Categorie archief: vertelstof

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1800 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (155)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Biografieën – Geert Groote

.
Maarten Ploeger, Jonas 25, 17 augustus 1984
.

Een ‘ modern ’ zoeker naar het zuiver spirituele

Op de grens van Middeleeuwen en Renaissance, de tijd waarin een heroriëntering ten aanzien van geestelijke verworvenheden opbloeit, leeft Geert Groote.
Geert Groote, geboren in Deventer, werd bekend door ‘De broederschap des gemeenen levens’ waarvan hij de inspirator was.
bron

Maarten Ploeger noemt hem een ‘geestesreus’ die heftige aanvaringen had met de kerk, de conventie en vooral met zichzelf.

In God alleen te rusten én te leven
en toch met beide voeten in het volle leven te staan.
                                                Geert Groote 1340-1384.

Kijken naar deze geestesreus van eigen bodem is geen eenvoudige opgave. Een biografie vraagt om een inleving in de persoonlijkheid én om een verwoording daarvan die ook de lezer tot een ervaring van ontmoeting kan brengen. De literatuur die over Geert Groote beschikbaar is, geeft wel feiten, overigens met nogal wat omstreden jaartallen, maar slecjhts zselden een opening tot ‘ontmoeting’. Wie zich met Geert Groote bezighoudt, moet diens wezsen op eigen kracht tot leven en kleur brengen. Dit wordt zo’n subjectieve invulling, dat ik kies voor een fragmentarische opzet. Eerst volgt er een tamelijk oppervlakkig geschetste levensloop om eenvoudigweg geïnformeerd te raken. Dat biedt de mogelijkheid om vrijer met dit nog wat kale materiaal om te gaan.

Geert Groote staat op de grens van twee cultuurperioden. De Middeleeuwen zijn in hun nadagen en Geert Groote worstelt met de decadentie van zijn tijd. Anderzijds werpen Reformatie, Renaissance en Humanisme reeds hun schaduw vooruit. Geert Grootes streven ‘een rechtvaardige voor God’ te zijn en daarbij zorg te dragen voor de noden van de medemens, is niets nieuws. Maar hij is meer dan een opvallende vertegenwoordiger van de late Middeleeuwen. In menig opzicht is hij zelfs al een mens van ónze tijd.
Zijn levensweg bevat elementen die vandaag de dag nog steeds als scholingsopgaven voor ons van betekenis kunnen zijn.

‘Swarte consten’

Geert Groote wordt in 1340 in Deventer geboren als enig kind van de rijke lakenkoopman Wemer Groote en de als zeer vroom bekend staande Heilwich van der Basselen. Deventer is in deze dagen een welvarende Hanzestad, het centrum van de al even bloeiende IJsselstreek. Het ontbreekt Geert Groote in zijn kinderjaren dan ook aan niets.
Tien jaar later vallen zijn ouders echter ten offer aan de pest, die heel West-Europa teistert. Geert Groote komt onder voogdijschap van zijn oom, een eveneens gefortuneerde, wereldse man. Als Geert Groote vijftien is, stuurt zijn oom de opvallend begaafde jongen naar de universiteit van Parijs. In dit brandpunt van vooruitstrevende wetenschapsbeoefening schiet Geert Grootes ster omhoog. Op zijn achttiende behaalt hij al de meestertitel, drie jaar vroeger dan gebruikelijk. De hoogleraren ijveren om hem als hun leerling te kunnen opnemen. Naast deze glanzende studie laat Geert Groote zich overigens geen enkel genoegen ontgaan. Zijn aantrekkelijke verschijning, altijd volgens de laatste mode gekleed, gepaard aan zijn charme en fortuin, maken hem tot middelpunt van elk feest.

Op de magistergraad volgt de doctorstudie. Er is Geert Groote veel aan gelegen een studie te kiezen die hem het meeste profijt zal opleveren. Wij volgen hem op de voet bij een aantal van zijn overwegingen.

Geneeskunde? Voorwaar een eervol beroep. Zijn gezondheid is echter zwak en in de artsenij is het bij tijden zwaar ploeteren.
Kerkelijk recht? Dan kan men de wereldse zaken van de hoge geestelijken gaan behartigen en er zelf zeer wel bij varen. Maar hij ziet op tegen de onvermijdelijke eetpartijen. Zijn maag is niet meer wat hij was.
Astronomie? In de praktijk wordt dat tot astrologie. Hoewel streng verboden door de kerk, verzetten de vorsten geen stap zonder eerst hun sterrenwichelaars te raadplegen.

Geert Groote’s keuzen zijn niet precies bekend. Vast staat dat hij tenminste kerkelijk recht, fysica en astronomie studeert. Ook wordt aangenomen dat hij zich grondig verdiepte in de kennis van het occulte, door de kerk aangeduid als de ‘swarte consten’. Tien jaar lang wijdt hij zich aan deze studie in verschillende steden. Als Geert Groote achtentwintig is, trekt hij zelf rond als hoogleraar. Met zijn briljante kennis boeit hij vele toehoorders. Overal waar hij komt introduceert hij en passant de nieuwste mode.

In het begin van de jaren zeventig gaat Geert Groote naar Utrecht om te solliciteren naar een lucratieve kerkelijke functie. Om zijn streven kracht bij te zetten dient hij zich aan bij ene meester Johannes in zijn meest oogverblindende kledij. Geert Groote is hier echter aan het verkeerde adres. Meester Johannes is een kortaangebonden man die Geert Groote zijn plaats weet te wijzen: ‘Meester Geert, met wat voor aanstellende pretentie durft ge hier toch weer binnen te komen? Werkelijk gij gedraagt u als een zot en een dwaas en denkt ge er nu weer helemaal niet aan dat het hiernamaals eeuwig zal duren?’ Er zit voor Geert Groote niets anders op dan zich te gaan omkleden; hij krijgt de functie. Op een zeker tijdstip legt Geert Groote voorgoed zijn fraaie kleren af en besluit hij de velen die hij tijdens zijn carrièrejacht heeft benadeeld, allemaal schadeloos te stellen. Dan volgt rond zijn dertigste een zware ziekte. Zo zwaar, dat hij om de toediening van de laatste sacramenten vraagt. De priester in kwestie weigert hem dit, zolang hij nog enige verbinding heeft met de ‘zwarte kunsten’. Geert Groote ziet aan zijn urine dat zijn toestand uitermate kritiek is. Hij laat openlijk zijn omstreden boeken verbranden. Hij verkrijgt absolutie, maar geneest.

Hierna vestigt Geert Groote zich definitief in Deventer. Op een bescheiden lijfrente en de helft van het ouderlijk huis na, schenkt hij al zijn bezittingen weg. Hij kiest voor een strenge, sobere leefwijze. Om door te borduren op het thema van de kledij: ‘Een haren cleet, soe grof dattet bina selven stont, als ment op die eerde satte’; daarover draagt hij een tunica – met één heeft hij negen jaar gedaan – en een grijze mantel. Als iemand vraagt waarom hij er zo opgelapt bijloopt, is het antwoord: ‘Dat doe ik in mijn eigen voordeel, want was het kleed niet geflikt, dan zouden wind en koude binnendringen’.

Collatio fratemis

Toch wordt Geert Groote naar de maatstaven van zijn tijd geen fanatieke asceet. Zijn leidraad is in alles precies de juiste maat te houden. Zijn krachten geeft Geert Groote aan studie, innerlijke verdieping en oneindig veel gesprekken met mensen. Mensen van allerlei slag komen bij hem om raad, zowel voor wereldse als voor geestelijke zaken. Maar bovenal legt Geert Groote met een kleine schare getrouwen de grondslag voor ‘de broederschap des gemeenen (gezamenlijke) levens’. Ze voeren deels een gezamenlijke huishouding en bepalen in overleg met welke werken de plaatselijke samenleving het beste is gediend. Hun handel en wandel is streng geordend naar de drie kloostergeloften van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid. Op zichzelf is dit niets bijzonders in de Middeleeuwen. Maar wél nieuw voor die tijd is de principiële keuze om naar de drie kloosterregels te leven zonder hiertoe de ‘eeuwige gelofte’ af te leggen, dat wil zeggen eenmalig en onverbrekelijk.

Geert Groote weert zich tegen de sleur, hij is van mening dat elke dag een bewuste hernieuwing moet plaats vinden van de besluiten die men neemt. Aan deze – in huidige termen – bewustwording wordt gewerkt door de zogenaamde collatio fraternis, de broederlijke samenspraak. Aan het einde van elke werkdag komen de broeders bijeen om op hun daden en belevenissen terug te blikken. Zij doen dit openlijk voor en met elkaar en houden elkaar hierbij ongezouten de waarheid voor. Hieruit destilleren zij persoonlijke scholingsopdrachten, naar ieders juiste maat.

Dan komt voor Geert Groote rond zijn vijfendertigste jaar het moment dat hij voor een drempel staat. Hij kent de verleidingen en dwalingen die het leven kan brengen. Hij streeft naar bevrijding van de greep die ‘het boze’ op hem heeft. Daartoe trekt Geert Groote zich enkele jaren terug in een kloostercel bij de strenge orde der Karthuizers. Een innerljke strijd ontbrandt. Moeizaam zoekt Geert Groote zijn weg tot het zuiver spirituele. Maar op een moderne wijze. Wat hij wil is namelijk niet de kwade machten de toegang tot zijn wezen ontzeggen. Deze geheel uit te bannen zou immers nog overeenkomen met het middeleeuwse scholingsideaal van de mystici. Geert Groote zoekt de weg van de ‘eudemonie’, dat wil zeggen inzicht ontwikkelen in de positieve betekenis van het kwaad, om zo evenwicht te kunnen scheppen in alle krachten die nu eenmaal op de mens in werken.

Dit wordt goed zichtbaar aan de ontmoeting tussen Geert Groote en Johannes Ruysbroec, de vermaardste mysticus van zijn tijd. Geert Groote spreekt enerzijds uit dat hij de grootste bewondering voelt voor de voor hem zelf onbereikbare reinheid en spirituele hoogte van de oude abt. Anderzijds wijst hij de voorwaarde tot Ruusbroecs wijsheid af, namelijk een zich volledig terugtrekken uit het gewone leven. Geert Groote kiest ervoor in het dagelijkse leven te blijven staan, om zich in de praktijk van alledag de balans te verwerven tussen het menselijk al te menselijke en hoger streven. Aan Ruusbroec omschrijft hij dit streven met de woorden: ‘In God alleen te rusten en te leven en toch met beide voeten in het volle leven te staan’.

