Categorie archief: vertelstof

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/19)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

VROUW HOLLE

Een weduwe had twee dochters; de ene was mooi en vlijtig, de andere lelijk en lui. Zij hield echter veel meer van de lelijke en luie omdat deze haar echte dochter was en de andere moest al het werk doen en de assepoes in huis zijn. 

Vrouwelijke gestalten zijn een beeld voor de ziel en voor de wiskrachten van de ziel. Wanneer de levende verbinding met het geestelijk-mannelijke ontbreekt en de ziel op zichzelf is aangewezen, is sprake van een ‘weduwe’. Wanneer deze ‘stief’moeder wordt – het Duitse ‘stiefe’ is ook ‘stijf’, betekent dit dat zij niet meer beschikt over de levende geest, maar materialistisch is geworden. Ze let alleen nog op de zintuiglijke wereld.
Maar iedere ziel is veelzijdig. Uit het oude ontstaan nieuwe wezenlijke krachten, ontwikkelen zich en hebben een doel voor ogen: het zijn de ‘dochters’. 
De ene is meer verwant aan het ‘geest-vaderlijke’: actief, scheppend; de andere, dochter van de stiefmoeder, is passief en lui. En daarom staan ze open voor het edele – schoonheid en voor het onedele – de lelijkheid.

Het arme meisje moest iedere dag op de grote weg bij een put gaan zitten en zoveel spinnen dat het bloed uit haar vingers liep. Nu gebeurde het eens dat de spoel helemaal bebloed was; toen bukte zij zich over de put om de spoel af te wassen. Hij sprong echter uit haar hand en viel naar beneden. Het meisje huilde, liep naar haar stiefmoeder en vertelde haar van het ongeluk. Deze schold haar echter zo hevig uit en was zo onbarmhartig dat zij sprak: ‘Als jij je spoel er in hebt laten vallen moet jij hem er ook weer uithalen.’ Toen ging het meisje terug naar de put en wist niet wat ze moest beginnen; en in haar grote angst sprong zij in de put om de spoel te halen.

Spinnen is een heel oud beeldwoord voor het denken. Tegenwoordig hebben we het in negatieve zin over bijv. gedachtespinsels; het Duits heeft ‘ausspintisieren’ voor ‘iets denkend zitten uit te broeden’. We hebben het bij iets logisch over ‘het vasthouden van de draad’. En op straat zitten en spinnen betekent het niet meer in een afgesloten plaats de gedachten in stilte koesteren, maar openlijk, in het openbaar op de zintuigwereld richten. Maar daar bevindt zich ook de scheppende diepte, het geheimzinnig opborrelende beleven van de ziel: de bron.
Waar zo intensief gedacht wordt – ‘tot bloedens toe’, moet het gedachtegoed ondergedompeld worden in de ‘reinigende bron’ (de spoel schoonwassen). Maar uiteindelijk is de mens geen meester meer over zijn gedachten, ze vallen weg. 
Want het denken en de inhoud van de gedachten van de ijverige dochter zijn van geestelijke aard en de geest wil ‘de diepte’ in: de spoel zinkt in de bron. 
De stiefmoeder, de vertegenwoordigster van de stoffelijke zintuigwereld, kan niet helpen – in tegendeel – haar hardheid is de aanzet tot nog meer verdieping: de sprong in de diepte moet gewaagd worden. Maar daar geldt wat daarvoor gedacht werd, niet meer: de spoel is verdwenen. Op een ander niveau volgt een nieuw ontwaken.

Zij verloor haar bewustzijn en toen zij weer wakker werd en tot zichzelf kwam was zij op een mooie weide waar de zon scheen en duizenden bloemen stonden. Op deze weide liep zij voort en toen kwam zij bij een oven vol brood; het brood riep echter: ‘O, haal mij er uit, haal mij er uit, anders verbrand ik; ik ben allang gaar.’ Toen ging zij er naar toe en met de ovenpaal haalde ze alles achter elkaar eruit.

Voor het innerlijke schouwen is ‘de andere kant’ een groen en bloeiend vlakte. Vanuit de ‘ding’wereld van zintuigen is het meisje nu aangekomen in de sfeer waar voortdurende groei is en levende ontwikkeling. Nu worden er eisen aan haar gesteld en wordt ze op de proef gesteld. In de stoffelijke wereld is het brood wel een van de belangrijkste voedingsstoffen voor het lichaam; in de andere wezenlijke wereld gaat het om de belangrijkste voeding voor de ziel en dat is het kennen van de geest. Een christelijke leerregel is: wij zijn op aarde om God te leren kennen. Kennis van de geest is ‘het brood’ voor de ziel.
Haard, oven, bakoven geven in huis warmte. Het warmtepunt in het huis van het lichaam is het hart, in de droom en het sprookje verschijnt dit vaak in hert beeld van de oven. Daar, wil het sprookje zeggen, in het centrum van de innerlijke hartenwarmte heb je dat geest-kennen verkregen, terwijl er aan de andere kant je wezen werd gedacht, gesponnen. Maar nu moet je actief zijn, je wil gebruiken om het weer aan het licht te brengen; 

Daarna ging zij verder en toen kwam zij bij een boom die vol appels hing en die haar toeriep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Toen schudde zij de boom zodat de appels als een regen naar beneden vielen en zij bleef schudden tot er niet één meer in hing; en toen zij ze allemaal op een hoop bij elkaar had gelegd ging zij weer verder.

De oude helderziendheid waaruit de sprookjes stammen, zag in de mens het omhooggroeiende ruggenmerg-zenuwsysteem dat op een boom lijkt dit als symbool. Ook daar wordt kennis vergaard, maar andere dan bij het hart. De vrucht van de boom, de appel, is het symbool van de zondeval geworden als de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad. Die moet nu geplukt worden.

Tenslotte kwam zij bij een huisje waaruit een oude vrouw naar buiten keek; maar omdat zij zulke grote tanden had sloeg het meisje de schrik om het hart en zij wilde weglopen. De oude vrouw riep haar echter na: ‘Waarom ben je bang, kindlief? Blijf bij mij; wanneer je al het werk in mijn huis netjes wilt doen, zal je het goed hebben. Je moet er alleen voor zorgen dat je mijn bed goed opmaakt en het vlijtig opschudt zodat de veren in het rond vliegen, dan sneeuwt het op de aarde; ik ben Vrouw Holle.’

Zonder twijfel was vrouw Holle ooit een van drie grote moeder-godinnen die sinds het oudste Keltendom vereerd werden. Wellicht is zij de aarde-moeder. In sommige streken zag men haar als een laatste herinnering aan de lieftallige Freia, de schoonste godendochter uit het geslacht van de Wanen, de stralende goden uit de vroege tijd die als vrouw Hulda waakt over de zegeningen van de velden en over de boom die in het rijk staat, die goud en zilver schenkt wanneer je hem schudt.
Later beschouwde men haar als de brengster van het spinnen. Bij de oudere mens ging de activiteit van de hand samen met die van het hoofd, zoals de taal nog toont. Ze werd de beschermster van het spinnen, loofde de ijverigen en strafte de luien.
En toen men haar niet meer zegen brengend door het land zag gaan, zag men haar toch in haar rijk dat wel verduisterd werd voor de blik tot een geheimzinnige grot (Duits Höhle) en men noemde haar vrouw Holle. Wie de drempel overgaat van het nu naar het hiernamaals – en dat gebeurde in oudere tijden vaak – beleefde deze macht van de lotspelingen.

Omdat de vrouw haar zo vriendelijk toesprak, vatte het meisje moed, stemde toe en trad bij haar in dienst. Zij deed alles tot haar tevredenheid en schudde haar bed altijd geweldig goed op zodat de veren als sneeuwvlokken in het rond vlogen; in ruil daarvoor had zij dan ook een goed leven bij haar, kreeg geen boze woorden te horen en at iedere dag alles wat maar lekker is. Toen zij nu een tijdlang bij Vrouw Holle was, werd zij treurig en wist in het begin niet wat haar scheelde; eindelijk merkte zij dat het heimwee was; hoewel zij het hier wel duizend maal beter had dan thuis, verlangde zij daar toch naar. Tenslotte zei zij tot Vrouw Holle: ‘Ik verlang zo verschrikkelijk naar huis en al heb ik het hier beneden ook nog zo goed, ik kan toch niet langer blijven, ik moet weer naar boven, naar mijn familie.’ Vrouw Holle zei: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt en omdat je mij zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.’ Daarop nam zij haar bij de hand en bracht haar tot voor een grote poort. De poort ging open en juist toen het meisje eronder stond viel er een stortvloed van goud neer en al het goud bleef aan haar hangen, zodat zij er helemaal mee bedekt was. ‘Dat mag je hebben omdat je zo vlijtig bent geweest,’ sprak Vrouw Holle en gaf haar ook de spoel terug die in de put was gevallen. Daarop werd de poort gesloten en het meisje bevond zich weer boven, op de aarde, niet ver van het huis van haar moeder; en toen zij het erf opkwam zat de haan op de put en riep:

‘Kukeleku,
Terug is onze gouden jonkvrouw nu.’

Toen ging zij naar binnen naar haar moeder, en omdat zij daar zo met goud bedekt aankwam werd zij door haar en door haar zuster goed ontvangen.

Het Duits heeft een uitdrukking: ‘Het weer is, zoals de mensen zijn’.
Dat wordt nog wel gebruikt.
Ik ken in het Nederlands geen equivalent. In deze tijd is het vooral opmerkelijk dat mens en klimaat – en dus ook het weer – met elkaar in verband worden gebracht: de mens als veroorzaker van de opwarming van de aarde.
Volgens een oude zienswijze, aldus Lenz, zag men vroeger dat er een direct verband bestond tussen de zielenwereld van de mens en de elementaire processen in de natuur. De zielen die hun lotsopdracht op de juiste manier vervullen en hun beproevingen doorstaan, zoals onze vlijtige dochter, verstoren de harmonie van de natuur niet, maar ze schikken zich erin en werken mee aan het scheppende proces.
Naar het beeld van het sneeuwen kan je nog op andere manier kijken: de zuivere sneeuwkristallen met hun ontelbare sterrenvormen, van boven komend en de aarde met een helder wit kleed bedekkend, kunnen toch wel gezien worden als een gelijkenis voor de edele, zuivere krachten van een hogere wereld? Zeer zeker wil het sprookje er ook op wijzen dat een ziel die de draden van het leven altijd goed spint en voldoende goede gedachten gevormd heeft, meewerkt aan die werkelijkheid. Het woord van vrouw Holle: ‘Het doet mij plezier dat je weer naar huis verlangt’, laat ons zien dat zij tot de goede machten behoort die zich ontwikkelen. Want het leven op aarde is een scholingsweg voor de hogere wereld, en wat ‘aan de andere kant’ afgerond wordt, werkt door in het leven op aarde. In de overgang van de geestwereld naar de stoffelijke – de jonkvrouw staat onder de poort – wordt haar de rijkdom van de spirituele ervaring en verandering geschonken: het goud van de wijsheid valt op haar neer en dat is wijsheid die je3 niet kan verliezen. Vrouw Holle geeft haar de spoel terug, die met bloed bedekt in de bron was gevallen: met een gereinigd nieuw denken kan nu worden begonnen. Ze wordt bij terugkeer goed ontvangen, want alles van haar komt ten goede aan hem die niet veranderd zijn.
De luie dochter legt zichzelf op wat de ijverige mens in het denken verwerft. Kennis van de geest kan zij niet verkrijgen (geen brood), noch vanuit 
hartekracht die nooit in haar aanwezig waren, noch dat ze goed leert onderscheiden tussen goed en kwaad (geen appels), want zij kende het goede niet. Zij kan zich niet schikken in de orde van de bovenzintuiglijke wereld, want door haar luiheid kon ze dat ook al niet in de stoffelijke wereld. De heerseres van de bovenzintuiglijke wereld moet haar wegsturen. Haar loon is pek. De spoel krijgt ze niet terug. Wie niet gelouterd, niet veranderd het goud van de wijsheid wil afdwingen, maakt zijn wezen duister, verliest de blik op het licht, ze wordt armer dan ze daarvoor was. En deze duisternis blijft.

Het meisje vertelde alles wat haar overkomen was en toen haar moeder hoorde hoe zij aan die grote rijkdom was gekomen wilde zij haar andere, lelijke en luie dochter graag hetzelfde geluk bezorgen. Zij moest bij de put gaan zitten spinnen; en om haar spoel met bloed te bevlekken prikte zij in haar vinger en stak haar hand in de doornhaag. Vervolgens wierp zij de spoel in de put en sprong er zelf ook in. Zij kwam, net als het andere meisje, op de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen zij bij de oven kwam riep het brood weer: ‘O, haal mij eruit, haal mij eruit, anders verbrand ik, ik ben allang gaar.’ Het luie meisje antwoordde echter: ‘Denk je dat ik zin heb om mij vuil te maken!’ en ging verder. Spoedig kwam zij bij de appelboom die riep: ‘O, schud mij, schud mij, mijn appels zijn allemaal rijp.’ Zij antwoordde echter: ‘Dank je wel, er zou er eens een op mijn hoofd kunnen vallen,’ en met die woorden liep zij verder. Toen zij voor het huis van Vrouw Holle kwam was zij niet bang, omdat zij al alles over haar grote tanden had gehoord en zij trad bij haar in dienst. De eerste dag deed zij zichzelf geweld aan, was vlijtig en gehoorzaamde Vrouw Holle als ze haar iets opdroeg, want zij dacht aan al het goud dat deze haar zou schenken; de tweede dag begon zij evenwel al te luieren, de derde dag nog meer, toen wilde zij ’s ochtends helemaal niet opstaan. Zij maakte het bed van Vrouw Holle niet op zoals het hoorde, en zij schudde het niet zodat de veren eruit vlogen. Daar kreeg Vrouw Holle gauw genoeg van en zij zei haar de dienst op. Het luie meisje was daar heel tevreden over en dacht dat nu de goudregen wel zou komen; Vrouw Holle bracht haar ook naar de poort. Toen zij daar echter onder stond werd er in plaats van goud een grote ketel vol pek over haar uitgestort: ‘Dat is de beloning voor je diensten,’ zei Vrouw Holle en zij deed de poort dicht. Toen kwam het luie meisje thuis, zij was echter helemaal met pek bedekt en de haan op de put riep, toen hij haar zag:

‘Kukeleku,
Terug is onze vuile jonkvrouw nu.’

Het pek bleef echter aan haar kleven en het ging er, zo lang zij leefde, niet meer af.

Is hier de kraaiende haan die beiden begroet, de verkondiger van de dag en was dit een nachtbeleven? Deze wereld waar onder en boven gelijk zijn, kent ruimte noch tijd; dat beleven we in de droom. Er zijn heel wat verhalen bekend van mensen die meegemaakt hebben dat ze in een elementaire wereld terechtkwamen. Ze zeggen dat ze jarenlang bij de dwergen in dienst waren of zalig genoten bij de elfen en bij wonderbaarlijke woudvrouwen of bij vrouw Holle en voor hun omgeving ging het maar om een paar uur of een dag. Ook dat zou in dit sprookje kunnen.
Maar de mens is én een deel van de mensheid en van de wereld en dan kunnen zich daarin nog veel diepere lotsbeschikkingen spiegelen, lotsbeschikkingen die buiten de tijdspanne van een leven op aarde uitgaan. 
Het binnengaan van een bovenzintuiglijke wereld waarin de ziel de ervaringen opgedaan in het aardse leven duidelijk te zien krijgt en met een soort afrekening te maken krijgt en uiteindelijk een terugkeer naar de zintuigwereld, gezegend met de gevolgen van het afgerekend zijn als zegen of belasting, duiden evenzeer op de reïncarnatie van de mens. 
De kennis van de reïncarnatie van de mens was bij de Keltisch-Germaanse stammen algemeen bekend; Julius Caesar, Diodorus van Sicilië maken er melding van. De Edda, de Germaanse godenleer, spreekt ervan in de Karaliederen. Het weten ervan is niet decadent geworden zoals in het Oosten, waar de reïncarnatie geworden is tot slechts een ‘zielenverhuizing’.
In het Avondland is de gedachte van de reïncarnatie een tijd lang verdwenen, de mens moest zich met al zijn kracht richten op de materiële wereld. In een paar sprookjes zijn er nog echo’s van dit oude weten hoorbaar.
Als we op deze manier naar ons Holle-sprookje kijken, dan verschijnt de haan niet alleen om de dag te verkondigen, hij wordt veel meer nog tot het symbool van het instinctieve Ik. Zijn roep duidt dan voor dit leven op dat dit nieuw ontwaakte Ik en op de voorbestemming van het lot: een met wijsheid begaafde mens te zijn of een pechvogel.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2408

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 2100 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:

[1] Burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

[2] Met vreugde in het nu aanwezig zijn
Joop van Dam
over: ‘anti’- burn-out: aanwijzingen om naar jezelf te kijken en daar kracht uit te putten; de kracht van de ‘terugblik’; het belang van de gemeenschap; hoe wordt de gemeenschap sterker; hoe sta je als tijdgenoot in het heden

[3] Samen sterker
Lisette Thooft over: boek van Annejet Rümke ‘Als een feniks uit de as‘; analyse van burn-out op de vrijeschool; hoe komt dat, wat is er aan te doen; het individu in de sociale context; de grote verwachtingen door het ideaal;

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4/18)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

HET SNUGGERE SNIJDERTJE

Lenz begint met een anekdote over Goethe. Zijn moeder las hem het sprookje van het snijdertje voor en sloot het ergens af om morgen weer verder te gaan. “Het is niet waar’, zei de kleine Wolfgang, ‘dat rot snijdertje krijgt de prinses niet!’
En daarmee sprak het kind dat geestelijk zo zeker was, nietsvermoedend zijn levensprobleem uit. Want Goethe streed zijn hele leven tegen het snijdertje ter wille van de prinses.

Waar gaat het bij een kleermaker om. Hij moet de stof versnijden en naar eigen maat weer samenstellen tot een geheel, steeds de schaar en naald en draad hanterend en met veel aandacht, want de maten moeten blijven kloppen.
Het nieuwe geheel dat ontstaat, is totaal anders dan het oude en het is helemaal zijn eigen werk. Geen wonder dat we de kleermaker in ere moeten houden, want er hangt veel van hem af.

En dan de innerlijke kleermaker. Hoeveel hangt er niet van hem af. Onvermoeibaar is hij met het geheel bezig waar hij met een scherp verstand delen van maakt en met subtiele fijngevoeligheid de stukken naar eigen inzicht dan weer in elkaar zet en opnieuw tot een geheel vormt. De beeldentaal noemt het intellect ‘snijdertje’. Het is die schranderheid die minder een groot omvattend gebied probeert te begrijpen, dan wel die zich dapper op iets kleins stort en die zelf zijn schranderheid wel bijsnijdt. 
Als dit in de mens de boventoon gaat voeren, bestaat echter wel het gevaar dat hij tot een iel, spitsvondig en ook wel een geheel wordt met eigendunk. Want iets groots kleinmaken en naar eigen goeddunken weer in elkaar zetten, kan gemakkelijk trots maken.
Dan kan zo’n kleermakertje uitroepen: ‘Zeven in één klap’, ook al gaat het maar om vliegen. 

Goethe zou zo’n kleermaker dus nooit hebben kunnen verdragen. 
Als hij zich echter voegt naar de gemeenschap, zit hij daar terecht bij en wij kunnen hem goed gebruiken.

Er was eens een prinses die geweldig trots was. Als er iemand kwam die met haar wilde trouwen, gaf zij hem een raadsel op en als hij het niet kon raden, werd hij bespot en weggestuurd. Ook liet zij bekend maken dat degene die haar raadsel oploste, met haar mocht trouwen, wie het ook was. Tenslotte waren er ook drie kleermakers bijeen, en de twee oudsten vonden dat zij zoveel fijne steekjes goed gemaakt en goed getroffen hadden, dat het niet anders kon, of zij zouden het er ook hier goed afbrengen. De derde was een kleine, waardeloze spring-in-’t-veld die zijn vak niet eens goed verstond, maar vond, dat hij er een beetje geluk bij moest hebben, want waar zou het anders vandaan moeten komen. De twee oudsten zeiden tegen hem: ‘Blijf jij maar thuis, met dat kleine beetje verstand van jou kom je toch niet ver.’ Het kleermakertje liet zich echter niet van de wijs brengen en zei, dat hij er nu eenmaal zijn zinnen op had gezet, en het heus wel zou klaarspelen en hij ging op weg met een gezicht alsof de hele wereld van hem was.

Zij meldden zich alle drie bij de prinses en zeiden dat zij haar raadsel maar eens aan hen moest voorleggen, zij waren daarvoor de juiste lieden, want zij hadden zo’n spits verstand dat het wel door het oog van een naald gehaald kon worden. Toen sprak de prinses: ‘Ik heb tweeërlei haar op mijn hoofd, wat voor kleur heeft het?’ – ‘Als dat alles is,’ zei de eerste, ‘dan is het zeker zwart en wit, net als haar dat je peper en zout noemt.’ De prinses zei: ‘Misgeraden, laat de tweede antwoorden.’ De tweede zei: ‘Als het geen zwart en wit is, dan is het zeker bruin en rood, zoals de zondagse jas van mijn vader.’ – ‘Misgeraden,’ zei de prinses, ‘laat nu de derde antwoorden, ik zie aan hem, dat hij het weet.’ Toen stapte het kleermakertje parmantig naar voren en zei: ‘De prinses heeft een zilveren en een gouden haar op haar hoofd en dat zijn de beide kleuren.’ Toen de prinses dat hoorde werd zij bleek en was bijna flauwgevallen van schrik, want het snijdertje had precies in de roos geschoten en zij had vast geloofd daar zou geen mens ter wereld achter kunnen komen.

In dit sprookje wordt het snijdertje met de prinses geconfronteerd en daarbij is hij helemaal niet timide. Hij weet heel goed dat zij niet zoveel heeft met het alledaagse, maar dat er bij haar iets is wat uit twee werelden komt, die tegenover elkaar staan: de zon en de maan, zoals goud en zilver. Bij deze prinses is er een haar van beide aanwezig; zij zoekt met hooghartige vragen naar een ‘vrijer’. Nu wordt ze geconfronteerd met een ‘snijder’ en uiteindelijk wordt zij de zijne.

Toen zij weer tot zichzelf kwam zei zij: ‘Daarmee heb je me nog niet gewonnen, je moet nog één ding doen: beneden in de stal ligt een beer bij wie je de nacht moet doorbrengen. Als ik morgen opsta en je leeft nog, dan mag je met mij trouwen.’ Zij dacht op die manier het kleermakertje kwijt te raken, want er was nog nooit iemand levend uit de klauwen van de beer gekomen. Maar het kleermakertje liet zich niet afschrikken, was heel opgewekt en zei: ‘Wie waagt, die wint.’

De tweede opdracht voor het snijdertje is belangrijker. Hij moet het met de beer in de kelder zien uit te houden. De beer beweegt zich weliswaar op vier poten, maar kan toch ook op twee poten rechtop gaan staan, wonderbaarlijk mensachtig en hij kan zelfs dansen.
Het is het beeld van dofheid en zwaarte die wel naar omhoog streven en rechtop lichter en makkelijker zich zouden willen bewegen, maar zij trekken de mens steeds weer omlaag. Deze aardezwaarte is buitengewoon sterk, soms gepaard gaand met een bepaalde goedmoedigheid en het kan in positieve zin ook duiden op stevig op aarde staan en standvastigheid. Zo opgevat staat de beer op het wapenschild. Als deze zwaarte echter tot activiteit komt, samen met smeulende drift, dan kan de beer gevaarlijk worden.

Tegen de avond werd ons snijdertje naar de beer gebracht. De beer kwam dadelijk op het kereltje af en wilde hem met zijn klauwen een warm onthaal bereiden. ‘Rustig, rustig,’ zei het kleermakertje, ‘ik zal je wel kalmeren.’ En toen haalde hij heel gemoedelijk, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, een paar noten te voorschijn, beet ze kapot en at het binnenste op. Toen de beer dit zag kreeg hij er trek in en wilde ook noten hebben. Het kleermakertje tastte in zijn zak en gaf hem een handvol, maar dat waren geen noten, maar kiezelstenen. De beer stak ze in zijn bek, maar hoe hij ook beet, hij kon er niets mee beginnen. Hé, dacht hij, wat ben ik voor een domkop, dat ik niet eens een paar noten kan kraken, en hij zei tegen het kleermakertje: ‘Toe, kraak jij die noten eens voor me.’ – ‘Nu zie je eens wat voor een kerel jij bent,’ zei het kleermakertje, ‘je hebt zo’n grote bek en je kunt niet eens een nootje stukbijten.’ Toen nam hij de stenen, verwisselde deze behendig, stak een noot in zijn mond en ‘krak’ daar was hij in tweeën. ‘Ik wil het toch nog eens proberen,’ zei de beer, ‘als ik dat zo zie, vind ik, dat moet ik toch ook kunnen.’ Het kleermakertje gaf hem weer stenen en de beer beet er uit alle macht op, maar jullie geloven toch ook niet dat hij het voor elkaar kreeg, is het wel?

De vraag luidt: wat is sterker – het intellect of de dofheid en zwaarte. Hoe wordt het snijdertje de beer de baas? We weten wat het betekent: ‘noten kraken’ en kennen de uitdrukking (Duits) Kopfnüsse – een moeilijk probleem. De walnoot verschaft het beeld. Het hoofd waarin de hersenen rusten als de kern in een noot, is de schaal, de harde noot. Het kleermakertje ‘kraakt de noot’, d.w.z. het intellect lost denkproblemen op. Wie nog dom en traag is, niet in het heldere wakkere leeft, moet het leren. De kleermaker laat aan de beer zien dat deze geen stenen van noten kan onderscheiden, dus goede, vruchtbare gedachten niet van onvruchtbare, materialistische en hij laat de lompe beer de kern halen uit iets waar die niet in zit. En dat brengt beweging op gang.

Toen dat voorbij was haalde het kleermakertje een viool onder zijn jas vandaan en begon een deuntje te spelen. Toen de beer de muziek hoorde kon hij het niet laten te gaan dansen. En toen hij een tijdje had gedanst, beviel hem dat zó goed, dat hij tegen het kleermakertje zei: ‘Hoor eens, is dat fiedelen moeilijk?’ – ‘Kinderlijk eenvoudig… kijk, de vingers van de linkerhand leg ik hierop en met de rechterhand strijk ik er met de strijkstok vrolijk op los van je hopsasa en je falde-raldera.’ – ‘Zó spelen, dat zou ik toch ook graag kunnen,’ zei de beer, ‘dan kon ik dansen zoveel ik wilde. Wat vind je ervan, wil je mij dat leren?’ – ‘Heel graag,’ zei het kleermakertje, ‘als je er aanleg voor hebt. Maar laat mij je klauwen eens zien, die zijn verschrikkelijk lang, ik moet wel je nagels een beetje afknippen.’ Toen werd de bankschroef erbij gehaald en de beer legde zijn klauwen erin. Het kleermakertje draaide ze vast en zei: ‘Wacht nu maar totdat ik met de schaar kom,’ liet de beer brommen zoveel hij maar wilde en ging in de hoek op een bos stro liggen slapen.

Als het intellect ook nog muzikaal wordt (als de kleermaker op de viool speelt) en kunstzinnig harmoniserend werkt, dan wordt de zwaarte uiteindelijk overwonnen: de beer danst en zou zelf ook graag muzikaal worden. In ieder geval heeft het kleermakertje nu macht over hem.

Toen de prinses ’s avonds de beer zo geweldig hoorde brommen dacht zij niet anders dan dat hij van plezier bromde omdat hij het kleermakertje had afgemaakt. De volgende morgen stond zij dan ook onbezorgd en vrolijk op; maar als ze naar de stal kijkt, staat me dat snijdertje heel monter er voor en is zo gezond als een vis. Nu kon zij geen tegenwerpingen meer maken, want zij had het in het openbaar beloofd en de koning liet een koets komen, waarin zij met het kleermakertje naar de kerk zou gaan om te trouwen. Toen zij waren ingestapt gingen de twee andere kleermakers die vals van aard waren en hem zijn geluk niet gunden, naar de stal en schroefden de beer los. De beer rende razend achter de koets aan. De prinses hoorde hem snuiven en brommen; zij werd bang en riep: ‘O, de beer komt achter ons aan, hij wil je pakken!’ Het kleermakertje was er vlug bij, ging op zijn hoofd staan, stak zijn benen buiten het raampje en riep: ‘Zie je de bankschroef? Als je niet vlug verdwijnt, ga je er weer in.’ Toen de beer dat zag, keerde hij om en liep hard weg. Ons snijdertje reed daarna rustig naar de kerk, trouwde de prinses en leefde met haar zo vrolijk en blij als een
boomleeuwerik. Wie het niet gelooft, betaalt een daalder.

De trotse koningsdochter kon nu geen kant meer op: ze moest het snijdertje accepteren. Het intellect heeft zich bewezen, de prinses kan het intellect ziel geven: nu kunnen ze trouwen. 
Maar op de achtergrond zijn de twee andere kleermakers nog die jaloers zijn op de vermogens van de derde. (We kennen de drieheid van deze jongens of broers uit verschillende sprookjes en we weten hoe vaak ze hun broer die zich ontwikkeld heeft, willen remmen). Zij zijn er schuld aan dat de berendofheid zich nog een keer wil laten gelden. Maar het snijdertje weet daar wel raad mee: hij gaat op zijn kop staan.

Hieronymus von Herzogenbusch, Bosch genaamd, de grote symboolmaker, laat vaak het op-zijn-kop-staan zien. Het betekent: volledige ommekeer. Niet alleen maar op de vaste grond van de feiten staan, maar van tijd tot tijd ook thuis zijn in een hogere wereld, daar komt het op aan. 
Wanneer het intellect zo beweeglijk is geworden dat het ‘boven en beneden’ beheerst, zijn de berendofheid en de zwaarte voor altijd overwonnen en niets staat de bruiloft meer in de weg.

Ill. uit Grimm Sprookjes – uitgeverij Lemniscaat

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2398

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sprookjes (2-4-17)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

de drie veren

Er was eens een koning die drie zonen had. Twee ervan waren knap en verstandig, maar de derde zei niet veel, was een beetje onnozel en heette alleen maar de ‘domoor’. Toen de koning oud en zwak werd en aan zijn einde dacht, wist hij niet wie van zijn zonen na hem het rijk moest erven.

De ‘eenvoudigen van geest’ bezitten vaak een wijsheid waar je niet te geringschattend over moet denken. Volgens Lenz maakten de grote opvoeders van de volkeren sprookjes waarmee ze de wil van de mens wilden versterken opdat hij wijs zou worden. Dat waren vaak sprookjes met een ‘domoor’. Deze werd als voorbeeld gesteld tegenover de al te schrandere.
De simpele van geest wordt vaak voor een dwaas versleten, maar blijkt toch over een zuivere wil te beschikken.
In dit sprookje is er een bepaalde relatie naar het geslachtelijke.

Er is weer sprake van een koning in de mens – het vaderlijke Zelf – soms wordt hij de oude Adam genoemd – is oud en zwak. Tot nog toe kon hij in het innerlijk de heerser, de vorst zijn. Maar die macht loopt ten einde. Het Ik moet nu de vorst worden. Nu gaat het om de eigen kracht, niet om wat er door erfelijkheid en overlevering aan de mens gegeven wordt – hij moet nu zijn eigen rijk verwerven.
Het Ik van de mens ontwikkelt zich in fasen. De drie basiskrachten zijn denken, voelen en willen.
Het spookje beschrijft ze vaak als drie zonen, die dan ook drie broers of gebroeders zijn.
Het Ik als voelend wezen is (hier) de oudste, als denkend ween de middelste en als wilswezen de jongste. In het sprookje is dan de vraag wie van de drie zonen uiteindelijk het meest geschikt is om het rijk – de binnenwereld – te besturen, erover te regeren. Dus de volle zelf-beheersing te verwerven.

Toen sprak hij tot hen: ‘Trek erop uit en wie mij het fijnste tapijt brengt, zal na mijn dood koning zijn.’ En opdat er geen onenigheid tussen hen zou komen, bracht hij hen buiten het slot, blies drie veren de lucht in en sprak: ‘Zoals die vliegen moeien jullie lopen.’ De ene veer vloog naar het oosten, de andere naar het westen, de derde vloog evenwel precies rechtuit en die vloog ook niet ver weg, maar viel al gauw op de grond. De ene broeder ging dus naar rechts, de andere naar links en ze lachten de domoor uit, die op de plek waar de derde veer was neergevallen moest blijven.

De domoor ging treurig zitten. Toen bemerkte hij opeens dat er vlak naast de veer een valluik lag. Hij tilde het op, vond een trap en daalde die af. Toen kwam hij bij een deur, klopte aan en hoorde binnen roepen:

‘Jonkvrouw groen en klein,
Schrompelbeen,
Schrompelbeens hondje,
Schrompel hier en daar,
Laat eens gauw kijken, wie is daar?’

De deur ging open en hij zag een grote dikke pad zitten, omringd door een heleboel kleine padjes. De dikke pad vroeg wat hij wenste. Hij antwoordde: ‘Ik zou graag het mooiste en fijnste tapijt willen hebben.’ Toen riep zij een jong padje en sprak:

‘Jonkvrouw groen en klein,
Schrompelbeen,
Schrompelbeens hondje,
Schrompel hier en daar,
Breng mij de grote doos maar.’

Het jonge padje haalde de doos en de dikke pad maakte die open en gaf de domoor er een tapijt uit, zo mooi en fijn als er boven op de aarde geen geweven kon worden. Hij bedankte haar en klom weer naar boven.

De beide anderen echter hadden hun jongste broer voor zo onnozel gehouden, dat ze geloofden dat hij helemaal niets zou vinden en meebrengen. ‘Waarom zouden wij zo’n moeite doen om te zoeken,’ spraken zij en zij namen de eerste de beste herdersvrouw die zij tegenkwamen, haar grove omslagdoeken af en brachten die mee naar huis naar de koning. Te zelfder tijd kwam ook de domoor terug met zijn prachtige tapijt en toen de koning dat zag, sprak hij vol verbazing: ‘Rechtens behoort het koninkrijk aan de jongste.’

