Categorie archief: vertelstof

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1550 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas

L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (2)

.

Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais.

.

KASPAR HAUSER

In het vorige nummer van Jonas [hier te vinden] heeft Claartje Wijnbergh de levensloop van Kaspar Hauser beschreven. Nu zal worden getracht deze dramatische biografie in een groter kader te plaatsen. Een volgend artikel [niet op deze blog] zal deze motieven dan in verband brengen met de actuele politieke gebeurtenissen van onze eeuw.

Kort nog even de feiten: geboren op Michaëlsdag 1812 als Prins Max von Baden; direct verwisseld met een stervend kind en elders opgevoed; op zijn 3e levensjaar ingekerkerd en vrijwel volledig afgeschermd van zintuiglijke indrukken en menselijke contacten; Pinksteren 1828 (16 jaar oud) verschenen in Neurenberg als een halfmenselijk wezen; even voor Kerstmis 1833 (21 jaar oud) laaghartig vermoord.
Onthutsende feiten! Geen wonder dat over het hoe en waarom van deze zaak velerlei speculaties de ronde doen. Gewoonlijk houdt men het op een moerassige troonopvolgingsstrijd. Op de vraag waarom men hem dan niet direct heeft gedood, zou geantwoord kunnen worden: een luguber experiment met de mens.

Iets ‘experimenteels’ lijkt er inderdaad in te zitten, anders had men hem immers niet meer uit zijn kerker los gelaten. Maar ook de navolgende gedachtegang lijkt plausibel.
Het gaat hier om veel meer dan een simpele troonkwestie. ‘Men’ verwijdert Prins Max von Baden van zijn eigenlijke plaats en laat hem gedurende de eerste drie jaren van zijn leven ‘normaal’ opgroeien. Pas dan snijdt men hem af van elke verdere menselijke ontwikkeling.’Het moment geeft te denken. Eerst stelt men het zielegeesteswezen van deze mens in de gelegenheid om zich via de oer-stappen van het lopen, spreken en denken diep in zijn lichaam te incarneren. Om vervolgens zodanig in te grijpen dat zijn verdere incarnatie- en ontwikkelingsweg totaal wordt verkracht.

Maar hij sterft niet, mag niet sterven. Hij blijft gebonden aan zijn lichaam. Hem te doden was kennelijk te riskant. Immers, als men hem ‘gewoon’ had gedood, had zijn zielegeesteswezen de mogelijkheid gehad ofwel om zijn afgestopte impuls vanuit de geestelijke wereld verder gestalte te geven, ofwel om snel te reïncarneren. Kennelijk wilde ‘men’ iets afbreken. Iets wat van groot belang was voor de positieve ontwikkeling van de cultuur. Wat zou dit dan kunnen zijn?

Kaspar Hauser leefde in de tijd van de nagalm van de Franse revolutie. De idealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap waren echter gesmoord onder Romeins machtscentralisme. Karl Heyer spreekt het vermoeden uit dat Max von Baden vanuit de geestelijke wereld de opdracht zou hebben gehad om aan deze idealen opnieuw kiemkracht en levenskans te geven. Hoe is deze suggestie te plaatsen? Dat het hier om een impuls van betekenis gaat, is af te lezen uit het feit dat Rudolf Steiner een maatschappelijke driegeleding lanceerde waarin we deze drie idealen terugvinden. Net zoals je in de mens onderscheid kunt maken tussen de functies van denken, voelen en willen, elk met z’n eigen karakteristieken, zo kun je ook in de ‘grote mens’, in het sociale organisme drie gebieden onderscheiden en onderzoeken op hun specifieke ‘ wetmatigheden.

Vrijheid en cultuurleven:
alleen als er in de sfeer van de gedachten en de ideeën onvoorwaardelijke vrijheid heerst kan de cultuur bloeien; voor dit gebied geldt bij uitstek het ‘geen twee mensen zijn gelijk’; hier moet onbeperkte ontplooïngsruimte zijn voor het oer-individuele.

Gelijkheid en rechtsordening:
hier geldt het: ‘alle mensen zijn gelijk’ in de zin van gelijkwaardigheid en gelijke rechten hebben op een menswaardig bestaan.

Broederschap en economie:
daar waar de bestaansbasis van het leven wordt verzorgd, staat alles met alles in samenhang; vanuit de individuele talenten draag je bij tot het geheel, in grondrechtelijke gelijkheid neem je er aan deel.

Waar deze oerkrachten van het maatschappelijk handelen door elkaar worden geklutst, ontstaat chaos. In het groot wordt dit bijvoorbeeld duidelijk aan de oost-west-polarisatie. Het kapitalisme oefent via de machtsaspecten van de economie een knellende greep uit op het rechtsleven (klassenjustitie) en de cultuur (conditioneren en gelijkschakeling). Het communisme heeft zijn machtscentrum in het rechtsleven en dirigeert van daaruit economie en cultuur op dwingende wijze. In geen van beide systemen is plaats voor de mens. Voor kleinschalige voorbeelden zij verwezen naar de serie van Bos, Brüll en Henny. [1] Een menswaardige toekomst staat en valt met het serieus nemen van de sociale driegeleding. Het verder ontwikkelen en concretiseren ervan behoort tot wezenlijke opgaven van onze tijd.

De Franse revolutie is daarmee te zien als een kiem, als een eerste aanduiding van wat later in het Michaëlische tijdperk tot volle ontplooiing wil komen. Toen Rudolf Steiner de driegeleding in de wereld zette, was het Baden-Würtenberg waar het bijna tot een doorbraak is gekomen. Hetzelfde gebied waar Prins Max von Baden normaliter zijn intenties had kunnen realiseren. Als een vorst met een invloedrijke positie in de internationale politieke constellatie van die dagen.

Als Max von Baden kreeg hij geen kans. Maar als Kaspar Hauser heeft hij ondanks alles toch iets grandioos voor de mensheid gedaan, ook al lijkt het alsof het van buiten af aan hem is gedaan.
Ik doel hier op het pedagogische motief, dat door Claartje Wijnbergh is beschreven. En inderdaad, Kaspar Hauser moet een zeer bijzondere persoonlijkheid geweest zijn – ook zonder dit bizarre lot. De sensatiepers maakte hem natuurlijk tot een beroemdheid, maar Kaspar Hauser werkte ook door wat hij was. Goedwillende mensen waren diep onder de indruk van wat er van zijn wezen uitging. Zo iemand was Daumer (niet Danner), degene die hem van begin af aan in zijn hart heeft gesloten. Hij was het die K.H. opnieuw het leven heeft binnengeleid. Rudolf Steiner noemt Daumer een der laatsten uit de stroom der ware rozenkruisers; hij spreekt over hem als een moreel zeer hoogstaand mens. En deze Daumer heeft Kaspar Hauser herkend. Niet als een vorst met een belangrijke maatschappij-vernieuwende opdracht, maar als een individualiteit van het hoogste niveau. Maar een individualiteit zonder de geëigende instrumenten! Door een zwart-magische manipulatie is deze mens uit zijn baan geslingerd en ingekerkerd in een vernielde lichamelijkheid die hem tot gevangenis werd. Of toch niet? Waarom moest hij op zijn 21e alsnog worden gedood? Omdat het spel politiek te gevaarlijk werd? Of omdat een mens rond zijn 21e zijn eigenlijke ik-geboorte beleeft en dit bij een persoonlijkheid als Kaspar Hauser betekenen dat hij tóch zou gaan doorbreken? Met de Christusimpuls had hij zich immers reeds uitermate intens verbonden?

De hele 19e eeuw heeft het nog nagegonst. Politiek bleef het een heet hangijzer. Louche diplomatie moest de waarheid toedekken, totdat de bewuste troon niet meer bestond en de betrokkenen in het verleden waren verdwenen.

In onze eeuw groeide ook de belangstelling in de persoon van Kaspar Hauser. Van de voortreffelijke roman van Jacob Wasserman tot de degelijke beschouwingen van Pies Heyer. [2] En toen Rainer Fassbinder twee jaar geleden met zijn film over Kaspar Hauser kwam, stonden de kranten ineens weer vol over hem. Zeer oppervlakkig weliswaar, maar toch, hij leefde weer. Het is als een boodschap van onverwoestbaarheid van het hogere in de mens: de ware mens is niet klein te krijgen!

Als je de idealen van de Franse revolutie wil opvatten als serieus voorwerk voor het Michaëlische tijdperk, kun je het volgende opmerken. Tijd wordt gekenmerkt door wetmatigheden van ritme en spiegeling. Rudolf Steiner wijst erop dat je in een bepaald tijdsverloop elk tijdstip kunt nemen als spilpunt en dat je ten opzichte daarvan spiegelingen kunt uitvoeren die dan altijd onderlinge samenhang blijken te vertonen. Zelf past Rudolf Steiner dit nogal eens toe op het jaartal 1879. Het tijdstip waarop de aartsengel Michaël de leiding van de
cultuurontwikkeling op zich neemt. Als we nu de Franse revolutie (1789) spiegelen om 1879, dan komen we in 1969. De tijd van de studentenrevoltes! Begonnen in datzelfde Parijs (’68) omspoelt een vloedgolf van nieuwe vrijheidszin de aarde, van Berkley tot Tokio. Het establishment wordt ontmaskerd als repressief tolerant, de ketening van de vrije mens wil doorbroken worden. Het bankroet van de op economische machtsmiddelen gebaseerde consumptiemaatschappij lijkt volledig. Het ware beeld van de mens, met name het vrijheidsaspect, lijkt even door te breken. Over de hele wereld grijpen (jonge) mensen nieuwe idealen voor een menswaardiger samenleving; Michaëlische wil vlamt op. Maar het vuur dooft snel. De gezonde ideeën en oordelen om deze wilsimpuls op adequate wijze in het bewustzijn te verheffen, ontbreken. Herbert Marcuse, dé ideeënleverancier voor deze generatie, is fervent neo-marxist. In zijn ‘eendimensionale mens’ geeft hij een briljante analyse van de onder-drukkingstechnieken van de gevestigde orde. Maar het is pure afbraak; werkzame alternatieven geeft hij niet, evenmin als vele andere ‘vernieuwers’. De heilloze links-rechts-polarisatie, compleet met politiek georiënteerde moord en doodslag, is er het gevolg van. En nu, net als na de Franse revolutie, is alles weer gesmoord onder staatscentralisme. De Michaëlische impuls in de mensenzielen vindt wederom niet het juiste voertuig om de cultuur binnen te rijden. Dat is het kernthema van onze tijd. Aan de ene kant alom positieve intenties, mensen op zoek naar het menswaardige, op zoek naar geestelijke vrijheid en broederlijk samen werken.

Aan de andere kant toeslaand dirigisme, consumentenverslaving, automatisering, schaalvergroting – het uitschakelen van de mens. In termen van geestelijke wezens die dit impulseren: Michaël contra Ahriman, het licht tegen de duisternis.

In het lot van Kaspar Hauser zien we een welbewuste ingreep die te maken heeft met zowel grote politiek als zwarte magie. Zwarte magie omdat de machten achter de schermen deskundig misbruik maakten van occulte realiteiten (incarnatieblokkade etc.). Grote politiek omdat baanbrekende maatschappelijke impulsen werden afgestopt.

Ook de driegeleding van Rudolf Steiner werd op een beslissend moment teruggewezen. De recente studentenbeweging is allang weer ingepakt in mens-vijandige systemen. Van Kaspar Hauser tot nu hebben de machinaties van de zwarte lijn grondig effect gesorteerd.

In verschillende voordrachten waarschuwt Rudolf Steiner voor ‘de broeders van de duisternis’, die vanuit het Angelsaksische element via de werktuigen van politiek en economie drastisch ingrijpen in het wereldgebeuren. Hun macht is mede gebaseerd op een superieure deskundigheid inzake de geesteswetenschap.

Het is de verdienste van mensen als Gary Allen en Edward Griffin dat dergelijke manipulaties nu ook concreet zijn aan te wijzen.

In een volgend artikel zal[niet op deze blog]  worden getracht een aantal gegevens zodanig te ordenen dat het grote spel achter de schermen ook voor ons doorzichtig kan worden. Het zal daarbij van het grootste belang zijn om mogelijke antwoorden te vinden op de vraag: ‘wat kunnen gewone mensen daar nu aan doen?’

Maarten Ploeger, Jonas 5, 04-09-1977

.

[1] Jacob Wasserman Caspar Hauser
Pies, Heyer: Caspar Hauser
Fassbinder, film

H.P. van Manen, Kaspar Hauser
Paul Heldens: Kaspar Hauser

[2] Bos, Brüll, Henny: Maatschappijstructuren in beweging

.

Kaspar Hauser [1]

.