‘Ketterhamer’

Na zijn retraite is Geert Groote gerijpt. Er straalt zo’n overtuigingskracht van hem uit, dat kerken en pleinen afgeladen zijn met toehoorders voor zijn vele volkspreken die nu volgen. Zelfs zijn tijdgenoot pater Brugman -praten als’ ‘Brugman’ – zegt dat geen zo kan spreken als Geert Groote. Geert Groote wijst de mensen op ‘de keer tot de Heer’. Het worden door zijn forse aanpak vaak heuse donderpreken, maar toch dringt hij door tot de harten van zijn toehoorders. Ondanks het gewicht dat Geert Groote met zijn vermaningen op de schouders van zijn leerlingen legt, behoedt hij de vrije wil van de ander als het hoogste goed. Wat overtuigt is de echtheid van iemand die hoogte-en dieptepunten van het menszijn aan den lijve heeft ervaren. Bij zijn harde afwijzing van zowel decadentie binnen de kerk als van ketterse stromingen die de mensen uit het praktische leven willen weglokken, maakt Geert Groote zich veel vijanden. Er volgen heftige disputen en rechtszittingen, die Geert Grootes zorg voor de jeugd. Veel van zijn tijd spaarde hij uit om met jongeren te spreken en te werken. Hij zorgde voor het onderhoud van wezen en armen. Hij zag toe op de opvoeding. Ten behoeve van hun onderwijs wist hij zijn grote vriend Johannes Cele over te halen om geen priester te worden maar rector van een nieuw soort school. Op aanwijzing van Geert Groote werd gebroken met de dorre drilmethodieken van die tijd. Hij voerde voor de leerstof een vorm van leeftijds-en ontwikkelingsfasen in. Voorts zaken als zelfwerkzaamheid, zelfstandig leren denken en spreken en onderlinge behulpzaamheid. De vakken moesten vooral ook praktisch nut hebben. Waar muziek toenmaals voornamelijk kennis van de intervallen en dergelijke behelsde, voegde hij er ook de kunstzinnige dimensie aan toe.

De Zwolse school van Johannes Cele groeide uit tot een bloeiend instituut. Een voorbeeld voor de vele scholen van de broeders en zusters des Gemeenen Levens die korte tijd later in heel Noord-West- en Midden-Europa de toonaangevende scholen zouden worden.

Warmbloedig dadenmens

Mijn interesse in Geert Groote werd zo’n vijftien jaar geleden gewekt, simpel door het feit dat ik leraar werd aan de ‘Geert Groote’ School. Ik hoorde dat deze naam was aangereikt door Max Stibbe, een van de Vrije Schoolleraren van het eerste uur, die in zijn Van Zwanenridder tot Vliegende Hollander (De Haan, antiquarisch) zeer bevlogen over Geert Groote heeft geschreven. Helaas is het historische gehalte van deze tekst nogal aanvechtbaar. Maar kleur heeft het des te meer. Hetzelfde geldt voor pater J. v. Ginneken in zijn Het leven van Geert Groote (N.H. uitgeversmij 1942). Naast Stibbe is hij de enige mij bekende auteur die Geert Groote tot mens van vlees en bloed heeft gemaakt. Maar ook zijn werk kan voor historici de toets der kritiek geenszins doorstaan. Beiden portretteren zij echter Geert Groote op dezelfde wijze: als een warmbloedig dadenmens.

E. Epiney-Burgard in haar Gerard Grote (Steiner Verlag, Wiesbaden 1970; mijns inziens de meest complete academische studie) laat van dit beeld weinig heel. Zij verwijt bijvoorbeeld Van Ginneken en anderen dat deze de ‘duistere’ kanten van Geert Groote schromelijk overdrijven om de glorie van diens bekering de gewenste glans te verlenen. Zij schetst een tamelijk ingetogen beeld van Geert Groote, echter nauwelijks inleefbaar, dit in tegenstelling tot Stibbe en Van Ginneken, allebei cholerisch geaard. Epiney-Burgard is een teruggetrokken religieuze. Vandaar misschien ook de verschillen. Cholerisch ben ik bepaald niet, wel voel ik mij zeer thuis bij Stibbe en Van Ginneken. Ik zal mijn versie nu trachten te geven.

Geert Groote is een mens, in wie de eerste roerselen van de moderne bewustzijnscultuur zich aandienen. Door zijn krachtdadige levensenergie brengen de aanvankelijk nog weinig bewuste impulsen hem tot heftige aanvaringen met de kerk, de conventie en vooral met zichzelf. Hij vecht zich een weg tot wezenlijke spiritualiteit, maar een ‘reine wijze’ wordt hij niet. Er blijven donkere eilanden in zijn ziel.
Zo is de aantrekkingskracht van het andere geslacht voor hem een gevoelige bedreiging van zijn geestelijk streven. Hij schrijft Over het huwelijk: het nageslacht moet worden verzorgd, maar verder wordt alles in extenso toegespitst op de gesublimeerde, platonische liefde: een geheiligde oefenweg tot de liefde ‘in Christo’. Wellicht volgt hij hierin slechts zijn tijd. Toch heb ik de indruk dat hij zichzelf als het ware overschreeuwt; een rationalisatie om zijn eigen – door hemzelf zo ervaren – lichaamsgebonden aandriften in een hokje te kunnen duwen.

Een ander voorbeeld: hij kan zo tekeergaan dat hij voortdurend op het scherp van de snede balanceert tussen heilige toorn en de neiging tot regelrechte verplettering van zijn tegenstanders met alle middelen. In zijn volkspreken gebruikt hij zijn charismatische vermogens om de mensen onthutsend door elkaar te schudden. Het is net geen misbruik; hij zoekt géén macht over mensen, maar de goede zaak moet worden gediend, door richels en ruiten.

Bliksemacties

Geert Groote leeft op een vulkaan. Het gloeiende, op zichzelf zo vruchtbare magma zoekt zijn uitweg. Met zijn bewustzijn tracht Geert Groote deze vloed zo integer mogelijk te sturen tot genezing van zijn tijd. Maar waar gehakt wordt, vallen spaanders.

Max Stibbe was heel enthousiast over Geert Grootes schedel, een jaar of vier geleden gestolen en niet meer teruggevonden. De gedrongen vorm en met name de imposant uitstekende kinpartij waren voor Stibbe het beeld van Geert Grootes uitbundige choleriek. Alleen jammer dat de echtheid van deze schedel altijd in twijfel is getrokken. Dezelfde medaille van de andere kant bezien, toont ons een Geert Groote die zijn dynamiek in steeds zuiverder banen weet te leiden. Een warme, levenswijze voorganger en raadgever op het pad van de hogere bewustzijnsontwikkeling. (Hij schreef mystieke geschriften, geïnspireerd door Ruusbroec, later uitmondend in de Navolging van Christus van Thomas a Kempis.) Nooit heeft hij zich echter volledig kunnen ontplooien. Daarvoor was hij toch te zeer verstrikt in de kerkelijke politiek, die zich tegen hem trachtte te immuniseren. Diverse instanties bevochten hem, hij vocht uit alle macht terug. Een souvereine leider van de geest voor brede groepen is hij bij zijn leven niet geworden. Zijn onvoorwaardelijke maatschappelijk engagement had hem daartoe wellicht voorbestemd. Het is gebleven bij opzienbarende bliksemacties, met alleen in een hele kleine kring de intensieve verinnerlijking die hij voor de gehele cultuur had bedoeld. Zijn smart moet immens geweest zijn, toen hem het preekverbod werd opgelegd. Zijn vleugels waren opeens afgesneden. Al die jaren van toewerken naar het grote ideaal, het voortdurende optorenen van zijn energie en dan het zwarte gat. Waarom moest hij toen weldra sterven, nog in de kracht van zijn leven? Was volbracht wat hij als levensbesluiten met zich meedroeg? Was hij misschien zo in de eenzijdigheden gebannen geraakt, dat zijn – onbewuste – levensdoel niet meer op de voorbeschikte wijze verwerkelijkt zou kunnen worden?

Het lot heeft Florens Radewijns aan zijn zijde gebracht. Een zachtaardig mens, in alles zó het tegendeel van Geert Groote, dat het erop kan lijken dat Geert Groote inderdaad te hard van stapel is gelopen. Onder Florens Radewijns komt alles in veel rustiger vaarwater. Intieme bezonnenheid, in stilte werkend op de achtergrond van het maatschappelijk toneel, de pendel beweegt na Geert Grootes dood onmiskenbaar naar de andere kant. Geert Groote, een machtig boeiende persoonlijkheid, maar of we hem kennen?

De meest recente literatuur: Cornelis Los ‘Van Geert Groote tot Erasmus’, Christofoor

Het gedeelte waarin de levensloop staat beschreven is al eerder gepubliceerd in het jubileumnummer van de Geert Groote schoolkrant. (niet op deze blog)

.

Alle biografieën 

.

2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Albrecht Dürer

.
Leo J. Capit, Panorama, nadere gegevens onbekend
.

ALBRECHT DÜRER
DE ONRUST WAS ZIJN MEESTER

ALBRECHT DÜRER werd in Neurenberg geboren op 14 mei 1471. Hij stierf op 6 april 1528. Aanvankelijk zou hij goudsmid worden, evenals zijn uit Hongarije afkomstige vader en grootvader. Hij werd echter schilder, tekenaar. In de vijfde eeuw na zijn dood ziet de wereld hem nog altijd als een geweldig kunstenaar. Zijn tekeningen zijn grauwe stukken papier, die scheppingen dragen in verscheidene technieken: zilverstift, houtskool, krijt, penseelwerk. Voorstellingen, zo gaaf en razend knap, dat ze ook de nuchtere twintigste-eeuwse mens nog stil maken.

Kunsthistorici hebben er vele woorden voor. Ze volgen het spoor terug door de cultuur en tonen haarfijn wie er invloed heeft uitgeoefend op wie. Maar de leek in dit atoomtijdperk, die van mooie dingen houdt, vat al zijn bewondering en eerbied samen in de woorden: „Die lui konden tekenen!.

Drie boeren op de markt en boerenpaar; een pentekening, getuigend van Dürers feilloze observatie.

Achter de tekeningen, die nu in stemmige museumzalen onder een uitgekiende belichting te kijk hangen, rijzen de schimmen op van hun makers. Het zijn vage schimmen. Hun tijd ligt zo onwezenlijk ver achter ons. Hun namen zijn hoogstens nog straatnamen. Hun erfenis is aanvaard en verdeeld. Iedereen kent de tekening ‘Gevouwen handen’ van Albrecht Dürer. Het origineel, dat in het Albertina Kunstkabinet in Wenen berust, is tot miljoenen reproducties verveelvoudigd. Het hangt in miljoenen woningen, alom in de westerse wereld. Maar hoevelen, in die huiskamers, kunnen de naam van de maker noemen ?