Het tapijt dat de vloer bedekt en verfijnd is met mooie, kleurrijke figuren, is het symbool voor een levend, warm gevoel, dat rijk is aan innerlijke beelden. Of het nu voorstellingen zijn die sterk in de ziel aanwezig zijn of waarheidsbeelden, imaginaties. Die beeldenrijkdom moet de mens in zijn gevoelsleven oproepen.

Lange tijd kwam er uit het Oosten een stroom aan spiritualiteit. De hele mensheid van het Avondland werd daardoor beïnvloed. En nog altijd zit er in de mens een kant die zich daar graag naar richt en die daar de innerlijke leiding zoekt die daar jarenlang werd beoefend. Ex oriente lux!
Het Westen kreeg won later  steeds meer aan betekenis, De westerse mens onderzocht de materie, ontwikkelde zijn denken en zijn eigen persoonlijkheid, eigen wijsheid: ex occidente lux! Ook deze westerse kant zit in de mens, want wat in het groot in de mensheid gebeurt, spiegelt zich ook in de individuele mens.

De oudste van de drie broers richt zich op het Oosten. Hij is de mens van het gevoel. Je zou kunnen zeggen: het gevoel richt zich naar het Oosten, het denken naar het Westen.
De willende mens, de derde, moet ter plaatse blijven en daar zoeken en iets weten te vinden. Hij moet nemen wat hem geboden wordt; hij staat wat in het midden. Hij moet wel de diepte in, in de diepte van zijn eigen mens-zijn. Hij daalt tree voor tree af – in fasen. En daar klopt hij op de gesloten deur van de pad.

Een pad was ooit het symbool voor de vochtige vruchtbaarheid van de aarde, zoals die in het moeras en de modder stak, als het gebied van de oercel – nu is zij het symbool van de seksualiteit.
De pad schenkt wat de zon vraagt, want het gaat om het soort verlangen. Het ‘jonkvrouw groen en klein – groen als groener wordend = jong, dus niet als kleur! – zegt de oude pad tegen de jonge die de domoor moet dienen. Zij spreekt daarmee uit wat achter het instinct van de pad schuilgaat: een menselijke jonkvrouwelijke kracht die nog wordend is.
Hier beneden ontvangt de domoor – de reine dwaas – die rijkdom van het voelen, die schoonheid van te kunnen veranderen die de nuchtere grond van de uiterlijke werkelijkheid bedekt en hem tot koning zou kunnen maken.

Wie, zoals de oudste broer een grof geweven doek van een schaapsvrouw afpakt, kan dat niet. Doeken zijn weefsels en ontstaan uit gesponnen draden. In de beeldentaal worden gedachtedraden tot gedachteweefsels verwerkt. Het gaat dus om grove gedachten uit de wereldse omgeving die geen beelden bevatten.

Maar de twee anderen lieten de vader niet met rust en zij zeiden dat de domoor, die toch nergens verstand van had, onmogelijk koning kon worden en smeekten hem een nieuwe voorwaarde te stellen. Toen zei de vader: ‘Wie mij de mooiste ring brengt zal het rijk erven,’ bracht de drie broers naar buiten en blies drie veren de lucht in die ze achterna moesten lopen. De twee oudsten trokken weer naar oost en west en de veer voor de domoor vloog weer rechtuit en viel naast het valluik neer. Toen daalde hij weer af naar de dikke pad en vertelde haar dat hij de mooiste ring moest hebben. Dadelijk liet ze haar grote doos halen en gaf hem daaruit een ring, die flonkerde van de edelstenen en zo schoon was als op aarde geen goudsmid kon maken. De twee oudsten lachten om de domoor die een gouden ring wou zoeken, zij deden niet de minste moeite, maar sloegen de spijkers uit een oud wagenrad en brachten dat naar de koning. Maar toen de domoor zijn gouden ring liet zien, sprak de vader wederom: ‘Het rijk behoort hem toe.’

Een ring is op zich gesloten. Geen begin en geen einde. Zo kan hij het symbool zijn van een bewustzijn waarvan het begin én het einde één zijn. Wanneer je ‘klaar’ bent in de geestelijke wereld, loopt daar je bestaan af, eindigt daar als nieuw begin van een aards leven en het einde daarvan is weer het nieuwe begin in een geestelijke wereld. Hier wordt de eeuwigheid zichtbaar. En het Ik blijft daarin telkens bewaard: de eeuwige kern van de mens. Een goudsmid kan deze ring niet smeden, dat moet de mens zelf doen. De edelstenen duiden erop dat alle materie (stenen) veredeld is, getransformeerd. Nu glanst de materie in de gloed van de geest. Een mens die wil verkrijgt een universeel bewustzijn als hij daarnaar verlangt.
In de ring schept hij zichzelf en werkt zich uit het tijdelijke omhoog tot het eeuwige.
Met de bevruchting, de verwekking komen vanuit de kosmos krachten in de mens die die voor de mens zijn die vraagt en die zich wil ontwikkelen om het eeuwige te bereiken.
In het Duits zijn er twee woorden die deze processen, die zich lichamelijk en geestelijk afspelen, benoemen: ‘Zeugung’ en ‘Überzeugung’, de fysieke en geestelijke bevruchting. Mens-zijn betekent deze dualiteit van het fysieke en het geest-zielenaspect in het seksuele leven niet te scheiden (de jonkvrouw zit in de pad).

De twee oudsten bleven er nu bij de koning zo op aandringen nog een derde voorwaarde te stellen, dat hij de uitspraak deed dat wie de schoonste vrouw mee naar huis bracht, het rijk zou krijgen. Hij blies de drie veren weer de lucht in en die vlogen weer net als de vorige keren.
Toen ging de domoor regelrecht naar beneden naar de dikke pad en sprak: ‘Ik moet de schoonste vrouw mee naar huis brengen.’ -‘O,’ antwoordde de pad, ‘de schoonste vrouw! Die heb ik hier niet meteen bij de hand, maar toch zul je haar krijgen.’ Zij gaf hem een uitgeholde winterpeen, bespannen met zes muizen. Toen sprak de domoor erg treurig: ‘Wat moet ik daarmee beginnen?’ De pad antwoordde: ‘Zet er maar een van mijn padjes in.’ Toen pakte hij er op goed geluk één uit de kring en zette die in de winterpeen, maar nauwelijks zat die erin of ze werd een wonderschone jonkvrouw, de peen werd een koets en de zes muizen paarden. Toen kuste hij haar en reed in volle galop met haar naar de koning. Zijn broers kwamen ook, die hadden niet de minste moeite gedaan om een mooie vrouw te zoeken, maar de eerste de beste boerenmeid meegebracht. Toen de koning hen zag, sprak hij: ‘Het rijk behoort na mijn dood aan de jongste.’ Maar de twee oudsten zeurden de koning opnieuw aan zijn oren en zij riepen heel hard: ‘Wij kunnen niet toelaten dat de domoor koning wordt,’ en zij eisten dat diegene de voorkeur zou hebben wiens vrouw door een ring kon springen die daar middenin de zaal hing. Zij dachten: De boerenmeiden kunnen dat wel, die zijn sterk genoeg, maar die tere jonkvrouw zal zich wel doodspringen. De oude koning gaf ook nu weer toe. Eerst sprongen de twee boerenmeiden, zij kwamen weliswaar door de ring, maar zij waren zo plomp dat zij vielen en hun grove armen en benen braken. Toen sprong de schone jonkvrouw die de domoor had meegebracht en zij sprong erdoorheen zo licht als een ree, zodat er nu geen tegenspraak mogelijk was. Dus kreeg hij de kroon en hij regeerde lange tijd met grote wijsheid.

De derde opdracht is de mooiste vrouw te vinden. D.w.z. de ziel zelf. De twee oudsten brachten, toen het om de ring ging, alleen maar ringen van een boerenwagen mee, dus een Ik-bewustzijn dat zich alleen maar op het aards-wereldse richt. En nu brengen ze de eerste beste boerenmeid mee. D.w.z. zielen die al te zeer gericht zijn op het aardse, want de boer bewerkt de aarde. Deze zijn lomp en grof, behoren daarmee zelf tot het aardse en ze zijn te zwaar om zich op te richten naar iets hogers.

De domoor gaat de trap weer af. De wortel, als wsgen met zes muizen bespannen en daarin de jonge pad, is een grotesk beeld. Wilde de leraar die dit sprookje schiep erop wijzen dat de wereld van de padden grotesk kan worden wanneer deze als zielloos wordt beleefd?
De wortel is een plant die voornamelijk onder de grond groeit. De groeirichting is naar beneden, de diepte in. Het rijk van de pad is dat van de voortplanting en dat is – de naam zegt het al – verwant aan het plantenleven. Voortplanting kan zich voltrekken zoals het van nature vanzelfsprekend is bij de planten: vrij van egoïstische begeerte.
De domoor pakt de pad en zet deze in de uitgeholde, gekozen wortel: seksualiteit wordt als van nature omhuld en gedragen, dus op een onschuldig-plantaardige manier voltrokken.

De muizen huizen en woelen in de aarde.
Het volk koppelde ze uit een oude helderziendheid aan de duivel.
Jakob Grimm geeft in zijn ‘Mythologie’ veel voorbeelden.
En ook Goethe. In zijn Faust is Mefisto de heer van de muizen. Hij is de leugengeest en in de Faust wordt het steeds duidelijker dat hij de donkere macht van de verharding, de materialistische leugen is, die al het geestelijke in het niet-geestelijke, al het spirituele in het materialistische wil veranderen. Hoe duivels is dit gebied geworden! De jonkvrouwelijke ziel werd een pad. Vanuit het heldere licht van de natuurlijke, plantachtige onschuld, kwam ze terecht in het duister van driftmatige schuld. En de krachten die ‘naar boven’ leiden, naar ‘de koning’, kregen een ander aanzien, werden duivels. Ze werden muizen.
In de lichamelijke natuur van de mens werkt de intelligentie van de natuur. Wie dit beseft, kan niet ten prooi vallen aan de mefistoleugen. Het vernuft van de natuur werkt zesvoudig: zes paarden trekken omhoog.
Het stoffelijke, minerale lichaam is uit de stoffen van de aarde volgens hogere natuurwetten opgebouwd. Er kwam leven en passend bij de menselijke soort het vermogen van voortplanting, verwant aan het vegetatieve. Ook was er de aanleg voor gevoelens, die zich polair verhouden: vreugde t.o. leed, en met deze gevoelens is de mens verwant aan het dier. Wie ziet deze drievoudige intelligentie niet? Ook zie je hoe het mensenwezen méér wordt, t.o.v. het lichamelijke en het primitief beleven. Gewaarwording wordt gevoel, worden gevoelens die doordrongen kunnen worden door gedachten en kunnen de wil richting geven.
Zou de mens die dit niet ziet, niet steeds in het onzekere duister van de mefistofelische onwaarheid blijven?

Dat de muizen paarden worden, is het beeld voor de omwerking van het hele proces: de pad wordt een jonkvrouwelijke bezieling, de mooiste vrouw is gevonden, het dier is mens geworden.

En verlost uit deze toverban kan ze nu ook door de ring springen. Wat aards-instinctief was als kracht in de pad, is verheven tot kosmische bezieling in de jonkvrouw. Het dier is sterker op de aarde gericht, de mens door zijn geest meer op de kosmos.

De al te aardse zielen van de broers zijn daartoe niet in staat. Dit doel halen ze niet.

Het Zelf in de mens -de oude koning – kan de kroon overdragen.
De derde zoon, de mens van de wil, die met een zuiver hart het rijk van de padden betrad, heeft door de rijkdom van het gevoelsleven (het kleed), door het Ik-bewustzijn, dat tijdloos eeuwig is (de ring) en door de moed van het hart om te veranderen en wijs te worden het koninkrijk van het ware Ik bereikt.

1e klas sprookjes De drie veren

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2392

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/16)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

BONTEPELS

Er was eens een koning, die een vrouw had met gouden haar en zij was zo mooi, dat haars gelijke op aarde niet te vinden was. Maar het gebeurde dat zij ziek werd en toen zij voelde, dat zij weldra zou sterven, riep zij de koning en sprak: ‘Als je na mijn dood weer in het huwelijk wilt treden, neem dan iemand, die even schoon is als ik en die net zulk gouden haar heeft als ik; dat moet je mij beloven.’ Nadat de koning haar dat had beloofd, sloot zij de ogen en stierf.

De koning was lange tijd ontroostbaar en dacht er niet aan een tweede vrouw te nemen. Eindelijk spraken zijn raadslieden: ‘Het kan niet anders, de koning moet weer trouwen, zodat wij weer een koningin hebben.’ Nu werden overal heen boden uitgezonden om een bruid te zoeken, die even schoon was als de gestorven koningin. In de hele wereld was er echter geen te vinden en al had men er een gevonden, dan was er toch geen enkele met zulk gouden haar. En dus kwamen de boden onverrichter zake terug.

Nu had de koning een dochter, die even mooi was als haar gestorven moeder en ook zulk gouden haar had. Toen zij was opgegroeid, keek de koning haar eens aan en zag, dat zij in alles geleek op zijn overleden gemalin en plotseling voelde hij een hevige liefde voor haar. Toen sprak hij tot zijn raadslieden: ‘Ik wil met mijn dochter trouwen, want zij is het evenbeeld van mijn overleden vrouw en anders kan ik toch geen bruid vinden, die op haar lijkt.’ Toen de raadslieden dat hoorden, schrokken zij en spraken: ‘God heeft verboden dat een vader met zijn dochter trouwt, uit deze zonde kan niets goeds voortkomen en het rijk wordt mee in het verderf gestort.’ De dochter schrok nog meer toen zij het besluit van haar vader hoorde, maar hoopte hem nog van zijn plan af te brengen. 

Evenals bij Doornroosje duidt het begin van dit sprookje op het ‘gouden tijdperk’. Daarin was de ziel nog een eenheid, in een toestand die het sprookje ‘koningschap’ noemt. De ziel was nog omgeven door een grote glans van wijsheid. Dat was een geschenk, uit genade gekregen: zij droeg gouden haren. Maar alles is in ontwikkeling, ook aan het oeroude tijdperk komt een eind, verduistering treedt in: de koningin sterft en ‘haars gelijke was op aarde niet te vinden.’
Uit de oude ziel is een nieuwe ziel geboren – zoals de dochter uit de moeder. Zij heeft evenals haar moeder de doorlichtende spiritualiteit, in het sprookje zie je dat aan ‘het even mooi als de moeder’ en ook aan de gouden haren.
Zou de vader met de dochter trouwen, dan zou er geen ontwikkeling kunnen plaatshebben, dan zou de tijd stil blijven staan, in de oertijd van de mensheid. Maar de dochter weet dat de paradijselijke toestand niet kan blijven voortduren en dat zij haar ‘oer’vaderland moet verlaten. De weg van de mensheid gaat verder in de afdaling naar de aarde om er later uit eigen kracht weer uit op te stijgen. Het meisje kiest vrijwillig de armoede en eenzaamheid. Zo kan het Vader-Geestprincipe in de wereld weer worden gevonden.

Toen zei zij tegen hem: ‘Voordat ik uw wens vervul, moet ik eerst drie gewaden hebben, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; dan wil ik nog een mantel hebben, vervaardigd uit duizenderlei bont en huiden en elk dier uit uw rijk moet een stukje van zijn huid daarvoor afstaan.’ Zij dacht echter: zoiets is onmogelijk te krijgen en ik breng mijn vader daarmee van zijn slechte gedachten af. Maar de koning hield vol en de vaardigste jonkvrouwen in zijn rijk mochten de drie gewaden weven, één goud als de zon, één zilver als de maan, en één zo stralend als de sterren; en zijn jagers moesten alle dieren in het hele land vangen en een stuk van hun huid aftrekken; daarvan werd een mantel gemaakt van duizenderlei bontsoorten. Tenslotte liet de koning, toen alles klaar was, de mantel halen, spreidde hem voor haar uit en sprak: ‘Morgen is de bruiloft.’

Toen nu de koningsdochter zag, dat er geen hoop meer was, haar vader tot andere gedachten te brengen, besloot zij te ontvluchten. ’s Nachts, toen iedereen sliep, stond zij op en nam van haar kostbaarheden er drie mee, een gouden ring, een gouden spinnewieltje en een gouden haspeltje; de drie gewaden van zon, maan en sterren deed zij in een notendop, trok de mantel van de vele soorten bont aan en maakte haar gezicht en handen zwart met roet.

De koningsdochter wil drie gewaden hebben; die zijn zo teer dat ze ze zelf in een notendop kan doen. Het vaderlijk Zelf is in staat drie kosmische ‘omhullingen’ te geven. Als de tijd daar is, zullen ze zich ‘ontplooien’ en zal zij ze zelf uit de notendop halen.
De beelden van sprookjes en mythen zijn voor het intellect ontoegankelijk, maar wij mensen gebruiken wel beeldende woorden: in het Duits heet ‘een harde kop hebben’, ‘een harde noot hebben (eine harte Nuss); wij spreken over ‘de kersenpit’. De hersenen liggen in een schaal. Voor Paracelsus een aanwijzing dat walnoten en hersenen ‘iets’ met elkaar te maken hebben, volgens hem versterken die de hersenen; de natuur geeft overal signalen af.
In het hoofd, in de denkende grote hersenen, liggen de vermogens verborgen = de drie gewaden – die zich eens zullen kunnen ontplooien – als de tijd rijp is.
En een mantel uit allerhande pelsstukjes, komt hier nog bij.
In een sprookje zijn de dieren onze driften en instincten. En ook al is de mens als kroon op de schepping met zijn hogere wezen verwant aan de engelen, met het lagere is hij verwant aan de dieren.
De sluwheid bij de begeerte zien we in de listige vos; het paardenverstand dat beteugeld moet worden, zodat je je niet ‘vergaloppeerd’; leeuwenmoed; de koppigheid van de ezel en soms zijn domheid; het drammerige van de stier.
Van alles wat warmbloedig is en haar heeft, zit er een stukje in de mantel. De ziel kleedt zich met deze mantel en gezicht en handen worden zwart, de driftmatige natuur overheerst, de blik en het handelen verliezen de lichtkracht.

Toen beval zij zich in Gods genade aan, ging weg en liep de hele nacht door tot zij in een groot bos kwam. En omdat zij moe was, kroop zij in een holle boom en viel in slaap.
   De zon ging op, maar zij sliep door en zij sliep nog toen het al volop dag was. Nu gebeurde het, dat de koning, aan wie dit bos toebehoorde, er ging jagen. Toen zijn honden bij de boom kwamen, snuffelden ze, liepen er omheen en blaften. De koning sprak tot de jagers: ‘Ga eens kijken wat voor wild zich daar heeft verstopt.’ De jagers volgden het bevel op en toen zij terugkwamen, zeiden zij: ‘In de holle boom ligt een wonderlijk dier, zoals wij nog nooit hebben gezien: zijn huid bestaat uit duizenderlei soorten bont; maar het ligt te slapen.’ De koning sprak: ‘Probeer het levend te vangen, bind het dan op de wagen en neem het mee.’ Toen de jagers hel meisje beetpakten, werd zij verschrikt wakker en riep hun toe: ‘Ik ben een arm kind, door vader en moeder verlaten, ontferm u over mij en neem mij mee.’ Toen zeiden zij: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de keuken, kom maar mee, dan kan je de as aanvegen.’

De nacht en de dag vertegenwoordigen twee werelden: de nacht is de tijd van dromen, een mythologische tijd, de kindertijd van de mensheid; de dag is de tijd van denken, wakker en wakker geworden denken. Midden op de dag duidt op het logische verstandsdenken. De mens die in beelden leeft, slaapt in de ‘boom van de zenuwen’ in, de zenuw-zintuigmens wordt wakker. Alle rijkdom is verdwenen en bij het wakker worden klinkt: ‘Bontepels, je bent geschikt voor de leuken.’
Ze bevindt zich nu wel in het rijk van de koning die eens haar gemaal zal worden. De gemaal van de ziel is het Ik. Bontepels is vanuit de zielenwereld van het vaderzelf, in de wereld van het Ik binnengegaan, en daartoe moet ze zich verder ontwikkelen. Ze is nog arm en moet van onderop beginnen. De kenniskrachten hebben haar opgejaagd: de jagers van de koning, en die brengen haar op de plaats waar de loutering en de ontwikkeling kan beginnen.

   En zij zetten haar op de wagen en keerden terug naar het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje aan onder de trap, waar geen daglicht binnenviel en zeiden: ‘Pelsdiertje, daar kan je wonen en slapen.’ Toen werd zij naar de keuken gestuurd, droeg daar hout en water aan, stookte het vuur op, plukte het pluimvee, maakte de groente schoon, veegde de as bijeen en deed al het vuile werk.

Kijken we naar de mythe van de vogel Feniks die zich als offer verbrandt en uit de as weer opnieuw wordt geboren. Dit oeroude motief herinnert ons aan de voortdurende loutering en verandering, aan dood en opstanding. Goethe vat dit samen in de woorden:

‘Und solang du das nicht hast,
Dieses: Stirg und werde!
Bist du nur ein trüber Gast
Auf der dunklen Erde

Wel vertaald als:

Zolang je deze wijsheid niet bezit:
sterf om te worden,
ben je slechts een trieste gast,
op deze donkere aarde.

Of:

Maar zolang het je niet past
‘Sterf en leef dan!’ te aanvaarden,
Ben je maar een droeve gast.
Op de donkere aarde. –

Sterven en worden moeten plaatsvinden in het hart. Bontepels moet bij de haard zijn en de as vegen. De haard, de vuurplaats in het huis, wordt het symbool voort de warmtebron in het huis van het lichaam, voor het hart. Dien vanuit de kracht van je hart, wil het sprookje ons leren; verbrand al het lagere in de louterende vlammen, louter je in het vuur van de geestdrift en wat achterblijft, veeg dat op, waardoor de vlammen steeds kunnen oplaaien. Draag ‘hout’ aan, draag en verdraag alles wat droog en verdroogd is, ver-hout, waarin het leven is gestorven – ook de dorre gedachten zijn daarmee bedoeld. Draag ‘water’ aan: denk aan wat bij water aan woorden hoort: de bron (aanboren), het opborrelen; het ‘scheppend’ zijn; zich ‘verdiepen’, (laten) stromen, stromend leven – je zal makkelijk herkennen wat wordt bedoeld. Het betekent in de ziel, de ‘dorstende’ ziel, het ‘smachtende’ hart verkwikken door het goede, het ware en het schone.
Een Oudchinese spreuk zegt:

‘O, hoe wonderbaarlijk
Hoe mysterieus:
Ik schep water, ik draag brandhout.’

Zo leidde Bontepels lange tijd een echt armoedig bestaan. Ach, gij schone koningsdochter, wat moet er van u worden! Maar eens geschiedde het, dat er feest gevierd werd in het slot; toen zei zij tegen de kok: ‘Mag ik even naar boven om te kijken? Ik zal buiten de deur blijven staan.’ De kok antwoordde: ‘Ja, ga er maar heen, maar over een half uur moet je terug zijn om de as aan te vegen.’ Zij nam haar olielampje, ging naar haar hokje, trok de pels uit en waste het roet van haar gezicht en handen af, zodat haar volle schoonheid weer aan het licht kwam. Daarna maakte zij de noot open en haalde er haar kleed uit, dat straalde als de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij naar boven, naar het feest, en allen gingen voor haar opzij, want niemand kende haar en zij dachten niet anders dan dat zij een koningsdochter was. De koning evenwel trad haar tegemoet, reikte haar de hand, danste met haar en dacht in zijn hart: Nog nooit hebben mijn ogen zo’n mooi meisje gezien. Toen de dans ten einde was, neeg zij diep voor hem en toen de koning omkeek, was zij verdwenen en niemand wist waarheen. De schildwachten, die voor het slot stonden, werden geroepen en ondervraagd, maar niemand had haar gezien.

Nu gaat het om de ontwikkeling. Zal ze verder kunnen komen? De menselijke ziel heeft gedaan waartoe ze in staat was. Door haar volle inzet kan nu een andere kracht worden aangesproken: het Ik in de glans van zijn koningschap, de hogere mens, die zal haar tegemoet komen.
Bij Assepoester volgt de ziel die aangesproken is de oproep, in dit sprookje wordt geschilderd hoe de ziel vanuit de eigen wil en op eigen kracht, opklimt. Zij ging naar boven!, naar het feest; en terwijl Assepoester haar gewaad door de goedheid van de duif van boven krijgt, pakt Bontepels dit zelf uit de notendop. De grote hersenen zijn het orgaan voor de ontwikkeling van de wijsheid geworden. Als hij denkt, gebruikt de mens vermogens die in hem als aanleg aanwezig waren, maar nu pas door hem ontwikkeld kunnen worden: het gouden gewaad.
In de schilder- en beeldhouwkunst van de middeleeuwen wordt dit gouden gewaad weergegeven. Wat de ziel uitstraalt, die voor de helderziende mens bekend is, werd als eivormige aura afgebeeld. Als de figuur van Christus zelf in de mandorla met regenboogkleuren verschijnt – het beeld van de hoogste geest-uitstraling – betekent de gouden aura: wijsheid en werkzaamheid van de ziel. De moderne mens kan dit niet meer waarnemen. We zeggen nog wel dat deze of gene ‘een uitstraling’ heeft; iets ‘lichtends’ om zich heen.

Zij was echter naar haar hokje gesneld, had vlug har kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt, de pelsmantel om de schouders geslagen en was weer Bontepels. Toen zij nu in de keuken kwam, aan het werk wilde gaan en de as aanvegen, zei de kok: ‘Laat dat maar tot morgen en kook voor mij de soep voor de koning, ik wil boven ook eens een kijkje gaan nemen; maar laat er geen haar in vallen, anders krijg je voortaan niets meer te eten.’ De kok ging weg en Bontepels kookte de soep voor de koning en maakte een broodsoep klaar, zo lekker als zij maar kon en toen die klaar was, haalde zij uit haar hokje haar gouden ring en deed die in de schaal, waarin de soep werd opgediend. Toen het dansen was afgelopen, liet de koning de soep brengen en at die en het smaakte hem zo goed, dat hij geloofde nog nooit zo’n lekkere soep gegeten te hebben. Maar toen hij op de bodem kwam, zag hij daar een gouden ring liggen en hij kon maar niet begrijpen hoe die daarin was gekomen. Toen beval hij dat de kok bij hem moest komen. De kok schrok toen hij het bevel hoorde en zei tot Bontepels: ‘Je hebt vast een haar in de soep laten vallen; als dat zo is, krijg je een pak slaag.’ Toen hij voor de koning verscheen, vroeg deze wie de soep gekookt had? De kok antwoordde: ‘Ik heb ze gekookt.’ Maar de koning zei: ‘Dat is niet waar, want ze was op een andere manier en veel beter toebereid dan anders.’ Hij antwoordde: ‘Ik moet bekennen, dat ik ze niet heb klaargemaakt, maar het pelsdiertje.’ De koning sprak: ‘Ga haar zeggen dat zij boven moet komen.’
  Toen Bontepels kwam, vroeg de koning: ‘Wie ben je?’ – ‘Ik ben een arm kind, dat geen vader en moeder meer heeft.’ Hij vroeg verder: ‘Wat doe je in mijn slot?’ Zij antwoordde: ‘Ik deug nergens anders voor dan om laarzen naar mijn hoofd gesmeten te krijgen.’ Hij vroeg verder: ‘Waar heb je de ring vandaan, die in mijn soep lag?’ Zij antwoordde: ‘Ik weet van geen ring.’ De koning kon niets uit haar krijgen en moest haar weer laten gaan.

Voor Bontepels was het een diepe beleving, maar ze keert wel terug naar het leven van alledag, maar wel met een nieuw vermogen: ze kookt voor de koning. De kok bereidt uit de gaven van de aarde de voeding voor ons lichaam en moet weten wat hiervoor gezond en te verdragen is. Innerlijk hebben we een gave nodig die het voedsel voor ons wezen bereidt. Dit vindt in ieder mens plaats met een onbewuste zekerheid. Je kan snel onderscheiden of je stenen voor brood krijgt, of je geestelijk honger en dorst hebt. Dit nog oorspronkelijke en onbewuste handelen en onderscheiden noemt het sprookje ‘de oude kok’.
Wanneer de samenspraak tussen het vrouwelijke van de ziel en het mannelijke van de geest zo onbewust tot stand komt als hier, dan mag de ziel zelf het voedsel bereiden. In de tijd van leren en louteren heeft ze kennis verkregen en daar mag ze vol uit aanbieden (een schaal vol broodsoep). En nog meer: door de armoede van het aardse bestaan die ze verdragen heeft en overwonnen – als arm kind zonder vader en moeder – kan ze schenken wat zij als aanleg op haar weg meegenomen heeft: wat in zich gesloten is, besef van de tijdloze eeuwigheid van haar Ik, de ring. Ze legt deze in de broodsoep: het in zichzelf afgesloten Ik-bewustzijn rust in de kennis die de ziel verworven heeft (in het brood). Deze kennis is dubbel door de hartewarmte gegaan – eerst werd het brood in de warmte van de oven gebakken en, nu als broodsoep, nog een keer op het haardvuur gekookt. Dit proces kan het intellect niet bevatten: ‘Ik weet van geen ring.’
Zo’n hoge ontwikkelingstrap kan een gevaar in zich hebben. Daarom volgt de onderzoekende vraag: ‘Wie ben je?” en het deemoedige antwoord: ‘Een arm kind, zonder vader en moeder.’
Het oude, overgeleverde is ten einde, de ziel is volledig op zichzelf aangewezen. Van de ring weet ze niets. Weet de deemoed of en in hoeverre de binding aan het geestelijke al tot ontwikkeling is gekomen. Weet hebben daarvan zou hoogmoed kunnen betekenen.

Na enige tijd was er weer een feest en evenals de vorige keer vroeg Bontepels aan de kok of zij mocht gaan kijken. Hij antwoordde: ‘Ja, maar kom over een half uur terug en kook voor de koning de broodsoep die hij zo graag eet.’ Zij liep vlug naar haar hokje, waste zich snel, nam uit de noot het gewaad dat zo zilver was als de maan en trok het aan. Toen ging zij naar boven en leek wel een koningsdochter; de koning trad op haar toe en was blij dat hij haar terugzag en omdat juist de dans begon, dansten zij samen. Maar toen de dans ten einde was, verdween zij weer zo snel, dat de koning niet kon zien waar zij heenging. Zij vloog echter naar haar hokje, trok haar bontvelletjes weer aan en ging naar de keuken om de broodsoep te koken. En toen de kok boven was, haalde zij het gouden spinnewieltje en deed het in de schaal, zodat de soep daar overheen werd gegoten. Daarop werd de soep aan de koning gebracht; hij at en het smaakte hem even goed als de vorige keer. Hij liet de kok komen, die ook ditmaal moest toegeven, dat Bontepels de soep had klaargemaakt. Bontepels verscheen weer voor de koning, maar zij antwoordde, dat zij er alleen maar was om laarzen naar haar hoofd gesmeten te krijgen en dat zij niets afwist van het gouden spinnewieltje.

Nu gaat Bontepels weer naar het feest en nu met het zilveren gewaad. Terwijl het gouden gewaad op een zonnekleed lijkt en wijsheid betekent die verwarmt, leven schenkt en wekt, dus verwant is aan de zon – zonder de zon zouden we niet kunnen denken – wijst het zilveren gewaad ons erop dat het diepere van de ziel met de maan verwant is. De maan werkt in op de ritmen van het leven, zaad en kiem, wat nog niet geboren is, groeit volgens het ritme van de maan. De diep verankerde aanleg van de erfelijkheid, het aangeboren temperament, de nachtzijde van ons wezen, het hangt eveneens met de maan samen. Om deze aanleg van ons wezen te beheersen, vraagt een intensieve kracht; we moeten denkend tot wijsheid komen; het betekent een omwerking van het karakter tot in de erfelijkheid toe. Wanneer een sanguinicus grondig, een flegmaticus snel, een cholericus beheerst en een melancholicus vrolijk is geworden, heeft deze aan het zilveren gewaad gewerkt. Dit wordt ook weer uit de notendop gehaald, d.w.z. door het werken met het hoofd, door denkend inzicht gewonnen. Nu is een nieuwe trap van kennis mogelijk (een nieuwe schaal broodsoep – en daarin het gouden spinnenwieltje. Het gouden spinnenwiel – het tegenbeeld van de spintol die Doornroosje verwondt – kan nu gebracht worden. Waarom? Omdat de mens nu pas tot in de voortplantingskrachten en tot in de erfelijke aanleg veranderd is. Nu komt het niet meer op gedachte-inhoud aan, dus op wijsheid die je lerend en oefenend je eigen kan maken, maar op de eigen activiteit van het denken, de manier waarop wij de gedachten aan elkaar rijgen, spinnen. Hoe anders denkt een cholericus niet dan een flegmaticus! Het spinnen beheersen op het niveau van een meester, in het denkproces al wijsheid ontwikkelen, is het gouden spinnenwieltje, in sommige sprookjes de gouden spintol. Bontepels brengt het aan de koning: tot nog toe was het denken vrouwelijk en vanuit de ziel, nu is het subjectief-zielenproces een objectief-geestelijk proces geworden. Het denken neemt Ik-karakter aan, Modern gezegd: het bezielde denken wordt vergeestelijkt. Weer vindt de bevraging plaats en opnieuw komt uit het antwoord de deemoed naar voren.

