Categorie archief: geschiedenis

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 1900 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Bovenbouw – geschiedenis

Onderstaand artikel is niet meteen ‘vrijeschoolachtergrond’.

Het is geschreven door een van de bekendste antroposofen uit de vorige eeuw: Willem Frederik Veltman.

Met Steiners gezichtspunten over ‘Europa’ ontwikkelde Veltman een visie op de hedendaagse geschiedenis en wat daarin de taak van Europa zou moeten zijn.
Dit wordt nader toegelicht op zijn website.

In 1991 schreef Veltman in het blad Jonas een artikel over het conflict tussen Israël en de Arabische wereld.

De bovenbouwleraar die bijv. bij geschiedenis dit nu al zo lang durende conflict met de leerlingen wil bespreken, kan wellicht met Veltmans artikel gezichtspunten aandragen die niet blijven staan bij begrip en acceptatie alleen.

.
W.F.Veltman, Jonas 22-02-1991

.

OMZIEN IN VERBONDENHEID
.

Is er een oplossing voor de vijandschap tussen Israël en de Arabische wereld? Willem Veltman legt uit dat drieduizend jaar geleden de verzoening in feite al heeft plaatsgevonden. 

Wie het heden tracht te begrijpen en met een positieve gezindheid naar de toekomst toe wil leven, mag niet nalaten zich bezig te houden met het verleden. In de wereldsituatie van dit ogenblik is het zinvolste dat de enkeling kan doen: streven naar een eerlijk oordeel zonder emoties. Het is daarbij noodzakelijk door politieke maskers heen te kijken en zich weinig aan te trekken van beschuldigingen, verdoemingen en andere morele hoogdravendheden die over en weer gaan.

Wij moeten terugkijken in het verleden. En dat even ver vóór het begin van onze jaartelling als onze tijd er na ligt, dus vierduizend jaar terug. Met het ontstaan van een nieuw volk, dat wij nu het joodse noemen, ontsprong destijds de bron waaruit de belangrijkste gebeurtenis van de mensheidsgeschiedenis zou voortvloeien, maar waaruit tevens de tegenwoordige verdeeldheid en strijd zijn voortgekomen. Want het is duidelijk dat de bezetting van Koeweit door de troepen van Saddam Hoessein en de daaropvolgende krachtmeting met de Verenigde staten van Amerika wel degelijk te maken hebben met het centrale probleem van het Midden-Oosten: de staat Israël te midden van de zogenoemde Arabische wereld.

Er zijn drie historische bewegingen die wij – in beknopte vorm – nader willen beschouwen: in de eerste plaats de geschiedenis en het lot van het volk van Israël; in de tweede plaats de rol van de islamitische Arabieren vanaf de zevende eeuw na Christus en de huidige situatie van de Arabische wereld en ten slotte: het in politiek-economisch opzicht streven naar de wereldhegemonie door het Anglo-Amerikaanse Westen.

Deze drie krachtstromingen zijn ten zeerste verstrengeld en moeten bezien worden in het licht en de schaduw van de omwenteling die zich in de mensheid aan het voltrekken is. Ik bedoel daarmee de doorbraak van de menselijke individualiteit als geestelijk zelfbewust wezen. Een omwenteling waarbij zich een tegenstelling tussen oost en west aftekent, die uiterst gecompliceerd is en niet onder één gezichtspunt valt te brengen. Er zijn geweldige tegenkrachten in de weer, die dit willen verijdelen door de mensen juist in groepen te fixeren, in rassen, volken, stammen, waarvoor men het noodlottige woord ‘naties’ heeft bedacht.

Het nationalisme is overal ter wereld de aartsvijand van een werkelijke vooruitgang in de samenleving. Hoe het naar mijn mening bestreden kan worden zal aan het eind van dit artikel ter sprake komen.

Een nieuw volk met een wereldtaak

Ongeveer tweeduizend jaar voor het begin van onze jaartelling maakte zich een bijzondere individualiteit los uit de volkssamenhang binnen welke hij was geboren (in het huidige Irak), die de stamvader werd van een nieuw volk. De geaardheid van deze stamvader Abraham was zeer verschillend van de toen gangbare zielengesteldheid. De cultuur van Babylon waar Abraham uit voortkwam (zijn vaderstad Ur lag niet zo heel ver van de tegenwoordige grens tussen Irak en Koeweit) werd nog beheerst door een priesterwijsheid, die haar oorsprong had in een lang vervlogen vorm van helderziendheid. Waarbij de geestelijke, dirigerende machten, die men ‘goden’ noemde, als imaginaties, dus als innerlijke beelden in de ziel opdoemden.
Met Abraham echter ontwikkelde zich een andersoortig bewustzijn. Het volk dat van hem afstamde, moest afstand doen van de oude verbondenheid met de goddelijke wereld en een ‘beeldloze’ godheid volgen, die aanvankelijk wel van ‘buitenaf’ sprak uit de elementen van de aarde, maar die op den duur alleen in de allerintiemste innerlijkheid van de ziel kon worden ervaren: de ‘IK BEN’.
De wereldtaak van dit volk was: het lichaam te vormen dat eenmaal de drager van deze hoogste godheid zou kunnen zijn, die uit zonnehoogten naar de aarde zou afdalen om de mensheid uit haar val te verheffen en in haar ontwikkeling voorwaarts te helpen: de Messias.
Alle hoop en verwachting, alle leed en beproeving waar het Oude Testament van vertelt, is gericht op de komst van de Messias. Hij zal de ‘eindoplossing’ brengen!
Dit volk is het mensheidsvolk. Aan Abraham wordt reeds gezegd dat zijn nageslacht ‘geordend zal zijn als de sterren’ (en niet ‘talrijk als de sterren’). Dat betekent dat de twaalf stammen Israëls een afbeelding zijn van de gehele mensheid, die in de twaalfheid van de dierenriem haar kosmische oorsprong vindt. Uiteindelijk kan het door tweeënveertig generaties gevormde lichaam van de Messias (zie de stamboom in het evangelie volgens Mattheüs) natuurlijk niet anders dan uit één stam voortkomen: de stam Juda waaruit David, de grote koning-herder van Israël, ontspruit. Hij is de stamvader van hem die herder en koning zal zijn voor zijn volk, ergo voor de hele mensheid De joodse schrijver Martin Buber, bekend door zijn diepzinnige werken, geschreven in een wonderschoon Duits (!), wijst ook op dit mensheidskarakter van het jodendom. Hij zegt dat het moreel hoogste en laagste in dit volk leeft. Je kan dit begrijpen, omdat ‘mensheid’ betekent: de lange en moeizame weg te gaan tot vrijheid en liefde, waarbij alle beproevingen door het boze een integrerend bestanddeel vormen van de ontwikkeling zelf.
Als de tijd gekomen is, wordt de zoon Davids geboren. Dertig jaar later daalt de hoge Zonnegeest in de ziel en het lichaam van deze mens. Het mysterie van Golgotha vindt plaats. Is Christus de Messias? Het joodse volk staat voor zijn zwaarste beproeving.
Een enkeling erkent hem, het merendeel wijst hem af. Dit heeft verstrekkende gevolgen. De grote verspreiding die zich na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen (70 na Chr.) gaat voltrekken, is te beschouwen als schaduwwerking van het gebeuren op Golgotha. Wanneer ik dit schrijf is hiermee geen moreel oordeel en zeker geen veroordeling bedoeld! De geschiedenis zelf spreekt in duidelijke beelden.