Dürers wereldberoemde ‘Handen in gebed gevouwen’, een penseeltekening op blauw gegrond papier, was slechts een voorstudie voor het altaarstuk, dat hij maakte in opdracht van de rijke Jakob Heller uit Frankfort. De tekening is tot in de finesses uitgewerkt, omdat Dürer hem precies zo wilde overbrengen op het schilderij.

En toch: bewust kijken naar kunst is altijd een ontmoeting met degene die het kunstwerk schiep. Zijn schim mag nog zo vervaagd zijn, in zijn werk blijft hij altijd de levende mens. Veel werk van Dürer doet ons vandaag wonderlijk modern aan. Dat hoeft op zichzelf geen verdienste te zijn, maar het prikkelt wel onze nieuwsgierigheid naar de persoon van de kunstenaar, die leefde in een van de meest dramatische perioden van de Europese cultuurgeschiedenis.

Achttien maal kraambed

De middeleeuwen ebden weg, toen Albrecht Dürer aan ving te leven. Hun sombere motto ‘Gedenk te sterven’ maakte plaats voor het levensblije devies van de renaissance: Pluk de dag.
In het gezin van de Neurenberger goudsmid Dürer was een geboorte niets bijzonders. Moeder lag achttien maal in het kraambed, maar van haar kinderen bereikten er slechts drie de volwassenheid. Albrecht, de derde zoon, werd uitverkoren om zijn vader op te volgen.
Kind is hij nooit geweest. In die tijd bestonden geen kinderen in onze betekenis van het woord. Het kind, met zijn eigen speelwereldje, eigen kledij en eigen levensritme, werd pas eeuwen later uitgevonden. Albrecht moet meteen al een burgertje in de nadagen van de middeleeuwen geweest zijn, bevoorrecht omdat zijn vader, als artistiek handwerksman in de bloeiende, kunstzinnige handelsstad Neurenberg, in een zekere welstand kon leven. Hij leerde lezen en schrijven, en in zijn ouderlijk huis was papier en tekenstift voorhanden. Zijn eerste zelfportret maakt hij op dertienjarige leeftijd: een ernstig, jong gelaat met attente ogen, ferm, zonder aarzelen getekend. Het is meteen een ongewild getuigenis van zijn karakter. Hij heeft oog voor de waarheid, de werkelijkheid van het leven zelf, zonder verfraaiingen of mystieke verdichtselen.

Heeft die tekening destijds de aandacht van zijn dierbaren getrokken ? Dat moet wel. Zijn vader heeft hem het goudsmidsvak bijgebracht, maar als leerling in het atelier van de grote Neurenbergse schilder Michaël Wolgemut voelt de jonge Albrecht zich beter op zijn plaats. Tekenen en schilderen wil hij — en ook dient geleerd te worden. Als tiener kiest hij zijn eigen idool: de schilder — goudsmidszoon evenals hij zelf — Martin Schongauer, een Elzasser die in Colmar woont.
Vier jaar blijft Albrecht Dürer in de leer bij Wolgemut. Dan ontvlucht hij Neurenberg, gedreven door de wens andere kunstenaars en andere steden te leren kennen. Het is 1490; een nieuwe levenshouding, meer gericht op de aardse werkelijkheid dan op de beloofde zaligheid van het hiernamaals, breekt zich baan. Dürer trekt de wereld in, avontuurlijk en leergierig tot in al zijn vezelen. Hij weet zich nog niet volleerd. Zijn zwerftocht moet zijn kennis verrijken. Hij is Wandergesell.

Hij komt in Colmar, in 1492, en verneemt daar met grote spijt dat de bewonderde Martin Schongauer, die hij zo graag persoonlijk had willen ontmoeten, enkele maanden eerder overleden is. Dan begeeft hij zich naar Bazel. Hij maakt daar houtgravures en geraakt diep onder de indruk van de kunstvoorwerpen die de welgestelden in deze stad van hun reizen naar Florence, Sienna of Rome hebben meegebracht.

Italië lijkt hem het beloofde land. Maar het is zo ver. Hij is werkend reiziger. Hij moet in zijn onderhoud voorzien. Rusteloos hanteert hij de tekenstift en alles heeft zijn belangstelling: een kind, een landschap, een bloem, een insect. Korte tijd is hij weer thuis, in Neurenberg, maar hij vindt er geen rust. Straatsburg is zijn volgende pleisterplaats. Hij maakt er kennis met een schilder van zijn eigen leeftijd, Hans Baldung, achttien jaar en alreeds beroemd. Er ontbloeit een hechte vriendschap. Als Albrecht voelt dat hij eindelijk weer eens huiswaarts moet keren, toont Baldung hoezeer hij hem op zijn beurt bewondert: ‘Gegroet, meester van de Duitse schilderkunst!’ Dürer weet niet beter dan met precies dezelfde woorden te antwoorden. Schaterlachend slaan de beide gezworen kameraden elkaar op de schouder en Albrecht vertrekt naar Neurenberg.

Zijn thuiskomst brengt een groot misverstand teweeg. Zijn vader, betweterig zoals vaders zijn, vindt het nu welletjes en is van oordeel dat Albrecht nu eindelijk de rust moet opbrengen om zich een eigen huis te scheppen. Hij heeft zelfs een bruid voor zijn reislustige zoon in petto: Agnes Frey, de lieftallige dochter van een collega-goudsmid. Albrecht, daarentegen, is alleen maar naar huis gekomen om zijn ouders te vertellen dat hij nu naar Italië wil. Daar komt een kunstenaar eerst recht aan zijn trek! Vader verzet zich. Maar Wolgemut, de oude leermeester, hecht zijn zegen aan het plan. Dan doet vader Dürer er verder het zwijgen toe. Maar Albrecht is een goede zoon. Hij wil zijn ouders niet voor het hoofd stoten. Hij aanvaardt het voldongen feit van de hem wachtende bruid. Zou haar lang niet te versmaden bruidsschat van tweehonderd florijnen misschien nog gewicht in zijn schaal geworpen hebben ?

Ontembare reislust

In elk geval: het huwelijk wordt gesloten. En Albrecht vervaardigt kort daarna een portret van zijn levensgezellin, dat hij siert met het trotse bijschrift: ‘Meine Agnes’. De vader van meine Agnes heeft er kort daarop echter wel spijt van, dat hij zijn dochter aan zo’n rusteloze flierefluiter heeft uitgehuwelijkt, want de jonge mevrouw Dürer moet er al gauw in berusten, dat haar echtgenoot bezwijkt voor de lokstem van het paradijselijke Italië. Zij had zich het huwelijk stellig anders voorgesteld. . .

Albrecht Dürer, bepaald niet geplaagd door heimwee naar huis, reist over de Alpen de nieuwe tijd tegemoet. Hij ademt de lichte lucht van de bloeiende renaissance in en schrijft geestdriftige brieven aan zijn rijke jeugdvriend Pirckheimer. Onder de zon van Venetië, waar zijn werkstukken grif aftrek vinden, komt zijn kunstenaarschap tot volle wasdom. Hij schrijft: „Hier ben ik een heer. Thuis ben ik een arme parasiet!’’

Toch zal hij altijd weer huiswaarts keren. En altijd zal zijn vrouw hem wachten, als hij er weer is, „terug van weg geweest”. De banden met het ouderlijk huis bleven hem binden, meer nog wellicht dan de band met de hem opgedrongen echtgenote, die hem niet kon volgen in zijn onstuimige levensdrang en zijn vrolijke filosofie, maar die er toch altijd was als hij haar nodig had. Hij had haar heel erg nodig toen in 1502 zijn vader overleed. De oude Dürer liet zijn familie achter in benarde financiële omstandigheden. Zijn weduwe, Albrechts moeder, was bijna blind en hulpbehoevend. In de eerste plaats moest er nu geld zijn om de schulden te delgen, om verder te kunnen leven.

Albrecht toog aan het werk. Hij had al wel naam gemaakt, maar was nog niet zo ver gestegen op de ladder der erkenning dat een of andere grootmogende kunstbeschermer zich over hem ontfermde. Dat zou later pas gebeuren. Nu was het Agnes, die raad moest schaffen. Zij trok erop uit om het werk van haar man te verkopen. Het lukte redelijk. Toen de reislust Albrecht Dürer weer te machtig werd, waren zijn dierbaren gevrijwaard voor armoede. Het jaar 1505 ziet hem opnieuw naar Italië vertrekken, na een reeks kortere reizen. Voortdurend is hij onderweg, maar hij laat een spoor van hoog gewaardeerde kunstwerken na. In Venetië wordt hij nu gevierd als een der grootste schilders. Hij verdient veel geld. Zijn werken zijn levensblije juichkreten, die hem ook in zijn vaderstad roem en eer brengen.

Na 1509 staat hij in dienst van keizer Maximiliaan de Eerste. Het is uitstekend voor zijn naam, maar Zijne Majesteit verwijst voor de betaling naar het gemeentebestuur van Neurenberg, waar de vroede vaderen zich doof houden voor Dürers aanmaningen. Als de keizer sterft, adviseert men de kunstenaar de onbetaalde rekeningen aan diens opvolger, Karel de Vijfde, te presenteren. Het is dan 1520 en de nieuwe keizer vertoeft in Antwerpen. Dürer kent de weg en ditmaal neemt hij zijn vrouw mee op reis. Ze vertrekken nogal overhaast:

. . .in Neurenberg is intussen de pest uitgebroken.

Zijn reis naar Antwerpen wordt een triomftocht. Overal kent men zijn werk en in de sinjorenstad biedt de kunstenaarsbent hem een groots banket aan. Maar de keizer is inmiddels afgereisd. Albrecht probeert dan aan Margaretha van Oostenrijk, die in Mechelen vertoeft, het portret van haar vader, Maximiliaan, te slijten. Zij gaat er niet op in. Zakelijk is de reis van de Dürers geen succes, maar wel wordt Albrechts blik opnieuw verruimd. Hij leert in Brussel de wijsgeer Erasmus kennen, die hij later zo treffend zal portretteren. De schilder wordt zeer geboeid door de nieuwe denkbeelden, die in zijn tijd opgeld doen. Als de reformatie een aanvang neemt, is zijn liefste wens Maarten Luther persoonlijk te ontmoeten. Helaas is die wens nooit in vervulling gegaan.

Op zijn reis door de Nederlanden, 1520-’21, houdt Albrecht Dürer een nauwkeurig dagboek bij. Hij beschrijft het carnaval te Antwerpen, de paardenmarkt en de vrouwen te Bergen op Zoom. Het nieuws dat er voor de kust van Zierikzee een walvis te zien zou zijn, doet hem ijlings naar het havenstadje reizen — maar als hij aankomt, is de walvis weg.

