Categorie archief: vertelstof

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 1900 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/10)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

DE ZEVEN RAVEN

Een man had zeven zoons maar nog steeds geen dochtertje, hoezeer hij dat ook wenste; ten slotte gaf zijn vrouw hem weer hoop op een kind, en toen het ter wereld kwam was het inderdaad een meisje. Groot was de vreugde, maar het kind was teer en klein en moest vanwege haar zwakheid de nooddoop ontvangen. De vader stuurde een van de jongens in allerijl naar de bron om water voor de doop te halen, de zes anderen liepen mee, en omdat ieder de eerste wou zijn bij het scheppen, viel de kruik in de bron. Daar stonden zij en wisten niet wat zij moesten beginnen en niemand durfde naar huis te gaan. Toen zij niet terugkwamen werd de vader ongeduldig en sprak: ‘Zij hebben het zeker weer onder het spelen vergeten, die goddeloze jongens.’ Hij werd bang dat het meisje ongedoopt zou moeten sterven en in zijn woede riep hij: ‘Ik wou dat die jongens allemaal raven werden!’ Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken of hij hoorde een geruis boven zijn hoofd in de lucht, keek omhoog en zag zeven gitzwarte raven wegvliegen.

In dit sprookje komen we weer een getal tegen: zeven. Dat gebeurt vaker – ‘De wolf en de zeven geitjes’ en andere. Ook het getal twaalf zien we en de drie, bijv. wanneer er sprake is van drie broers of zusters.
Die getallen duiden ook op iets kosmisch: we hebben de twaalf dierenriemtekens, de zeven planeten en de heilige Drievuldigheid.
Bij de Egyptenaren sprak men ‘Zo boven, zo beneden’ en ook in de middeleeuwen beschouwde men de mens als een kleine kosmos tegenover de grote. 
Paracelsus, de grootste arts uit die tijd, noemde de organen niet zoals wij nu: hart, longen enz., maar duidde die met de namen van de planeten: de hersenen: maan; de longen: Mercurius; de nieren: Venus; het hart: de zon; de gal: mars; de lever: Jupiter en de milt: Saturnus

In het sprookje van de zeven geitjes maakten we kennis met de driftmatige nieuwsgierigheid. Dit driftmatige kan zich op een zevenvoudige manier uiten.
In dit sprookje over de zeven raven hebben we te maken met krachten die meer van geestelijke aard zijn. Het zijn de zeven loten aan de omvangrijke boom van het geest-zielenwezen van de mens (vader en moeder) en de zeven zonen, de zeven broers. Die zijn in ieder mens werkzaam. De een bezit de intellectuele vaardigheden (hersenen), de andere de marsachtige wilskracht (gal), een ander de warmte en innigheid van het hart. Ieder geeft zijn deel aan het geheel. 
Een sprookje schetst dit als de nog jonge, naïeve krachten die zich nog aan het ontwikkelen zijn (jonge jongens, knapen.) Ooit verkeerde de mensheid ook nog in zo’n jong stadium en ieder mens maakt als deel van de mensheid deze ontwikkeling die een verandering van het bewustzijn betekent, in zijn eigen leven door, vooral ook in de kindertijd.

Vader en moeder willen graag een dochtertje: de ziel heeft behoefte aan een nieuw bewustzijn dat de actieve geestkracht terzijde komt te staan. Het beeld van het ‘enige dochtertje‘ wijst op een toekomstig wezen dat zichzelf als persoonlijkheid begint te begrijpen. Het duurde in de mensheid ook lang voordat deze individuele ziel werkelijkheid kon worden, want de mens werd nog lang – en heden ten dage in bepaalde culturen, niet eens zover bij ons vandaan nog steeds, – gedomineerd door familie (uithuwelijken, eerwraak), stam, ras e.d. Dat is in wezen: onvrij!
En toen het kindje eindelijk geboren was, was het teer en klein.

Alle zeven geestbroeders wilden ‘scheppend’ actief zijn voor dat pasgeboren zielenwezen en voor haar het  leven brengende water halen, het doopwater. Dit is een verwijzing dat de ziel waarom het hier gaat, christelijk moet worden.
Hoewel de broers het vermogen hebben – ze beschikken over de kruik en kunnen dus water scheppen, ‘scheppend zijn’, lukt het toch niet. Ze kunnen nog niet als geheel samenwerken: ‘omdat ieder de eerste wou zijn bij het scheppen’. En nu verliezen ze de mogelijkheid om nog scheppend actief te kunnen zijn. De kruik valt in de bron.

Het verwerven van een nieuw vermogen, gaat vaak ten koste van andere vermogens. Die blijven achter. De geboorte van de nieuwe Ik-achtige ziel heeft een verduistering tot gevolg voor de oudere geestkrachten: die worden in raven veranderd.
In de Germaanse mythologie is het alvader Odin die twee raven op zijn schouders heeft zitten: Hugin en Munin, verstand en geheugen. Het zijn de boodschappers die heen en weer vliegen tussen ‘hier’ en ‘daar’
De vogels zijn vaak de boodschappers; we spreken van een ‘gedachte’vlucht, of ‘gevleugelde’ woorden: ‘Vlugger als de wind die vliegt ( ) gaan mijn kind, gedachten (Gezelle).
Innerlijk een ‘hoogvlieger’ zijn wordt gesymboliseerd door de adelaar en de valk. 
De raaf wijst op een ander element: zijn glanzende zwarte veren, zijn zware ernst, zijn bijna spookachtig uiterlijk en zijn zware vlucht maken hem tot het zinnebeeld van een gedachte-wijsheid die duister is geworden.

De zeven broeders zijn nu als de raaf.
Iedere verandering in een dier betekent in het sprookje dat geestkrachten – met het volle vermogen tot inzicht en kennis – terugvallen in het instinctieve, dat bij het dierenleven hoort.

De ouders konden de verwensing niet meer ongedaan maken, maar hoewel zij droevig waren over het verlies van hun zeven zoons, werden zij toch enigszins getroost door hun lief dochtertje, dat spoedig op krachten kwam en met de dag mooier werd. Lange tijd wist zij niet eens dat zij broers had gehad, want de ouders pasten er wel voor op om over hen te spreken. Tot zij op een dag toevallig enige mensen over haarzelf hoorde zeggen, dat het meisje dan wel mooi was, maar toch eigenlijk schuldig aan het ongeluk van haar zeven broers. Toen werd zij erg bedroefd, ging naar haar vader en moeder en vroeg of zij werkelijk broers had gehad en waar die waren gebleven? Nu mochten de ouders het geheim niet langer verzwijgen maar zij zeiden dat het door de hemel zo was beschikt, en dat haar geboorte slechts de onschuldige aanleiding geweest was. Maar het meisje had er iedere dag gewetenswroeging over en vond dat zij haar broers weer moest verlossen. Zij had rust noch duur totdat ze heimelijk de wijde wereld in trok om haar broers op te sporen en te bevrijden, koste wat het kosten moge. Zij nam niets mee dan een ringetje van haar ouders als aandenken, een brood voor de honger, een kruikje water voor de dorst en een stoeltje voor als ze moe was.

Het ‘enige dochtertje’ wordt sterker en mettertijd hoort ze het lot van haar broers. De menselijke ziel moet sterker worden, maar ‘Ik-kwaliteiten’ ontwikkelen, daarbij gaan de andere krachten verloren. Maar deze enige dochter is de christelijke ziel die liefheeft en ze vindt geen rust vóór ze haar broertjes heeft verlost. Er is een lange weg te gaan.

Ze neemt een ring mee. Waarom? Die was in het bezit van haar ouders, maar zij draagt hem nu en neemt hem mee de wereld in en brengt deze bij de broers. Zoals de cirkel de uitdrukking is van het alomvattende, zo geldt dat ook voor de ring. Er is geen begin en geen einde: de beleving van de ziel als eeuwig wezen, zonder begin en einde, als die zich het Ik als goddelijke vonk bewust wordt. 
Zolang de mens dit Ik-bewustzijn nog niet heeft, kan hij zichzelf nog niet beleven als een in zichzelf verankerd wezen; dan heeft hij nog leiding nodig, want hij is dan nog niet zelfstandig en onvrij. 
De mens uit het Avondland probeert persoonlijkheid te worden, kracht te vinden om zelf-be-heer-send te worden en de medemens en de wereld liefde te schenken.
Die ontwikkeling wordt bijv. geschetst in Wagners ‘Ring der Nibelungen’. 
In de erfelijke krachten liggen mogelijkheden: de ring is bij vader en moeder, maar de jonge ziel brengt deze in de werkelijkheid: het meisje draagt de ring.

Nu liep zij steeds maar door, verder en verder, tot aan het einde van de wereld. Daar kwam zij bij de zon, maar die was te heet en te verschrikkelijk en hij at kleine kinderen op. Heel hard liep zij weg en liep naar de maan, maar die was veel te koud en bovendien te gruwelijk en te kwaad en toen die het kind zag, sprak hij: ‘Ik ruik mensenvlees.’ Toen maakte zij dat zij weg kwam en kwam bij de sterren, die waren vriendelijk en goed voor haar en iedere ster zat op zijn eigen stoeltje. Maar de morgenster stond op, gaf haar een hinkelbeentje en sprak: ‘Zonder dat beentje kun je de glazen berg niet open maken en in de glazen berg zijn je broers.’

Het meisje heeft een lange reis voor zich: tot aan het einde van de wereld, d.w.z. daar waar de zintuigwereld ophoudt en de bovenzintuiglijke wereld begint. 
De grote leraren die ons de sprookjes schonken, waren ervan overtuigd dat de mens al in dit leven toegang kan vinden tot een andere wereld. Ze wisten dat de ziel moet leren zich te verheffen tot de sterrenwereld, wil ze haar lot leren kennen en in de hand nemen. 
De microkosmische krachten, de zeven broers, moeten macrokosmisch worden gekend. Ze neemt brood mee: geestelijke voeding zoals de aarde die geeft; ook water – het bezielde voelen, voor zover de aarde dat kan geven en ook de noodzakelijke kracht – het Duits heeft hier ‘Fassungskraft’ – kracht om iets te begrijpen – dat terugkomt in het woord voor kruik: Gefäss.
De zon en de maan als representanten van dag en nacht kunnen voor haar niets betekenen. De zon – het wakkere dagbewustzijn – is te sterk en zou het kind vernietigen (zij vreet kleine kinderen). En de maan, de regent van de nacht, die het individuele opheft, houdt als zodanig ook de Ik-wording tegen. De ziel moet verder, naar de wereld van de planeten, want dat zijn de leiders van de zeven krachten die duister zijn geworden.
‘Iedere ster zat op zijn eigen stoeltje’. Net als de sterren heeft ook zij haar stoeltje bij zich. Op een stoel zit je alleen, het is een teken van het individuele. Zij neemt dus de aanleg voor het individuele mee als ze de kosmische krachten begint te ontwikkelen. Ook in de ‘hogere wereld’ blijft ze een zelfstandig wezen, een individualiteit; en ook de intelligentie van de planeten – Thomas von Aquino dichtte ieder gesternte een eigen intelligentie toe – spreekt op eigen wijze tot haar, zodat ze het begrijpt en de raad kan opvolgen. De wijsheid van de sterren wordt dus individueel beleefd. Wanneer in oude tijden de mens opging in het universum, betekende dit: zijn persoonlijkheid prijsgeven. Maar het meisje in het sprookje behoudt haar Ik en houdt met de sterren individuele dialogen.
De zeven broers wonen in de sfeer die het sprookje ‘glasberg’ noemt. De berg is ‘wat bergt’ en ook ‘ver-bergt’. Een berg moet je beklimmen – ‘op de hoogte zijn!’, maar ook wat je moet overwinnen: je ziet er als een berg tegenop. Hier is het iets verborgens dat ontsloten moet worden. Glas is het resultaat van verstarring: wat vloeibaar smeltend was, wordt vast. Met de glasberg wordt een sfeer van verstarring bedoeld. Star, staren, verstard, glazen ogen, alles duidt op gevoelloos, koud. Wanneer een mens is gestorven zijn de ogen glasachtig geworden. In dit rijk moet de liefhebbende ziel nu binnen proberen te komen.

Het meisje nam het beentje, wikkelde het zorgvuldig in een doekje en liep weer verder, net zo lang totdat zij bij de glazen berg kwam. De poort was gesloten en zij wilde het beentje te voorschijn halen. Maar toen zij het doekje openvouwde was het leeg, en zij had het geschenk van de goede sterren verloren. Wat moest zij nu beginnen? Zij wilde haar broers redden maar zij had geen sleutel voor de glazen berg. Het goede zusje nam een mes, sneed haar pinkje af, stak dat in het slot en maakte de poort zonder moeite open. Toen zij naar binnen was gegaan kwam een dwergje haar tegemoet dat sprak: ‘Mijn kind, wat zoek je?’ – ‘Ik zoek mijn broers, de zeven raven,’ antwoordde zij. De dwerg sprak: ‘De heren raven zijn niet thuis, maar als je hier zolang wilt wachten tot zij terug zijn, kom dan maar binnen.’ Daarna bracht het dwerg je de spijzen voor de raven binnen op zeven bordjes en in zeven bekertjes en van ieder bordje at het zusje een stukje en uit ieder bekertje dronk zij een slokje. Doch in het laatste bekertje liet zij het ringetje vallen dat zij had meegenomen.

Het zusje moet nu het rijk van de verstarring binnengaan. Van de morgenster had ze een hinkelbeentje gekregen, maar dat was ze verloren. 
Wie de ring van de persoonlijkheid draagt en die een hogere wereld binnengebracht heeft, moet op eigen kracht proberen een opening te vinden. Het persoonlijke offer is de sleutel, het is een offer dat eigen bloed kost.
Overal waar in een sprookje een dwerg verschijnt, wordt gewezen op een bepaalde elementaire geestkracht in de natuur. Tegenwoordig spreken we in abstracties over natuurkrachten en natuurwetten. De helderziende mens zag meer. Hij zag geestelijke wezenskrachten in innerlijke beelden en noemde die natuurgeesten. Deze elementairgeesten die vooral in de vorming van de aarde werkzaam zijn, in stenen en metalen, zag hij in het ‘waar’beeld van de dwergen. 
Ook wij dragen de aarde met ons mee, want het lichaam van de mens is uit stof opgebouwd en wordt weer stof. Ook dragen we metalen met ons mee, zoals ijzer in ons bloed. 
De zeven raven eten het voedsel dat de dwerg voor hen klaarzet; d.w.z. de zevenvoudig ontsloten jonge mensengeest die verduisterde, in het donker kwam in de tijd van het wordende Ik-bewustzijn, beleeft het aardse, weet echter alleen wat lichamelijk ervaren wordt.
Zijn weten is, we kunnen ook zeggen omdat het tot het aardse beperkt blijft -klein, dwergachtig geworden. Het staat wel in verbinding met de wereld van de elementen, maar niet met een hogere. Hij vliegt in het duister als een raaf. Hij weet dat zijn organen een stuk natuur zijn en moeten gehoorzamen aan natuurwetten. Hij weet veel van de gal als een lichamelijk orgaan, maar niets van hoe de planeet Mars doorwerkt in zijn gedachte- gevoels- en wilsleven en hoe de functie van de gal de basis is voor geest-zielenprocessen. Zijn weten is zijn voedsel, maar het is ‘dwergen’voeding. Aan deze voeding heeft de ziel deel: ze eet van ieder bordje een stukje en drinkt uit ieder bekertje een slokje.
Zij verenigt de gescheiden zevenheid  – het dwergachtige – en omdat dat in haar tot eenheid wordt, kan zij de ring schenken. Daardoor valt ook de kracht van het in zich gesloten Ik-bewustzijn de broeders ten deel. Zij kunnen nu op een hoger niveau in eenheid en harmonieus samenwerken. Zij krijgen van de ziel die uit hogere werelden kracht en kennis heeft gehaald, een geschenk.

Opeens hoorde zij in de lucht een geruis en gesuis en het dwergje zei: ‘Daar komen de heren raven naar huis vliegen.’ Daar kwamen ze, ze wilden eten en drinken en zochten hun bordjes en bekertjes op. Toen zei de een na de ander: ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten? Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken? Dat is een mensenmond geweest.’ En toen de zevende zijn bekertje tot op de bodem ledigde, rolde het ringetje naar hem toe. Hij bekeek het en zag dat het een ringetje van zijn vader en moeder was en hij sprak: ‘God geve dat ons zusje hier is, dan zijn wij verlost.’
Toen het meisje, dat achter de deur stond te luisteren, deze wens hoorde, kwam zij te voorschijn en toen kregen alle raven hun menselijke gestalte terug. En zij omhelsden en kusten elkaar en gingen vrolijk naar huis.

Het sprookje schetst een drama van de ziel dat zich in de ontwikkeling van de mensheid heeft afgespeeld, toen deze het kinderstadium achter zich liet en zelf-bewuster werd. Ditzelfde drama speelt zich in ieder mens af wanneer hij zijn kindertijd achter zich laat en ‘persoon’ wordt.
Het sprookje wil ertoe bijdragen dat dit zelfbewustzijn niet egoïstisch wordt, anders blijven de geestkrachten die in de mensenziel werken, driftmatig en verkommeren. Het onegoïstische, van liefde doortrokken zelfbewustzijn moet in de mens doorbreken.

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 25-grimm-de-zeven-raven-1.jpg

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2341

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/9)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE KIKKERKONING OF IJZEREN HENDRIK

In oude tijden, toen wensen nog hielp, leefde er een koning wiens dochters allen mooi waren; maar de jongste was zo mooi dat de zon zelf, die toch zoveel gezien heeft, zich erover verbaasde iedere keer als hij haar gezicht bescheen. Vlak bij het slot van de koning lag een groot donker bos en in dat bos bevond zich onder een oude linde een bron. Als het nu overdag heel warm was liep het koningskind het bos in en ging aan de rand van de koele bron zitten – en als zij zich verveelde nam zij een gouden bal die zij omhoog wierp en weer opving; en dat was haar liefste spel. Nu gebeurde het op een keer dat de gouden bal van de koningsdochter niet in haar handje viel, dat zij omhoog hield, maar er naast op de grond terechtkwam en regelrecht in het water rolde.

Heraclitus zei al: ‘De grenzen van de ziel kun je niet vinden, al doorloop je elke weg: zo diepe grond heeft zij.’

En daarmee heeft de ziel iets weg van een bron waarvan de diepte niet te peilen is. Maar een bron is ook iets scheppends: er vloeit iets uit naar de buitenwereld. 
De ziel van de koningsdochter bevindt zich dicht bij deze bron zolang zij kind is. Ze speelt met de kosmische wijsheid die onbewust in haar leeft: de gouden bal. 
Friedrich Rückert zegt over deze wijsheid: ‘O du Kindermund,….unbewuster Weisheit froh, vogelsprachekund…wie Salomo’.
Op een dag zinkt de bal, de ziel kan niet meer bij de kosmische wijsheid.

De koningsdochter volgde hem met haar ogen, maar de bal verdween en de bron was zó diep, zó diep dat je de bodem niet zag. Toen begon zij te huilen en huilde steeds harder en zij was ontroostbaar. En toen zij daar zo zat te jammeren riep iemand haar toe: ‘Wat is er toch, koningsdochter, je huilt zo dat je er een steen mee zou vermurwen.’ Zij keek rond om te zien waar die stem vandaan kwam; daar zag zij een kikker die zijn lelijke dikke kop uit het water stak. ‘Ach, ben jij het, oude watertrapper,’ zei zij, ‘ik huil om mijn gouden bal die in de bron is gevallen.’ ‘Wees maar stil en huil maar niet,’ antwoordde de kikker, ‘ik weet er wel raad op, maar wat geef je mij als ik je speelgoed weer naar boven haal?’ ‘Wat je maar hebben wilt, beste kikker,’ zei zij, ‘mijn kleren, mijn paarlen en edelstenen en ook nog de gouden kroon die ik draag.’ De kikker antwoordde: ‘Je kleren, je paarlen en edelstenen en je gouden kroon wil ik niet hebben, maar als je mij wilt liefhebben en ik je makker en speelkameraad mag zijn, naast je aan je tafeltje mag zitten, van je gouden bordje eten, uit je bekertje drinken en in je bedje slapen: als je mij dat belooft, dan zal ik naar de diepte afdalen en je gouden bal weer naar boven brengen.’ –
‘Ach, ja,’ zei zij, ‘ik beloof je alles wat je wilt, als je mij mijn bal maar weer terugbrengt.’ Zij dacht echter: wat kletst die onnozele kikker, die zit bij zijn soortgenoten in het water te kwaken en kan nooit de makker van een mens zijn.

Toen de kikker de belofte had gekregen, dook hij met zijn kop onder water, liet zich naar beneden zakken en na een tijdje kwam hij weer naar boven roeien, met de bal in zijn bek en wierp die in het gras. De koningsdochter was verheugd toen zij haar mooie speelgoed terugzag, raapte het op en snelde ermee weg. ‘Wacht, wacht,’ riep de kikker, ‘neem mij mee, ik kan niet zo snel lopen als jij.’ Maar wat hielp het hem of hij haar zo hard hij maar kon zijn Kwak-Kwak nariep. Zij luisterde er niet naar, holde naar huis en zij was de arme kikker die weer in zijn bron moest afdalen, al gauw vergeten.

De koningsdochter is nu heel verdrietig, maar leed kan voor een verandering zorgen. 
Diep in de ziel sluimeren nog allerlei krachten. Die zijn in de kindertijd niet bewust aanwezig, 
Als de ziel bedroefd is omdat de kosmische wijsheid weggezonken is, kunnen er krachten naar boven komen. 
In dit sprookje verschijnen deze in het beeld van de kikker. In het beeld van het Ik.

Wie over de kikker nadenkt, komt bij verschillende kwaliteiten. Hij leeft in twee werelden: die van het water en van het land. Bovendien is hij heel gevoelig voor de atmosfeer. Hij is niet voor niets de ‘weerprofeet’. 
Een dromer is de mens die zich niet zo gemakkelijk begeeft op ‘de bodem van de feiten’, die makkelijk in zichzelf verzinkt – wegdroomt – zijn nek niet uitsteekt en het het liefst in zijn element blijft. Dat doet de kikker nu juist niet.
Het Ik wil met de ziel ‘optrekken’: de persoonlijke ontwikkeling moet beginnen.
Maar het Ik is hier nog in de gedaante van de kikker en dat zorgt voor een crisissituatie. Terecht voelt de koningsdochter afkeer. Ze moet het samenleven met deze kracht nog afwijzen. Deze kan zich alleen nog pas uiten als drift, als dierlijke kracht. 
Maar de koning, de heersende kracht in de ziel, weet meer: de ziel moet bereid zijn de ontwikkelingsweg van het Ik in te willen slaan, ook als dat tot moeilijkheden leidt. De deur moet voor de kikker worden geopend.

Toen zij de volgende dag met de koning en de hele hofhouding aan tafel zat en van haar gouden bordje at, kwam daar klits-klats, klits-klats iets de marmeren trap opkruipen en toen het boven was aangeland klopte het op de deur en riep: ‘Koningsdochter, jongste, doe eens open.’ Zij liep naar de deur om te zien wie er buiten stond. Toen zij echter opendeed zat de kikker voor de deur. Zij wierp die haastig dicht, ging weer aan tafel zitten en was heel bang. De koning zag wel dat haar hart hevig klopte en sprak: ‘Mijn kind, wat is er, ben je misschien bang dat er een reus voor de deur staat, die je wil meenemen?’ – ‘Ach neen,’ antwoordde zij, ‘het is geen reus maar een lelijke kikker.’ – ‘Wat wil die kikker van je?’ – ‘Ach, lieve vader, toen ik gisteren in het bos bij de bron zat te spelen, viel mijn gouden bal in het water, en omdat ik zo schreide heeft de kikker hem weer naar boven gehaald en omdat hij het volstrekt wilde, beloofde ik hem dat hij mijn kameraad kon worden, maar ik had nooit gedacht dat hij uit het water zou kunnen komen; nu staat hij daarbuiten en wil bij mij binnenkomen.’ -Intussen klopte de kikker voor de tweede maal en riep:

‘Koningsdochter, jongste,
doe open.
Weet je niet wat je gisteren
tegen mij hebt gezegd
bij het koele bronwater?
Koningsdochter, jongste,
doe open.’

Toen zei de koning: ‘Wat je beloofd hebt, daaraan moet je je ook houden, ga hem maar opendoen!’ Zij stond op om de deur te openen en daar sprong de kikker naar binnen en volgde haar op de voet tot aan haar stoel. Daar zat hij en riep: ‘Til mij op.’ Zij aarzelde tot de koning het ten slotte beval. Toen de kikker eenmaal op de stoel zat wilde hij op de tafel en toen hij daar zat sprak hij: ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’ Dat deed zij wel, maar het was duidelijk te zien dat zij het niet leuk vond. De kikker liet het zich goed smaken, maar haar bleef bijna iedere hap in de keel steken. Ten slotte sprak hij: ‘Ik heb mijn buikje rond gegeten en ik ben moe; draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ De koningsdochter begon te schreien en was bang voor de koude kikker die zij niet durfde aanraken en die nu in haar mooie schone bedje moest slapen. Maar de koning werd toornig en sprak: ‘Iemand die je geholpen heeft in de nood, mag je daarna niet verachten.’