Men stelt zich meestal niet voor hoe radicaal de ‘diaspora’ van de joden over de totale wereld is geweest: in Azië zowel als in Amerika en Afrika, in Europa binnen alle volken die dit continent bewonen. Deze mensen assimileerden in hoge mate met de volken te midden waarvan zij leefden, maar behielden ook een eigenheid. In sommige gebieden van de aarde sterker dan elders, mede afhankelijk van hun religieuze gezindheid. Bleven zij trouw aan het orthodox-joodse geloof dan was de saamhorigheid en de kenmerkende eigenheid groter dan in de gevallen waarbij dit niet zo was. Smaad, vernedering, haat en vervolging door de uiterst intolerante ‘christenen’ waren veelal hun deel. De vrije Nederlanden van de zeventiende eeuw waren een gunstige uitzondering. Vele joodse families, uit Portugal gevlucht voor de Spaanse inquisitie (1580) vonden hier te lande een veilige woonplaats. In dat opzicht waren de Hollanders tolerant. Rembrandt, onze grootste schilder, woonde in de joodse wijk in Amsterdam en stond op heel goede voet met de joden.
Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, de tijd van de Verlichting, veranderde ook in de andere landen de afwijzende houding van de ‘christelijke’ wereld ten opzichte van de joden. Ik denk hier vooral aan Gotthold Ephraim Lessing die met zijn drama ‘Nathan der Weise’, een grandioos gebaar maakt van liefdevol begrip en eerbied naar de joodse mens. Dit positieve proces zette zich vooral in Midden-Europa voort: verbindingen van de edelste aard konden ontstaan tussen mensen van joodse afkomst en niet-joodse mensen.
Vrij abrupt komt daar weer een verandering ten kwade in aan het eind van de vorige eeuw: antisemitisme steekt de kop op als een venijnige slang, als een verwoester van menselijkheid. De oorzaak van deze verslechtering moet gezocht worden in de sterk toenemende ontmenselijking die met de ‘hoogconjunctuur’ van het materialisme verband houdt. De beruchte hetze tegen de Frans-joodse officier Dreyfuss is te beschouwen als een teken aan de wand van de historie, een symptoom van een zich snel verbreidende boosheidsmacht. En deze roept een tegenkracht op: het zionisme.

Dit culmineert in de holocaust van het nationaal-socialistische rijk en de stichting van de nationale staat Israël na de ondergang van Hitlers regime en het tot staan brengen van zijn attaque tegen de mensheid. Door Hitlers duivelse ‘Endlösung’, is de ‘Lösung’ van Theodor Herzl, vader van het Zionisme, niet meer discutabel. Het mensheidsvolk moet weer een ‘natie’ worden. Wie zou het wagen tegen te spreken, als dit allerzwaarst beproefde deel van de mensheid zijn verlangen naar leniging van het leed, naar eendracht, vrede en welvaart vervuld wil zien door de stichting van een eigen staat in het land van de Vaderen, het Beloofde Land?
En wat daar gaat gebeuren is bewonderenswaardig. Het onder eeuwenlange Turkse heerschappij verwaarloosde en verarmde land wordt weer een bloeiend gebied, waarvan de bewoners de noeste arbeid op hun land combineren met een heldhaftige strijdvaardigheid als in de tijd van de Makkabeeën. Maar wat te doen met de Palestijnen?
Wij zien hier de verstrengeling van de krachtstromen: de staat Israël wordt een westers bolwerk in een oosterse wereld. In de Anglo-Amerikaanse wereldpolitiek is Israël een gedreven bondgenoot, een onmisbare pion op het schaakbord van de machtsverhoudingen. Waarbij het niet gaat om sterrenwijsheid van mysteriepriesters en koningen (zoals voor vierduizend jaar) maar om aardolie in de handen van economisch denkende politici.

Kijken we naar de ‘Arabische wereld’ dan zien wij daar eveneens ontwikkelingen die met een verleden in verband staan.

De ‘echte’ Arabieren afkomstig van het schiereiland Arabië, stammen eveneens af van Abraham. Diens eerste zoon Ismaël, verwekt bij een Egyptische dienstvrouw van Sara, Hagar genaamd (volgens de joodse sage een dochter van Farao) wordt met zijn moeder verstoten en in de woestijn gedreven. Ismaël is de stamvader van de Arabieren. Beschouw je dit optreden van Abraham als een barbaarse daad die terecht door de eeuwen heen om vergelding roept, dan zie je de specifieke missie van het Hebreeuwse volk over het hoofd. Door de goddelijke leiding wordt bij herhaling een schijnbare onrechtvaardigheid gedirigeerd of op zijn minst goedgekeurd. Tussen Jacob en Esau speelt dezelfde ongehoordheid. Maar in het licht van de Messiasverwachting krijgen deze gebeurtenissen een andere betekenis. De erfelijke lijn kon blijkbaar niet over Ismaël en Esau lopen, maar moest via Isaac en Jacob gaan. Overigens worden er in de Koran in deze zin geen verwijtende woorden aan Abraham gericht. De huidige Arabieren tillen echter wel degelijk zwaar aan de bevoordeling van de later geboren Isaac boven de oudste zoon Ismaël. Men beschouwt dit als de oervete tussen hen en Israël.

Het bleef echter niet bij deze uitstoting, en hier gaat de historie zeer indrukwekkende bewegingen tonen, die maar al te vaak over het hoofd worden gezien door oppervlakkig oordelende mensen. Want de Esau- en de Ismaëlstroming (evenals die van de later uitgestoten broeder Josef) worden weer teruggenomen in de ontwikkeling van het Hebreeuws-Israëlitisch-joodse volk. Ik laat Esau en Josef even terzijde en wijs alleen op de grote ingewijde bij wie Mozes als hij uit Egypte is gevlucht veertig jaar vertoeft, en in wiens gebied hij later zijn volk eveneens veertig jaar laat verblijven voor hij het laat vertrekken naar het beloofde land. De geheimzinnige priester wiens naam Jethro of ook wel Reguel luidt, is een afstammeling van Ismaël.
In zijn mysteriegebied speelt zich af wat wij gewend zijn de openbaring van Sinaï te noemen (Sinaï is niet het huidige schiereiland van die naam in de Rode Zee, maar het tussen Egypte en Palestina gelegen Kadesh). Dus wat sinds Mozes’ tijd de leidende impuls van het Israëlitische volk wordt – het gehoorzamen aan de Wet van de God die zich in het braambos, in de donder en in het water uit de rots openbaart – dat alles is uit de Ismaëlstroming opgenomen en daarmee zijn de broeders in wezen verzoend. Dat betekent niets minder dan dat in het voor-islamitische Arabië, waarvan Kadesh het aller-noordelijkste gebied was, een mysteriestroming werkte die als een directe voorbereiding van de komst van de Messias is te beschouwen.
De oud-Hebreeuwse overlevering heeft in de ontmoeting van Mozes en Jethro iets van uitzonderlijk belang gezien; in de latere joodse sagen wordt zelfs vermeld dat in Mozes Abel en in Jethro Kaïn gereïncarneerd waren, waardoor de nog veel oudere broedervete in het mensengeslacht zijn verzoend!

Het Griekse gedachtegoed bij de zonen van de woestijn

Nu wacht echter het Arabische volk een totaal andere missie dan die van het Hebreeuws-joodse volk. De voor-islamitische mysteriegodsdienst in de Arabische gebieden was een sterrendienst. In het belangwekkende rijk van Saba dat midden- en zuid-Arabië omvatte werd het Phoenixwezen vereerd. Men heeft er het graalsymbool gevonden: ingegrifte figuren die de maanschaal voorstellen welke de zonnebal draagt, een teken dat ook in Egypte overbekend is. Met de ondergang van het Sabaanse rijk verdwijnt dit alles; er is geen continue verbinding met het christendom, althans niet uiterlijk aanwijsbaar. Uitgezonderd de overlevering van de heilige drie koningen, die immers uit Saba (of Scheba) kwamen.