In Aken woont hij de kroning van Karel de Vijfde bij. De schilder zal er voor de gelegenheid piekfijn uit gezien hebben. Hij liet zich in Nederland een nieuw gewaad aanmeten, een zogenaamde rock van wollen stof, met bont gevoerd en met fluweel en zijde afgewerkt, voor de kapitale prijs van zevenendertig gulden en twee stuivers. Hij wist een grand seigneur te zijn naar het uiterlijk. Maar de innerlijke onrust bleef hem beheersen in voor- en tegenspoed. Alleen na de dood van zijn moeder, in 1514, weerspiegelt zijn werk iets van bezinning, van neerslachtigheid. Hij heeft haar zo dikwijls alleen gelaten. . .

De jaren twintig van de zestiende eeuw brengen zijn zwanezang. Sedert zijn reis door de Nederlanden voelt hij zich niet meer de oude. Het heet, dat het verfoeilijke Hollandse klimaat hem met een kwaal opscheepte, die hem langzaam ten grave zou richten. Welke Nederlander zou die mogelijkheid willen betwisten ? Maar het is te laat om een diagnose te kunnen stellen.

In 1528, thuis in Neurenberg, waar hij in zijn laatste levensjaren nog onophoudelijk schilderde en tekende, sterft Albrecht Dürer. Aan zijn doodsbed ontbrandt een onverkwikkelijke ruzie tussen zijn vrouw Agnes, die niet van zijn zijde geweken is, en zijn beste vriend Pirckheimer, die haar verwijt dat zij zijn vrienden van hem vervreemd heeft en hem heeft geforceerd zich dood te werken.

De mens Dürer kon sterven, de kunstenaar Dürer trotseert de eeuwen in zijn werken, die van onschatbare waarde blijven. De tekeningen van Albrecht Dürer en die van zijn tijdgenoten getuigen daarvan.  

De vier apostelen, 1526.
Dürer heeft in zijn meesterwerk, het dubbele paneel van De vier apostelen, vier heiligen als contrast tegenover elkaar geplaatst: (van links naar rechts) de evangelist Johannes, Petrus, Marcus en Paulus. De tekst aan de onderzijde van de panelen, die door Dürer zelf is opgesteld vanuit zijn conservatieve geloofsopvatting, behelst een vermaning aan de radicalen onder Luthers volgelingen en dringt aan op een beëindiging van de godsdiensttwisten, die de Neurenbergers in twee vijandige kampen verdeelden.
.

Dürer

Afbeeldingen

Alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

1992

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas vertelstof (3-15)

.

Deze legende werd uitgegeven als bijlage van “Ds Hovenier”, zesde jaargang, nr. 3 schoolkrant van de Rudolf Steinerschool te Bilthoven.

“Rochus” komt oorspronkelijk uit het boek “Ich will dein Bruder sein” van Jacob Streit. De vertaling is van Leny de Nijs, het voorwoord van Willemien Klinkhamer, leerkracht van de tweede klas.

Tekening: Mieke Betten; Typewerk: Ruud van Halewijn; en Lay-out : Adrie Zwanenberg.

Bilthoven, December 1934

Voorwoord

De vertelstof in de tweede klas bestaat, uit fabels en legenden.
In de fabels treden dieren op die spreken en handelen als mensen. Het eenzijdige, het extreme van de mens komt in de diergestalte tot uitdrukking. Bijvoorbeeld: de slimme vos, de koppige ezel, de ijverige mier, de trage slak, het lijdzame schaap.

De kinderen in de tweede klas leren elkaar kennen en zien de verschillen van elkaar. Ze krijgen streken.

Ieder dier heeft zijn eigen streek,

Fabels zijn kort.

Ieder mens heeft al deze karakteristieken in zich. In de klas zie je dat ieder kind één karakteristiek sterk heeft. Bijvoorbeeld, een kind dat altijd haantje de voorste is. Dat kind laat ik de haan spelen.

De dieren in de fabels moeten niet belachelijk gemaakt worden; de kinderen moeten respect voor de dieren houden.

Fabels moeten verteerd worden. Het moeten beelden blijven. Een fabel is net geen sprookje.

De legenden daarentegen zijn korte heiligenvertellingen. De lagere driften worden overwonnen. Een legende is net geen geschiedenis. Het moment van omvormen van de mens is wezenlijk om te vertellen. Legenden gaan altijd over grote persoonlijkheden. Ze zijn ontstaan in alle tijden. Bij de middeleeuwse mensen bloeiden ze sterk op.

Fabels en legenden laten twee zijden van de mens zien. Ook hoe de eenzijdige zieIe-eigenschappen tot ontwikkeling kunnen komen. Ze vullen elkaar aan.

Willemien Klinkhamer

ROCHUS

In de stad Montpellier, in het zuiden van Frankrijk, leefde eens een adellijke familie.
De laatste telg van deze voorname familie had grote zorgen. Zijn geslacht zou uitsterven, want hij had geen kinderen. Vaak richtte hij zijn gebed tot God en bad om een zoon. En werkelijk, na vele jaren van kinderloosheid schonk zijn vrouw hem een jongen. Hij gaf hem de naam Rochus. De vreugde was groot.

Toen de jongen opgroeide, bleek hij vaak anders te zijn dan zijn leeftijdgenoten.Terwijl zij luidruchtig en vaak wild speelden, ging Rochus naar het stille bos. Hier voederde hij de dieren, speelde met hen en bouwde van halmen en mos nestjes voor de vogels.

Toen hij twaalf jaar oud was, sprak zijn vader: “Rochus, ik voel dat mijn leven hier op aarde spoedig zal eindigen. Blijf altijd behulpzaam voor andere mensen, dan zal jij ook steeds vrienden en hulp vinden.”
Na een tijdje stierf de vader en spoedig ook de moeder. Nu was Rochus een weeskind. Eerst leefde hij drie jaarbij zijn familie; maar steeds werd hij door een vreemde onrust bevangen. Hij verliet huis en haard en trok de wereld in.

Zo jong als hij was, hadden de verhalen over het leven en werken van Christus hem diep in zijn hart geraakt. Hij had vernomen dat apostel Petrus in Rome begraven lag. Hij nam zich voor zijn graf te gaan bezoeken.
Met het besluit eenieder op zijn pelgrimstocht te helpen, verliet hij zijn thuis.

In die tijd heerste er in sommige streken van Italië een ernstige ziekte. Men noemde ze de pest. Wie dat had, kreeg donkere bulten, hoge koorts en stierf. Anderen weer leden aan zweren, konden zich nauwelijks bewegen en hadden lange tijd verpleging nodig. Deze ziekte was zeer besmettelijk en stak in enkele dagen hele steden en landstreken aan. Dikwijls hadden de overlevenden moeite om de vele doden te begraven. Dus leefden de mensen toen in grote angst voor de afschuwelijke ziekte.

Toen Rochus door Italië trok, kwam hij in een gebied waar deze ziekte heerste. Maar er gebeurde wat vreemds met hem. Hij voelde geen angst om de zieken te verplegen en de doden te begraven. Dus onderbrak hij zijn reis. Hij kwam bij de stad Aquapendente aan, aan de berghelling van de Apennijnen.
Rochus hoorde dat het hospitaal vol lag met pestzieken. De straten waren uitgestorven. Niemand durfde de deur uit te gaan, Alleen de dodenwagen ratelde met lijken over de keien, begeleid door vermomde gestalten. Men geloofde toen dat, als je je in doeken hulde, de ziekte minder vat op je lichaam had.

Rochus kwam bij het ziekenhuis en trok aan de bel. De hospitaalmeester Vincent ging naar de deur om het brengen van nieuwe zieken te verhinderen, want er was in het huis geen hoek meer vrij. Toen hij de deur opende, stond buiten een gezonde, mooie jongeman in een pelgrimskleed en deze vroeg, vol goede moed:  “Hospitaalmeester, ik heet Rochus, Mag ik hier komen helpen met het verplegen van de zieken?’ Vincent was sprakeloos, “Jongeman, dat is niets voor jou. Hier haal je je slechts de dood op de hals.”
Vincent wist dat juist jongelui zeer gevoelig voor de pestdcod waren. Tot zijn verbazing glimlachte de jongen en zei:”Meester, ik ben geen beginneling meer in het verplegen van pestzieken. Laat me in naam van Christus binnen. Je zult het spoedig merken,”
Vincent liet hem binnen. Hij wou nog vragen, waar hij vandaan kwam, omdat zijn taal een andere klank had dan hier in deze omgeving.
Hij wou ook vragen waarom hij juist het ergste werk vrijwillig op zich nam. Maar terwijl hij weer naar de opgewekte jongen keek, en zijn heldere ogen zag, was het hem alsof er een helpende goede engel aan de deur stond; en hulp kon hij waarlijk wel gebruiken. Op twee oude vrouwen en een huisknecht na, was er in dit ziekenhuis verder geen verpleger. Bijna eerbiedig heette hij Rochus welkom.

Het kreunen en roepen van de zieken, zo bekend voor Rochus, vulde het huis. Hij liet zich de ziekenkamer tonen, de wasruimte, de keuken, en ging toen aan het werk.
Het leek Vincent dat Rochus 12 handen en 24 benen had. Trap op, trap af, hierheen, daarheen rende hij. Bracht voedsel, kruidenthee, waste wonden, zelfs bulten, haalde water, joeg vliegen weg, roosterde op houtskool kruidenwortels. En als het avond geworden was, ging hij stil van de ene zieke naar de andere, legde zijn handen gekruist op het voorhoofd, dan op de borst, en liet de woorden van zijn gebed in de zieken stromen.

Wat Vincent niet voor mogelijk hield gebeurde: na enige dagen konden al enkelen genezen ontslagen worden en was er ruimte voor nieuwe zieken. Natuurlijk sprak iedereen over de wonderbaarlijke jongeman.Steeds weer probeerde Vincent te weten te komen waar hij vandaan kwam, van welke familie hij afstamde, of hij zijn ouders nog had en waar ze woonden. Maar Rochus glimlachte dan, wees zwijgend met zijn hand naar boven, dat zij in de hemel waren.

Hij wilde zijn voorname afkomst niet prijsgeven, hij wilde slechts broeder Rochus zijn.

Toen in Aquapendente na weken de pestziekte ten einde was, riepen de burgers van Cesena, een nabijgelegen stad, Rochus te hulp. In plaats van verder naar Rome te trekken, begaf hij zich naar her ziekenhuis van Cesena. Hoewel hij ook hier dag en nacht aan het verplegen was, werd hij niet vermoeid. In de korte slaaptijd schoten de levenskrachten weer in zijn lichaam en hij kon ze wegschenken. Nu nog is in de domkerk van Cesena een muurschildering te vinden die de helper Rochus toont.