Toen de koning voor de derde maal een feest aanrichtte, ging het niet anders dan de vorige keren. Weliswaar zei de kok: ‘Je bent een heks, pelsdiertje, je doet altijd iets in de soep, waarvan die zo lekker wordt, dat het de koning beter smaakt dan wat ik klaarmaak,’ maar omdat zij er zo om smeekte liet hij haar er voor een poosje heengaan. Nu trok zij een gewaad aan, dat straalde als de sterren en betrad daarmee de zaal. De koning danste weer met de schone jonkvrouw en vond dat zij nog nooit zo mooi was geweest. En terwijl hij met haar danste, stak hij, zonder dat zij het merkte, een gouden ring aan haar vinger en hij had bevel gegeven dat de dans flink lang moest duren. Toen die uit was, wilde hij haar bij haar handen vasthouden, maar zij rukte zich los en sprong zo vlug tussen de mensen, dat zij voor zijn ogen verdween. Zij vloog zo snel zij kon naar haar hokje onder de trap; maar omdat zij te lang, ja, meer dan een half uur was gebleven, kon zij het mooie gewaad niet meer uittrekken, wierp er alleen de pelsmantel overheen en maakte zich in de haast ook niet helemaal zwart: één vinger bleef wit. Bontepels snelde nu naar de keuken, kookte de broodsoep voor de koning en legde er toen de kok weg was, de gouden haspel in.

Nu de ziel zich door voortdurend met het hogere Ik in samenspraak te zijn, zich verbonden heeft met de geestelijke wereld, kan ze denkend de wetmatigheden van de wereld meedenken; ze is een microkosmos in de macrokosmos geworden. Ze neemt het sterrengewaad uit de noot; het is het hoogste dat de mens kan winnen. Nu is er een nieuwe omvang van denken mogelijk geworden, een derde schotel broodsoep. En de gouden haspel – als aanleg meegekregen – kan nu worden gebruikt en aangeboden.
Zoals de haspel de gesponnen draden tot garen windt en het garen een kluwen kan worden, zo kunnen ook door de eerdere ontwikkelingen de gedachtedraden ineen raken. Ze verbinden zich tot omvattende ideeën.
‘Niets verhaspelen’, zeggen we met het oog op het spreken, want de gedachten die zich in het woord uiten, zijn in de taalgeest, in de idee van de taal als op een haspel. Dit vermogen lag in de ziel; in de individuele persoonlijkheid kan de mens nu in ideeën leven (de koning krijgt de haspel).

De koning liet, toen hij de haspel op de bodem vond, Bontepels roepen. Toen ontdekte hij de witte vinger en zag de ring, die hij daar onder het dansen had aangeschoven. Toen greep hij haar hand en hield die vast en toen zij zich wilde losrukken en wegspringen, viel haar pelsmantel een beetje open en de glans van het sterrenkleed werd zichtbaar. De koning greep de mantel en rukte hem af. Daar kwam het gouden haar te voorschijn en zij stond daar in haar volle pracht en kon zich niet langer verbergen. En toen zij roet en as van haar gezicht had afgeveegd, was zij mooier dan men ooit iemand op aarde had gezien. Maar de koning sprak: ‘Jij bent mijn lieve bruid en wij scheiden nooit meer van elkaar.’ Daarop werd de bruiloft gevierd en zij leefden gelukkig tot aan hun dood.

Het sterrengewaad is een bezit geworden dat niet meer verloren gaat; daarmee kan de ziel vrijgesprolen worden van allerlei driftmatigs vanuit de natuur. de mantel met alle stukjes huid valt af. Het gouden haar, eerst nog uitdrukking van geschonken licht, wordt uitdrukking van een denken dat uit eigen kracht, eigen loutering en omvorming verkregen is, het verlichte denken. Het schouwen in dromen in het verleden, heeft plaats gemaakt voor het denkende schouwen in de toekomst: ‘Ze was zo mooi dat haar gelijke niet op de aarde te vinden was’. Zoals de blik verlicht wordt (het gezicht), zo wordt ook het handelen verlicht (de handen zijn niet meer zwart). De bruiloft wordt gevoerd, in de beeldentaal ‘de koninklijke bruiloft’. En omdat lichaam en ziel veranderd zijn, mag je deze bruiloft een chymische bruiloft noemen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is 65-grimm-bontepels-1.jpg

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2381

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/15)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.
ASSEPOESTER
.

Er was eens een rijke man wiens vrouw ziek werd en toen zij voelde dat haar einde naderde, riep zij haar enige dochtertje bij zich aan bed en sprak: ‘Lief kind, blijf vroom en goed, dan zal de goede God je altijd helpen en ik zal vanuit de hemel op je neerzien en bij je zijn.’ Daarop sloot zij haar ogen en stierf. Het meisje ging iedere dag naar het graf van haar moeder, schreide en bleef vroom en goed. Het werd winter en de sneeuw bedekte het graf met een wit laken en toen de zon dit in het voorjaar weer had weggenomen, trouwde de man met een andere vrouw.

Die vrouw bracht twee dochters mee die uiterlijk mooi en blank waren maar innerlijk lelijk en zwart. Er brak een slechte tijd aan voor het arme stiefkind. ‘Moet die domme gans bij ons in de kamer zitten?’ zeiden zij, ‘wie brood wil eten moet het verdienen; eruit met die keukenmeid.’ Zij namen haar mooie kleren weg, deden haar een oud grijs jak aan en gaven haar klompen aan de voeten. ‘Kijk eens hoe fraai onze trotse prinses uitgedost is,’ riepen ze lachend en brachten haar naar de keuken. Daar moest het meisje van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat hard werken, voor dag en dauw opstaan, water halen, het vuur aanmaken, koken en wassen. Bovendien deden de zusters al het mogelijke om haar verdriet te doen, bespotten haar en strooiden de erwten en linzen in de as, zodat zij ze weer moest gaan zitten uitzoeken, ’s Avonds als zij moe was van het werken mocht zij niet in een bed gaan slapen maar moest bij de haard in de as gaan liggen en omdat zij er daardoor altijd stoffig en vuil uitzag noemde men haar Assepoester.

De vader van Assepoester is een rijke koopman. Een koopman heeft dagelijks met het leven te maken: hij moet creatief zijn, iets durven wagen om zijn bezit veilig te stellen en nieuw bezit vergaren. Vandaag is hij rijk, morgen kan hij failliet zijn. 

De mens die de geestelijke wereld niet meer direct beleven kan, ook zijn koninklijke waardigheid niet meer heeft, wanneer alleen de rijkdom van de traditie er nog is waarvan hij de herkomst niet eens meer weet en die weliswaar wijsheidsschatten – goud – gebruikt, morgen echter arm en berooid kan zijn, lijkt op een koopman. Zijn ziel is ‘een rijke vrouw’, maar deze sterft – het beste deel van ziel trekt zich terug in een hogere wereld.

Uit oude, rijke zielenkracht, uit de niet-verbroken eenheid van het wezen is een jonge kracht geboren, de dochter.
Zij moet nog opgroeien en twijfel en vergissing leren overwinnen. Op eigen kracht moet zij het Ik vinden dat hoger staat dan het twijfelende, onzichtbare vader-zelf. Als dit toekomstige Ik-wezen meer moet worden dan een rijke vrouw, dan heeft ze nog een zware weg te gaan. Want wanneer in de mens van de traditie, de handelaar in geest, de spirituele ziel is gestorven – de ware wederhelft – komt al snel de onechte – ‘de andere vrouw’. Zij wordt de meesteres in het huis van het lichaam en is voor het echte kind een boze stiefmoeder; want ze is alleen maar op de wereld van de zintuigen gericht, houdt alleen van zichzelf en wat op haar lijkt en vervolgt het goede overal en altijd.

Haar twee dochters zijn uiterlijk mooi en blank, maar innerlijk lelijk en zwart. Met hen doen bedriegerij en schijnheiligheid hun intrede. En wat als omhulling, als aura om de wezenskern is, verarmt en komt onder invloed van boze krachten. De volheid van innerlijk bewegen en willen verdwijnt. Waar de ziel in de rijkdom van het gemoed gekleed was als in een kleurrijk gewaad, wordt het nu grijs – een oud grijs jak. Het in het leven staan ‘verhout’ – de klompen. Van ’s ochtends tot ’s avonds bedreigen deze anti-krachten haar ziel, bespotten en vernederen deze en maken haar tot keukenmeid.

Dit beeld vinden we in talrijke sprookjes: het schetst een innerlijk proces dat iedere ziel in de mensheid van het Avondland wel min of meer doormaakt.
We zagen ook al dat de vuurplaats, de haard, de belangrijkste plaats in het huis was. Daar straalde de warmte, daar was het middelpunt.
In het huis van het leven is die plaats het hart. Haard en oven kunnen in een droom het gebied van het hart symboliseren, voor zover het hart het middelpunt van de warmte is.
Een mens kan van een vurige of gloeiende oven dromen, wanneer een warme vriendschap of een brandende liefde bezit van hem heeft genomen, maar ook van een uitgedoofde, koude oven, wanneer er warme gevoelens gedoofd zijn.
Ook al krijgt de echte ziel geen ruimte meer in het innerlijk, dan is ze toch nog werkzaam in het hart en zorgt ervoor dat de vonk niet dooft.
Daar trekt zij zich terug, je kan ook zeggen: daar drijven de tegenwerkende krachten haar naartoe. Alleen in haar hart kan ze nog leven, vandaaruit kan ze nog werkzaam zijn. Alle daden en ervaringen worden in de beeldentaal vuur aanmaken, koken, water dragen, as omkeren, genoemd, kortom, ze kan alleen vuur en as dienen.

Nu ging de vader op zekere dag naar de jaarmarkt en hij vroeg aan de beide stiefdochters wat hij wel voor haar zou meebrengen. ‘Mooie kleren,’ zei de ene, ‘parels en edelstenen,’ zei de tweede. ‘Maar jij, Assepoester, wat wil jij hebben?’ ‘Vader, als u op de terugweg bent, breek dan voor mij het eerste twijgje af dat tegen uw hoed stoot.’ Hij kocht nu voor de stiefzusters mooie kleren, parels en edelstenen en op de terugweg, toen hij door een groen bosje kwam, reed hij rakelings langs een hazelaarstwijg die hem de hoed van het hoofd stootte. Die brak hij af en nam hem mee. Toen hij thuiskwam gaf hij de stiefdochters wat zij gewenst hadden en Assepoester gaf hij de hazelaarstwijg. Assepoester bedankte hem, ging naar het graf van haar moeder en plantte daar het twijgje en zij schreide daarbij zo hevig dat haar tranen het besproeiden. Het groeide echter en werd een mooie boom. Assepoester ging er iedere dag driemaal heen om eronder te zitten schreien en te bidden en telkens kwam er een wit vogeltje in de boom zitten en als zij een wens uitsprak wierp het vogeltje naar beneden wat zij gewenst had.

Uit de zonnemysteriën van Egypte stamt de mythe van de vogel Fenix die zich als een offer laat verbranden en uit de as herboren weer oprijst. Vuur en as horen bij elkaar: de as blijft bij de verbranding over. 
Wanneer het hart brandt voor een reine begeerte, een edele wilsdaad, waar het lagere in een voortdurende loutering verbrandt, ontstaat de innerlijke substantie die het sprookje ‘as’ noemt.
Loutering betekent omwerking, een voortdurend ‘Stirb und Werde’ – sterf en word. Wanneer de mensenziel dit wil volbrengen, moet zij een ‘assepoester’ worden.
De vader, de mensengeest die handelaar is geworden, is nog geen deel van dit ‘sterf en word’. Hij heeft zich met de materialistisch verharde ziel verbonden. Zijn inzicht is beperkt. Hij let niet op het lijden dat in het innerlijk van de ziel verdragen moet worden. Daarom wil Assepoester een twijgje dat onderweg op zijn reis ‘tegen zijn hoed stoot’.
Hoed en kap dekken ons vanboven af, maken een afsluitende beweging; zij zijn een beeld voor ons eigen denken, hersen-gebonden denken dat onze persoonlijke verantwoording en onze persoonlijke kennis uitmaakt.
In het Duits zijn er uitdrukkingen mee: ‘Ich nehme es auf  meine Kappe’ = mijn verantwoording; ‘da geht mir den Hut hoch’ = ik word razend;
in het Nederlands hebben we bijv. ‘dat gaat boven mijn pet’.
Iets levend, een uitlopende tak, moet tegen deze hoed stoten en dat gebeurt met een hazelaartwijg.

Bij oude boerenwijsheid hoorde om op de vier hoeken van een tuin en langs de haag hazelaarstruiken te zetten omdat deze kosmische krachten aantrekken en goed voor de aarde zijn. Hazelnoten hebben een hoge voedingswaarde, ze zijn goed voor de zenuwen en geven levenskracht. Het zal zeker een goede reden hebben dat de wichelroedelopers juist hazelaartakken gebruiken. 
De hazelaar die tegen het leven kan, die levenskracht verzamelt, werd overduidelijk het symbool van de levensboom. Hij wordt geprezen in de volksliedjes. Een twijgje behoedt je bijv.. voor  de ‘slang’.
De Keltische mythologie zegt: De salmo van de wijsheid zwemt in de donkere wateren onder de negen hazelaarbomen.
Wat moet er gebeuren wil deze innerlijke levensboom groeien en gedijen?

Wanneer de ziel herinneringen heeft aan haar moederlijke oorsprong en de verinnerlijking verzorgt door gebed, groeien in haar de levenskrachten, zoals een boom omhoog groeit. 
Subtiel wordt er op een wetmatigheid gewezen: op herhaling en ritme. Niet één keer bidden geeft de ziel genoeg kracht, maar telkens en telkens weer. 
Alle herhaling werkt op de innerlijke mens versterkend.
Wanneer je regelmatig bidt – drie keer per dag – zegt het sprookje, ontstaat er een geestelijke kracht in je die als een tweede, hogere natuur in ons tot bloei komt, die een levensboom wordt. Dan daalt de genade van pure geest op je neer, het witte vogeltje. Dit witte vogeltje is niets anders dan de duif zoals we die in de Bijbel zien.

Nu gebeurde het dat de koning een groot feest gaf dat drie dagen zou duren en waarop alle mooie jonge meisjes uit het land werden uitgenodigd, opdat zijn zoon een bruid zou kunnen kiezen. Toen de twee stiefzusters hoorden dat zij daar ook verwacht werden, waren zij opgetogen. Ze riepen Assepoester en zeiden tegen haar: ‘Kam ons haar, borstel onze schoenen en maak onze gespen vast, wij gaan naar de bruiloft in het paleis van de koning.’ Assepoester gehoorzaamde maar zij huilde, want zij was ook zo graag mee gaan dansen en zij smeekte haar stiefmoeder haar te laten gaan. ‘Jij, Assepoester,’ zei zij, ‘jij, die er zo stoffig en vuil uitziet, wil jij naar de bruiloft? Jij hebt geen kleren en geen schoenen – hoe wil jij dansen?’ Toen Assepoester echter niet ophield met smeken, zei ze tenslotte: ‘Ik heb een schotel linzen voor je door de as geschud, als je er de linzen in twee uur weer uitgezocht hebt, dan mag je mee.’ Het meisje ging door de achterdeur de tuin in en riep: ‘Tamme duifjes, tortelduifjes en alle vogeltjes onder de hemel, kom en help me linzen lezen.’

De goede in het kopje,
De slechte in het kropje.

Daar kwamen door het keukenvenster twee witte duifjes aanvliegen en daarna de tortelduifjes en tenslotte zwermden alle vogeltjes van de hemel naar binnen en streken neer om de as. En de duifjes knikten met hun kopjes en begonnen pik, pik, pik, pik en toen begonnen ook de andere pik, pik, pik, pik en zo zochten zij alle goede zaadjes uit en deden ze in de schotel. Er was nauwelijks een uur verstreken of zij waren klaar en vlogen alle weer naar buiten. Toen bracht het meisje de schotel naar haar stiefmoeder en verheugde zich want ze dacht dat zij nu mee mocht naar de bruiloft. Maar de stiefmoeder zei: ‘Nee, Assepoester, je hebt geen kleren en je kunt niet dansen en je wordt alleen maar uitgelachen.’ Maar toen het meisje begon te huilen zei ze: ‘Als je twee schotels linzen in één uur voor mi j uit de as kunt zoeken dan mag je mee,’ en zij dacht: dat kan zij toch nooit. Toen de twee schotels linzen in de as geschud waren ging het meisje door de achterdeur naar de tuin en riep: ‘Tamme duifjes, tortelduifjes en alle vogeltjes onder de hemel, kom en help mij linzen lezen.’

De goede in het kopje,
De slechte in het kropje.

Daar kwamen door het keukenvenster twee duifjes aanvliegen en daarna de tortelduifjes en tenslotte zwermden alle vogeltjes van de hemel naar binnen en streken neer om de as. En de duifjes knikten met hun kopjes en begonnen pik, pik, pik, pik en toen begonnen ook de andere pik, pik, pik, pik en zo zochten zij alle goede zaadjes uit en deden ze in de schotels. En eer er een half uur voorbij was waren zij klaar en vlogen zij alle weer naar buiten. Toen bracht het meisje de schotels verheugd naar haar stiefmoeder want zij was er zeker van dat zij nu mee mocht naar de bruiloft. Maar de stiefmoeder zei: ‘Het helpt je allemaal niets, je gaat toch niet mee, want je hebt geen kleren en je kunt niet dansen. We zouden ons voor je moeten schamen.’ Daarop keerde zij haar de rug toe en spoedde zich met haar twee trotse dochters naar het feest.

Zolang Assepoester het hazelboompje nog niet had geplant, was ze hulpeloos overgeleverd aan de aanvallen van de boze stiefzusjes. Maar ze oefende geduldig het lijden te dragen. Nu ‘groeit’ haar kracht. Ze hoort de oproep voor de koninklijke bruiloft en wil daar gehoor aan geven. Vanzelfsprekend verdubbelen de tegenkrachten nu hun inspanning. De linzen die in de as gegooid worden vormen weliswaar een hindernis, maar het zijn ook ‘zaadkorrels’. De actief geworden ziel roept nu ook hulpkracht op. Door de overwinning op de beide tegenkrachten – de twee stiefzusjes – verwerft ze twee bijzondere krachten – de twee witte duifjes. Wanneer deze neerdalen, volgen veel andere geestelijke krachten (de vogeltjes) en die brengen wat als beproeving opgelegd werd, tot een goed einde. 
De linzen worden niet alleen maar uit de as gehaald, de goede en de slechte worden onderscheiden. Er is een ontwikkelingsstap gezet: de ziel heeft leren onderscheiden, wat een echte zaadkorrel is en echt vrucht kan dragen en wat slecht is. Nu weet ze vruchtbaar van onvruchtbaar te onderscheiden. De gave van de geest neemt het onvruchtbare mee – de duiven verzamelen de slechte in hun krop. 

Nu moeten we naar de twee zussen kijken.
In de aard van de zaak kennen we ze heel goed. Want in iedere mensenziel zitten ze en iedereen moet zich op de een of andere manier met hen uiteenzetten. Zij hebben ‘mooie voeten’, d.w.z. ze leven graag op aarde en ze stellen zich positief op, maar voor de gouden schoen is bij de een de teen, bij de ander de hiel te groot. Ze leven ‘op een te grote voet’.
Vroeger zette men zijn voet bij het gaan meer van bovenaf naar breneden en daardoor liep men lichter en eleganter dan tegenwoordig. Kijk daarvoor naar vazen uit het antieke Griekenland. Kinderen hebben ook vaak nog deze gang op de tenen, ook mensen uit het Verre Oosten. Zij verslijten de schoenen meer aan de neus, minder aan de hak. En zoals men de aarde in zekere zin aan de bovenkant aanraakte, liet men minder zijn afdruk op aarde achter. Tegenwoordig is de gang zwaarder en de voet drukt meer op de grond, zelfs bij het dansen. De moderne mens zet meer af met zijn hiel, de hak. Van Fichte, de filosoof van het Ik, wordt verteld dat hij steeds zijn hakken versleet.

De voet en de schoen representeren onze verhouding tot de aarde. Doordringen we het aardse slechts oppervlakkig, dan zijn we niet aards. Zijn we er te intens mee verbonden, zijn we aards. De onaardse ziel onttrekt zich graag aan de plichten van alledag. Ze maakt zich daar graag van los en zweeft naar een hogere wereld, maar niet naar een wereld van spiritualiteit, maar naar een ingebeelde schijnwereld (op de tenen lopen). Ze denkt ‘iets beters te zijn’, is arrogant, ijdel en trots en drijft de mensen in een roes, in een illusie, in een lege waan. De hoogste leider van deze geweldige tegenkrachten die de mens in het Paradijs al tot grootheidswaan opriep, zich gelijk te stellen aan God: Lucifer (= de rode duivel).
De andere, de zuster die naar de aarde zoekt, van wie de hiel voor de gouden schoen te groot is, is degene die te zwaar aan de materie hangt. Zij kan voor het hogere niet enthousiast worden, leeft in de lagere regionen van het bestaan en zoekt het aards gewin. 
Dat verhardt de mens en maakt hem sclerotisch en verlamt zijn elan. Alleen wat de zintuigen waarnemen, is de waarheid. De hoogste leider is door en door een leugengeest, die in de Bijbel Satan genoemd wordt (de zwarte duivel). Uit de Oudperzische cultuur stamt de naam ‘Ahriman’. 
Sinds spirituele waarheden niet meer onderkend worden, heeft men van de twee duivelse krachten er één gemaakt. In werkelijkheid heeft de wereld met twee elkaar tegengestelde kwade krachten te maken. 
In veel zieleneigenschappen kun je de polariteit van het kwade herkennen en vanzelfsprekend ook het noodzakelijk goede midden:

eerzuchtig                       ijverig                           lui
overgevoelig                   harmonieus                 afgestompt
zweverig                          geaard                           materialistisch
hoogmoedig                   bescheiden                   slaafs
uitbundig                        gevoelvol                      gevoelsarm
verkwistend                   matig                             gierig
overmoedig                    moedig                          laf
besluiteloos                   standvastig                    star

Tussen beide extremen moet de mens zijn weg vinden, niet zozeer door ze te bestrijden, dan wel door met de kracht van het midden aan zichzelf te werken en ze te louteren. Uit de ambivalentie van de driften moet hij er het beste van maken door ze te harmoniseren. 

Assepoester heeft haar midden gevonden. De overwinning op het tweevoudig kwaad bracht haar tweevoudige kracht – de beide witte duiven. Zij komen opnieuw wanneer de echte bruid wordt aangekondigd.

Toen er niemand meer in huis was, ging Assepoester naar het graf van haar moeder onder de hazelaar en riep:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer.’

Toen wierp de vogel een gewaad van goud en zilver naar beneden, en muiltjes die met zijde en zilver bestikt waren. Vlug trok Assepoester alles aan en ging naar het bruiloftsfeest. Haar zusters en haar stiefmoeder herkenden haar echter niet en dachten dat zij een vreemde koningsdochter was, zo mooi zag zij er uit in haar gouden gewaad. Aan Assepoester dachten zij helemaal niet, want die zat immers thuis in het vuil, linzen uit de as te zoeken. De koningszoon kwam haar tegemoet, nam haar bij de hand en danste met haar. Hij wilde verder met niemand dansen; hij liet haar hand niet los en als iemand anders haar ten dans kwam vragen, zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’

Nu wordt de ziel daadkrachtig, zij wil tegen iedere prijs aan de roep van de koning gehoor geven. 
Het sprookje doet ons hier denken aan het Evangelie van Mattheus 22:
Met het Rijk der hemelen is het alsof een mens, een koning, voor zijn zoon het bruiloftskleed bereidde’
En daar, maar ook hier komt het op het koninklijk gewaad aan.

Goud en zilver werden in de alchemie van de middeleeuwen als behorend bij de zon en de maan gezien; men wist: wanneer de ziel door innerlijke activiteit geestelijker wordt, dan verandert de aura. Het eeuwige dat tijdeloos is, is lichtend om haar heen en de ziener beleefde dat als zonneglans.
Middeleeuwse schilders en beeldhouwers beeldden deze gouden aura, de krans of ovalen stralenaura om het hoofd of de gestalte van heiligen af: de heiligenschijn. Een beeld daarvan kunnen ook de gouden kronen of de voorhoofdsbanden zijn. Is goud het symbool van de zonnewijsheid, zilver is het symbool van de maanachtige overgave, ontvankelijkheid. Sol is mannelijk, Luna is vrouwelijk. ‘Werp goud en zilver over mij heen’: geef mij geestelijke activiteit en de overgave van de ziel!

De houten klomp wordt uitgetrokken en het schoentje van zijde en zilver siert de voet: tegenover het aardse staat nu de kracht te veranderen (zijde) en bereidheid tot overgave (zilver). Die eigenschappen dringen tot de koning door.

In het Evangelie roept de wereld-vader de mensheidsziel op tot het huwelijk met de wereldzoon. 
Het sprookje schetst hetzelfde voor het menselijk innerlijk leven. De mens heeft deel aan dit goddelijke vader- en zoonprincipe. Wanneer de ziel kan zeggen: Niet Ik, maar de Christus in mij, komt in de plaats van het lagere, in het lichaam werkende Ik, het hogere geestelijke. Dit onegoïstische, liefhebbende, eeuwige Ik is de koningszoon, de bruidegom van de zielenbruid. Hij is het eeuwig-mannelijke, dat in het huwelijk treedt met het eeuwig vrouwelijke. Deze ontmoeting moet overdag plaatsvinden, d.w.z. in wat overdag actief is. En wel zo, dat de koningszoon kan zeggen: ‘Zij danst alleen met mij!’ In ritme en harmonie moet het Ik de aarde begrijpen, de aarde loslaten, in de zwaarte en de lichtheid van het lot, d.w.z. de koninklijke kunst beheersen om het leven te even.

Zij danste tot het avond werd en toen wilde zij naar huis gaan. De koningszoon sprak echter: ‘Ik ga mee, ik zal je thuisbrengen,’ want hij wilde weten waar dit mooie meisje thuishoorde. Zij ontglipte hem echter en klom in de duiventil. Nu wachtte de koningszoon tot de vader kwam en zei tegen hem dat het onbekende meisje in de duiventil was geklommen. De oude dacht: Zou het Assepoester zijn? Hij liet een bijl en een houweel halen om de duiventil stuk te slaan maar er was niemand in. Toen zij thuiskwamen lag Assepoester in haar vuile kleren in de as en een walmend olielampje brandde in de schoorsteen, want Assepoester was vliegensvlug aan de achterkant van de duiventil naar beneden gesprongen en naar de hazelaar gehold. Daar had zij haar mooie kleren uitgetrokken en ze op het graf neergelegd. De vogel had ze weer meegenomen en daarna was zij in haar grauwe jakje in de keuken bij de as gaan zitten.
De volgende dag begon het feest opnieuw. Toen haar ouders en stiefzusters vertrokken waren, ging Assepoester naar de hazelaar en zei:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer’.

Nu wierp de vogel een nog prachtiger gewaad naar beneden dan de vorige dag. En toen zij in dit gewaad op het bruiloftsfeest verscheen, was iedereen verbaasd over haar schoonheid, maar de koningszoon had op haar gewacht, nam haar meteen bij de hand en danste alleen met haar. Als er anderen kwamen om haar ten dans te vragen zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’ Toen de avond viel wilde Assepoester weggaan, maar de koningszoon ging haar achterna, want hij wilde weten welk huis zij binnenging. Zij ontglipte hem echter en holde hard van hem weg, de tuin in achter het huis. Daar stond een mooie grote boom waar de verrukkelijkste peren aan hingen. Zo behendig als een eekhoorntje klom zij tussen de takken en de koningszoon wist niet waar zij gebleven was. Hij wachtte tot de vader kwam en zei tegen hem: ‘Het onbekende meisje is mij ontglipt, ik geloof dat zij in de perenboom is geklommen.’ De vader dacht: Zou het Assepoester zijn? Hij liet een bijl halen en hakte de boom om, maar er zat niemand in. Toen zij in de keuken kwamen lag Assepoester daar in de as zoals altijd, want zij was aan de andere kant uit de boom naar beneden gesprongen, had haar mooie kleren aan de vogel in de hazelaar gebracht en haar grijze jakje weer aangetrokken.
Op de derde dag ging Assepoester, toen haar ouders en zusters weg waren, weer naar het graf van haar moeder en zei tegen het boompje:

‘Boompje, schud je heen en weer,
Werp goud en zilver op mij neer.’

Nu wierp de vogel een gewaad naar beneden, zo prachtig en glanzend als geen van de vorige nog geweest was. En de muiltjes waren helemaal van goud. Toen zij in dit gewaad op het bruiloftsfeest kwam was iedereen sprakeloos van verbazing. De koningszoon danste alleen met haar en als er iemand haar ten dans kwam vragen zei hij: ‘Zij danst alleen met mij.’
Toen het avond werd wilde Assepoester weggaan. De koningszoon wilde haar thuisbrengen maar zij ontglipte hem zo snel dat hij haar niet kon inhalen. Maar hij had een list bedacht. Hij had de hele trap met pek laten bestrijken en toen het meisje naar beneden snelde, bleef haar linker muiltje eraan vastkleven. De koningszoon nam het op en zie, het was klein en sierlijk en helemaal van goud. De volgende dag ging hij ermee naar de man en zei: ‘Geen andere zal mijn gemalin worden dan diegene wie deze gouden schoen past.’

De beelden van de duiventil en de perenboom worden in veel jeugduitgaven van het sprookje weggelaten en dat terwijl ze de kroon op het hele verhaal zijn, want wat zou het gouden muiltje zijn zonder duiventil en perenboom.
Het Duits heeft als uitdrukking: ‘Bei dem geht es zu wie in einem Taubenschlag’, en daarmee wordt iemand bedoeld die veel te veel afwisselende gedachten heeft, misschien wel spirituele invallen, maar zonder structuur, want zijn hoofd lijkt een duiventil.
Als je naar een perenboom kijkt met al zijn vruchten zoals de middeleeuwer, voor wie de natuur nog sprak, kan je dit beeld makkelijk herkennen. Zoals de peer op een druppel lijkt en in pure zoetheid wegvloeit, wegsmelt, zo lijkt de hele boom te druppelen, een bron. Het sprookje zegt: die boom staat in de tuin.
Onze voorouders noemden de sfeer van het gevoel ‘midgard’, de middenmens. De perenboom is een speciaal beeld van de ‘zenuwboom’ in het gebied van het gevoel.
Maar ook de middensfeer is slechts een doorgang, zoals het hoofd. De opdracht van de ziel op dat ogenblik is: terug in het grijze kleed, in de as, totdat de vervolmaking bereikt is. 
Nu begint het oude Zelf, de koopman, wakker te worden. ‘Zou dat Assepoester zijn’? En hij hakt de duiventil en de perenboom om, om de koningszoon ter wille te zijn. 
Maar het denken (de duiventil) en het voelen (de perenboom) kunnen voor de langere duur niet de woonplaats vormen. Hier zal de koningszoon Assepoester dan ook niet vinden. Als hij haar in de duiventil had gevonden, dan was er wel wat geest in het hoofd geweest, maar meer niet. Had hij haar in de perenboom gevonden, dan was ook de volle menselijkheid niet bereikt, alleen maar de uitbundige rijkdom van het gevoelsleven. Pas als de mens in de wil komt, vanuit zijn wil handelt en werkt, is de vervolmaking bereikt. Deze wil is het gouden spoor waarlangs de koningszoon de bruid vindt; de schoen is de maatstaf! Waar in het leven en het lot wijsheid heerst, waar onze opdracht op aarde gewenst is, daar past de gouden schoen.

De beide zusters verheugden zich zeer want zij hadden mooie voeten. De oudste ging de kamer in om te passen en haar moeder stond erbij. Maar zij kon er met haar grote teen niet inkomen en de schoen was te klein. Toen gaf haar moeder haar een mes en zei: ‘Snij je grote teen af – als je eenmaal koningin bent, behoef je toch niet meer te lopen.’ Het meisje sneed haar teen af, wrong haar voet in de schoen, verbeet de pijn en ging naar buiten naar de koningszoon. Hij nam haar als zijn bruid bij zich op het paard en reed met haar weg. Zij moesten echter langs het graf waar de twee duifjes in de hazelaar zaten. Die riepen:

‘Roekoe, roekoe,
Bloed in de schoen.
De schoen is te klein, dat is niet pluis
De ware bruid, die zit nog thuis.

Hij keek naar haar voet en zag hoe het bloed eruit vloeide. Hij wendde zijn paard en bracht de valse bruid weer terug en zei dat dit niet de ware was en dat de andere zuster de schoen maar eens moest aantrekken. Deze ging de kamer in en hoewel haar tenen er heel gemakkelijk ingleden, was haar hiel te groot. Toen gaf haar moeder haar een mes en zei: ‘Snij een stuk van je hiel af, als je eenmaal koningin bent, behoefje toch niet meer te lopen.’ Het meisje sneed een stuk van haar hiel af, wrong haar voet in de schoen, verbeet de pijn en ging naar buiten naar de koningszoon. Hij nam haar als zijn bruid bij zich op het paard en reed met haar weg. Toen zij langs de hazelaar kwamen riepen de twee duifjes die daarin zaten:

‘Roekoe, roekoe,
Bloed in de schoen.
De schoen is te klein, dat is niet pluis
De ware bruid, die zit nog thuis.

Hij keek naar haar voet en zag dat het bloed uit haar schoen vloeide en rood optrok in haar witte kousen. Hij wendde zijn paard en bracht de valse bruid weer naar huis.

Wie zoals de beide zusters gelooft dat je de maatstaf voor een volmaakte levensweg snel kan aanpassen door in zweverigheid of materialisme het mes te zetten, wordt door de geestesduif veroordeeld. Bloed in de schoen. Geweld trekt bloed aan.

‘Dit is ook de ware niet,’ zei hij, ‘hebt u niet nog een dochter?’ – ‘Neen,’ zei de man, ‘alleen is er nog een klein vuil Assepoestertje van mijn overleden vrouw, maar dat kan onmogelijk de bruid zijn.’ De koningszoon zei dat hij haar naar boven moest sturen, maar toen zei de moeder: ‘Och nee, die is veel te vuil, die kan zich niet vertonen.’ Maar hij stond erop en Assepoester werd geroepen. Zij waste eerst haar handen en haar gezicht en toen ging zij naar de koningszoon en boog voor hem. Daarop gaf hij haar de gouden schoen. Toen ging zij op een krukje zitten, trok haar voet uit de zware klomp en gleed in het muiltje en het zat als gegoten. En toen zij zich oprichtte en de koningszoon haar in het gelaat keek herkende hij het mooie meisje waarmee hij gedanst had. Hij riep: ‘Dit is de ware bruid!’ De stiefmoeder en de beide zusters schrokken en werden bleek van ergernis. Maar hij nam Assepoester bij zich op het paard en reed met haar weg. Toen zij langs de hazelaar kwamen, riepen de twee witte duifjes:

‘Roekoe, roekoe,
Geen bloed in de schoen.
Het schoentje past, zo is het juist,
Hij brengt de ware bruid naar huis.’