“Til me op’ zegt de kikker en in het Duits staat er nog bij dat hij naast haar wil zitten. 
Hij wil niet laag in het verborgene leven als een dof instinct – ik wil op gelijke hoogte leven, ik wil op het niveau van bewustzijn komen. ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’
Goud is het metaal van de zon die licht en leven brengt. Goud houdt zijn waarde, glanst en is het symbool voor al het blijvende dat edel is, voor de verwantschap die de ziel met de zon heeft. Dat is de wijsheid die verwarmt en licht brengt. Het licht is geen reflectie maar een echt eigen licht.

Het gaat om de wijsheid: die moet de basis vormen voor de Ik-geest en de ziel: het gouden bordje dat ze samen delen. ‘Draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ In het Duits staat ‘hinlegen’ – ons neerleggen, er a.h.w. nestelen, ons thuis van maken. Met het ‘kamertje’ is het hart als kamer bedoeld. De geestelijke plaats waar Ik en ziel elkaar kunnen ontmoeten, maar ook moeten ontmoeten om elkaar te leren kennen.

Toen pakte zij hem met twee vingers op, droeg hem naar boven en zette hem in een hoek. Maar toen zij in bed lag kwam hij aankruipen en sprak: ‘Ik ben moe, ik wil net zo goed slapen als jij, til mij op of ik zeg het aan je vader.’ Toen werd zij pas goed boos, pakte hem op en smakte hem zo hard zij kon tegen de muur. ‘Nu kan je rusten, jij lelijke kikker.’ Maar toen hij naar beneden viel was hij geen kikker meer, maar een koningszoon met mooie vriendelijke ogen. En nu was hij zoals haar vader wilde, haar lieve metgezel en echtgenoot.

In het Duits staat hierbij nog dat de jonge prins haar lieve metgezel was en dat zij hem respecteerde en dat ze tevreden samen in slaap vielen.

Lenz zegt aan het begin van haar uitleg dat ze de ‘oorspronkelijke tekst’ gebruikt. Daarin wordt niets gezegd over de betovering waarover de prins spreekt.

Toen vertelde hij haar dat hij door een boze heks was betoverd en dat niemand hem uit de bron had kunnen verlossen dan zij alleen en morgen zouden zij samen naar zijn rijk gaan. Daarop vielen zij in slaap en de volgende ochtend toen de zon hen wekte kwam er een wagen aanrijden, bespannen met acht witte paarden die witte struisveren op het hoofd hadden en in gouden kettingen liepen en achterop stond de dienaar van de jonge koning, dat was de trouwe Hendrik. De trouwe Hendrik was zo bedroefd geweest toen zijn heer in een kikker werd veranderd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten slaan opdat het niet van smart en droefenis zou breken. De wagen moest de jonge koning afhalen om hem naar zijn rijk te brengen. De trouwe Hendrik hielp hen beiden instappen, ging weer achterop staan en was zeer verheugd over de verlossing. En toen zij een eind gereden hadden, hoorde de koningszoon een gekraak achter zich alsof er iets brak. Toen draaide hij zich om en riep:

‘Hendrik, de wagen breekt.’
‘Neen, Heer, de wagen niet,
Het is een band van mijn hart
Dat daar lag in grote smart
Toen u woonde in de bron
Waar u als een kikker zwom.’

Nóg een keer en nóg een keer kraakte het onderweg en de koningszoon meende steeds dat de wagen brak en toch waren het alleen maar de banden die los sprongen van het hart van de trouwe Hendrik omdat zijn heer verlost en gelukkig was.

Wanneer het Ik en de ziel elkaar willen leren kennen, moet de heersende kracht in de ziel – de koning – nog een keer ingrijpen. Bij deze kennis hoort onvoorwaardelijk dat het Ik verandert en ‘hoger’ wordt. Uit een driftmatige innerlijke beleving in dierengestalte moet het zich ontwikkelen tot een Ik dat inzicht heeft en verstandig kan denken, gericht op de wereld.
Dan ontstaan ook de gedachten die weer bevruchtend op de ziel werken en de ‘gezel’ wordt de ‘echtgenoot’.
De koninklijke bruiloft kan worden gevierd.

Hier wil Lenz niet ingaan op ‘IJzeren Hendrik. Volgens haar is die in deze samenhang niet belangrijk.

1 Grimm kikkerkoning 3.jpg

Sprookjes  alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2335

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Verhalen na Driekoningen

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
Bij Kerstmis: alle verhalen vind je meer van deze legenden
.

DE ROOS VAN JERICHO
.

Een plant, die nooit sterft ! Een wonder der natuur – honderden jaren levend zonder water en grond. In extreme hitte en kou. Deze merkwaardige plant kan men zo vaak men wil laten bloeien en weer laten indrogen. Zonder tuin en zonder grond, zowel binnen als buiten. Wie haar voor het eerst ziet, houdt het niet voor mogelijk, dat uit deze ogenschijnlijk levenloze knol binnen enkele minuten een groen gewas kan ontstaan. Om de roos van Jericho tot bloei te brengen, overgiet men haar met koud, warm, heet, of zelfs kokend water, dat normaal gesproken elk plantaardig leven zou vernietigen. Dan beleeft u een bijna onvoorstelbaar wonder der natuur. Er komt nieuw leven in de ogenschijnlijk levenloze bladeren. De afzonderlijke twijgen openen zich, meer en meer, en na enkele uren is de roos prachtig vol en groen geworden. Dan neemt men de roos uit het water, legt haar op een bord en geeft haar elke dag vers water. De roos van Jericho mag maar 8 dagen vochtig blijven en moet dan op een droge en warme plaats gelegd worden. Na ± 2 dagen is de roos weer helemaal ingedroogd, zodat men dit wonderlijke schouwspel steeds weer kan herhalen.’ (Een meer botanische beschrijving van de plant)

Uit Palestina

Deze roos in dit verhaal bloeit in het rood.

Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk! De oneindige woestijn lag achter de vluchtende Maria. Voor haar gelukkige ogen strekte zich het gezegende land Egypte uit waarnaar ze zo verlangd had. Het lag daar als een bloemrijk tapijt waardoorheen de Nijl zich kronkelde als een zilveren lint. Haar hart maakte zeven vrolijke sprongetjes en het vergat alle nood en alle moeite van de zware tijd. Door gevoelens van dank overspoeld, knielde Maria neer waar ze stond, in het gloeiende zand dat in die ellendige dagen aan de zoom van haar kleed gevreten had en haar voetzolen tot bloedens toe verwond. Ze dankte de hemel voor de onmetelijke bijstand waarmee hij haar en het Kind tot hier toe had geleid. Maar toen ze na in dank verzonken te zijn geweest, weer ging staan, zag ze het stukje aarde dat haar knieën beroerd hadden: het was met mooie, tere roosjes bedekt, die als purperrode bloeddruppels in het dorre woestijnzand oplichtten. En toen de heilige Moeder omkeek naar de verte waaruit ze in een moeilijke tocht gekomen was, zag ze die weg als was het een rode, slingerende band. Op alle plaatsen waar haar vluchtende voeten, de waaiende zoom van haar kleed de aarde hadden aangeraakt, waren rode rozenbloesems uitgelopen en op de randen van de sierlijke voetafdruk die de smalle voet van de Godsmoeder in het zand had achtergelaten, hadden de kleine goud-rode plukjes zich als in kleine bloembedjes verzameld. En die rode band liep tot in de verte waar de vlucht was begonnen.

Wanneer pelgrims naar het Heilige Land trekken, is de woestijnroos het enig levende waar hun oog op rusten kan en die met haar geur de reiziger verkwikt. Op geen andere plek in de wereld kan deze wonderbloem groeien. De behoedzame hand van de vrome pelgrim neemt ze als een heilig voorwerp mee terug naar het Avondland als prachtig aandenken. En in alle kloosterschatten ter wereld bevinden zich zulke woestijnrozen zoals de pelgrims ze noemden. 

Door een wonder ontstaan verbergt de roos van Maria nog een wonder. Elk jaar in de kersttijd opent ze, zonder dat ze wortelt, haar goudrode hart en groeit en bloeit maar door tot de kerstnacht waarin ze haar diep rode glans bereikt. Ze kan nog zo dor worden, oud, verdroogd, ze gaat nooit ten gronde, want een zweem van de onsterfelijkheid heeft haar leven gezegend. Zelfs rozen die duizend jaar oud zijn, bloeien in de heilige nacht weer op. En de mensen laten zich door haar de toekomst voorspellen. Een bloem die je toelacht voorspelt een goed jaar van geluk en voorspoed. 

Tussen de opgeluchte herinnering aan moeite en het verlangen naar vredig geluk is eens de roos van de Godsmoeder tot bloei gekomen. Terwijl de smartelijke en vreugdevolle gedachten de harde lijdensweg van de vlucht terug vervolgden en het verlangen naar eindelijk rust en vrede zich vooruit haastten, bloeide de levende roos uit het dorre woestijnzand op: niets anders dan een symbool van het leven dat een gaan is door de woestijn tussen herinnering en verlangen. En steeds zal ook in deze dorre streek een feestdag zijn, een Heilige Nacht waarin zelfs de meest verdorde roos kan opbloeien als een levend rood hart. 

.
Hier zie je hoe de plant zich ontwikkelt

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2329

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/8)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

EENOOGJE, TWEEOOGJE, DRIEOOGJE

Lenz begint haar uiteenzetting van dit sprookje met de verrassende en misschien ook wel gewaagde opmerking dat de titel fout gesteld is: niet ‘Eenoogje, Tweeoogje, Drieoogje’, maar Eenoogje, Drieoogje, Tweeoogje’ zou het sprookje moeten heten. 
Het is geen cijfervolgorde. De motieven laten dat zien.

Er was eens een vrouw die had drie dochters, waarvan de oudste ‘Eenoogje’ heette, omdat zij maar één oog had, midden op haar voorhoofd, en de middelste ‘Tweeoogje’, omdat zij twee ogen had net als andere mensen, en de jongste ‘Drieoogje’, omdat zij drie ogen had en bij haar zat het derde eveneens midden op haar voorhoofd.

Het motief van het ene oog komt in de beeldende verhalen zoals de mythen, vaker voor. In de Germaanse mythologie geeft Odin zijn oog als onderpand om uit de bron van Mimir te kunnen drinken om zo wijsheid en verstand te kunnen bemachtigen.

Uit de Edda:

Mimirs bron  (vroegere spelling niet aangepast)

‘Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, „de fontein van alle wetenschap en wijsheid”, in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven. De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;
Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.
Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;
Hij gaf ’t aan Mimir, in zijn bron, te pand,
Dat hij er hale water, ’t welk geneest,
Dit oog tot sterking, ied’ren nieuwen dag.
Oehletischlager

Noorsche Mythen – H.A.Gurber

Ook vinden we in de Edda Baldur, de lichtgod, door ieder geliefd, die in ‘Breidablick’ woont en er ‘de brede blik’ heeft, werd door zijn broer, de blinde Hödur gedood. Baldur vertegenwoordigde het vermogen dat de mens in die zalige tijd had om te kunnen ‘schouwen’. Deze goddelijke gave ging verloren en ervoor in de plaats kwam de blindheid van die niet ‘ziende’ Hödur.
Odin wilde in de toekomstige ontwikkelingen kunnen zien. Dat kon alleen als hij doormaakte wat Baldur aan de mensheid bracht: afzien van helderziendheid. En Odin offerde – niet een oog – maar zijn oog.

Ook in de verhalen over Odysseus van Homerus vinden we het motief van ‘het ene oog’. Odysseus is listig, een verstandsmens. Hij gaat over zee: de eindeloze verte en grondeloze diepte van de ziel waar hij moet ‘stand’houden en een vaste bodem winnen, met zijn denken. In een grot stuit hij op de cycloop Polyphemos, de ‘rondziende’, met één oog. Odysseus vernietigt dat oog: de verstandsmens moet zegevieren over de oude atavistische kennis. Oude tijden moeten worden afgewisseld door nieuwe.

Een verandering van bewustzijn in de mensheid; we zien dat terug in de ontwikkeling van de individuele mens bij wie het bewustzijn gedurende zijn ontwikkeling aan voortdurende verandering onderhevig is. Van de kinderen kunnen we zeggen dat ze in hun dromerige, nog slapende bewustzijn iets hebben van deze tijd van ‘het eenogige’.
We zien dat zelfs tot in deze tijd terug bij stammen die onontdekt tot op heden een leefwijze hadden waarin het atavistische een sterke rol speelt. Maar ook in ons land waar enkele eeuwen terug nog veel atavistische kennis rondwaarde m.n. op het platteland zoals terug te vinden is in de sagen uit die streken. (“Het kleine volkje’,  ‘de witte wiven’ waren voor de mensen nog beleefbare realiteiten.)

Ook is volgens Lenz de ‘drie-ogige mens’ onder ons, zij het vooral buiten de cultuur van het Avondland. Enerzijds is er de wakkerheid voor de zintuigwereld, maar oude helderziende krachten werken daar toch nog in door wat het puur logische denken in de weg staat. De westerse mens is vooral de ‘twee-ogige’ mens. Door waarnemen en denken vormt hij zijn voorstellingen en begrippen waarbij wakker-denkend zijn Ik aanwezig is.
De overgang van ‘één oog’ en ‘drie ogen’ naar twee betekent wel een verarming.
In de mythologische tijd is er sprake van een ‘godenschemering’; ‘God is dood’, maar ook wordt er een toekomst gezien die weer anders is: Baldur keert weer, wanneer alle wezens huilen.

Ook de individuele mens van nu kan nog beschikken over atavistische vermogens, ze kunnen zelfs sterk zijn en de zich ontwikkelende ziel voor problemen plaatsen: het verleden in strijd met de toekomst.
Dat motief is ook terug te vinden in dit sprookje. Hierin gaat het om mensheids- én individuele motieven.

Maar omdat Tweeoogje er niet anders uitzag dan andere mensenkinderen, konden haar zusters en haar moeder haar niet uitstaan. Zij zeiden tegen haar: ‘Jij met je twee ogen bent niet beter dan het gewone volk. Je hoort niet bij ons.’ Zij duwden haar van de ene hoek in de andere, wierpen haar oude kleren toe en gaven haar niet meer te eten dan wat zij overlieten en zij deden haar op alle mogelijke manieren verdriet.

Nu gebeurde het dat Tweeoogje naar het veld moest om de geit te hoeden, maar zij had nog erge honger, omdat haar zusters haar zo weinig te eten hadden gegeven. Toen ging zij aan de rand van het veld zitten en begon zo te huilen, dat er twee beekjes uit haar ogen naar beneden liepen.

Denken, voelen en willen kunnen we beschouwen als de drie basiskrachten van de ziel. In de beeldentaal van het sprookje zijn dat de drie dochters van de moeder. We zien dat de moeder meer heeft met wat naar het verleden neigt. In het voelen heeft het ‘dromende’ de overhand. Als zodanig sterk verwant met het oude dromerige helderzien – eenoogje. Het denken met het verstandselement – drieoogje – leeft sterk verbonden met het waarnemen, maar wat daarvan het gevolg kan zijn – dat ‘de dingen voor zichzelf spreken’ – wat Steiner in zijn Theosofie ‘geest’ noemt – is hier  nog niet aan de orde, het wordt half dromend beleefd.
Alleen de derde dochter – tweeoogje – leeft volledig in de zintuigwereld, de wil is vooral gericht op de wereld. Terwijl de moeder en de twee andere dochters nog dromend-helderziende ervaringen hebben, waaraan ze genoeg hebben en die hen volledig tevreden stellen, heeft de ziel die daar vrij van is geworden, honger naar ander voedsel. Dat is er nog niet, ze kan nog niet iets anders uitstralen: haar aura verbleekt: haar kleren worden slecht.

Maar toen zij in haar diepe ellende even opkeek, stond er een vrouw naast haar die vroeg: ‘Tweeoogje, waarom huil je?’ Tweeoogje antwoordde: ‘En zou ik niet huilen? Omdat ik twee ogen heb net als andere mensen, kunnen mijn zusters en mijn moeder mij niet uitstaan, duwen mij van de ene hoek in de andere, gooien mij oude kleren toe en geven mij niets anders te eten dan wat zij overlaten. Vandaag hebben zij mij zó weinig gegeven dat ik nog ontzettende honger heb.’ De wijze vrouw sprak: ‘Tweeoogje, droog je tranen. Ik zal je iets zeggen en dan hoef je geen honger meer te hebben. Zeg alleen tegen je geit:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop, zodat je eten kunt zoveel je maar wilt. Als je genoeg hebt en je hebt het tafeltje niet meer nodig, zeg dan alleen:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

dan verdwijnt het weer.’ Daarop ging de wijze vrouw weg. Doch Tweeoogje dacht: Ik moet meteen eens proberen of het waar is wat zij heeft gezegd, want ik heb ontzettende honger en zij sprak:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of daar stond een tafeltje, gedekt met een wit kleedje, waarop een bord stond met een mes en een vork en een zilveren lepel en er omheen stonden de heerlijkste spijzen die dampten en nog zó warm waren alsof ze pas uit de keuken kwamen. Toen zei Tweeoogje het kortste gebed op dat zij kende: ‘Heer God, wees te allen tijde onze gast. Amen.’ Zij tastte toe en liet het zich goed smaken. Toen zij genoeg had sprak zij, zoals de wijze vrouw haar had geleerd:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

Meteen was het tafeltje met alles wat erop stond weer verdwenen. Dat is nog eens huishouden, dacht Tweeoogje en was opgewekt en in haar nopjes.

Wanneer de ‘tweeoogjesziel’ het verlies van haar geestelijk kunnen stralen, gelaten accepteert, komt er geen hulp. Wanneer ze daar echter onder leidt – het meisje zegt dat ze huilt van ontbering – dan vindt de verandering plaats. Wanneer alle wezens huilen, komt Baldur terug, staat in de Germaanse mythe. Een diepe smart over een grote ontbering veroorzaakt weer helderziendheid, wereld-helderziendheid. Leed doet veranderen. Terwijl Tweeoogje huilt, verschijnt de raadgevende oude vrouw. We kennen haar allemaal en weten hoe vaak we haar niet gevolgd hebben om achteraf te zeggen: had ik mijn voorgevoelens maar gevolgd! (Het Duits heeft hier voor voorgevoel ‘Ahnung’  ‘Ahne’ -voorouder in stamverband – en ‘Ahnung’ zijn verwante woorden. ‘Ahnendes Wissen’ – een weten vanuit een soort bijna-zekerheid komt tevoorschijn bij kommer en nood en geeft wijze raad; ‘ Zeg alleen tegen je geit: ‘Geitje mek  Tafeltje dek, dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop.
In het Duits zegt men tegen een nieuwsgierig aagje wel: ‘Jij, nieuwsgierige geit!’ en gebruikt zonder het te beseffen een oud beeldwoord. Er is inderdaad bijna geen dier dat zo nieuwsgierig om alle hoekjes en hekjes kijkt en aan alle grasjes en twijgjes sabbelt. Zij werd het symbool van die drift die we nieuw(s)gierigheid noemen: verlangen naar het nieuwe, in de zin van ‘weet’gierig: verlangen – begeerte- naar het (te) weten.
Duits: ‘de geit naar de weide brengen’ betekent: zijn natuurlijke weetgierigheid gebruiken, dus de zintuigwereld in je opnemen.
(Interessant dat Martin Toonder in zijn verhalen over Ollie B .Bommel, de wetenschapper professor Sickbock als geit voorstelt.)
Nu brengt Tweeoogje de geit naar de weide, maar zij heeft toch nog zo’n honger nadat ze opgegeten heeft wat de moeder en de zusters haar aan karig voedsel hebben meegegeven: de resten van het oude weten.
De moderne ziel kan zich daarmee echter niet meer voeden, maar er is ook nog niets nieuws. En ze voorvoelt: ik mag niet tevreden zijn met de karige resten van het verleden die mij niet meer voeden; ik moet zelf actief worden en voor vers voedsel zorgen. Dat moet dan gebeuren met hulp van het verlangen dat weetgierigheid heet, waardoor de wereld opengaat. Ik moet het verlangen naar het nieuwe intensiveren dat het spreekt, uitspraken doet en mij leert. Wanneer nieuwsgierigheid de uiterlijke zintuigwereld zo grondig en liefdevol bekijkt, valt haar innerlijk voedsel ten deel: de tafel wordt gedekt.

’s Avonds toen zij met haar geit thuiskwam, vond zij een aarden schoteltje met eten dat haar zusters voor haar hadden neergezet, maar zij raakte het niet aan. De volgende dag trok zij er met haar geit weer op uit en liet de brokken, die haar gegeven werden, liggen. De eerste en de tweede maal sloegen de zusters er geen acht op, maar toen het vaker gebeurde viel het hun op en zij zeiden: ‘Er is iets niet in orde met Tweeoogje; zij laat iedere keer haar eten staan, anders at zij toch alles op wat haar werd gegeven – zij moet er iets anders op gevonden hebben.’ Om achter de waarheid te komen zou Eenoogje meegaan als Tweeoogje haar geit naar de wei dreef en zij zou goed opletten wat zij deed en of iemand haar soms eten en drinken bracht. Toen nu Tweeoogje weer op stap wilde gaan kwam Eenoogje op haar af en sprak: ‘Ik ga mee naar het veld om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Eenoogje in de zin had, zij dreef de geit het hoge gras in en zei: ‘Kom Eenoogje laten wij gaan zitten, dan zal ik iets voor je zingen.’ Eenoogje ging zitten, ze was moe geworden van de wandeling waaraan zij niet gewend was en van de hitte van de zon en Tweeoogje zong steeds:

‘Eenoogje waak je?
Eenoogje slaapje?’

en Eenoogjes ene oog ging dicht en zij viel in slaap. Toen Tweeoogje zag dat Eenoogje vast in slaap was en niets kon verraden, sprak zij:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en zij ging aan haar tafeltje zitten en at en dronk tot zij genoeg had en riep toen weer:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en ogenblikkelijk was alles verdwenen. Tweeoogje wekte Eenoogje en zei: ‘Eenoogje, jij wilt hoeden en je slaapt erbij in! Onderwijl had de geit overal naar toe kunnen lopen; kom, laten wij naar huis gaan.’ Zij gingen naar huis en Tweeoogje liet haar schoteltje weer onaangeroerd staan en Eenoogje kon haar moeder niet vertellen waarom zij niet wilde eten en zei ter verontschuldiging: ‘Ik ben daarbuiten in slaap gevallen.’

Eenoogje kan dit wonder helemaal niet waarnemen, ze slaapt in als de geit op de wei is. Mensen die op dit niveau blijven staan, leren nooit de bevrediging kennen die ons ten deel kan vallen wanneer we onze uiterlijke zintuigen gebruiken. En als innerlijke gebeurtenis beschouwd: zolang de gewaarwordende ziel in ons een dagdromer is, kan deze niet deelhebben aan wat de willende ziel van vreugde en voldaanheid kan beleven.

De volgende dag zei de moeder tegen Drie-oogje: ‘Deze keer moet jij meegaan en opletten of Tweeoogje buiten eet en of iemand haar eten en drinken brengt, want dat zij in het geheim eet en drinkt is zeker.’ Toen kwam Drieoogje op Tweeoogje af en zei: ‘Ik ga mee om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Drieoogje in de zin had en dreef de geit naar buiten het hoge gras in en zei: ‘Laten wij daar gaan zitten, Drieoogje, dan zal ik wat voor je zingen.’ Drieoogje ging zitten, moe van de weg en de warmte van de zon en Tweeoogje begon weer het oude liedje te zingen:

‘Drieoogje waak je?’

maar in plaats van te zingen:

‘Drieoogje slaap je?’

zong zij bij vergissing:

‘Tweeoogje slaapje?’

en zo zong zij steeds:

‘Drieoogje waak je?

Tweeoogje slaap je?’

Toen vielen er twee ogen van Drieoogje dicht en sliepen in maar het derde viel niet in slaap omdat het door het spreukje niet was toegesproken. Drieoogje deed het weliswaar dicht, maar alleen uit slimmigheid, net alsof zij daar ook mee sliep, maar zij knipperde ermee en kon alles heel goed zien. Toen Tweeoogje dacht dat Drieoogje vast in slaap was zei zij haar spreukje:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

at en dronk naar hartelust en beval het tafeltje daarna weer weg te gaan:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en Drieoogje had alles gezien. Daarna kwam Tweeoogje bij haar en zei: ‘Hé, Drieoogje, ben je ingeslapen? Jij bent me ook een hoedster! Kom laten wij naar huis gaan.’ Maar toen zij thuis kwamen at Tweeoogje weer niet en Drieoogje zei tegen haar moeder: ‘Nu weet ik waarom dat hoogmoedige kind niet eet; als zij buiten tegen de geit zegt:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan staat er opeens een tafeltje voor haar waar het lekkerste eten op staat, veel lekkerder dan wij hier hebben en als zij genoeg heeft zegt zij:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en alles is weer verdwenen. Ik heb het heel goed gezien. Twee van mijn ogen heeft zij door een spreukje laten inslapen, maar dat ene op mijn voorhoofd is gelukkig wakker gebleven.’ Toen riep de jaloerse moeder: ‘Wil jij het beter hebben dan wij? Dat zal ik je betaald zetten.’ Zij haalde een slachtmes en stootte dat in het hart van de geit zodat ze dood neerviel.