Eindelijk, toen ook in Cesena de pestziekte verdwenen was, begaf hij zich weer op pelgrimstocht naar Rome. Het stralen van zijn ogen was nog sterker geworden en velen, die de jongeman in armzalig pelgrimskleed in de ogen zagen, werden blij omdat ze hem ontmoet hadden.

In Rome bleef hij lang bij het graf van de apostel. Voor zijn ogen verscheen het leven en lijden van Christus. Daar kwam een grote bebaarde man op hem toe en sprak:”Jij bent Rochus. In Aquapendente heb je me verpleegd en van de dood gered.” En hij omarmde hem vol vreugde en dankbaarheid. Dan sprak hij verder:”Kardinaal Hernardo lijdt aan de pest; zou jij, Rochus, hem willen verplegen?”
Zonder aarzelen antwoordde hij.: “Niets zou me liever zijn, het rondreizen ben ik moe.”
Zo gebeurde het dat Rochus de kardinaal verpleegde, hem weer gezond maakte en zijn vriendschap won.
Op een dag zei de kardinaal:”Rochus, zou je geen priester willen worden? Ik zal je helpen met het Latijn.”
Maar Rochus zei:”Mijn taak is het verplegen van zieken, daar heb ik geen Latijn voor nodig.”

Drie jaren bleef Rochus in Rome. Na deze tijd bereikte hem het bericht dat in de stad Piacenza de pest was uitgebroken. Rochus trok terug naar het noorden. Maar deze keer verliep het anders.

Twee weken was hij onvermoeibaar in het ziekenhuis bezig, toen hij plotseling door hevige koortsen bevangen werd. Vreselijke pijnen schoten door zijn lichaam, zodat hij het uit had kunnen schreeuwen.
Maar als in een droom verscheen een engel die sprak:”Rochus, vele zieken heb je verpleegd. Nu moet je zelf deze ziekte dragen en overwinnen. Je zult daaruit nieuwe kracht putten.”

‘s Morgens vroeg dwong Rochus zich op te staan, tot een verpleger zei hij: “Ik ben voor een tijdje weggeroepen, ik hoop spoedig terug te komen”. Bij zichzelf dacht Rochus, ik wil de andere zieken niet in hun slaap storen met mijn pijnlijk gekreun.

Daar het zomer was, trok hij naar een naburig dal van de Apennijnen. Met mos maakte hij een ligplaats in het bos. Ondanks de pijn bouwde hij van tijd tot tijd aan een klein boshuis. De pestbuilen kwamen steeds meer tevoorschijn. Bij zijn enkel ontstond een etterende wond. Dagenlang werd zijn lichaam door verschrikkelijke pijnen geteisterd. Een klein watertje stroomde in de buurt, waar hij zijn koortsdorst kon lessen en zijn wonden kon wassen. Hij had niets te eten, maar hij verlangde daar ook nauwelijks naar. Toen hij op een keer van het beekje naar zijn rustplaats wankelde, kwam er een hond vol vertrouwen op hem af. Rochus aaide hem en de hond ging mee naar zíjn boshuisje. Daar ging het dier naast hem liggen en liet zich liefkozen. Maar plotseling sprong de hond op, alsof iemand hem geroepen had, blafte drie maal en verdween. Rochus kon zijn ogen niet geloven toen hij na een poosje terugkeerde. Hij droeg een stuk brood in zijn bek en legde het naast de zieke neer. Wat was er gebeurd? De hond behoorde aan een grootgrondbezitter in de buurt die Gothart heette. Van de tafel van zijn meester had hij ongemerkt het brood weggehaald en het naar Rochus gebracht.

Dit deed hij meerdere dagen, totdat Gothart het bemerkte en dacht: ‘Wat doet mijn hond toch met dat brood, hij krijgt toch genoeg te eten.”
De volgende dag volgde Gothart zijn hond en vond zo de eenzame zieke Rochus in zijn boshuisje. Rochus riep naar hem: “Kom niet te dichtbij, ik heb de pest.” Geschrokken week Gothart terug en spoedde zich op huis aan. Nauwelijks was hij thuis aangekomen of hij schaamde zich diep en dacht bij zichzelf: “Mijn hond helpt de arme man en ik ben laf weggelopen. Hoe edel klonk de stem van die arme man. God moet hem liefhebben, dat hij zo’n dom dier stuurt om hem brood te bezorgen. Ik ben een vreselijke egoïst en denk alleen maar aan mezelf.”

Dus ging Gothart opnieuw het bos in en verzorgde de zieke Rochus. Maar Rochus wilde niet in zijn huis opgenomen worden. Door de trouwe vepleging van Gothart en het dagelijks bezoek, waarbij de hond hem vergezelde, veranderde Gothart volledig. Vóór die tijd waren zijn zinnen gericht op een aangenaam leven, goed eten en drinken; nu ontdekte hij in het behulpzaam zijn de liefde voor de naasten.

Toen de herfst naderde was Rochus genezen.
Hij. keerde terug naar Piacenza en verpleegde verder tot de ziekte geweken was. Toen ging hij terug naar het stille dal en bouwde een steviger kluizenaarshut, Door de hond, die hem het brood had gebracht, was er in hem een diepe liefde voor de dieren ontwaakt. Spoedig was hij bevriend met alle dieren in het bos. Ze kwamen vol vertrouwen naar hem toe en hij sprak met hen en verzorgde ze als dat nodig was.

Veel mensen, zochten Rochus op, om bij hem troost en versterking te krijgen. Ook gaf hij zieken goede raad en menigeen nam genezende kruiden mee, die Rochus verzameld en gedroogd had. Niemand ging bij hem vandaan, zonder dat hij hem vermaande: “Wees goed voor de mensen maar wees ook goed voor de dieren.”

Toen Rochus gestorven was, dachten duizenden, die hij verpleegd en getroost had:
“Rochus mag niet vergeten worden, hij bracht de ware liefde in praktijk”.

Zo gebeurde het dat zijn geschiedenis in veel landen verteld werd, dat kerken en ziekenhuizen zijn naam bewaarden. Onder de vele Rochus-afbeeldingen is er zelfs een altaar-afbeelding waarbij de trouwe hond aan zijn zijde staat. Dat zou Rochus zeker plezier doen, dat de hond ook niet vergeten is en met hem bij een altaar mag staan.

.

Jakob Streit: Ich will dein Bruder seinniet vertaald.

2e klas vertelstofalle artikelen

.

1908

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-14)

.

ELISABETH VAN THÜRINGEN
.

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Elisabeth van Thüringen.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven. De schrijfster geeft ook haar heel persoonlijke beleving bij de kennismaking met deze vrouw. Ze verbindt Elisabeths leven met aspecten van deze tijd o.a. de vrouw-man relatie in menselijke zin – en toont daarmee dat ‘figuren uit vroegere tijd’ nog altijd van betekenis kunnen zijn voor de tijd waarin je nu leeft.

Lili Chavannes, Jonas 7, 27-11-1981*
.

Ruim tien jaar* geleden werd in Haarlem, bij de nieuwe behuizing van het St.- Elisabeth’s Gasthuis in de buitenwijk Schalkwijk, een beeld onthuld van Mari Andriessen. In de krant stond een afbeelding – om de een of andere reden was ik geboeid en een paar dagen later ben ik gaan kijken. Op een kaal, winderig veld met niet meer begroeiing dan wat onwennige dunne boompjes en het al te groene gras van opgespoten grond staat het: een man die zijn paard inhoudt, hoog verheven boven de voor hem staande vrouw. Zij kijkt naar hem op, maar aan haar houding is te zien dat zij haar aandacht heeft bij wat zij in de handen houdt. ‘Wat verberg je onder je mantel Elisabeth?’ vraagt de ruiter, Lodewijk van Thüringen. Met een schuchter en tegelijk vrij gebaar toont zij het hem. Het waren broden. Het zijn rozen, die hij ziet.

Zoals ik daar stond te kijken in wat de tuin van het St.-Elisabeth’s Gasthuis moest worden, was ik niet zozeer getroffen door het beeldhouwwerk zelf als wel door het beeld dat er doorheen oplicht: het brood dat in Elisabeths handen tot rozen wordt. Vanaf die tijd word ik af en toe aan haar herinnerd. Twee jaar later, we zijn inmiddels verhuisd, brengt iemand een klein, tweedehands boekje voor me mee: Von Elisabeth der Thüringerin, geschreven door Herbert Hahn. Ik las het in het kraambed en werd erdoor ontroerd, aangeraakt. Net als bij het beeld van Andriessen was het niet in de eerste plaats door de vorm, een prachtig geschreven, dichterlijk verhaal met een rijke gedachtenin-houd, maar ook en vooral door de figuur van Elisabeth. Waar komt de aantrekkingskracht vandaan die een historische figuur op je uitoefent? Speelt hier misschien ook mee dat ik haar naam draag? In ieder geval waren we nog niet met elkaar klaar.

Het boekje van Hahn gaf ik een paar jaar later weg aan een vriendin die ik op dat moment de kracht toewenste die het voor mij vertegenwoordigde. Ongeveer een jaar geleden kwam Elisabeth me weer in gedachten toen we in een groep zochten naar iets inhoudelijks waarmee we onze werkavond konden openen. Ik leende het boekje van Hahn uit de bibliotheek en herlas het. Opnieuw die ervaring van aangeraakt te worden, met weer heel andere perspectieven dan indertijd, krachtiger, dwingender. Zou ik iets over haar op papier willen zetten?

Meer documentatie vond ik onder andere in het schitterende boek van Mary Lavater-Sloman ‘Triumph der Demut’. En ook voor me uit schuiven, uitstellen. Tot iemand me twee weken geleden vertelde dat het 17 november de zevenhonderdvijftigste sterfdag van Elisabeth van Thüringen zou zijn. Ik was verbaasd, maar voelde me vooral ook beantwoord.

De tijd waarin Elisabeth geboren wordt, het begin van de dertiende eeuw, is een overgangstijd. De oude ridderlijke idealen beginnen aan kracht in te boeten. Het geld gaat een rol spelen in de maatschappij; de handel is bevorderd door de kruistochten. De kleine nederzetting onderaan de voet van een burcht groeit uit tot een stad, waarin de burgerlijke stand groot wordt ten koste van aan de ene kant de boeren en aan de andere kant de adel, die wel grond bezit maar geen gemunt geld om hun kostbare hofhoudingen mee in stand te houden. De kerk doet voor hen niet onder in de vorstelijke pracht waarmee zij zich omkleedt. Ook de kloosterorden vergeten voor het gemak de gelofte tot armoede. Tegelijkertijd probeert de kerk haar autoriteit te handhaven door heksenprocessen en kettervervolgingen.