1639

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – Kaspar Hauser (1)

.
Op de Wikipediapagina ‘Kaspar Hauser‘ wordt melding gemaakt van een DNA-onderzoek, waaruit zou blijken dat Kaspar Hauser niet het kind is van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais,

KASPAR HAUSER

Wij gaan ergens op bezoek: er is een kindje geboren. We kijken, wie er in onze vriendenkring bijgekomen is en begroeten de nieuwe aardeburger met een geschenk. Niet alleen wij hebben iets meegebracht, het kind zelf kreeg op zijn reis naar de aarde drie grote gaven mee: het vermogen tot lopen, spreken en denken. Het zijn gaven die alleen in de mensengemeenschap tot ontplooiing kunnen komen; wolfskinderen bijvoorbeeld lopen op alle vier de ledematen en stoten dierengeluiden uit.

De eerste weken is er alleen de glimlach, die hemelse glimlach, die even over het gezichtje trekt en langzaamaan tot een ontmoeting wordt tussen het kind en jou. Die eerste weken ga je met grote schroom naar het wiegje toe – want de nieuwe aardeburger is nog voor een groot deel hemelburger. En jij mag getuige zijn van een wereld, waar je anders nauwelijks toegang toe hebt. Je moet ook léren zien wat er te zien is. Je moet er aan wennen, om met andere ogen te kijken, andere zintuigen te gebruiken, als je naar een wiegenkind kijkt. En als je in je leven niet steeds weer gebruik maakt van de gelegenheid om even de glans van die andere wereld op te vangen, verleer je die kunst het onzichtbare te zien weer snel.

Na enkele maanden, voor de één wat later dan voor de ander, wordt het eerste geschenk zichtbaar: het kind gaat zich oprichten, beginnend met het zware hoofd. Een geheimzinnige wil doorstroomt het lichaam, dag in dag uit wordt nu gewerkt en geworsteld. Bij stukjes en beetjes wordt nu de ruimte veroverd. Wie kent niet het beeld van het kindje, dat zich vastklampt aan een stoel of de boxrand, tot het omvalt van moeheid, om onmiddellijk daarna wéér een poging te wagen?

Dan komt het ogenblik, waarop het eerste stapje gezet wordt. Het is een gebeurtenis, waarbij je in spanning toekijkt, waarbij je iets mee kan beleven van de triomf: de zwaarte werd overwonnen – een mensenkind staat opgericht tussen hemel en aarde als een vrije zelfstandige individualiteit, dat zijn levensweg op de aarde kan gaan.

De volgend fase breekt aan – een tijd van onvermoeibaar oefenen van geluidjes, van eindeloze klankgrapjes, tot, met een ongelooflijke reinheid en zuiverheid de eerste woordjes gevormd worden. Muziek zijn die eerste woorden, zonder zwaarte, zonder accent, zonder vertroebeling.
Na het leren lopen is er de tijd en de kracht voor het spreken. Het kind heeft nu de mogelijkheid om door middel van de taal verbindingen aan te gaan met de andere mens.
Nu kan op grond van het spreken het derde geschenk, het denken, tot ontplooiing komen. Je kan zien hoe het licht van het denken zijn intrede doet, hoe verbanden worden gelegd en vragen worden gesteld over die interessante wereld.

Als de eerste drie jaren voltooid zijn, gaat het kind ‘ik’ zeggen en krijgt het zijn eerste herinneringen. De mens heeft de gave gekregen zich denkend met de aarde te verbinden, maar ook de mogelijkheid om de weg tot de geestelijke wereld terug te vinden.

Wat moet het betekenen voor een mens als hem deze drie geschenken ontnomen worden? Als je als kind van 4 jaar in een hol wordt gestopt, zonder licht, zonder te kunnen staan, zonder mensen te spreken of te zien?

Tot nu toe hebben nasporingen onder andere het volgende opgeleverd:

Op 29 september 1812 werd een kind geboren, zoon van Karl van Baden en Stephanie de Beauharnais, pleegdochter van Napoleon. Na enkele dagen sterft de kleine troonopvolger, maar geruchten doen de ronde, dat hij in werkelijkheid het doodzieke kind van Blochmann, een lid van het personeel was, dat met de troonopvolger heimelijk verwisseld was. Tot zijn 4e jaar is de eigenlijke troonopvolger verzorgd geweest door een Franse hofdame op afgelegen kastelen. Toen moet hij omstreeks zijn 4e jaar in het hol zijn gebracht, waar hij leefde op water en brood, in het donker, met als enig gezelschap een houten paardje. Van tijd tot tijd smaakte het water bitter en viel hij in diepe slaap. Als hij ontwaakte, was hij verschoond en stond er opnieuw water en brood klaar.

Omstreeks zijn 16e jaar wordt hij uit het hol gehaald en na enige hardhandige oefening in lopen en spreken duikt lij plotseling in Neurenberg op: op Pinkstermaandag van het jaar 1828 staat daar een jongen, gekleed in een boerenkiel en met versleten laarzen aan, waar het bloed uit sijpelt. Hij wankelt over het stille plein en brabbelt onverstaanbare klanken. Het enige wat hij schrijven kan, is zijn naam: Kaspar Hauser.

Hij wordt naar de gevangenis gebracht – de enig juiste plek voor een boerenjongen die teveel gedronken heeft. Daar is hij al gauw een bezienswaardigheid voor het volk om de grimassen die hij maakt bij ruwe stemgeluiden, om de panische angst, als hij buiten fanfaremuziek hoort, om de naïviteit, waarmee hij naar de maan aan de hemel grijpt of naar de rode daken, die door het hoge vensterluik te zien zijn. Hij heeft een afschuw voor voedsel, behalve voor water en brood. Hij vertoont een lichte dronkenschap, als hem bier onder de neus wordt geduwd. Ook de autoriteiten komen kijken. De arts vindt merkwaardige fenomenen, zoals een geheel zachte voetzool, waarop nauwelijks gelopen is. In zittende houding met gestrekte benen is er zelfs geen papier onder het kniegewricht door te schuiven. Later blijkt, dat hij een boek kan lezen in het donker, metalen onderscheidt op de tast. Tot het moment dat hij vlees gaat eten, hebben de dieren een bijzondere relatie met hem, waaruit een groot vertrouwen spreekt. Men spreekt over hem als: het raadsel van zijn tijd.

De stad besluit hem een opvoeding te geven. Hij komt in huis bij Prof. Danner, een man, die Kaspar Hauser met grote liefde en eerbied voor zijn persoonlijkheid, opneemt en hem de wereld binnenleidt. Nauwgezet beschrijft Danner in uitvoerige protocollen, wat hij waarneemt en beleeft aan Kaspar Hauser. Hij beschouwt het als een uiterst verantwoordelijke taak ‘het kind van Europa’, zoals Kaspar Hauser al gauw genoemd wordt, op te voeden. Naast de ongewoon scherp ontwikkelde zintuigen, valt op hoe Kaspar Hauser een wonderbaarlijk goed geheugen heeft, zodat hij in korte tijd veel leert. De onschuld, reinheid en goedheid, die van hem afstralen, doen denken aan een paradijsachtig wezen – een Adam vóór de zondeval.

Als Kaspar Hauser voor het eerst de sterrenhemel ziet, is hij verrukt -wordt dan stil en moet huilen. Later zegt hij, dat een van de ergste dingen, die de man, die hem gevangen hield hem aangedaan heeft is: ‘dat ik de sterren niet mocht zien!’

Hij verwondert zich over kleine kinderen:‘Wat zijn dat voor kleine mensjes?’. Hij vraagt, wie de blaadjes aan de boom uitgeknipt heeft. Een godsbegrip heeft hij niet. ‘Heeft iedereen een vader en een moeder?’ En na de eerste bewuste blik in de spiegel, vraagt hij zich af: ‘Wie ben ik?’

Na de eerste moordaanslag, waarbij Kaspar Hauser verwond raakt, wordt er naar een ander tehuis voor hem gezocht. Na enkele omzwervingen komt hij tenslotte in huis bij een zekere Meyer, een uiterst droge, burgerlijke schoolmeester, die Kaspar Hauser in een streng regime van leren, werken, eten, slapen ‘opvoedt’. Ogenschijnlijk verduistert Kaspar Hauser’s wezen en wordt hij tot een simpele kantoorklerk. Innerlijk echter vindt hij de weg tot herinneringen en beelden, die diep in de ziel verborgen zijn. Hij heeft merkwaardige dromen, die hij in zijn dagboek optekent. Door de Catechisatielessen vindt hij de weg tot Christus. Op 17 december 1833 sterft hij aan de gevolgen van een nieuwe moordaanslag, verguisd door zijn tegenstanders, geliefd bij zijn vrienden.

In een tijd, waarin het materialisme hoogtij vierde, leefde dit ‘kind van Europa’. Door de ‘traagheid der harten’, zoals Jacob Wassermann in zijn beroemde roman schrijft, blijft Kaspar Hauser een raadsel voor ons.

Rond dit mensenkind is veel niet herkend, is er niet gestreden voor de ontplooiing van zijn persoonlijkheid, integendeel, zijn zijn vermogens beknot en verminkt. Hij werd tenslotte vermoord.

Je kan je afvragen, of dit ‘kind van Europa’ niet een waarschuwingssein is. Het is een lot, dat miljoenen kinderen kan wachten. Want zien onze kinderen in de grote steden de sterrenhemel nog? Weten zij, van wie ze afstammen – van goddelijke oorsprong of van de aap? Kennen zij hun vaders en moeders? En leren zij zichzelf kennen? Leven zij ook niet als op water en brood, gekooid en gekerkerd in een wereld, waar de krachten van het kind niet herkend worden?

Rudolf Steiner wees ons op de veranderingen in het tijdsbeeld aan het einde van de 19e eeuw. Hij leerde ons zien hoe de dageraad van een nieuwe tijd zich in de zielen van de mensen aankondigt.

De werking van de huidige tijdgeest, van Michael, wordt zichtbaar in veranderende opvattingen, in een kosmopolitisch wereldbeeld, in vernieuwende tendensen op velerlei gebied. Michael roept ons op, mee te werken een wereld, waar de mens de poorten van de geestelijke wereld weer geopend vindt. Rudolf Steiner gaf gehoor aan de wekroep van Michael, toen hij op de vraag van Emil Molt een nieuwe, Michaelische pedagogie inaugureerde, waarin het drieledige mensenbeeld centraal staat.

Maar wij allemaal kunnen de ‘traagheid des harten’ overwinnen en ieder op ons eigen werkterrein – thuis, in scholen, kantoren en fabrieken -, een omgeving scheppen waarin de mens mogelijkheden tot ontplooiing en rijping vindt, waar hij zijn eigen weg kan herkennen, in samenwerking met andere mensen en waar hij mee kan bouwen aan een wereld, waarin de geest werkzaam wil zijn.

Claartje Wijnbergh, Jonas 4, 21-10-1977

.

H.P. van Manen, Kaspar Hauser

.

Biografieën: alle artikelen

.

1638

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (2)

.

Over Hildegard von Bingen, hoe werd er een aantal jaren geleden over haar gedacht in haar leefomgeving.

De ‘renaissance’ van Hildegard von Bingen

bazuin van God

Onder een golfplaten afdak, waar net genoeg ruimte is voor het stallen van drie Volkswagenbussen naast elkaar, slaat de firma Würth haar papier- en
dozenafval op. Links in de hoek is daartoe een roestige korf neergezet, en rechts ook. De afvalmanden staan aan weerszijden van een solide betonnen hok. Dat hok nu, voorzien van een zware houten deur met stevige gietijzeren klink, doet dienst als bovengronds portaal voor de middeleeuwse kelders die Franz Josef Würth, baas van Würth Büroland (beproefde reclamespreuk: ‘… denn es ist Ihr Geld’), twintig jaar* geleden als extraatje bij zijn nieuwe bedrijfspand vond.

Sindsdien is diezelfde Würth behalve succesvol verkoper van kantoorbenodigdheden vanzelf ook een beetje historicus en curator geworden. Precies op deze plek stichtte Hildegard von Bingen omstreeks 1150 haar klooster Rupertsberg. Het heet er nog steeds Am Rupertsberg.

Belangstellenden die door het Stadtisches Verkehrsambt van Bingen worden doorverwezen naar Würth in Bingerbrück, het stadsdeel aan de overzijde van de Nahe (een zijtak van de Rijn), worden doorgaans zoveel mogelijk buiten de deur gehouden. Maar vandaag is Herr Würth zelf aanwezig, niet te beroerd om de sleutel te halen die toegang verschaft tot de kelders, en ook nog een rondleidinkje te geven. Waar de administratieve afdeling van de firma is ondergebracht, was vroeger de kloosterkerk. Een arcade met daaronder vijf bogen (afbakening van het middenschip van de kerk) is bewaard gebleven en gerestaureerd. Voor de aanleg van de spoorlijn tussen Keulen en Mainz moest halverwege de vorige eeuw een flink gedeelte van de Rupertsberg mét resterende kloosterruïnes worden opgeblazen. Vanaf de parkeerplaats van Würth kijk je nu boven op de treinrails. Recht vooruit, aan de overkant van de Nahe, is het centrum van Bingen. Links, ver weg in de nevel, zie je flets de Rijn.