Anders dan Bij Eenoogje is het met de ziel van Drieoogje gesteld; zij beschikt al over het bewustzijn van de haar omringende wereld en leeft denkend in de zintuigwereld; bovendien is ze ook nog helderziend. Omdat ze op beide terreinen schouwend kan zijn, weet ze waarvan Tweeoogje eet en het proces van ‘tafeltje dek je’ kan ze doorzien. Omdat ze toch voornamelijk op het verleden gericht is, wijst ze de wetenschap van de toekomst af en ze wordt hoogmoedig en gedraagt zich als een verrader. Daardoor wordt het oude in de mens tot verzet opgeroepen en het onschuldige, natuurlijke verlangen van de weetgierigheid die voor de wilskant van de ziel zo belangrijk is (de geit) wordt gedood. Messcherpe kritiek, het scherpe oordeel, vernietigende spot, het verdicht zich en wordt tot een slachtmes dat de geit doodt.

Toen Tweeoogje dat zag liep zij heel bedroefd naar buiten, ging aan de rand van het veld zitten en schreide bittere tranen. Daar stond plotseling de wijze vrouw weer naast haar die zei: ‘Tweeoogje waarom huil je?’ -‘Zou ik niet huilen?’ antwoordde zij, ‘de geit die iedere dag als ik uw spreukje uitsprak de tafel zo mooi voor mij dekte, is door mijn moeder doodgestoken; nu moet ik weer honger en gebrek lijden.’ De wijze vrouw sprak: ‘ Tweeoogje, ik zal je een goede raad geven: vraag je zusters om de ingewanden van de geslachte geit en begraaf die in de grond, voor de huisdeur, dat zal je geluk brengen.’ ‘Toen verdween zij en Tweeoogje ging naar huis en zei tegen haar zusters: ‘Lieve zusters, geef mij toch iets van mijn geit, ik verlang niets bijzonders, geef mij alleen maar de ingewanden.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Als dat alles is, dat kun je wel krijgen.’ En Tweeoogje nam de ingewanden en begroef ze ’s avonds in alle stilte voor de huisdeur, volgens de raad van de wijze vrouw.

Tweeoogje is nu in een grote crisis terechtgekomen. Het naïeve, goedgelovige verlangen is gestorven en opnieuw dreigt de honger. Maar uit het verdriet wordt het voorvoelende weten geboren. De oude vrouw geeft raad: ze moet de ingewanden van de geit voor de huisdeur in de grond begraven.
Voor be-graven of in-graven, kan je ook zeggen ‘verzinken’. Iets doods wordt in de aarde neergelaten. Dit ‘verzinken’ of ‘bezinken’ kennen we als uitdrukking bij iets wat we denkend willen verdiepen, willen bewaren. Wanneer je iets laat bezinken, laat je het rusten. Het komt ooit weer nieuw terug en vaak pluk je er de vruchten van.
De ingewanden van de geit begraven betekent de innerlijke kwaliteit van dit verlangen verdiepen, dit helemaal in de aarde laten opgaan. Terwijl de gevoelens en gedachten van het andere deel (moeder en zusters) afkerig van het aardse waren, moet nu juist de inhoud van het verlangen de zintuigwereld te veroveren ‘verdiept’ worden en de kennis moet op het aardse worden gericht.
Doden betekent in materialistische zin: be-eindigen. In geestelijke zin: veranderen. De naïeve begeerte werd gedood en moet nu gemetamorfoseerd worden.

De volgende morgen toen zij allen ontwaakten en gezamenlijk de voordeur uitgingen, stond daar een wonderbaarlijke prachtige boom die zilveren bladeren had, waar gouden vruchten tussen hingen, zodat er wel niets schoners en heerlijkers bestond op de hele wereld. Maar zij wisten niet hoe die boom daar ’s nachts was gekomen; alleen Tweeoogje begreep dat hij uit de ingewanden van de geit was gegroeid, want hij stond precies op de plek waar zij die in de aarde had begraven.

De metamorfose brengt de zilveren boom met de gouden vruchten. Wanneer wij zeggen ‘alles in mij – het Duits heeft hier ‘aufbäumen’ = verzet zich, komt in opstand, wordt het beeld van de boom gebruikt. 
Ons zenuwsysteem groeit en vertakt zich als een boom. De ziel die tot een voltooiing is gekomen, was tot dan toe met grote interesse gericht op de indrukken van de buitenwereld en nam ze zo in zich op dat zij daar volledig haar voedsel uit kon halen. Deze prille relatie werd verstoord door de remmende, naar achter gerichte krachten. Ze ziet in dat alles ver-diept moet worden. Dat betekent echter: het denkend en kennend doordringen. In het beeld van het zilver kan dit verstandsdenken zich voordoen, maar hoe mooi en glanzend het kan  zijn, daarmee is het nog geen echte wijsheid, slechts een weerspiegeling, een afspiegeling. Zoals de zilveren maan de zon weerspiegelt, zo weerspiegelt het de echte wijsheid. In zijn koelte is het verwant aan de maan, terwijl de wijsheid warm is, met de zon verwant. 
Wanneer Tweeoogje die in de zintuigwereld leeft vanuit de waarneming en voorstellingen tot begrippen gekomen is en nu denkend de wereld begrijpt, lijkt haar ‘zenuwboom’ op een zilveren boom en deze boom draagt een heerlijke vrucht, de gouden appel.
Het Paradijs ging verloren toen de mens de appel plukte van de boom van de kennis van het goed en kwaad. Waarom werd de appel het symbool van de zondeval? 
De appel, hier het prototype van de sappige vrucht, is – zoals alle – botanisch beschouwd – een schijnvrucht, want deze groeit niet vanuit het vruchtbeginsel naar boven zoals een ‘echte’ vrucht, maar naar onder toe; het is een opzwelling van de vruchtbodem, vanuit een onderstandig vruchtbeginsel.
De mens, de meest edele vrucht uit de tuin van God, zonderde zich af uit een ‘boven’ goddelijke wereld, waar zijn thuis was, en ‘viel’ met zijn bewustzijn in de lagere zintuigwereld, uit de af-zonde-ring ontstond de zonde. Bij het kennen van het goede, kwam het kennen van het kwade. Deze appel wordt in ons sprookje tot een gouden appel, want die is in wijsheid omgevormd. Tweeoogje heeft de stoffelijke zintuigwereld denkend als door de geest geschapen herkend. Met recht kan het sprookje zeggen: Er is niets schoners en heerlijkers dan deze boom.

Toen zei de moeder tegen Eenoogje: ‘Klim naar boven mijn kind, en pluk voor ons de vruchten van de boom.’ Eenoogje klom naar boven, maar toen zij een van de gouden appels wilde grijpen, gleed de tak uit haar handen en dat gebeurde iedere keer, zodat zij geen enkele appel kon plukken, hoe zij haar best ook deed. Toen zei de moeder: ‘Drieoogje, klim jij naar boven. Jij kunt met je drie ogen beter om je heen kijken dan Eenoogje.’ Eenoogje gleed naar beneden en Drieoogje klom naar boven. Maar Drieoogje was niet handiger, zij mocht rondkijken wat zij wilde, de gouden appels weken steeds terug. Tenslotte werd de moeder ongeduldig en klom zelf naar boven, maar kon net zo min als Eenoogje en Drieoogje de vruchten plukken en greep steeds in de lucht. Toen zei Tweeoogje: ‘Ik zal eens naar boven klimmen, misschien lukt het mij beter.’ De zusters riepen weliswaar: ‘Jij met je twee ogen, wat denk je wel!’ maar Tweeoogje klom naar boven en de gouden appels trokken zich voor haar niet terug, maar vielen vanzelf in haar handen, zodat zij de ene na de andere kon afplukken en een schortje vol mee naar beneden bracht. De moeder nam ze haar af en in plaats dat Eenoogje en Drieoogje het arme Tweeoogje nu beter behandelden, waren zij jaloers omdat zij alleen de vruchten kon plukken en zij behandelden haar hardvochtiger dan ooit.

Toen zij nu eens samen bij de boom stonden, gebeurde het dat er een jonge ridder aankwam. ‘Vlug Tweeoogje,’ riepen de twee zusters, ‘verstop je, zodat wij ons niet voor je hoeven te schamen,’ en in aller ijl zetten zij een leeg vat, dat toevallig naast de boom stond, over het arme Tweeoogje heen en zij schoven de gouden appels die zij geplukt had er ook onder. Toen nu de ridder naderbij kwam, bleek het een schone jongeling te zijn; hij hield stil, bewonderde de prachtige boom van goud en zilver en zei tot de beide zusters: ‘Van wie is deze mooie boom? Wie mij daarvan een tak geeft, kan wensen wat hij maar wil.’ Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat de boom hun toebehoorde en zij wilden wel een tak voor hem afbreken. Zij deden beiden erg hun best, maar zij waren er niet toe in staat, want de takken en de vruchten weken telkens terug. Toen zei de ridder: ‘Dat is wel wonderlijk: als de boom u toebehoort en u hebt toch niet de macht er iets van af te plukken.’ Zij hielden vol dat de boom hun eigendom was, maar terwijl zij zo spraken rolde Tweeoogje een paar gouden appels vanonder het vat naar buiten, zodat ze voor de voeten van de ridder terechtkwamen, want Tweeoogje was boos omdat Eenoogje en Drieoogje de waarheid niet zeiden. Toen de ridder de appels zag was hij verbaasd en vroeg waar ze vandaan kwamen. Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat zij nog een zuster hadden, maar die mocht zich niet vertonen, omdat zij slechts twee ogen had net als gewone mensen. Maar de ridder wilde haar zien en riep: ‘Tweeoogje, kom te voorschijn!’ Toen kwam Tweeoogje onbevreesd onder het vat vandaan en de ridder was verbaasd over haar schoonheid en zei: ‘Tweeoogje, jij kunt zeker wel een tak voor mij van die boom afplukken.’ – ‘Ja,’ antwoordde Tweeoogje, ‘dat kan ik zeker, want de boom is van mij,’ en zij klom naar boven en plukte zonder moeite een tak met mooie zilveren bladeren en gouden vruchten af en bood die de ridder aan. Toen sprak de ridder: ‘Tweeoogje, wat zal ik je daarvoor geven?’ – ‘Ach,’ antwoordde Tweeoogje, ‘ik lijd honger en dorst, ellende en verdriet van de vroege morgen tot de late avond – als u mij wilt meenemen en verlossen dan zou ik heel gelukkig zijn.’ Toen tilde de ridder Tweeoogje op zijn paard en bracht haar naar huis, naar zijn vaderlijk slot. Daar gaf hij haar mooie kleren, zij mocht eten en drinken naar hartelust en omdat hij haar zo lief had, liet hij zijn huwelijk met haar inzegenen en met grote vreugde werd de bruiloft gevierd.

Toen nu Tweeoogje door de schone ridder was weggevoerd, benijdden haar twee zusters haar pas goed om haar geluk. De prachtige boom blijft toch bij ons, dachten zij, en al kunnen wij er geen vruchten van plukken, dan zal toch iedereen ervoor blijven staan en hem roemen; wie weet waar voor ons het geluk nog eens vandaan komt. Maar de volgende morgen was de boom verdwenen en hun hoop vervlogen. Toen Tweeoogje echter uit haar kamertje keek stond de boom er tot haar grote vreugde voor en was haar dus gevolgd. Lange tijd leefde Tweeoogje gelukkig. En toen kwamen er eens twee arme vrouwen bij haar op het slot en smeekten om een aalmoes. Toen keek Tweeoogje hen aan en herkende haar zusters Eenoogje en Drieoogje die zó arm waren geworden dat zij moesten rondtrekken om langs de deuren brood te bedelen. Maar Tweeoogje heette hen welkom, was goed voor ze en verzorgde hen zodat zij beiden van harte berouw kregen dat zij hun zuster in hun jeugd zoveel kwaad hadden gedaan.

Atavistische krachten kunnen dan wel rijk zijn, de vrucht van deze boom kunnen ze nooit oogsten. De tweeoogjes-ziel, het vrouwelijke in de mens, heeft in zijn voortgaande ontwikkeling deze vrucht gewonnen. Die moet aan het mannelijke van het Ik aangereikt worden, wil de harmonische mens tot werkelijkheid worden. Het Ik verschijnt in het beeld van de ridder. 
De hatelijke zusters zouden willen verhinderen dat de zich ontwikkelende ziel in haar ware gedaante wordt herkend (ze plaatsen een vat over Tweeoogje). Zij willen de ridder voor zichzelf winnen. Maar een Ik dat met de ijzerkracht van de wil gepantserd is, laat zich niet van de wijs brengen. 
Als Tweeoogje hem de gouden appel aanreikt, klinkt in een hoger octaaf de paradijsmythe mee. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 130-grimm-eenoogje-tweeoogje-drieoogje.jpgbron

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2328

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-10)

.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.


D. Udo de Haes

De ongelukkige waskaars

In de la van een oud kabinetje werd eens een mooie glanzende waskaars gelegd. Hij was van echte bijenwas gemaakt en daardoor rook hij naar honing en was zo half en half doorzichtig, zoals men dat tegenwoordig haast niet meer ziet. Maar de mooie waskaars kwam hier terecht tussen een hoop oude rommel en waardeloze lorren, die al jaren lang in de la hadden gelegen en die daardoor eigenlijk niet veel bijzonders te vertellen hadden.

Daar was bijvoorbeeld een mager oud vouwbeen dat nooit meer gebruikt werd, een rondachtig stenen voorwerp, dat diende om papieren onder zich te bewaren, een onafgemaakt breiwerkje, waar men niet meer aan dacht, een oude pennenbak met enige penhouders erin, die opzij waren gelegd toen de mensen vulpennen kregen, een paar versleten stoflappen, die men vergeten had weg te gooien en nog enkele meer van zulke dingen.

De waskaars kwam hier als een nieuweling bij en hoewel hij dat zelf natuurlijk niet wist, was hij door de mensen net pas gemaakt. Hij voelde echter wel, dat hij de enige jonge ziel was tussen al deze oudgedienden. Vandaar ook dat het een hele opschudding teweeg bracht toen hij binnen kwam. De pennenbak, de papierbewaarder en het vouwbeen knepen alle drie tegelijk hun neus dicht en spotten en mopperden met elkaar over die rare lucht die daar in de la kwam. Zij konden zich namelijk niets anders meer herinneren dan het muffe luchtje waarin zij zelf al sinds onheuglijke tijden gelegen hadden en alles wat anders rook, vonden zij niet zoals het hoorde. Een enkele keer hadden zij al eens iets te ruiken gekregen, dat zij niet in de haak vonden, zoals bijvoorbeeld een stukje nieuw leer of iets dat van vers hout gemaakt was, maar dat was nog niets, vergeleken bij de zoete honinggeur van deze vreemdeling, die de hele la verontreinigde! Die was gewoonweg niet om uit te houden! Bovendien was dat nog niet het enige! Dat nieuwe ding was daar binnengekomen met een pronkende glans, die de ogen van de oude luidjes eenvoudig verblindde. Nu, daar kon men over denken zoals men wilde, maar voor bejaarde dingen, die wisten hoe men zich te gedragen had, was dat een onhebbelijkheid, die alle perken te buiten ging!

Zo werd dus de jonge lichte waskaars niet bijzonder vriendelijk ontvangen en alle la-bewoners deden even bits en terughoudend tegen hem. Twee dingen alleen deden anders; dat waren een doosje lucifers en een kandelaar. Die waren namelijk de enigen in dit tehuis die wel eens in de buitenwereld kwamen en die wisten, dat daar nog wel wat anders te beleven viel! Zij lagen echter aan de andere kant van de la en daarom konden zij helaas toch niet met de waskaars omgaan. Maar uit de verte hoorde het jonge ding het lucifersdoosje wel eens iets vertellen van „daarbuiten”. Dan meende hij zo iets op te vangen van „licht” dat je zelf in de duisternis kunt maken, van „vuur” dat je in anderen kunt doen ontbranden en van dergelijke wonderlijke dingen meer, die in die grote wereld schenen te gebeuren. Maar het leek wel of er behalve de kandelaar eigenlijk niemand hiernaar luisterde. Ach hoe graag zou de waskaars zijn plaats geruild hebben met een van die onverschillige oude stamgasten die daar bij het lucifersdoosje lagen! Maar van plaats te verwisselen behoorde in de la tot de meest onbetamelijke dingen. Waar je lag daar bleef je liggen en daar viel niet aan te tornen!

Zo lag de jonge onervaren nieuweling hier eenzaam en ongelukkig tussen al die grommende en brommende oude lui en daar zijn glans nergens op hen weerspiegelde en evenals zijn geur overal afgekeurd en bespot werd, begon hij te geloven, dat het werkelijk hele slechte dingen waren, die hij bezat en dat het eigenlijk vreselijk was, dat hij ze om zich heen verspreidde. Daarom probeerde hij voortaan, ze maar zo veel mogelijk bij zich te houden.
Helaas hielp dat niet veel, want hij kon ze toch niet verstoppen en hoe meer hij zijn best deed om net zo dof te zijn en net zo muf te ruiken als de andere dingen, des te meer werd hij bespot en uitgelachen. Ach, er was wel niemand in de la, die zichzelf zo slecht vond en die zich zó ongelukkig voelde als de jonge waskaars!

Eens op een dag was er een grote opschudding in de la. Er had namelijk zo iets als een aardbeving plaats! Waarschijnlijk was er een grote hond tegen het kastje gesprongen, of misschien had iemand het een beetje onvoorzichtig verschoven. Dat was voor de wezens daarbuiten niet veel bijzonders, maar voor de bewoners van de la was dat een aardbeving! Zij werden heen en weer geslingerd en door elkaar geschud en kregen tenslotte een heel andere ligging. Beduusd keken ze rond, toen ze van de eerste schrik bekomen waren . . . Ach, wat zag er alles nu anders uit! Het leek wel een andere wereld! Wat eerst ver af was, was nu dicht bij en waar men zich vroeger zowat aan stootte, was nu onbereikbaar ver geworden. Wat een moeite om nu opnieuw te weten te komen, wat gewoon of wat niet gewoon was en wat goed of slecht gevonden moest worden! Maar daar de duisternis en de muffe lucht dezelfde waren gebleven en daar alle wezens na de schok weer even stil kwamen te liggen als voorheen, waren de nieuwe regels toch weer gauw gevonden. En ziet, het bleek al spoedig, dat die eigenlijk precies dezelfde waren als de oude en dat er niets veranderd was in de wereld van de la. Vóór alles waren alle oude dingen het erover eens, dat de waskaars met zijn glans en zijn geur na de aardbeving even onmogelijk was gebleven als tevoren. Ja, het was nu zelfs nóg erger met hem geworden, want hij glansde meer dan hij ooit had gedaan.

En . . . zij hadden gelijk! Want wat was er gebeurd?

De waskaars was door de schok naar de voorkant van de la geworpen, waar er een kier zat tussen de planken en daar was hij juist voor komen te liggen. Door deze kier kwam een beetje daglicht naar binnen en dat drong in de waskaars. Zo kwam het, dat zijn glans nog was toegenomen.

Foei, foei, wat een verblindend licht en wat een schande in de ogen van die oude lieden!

Maar … de waskaars kon door de kleine kier naar buiten gluren.

En wat zag hij daar? Een heel nieuwe wereld! Een wereld van licht!

En in die lichte wereld waren vreemde wezens; wezens die er heel anders uitzagen dan alle dingen in de la. Zij lagen niet stil, zoals dit onder de deftige la-bewoners de gewoonte was, maar bewogen zich voort op twee lange steunsels die onderaan zaten. Iets hoger aan hun lijf hadden zij twee kleinere uitsteeksels, waarmee zij allerlei konden aanpakken en doen. Het leek zelfs wel, of zij met die uitsteeksels andere dingen konden maken! Dat scheen de waskaars een wonder toe! Zoiets gebeurde in de la nooit! Maar hij zag nog meer: Boven op hun lichaam droegen die wezens een grote bal met allemaal deuken en hobbels en ook met twee spiegeltjes erin. Of waren dat lichtjes? Dat was niet goed te zien, want soms spiegelden zij en soms straalden ze net als de sterren.

Kijk! deze wezens glansden dus wél!, dacht de kaars bij zichzelf. En het scheen wel of zij het ook helemaal niet slecht vonden om te glanzen! Zou hij misschien met hen verwant zijn? Hij voelde zich in elk geval erg tot hen aangetrokken. Maar wat zouden het toch voor wezens zijn? Zouden dit misschien die ,,mensen” zijn, waar in de la wel eens van verteld werd? Er werd erg verschillend over hen gesproken.

De oude voorwerpen konden zich nauwelijks meer iets van de mensen herinneren. Vroeger waren ze wel met hen omgegaan, maar dat was al zo ontzettend lang geleden en tegenwoordig vonden ze hen alleen maar vervelend.

Dat was geen wonder, want die „mensen” waren de enige wezens die telkens hun rust verstoorden. Dat deden zij namelijk door de la open te schuiven, waarbij er een akelig fel licht naar binnen viel en waarbij het gezelschap in de la telkens geheel in de war werd gebracht. Want al was ’t dan nog niet zo’n „aardbeving” als van daareven, toch werd er dan gerommeld en gestommeld, geduwd en gestoten en duurde het een heel lange tijd, voordat de rust was teruggekeerd. Zo werd er over het algemeen niet erg gunstig over die „mensen” geoordeeld. De enigen, die wat goeds van hen wisten te vertellen en die zich min of meer bevriend met hen schenen te voelen, waren weer dezelfde makkers die zich daar nog altijd aan de andere kant van de la bevonden: de kandelaar en het lucifersdoosje. Bij het lucifersdoosje was daar nog een persoonlijke reden voor, want dat licht in de duisternis, waar het van verteld had, kon het namelijk zélf maken. Maar … de mensen moesten hem daarbij helpen. Zonder hen kon hij het niet klaarspelen. De kandelaar echter voelde zich vooral dankbaar, omdat hij alle feesten van de mensen bij mocht wonen en omdat hij hierbij een zeer verantwoordelijke persoonlijkheid was. Daardoor was het ook te begrijpen, dat hij steeds glom van plezier als de la open ging.

Nadat nu de waskaars al deze aardige en minder aardige dingen had horen vertellen, was het niet te verwonderen, dat hij popelde van nieuwsgierigheid om van die mens-wezens meer te weten te komen. Het allerliefst zou hij eens een tijdje in hun wereld willen zijn en zelf beleven of het allemaal waar was, wat er van hen verteld werd. Zouden zij werkelijk alles wat er in iemand was licht kunnen laten geven? Het lucifersdoosje had dat immers zelf verteld! En als zij dat deden, zouden zij dan zijn glans misschien ook niet zo erg slecht vinden?. . . Maar ach, hij was er natuurlijk niet goed genoeg voor om bij hen te zijn. Kijk, daar waren vele dingen om die mensen heen, die precies leken op de oude gezellen in de la. De waskaars zag duidelijk personages, die net zo mager waren als het vouwbeen; anderen waren even dik en zwaarlijvig als de papierbewaarder en weer anderen schenen net zo hol te zijn als het pennenbakje. Maar deze dingen dienden de mensen zeker en dat zou hij vast niet kunnen. Daarom mocht hij natuurlijk niet bij die mensenwezens komen!

Deze droevige gedachte vervulde de waskaars lange tijd . . . Totdat er op een goede dag iets bijzonders gebeurde.

De jonge kaars gluurde als gewoonlijk door het kiertje naar buiten en hij zag de mensen in een grote kring bijeen zitten. Zij waren zoals altijd in de weer met hun bovenste uitsteeksels en het scheen of zij ditmaal bezig waren samen iets te maken. Maar wat zij maakten scheen iets heel merkwaardigs te worden. Midden in de kring op de grond lag er namelijk een hoge stapel takken en groen; „dennengroen” noemden de mensen dat en daaruit vlochten zij een groot rond ding dat zij „krans” noemden. Al vlechtende spraken zij over de winter die voor de deur stond en over een feest dat zij in het begin van de winter wilden vieren. Dat scheen wel een heel bijzonder feest te zijn, want bij alle mensen, de groten en de kleinen, begonnen de spiegeltjes sterker te glanzen wanneer er over dit feest gesproken werd. Eindelijk begon het donker te worden en het werd steeds moeilijker om iets te zien van wat daarbuiten gebeurde. Toen zei een van de mensen: „Laten we onze waskaars eens halen!”. . . En de anderen vielen hem dadelijk bij: „Ja, ja . . . !”

Wat had dat te betekenen? Zou de kaars deze woorden goed verstaan hebben?Waarom moest hij er bij komen? En waarom moest dat juist nu gebeuren, nu er tóch niets meer te zien viel? Ach, hij begreep het al! Omdat hij toch voor niets deugde, wilden de mensen hem maar weggooien! … Nu dan was het dus met zijn leven gedaan!