Mohammeds leer geeft een andere richting aan het religieuze leven van de Arabische stammen: het oudtestamentische element is opgenomen en in zekere zin geassimileerd, maar de eschatologische trek, de Messiasverwachting is verdwenen. Mohammed is de laatste en de grootste profeet van God, maar geen Messias – God een Zoon toekennen is de zwaarste zonde voor de islamitische gelovige. Met het aannemen van Mohammeds geloof komen de tot dat moment vrijwel geïsoleerd levende Arabische stammen in beweging. In de zevende eeuw na Chr. veroveren zij in korte tijd een wereldrijk dat de oude cultuurgebieden van Perzië, Babylon en Egypte omsluit. Spoedig breidt hun macht zich uit over Noord-Afrika, Spanje en over het voormalige Byzantijnse (Oost-Romeinse) rijk.

Nu gebeurt er iets merkwaardigs dat voor de wereldontwikkeling van het hoogste gewicht is. De Arabieren leren de Griekse wetenschap kennen, die zich reeds eeuwen tevoren oostwaarts had verbreid en die in academies van het Midden-Oosten werd beoefend. De belangrijkste van deze academies bevond zich te Gondishapur, een Perzische stad ten oosten van het huidige Bagdad, waar zich een briljant wetenschappelijk leven had ontwikkeld, vooral op medisch en astronomisch gebied.
Arabië was destijds niet gehelleniseerd – Alexanders voornemen dit gebied te veroveren was door zijn vroege dood verhinderd – de Romeinen hadden vergeefse pogingen gedaan het rijk van Saba te veroveren en het christendom was er niet doorgedrongen.
Nu echter maken de zonen van de woestijn zich meester van het Griekse gedachtegoed – Aristoteles wordt in het Arabisch vertaald. Zijn werken vinden dankzij de Arabieren hun weg via Spanje naar Europa. De hele huidige westerse natuurwetenschap is niets anders dan de voortzetting van de Gondishapur-wetenschap via Arabische intelligentie en stootkracht naar het westen overgebracht. Maar ook de graal overlevering is langs Arabische wegen tot ons gekomen! (Zie Wolframs Parzival.)
In Gondishapur had het Aristotelisme reeds een verschraling doorgemaakt. Uit de oude mysteriewijsheid die ondanks de droge schrijftrant bij Aristoteles nog overal doorschemert, is kennis van een koude abstractheid ontstaan. Wat in onze tijd tot ‘materialisme’ is geworden, vindt daar zijn oorsprong. Was deze wetenschap zo direct in de nog jonge gemoederen van de Europese (Germaanse) volken doorgedrongen, dan zou een fatale vervroeging zijn opgetreden van datgene wat heden ten dage pas aan de orde is: een totale afsnoering van de menselijke ziel van haar geestelijke oorsprong en een kluistering aan de materie. De Arabieren hebben weliswaar deze Gondishapur-impuls opgenomen, maar hem tegelijkertijd enigszins afgezwakt door hun hang naar het poëtisch-fantastische, een aspect van hun volkskarakter dat naast de scherpe intellectualiteit evenzeer kenmerkend was. We zouden de bloemrijke en zwoel-erotische verhalen uit Duizend-en-een-nacht als pendant kunnen beschouwen van het koude intellectualisme dat de Arabische wetenschap inaugureert. Vanuit Spanje en Sicilië dringt dit element binnen in de universiteiten van Europa en vormt er de basis van de westerse natuurwetenschap die zich vooral sedert het begin van de zeventiende eeuw vanuit Engeland en Nederland gaat ontplooien. Het groot-Arabische rijk viel spoedig uiteen. In het westen werd de opmars tot staan gebracht bij Poitiers (732 na Christus) door Karel Martel, de grootvader van Karel de Grote. In het Oosten ontstond een islamitische cultuur van Arabische verfijning en intelligentie (Bagdad). Maar het Arabische volk van Mohammed ging grotendeels op in de verscheidenheid van de oorspronkelijke bewoners plus de binnenvallende stammen van Mongoolse herkomst, waarvan de Turken op den duur het machtigste bleken.

Twee belangrijke elementen bleven echter een eenheid vormen in de grote verscheidenheid van Arabieren, Berbers, Egyptenaren, Mammelukken, Koerden, Turken, Perzen en wat al niet meer: het Arabische schrift en de taal (de koran) en natuurlijk het islamitische geloof, hoewel dit laatste ook onderhevig was aan een splijting zoals deze in het christendom eveneens is opgetreden.
Het Turkse rijk dat het grootste deel van het door de islam veroverde gebied omvatte, bedreigde Oost-Europa nog ten zeerste in de zeventiende en achttiende eeuw. Sinds de Griekse vrijheidsoorlog (negentiende eeuw) verviel de macht van de Turken en aan het begin van de twintigste eeuw was dit rijk niets anders dan een ’zieke man’ zoals toen de uitdrukking luidde.

De taak van Europa is het materialisme overwinnen

In de Eerste Wereldoorlog stond Turkije aan Duitse zijde en het rijk viel uiteen. Het waren vooral de Engelsen, tuk op de veiligstelling van de weg naar India, die zich bemoeiden met het Midden-Oosten. De verschillende bevolkingsgroepen kwamen in verzet tegen de Turkse overheersers (Lawrence of Arabia!) en er ontstonden onafhankelijke staten naast protectoraten, waarvan Engeland de belangrijkste als mandaatgebied beheerste.

En de aardolie kwam boven de grond om het totale economische leven van de aarde te gaan domineren!

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een reveil van deze gebieden. Men ging weer spreken van een Arabische wereld. De politieke eenheid werd wel belemmerd door grote tegenstellingen, die mede door het verschil in een meer fundamentalistische en een liberalere opvatting van de islam werden bepaald. Tegen Israël echter, dat de ‘Arabische’ Palestijnen weg- of onderdrukte, waren en zijn de Arabische gemoederen eensgezind.
Zoals in Europa waar Mussolini en Hitler droomden van het herstel van historische wereldrijken uit het verleden, zien wij in de Arabische landen ook ‘grote leiders’ zoals Nasser, Gadhafi, Khomeini en nu Saddam Hoessein, die een groot-Arabische droom koesteren. Het nationalistische gevoel is anders dan in Europa. Hier in de Arabische wereld is het aan de ene kant veel beperkter – meer een stambewustzijn dan een echt volksgevoel – maar aan de andere kant is het moslimgeloof een verbindende factor die duidelijk trekken van religieus nationalisme vertoont.
De politiek van de Verenigde Staten is erop gericht een wankel evenwicht in deze roerige wereld van het Midden-Oosten te bewaren, het liefst langs diplomatieke weg, maar als het moet met geweld. Dat het niet uitvoeren van resoluties van de Verenigde Naties de ene keer wel wordt gedoogd (Israël in Libanon) maar de andere keer niet (Irak in Koeweit), tekent de machthebbers van het Westen. Dat de bewapening van Irak door westerse mogendheden (en ook Rusland natuurlijk) is geschied, heeft niets met de ‘logica’ van deze Golfoorlog te maken. (De gewone simpele burger kan daar natuurlijk niet helemaal bij, maar voor een regering is zoiets vanzelfsprekend. Men vergeve mij deze cynische opmerking…)

Hoe moeten wij nu met de hier verschafte, uiterst beknopte en onvolledige gegevens omgaan? In de eerste plaats: als mondige en zelfbewuste mensen van deze tijd kunnen wij, innerlijk althans, nooit afzijdig zijn, al houdt de gemakzucht ons dat wel als iets begeerlijks voor de neus. Niet afzijdig zijn betekent absoluut niet partijdig zijn. Het vraagstuk waar het om gaat, is een mensheidsvraagstuk en ‘mensheid’ is nooit wit of zwart, maar wit en zwart tegelijk. Wat is gebeurd, kan niet zomaar ongedaan worden gemaakt; het kan alleen in positieve zin gemetamorfoseerd worden.