En toen zij dat hadden geroepen kwamen zij allebei aanvliegen en gingen op Assepoesters schouders zitten, de een rechts en de ander links, en daar bleven zij.

Wanneer de beide tegenmachten door onophoudelijke zelfopvoeding overwonnen zijn, wordt de mens voortdurend genade deelachtig (de duiven gaan op de schouders van Assepoester zitten.

Toen nu de bruiloft met de koningszoon gevierd zou worden wilden de beide valse zusters bij Assepoester in het gevlij komen en delen in haar geluk. Bij het ter kerke gaan van de bruidsstoet liep de oudste aan haar rechterzijde en de jongste links. Toen pikten de duifjes ieder een oog uit. Bij het uitgaan van de kerk liep de oudste links en de jongste rechts en toen pikten de duifjes ieder het andere oog uit. En zo werden ze voor hun boosheid en valsheid voor het leven met blindheid gestraft.

Wanneer de beide tegenkrachten nog een laatste poging doen, bij het ter kerke gaan, roepen ze beiden de gevolgen van hun huichelarij over zich af: ze verliezen voor altijd het zicht, kunnen niets meer helder zien, zijn ‘met blindheid geslagen’. De geestesduif heeft ze berecht. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 21-grimm-assepoester-3.jpg

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2373

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Star Wars

.

.
Hoezo – vrijeschool en Star Wars…..?

Zoals bekend krijgen de vrijeschoolkinderen gedurende hun schooltijd veel (‘klassieke’) verhalen te horen:
sprookjes, fabels en legenden, verhalen uit het Oude Testament, Germaanse, Griekse en Romeinse mythologie overgaand in geschiedenis; verhalen over ontdekkingsreizigers en biografieën.
Vooral in de sprookjes tot de mythologieën hebben we te maken met ‘beelden’. Dat zijn niet alleen maar ‘leuke fantasie-verhalen – maar die staan ergens voor. Voorbeelden op deze blog o.a. bij sprookjes 

De ‘honger’ naar beelden is enorm, van klein naar groot, van jong tot oud.

Het hoeft ook niet te verbazen dat sommige vrijeschoolleerkrachten zich intensief met deze beelden bezighouden om hun achtergronden en betekenis te leren kennen. Dat gebeurde in het verleden al, maar ook in deze tijd.
Zo onderzocht leerkracht Frans Lutters de beelden in de immens populaire Harry Potter boeken en de antroposoof Lieven Debrouwere onderwierp de film ‘Basis Instinct‘ aan een onderzoek met verrassende uitkomsten.

Nu is er ook vanuit antroposofische gezichtspunten wat te melden over ‘Star Wars’.
Veel kinderen – ook die naar de vrijeschool gaan – zien ‘Star Wars’. Wat zien ze daar. Daar mag je je als leerkracht toch wel voor interesseren?
.

Ingo Hoppe, Motief nr. 210 maart 2017
.

STAR WARS EN ANTROPOSOFIE

Er komt geen einde aan Star Wars. De film geldt als het succesvolste project in de filmgeschiedenis en Walt Disney zorgt ervoor dat dat zo blijft. Geen andere filmsaga houdt de mensheid zo in zijn ban. En dat al veertig jaar in de vorm van film, strips, games, speelgoed en merchandising. Nieuwe aanwijzingen lijken aan te tonen dat bij deze ongekende fascinatie ook invloeden van antroposofische zijde meespelen.

Wie het geheim van de succesvolle en schietgrage ruimtesaga Star Wars wil ontsleutelen, moet zich, zeggen deskundigen, net zo uitvoerig als zijn schepper George Lucas in mythologie verdiepen. Unaniem zeggen stemmen dat vooral Joseph Campbell, die geldt als de belangrijkste onderzoeker van mythen in de twintigste eeuw, invloed heeft op zijn filmcreatie. Minder bekend is dat ook Rudolf Steiners antroposofie een grote invloed op Lucas’ filmcreatie uitoefende. Al langere tijd worden er toespelingen gemaakt dat Lucas zich in het geheim door Steiner heeft laten inspireren. Nu krijgt het gerucht van onverwachte zijde bevestiging.

Het is geen geheim dat Lucas’ kinderen op de vrijeschool zaten en hij vrijeschoolonderwijs actief ondersteunde, onder meer als royale sponsor van de vrijeschoolopleiding in Sacramento. Ook wordt uit betrouwbare bron bericht dat hij zich intensief met Steiners boeken bezighield. Hij nam deel aan de zogenaamde ‘Raphaelkring’, waar hij volgens een bericht van een aanwezige levendig meedeed aan de discussie over antroposofische onderwerpen.[1] Opmerkelijk zijn de nieuwe onthullingen van de Amerikaanse professor voor vrijeschoolpedagogie Douglas Gabriel. Hij beweert in een schriftelijke verklaring en in een interview zelf actief aan het draaiboek van de eerste Star Wars-film te hebben meegewerkt, en wel in het kader van een driedaagse denktank op uitnodiging van Marcia Lucas, de toenmalige vrouw van George Lucas. Zij blijkt een tot nu toe onderschatte rol bij de productie van de eerste Star Wars-films te hebben gespeeld, zoals nieuwe biografische onderzoeken aantonen. Zij deed bij de eerste Star Wars niet alleen de montage, waarvoor zij een Oscar kreeg, maar was blijkbaar ook bij het maken van het draaiboek en bij de regievoering doorslaggevend betrokken. Mark Hamill, een van de hoofdrolspelers in Star Wars (als Luke Skywalker, red.), herinnert zich: “Zij was werkelijk het hart en de innerlijke warmte van deze film”.[2]

De bekende antroposoof en acteur Werner Glass, die veelvuldig omgang had met regisseurs en producenten, was degene die de genoemde denktank organiseerde. Hij leidde deze in met de woorden: “Marcia is bekend met de antroposofie en het werk van Rudolf Steiner en heeft onze hulp nodig bij het maken van het draaiboek (,..)”.[3] Er laten zich parallellen vinden tussen Star Wars en Campbells bevindingen, vooral wat betreft zijn theorie van de ‘held’, waarvan het wezen zich in vrijwel alle mythen op een en dezelfde kernformule laat terugvoeren, namelijk: scheiding – inwijding – terugkeer.[4] Deze en soortgelijke onderzoeksresultaten zijn echter ook uit de antroposofie af te leiden en bevatten bovendien slechts voor een klein deel de totale dramatiek van Star Wars.

De mythe van onze tijd

Er zou een dik boek nodig zijn om in detail aan te geven of en in hoeverre Steiners spirituele kosmos in Lucas virtuele ruimtedrama is terug te vinden. Sommige filosofen zijn al warm. Zij zeggen dat Star Wars in wezen de mythe van onze tijd is, zoals het luidt in een recente speciale uitgave van het Duitse tijdschrift Philosophie Magazine.[5] In de vorm van moderne mythologische beelden wordt hier het drama van de tegenwoordige tijd op het bioscoopdoek getoond. Het gaat daarbij niet slechts om het herkauwen van antieke mythen uit de verzameldoos van Campbell, maar om de schepping van een nieuwe mythe. Dat past in zoverre bij de antroposofie, dat ook die in zeker opzicht als een ‘nieuwe mythe’ kan worden aangemerkt. Ook zij beschrijft de uiterlijke gebeurtenissen als uitdrukking van het werken van geestelijke wezens. Steiner herhaalde meermaals de opdracht van de antroposofie om in de huidige tijd de mythen- en mysteriecultuur van de Oudheid op hedendaagse wijze opnieuw te laten ontstaan. Net als in antieke mythen houdt ook zij planetennamen als Jupiter of Saturnus tegelijk voor namen van goden. ‘Oorlog van de sterren’ (Star Wars) betekent in deze zin hetzelfde als ‘oorlog van de goden’. De goden strijden tegen elkaar, niet de sterren zelf, die alleen hun verblijfplaats vormen.

In Star Wars zijn het de bovenmenselijke fantasy-wezens als Jabba de Hut op de hete woestijnplaneet ‘Tatooine’ of zijn tegenpool Darth Vader op de koude machineplaneet Death Star (doodsster). “Darth Vader is een wezen dat wij Ahriman noemen”, verklaart Gabriel.[6]  Inderdaad toont deze donkere figuur in Star Wars sterke gelijkenis met die geest van de verharding, die Steiner in aansluiting op de oude Perzische mythologie Ahriman noemde. Overeenkomstig kan Jabba met de Lucifer uit de antroposofie worden geïdentificeerd.

Deze polariteit van het Kwaad, vertegenwoordigd door Jabba en Darth Vader, komt tot in vele details met Steiners beschrijvingen van Lucifer en Ahriman overeen. Jabba is zacht, opgeblazen en dik. De rode kleuren – de kleuren van Lucifer – domineren. En niet alleen zijn begeertes, maar ook de temperaturen van zijn behuizing zijn steeds vurig en heet. Ook suist hij graag met een luchtig ruimtevoertuig door de woestijnwind, steeds in party-stemming en altijd de grootste. Vader daarentegen, hard en sklerotisch, werkt eerder depressief, zijn bewegingen zijn stijf en schokkerig. Hij woont niet alleen op een koude machineplaneet, maar heeft ook een ijskoud hart in de borst, zijn trekken zijn verstard tot een ijzige machinegrimas. De slijmerige Jabba is hiertegenover de perfecte verbeelding van luciferische lustbegeertes, hij huist in een smoezelig lasterhol en lacht ook graag galmend. Controlfreak Vader op zijn beurt begrijpt plezier niet. Verwaand en machtbelust beheerst hij zijn troosteloze doodsster, die angst en schrik in de kosmos verspreidt.

Zwaard en monnikspij

Het centrale streven van de helden bij deze polariteit van het kwaad is het voortdurende gevecht om het evenwicht tussen Lucifer en Ahriman. In de eerste Star War-films is het vooral aankomend Jedi-ridder Luke Skywalker die dit gevecht vertegenwoordigt. Hij is noch koud en berekenend zoals Vader, noch genotzuchtig zoals Jabba. Het hier tot verschijning komende middelste principe noemde Steiner de ‘mensheidsrepresentant’ of ook ‘Christus’. Aan hem wordt de harmonische balans tussen de extremen duidelijk. Als zonneheld moet Luke beide eenzijdigheden in zichzelf overwinnen en met elkaar verzoenen. In de film komt dit tot uitdrukking doordat Luke zowel Jabba als Vader tegemoet treedt. Twee gevechten, die echter niet met dezelfde wapens kunnen worden gevoerd. “Er is maar een macht”, legde Steiner uit, “waarvoor Lucifer terugschrikt: dat is de moraliteit. Dat is iets dat bij Lucifer brandt als het verschrikkelijkste vuur. En er is geen ander middel dat Ahriman tegenwerkt dan aan de geesteswetenschap geschoolde oordeelskracht en oordeelsvermogen.”[7] Star Wars geeft beeldend uiting aan deze constellatie: in Jabba’s lasterhol verschijnt Luke in monniksgewaad, als een symbool voor moraliteit. Tegen Darth Vader strijdt hij daarentegen met een lichtzwaard, als een zinnebeeld voor denkend ‘oordeelsvermogen’. Met messcherp verstand scheidt hij snijdend juiste van valse begrippen en verlicht met het ‘licht van de rede’ de duisternis van Ahriman.

Het positieve motief van het lichtzwaard, dat door Star Wars wereldberoemd werd, is volgens Gabriel ook uit de antroposofie afkomstig. Het is van oudsher in vrijeschoolkringen bekend. Ook Lucas zal het daarvan kennen, bijvoorbeeld wanneer zijn kinderen in de herfst, naar aanleiding van het Michaëlfeest, schoolschriften mee naar huis brachten met daarin het stralen-zwaard van ridder joris. In het zogeheten ‘jaarfeestenboek’, dat in vrijeschoolkringen wordt gebruikt bij het vieren van jaarfeesten, draagt een sprookje zelfs de titel ‘Het lichtzwaard’. De auteurs hebben het gecreëerd, op basis van hun kennis van de antroposofische achtergrond, naar motieven uit oude Michaëlslegenden. De wortels van het lichtzwaardsymbool liggen trouwens in de oude Keltische mythologie. De antroposofie kent haar grote waarde toe, omdat zij in een innig verband staat met het esoterische christendom. Dit verklaart diverse overeenkomsten van Star Wars met het Keltendom: de in Star Wars VII genoemde Jedi-tempel bevindt zich bijvoorbeeld in een landschap dat Keltisch aandoet. En de naam van Star Wars-held ‘Luke’ komt opvallend overeen met een centrale heldenfiguur uit de Keltische mythologie met de naam ‘Lugh’. Ook deze krijgt, net als Luke, door zijn meester een lichtzwaard geschonken.

Jedi-ridder en Michaëlstrijder

In Star Wars heten degenen die met vuurzwaarden tegen Darth Vader, alias Ahriman, strijden, Jedi-ridders. De antroposofie noemt hen michaëlieten – mensen met het vermogen tot zelfstandige oordeelskracht. De strijd van de michaëlieten met Ahriman die Star Wars toont, komt vanuit antroposofisch gezichtspunt sterk overeen met wat zich tegenwoordig in onze maatschappij afspeelt. Materialisme, globale machtspolitiek en totale mechanisering zijn vanuit deze visie slechts facetten van hetzelfde ahrimanische principe. Daar gaan de michaëlieten tegenin, die het lichtzwaard van het vrije denken gebruiken om het machtssysteem van Ahriman terug te dringen. De spiritualisering van het denken overwint de eenzijdigheid van het materialistische denkmodel. Steiner voorzag voor onze tijd een grote strijd tegen Ahriman en zijn scharen, die onder meer om de macht over de intelligentie gevoerd zal worden. De kosmologie van Steiner schildert het wezen van de intelligentie als een kosmische substantie, die oorspronkelijk door de zonnegod Michaël werd beheerd. Met de triomftocht van het materialisme wordt deze meer en meer ingepikt door Ahrimans klauwen. Star Wars is niet in de laatste plaats een moderne mythe, doordat het deze imaginatie en de daarmee verbonden incarnatie van Ahriman als filmbeeld ten tonele voert.

De visualisering van deze (en veel andere) antroposofische ideeën in Star Wars laat scherpe vragen rijzen naar de culturele en spirituele betekenis van dit fenomeen. In brede kring bestaat blijkbaar een sterke onbewuste interesse voor spirituele ideeën en nieuwe mythologische imaginaties. Steiner zag het werken aan een actuele mythen- en mysteriecultuur als een vraag van de huidige tijd. In plaats daarvan werd de uiterlijke cultuur steeds sterker materialistisch, leeg en fantasieloos. Daardoor blijft veel mensen weinig anders meer over dan zich in virtuele fantasy-werelden te begeven, die overal (en niet alleen in Star Wars) vol verstopte mysteriebeelden zitten. Hoe zouden zij anders hun honger naar spirituele beelden moeten stillen? Door de antroposofie? Dit zou alleen mogelijk zijn wanneer het werkelijk lukte om een mysteriecultuur op te bouwen. Waar dat niet gebeurt, zal geen enkele, nog zo goed gemeende reden mensen ervan afhouden hun weliswaar vermakelijke, maar niet helemaal ongevaarlijke reis in virtuele werelden voort te zetten.

1 Beschreven in een ingezonden brief van Gabrielle Charren in lnfo3 van november 1999.
2 The Secret History of Star Wars, http://fd.noneinc.com/secrethistoryofstar-warscom/secrethistoryofstarwa rs.com/marcialucas.html.
3 http://cosmicconvergence.org.
4 Joseph Campbell, Der Heros in tausend Gestalten, 2011 Berlijn.
5 Philosophie Magazin, november 2015, Berlijn.
6 Douglas Gabriel, http://cosmicconvergence.org
7 Rudolf Steiner, Die Offenbarung des Karma, GA 120, blz. 139.
Vertaald

.

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle artikelen

2369

.

.

.

Wat vind je op deze blog

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/13)

.

 

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

De Bremer stadsmuzikanten

Een man had een ezel, die al jaren lang onverdroten de zakken naar de molen had gedragen maar wiens krachten nu begonnen af te nemen, zodat hij steeds ongeschikter voor zijn werk werd. Toen dacht zijn meester erover hem maar weg te doen om hem niet langer in de kost te hebben; maar de ezel kreeg in de gaten, dat de wind in de verkeerde hoek zat, smeerde ’m en ging op weg naar Bremen. Daar, zo meende hij, kon hij wel stadsmuzikant worden. Toen hij een poosje gelopen had, trof hij op de weg een jachthond aan die lag te hijgen als iemand die moe is van het harde lopen. ‘Wat lig jij daar zo te hijgen, Pak-aan,’ vroeg de ezel. ‘Ach,’ zei de hond, ‘omdat ik oud ben en met de dag zwakker word en ook op jacht niet goed meer mee kan komen, heeft mijn meester mij willen doodslaan en toen heb ik de benen genomen; maar waarmee kan ik nu mijn brood verdienen?’ – ‘Weet je wat,’ sprak de ezel, ‘ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel op de luit en jij slaat op de pauken.’ De hond vond dat best en zij trokken verder. Het duurde niet lang of zij zagen een kat langs de weg zitten die een gezicht trok als drie dagen slecht weer. ‘Wat zit jou zo dwars, ouwe snorrepoetser?’ sprak de ezel. ‘Wie kan er nu vrolijk zijn als zijn leven op het spel staat?’ antwoordde de kat. ‘Omdat ik een jaartje ouder word, mijn tanden stomp worden en ik liever achter de kachel zit te spinnen dan op muizenjacht ga, heeft mijn meesteres mij willen verdrinken; ik heb mij weliswaar nog uit de voeten kunnen maken, maar nu is goede raad duur: Waar moet ik heen?’ – ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken? Nu, daar kun je stadsmuzikant worden.’ De kat vond dat wel een goed idee en ging mee. Daarop kwamen de drie voortvluchtigen langs een hofstede en daar zat op het hek de hofhaan te kraaien alsof zijn leven er vanaf hing. ‘Jij kraait dat het iemand door merg en been gaat,’ sprak de ezel, ‘wat is er met jou aan de hand?’ – ‘Nu heb ik mooi weer voorspeld,’ sprak de haan, ‘omdat het vandaag Onze-Lieve-Vrouwe-dag is, de dag waarop zij de hemdjes van het Christuskindje gewassen heeft en die wil drogen; maar omdat er morgen voor de zondag gasten komen, heeft de vrouw des huizes toch geen erbarmen en zij heeft tegen de keukenmeid gezegd, dat zij mij morgen in de soep wil hebben en nu moet ik mij vanavond de kop laten afsnijden. Nu kraai ik uit volle borst zolang het nog kan.’ – ‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, ‘trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen. Iets beters dan de dood kun je overal wel vinden. Je hebt een goede stem en als wij samen muziek maken dan zul je eens wat horen!’ De haan vond dit een goed voorstel en met zijn vieren trokken zij verder.

In de sprookjes van de gebroeders Grimm worden maar twee steden genoemd: Rome en Bremen. Rome als oude mysterieplaats is bekend. Maar hoe zit het met Bremen? In een sprookje zal een plaatsnaam niet zomaar genoemd worden, daar moet een diepere reden voor zijn.
Rond Bremen lag een grote mysterieplaats. Steencirkels, dolmen, inwijdingsgraven lagen kilometers ver over het land verspreid en daar vind je nu als stille getuigen nog resten van terug.
De vraag is nu of er in dergelijke plaatsen een wijsheid werd gekoesterd waar de inhoud van dit sprookje naar zou kunnen verwijzen.

Als we eens naar het sprookje kijken, zien we dat het een dierensprookje is, d.w.z. het gaat over de instinctieve natuur van de mens, die weerspiegeld wordt in de symbolen ezel. hond, kat en haan.

Het symbool van de ezel hebben we al leren kennen in ‘Het ezeltje‘.
Het is ons fysieke lichaam zoals het oorspronkelijk zijn aanleg van de schepper kreeg, openstaand voor de geest en in staat om vanuit de geest te handelen; dat ons met geduld door het leven draagt.
Het sprookje zegt dat hij oud is en dat de dood op hem wacht. Hij heeft verjonging en vernieuwing nodig. Hij wil nu ten uitvoer brengen wat die meesters zeggen wilden die op de kathedraal van Chartres een ezel in steen gebeeldhouwd hebben die opgericht als een mens een luit vasthoudt. Hij wil kunstzinnig bezig zijn en in harmonie leven met de wereldharmonie.

De eigenschap die bij een diersoort het meest opvalt, bepaalt het symbool. Bij de hond is dat zijn voortreffelijke reukorgaan. En wanneer we zeggen – Duits: ‘Da haben ich einen Riecher gehabt’, – ‘daar heb ik lucht van gekregen’ – dan bedoelen we de hond in ons. Hoe we er lucht van krijgen, is niet zo’n makkelijk te volgen proces en ook of we ernaar handelen of niet. Het gaat dus wel om een meer verborgen instinct, ver van het bewustzijn vandaan.

De Grieken gaven hem een plaats op de grens van leven en dood. Toen Herakles, de grote Griekse ingewijde, die de eerste was die de beproevingen voor zijn inwijding doorstond, de hellehond Cerberus uit de onderwereld haalde, moeten we deze sage begrijpen in de trant van het naar boven halen, het bewust maken van dit instinct bij de hoeder van de overgang van deze ene naar de andere wereld.

De vele hondenrassen bezitten verschillende kwaliteiten en zo is het ook met het innerlijk van de hond. Er kan in het innerlijk van de mens – beeldend gesproken – een grote meute honden rondlopen. De grootste wakkerheid wordt gevraagd, want alle driften kunnen zich naar een goede of een slechte kant uiten. De valse hond leidt naar de weg van het kwaad en het gemene, naar de innerlijke hel. Hij is de snuffelaar die iets op het spoor komt en wantrouwig volgt. De manier van denken van de hond is het cynisme en de cynicus is de mens die in de waarste zin van het woord ‘honds’ is. Is hij het innerlijke houvast kwijtgeraakt en volgt hij alleen nog zijn hang naar het valse, dan is hij geen pad-vinder meer, maar een driften-volger en drukt daarmee het woord – Duits- Schweinehund’ uit.
De goede hond in ons daarentegen helpt mee het juiste pad te vinden, op weg naar echte menselijkheid en naar het begrijpen van ons levenslot. Hij is de belichaamde speurzin. Zo hoort hij op het schilderij van Dürer bij de ridder die de dood en de duivel moet weerstaan.

We vinden ook een hond in de graalsage van Tinturel. Daar heet een van de edelste honden ‘Garde-vias, met een kostbare, lange leiband, waar een hele tekst op staat om geliefden de juiste weg te wijzen. ‘ Vind de weg naar de Graal, word een zoeker naar de Geest!’

Wanneer de natuurlijke speurzin aan kracht verliest en dreigt dood te gaan omdat de wegwijzende kracht verloren gaat, moet deze vernieuwd worden. De oude slagkracht moet weer herwonnen worden. De ezel weet dat en zegt: ‘Jij moet op de pauken slaan.’

Makkelijker dan de hond laat de kat zich kennen. Haar driften bevinden zich meestal boven ‘de drempel’. Ons gewaarwordingsleven kunnen we redelijk overzien en daarin zitten die driften. Wit of gekleurd, om het even of zelfs zwart zoals bij de heks, dat is de vraag.
Wat valt op: dit schijnbaar zo fluweelzachte wezen kan lange tijd argeloos op de vloer behaaglijk uitgerekt liggen, plotseling echter klaarwakker zich opmaken voor de sprong om de prooi te pakken – een sierlijk huisdier en een gespannen, azend roofdier tegelijkertijd. Overdag slaperig, ’s nachts een en al leven. Daarmee is de kat een beeld van de drift die minder met het dagwerk van doen heeft, dan met de nacht.
De ezel zegt tegen de kat: ‘Ga met ons mee naar Bremen, jij kunt ’s nachts toch zo goed muziek maken?’
De lichamelijke natuur (de ezel) weet dat het instinct van de hang naar liefde harmonisering nodig heeft, de kat moet zich bezighouden met muziek.

De vierde in het gezelschap is de haan. Wie naar een haan kijkt zoals die rond de boerderij rondstapt, met enige trots, de kop omhoog, zich steeds als belangrijk voordoend naar de kippen, vooroplopend en zijn roep in de lucht slingert alsof alles in de wereld op hem en zijn stem aankomt, wie ziet hoe vlug zijn kam opzwelt dus het bloed naar de kop stijgt, zal het niet zo moeilijk vinden, het symbool te herkennen.
De haan heeft ook een bepaalde relatie met de zon, hij is de verkondiger van de dag.
Dat lijkt wel op het Ik van de mens, voor zover die als Ik-drift wordt beleefd, graag belangrijk doend, al te belangrijk, (haantje-de-voorste; haantjesgedrag!) en denkt graag dat hij dominant is. Hij schreeuwt voortdurend zijn mening de wereld in, is snel geprikkeld en beledigd en wil steeds zijn dominantie laten blijken. Dit Ik is het, dat ’s morgens de impuls geeft voor het wakker worden. Want het geldt alleen voor overdag.

Ook de Edda bericht over de haan.
De zieneres, de Völuspa zegt in haar profetie:

(nr 35):

Daar zat op de heuvel
de harp bespelend
de wakkere Egther
de wachter van reuzen;
en naast hem kraaide
in het kreupelbos
een felrode haan,
die Fjalar heet.

36

En Guldenkam
bij de goden kraaide,
die wekt de helden
in Heervaders hal;
een andere kraait
onder de aarde,
een bloedrode haan
in de hal van Hel.

Fjalar, de bloedrode haan, die in het kreupelhout zat, of in een andere vertaling in het vogelbos, vertegenwoordigt het driftmatige Ik dat in het bloed pulseert en van het bloed afhankelijk is. In de roes van het zelfgevoel klimt het naar de dominantie. En het zenuwleven wordt echt een ‘boom in het kreupelbos’.

Naast dit bloeds-Ik hebben we nog een ander Ik, ons tijdloze, eeuwige Ik. Instinctief beleefd is het de haan met de gouden kam; die roept op tot een spiritueel ontwaken. En er komt nog een derde Ik-bewustzijn bij dat de mens zich verovert in het moeizaam bezig zijn in de stoffelijke wereld. Hiermee kan hij weliswaar alleen maar het levenloze, het dode begrijpen. Dikwijls houdt het zichzelf voor vergankelijk en sterfelijk. Zijn naam is Roestkop.
Wanneer alle drie de hanen schel kraaien, breekt de dag Ragnarok aan, de godenschemering.
Wanneer de mens zich op alle drie de bestaansniveaus wil handhaven, ook de duistere stoffelijke wereld wil veroveren, verduistert de goddelijke wereld; die moet nu uit vrijheid door de Ik-persoonlijkheid opnieuw worden gevonden.

‘Och kom, Roodkop,’ zei de ezel, en hier wordt Fjalar bedoeld, het ego dat in het bloed verankerd zit.

Zij konden echter de stad Bremen niet in één dag bereiken en kwamen ’s avonds in een bos waar ze de nacht wilden doorbrengen. De ezel en de hond gingen onder een grote boom liggen, de kat en de haan zochten hun toevlucht in de takken, de haan echter vloog tot in de top, waar hij het veiligst zat.

Nu zitten de dieren voor het eerst in de ‘boom’. Wie zich het zenuwsysteem als boom kan voorstellen en een woord als -Duits – aufbäumen = oprichten kan navoelen, zal het niet moeilijk vinden om het proces te begrijpen waarom het hier gaat. In het zenuwsysteem wordt orde aangebracht. Vier instincttypen beginnen als een gesloten instinctnatuur tot eenheid te komen.
De vierledige mens komt in de sprookjes op vele manieren aan het licht.
Het helderziende imaginatieve weten van een vierledige mens die voor het eerst door Aristoteles in begrippen vervat werd, was voor de pedagoog die de sprookjes schiep gedurende de hele middeleeuwen vanzelfsprekend bekend.

Bij het fysiek-minerale lichaam – hier in het beeld van de ezel – komt het tweede deel, de ‘vegetatieve’ ziel waar het leven en de voortplanting van de soort bij hoort. Daar zit ook de aanleg en het temperament. Daar leeft ook die merkwaardige speurzin die door de beeldspraak ‘hond’ genoemd wordt.
Daar bovenuit gaat de waarnemende ziel waarvan de wezenlijke drift, de hang naar genegenheid, naar liefde, in het beeld van de kat verschijnt. Boven in de boom wordt de mens zich bewust van zijn ego of ervaart die zoals hier als instinctief vermogen, als haan.

Nu kan de vraag opkomen: waarom schetst het sprookje deze vier dieren of wezenskrachten terwijl deze hun einde nabij zijn? En waarom moeten ze elkaar eerst ontmoeten, terwijl ze in de mens al gemeenschappelijk aanwezig zijn? 
Het sprookje schetst een crisis.
In de kindertijd van de mensheid kon de mens op zijn instincten vertrouwen. Door de natuur werkten de aparte driften als eenheid samen. Gedurende de tijd,  hoe meer deze toestand ten einde liep, vielen ze uit elkaar. Er moest een nieuwe ordening komen, het Ik moest de leiding nemen.

Wanneer de haan boven in de boom ‘het lichtje ziet branden’ kan deze leiding beginnen.

Voor hij ging slapen keek hij nog één maal in alle vier windrichtingen; toen dacht hij, dat hij in de verte een lichtje zag branden en hij riep tot zijn makkers, dat er niet ver weg een huis moest zijn, want er scheen licht. De ezel sprak: ‘Dan moeten wij ons maar op weg begeven om daar alsnog naar toe te gaan, want deze herberg hier is maar slecht.’ De hond was van mening, dat een paar botten waar nog wat vlees aanzat hem ook niet onwelkom zouden zijn. En zo begaven zij zich op weg in de richting van het licht en zagen het al gauw helderder schijnen en groter worden tot zij bij een hel verlicht rovershuis kwamen. De ezel, die de grootste was, ging naar het raam en keek naar binnen. ‘Wat zie je, Grauwtje?’ vroeg de haan. ‘Wat ik zie?’ antwoordde de ezel, ‘een gedekte tafel met heerlijk eten en drinken en er zitten rovers omheen, die het zich goed laten smaken.’

Als het lichaam als de omhulling van ons wezen wordt ervaren, verschijnt het in het beeld van het huis. Dit beeld komt zo vaak voor en zo doelgericht dat de dieptepsychologie het tot een archetypisch beeld rekent. Wij zeggen bijv. als een kind niet goed gedijt, dat ‘het niet lekker in zijn huisje zit’ (of in de uiterlijke begrenzing: zijn vel). 
Stervende mensen dromen vaak dat ze hun huis moeten verlaten, kinderen daarentegen dat ze een huis moeten vinden.
Je huis binnengaan betekent: tot jezelf komen, in je lichamelijkheid wakker worden, je thuis voelen in je lichaam. Ja, de mens woont altijd in het huis van  het lichaam. Je kan je huis verwaarlozen, er niet respectvol mee omgaan of het goed verzorgen, er blij mee zijn. Of er ontevreden mee zijn. Zelfs in die mate dat je het laat ‘verbouwen’. 

 ‘Dat zou wel iets voor ons zijn,’ sprak de haan. ‘Ja, ja, ach, zaten wij er maar!’ zei de ezel. Toen beraadslaagden de dieren hoe zij het moesten aanleggen om de rovers eruit te jagen en eindelijk bedachten zij er wat op. De ezel moest met zijn voorpoten op het raamkozijn gaan staan, de hond op de rug van de ezel springen, de kat op de hond klimmen en tenslotte vloog de haan boven op de kop van de kat. Toen dat gebeurd was begonnen zij op een teken allen tegelijk hun muziek te maken: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; daarop stortten zij zich door het raam de kamer in, zodat de ruiten rinkelden. De rovers vlogen bij het ontzettende geschreeuw overeind, dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen en vluchtten in doodsangst het bos in. Nu gingen de vier makkers aan tafel zitten, namen de resten van de maaltijd voor lief en aten alsof zij vier weken zouden moeten vasten.

De vierheid die zich inmiddels ontwikkeld heeft, herkent het ‘huis’ en ziet dat er in dit huis geen goede krachten wonen. Krachten die gedachteloos de natuur uitbuiten zonder die als door god geschapen te beleven en te erkennen, lijken op rovers. Ze plunderen egoïstisch de wereld zonder iets daarvoor terug te geven. Wanneer de zintuigen alleen sensatie willen, huizen daar zulke rovers.
Om die te verdrijven moeten ze alle vier als eenheid optreden. In de ‘boom’ was het al geoefend. Nu laat ieder zich in zijn eigen taal horen en daarmee kunnen ze bezit nemen van het lichaamshuis en de vierledige mens wordt de heer des huizes.

Toen de vier muzikanten klaar waren doofden zij het licht en ieder van hen zocht, al naar zijn aard, de gemakkelijkste slaapplaats uit. De ezel ging op de mesthoop liggen, de hond achter de deur, de kat bij de haard dichtbij de warme as en de haan ging op de hanenbalken zitten – en daar zij moe waren van hun lange tocht, sliepen zij dan ook weldra in. Toen het middernacht was geweest en de rovers vanuit de verte zagen, dat er geen licht meer brandde in het huis en alles rustig scheen te zijn, sprak de hoofdman: ‘Wij hadden ons toch niet zo de schrik op het lijf moeten laten jagen,’ en hij beval een van de rovers naar het huis te gaan en de zaak te onderzoeken. Degeen, die erop uitgestuurd was vond alles in rust; hij liep de keuken in om licht te maken en aangezien hij de vurige ogen van de kat voor gloeiende kolen aanzag, hield hij er een zwavelstokje bij, opdat het vlam zou vatten. Maar de kat liet niet met zich spotten, sprong in zijn gezicht en blies en krabde hem. De man schrok geweldig en wilde door de achterdeur naar buiten hollen; maar de hond, die daar lag, sprong op en beet hem in zijn been; en toen hij over het erf langs de mesthoop rende, gaf de ezel hem nog een fikse trap met zijn achterpoot; de haan echter die door al het lawaai klaar wakker was geworden, riep vanaf zijn balk naar beneden. ‘Kukeleku!’ Toen liep de rover zo hard hij maar kon terug naar zijn hoofdman en sprak: ‘O, wee! In het huis zit een afschuwelijke heks, die tegen mij blies en met haar lange vingers mijn gezicht kapot gekrabd heeft; en voor de deur staat een man met een mes, die mij in mijn been heeft gestoken en op het erf ligt een zwart monster, dat mij met een houten knuppel heeft afgeranseld; en boven op het dak, daar zit de rechter die riep: “Breng hier die schurk”. Toen heb ik gemaakt, dat ik wegkwam.’ Vanaf dat ogenblik durfden de rovers het huis niet meer in, de vier Bremer muzikanten beviel het er echter zo goed, dat zij er niet meer uit wilden. En degene die dit het laatst verteld heeft, zijn mond is nog warm!