Het volgende ogenblik kwam er weer een hevige schok. De la werd opengeschoven en een laatste restje daglicht viel naar binnen. De waskaars die met angstige spanning lag te wachten, voelde dat hij opgepakt en meegenomen werd. Waar zou hij terecht komen? Op een hoop afval? Of zou hij misschien begraven worden? Hij bereidde zich op de ergste dingen voor, maar hij had hiertoe niet lang tijd, want het volgende ogenblik voelde hij, dat hij met zijn voeten ergens op neer werd gezet. ,,Dat is de bodem van de kuil!” dacht hij, terwijl het angstzweet hem uitbrak .. . Zonder het zelf te willen en zonder het ook eigenlijk te durven sloeg hij toch even een blik naar beneden . . .

Wat zag hij daar?

O welk een heerlijke geruststelling! Welk een vreugde! Dat had hij niet durven dromen, dat hij daar op stond! Het was niemand anders dan die goede vriendelijke kandelaar, die hem op de schouders droeg! Hoe verdwenen nu plotseling alle angsten als sneeuw voor de zon! De kandelaar was immers zo dikwijls bij de mensen geweest en hij had er nooit anders dan goeds van verteld. Op zijn schouders kon het niet anders dan veilig zijn! Maar zie, daar was er nóg een, die meegekomen was en toen de waskaars hem zag, kende zijn vreugde geen grenzen. Die derde was niemand meer of minder dan het lucifersdoosje! Nu was het de kaars of het helder licht werd in zijn hart!

Maar intussen was het overal om hem heen donker geworden . .. Daar nam een van de mensen het lucifersdoosje op, maakte enkele wonderlijke bewegingen en . . . een lichtje straalde in het rond! Het was dus werkelijk waar: De mensen konden licht maken uit wat iemand daar binnen in zich droeg en zij vonden het goed als iemand zo straalde!

Maar wat gebeurde er nu? Daar kwam de mens die het lichtje had gemaakt bij hem en raakte er de pluim van zijn mutsje mee aan … O wonder! Daar straalde hij met zo’n zelfde lichtje in het rond!

O, nog nooit in zijn leven had de waskaars zich zo gelukkig gevoeld! Hij straalde en straalde maar en verlichtte alle mensen in de kamer! Nu zag hij het. Het was niet omdat hij nergens goed voor was, dat hij eerst niet bij de mensen mocht komen; neen, zij hadden hem juist voor de duisternis bewaard, om die te doorlichten! – Kijk, daar waren de spiegeltjes die hij boven in de mensen ontdekt had ook weer!

Maar wat zag hij daar nu in? Hij zag in alle spiegeltjes een vlammetje wapperen! En onder dat vlammetje zag hij iets lichts. Wat mocht dat zijn? Hij had het gevoel dat dat met hem te maken had, maar hij kon het niet herkennen.

Op een gegeven ogenblik begon het vlammetje dat hij droeg, te flakkeren en . . . daar begonnen de lichtjes in alle spiegeltjes van de mensen óók de flakkeren! Nu begreep de waskaars wat dat was. „Zie”, zei hij, „het is mijn licht dat uit al deze mensen straalt en dat witte daaronder is mijn lijf!”

O welk een heerlijke gedachte! En hoe voelde de waskaars zich hier nu thuis in deze wereld! Werkelijk, dat had hij nooit kunnen dromen: Niemand anders dan hij was hier immers de bron van al het licht en de mensen deden niets anders dan zijn glans weer verder stralen! Steeds gelukkiger voelde zich de waskaars en . . . steeds hoger begon hij van zichzelf te denken …

Totdat hij plotseling een vreselijke ontdekking deed!

In zijn verheerlijkte gevoelens had hij zich in het geheel niet afgevraagd, hoe het zijn vriend, de kandelaar ging die hem zo welwillend op de schouders droeg. Dat viel hem plotseling te binnen en hij gluurde weer eens even naar omlaag. Maar wat hij nu zag was zó verschrikkelijk dat hij van ontsteltenis bijna omlaag was getuimeld.

Wat was dat?

Wel dat was niets meer of niets minder dan dat er een groot stuk van zijn eigen lichaam af was!

O welk een afschuwelijk beleven! – Als het zo doorging, zou hij binnen korte tijd er helemaal niet meer zijn!

De waskaars knetterde en knisterde van angst en zijn vlammetje ging uit. . .

Dat gaf even een verwarring onder de mensen, maar na enig gestommel hadden zij iets anders te voorschijn gehaald en al gauw zag de kaars een nieuw lichtje branden. Het ding dat dat lichtje droeg kende hij niet, maar hij hoorde zo iets zeggen als ,,lamp” en ,,olie” en een andere mens zei: „Jammer dat de waskaars het niet meer doet!” Toen werd hij in de la teruggelegd.

Gelukkig voor hem kwam hij op hetzelfde plaatsje terecht, waar hij het laatst gelegen had, zodat hij opnieuw door de kier naar buiten kon kijken. Anders had hij het daarbinnen zeker niet kunnen uithouden, want nu werd hij dubbel gehoond en bespot. En ach, deze bespottingen troffen hem nog veel dieper dan vroeger, want nu voelde hij dat hij ze verdiende. Waren zijn hoogste wensen zojuist niet vervuld en had hij zelf niet alles bedorven? Maar hoe had hij ook kunnen weten, dat er zo’n een offer van hem verlangd werd? Wie had hem kunnen zeggen, dat hij om zijn geluk te bereiken, zijn eigen leven moest afstaan? Neen, tot dit offer was hij niet in staat!

„Wel”, . . . hoorde hij een honende stem in de la zeggen, „heb je daar bij de mensen willen glanzen met je licht? Dat is je zeker niet gelukt hè? En ben je nu afgedankt? Ja, ja, nu zitten wij weer met je opgescheept! Gelukkig maar, dat je tenminste een beetje kleiner bent geworden! Misschien dat je daardoor iets beter te verdragen bent!”. . . En meer van dergelijke hatelijkheden kreeg hij te slikken.

De waskaars hoorde geduldig al deze opmerkingen aan en tuurde stil naar buiten. Het was immers alles waar, wat die oude lui daar in de la zeiden! Maar wat moest hij beginnen? Hoe kon hij nu zijn eigen aard veranderen? Neen, wat daarbuiten van hem verlangd werd, zou hij nooit kunnen volbrengen! Dus bleef er niets anders over, dan eeuwig hier in de duisternis te liggen en alle bespottingen te doorstaan.

Zwijgend tuurde hij naar buiten.

Daar zag hij het andere lichtje dat de mensen hadden aangestoken en hij zag, hoe ze verder werkten aan de grote groene krans. Ook vele andere mooie dingen maakten zij: voorwerpen die zij verzilverden of verguldden . . . en alles was bestemd voor dat feest waar zij voortdurend over spraken. Nu zag de waskaars ook, welk lichtje op dit ogenblik uit de spiegeltjes van de mensen blonk. Dat was het vlammetje van die lamp! . . . Maar hoe zou het de lamp zelf daarbij vergaan? Zou hij ook zijn lichaam er bij moeten verliezen? Neen, hij scheen er helemaal niet kleiner van te worden . . . Maar kijk, in z’n buik zat er toch iets dat steeds minder werd! Dat moest hij zeker weggeven om te kunnen stralen in de wereld?. . .

De lamp scheen het met plezier te doen. Maar . . . wat die lamp weggaf, had hij van de mensen gekregen! De waskaars had zelf gezien, dat het in zijn buik gegoten werd! Zo iets kon je gemakkelijk afstaan, vooral als je misschien telkens nieuw kreeg. Maar hij, de waskaars, moest om te stralen zichzelf weggeven! Dat was nog heel wat anders!

Stil tuurde en tuurde hij door de kier.

Eindelijk scheen de krans klaar te zijn en de waskaars hoorde hoe een van de grote mensen tegen de kleineren zei: „kinders kom nu eens om mij heen, ik zal jullie eens wat vertellen!”

Nu kwamen alle kleine mensen om die ene grote heen en hij vertelde: „Toen de Lieve God de eerste mensen schiep, waren zij nog zo rein en goed, dat zij overal om zich heen een heldere glans verspreidden. Maar helaas kon het zo niet blijven. Zij werden tot boze dingen verleid en nu was het met hun glans gedaan! Geen sprankeltje licht verspreidden zij meer en ook hun nakomelingen keken duister om zich heen. Dat ging zo duizenden jaren voort, totdat een kind geboren werd, dat hen uit de duisternis verlossen kon. Dit kind was het Godskind. Dat had de glans die van de mensen geweken was, opgevangen en bewaard en toen het op aarde geboren werd, bracht het tezamen met zijn eigen licht, de verloren glans terug. Die legde het de mensen in het hart. Maar zó diep legde het dat licht, dat het van buiten niet te zien was. En zo ligt de glans van het Godskind nu in ieder mensenhart verborgen, zonder dat iemand het ziet.”

,,En kan die glans dan nooit naar buiten stralen?”, vroeg een van de kinderen.

,Ja, telkens als iemand zich iets van het Godskind herinnert, begint die glans een klein beetje naar buiten te komen.”

,,Maar hoe kan iemand zich iets van het Godskind herinneren?” vroeg nu een ander kind.

,,Door een beetje van zichzelf te vergeten,” antwoordde de grote mens, terwijl hij dromend voor zich uitstaarde en het wel leek, of hij zelf niet precies wist wat hij gezegd had.

,,Ja maar,” vroegen nu alle kinderen tegelijk: „wie kan nu zichzelf vergeten?”

„Ja dat is waar,” beaamde de grote mens, die uit zijn overpeinzingen ontwaakte. „Dat kan natuurlijk niemand. Maar ik geloof toch, dat we er allemaal wel iets van kunnen leren. En in elk geval zijn er wezens die ons daarbij helpen doordat zij ons vertonen, hoe je werkelijk kunt stralen door jezelf te vergeten.”

„Wat zijn dat dan voor . . .”

Verder luisterde de waskaars niet. Hij had zijn besluit genomen.

Hij rolde en wentelde, zonder zich iets te bekommeren om de regels in de la, net zo lang tot hij vlak bij de kandelaar en het lucifersdoosje kwam te liggen. Toen wachtte hij geduldig af wat er gebeuren zou. De volgende dag, toen weer alle mensen en kinderen verzameld waren om de krans, hoorde hij een van de groteren zeggen: „Kom, nu steken we weer een lampje aan en gaan bij de krans zingen!”

Toen werd de la opengeschoven en een van de mensen greep naar het lucifersdoosje. Maar nu gebeurde het, wat de waskaars had gehoopt. De mens die het lucifersdoosje opnam, zei: „Kijk, daar ligt de kaars ook! Laten we het nog eens met hem proberen. Het licht van een waskaars is toch verreweg het mooiste!”

Toen werd de kaars uit de la genomen en op de groene krans gezet en de kinderen kwamen in een kring er omheen staan. De grote mens stak hem opnieuw aan en toen hij zijn licht in het rond liet stralen, zongen de kinderen met heldere stemmen:

Daar is een kindeke geboren op aard . . .

Opnieuw zag de waskaars hoe zijn eigen vlammetje weerkaatste in de spiegeltjes van de kinderen. Maar hij zag ook, dat er uit hun gezichten een nog veel grotere glans begon te blinken. Nu begreep hij, welk groot licht dit was en hij begreep ook, dat hij uit alle kleine vlammetjes uitverkoren was om mee te mogen helpen, dat veel grotere licht in de kinderen wakker te maken. Toen bedacht hij zich geen ogenblik meer en hij straalde en straalde, totdat het laatste restje van zijn lichaam was opgebrand.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2324

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-9)

.

Vanaf 7jr. Voorleestijd 35 min.
.

Leo Tolstoi

.

Waar liefde is daar is ook God

Er leefde ergens in een stad een schoenmaker, die Martyn Awdeitsch heette. Hij woonde in een kelderkamer met één raam, dat uitkeek op de straat. Door dat raam kon je de mensen voorbij zien komen. Eigenlijk zag je alleen maar de voeten, maar Martyn Awdeitsch herkende alle mensen aan hun schoenen. Hij woonde daar al lang, en er waren er dus heel wat die hij kende. Haast alle schoenen in de buurt waren een- of tweemaal door zijn handen gegaan. Hele rissen had hij opgeknapt, of van zolen en hakken voorzien en hij had ook de nodige nieuwe laarzenschachten aangezet. Vaak keek hij onder het werken door uit het raam. Hij had het druk, omdat hij behoorlijk werk leverde, niet te veel vroeg en zich altijd aan zijn afspraken hield. Kon hij de schoenen binnen de verlangde tijd klaar krijgen, dan nam hij de opdracht aan, zo niet, dan zei hij het van te voren, want hij wilde niemand teleurstellen. Zodoende wist iedereen wie Awdeitsch was, en hij zat geen ogenblik zonder werk.

Awdeitsch was zijn hele leven een goed mens geweest. Toen hij oud begon te worden ging hij nog meer aan zijn ziel en aan God denken.

Martyn had toen hij nog als gezel bij een baas werkte zijn vrouw al verloren. Hij was toen met een jongetje van drie achter gebleven. Ze hadden nog meer kinderen gehad, maar die waren allemaal heel jong gestorven. Eerst wilde Martyn het ventje naar het dorp bij zijn zuster brengen, maar toen was hij met het kind begaan en dacht: “Mijn Kapitoschka kon het in een vreemde omgeving weleens heel moeilijk krijgen; ik houd hem toch maar liever bij me.”

Awdeitsch ging bij zijn baas weg en betrok met zijn zoontje een woning. Maar hij had geen geluk met zijn kinderen. Nauwelijks was de jongen op een leeftijd gekomen dat hij zijn vader kon helpen en deze het leven verlichten, of hij werd ziek en moest het bed houden. Een week lang had hij zware koorts, toen stierf hij. Martyn bracht zijn jongen naar het kerkhof en was zo wanhopig dat hij begon te morren en tegen God in opstand kwam. Hij werd zo door zijn verdriet overmand, dat hij God meer dan eens bad om ook hem te laten sterven, en Hem verweet dat Hij niet hem zelf, maar zijn enige zoon en oogappel tot zich had genomen. Ook ging hij niet langer naar de kerk.

Op een dag, kort na Pinksteren, kwam er een boer bij Awdeitsch op bezoek. Het was een grijsaard die al acht jaar aan het zwerven was. Awdeitsch raakte met hem in gesprek en begon zijn nood te klagen: “Ik heb geen zin meer om verder te leven en ging net zo lief dood. Ik bid God alleen nog maar om me te laten sterven. Ik heb niets meer te verwachten.” Maar de grijsaard antwoordde hem: “Je redeneert niet goed, Martyn, wij kunnen over Gods daden niet oordelen. De wereld wordt niet door ons verstand, maar door het inzicht van God geregeerd. God besloot dat je zoon moest sterven, maar dat jij moet blijven leven. Dus moet dat wel beter zijn. Maar als jij wanhoopt, dan komt dat doordat je alleen voor je genoegen wilt leven.”
“En waar moet ik dan voor leven?” vroeg Martyn. De grijsaard antwoordde: “Men moet leven om wille van God, Martyn. Hij heeft je het leven geschonken, dus moet je ook alleen voor Hem leven. Maar als je eenmaal leeft voor Hem, zul je niet meer treurig zijn, en alles zal je gemakkelijk schijnen.”
Martyn zweeg even, en zei toen: “Hoe kun je dan voor God leven?”
De grijsaard antwoordde: “Hoe je voor God moet leven heeft Christus ons geleerd. Kun je lezen? Koop dan het evangelie, en je zult ontdekken hoe je voor God kunt leven. Daarin staat alles geschreven.”

Zijn woorden schoten wortel in het hart van Awdeitsch, en nog die zelfde dag kocht hij een nieuw testament, met grote letters gedrukt, en begon te lezen.
Eerst nam Awdeitsch zich voor om alleen op de feestdagen te lezen, maar zodra hij met lezen begon werd het hem zo licht om het hart, dat hij er van toen af aan dag in dag uit in las. Soms was hij er zozeer in verdiept, dat de olie in de lamp geheel opraakte. Hij kon zich eenvoudig niet van het boek losmaken.
Zo las Awdeitsch dan iedere avond in het evangelie, en hoe langer hij erin las, hoe beter hij begon te begrijpen wat God van hem verlangde en hoe je voor God leven moest, en het werd hem steeds lichter om het hart. Voordien was het vaak gebeurd dat hij zuchtend en steunend naar bed ging, en al maar aan zijn zoontje dacht, nu sprak hij steeds vaker: “Geloofd zijt Gij, o Heer! Uw wil geschiede!”

Allengs veranderde Awdeitsch zijn hele levenswijze.
Vroeger ging hij op de feestdagen naar de herberg om thee te drinken, maar de brandewijn versmaadde hij ook niet. Had hij samen met een goede bekende gegeten en gedronken, dan verliet hij de herberg weliswaar niet zwaar dronken, maar toch lichtelijk beneveld, en kletste allerlei onzin, riep sommige voorbijgangers aan en schold andere uit, maar nu was dat allemaal afgelopen. Zijn leven werd rustig en vol vreugde, ’s Morgens zette hij zich aan zijn werk, en was de dagtaak volbracht, dan nam hij zijn lampje van de haak, zette het op tafel, haalde het boek van de plank, sloeg het open en begon te lezen. En hoe langer hij las, hoe beter hij begon te begrijpen, en dan werd het hem steeds blijder te moede.
Op een keer las Martyn tot diep in de nacht door. Hij las in het evangelie van Lucas, en was gekomen tot hoofdstuk 6, en daarvan het vers: – Zo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en neemt iemand uw mantel af, laat hem dan ook het hemd. Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. –
En verder las hij de verzen waarin de Heer zegt:
– Wat noemt gij mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven heeft en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen het huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. –

Toen Awdeitsch deze woorden had gelezen, was hij blij gestemd. Hij zette zijn bril af, legde die op het boek, steunde zijn hoofd op zijn hand en verzonk in gepeins. Hij begon zijn leven te toetsen aan wat hij zoëven had gelezen: “Hoe is eigenlijk mijn huis gebouwd, op een rots of op zand? Is het op een rots, dan is het goed. Als ik zo met mij zelf alleen ben, dan doe ik wel in alles naar Gods gebod: zoek ik verstrooiing dan maak ik me onverhoeds toch ergens aan schuldig. Ik wil dus mijn uiterste best doen. Moge God mij helpen.”

Zo dacht Awdeitsch en wilde al gaan slapen, maar hij kon er niet goed toe komen het boek opzij te leggen, en zo begon hij toch aan het zevende hoofdstuk. Hij las het verhaal van de hoofdman, van de zoon der weduwe, van het antwoord dat Christus Johannes de Dopers discipelen gaf, en kwam bij het gedeelte waar verteld wordt hoe de rijke Farizeeër Christus bij zich thuis nodigde; en verder las hij nog hoe de zondares de voeten van de Heer waste met haar tranen, en hoe Hij haar zonden vergaf. Dan kwam hij aan het vierenveertigste vers en hij las:

– En Hij wendde zich tot de vrouw en sprak tot Simon: “Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnen gekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.” Awdeitsch las deze verzen en dacht na over de woorden: … Hij heeft Hem geen water voor zijn voeten en geen kus gegeven, noch zijn hoofd met olie gezalfd.

Weer zette Awdeitsch zijn bril af, legde hem op het boek en ging zitten nadenken. “Hij leek op mij, deze Farizeeër, en dacht alleen aan zichzelf; als iemand alleen maar thee gaat drinken en het warm en gezellig heeft, en het komt niet bij hem op aan de gast te denken – want dat was het, hij zorgde alleen maar voor zichzelf, maar niet voor de gast. Maar Wie was die gast? De Heer zelf. Als Hij bij mij was gekomen, zou ik dan ook zo gehandeld hebben?”
Awdeitsch leunde met het hoofd op beide handen en merkte niet, dat hij in slaap sukkelde.

“Martyn,” hoorde hij opeens iemand aan zijn oor fluisteren. Martyn schrok op uit zijn slaap: – “Wie is daar?” Hij keerde zich om naar de deur, maar kon daar niemand ontdekken. Weer sliep hij in, maar eensklaps hoorde hij heel duidelijk de woorden: “Hoor je mij, Martyn? Kijk morgen door het venster uit op de straat. Ik kom.”
Martyn werd wakker, stond op van zijn stoel en wreef zich de ogen uit. Hij wist het zelf niet: had hij deze woorden in zijn droom gehoord of terwijl hij wakker was? Hij deed de lamp uit en ging naar bed.
De volgende morgen stond Awdeitsch al voor het begon te dagen op, zei zijn morgengebed, maakte de kachel aan, zette pap en koolsoep op, wakkerde de samowar aan, deed zijn voorschoot voor en ging voor het raam zitten werken. Hij zat daar te werken en telkens moest hij weer denken aan wat hem de vorige dag was overkomen. Hij wist niet wat hij ervan denken moest: nu eens hield hij het voor een zinsbegoocheling, dan weer scheen het hem toe, dat hij die stem werkelijk gehoord had.
“Nu ja, alles is mogelijk,” dacht hij.
Martyn zat voor het raam maar werken deed hij eigenlijk niet. Hij zat meer uit het raam te kijken. Ging er iemand voorbij van wie hij de laarzen niet kende, dan boog hij zich voorover en probeerde het gezicht van de voorbijganger te zien. Eerst ging de portier op zijn nieuwe viltpantoflels voorbij, toen de waterdrager, en daarna verscheen een oudgediende, die al onder Nikolaas I uit de dienst was ontslagen, met oude vilten laarzen aan en een schop in zijn handen, voor het venster.
Aan die laarzen herkende Awdeitsch hem. De oude man heette Stepanytsch en woonde bij de buurman van Awdeitsch, een koopman, die de oude soldaat uit medelijden onderdak verschafte, in ruil waarvoor deze allerlei klusjes moest opknappen voor de portier. Stepanytsch begon voor Awdeitsch’ raam sneeuw te ruimen, en Awdeitsch keek naar hem omhoog, en hervatte toen zijn werk maar weer.
“De oude dag heeft me wel erg onnozel gemaakt,” dacht Awdeitsch en moest een beetje glimlachen om zichzelf. “Daar heb je Stepanytsch, die sneeuw komt scheppen, en ik denk dat het Christus is die bij me op bezoek komt. Die oude kop van me wil niet zo best meer.” Hij deed nog tien steken, maar toen moest hij toch weer uit het raam kijken. Daar zag hij hoe Stepanytsch de schop tegen de muur had gezet, en in de zon stond uit te rusten.
Hij was oud en gebrekkig en zo te zien eigenlijk niet sterk genoeg meer om sneeuw te ruimen. Toen dacht Awdeitsch: “Zou ik hem een glas thee aanbieden? De samowar zingt al.”
Awdeitsch stak de naald in het leer, stond op, plaatste de samowar op tafel, zette thee en tikte op de ruit. Stepanytsch draaide zich om en kwam naar het raam.
“Kom toch binnen in de warmte,” zei hij. “Je bent geloof ik koud tot op het merg, is ’t niet?”

“De Heer sta ons bij, o, wat doen me de botten pijn,” antwoordde Stepanytsch. Hij kwam binnen, schudde de sneeuw van zijn jas, veegde zijn voeten, om de vloer niet vuil te maken. Hij kon haast niet meer op zijn benen staan.

“Doe geen moeite, ik maak de boel straks wel schoon. Kom, ga hier maar zitten,” zei Awdeitsch, “en drink een glas thee.”

Awdeitsch schonk twee glazen in, schoof zijn gast er eentje toe, goot uit het andere een scheut in zijn schoteltje en begon te blazen. Stepanytsch dronk zijn glas leeg, draaide het om, legde de rest van de suikerklont, waar hij een stukje had afgebeten, erop, en bedankte. Maar je kon best zien dat hij nog wel wat gelust had.

“Toe drink nog een glas,” zei Awdeitsch, en schonk voor zichzelf en zijn gast thee in. Hij dronk zijn thee, maar keek ondertussen telkens weer op straat.

“Verwacht je iemand?” vroeg de gast.

“Of ik iemand verwacht. Ik schaam me bijna om te zeggen wie ik verwacht. Ik wacht en ik wacht eigenlijk ook weer niet; er is een woord in mijn hoofd blijven hangen en dat wil me niet meer uit de zin. Of het een droom is geweest of iets anders, weet ik eigenlijk zelf niet. Zie je, vrindje, ik heb gisteren in het evangelie gelezen over Vadertje Christus, hoe Hij hier op aarde wandelde en veel smart heeft ondergaan. Daar heb je zeker wel van gehoord, niet?”

“Ervan gehoord heb ik wel,” antwoordde Stepanytsch, “maar ik heb geen opvoeding gehad en ik kan zelfs niet lezen.”

“Nu dan, ik heb gelezen hoe Hij op aarde wandelde en hoe Hij bij die Farizeeër kwam, die hem niet op een behoorlijke manier ontving. Terwijl ik dat zo zat te lezen dacht ik: hoe kon hij Vadertje Christus nu niet op een behoorlijke manier tegemoet treden! Als ik het geweest was, of iemand anders, ik had niet geweten wat ik doen moest om Hem goed te ontvangen. Zo zat ik bij mezelf te denken, en toen ben ik in slaap gevallen. En toen ik in slaap was gevallen, toen hoorde ik ineens, hoe iemand me bij mijn naam riep. Ik word wakker, en ik hoor een stem die me als het ware toefluistert: ‘Verwacht mij, morgen kom ik.’ Dat heeft zich twee keer herhaald. En van toen af aan, dat kun je geloven of niet, wil het me niet meer uit de zin. Ik loop mezelf uit te schelden, maar toch wacht ik op Hem.”