De enig mogelijke richting waarin volgens mij een oplossing te zoeken zou zijn – een oorlog lost nooit iets op! – is de ontwikkeling van een Europese midden-functie. Dat wil zeggen het formuleren van een eigen Europees standpunt, onafhankelijk van Amerikaanse invloed. (En ik bedoel inderdaad Europa en niet bijvoorbeeld een opportunistische Franse president.) Europa heeft onnoemlijk veel aan het ’Arabisme’ te danken.
Deze stroming bracht ons onze huidige wetenschap waaraan een denken ten grondslag ligt, dat de basis vormt van ons zelfbewustzijn. De noodzakelijke schaduwzijde van deze wetenschap was het materialisme. Dit materialisme in de natuurwetenschap te overwinnen door haar te verruimen in de richting van een wetenschap van de geest is een Europese taak. Dat zou een positief antwoord zijn op de impuls van Gondishapur.

Dit is echter alleen mogelijk als het culturele leven zich in vrijheid, onafhankelijk van alle staatsbemoeienis, ontplooit.

Europa heeft ook een verantwoordelijkheid ten opzichte van de grotendeels islamitische ‘Arabische’ gastarbeiders; bij een Europese integratie zou dit probleem als een geestelijk en niet als een economisch vraagstuk moeten worden beschouwd en aangepakt.
Ten aanzien van Israël zou je innerlijk kunnen proberen de kortsluitingsgedachte te overwinnen waardoor een gerechtvaardige samenhang wordt gezien tussen Israël als nationale staat en de gebeurtenissen in Midden-Europa tussen 1933-1945. Dan pas, zo lijkt mij, kan een probleem Israël contra de Arabische wereld het dwingende van een ‘morele verplichting van de wereld veelal slechts naar één richting wordt gezien. Waar de voor Israël zo glorieuze Zesdaagse Oorlog zich heeft afgespeeld, in het gebied van het vroegere Kadesch tussen Egypte en Palestina, heeft eigenlijk de verzoening tussen de vijandige broeders Ismaël en Israël al plaats gevonden, meer dan drieduizend jaar geleden. Het is belangrijk na te gaan wat daar werkelijk historisch is gebeurd en dit niet te beschouwen als een vroom verhaal uit de verouderde bibliotheek van een of ander obscuur kerkgenootschapje. Wij moeten de geschiedenis niet vergeten!

En de remedie tegen de ziekte van het nationalisme? Wanneer je je met volken van de wereld bezighoudt, hun zielengesteldheid tracht aan te voelen, hun geschiedenis en hun grote figuren leert kennen, dan kan het niet anders of je gaat achting voor ze voelen. Je kent hun goede, hun slechte kanten, maar je leert inzien dat het volkskarakter soortgelijk is aan datgene wat bij de individuele mens – zowel psychisch als lichamelijk bezien – zijn ‘omhulling’ is. Je weet dat dit omhullende geen doel op zichzelf is maar een dragend middel, waardoor de individualiteit zich op aarde kan manifesteren. De gedachte dat deze individualiteit in vele levens op aarde, door alle rassen en volken heen gaat om mens te worden in de mensheid (de zo uiterst heilzame gedachte van reïncarnatie en karma), zal volgens mij de nationalistische spoken op de vlucht jagen.

.

Geschiedenis: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.
2298

.

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-3/2)

In de 5e klas horen de kinderen ook ‘iets’ over Egypte. Wat je zou kunnen laten horen en zien, staat beschreven in de artikelen die je hier onder [2-3] kan vinden.

Als leerkracht is het ook goed om je te verdiepen in ‘wat Egypte was’.  De ‘Osiris-mythe’ die je zeker zal vertellen, wordt hier bijv. nader toegelicht.
Vandaar dit achtergrondartikel voor de leerkracht.
.

J. Zee, Jonas jaarging 10 nr. 2
.

De wedergeboorte van de zon in Egypte

In de hal van het Egypte-museum van Cairo hebben verschillenden van ons het moeilijk, worden door een duizeling bevangen.

Komt het door de inspanningen van de 16 uur durende treinreis uit Assoean (volgens officiële opgave in het Egyptische spoorboekje moet de reis 12 uur duren: maar 4 uur verschil!) die we juist achter de rug hebben? Het is onze laatste dag hier in Egypte en in het museum resten ons nog slechts enkele uren voor het sluitingstijd is.

Of is het de werking van al die goden en farao’s die misschien nog hechten aan de hier verzamelde resten en brokstukken van die glansperiode uit de mensheidsgeschiedenis?

Een feit is dat het geheel met de uit het halfduister opdoemende steengestalten veel weg heeft van grootvaders rommelzolder, maar dan van deprimerend gigantische afmetingen. Een bonte opeenstapeling van duizenden jaren beschaving ligt daar bijeengeraapt, weggehakt en geplunderd uit de heiligste ruimtes van priesters en koningen, van eertijds niet-toegankelijke tempels en graven.

Tot de grote attracties (apart bijbetalen) behoort de mummiezaal: hier ligt de geconserveerde mens geconserveerd en in glazen kisten tentoongesteld; het kerkhof van een legertje koningen en koninginnen geconcentreerd in één museumzaaltje. Mijn oog valt op een apart glazen kistje, met daarin een aandoenlijk opgezet hoofd. Ook zie ik hier Seti I, de vader van Ramses II. We hebben zijn graf in de Vallei der Koningen in Thebe, met de prachtig in kleur bewaard gebleven afbeeldingen van het hiernamaals helaas afgesloten gevonden, misschien wel voor altijd. Het gevaar dat de ruimtes zullen instorten, is het lot dat waarschijnlijk alle graven hier staat te wachten (er zijn er in totaal 64, waarvan er tot voor kort 17 zijn te bezoeken).

Het is de tol die de mensheid moet betalen voor de zegeningen van de Assoeandam: heel Egypte drijft! Misschien behoorden wij al tot de laatsten die de diverse graven nog hebben kunnen zien.

Het is overigens een merkwaardig verschijnsel dat Egypte zo’n geheimzinnige aantrekkingskracht uitoefent op de mens van deze tijd. Gedurende de kleine tweeduizend jaar die achter ons liggen is de Egyptische cultuur de mist in gegaan. Kort na de jaartelling is er niemand meer die de hiëroglyfen kan lezen. Egypte is herontdekt moeten worden, in een tijd die we de onze mogen noemen: sinds de Franse Revolutie, door Napoleon, door Champollion en door de vele onderzoekers in de vorige en in onze eeuw. En nu verdringen de mensen zich en staan mannetje aan mannetje om van hun belangstelling blijk te geven, niet alleen op de Egypte-tentoonstelling, die over de wereld gaat en nog kortgeleden Rotterdam heeft ‘aangedaan’, maar net zo goed in Egypte zelf. In de piramides, de rotsgraven, de tempels, de musea, steeds weer moesten we de ruimte delen met hele busladingen toeristen.

Veel is er inmiddels over het zo mysterieuze oude Egypte bekend geraakt en er is een gigantische arbeid verricht om de verklarende hiëroglyfenteksten vertaald te krijgen. Het neemt niet weg dat het geheim van Egypte zichzelf bewaart, en dat die monumentale uit steen gehouwen wereld over zijn verborgen betekenis zwijgt als het graf. Wat beweegt dan de mens van tegenwoordig om er in groten getale op af te komen? Wat is het dat we in Egypte zoeken?

Met deze vraag in gedachte is het misschien goed ons eens in te leven in wat in de Egyptische mysteriën op bijzondere wijze wordt ervaren: de zonsopkomst.