We leren in dit sprookje hoe de instinctnatuur van de mens bezit neemt van het lichaam.
Ieder kind heeft hiermee te maken. Het moet een persoon worden, ‘heer des huizes’ zogezegd. 
Hierdoor maakt het sprookje deel uit van de groep sprookjes die over de individualiteit gaan. Wel zeker werd het als een impuls voor de Ik-ontwikkeling gegeven.
 

Je kan het best al wel aan vijfjarigen vertellen.

Aannemelijk is dat die mysterieplaats bij Bremen zorg droeg voor een wijsheid die de mens wilde bijstaan een daadkrachtig persoon te worden met een sterk Ik. 
Tradities bleven lange tijd bestaan en werden doorgegeven, ook al was dat slechts van mond tot mond. 
Wanneer dit sprookje ontstaan is, hoe dan ook kan Bremen het reisdoel van onze vier muzikanten genoemd worden. 

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2361

 

 

 

 

 

 

./

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/11)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

DE ARME MOLENAARSKNECHT EN HET KATJE

In een molen leefde eens een oude molenaar die vrouw noch kinderen had en er waren drie molenaarsknechts bij hem in dienst. Toen zij enige jaren bij hem hadden gewerkt, zei hij op een dag tegen hen: ‘Ik ben oud en wil rustig bij de kachel gaan zitten; trekken jullie erop uit en wie het beste paard voor mij mee naar huis brengt, die krijgt de molen en in ruil daarvoor moet hij mij tot aan mijn dood verzorgen.

Alles wat een mens in zijn leven als ervaringen opdoet, lijkt op een oogst die binnengehaald wordt. Net zoals het graan gemalen moet worden zodat het meel wordt en later ons belangrijkste voedsel, brood, zo moeten wij ook de vrucht van het leven verwerken zodat er kennis ontstaat, voedsel voor de geest. Daarom moet er in de mens een kracht werkzaam zijn die in de beeldentaal van het sprookje de molenaar heet. 
En de drie basiskrachten in de mens – voelen, denken en willen – lijken in dit opzicht op de drie molenaarsknechten. 

De derde van die knechts was het jongmaatje dat door de anderen voor niet wijs werd gehouden en zij gunden hem de molen niet, die hij trouwens niet eens wilde hebben. En zo trokken zij er met hun drieën op uit en toen zij bij het dorp kwamen zeiden de oudste twee tegen domme Hans: ‘Blijf jij maar hier, jij vindt van je leven geen paard.’ Hans ging echter toch mee en toen het donker werd, kwamen zij bij een hol waarin zij zich te slapen legden. De twee slimmerds wachtten tot Hans was ingeslapen, toen stonden zij op, maakten dat zij wegkwamen en lieten Hansje liggen. Zij vonden dat zij dat handig hadden gedaan. Jawel, maar het zal jullie toch slecht vergaan. Toen nu de zon opkwam en Hans ontwaakte lag hij in een diep hol; hij keek om zich heen en riep: ‘O God, waar ben ik!’ Hij stond op, krabbelde uit het hol naar boven en ging het bos in en dacht: ik ben hier moederziel alleen en verlaten, hoe moet ik nu aan een paard komen!

In het sprookje zien we vaak dat de ‘oude’ vader, koning, molenaar zich terugtrekt. Wat komt er dan voor deze oude, geestelijke kracht, terug. Dikwijls is dat de jongste – van de drie – en meestal heeft deze één opvallende eigenschap: hij is onwetend, dom of onnozel. En dan heet hij ook nog Hans (Johannes) wat niet zonder betekenis is (Lenz belooft verderop meer over deze naam te zeggen, maar dat doet ze nauwelijks)
Uit de menskundige beschouwingen van Steiner weten we dat de wil ‘jonger’ is dan het denken. De wil is – evenals ‘het jongere’ in ontwikkeling: op de toekomst gericht. ‘Wil’ heeft ook vele aspecten: instinct, drift, begeerte – zie Steiner in de ‘Algemene menskunde‘. Aan de wil kan altijd gewerkt worden. Je kan ook in bepaalde aspecten ervan ‘vast’ blijven zitten: we spreken over een onbuigzame wil, waarbij starheid of hardnekkigheid op de loer liggen. We spreken over ‘een vrije wil’ of juist over de onmogelijkheid die te hebben – een wetenschappelijk dispuut!. Wanneer is de wil vrij. Zijn de vele strubbelingen in de tijd waarin we leven, geboorteweeën die bij het verkrijgen van een vrije wil horen? 
De wijze sprookjesverteller zegt dat deze wil ‘rein’ en ‘met het hart’ zich op doelen moet richten die de slimmeriken als ballast beschouwen. 

Waar gaat het bij het paard om? Met name in het Duits zijn er een paar uitdrukkingen waarin het beeld van het paard duidelijk is: ‘Er hat ein Pferdeverstand, sitzt auf hohem Ross’, = hoogmoedig. In het Nederlands kunnen we het paard achter de wagen spannen, en er zijn meer uitdrukkingen waarin het paard er niet al te best afkomt: over het paard getild, een hinkend paard, een dood paard enz. Het is duidelijk dat je heer en meester over het paard moet zien te worden. Plato vergelijkt het verstand met een paard dat de mens moet beteugelen; je moet vast in het zadel zitten, je niet vergalopperen. 

In dit sprookje wordt verteld hoe Hans aan zijn paard komt. Er zijn natuurlijk verschillende wegen waarlangs je de wil kan sterken, die de mens ‘met verstand’ door het leven draagt, zodat hij ten slotte een met Ík’- begaafde, verstandige wilsmens wordt.

De beide andere broers – voelen en denken – houden zich verre van de wil. De wil moet het alleen aanpakken en op weg gaan.

Terwijl hij zo in gedachten voortliep kwam hij een kleine lapjeskat tegen die heel vriendelijk zei: ‘Hans, waar ga je heen?’ -‘Ach, jij kunt mij toch niet helpen.’ – ‘Ik weet wel wat je wilt hebben,’ zei het katje, ‘je wilt een mooi paard hebben. Ga met mij mee en wees gedurende zeven jaar mijn trouwe knecht, dan zal ik je een paard geven, mooier dan je van je levensdagen gezien hebt.’ -Nou, dat is me ook een wonderlijke kat, dacht Hans, maar ik wil toch wel eens zien of het waar is wat zij zegt.

In het sprookje zijn dieren beelden van onze instincten en driften, vergelijkbaar met wat in vele fabels voorkomt. ‘De domme’ weet dat er in de instincten een bepaalde natuurwijsheid werkt en dat je er veel aan kan hebben wanneer je er op de juiste manier mee omgaat. Zo kan je ook niet verstandig worden als je niet eerst te rade gaat bij je instincten. Maar het moeten wel de juiste zijn, je moet weten wat je wil leren, vooral bij de kat.
Als je naar een kat kijkt, hoe die voortsluipt op fluwelen pootjes, lang zo maar ligt met slaperige ogen om dan ineens op te springen of bij de jacht lang onbeweeglijk ligt te wachten om ineens toe te slaan. ’s Nachts leeft ze echt, vooral bij volle maan – en dat herkennen we in de kat die Hans ontmoet.
In het oude Egypte werd de godin van de liefdesbetovering Bastet, afgebeeld met een kattenkop. 
Hans vertrouwt op zijn natuurlijke instinct. 

Zij nam hem mee naar haar betoverde kasteeltje en zij had daar niets dan katjes in dienst die vlug de trappen op- en afsprongen en vrolijk en opgewekt waren. Toen zij ’s avonds aan tafel gingen, moesten er drie muziek maken – één speelde op de bas, de tweede op de viool en de derde nam de trompet en blies zijn wangen op, zo flink als hij maar kon.

In geen ander sprookje, volgen Lenz, wordt de sfeer zo uitbundig beschreven: ‘aan tafel gaan’, ‘muziek maken’. ’s Avonds, zegt ze, krijgen de mensen na het werk verlangen naar intimiteit; nu komt het erop aan met deze sterke verlangens in harmonie te komen. 
Er worden duidelijk drie gebieden geschetst: de benedenmens – de bas; de middenmens – de viool; de bovenmens: – de trompet.

Toen zij hadden gegeten werd de tafel weggenomen en de kat zei: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ – ‘Breng hem dan maar naar bed,’ zei zij tegen de katjes.

Nu komt er in de loop van de gebeurtenissen een cruciaal punt: de kat zegt: ‘Vooruit Hans, dans met mij.’ -‘Nee,’ antwoordde hij, ‘met een poes dans ik niet, dat heb ik nog nooit gedaan.’ Dat betekent: ik laat mij door de kattendrift – de instinctieve drijfveer, verlangen naar liefde – niet op sleeptouw nemen, daar ga ik niet mee aan de rol. “Ik weet mij te beheersen’,  had hij ook kunnen zeggen.

Daarop lichtte er één hem bij in zijn slaapkamer, één trok hem zijn schoenen uit, een ander zijn kousen en tenslotte blies er één het licht uit. De volgende morgen kwamen zij terug en hielpen hem bij het opstaan – één trok hem zijn kousen aan, één bond zijn kousenbanden vast, één bracht zijn schoenen, één waste hem en één droogde met haar staart zijn gezicht af. ‘Wat is dat lekker zacht,’ zei Hans.

Met gevoel en ook aanschouwelijk schetst het sprookje hoe zijn hele wezen ontspant, wat een mens mag ervaren als hij zich beheerst overgeeft aan de verzorgende krachten en die ’s morgens weer in zich meedraagt.

Hij moest echter ook de kat dienen en iedere dag houthakken. Daarvoor kreeg hij een zilveren bijl, wiggen en een zaag van zilver en de hamer was van koper. Nu, hij hakte het hout klein en bleef daar in huis wonen; hij had er zijn natje en zijn droogje, maar zag niemand anders dan de lapjeskat en haar personeel.

De voortplantingskrachten in de mens hebben met de maan te maken. En met deze op de juiste manier om te gaan betekent: het zilveren werktuig gebruiken. Het dient ertoe wat verhout is, klein te maken. “Houterig’ denken is het abstract-intellectuele denken, dat net zo veel en zo weinig met zijn geestelijke oorsprong  te maken heeft als het dorre hout met de levende boom. Maar ook dit denken is belangrijk en moet worden beoefend. Concrete begrippen opstellen, analyseren betekent in de beeldspraak: ‘houtjes hakken’. Zo wordt voor ‘brandhout’ gezorgd: denken kan een innerlijk vuur doen branden dat verwarmt. Omdat de held Hans heet hoeft het niet te verwonderen [het waarom hiervan wordt niet uitgelegd] dat naast de zilveren bijl ook een koperen hamer komt. De wijze alchemisten van de middeleeuwen die in de werkzaamheid van de stof nog scheppingskrachten beleefden, zagen het koper als zinnebeeld voor de vroomheid. Ze noemden de toestand van de kinderlijke vroomheid; de kopertoestand. Met de slagkracht van de actieve vroomheid (de koperen hamer) kan men nu de braakliggende maankrachten (de zilveren werktuigen) hanteren. Zo zou je, volgens Lenz, het beeld kunnen duiden. 

Op een keer zei zij tegen hem: ‘Ga het gras op mijn weiland maaien en droog het dan,’ en zij gaf hem een zeis van zilver en een slijpsteen van goud, beval hem echter alles ook weer netjes in te leveren. Hans ging erheen en deed wat hem bevolen was; na gedane arbeid bracht hij de zeis, de slijpsteen en het hooi naar huis en vroeg of zij hem nu zijn loon wilde geven.

Werd het analyserende, abstracte denken bij het ijverig houthakkerswerk geoefend, dan gaat het vervolgens om het vegetatieve te lijf te gaan (het gras maaien) – leven, groei, voortplanting kunnen weelderig woekerend worden. Nu gaat het erom als oogst binnen te halen wat deze aan jeugdige bloeikracht schenken. In het instinct van de kat (het Duits heeft ‘Kätzchen-Liebes-Instinct) ligt veel natuurlijke wijsheid besloten; we hebben de gouden wetsteen waarmee de oordeelskracht steeds weer scherpgemaakt moet worden (de zilveren zeis) en een goed geslepen oordeelsvermogen is op dit terrein noodzakelijk. Hans is weer een stap verder gekomen in zijn ontwikkeling en mag weldra op zijn paard hopen.

‘Nee,’ zei de kat, ‘eerst moet je nog iets voor mij doen – daar heb je balken van zilver, een timmermansbijl, een winkelhaak en wat er verder nodig is, alles van zilver, en daarmee moet je voor mij eerst nog een klein huisje bouwen.’ Hans bouwde het huisje en toen het klaar was zei hij, dat hij nu alles had gedaan en nog steeds geen paard had. Toch waren de zeven jaren voor hem omgevlogen alsof het een half jaar was.

Alles wat met de innerlijke maankrachten heeft te maken moet nog verder ontwikkeld en gevormd worden. En daarmee heeft de drijfveer van de liefde een behuizing gekregen en alles wat in deze sfeer leeft, is vast en gevormd. Zeven jaar heeft deze ontwikkeling geduurd. Tussen het veertiende en eenentwintigste jaar voltrekken in het algemeen deze processen zich in de mens. Het abstracte en concrete denken moeten worden geoefend, oordeelskracht ontwikkeld en de ‘maanmens’ volmaakt worden.

De kat vroeg hem of hij haar paarden wilde zien? ‘Ja,’ zei Hans. Zij ging naar het huisje toe en toen zij de deur openmaakte stonden daar twaalf paarden, o, die waren zo trots en blonken en glansden dat zijn hart opsprong van vreugde. Toen gaf zij hem te eten en te drinken en sprak: ‘Ga naar huis, ik geef je je paard nog niet mee, over drie dagen kom ik het je brengen.’

Het getal twaalf komt vaker in de sprookjes voor als een kosmisch getal. De twaalf beelden van de dierenriem vormen samen een horizon, verdeeld in het twaalftal kosmische krachten die aan de microkosmos mens werken. Hans heeft voortdurend zijn verstandskracht geoefend. Daardoor heeft hij een omvattend wakker denken verkregen (twaalf paarden) en daarmee het verstand dat hem als Ik het meest verdienstelijk is: zijn eigen paard.  

Hans maakte zich dus klaar om te vertrekken en zij wees hem de weg naar de molen. Maar zij had hem niet eens nieuwe kleren gegeven; hij moest de oude haveloze kiel aandoen waarin hij gekomen was en die was hem in die zeven jaar aan alle kanten te klein geworden. Toen hij thuiskwam waren de beide andere molenaarsknechts er ook weer; zij hadden weliswaar ieder een paard meegebracht, maar het ene was blind en het andere kreupel. Zij vroegen: ‘Hans, waar is jouw paard?’ – ‘Dat komt over drie dagen.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Haha, die Hans, waar wil die nu een paard vandaan halen, het zal me wat moois zijn!’ Hans ging de kamer binnen maar de molenaar zei dat hij niet aan tafel mocht komen, hij zag er zo haveloos en verwaarloosd uit dat zij zich zouden schamen als er iemand binnenkwam. Daarop brachten zij hem buiten een beetje eten en toen zij  ’s avonds gingen slapen, wilden de andere twee hem geen bed geven, zodat hij tenslotte in het ganzenhok moest kruipen en daar op wat hard stro gaan liggen.

Toen de andere twee oudere broers naar huis waren gekomen, toonde ieder wat ze verkregen hadden. De oudste, die alleen voelend leeft, heeft een verstand gekregen dat niets doorziet en geen inzicht heeft – zijn paard was blind. De tweede molenaarszoon, die van het denken, heeft een verstand ontwikkeld dat in het leven niet verder komt, geen ontwikkeling doormaakt – zijn paard is kreupel. Hans is in zijn ontwikkeling al veel verder gekomen dan het niveau van een molenaarsjongen, maar dat wordt pas duidelijk wanneer de liefdesdrijfveer (de kat) zichtbaar geworden is. Het sprookje zegt:

Als hij ’s morgens ontwaakt, zijn de drie dagen al om en daar komt me een koets met zes paarden aanrijden, die glansden me toch dat het een lust was en een bediende had nog een zevende paard aan de teugel, dat was voor de arme molenaarsknecht. Maar uit de koets stapte een beeldschone koningsdochter en ging de molen binnen en die koningsdochter was de lapjeskat bij wie de arme Hans zeven jaar in dienst was geweest. Zij vroeg aan de molenaar waar zijn jongste knecht was. Toen zei de molenaar: ‘Die kunnen wij niet binnen laten komen, die ziet er zo haveloos uit, die zit in het ganzenhok.’ Daarop zei de koningsdochter, dat zij hem dadelijk moesten halen. Dus haalden zij hem en hij moest zijn kieltje bijeenhouden om zich te bedekken. Toen pakte de bediende prachtige kleren uit en kreeg opdracht hem te wassen en aan te kleden en toen hij klaar was, was er geen koning die er mooier uitzag dan hij. Daarna wilde de jonkvrouw de paarden zien die de andere molenaarsknechten hadden meegebracht en het ene was blind en het andere kreupel. Nu liet zij de bediende het zevende paard brengen; toen de molenaar dat zag zei hij, dat zó’n paard nog nooit bij hem op het erf was geweest. ‘En dat is voor de derde molenaarsknecht,’ zei zij. ‘Dan krijgt hij de molen,’ zei de molenaar. Maar de koningsdochter sprak: ‘Daar is het paard en je molen mag je houden’ – en daarop neemt zij haar trouwe Hans bij de hand, laat hem in de koets plaatsnemen en rijdt met hem weg. Eerst rijden zij naar het kleine huisje dat hij met het zilveren gereedschap heeft gebouwd en nu is het een groot slot en alles wat erin is is van zilver en goud. Daar is zij met hem getrouwd en hij was zo rijk dat hij voor zijn hele leven genoeg had. Daarom moet niemand ooit zeggen dat iemand die dom genoemd wordt het daarom niet tot iets kan brengen.

Het bonte katje is een mooie, koninklijke jonkvrouw geworden, d.w.z.: de natuurkracht die helemaal in het instinctieve, onbewuste werkte, is nu een zielenkracht geworden zoals die bij de mens hoort- die werd tot liefde. En de ‘domme Hans’ – de wil in de reinheid zoals we die bij Parcival zien – kan zich met deze kracht van de liefde verbinden. 

Illustratie van Anton Pieck van de drie musicerende katten

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2345

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/10)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

 

 

 

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

DE ZEVEN RAVEN

Een man had zeven zoons maar nog steeds geen dochtertje, hoezeer hij dat ook wenste; ten slotte gaf zijn vrouw hem weer hoop op een kind, en toen het ter wereld kwam was het inderdaad een meisje. Groot was de vreugde, maar het kind was teer en klein en moest vanwege haar zwakheid de nooddoop ontvangen. De vader stuurde een van de jongens in allerijl naar de bron om water voor de doop te halen, de zes anderen liepen mee, en omdat ieder de eerste wou zijn bij het scheppen, viel de kruik in de bron. Daar stonden zij en wisten niet wat zij moesten beginnen en niemand durfde naar huis te gaan. Toen zij niet terugkwamen werd de vader ongeduldig en sprak: ‘Zij hebben het zeker weer onder het spelen vergeten, die goddeloze jongens.’ Hij werd bang dat het meisje ongedoopt zou moeten sterven en in zijn woede riep hij: ‘Ik wou dat die jongens allemaal raven werden!’ Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken of hij hoorde een geruis boven zijn hoofd in de lucht, keek omhoog en zag zeven gitzwarte raven wegvliegen.

In dit sprookje komen we weer een getal tegen: zeven. Dat gebeurt vaker – ‘De wolf en de zeven geitjes’ en andere. Ook het getal twaalf zien we en de drie, bijv. wanneer er sprake is van drie broers of zusters.
Die getallen duiden ook op iets kosmisch: we hebben de twaalf dierenriemtekens, de zeven planeten en de heilige Drievuldigheid.
Bij de Egyptenaren sprak men ‘Zo boven, zo beneden’ en ook in de middeleeuwen beschouwde men de mens als een kleine kosmos tegenover de grote. 
Paracelsus, de grootste arts uit die tijd, noemde de organen niet zoals wij nu: hart, longen enz., maar duidde die met de namen van de planeten: de hersenen: maan; de longen: Mercurius; de nieren: Venus; het hart: de zon; de gal: mars; de lever: Jupiter en de milt: Saturnus

In het sprookje van de zeven geitjes maakten we kennis met de driftmatige nieuwsgierigheid. Dit driftmatige kan zich op een zevenvoudige manier uiten.
In dit sprookje over de zeven raven hebben we te maken met krachten die meer van geestelijke aard zijn. Het zijn de zeven loten aan de omvangrijke boom van het geest-zielenwezen van de mens (vader en moeder) en de zeven zonen, de zeven broers. Die zijn in ieder mens werkzaam. De een bezit de intellectuele vaardigheden (hersenen), de andere de marsachtige wilskracht (gal), een ander de warmte en innigheid van het hart. Ieder geeft zijn deel aan het geheel. 
Een sprookje schetst dit als de nog jonge, naïeve krachten die zich nog aan het ontwikkelen zijn (jonge jongens, knapen.) Ooit verkeerde de mensheid ook nog in zo’n jong stadium en ieder mens maakt als deel van de mensheid deze ontwikkeling die een verandering van het bewustzijn betekent, in zijn eigen leven door, vooral ook in de kindertijd.

Vader en moeder willen graag een dochtertje: de ziel heeft behoefte aan een nieuw bewustzijn dat de actieve geestkracht terzijde komt te staan. Het beeld van het ‘enige dochtertje‘ wijst op een toekomstig wezen dat zichzelf als persoonlijkheid begint te begrijpen. Het duurde in de mensheid ook lang voordat deze individuele ziel werkelijkheid kon worden, want de mens werd nog lang – en heden ten dage in bepaalde culturen, niet eens zover bij ons vandaan nog steeds, – gedomineerd door familie (uithuwelijken, eerwraak), stam, ras e.d. Dat is in wezen: onvrij!
En toen het kindje eindelijk geboren was, was het teer en klein.

Alle zeven geestbroeders wilden ‘scheppend’ actief zijn voor dat pasgeboren zielenwezen en voor haar het  leven brengende water halen, het doopwater. Dit is een verwijzing dat de ziel waarom het hier gaat, christelijk moet worden.
Hoewel de broers het vermogen hebben – ze beschikken over de kruik en kunnen dus water scheppen, ‘scheppend zijn’, lukt het toch niet. Ze kunnen nog niet als geheel samenwerken: ‘omdat ieder de eerste wou zijn bij het scheppen’. En nu verliezen ze de mogelijkheid om nog scheppend actief te kunnen zijn. De kruik valt in de bron.

Het verwerven van een nieuw vermogen, gaat vaak ten koste van andere vermogens. Die blijven achter. De geboorte van de nieuwe Ik-achtige ziel heeft een verduistering tot gevolg voor de oudere geestkrachten: die worden in raven veranderd.
In de Germaanse mythologie is het alvader Odin die twee raven op zijn schouders heeft zitten: Hugin en Munin, verstand en geheugen. Het zijn de boodschappers die heen en weer vliegen tussen ‘hier’ en ‘daar’
De vogels zijn vaak de boodschappers; we spreken van een ‘gedachte’vlucht, of ‘gevleugelde’ woorden: ‘Vlugger als de wind die vliegt ( ) gaan mijn kind, gedachten (Gezelle).
Innerlijk een ‘hoogvlieger’ zijn wordt gesymboliseerd door de adelaar en de valk. 
De raaf wijst op een ander element: zijn glanzende zwarte veren, zijn zware ernst, zijn bijna spookachtig uiterlijk en zijn zware vlucht maken hem tot het zinnebeeld van een gedachte-wijsheid die duister is geworden.

De zeven broeders zijn nu als de raaf.
Iedere verandering in een dier betekent in het sprookje dat geestkrachten – met het volle vermogen tot inzicht en kennis – terugvallen in het instinctieve, dat bij het dierenleven hoort.

De ouders konden de verwensing niet meer ongedaan maken, maar hoewel zij droevig waren over het verlies van hun zeven zoons, werden zij toch enigszins getroost door hun lief dochtertje, dat spoedig op krachten kwam en met de dag mooier werd. Lange tijd wist zij niet eens dat zij broers had gehad, want de ouders pasten er wel voor op om over hen te spreken. Tot zij op een dag toevallig enige mensen over haarzelf hoorde zeggen, dat het meisje dan wel mooi was, maar toch eigenlijk schuldig aan het ongeluk van haar zeven broers. Toen werd zij erg bedroefd, ging naar haar vader en moeder en vroeg of zij werkelijk broers had gehad en waar die waren gebleven? Nu mochten de ouders het geheim niet langer verzwijgen maar zij zeiden dat het door de hemel zo was beschikt, en dat haar geboorte slechts de onschuldige aanleiding geweest was. Maar het meisje had er iedere dag gewetenswroeging over en vond dat zij haar broers weer moest verlossen. Zij had rust noch duur totdat ze heimelijk de wijde wereld in trok om haar broers op te sporen en te bevrijden, koste wat het kosten moge. Zij nam niets mee dan een ringetje van haar ouders als aandenken, een brood voor de honger, een kruikje water voor de dorst en een stoeltje voor als ze moe was.

Het ‘enige dochtertje’ wordt sterker en mettertijd hoort ze het lot van haar broers. De menselijke ziel moet sterker worden, maar ‘Ik-kwaliteiten’ ontwikkelen, daarbij gaan de andere krachten verloren. Maar deze enige dochter is de christelijke ziel die liefheeft en ze vindt geen rust vóór ze haar broertjes heeft verlost. Er is een lange weg te gaan.

Ze neemt een ring mee. Waarom? Die was in het bezit van haar ouders, maar zij draagt hem nu en neemt hem mee de wereld in en brengt deze bij de broers. Zoals de cirkel de uitdrukking is van het alomvattende, zo geldt dat ook voor de ring. Er is geen begin en geen einde: de beleving van de ziel als eeuwig wezen, zonder begin en einde, als die zich het Ik als goddelijke vonk bewust wordt. 
Zolang de mens dit Ik-bewustzijn nog niet heeft, kan hij zichzelf nog niet beleven als een in zichzelf verankerd wezen; dan heeft hij nog leiding nodig, want hij is dan nog niet zelfstandig en onvrij. 
De mens uit het Avondland probeert persoonlijkheid te worden, kracht te vinden om zelf-be-heer-send te worden en de medemens en de wereld liefde te schenken.
Die ontwikkeling wordt bijv. geschetst in Wagners ‘Ring der Nibelungen’. 
In de erfelijke krachten liggen mogelijkheden: de ring is bij vader en moeder, maar de jonge ziel brengt deze in de werkelijkheid: het meisje draagt de ring.

Nu liep zij steeds maar door, verder en verder, tot aan het einde van de wereld. Daar kwam zij bij de zon, maar die was te heet en te verschrikkelijk en hij at kleine kinderen op. Heel hard liep zij weg en liep naar de maan, maar die was veel te koud en bovendien te gruwelijk en te kwaad en toen die het kind zag, sprak hij: ‘Ik ruik mensenvlees.’ Toen maakte zij dat zij weg kwam en kwam bij de sterren, die waren vriendelijk en goed voor haar en iedere ster zat op zijn eigen stoeltje. Maar de morgenster stond op, gaf haar een hinkelbeentje en sprak: ‘Zonder dat beentje kun je de glazen berg niet open maken en in de glazen berg zijn je broers.’

Het meisje heeft een lange reis voor zich: tot aan het einde van de wereld, d.w.z. daar waar de zintuigwereld ophoudt en de bovenzintuiglijke wereld begint. 
De grote leraren die ons de sprookjes schonken, waren ervan overtuigd dat de mens al in dit leven toegang kan vinden tot een andere wereld. Ze wisten dat de ziel moet leren zich te verheffen tot de sterrenwereld, wil ze haar lot leren kennen en in de hand nemen. 
De microkosmische krachten, de zeven broers, moeten macrokosmisch worden gekend. Ze neemt brood mee: geestelijke voeding zoals de aarde die geeft; ook water – het bezielde voelen, voor zover de aarde dat kan geven en ook de noodzakelijke kracht – het Duits heeft hier ‘Fassungskraft’ – kracht om iets te begrijpen – dat terugkomt in het woord voor kruik: Gefäss.
De zon en de maan als representanten van dag en nacht kunnen voor haar niets betekenen. De zon – het wakkere dagbewustzijn – is te sterk en zou het kind vernietigen (zij vreet kleine kinderen). En de maan, de regent van de nacht, die het individuele opheft, houdt als zodanig ook de Ik-wording tegen. De ziel moet verder, naar de wereld van de planeten, want dat zijn de leiders van de zeven krachten die duister zijn geworden.
‘Iedere ster zat op zijn eigen stoeltje’. Net als de sterren heeft ook zij haar stoeltje bij zich. Op een stoel zit je alleen, het is een teken van het individuele. Zij neemt dus de aanleg voor het individuele mee als ze de kosmische krachten begint te ontwikkelen. Ook in de ‘hogere wereld’ blijft ze een zelfstandig wezen, een individualiteit; en ook de intelligentie van de planeten – Thomas von Aquino dichtte ieder gesternte een eigen intelligentie toe – spreekt op eigen wijze tot haar, zodat ze het begrijpt en de raad kan opvolgen. De wijsheid van de sterren wordt dus individueel beleefd. Wanneer in oude tijden de mens opging in het universum, betekende dit: zijn persoonlijkheid prijsgeven. Maar het meisje in het sprookje behoudt haar Ik en houdt met de sterren individuele dialogen.
De zeven broers wonen in de sfeer die het sprookje ‘glasberg’ noemt. De berg is ‘wat bergt’ en ook ‘ver-bergt’. Een berg moet je beklimmen – ‘op de hoogte zijn!’, maar ook wat je moet overwinnen: je ziet er als een berg tegenop. Hier is het iets verborgens dat ontsloten moet worden. Glas is het resultaat van verstarring: wat vloeibaar smeltend was, wordt vast. Met de glasberg wordt een sfeer van verstarring bedoeld. Star, staren, verstard, glazen ogen, alles duidt op gevoelloos, koud. Wanneer een mens is gestorven zijn de ogen glasachtig geworden. In dit rijk moet de liefhebbende ziel nu binnen proberen te komen.

Het meisje nam het beentje, wikkelde het zorgvuldig in een doekje en liep weer verder, net zo lang totdat zij bij de glazen berg kwam. De poort was gesloten en zij wilde het beentje te voorschijn halen. Maar toen zij het doekje openvouwde was het leeg, en zij had het geschenk van de goede sterren verloren. Wat moest zij nu beginnen? Zij wilde haar broers redden maar zij had geen sleutel voor de glazen berg. Het goede zusje nam een mes, sneed haar pinkje af, stak dat in het slot en maakte de poort zonder moeite open. Toen zij naar binnen was gegaan kwam een dwergje haar tegemoet dat sprak: ‘Mijn kind, wat zoek je?’ – ‘Ik zoek mijn broers, de zeven raven,’ antwoordde zij. De dwerg sprak: ‘De heren raven zijn niet thuis, maar als je hier zolang wilt wachten tot zij terug zijn, kom dan maar binnen.’ Daarna bracht het dwerg je de spijzen voor de raven binnen op zeven bordjes en in zeven bekertjes en van ieder bordje at het zusje een stukje en uit ieder bekertje dronk zij een slokje. Doch in het laatste bekertje liet zij het ringetje vallen dat zij had meegenomen.

Het zusje moet nu het rijk van de verstarring binnengaan. Van de morgenster had ze een hinkelbeentje gekregen, maar dat was ze verloren. 
Wie de ring van de persoonlijkheid draagt en die een hogere wereld binnengebracht heeft, moet op eigen kracht proberen een opening te vinden. Het persoonlijke offer is de sleutel, het is een offer dat eigen bloed kost.
Overal waar in een sprookje een dwerg verschijnt, wordt gewezen op een bepaalde elementaire geestkracht in de natuur. Tegenwoordig spreken we in abstracties over natuurkrachten en natuurwetten. De helderziende mens zag meer. Hij zag geestelijke wezenskrachten in innerlijke beelden en noemde die natuurgeesten. Deze elementairgeesten die vooral in de vorming van de aarde werkzaam zijn, in stenen en metalen, zag hij in het ‘waar’beeld van de dwergen. 
Ook wij dragen de aarde met ons mee, want het lichaam van de mens is uit stof opgebouwd en wordt weer stof. Ook dragen we metalen met ons mee, zoals ijzer in ons bloed. 
De zeven raven eten het voedsel dat de dwerg voor hen klaarzet; d.w.z. de zevenvoudig ontsloten jonge mensengeest die verduisterde, in het donker kwam in de tijd van het wordende Ik-bewustzijn, beleeft het aardse, weet echter alleen wat lichamelijk ervaren wordt.
Zijn weten is, we kunnen ook zeggen omdat het tot het aardse beperkt blijft -klein, dwergachtig geworden. Het staat wel in verbinding met de wereld van de elementen, maar niet met een hogere. Hij vliegt in het duister als een raaf. Hij weet dat zijn organen een stuk natuur zijn en moeten gehoorzamen aan natuurwetten. Hij weet veel van de gal als een lichamelijk orgaan, maar niets van hoe de planeet Mars doorwerkt in zijn gedachte- gevoels- en wilsleven en hoe de functie van de gal de basis is voor geest-zielenprocessen. Zijn weten is zijn voedsel, maar het is ‘dwergen’voeding. Aan deze voeding heeft de ziel deel: ze eet van ieder bordje een stukje en drinkt uit ieder bekertje een slokje.
Zij verenigt de gescheiden zevenheid  – het dwergachtige – en omdat dat in haar tot eenheid wordt, kan zij de ring schenken. Daardoor valt ook de kracht van het in zich gesloten Ik-bewustzijn de broeders ten deel. Zij kunnen nu op een hoger niveau in eenheid en harmonieus samenwerken. Zij krijgen van de ziel die uit hogere werelden kracht en kennis heeft gehaald, een geschenk.