Een van de kelders blijkt keurig te zijn opgeknapt. is voorzien van tap en bar en wordt verhuurd als conferentieruimte. Om het historische belang van het schoongeschuurde gewelf nog meer te benadrukken, zijn aan de achterwand reproducties van miniaturen uit originele Hildegard-handschriften opgehangen. Dit zou de crypte moeten wezen waar in den beginne – dat wil zeggen: direct na haar dood in 1179 -de overblijfselen van Hildegard von Bingen werden bijgezet.

‘Bijna elke week komt er een bus met aanhangers voorrijden’ zegt Würth. ‘Overal komen ze vandaan: uit Zwitserland, België. Vorige week had ik bezoek van een Zweedse journaliste, de week daarvoor was er nog een onderzoekster uit Australië. Buiten Bingen is Hildegard veel populairder dan hier.’
Vóór 1998, het alras naderende* herdenkingsjaar (negen eeuwen na Hildegards geboorte) wil Würth de belendende kelders, de voormalige wijnkelders van het klooster die nu nog in gebruik zijn als opslagruimte, hebben omgebouwd tot vergelijkbare zaaltjes.
‘ Ze zouden een uitermate geschikte bestemming kunnen vormen voor het
belangwekkende Hildegard-congres dat staat gepland voor hetzelfde jaar. Uit de ganse wereld zullen mediëvisten, theologen en andere wetenschappers in Bingen bijeenkomen: ze zullen er hun licht laten schijnen over Die Grosse Rheinische Seherin {The Sybil Of The Rhine, Prophetissa Teutonica), naar wie in de literatuur ook wel wordt verwezen als Die Posaune Gottes (de bazuin van God), en – wat minder vroom – Die Mittelalterliche Krauternonne.

Niet dat Hildegard von Bingen verlegen zit om een mooi rond herdenkingsjaar, met de daaraan verbonden pr-stunts die haar naamsbekendheid zouden moeten opkrikken: 816 jaar na haar dood* is ze actueel als nooit tevoren.

Dat May, de plaatselijke boekhandel van Bingen, een plank kan vullen met recente titels die lichamelijke en geestelijke gezondheid prediken volgens de authentieke kruiden-, planten- en edelstenenleer van Hildegard (uit Causae et curae en Physica), zegt al genoeg.

Maar ook in kringen van feministisch angehauchte kerkgangers, priesters en theologen wordt Hildegard op handen gedragen. Helemaal op het toppunt van haar roem is ze in haar hoedanigheid van componiste.

Ze was abdis van twee kloosters, correspondeerde met collega’s, pausen, bisschoppen en keizer Friedrich Barbarossa, bedacht een (tot nu toe ontoegankelijk gebleven) – geheimschrift, schreef in het Latijn met behulp van haar secretaris Volmar twee heiligenbiografieën, een evangelie-exegese, verscheidene werken over natuur en gezondheid, en een trilogie met de weerslag van haar visioenen, waarvan het eerste boek, Scivias {Ken de wegen), geldt als haar standaardwerk: betreffende God, de mens en de kosmos in onderlinge samenhang. Tussendoor genas ze ook nog honderden zieken, predikte ze her en der en bemiddelde ze bij geschillen, terwijl ze bijna onophoudelijk werd getergd door zwaar lichamelijk ongemak.

Haar muzikale oeuvre omvat een moraliteitenzangspel, Ordo virtutum, en bijna tachtig liederen, die tezamen Symphonia harmoniae caelestium revelationum heten – waarmee duidelijk moge zijn dat de composities veeleer het resultaat waren van celestijnse influistering dan van menselijke arbeid. De muziek van Hildegard von Bingen, de Eerste Vrouwelijke Duitse Componist in de Geschiedenis, behoort op het moment* tot de best verkochte in het klassieke segment.

Vision, The Music of Hildegard von Bingen (1994), een strak staaltje van nieuw-zweverigheid (zeg maar: authentiek middeleeuwse gezangen opgetuigd met neo-Indiase klankfrutsels in een koele bedding van Japanse synthesizertechnologie), was door het Amerikaanse label Angel Records bedoeld als opvolger voor de turbo-hit Canto Gregoriano van de Spaanse monniken van Santo Domingo de
Silos. Vision schijnt het best aardig te doen, maar het zijn toch vooral de
Hildegard-cd’s van het ensemble voor middeleeuwse muziek Sequentia (op Deutsche Harmonia Mundi) die aanslaan, en niet alleen bij de hardcore-fans van oude muziek.

Meer dan een kwart miljoen exemplaren zijn wereldwijd verkocht van Canticles of Ecstasy (1994); de release van de nieuwste ‘Hildegard’, Voice of the Blood, ging onlangs zelfs gepaard met een STER-campagne op Nederland 3. En ook Sequentia is al in de ban van 1998: het Amerikaanse ensemble, dat in Keulen domicilie houdt, is vast van plan vóór het aanstaande herdenkingsjaar al haar werken op cd te hebben uitgebracht.

Hildegard von Bingen schreef aan het Gregoriaans ontleende (eenstemmige) antifonen, sequensen en responsoria op eigen Latijnse teksten, waarin zij – dankbaar gebruikmakend van de zeggingskracht van de metafoor – het zegenrijke van de Heilige Drie-eenheid, de Here Jezus, de Maagd Maria, de Heilige Ursula en diverse andere Zalige Lieden bejubelt. Opvallend in haar oeuvre is de veel voorkomende stijgende kwint, vooral aan het begin van een lied of een nieuwe strofe. Het ijl voortkabbelende, tot eenvormigheid neigende engelengezang zou de moderne, jachtige mens weer tot rust brengen. Daarmee verklaren de cd-verkopers het succes van de muziek.

De wereld ligt kan Hildegards voeten, maar in Bingen am Rhein is haar ster nog niet zo hoog gerezen dat een aan haar gewijd museum zonder slag of stoot, als een vanzelfsprekende besteding van gemeenschapsgelden, op de politieke agenda kan worden gezet. Hildegard is onderwerp van twist en strijd. Bij de onlangs gehouden Oberbürgermeisterwahl werd ze zelfs als verkiezingsthema opgevoerd.
‘Heel dom’, zegt Frau Schönfeld, prehistorica/archeologe, en betrokken bij de organisatie van het Hildegard-congres in 1998. Want door de verkiezingen is de museumdiscussie in een stroomversnelling terechtgekomen, en niemand is daarbij gebaat.

Of Oberbürgermeisterin Birgit Collin-Langen van de CDU, die als winnaar uit de bus kwam, Hildegard daadwerkelijk zo’n warm hart toedraagt als ze tijdens haar campagne deed voorkomen, moet nog maar blijken. Wel is duidelijk geworden dat velen in Bingen zijn gekant tegen een museumbestemming voor het gebouw aan de oever van de Rijn dat de Hildegard-lobbyisten hebben bestempeld als droompand – het is in 1898 in gebruik genomen door het elektriciteitsbedrijf. ‘Het is van 1898!’, zegt Schönfeld. ‘Dat is toch ongelooflijk. En heb je gezien hoe die straat heet? Museumstrasse! Terwijl daar nooit een museum is geweest.’

Belachelijk om op die plek een museum te beginnen, honen de cynici. Zodra de Rijn ook maar een beetje buiten zijn oevers treedt, kan niemand nog het pand bereiken. Anderen – de Groenen – menen dat met elke mark die wordt gespendeerd aan de prestigieuze Hildegard er één verloren gaat voor de armlastige jongerencultuur. Museumstraat 3 zou juist een prachtig adres zijn voor een geheel eigentijdse rocktempel!

Zoals de kaarten nu liggen, maakt de erfenis van Hildegard weinig kans op museaal onderdak in Bingen, en al helemaal niet voor 1998. Of de ijveraars voor een museum voor de dichter Stefan George (1868-1933), die eveneens uit de omgeving stamt, zouden een hoekje vrij moeten maken in het piepkleine onderkomen dat ze onlangs na jarenlang gesoebat toegewezen hebben gekregen.

Dat Hildegard evengoed tweedracht zaait onder haar voorsprekers, blijkt wel tijdens een korte nazit in de pastorie van de Rochuskapelle na afloop van de eucharistieviering op zondagochtend. Haar wonderlijke gaven komen ter sprake, en pastoor Von Karsenbrinck (die met een groep van veertig de Arbeitskreis zur Förderung der Hildegardtradition in Bingen vormt) doet verhaal van de genezing van de blinde jongen aan de oever van de Rijn, ten gevolge van het handje rivierwater dat Hildegard uit de losse pols in zijn gezicht gooide.

‘Dat is legendevorming’, wijst Schönfeld hem terecht. ‘Nou, het is officieel’, zegt de pastoor. ‘Het voorval wordt ook aangehaald in de papieren van de procedure die tot haar heiligverklaring had moeten leiden.’

Ook in Bingen zijn sommige aanhangers van Hildegard voor alles gelovigen, en anderen niet. Langs officiële weg is Hildegard nooit heilig verklaard; de kerkelijke ambtenaren van het bisdom Mainz die ‘haar geval’ rechercheerden in opdracht van paus Gregorius IX kwamen terug met te veel vaagheden en losse eindjes, waardoor het ontbrak aan bewijzen voor de meeste van haar wonderen. In de dagelijkse praktijk werd ze door het volk wel als heilige vereerd. Daaraan heeft ze de bijschrijving van haar naam in het Martyrologium Romanum te danken – 17 september is haar feestdag.

Op haar achtste werd Hildegard, jongste dochter van graaf Von Bermersheim in Alzey, overgedragen aan de zorg van Jutta von Sponheim, die aan het hoofd stond van de kleine vrouwenafdeling van het benedictijnse klooster op de Disibodenberg. Toen Jutta in 1136 overleed; kozen de nonnen unaniem voor Hildegard als haar opvolgster.

Even buiten het dorp Staudernheim, een half uur rijden van Bingen op de weg naar Idar-Oberstein, zijn de ruïnes van het klooster op de Disibodenberg nog te vinden. Van hier zou Hildegard met haar gevolg later naar de Rupertsberg in Bingen verhuizen. Het aantal zusters was tegen die tijd dermate toegenomen dat het onderkomen op de Disibodenberg te klein was geworden. Maar Hildegards verlangen naar een eigen klooster, onafhankelijk van het mannenklooster, was net zo goed een reden van vertrek.

Hildegard was een slimme tante die avant la lettre al van netzworking wist: ze wist uiteindelijk de hardnekkige tegenstand van de abt van de Disibodenberg, wiens toestemming ze nodig had voor de verhuisplannen, te breken dank zij tussenkomst van hooggeplaatste figuren uit adellijke en klerikale kringen. Ze bleek bovendien te beschikken over de contacten die nodig waren om van het bestaande, schamele kloostertje op de Rupertsberg de comfortabele abdij te kunnen maken die het al gauw werd: met stallen, wijngaarden, korenvelden en riante tuinen vol geneeskrachtige planten en kruiden. De abdij groeide zelfs zo —voorspoedig dat Hildegard in de loop van de jaren langzaam maar zeker ging uitkijken naar een plek voor een dependance.
Die vond ze omstreeks 1165 aan de overkant van de Rijn, in Eibingen (een stadsdeel van Rüdesheim). Twee maal. per week maakte ze vanaf die tijd de oversteek om zich persoonlijk te vergewissen van de gang van zaken aldaar. De parochiekerk van Eibingen, waar de relikwieën van de heilige Hildegard worden bewaard, markeert de plaats van het klooster. Even buiten de bebouwde kom, tussen de uitgestrekte wijngaarden, ligt de moderne abdij van St-Hildegard (van 1904) – met magnifiek uitzicht over het Rijndal. Met de historische figuur heeft het klooster weinig uit te staan, toch is het een trekpleister voor Hildegard-toeristen die in de bijbehorende boek- en cadeaushop kaarsen, wijn,
kloosterlikeur, ansichtkaarten, meditatie-suggesties van Dorothee Sölle of Hilde-gard-cd’s van de schola van het St-Hildegardklooster inslaan. Hildegard-glas-in-lood-raamversieringen kosten 320 mark*. Hildegard-beelden (staf in de ene hand en boek, perkamentrol en inktpot met veer in de andere) variëren – afhankelijk van de grootte en kleurstelling – in prijs van zeshonderd tot zestienhonderd mark.

Hildegards ‘renaissance’ is een teken van luxe, zegt H. von Racknitz, wiens vrouw de hofstede onder aan de Disibodenberg van een oom erfde, compleet met kloosterruïne boven op de berg. Zij hebben geen tijd voor het consciëntieus bestuderen van ‘de Scivias’, het dikke boek dat Hildegard ‘hier boven op de berg’ schreef, al zouden ze nog zo graag willen.