Uit talrijke teksten en afbeeldingen blijkt dat iedere zonsopkomst beschouwd wordt als een opstanding uit het niets, als de overwinning van het zonnewezen op de chaos, op de dood. Op afbeelding 1. kunnen we zien hoe de zonneschijf overdag zijn weg vervolgt langs het lichaam van Noet, de hemelgodin. ’s Avonds gaat hij in haar mond naar binnen, ’s ochtends wordt de zonneschijf tussen haar benen geboren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-2.jpg

Men vergist zich echter als men zou denken dat de zonneschijf in de nacht alleen maar bedekt wordt door het lichaam van Noet of door de aarde, en ’s ochtends weer vanuit zijn verscholen positie te voorschijn komt. Uit diverse afbeeldingen, maar meer nog uit de teksten, blijkt de voorstelling te zijn geweest (vanuit het imaginatieve schouwen van de ingewijde Egyptenaar), dat de zonneschijf bij zonsopgang niet alleen voor het oog, maar ook letterlijk uit de wereld verdwijnt. Het zonnewezen neemt een andere gedaante aan. Ten slotte is het de zonnegod Toem-Chepera, voorgesteld als de scarabee, de kever, die het wonder verricht zichzelf uit het niets voort te brengen.

(Zoals de mestkever in de natuur een balletje mest – waarin hij zijn eitjes legt – voor zich uitduwt, zo zien we op de afbeeldingen de goddelijke scarabee de uit zichzelf voortgebrachte zonneschijf voor zich uit bewegen.) Het is niets minder dan een herhaling van de oerschepping, waarbij de schepper oprijst uit de wateren van Noen en chaos door kosmos vervangt. De demonen van de duisternis en van de dood worden overwonnen, het is de schepping van de eerste opstanding van het leven. Deze oerschepping herhaalt zich elk jaar, elke maand, elke zonsopgang, bij iedere troonsbestijging. Het is de openbaring van het spontane leven, even onverklaarbaar als de schepping in het oerbegin.

Hoe nuchter is daarmee vergeleken ónze visie van het dag- en nachtverloop van de zon! In onze voorstelling beschrijven zon en aarde wetmatig hun banen langs de hemel en ten opzichte van elkaar, onverschillig of de kleine mens haar vanuit zijn plaats op de aarde nu wel of niet met het oog kan vervolgen. En uiteraard kan er geen sprake van zijn dat de zonneschijf verloren gaat enkel en alleen omdat hij uit mijn gezichtsveld verdwijnt.

Maar laten we desalniettemin beginnen met de Egyptenaar serieus te nemen. Op zijn minst kunnen we dan vaststellen dat hij het bestaan van het zonnewezen in de wereld op het wonder van zijn eigen existentie betrekt! Het doet mij denken aan wat Nietzsche zijn Zarathoestra laat zeggen, terwijl deze de zon tegemoet treedt: ‘Gij groot gesternte! Wat zou uw geluk waard zijn, wanneer ge niet hen had, die gij verlicht?’ (in: ‘Aldus sprak Zarathoestra’.)

Is het niet eigenlijk primitief van óns om te denken dat de planeten zomaar tot in eeuwigheid van dagen, als een zinloos mechaniek, om elkaar heen draaien? De Egyptenaar heeft nog die uit de directe aanschouwing verkregen grootse visie, dat het zonnestelsel de uitdrukking is van wezens die in de mens tot hun bewustzijn komen! En als u en als ik ze niet zouden zien en gadeslaan, die planeten en sterren als hun bestaan niet in u en in mij tot bewustzijn zouden komen, dan zouden ze daar niet hun rondjes draaien aan de hemel.

Het centrum van ons zonnestelsel, onze zon, mag uiterlijk als gesternte, schenker zijn van alle leven dat op aarde voorkomt, maar innerlijk – zo ongeveer zegt de Egyptenaar – is het een onzichtbare bron die iedere mens van bewustzijnslicht voorziet als een door de goden aangereikte hemelse substantie. (Bij de gratie daarvan vallen de sterren ons eerst op en zijn wij ons bewust van hun eeuwige en wetmatige kringlopen.) De geboorte daarvan, namelijk van het licht van ons zelfbewustzijn iedere ochtend weer, is een door zelfschepping verkregen echte wedergeboorte, ongelijk aan de vorige en volgende keren!

Horus het kind, of Re-Hor-Achte, is een zich steeds vernieuwend wezen, dat wordt geschapen aan de horizon. Evenzo vindt aan de dageraad van ons bewustzijn de geboorte plaats van ons eigen wezen, dat uit zichzelf in ons wordt voortgebracht.

Wat zich dus buiten in de kosmos in het groot voltrekt, herhaalt zich in de mens op dezelfde wijze. De Egyptische mysteriën zijn, zoals Rudolf Steiner beschrijft in zijn ‘Egyptische Mythen und Mysteriën’, [vertaald] geboortemysteriën. Men kan zich daarbij meteen afvragen van wat voor soort geboorte daar sprake moet zijn als het een wedergeboorte is. In de legende die ten grondslag ligt aan de hele Egyptische cultuur is bij nader inzien sprake van twee geboortes, maar beide wezenlijk verschillend, en men kan deze zogenoemde ‘Osiris-mythe’ daarom met een zeker recht ook een geboorteverhaal noemen. Hierin spelen drie figuren een fundamentele rol. Het is de god Osiris, die de oorspronkelijke koning van Egypte is, zijn zuster en gemalin Isis, die het goede ten aanzien van Osiris nastreeft, en zijn broeder Seth die ten aanzien van Osiris alleen maar het kwade wil. (In het Grieks Typhoon, de god van de stormwind.) De legende vertelt dat Seth op een feest een prachtige kist in mensengestalte ten geschenke geeft aan diegene die er in past. Op het moment dat Osiris in de hem als gegoten zittende kist gaat liggen, slaan Seth en zijn 72 handlangers het deksel dicht en gooien hem in de Nijl.
De treurende Isis zoekt en vindt uiteindelijk de dode Osiris en verstopt hem in het riet van de Nijldelta. Uit een goddelijke lichtstraal wordt Isis door Osiris bevrucht en zij baart Horus het kind.
Seth weet de verborgen Osiris te ontdekken en hij scheurt het lijk in veertien stukken. Isis slaagt erin de stukken te vinden die zij alle begraaft. Voortaan ligt Osiris, de hemelse mens, in stukken uiteen, verspreid over Egypte. Naar de legende is er op ieder van de stukken een tempel gebouwd. De nageboren Horus wreekt zijn vader door Seth in een langdurige strijd te verslaan.

Het is een merkwaardig geboorteverhaal. Want op het moment dat de hemelse mens zich begeeft in zijn op maat gemaakte kist (de geboorte!) sterft hij. De lucht, die bij de eerste ademhaling, als een vlaag van ‘hartstocht’, in de romp wordt gezogen, betekent een overwinning voor de windgod, de boze Seth-Typhoon. Hij is de god die de wateren van het leven door heftige begeerten kan doen kolken en tot razernij kan opzwepen.

Ook Homerus spreekt van de wijnrode zee (het bloed) die de mens op zijn tochten (Odysseus) zo moeilijk tot bedaren kan krijgen. Die strijd is het die Horus voert met Seth, van de ochtend tot de avond. Want de Seth-Typhoon-krachten stijgen uit het onbewuste in de mens omhoog en de bevrediging van die verlangens schenken de mens de hoogste gelukzaligheid, maar tevens zijn het die krachten die de mens in stukken scheuren.

Voor de oude Egyptenaar is Egypte aan het menselijk lichaam gelijk (en van dit menselijk lichaam is Osiris de soevereine vorst!): de benen strekken zich uit naar het zuiden, de veel koelere Nijldelta is het hoofd. In dit hoofd, in het vegetatieve leven van de delta, houdt Isis Osiris verborgen, en hier is het dat de nieuwe geboorte van de onsterfelijke Horus plaatsvindt.
De Egyptenaar lokaliseert Horus dus in het hoofd, de delta van de Nijl, en stelt daartegenover het uit het onbewuste, opstijgende boze, ook voorgesteld als Sebek, de uit het zuiden van de Nijl opdringende krokodil (het beeld van St.-Joris die de draak moet verslaan!). Het strijdtoneel ligt in het midden: bij de Grieken de wijnrode ‘Middelland’-se Zee.