Opeens hoorde zij in de lucht een geruis en gesuis en het dwergje zei: ‘Daar komen de heren raven naar huis vliegen.’ Daar kwamen ze, ze wilden eten en drinken en zochten hun bordjes en bekertjes op. Toen zei de een na de ander: ‘Wie heeft er van mijn bordje gegeten? Wie heeft er uit mijn bekertje gedronken? Dat is een mensenmond geweest.’ En toen de zevende zijn bekertje tot op de bodem ledigde, rolde het ringetje naar hem toe. Hij bekeek het en zag dat het een ringetje van zijn vader en moeder was en hij sprak: ‘God geve dat ons zusje hier is, dan zijn wij verlost.’
Toen het meisje, dat achter de deur stond te luisteren, deze wens hoorde, kwam zij te voorschijn en toen kregen alle raven hun menselijke gestalte terug. En zij omhelsden en kusten elkaar en gingen vrolijk naar huis.

Het sprookje schetst een drama van de ziel dat zich in de ontwikkeling van de mensheid heeft afgespeeld, toen deze het kinderstadium achter zich liet en zelf-bewuster werd. Ditzelfde drama speelt zich in ieder mens af wanneer hij zijn kindertijd achter zich laat en ‘persoon’ wordt.
Het sprookje wil ertoe bijdragen dat dit zelfbewustzijn niet egoïstisch wordt, anders blijven de geestkrachten die in de mensenziel werken, driftmatig en verkommeren. Het onegoïstische, van liefde doortrokken zelfbewustzijn moet in de mens doorbreken.

.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 25-grimm-de-zeven-raven-1.jpg

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2341

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/9)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES

.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

DE KIKKERKONING OF IJZEREN HENDRIK

In oude tijden, toen wensen nog hielp, leefde er een koning wiens dochters allen mooi waren; maar de jongste was zo mooi dat de zon zelf, die toch zoveel gezien heeft, zich erover verbaasde iedere keer als hij haar gezicht bescheen. Vlak bij het slot van de koning lag een groot donker bos en in dat bos bevond zich onder een oude linde een bron. Als het nu overdag heel warm was liep het koningskind het bos in en ging aan de rand van de koele bron zitten – en als zij zich verveelde nam zij een gouden bal die zij omhoog wierp en weer opving; en dat was haar liefste spel. Nu gebeurde het op een keer dat de gouden bal van de koningsdochter niet in haar handje viel, dat zij omhoog hield, maar er naast op de grond terechtkwam en regelrecht in het water rolde.

Heraclitus zei al: ‘De grenzen van de ziel kun je niet vinden, al doorloop je elke weg: zo diepe grond heeft zij.’

En daarmee heeft de ziel iets weg van een bron waarvan de diepte niet te peilen is. Maar een bron is ook iets scheppends: er vloeit iets uit naar de buitenwereld. 
De ziel van de koningsdochter bevindt zich dicht bij deze bron zolang zij kind is. Ze speelt met de kosmische wijsheid die onbewust in haar leeft: de gouden bal. 
Friedrich Rückert zegt over deze wijsheid: ‘O du Kindermund,….unbewuster Weisheit froh, vogelsprachekund…wie Salomo’.
Op een dag zinkt de bal, de ziel kan niet meer bij de kosmische wijsheid.

De koningsdochter volgde hem met haar ogen, maar de bal verdween en de bron was zó diep, zó diep dat je de bodem niet zag. Toen begon zij te huilen en huilde steeds harder en zij was ontroostbaar. En toen zij daar zo zat te jammeren riep iemand haar toe: ‘Wat is er toch, koningsdochter, je huilt zo dat je er een steen mee zou vermurwen.’ Zij keek rond om te zien waar die stem vandaan kwam; daar zag zij een kikker die zijn lelijke dikke kop uit het water stak. ‘Ach, ben jij het, oude watertrapper,’ zei zij, ‘ik huil om mijn gouden bal die in de bron is gevallen.’ ‘Wees maar stil en huil maar niet,’ antwoordde de kikker, ‘ik weet er wel raad op, maar wat geef je mij als ik je speelgoed weer naar boven haal?’ ‘Wat je maar hebben wilt, beste kikker,’ zei zij, ‘mijn kleren, mijn paarlen en edelstenen en ook nog de gouden kroon die ik draag.’ De kikker antwoordde: ‘Je kleren, je paarlen en edelstenen en je gouden kroon wil ik niet hebben, maar als je mij wilt liefhebben en ik je makker en speelkameraad mag zijn, naast je aan je tafeltje mag zitten, van je gouden bordje eten, uit je bekertje drinken en in je bedje slapen: als je mij dat belooft, dan zal ik naar de diepte afdalen en je gouden bal weer naar boven brengen.’ –
‘Ach, ja,’ zei zij, ‘ik beloof je alles wat je wilt, als je mij mijn bal maar weer terugbrengt.’ Zij dacht echter: wat kletst die onnozele kikker, die zit bij zijn soortgenoten in het water te kwaken en kan nooit de makker van een mens zijn.

Toen de kikker de belofte had gekregen, dook hij met zijn kop onder water, liet zich naar beneden zakken en na een tijdje kwam hij weer naar boven roeien, met de bal in zijn bek en wierp die in het gras. De koningsdochter was verheugd toen zij haar mooie speelgoed terugzag, raapte het op en snelde ermee weg. ‘Wacht, wacht,’ riep de kikker, ‘neem mij mee, ik kan niet zo snel lopen als jij.’ Maar wat hielp het hem of hij haar zo hard hij maar kon zijn Kwak-Kwak nariep. Zij luisterde er niet naar, holde naar huis en zij was de arme kikker die weer in zijn bron moest afdalen, al gauw vergeten.

De koningsdochter is nu heel verdrietig, maar leed kan voor een verandering zorgen. 
Diep in de ziel sluimeren nog allerlei krachten. Die zijn in de kindertijd niet bewust aanwezig, 
Als de ziel bedroefd is omdat de kosmische wijsheid weggezonken is, kunnen er krachten naar boven komen. 
In dit sprookje verschijnen deze in het beeld van de kikker. In het beeld van het Ik.

Wie over de kikker nadenkt, komt bij verschillende kwaliteiten. Hij leeft in twee werelden: die van het water en van het land. Bovendien is hij heel gevoelig voor de atmosfeer. Hij is niet voor niets de ‘weerprofeet’. 
Een dromer is de mens die zich niet zo gemakkelijk begeeft op ‘de bodem van de feiten’, die makkelijk in zichzelf verzinkt – wegdroomt – zijn nek niet uitsteekt en het het liefst in zijn element blijft. Dat doet de kikker nu juist niet.
Het Ik wil met de ziel ‘optrekken’: de persoonlijke ontwikkeling moet beginnen.
Maar het Ik is hier nog in de gedaante van de kikker en dat zorgt voor een crisissituatie. Terecht voelt de koningsdochter afkeer. Ze moet het samenleven met deze kracht nog afwijzen. Deze kan zich alleen nog pas uiten als drift, als dierlijke kracht. 
Maar de koning, de heersende kracht in de ziel, weet meer: de ziel moet bereid zijn de ontwikkelingsweg van het Ik in te willen slaan, ook als dat tot moeilijkheden leidt. De deur moet voor de kikker worden geopend.

Toen zij de volgende dag met de koning en de hele hofhouding aan tafel zat en van haar gouden bordje at, kwam daar klits-klats, klits-klats iets de marmeren trap opkruipen en toen het boven was aangeland klopte het op de deur en riep: ‘Koningsdochter, jongste, doe eens open.’ Zij liep naar de deur om te zien wie er buiten stond. Toen zij echter opendeed zat de kikker voor de deur. Zij wierp die haastig dicht, ging weer aan tafel zitten en was heel bang. De koning zag wel dat haar hart hevig klopte en sprak: ‘Mijn kind, wat is er, ben je misschien bang dat er een reus voor de deur staat, die je wil meenemen?’ – ‘Ach neen,’ antwoordde zij, ‘het is geen reus maar een lelijke kikker.’ – ‘Wat wil die kikker van je?’ – ‘Ach, lieve vader, toen ik gisteren in het bos bij de bron zat te spelen, viel mijn gouden bal in het water, en omdat ik zo schreide heeft de kikker hem weer naar boven gehaald en omdat hij het volstrekt wilde, beloofde ik hem dat hij mijn kameraad kon worden, maar ik had nooit gedacht dat hij uit het water zou kunnen komen; nu staat hij daarbuiten en wil bij mij binnenkomen.’ -Intussen klopte de kikker voor de tweede maal en riep:

‘Koningsdochter, jongste,
doe open.
Weet je niet wat je gisteren
tegen mij hebt gezegd
bij het koele bronwater?
Koningsdochter, jongste,
doe open.’

Toen zei de koning: ‘Wat je beloofd hebt, daaraan moet je je ook houden, ga hem maar opendoen!’ Zij stond op om de deur te openen en daar sprong de kikker naar binnen en volgde haar op de voet tot aan haar stoel. Daar zat hij en riep: ‘Til mij op.’ Zij aarzelde tot de koning het ten slotte beval. Toen de kikker eenmaal op de stoel zat wilde hij op de tafel en toen hij daar zat sprak hij: ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’ Dat deed zij wel, maar het was duidelijk te zien dat zij het niet leuk vond. De kikker liet het zich goed smaken, maar haar bleef bijna iedere hap in de keel steken. Ten slotte sprak hij: ‘Ik heb mijn buikje rond gegeten en ik ben moe; draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ De koningsdochter begon te schreien en was bang voor de koude kikker die zij niet durfde aanraken en die nu in haar mooie schone bedje moest slapen. Maar de koning werd toornig en sprak: ‘Iemand die je geholpen heeft in de nood, mag je daarna niet verachten.’

“Til me op’ zegt de kikker en in het Duits staat er nog bij dat hij naast haar wil zitten. 
Hij wil niet laag in het verborgene leven als een dof instinct – ik wil op gelijke hoogte leven, ik wil op het niveau van bewustzijn komen. ‘Schuif nu je gouden bordje dichter naar mij toe, zodat wij samen kunnen eten.’
Goud is het metaal van de zon die licht en leven brengt. Goud houdt zijn waarde, glanst en is het symbool voor al het blijvende dat edel is, voor de verwantschap die de ziel met de zon heeft. Dat is de wijsheid die verwarmt en licht brengt. Het licht is geen reflectie maar een echt eigen licht.

Het gaat om de wijsheid: die moet de basis vormen voor de Ik-geest en de ziel: het gouden bordje dat ze samen delen. ‘Draag mij nu naar je kamertje en maak je zijden bedje op, dan gaan wij slapen.’ In het Duits staat ‘hinlegen’ – ons neerleggen, er a.h.w. nestelen, ons thuis van maken. Met het ‘kamertje’ is het hart als kamer bedoeld. De geestelijke plaats waar Ik en ziel elkaar kunnen ontmoeten, maar ook moeten ontmoeten om elkaar te leren kennen.

Toen pakte zij hem met twee vingers op, droeg hem naar boven en zette hem in een hoek. Maar toen zij in bed lag kwam hij aankruipen en sprak: ‘Ik ben moe, ik wil net zo goed slapen als jij, til mij op of ik zeg het aan je vader.’ Toen werd zij pas goed boos, pakte hem op en smakte hem zo hard zij kon tegen de muur. ‘Nu kan je rusten, jij lelijke kikker.’ Maar toen hij naar beneden viel was hij geen kikker meer, maar een koningszoon met mooie vriendelijke ogen. En nu was hij zoals haar vader wilde, haar lieve metgezel en echtgenoot.

In het Duits staat hierbij nog dat de jonge prins haar lieve metgezel was en dat zij hem respecteerde en dat ze tevreden samen in slaap vielen.

Lenz zegt aan het begin van haar uitleg dat ze de ‘oorspronkelijke tekst’ gebruikt. Daarin wordt niets gezegd over de betovering waarover de prins spreekt.

Toen vertelde hij haar dat hij door een boze heks was betoverd en dat niemand hem uit de bron had kunnen verlossen dan zij alleen en morgen zouden zij samen naar zijn rijk gaan. Daarop vielen zij in slaap en de volgende ochtend toen de zon hen wekte kwam er een wagen aanrijden, bespannen met acht witte paarden die witte struisveren op het hoofd hadden en in gouden kettingen liepen en achterop stond de dienaar van de jonge koning, dat was de trouwe Hendrik. De trouwe Hendrik was zo bedroefd geweest toen zijn heer in een kikker werd veranderd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten slaan opdat het niet van smart en droefenis zou breken. De wagen moest de jonge koning afhalen om hem naar zijn rijk te brengen. De trouwe Hendrik hielp hen beiden instappen, ging weer achterop staan en was zeer verheugd over de verlossing. En toen zij een eind gereden hadden, hoorde de koningszoon een gekraak achter zich alsof er iets brak. Toen draaide hij zich om en riep:

‘Hendrik, de wagen breekt.’
‘Neen, Heer, de wagen niet,
Het is een band van mijn hart
Dat daar lag in grote smart
Toen u woonde in de bron
Waar u als een kikker zwom.’

Nóg een keer en nóg een keer kraakte het onderweg en de koningszoon meende steeds dat de wagen brak en toch waren het alleen maar de banden die los sprongen van het hart van de trouwe Hendrik omdat zijn heer verlost en gelukkig was.

Wanneer het Ik en de ziel elkaar willen leren kennen, moet de heersende kracht in de ziel – de koning – nog een keer ingrijpen. Bij deze kennis hoort onvoorwaardelijk dat het Ik verandert en ‘hoger’ wordt. Uit een driftmatige innerlijke beleving in dierengestalte moet het zich ontwikkelen tot een Ik dat inzicht heeft en verstandig kan denken, gericht op de wereld.
Dan ontstaan ook de gedachten die weer bevruchtend op de ziel werken en de ‘gezel’ wordt de ‘echtgenoot’.
De koninklijke bruiloft kan worden gevierd.

Hier wil Lenz niet ingaan op ‘IJzeren Hendrik. Volgens haar is die in deze samenhang niet belangrijk.

1 Grimm kikkerkoning 3.jpg

Sprookjes  alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2335

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Verhalen na Driekoningen

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
Bij Kerstmis: alle verhalen vind je meer van deze legenden
.

DE ROOS VAN JERICHO
.

Een plant, die nooit sterft ! Een wonder der natuur – honderden jaren levend zonder water en grond. In extreme hitte en kou. Deze merkwaardige plant kan men zo vaak men wil laten bloeien en weer laten indrogen. Zonder tuin en zonder grond, zowel binnen als buiten. Wie haar voor het eerst ziet, houdt het niet voor mogelijk, dat uit deze ogenschijnlijk levenloze knol binnen enkele minuten een groen gewas kan ontstaan. Om de roos van Jericho tot bloei te brengen, overgiet men haar met koud, warm, heet, of zelfs kokend water, dat normaal gesproken elk plantaardig leven zou vernietigen. Dan beleeft u een bijna onvoorstelbaar wonder der natuur. Er komt nieuw leven in de ogenschijnlijk levenloze bladeren. De afzonderlijke twijgen openen zich, meer en meer, en na enkele uren is de roos prachtig vol en groen geworden. Dan neemt men de roos uit het water, legt haar op een bord en geeft haar elke dag vers water. De roos van Jericho mag maar 8 dagen vochtig blijven en moet dan op een droge en warme plaats gelegd worden. Na ± 2 dagen is de roos weer helemaal ingedroogd, zodat men dit wonderlijke schouwspel steeds weer kan herhalen.’ (Een meer botanische beschrijving van de plant)

Uit Palestina

Deze roos in dit verhaal bloeit in het rood.

Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk! De oneindige woestijn lag achter de vluchtende Maria. Voor haar gelukkige ogen strekte zich het gezegende land Egypte uit waarnaar ze zo verlangd had. Het lag daar als een bloemrijk tapijt waardoorheen de Nijl zich kronkelde als een zilveren lint. Haar hart maakte zeven vrolijke sprongetjes en het vergat alle nood en alle moeite van de zware tijd. Door gevoelens van dank overspoeld, knielde Maria neer waar ze stond, in het gloeiende zand dat in die ellendige dagen aan de zoom van haar kleed gevreten had en haar voetzolen tot bloedens toe verwond. Ze dankte de hemel voor de onmetelijke bijstand waarmee hij haar en het Kind tot hier toe had geleid. Maar toen ze na in dank verzonken te zijn geweest, weer ging staan, zag ze het stukje aarde dat haar knieën beroerd hadden: het was met mooie, tere roosjes bedekt, die als purperrode bloeddruppels in het dorre woestijnzand oplichtten. En toen de heilige Moeder omkeek naar de verte waaruit ze in een moeilijke tocht gekomen was, zag ze die weg als was het een rode, slingerende band. Op alle plaatsen waar haar vluchtende voeten, de waaiende zoom van haar kleed de aarde hadden aangeraakt, waren rode rozenbloesems uitgelopen en op de randen van de sierlijke voetafdruk die de smalle voet van de Godsmoeder in het zand had achtergelaten, hadden de kleine goud-rode plukjes zich als in kleine bloembedjes verzameld. En die rode band liep tot in de verte waar de vlucht was begonnen.

Wanneer pelgrims naar het Heilige Land trekken, is de woestijnroos het enig levende waar hun oog op rusten kan en die met haar geur de reiziger verkwikt. Op geen andere plek in de wereld kan deze wonderbloem groeien. De behoedzame hand van de vrome pelgrim neemt ze als een heilig voorwerp mee terug naar het Avondland als prachtig aandenken. En in alle kloosterschatten ter wereld bevinden zich zulke woestijnrozen zoals de pelgrims ze noemden. 

Door een wonder ontstaan verbergt de roos van Maria nog een wonder. Elk jaar in de kersttijd opent ze, zonder dat ze wortelt, haar goudrode hart en groeit en bloeit maar door tot de kerstnacht waarin ze haar diep rode glans bereikt. Ze kan nog zo dor worden, oud, verdroogd, ze gaat nooit ten gronde, want een zweem van de onsterfelijkheid heeft haar leven gezegend. Zelfs rozen die duizend jaar oud zijn, bloeien in de heilige nacht weer op. En de mensen laten zich door haar de toekomst voorspellen. Een bloem die je toelacht voorspelt een goed jaar van geluk en voorspoed. 

Tussen de opgeluchte herinnering aan moeite en het verlangen naar vredig geluk is eens de roos van de Godsmoeder tot bloei gekomen. Terwijl de smartelijke en vreugdevolle gedachten de harde lijdensweg van de vlucht terug vervolgden en het verlangen naar eindelijk rust en vrede zich vooruit haastten, bloeide de levende roos uit het dorre woestijnzand op: niets anders dan een symbool van het leven dat een gaan is door de woestijn tussen herinnering en verlangen. En steeds zal ook in deze dorre streek een feestdag zijn, een Heilige Nacht waarin zelfs de meest verdorde roos kan opbloeien als een levend rood hart. 

.
Hier zie je hoe de plant zich ontwikkelt

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2329

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/8)

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Märchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen

.

EENOOGJE, TWEEOOGJE, DRIEOOGJE

Lenz begint haar uiteenzetting van dit sprookje met de verrassende en misschien ook wel gewaagde opmerking dat de titel fout gesteld is: niet ‘Eenoogje, Tweeoogje, Drieoogje’, maar Eenoogje, Drieoogje, Tweeoogje’ zou het sprookje moeten heten. 
Het is geen cijfervolgorde. De motieven laten dat zien.

Er was eens een vrouw die had drie dochters, waarvan de oudste ‘Eenoogje’ heette, omdat zij maar één oog had, midden op haar voorhoofd, en de middelste ‘Tweeoogje’, omdat zij twee ogen had net als andere mensen, en de jongste ‘Drieoogje’, omdat zij drie ogen had en bij haar zat het derde eveneens midden op haar voorhoofd.

Het motief van het ene oog komt in de beeldende verhalen zoals de mythen, vaker voor. In de Germaanse mythologie geeft Odin zijn oog als onderpand om uit de bron van Mimir te kunnen drinken om zo wijsheid en verstand te kunnen bemachtigen.

Uit de Edda:

Mimirs bron  (vroegere spelling niet aangepast)

‘Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, „de fontein van alle wetenschap en wijsheid”, in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven. De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;
Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.
Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;
Hij gaf ’t aan Mimir, in zijn bron, te pand,
Dat hij er hale water, ’t welk geneest,
Dit oog tot sterking, ied’ren nieuwen dag.
Oehletischlager

Noorsche Mythen – H.A.Gurber

Ook vinden we in de Edda Baldur, de lichtgod, door ieder geliefd, die in ‘Breidablick’ woont en er ‘de brede blik’ heeft, werd door zijn broer, de blinde Hödur gedood. Baldur vertegenwoordigde het vermogen dat de mens in die zalige tijd had om te kunnen ‘schouwen’. Deze goddelijke gave ging verloren en ervoor in de plaats kwam de blindheid van die niet ‘ziende’ Hödur.
Odin wilde in de toekomstige ontwikkelingen kunnen zien. Dat kon alleen als hij doormaakte wat Baldur aan de mensheid bracht: afzien van helderziendheid. En Odin offerde – niet een oog – maar zijn oog.

Ook in de verhalen over Odysseus van Homerus vinden we het motief van ‘het ene oog’. Odysseus is listig, een verstandsmens. Hij gaat over zee: de eindeloze verte en grondeloze diepte van de ziel waar hij moet ‘stand’houden en een vaste bodem winnen, met zijn denken. In een grot stuit hij op de cycloop Polyphemos, de ‘rondziende’, met één oog. Odysseus vernietigt dat oog: de verstandsmens moet zegevieren over de oude atavistische kennis. Oude tijden moeten worden afgewisseld door nieuwe.

Een verandering van bewustzijn in de mensheid; we zien dat terug in de ontwikkeling van de individuele mens bij wie het bewustzijn gedurende zijn ontwikkeling aan voortdurende verandering onderhevig is. Van de kinderen kunnen we zeggen dat ze in hun dromerige, nog slapende bewustzijn iets hebben van deze tijd van ‘het eenogige’.
We zien dat zelfs tot in deze tijd terug bij stammen die onontdekt tot op heden een leefwijze hadden waarin het atavistische een sterke rol speelt. Maar ook in ons land waar enkele eeuwen terug nog veel atavistische kennis rondwaarde m.n. op het platteland zoals terug te vinden is in de sagen uit die streken. (“Het kleine volkje’,  ‘de witte wiven’ waren voor de mensen nog beleefbare realiteiten.)

Ook is volgens Lenz de ‘drie-ogige mens’ onder ons, zij het vooral buiten de cultuur van het Avondland. Enerzijds is er de wakkerheid voor de zintuigwereld, maar oude helderziende krachten werken daar toch nog in door wat het puur logische denken in de weg staat. De westerse mens is vooral de ‘twee-ogige’ mens. Door waarnemen en denken vormt hij zijn voorstellingen en begrippen waarbij wakker-denkend zijn Ik aanwezig is.
De overgang van ‘één oog’ en ‘drie ogen’ naar twee betekent wel een verarming.
In de mythologische tijd is er sprake van een ‘godenschemering’; ‘God is dood’, maar ook wordt er een toekomst gezien die weer anders is: Baldur keert weer, wanneer alle wezens huilen.

Ook de individuele mens van nu kan nog beschikken over atavistische vermogens, ze kunnen zelfs sterk zijn en de zich ontwikkelende ziel voor problemen plaatsen: het verleden in strijd met de toekomst.
Dat motief is ook terug te vinden in dit sprookje. Hierin gaat het om mensheids- én individuele motieven.

Maar omdat Tweeoogje er niet anders uitzag dan andere mensenkinderen, konden haar zusters en haar moeder haar niet uitstaan. Zij zeiden tegen haar: ‘Jij met je twee ogen bent niet beter dan het gewone volk. Je hoort niet bij ons.’ Zij duwden haar van de ene hoek in de andere, wierpen haar oude kleren toe en gaven haar niet meer te eten dan wat zij overlieten en zij deden haar op alle mogelijke manieren verdriet.

Nu gebeurde het dat Tweeoogje naar het veld moest om de geit te hoeden, maar zij had nog erge honger, omdat haar zusters haar zo weinig te eten hadden gegeven. Toen ging zij aan de rand van het veld zitten en begon zo te huilen, dat er twee beekjes uit haar ogen naar beneden liepen.

Denken, voelen en willen kunnen we beschouwen als de drie basiskrachten van de ziel. In de beeldentaal van het sprookje zijn dat de drie dochters van de moeder. We zien dat de moeder meer heeft met wat naar het verleden neigt. In het voelen heeft het ‘dromende’ de overhand. Als zodanig sterk verwant met het oude dromerige helderzien – eenoogje. Het denken met het verstandselement – drieoogje – leeft sterk verbonden met het waarnemen, maar wat daarvan het gevolg kan zijn – dat ‘de dingen voor zichzelf spreken’ – wat Steiner in zijn Theosofie ‘geest’ noemt – is hier  nog niet aan de orde, het wordt half dromend beleefd.
Alleen de derde dochter – tweeoogje – leeft volledig in de zintuigwereld, de wil is vooral gericht op de wereld. Terwijl de moeder en de twee andere dochters nog dromend-helderziende ervaringen hebben, waaraan ze genoeg hebben en die hen volledig tevreden stellen, heeft de ziel die daar vrij van is geworden, honger naar ander voedsel. Dat is er nog niet, ze kan nog niet iets anders uitstralen: haar aura verbleekt: haar kleren worden slecht.

Maar toen zij in haar diepe ellende even opkeek, stond er een vrouw naast haar die vroeg: ‘Tweeoogje, waarom huil je?’ Tweeoogje antwoordde: ‘En zou ik niet huilen? Omdat ik twee ogen heb net als andere mensen, kunnen mijn zusters en mijn moeder mij niet uitstaan, duwen mij van de ene hoek in de andere, gooien mij oude kleren toe en geven mij niets anders te eten dan wat zij overlaten. Vandaag hebben zij mij zó weinig gegeven dat ik nog ontzettende honger heb.’ De wijze vrouw sprak: ‘Tweeoogje, droog je tranen. Ik zal je iets zeggen en dan hoef je geen honger meer te hebben. Zeg alleen tegen je geit:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop, zodat je eten kunt zoveel je maar wilt. Als je genoeg hebt en je hebt het tafeltje niet meer nodig, zeg dan alleen:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

dan verdwijnt het weer.’ Daarop ging de wijze vrouw weg. Doch Tweeoogje dacht: Ik moet meteen eens proberen of het waar is wat zij heeft gezegd, want ik heb ontzettende honger en zij sprak:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of daar stond een tafeltje, gedekt met een wit kleedje, waarop een bord stond met een mes en een vork en een zilveren lepel en er omheen stonden de heerlijkste spijzen die dampten en nog zó warm waren alsof ze pas uit de keuken kwamen. Toen zei Tweeoogje het kortste gebed op dat zij kende: ‘Heer God, wees te allen tijde onze gast. Amen.’ Zij tastte toe en liet het zich goed smaken. Toen zij genoeg had sprak zij, zoals de wijze vrouw haar had geleerd:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

Meteen was het tafeltje met alles wat erop stond weer verdwenen. Dat is nog eens huishouden, dacht Tweeoogje en was opgewekt en in haar nopjes.

Wanneer de ‘tweeoogjesziel’ het verlies van haar geestelijk kunnen stralen, gelaten accepteert, komt er geen hulp. Wanneer ze daar echter onder leidt – het meisje zegt dat ze huilt van ontbering – dan vindt de verandering plaats. Wanneer alle wezens huilen, komt Baldur terug, staat in de Germaanse mythe. Een diepe smart over een grote ontbering veroorzaakt weer helderziendheid, wereld-helderziendheid. Leed doet veranderen. Terwijl Tweeoogje huilt, verschijnt de raadgevende oude vrouw. We kennen haar allemaal en weten hoe vaak we haar niet gevolgd hebben om achteraf te zeggen: had ik mijn voorgevoelens maar gevolgd! (Het Duits heeft hier voor voorgevoel ‘Ahnung’  ‘Ahne’ -voorouder in stamverband – en ‘Ahnung’ zijn verwante woorden. ‘Ahnendes Wissen’ – een weten vanuit een soort bijna-zekerheid komt tevoorschijn bij kommer en nood en geeft wijze raad; ‘ Zeg alleen tegen je geit: ‘Geitje mek  Tafeltje dek, dan zal er een keurig gedekt tafeltje voor je staan met heerlijk eten erop.
In het Duits zegt men tegen een nieuwsgierig aagje wel: ‘Jij, nieuwsgierige geit!’ en gebruikt zonder het te beseffen een oud beeldwoord. Er is inderdaad bijna geen dier dat zo nieuwsgierig om alle hoekjes en hekjes kijkt en aan alle grasjes en twijgjes sabbelt. Zij werd het symbool van die drift die we nieuw(s)gierigheid noemen: verlangen naar het nieuwe, in de zin van ‘weet’gierig: verlangen – begeerte- naar het (te) weten.
Duits: ‘de geit naar de weide brengen’ betekent: zijn natuurlijke weetgierigheid gebruiken, dus de zintuigwereld in je opnemen.
(Interessant dat Martin Toonder in zijn verhalen over Ollie B .Bommel, de wetenschapper professor Sickbock als geit voorstelt.)
Nu brengt Tweeoogje de geit naar de weide, maar zij heeft toch nog zo’n honger nadat ze opgegeten heeft wat de moeder en de zusters haar aan karig voedsel hebben meegegeven: de resten van het oude weten.
De moderne ziel kan zich daarmee echter niet meer voeden, maar er is ook nog niets nieuws. En ze voorvoelt: ik mag niet tevreden zijn met de karige resten van het verleden die mij niet meer voeden; ik moet zelf actief worden en voor vers voedsel zorgen. Dat moet dan gebeuren met hulp van het verlangen dat weetgierigheid heet, waardoor de wereld opengaat. Ik moet het verlangen naar het nieuwe intensiveren dat het spreekt, uitspraken doet en mij leert. Wanneer nieuwsgierigheid de uiterlijke zintuigwereld zo grondig en liefdevol bekijkt, valt haar innerlijk voedsel ten deel: de tafel wordt gedekt.

’s Avonds toen zij met haar geit thuiskwam, vond zij een aarden schoteltje met eten dat haar zusters voor haar hadden neergezet, maar zij raakte het niet aan. De volgende dag trok zij er met haar geit weer op uit en liet de brokken, die haar gegeven werden, liggen. De eerste en de tweede maal sloegen de zusters er geen acht op, maar toen het vaker gebeurde viel het hun op en zij zeiden: ‘Er is iets niet in orde met Tweeoogje; zij laat iedere keer haar eten staan, anders at zij toch alles op wat haar werd gegeven – zij moet er iets anders op gevonden hebben.’ Om achter de waarheid te komen zou Eenoogje meegaan als Tweeoogje haar geit naar de wei dreef en zij zou goed opletten wat zij deed en of iemand haar soms eten en drinken bracht. Toen nu Tweeoogje weer op stap wilde gaan kwam Eenoogje op haar af en sprak: ‘Ik ga mee naar het veld om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Eenoogje in de zin had, zij dreef de geit het hoge gras in en zei: ‘Kom Eenoogje laten wij gaan zitten, dan zal ik iets voor je zingen.’ Eenoogje ging zitten, ze was moe geworden van de wandeling waaraan zij niet gewend was en van de hitte van de zon en Tweeoogje zong steeds:

‘Eenoogje waak je?
Eenoogje slaapje?’

en Eenoogjes ene oog ging dicht en zij viel in slaap. Toen Tweeoogje zag dat Eenoogje vast in slaap was en niets kon verraden, sprak zij:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

en zij ging aan haar tafeltje zitten en at en dronk tot zij genoeg had en riep toen weer:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en ogenblikkelijk was alles verdwenen. Tweeoogje wekte Eenoogje en zei: ‘Eenoogje, jij wilt hoeden en je slaapt erbij in! Onderwijl had de geit overal naar toe kunnen lopen; kom, laten wij naar huis gaan.’ Zij gingen naar huis en Tweeoogje liet haar schoteltje weer onaangeroerd staan en Eenoogje kon haar moeder niet vertellen waarom zij niet wilde eten en zei ter verontschuldiging: ‘Ik ben daarbuiten in slaap gevallen.’

Eenoogje kan dit wonder helemaal niet waarnemen, ze slaapt in als de geit op de wei is. Mensen die op dit niveau blijven staan, leren nooit de bevrediging kennen die ons ten deel kan vallen wanneer we onze uiterlijke zintuigen gebruiken. En als innerlijke gebeurtenis beschouwd: zolang de gewaarwordende ziel in ons een dagdromer is, kan deze niet deelhebben aan wat de willende ziel van vreugde en voldaanheid kan beleven.

De volgende dag zei de moeder tegen Drie-oogje: ‘Deze keer moet jij meegaan en opletten of Tweeoogje buiten eet en of iemand haar eten en drinken brengt, want dat zij in het geheim eet en drinkt is zeker.’ Toen kwam Drieoogje op Tweeoogje af en zei: ‘Ik ga mee om te kijken of je de geit wel behoorlijk hoedt en zorgt dat ze voldoende voer vindt.’ Maar Tweeoogje begreep wel wat Drieoogje in de zin had en dreef de geit naar buiten het hoge gras in en zei: ‘Laten wij daar gaan zitten, Drieoogje, dan zal ik wat voor je zingen.’ Drieoogje ging zitten, moe van de weg en de warmte van de zon en Tweeoogje begon weer het oude liedje te zingen:

‘Drieoogje waak je?’

maar in plaats van te zingen:

‘Drieoogje slaap je?’

zong zij bij vergissing:

‘Tweeoogje slaapje?’

en zo zong zij steeds:

‘Drieoogje waak je?