‘Alleen wie het goed gaat, heeft zoveel tijd’, zegt hij onder het inschenken van een appellikeurtje van eigen oogst. ‘En sommige mensen gaat het zo goed dat ze ziek worden en dan ineens wonderen verwachten van Hildegard. Maar er zijn ook mensen die in dialoog treden met haar geschriften en de samenhang der dingen in de wereld weer willen zien. Dat is wat we van haar kunnen leren.’

In de zomer leidt hij complete reisgezelschappen rond over het beboste plateau met middeleeuwse muurresten, dat een natuurlijk decor lijkt voor de eerste de beste Wagner-opera. Nu het koud is en een weinig sneeuw de gang naar boven bemoeilijkt, blijft hij liever beneden.

Hij wordt bovendien aanstonds aan tafel verwacht. ‘Wij zijn landlui, en landlui eten om twaalf uur.’

Recente cd’s:

Hildegard von Bingen: Voice of the Blood. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77346 2.

Hildegard von Bingen: Canticles of Ecstasy. Sequentia, Deutsche Harmonia Mundi 77320 2.

Hildegard von Bingen. Schola der Benediktinerinnenabtei St Hildegard Rüdes-heim-Eibingen, Bayer Records 100 116. Vision. The Music of Hildegard von Bingen. Angel Records 55246 21.

.

Nicole Baartman, Volkskrant 29-12-1995

.

Hildegard von Bingen [1]

Biografieën op deze blog

.

1637

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Hildegard von Bingen (1)

.

Hildegard von Bingen 1098-1179

bazuin van het levende licht

 

Hildegard von Bingen, een opvallende en intrigerende middeleeuwse vrouw. Ze was zieneres, arts, natuurkundige, dichteres en componiste.

Hildegard, een wonderbaarlijke vrouw die streefde naar liefde in de meest sublieme vorm.

De abdis Hildegard von Bingen (1098-1179) geniet in steeds bredere kring belangstelling. Het is de moeite waard de vraag te stellen naar het waarom van die ontwikkeling. Vooral sinds haar achthonderdste sterfjaar in 1979 is zij regelmatiger onder de schijnwerpers geplaatst dan voorheen en is het aantal publicaties over haar toegenomen. Voorop staat dat dit geheel en al past binnen de huidige tendens om grote vrouwen uit het verleden alsnog de plaats te geven die zij verdienen en dat er met name een groeiende belangstelling is voor creatieve en mystieke vrouwen. In niet alle gevallen blijkt wat vanuit dit streven onder het stof vandaan gehaald en opgepoetst wordt van even grote waarde. In het geval van Hildegard, die door haar tot dusver merendeels rooms-katholieke en theologisch geschoolde biografen wat in de verdrukking werd gebracht – verbijsterd als men was door zo’n veelomvattend, vrouwelijk talent – is dat zeer zeker wel het geval geweest. Dankzij een enigszins modieuze beweging is ‘een achterstand’ op algemeen cultuurhistorisch gebied ingehaald.

Tot voor kort werd Hildegard hoofdzakelijk als heilige, als Sint-Hildegardis benaderd en zelfs het meest recente onderzoek van betekenis was en is in handen van monialen, geleerde nonnen uit het Hildegardklooster te Eibingen. In tegenstelling tot hun voorgangers hebben zij ‘het erotische’ in het
wereldconcept van Hildegard niet geschuwd en daaraan aandacht gegeven in diverse toelichtingen op moderne uitgaven van haar werk. Deze ‘erotische’ levenshouding dient in de oorspronkelijke, platonische zin te worden uitgelegd. Haar vijftien boeken, driehonderd brieven, talrijke gedichten en een kleine tachtig muziekwerken getuigen in beginsel allemaal van hetzelfde: of Hildegard nu over de vissen in de Rijn, de structuur van de kosmos, een besmettelijke ziekte of muziek schrijft, zij getuigt van haar opgenomen zijn in het Al, haar verbondenheid met de oerkrachten van het leven, het mysterie dat zich in visioenen aan haar openbaart als de christelijke God, als iets dat tot haar spreekt met, zoals ze zegt ‘de stem van het levende licht’.

De muziek die zij zo van boven ‘ontvangt’ noemt ze ‘de klank van het levende licht’. Het licht klinkt in en door haar, en met deze kruising van zintuiglijke categorieën bevindt zij zich op het terrein dat wij heden ten dage omschrijven als synesthesie. Zelf noemt zij zich ‘de bazuinklank van het levende licht’. Zij is het instrument, de bazuin, die uit zichzelf niets vermag en uit zichzelf niet kan klinken en die alleen door adem (van God) geluid kan voortbrengen. Zij is in haar wezen en werk een instrument Gods. Maar wie zich de vrijheid permitteert haar niet enkel en alleen vanuit christelijke hoek te interpreteren (wat nauwelijks mogelijk is) zou voor wat dit aspect betreft ook kunnen zeggen dat ze getuigt van haar kosmische verbondenheid met de diepste essenties van het bestaan. Wat haar in de meest letterlijke zin beweegt is dus een erotische kracht, een allesomvattend en alles insluitend streven naar ‘het schone’, naar integratie, eenwording, genezing en ook naar dat wat in de zo courante term ‘heelwording’ ligt besloten. Liefde in de meest sublieme vorm.

Mystica

De hernieuwde en geprofaniseerde belangstelling voor Hildegard in kringen van de alternatieve leefgewoonten heeft haar vooral geprofileerd in haar hoedanigheid als arts en als deskundige op het gebied van kruiden. Naast dit eenzijdig gekleurde beeld werd een niet minder beperkte visie ontwikkeld van Hildegard als ‘onze eerste vrouwelijke componist’. Het is echter onjuist om haar anders te interpreteren en etiketteren dan met de enige omschrijving die al haar activiteiten (als arts, natuurkundige, briefschrijfster, dichteres en componiste) insluit, namelijk mystica.

Daarnaast is het ook van belang om te beseffen dat de al ingesleten en ten aanzien van haar ingeburgerde term componist als aanduiding van schrijver of schrijfster van muziek in de twaalfde eeuw (nog) niet mag worden gebruikt. Wat betreft haar scheppende muzikale activiteiten hoort Hildegard geplaatst te worden ‘in het beeld van haar tijd’. Dat wil in de praktijk zeggen: in schril contrast tot dat beeld en tot die context, omdat haar muziek en ook de bedoeling van haar muziek in het geheel niet past binnen welke twaalfde-eeuwse mode dan ook, of het zou de op diverse fronten groeiende hang naar verzelfstandiging, individualisering moeten zijn. Het enige dat Hildegard als ‘componist’ met haar collega’s uit haar eigen tijd gemeen heeft, met de troubadours en trouvères in Frankrijk en met de minnezanger in haar eigen land is het feit dat ook zij haar eigen teksten schrijft en dat haar muziek, althans in manuscript eenstemmig,
vocaal is geconcipieerd. Voor zover het Latijnse componere (samenstellen) op Hildegard betrekking kan hebben en voor zover ze het woord ook zelf gebruikt, duidt het op een veel bredere dan louter muzikale activiteit, namelijk het samenstellen of beter gezegd het herrstellen van een ‘oorspronkelijke’ eenheid (in Christus).

Dat Hildegard aan de muziek een zeer hoge kwaliteit toekent wanneer er van dit kosmische ‘herstel’ en op ‘de grote samenhang der dingen’ gerichte creativiteit sprake is, moet opgevat worden als heel veelzeggend. Zij noemt muziek niets minder dan ‘samenklank (symphonia) van de harmonie der hemelse openbaringen’. Zij volgt met die omschrijving eigenlijk tamelijk exact de opvatting van het begrip musica binnen het systeem van de middeleeuwse artes liberales: de zeven vrije kunsten, waarbinnen de muziek toendertijd tot het ‘wiskundepakket’ behoorde. En waarbinnen, althans wat betreft enkele aspecten ervan, de muziek gelieerd was met ‘de structuur van de kosmos’, de grote wetmatigheden die door middel van trillingsverhoudingen de hemellichamen ‘zoemend’ elkaar in evenwicht houden, overeenkomstig de in deze tijd verbreide idee van ‘de harmonie der sferen’. De diepste wetmatigheden binnen de kosmos zijn niet zichtbaar maar hoorbaar en uit te drukken in getalsverhoudingen. De kosmos klinkt en de harmonie is van een in hoge mate wiskunstige kwaliteit. De grondwet van het heelal ligt op het grensgebied van muziek en wiskunde.

Bron van jaloezie

Het is van belang om te benadrukken dat de muziek van Hildegard is geschreven vanuit een mystieke inspiratie en het is evenzeer van belang om het verband tussen mystiek en muziek, mystiek en kunst, respectievelijk mystici en kunstenaars te benadrukken. Bij allen is sprake van een verlangen naar het overschrijden van de grenzen van het ik, van een inspiratie, een receptieve, op de ‘binnenwereld’ gerichte houding en van een drang tot omvormen, transformeren van de puur zintuiglijke ervaring.

Hildegard schreef zevenenzeventig liederen en een allegorisch muziekspel (ordo virtutum: het spel der deugden) overgeleverd in diverse handschriften, waarvan een aantal alleen teksten geeft zonder aanduiding van muziek. Aan de liederen werd pas in 1913 voor het eerst enige aandacht gegeven in een facsimile uitgave ervan. Maar het echte onderzoek naar de karakteristieken van deze muziek, de transcriptie van de neumen en de vertaling van de bij de muziek horende teksten moest toen nog bijna een halve eeuw op zich laten wachten.

Een enorme vertraging werd veroorzaakt door het werk dat in de jaren vijftig verricht moest worden naar aanleiding van vele aantijgingen als zou het totale Hildegard-oeuvre een vervalsing zijn, de muziek incluis. Nadat de zusters uit het Hildegardklooster de echtheid van het werk en het auteurschap van Hildegard op wetenschappelijk onweerlegbare wijze hadden aangetoond, schaarden diverse deskundigen zich aan de zijde van de geleerde nonnen om – eindelijk – een ‘Kritische Ausgabe’ te verzorgen.

Dat het noodzakelijk is geweest om het betreffende onderzoek naar het auteurschap te doen plaats vinden is een teken aan de wand en spreekt boekdelen omtrent de argwaan die in de loop der eeuwen binnen de
wetenschapstradities is gevoeld, gekweekt en gekoesterd ten opzichte van een geniale, non-conformistische vrouw. Een vrouw die zich tijdens een groot deel van haar leven weliswaar mocht verheugen in de goodwill van de allerhoogste kerkelijke instanties, de paus en diverse bisschoppen, maar die op het niveau van haar meest directe ‘broeders’, getuige de briefwisseling met haar klerikale buurt- en streekgenoten, een bron van jaloezie en ergernis is geweest. Men zou zich in dit verband kunnen afvragen waarom niemand ooit op het idee gekomen is om de aan Hildegards allergrootste collega, de mysticus Bernardus van Clairveaux, toegeschreven werken op het auteurschap te gaan onderzoeken, of om te betwijfelen of zijn talrijke brieven eigenlijk wel echt door hem geschreven zijn.

Het is niet eenvoudig om een indruk van Hildegards muziek te geven omdat zij zich, zoals gezegd, ook wat betreft dit creatieve aspect van haar persoon nogal aan de heersende normen heeft onttrokken. De liederen, waarvan een opvallend groot aantal aan Maria is gewijd en waarvan enkele teksten erg moeilijk toegankelijk, zeer ‘hermetisch’ zijn, werden in gregoriaanse notatie overgeleverd en dragen voor een deel ook binnen het liturgische repertoire passende aanduidingen zoals antifoon, responsorium, hymne en sequens. Vaak echter vertonen deze liederen nauwelijks enige overeenkomst met wat men in strikte zin onder deze vormen placht en pleegt te verstaan.

Hildegard schreef deze melodieën ter aanvulling op de bestaande liturgische gezangen zoals die dagelijks in haar eigen klooster ten gehore werden gebracht. Het hoofdkenmerk ervan, dat door elke zelfs oppervlakkige toehorende luisteraar wordt opgemerkt, is de enorme ambitus (soms in de orde van anderhalf octaaf). Hieruit moet worden geconcludeerd dat Hildegard op de Rupertsberg te Bingen kon beschikken over een uitzonderlijk geoefend koor, en dat de zangpraktijk in haar klooster op een even indrukwekkend niveau gestaan moet hebben als de miniatuur – en schrijfkunst die – eveneens onder haar leiding – gericht was op het ‘in beeld brengen’ respectievelijk het in woorden weergeven van haar visioenen van de ‘heilsgeschiedenis’ van de mens, de oorsprong en de ondergang van het leven, de dag des oordeels, de kerk en vele andere thema’s.