In deze tijd ontstaan de bedelorden, waarin het armoede-ideaal opnieuw met nadruk op de voorgrond komt. Franciscus van Assissi en Elisabeth zijn tijdgenoten en ook geestverwanten, al hebben ze elkaar nooit ontmoet. Op het politieke toneel speelt zich de machtsstrijd af tussen kerk en staat, tussen paus en Duitse keizer, met het nog steeds levende kruistochtideaal als machtsmiddel.

Als Elisabeth dertien jaar is wordt Frederik II van Hohenstaufen, pupil van de beroemde paus Innocentius III en opgevoed aan de Saraceense universiteit van Palermo op Sicilië, tot keizer gekroond, vijfentwintig jaar oud. Zij zullen elkaar ontmoeten, de heilige Elisabeth en Frederik de Saraceen.

Koningsdochter

Elisabeth wordt in 1207 geboren als Hongaarse koningsdochter en al snel uitgehuwelijkt – verhandeld – aan Lodewijk van Thüringen, die zeven jaar ouder is dan zij en dus ook nog van niets weet. Als de vierjarige Elisabeth op de Wartburg, het slot van de landgraven van Thüringen, komt om zo vlug mogelijk een passende opvoeding te krijgen, groeien ze samen op. Er ontstaat een diepe vriendschap en later – ze trouwen als Elisabeth veertien is! – een hartstochtelijke liefde, wat kennelijk de moeite van het optekenen waard was, getuige de kroniek van de kapelaan van de Wartburg.

Al vroeg toont Elisabeth zich innig verbonden met het christelijk geloof en ervaart zij schrijnend de bijna onoverbrugbare kloof tussen het feestelijke, weldoorvoede en verkwistende leven aan het hof en de werkelijk onafzienbare ellende van de armen en zieken eromheen. Twee werelden die naast elkaar liggen, maar elkaar nergens raken. Met afgewend gelaat een aalmoes geven, dat mag en hoort, meer niet.

Elisabeth kon dat niet. Zij gaf waar ze kon, brood, hemden die ze zelf naaide met haar dienstmaagden, ook haar eigen mantel en lijfgoed. Steeds meer blijkt ze ‘anders’ te zijn, niet alleen uiterlijk met haar kleine, tengere gestalte, bruine haar, donkere ogen en huid, temidden van de struise, blonde en blanke Duitse edelvrouwen, maar ook innerlijk, zoals ze het beleden geloof tot levenswerkelijkheid wil maken.

Er wordt overwogen haar terug te sturen naar Hongarije; een groter schande is er niet voor een meisje, dan afgewezen bruid te zijn. Maar Elisabeth gaat door alsof haar niets boven het hoofd hangt, en gelukkig komt Lodewijk, die inmiddels zijn vader als landgraaf is opgevolgd, haar te hulp. Het huwelijk vindt plaats. In het jaar daarop wordt Lodewijk ontboden bij keizer Frederik II om hem een tijd in zijn hofhouding gezelschap te houden. Ze zijn neven en ook vrienden.

In het Thüringse land is hongersnood en de vijftienjarige Elisabeth staat er alleen voor. Zij doet wat zij kan, deelt brood uit tot de voorraadschuren leeg zijn, maakt de schatkist te gelde en bouwt een klein ziekenhuis onder aan de Wartburg waar zij zelf de zieken verpleegt. Zij verdeelt land onder de armen en geeft ze een ploeg, zodat ze zichzelf kunnen helpen. Als Lodewijk terugkomt zijn de gemoederen zeer verhit, maar hij blijft haar steunen. Het is echter niet te verbazen dat haar landgrafelijke schoonfamilie ontzet is; het is niet alleen dat zij het familiebezit als sneeuw voor de zon zien verdwijnen, het is ook zo dat Elisabeth door zich zo daadwerkelijk in te laten met armen en zieken, zelfs melaatsen, alle geldende gedragsregels van die tijd met voeten treedt. Als zij later, na Lodewijks dood, min of meer verstoten wordt van de Wartburg wordt zij bespot en veracht, zelfs ook door de mensen die ze vroeger geholpen heeft. Zij doorkruist alle bestaande verhoudingen en dat wordt haar door hoog én laag kwalijk genomen.

In het jaar 1227 gaat Lodewijk met Frederik ter kruistocht. Het is de kruistocht die uitloopt op de zelfkroning van Frederik tot koningvan Jeruzalem. Frederik heeft dit bereikt door listige onderhandeling, waarbij zijn Saraceense opvoeding hem te pas kwam, en dit wordt hem door de christelijke wereld niet in dank afgenomen: de belangrijkste ridderlijke gelofte was die tot strijd om het heilige graf. Maar zelfs nog vóór de schepen de oversteek maken over de Middellandse Zee is Lodewijk al bezweken aan een korte, hevige ziekte. Het bericht bereikt Elisabeth ruim een half jaar na de geboorte van haar derde kind.

Met haar kinderen en twee trouwe dienaressen trekt zij, midden in de winter, in grauw boetekleed, weg van de Wartburg waar men haar het leven onmogelijk maakt. Nergens wordt zij opgenomen, onderdak vindt zij ten slotte in een schuur, tot haar oom, bisschop van Bamberg, gekwetst in zijn familie-eer, haar bij zich neemt en min of meer gevangen houdt. Hij heeft inmiddels een huwelijksaanzoek voor haar gekregen van… keizer Frederik II. Elisabeth wijst het af, trouw aan haar liefde voor Lodewijk en ook aan haar gelofte tot navolging van Christus.

De laatste jaren van haar leven worden beheerst door een wonderlijke, onheilspellende figuur, Konrad von Marburg, een berucht kettervervolger in zijn tijd, die het tenslotte zelfs in de ogen van de kerk te bont maakt en door het volk gedood wordt. Zoals Lodewijk de lichtkant in haar leven vertegenwoordigde, zo staat deze man voor de schaduwkant. Hij heeft Elisabeth, als haar zelfgekozen biechtvader, de gruwelijkste boetedoeningen en geselingen doen ondergaan.

Onder zijn ‘hoede’ beleeft Elisabeth als een roos in de herfst haar tweede bloei in het ziekenhuis van Marburg. Haar lichamelijke krachten worden onder de zware geestelijke oefeningen die zij doet steeds brozer, maar dag en nacht is zij voor de zieken bezig. Uit deze tijd stammen vele verhalen over de wondergenezingen die zij verricht.

Op 17 november 1231 sterft Elisabeth van Thüringen, vierentwintig jaar oud. Vijf jaar later wordt zij door de katholieke kerk heilig verklaard. Haar gebeente wordt opgegraven om er een waardiger plaats aan te geven. Duizenden mensen zijn erbij, ook keizer Frederik is aanwezig. Hij neemt de kroon van zijn hoofd en drukt hem op de schedel van Elisabeth: ‘Wat in leven niet kon gebeuren, moge ik nu in de dood voltrekken.’

Biografie

Hoe dat is, de biografie na te gaan van iemand die zo lang geleden leefde en bovendien een heilige werd, met alle legendevorming van dien? Er zijn oude kronieken waarin sober en kort de belangrijkste feiten opgetekend staan uit haar leven. Toch zijn die aantekeningen niet meer dan een dood geraamte. Een levende persoon zal je daaruit niet op eigen kracht tegemoet treden. Er kan verschillend mee omgegaan worden. Er is het gevaar van dweperij met een dood persoon vol toegedichte goede eigenschappen. Dat worden dan geromantiseerde biografieën, wonderverhalen waarin de figuur kunstmatig beademd wordt tot een niet levensvatbaar bestaan van zoetelijkheid. Een bidprentje, dat onbeperkt vermenigvuldigd kan worden en in de hand gedrukt ter illustratie van bijvoorbeeld naastenliefde. Een andere mogelijkheid is alleen naar de historische feiten te kijken en ze te laten voor wat ze zijn: dor takkengekraak van verleden zomers. Dat is de Elisabeth van de geschiedenisboekjes, een heilige uit de lange rij van katholieke heiligen, met haar eigen jaartallen.

Er is een derde mogelijkheid

Eerst kan je proberen een zo duidelijk mogelijk beeld te vormen van iemands leven op grond van historische feiten. Daar hoort bijvoorbeeld ook de omgeving bij, de tijd waarin de figuur leeft. Je kunt de beelden glijdend in elkaar over laten gaan, zoals wel gebeurt bij diaprojectie. De beweging die je dan ziet is niet die van de historische, tot leven gebrachte figuur, maar het is een beweging die je zelf, als lezer, tot stand brengt. Er worden plekken zichtbaar waar je je toe aangetrokken voelt, die je afstoten, plekken die je verbazen; er zijn waarschijnlijk ook plekken die je niet ziet, omdat je er niets bij voelt. Ik denk dat je vervolgens met die plekken aan de gang moet gaan, ze innerlijk heen en weer moet wiegen. Op de een of andere manier spreken ze je aan, want je voelt er iets bij.
Ze sluiten aan bij dingen die voor jou, op dit moment, een levenswerkelijkheid zijn. Je kunt proberen die aansluiting voor jezelf onder woorden te brengen, eerst associatief, dan langzamerhand met meer bewustzijn. ‘Haken en ogen, tikke takke togen’, zing ik voor mijn dochter. Dat is het een beetje: voor die plekken in een biografie waarvan je het gevoel hebt dat het ‘haken’ zijn, moet je de bijpassende ‘ogen’ in je eigen werkelijkheid vinden. Pas als de haakjes ingehaakt zijn kunnen ze weer tot leven komen en bevruchtend gaan werken. De figuur wordt dan levend, kan je letterlijk iets gaan zeggen, niet vanuit zijn historische context en levensgeschiedenis, maar vanuit de impuls waarmee hij daarin stond.
Het vraagt een zekere moed om die innerlijke verbinding te durven aangaan. Wat zijn we in de wetenschap niet opgevoed met de onaantastbaarheid van historische feiten en de verkrachting daarvan die te vrezen is zodra de mens ze in een visie opneemt!