Tweeoogje slaap je?’

Toen vielen er twee ogen van Drieoogje dicht en sliepen in maar het derde viel niet in slaap omdat het door het spreukje niet was toegesproken. Drieoogje deed het weliswaar dicht, maar alleen uit slimmigheid, net alsof zij daar ook mee sliep, maar zij knipperde ermee en kon alles heel goed zien. Toen Tweeoogje dacht dat Drieoogje vast in slaap was zei zij haar spreukje:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

at en dronk naar hartelust en beval het tafeltje daarna weer weg te gaan:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en Drieoogje had alles gezien. Daarna kwam Tweeoogje bij haar en zei: ‘Hé, Drieoogje, ben je ingeslapen? Jij bent me ook een hoedster! Kom laten wij naar huis gaan.’ Maar toen zij thuis kwamen at Tweeoogje weer niet en Drieoogje zei tegen haar moeder: ‘Nu weet ik waarom dat hoogmoedige kind niet eet; als zij buiten tegen de geit zegt:

‘Geitje mek
Tafeltje dek’

dan staat er opeens een tafeltje voor haar waar het lekkerste eten op staat, veel lekkerder dan wij hier hebben en als zij genoeg heeft zegt zij:

‘Geitje mek
Tafeltje weg’

en alles is weer verdwenen. Ik heb het heel goed gezien. Twee van mijn ogen heeft zij door een spreukje laten inslapen, maar dat ene op mijn voorhoofd is gelukkig wakker gebleven.’ Toen riep de jaloerse moeder: ‘Wil jij het beter hebben dan wij? Dat zal ik je betaald zetten.’ Zij haalde een slachtmes en stootte dat in het hart van de geit zodat ze dood neerviel.

Anders dan Bij Eenoogje is het met de ziel van Drieoogje gesteld; zij beschikt al over het bewustzijn van de haar omringende wereld en leeft denkend in de zintuigwereld; bovendien is ze ook nog helderziend. Omdat ze op beide terreinen schouwend kan zijn, weet ze waarvan Tweeoogje eet en het proces van ‘tafeltje dek je’ kan ze doorzien. Omdat ze toch voornamelijk op het verleden gericht is, wijst ze de wetenschap van de toekomst af en ze wordt hoogmoedig en gedraagt zich als een verrader. Daardoor wordt het oude in de mens tot verzet opgeroepen en het onschuldige, natuurlijke verlangen van de weetgierigheid die voor de wilskant van de ziel zo belangrijk is (de geit) wordt gedood. Messcherpe kritiek, het scherpe oordeel, vernietigende spot, het verdicht zich en wordt tot een slachtmes dat de geit doodt.

Toen Tweeoogje dat zag liep zij heel bedroefd naar buiten, ging aan de rand van het veld zitten en schreide bittere tranen. Daar stond plotseling de wijze vrouw weer naast haar die zei: ‘Tweeoogje waarom huil je?’ -‘Zou ik niet huilen?’ antwoordde zij, ‘de geit die iedere dag als ik uw spreukje uitsprak de tafel zo mooi voor mij dekte, is door mijn moeder doodgestoken; nu moet ik weer honger en gebrek lijden.’ De wijze vrouw sprak: ‘ Tweeoogje, ik zal je een goede raad geven: vraag je zusters om de ingewanden van de geslachte geit en begraaf die in de grond, voor de huisdeur, dat zal je geluk brengen.’ ‘Toen verdween zij en Tweeoogje ging naar huis en zei tegen haar zusters: ‘Lieve zusters, geef mij toch iets van mijn geit, ik verlang niets bijzonders, geef mij alleen maar de ingewanden.’ Toen begonnen zij te lachen en zeiden: ‘Als dat alles is, dat kun je wel krijgen.’ En Tweeoogje nam de ingewanden en begroef ze ’s avonds in alle stilte voor de huisdeur, volgens de raad van de wijze vrouw.

Tweeoogje is nu in een grote crisis terechtgekomen. Het naïeve, goedgelovige verlangen is gestorven en opnieuw dreigt de honger. Maar uit het verdriet wordt het voorvoelende weten geboren. De oude vrouw geeft raad: ze moet de ingewanden van de geit voor de huisdeur in de grond begraven.
Voor be-graven of in-graven, kan je ook zeggen ‘verzinken’. Iets doods wordt in de aarde neergelaten. Dit ‘verzinken’ of ‘bezinken’ kennen we als uitdrukking bij iets wat we denkend willen verdiepen, willen bewaren. Wanneer je iets laat bezinken, laat je het rusten. Het komt ooit weer nieuw terug en vaak pluk je er de vruchten van.
De ingewanden van de geit begraven betekent de innerlijke kwaliteit van dit verlangen verdiepen, dit helemaal in de aarde laten opgaan. Terwijl de gevoelens en gedachten van het andere deel (moeder en zusters) afkerig van het aardse waren, moet nu juist de inhoud van het verlangen de zintuigwereld te veroveren ‘verdiept’ worden en de kennis moet op het aardse worden gericht.
Doden betekent in materialistische zin: be-eindigen. In geestelijke zin: veranderen. De naïeve begeerte werd gedood en moet nu gemetamorfoseerd worden.

De volgende morgen toen zij allen ontwaakten en gezamenlijk de voordeur uitgingen, stond daar een wonderbaarlijke prachtige boom die zilveren bladeren had, waar gouden vruchten tussen hingen, zodat er wel niets schoners en heerlijkers bestond op de hele wereld. Maar zij wisten niet hoe die boom daar ’s nachts was gekomen; alleen Tweeoogje begreep dat hij uit de ingewanden van de geit was gegroeid, want hij stond precies op de plek waar zij die in de aarde had begraven.

De metamorfose brengt de zilveren boom met de gouden vruchten. Wanneer wij zeggen ‘alles in mij – het Duits heeft hier ‘aufbäumen’ = verzet zich, komt in opstand, wordt het beeld van de boom gebruikt. 
Ons zenuwsysteem groeit en vertakt zich als een boom. De ziel die tot een voltooiing is gekomen, was tot dan toe met grote interesse gericht op de indrukken van de buitenwereld en nam ze zo in zich op dat zij daar volledig haar voedsel uit kon halen. Deze prille relatie werd verstoord door de remmende, naar achter gerichte krachten. Ze ziet in dat alles ver-diept moet worden. Dat betekent echter: het denkend en kennend doordringen. In het beeld van het zilver kan dit verstandsdenken zich voordoen, maar hoe mooi en glanzend het kan  zijn, daarmee is het nog geen echte wijsheid, slechts een weerspiegeling, een afspiegeling. Zoals de zilveren maan de zon weerspiegelt, zo weerspiegelt het de echte wijsheid. In zijn koelte is het verwant aan de maan, terwijl de wijsheid warm is, met de zon verwant. 
Wanneer Tweeoogje die in de zintuigwereld leeft vanuit de waarneming en voorstellingen tot begrippen gekomen is en nu denkend de wereld begrijpt, lijkt haar ‘zenuwboom’ op een zilveren boom en deze boom draagt een heerlijke vrucht, de gouden appel.
Het Paradijs ging verloren toen de mens de appel plukte van de boom van de kennis van het goed en kwaad. Waarom werd de appel het symbool van de zondeval? 
De appel, hier het prototype van de sappige vrucht, is – zoals alle – botanisch beschouwd – een schijnvrucht, want deze groeit niet vanuit het vruchtbeginsel naar boven zoals een ‘echte’ vrucht, maar naar onder toe; het is een opzwelling van de vruchtbodem, vanuit een onderstandig vruchtbeginsel.
De mens, de meest edele vrucht uit de tuin van God, zonderde zich af uit een ‘boven’ goddelijke wereld, waar zijn thuis was, en ‘viel’ met zijn bewustzijn in de lagere zintuigwereld, uit de af-zonde-ring ontstond de zonde. Bij het kennen van het goede, kwam het kennen van het kwade. Deze appel wordt in ons sprookje tot een gouden appel, want die is in wijsheid omgevormd. Tweeoogje heeft de stoffelijke zintuigwereld denkend als door de geest geschapen herkend. Met recht kan het sprookje zeggen: Er is niets schoners en heerlijkers dan deze boom.

Toen zei de moeder tegen Eenoogje: ‘Klim naar boven mijn kind, en pluk voor ons de vruchten van de boom.’ Eenoogje klom naar boven, maar toen zij een van de gouden appels wilde grijpen, gleed de tak uit haar handen en dat gebeurde iedere keer, zodat zij geen enkele appel kon plukken, hoe zij haar best ook deed. Toen zei de moeder: ‘Drieoogje, klim jij naar boven. Jij kunt met je drie ogen beter om je heen kijken dan Eenoogje.’ Eenoogje gleed naar beneden en Drieoogje klom naar boven. Maar Drieoogje was niet handiger, zij mocht rondkijken wat zij wilde, de gouden appels weken steeds terug. Tenslotte werd de moeder ongeduldig en klom zelf naar boven, maar kon net zo min als Eenoogje en Drieoogje de vruchten plukken en greep steeds in de lucht. Toen zei Tweeoogje: ‘Ik zal eens naar boven klimmen, misschien lukt het mij beter.’ De zusters riepen weliswaar: ‘Jij met je twee ogen, wat denk je wel!’ maar Tweeoogje klom naar boven en de gouden appels trokken zich voor haar niet terug, maar vielen vanzelf in haar handen, zodat zij de ene na de andere kon afplukken en een schortje vol mee naar beneden bracht. De moeder nam ze haar af en in plaats dat Eenoogje en Drieoogje het arme Tweeoogje nu beter behandelden, waren zij jaloers omdat zij alleen de vruchten kon plukken en zij behandelden haar hardvochtiger dan ooit.

Toen zij nu eens samen bij de boom stonden, gebeurde het dat er een jonge ridder aankwam. ‘Vlug Tweeoogje,’ riepen de twee zusters, ‘verstop je, zodat wij ons niet voor je hoeven te schamen,’ en in aller ijl zetten zij een leeg vat, dat toevallig naast de boom stond, over het arme Tweeoogje heen en zij schoven de gouden appels die zij geplukt had er ook onder. Toen nu de ridder naderbij kwam, bleek het een schone jongeling te zijn; hij hield stil, bewonderde de prachtige boom van goud en zilver en zei tot de beide zusters: ‘Van wie is deze mooie boom? Wie mij daarvan een tak geeft, kan wensen wat hij maar wil.’ Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat de boom hun toebehoorde en zij wilden wel een tak voor hem afbreken. Zij deden beiden erg hun best, maar zij waren er niet toe in staat, want de takken en de vruchten weken telkens terug. Toen zei de ridder: ‘Dat is wel wonderlijk: als de boom u toebehoort en u hebt toch niet de macht er iets van af te plukken.’ Zij hielden vol dat de boom hun eigendom was, maar terwijl zij zo spraken rolde Tweeoogje een paar gouden appels vanonder het vat naar buiten, zodat ze voor de voeten van de ridder terechtkwamen, want Tweeoogje was boos omdat Eenoogje en Drieoogje de waarheid niet zeiden. Toen de ridder de appels zag was hij verbaasd en vroeg waar ze vandaan kwamen. Eenoogje en Drieoogje antwoordden dat zij nog een zuster hadden, maar die mocht zich niet vertonen, omdat zij slechts twee ogen had net als gewone mensen. Maar de ridder wilde haar zien en riep: ‘Tweeoogje, kom te voorschijn!’ Toen kwam Tweeoogje onbevreesd onder het vat vandaan en de ridder was verbaasd over haar schoonheid en zei: ‘Tweeoogje, jij kunt zeker wel een tak voor mij van die boom afplukken.’ – ‘Ja,’ antwoordde Tweeoogje, ‘dat kan ik zeker, want de boom is van mij,’ en zij klom naar boven en plukte zonder moeite een tak met mooie zilveren bladeren en gouden vruchten af en bood die de ridder aan. Toen sprak de ridder: ‘Tweeoogje, wat zal ik je daarvoor geven?’ – ‘Ach,’ antwoordde Tweeoogje, ‘ik lijd honger en dorst, ellende en verdriet van de vroege morgen tot de late avond – als u mij wilt meenemen en verlossen dan zou ik heel gelukkig zijn.’ Toen tilde de ridder Tweeoogje op zijn paard en bracht haar naar huis, naar zijn vaderlijk slot. Daar gaf hij haar mooie kleren, zij mocht eten en drinken naar hartelust en omdat hij haar zo lief had, liet hij zijn huwelijk met haar inzegenen en met grote vreugde werd de bruiloft gevierd.

Toen nu Tweeoogje door de schone ridder was weggevoerd, benijdden haar twee zusters haar pas goed om haar geluk. De prachtige boom blijft toch bij ons, dachten zij, en al kunnen wij er geen vruchten van plukken, dan zal toch iedereen ervoor blijven staan en hem roemen; wie weet waar voor ons het geluk nog eens vandaan komt. Maar de volgende morgen was de boom verdwenen en hun hoop vervlogen. Toen Tweeoogje echter uit haar kamertje keek stond de boom er tot haar grote vreugde voor en was haar dus gevolgd. Lange tijd leefde Tweeoogje gelukkig. En toen kwamen er eens twee arme vrouwen bij haar op het slot en smeekten om een aalmoes. Toen keek Tweeoogje hen aan en herkende haar zusters Eenoogje en Drieoogje die zó arm waren geworden dat zij moesten rondtrekken om langs de deuren brood te bedelen. Maar Tweeoogje heette hen welkom, was goed voor ze en verzorgde hen zodat zij beiden van harte berouw kregen dat zij hun zuster in hun jeugd zoveel kwaad hadden gedaan.

Atavistische krachten kunnen dan wel rijk zijn, de vrucht van deze boom kunnen ze nooit oogsten. De tweeoogjes-ziel, het vrouwelijke in de mens, heeft in zijn voortgaande ontwikkeling deze vrucht gewonnen. Die moet aan het mannelijke van het Ik aangereikt worden, wil de harmonische mens tot werkelijkheid worden. Het Ik verschijnt in het beeld van de ridder. 
De hatelijke zusters zouden willen verhinderen dat de zich ontwikkelende ziel in haar ware gedaante wordt herkend (ze plaatsen een vat over Tweeoogje). Zij willen de ridder voor zichzelf winnen. Maar een Ik dat met de ijzerkracht van de wil gepantserd is, laat zich niet van de wijs brengen. 
Als Tweeoogje hem de gouden appel aanreikt, klinkt in een hoger octaaf de paradijsmythe mee. 

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 130-grimm-eenoogje-tweeoogje-drieoogje.jpgbron

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2328

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-10)

.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.


D. Udo de Haes

De ongelukkige waskaars

In de la van een oud kabinetje werd eens een mooie glanzende waskaars gelegd. Hij was van echte bijenwas gemaakt en daardoor rook hij naar honing en was zo half en half doorzichtig, zoals men dat tegenwoordig haast niet meer ziet. Maar de mooie waskaars kwam hier terecht tussen een hoop oude rommel en waardeloze lorren, die al jaren lang in de la hadden gelegen en die daardoor eigenlijk niet veel bijzonders te vertellen hadden.

Daar was bijvoorbeeld een mager oud vouwbeen dat nooit meer gebruikt werd, een rondachtig stenen voorwerp, dat diende om papieren onder zich te bewaren, een onafgemaakt breiwerkje, waar men niet meer aan dacht, een oude pennenbak met enige penhouders erin, die opzij waren gelegd toen de mensen vulpennen kregen, een paar versleten stoflappen, die men vergeten had weg te gooien en nog enkele meer van zulke dingen.

De waskaars kwam hier als een nieuweling bij en hoewel hij dat zelf natuurlijk niet wist, was hij door de mensen net pas gemaakt. Hij voelde echter wel, dat hij de enige jonge ziel was tussen al deze oudgedienden. Vandaar ook dat het een hele opschudding teweeg bracht toen hij binnen kwam. De pennenbak, de papierbewaarder en het vouwbeen knepen alle drie tegelijk hun neus dicht en spotten en mopperden met elkaar over die rare lucht die daar in de la kwam. Zij konden zich namelijk niets anders meer herinneren dan het muffe luchtje waarin zij zelf al sinds onheuglijke tijden gelegen hadden en alles wat anders rook, vonden zij niet zoals het hoorde. Een enkele keer hadden zij al eens iets te ruiken gekregen, dat zij niet in de haak vonden, zoals bijvoorbeeld een stukje nieuw leer of iets dat van vers hout gemaakt was, maar dat was nog niets, vergeleken bij de zoete honinggeur van deze vreemdeling, die de hele la verontreinigde! Die was gewoonweg niet om uit te houden! Bovendien was dat nog niet het enige! Dat nieuwe ding was daar binnengekomen met een pronkende glans, die de ogen van de oude luidjes eenvoudig verblindde. Nu, daar kon men over denken zoals men wilde, maar voor bejaarde dingen, die wisten hoe men zich te gedragen had, was dat een onhebbelijkheid, die alle perken te buiten ging!

Zo werd dus de jonge lichte waskaars niet bijzonder vriendelijk ontvangen en alle la-bewoners deden even bits en terughoudend tegen hem. Twee dingen alleen deden anders; dat waren een doosje lucifers en een kandelaar. Die waren namelijk de enigen in dit tehuis die wel eens in de buitenwereld kwamen en die wisten, dat daar nog wel wat anders te beleven viel! Zij lagen echter aan de andere kant van de la en daarom konden zij helaas toch niet met de waskaars omgaan. Maar uit de verte hoorde het jonge ding het lucifersdoosje wel eens iets vertellen van „daarbuiten”. Dan meende hij zo iets op te vangen van „licht” dat je zelf in de duisternis kunt maken, van „vuur” dat je in anderen kunt doen ontbranden en van dergelijke wonderlijke dingen meer, die in die grote wereld schenen te gebeuren. Maar het leek wel of er behalve de kandelaar eigenlijk niemand hiernaar luisterde. Ach hoe graag zou de waskaars zijn plaats geruild hebben met een van die onverschillige oude stamgasten die daar bij het lucifersdoosje lagen! Maar van plaats te verwisselen behoorde in de la tot de meest onbetamelijke dingen. Waar je lag daar bleef je liggen en daar viel niet aan te tornen!

Zo lag de jonge onervaren nieuweling hier eenzaam en ongelukkig tussen al die grommende en brommende oude lui en daar zijn glans nergens op hen weerspiegelde en evenals zijn geur overal afgekeurd en bespot werd, begon hij te geloven, dat het werkelijk hele slechte dingen waren, die hij bezat en dat het eigenlijk vreselijk was, dat hij ze om zich heen verspreidde. Daarom probeerde hij voortaan, ze maar zo veel mogelijk bij zich te houden.
Helaas hielp dat niet veel, want hij kon ze toch niet verstoppen en hoe meer hij zijn best deed om net zo dof te zijn en net zo muf te ruiken als de andere dingen, des te meer werd hij bespot en uitgelachen. Ach, er was wel niemand in de la, die zichzelf zo slecht vond en die zich zó ongelukkig voelde als de jonge waskaars!

Eens op een dag was er een grote opschudding in de la. Er had namelijk zo iets als een aardbeving plaats! Waarschijnlijk was er een grote hond tegen het kastje gesprongen, of misschien had iemand het een beetje onvoorzichtig verschoven. Dat was voor de wezens daarbuiten niet veel bijzonders, maar voor de bewoners van de la was dat een aardbeving! Zij werden heen en weer geslingerd en door elkaar geschud en kregen tenslotte een heel andere ligging. Beduusd keken ze rond, toen ze van de eerste schrik bekomen waren . . . Ach, wat zag er alles nu anders uit! Het leek wel een andere wereld! Wat eerst ver af was, was nu dicht bij en waar men zich vroeger zowat aan stootte, was nu onbereikbaar ver geworden. Wat een moeite om nu opnieuw te weten te komen, wat gewoon of wat niet gewoon was en wat goed of slecht gevonden moest worden! Maar daar de duisternis en de muffe lucht dezelfde waren gebleven en daar alle wezens na de schok weer even stil kwamen te liggen als voorheen, waren de nieuwe regels toch weer gauw gevonden. En ziet, het bleek al spoedig, dat die eigenlijk precies dezelfde waren als de oude en dat er niets veranderd was in de wereld van de la. Vóór alles waren alle oude dingen het erover eens, dat de waskaars met zijn glans en zijn geur na de aardbeving even onmogelijk was gebleven als tevoren. Ja, het was nu zelfs nóg erger met hem geworden, want hij glansde meer dan hij ooit had gedaan.

En . . . zij hadden gelijk! Want wat was er gebeurd?

De waskaars was door de schok naar de voorkant van de la geworpen, waar er een kier zat tussen de planken en daar was hij juist voor komen te liggen. Door deze kier kwam een beetje daglicht naar binnen en dat drong in de waskaars. Zo kwam het, dat zijn glans nog was toegenomen.

Foei, foei, wat een verblindend licht en wat een schande in de ogen van die oude lieden!

Maar … de waskaars kon door de kleine kier naar buiten gluren.

En wat zag hij daar? Een heel nieuwe wereld! Een wereld van licht!

En in die lichte wereld waren vreemde wezens; wezens die er heel anders uitzagen dan alle dingen in de la. Zij lagen niet stil, zoals dit onder de deftige la-bewoners de gewoonte was, maar bewogen zich voort op twee lange steunsels die onderaan zaten. Iets hoger aan hun lijf hadden zij twee kleinere uitsteeksels, waarmee zij allerlei konden aanpakken en doen. Het leek zelfs wel, of zij met die uitsteeksels andere dingen konden maken! Dat scheen de waskaars een wonder toe! Zoiets gebeurde in de la nooit! Maar hij zag nog meer: Boven op hun lichaam droegen die wezens een grote bal met allemaal deuken en hobbels en ook met twee spiegeltjes erin. Of waren dat lichtjes? Dat was niet goed te zien, want soms spiegelden zij en soms straalden ze net als de sterren.

Kijk! deze wezens glansden dus wél!, dacht de kaars bij zichzelf. En het scheen wel of zij het ook helemaal niet slecht vonden om te glanzen! Zou hij misschien met hen verwant zijn? Hij voelde zich in elk geval erg tot hen aangetrokken. Maar wat zouden het toch voor wezens zijn? Zouden dit misschien die ,,mensen” zijn, waar in de la wel eens van verteld werd? Er werd erg verschillend over hen gesproken.

De oude voorwerpen konden zich nauwelijks meer iets van de mensen herinneren. Vroeger waren ze wel met hen omgegaan, maar dat was al zo ontzettend lang geleden en tegenwoordig vonden ze hen alleen maar vervelend.

Dat was geen wonder, want die „mensen” waren de enige wezens die telkens hun rust verstoorden. Dat deden zij namelijk door de la open te schuiven, waarbij er een akelig fel licht naar binnen viel en waarbij het gezelschap in de la telkens geheel in de war werd gebracht. Want al was ’t dan nog niet zo’n „aardbeving” als van daareven, toch werd er dan gerommeld en gestommeld, geduwd en gestoten en duurde het een heel lange tijd, voordat de rust was teruggekeerd. Zo werd er over het algemeen niet erg gunstig over die „mensen” geoordeeld. De enigen, die wat goeds van hen wisten te vertellen en die zich min of meer bevriend met hen schenen te voelen, waren weer dezelfde makkers die zich daar nog altijd aan de andere kant van de la bevonden: de kandelaar en het lucifersdoosje. Bij het lucifersdoosje was daar nog een persoonlijke reden voor, want dat licht in de duisternis, waar het van verteld had, kon het namelijk zélf maken. Maar … de mensen moesten hem daarbij helpen. Zonder hen kon hij het niet klaarspelen. De kandelaar echter voelde zich vooral dankbaar, omdat hij alle feesten van de mensen bij mocht wonen en omdat hij hierbij een zeer verantwoordelijke persoonlijkheid was. Daardoor was het ook te begrijpen, dat hij steeds glom van plezier als de la open ging.

Nadat nu de waskaars al deze aardige en minder aardige dingen had horen vertellen, was het niet te verwonderen, dat hij popelde van nieuwsgierigheid om van die mens-wezens meer te weten te komen. Het allerliefst zou hij eens een tijdje in hun wereld willen zijn en zelf beleven of het allemaal waar was, wat er van hen verteld werd. Zouden zij werkelijk alles wat er in iemand was licht kunnen laten geven? Het lucifersdoosje had dat immers zelf verteld! En als zij dat deden, zouden zij dan zijn glans misschien ook niet zo erg slecht vinden?. . . Maar ach, hij was er natuurlijk niet goed genoeg voor om bij hen te zijn. Kijk, daar waren vele dingen om die mensen heen, die precies leken op de oude gezellen in de la. De waskaars zag duidelijk personages, die net zo mager waren als het vouwbeen; anderen waren even dik en zwaarlijvig als de papierbewaarder en weer anderen schenen net zo hol te zijn als het pennenbakje. Maar deze dingen dienden de mensen zeker en dat zou hij vast niet kunnen. Daarom mocht hij natuurlijk niet bij die mensenwezens komen!

Deze droevige gedachte vervulde de waskaars lange tijd . . . Totdat er op een goede dag iets bijzonders gebeurde.

De jonge kaars gluurde als gewoonlijk door het kiertje naar buiten en hij zag de mensen in een grote kring bijeen zitten. Zij waren zoals altijd in de weer met hun bovenste uitsteeksels en het scheen of zij ditmaal bezig waren samen iets te maken. Maar wat zij maakten scheen iets heel merkwaardigs te worden. Midden in de kring op de grond lag er namelijk een hoge stapel takken en groen; „dennengroen” noemden de mensen dat en daaruit vlochten zij een groot rond ding dat zij „krans” noemden. Al vlechtende spraken zij over de winter die voor de deur stond en over een feest dat zij in het begin van de winter wilden vieren. Dat scheen wel een heel bijzonder feest te zijn, want bij alle mensen, de groten en de kleinen, begonnen de spiegeltjes sterker te glanzen wanneer er over dit feest gesproken werd. Eindelijk begon het donker te worden en het werd steeds moeilijker om iets te zien van wat daarbuiten gebeurde. Toen zei een van de mensen: „Laten we onze waskaars eens halen!”. . . En de anderen vielen hem dadelijk bij: „Ja, ja . . . !”

Wat had dat te betekenen? Zou de kaars deze woorden goed verstaan hebben?Waarom moest hij er bij komen? En waarom moest dat juist nu gebeuren, nu er tóch niets meer te zien viel? Ach, hij begreep het al! Omdat hij toch voor niets deugde, wilden de mensen hem maar weggooien! … Nu dan was het dus met zijn leven gedaan!

Het volgende ogenblik kwam er weer een hevige schok. De la werd opengeschoven en een laatste restje daglicht viel naar binnen. De waskaars die met angstige spanning lag te wachten, voelde dat hij opgepakt en meegenomen werd. Waar zou hij terecht komen? Op een hoop afval? Of zou hij misschien begraven worden? Hij bereidde zich op de ergste dingen voor, maar hij had hiertoe niet lang tijd, want het volgende ogenblik voelde hij, dat hij met zijn voeten ergens op neer werd gezet. ,,Dat is de bodem van de kuil!” dacht hij, terwijl het angstzweet hem uitbrak .. . Zonder het zelf te willen en zonder het ook eigenlijk te durven sloeg hij toch even een blik naar beneden . . .

Wat zag hij daar?

O welk een heerlijke geruststelling! Welk een vreugde! Dat had hij niet durven dromen, dat hij daar op stond! Het was niemand anders dan die goede vriendelijke kandelaar, die hem op de schouders droeg! Hoe verdwenen nu plotseling alle angsten als sneeuw voor de zon! De kandelaar was immers zo dikwijls bij de mensen geweest en hij had er nooit anders dan goeds van verteld. Op zijn schouders kon het niet anders dan veilig zijn! Maar zie, daar was er nóg een, die meegekomen was en toen de waskaars hem zag, kende zijn vreugde geen grenzen. Die derde was niemand meer of minder dan het lucifersdoosje! Nu was het de kaars of het helder licht werd in zijn hart!

Maar intussen was het overal om hem heen donker geworden . .. Daar nam een van de mensen het lucifersdoosje op, maakte enkele wonderlijke bewegingen en . . . een lichtje straalde in het rond! Het was dus werkelijk waar: De mensen konden licht maken uit wat iemand daar binnen in zich droeg en zij vonden het goed als iemand zo straalde!

Maar wat gebeurde er nu? Daar kwam de mens die het lichtje had gemaakt bij hem en raakte er de pluim van zijn mutsje mee aan … O wonder! Daar straalde hij met zo’n zelfde lichtje in het rond!

O, nog nooit in zijn leven had de waskaars zich zo gelukkig gevoeld! Hij straalde en straalde maar en verlichtte alle mensen in de kamer! Nu zag hij het. Het was niet omdat hij nergens goed voor was, dat hij eerst niet bij de mensen mocht komen; neen, zij hadden hem juist voor de duisternis bewaard, om die te doorlichten! – Kijk, daar waren de spiegeltjes die hij boven in de mensen ontdekt had ook weer!

Maar wat zag hij daar nu in? Hij zag in alle spiegeltjes een vlammetje wapperen! En onder dat vlammetje zag hij iets lichts. Wat mocht dat zijn? Hij had het gevoel dat dat met hem te maken had, maar hij kon het niet herkennen.

Op een gegeven ogenblik begon het vlammetje dat hij droeg, te flakkeren en . . . daar begonnen de lichtjes in alle spiegeltjes van de mensen óók de flakkeren! Nu begreep de waskaars wat dat was. „Zie”, zei hij, „het is mijn licht dat uit al deze mensen straalt en dat witte daaronder is mijn lijf!”

O welk een heerlijke gedachte! En hoe voelde de waskaars zich hier nu thuis in deze wereld! Werkelijk, dat had hij nooit kunnen dromen: Niemand anders dan hij was hier immers de bron van al het licht en de mensen deden niets anders dan zijn glans weer verder stralen! Steeds gelukkiger voelde zich de waskaars en . . . steeds hoger begon hij van zichzelf te denken …

Totdat hij plotseling een vreselijke ontdekking deed!

In zijn verheerlijkte gevoelens had hij zich in het geheel niet afgevraagd, hoe het zijn vriend, de kandelaar ging die hem zo welwillend op de schouders droeg. Dat viel hem plotseling te binnen en hij gluurde weer eens even naar omlaag. Maar wat hij nu zag was zó verschrikkelijk dat hij van ontsteltenis bijna omlaag was getuimeld.

Wat was dat?

Wel dat was niets meer of niets minder dan dat er een groot stuk van zijn eigen lichaam af was!

O welk een afschuwelijk beleven! – Als het zo doorging, zou hij binnen korte tijd er helemaal niet meer zijn!

De waskaars knetterde en knisterde van angst en zijn vlammetje ging uit. . .

Dat gaf even een verwarring onder de mensen, maar na enig gestommel hadden zij iets anders te voorschijn gehaald en al gauw zag de kaars een nieuw lichtje branden. Het ding dat dat lichtje droeg kende hij niet, maar hij hoorde zo iets zeggen als ,,lamp” en ,,olie” en een andere mens zei: „Jammer dat de waskaars het niet meer doet!” Toen werd hij in de la teruggelegd.

Gelukkig voor hem kwam hij op hetzelfde plaatsje terecht, waar hij het laatst gelegen had, zodat hij opnieuw door de kier naar buiten kon kijken. Anders had hij het daarbinnen zeker niet kunnen uithouden, want nu werd hij dubbel gehoond en bespot. En ach, deze bespottingen troffen hem nog veel dieper dan vroeger, want nu voelde hij dat hij ze verdiende. Waren zijn hoogste wensen zojuist niet vervuld en had hij zelf niet alles bedorven? Maar hoe had hij ook kunnen weten, dat er zo’n een offer van hem verlangd werd? Wie had hem kunnen zeggen, dat hij om zijn geluk te bereiken, zijn eigen leven moest afstaan? Neen, tot dit offer was hij niet in staat!

„Wel”, . . . hoorde hij een honende stem in de la zeggen, „heb je daar bij de mensen willen glanzen met je licht? Dat is je zeker niet gelukt hè? En ben je nu afgedankt? Ja, ja, nu zitten wij weer met je opgescheept! Gelukkig maar, dat je tenminste een beetje kleiner bent geworden! Misschien dat je daardoor iets beter te verdragen bent!”. . . En meer van dergelijke hatelijkheden kreeg hij te slikken.

De waskaars hoorde geduldig al deze opmerkingen aan en tuurde stil naar buiten. Het was immers alles waar, wat die oude lui daar in de la zeiden! Maar wat moest hij beginnen? Hoe kon hij nu zijn eigen aard veranderen? Neen, wat daarbuiten van hem verlangd werd, zou hij nooit kunnen volbrengen! Dus bleef er niets anders over, dan eeuwig hier in de duisternis te liggen en alle bespottingen te doorstaan.

Zwijgend tuurde hij naar buiten.

Daar zag hij het andere lichtje dat de mensen hadden aangestoken en hij zag, hoe ze verder werkten aan de grote groene krans. Ook vele andere mooie dingen maakten zij: voorwerpen die zij verzilverden of verguldden . . . en alles was bestemd voor dat feest waar zij voortdurend over spraken. Nu zag de waskaars ook, welk lichtje op dit ogenblik uit de spiegeltjes van de mensen blonk. Dat was het vlammetje van die lamp! . . . Maar hoe zou het de lamp zelf daarbij vergaan? Zou hij ook zijn lichaam er bij moeten verliezen? Neen, hij scheen er helemaal niet kleiner van te worden . . . Maar kijk, in z’n buik zat er toch iets dat steeds minder werd! Dat moest hij zeker weggeven om te kunnen stralen in de wereld?. . .