Vermogen tot zien

Zoals met meer grote persoonlijkheden uit de middeleeuwen het geval is, en in tegenstelling tot wat opgaat voor vele grootheden van recenter datum, is het vrijwel onmogelijk om directe verbanden te leggen tussen Hildegards leven en haar oeuvre. Een uitzondering geldt hier voor de honderden brieven waarin zij een voortdurende dialoog voerde met talrijke, al dan niet vooraanstaande, tijdgenoten. Onder hen waren de pausen Eugenius en Anastasius, een bekend wereldheerser als Frederik Barbarossa, aartsbisschoppen, bisschoppen, maar ook veel lagere functionarissen in de klerikale of seculaire wereld. Vanuit een duidelijke behoefte aan wat wij heden ten dage zouden omschrijven als engagement maar vooral uit de roeping van ‘de stem van het levende licht’ heeft Hildegard van zich laten horen, bemoedigend, vermanend, al naar gelang de aard van de situatie.

Voor haar overige geschriften is een poging tot koppeling van haar biografie aan haar werk niet aan de orde. Wat zich hier doet gelden is onze geconditioneerdheid op premissen uit de Romantiek, waarin haast vanzelfsprekende dwarsverbindingen tussen de mens, zijn leven en zijn werk aan te geven zijn. Dergelijke dwarsverbindingen kunnen in andere cultuurtijdperken, met name de middeleeuwen, niet gemaakt worden. Dit houdt echter niet in dat er in het leven van Hildegard geen hoogtepunten aan gegeven kunnen worden, of dat haar biografie niet de moeite waard zou zijn. Integendeel, maar hij staat los van haar geestelijke nalatenschap. De enige, zeer belangrijke melding van biografische aard in haar eigen tekst is te vinden in het begin van haar visioenentrilogie die opent met het Liber Scivias, het boek ‘ken de wegen’, waar zij zegt dat zij tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was toen ‘de hemel openbarstte in een vurig licht’, en toen zij, in een flits de diepste betekenissen van de christelijke doctrine doorschouwde. In diverse brieven meldt zij echter dat zij dit vermogen tot zien al vanaf haar kinderjaren bezat. Het beangstigde haar omdat zij – hier bedient zij zich wellicht van een cliché – immers ononderwezen en ongeletterd was, te meer nog beklagenswaardig’ in haar hoedanigheid als vrouw’, zodat zij zich als het ware verpletterd voelt door ‘het weten’ dat tot haar doordringt vanuit de hemel.

Met nadruk herhaalt ze in brieven, onder meer aan Bernardus van Clairveaux, dat ze bij dit proces van zien nooit in extase is, maar geheel bij zinnen. Ze ziet slapende en wakende, zegt ze; zowel overdag als ’s nachts. Ze ziet niet met haar lichamelijke ogen, maar met de ogen van haar ziel. Als een verterende vlam beroert het vermogen haar ziel, en wat haar aldus ‘overkomt’ is zó overweldigend dat het haar ziek maakt, of ook klachten aan haar ogen bezorgt die pas verdwijnen wanneer ze aan haar opdracht om neer te schrijven wat ze zag, voldaan heeft. De gedeeltelijke blindheid waarvan ze melding maakt moet misschien in overdrachtelijke zin worden geïnterpreteerd: ze is ziende blind…

De Kosmosmens, visioen van Hildegard von Bingen. Hildegard zelf zit links
onder.
.

Bloeiend klooster

Wanneer men probeert Hildegard te vergelijken met andere mystici uit de loop der tijden ofwel zich tracht te bezinnen op de vraag waarom zij een mystica genoemd moet worden dan is opvallend dat zij in tegenstelling tot vele collega’s nergens getuigt van een ontmoeting, een metafysisch of lichamelijk beleven van de goddelijke aanwezigheid. Hildegard voelt zich bovenal kosmisch instrument: het goddelijke spreekt in haar en door haar terwijl ze daarvan zelf deel uitmaakt.

Seksuele aspecten die bijvoorbeeld bij de dertiende-eeuwse Hadwijch of de zestiende-eeuwse Teresa van Avila een rol spelen in het ondergaan van een confrontatie met een goddelijk persoon, spelen bij Hildegard geen rol. Zij is niet minder extatisch van toon in het registreren van haar ‘beelden’, die voor ons nauwelijks nog zijn te verstaan dan haar mystieke zusters, maar zij baadt minder in lichamelijke gevoelens, is rationeler. Ze legt zo helder mogelijk getuigenis af en voegt daarbij – wat geheel uniek is – ook nog eens de uitleg die ‘de stem van boven’ haar geeft omtrent haar visioenen. Een uitleg die ons weinig verder helpt in het werkelijk doorgronden van wat zij ziet. Om deze tekens, acht eeuwen geleden geschreven en geschilderd, beter te verstaan dan nu mogelijk is, zou een diepgaand, gecombineerd iconologisch-dieptepsychologisch onderzoek moeten worden verricht. Zolang dit niet is geschied, is een niet door theologische condities bepaalde verklaring van Hildegards visioenen onmogelijk, hoe intrigerend ze ook zijn wanneer de leek er voor het eerst mee geconfronteerd wordt.

Een van de meest in het oog springende biografische feiten is gelegen in de moeizame wijze waarop zij zich, alweer gedreven door ‘de stem’, met de onder haar gezag ressorterende nonnen los maakte van het mannelijke kloostergezag. Rond 1150 besloot zij een zelfstandig vrouwenklooster te stichten en verliet de mannelijke Benedictijnen voor wie haar nonnen land dienden te bewerken. Met hulp van de aartsbisschop van Mainz (opvallend is, zoals gezegd, dat Hildegard vrijwel steeds de hogere clerus aan haar zijde weet te krijgen en met de lagere conflicten heeft) verwerft zij landerijen te Bingen. (De voormalige ‘standplaats’ van haar vrouwenafdeling was het klooster op de Disibodenberg, nabij Böckelheim.) Na deze escapade en vooral nadat het Hildegard is gelukt om met haar bloeiende klooster in het middelpunt van de belangstelling te komen, blijven er spanningen tussen de kloosters te Disibodeberg en Rupertsberg. Vanuit de voormalige vestigingsplaats van de vrouwelijke monialen blijft de abt proberen hen weer onder zijn gezag terug te krijgen.
Zonder succes.
Hildegard zoekt zelfs nog verdere expansie. Een aantal jaren na de conflictueuze kloosterverhuizing annexeert zij leegstaande gebouwen, oorspronkelijk bezit van Augustijner monniken, aan de andere kant van de Rijn te Eibingen en sticht daar een soort filiaal dat zij wekelijks te paard bezoekt. Het is dit klooster te Eibingen waar het voornaamste Hildegardonderzoek nog steeds in volle gang is en het zijn de hier wonende en werkende nonnen die haar werk al gedeeltelijk uitgaven, haar muziek transcribeerden, op de plaat uitbrachten en die, naar het zich laat aanzien ook in de komende jaren in het Hildegardonderzoek althans in veelzijdigheid niet voor hun voorgangster zullen onderdoen.

Literatuur: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. – Etty Mulder. Uitg. Ambo.
.

Etty Mulder, Jonas 5, 29-10-1982

.

Biografieënalle biografieën

.

1136

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Biografieën – Elisabeth Kübler Ross

.

Elisabeth Kübler Ross

Mijn vader* stierf toen ik zestien was. Onvoorbereid, onbewust, beleefde ik aanvankelijk een gevoel van bevrijding, en dan bedoel ik de bevrijding die hij beleefde om verlost te zijn van zijn zieke lichaam. Toen daarna de pijn en het verdriet van het gemis kwamen, wist ik daar geen raad mee. Flink zijn en niet huilen was het devies waarmee ik was groot gebracht. Jaren later vertelde ik met veel tranen het hele verhaal aan iemand die niet bang was om ‘pijnlijke’ vragen te stellen, en daarmee begon het bevroren verdriet te ontdooien. Daarna begon ik te lezen over sterven, het rouwproces. Het baanbrekende boek van Elisabeth Kübler Ross ‘Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden’ heeft toen al veel voor mij betekend. Door het lezen en nadenken over zowel de praktische problemen (‘Moet ik de zieke vertellen dat hij stervende is?’) als de spirituele betekenis van de dood was ik veel beter voorbereid toen mijn moeder binnen drie maanden overleed, waardoor wij haar zo goed mogelijk konden begeleiden tot aan de poort van de dood. Werkende met rouwgroepen (dit zijn kleine groepen waarin mensen die hun partner of kind hebben verloren elkaar helpen om hun rouwproces, hun gevoelens te uiten, te herkennen en te accepteren) bleef ik met de vraag rondlopen hoe een synthese te vinden tussen het emotionele niveau in ons, dat vol tegenstrijdige gevoelens kan zitten van woede, angst, schuld en nog veel meer, en het spirituele niveau waarin we weten dat de dood de poort is naar de geestelijke wereld, waarin we onze dierbaren met vertrouwen kunnen laten gaan en waarbij het gevoel van bevrijding en diepe verbondenheid hoort, dat we kunnen voelen als we kijken naar het gezicht van iemand die pas gestorven is. Ontzag ook voor een groot mysterie waar je niet bang voor hoeft te zijn en wat op een wonderlijke wijze doet denken aan een geboorte.

Op zoek naar die synthese nam ik samen met ongeneeslijk zieke mensen, ouders die een kind verloren hadden, artsen, huisvrouwen, verpleegkundigen enzovoort, deel aan een vijfdaagse workshop die Elisabeth Kübler Ross enkele maanden geleden* hier in Nederland hield. Zij heeft ons die synthese voorgeleefd door beide niveaus in ons onvoorwaardelijk te accepteren en door ons veel te vertellen van haar eigen ervaringen.

Drieling

Elisabeth Kübler Ross wordt op 8 juli 1926 in Zwitserland geboren als een van een drieling. Erika en zij zijn identiek en piepklein, het zusje Eva heeft een normaal gewicht en ziet er heel anders uit. Zeer tegen de zin van de ziekenhuisstaf neemt moeder de kindertjes mee naar huis om ze zelf te voeden, dag en nacht om de twee uur, dus aan slapen komt zij nauwelijks toe. Het mondje van Elisabeth is te klein om bij haar moeder te kunnen drinken en daarom wordt zij met een poppenzuigflesje gevoed.

Als de drieling opgroeit trekken zij met hun gelijke kleertjes sterk de aandacht. Erika en Elisabeth lijken zó op elkaar dat zelfs de ouders ze vaak niet uit elkaar weten te houden. De kindertjes worden overal aangestaard en zelfs gebruikt voor reclame. Elisabeth trekt een knoop van haar jurk om het gemakkelijker te maken haar te herkennen. Wat is zij blij als iemand haar bij haar eigen naam noemt.

Het gezin (er is nog één ouder broertje) is hecht, vrolijk en gezellig. Het chalet waar zij wonen staat op een zonnige helling, de tuin is groot, de alpenweiden vlakbij, ’s Zomers ruikt het naar hooi en ’s winters naar houtvuren. Binnen is alles netjes op z’n plaats, alles glimt en glanst, de geraniums bloeien op het balkon. Vader gaat elke dag met de trein naar Zürich (hij zit in de handel) en moeder wijdt al haar energie aan het huishouden en de moestuin. De kinderen werken vanzelfsprekend mee, de regels zijn duidelijk en er wordt absolute gehoorzaamheid verwacht. Omdat Elisabeth eigengereider en brutaler is dan haar zusjes, krijgt zij heel wat keren een pak slaag met de mattenklopper. Vieze voeten op het kleed of ruzie maken wordt gestraft met opsluiting in de kelder, een straf die Elisabeth welgemoed ondergaat want zij is graag alleen, zodat zij haar fantasie de vrije loop kan laten. Maar vader die zo streng kan zijn, blijft nooit lang boos. Vaak gaat hij dan aan de piano zitten en met zijn mooie bas zet hij een loflied op de bergen in, en al gauw zingt het hele gezin mee. Er wordt trouwens heel veel gezongen, vooral met Kerstmis, wat ieder jaar weer een hoogtepunt is, met de echte kaarsjes in de boom en het heerlijke gebak van moeder.

Als vierjarig kind is Elisabeth zó onder de indruk van een boek over Afrika, dat zij een taaltje bedenkt dat voor haar Afrikaans is en dat haar zusjes ook leren. Vlak na haar vijfde verjaardag komt een groep Afrikanen muziek maken in Zürich. Elisabeth weet ongezien met de trein mee te rijden en geniet intens van de Afrikaanse drums. Thuisgebracht door een familielid, die het verbaasde kind gevonden heeft, krijgt zij een flink pak slaag. Kort daarop krijgt zij een ernstige longontsteking. Wekenlang zweeft zij tussen leven en dood, achter glas geïsoleerd, samen met een stervend meisje van zeven jaar. Hoewel zij de kracht niet hebben om veel te praten is het gevoel van verbondenheid tussen de twee kinderen groot en wanneer het andere meisje sterft heeft Elisabeth daar vrede mee, hoewel zij de angst ziet in de ogen van de volwassenen. Uiteindelijk komt haar vader naast haar liggen om haar wat van zijn eigen bloed te geven. Met zijn krachtige warme stem belooft hij haar een negerpopje wanneer zij weer beter is. Dat wordt voor haar een begin van herstel, en na enkele weken keert zij naar huis terug met het negerpopje in de armen, het mooiste cadeau dat zij ooit gehad heeft en eindelijk iets wat haar zusjes niet precies hetzelfde hebben.