Stepanytsch schudde het hoofd en antwoordde niet, maar dronk zijn glas thee leeg en draaide het om; doch Awdeitsch zette het weer overeind en schonk opnieuw in.

“Drink op en laat het je goed gaan!” – Ik denk, dat toen Hij op aarde wandelde, er niemand was op wie Hij neerkeek, en dat Hij meest met eenvoudige mensen verkeerde. Mensen zoals jij en ik, en zijn discipelen wierf Hij ook onder het werkende volk, dat even zondig was als wij. Wie zich verhoogt, zei Hij, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, die zal verhoogd worden. Gij noemt mij Here, zei Hij, maar Ik zal u de voeten wassen. Wie de eerste wil zijn, sprak Hij, die zal aller dienaar zijn. Want zalig, zei Hij, zijn de armen, de nederigen en de zachtmoedigen.”

Stepanytsch had helemaal zijn thee vergeten. Stepanytsch was oud en licht geroerd. Hij zat daar te luisteren, en een paar tranen liepen over zijn gezicht.

“Kom, drink toch,” zei Awdeitsch.

Maar Stepanytsch sloeg een kruis, bedankte, schoof zijn glas opzij en stond op. “Ik dank je, Martyn Awdeitsch,” zei hij, “je hebt me als een gast ontvangen en mijn lichaam en ziel verkwikt.”

“Je moet maar gauw terugkomen, ik ben blij je te gast te hebben,” antwoordde Awdeitsch.

Stepanytsch ging heen, en Awdeitsch goot de rest van de thee uit de samowar in zijn glas, dronk het uit, ruimde de theeboel op en ging weer voor het raam zitten – om hakken te maken. Maar weer keek hij telkens het raam uit, want hij wachtte op Christus en dacht al maar aan Hem en zijn daden, en menig woord van Christus wilde hem niet uit de zin.

Toen gingen er twee soldaten voorbij; de een droeg een paar dienstlaarzen, de ander had zijn eigen laarzen aan; toen kwam de kastelein van naastaan voorbij, in mooie gummilaarzen, en daarna de bakker met een mand. Die waren allemaal voorbij, en toen kwam er een vrouw, met wollen kousen aan en gewone schoenen. Ze liep het raam voorbij en bleef toen tegen de muur staan. Awdeitsch keek uit zijn raam en zag dat het een vreemde vrouw was, met armoedige kleren aan en ze droeg een kind op haar arm. Ze leunde zo tegen de muur dat haar rug naar de wind gekeerd was, en wikkelde het kind in, maar ze had niets waarmee ze het behoorlijk kon toedekken. Ze droeg zomerkleren, maar ook die waren zeer gebrekkig. Zelfs door het dubbele raam heen kon Awdeitsch horen hoe het kind huilde en de vrouw het vergeefs toesprak.
Daar stond Awdeitsch op en riep luid:

“Beste vrouw, hoor eens even!”
De vrouw hoorde een stem en keerde zich om.
“Wat sta je daar toch met je kind in de kou? Kom toch in mijn kamer, daar is het warm, daar kun je veel beter wachten.”

De vrouw was erg verbaasd. Ze zag een oude man met een voorschoot en met een bril op zijn neus, die haar bij zich riep. Ze volgde hem. Ze gingen het trapje af en traden de kamer binnen. De oude man bracht de vrouw bij zijn bed. “Ga hier zitten, dichter bij de kachel – hier kun je goed warm worden en je kindje voeden.”

“Ik heb geen melk in mijn borsten, sinds vanmorgen heb ik niets meer gegeten,” zei de vrouw, maar legde niettemin het kind aan de borst. Awdeitsch schudde het hoofd, ging naar de tafel toe, haalde brood te voorschijn en een kom, maakte de ovenklep open en goot koolsoep in de kom. Toen haalde hij de pot met brij voor de dag, maar de brij was nog niet klaar, daarom zette hij alleen de koolsoep op tafel. Toen pakte hij het brood, haalde een handdoek van het rekje en legde die op de tafel.

“Ga maar aan tafel, jonge vrouw,” zei hij, “en eet, dan ga ik zo lang bij de kleine zitten. Ik heb vroeger ook kinderen gehad, dus ik weet hoe je er op passen moet.”
De vrouw sloeg een kruis, zette zich aan de tafel en begon te eten. Hij probeerde, om het kind te vermaken, met zijn lippen te klappen maar dat lukte niet erg, want hij had geen tanden meer. Het kind huilde maar door. Toen bedacht Awdeitsch wat anders. Hij bewoog zijn vinger voor het gezichtje van het kind heen en weer, bracht hem naar de mond van de kleine en trok dan hem meteen weer terug. Hij stopte zijn vinger niet in de mond, omdat die met pek besmeurd was en helemaal zwart. Het kind staarde naar de vinger en werd stil; toen begon het te lachen. Dat vond Awdeitsch leuk. De vrouw zat inmiddels te eten, en vertelde wie zij was, en waar ze vandaan kwam.

“Ik ben een soldatenvrouw, mijn man hebben ze acht maanden geleden heel ver weg gestuurd, en ik heb geen bericht meer van hem gehad. Ik had een betrekking als keukenmeid gehad, en daar ben ik toen heen gegaan. Maar met het kind wilden ze me niet hebben, en nu ben ik al drie maanden zonder betrekking. Alles wat ik had heb ik opgemaakt, ik wilde me als min verhuren, maar niemand wilde me nemen. Ze zeggen dat ik te mager ben. Ik ben zopas bij een koopmansvrouw geweest, die een vrouw uit ons dorp in huis heeft, en daar hadden ze me een betrekking beloofd. Ik dacht dat ik daar meteen beginnen kon, maar nu zeiden ze, dat ik pas over een week hoefde te komen. Het was een heel eind van mij vandaan, en ik ben doodmoe geworden van het lopen en ook mijn lieve kleine is er heel slecht aan toe. God zij geloofd en gedankt dat mijn kostjuffrouw een christenvrouw is, nog medelijden heeft, en ons bij zich laat wonen. Anders wist ik helemaal niet hoe ik verder moest leven.”

Awdeitsch zuchtte en zei: “Je hebt zeker geen warme kleding?”

“Hoe zou ik aan warme kleding moeten komen, goede man, gisteren heb ik mijn laatste omslagdoek voor twintig kopeken beleend.”
De vrouw ging naar het bed toe en nam het kind op, maar Awdeitsch kwam overeind, liep naar de muur en na wat gestommel kwam hij terug met een oude borstrok. “Neem dit maar, ’t is wel een oude, maar je kunt het kind erin wikkelen.” De vrouw keek naar de borstrok en toen naar de oude man en begon te schreien. Awdeitsch wendde zich af; hij kroop onder het bed, haalde een kleine kist te voorschijn, zocht daar iets in en ging weer tegenover de vrouw zitten. De vrouw zei: “Christus moge je helpen, grootvadertje.
Hij moet het ook wel geweest zijn die me voor jouw venster heeft gebracht. Het kind was anders zeker bevroren. Toen ik van huis wegging was het vrij warm, maar nu vriest het buiten verschrikkelijk hard. En God heeft je ingegeven dat je uit het raam moest kijken, om je over een ongelukkige te ontfermen.” Bij deze woorden glimlachte Awdeitsch en zei: “Heel juist. Hij heeft het mij ingegeven. Niet voor niets heb ik uit het raam gekeken.”

Hierop vertelde Martyn de soldatenvrouw van zijn droom en van de stem die hem voor vandaag Gods verschijning had aangekondigd. “Alles is mogelijk,” antwoordde de vrouw, stond op, deed de borstrok om bij wijze van omslagdoek en wikkelde het kind erin. “Neem dit, om Christus’ wil,” zei Awdeitsch, overhandigde haar een twintigkopekenstuk en zei dat ze daarmee de doek moest inlossen. De vrouw sloeg een kruis, Awdeitsch deed hetzelfde en begeleidde haar naar buiten.

De vrouw was weg. Awdeitsch at de koolsoep op, ruimde de tafel af en zette zich weer aan de arbeid. Onder het werk dacht hij niettemin voortdurend aan het venster, iedere keer als de ruit verduisterd werd keek hij op om te zien wie er langs ging. Er kwamen veel vreemden en bekenden voorbij, maar geen enkele bijzondere persoonlijkheid.

Daar zag Awdeitsch, hoe recht tegenover zijn raam een oude koopvrouw bleef staan, die een mand met appels droeg. Er zaten niet veel appels in de mand, de vrouw had ze zeker bijna allemaal al verkocht. Op haar schouder had zij echter een zak met houtspaanders. Die had ze zeker bij een bouwterrein verzameld en nu ging ze naar huis. Maar de zak drukte wel erg zwaar op haar schouder. Ze wilde hem op de andere schouder doen, zette hem op de grond en de appelmand op een schamppaal en begon de zak met spaanders te schudden. Ondertussen dook plotseling een jongen met een gescheurde pet op, greep een appel en wilde ermee vandoor gaan, maar de oude vrouw had het gemerkt, draaide zich om en greep het ventje bij zijn arm. De jongen begon van zich af te slaan en wilde zich bevrijden, maar het ouwetje had hem met twee handen beet, sloeg hem zijn pet van het hoofd en pakte hem bij zijn haren. De jongen schreeuwde en de vrouw schold. Awdeitsch had nauwelijks tijd om de naald in het leer te steken, hij gooide hem daarom op de grond en liep zo snel hij kon de trap op, zodat hij zelfs struikelde en zijn bril verloor. Zo kwam hij de straat op gehold; het oude mens rukte de jongen aan zijn haar, schold hem hevig uit en dreigde hem aan een agent te geven. De jongen sloeg om zich heen en ontkende dat hij iets ergs had gedaan:

“Ik heb niks gepakt,” betuigde hij, “waarom moet je me dan slaan, laat me toch los!”
Awdeitsch stond aan allebei te trekken en te plukken om ze van elkaar te scheiden, pakte de jongen bij de hand en zei:
“Laat nou los, grootmoedertje, vergeef het hem toch!”

“Ik zal het hem zo vergeven dat hij het tot het volgende pak slaag niet meer vergeet! Ik zal die schoft aan de politie overgeven!”

Nu begon Awdeitsch de oude vrouw gemoedelijk toe te spreken: “Laat hem toch lopen, grootmoedertje, hij zal het heus niet meer doen. Laat hem vrij om Christus’ wil!”
De vrouw liet de jongen vrij, hij wilde weglopen, maar Awdeitsch hield hem vast.
“Je moet grootmoedertje eerst om vergeving vragen. En doe het niet weer. Ik heb gezien dat je de appel weggepakt hebt.”

De jongen barstte in tranen uit en begon de oude vrouw vergiffenis te vragen.
“Zo is het goed. En hier heb je een appel.”

Awdeitsch nam een appel uit de mand en stak hem de jongen toe.-“Ik zal hem betalen, grootmoedertje, ”zei hij daarbij tot de oude vrouw.

“Je verwent die lummel,” zei de oude. “Hij moest er zo van langs krijgen dat hij het een weeklang voelt.”

“Och grootmoedertje!” zei Awdeitsch, “dat denken wij misschien, maar naar Gods gebod is het heel anders. Als hij al slaag verdient om een appel, wat verdienen wij dan wel, want wij zijn toch veel grotere zondaars.”

De oude vrouw verstomde.
En Awdeitsch vertelde de oude vrouw de geschiedenis van de Heer die zijn knecht een grote schuld kwijtschold, waarop deze heenging en zijn eigen schuldenaren begon aan te manen. De oude koopvrouw hoorde de geschiedenis aan en ook de jongen bleef staan luisteren. “God heeft ons opgedragen de anderen te vergeven,” zei Awdeitsch, “anders zullen wij ook niet vergeven worden.”

De vrouw schudde het hoofd en zuchtte. “Dat is wel zo,” zei ze, “maar de jeugd is veel te brutaal geworden.”

“Dan moeten wij ouderen hen juist beter voorgaan,” antwoordde Awdeitsch.

“Dat zeg ik ook,” antwoordde de vrouw. “Ik heb zelf zeven kinderen gehad, maar ik heb alleen een dochter overgehouden.”

En zij begon te vertellen waar ze woonde, hoe ze bij de dochter in huis was en hoeveel kleinkinderen ze had. “Ik ben helemaal niet sterk meer, maar ik blijf werken. Mijn kleinkinderen verdragen mij, ze zijn ook erg aardig; niemand doet tegen mij zoals jij. De kleine Aksjutka is niet bij me weg te slaan; ’t is de hele tijd: grootmoedertje, aller-, allerliefste grootmoedertje …” De oude vrouw was helemaal ontroerd.
“Zo zijn kinderen nu eenmaal. Nou, laat hem dan maar lopen,” voegde zij eraan toe, met een blik op de jongen.

De oude vrouw wilde de zak weer op haar rug laden, maar nu sprong de jongen toe en zei: “Laat mij hem dragen, grootmoedertje, ik moet toch dezelfde kan uit.”
Het mensje schudde het hoofd en tilde de zak op de jongen zijn rug. Zo liepen ze samen de straat uit. Het vrouwtje had zelfs vergeten Awdeitsch geld voor de appel te vragen. Awdeitsch stond de twee na te kijken en hoorde hoe druk ze met elkaar praatten.

Toen keerde hij terug naar zijn kamer, vond in het voorbijgaan op de trap zijn bril, die niet eens gebroken was, raapte de naald op en zette zich opnieuw aan het werk. Hij werkte nog een poos door, maar toen wilde het niet meer vlotten, omdat het al donker was geworden en hij zag zelfs de lantaarnopsteker al langs komen, om de lantaarns aan te steken. “Ik zal wel licht moeten maken,” dacht hij. Hij stak de lamp aan, hing hem aan de haak en ging weer aan de slag. Hij repareerde nog één laars, draaide hem om en om en bekeek hem nauwgezet – het was goed werk.
Awdeitsch legde zijn gereedschap bij elkaar, ruimde het afval op, borg de borstels en de naalden weg, zette de lamp op tafel, en nam het evangelie van de boekenplank. Hij wilde het boek op dezelfde plaats openslaan waar hij de vorige dag een stukje marokijn erin had gestoken bij wijze van bladwijzer, maar toevallig sloeg hij het op een andere plaats op. Terwijl hij het boek opensloeg schoot hem alweer het gebeurde van de vorige avond te binnen. Nauwelijks kwam de gedachte in hem op, of het leek of vlak bij hem iemand bewoog, of er iemand met een heel lichte tred achter hem langs ging. Awdeitsch keerde zich om, en het scheen hem toe of er verscheidene mensen in de donkere hoek van de kamer stonden, maar hij kon ze niet goed onderscheiden. Daar fluisterde een stem hem in het oor:

“Martyn, Martyn, heb je mij dan niet herkend?”
“Wie?” zei Martyn.
“Mij,” zei de stem.
“Ik ben het.”
En uit de donkere hoek kwam Stepanytsch te voorschijn, glimlachte, veranderde in een wolkje en verdween…
“En dit ben ik,” sprak een andere stem.
En uit de donkere hoek trad de vrouw met het kind naar voren. Zij glimlachte, ook het kind lachte, en toen verdwenen zij.
“En hier ben ik,” zei een derde stem, en daar stonden het oude vrouwtje en de jongen met de appel, en allebei glimlachten zij en verdwenen eveneens.

Awdeitsch voelde zijn hart zwellen van vreugde. Hij sloeg een kruis, zette zijn bril op en begon in het evangelie te lezen, daar waar hij het tevoren toevallig had opengeslagen. En bovenaan de bladzijde las hij de woorden: “Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest. ..”

Onderaan dezelfde bladzijde las Awdeitsch:

“… in zoverre gij dit aan één van dezer minsten hebt gedaan, hebt gij het ook aan Mij gedaan.” (Mattheüs 25).
En toen begreep Awdeitsch, dat de droom geen bedrog was geweest, maar dat de Heer hem deze dag werkelijk had bezocht en dat hij Hem in zijn huis had ontvangen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2323


VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-8)

.

Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

.

Lichte sneeuwval, windstil weer

.

Toen hij de kerk uitkwam leek het of het klokgelui werd gesmoord in een gordijn van watten. De sneeuw viel in dichte, warrelende vlokken. Een jonge hond dolde uitgelaten heen en weer, kinderen lachten om een slee, hij hoorde de stemmen van de mensen die afscheid namen van de dominee: prettige feestdagen, vrolijk kerstfeest – wat je dan zoal zegt. Zelf had hij geen afscheid genomen, de dominee was geen vriend van hem. (Wie eigenlijk wel?) Door de sluier van sneeuw drong flauw het maanlicht, een waterig schijnsel; de contouren van de dorpsstraat, waarin de spaarzame lantarens door dansende vlokken omgeven waren, vielen nauwelijks te onderscheiden, de huizen aan het eind waren van hieruit niet te zien.
Hij had erop gerekend, op zijn leeftijd kon je dat verwachten, dat de gang naar huis terug hem moeilijk zou vallen, maar hij was toch gekomen.
De stemmen kwamen dichterbij, hij trok zijn das wat dichter om zijn hals, greep zijn wandelstok stevig beet en begaf zich op weg. De sneeuw lag al tamelijk dik, zoveel was er in jaren niet gevallen. Hij moest lang in de kerk hebben gezeten, maar het had hem toch niet lang geleken, hoewel de dominee even lang van stof was geweest als anders en weer te veel literatuur en kunstgeschiedenis in zijn preek had ingelast. Dat had hem jaar en dag het kerkbezoek tegen gemaakt, en ook de uitvallen nu en dan tegen het katholicisme, die hij blijkbaar niet achterwege kon laten. Als je lang in romaanse landen had gewoond, kon je dat moeilijk verdragen. Geen slechte prediker, de dominee, maar een ijveraar, je zou bijna zeggen, een beetje een fanaticus. Waarom was hij dan deze keer toch gegaan? Om de kerstboodschap, om de oude koralen, om zijn kindergeloof te horen bevestigen of om de kerstbomen en de oude boerenkribben met hun houtsneewerk te zien? Maar de kerk stond daar niet vanwege de dominee, en wie was hij, zo’n oude, eenzame, door ervaringen geteisterde man, dat hij over hem zou mogen oordelen?
Hij had te hard gelopen, om maar van de mensen weg te komen, met wie hij geen enkele band had, en ook niet hebben wilde. Ze mochten hem gerust voor zonderling en ouwe gek uitschelden.
Hij moest even stil blijven staan om adem te scheppen. Zijn leeftijd deed zich weer eens voelen. De kou kroop in zijn benen omhoog, zijn handen begonnen gevoelloos te worden, altijd vergat hij wat: hij had zijn overschoenen aan moeten doen.

De stemmen waren nu niet meer te horen, hij was de dorpsstraat uit, waar nu achter stijf dichtgetrokken gordijnen de kaarsen werden aangestoken; het vertrouwde voetpad naar de bosrand waar zijn huis tegenaan stond, was nog maar net te onderscheiden. Het buitenlicht brandde, maar de haard zou wel uit zijn gegaan, en hij had vergeten de tuindeur op slot te doen. Hij had geen kerstboom, met kaarsjes om aan te steken. Hij zou niet weten voor wie. Wat was het stil, geen zuchtje wind, en de sneeuw bleef zachtjes vallen. De sneeuw moest begonnen zijn te vallen toen hij al in de kerk zat. De eerste sneeuw van het jaar, stipt zoals het behoorde, een witte Kerstmis waar hij als kind altijd naar verlangd had. Het was nu niet ver meer. Hij bleef staan en glimlachte voor zich heen. Hij moest ineens denken aan de sirene, die midden onder de preek was gaan loeien, juist toen de dominee al te pathetisch werd, ongenadig door de welgekozen woorden heen scheurend, de sirene van de gevangenis in het moerasgebied achter het bos. Er was er weer een ontsnapt, en zo waarschuwden ze de omgeving, terwijl ze probeerden hem weer te vangen. Een zeer moderne strafinrichting, ook de behoefte aan modern lawaai scheen daarbij te horen, een beter alarmsysteem hadden ze blijkbaar niet weten te verzinnen. In het dorp waren ze er al aan gewend om te worden overvallen door de wisselend aanzwellende en afnemende huiltonen van de sirene te worden opgeschrikt, maar waarom juist op kerstavond, midden onder de nachtdienst? Aan de andere kant was het heel goed verklaarbaar dat de drang naar de vrijheid een gevangene juist nu te machtig werd, en misschien was ook de kans om te ontsnappen gunstiger dan anders. Het mocht de uitbreker aanvankelijk al gelukt zijn een voorsprong te krijgen, ver zou hij in deze sneeuw niet komen, tenzij de wachters hem in deze nacht voorlopig maar lieten gaan. Maar wat ging het hém aan, moest hij daarbij stilstaan? Hij zou de boodschap van het evangelie nog eens nalezen, besloot hij, als hij tenminste niet te moe was, nu meteen, voor die weer verbleekte. Hij ging verder, maar bleef nog eenmaal staan, en ditmaal glimlachte hij niet. Nu wist hij waarom hij naar de kerk was gegaan. De vrede van God, die alle verstand te boven gaat… Om deze zegen te horen uitspreken, deze troostrijke woorden, in hun eenvoud vol geheimenis, had hij de bezwaarlijke tocht ondernomen.
Ook het licht in de hal had hij aangelaten, hij was niet meer gewend om zo laat uit te gaan. Terwijl hij met klamme vingers zijn schoenen uittrok, overwoog hij of hij niet meteen een warme kruik in zijn bed zou leggen.
De deur van de bibliotheek stond op een kier – zo haastig was hij, in een plotselinge opwelling, weggegaan. Hij hoorde daarbinnen een haardvuur knapperen en voelde hoe de warmte hem tegemoet drong. Waar had hij ook weer zijn pantoffels? Hij deed de deur wijd open, maar na een paar passen stond hij stil – met zijn natte sokken maakte hij vieze voeten op het kleed.

Op de stoel bij de haard zat een voorovergebogen gestalte, een lange jas losjes omgeslagen, die met een haardijzer in het vuur pookte. Als hij nu iets riep zou de man hevig schrikken – dat was het eerste wat hij dacht. Na een afgemeten zwijgen zei hij daarom, met zijn gewone, gearticuleerde stem: “Goedenavond, hoe bent u hier zo binnengekomen?’ ’
“Neemt u me niet kwalijk.” De man sprak zachtjes, hij scheen niet geschrokken, zelfs niet verrast, alsof hij deze ontmoeting wel had verwacht. “Ik zag licht branden. Uw tuindeur stond zo uitnodigend open, en dan opeens al die sneeuw. Ik wilde graag even in de warmte zitten. Ik ga zo dadelijk weer weg.”

Zou hij al het licht aandoen? Hij draaide alleen de schemerlamp aan. De onbekende bezoeker stond op en keerde zich langzaam naar hem toe. De jas had hij nu tot de hals toegeknoopt. Het was een ouderwets model dat hem tot aan de voeten reikte, die in grove laarzen staken. Hij was lang en tenger, en hield het hoofd enigszins gebogen. Zijn gelaat toonde sporen van dodelijke vermoeidheid, de kin was verstrakt, de ogen waren te groot in het lijkbleke masker. Zijn houding was vrij van verlegenheid meer als van iemand die hoffelijk luistert dan van iemand, die betrapt is. Ook hij leek een man op leeftijd, hoewel toch zeker tien jaar jonger dan hijzelf, en zoals hij daar stond, in de lichtkring van de lamp, met een mengeling van gelatenheid en innerlijk verzet, maakte hij een afgeleefde, uitgeputte indruk.

“Ik verlang ook een beetje warmte. Gaat u rustig zitten, maar in de andere stoel graag, ik ben aan deze gewend.” Hij maakte een uitnodigend gebaar. De warmte deed hem opleven. Iets anders wist hij zo gauw niet te verzinnen. Niet overhaasten. Eerst maar eens zien hoe het liep. Hij keek de indringer aan. “Zit die jas niet te warm, hij is zo onmogelijk lang. Zou u hem niet liever uittrekken?”

“Huisvredebreuk,” zei de man. “Op zijn allerminst huisvredebreuk. Wat een woord!” Hij scheen ergens over na te denken. “Als ik die jas nou uittrek – ik heb hem in de hal gevonden, en ik dank u wel dat ik hem van u heb mogen lenen” – hier viel hij zichzelf in de rede – “wat een frasen.”
Zo vaardig met de tong als hij scheen te zijn, bracht hij de zin niet tot een einde. Hoewel hij het haardijzer nog losjes in de hand hield – een gevaarlijk wapen, als je er even bij nadacht – ging er niets dreigends van hem uit. De jas maakte hem tot een groteske figuur.

“U hebt het vuur hoog genoeg opgepookt, dus u kunt dat haardijzer nu wel weghangen. En gaat u toch zitten.” De man legde het haardijzer weg, gehoorzaam en een beetje in de war gebracht, maar hij bleef wel staan. Je moest hem blijkbaar de tijd gunnen. “Ik krijg nog maar zelden bezoek. U hebt me een verrassing bezorgd die ik jaren niet meer gekend heb. Ik vind het heel interessant, zo lang u me niets doet tenminste.” Nu hij in zijn eigen stoel zat kwam het er gemakkelijk uit. Ze waren nu dicht tot elkaar gekomen.