De lamp scheen het met plezier te doen. Maar . . . wat die lamp weggaf, had hij van de mensen gekregen! De waskaars had zelf gezien, dat het in zijn buik gegoten werd! Zo iets kon je gemakkelijk afstaan, vooral als je misschien telkens nieuw kreeg. Maar hij, de waskaars, moest om te stralen zichzelf weggeven! Dat was nog heel wat anders!

Stil tuurde en tuurde hij door de kier.

Eindelijk scheen de krans klaar te zijn en de waskaars hoorde hoe een van de grote mensen tegen de kleineren zei: „kinders kom nu eens om mij heen, ik zal jullie eens wat vertellen!”

Nu kwamen alle kleine mensen om die ene grote heen en hij vertelde: „Toen de Lieve God de eerste mensen schiep, waren zij nog zo rein en goed, dat zij overal om zich heen een heldere glans verspreidden. Maar helaas kon het zo niet blijven. Zij werden tot boze dingen verleid en nu was het met hun glans gedaan! Geen sprankeltje licht verspreidden zij meer en ook hun nakomelingen keken duister om zich heen. Dat ging zo duizenden jaren voort, totdat een kind geboren werd, dat hen uit de duisternis verlossen kon. Dit kind was het Godskind. Dat had de glans die van de mensen geweken was, opgevangen en bewaard en toen het op aarde geboren werd, bracht het tezamen met zijn eigen licht, de verloren glans terug. Die legde het de mensen in het hart. Maar zó diep legde het dat licht, dat het van buiten niet te zien was. En zo ligt de glans van het Godskind nu in ieder mensenhart verborgen, zonder dat iemand het ziet.”

,,En kan die glans dan nooit naar buiten stralen?”, vroeg een van de kinderen.

,Ja, telkens als iemand zich iets van het Godskind herinnert, begint die glans een klein beetje naar buiten te komen.”

,,Maar hoe kan iemand zich iets van het Godskind herinneren?” vroeg nu een ander kind.

,,Door een beetje van zichzelf te vergeten,” antwoordde de grote mens, terwijl hij dromend voor zich uitstaarde en het wel leek, of hij zelf niet precies wist wat hij gezegd had.

,,Ja maar,” vroegen nu alle kinderen tegelijk: „wie kan nu zichzelf vergeten?”

„Ja dat is waar,” beaamde de grote mens, die uit zijn overpeinzingen ontwaakte. „Dat kan natuurlijk niemand. Maar ik geloof toch, dat we er allemaal wel iets van kunnen leren. En in elk geval zijn er wezens die ons daarbij helpen doordat zij ons vertonen, hoe je werkelijk kunt stralen door jezelf te vergeten.”

„Wat zijn dat dan voor . . .”

Verder luisterde de waskaars niet. Hij had zijn besluit genomen.

Hij rolde en wentelde, zonder zich iets te bekommeren om de regels in de la, net zo lang tot hij vlak bij de kandelaar en het lucifersdoosje kwam te liggen. Toen wachtte hij geduldig af wat er gebeuren zou. De volgende dag, toen weer alle mensen en kinderen verzameld waren om de krans, hoorde hij een van de groteren zeggen: „Kom, nu steken we weer een lampje aan en gaan bij de krans zingen!”

Toen werd de la opengeschoven en een van de mensen greep naar het lucifersdoosje. Maar nu gebeurde het, wat de waskaars had gehoopt. De mens die het lucifersdoosje opnam, zei: „Kijk, daar ligt de kaars ook! Laten we het nog eens met hem proberen. Het licht van een waskaars is toch verreweg het mooiste!”

Toen werd de kaars uit de la genomen en op de groene krans gezet en de kinderen kwamen in een kring er omheen staan. De grote mens stak hem opnieuw aan en toen hij zijn licht in het rond liet stralen, zongen de kinderen met heldere stemmen:

Daar is een kindeke geboren op aard . . .

Opnieuw zag de waskaars hoe zijn eigen vlammetje weerkaatste in de spiegeltjes van de kinderen. Maar hij zag ook, dat er uit hun gezichten een nog veel grotere glans begon te blinken. Nu begreep hij, welk groot licht dit was en hij begreep ook, dat hij uit alle kleine vlammetjes uitverkoren was om mee te mogen helpen, dat veel grotere licht in de kinderen wakker te maken. Toen bedacht hij zich geen ogenblik meer en hij straalde en straalde, totdat het laatste restje van zijn lichaam was opgebrand.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2324

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-9)

.

Vanaf 7jr. Voorleestijd 35 min.
.

Leo Tolstoi

.

Waar liefde is daar is ook God

Er leefde ergens in een stad een schoenmaker, die Martyn Awdeitsch heette. Hij woonde in een kelderkamer met één raam, dat uitkeek op de straat. Door dat raam kon je de mensen voorbij zien komen. Eigenlijk zag je alleen maar de voeten, maar Martyn Awdeitsch herkende alle mensen aan hun schoenen. Hij woonde daar al lang, en er waren er dus heel wat die hij kende. Haast alle schoenen in de buurt waren een- of tweemaal door zijn handen gegaan. Hele rissen had hij opgeknapt, of van zolen en hakken voorzien en hij had ook de nodige nieuwe laarzenschachten aangezet. Vaak keek hij onder het werken door uit het raam. Hij had het druk, omdat hij behoorlijk werk leverde, niet te veel vroeg en zich altijd aan zijn afspraken hield. Kon hij de schoenen binnen de verlangde tijd klaar krijgen, dan nam hij de opdracht aan, zo niet, dan zei hij het van te voren, want hij wilde niemand teleurstellen. Zodoende wist iedereen wie Awdeitsch was, en hij zat geen ogenblik zonder werk.

Awdeitsch was zijn hele leven een goed mens geweest. Toen hij oud begon te worden ging hij nog meer aan zijn ziel en aan God denken.

Martyn had toen hij nog als gezel bij een baas werkte zijn vrouw al verloren. Hij was toen met een jongetje van drie achter gebleven. Ze hadden nog meer kinderen gehad, maar die waren allemaal heel jong gestorven. Eerst wilde Martyn het ventje naar het dorp bij zijn zuster brengen, maar toen was hij met het kind begaan en dacht: “Mijn Kapitoschka kon het in een vreemde omgeving weleens heel moeilijk krijgen; ik houd hem toch maar liever bij me.”

Awdeitsch ging bij zijn baas weg en betrok met zijn zoontje een woning. Maar hij had geen geluk met zijn kinderen. Nauwelijks was de jongen op een leeftijd gekomen dat hij zijn vader kon helpen en deze het leven verlichten, of hij werd ziek en moest het bed houden. Een week lang had hij zware koorts, toen stierf hij. Martyn bracht zijn jongen naar het kerkhof en was zo wanhopig dat hij begon te morren en tegen God in opstand kwam. Hij werd zo door zijn verdriet overmand, dat hij God meer dan eens bad om ook hem te laten sterven, en Hem verweet dat Hij niet hem zelf, maar zijn enige zoon en oogappel tot zich had genomen. Ook ging hij niet langer naar de kerk.

Op een dag, kort na Pinksteren, kwam er een boer bij Awdeitsch op bezoek. Het was een grijsaard die al acht jaar aan het zwerven was. Awdeitsch raakte met hem in gesprek en begon zijn nood te klagen: “Ik heb geen zin meer om verder te leven en ging net zo lief dood. Ik bid God alleen nog maar om me te laten sterven. Ik heb niets meer te verwachten.” Maar de grijsaard antwoordde hem: “Je redeneert niet goed, Martyn, wij kunnen over Gods daden niet oordelen. De wereld wordt niet door ons verstand, maar door het inzicht van God geregeerd. God besloot dat je zoon moest sterven, maar dat jij moet blijven leven. Dus moet dat wel beter zijn. Maar als jij wanhoopt, dan komt dat doordat je alleen voor je genoegen wilt leven.”
“En waar moet ik dan voor leven?” vroeg Martyn. De grijsaard antwoordde: “Men moet leven om wille van God, Martyn. Hij heeft je het leven geschonken, dus moet je ook alleen voor Hem leven. Maar als je eenmaal leeft voor Hem, zul je niet meer treurig zijn, en alles zal je gemakkelijk schijnen.”
Martyn zweeg even, en zei toen: “Hoe kun je dan voor God leven?”
De grijsaard antwoordde: “Hoe je voor God moet leven heeft Christus ons geleerd. Kun je lezen? Koop dan het evangelie, en je zult ontdekken hoe je voor God kunt leven. Daarin staat alles geschreven.”

Zijn woorden schoten wortel in het hart van Awdeitsch, en nog die zelfde dag kocht hij een nieuw testament, met grote letters gedrukt, en begon te lezen.
Eerst nam Awdeitsch zich voor om alleen op de feestdagen te lezen, maar zodra hij met lezen begon werd het hem zo licht om het hart, dat hij er van toen af aan dag in dag uit in las. Soms was hij er zozeer in verdiept, dat de olie in de lamp geheel opraakte. Hij kon zich eenvoudig niet van het boek losmaken.
Zo las Awdeitsch dan iedere avond in het evangelie, en hoe langer hij erin las, hoe beter hij begon te begrijpen wat God van hem verlangde en hoe je voor God leven moest, en het werd hem steeds lichter om het hart. Voordien was het vaak gebeurd dat hij zuchtend en steunend naar bed ging, en al maar aan zijn zoontje dacht, nu sprak hij steeds vaker: “Geloofd zijt Gij, o Heer! Uw wil geschiede!”

Allengs veranderde Awdeitsch zijn hele levenswijze.
Vroeger ging hij op de feestdagen naar de herberg om thee te drinken, maar de brandewijn versmaadde hij ook niet. Had hij samen met een goede bekende gegeten en gedronken, dan verliet hij de herberg weliswaar niet zwaar dronken, maar toch lichtelijk beneveld, en kletste allerlei onzin, riep sommige voorbijgangers aan en schold andere uit, maar nu was dat allemaal afgelopen. Zijn leven werd rustig en vol vreugde, ’s Morgens zette hij zich aan zijn werk, en was de dagtaak volbracht, dan nam hij zijn lampje van de haak, zette het op tafel, haalde het boek van de plank, sloeg het open en begon te lezen. En hoe langer hij las, hoe beter hij begon te begrijpen, en dan werd het hem steeds blijder te moede.
Op een keer las Martyn tot diep in de nacht door. Hij las in het evangelie van Lucas, en was gekomen tot hoofdstuk 6, en daarvan het vers: – Zo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en neemt iemand uw mantel af, laat hem dan ook het hemd. Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. –
En verder las hij de verzen waarin de Heer zegt:
– Wat noemt gij mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven heeft en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen het huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. –

Toen Awdeitsch deze woorden had gelezen, was hij blij gestemd. Hij zette zijn bril af, legde die op het boek, steunde zijn hoofd op zijn hand en verzonk in gepeins. Hij begon zijn leven te toetsen aan wat hij zoëven had gelezen: “Hoe is eigenlijk mijn huis gebouwd, op een rots of op zand? Is het op een rots, dan is het goed. Als ik zo met mij zelf alleen ben, dan doe ik wel in alles naar Gods gebod: zoek ik verstrooiing dan maak ik me onverhoeds toch ergens aan schuldig. Ik wil dus mijn uiterste best doen. Moge God mij helpen.”

Zo dacht Awdeitsch en wilde al gaan slapen, maar hij kon er niet goed toe komen het boek opzij te leggen, en zo begon hij toch aan het zevende hoofdstuk. Hij las het verhaal van de hoofdman, van de zoon der weduwe, van het antwoord dat Christus Johannes de Dopers discipelen gaf, en kwam bij het gedeelte waar verteld wordt hoe de rijke Farizeeër Christus bij zich thuis nodigde; en verder las hij nog hoe de zondares de voeten van de Heer waste met haar tranen, en hoe Hij haar zonden vergaf. Dan kwam hij aan het vierenveertigste vers en hij las:

– En Hij wendde zich tot de vrouw en sprak tot Simon: “Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnen gekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.” Awdeitsch las deze verzen en dacht na over de woorden: … Hij heeft Hem geen water voor zijn voeten en geen kus gegeven, noch zijn hoofd met olie gezalfd.

Weer zette Awdeitsch zijn bril af, legde hem op het boek en ging zitten nadenken. “Hij leek op mij, deze Farizeeër, en dacht alleen aan zichzelf; als iemand alleen maar thee gaat drinken en het warm en gezellig heeft, en het komt niet bij hem op aan de gast te denken – want dat was het, hij zorgde alleen maar voor zichzelf, maar niet voor de gast. Maar Wie was die gast? De Heer zelf. Als Hij bij mij was gekomen, zou ik dan ook zo gehandeld hebben?”
Awdeitsch leunde met het hoofd op beide handen en merkte niet, dat hij in slaap sukkelde.

“Martyn,” hoorde hij opeens iemand aan zijn oor fluisteren. Martyn schrok op uit zijn slaap: – “Wie is daar?” Hij keerde zich om naar de deur, maar kon daar niemand ontdekken. Weer sliep hij in, maar eensklaps hoorde hij heel duidelijk de woorden: “Hoor je mij, Martyn? Kijk morgen door het venster uit op de straat. Ik kom.”
Martyn werd wakker, stond op van zijn stoel en wreef zich de ogen uit. Hij wist het zelf niet: had hij deze woorden in zijn droom gehoord of terwijl hij wakker was? Hij deed de lamp uit en ging naar bed.
De volgende morgen stond Awdeitsch al voor het begon te dagen op, zei zijn morgengebed, maakte de kachel aan, zette pap en koolsoep op, wakkerde de samowar aan, deed zijn voorschoot voor en ging voor het raam zitten werken. Hij zat daar te werken en telkens moest hij weer denken aan wat hem de vorige dag was overkomen. Hij wist niet wat hij ervan denken moest: nu eens hield hij het voor een zinsbegoocheling, dan weer scheen het hem toe, dat hij die stem werkelijk gehoord had.
“Nu ja, alles is mogelijk,” dacht hij.
Martyn zat voor het raam maar werken deed hij eigenlijk niet. Hij zat meer uit het raam te kijken. Ging er iemand voorbij van wie hij de laarzen niet kende, dan boog hij zich voorover en probeerde het gezicht van de voorbijganger te zien. Eerst ging de portier op zijn nieuwe viltpantoflels voorbij, toen de waterdrager, en daarna verscheen een oudgediende, die al onder Nikolaas I uit de dienst was ontslagen, met oude vilten laarzen aan en een schop in zijn handen, voor het venster.
Aan die laarzen herkende Awdeitsch hem. De oude man heette Stepanytsch en woonde bij de buurman van Awdeitsch, een koopman, die de oude soldaat uit medelijden onderdak verschafte, in ruil waarvoor deze allerlei klusjes moest opknappen voor de portier. Stepanytsch begon voor Awdeitsch’ raam sneeuw te ruimen, en Awdeitsch keek naar hem omhoog, en hervatte toen zijn werk maar weer.
“De oude dag heeft me wel erg onnozel gemaakt,” dacht Awdeitsch en moest een beetje glimlachen om zichzelf. “Daar heb je Stepanytsch, die sneeuw komt scheppen, en ik denk dat het Christus is die bij me op bezoek komt. Die oude kop van me wil niet zo best meer.” Hij deed nog tien steken, maar toen moest hij toch weer uit het raam kijken. Daar zag hij hoe Stepanytsch de schop tegen de muur had gezet, en in de zon stond uit te rusten.
Hij was oud en gebrekkig en zo te zien eigenlijk niet sterk genoeg meer om sneeuw te ruimen. Toen dacht Awdeitsch: “Zou ik hem een glas thee aanbieden? De samowar zingt al.”
Awdeitsch stak de naald in het leer, stond op, plaatste de samowar op tafel, zette thee en tikte op de ruit. Stepanytsch draaide zich om en kwam naar het raam.
“Kom toch binnen in de warmte,” zei hij. “Je bent geloof ik koud tot op het merg, is ’t niet?”

“De Heer sta ons bij, o, wat doen me de botten pijn,” antwoordde Stepanytsch. Hij kwam binnen, schudde de sneeuw van zijn jas, veegde zijn voeten, om de vloer niet vuil te maken. Hij kon haast niet meer op zijn benen staan.

“Doe geen moeite, ik maak de boel straks wel schoon. Kom, ga hier maar zitten,” zei Awdeitsch, “en drink een glas thee.”

Awdeitsch schonk twee glazen in, schoof zijn gast er eentje toe, goot uit het andere een scheut in zijn schoteltje en begon te blazen. Stepanytsch dronk zijn glas leeg, draaide het om, legde de rest van de suikerklont, waar hij een stukje had afgebeten, erop, en bedankte. Maar je kon best zien dat hij nog wel wat gelust had.

“Toe drink nog een glas,” zei Awdeitsch, en schonk voor zichzelf en zijn gast thee in. Hij dronk zijn thee, maar keek ondertussen telkens weer op straat.

“Verwacht je iemand?” vroeg de gast.

“Of ik iemand verwacht. Ik schaam me bijna om te zeggen wie ik verwacht. Ik wacht en ik wacht eigenlijk ook weer niet; er is een woord in mijn hoofd blijven hangen en dat wil me niet meer uit de zin. Of het een droom is geweest of iets anders, weet ik eigenlijk zelf niet. Zie je, vrindje, ik heb gisteren in het evangelie gelezen over Vadertje Christus, hoe Hij hier op aarde wandelde en veel smart heeft ondergaan. Daar heb je zeker wel van gehoord, niet?”

“Ervan gehoord heb ik wel,” antwoordde Stepanytsch, “maar ik heb geen opvoeding gehad en ik kan zelfs niet lezen.”

“Nu dan, ik heb gelezen hoe Hij op aarde wandelde en hoe Hij bij die Farizeeër kwam, die hem niet op een behoorlijke manier ontving. Terwijl ik dat zo zat te lezen dacht ik: hoe kon hij Vadertje Christus nu niet op een behoorlijke manier tegemoet treden! Als ik het geweest was, of iemand anders, ik had niet geweten wat ik doen moest om Hem goed te ontvangen. Zo zat ik bij mezelf te denken, en toen ben ik in slaap gevallen. En toen ik in slaap was gevallen, toen hoorde ik ineens, hoe iemand me bij mijn naam riep. Ik word wakker, en ik hoor een stem die me als het ware toefluistert: ‘Verwacht mij, morgen kom ik.’ Dat heeft zich twee keer herhaald. En van toen af aan, dat kun je geloven of niet, wil het me niet meer uit de zin. Ik loop mezelf uit te schelden, maar toch wacht ik op Hem.”

Stepanytsch schudde het hoofd en antwoordde niet, maar dronk zijn glas thee leeg en draaide het om; doch Awdeitsch zette het weer overeind en schonk opnieuw in.

“Drink op en laat het je goed gaan!” – Ik denk, dat toen Hij op aarde wandelde, er niemand was op wie Hij neerkeek, en dat Hij meest met eenvoudige mensen verkeerde. Mensen zoals jij en ik, en zijn discipelen wierf Hij ook onder het werkende volk, dat even zondig was als wij. Wie zich verhoogt, zei Hij, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, die zal verhoogd worden. Gij noemt mij Here, zei Hij, maar Ik zal u de voeten wassen. Wie de eerste wil zijn, sprak Hij, die zal aller dienaar zijn. Want zalig, zei Hij, zijn de armen, de nederigen en de zachtmoedigen.”

Stepanytsch had helemaal zijn thee vergeten. Stepanytsch was oud en licht geroerd. Hij zat daar te luisteren, en een paar tranen liepen over zijn gezicht.

“Kom, drink toch,” zei Awdeitsch.

Maar Stepanytsch sloeg een kruis, bedankte, schoof zijn glas opzij en stond op. “Ik dank je, Martyn Awdeitsch,” zei hij, “je hebt me als een gast ontvangen en mijn lichaam en ziel verkwikt.”

“Je moet maar gauw terugkomen, ik ben blij je te gast te hebben,” antwoordde Awdeitsch.

Stepanytsch ging heen, en Awdeitsch goot de rest van de thee uit de samowar in zijn glas, dronk het uit, ruimde de theeboel op en ging weer voor het raam zitten – om hakken te maken. Maar weer keek hij telkens het raam uit, want hij wachtte op Christus en dacht al maar aan Hem en zijn daden, en menig woord van Christus wilde hem niet uit de zin.

Toen gingen er twee soldaten voorbij; de een droeg een paar dienstlaarzen, de ander had zijn eigen laarzen aan; toen kwam de kastelein van naastaan voorbij, in mooie gummilaarzen, en daarna de bakker met een mand. Die waren allemaal voorbij, en toen kwam er een vrouw, met wollen kousen aan en gewone schoenen. Ze liep het raam voorbij en bleef toen tegen de muur staan. Awdeitsch keek uit zijn raam en zag dat het een vreemde vrouw was, met armoedige kleren aan en ze droeg een kind op haar arm. Ze leunde zo tegen de muur dat haar rug naar de wind gekeerd was, en wikkelde het kind in, maar ze had niets waarmee ze het behoorlijk kon toedekken. Ze droeg zomerkleren, maar ook die waren zeer gebrekkig. Zelfs door het dubbele raam heen kon Awdeitsch horen hoe het kind huilde en de vrouw het vergeefs toesprak.
Daar stond Awdeitsch op en riep luid:

“Beste vrouw, hoor eens even!”
De vrouw hoorde een stem en keerde zich om.
“Wat sta je daar toch met je kind in de kou? Kom toch in mijn kamer, daar is het warm, daar kun je veel beter wachten.”

De vrouw was erg verbaasd. Ze zag een oude man met een voorschoot en met een bril op zijn neus, die haar bij zich riep. Ze volgde hem. Ze gingen het trapje af en traden de kamer binnen. De oude man bracht de vrouw bij zijn bed. “Ga hier zitten, dichter bij de kachel – hier kun je goed warm worden en je kindje voeden.”

“Ik heb geen melk in mijn borsten, sinds vanmorgen heb ik niets meer gegeten,” zei de vrouw, maar legde niettemin het kind aan de borst. Awdeitsch schudde het hoofd, ging naar de tafel toe, haalde brood te voorschijn en een kom, maakte de ovenklep open en goot koolsoep in de kom. Toen haalde hij de pot met brij voor de dag, maar de brij was nog niet klaar, daarom zette hij alleen de koolsoep op tafel. Toen pakte hij het brood, haalde een handdoek van het rekje en legde die op de tafel.

“Ga maar aan tafel, jonge vrouw,” zei hij, “en eet, dan ga ik zo lang bij de kleine zitten. Ik heb vroeger ook kinderen gehad, dus ik weet hoe je er op passen moet.”
De vrouw sloeg een kruis, zette zich aan de tafel en begon te eten. Hij probeerde, om het kind te vermaken, met zijn lippen te klappen maar dat lukte niet erg, want hij had geen tanden meer. Het kind huilde maar door. Toen bedacht Awdeitsch wat anders. Hij bewoog zijn vinger voor het gezichtje van het kind heen en weer, bracht hem naar de mond van de kleine en trok dan hem meteen weer terug. Hij stopte zijn vinger niet in de mond, omdat die met pek besmeurd was en helemaal zwart. Het kind staarde naar de vinger en werd stil; toen begon het te lachen. Dat vond Awdeitsch leuk. De vrouw zat inmiddels te eten, en vertelde wie zij was, en waar ze vandaan kwam.

“Ik ben een soldatenvrouw, mijn man hebben ze acht maanden geleden heel ver weg gestuurd, en ik heb geen bericht meer van hem gehad. Ik had een betrekking als keukenmeid gehad, en daar ben ik toen heen gegaan. Maar met het kind wilden ze me niet hebben, en nu ben ik al drie maanden zonder betrekking. Alles wat ik had heb ik opgemaakt, ik wilde me als min verhuren, maar niemand wilde me nemen. Ze zeggen dat ik te mager ben. Ik ben zopas bij een koopmansvrouw geweest, die een vrouw uit ons dorp in huis heeft, en daar hadden ze me een betrekking beloofd. Ik dacht dat ik daar meteen beginnen kon, maar nu zeiden ze, dat ik pas over een week hoefde te komen. Het was een heel eind van mij vandaan, en ik ben doodmoe geworden van het lopen en ook mijn lieve kleine is er heel slecht aan toe. God zij geloofd en gedankt dat mijn kostjuffrouw een christenvrouw is, nog medelijden heeft, en ons bij zich laat wonen. Anders wist ik helemaal niet hoe ik verder moest leven.”

Awdeitsch zuchtte en zei: “Je hebt zeker geen warme kleding?”

“Hoe zou ik aan warme kleding moeten komen, goede man, gisteren heb ik mijn laatste omslagdoek voor twintig kopeken beleend.”
De vrouw ging naar het bed toe en nam het kind op, maar Awdeitsch kwam overeind, liep naar de muur en na wat gestommel kwam hij terug met een oude borstrok. “Neem dit maar, ’t is wel een oude, maar je kunt het kind erin wikkelen.” De vrouw keek naar de borstrok en toen naar de oude man en begon te schreien. Awdeitsch wendde zich af; hij kroop onder het bed, haalde een kleine kist te voorschijn, zocht daar iets in en ging weer tegenover de vrouw zitten. De vrouw zei: “Christus moge je helpen, grootvadertje.
Hij moet het ook wel geweest zijn die me voor jouw venster heeft gebracht. Het kind was anders zeker bevroren. Toen ik van huis wegging was het vrij warm, maar nu vriest het buiten verschrikkelijk hard. En God heeft je ingegeven dat je uit het raam moest kijken, om je over een ongelukkige te ontfermen.” Bij deze woorden glimlachte Awdeitsch en zei: “Heel juist. Hij heeft het mij ingegeven. Niet voor niets heb ik uit het raam gekeken.”

Hierop vertelde Martyn de soldatenvrouw van zijn droom en van de stem die hem voor vandaag Gods verschijning had aangekondigd. “Alles is mogelijk,” antwoordde de vrouw, stond op, deed de borstrok om bij wijze van omslagdoek en wikkelde het kind erin. “Neem dit, om Christus’ wil,” zei Awdeitsch, overhandigde haar een twintigkopekenstuk en zei dat ze daarmee de doek moest inlossen. De vrouw sloeg een kruis, Awdeitsch deed hetzelfde en begeleidde haar naar buiten.

De vrouw was weg. Awdeitsch at de koolsoep op, ruimde de tafel af en zette zich weer aan de arbeid. Onder het werk dacht hij niettemin voortdurend aan het venster, iedere keer als de ruit verduisterd werd keek hij op om te zien wie er langs ging. Er kwamen veel vreemden en bekenden voorbij, maar geen enkele bijzondere persoonlijkheid.

Daar zag Awdeitsch, hoe recht tegenover zijn raam een oude koopvrouw bleef staan, die een mand met appels droeg. Er zaten niet veel appels in de mand, de vrouw had ze zeker bijna allemaal al verkocht. Op haar schouder had zij echter een zak met houtspaanders. Die had ze zeker bij een bouwterrein verzameld en nu ging ze naar huis. Maar de zak drukte wel erg zwaar op haar schouder. Ze wilde hem op de andere schouder doen, zette hem op de grond en de appelmand op een schamppaal en begon de zak met spaanders te schudden. Ondertussen dook plotseling een jongen met een gescheurde pet op, greep een appel en wilde ermee vandoor gaan, maar de oude vrouw had het gemerkt, draaide zich om en greep het ventje bij zijn arm. De jongen begon van zich af te slaan en wilde zich bevrijden, maar het ouwetje had hem met twee handen beet, sloeg hem zijn pet van het hoofd en pakte hem bij zijn haren. De jongen schreeuwde en de vrouw schold. Awdeitsch had nauwelijks tijd om de naald in het leer te steken, hij gooide hem daarom op de grond en liep zo snel hij kon de trap op, zodat hij zelfs struikelde en zijn bril verloor. Zo kwam hij de straat op gehold; het oude mens rukte de jongen aan zijn haar, schold hem hevig uit en dreigde hem aan een agent te geven. De jongen sloeg om zich heen en ontkende dat hij iets ergs had gedaan:

“Ik heb niks gepakt,” betuigde hij, “waarom moet je me dan slaan, laat me toch los!”
Awdeitsch stond aan allebei te trekken en te plukken om ze van elkaar te scheiden, pakte de jongen bij de hand en zei:
“Laat nou los, grootmoedertje, vergeef het hem toch!”

“Ik zal het hem zo vergeven dat hij het tot het volgende pak slaag niet meer vergeet! Ik zal die schoft aan de politie overgeven!”

Nu begon Awdeitsch de oude vrouw gemoedelijk toe te spreken: “Laat hem toch lopen, grootmoedertje, hij zal het heus niet meer doen. Laat hem vrij om Christus’ wil!”
De vrouw liet de jongen vrij, hij wilde weglopen, maar Awdeitsch hield hem vast.
“Je moet grootmoedertje eerst om vergeving vragen. En doe het niet weer. Ik heb gezien dat je de appel weggepakt hebt.”

De jongen barstte in tranen uit en begon de oude vrouw vergiffenis te vragen.
“Zo is het goed. En hier heb je een appel.”

Awdeitsch nam een appel uit de mand en stak hem de jongen toe.-“Ik zal hem betalen, grootmoedertje, ”zei hij daarbij tot de oude vrouw.

“Je verwent die lummel,” zei de oude. “Hij moest er zo van langs krijgen dat hij het een weeklang voelt.”

“Och grootmoedertje!” zei Awdeitsch, “dat denken wij misschien, maar naar Gods gebod is het heel anders. Als hij al slaag verdient om een appel, wat verdienen wij dan wel, want wij zijn toch veel grotere zondaars.”

De oude vrouw verstomde.
En Awdeitsch vertelde de oude vrouw de geschiedenis van de Heer die zijn knecht een grote schuld kwijtschold, waarop deze heenging en zijn eigen schuldenaren begon aan te manen. De oude koopvrouw hoorde de geschiedenis aan en ook de jongen bleef staan luisteren. “God heeft ons opgedragen de anderen te vergeven,” zei Awdeitsch, “anders zullen wij ook niet vergeven worden.”

De vrouw schudde het hoofd en zuchtte. “Dat is wel zo,” zei ze, “maar de jeugd is veel te brutaal geworden.”

“Dan moeten wij ouderen hen juist beter voorgaan,” antwoordde Awdeitsch.

“Dat zeg ik ook,” antwoordde de vrouw. “Ik heb zelf zeven kinderen gehad, maar ik heb alleen een dochter overgehouden.”

En zij begon te vertellen waar ze woonde, hoe ze bij de dochter in huis was en hoeveel kleinkinderen ze had. “Ik ben helemaal niet sterk meer, maar ik blijf werken. Mijn kleinkinderen verdragen mij, ze zijn ook erg aardig; niemand doet tegen mij zoals jij. De kleine Aksjutka is niet bij me weg te slaan; ’t is de hele tijd: grootmoedertje, aller-, allerliefste grootmoedertje …” De oude vrouw was helemaal ontroerd.
“Zo zijn kinderen nu eenmaal. Nou, laat hem dan maar lopen,” voegde zij eraan toe, met een blik op de jongen.

De oude vrouw wilde de zak weer op haar rug laden, maar nu sprong de jongen toe en zei: “Laat mij hem dragen, grootmoedertje, ik moet toch dezelfde kan uit.”
Het mensje schudde het hoofd en tilde de zak op de jongen zijn rug. Zo liepen ze samen de straat uit. Het vrouwtje had zelfs vergeten Awdeitsch geld voor de appel te vragen. Awdeitsch stond de twee na te kijken en hoorde hoe druk ze met elkaar praatten.

Toen keerde hij terug naar zijn kamer, vond in het voorbijgaan op de trap zijn bril, die niet eens gebroken was, raapte de naald op en zette zich opnieuw aan het werk. Hij werkte nog een poos door, maar toen wilde het niet meer vlotten, omdat het al donker was geworden en hij zag zelfs de lantaarnopsteker al langs komen, om de lantaarns aan te steken. “Ik zal wel licht moeten maken,” dacht hij. Hij stak de lamp aan, hing hem aan de haak en ging weer aan de slag. Hij repareerde nog één laars, draaide hem om en om en bekeek hem nauwgezet – het was goed werk.
Awdeitsch legde zijn gereedschap bij elkaar, ruimde het afval op, borg de borstels en de naalden weg, zette de lamp op tafel, en nam het evangelie van de boekenplank. Hij wilde het boek op dezelfde plaats openslaan waar hij de vorige dag een stukje marokijn erin had gestoken bij wijze van bladwijzer, maar toevallig sloeg hij het op een andere plaats op. Terwijl hij het boek opensloeg schoot hem alweer het gebeurde van de vorige avond te binnen. Nauwelijks kwam de gedachte in hem op, of het leek of vlak bij hem iemand bewoog, of er iemand met een heel lichte tred achter hem langs ging. Awdeitsch keerde zich om, en het scheen hem toe of er verscheidene mensen in de donkere hoek van de kamer stonden, maar hij kon ze niet goed onderscheiden. Daar fluisterde een stem hem in het oor:

“Martyn, Martyn, heb je mij dan niet herkend?”
“Wie?” zei Martyn.
“Mij,” zei de stem.
“Ik ben het.”
En uit de donkere hoek kwam Stepanytsch te voorschijn, glimlachte, veranderde in een wolkje en verdween…
“En dit ben ik,” sprak een andere stem.
En uit de donkere hoek trad de vrouw met het kind naar voren. Zij glimlachte, ook het kind lachte, en toen verdwenen zij.
“En hier ben ik,” zei een derde stem, en daar stonden het oude vrouwtje en de jongen met de appel, en allebei glimlachten zij en verdwenen eveneens.

Awdeitsch voelde zijn hart zwellen van vreugde. Hij sloeg een kruis, zette zijn bril op en begon in het evangelie te lezen, daar waar hij het tevoren toevallig had opengeslagen. En bovenaan de bladzijde las hij de woorden: “Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest. ..”

Onderaan dezelfde bladzijde las Awdeitsch:

“… in zoverre gij dit aan één van dezer minsten hebt gedaan, hebt gij het ook aan Mij gedaan.” (Mattheüs 25).
En toen begreep Awdeitsch, dat de droom geen bedrog was geweest, maar dat de Heer hem deze dag werkelijk had bezocht en dat hij Hem in zijn huis had ontvangen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2323