Omdat Eva veel contact heeft met moeder en Erika veel met vader voelt Elisabeth zich vaak eenzaam. Dan gaat zij naar haar konijntjes die zij knuffelt en streelt. Zo af en toe moet zij een van haar konijnen naar de slager brengen, buiten wachten, en het pakje vlees weer mee terug nemen. Onbeschrijfelijk is haar verdriet wanneer de slager haar vertelt dat haar zo juist geslachte lievelingskonijn over een paar dagen jonkies gehad zou hebben.

Elisabeth is een mager en erg actief kind, onmiddellijk fel partij kiezend voor ieder die in een onderdrukte positie verkeert. De dominee, die zijn eigen kinderen zo slaat dat zij nauwelijks kunnen zitten, maakt haar zo woedend, wanneer hij Eva onterecht straft, dat zij hem haar gebedenboek naar het hoofd slingert.

Van heel jongs af aan geniet Elisabeth intens van de schoonheid van de natuur, en zij deelt deze liefde met haar vader. Actiever en energieker dan haar zusjes, maakt zij met haar vader bijna ieder weekend grote bergtochten, van hütte naar hütte klimmend, ’s winters skiënd. Er is een rots, door bos omgeven die niemand ziet en waar Elisabeth vaak naar toe gaat, dat is haar ‘heilige plaats’ en spontaan strekt zij haar armen omhoog naar de zon in een soort ritueel dat voor haar volkomen natuurlijk is.

Dan komt de oorlog en Elisabeth hoort over de radio van de inval van de Duitsers in Polen en zij doet zichzelf de plechtige belofte dat zij de Polen zal gaan helpen zodra zij dat kan.

Wanneer de meisjes zestien zijn, beslist vader over hun verdere opleiding. Elisabeth mag bij hem in de zaak een opleiding in de handel volgen. Dat is het laatste wat zij wil, zij wil arts worden. Duidelijk zegt zij ‘nee’, woedend stuurt vader haar het huis uit, moeder helpt haar een dienstje te zoeken bij een weduwe in Frans-Zwitserland en enkele dagen later verlaat ze dapper het ouderlijk huis.

Bij de weduwe heeft zij een afschuwelijke tijd. Zij moet werken van ’s morgens zes tot ’s avonds twaalf. Zij besluit de dag met het brengen van een kopje thee naar mevrouw en haar minnaar. De drie kinderen, waar zij voor moet zorgen, betekenen tenminste nog een beetje menselijke warmte. Zij krijgt zo weinig te eten dat zij vaak staat te zwaaien op haar benen, maar haar trots verbiedt haar om hierover ook maar te reppen in haar opgewekte brieven naar huis.

Na een paar maanden geeft mevrouw een groot diner. Na de afwas zit Elisabeth uitgeput aan de keukentafel de restjes op te eten als een vriendelijke oude man binnen komt, die zich voorstelt als professor Fouché. Belangstellend vraagt hij wat een intelligent meisje als zij hier doet. Met trillende lippen vertelt zij hoe zij hier terecht is gekomen en dat zij eigenlijk medicijnen wil studeren. Hij geeft haar zijn naamkaartje en belooft haar te helpen een baantje te vinden als laboratoriumassistente.
Vijf dagen later vertelt madame haar dat professor Fouché is gestorven.

Op kerstavond wordt een grote kerstboom gebracht en Elisabeth helpt de kinderen met versieren. Als madame dat ziet stuurt zij Elisabeth streng terug naar de keuken. Dit is voor Elisabeth de laatste druppel en zij besluit weg te lopen, maar zij heeft maar een paar francs. Diep in de nacht verlaat zij stilletjes het huis en kan nog net een kaartje naar Genève betalen, waar zij een zuster van madame opbelt die haar in huis neemt, verkleumd en hongerig.

Werkkampen

Eenmaal weer thuis blijft Elisabeth weigeren om bij haar vader te komen werken. Vader geeft toe en zij gaat werken als laboratoriumassistente in de afdeling dermatologie van het ziekenhuis. Zij is net achttien als daar, ten gevolge van de invasie in Normandië, een niet aflatende stroom vluchtelingen uit Frankrijk aankomt, die juist in haar afdeling ontluisd en opgevangen moet worden. Zij werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en voelt zich in haar element. Na een paar weken is zij zo bleek en mager dat haar ouders haar verbieden op zondag ook nog te gaan werken. Zij bedenkt een smoes, zegt dat zij naar haar vrienden gaat, gaat tóch naar de vluchtelingen en zegt later thuis: ‘dat zijn toch mijn vrienden?’

Na de oorlog is haar verlangen om te helpen in de getroffen gebieden zo sterk dat zij de professor, voor wie zij werkt, vraagt haar verlof te geven de hele zomer weg te gaan. Zo werkt zij enkele jaren achter elkaar ’s zomers in werkkampen in Frankrijk, België en Polen. In die kampen ontmoet zij jongens en meisjes uit alle landen die gedreven worden door hetzelfde idealisme en dezelfde werkkracht. Elisabeth werkt meestal als kok, en wat is het moeilijk om iedere dag weer wat eten bij elkaar te scharrelen, ’s Avonds zingen zij om het kampvuur volksliedjes uit de verschillende landen.

In Polen bezoekt zij het concentratiekamp Maidanek. Het eerste wat zij ziet is een wagon, vol met schoentjes van kinderen die vergast zijn. Door de verlaten barakken dwalend staart zij ontroerd naar de wanden die vol gekrast zijn met laatste boodschappen. Tot haar verbazing ziet zij dat er talloze vlinders getekend zijn, voor haar het symbool van hoop en bevrijding. (Later zal zij, aan het bed van een doodziek kind zittend, vaak een tekening van een vlinder maken en vertellen hoe die vlinder de hemel in vliegt, terwijl hij de cocon als een lege huls achterlaat). Die zomer in Polen werkt zij met twee meisjes in een soort eerste-hulp-post en elke dag verzamelen zich tientallen uitgehongerde mensen voor het schamele hutje om hulp te vragen aan de ‘dokters’, maar de hulpmiddelen en medicijnen zijn volslagen ontoereikend.

Op een nacht ligt Elisabeth buiten te slapen. Zij wordt wakker van een zacht kreunen. Naast haar zit een moeder met haar doodzieke kind op schoot. De moeder vertelt dat zij drie dagen en twee nachten met haar driejarige Janek op de arm is komen lopen om de hulp te vragen van de ‘dokter’. Elisabeth herkent meteen aan de hoge koorts en de raspende ademhaling de symptomen van tyfus en verdrietig zegt zij dat zij niet helpen kan, zij hebben geen medicijnen.

Na een lange stilte zegt de moeder: ‘Dokter, je moet het leven redden van dit kind want hij is de laatste van mijn dertien kinderen. Janek is de enige die de gaskamers van Maidanek heeft overleefd’.
De enige hoop is het ziekenhuis in Lublin, dertig kilometer verder. Samen gaan zij op weg, om de beurt het kind dragend. Als zij eindelijk het ziekenhuis bereiken weigert de dokter het stervende kind op te nemen. In een mengelmoes van Duits en Pools schreeuwt Elisabeth hem woedend toe hoe onmenselijk zij hem vindt en de dokter geeft toe. Over drie weken kan de moeder terug komen, het kind zal dan óf begraven zijn, óf gered. Terug in de kliniek werkt de moeder mee en ’s nachts slapen zij onder dezelfde deken. Na drie weken is zij weg. Na nog een week vindt Elisabeth bij het ontwaken een zakdoek met aarde. Er is een briefje bij: ‘van de moeder van Janek, het laatste kind van de dertien, dat jij gered hebt, een beetje gewijde Poolse aarde.’

Aan het einde van de zomer gaat Elisabeth op weg naar huis. Een militair vliegtuig heeft opdracht haar mee te nemen naar Berlijn, een belangrijke Zwitserse, die opvallend goed werk heeft gedaan in Oost-Europa’.
Ze kijken wel verbaasd als een kinderlijk meisje in versleten kleren, en met al haar bezittingen in een rugzakje, aan boord stapt. In Berlijn moet zij de ‘muur’ passeren, en een moedige vrachtwagenchauffeur vouwt haar op in een kistje, timmert het deksel dicht en adviseert haar niet te ademen als er controle komt. Na acht uur mag zij uitstappen maar zij kan zich niet meer bewegen. Die nacht krijgt zij tyfus, ligt doodziek in een bos, verliest telkens het bewustzijn. Een oud sprokkelvrouwtje vindt haar. In een ziekenhuis zweeft zij tussen dood en leven, na een maand zet de dokter haar zelf op de trein naar Basel.

Het volgende jaar gaat Elisabeth weer naar een werkkamp dit keer in Italië (‘als je maar niet in je hoofd haalt om naar een land achter het ijzeren gordijn te gaan’ waarschuwt haar vader haar). Iets eerder terug dan verwacht, wordt Elisabeth gevraagd twee kinderen naar Warschau te brengen. Zij vertrekt meteen, laat een briefje thuis achter. Na een paar dagen komt zij terug, vrolijk trekt zij aan de bel, maar haar vader gooit de deur or haar neus dicht, woedend dat zij
ongehoorzaam is geweest. Zij is dan 22 jaar. Verbijsterd zwerft Elisabeth over straat. Dan ontmoet zij haar vriendin Cilly, die juist nog een klein kamertje weet in het huis waar zij zelf ook een kamer huurt. De volgende ochtend, als vader weg is, haalt Elisabeth wat van haar spulletjes op. Moeder huilt, maar kan niet tegen vader op; hij eist van Elisabeth een excuus. Elisabeth kan dat niet want zij heeft voor haar eigen geweten niets fout gedaan. Trouwens, zij vindt het heerlijk om op eigen benen te staan en niet langer als een klein kind gecommandeerd te worden.

Medicijnenstudie

Haar droom om medicijnen te studeren is sterker dan ooit. Maar zij heeft geen geld en geen eindexamen. Na een jaar sparen kan zij de opleiding volgen voor het examen. Overdag werkt zij acht uur in een oogkliniek.
’s Nachts leert zij. Na een jaar slaagt zij voor het examen, en vader neemt haar weer in genade aan: ‘die Elisabeth is wel jong, maar ze is net zo koppig en taai als ik!’
Toch moet zij haar hele medische studie zelf betalen, en zo leeft zij de komende jaren: overdag een baan, ’s nachts studeren. Intussen hebben Elisabeth en haar vriendin Cilly heel wat gezellige avonden waarop zij vaak buitenlandse studenten uitnodigen en er wordt heel wat muziek gemaakt en gezongen. Maar voor ‘vriendjes’ heeft Elisabeth geen tijd. Tot zij in de snijzaal Emanuel Ross leert kennen, een Amerikaan die in Zürich studeert. Aan het eind van hun studie is hun vriendschap zo hecht dat zij willen trouwen. Maar hun beeld van de toekomst is totaal verschillend. Elisabeth wil naar ‘donker Afrika’, in de voetsporen van Albert Schweizer. Manny piekert daar niet over, hij wil terug naar Amerika. ‘Ik ga niet naar Amerika’, zegt Elisabeth, ‘nooit, nooit, nooit’. De beslissing wordt uitgesteld omdat zij een jaar eerder afstudeert dan Manny. Zij geniet ervan om een huisartsenpraktijk te doen op het platte land. In die tijd groeit het gevoel in Elisabeth dat zij, ondanks haar persoonlijke antipathie, naar Amerika geleid wordt en dat het haar daar ook duidelijk zal worden waarom.

Getrouwd vertrekken Manny en Elisabeth naar New York. Elisabeth vindt het er vreselijk. Cocktail-parties, plastic kerstboomlichtjes, opgemaakte verpleegsters die over het hoofd van de patiënt heen babbelen over hun vriendjes, vervullen haar met ontzetting. Zij besluit zich te specialiseren in kindergeneeskunde, en zij wordt aangenomen op voorwaarde dat zij de eerste twee jaar geen kinderen zal krijgen. Wanneer zij zwanger blijkt te zijn gaat het plan niet door, en krijgt zij een baan in een oud vervallen psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer zij enkele weken later een miskraam krijgt is haar leven tóch door dit ongeboren kind in de richting van de psychiatrie geleid.

Het lijkt een wanhopige opgave om op te roeien tegen de stroom van vuil, verwaarlozing, shock en chemische therapie, maar uiteindelijk lukt het haar het vertrouwen van de staf en de patiënten te winnen en weet zij talloze hervormingen door te voeren.