In het hoofd, waarin ons het bewust-zijnslicht geschonken wordt, moeten wij de wapens vinden waarmee wij de duistere machten van het onbewuste moeten verslaan.

De originele filosoof-Egyptoloog Schwaller de Lubicz vestigt op weer andere wijze de aandacht op; het hoofd. Hij wijst ons op de grote overeenkomst tussen het typische kever-schild van de scarabee en het nadenpatroon van de menselijke schedel (zie afb. 2).

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-3.jpg

Heel anders beluisteren we nu de Egyptische teksten, die vermelden dat de scarabee als zonnegod in de vroege ochtend de zonneschijf schept uit zichzelf!

Bij de strijd die Horus aanbindt met de boze Seth om zijn vader te wreken, speelt de vrouw van Seth, Nefthys, een beslissende rol. In deze godin kan de moderne mens zichzelf herkennen. Zij behoort met Osiris, Isis, Seth en Horus tot de vijf belangrijkste goden van de Egyptische mysteriën. Voor de ontwikkeling van de moderne mens neemt zij echter de allerbelangrijkste plaats in. Omdat de geboorte van de mens het begin van het einde betekent, waardoor het lichaam hard wordt en de dood in het lichaam trekt (het skelet) heet de vrouw van Seth ‘huis van het harde lichaam’. Maar zij wordt tegelijkertijd ’het huis van de Phoenix’ genoemd. De Phoenix (in het Egyptisch: de vogel Bennu) is de vogel die uit zijn as herrijst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-1.jpg

De Egyptische mythologie lijkt daarmee wel voor de toekomst te zijn geschreven, en die toekomst lijkt in hoge mate betrekking te hebben op de tijd waarin wij leven. Want de mens is nog nooit zo ver van zijn hemelse oorsprong afgedwaald als nu. Wat ervaart de mens van vandaag anders dan dat de geest eruit is en dat de wereld van onze tijd aan stukken ligt?

Voor de moderne mens geldt dat hij geconfronteerd wordt met de dood. Zeker ook met de uiterlijke dood, met de dood van het lichaam, maar veel meer nog met de innerlijke dood, met de ervaring in de ziel dood te zullen gaan terwijl we toch gewoon blijven leven.

We willen de valium goedkoper krijgen omdat de omzet in de astronomische cijfers gaat lopen en dat moet allemaal nodig zijn om de angsten, de fobieën en de hyperventilaties te helpen onderdrukken. In de mens die aan hyperventilatie lijdt, breekt de onverhulde angst door te zullen sterven, in een zwart gat weggezogen te zullen worden. In de innerlijk verdeelde, vaak nog jonge mens treedt een benauwdheid op en een beklemming die hem noopt snel adem te halen, tot er een bezwijming (een schijndood) met verkrampte ledematen op kan volgen, tenzij de patiënt kalmeert of gaat blazen in het bekende plastic zakje. Wat deze zieke mens doormaakt is niets minder dan een drempelervaring.

In Rotterdam aan de haven staat het beroemde beeld van Zadkine, van de verscheurde mens, de armen krampachtig naar de hemel geheven en op de plaats van het hart een zwart gat.

Het is de confrontatie van de mens met de godin Nefthys. Zij vertegenwoordigt de kracht die de stervende graankorrel doet ontkiemen, maar tevens de kracht, die de ontkiemende graankorrel doet sterven.

Uit de Egyptische dodenteksten weten we dat er geen farao de troon bestijgt of hij moet zijn ingewijd en dat er geen inwijding plaats heeft zonder de vaste begeleiding van Isis én Nefthys, afgebeeld aan hoofd- en voeteneind van de in te wijden mens die in de toestand van schijndood is gebracht. (Dikwijls weergegeven als mummie.) Wat lang geleden gold voor enkelingen, die hun tijd ver vooruit moesten zijn om hun volk te kunnen leiden, dat is nu aangelegenheid van de hele mensheid geworden (in zoverre de mensen tot de moderne tijd behoren). Het mag in ziektebeelden als de hyperventilatie op tragische en karikaturale wijze naar voren komen, maar in wezen houdt het ieder van ons bezig of we willen of niet, namelijk het innerlijk te boven moeten komen dat we le-levend bezig zijn te sterven of stervend bezig zijn te leven. Over het feit dat we in een beklemmende tijd leven is het onnodig uit te weiden. Hoe we er echter weer uitkomen, hoe we dit innerlijk moeten overwinnen, hoe we na leven en dood tot opstanding moeten komen is een andere vraag. Het is het leren omgaan met Nefthys, die de vergankelijke mens wil leren wat er onsterfelijk aan hem is.

De Egyptische cultuur toont zich in feite als een spiegelbeeldige versie van de onze, geeft dus het omgekeerde beeld te zien van onze materialistische tijd. Zij richten zich vanuit hun hogere bewustzijn naar de materie (hun uit steenblokken opgetrokken gigantische bouwwerken, hun mummie-cultuur, enz. getuigen daarvan), terwijl wij als verstokte materialisten ons beginnen te realiseren dat er misschien toch iets ‘nieuws’ is onder de zon. Er begint bij ons iets te dagen aan de horizon, aan de Horus-zon, aan Re-Hor-Achte. Zou het oude Egypte bij ons daarom zo in trek komen?

Ik moet denken aan het mopje van die Amerikaan in het Egypte-museum van Cairo, die wijzend op een mummie, roept: ‘Hé! Perhaps it was yóu.’ Wie strijdt er niet zoals Horus of zoekt zoals Isis, of ‘gaat langs de tempels’ als hij de kans krijgt, en verzamelt de brokstukken op zoek naar zichzelf?

  . 

5e klas geschiedenis: alle artikelen         

5e klas: alle artikelen   

Geschiedenis: alle artikelen                                

Vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis

.

2287

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Rousseau

.

N.a.v. Rousseaus sterfdag – op 3 juli 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 3. 06-10-1978

.
Jean-Jacques Rousseau, de kerkvader van de revolutie

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat Jean-Jacques Rousseau is gestorven: 3 juli 1778. Dit sterfjaar heeft hij gemeen met zijn geestelijke tegenvoeter Voltaire. De invloed, die beide schrijvers hebben uitgeoefend op de Franse revolutie die 11 jaar na hun dood te Parijs is uitgebroken, is onmiskenbaar, hetgeen nog geen aanleiding hoeft te zijn hen thans te herdenken.

In mijn Jonas-artikel over ‘Voltaire en de volkerenpsychologie’ heb ik willen aantonen, waarom een Voltaire-herdenking nu nog van belang is. Zijn ‘Essai sur les moeurs et l’esprit des nations’ was een eerste poging de mensheid als geheel in haar verscheidenheid van volkeren, cultuurhistorisch te beschrijven. Daarbij werd niet meer de geschiedenis van het eigen volk vooropgesteld, maar als deel van de gehele mensheid, gerelativeerd in zijn verhouding tot andere volkeren. Bij Rousseau ligt dat anders. Hij is de grondlegger van de volkssouvereiniteit. Aan de ‘algemene wil’ van het volk kende hij een absoluut gezag toe. Daardoor is hij niet alleen de ‘kerkvader’ van de Franse revolutie geweest, maar hebben zijn geschriften ook in-spirerend gewerkt op de vele nationale bevrijdingsbewegingen – in Italië en Duitsland – in de 19e eeuw. Bovendien vindt men in zijn ‘Contrat social’ ideeën die tegenwoordig letterlijk schijnen te zijn overgenomen in de zogenaamde volksdemocratieën in Oost-Europa en China. Ook daardoor is hij de antipode van Voltaire, die het Engelse model van constitutionele democratie als voorbeeld stelde van staatkundige hervorming in Frankrijk.

