoorde vragen

Op twee vragen kon Bolk geen antwoord geven. Ten eerste worstelde hij met de vraag hoe zich de beschreven menselijke evolutie voltrokken had. Hij kon zich de heersende opvatting niet anders voorstellen dan dat dit plaats had gevonden op een wereld, op de aarde, zoals wij haar nu kennen. De tweede vraag was: wat is de zin van deze aftwijging van het dier? Voorzover ik weet heeft hij in die richting nimmer een uitlating gedaan.
Door Rudolf Steiner werd een licht geworpen op deze twee problemen. De ontwikkeling der aarde heeft zich voltrokken in samenhang met een verdichting van toestanden die naar het verleden toe steeds ijler gedacht moeten worden. Daarnaast krijgen we met een principe te maken dat tot dusverre in een evolutieleer nog nimmer is opgedoken. Men gaat ervan uit dat de mens ééns een dier was en zou dan consequenterwijze de conclusie moeten trekken dat het dier ééns plant geweest is en de plant ééns mineraal.

In een belichting vanuit de antroposofie klinkt dit als volgt: de mens heeft een dierenfase doorgemaakt, een plantenfase en een minerale-fase. Deze fasen zijn dus stadia in de evolutie van de mens. Tevens hebben zij zich afgespeeld in een zich steeds verder verdichtende materialiteit. Deze verdichting is er een van ‘warmte’ naar lucht, naar water en aarde. Dat men hiermee nieuwe voorstellingen introduceert, waar bijvoorbeeld warmte als een vorm van ‘materialiteit’ verschijnt, is duidelijk.

In de eerste fase wordt slechts het fysieke lichaam – in principe – gevormd. In de tweede wordt er het leven aan toegevoegd; in de derde het zielenelement, in de vierde datgene wat wij ‘geest’ plegen te noemen. Kijkende naar de natuurrijken om ons heen – mineraal, plant, dier en mens – heeft men een duidelijk beeld van datgene wat hier bedoeld is, doch tevens kan men daardoor een indruk krijgen van wat zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Van de minerale fase is namelijk iets teruggebleven dat later tot mineralenrijk werd; van de plantenfase een deel dat later het plantenrijk werd. Op dezelfde wijze is het dierenrijk de representant van wat zich in de dierenfase van de mens heeft afgespeeld.

Wanneer dan de mens ten slotte op aarde verschijnt, zijn de drie rijken om hem heen reeds min of meer aanwezig. Dat al die rijken in de loop van hun verdere verdichting nog veranderingen ondergaan hebben (wat niets te maken heeft met ‘evolueren’) is vanzelfsprekend. Het bijzondere van deze gedachte is, dat wij in de rijken dus stadia van de menselijke evolutie kunnen herkennen, waarbij we bij de vraag van Bolk aangeland zijn: waarom vond dit plaats?

Er moet hier volstaan worden met dit opnoemen van het resultaat, door te zeggen: ‘Het dierenrijk is de belichaming van een overmaat van begeertekracht die anders een belemmering voor de overgang van de dierlijke naar de menselijke fase onzer evolutie geweest zou zijn. Het plantenrijk is de overmaat van vitaliteit die anders een belemmering voor de overgang van de planten naar de dierlijke fase van onze evolutie geweest zou zijn. Met het mineralenrijk is een overmaat van verdichtingstendens van de zich ontwikkelende mens afgenomen die anders een belemmering voor de overgang van de minerale naar de
plantenfase van onze evolutie geweest zou zijn*’.

Zo zijn de drie ons omgevende rijken een beeld van onze eigen evolutie. Zo begrijpt men dat speciaal planten- en dierenrijk, waar men te maken heeft met ‘lagere’ en ‘hogere’ planten en dieren, tevens verhalen van hetgeen zich gedurende de menselijke evolutie afgespeeld heeft. Zo leeft de mens thans op het mineraal, van de planten, met de dieren en onder de mensen.

Dat deze visie ten slotte uit moet monden in een ongelooflijk gevoel van dankbaarheid tegenover de rijken om ons heen, waarvan de antroposofie tevens onthult dat hun ontstaan te danken is aan de scheppende wijsheid van geestelijke wezens die daarmee een onvoorstelbaar offer gebracht hebben, mag niet onvermeld blijven. Ik kan niet nalaten op te merken hoe zeer Bolk verheugd geweest zou zijn als hij het nog had mogen meemaken dat Prof. Dr. Erich Blechschmidt uit Göttingen door exact wetenschappelijke onderzoekingen tot de conclusie kwam dat de mens nimmer een dier geweest kan zijn. Het lot heeft met zich meegebracht dat Bolk nimmer met antroposofie in aanraking gekomen is. Zijn werk en zijn visie monden echter direct uit in de stroom van deze wijsheidsvernieuwing.

*Een en ander is uitgewerkt in mijn boek ‘Dieren zijn wat mensen hebben’.
.

Leen Mees, Jonas 17, 15-04-1983
.

Biografieën: alle biografieën

Louis Bolk instituut