Langzaam liet de man zich in de andere stoel zakken. “Bedankt, heel erg bedankt,” sprak hij hortend, “’t Is hier zo – zo vredig. En waar zou ik ook heen moeten in die sneeuw. U staat niet gauw perplex, maar als ik deze jas uittrok, zou u toch vreemd opkijken.” Hij streek met een ironisch gebaar over de lange rij knopen.

“Omdat er dan een gestreept gevangenispak te voorschijn komt?”

De man kwam overeind, wilde opstaan, een schrikreactie, maar hij liet zich onmiddellijk weer terugvallen. “U weet het dus,” klonk het toonloos. “Ik had het kunnen verwachten. Weet de politie al waar ik ben? Komen ze me halen? Jammer. Ik had gehoopt dat ik tenminste nog tot in de stad zou weten te komen.”

“Dus u bent die uitbreker voor wie midden onder de preek de sirene ging. ’t Lag voor de hand. Maak je geen zorgen, hier komt niemand, en ik ben niet van plan je bij de politie aan te geven. Tenminste, vannacht niet. In deze nacht zou dat voor mijn gevoel eenvoudig niet passen. Nog afgezien van de moeite. Ik heb geen telefoon en ik denk er niet aan om nog eens door de sneeuw te gaan baggeren.”

“En u bent niet bang? Ik zou u bijvoorbeeld . . .”

“U zou van alles kunnen. Maar u zult niets doen. Ik heb dadelijk gezien dat u niet het type bent van een – hoe zal ik zeggen? – een gevaarlijke bruut.”

Nu stond de armzalige kerel op en trok met ongeduldige, rukkerige bewegingen de jas uit. In zijn gevangenisplunje zag hij eruit als een clown, maar het groteske patroon gaf hem tegelijk iets van de bittere ernst van een arme struikrover, het wanhopige van alle echte grappenmakers. “Wat ben ik dan wel?” vroeg hij.

“U zult wel zeggen: een onschuldig veroordeelde.”

“U hebt gelijk. Dat zeggen ze bijna allemaal. Maar ik ben werkelijk onschuldig. U kunt me geloven.”

“Vanavond is juist mijn kindergeloof in de kerstboodschap weer bevestigd, dus ik zou wel in de stemming moeten zijn om het van u aan te nemen. Maar het spijt me wel, de bijzonderheden interesseren me hoegenaamd niet. Ik ben een oude schrijver.

“Die boeken, zijn die allemaal van u?” De man in de gevangeniskledij liet zijn blik over de vele boekenplanken gaan. “Ik heb daarstraks de titels gelezen. U moet heel beroemd zijn. Ik wist niet, ik lees niet zoveel bellettrie, dat ik juist in het huis van… (hij noemde de naam) mijn toevlucht moest zoeken. Maar dat zijn alweer frasen. Neem me niet kwalijk.” Zijn voorgewende zelfverzekerdheid scheen hem geheel in de steek te laten. Hij liet zich weer op zijn stoel vallen.

“Maak toch niet telkens verontschuldigingen. Vroeger ben ik beroemd geweest. Ik ben nu vergeten. Sinds acht jaar heb ik geen boek meer geschreven. Sedert mijn vrouw gestorven is. Vorig jaar is mijn kat doodgegaan. Er zijn te veel geschiedenissen door mij heen gegaan, waar of bedacht. Ik wil er niet meer horen. Alleen nog de hele grote, de weinige die blijven. Uw geschiedenis hoort daar, vrees ik, niet bij.”

“U hebt gelijk. Helaas. Mijn geschiedenis is alledaags en triest en vreselijk banaal. Maar in elk geval is het een ware geschiedenis. Ik kan er wat van leren, u niet.” Hij zocht naar woorden, en voegde er zachtjes aan toe: “U bent een wijze oude man, en dat u niets vraagt bewijst hoe goed u bent.”

“Hoe nu?” Hij had dat laatste niet verstaan, en bemerkte dat het haardvuur begon uit te gaan. Hij vermande zich.

“Ik zal u een nuchter voorstel doen. U trekt een pak van mij aan, dat u zo ongeveer past. Ondertussen zet ik koffie. Ik zal u zeggen hoe u in de stad kunt komen. U moet niet naar het station gaan, daar zoeken ze zeker. Er is een bushalte hier dichtbij.”

“U riskeert een vervolging wegens strafbare hulpverlening.”

“Daar kan ik me in deze nacht niet om bekreunen. En voor ik er anders over denk zal ik u het adres geven van een goede advocaat, die iets aan mij verplicht is, met een briefje of hij u helpen wil. Die gekke jas kunt u wel houden. Ik heb hem al jaren niet meer gedragen en hij hangt daar toch maar voor niets.”

“Waarom doet u dit allemaal? Ik dring uw huis binnen, u kent me niet eens.”

“Ik wil u helemaal niet kennen. Dat is het juist. En, goed dat ik er aan denk, het belangrijkste moeten we nog regelen: u moet wat geld hebben. Laten we een gentleman’s agreement sluiten: u kunt het me bij gelegenheid terugbetalen. Als u geluk hebt. Als u onschuldig bent.”

“Maar ik verzeker u …”

“Verzeker me maar niets. Als u mij uw levensgeschiedenis en alle bijzonderheden van het proces vertelt, hoe waar ze ook mogen zijn, dan zeg ik u nogmaals, dat ik niet de minste lust heb om er naar te luisteren. Ik deug niet voor biechtvader. De belangstelling voor het persoonlijk lot van anderen is mij helemaal vreemd. Wat zou ik van u kunnen leren, dat ik niet al lang wist? Bovendien ben ik moe, heel erg moe, en ik laat mijn geregelde leven niet graag in de war brengen.”

“Ik begrijp het. Ik zal u mijn geschiedenis en mijn persoonlijke moeilijkheden besparen. Ik heb ook niet het minste recht iets van u te vragen. Ik sta overal buiten.”

“Wat moet dat betekenen? Ik haat alle zelfbeklag. Ik wil alleen zuiver praktisch iets voor u doen, en u moet niet vragen waarom. Ik doe het eerlijk gezegd ook om op een fatsoenlijke manier van u af te komen.”

“Goed dan, goed dan,” zei de vreemde gast. Hij stond op, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. “De sneeuw is opgehouden,” zei hij langzaam. “De maan schijnt. Het is tamelijk helder. Ik geloof dat ik maar gaan moet.”

Onderaan de trap wachtte hij hem op. Het pak zat hem een beetje ruim, maar het maakte hem heel anders. Hij zag eruit als iemand uit de stad, als een heer. Hij legde een bundeltje kleren op een dekenkist en zei: “Ik heb een nieuw mens aangetrokken. Gooi dit hier maar in het vuur.”

“Ik heb een schetskaartje gemaakt van de weg door het bos. Daar zullen ze nu niet zoeken. Wacht hier bij het ziekenhuis op de eerste bus. U zult misschien lang moeten wachten, maar u hebt al zoveel geriskeerd, dat kan er ook nog wel bij.”

“En als ik nog wat langer hier blijf? Ik weet dat het veel gevraagd is, maar . ..”

“De gastvrijheid, volgens de ouderwetse opvattingen tenminste, zou vergen dat ik het goed vond, maar blijf toch maar liever niet. Ik ben een oude man en werkelijk heel erg moe. En als het straks dag is geworden denk ik er misschien anders over.”

De onbekende haalde zijn schouders op. Was hij bang geworden? Zonder een woord stak hij het kaartje in zijn zak, nam de brief en het bankbiljet en dronk haastig zijn koffie op. “Ja,” zei hij toen, “het is beter zo. Laat ik hopen dat ik bij die advocaat kom en dat ik mijn vrouw spreek, dat is het belangrijkste.”

Bij de deur draaide hij zich om en stak verlegen zijn hand uit. “U loopt nog aldoor op uw sokken.” Hij schudde misprijzend het hoofd, maar hij glimlachte niet. Zijn gezicht droeg weer een gespannen en gefolterde uitdrukking. “Wat moet ik verder nog zeggen. Ik dank u. Van ganser harte. En toch vraag ik: waarom doet u dat voor mij?”

“Dat vraag ik mezelf ook af. Weet ik het?

God behoede u,” zei hij op gesprekstoon, helemaal niet plechtig, en toen, meer tot zichzelf dan tot de gedaante in de vormeloze jas, die eenzaam het besneeuwde pad op ging: “Misschien omdat er iets is dat alle verstand te boven gaat.”

De sterren flonkerden, het bos stond donker tegen de lucht: het zou hem beschutten. Vlug sloot hij de deur. Een lange, onderdrukte geeuw deed hem schudden. Hij hoorde nu toch heus in bed. Waar zijn toch mijn pantoffels? Nou, ik ga ze nu echt niet meer zoeken, besloot hij.

.

Waarschijnlijk van Hans Bütow

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2322

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-7)

.

Kerstverhaal, vanaf 7 jr.
Voorleestijd: ca 23 minuten

.

De dieren van Bethlehem

.

Jozef nam zijn fluit, bracht hem aan de mond en begon te spelen. Het werd hoog tijd, vond hij, dat Maria ging rusten, want. het was geen kleinigheid een kind ter wereld te brengen, en dan nog wel als het tijd is om te slapen. Hij zou iets spelen, bedacht hij, waardoor ze de een na de ander in slaap zouden vallen – eerst de moeder, dan het kindje, en ten slotte de dieren in de stal, die ook wel een onrustige nacht achter de rug moesten hebben, want het gebeurt niet vaak dat dieren bij de geboorte van een mens kunnen toekijken. Zouden ze begrepen hebben, vroeg hij zich af, wat er met de vrouw aan de hand was? Ze hadden haar nog nooit eerder horen schreien.

Eerst klonk de fluit zo vredig en rustgevend dat Jozef er zelf slaap van kreeg. De kerstnacht daarbuiten was zo ijzig koud dat de wanden van de stal er van kraakten en de sterren aan de hemel er van fonkelden. Voor de deur van een geriefelijk, met stro gedekt buurhuis stond een hondje met een natte neus hevig te janken. Maar hij was de eerste die de honingzoete fluittonen in slaap deden vallen. Bij Maria duurde het trouwens ook niet lang. Zodra de hond zich stil hield en zijn gelijkmatig, vredig ademen verried dat hij het niet meer koud had, draaide zij zich om naar de wand en sluimerde in. Haar lieve gezicht begon in de slaap te blozen, de rode lippen glansden vochtig en op de kleine hand, die zij onder haar wang had geschoven, glinsterde van louter ijver en tevredenheid een zweetdruppeltje. Maria hijgde zelfs een beetje van uitputting, en zij strekte haar benen onder de deken, om eindelijk de pijn der weeën te vergeten; als na welgedane arbeid sliep zij in. Zodra Jozef dit bemerkte vielen ook zijn ogen dicht, de fluit gleed uit zijn handen en zoals het een vader past, strekte hij zich uit op het stro en begon te snurken.

Het kind lag echter nog wakker en glimlachte. Waarom zou het zich ook haasten om te gaan slapen, terwijl het nog maar pas voor het eerst de wereld had aanschouwd en nu met ogen, oren en neus moest kennis nemen van wat voor hem reeds een gelukzalige zekerheid was. Maar het zei geen woord, om Jozef, die voor de kribbe lag, niet wakker te maken, en tuurde met licht gebalde vuistjes roerloos naar de grauwe balken van de zoldering, die glad en glanzend werden van de adem der dieren. En doordat het zo koud was, werd zijn eigen lichte adem zichtbaar boven zijn mond, zodat hij die ook kon leren kennen op zijn eerste levensdag. Want – zie toch – nauwelijks waren de vader en moeder ingeslapen, daar begon het in de stal reeds merkbaar kouder te worden.

De os schudde bezorgd zijn kop. “Het is koud,” zei hij, “het kind zal nog kou vatten.” De ezel hief zijn kop op, die hij tot aan de grond had laten hangen, zo moe was hij van alle nieuwe ervaringen, en zoog met veel gerucht de lucht op door zijn fluwelige neusgaten. “Zachtjes,” bromde de os mismoedig, “je zult hem nog wakker maken.” “Hij slaapt niet eens,” mompelde de ezel. Dat wist de os ook wel, want hij wendde zijn ogen geen ogenblik van de kribbe af, waarin het kind met stralende ogen onbeweeglijk neerlag, en slechts af en toe, als er een vlieg voorbijvloog, beefden zijn vuistjes, die er als twee kleine knopjes uitzagen. Ja, de os zou dat niet geweten hebben, hij wist nog heel wat meer. “Ik weet dat hij niet slaapt,” antwoordde hij, “maar hou je toch maar stil, want daarom kun je hem nog wel wakker maken. Wat moeten we nou doen dat hij geen kou vat?” “Zullen we zijn moeder wekken?” vroeg de ezel. “Nee,” antwoordde de os beslist, want hij hield evenveel van Maria als van het kind. “Zij moet rusten, want ze heeft de hele avond gehuild.” “Wat dan wel?” vroeg de ezel, die nog altijd heel moe was en die daardoor niets kon bedenken.

Het werd steeds kouder, door het kleine stalraam drong het licht van de maan en tintte de achterdelen van de os en de ezel zilver. Maria werd in haar slaap al maar lichter, Jozef al maar plomper. Onder de jonggeborene begon het stro te geuren als hooi.

De os schaamde zich, het stond hem tegen vindingrijker te zijn dan anderen, maar ditmaal mocht hij niet verzwijgen dat hij een verstandige raad te geven had, die anderen, slimmer dan hij, ter harte konden nemen. Hij wendde zijn kop af van schaamte. “We moeten vlak bij hem gaan staan,” zei hij, “om hem met onze onwaardige lichamen te warmen. Mocht hij jouw lucht niet kunnen verdragen dan kun je een beetje van de kribbe af gaan staan.” “Ja goed,” viel de ezel hem bij, “jij gaat rechts van hem staan en vangt de kou die van rechts komt op, en ik ga aan de linkerkant staan, en als de kou daar vandaan komt, bijt ik en trap ik hem dat hij dood neervalt.”
Ze gingen aan weerskanten van de kribbe staan, en de os maakte zich in zijn ijver helemaal krom, zodat ook de voetjes van het kind een beetje beschut waren. Maar de ezel moest eventjes weg. Hij stootte met zijn kop de staldeur open, draafde het erf op, en deed daar wat hij zo nodig doen moest.
Toen hij terugkwam zag hij tot zijn stomme verbazing dat de os het kind zwaar snuivend met zijn machtige adem stond te warmen, zó vanzelfsprekend als moest hij een kalfje verzorgen. “Wat een vermetel dier,” dacht de ezel, en er kwam een beetje jaloersheid in hem op, het eerste lage gevoelen in Bethlehem sinds de geboorte van het kind; geen wonder dat het raam wat besloeg en het in de stal een beetje donkerder werd. “Wat hem nu toch allemaal invalt,” verbaasde zich de ezel, terwijl hij in de deuropening bleef staan, “anders is hij zo onnozel, dat hij stilhoudt als ik een strohalm op zijn pad leg, en zie nu eens wat er voor geweldige ideeën bij hem opkomen.”
De os kon hem gelukkig niet zien, want die stond van de deur afgewend met onblusbare ijver de pasgeborene te warmen. Het kind keek hem met zijn grote, glanzende ogen stil aan, en was zo tevreden dat zijn vuistjes zelfs opengingen, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Toen de ezel bij de kribbe kwam, ademde de os op de voetjes van het kindje. Op elk voetje viermaal. Het gekwetste hart van de ezel raakte weer verzoend. “Kijk nou,” dacht hij bij zichzelf, “hij is toch dommer dan ik. Hij kan nog niet eens tot vijf tellen.”
“Waarom blaas je maar viermaal op elke voet?” vroeg hij fluisterend, opdat het kind het niet horen zou, want hij wilde de os niet beschaamd maken. “Ik blaas zoveel keer als het teentjes heeft,” antwoordde deze.
Het hart van de ezel vulde zich met medelijden. “Blaas nog maar eens, het heeft nog een teentje.” Maar dat vijfde teentje was zo klein dat de os het pas ontdekte nu hij wat nauwkeuriger keek. Vlug ademde hij er nog twee keer op, om het verzuim te herstellen.
De ezel ging zó naast de kribbe staan dat hij met zijn staart de vliegen kon verjagen, die van de os, of van hemzelf, op het kind wilden overwippen. Een diepe stilte heerste in de stal, waarin alleen het vergenoegde snuiven van de os en het suizen van de ezelstaart te horen waren. Jozef en Maria sliepen zo vol overgave, dat zij als het ware in de nacht opgingen.

Toch maakte de os zich ongerust of de ezel zich wel naar behoren gedroeg. Gaf het wel pas dat hij het kind zijn achtereind toekeerde? Maar kom – dacht hij weldra – de ezel zou toch wel weten wat hij deed.

Beide dieren dachten zo ingespannen na, dat de stal daardoor al gauw weer warmer werd. De ezel had al zoveel moed gevat, dat hij het stro onder het roze kinderlijfje een beetje begon te ordenen; met zijn tanden trok hij onder de bipsjes wat samengeklitte halmen weg, en eenmaal raakte hij daarbij met zijn neus bijna een voetje van het kind aan. Toen hij zijn kop beschaamd terugtrok, sprak het kind hem aan. Niet dat het echt praatte, want het kon alleen nog maar glimlachen en huilen; maar de dieren verstonden toch alles wat het zei. Ze hielden ook dadelijk op met het waaieren en warmen – zó ontdaan waren ze, dat de hoog opgeheven staart van de ezel plotseling tot een vaan der nederigheid verstarde en de adem voor de open bek van de os als een kluwen bleef staan.

Wat het kind zei klonk echter zo vriendelijk, zo vrolijk en geduldig, dat beide dieren weldra weer tot zichzelf kwamen.
“Waarom adem je zo op me?” vroeg het kind aan de os. Het moest een hele tijd vergeefs op antwoord wachten, want de os was wel niet bepaald bang, maar hij kon vooreerst zijn bek, die van schrik open was blijven staan, niet dichtdoen. “En jij, waarom wapper je zo met je staart?” vroeg het kind na een poos aan de ezel. Deze was weliswaar wat handiger, maar hij kon toch ook niet antwoorden, zo bonsde zijn hart van vreugde en trots. Hij wendde zijn grote, onbehouwen kop af, om niet in de kribbe te kwijlen van louter ontroering. “Nu?” vroeg het kind na een poosje. De os streek voorzichtig met zijn hoef over het pas opgeschudde stro in de kribbe en wenkte nauw merkbaar met zijn horens.
“Antwoord jij eerst,” fluisterde hij de ezel toe. “Waarom?” vroeg deze. “Jij bent slimmer,” zei de os. “Maar jij bent sterker,” meende de ezel.
Daar dachten ze een poos over na, en zoals dat gaat maakten ze in hun onnozelheid de grond voor hun voeten nat met hun speeksel. In hun hart werden ze een beetje kwaad op zichzelf, dat ze iets gedaan hadden waarvoor het kind ze ter verantwoording kon roepen, en omdat ze, toen ze dat eenmaal gedaan hadden, geen antwoord wisten te geven.
Misschien was het niet goed, dacht de os bij zichzelf, misschien hadden wij het niet moeten verwarmen. Wat oneerbiedig, dat we geen antwoord geven, dacht de ezel, zou je dat ooit weer goed kunnen maken?
“Waarom geef je nog steeds geen antwoord?” fluisterde hij de os toe.
“En jij dan?” zei deze beschaamd.
“Hij heeft jou het eerst gevraagd,” zei de ezel zacht, maar beslist, “dan moet jij ook eerst antwoorden.”
“Maar ik heb vier magen,” verdedigde zich de os, “en daardoor duurt het bij mij langer voor ik de vraag van het kind verteerd heb.”
Maar nu werd de ezel boos; het was duidelijk dat zijn metgezel het pad der waarheid en der rechtvaardigheid verlaten had. Zijn lange, behaarde oren werden stijf van opwinding. “Ezel die je bent!” beet hij de os toe.
Deze hief van verrassing zijn kop zo schielijk op, dat hij bijna met zijn horens aan de kribbe bleef haken. “Wat?” vroeg hij verbluft, “Ik een ezel? Jij bent de ezel!”
Maar ze zetten de ruzie niet verder voort, want doordat ze voortdurend met één oog het kind in de gaten hielden, bemerkten ze dat het stilletjes, maar toch zo stralend glimlachte, alsof het hun wilde uitlachen. Kijk eens, dachten ze allebei met een jubelend hart, het is toch niet boos op mij – en misschien ook niet op mijn vriend.
De os kreeg opeens zijn spraak terug.
“Ik adem op je,” zei hij, “opdat je net zo sterk zult worden als ik. En opdat je net zo lekker zult gaan ruiken als ik,” voegde hij er verwaand aan toe. “En ik,” viel de ezel hem in de rede, omdat hij bang werd dat de os hem niet aan het woord zou laten komen, “en ik waaier met mijn staart om de vliegen weg te jagen, die van de neus van mijn vrind af op jou willen gaan zitten.”
“Ik adem op je,” ging de os voort, “om je warm te maken. Neem me niet kwalijk dat ik maar viermaal op je voetjes heb geademd, maar dat ene teentje is zo klein dat ik het niet gezien had.” “En ik,” zei de ezel, “joeg de vliegen die van de neus van mijn vrind af naar jou toe vlogen weg, omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid, en omdat ze iemand lelijke, venijnige woorden in het oor fluisteren. Maar het kan best zijn,” voegde hij er eerbiedig aan toe, “dat ze zich bij jouw oren een beetje matigen. Zouden jouw oren nog groter worden?” vroeg hij nieuwsgierig. Het kind zweeg alsof het op een antwoord zon. Het ene zwijgen was grijs en vol vragen, het andere goudkleurig en vol vertrouwen.
Buiten voor de staldeur zat een muisje op zijn achterpootjes in het schijnsel van de sterren, met zijn snuitje naar de deur gekeerd; het was of het de zwijgende velden vertegenwoordigde.
Boven de schuur aan de andere kant van het erf steeg vanaf de horizon een blauwe ster aan de hemel omhoog en bewoog zich langzaam en doelbewust naar Bethlehem.

“Waarom verwarm je mij?” vroeg het kind aan de os. “Waarvoor geef je mij je kracht?”

Als het niet hoogst oneerbiedig was geweest had de os zijn schouders opgehaald. Hoe kon je op die vraag nu antwoord geven? Als er al een antwoord was, dan was dat even zwaarwichtig, en dan zag het er van kop tot staart precies eender uit als de os zelf. Maar hoe zou hij met zijn kleine beetje hersenen voor zo’n groot antwoord de juiste woorden kunnen vinden? “Nu?” vroeg het kind. “Waarom?” De os durfde zich nauwelijks te verroeren.
“Waarom jaag je de vliegen van mijn gezicht weg?” vroeg het kind aan de ezel, en sloot even de ogen, zodat de dieren naar hartenlust hun schouders konden ophalen.

Maar nu stond ook de ezel stokstijf stil, en hij waagde het zelfs niet even met zijn huid te trekken, want ook zijn antwoord zou zo groot moeten zijn, dat er in zijn kop geen plaats voor was.

“Nu?” vroeg het kind geduldig.

Uit een donkere hoek achter in de stal klonk zacht een klaaglijk blaten; het was zo kroezig, zo doorschijnend, zo zilverhelder als een heel klein schapenwolkje dat onder de maan langs voorbij zweeft. Het kind glimlachte weer. Het kleine zwarte lammetje, dat tot nu toe in het donker verborgen was geweest en nu door zijn stemmetje zichtbaar werd, stelde zijn hartje gerust, het was nauwelijks groter dan het kindje zelf. Als het kind uit de krib had gekund, dan was het zeker naar het lammetje toe getrippeld.
“Moeten we het nog eens doen?” vroegen de os en de ezel gedienstig, in stilte hopend dat het kind zijn vragen zou vergeten. De os likte van louter geestdrift met zijn brede tong een beetje aan de teentjes van het kind; het merkt het misschien niet eens, hoopte hij.
Maar het kleine, zwarte, alleen door zijn stem zichtbaar geworden lammetje was alweer verdwenen; het was zo zwak dat het alleen maar het kind had kunnen helpen, als het eerst zichzelf had geholpen. De ezel keek tersluiks achter zich, maar toen zijn blik de hoek van de stal bereikte, was het lammetje nergens meer – slechts een weinigje zurige reuk van wol hing nog in de lucht als een klein, kroezig schapenwolkje. En omdat de ezel wist dat hij het antwoord tenslotte niet langer kon uitstellen, liet hij zich naast de kribbe op de knieën neer.
Aan de andere kant van de kribbe knielde nu ook de os. Het viel hem niet moeilijk, hoewel zijn rechterknie een beetje kapot was; hij verdeelde zijn gewicht zo, dat het wat meer op de kant van het hart rustte. Hij legde de kop op de met stro bedekte grond, alleen zijn grote, schuchtere horens reikten tot aan de rand van de kribbe. En het kind begreep, dat dit het antwoord van de dieren was, en zijn hart werd zwaar, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Maar hij zei geen woord, en de knielende dieren konden gelukkig zijn gezicht niet zien, waarover heel even de donkere schaduw van de dood voorbij streek. Het had ook niets meer geholpen of het iets gezegd had, want rondom de kribbe maakte alles zich nu op om hem te dienen, en achter de gedweeë dieren zonk de ganse wereld op de knieën. Het kind wist, dat allen die men liefheeft en daardoor dient, moeten sterven, en omdat het nog maar een paar uur op de wereld was, kreeg het medelijden met zichzelf en begon te schreien. Maar dat kon niemand merken, want na een minuutje glimlachte het alweer en wreef met beide knuistjes de tranen weg die in zijn ooghoeken blonken. Alleen Maria zuchtte diep, in haar slaap, en streek eenmaal met haar hand langzaam over haar verhitte, moederlijke gezichtje.