Beide schrijvers hebben dan ook een verschillende invloed uitgeoefend op de gebeurtenissen te Parijs tussen 1789 en 1795. In de eerste periode – tot 1792 – zijn het vooral de meer liberale ideeën geweest die de revolutie hebben gestimuleerd. Daarna, – na de val van de monarchie – zijn het de meer radicale ideeën geweest, onder invloed van de Jacobijnenclub en van Robespierre die wel eens het ‘vleesgeworden Contrat social’ is genoemd.

Zó spiegelt zich in deze zes revolutiejaren de eeuw van de Verlichting, die niet alleen de eeuw is geweest van de ‘rede’ – onder andere via Voltaire – maar ook de eeuw van het ‘gevoel’ – via Rousseau.

Goethe heeft dit als tijdgenoot reeds voorzien. ‘Met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’, heeft hij eens gezegd.

Na 200 jaar kunnen wij constateren dat met Voltaire de ‘burgerlijke’ revolutie is ingezet, gebaseerd op zuiver rationalistische grondslag, en dat met Rousseau de ‘proletarische revolutie’ is begonnen, sterk op de toekomst gericht onder invloed van een collectieve wilsimpuls en daardoor meer irrationeel.

Volonté générale

Ik citeer een beroemde passage uit het Contrat social: ‘Wil het geen loze vorm zijn dan houdt het maatschappelijk verdrag stilzwijgend die verplichting in die als enige de andere dwingend kan maken, dat alwie zal weigeren te gehoorzamen aan de algemene wil er door heel het staatslichaam toe gedwongen zal worden. Dit betekent niets anders dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn. Want de voorwaarde die iedere burger vrijwaart van afhankelijkheid is: hem aan het vaderland te geven; een voorwaarde die het politieke raderwerk kunstig en vlot doet lopen en die als enige de burgerlijke verplichtingen legitimeert; zonder haar zouden zij absurd zijn, tiranniek en onderhevig aan de grootste misbruiken’.

Voor Rousseau was de liefde voor het vaderland niet alleen een deugd maar ook een waarborg dat ieder burger afstand doet van zijn eigen belang en geheel gehoorzaamt aan de ‘algemene wil’ – voltonté générale – van het volk, waartoe hij behoort. In een brief aan Bordes schrijft Rousseau wat hij onder deze gehoorzaamheid verstaat… ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid is landverraad en wordt met de dood gestraft. Aan de landsgrenzen wordt een galg opgericht om daaraan de eerste burger die deze grenzen zou proberen te overschrijden, te laten ophangen. Want de burger doet daarmee niet alleen zijn volk, maar zichzelf kwaad aan en het is beter dat hij wordt opgehangen dan dat hij slecht is voor zichzelf’.

De onderwerping van de individuele burger aan de ‘algemene wil’ van het volk is dus niets anders dan een vorm van zelfbescherming. Zelfbescherming van de enkeling tegen de enkeling. Want de mens is wél ‘van nature goed’, maar de cultuur heeft hem verdorven. Voor Rousseau betekent ‘cultuur’, leven in afhankelijkheid van anderen. Daarmee heeft de mens zijn eigen vrijheid, die hem in de natuurstaat nog gegeven was, verloren. Niet alleen de vrijheid maar ook de gelijkheid met de medemens. Want cultuur gaat gepaard met verlangen naar roem, naar onderscheid boven anderen, bovendien met arbeidsverdeling, waardoor mensen onderling van elkaar afhankelijk zijn geworden. Dat is voor Rousseau de zondeval die de mens zichzelf op de hals heeft gehaald. Om dit in te zien, hoeft men niet meer het bijbelverhaal te lezen over de engel Gabriël met het vlammende zwaard die Adam en Eva uit het paradijs heeft verdreven. Het paradijs van Rousseau is een eerste ontwikkelingsstadium, waarin de mens volmaakt gelukkig was, omdat hij alleen op zichzelf was aangewezen, leefde vanuit zijn nog dierlijk instinct en de ‘andere mens’ voor hem nog geen -lastpost was. Wat Sartre twee eeuwen later, in zijn ‘l’enfer, c’est l’autre’ tot uiting brengt, was voor Rousseau reeds een existentieel gegeven. Zijn hele leven lang heeft hij als eenzaam zwerver met anderen overhoop gelegen, ‘nooit echt geschikt om in het gezelschap van zijn medemensen te leven’. ‘Ik was wanhopig’ schreef hij, ‘over mijn onhandigheid in gezelschap’. Het meest gelukkig gevoelde hij zich in de periodes van zijn leven, waarin hij op een landgoed van de Franse aristocratie – madame de Warens, madame d’Epinay – een kluizenaarsbestaan kon lijden, ‘van het bos zijn werkkamer maken’ om in lange wandelingen toe te geven aan zijn voorliefde voor dagdromen.

Veel van zijn ideeën – en vooral die van de maatschappelijke verhoudingen – zijn uit deze dagdromen geboren. Het ‘terug naar de natuur’ – waarvan niet alleen zijn ‘Verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ maar ook zijn roman ‘La nouvelle Héloise’ is doortrokken – was ‘voor veel lezers een verlossing. Was het eigenlijk niet vanzelfsprekend, dat Rousseaus oeuvre, in marokkijnleder ingebonden, op de kaptafels lag van de dames, die gebonden aan sociale verplichting, vele uren moesten besteden aan de opmaak van hun toilet, om te kunnen verschijnen in de grote wereld van Parijs?

Tot in de tuinarchitectuur toe – weg met het snoeimes en de geometrische vormen, laat de natuur zijn vrije loop! – sprak de nostalgie en de weerzin tegen de vervreemding van de natuur die plotseling de mensen aangreep, en waaraan slechts enkele sterk kritische geesten zich konden onttrekken.

Een van hen was Voltaire, aan wie Rousseau zijn ‘verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ had toegestuurd. Hij antwoordde met de volgende brief (30 augustus 1755):

‘Ik heb, mijnheer, uw laatste boek tegen de mensheid ontvangen en betuig er mijn dank voor. U zult bij de mensen in de smaak vallen, aan wie u hun waarheden debiteert, maar u zult hen niet verbeteren. Men kan nauwelijks nog feller kleuren gebruiken om de gruwelen te schilderen van de menselijke samenleving, waarvan onze eigen onwetendheid en zwakheid nog zoveel troost verwachten. Nog nooit heeft men zoveel schranderheid aangewend in een poging om ons dom te maken; als men uw boek leest, zou men op handen en voeten willen gaan lopen. Niettemin, daar ik deze gewoonte reeds zestig jaar geleden opgaf, voel ik mij ongelukkigerwijze buiten staat, haar weer aan te wenden, en laat deze natuurlijke houding over aan wie haar meer waard zijn dan u en ik’.

Voltaires scherpe blik heeft terstond de kardinale denkfout doorzien in het geestelijke fundament van Roussaus natuurstaat. ‘Nooit werd zoveel schranderheid besteed om ons allen dom te maken’. Dat wil zeggen: de historische visie, waarop Rousseau zijn gevoelsmystiek van de ideale natuurstaat baseert is een stuk rationalisme: het heeft een volledig verstandelijke en theoretische interpretatie van de historie nodig, om het gevoel tot zijn recht te doen komen.