In de volgende jaren krijgen Elisabeth en Manny twee kinderen, Kenneth en Barbara. Een lief meisje uit Zwitserland, dat bij hen inwoont, neemt de zorg voor de kinderen over wanneer Elisabeth werkt.

Wanneer zij een paar jaar later als psychiater in een groot ziekenhuis in Chicago werkt, trekt zij zich meer en meer het lot van de ongeneselijk zieke patiënten aan; zij is diep verontwaardigd over de kille en onmenselijke manier waarop stervende mensen alleen worden gelaten. Eenzaam liggen zij daar, omringd door de knapste apparatuur, worstelend met hun angst, hun onzekerheid, hun zorgen. Als Elisabeth rustig naast hen komt zitten en vraagt: ‘hoe gaat het nou eigenlijk?’, voelen de patiënten dat hier een mens is die niets gek vindt en die zelf niet bang is en die rustig de tijd neemt om naar hen te luisteren. Wanneer zij dan vraagt of de mensen het goed vinden om de studenten in de collegezaal mee te laten luisteren, zodat zij kunnen leren wat er in een ernstig zieke omgaat, stemmen de meesten daarmee in. En zo praat zij met honderden stervende mensen, terwijl de studenten en verplegenden in een propvolle zaal achter een screen (een spiegel waar je van één kant doorheen kan kijken) ademloos luisteren.

Na het gesprek geeft Elisabeth alle aandacht aan de gevoelens van de toehoorders en praat zij met hen over hun vragen. De patiënten vertrouwen haar en houden van haar omdat zij een echte band met hen heeft en erg veel voor hen over heeft. Zo gaat zij, na een lange dag hard werken, altijd nog even bij de stervende mensen langs. Zij weet dat ’s nachts, zo tussen 12 en 4 uur de eenzaamheid het grootst is, en heel wat nachten heeft zij aan het bed van een zieke gezeten. ‘Als je me nodig hebt, kan je me altijd roepen’, en zo is zij dan ook werkelijk daar, als het moment van sterven is aangebroken.

Reportage

Op een dag vraagt een team van het tijdschrift ‘Life’ of zij een reportage mogen maken van een gesprek met een stervende. Als de oude man, die had toegezegd mee te werken, die nacht gestorven blijkt te zijn, vraagt Elisabeth een jong meisje, Eva, die aan leukemie lijdt. Het artikel met de foto’s van Eva, die zo rustig over haar naderende dood praat, roept een storm van reacties op. De artsen in het ziekenhuis, van wie Elisabeth tóch al niet veel collegiale steun had gekregen, zijn woedend, en één zegt verbitterd: ‘Ik had gehoopt dat ons ziekenhuis beroemd zou worden om de uitstekende geneeswijze van kanker, en nu maakt zij ons beroemd om onze stervende patiënten!’ Zij verbieden dat patiënten nog langer ‘voor publiciteit’ mogen worden gebruikt, en daardoor wordt het verdere werk eigenlijk onmogelijk gemaakt.

Aan de andere kant heeft het artikel tot gevolg dat duizenden mensen over heel Amerika gegrepen worden, hun situatie herkennen en eindelijk iemand vinden die hun verdriet zal begrijpen, die ze om raad kunnen vragen. Het taboe rond de dood is doorbroken. In een stroom van brieven storten de mensen hun hart uit, nodigen haar uit voor lezingen, vragen haar hun stervende familieleden te bezoeken. En zo wordt zij van de ene dag op de andere een beroemdheid, altijd op weg om volle zalen toe te spreken, om werkbijeenkomsten te leiden. Tussendoor vindt zij het heel normaal om uren in het vliegtuig te zitten om iemand in de laatste uren bij te staan. Haar privéleven, (en zij vindt het zó heerlijk om thuis te zijn) heeft zij volkomen opgeofferd voor de vragen om hulp, die als een constante stroom op haar afkomen. Alleen de zondag tracht zij voor zichzelf te houden.

Het meeste aandacht geeft Elisabeth de laatste jaren aan stervende kinderen. Zij helpt de ouders om hun kind zo mogelijk uit het ziekenhuis te halen en thuis te verplegen, liefst in de huiskamer, voor het raam en met de poes op bed.

Voor Elisabeth is de hulp vanuit de geestelijke wereld heel reëel en heel nabij. Zij vertelt daar graag over. Op een keer stond zij op een vliegveld op het punt om de controle door te gaan, toen een jong echtpaar haar achterna kwam rennen en om een gesprek vroeg: zij hadden zojuist gehoord dat hun kind kanker had. Elisabeth denkt: ‘O, had ik maar één uur om met deze mensen te praten!’ en op dat moment zegt een stem door de luidspreker: ‘Het vliegtuig van San Francisco heeft één uur vertraging.’ En zo zijn er talloze voorbeelden: een vliegtuig dat niet kan landen vanwege de mist, brengt haar juist op die plaats waar zij op dat moment erg nodig is, zij krijgt geld als zij niets meer heeft (zij vraagt nooit één cent van de patiënten),‘toevallige’ ontmoetingen blijken een belangrijke betekenis te hebben.

Honderden, duizenden mensen heeft Elisabeth begeleid tot aan de poort van de dood. Zij kan met haar volle bewustzijn door die poort heen gaan. Zo weet zij dat ieder mens aan de andere kant ontvangen wordt door diegene die voor hem of haar het meest betekent. Dat zal voor de één Christus zijn, voor de ander de eigen beschermengel, of iemand waarmee je je heel diep verbonden voelt, een dierbaar familielid of een goede vriend. Zij zegt dit met zo’n grote zekerheid dat er een diepe troost vanuit gaat voor allen die hier achter blijven.

*Bepke Engelhard, Jonas 3, *02-10-1981

Boeken van Elisabeth Kübler Ross:

Lessen voor levenden, gesprekken met stervenden;
Intens leven en sterven
Over de dood en het leven daarna
Over rouw
Levenslessen
Dood;
Leven tot we afscheid nemen.
De cirkel van het leven

Elisabeth Kübler Ross

.

Biografieën op deze blog

Vertelstof: alle artikelen

.

1627

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 2e klas – vertelstof (3-13)

.

ODILIA

Een van de legendes die vrijwel in elke 2e klas van de vrijeschool wordt verteld, is die van Odilia.

Hier volgt een achtergrondartikel over haar leven:

EEN HELDIN DIE HET LICHT ZAG

In de wijngaarden van de Elzas hangen de laatste druiventrossen nog aan de ranken, gekrompen door de vorst, gelezen, maar te licht bevonden voor de laatste persing van de eiswein.
Vanuit het wijnstadje Molsheim rij ik* omhoog, de donkere bergen in.

De Elzas ligt als een groot plat bord achter me, gevuld met rijkdom.

Voor me rijst de Sankt-Odiliënberg op. Boven op de top prijkt het in de zevende eeuw gestichte klooster.
Al van ver zie ik het immense beeld van Odilia, dat voor het klooster staat. Met een wijds armgebaar zegent ze de Elzas, die helemaal aan haar voeten ligt. In haar tijd werd het hertogdom geregeerd door haar vader Etticho, ook wel Adalric genoemd. Hij was een broer van de Frankische koning Childéric.

Ik laat mijn auto achter in de winterse verlatenheid van een plomp geasfalteerd parkeerterrein, dat de natuurrijke omgeving van het klooster voor een deel heeft vernield. Slechts een bus vol vrolijke priesterstudenten, in toog, deelt vandaag met mij de vreugde van de pelgrimage. De huidskleur van de jonge mannen vertelt dat ze uit Afrika en Azië komen. Armoede levert nog roepingen op. Het lijkt al een beetje waar te zijn wat de Paus zijn Kerk voor ogen houdt: Europa wordt opnieuw een missiegebied.

Net zoals in de tijd van Odilia. Een nieuwe kerstening, nu vanuit voormalige missielanden. Deze jeugdige en opgewekte priesters in opleiding hebben echter niets van de steile, oude mannen uit de overlevering van de kerk, zoals bijvoorbeeld Bonifacius en Servatius.

Het klooster heette oorspronkelijk Hohenburg, naar de naam van het jachtslot dat Etticho op deze rots had gebouwd. Vanaf de transen kijk ik in een diepe afgrond en heb ik uitzicht over dorpen, stadjes en wijngaarden, tot aan het Zwarte Woud toe.

Het klooster is het vertrekpunt van talrijke goed aangegeven wandelroutes door hoogten en laagten van de Elzas, voor zowel zondagnamiddagwandelaars als voor ervaren randonniers die van bergtop naar bergtop lopen.

Odilia werd in 660 geboren in Oberehnheim (nu Obernai). Ze was het oudste kind van Etticho. Als baby moet ze hartveroverend mooi zijn geweest, maar helaas was ze blind. De hertog was boos op zijn vrouw omdat ze hem geen mannelijke opvolger had geschonken, maar een blinde dochter aan wie helemaal geen eer te behalen viel.
Ze zou nooit een prins als echtgenoot kunnen vinden. Etticho wilde het meisje niet eens zien; hij verstootte haar. In die tijd betekende dat niet minder dan dat hij haar voor de wolven wilde leggen. Maar de moeder, hertogin Bereswinde, wist Odilia te redden. Ze gaf haar in het geheim aan de voedster mee. Die bracht het kind onder in een nonnenklooster te Baume-les-Dames (bij Besançon), waar Odilia in vroomheid werd opgevoed. Op twaalfjarige leeftijd werd ze gedoopt. Toen gebeurde het wonder. Op het moment dat het doopwater haar ogen beroerde, zag ze het licht. Verrukt over dit mirakel besloot ze haar verdere leven aan God te wijden.

Eindelijk durfde men Etticho te vertellen dat Odilia nog leefde. Nu ze niet meer gehandicapt was, accepteerde hij haar als zijn dochter en nam haar in zijn huis op. Maar, Odilia’s belofte negerend, probeerde hij haar uit te huwen. De opvoeding door de nonnen bleek echter op vruchtbare bodem te zijn gevallen. Odilia bleef haar gelofte trouw. Ze ontvluchtte het kasteel in Obernai. Etticho, die een mooie partij voor zijn beeldschone dochter had gevonden, een vazal van het koningshuis der Merovingers die veel land en goed in de familie zou binnenbrengen, ging naar haar op zoek. Toen hij haar had gevonden, op de flanken van wat later de Sankt-Odiliënberg zou gaan heten, wist ze zich te verschuilen in een grot die zich, na haar gebed om hulp, in de rotsen vormde.
Toen haar vader over dit wonder vernam, zag hij in dat ze hem toch steeds dank zij bovennatuurlijke hulp zou ontkomen, en stemde hij erin toe dat ze op de wonderberg een vrouwenklooster stichtte.

Odilia’s stichting had succes, vooral vanwege het verhaal over de wonderlijke manier waarop ze het licht had gezien: zowel het aardse licht als het licht van God. Voor veel mensen gold het vrome meisje al als een heilige. In korte tijd sloten zich zo veel jonge vrouwen bij de kloostergemeenschap aan dat al spoedig een tweede klooster nodig was. Dat werd Niedermünster, aan de voet van de Sankt-Odiliënberg, het hospitium dat de geschiedenis inging als het eerste ziekenhuis van de Elzas.

Eerst bezoek ik de kleine kapel met de stenen tombe, waarin het lichaam van Sint-Odilia rust: het hart van het heiligdom. Het is er ijskoud, maar ook doodstil. Er is niemand, zodat ik de zwak verlichte ruimte op mijn gemak kan bekijken. Odilia rust in een sarcofaag, uitgehakt in de rots. Rond de sarcofaag is een stevig en betralied praalgraf gebouwd, dat haar voor al te opdringerige aanbidders behoedt. Zeven schilderijen rond de tombe tonen de belangrijkste feiten uit haar leven, zoals het doopsel waarbij ze het licht zag en de opname in de grot die haar verborg.
In de kapel ernaast bevindt zich het graf waarin het lichaam van de grillige hertog Etticho heeft gerust. Waarom juist zijn resten uit de sarcofaag zijn verdwenen tijdens de vele plunderingen die de Hohenburg in de loop der eeuwen hebben geteisterd, terwijl het lichaam van Odilia met rust werd gelaten, is een raadsel. In de tiende eeuw, ook wel ‘de duistere eeuw’ genoemd, plunderden heidense Magyaren het klooster. Ze lieten geen steen op de andere. Waarschijnlijk hadden ze te veel ontzag voor de heilige Odilia omdat ze, toen al zo aanbeden, een heidense priesteres in haar zagen. In de loop van de volgende eeuwen werd het klooster herhaaldelijk vernield en opgebouwd. Tijdens de reformatie was het aanzien van de heilige plaats vooral gedaald door het wereldse gedrag van de nonnen die er woonden. Van opofferende heiligen, die in zelfgekozen armoede leefden, waren ze veranderd in zelfzuchtige secreten, die zich zo schandalig werelds gedroegen dat ze door de bisschop van Straatsburg uit de kerk werden gezet. Bij hun gedwongen vertrek liet de hemel weten dat de bisschop juist had gehandeld: de bliksem sloeg in en het klooster brandde totaal af.