Doch daarbuiten maakte de harde wereld zich reeds vaardig om te dienen. Met veel gerucht en keelgeschraap stonden in de buurt de herders op, om te gepaster tijd als eersten de jonggeborene te begroeten. De meesten hadden zelfs ter ere van de gelegenheid hun handen gewassen, en toen bonden ze de honden vast, spuugden eens flink in de handen – zoals dat hoort als je iets belangrijks gaat ondernemen – en haalden hun mooiste herdersstaf te voorschijn.

De drie koningen slikten al stevig stof op de weg die zij regelrecht en zonder aarzelen gingen, in de richting die de blauw fonkelende ster hun wees.

.

Waarschijnlijk van Tibor Déry

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2321

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/23)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.
Uit Sicilië
.


De herderslegende


Ach, ach, ach – het Kindje Jezus in het wiegje bibberde van kou en trilde als een klein naakt vogeltje in het nest. Zelfs Moeder Maria had geen warme handen en ze stopte haar ijskoude vingers in haar armholtes. Toen sloeg Vader Jozef snel zijn stijf bevroren mantel met de kap om en ging naar buiten om ergens een warm vuurtje te halen. Toen hij buiten voor de stal in de felle vrieskou stond en rondkeek, zag hij nergens licht, nergens een brandend vuurtje. Alleen de grote, wonderlijke ster stond boven hem aan de hemel en straalde zo prachtig, maar gaf nog geen beetje warmte. Maar hij móest een vuurtje hebben, dat móest beslist!
‘Misschien vind ik buiten op het veld bij de herders een waakvuur,’ dacht de heilige Jozef en liep verder over het veld. En warempel – daar lichtte in de nacht een rode gloed op. Er zaten drie herders bij hun schaapskooi rond het vuur en speelden tijdens hun nachtwake een dobbelspel. Een hond die de meest waakse was en ook het snelst van alle waakhonden beet, had alle schapen die hij bewaken moest, goed in de gaten. Hij liet geen enkel levend wezen dichterbij komen, of het nu een dier of een mens was en met zijn scherpe tanden greep hij die vast als ze ongevraagd binnen de omheining kwamen.
Nu was Jozef bij de schaapskooi aangekomen en deed het hek open en ging binnen. Maar kijk – de hond liep op hem af, gromde niet, blafte niet, beet niet, maar heette de late vreemdeling welkom door met zijn staart te kwispelen. De schaapherders waren niet weinig verbaasd en vroegen zich af wat het beest bezielde, dat het zo anders deed. Maar Jozef kwam dichterbij en een van de herders riep wat hij wilde. ‘Geef me een beetje vuur, lieve vrienden; mijn kind dat niet veel ouder is dan de tijd die ik naar jullie toeliep, bevriest anders in deze strenge winterkou!’- ‘Als het anders niets is dan wat vuur’, zei de hoofdherder, ‘neem dan maar wat!’ ‘Maar, eh, oude man’, zei een andere, ‘waarin wil je die gloed dan meenemen, waar moeten we die in doen?’
Maar Jozef trok zijn jas uit en draaide de kap binnenstebuiten zodat die op een puntzak leek en zei: ‘Hierin!’ Toen begonnen de drie herders te lachen dat het klonk en ze dachten natuurlijk dat Jozef met zo’n vuurpan dan niet zo ver zou komen. ‘Dat is mijn zorg en het komt wel goed,’ antwoordde Jozef, ‘geef me maar snel een beetje vuur!’
‘Nu, goed dan, als je niet anders wil, dan maar in je kap!’ lachten alle drie en haalden het brandende hout uit de vuurhoop en lieten het in de kap vallen die Jozef omhoog hield. ‘Goede reis’, riepen ze hem lachend na, toen hij met veel dank wegging.
En toen de heilige Jozef wegliep, keken ze hem verbaasd na, want de gloed bleef in de kap gewoon hetzelfde. ‘Wel-nog-aan-toe!’ riepen ze en nu liep de hond met de vreemdeling mee en wreef zijn snuit tegen Joze
fs benen waarmee hij grote stappen nam. Roepen en fluiten hielp niets. Dat was toch wel al te merkwaardig: ‘Dit is niet gewoon!’ zeiden ze en sprongen overeind om nieuwsgierig achter de oude man aan te lopen. Maar die was door zijn haastige gang al een stuk verder op het veld en droeg zijn vuur met zekerheid naar huis.
Toen daalde er een wonderbaarlijke sterrenregen uit de hemel op het veld neer, midden onder de lopende herders. En in een lichtend schijnsel stond een zilverkleurige engel voor hen. Die sprak tegen de verbaasde herders die stil waren blijven staan: ‘Herders, haast je en loop! Ik breng jullie de meest vreugdevolle boodschap. Ga naar de stal – jullie vuur is al vooruitgegaan. Daar vinden jullie een voerbak en op wat stro een kind en zijn hemelse moeder en de vader die je nu volgt. Aanbid het en zing een loflied, want dit Kind is Gods zoon die de wereld verwacht en die het geluk en de vrede van het hart is. Bid en jubel ‘Halleluja!’
En, o. godswonder, de engel die zo wonderlijk was verschenen, was weer van de aardbodem verdwenen. Boven de stal glansde echter het licht van de ster, helder en groot als een nachtelijke zon.
De herders stonden nog als aan de grond genageld. Nu echter brachten ze hun stijve benen weer in beweging en met grote passen liepen ze over het veld naar de stal. En elk keek onder het lopen in zijn herderstas of er niet nog iets in zat wat ze aan het hemelse kind zouden kunnen geven. En een vond nog een homp kaas die helemaal vers was; de tweede vond een duif in zijn tas en de derde een konijn. Zo kwamen ze bij de stal en vonden het allemaal zo als de engel had gezegd. En de heilige Jozef knielde bij de kribbe en blies in het warme oplaaiende vuurtje dat hij in zijn kap had gehaald. 
.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2320

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/22)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

Over de ‘kerstroos’ bestaan verschillende verhalen. 
Onderstaand verhaal gaat niet over ‘die’ kerstroos, maar over witte en rozerode.
.
Uit Frankrijk

.

DE ROZEN MET KERST
.
Tussen os en ezel lag het Jezuskind in de stal op zijn bedje van schamel stro. Maria in haar blauwe kleed hield de wacht bij de kribbe en droomde weg in haar gelukzaligheid. Jozef had zijn ruwe, bruine handen gevouwen en bad met murmelende lippen. De os loeide: ‘Moe, moe, wat een heerlijke dag!’ En de ezel riep: ‘Hoe mooi is dit kind, i-aaaa!’
Het werd nacht. Buiten stormde het, het sneeuwde en het vroor. Soms hing er een dichte vlokkensluier voor de grote ster die hoog aan de hemel stond; maar het licht was zo krachtig dat hij alles met zijn felle schijnsel overgoot en hij dompelde de stal met daarin het grote geheim in een stralende glans.

Uit het verre Morgenland waren de drie heilige koningen weggereden, In kostbare brokaten kleding, gehuld in zwaar fluweel, opgesierd met de kostbaarste edelstenen. Ze knielden bij het Kind dat met grote open ogen en wijde armpjes in de kribbe lag en zij brachten hem goud om hem daarmee te eren als de hoogste koning; ze schonken hem wierook dat een wonderbaarlijke geur verspreidde en opsteeg om in hem de God te erkennen en ze legden de mirre bij hem die alles geneest, voor de Heiland en Mensenzoon.

En uit hun schaapskooien waren de herders van het veld gekomen en schonken een lammetje en een bokje, een duif en een koeienhoorn waaruit je kon drinken en één bracht een herdersfluit mee en Ysambert, de oude, had een echte kalender gemaakt van hout die de dagen en de maanden aangaf. En Aloris haalde een rammelaar uit zijn herderstas die hij zelf uit hout had gesneden en die deed ‘klip-klap’ en het Jezuskind lachte en greep naar het vrolijke ding.

Achter de grote herders stond schuchter en een beetje bang een klein herdersmeisje gehuld in versleten lompen. Met een nieuwsgierige blik ging ze op haar tenen staan, zodat ze met haar blauwe ogen, ook iets kon zien. Maar de brede schouders van de mannen maakten dat bijna onmogelijk en daarom keek ze dan maar door de benen van de mannen heen. Wat ze toen zag, was voor het kind een grote belevenis en toen ze het Kind met het gouden hart in de kribbe zag liggen, had ze dat het liefst aan haar borst gedrukt, tegen haar hart en in haar armen gewiegd en de mooiste geschenken voor Hem meegenomen. Maar ze had niets om te geven, een kerkrat zou nog meer hebben kunnen schenken dan het arme kind. Haar handen, ruw van het aardappelen rooien en rijshout zoeken, waren leeg, helemaal leeg. Toen begon ze bittere tranen te huilen omdat ze zo arm was.

Hoog op zijn wolkentroon gezeten, zag de engel Gabriël het meisje met haar verdriet en hij daalde naar de aarde neer, kwam ongemerkt de armzalige stal binnen en vroeg naar het verdriet van het kind. “Ach, ik zou net als de anderen het kindje in de wieg een geschenkje willen brengen, maar ik heb niets.’ Wat zou je dan willen geven?’, vroeg de zachte engelenstem. ‘De herders en de koningen hebben het Kindje Jezus alles al gebracht wat je je maar kan bedenken.’ ‘Zijn ze dan echt niets vergeten’, vroeg de engel verder, ‘denk eens na!’ Dat hoefde het herdersmeisje niet lang te doen: ‘O, als ik Hem eens rozen zou kunnen brengen, witte en rode! Het Kind heeft helemaal geen bloemen gekregen en het is toch de eerste dag dat hij geboren is. Maar ach, het is hartje winter en de lente met de bloemen is nog ver weg.’
Toen nam de engel het meisje bij de hand. Ze gingen naar buiten, naar de besneeuwde velden en om hen heen scheen een sterk lichtschijnsel. De engel tikte met zijn engelenstaf op de aarde en toen gebeurde er een mooi wonder: overal bloeiden er bloemen op, prachtige wilde rozen. Uit zilverwitte kelken waarvan de blaadjes teder waren als het fijnste albast, lichtten de gele meeldraden als een gouden sterretje op als het beeld van het stralende teken dat aan de hemel boven het sneeuwveld stond. Het meisje verzamelde de kerstrozen in haar schortje en ging de stal binnen en ze schudde de bloemenzegen over het kribje en het Kind uit, zodat het leek of alles bloeide. En toen mocht het meisje, wat ze zo innig gewenst had, het goddelijke Kind in haar armen wiegen en aan haar hart drukken en het goddelijke Kind drukte zijn lipjes op een paar bloemen die rozerood werden, net als Zijn lipjes. 

En sinds die tijd zijn er met Kerstmis feestelijke rozen, witte en rozerode kerstrozen. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

 

2316

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/7)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.
BROERTJE EN ZUSJE

In het dagelijks even kennen we de ‘broertjes en de zusjes’ die in een familie bij elkaar wonen en lief en leed delen, daar een stukje van hun levenslot voltrekkend.

Maar ook ín de mensen wonen ‘broertje en zusje’; wezenlijke krachten die naast en met elkaar werkzaam zijn en die in de groei, bouwend aan de mens werken. We kunnen die krachten enerzijds als ‘vrouwelijk’ kwalificeren als we kijken naar de gevoelskanten van de ziel en als ‘mannelijk’ als het om de kwaliteiten van wil en geest gaat. 

Komen broertje en zusje in sprookjes voor en zijn ze allebei nog kind, dan beleven we in hen de nog jonge, onrijpe wilskracht samen met de groeiende, naïeve ziel. 
Als ze ‘weeskinderen’ zijn en ook een ‘boze stiefmoeder’ hebben, kunnen we proeven dat het proces van rijper worden niet zonder hindernissen verloopt. Want als ‘vader’ en ‘moeder’ gestorven zijn, is er geen oude geestelijke ervaring meer aanwezig en de moederbodem van de ziel biedt geen bescherming meer. Dan overheerst de verharde materialistische ziel, de ‘verstijfde’ ziel’ – de stiefmoeder. Zij probeert de totale mens te beïnvloeden, bestrijdt het goede en volgt het kwaad. En de krachten die naar het goede en het ware streven, moeten het zelf doen, zich losmaken van haar en hun ontwikkelingsweg gaan. In het sprookje staat dat zo:

Broertje nam zijn zusje bij de hand en sprak: ‘Sinds onze moeder dood is hebben wij geen goed ogenblik meer gekend; onze stiefmoeder geeft ons alle dagen slaag en als wij bij haar komen trapt zij ons het huis uit. De harde broodkorsten die overblijven zijn ons voedsel en het hondje onder de tafel heeft het nog beter, dat werpt ze dikwijls een lekker hapje toe. Het is gewoon verschrikkelijk! – als onze moeder dat eens wist! Kom, laten wij samen de wijde wereld ingaan.’ Zij liepen de hele dag over weiden, velden en stenige paden en als het regende sprak het meisje: ‘God en onze harten, zij schreien tezamen!’ ’s Avonds kwamen zij in een groot bos en waren zo moe van honger en ellende en van de lange tocht dat zij in een holle boom gingen zitten en in slaap vielen.

Het Duitse woord voor bos, woud is Wald, dat hangt samen met ‘Waldung, Walle’, waar we ons woord ‘wal = muur’ nog in herkennen. De boerderijen waren omgeven door een ‘wal’ en daarachter begon het Wald. Binnen de ‘Walle’ was je beschermd, daarbuiten lag het gebied vol van gevaren. Daar moest je wel je weg kunnen vinden; je kon die echter ook verliezen en verdwalen. Dan dreigden de wilde dieren, ook rovers en ander gespuis. 
Maar er woonde ook een wijze vrouw, een zieneres of ook de vrome kluizenaar. Ook zijn er volop levenskrachten die kunnen verkwikken, sterkte en gezondheid geven. Ze kunnen er ook woekeren. Er is ook het geheimzinnige, schemerige gebied waar je de bomen hoort ruisen of knarsen en dat wekt in de mens (bange) voorgevoelens of angst. 
Het bos werd symbool voor het innerlijk zoeken en verdwalen dat iedereen mee moet maken; soms is het uitzichtloos, maar ook voel je als een soort drang dat je een doel wil vinden. 
Ook de Graalsburcht is door een bos omsloten van ‘zestig mijlen’ ver.

Dante schetst in zijn ‘Goddelijke Komedie’ het bos als het sfeergebied van de geheimzinnigheid waar je doorheen moet.

Wanneer kinderen veel over ‘bos’ dromen dat hen beangstigt, hebben ze volgens Lenz meer sturing en leiding nodig; je moet vertellen en hen geestelijk bezighouden omdat hun eigen vitaliteit hun parten speelt en ze weten geen uitweg te vinden.

Het sprookje gaat verder:

Toen zij de volgende morgen wakker werden stond de zon al hoog aan de hemel en scheen warm in de boom. Toen sprak het broertje: ‘Zusje, ik heb dorst; als ik een bronnetje wist zou ik erheen gaan en wat drinken; ik geloof dat ik water hoor ruisen.’ Broertje stond op en nam zusje bij de hand om het bronnetje te gaan zoeken. De boze stiefmoeder was echter een heks en zij had wel gezien dat de beide kinderen weggelopen waren; zij was hen heimelijk achterna geslopen zoals heksen dat doen en zij had alle bronnen in het bos betoverd. Toen de kinderen nu een bron vonden waarvan het water glinsterend over de stenen sprong, wilde broertje drinken, maar het zusje hoorde in het ruisen de woorden: ‘Wie uit mij drinkt wordt een tijger. Wie uit mij drinkt wordt een tijger.’ Toen riep het zusje: ‘Drink alsjeblieft niet, broertje, drink niet, anders word je een wild dier en dan verscheur je mij.’ Het broertje dronk niet ofschoon hij erge dorst had en sprak: ‘Ik zal tot de volgende bron wachten.’ Toen zij bij het tweede bronnetje kwamen hoorde het zusje hoe ook hieruit de woorden klonken: ‘Wie uit mij drinkt wordt een wolf; wie uit mij drinkt wordt een wolf.’ Toen riep het zusje: ‘Broertje, drink alsjeblieft niet, anders word je een wolf, en dan verslind je mij.’ Het broertje dronk niet en sprak: ‘Ik zal wachten tot wij bij de volgende bron komen maar dan moet ik drinken, je kunt zeggen wat je wilt, ik heb veel te veel dorst.’ En toen zij bij het derde bronnetje kwamen hoorde het zusje in het ruisen de woorden: ‘Wie uit mij drinkt wordt een ree, wie uit mij drinkt wordt een ree.’ Het zusje sprak: ‘O, broertje, drink alsjeblieft niet, drink niet, anders word je een ree en dan loop je van mij weg.’ Maar het broertje was al bij de bron neergeknield, had zich voorovergebogen en van het water gedronken en toen de eerste druppels zijn lippen hadden beroerd lag hij daar als een reekalfje.

Je kindertijd ontgroeien, betekent dat je voortdurend bewuster wordt, wakkerder. In je prille menszijn leef je nog slapend, dromend. Maar je komt steeds wakkerder in de wereld te staan en dat steeds langer per dag. En dat ‘wakker’ is over het algemeen ‘denkend’. 
In het sprookje staat er dan: ‘De zon staat hoog aan de hemel’.
De hele mensheid is door zo’n proces van ‘wakker worden’ gegaan en het kind doet dat ook. 
De dromende tijd, de tijd van het droombewustzijn waarin nog de wijsheid zich kon openbaren, loopt ten einde. De mens moet nu denkend zijn weg vinden. Nu ontwaakt in het wilsleven een bepaald begeren naar kennis: ‘dorst’ ontstaat. En men wil ‘bronnen’ vinden. Men wil ‘scheppend’ worden en in een nieuw levenselement ‘duiken’. De dorst naar het bestaan brandt in het wilsleven. 
Maar de stiefmoeder is ook naar het bos gekomen en sluipt als een heks langs de bronnen: alles wat nieuw scheppend is, wil zij in de oude betovering houden. Maar ‘de wil’ die nog niet veredeld is, maar nog jong en onstuimig, wil verder. Het innige van de ziel is nauwelijks in staat hem te beteugelen. De ziel hoort wel de waarschuwing: ‘Wie uit mij drinkt, wordt een tijger.’
Als we zeggen: ‘Ik kan niet meer (iets willen), ik voel me gespleten, verscheurd, dan drukt de taal hiermee uit dat de ziel niet op kan tegen het drammerige wilsleven. Het sprookje waarschuwt daarvoor: ‘Drink niet, broertje, anders word je een wild dier en verscheur je mij. De wil kan niet aan dit gevaar ontkomen, als de ziel hem daarvoor niet behoedt. 

De Grieken schetsten een bepaald positief beeld hiervan door hun god Dionysos eerst een panter en later de tijger als symbool gaven, ook de god Bacchus kleedden ze met een tijgervel en lieten hem op een wagen rijden die door tijgers getrokken werd. 
Dionysos laat de goddelijke kracht zien die bij de Ik-wording actief is. De bloedskrachten van de stam en ook van de stadsgemeenschap moesten losgemaakt worden van het zich ontwikkelende bewustzijn. Het Ik moest op zichzelf komen te staan. Dat proces werd in Griekenland nog als een soort roes beleefd. Zoets kennen we ook wel bij onze kinderen die volwassen worden. 
Intussen heeft de mensheid een vorm van individualiteit ontwikkeld en wat een noodzakelijke bevrijding en vooruitgang is, kan ook weer een gevaar worden. De wereld kent dan geen grenzen, je zou alles willen wat er kan, je bent vrij! Maar ook dit kan een roes zijn die je meesleept, die je uiteindelijk weer verscheurt. Dan kan de wil zich niet concentreren, er is geen bezinning op het eigen handelen en dat verdeelt de ziel.

De wolf laat weer een andere kant zien. het zusje zegt: ‘Broertje drink niet, anders word je een wolf en dan verslind je me.’

De taal schildert het heel precies. Vreten is opslokken. De wolf is het beeld van ‘wat opslokt.’ Het menselijke opslokt, zodat bijv. list en bedrog, leugen en laster de boventoon gaan voeren.

De Germanen noemen dit in hun mythologie de Fenriswolf. de Bijbel noemt hem Satan. 

De ene bron is de verleiding van de ‘roes’, van wat de wil meeneemt in een luciferisch losmaken van de wil van de werkelijkheid – wij kunnen ons niet meer concentreren, we verliezen onze kern, ons Ik. 
De tweede bron verlamt onze wil die zich verliest in egoïstische begeerte, in onwaarheid en verwarring. 
De ziel is nog steeds bij machte de wil daarvoor te behoeden, maar niet meer voor de derde keer: de wil ‘verdierlijkt’. 

Wanneer in het sprookje de menselijke gestalte een dier wordt, betekent dit een wegzinken in een animale toestand. 
In wezen kan de menselijke wil geduldig zijn, tot inzicht leiden, open staan voor geestelijke kennis, tot ontwikkeling komen. Nu wordt deze driftmatig, dof en kan niets meer leren. Een bok wil met zijn kop door de muur. Wordt de wil een reebokje, dan komt het accent op ‘ree’ te liggen, wat betekent dat hij zwalkend wordt, onvast en vluchtig, dat hij niet bij zichzelf is, maar overal om hem heen  snuffelt en proeft. 

Mensen die hun wil niet beheersen, overal iets zoeken wat een prikkel is voor hun geest, maar nergens echt bij stil blijven staan, lijken op de ree.
In het Russische sprookje wordt voor dit ‘wilsbederf’ – het Duits heeft ‘Verbockung’ het symbool van de ram gekozen. 
Op deze manier worden de verschillende wilseigenschappen duidelijk gekarakteriseerd.

Nu weende het zusje over het arme betoverde broertje en het reetje schreide ook en zat heel bedroefd naast haar. Tenslotte sprak het meisje: ‘Wees stil, lief reetje, ik zal je nooit verlaten.’ Toen deed zij haar gouden kousenband af en bond die om de hals van het reetje, sneed biezen en vlocht daar een zacht koord van. Daar bond zij het diertje mee vast en zij leidde het steeds dieper het bos in. En toen zij lang, heel lang gelopen hadden kwamen zij eindelijk bij een huisje; het meisje keek naar binnen en omdat het leeg was dacht zij: Hier kunnen wij blijven wonen. Toen zocht zij voor het reetje wat bladeren en mos om een zacht leger van te maken en iedere morgen ging zij er op uit om wortels, bessen en noten te vergaren en voor het reetje bracht zij mals gras mee dat het uit haar hand at; het was tevreden en speelde om haar heen. ’s Avonds, als het zusje moe was en haar gebed gezegd had legde zij haar hoofd op de rug van het reekalf – dat was haar kussen waarop zij zacht insliep. Als het broertje maar een mensengedaante had gehad, zou het een heerlijk leven geweest zijn.

Ons sprookje laat op zo’n verrassende manier zien hoe de ziel de dolende wil zoekt te beteugelen. Ze gebruikt een gouden kousenband, vlecht een biezen koord en leidt de wil. In de leiding zit wijsheid (goud). De gouden kousenband zal sommige kenners van de symbolentaal ooit wel verstolen hebben doen glimlachen. Maar daar zit meer achter dan je zo zou zeggen. 
In 1348 werd door koning Edward 111 de Orde van de Kousenband gesticht. Op een bal van de koning had de gravin van Salisbury haar kousenband verloren. De koning raapte die op en sprak: ‘Honni soit qui mal y pense!’ – ‘Schande over hem die er kwaad van denkt!’ En hij richtte de Orde van de Kousenband op, de hoogste in Engeland. Maar het ging bij de uitroep van de koning en de gevolgen daarvan niet om een gewone kousenband van de Lady, dat kan iedereen wel bedenken. De kousenband van de dame was het geheime ordeteken van een loge die het esoterische weten van Arthur en de tafelronde behoedde. 
En de gouden kousenband wil zeggen: wie de wijsheid van een esoterisch weten bezit, kan daarmee zijn driftmatige wil beteugelen en leiden.

Waar we een huisje vinden dat bewoond gaat worden, in de droom zowel als in het sprookje, wordt erop gewezen dat het ‘huis van het lichaam’ intensiever wordt waargenomen, dat men meer ‘tot zichzelf’ komt. Men wordt ‘huiselijk’. De wil en ziel ‘wonen’ nu innig samen. ‘ ’s avonds’ wanneer het zusje het gebed heeft gezegd, legt ze haar hoofd op de rug van het reekalfje waarop ze zacht in slaap valt – kan er een treffender beeld gegeven worden voor deze innige tweeheid: de naar buiten willende wil die tot rust komt onder de hoede van de ziel? 
De schilder Kaulbach heeft het geschilderd. Misschien wel een prachtig motief voor de kinderkamer waar nu vaak karikaturale platen hangen van micky-mouse-achtige figuren. 