Vervroeging

Terug naar Elisabeth van Thüringen. Wat is eigenlijk het bijzondere aan Elisabeth? In haar tijd was wat zij deed niet zo uitzonderlijk. Duizenden deden de drie grote geloften: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Vasten, kastijdingen en urenlang gebed waren geen uitzonderingen. Wat zagen de mensen voor bijzonders in haar? Want al tijdens haar leven verbreidde zich haar roep ver buiten de eigen kring.
Elisabeth was arm, kuis en gehoorzaam, maar het buitengewone was dat zij midden in de wereld stond en niet binnen de beschermende muren van een klooster. Zij deed de geloften uit eigen vrije wil aan zichzelf – zij vastte voor een vorstelijk voorziene tafel, zij kon kiezen tussen een keizerinnenkroon en de beddesteek en koos het laatste. Elisabeth was vrij op een tijdstip in de mensheidsgeschiedenis waar dit soort zielenvrijheid nog nauwelijks ergens zichtbaar was. Zoals haar hele biografie in het teken staat van een ongelooflijke vervroeging: lot voor een heel leven samengeperst in vierentwintig jaar, zo treedt dit realiseren van innerlijke vrijheid in haar vervroegd op in de mensheidsgeschiedenis. Hierin is Elisabeth haar tijd ver vooruit. In het boek van Mary Lavater-Sloman komen de lichamelijke kastijdingen die Elisabeth zichzelf oplegt of opzoekt in de figuur van Konrad von Marburg vrij uitvoerig aan de orde.
De opvatting dat pijniging van het lichaam met zijn driften en lusten de ziel kan louteren, is in de middeleeuwen algemeen geaccepteerd. De twintigste-eeuwer die het leest kan er – met zijn verontwaardiging over politieke martelingen in zijn tijd – moeilijk in mee gaan. De zelfgekozen kastijdingen doen hem hysterisch aan. Zo ging het mij ook. In Elisabeths biografie leek het een bijzaak waarmee ik niet veel kon beginnen.
In dezelfde tijd las ik ook het boek dat Christiane F. met behulp van twee journalisten schreef over haar ervaringen als junkie ‘Wir Kinder vom Bahnhof Zoo’. Het is een aangrijpend verslag van een jong meisje dat via de woestenij van een Berlijnse Bijlmermeer, een kerkelijk jeugdcentrum en een discotheek- heroinespuitster wordt. Ze blijft pogingen doen om de weg terug te vinden. De zelfgewilde afkickperioden – met de lichamelijke ontwenningsverschijnselen die daarbij optreden – zijn werkelijke zelfkastijdingen van de vijftienjarige Christiane. En zevenhonderdvijftig jaar geleden was daar een even oude Elisabeth die haar ziel wist vrij te maken. Onvergelijkbaar? Ja, misschien. In ieder geval maakte deze associatie voor mij naar beide kanten iets duidelijk. Elisabeths kastijdingen kunnen voortgekomen zijn uit dezelfde behoefte ‘clean’ te zijn als Christianes afkickpogingen, hoe verschillend zij beiden het onreine ook ervoeren. En naar de andere kant: Christianes afkickpogingen hebben meer te betekenen dan alleen het ontgiften van haar lichaam. Ze hebben naar mijn gevoel ook te maken met het ontwikkelen van een vrije ik-kracht, tegen alle verdrukking van omstandigheden en drugs in.
In onze tijd is dat misschien een herkenbaar menselijk streven aan het worden, in Elisabeths tijd was het in de mensheidsontwikkeling nog niet aan de orde. Zij loopt vooruit op die ontwikkeling, dat is het buitengewone in haar biografie en als zodanig ook door de mensen van haar tijd erkend. Een heiligverklaring, nog geen vijf jaar na de dood, is snel.

Elisabeth, een vervroegde mensenziel in haar tijd. Herbert Hahn stelt in zijn boekje haar leven in een indrukwekkend perspectief. Hij schildert hoe ook Frederik II van Hohenstaufen op zijn manier een te vroeg geborene was. Hoe hij, zo jong al keizer van het christelijk avondland, vanuit zijn Saraceense achtergrond de eigenlijke christelijke impuls gemist heeft; hoe hij, krachtig in de daad en gescherpt in het Arabische denken, in het gevoelsgebied te kort schiet en dat ook weet. Frederik de Andere wordt hij ook wel genoemd. Als hij Elisabeth ontmoet op de Wartburg herkent hij in haar de aanvulling die voor hem levensnoodzaak is. Hij herkent de zielehouding die de zijne kan aanvullen en werkelijk vruchtbaar maken.

Hahn schildert, meer als visionair kunstenaar dan als historicus, hoe de wereldgeschiedenis haar adem inhoudt bij de ontmoeting van deze twee vroegelingen, beiden groten van hun tijd. Zullen ze elkaar werkelijk aanraken? Elisabeth herkent hem niet en gaat aan hem voorbij, zijn kroon slaat ze af. Maar de belofte die zij in haar leven draagt, het dode denken levend te maken, de kiem voor het natuurwetenschappelijk denken te bevruchten, die belofte vervult zij niet. Na het afslaan van Frederiks huwelijksaanzoek maakt zij, bij alle activiteit in het Marburger ziekenhuis, een terugtrekkende beweging, zij mist de kracht de wereld werkelijk te veranderen. De kloof tussen geloof en wetenschap wordt niet overbrugd, integendeel, wordt steeds wijder.

Steeds weer, ook in later tijd, is Thüringen het toneel van verzoeningspogingen tussen deze twee uitersten: het heldere, natuurwetenschappelijke denken dat via de universiteit in Palermo op Sicilië uit het mohammedaanse cultuurgoed stamt, en het christelijk geloof, gevoelsrijk maar in haar bronnen onkenbaar. Luther werkte op de Wartburg; Goethe en Schiller ontmoetten elkaar in Thüringen en Rudolf Steiner schreef in zijn Thüringse tijd zijn boekje over de kentheorie, waarin hij het gesprek tussen Goethe en Schiller als het ware afrondt. Wat een plek, dat Thüringen. En ook wat een visie. Het boekje van Hahn hoort tot de mooiste die ik ken.

‘Haken en ogen, tikke takke togen’, waar haak ikzelf in? Met een andere invalshoek op hetzelfde gegeven zou je kunnen zeggen dat Elisabeth heel geconcentreerd en zuiver de vrouwelijke zielehouding in beeld brengt, terwijl Frederik exponent is van de mannelijke zielskrachten. Om misverstanden te voorkomen wordt in dergelijk verband wel gesproken van feminiene en masculiene kwaliteiten: ik vind dat geen mooie woorden en denk dat niemand tegenwoordig zich zo uitsluitend ‘man’ of ‘vrouw’ voelt dat hij of zij niet zou begrijpen wat er bedoeld wordt met vrouwelijke en mannelijke ziele-kwaliteiten. Dat Elisabeth een vrouw is en Frederik een man, is min of meer toevallig. Elisabeth vertegenwoordigt dus de vrouwelijke kwaliteiten, Frederik de mannelijke. Zij lopen elkaar mis, er komt geen verbinding tot stand die zo vruchtbaar is dat er twee ‘hele’ mensen uit te voorschijn komen. Elisabeth gaat haar weg, die haar letterlijk en figuurlijk van de aarde wegvoert, Frederik gaat de zijne die aan schizofrenie grenst. Maar de mogelijkheid tot bevruchting, tot ‘heel’ maken was er wél, ook al werd zij niet verwerkelijkt.

Dat geeft het beeld van Elisabeth zoveel zeggingskracht voor mij in deze tijd. Naast alles wat zij in haar leven wel verwerkelijkte, blijft er iets als een gemiste kans in haar. De kracht van die hoopvolle kans blijft bewaard in het sprookjesachtige beeld van het brood dat in rozen verandert. En dat zegt me wat, want lijkt het er niet op dat het feminisme door zich op haar eigen burcht terug te trekken opnieuw een werkelijke ontmoeting met al de mannelijke elementen in de maatschappij mis gaat lopen? Natuurlijk, er zijn er genoeg die het signaleren, maar het moet nu ook werkelijk gebeuren. De mannelijke kwaliteiten bezitten kracht en helderheid, maar zijn in zichzelf onvruchtbaar. De kwaliteit van het vrouwelijke is warmte en continuïteit en moet zichzelf, ook ongevraagd, durven geven. Nogmaals, het is niet aan man-zijn of vrouw-zijn gebonden. In ieder mens en op iedere plek in de maatschappij kan dat gebeuren.

Zo komt er uit de levensgeschiedenis van een vrouw, die zevenhonderdvijftig jaar geleden stierf, een beeld tevoorschijn dat toekomstkracht voor me heeft en waarmee ik iets beginnen kan. Elisabeth zou een boegbeeld kunnen zijn voor een vruchtbare vorm van feminisme als die wil staan voor het inbrengen van vrouwelijke kwaliteiten in een mannelijke maatschappij.

.
Elisabeth von Thüringen: meer

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein– niet vertaald.

2e klas vertelstof: alle artikelen

Alle biografieën

.

1889

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – Is het echt gebeurd? (9)

.

nleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

„IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

 

Gullivers reizen

Wat enigermate gezegd kon worden van een boek als „De Negerhut van oom Tom” en in veel sterker mate van „Don Quichotte”, dat geldt nóg duidelijker voor „Gullivers reizen”. Dit boek van Jonathan Swift is van tendens-„roman” in de loop van de tijd gedenatureerd tot jeugdboek. Tot een niet eens meer zó bekend jeugdboek bovendien. Waarbij de jonge lezer dan wel onmiddellijk zal begrijpen dat deze Lemuel Gulliver, de hoofdpersoon, geen wezen is geweest van vlees en bloed. Een schepping slechts uit papier en drukinkt – dat is duidelijk. De strekking – het oefenen van kritiek op allerlei maatschappelijke en politieke toestanden – zal nu, 250 jaar later, veel minder indringend geworden zijn. Uiteraard.

In 1726 kwam „Gullivers Travels into Several Remote Nations of the Worlds by Lemuel Gulliver, first a Surgeon, and then a Captain of Several Ships” van de pers. Het heeft Swift een voorarbeid van vele jaren gekost. Men neemt aan dat hij al in 1720 met de opzet ervan is begonnen. In de opvolgende delen laat hij de scheepsarts, resp. scheepskapitein, terechtkomen in vreemde landen met telkens andere, ook weer vreemde, maatschappelijke systemen. Eerst in Lilliput. Daarna in Brobdingnag. Later in Luggnagg, in het land der Hounyhnhnms en op het eiland Glubbdubrib. Via die ontdekkingen en ervaringen weet de uitermate kritisch ingestelde auteur dan zijn zegje te doen over toestanden in Engeland. Over de corruptie in het sociale en politieke leven en over de bedriegelijke uiterlijke schijn in het godsdienstig leven daar. En daar niet alleen. Eigenlijk botst hij in zijn felle kritiek op tegen de hele mensheid en de menselijke instellingen in het algemeen.

Alleen de eerste twee boeken, „Lilliput” en „Brobdingnag” – die over het land der lilliputters en dat der reuzen – zijn tot grote bekendheid gekomen. Die zijn dan ook in veel talen overgebracht en tweehonderdvijftig jaar lang in handen gebleven, zij het steeds meer als amusementslectuur voor de aankomende jeugd.