Toch bleven de pelgrims komen. Opnieuw werd er een kerk gebouwd en in de volksmond veranderde de naam ‘Hohenburg’ in ‘Sankt-Odiliënberg’. Weer later sloeg de Franse Revolutie toe. Soldaten verdreven de Premonstratenzer monniken die zich op de berg hadden gevestigd, en knoopten er een stuk of tien op. In de volgende jaren werd de kerk gebruikt als fabriek, stal en volksonderkomen.

In 1853 kocht de bisschop van Straatsburg de kerk van de staat terug. Broeders en nonnen bouwden alles weer op. Weer stroomden de pelgrims toe. In de jaren vijftig van deze eeuw** verleende Paus Pius XII aan Odilia de titel ‘Schutspatroon van de Elzas’. Of ze die titel verdient, valt te betwijfelen, vooral als je de talrijke vernielingen van haar eigen huis bekijkt.

Op 11 oktober 1988 bezocht paus Johannes Paulus II het graf van Odilia, waarvan grote en kleine prenten in de kiosken getuigen. Ze laten de paus zien, biddend voor de tombe.

Blijft de vraag: wat ligt er in de kist? Wie kan met zekerheid zeggen dat het lichaam van Odilia aan alle plunderaars, van heidenen tot revolutionairen, is ontkomen?

In de kleine kerk naast de kapel met de tombe, wordt een eeuwigdurend gebed gehouden. Voor het altaar knielen, in voortdurende aanbidding, steeds twee gelovigen, zowel jongeren als ouderen, elkaar dag en nacht aflossend, zingend of biddend voor een mooie toekomst voor de hele mensheid. Voor de rots zelf zal die toekomst uitstekend zijn, getuige de vele souvenierwinkels en restaurants die de kapel omsluiten. Achter het kloostergebouw staan twee kapellen, op de plekken waar Odilia zelf altijd gebeden zou hebben. De ‘Kapel van de Tranen’ is gebouwd op wat, in haar tijd, het kloosterkerkhof moet zijn geweest. In de rots rond de kapel zijn sarcofagen uitgehakt waarin, volgens de legende, de eerste volgelingen van Odilia te ruste zijn gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze al van vele eeuwen vroeger zijn, net als de fundamenten van de aanpalende Engelenkapel, die ooit een heidense tempel droegen. Wat mooi illustreert hoe de christelijke kerk voortbouwt op de haar voorgaande religies. De mozaïeken in de kapel laten zien welke rol de engelen in de godsdienst hebben gespeeld. Ook voor de kerstening van Europa, want Cherubijnen en Serafijnen zijn ware neven en nichten van de Sirenen.

Al lang voor de komst van het christendom was deze plek al een heilig oord. Er zijn aanwijzingen dat de berg in de bronstijd en zelfs al in de Neolitische tijd werd bewoond.

De Kelten die hier in de ijzertijd woonden, de stam der Médiomatriques, hebben er lange tijd hun religieuze feesten gevierd en offers gebracht aan hun zonnegod Belen. Te zijner ere hadden ze op dit raakpunt tussen aarde en hemel altaren gebouwd en dolmens opgericht.

De Romeinen, die heersten over het land vanaf 50 voor Christus, namen de natuurlijke vesting, die door de Kelten was verlaten, weer in gebruik en noemden de berg Altitona, wat zoiets als ‘donderende hoogte’ betekent. Ze herstelden de muren, bouwden een kazerne en hoge wachttorens. In hun tempel aanbaden ze de godin Rosmerto, patrones van de oostelijk gelegen Romeinse gebieden.

In Odilia’s tijd werd deze voorouderlijke heilige plaats nog steeds bezocht door de nieuwbakken christenen, die van het pas verworven geloof nog niet veel meer begrepen dan dat ze het onder dwang hadden moeten aannemen. Pas bekeerd hielden ze naast de nieuwe religie ook hun heidense goden in ere. Morden de mensen aanvankelijk omdat Odilia met klooster op de heilige rots van hun voorvaderen zat, tegen de dochter van de ruwe graaf Etticho durfden ze niets te ondernemen. Dat was levensgevaarlijk. Een jonge vrouw van mindere afkomst zouden ze vanwege heiligschennis hebben gelyncht. Ook hertog Etticho zelf had weinig op met het christendom dat hem door bekeerde koningen was opgelegd. Hij vond het geloof voor vrouwen. Misschien had hij een profetische blik. Heden ten dage bezoeken vooral vrouwelijke pelgrims het bedevaartsoord, wat trouwens geldt voor alle bedevaartsoorden. Mannen houden niet van heilige vrouwen en zeker niet van heilige maagden.

Na het bezoek aan het klooster loop ik de fraaie wandelroute rond de Heidenenmuur, een imposant bouwwerk van tien kilometer lang, dat door de Kelten moet zijn aangelegd. De hele top van de Sankt-Odiliënberg wordt er door omsloten. Een deels door de natuur aangewezen citadel die door Kelten, Romeinen en Franken als vesting werd benut. Een strategische plek van de eerste orde. Er is een route die in een uur of vier flink doorlopen voert langs de deels intacte resten van nog andere heidense heiligdommen. Het is een geliefd pad voor mensen die geloven in de invloed van de aarde op gezondheid van geest en lichaam. Ze zoeken genezende krachten en vitaliteit in aardstraling, die vooral op de religieuze plekken uit de oudheid heel krachtig heet te zijn en daar nog versterkt wordt door straling vanuit de kosmos. Sommige onderzoekers denken dan ook dat de heilzame invloed van het bedevaartsoord gelegen is in deze straling, waarvan de Druïden al de genezende werking hebben gekend. De zon werpt een feeëriek licht tussen de bomen van het oerbos, dat terugkaatst op de groene fluorescerende korstmossen op de restanten van de heidense muur. Vroeger was de muur vier meter hoog en gemiddeld anderhalve meter dik. Daarop was nog eens een hoge palissade aangebracht, wat de berg, die door zijn steile wanden toch al nauwelijks kon worden beklommen, tot een onneembaar fort maakte. De ommuurde ruimte besloeg 118 hectare,meen oppervlakte waar bij belegering velen hebben gewoond en gewerkt. Archeologische vondsten getuigen daarvan.

Aan het begin van het wandeltraject liggen een paar Romeinse graven, oneerbiedig open en bloot, half gevuld met dorre bladeren. De bolvormige tumuli in de omgeving verraden dat hier nog meer Romeinen rusten.

Een paar kilometer verder naar het zuiden ligt, nog steeds binnen de vesting, de grot van de Druïden, een megalitisch grafmonument waar de Kelten offers brachten. Op deze plek wordt door kenners de hoogste dosis straling gemeten. Een uurtje uitrusten in of op deze dolmen moet heilzaam zijn voor lijf en geest, ook voor wie er niet in gelooft.

Vlakbij de grot stortte op 20 januari 1992 in dikke mist een vliegtuig van Air France neer. 87 Mensen vonden de dood in de vlammen. Een eenvoudig houten bordje herinnert aan de ramp. In het hekwerk zijn honderden kruisjes aangebracht, gevlochten van takken. Boeketten bloemen hangen in de draad. Daartussen een eenvoudig houten kruisje, waarop in beverig handschrift staat geschreven:

‘Renée, geboren 11-3-1966, hier smartelijk overleden op 20-1-1992, toen haar leven zo mooi was.’

Drie priesters, in toog, staan er te bidden. Ik vraag of ik ze mag fotograferen.

‘Dat mag, maar liever niet en face’, zegt een van hen, die zich, als we in gesprek raken, bekend maakt als abbé Bernhard. ‘We zijn niet zo geliefd in Frankrijk.’ Op mijn verbaasde vraag vertelt hij dat ze priesters zijn van Lefèbre, de aartsconservatieve kardinaal die zo behoudend was dat hij door Rome uit de kerk is gezet. Ze komen hier vaak bidden, zegt abbé Bernhard. Hij is ervan overtuigd dat veel van de omgekomenen zijn gebed hard nodig hebben. Kinderen van deze egoïstische tijd als ze waren, zijn hun zielen natuurlijk nauwelijks voorbereid op de dood.

Na een wandeling van twee uur is het pad terug op de smalste plek van de ingemuurde ruimte; het klooster. De noordroute gaat door het overige deel van het vestingswerk. De verbazingwekkende en nog geheel gave delen van de Heidenenmuur slingeren zich langs de helling. Op enkele plaatsen in de muren staan de poorten naar de uitvalswegen nog overeind.
Kilometers verder, al weer bijna terug bij het klooster, ligt de grot die zich op zo wonderlijke wijze voor Odilia opende toen haar vader haar achterna zat.

Na de wandeling voltooid te hebben, neem ik me voor om haar de volgende dag nog eens te maken, maar dan andersom. Ik ben nog lang niet uitgekeken.

Om geen genade gemist te hebben, daal ik af naar de plek waar Odilia een bron deed ontstaan, toen ze op een van haar tochten tussen de beide door haar gestichte kloosters een oude uitgeputte man tegenkwam. Bij de bron vullen pelgrims flessen met bronwater en strijken het langs de ogen, hopend daarna beter te kunnen zien. Odilia is ook de patrones van de ooglijders. Ik dep water uit de bron op mijn ogen, maar mijn geloof is te klein: ik heb mijn leesbril nog net zo hard nodig.

Tien minuten verder naar beneden liggen de resten van het klooster Niedermünster. Een stevig hekwerk voorkomt verdere sloop van de ruïne. De aanpalende boerderij is gebouwd van stenen van het munster. Op een steenworp afstand staat een niet te definiëren kerkje, van later datum, te kleumen in een nat weiland. Een koppel duiven met opgezette veren treurt in een half dichtgetimmerd, raam over het verval. Uit een bron ter grootte van een wasbak ontspringt een beekje, zo dun als een potlood, dat sierlijke krullen in het weiland schrijft.

Terug bij het klooster klinkt ijl gezang uit de kerk naar buiten. Vijf uur. De vespers worden gezongen door de laatste nonnen die het convent bewonen. Negen stemmen. Eén stem minder dan een paar weken geleden. Een op de deur geplakt bericht vertelt dat op 24 december 1992, in de leeftijd van 62 jaar, de ziel van soeur Georges-Marie haar aardse lichaam heeft verlaten, nadat ze 38 jaar bruid van Christus is geweest. Eén stem minder maakt het koor iets ieler. En wat wanneer zuster Ignatia-Marie uitvalt? En na haar zuster Joséphine-Marie? Zullen de zes overgeblevenen het nog kunnen opnemen tegen de sterke bariton van rector Jaques Ponts, helemaal alleen in de rechterbeuk, die nog geen vijftig is en te zijner tijd het hele koor van nonnen zal overleven? Wie volgt daarna rector Jaques op?

Kopzorgen voor de kerk, die zoveel zielen geestelijk te voeden heeft, maar weinigen uitverkoren acht om aan de tafel des Heren voor te gaan. Zorgen die ook nu al de Sankt-Odiliënberg beheersen en die doorklinken in de eenvoudige stemmen van de nonnen. De voorzangeres heeft de stem van Soeur Sourire, de zingende non die in de jaren zestig zoveel harten veroverde met haar ongekunstelde liedjes.

Het gezang roept een weldadige rust op in het sfeerrijke licht van de donkere, winterse kerk, die naar kaarsen en wierook geurt. Na de wandeling in de ingetogen stilte van de bossen rond de Heidenenmuur vind ik hier een andere, maar net zo weldadige rust. Even voel ik me in de middeleeuwen en is het net of Sint-Odilia zelf, met haar eerste medezusters, in de kerk aanwezig is. De legende heeft me in haar greep. De Sankt-Odiliënberg, met zijn vele tastbare herinneringen aan het verleden, zo dicht bij elkaar, is een spiritueel fenomeen. Zelfs een moderne heiden als ik voelt zich na een bezoek aan deze plek geestelijk opgekalefaterd.

Wat allemaal waar is van de legende van Odilia, het kan me niet schelen, maar haar naam zij geprezen. Vooral als ik te harer ere in het pelgrimsverblijf een flink stuk Odiliëntorte eet. Bosbessenvlaai. Een typische Elzaslekkernij met een aardse geur en met een hemelse nasmaak.

Bronnen: G. Altenbach en B. Legrais: Lieux Magiques et Sacrés d’Alsace et des Vosges. Editions du Rhin,
ISBN 2 86339 012 0.
F. Petry en R. Will: Le Mont Sainte-Odile. Guides Archéolgiques de La France, ISBN 211 080954 X.

Ton van Reen, Volkskrant, 03-04-1993

.

De legende werd heel mooi verteld door Jakob Streit: Ich will dein Bruder sein

2e klas: vertelstof

Rudolf Steiner over: vertellen

2e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas

.

1589

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.