Maar de ziel weet ook heel goed dat ze de wil overdag los moet laten. Alleen door deze te kluisteren en te beteugelen kan deze zichzelf niet bewijzen. Hij moet actief zijn in de uiterlijke zintuigwereld en ’s avonds weer thuiskomen in de stilte. Je wordt niet zelfstandig wanneer de wil niet ongebonden van de vrijheid mag genieten. Maar dat blijft gevaarlijk!

Lange tijd waren zij zo alleen in de wildernis. Toen gebeurde het dat de koning van het land een grote jachtpartij hield in het bos. Hoornsignalen, hondengeblaf en opgewekte kreten van de jagers schalden door de bomen en het reetje hoorde het en was er maar al te graag bij geweest. ‘Ach,’ sprak het tot zijn zusje, ‘laat mij eruit om bij de jacht te zijn, ik kan het niet langer meer uithouden,’ en het smeekte net zolang tot zij toestemde. ‘Maar kom in ieder geval ’s avonds terug,’ sprak zij tot hem, ‘voor de woeste jagers sluit ik mijn deurtje en opdat ik weet dat jij het bent moet je kloppen en zeggen: “Zusje mijn, laat mij erin,” en als je dat niet zegt doe ik mijn deurtje niet open.’ Toen sprong het reetje naar buiten en het voelde zich zo heerlijk vrij en opgewekt in de open lucht. De koning en zijn jagers zagen het mooie dier en zetten het na, maar zij konden het niet inhalen en toen zij dachten dat zij het zeker te pakken hadden sprong het over de struiken weg en was verdwenen. Toen het donker werd liep het naar het huisje, klopte aan en sprak: ‘Zusje mijn, laat mij erin.’ Toen werd het deurtje voor hem opengedaan, het sprong naar binnen en rustte de hele nacht uit op zijn zacht leger. De volgende morgen begon de jacht opnieuw en toen het reetje de jachthoorn weer hoorde en het Ho-ho van de jagers, had het geen rust meer en sprak: ‘Zusje, doe de deur voor mij open, ik moet eruit.’ Het zusje maakte de deur voor hem open en sprak: ‘Maar vanavond moet je er weer zijn en je spreukje zeggen.’ Toen de koning en zijn jagers het reetje met de gouden halsband weer zagen maakten zij er met zijn allen jacht op, maar het was te behendig en het was hen te vlug af. Dat duurde de hele dag, maar eindelijk hadden de jagers het ’s avonds omsingeld en een van hen verwondde het licht aan zijn poot, waardoor het hinkte en langzaam wegliep.
Toen sloop een jager het achterna tot aan het huisje en hoorde hoe het riep: ‘Zusje mijn, laat mij erin,’ en hij zag dat de deur voor hem werd opengedaan en dadelijk weer gesloten. De jager nam dat alles goed in zich op, ging naar de koning toe en vertelde hem wat hij gezien en gehoord had. Toen sprak de koning: ‘Morgen zal er nog één keer gejaagd worden.’

Maar het zusje schrok erg toen zij zag dat haar reekalfje gewond was. Zij waste het bloed af, legde kruiden op de wond en sprak: ‘Ga naar je leger, lief reetje, dan kan het weer genezen.’ Maar het wondje was zo gering dat het reetje er ’s morgens niets meer van merkte. En toen het de volgende dag de jachtpret buiten weer hoorde sprak het: ‘Ik kan het niet uithouden, ik moet erbij zijn; zo gauw zullen zij mij niet te pakken krijgen.’ Het zusje schreide en sprak: ‘Nu zullen zij je doden en dan ben ik hier alleen in het bos en van alles en iedereen verlaten, ik laat je er niet uit.’ – ‘Dan sterf ik hier van verdriet,’ antwoordde het reetje, ‘als ik de jachthoorn hoor kan ik niet stil blijven zitten.’ Toen kon het zusje niet anders en zij deed met een bezwaard hart de deur voor hem open en het reetje sprong gezond en vrolijk het bos in. Toen de koning het zag sprak hij tot zijn jagers: ‘Jaag het de hele dag na tot de avond, maar zorg ervoor dat niemand het kwaad doet.’ Zodra de zon was ondergegaan sprak de koning tot de jager: ‘Kom mee, wijs mij nu dat huisje in het bos.’ En toen hij voor het deurtje stond klopte hij aan en riep: ‘Lief zusje, laat mij erin.’

In diepere lagen van het totale mens-zijn huist de eigenlijke wezenskracht, het ware Ik. Als een leider die het wezen in zelfbeheersing stuurt. Dit is het beeld van de koning, want het Ik ontstaat in de waardigheid van het zelfbewuste zijn.
Maar er zijn in het leven dikwijls langere en zwaardere wegen te gaan wil de ziel deze ‘koning’ ontmoeten en haar eigen koninkrijk vinden, tot ze is geworden wie ze moet zijn. Wanneer ze zich met haar wil heeft losgemaakt van de remmende krachten, zoals hier van de stiefmoeder, dan bevindt zij zich op deze weg. Ik-wording is echter een dubbel proces; terwijl de nog aan het driftleven gebonden ziel (zusje en het reetje) groeit in de richting van het hogere Ik, komt ook het hogere Ik (de koning) naar de ziel toe die onderweg is. Ook al moet hier de ziel op de moeilijke weg naar de vrijheid eerst nog de ‘menselijkheid’ van de wil verliezen, dan heeft deze toch door de beteugeling en de leiding (gouden band en leidsel) en door een geconcentreerde verinnerlijking (leven in een huisje) alles wat in het menselijk vermogen ligt, gedaan. Daardoor komt het doel dichterbij: de koning komt in het bos. 
Het sprookje schildert het Ik van de moderne mens graag af als ‘jager’. Er wordt daarmee op een oer-activiteit van het Ik gewezen: het is voortdurend bezig; het wil leren; inzicht krijgen en kennis opdoen. We kennen de jacht op het geld, op succes en geluk. Hoe nobeler de jager, des te edeler de jacht. Slechte driften en instincten worden doelgericht op de korrel genomen om ze te doden; goede natuurinstincten worden getemd in ingezet voor een nobelere dienst. Dat alles in de beeldentaal gezegd: de koning is op jacht, hij jaagt en achtervolgt. Het Ik wil weten, alle menselijke kracht zoeken en de wil die langdurig gevangen zat in het innerlijk, tot vrijheid brengen. (Er is hoorngeschal, het reebokje moet naar buiten).

De eerste dag zien de koning en zijn jagers het mooie diertje met de gouden halsband en achtervolgen het.
Op de tweede dag komen ze het op het spoor.
Op de derde dag vindt de koning het huisje in het bos en vraagt binnen gelaten te worden.
Je zou kunnen zeggen: het veredelde wilsinstinct dat zich moedig naar het jachtterrein heeft begeven, kon zijn vrijheid behouden. Nu leidt het direct naar de ziel (zusje). De wil bouwt een brug tussen Ik en ziel.

Daarop ging de deur open en de koning trad binnen en daar stond een meisje, zo schoon als hij nog nooit gezien had. Het meisje schrok toen zij zag dat het niet het reetje was dat daar binnenkwam, maar een man met een gouden kroon op zijn hoofd. De koning echter keek haar vriendelijk aan, reikte haar de hand en sprak: ‘Wil je met mij meegaan naar mijn slot en mijn lieve vrouw worden?’ – ‘O ja,’ antwoordde het meisje, ‘maar het reetje moet ook meegaan, dat verlaat ik niet.’ Toen sprak de koning: ‘Het mag bij je blijven zolang je leeft en het zal hem aan niets ontbreken.’ Intussen kwam het reetje naar binnenspringen; toen bond het zusje het weer aan het biezenkoord, nam dat in de hand en verliet met het reetje het huisje in het bos.

De ziel die zolang haar wilsleven heeft beheerst en trouw wacht en dagelijks bidt en zo naar menselijk inzicht toegroeit, wordt mooi. Die schoonheid die zelfstandig en in vrijheid, in armoede en zonder thuis gerijpt is, was er niet eerder. Alleen de moderne ziel kan die verwerven, moet die verwerven. Daarom zegt het sprookje: ‘Zoiets schoons had de koning nog nooit gezien.’ – ‘Wil je mijn lieve vrouw worden?”
Wil jij, ziel, je helemaal met mij verenigen? Deze een-wording werd in de middeleeuwen de ‘koninklijke bruiloft’ genoemd. Geest en ziel worden een onlosmakelijke eenheid. De wil is echter nog driftmatig gebleven; op de achtergrond zijn de remmende krachten nog aanwezig, waarvan de ziel zich wel heeft losgemaakt, maar die nog niet zijn overwonnen.

De koning nam het mooie meisje op zijn paard en bracht het naar zijn slot, waar de bruiloft met veel pracht en praal gevierd werd; nu was zij koningin en zij leefden lange tijd tevreden met elkaar. Het reetje werd gekoesterd en verzorgd en sprong rond in de slottuin. De boze stiefmoeder echter, die er de oorzaak van was geweest dat de kinderen de wijde wereld waren ingegaan dacht niet anders of zusje was in het bos door de wilde dieren verscheurd en broertje was als reekalfje door de jagers doodgeschoten. Toen zij nu hoorde dat zij gelukkig waren en dat het hen goed ging, maakten afgunst en nijd zich meester van haar en lieten haar niet met rust en zij had slechts één gedachte: hoe zij die twee toch nog in het ongeluk kon storten. Haar eigen dochter die zo lelijk was als de nacht en maar één oog had, maakte haar verwijten en sprak: ‘Koningin worden, dat geluk had mij ten deel moeten vallen.’ – ‘Stil maar,’ zei de oude vrouw geruststellend, ‘als de tijd gekomen is zal ik wel zorgen dat ik bij de hand ben.’

De oude herkennen we nu nog duidelijker door haar dochter; ‘eenoog’ wijst op een oeroude kracht van helderziendheid die echter al sinds lang niet meer van deze tijd is – decadent geworden. De moderne mens moet in de zintuigelijke wereld waarnemen, denken en onderscheiden, een wakkere dag-mens zijn. Hij mag niet vertrouwen op het oude helderziend-zijn. De dochter met het ene oog is ‘zo lelijk als de nacht’. Hiermee wordt uitgedrukt wat ooit een helderziend droombewustzijn was, in het sprookje ‘nacht’ genoemd. 
Waar het materialisme (stiefmoeder) gepaard gaand met atavistische helderziendheid (de dochter met het ene oog) werkelijkheid wordt, komt de ontwikkeling van de ziel waarin het Ik sterker wordt, in gevaar. Waar zijn die remmende krachten het meest ingrijpend?
Het sprookje zegt:

Toen er enige tijd verlopen was en de koningin een mooi jongetje ter wereld had gebracht en de koning juist op jacht was, nam de oude heks de gestalte van de kamenier aan, kwam de kamer binnen waar de koningin lag en sprak tot de zieke: ‘Kom, uw bad is gereed, dat zal u goed doen en u nieuwe kracht geven – vlug, voor het koud wordt.’ Haar dochter was er ook, zij droegen de zwakke koningin naar de badkamer en legden haar in de badkuip; vervolgens deden zij de deur op slot en liepen weg. Zij hadden echter in de badkamer een waar hellevuur aangestoken zodat de mooie jonge koningin wel moest stikken.

Er is een kind geboren, dus heeft er een bevruchting plaats gehad – tussen de scheppende geest en de ontvangende ziel. Er is een kiem tot rijping gekomen die een nieuwe mens voortgebracht heeft die naar de toekomst leeft. In dit koningskind woont het eeuwige Ik dat geboren is uit de ziel die zich vrijgemaakt heeft. Al het tere en hogere dat uit het samengaan van geest en ziel geboren wordt, moet in beschermde stilte verzorgd worden, zodat het tot een grotere kracht worden kan. En zoals in de uiterlijke wereld de man zijn vrouw moet bijstaan wanneer het moeilijke uur van de bevalling aanbreekt, zo moet ook in de innerlijke wereld de menswording met toewijding en aandacht verzorgd worden. Maar: de koning is op jacht. D.w.z. de geest van de mens is zo actief, zo druk bezig nieuwe ervaringen en kennis te verwerven dat hij daarmee alleen zijn eigen impulsen najaagt. 

De dichter Juan Ramón Jiménez maakte het gedicht:

‘Eile nicht,gehe sachte,
Denn du gehst ja zu dir selber,
Gehe sachte, und eile nicht:
Das Kind deines Ichs, das neugeborene, ewige,
kann dir nicht folgen.

Hij schetst hier die ervaring. Het pas geboren Ik van de moderne mens moet beschermd worden. Iedere scheppingsdaad moet worden gevolgd door een reiniging. In het sprookje volgt na de geboorte het bad. En als het eeuwige Ik geboren is, moet iedere reiniging tegelijkertijd een loutering zijn. Het vuur van de wil van een heilige geestdrift moet in de ziel ontvlammen en een onaardse liefde doen opgloeien. Waar echter de boze krachten aan het werk zijn, wordt het een hellevuur waarin de ziel stikt.

Toen dat volbracht was zette de oude vrouw haar dochter een muts op en legde haar in bed in plaats van de koningin. Zij gaf haar ook de gestalte en het uiterlijk van de koningin; alleen het oog dat verloren was gegaan kon zij haar niet teruggeven.

Lenz wijst erop dat deze passage niet uit het originele verhaal kan komen. Het gaat om de figuur met het ene oog, zoals dat ook voorkomt in het sprookje ‘Eenoogje. tweeoogje, drieoogje. En verder bijv. in de sagen, o.a. in de Griekse sage van Polyphemos.

Maar opdat de koning het niet zou merken moest zij op die zijde gaan liggen waar zij geen oog had. Toen hij bij zijn terugkomst ’s avonds vernam dat hem een zoontje geboren was verheugde hij zich van harte en wilde naar het bed van zijn lieve vrouw gaan om te zien hoe zij het maakte. Maar de oude vrouw riep gauw: ‘Als ’t u blieft niet, laat de gordijnen dicht, de koningin mag nog niet in het licht kijken en moet rust houden.’ De koning ging terug en wist niet dat een valse koningin daar in bed lag.

Wanneer de ziel met de Ik-eigenschappen verstikt is, kan je de koning bedriegen met een onontwikkelde ziel. Hoe vaak merkt een mens helemaal niet dat er in hem iets veranderd is en dat iets verkeerds iets goeds heeft verdrongen. Het kwaad zet graag een verwarrend masker op.

Toen het nu middernacht was en iedereen sliep zag de baker die in de kinderkamer naast de wieg zat en die alleen nog wakker was, hoe de deur openging en de echte koningin binnentrad. Zij haalde het kind uit de wieg, nam het in haar armen en gaf het te drinken. Vervolgens schudde zij zijn kussentje op, legde het weer terug in de wieg en dekte het toe met het dekentje. Zij vergat echter ook het reetje niet, ging naar de hoek toe waar het lag en streelde het over zijn rug. Daarna liep zij heel stil de deur weer uit en de baker vroeg de volgende morgen aan de wachten of er iemand gedurende de nacht het slot binnengekomen was maar zij antwoordden: ‘Nee, wij hebben niemand gezien.’ Zo kwam zij vele nachten en sprak daarbij nooit één woord. De baker zag haar steeds, maar zij durfde daar niemand iets van te zeggen.

Na verloop van enige tijd begon de koningin ’s nachts te spreken:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom nog twee keer en dan nooit meer.’

De baker gaf haar geen antwoord, maar toen zij weer verdwenen was ging zij naar de koning en vertelde hem alles. Toen sprak de koning: ‘Mijn God, wat zou dat betekenen? Ik zal de volgende nacht bij het kind waken.’ ’s Avonds ging hij naar de kinderkamer en te middernacht verscheen de koningin weer en zij sprak:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom nog één keer en dan nooit meer.’

En daarop verzorgde zij het kind, zoals zij het altijd had gedaan, voor zij weer verdween. De koning waagde het niet haar aan te spreken maar waakte ook de volgende nacht. Weer sprak zij:

‘Wat doet mijn kind? Wat doet mijn ree?
Ik kom na deze keer nooit meer.’

Toen kon de koning zich niet meer bedwingen, snelde naar haar toe en sprak: ‘Jij kunt niemand anders zijn dan mijn lieve vrouw.’ Toen antwoordde zij: ‘Ja, ik ben je lieve vrouw,’ en op dat ogenblik ‘kreeg zij door Gods genade het leven weer terug, was fris en gezond en had weer kleur.

De ziel is niet gestorven, maar verbannen naar een schaduwbestaan. In het verborgene is ze nog actief en op een droomachtig niveau – in de nacht – niet in het wakkere Ik van overdag. (De koning weet het niet). Maar trouw verzorgt ze wat als vrucht van de geest zichtbaar is geworden en raakt liefdevol de sfeer van de wil aan. Alleen de baker is wakker; zij is het beeld van het verzorgen in het zielengebied. Ontwikkelingen hebben tijd nodig.

Het sprookje gaat verder: 

Daarop vertelde zij de koning welke euveldaad de boze heks en haar dochter aan haar hadden begaan. De koning liet beiden voor het gerecht brengen en zij werden veroordeeld. De dochter werd naar het bos gebracht waar de wilde dieren haar verscheurden; de heks echter werd in het vuur geworpen en moest jammerlijk verbranden en toen zij tot as was verbrand kreeg het reekalfje zijn menselijke gedaante weer terug en zusje en broertje leefden gelukkig met elkaar tot aan het einde hunner dagen.

Als de kracht van het heersende Ik recht laat spreken, kan wat zich in de ziel naar het verleden richt (de dochter met het ene oog) geen standhouden. De lagere krachten grijpen het. Een alles beslissende loutering vernietigt ook het heksachtige kwaad en daarmee wordt de wil bevrijd van de banvloek van het dierlijke. De wil wordt weer menselijk. Het onzelfzuchtige geduld van de ziel bracht hem de vrijheid.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2315

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/21)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.


.
Uit Roemenië

.

De sprinkhaan*
.

De dieren in de stal van Bethlehem hadden honger en riepen luid om voer. Dat sneed Maria, de goede moeder, door de ziel en zij was bij al haar noden ook bezorgd om de klagende dieren. Uit alle hoeken en gaten van de stal verzamelde ze de verstrooide halmen, maar het was nauwelijks een handjevol dat ze voor de dieren bij elkaar sprokkelde. Toen liep ze, terwijl ze haar Kindje toevertrouwde aan de dieren, naar buiten, naar een boer en vroeg hem met vriendelijke woorden om wat hooi voor de trouwe dieren in de stal. Maar de man wees de smekende vrouw bars terug: hij had zelfs nauwelijks genoeg in zijn schuur, want maaien liet hij liever aan anderen over, de zomer is te mooi om op het veld te gaan staan met een kromme rug en maar zweten.
Hoe moeder Maria ook smeekte, het hielp geen zier: de man kruiste zijn armen achter z’n rug en schudde zijn hoofd: ‘Bedelvolk krijgt niks!’

Maar nu trokken donkere wolken over het gezicht van de lieve vrouw, bij al haar zorgen en noden kwam nu ook de teleurstelling. Hard waren haar woorden in haar boosheid: ‘Wie voor de armen en bedelaars niets over heeft en ook nog een luilak is die niet wil werken, krijgt zijn verdiende loon. Je hele leven lang zal je gras moeten maaien, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, halm voor halm, zonder dat je er zelf wat aan hebt!’ En terwijl de man nog spottend lachte en zei: ‘Wel, wel, wel! Dat denk je maar! Och, och, ha, ha! werd Maria’s woord al bewaarheid: de man schrompelde langzaam ineen, droeg plotseling groene kleren, werd kleiner en kleiner, armen en vingers werden zo dun als een graat en zijn benen ellenlang en daar sprong hij al als een groene sprinkhaan met zijn poten als stelten weg om nu de hele lieve dag lang de grashalmen een voor een af te knagen. En als hij eens een dor hoopje bij elkaar heeft, dan komen de mollen en de vogels en de mieren, die nemen het mee of de wind verwaait het, alle zonder hem te bedanken.
De groene sprinkhaan echter staat daar maar en jammert en moppert, zwaait met die lange poten en heeft het nakijken, hoe hij ook mopperend ratelt, raspt en tsjirpt.
.

*In het Duits staat hier ‘Heupferd’, dat niet alleen ‘sprinkhaan’ betekent, maar ook ‘stommeling’.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2314

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/20)

 

 

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.

Uit Duitland

.

HET GLIMWORMPJE
.


Boven in het gebinte van de stal waarin het Kindje Jezus in het kribbetje lag, zat een heel klein kevertje en dat keek heel verwonderd naar wat er in de stal gebeurde.
Het keek ook eens met één oog door een gat in het dak en toen zag het vol verbazing de grote ster aan de hemel staan. En met zijn andere oog keek het door een kier in de planken en zo kon het uitkijken over de verre velden en toen zag het hoe een engel de herders op het veld de blijde boodschap bracht en met zijn oortjes, ook al zijn die piepklein, hoorde hij wat voor wonderbaarlijke boodschap de engel bracht. 
Toen besloot het kevertje net zo te doen als de engel en het ging alle dieren in het bos de boodschap brengen van het wonder dat zich in de wereld voltrokken had.
Het vloog eerst naar de lichtende engel op het veld en wilde van hem precies horen wat hij moest vertellen.
Eerst zag de engel het kleine helpertje niet eens, maar hoorde een zacht zoemende vraag. Met plezier sprak de engel hem de tekst voor en toen het vol ijver wilde vertrekken, voelde de engel in zijn gouden haar dat een lichtgevend schijnsel uitstraalde en nam er een klein vonkje uit en plaatste dat op de rug van het kevertje, precies tussen de vleugeltjes, zodat het net een fonkelend diamantje leek. 
Toen vloog het weg en het liet zijn lantaarntje telkens oplichten en vloog van struik naar struik en van bloem tot bloem, van boom naar boom en wekte de vogels en de kevers, de libellen en de vlinders, de grote dieren, de kikkers in de plas en ook de wormen die nieuwsgierig uit de aarde omhoog keken. Ze waren alle zeer verbaasd toen ze dat vliegende lichtje zagen en ze dachten wel dat het een kevertje moest zijn dat nu met een lichtje in het donker rondvloog. En alle dieren in het bos en op de heide hoorden de blijde boodschap van het hemelse kind.

Toen het kevertje de hele ronde had gedaan, vloog het als een bewegend hemelslichtje, helemaal niet moe, terug naar de stal waar de moeder in een donkere hoek bij haar kindje de wacht hield en het bleef er de hele stille nacht trouw met haar lichtje bij zitten. Ze deed het pas uit toen de morgenschemering de dag aankondigde. 
Het kevertje mag vanaf die dag glimwormpje heten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2312

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/19)

.

Uit Stiermarken

.

DE SPREKENDE DIEREN

.

Zo snel als de gedachte zijn vlucht neemt, bereikte de boodschap van de blijde gebeurtenis in de stal in Bethlehem de dieren die veel slimmer zijn en veel meer bijzonders kunnen horen dan wij, geleerde mensen.
Weldra wisten alle schepsels het die op het veld of in de bossen leven of die rond het huis of de boerderij wonen. En allemaal maakten ze het geluid dat bij hen hoort: gekakel, gesnater, gemiauw, geblaf, gemekker, geblaat en nog veel meer, zoveel vreugde werd er geuit en luid en opgewonden vertelden ze elkaar over de grote gebeurtenis. ‘Heb je het al gehoord, buurvrouw…?’ En: ‘Beste vriend, wat daar toch allemaal gebeurd is!’ ‘Wie weet het nog niet, wie heeft het nog niet vernomen?’
De haan sloeg om middernacht plotseling met zijn vleugels, strekte zich zover mogelijk uit en riep: ‘Kukeleku, Jezus is er nu!’ En de hond die anders zo waaks was en het eerder had moeten weten, vroeg gelijk: ‘Wa, wa, wa, waar?’ De geiten echter wisten het precies en mekkerden belerend naar hem: ‘In Bèèèthlèèm. in Bèèèthlèèm!’ En een lammetje voegde eraan toe: ‘Ik wil erhèèèn, erhèèèn, erhèèèn!’ En de ezel die zich een beetje verslapen had, geeuwde: ‘I-aaa; i-aaa!’ 
Maar de kip die wel wist wat er moest gebeuren, rekte haar hals en ging op weg en ze riep alle dieren en kakelde: ‘We gaan er meteen op af, kom mee, kom mee!’ En toen riepen ze het allemaal naar elkaar en toen wist de hele wereld dat Jezus was geboren. 
Alleen de slak kwam te laat: dat is nu eenmaal een zeer bedachtzaam en langzaam wezen. Maar die zou toch ook niet zoveel hebben kunnen zeggen, dus was het ook niet zo erg dat ze te laat kwam.

De sprekende dieren kregen als dank en ter herinnering de gave om elkaar op het middernachtelijk uur van Kerstmis te kunnen verstaan en te kunnen spreken als de mensen.
En wie dat niet geloven wil, moet in de kerstnacht zijn oren maar eens spitsen, want precies om twaalf uur kan je de dieren horen spreken. En menigeen heeft op dit tijdstip al dingen gehoord waarvan hij denkt dat hij zijn oren niet kan geloven. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

 

2311

.