Jonathan Swift (3/11-1667 tot 19/10-1745)

Hij leefde dus in de tijd van de „Glorious Revolution”. Van Willem (III) en Mary. Van koningin Anna en, na haar, van het Huis Hannover met zijn Georges. Van de partijstrijd tussen Whigs en Tories.

Een iets jongere tijdgenoot was hij van Daniël Defoe. En via het hof en de regeringspersonen rondom Willem III moeten die beiden – Swift en Defoe – elkaar haast zeker hebben gekend. Ook als publicisten moeten ze haast connecties hebben gehad. Merkwaardig tenminste, hoeveel parallels er is in hun beider levensloop, hun kritische instelling en hun werkzaamheid.

Terwijl het begin van Defoes leven zich duidelijk aftekent, is dat van Jonathan Swift nogal wazig. Hij moet in Dublin geboren zijn uit een oud predikantengeslacht. Zijn vader, procureur, stierf voor Jonathans geboorte. Zijn moeder trok met haar gezin bij een zwager in, die ook voor de opleiding van zijn neef zorg droeg. Dat intussen zo karig, dat Swift later daarover sprak als over „zorg voor een hond”. Een fleurige jeugd had hij dus allerminst. Zijn allereerste drie kinderjaren bracht hij bovendien, met zijn moeders toestemming, door in de famieliekring van een kindermeisje. De vraag komt op, of hij mogelijk mede door dit onvriendelijke begin des levens tot de sarcastische, verbitterde mens is uitgegroeid die hij later was …

Zijn predikantsstudie brak hij af. Dan vinden we hem terug als secretaris van de, ook in onze historie bekendere diplomaat William Temple. En daardoor in de periferie van Willem III, die hij – evenals Defoe – zeer bewonderde.

In 1692 voltooide hij toch nog zijn opleiding tot predikant. In Ierland vond hij als zodanig een nieuwe werkkring. Scherp kon hij lostrekken tegen misstanden in de Kerk. Maar bij alle kritiek op de Kerk als lichaam, als organisatie, liet hij het christendom zelf onaangetast. Ook de politiek liet hem niet los. Zijn felle pen werd in Engeland een gevreesd wapen. Teleurgesteld in de Whigs was hij overgelopen naar de Tories. En aan de val van Marlborough heeft zijn kritiek stellig meegewerkt. Als regeringsadviseur had hij een belangrijk aandeel in de Vrede van Utrecht, die achter de rug van onze Republiek om, met Frankrijk in 1713 werd gesloten („Bij u, over u en zonder u”).

Op de Hollanders was hij trouwens fel gebeten. Dat komt op verschillende plaatsen van zijn werk naar voren. Waarom of waardoor, is mij niet bekend.

Na de val van de Tories (1714) verplaatste hij zijn activiteiten weer naar Ierland. Hij kwam er op voor de rechten der onderdrukte leren, vooral van de protestanten onder hen. De toon van zijn diverse geschriften werd er niet zachtzinniger op. Hij was befaamd en gevreesd …

Swift zelf werd bij het klimmen der jaren evenmin zachtzinniger. Invloed van zijn moeilijke eerste twintig levensjaren? Droeg hij de last van homofilie mee? (Dat wordt namelijk wel verondersteld). – Een hinderlijke oorziekte maakte hem het leven moeilijk en hem tegelijk tot een moeilijk mens. – (En zou een voortdurend onbarmhartig kritisch waarnemen van de omgeving iemand op den duur zelf onaangetast kunnen laten? Loopt hij op den duur niet de kans te verzuren en te verbitteren? Een gevaar voor élke criticus?)

Swift werd een moeilijke knorrepot. Een mens met een sombere ouderdom (Hier treft weer de overeenkomst met Defoe). Wie zal er anders gemakkelijk toe komen een eigen grafdicht van bijna 500 regels te maken? (“The Death of dr. Swift”).

Hij stierf 14 jaar nadien in Dublin. Juist, zoals hij altijd had gevreesd: in een vrijwel volkomen geestelijke onmacht ….

Wel een tragisch einde voor een man die met een zo schitterend intellect begiftigd was. Met al zijn briljante mogelijkheden toch een min of meer mislukt mens … Waarvan de jeugdige lezers gelukkig geen besef hebben. Laten zij hem maar een amusante schrijver vinden.

In 1967 is zijn 300-jarige geboortedag hier en daar herdacht. Zo door de heer J. Simons in „Studium Generale”. Diens artikel droeg voor deze bijdrage verschillende gegevens aan.

.

Vertelstofalle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertellen – – Is het echt gebeurd? (7)

.

Inleiding
.

G.Blankensteijn, Vacature, precieze datum onbekend, maar uit 1977
.

IS DAT NU ECHT GEBEURD?”

Buffalo Bill

Om daarmee maar te beginnen: Buffalo Bill – „Bison-Willem” – heeft werkelijk geleefd. Van 26 februari 1846 tot 10 januari 1917. Er is zelfs een kleine mogelijkheid, dat onder de lezers van dit artikel een enkele zou kunnen verklaren: „Ik heb hem zelf nog (aan de gang) gezien”. Maar daarover straks meer.

Buffalo Bill heeft dus werkelijk geleefd. Officieel zal hij in de Amerikaanse burgerlijke stand – of wat daarvoor een eeuw geleden moest doorgaan – te boek staan onder de naam: William Frederick Cody. Waaraan dan nogal eens een keer de wijdse titel „kolonel” werd en wordt toegevoegd. (Dergelijke, op niets steunende, versierende toevoegingen kwamen destijds nogal eens voor. Denk maar aan „kolonel” Drake, de gepensioneerde treinconducteur, die naam maakte door de eerste olieboring).

De legendarische held

Zijn, aan avonturen rijke, loopbaan begon bij de z.g. „pony-express”. Dat was een postdienst over het Noordamerikaanse continent van oost naar west v.v. Dwars door Indianengebieden en door van bandieten wemelende en onveilige streken. Als zo’n koerier – die wel niet op een pony zal hebben gereden – heeft William Cody natuurlijk wel zo het een en ander beleefd. Daarna werd hij „scout”, verkenner en gids, in dienst van het naar het westen opdringende Amerikaanse leger.

En toen bisonjager, waaraan hij de naam „Buffalo Bill” te danken heeft. Ten behoeve van de vleesvoorziening van dat leger en van het arbeidersleger, dat de glimmende staven van de Pacific-lijnen gestadig verder naar het westen schoof, maakte Cody jacht op de bisons, die toen nog in groten getale de prairies bevolkten. Er staat van hem opgetekend, dat hij in 17 maanden niet minder dan 4280 bisons neerlegde. (In onze tijd zou hem dat geen heldenrol meer opgeleverd hebben).

Intussen was hij door allerlei staaltjes van rij- en schietvaardigheid, van onverschrokkenheid en slimheid hoofdpersoon geworden in tal van boeken, toneelstukken en vooral van goedkope bontgekleurde driestuivers-afleveringen (als het ware de verre voorgangers van de kleuren-tv). Een zekere Ned Buntline heeft ze bij honderden op de markt geslingerd. (En wij, zo tussen 1910 en 1915, maar turen naar de voor ons onbereikbare floddertjes achter de ramen van de kleine, grauwe boekzaakjes, waar dat schoons te prijken lag. Cowboys in hoge stevels en in gele en rode gefranjede jassen. Een zware revolver in elke hand. Soms ook vastgesnoerd en overgeleverd aan dreigende Indianen of prairie-rovers… De spanning droop ervan af…)

Cody zelf heeft zich ook aan dat soort literatuur gewaagd. Gelukkig, dat hij daarbij een zuster ter beschikking had, die zijn letterkundige producten in elk geval van de benodigde leestekens en hoofdletters kon voorzien.

Op reis

Toen het midden van de Verenigde Staten zo’n beetje gepacificeerd was, stapte B. B. over naar de show-branche. Met een grote en bonte troep Indianen, scherpschutters, scouts, enz. trok hij rond. Eerst in de Ver. Staten. Later in Europa. Een enkele bron zegt: door de halve wereld, maar of dat waar is? Wél waar is, dat zijn voorstellingen overal enorme toeloop kregen. Niet alleen van de jeugdige lezers der driestuivers-afleveringen, maar ook van hooggeplaatsten. Zelfs vorsten en hun hoven kwamen zien naar Buffalo Bill en zijn schilderachtige troep. Naar, bijvoorbeeld, de overval op een postkoets in het Wilde westen, want ook daarvoor waren alle attributen meegebracht…. Bijna echt, den volke voorgetoverd in circustent of arena …En vooral naar de man zelf. Tot zijn zeventigste jaar bleef hij in zijn groep de hoofdpersoon. Gezeten op een door de arena galopperend paard schoot hij op die leeftijd nog feilloos de glazen bollen stuk, die helpers van alle kanten omhoog gooiden. Tot zijn dood in 1917…

Na 1917

Als mijn geheugen me niet bedriegt – ik was toen nog maar een 16-jarige Haarlemse kwekeling – heeft men Buffalo Bill een graf gegeven in de ruime wereld, waarin hij altijd geleefd had. Op een heuvel bij de stad Denver, de hoofdstad van Colorado. Daar, waar het Rotsgebergte naar het oosten overgaat in „golvende prairies, soms doorsneden door droge rivierbeddingen, met als enige begroeiing de pretentieloze grijze struiken van de sage-brush”. (Of daar nu nóg de prairie-wind, gekomen van mijlenver, ongebroken over de heuvels waaien kan? In de stad Buffalo is een museum, gewijd aan de tijd van de Indianen en van W. F. Cody. Er hangen portretten van „Pretty Eagle” en „Big Crow” en andere grote Indianenhoofden uit zijn tijd.

In de plaats Cody – die ik op mijn atlas niet vinden kan – moet een museum zijn, geheel gewijd aan de man, die zijn naam er aan gaf.

Op 4 maart 1976 stierf in Corpus Christi (Texas) op 105-jarige leeftijd het Siouxopperhoofd „Rode Vos”. Hij was een van de grote figuren uit B. B.’s Wild West-show. Daarenboven een zeer gewaardeerde autoriteit op het gebied van de Indiaanse geschiedenis. Zo van de slag bij Little Big Horn (1876) waarin generaal Custer met zijn gehele zevende regiment cavalerie tegen de Indianen het leven verloor.

Ruim twee maanden later, op 7 mei 1976, werd op een veiling bij Christies in Londen William Fredericks befaamde Winchesterbuks uit 1883 te koop aangeboden. Voor ruim ƒ 5000,— werd een Amerikaanse verzamelaar de nieuwe eigenaar ervan.

.

Vertelstofalle artikelen

.

1866

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.