Ontwikkeling als dialectisch proces

Toch kon Voltaire in 1755, toen hij deze brief schreef, niet voorzien welke ‘tour de force’ Rousseau in zijn denken zou ondergaan, toen hij in 1762 het Contrat social schreef.
Want daarin beschrijft hij, hoe, uit zelfbehoud tegen de bedreiging van de ‘ander’, de mens zijn toevlucht neemt tot absolute gehoorzaamheid aan de gemeenschap.
Ook dat is bij Rousseau een vorm van eigenbelang, van zelfbescherming.
Met deze constructie heeft Rousseau staatsmacht en individuele vrijheid willen verzoenen. Want in de ‘algemene wil’ van het volk, door het staatslichaam gelegitimeerd, herkent iedere burger zijn eigen wil. Door de algemene wil worden individuele vrijheden, worden burgerrechten, als oorzaak van willekeur, opgeheven.
De algemene wil is onfeilbaar, zij spreekt altijd ex cathedra. Wie meent dat zijn eigen opvattingen, zijn eigen persoonlijk recht, in strijd is met de algemene wil, oordeelt tegen beter weten in. Ook al zijn hem burgerrechten verleend, deze mogen nooit zódanig worden geïnterpreteerd, dat hierdoor particulierbelang in conflckt komt met collectief belang. Tegen déze afwijking moet iedere burger worden beschermd. Hij begaat een soort zelfvergrijp en moet worden geredresseerd. De mens wil het eigene maar behoort het algemene te willen, dat is zijn eigenlijke eigenlijkheid.

Rousseau beschrijft hiermee een evolutieproces, de loutering van ‘amour de soi’ – de liefde van de mens voor zichzelf in de natuurstaat – tot ‘amour propre’ – de volledige overgave aan de algemene wil van de collectiviteit. Het is een dialectisch proces, een ontwikkeling van leven in natuurlijke verhoudingen, via leven in een aan de natuur vijandige beschaving, tot een herwinnen van de verloren gegane natuurlijke verhoudingen, door volledige, overgave en gehoorzaamheid aan de algemene wil.

Dit laatste is net niet meer een aangelegenheid van nostalgie onder een elite van aristocraten die lijdt aan overbeschaving, maar wordt een aangelegenheid van de massa, die onder het tromgeroffel van de Marseillaise, dadelijk zal worden opgeroepen het vaderland te verdedigen. In de ‘deugd van de vaderlandsliefde’ hervindt de mens zijn vrijheid, die hij verloren heeft tijdens het ontwikkelingsstadium van de mensheid, waar hij vervreemd is geraakt van zichzelf, onder invloed van de beschaving.

Rousseau en de 20e eeuw

Na tweehonderd jaar, valt het ons niet gemakkelijk, deze uiterst abstracte voorstellingen van Rousseau op de voet te volgen. Niettemin is het schokkend, wanneer, na 61 jaar proletarische revolutie in Rusland, blijkt, dat deze voorstellingen ons toch wel vertrouwd zijn geworden. Speciaal wat de interpretatie van burgerrechten – of mensenrechten – betreft. Mensenrechten worden in de Sovjetunie volledig erkend, mits zij geen afbreuk doen aan de dicipline van de communistische partij…

Daarmee hoeft nog geen direct causaal verband te worden aangetoond tussen Rousseaus Contrat Social, zijn hierin beschreven volonté générale, en de communistische partijdoctrines. Tussen Rousseau en Lenin of Brezjnev ligt Karl Marx, wiens leer maar voor een klein deel beïnvloed is geweest door Jean-Jacques. Niettemin blijft de dialectische ‘tour de force’ van de Franse dweper boeiend tegen de achtergrond van het ‘dialectisch materialisme’, waarmee de huidige maatschappijstructuur in de Sovjetunie wordt gerechtvaardigd.

In de 20e eeuw blijkt dus wel, dat de invloed van Rousseau veel verder – zowel in positieve als in negatieve zin – is gegaan ‘dan die van Voltaire, die beperkt is gebleven tot de 18e en 19e eeuw.

Goethe’s woorden zijn dus wel waar gebleken: ‘met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’. Hoewel niet waarschijnlijk is dat Goethe heeft voorzien welke vlucht Rousseaus irrationalisme genomen heeft in 200 jaar mensheidsgeschiedenis.

Wie wél reeds in de 18e eeuw heeft voorzien in welke uitersten van demonie een revolutie kan vervallen – anarchie enerzijds, despotisme van de ‘Déesse Raison’ anderzijds – was Friedrich Schiller, wiens brieven ‘über die ästhetische Erziehung des Menschen’ als een antwoord kunnen worden beschouwd op de uitdaging van de Franse revolutie.

Schiller zegt daarin dat noch een toegeven aan de dwang van de instincten – Stofftrieb – noch een zich conformeren aan een ‘Ideeën-Einheit’ – Formtrieb – de mens vrijmaakt.

De weg tot zelfverwerkelijking – Spieltrieb – voert tussen beide extremen in. De tweevoudige vervreemding van zichzelf kan de mens opheffen door het innerlijke evenwicht te vinden waar hij de ‘natuur tot zijn vriend maakt en haar vrijheid eert, doordat hij haar willekeur weet te beteugelen’. Voor Schiller was het geenszins verbazingwekkend, toen de door de revolutie losgeslagen instincten van de ‘bon sauvage’ alleen nog maar door middel van een starre politieke heilsverwachting – beschermd door militair geweld – konden worden beteugeld. Zolang het vraagstuk van de menselijke vrijheid nog niet gesteld werd als een vraagstuk van opvoeding – niet door maar tot vrijheid – was dit verloop der gebeurtenissen niets anders dan een psychologische noodzaak.

De geschriften van Rousseau bleken in de afgelopen 200 jaar een literaire steengroeve te zijn. Iedere generatie heeft daar het materiaal uitgehaald voor een voetstuk voor eigen glorie. Omdat Rousseaus oeuvre, als geheel gezien, een vat van tegenstrijdigheden blijkt te zijn, kan iedereen bij hem terecht: rationalisten en irrationalisten, individualisten en collectivisten, sentimentalisten en moralisten, democraten en anti-democraten, anarchisten en voorstanders van dictatuur.

Maar niet alleen zijn werk, ook zijn leven zit vol tegenstrijdigheden. Het leven van de man die onder bescherming van de Franse adel zijn boeken schrijft, welke later een tijdbom blijken te zijn waarmee de Franse standenmaatschappij wordt opgeblazen. Het leven van de man die zegt dat boeken hem meer in verwarring hebben gebracht dan dat zij hem iets hebben geleerd, hetgeen hem er niet van weerhoudt zichzelf vol te zuigen met de denkbeelden van alle grote geesten van zijn eigen tijd en het verleden. Het leven van de man die verkondigt dat ‘wie de plichten van een vader niet kan vervullen, niet het recht heeft vader te worden’, en zelf zijn vijf kinderen een voor een in het vondelingentehuis laat opbergen.

De literatuur over dit, zowel psychologisch als maatschappelijke raadsels stellende wezen, is langzamerhand zó omvangrijk geworden, dat nauwelijks een mensenleven lang genoeg is om daarin dit alles te kunnen lezen. Dit heeft trouwens Rousseau gemeen met Napoleon en Karl Marx.

Ter gelegenheid van de tweehonderdjarige herdenking van Rousseaus dood, is in ons land een nieuw boek over hem toegevoegd aan de onafzienbare keten van de voorafgaande: ‘Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau’ van R.F. Beerling. *

Ik heb daaraan in dit artikel speciaal passages over het Contrat Social en de volonté générale ontleend. Wat betreft de invloed van Rousseau op de volksdemocratie in de communistische landen, stelt de schrijver zich heel voorzichtig op. Er wordt in het boek nauwelijks naar verwezen. Wél ziet Beerling Rousseaus invloed op de zogenaamde ‘tegencultuur (counter-cultures)’ die in de zestiger jaren van deze eeuw zulk een omvang heeft genomen bij het studentenprotest in Amerika en Frankrijk.

Rousseaus rijk gevoelsleven, zijn door dagdromen bevolkte wereld, waarvan zijn werken een weerspiegeling zijn, blijken voor velen nog steeds een oase te zijn in de woestijn van de huidige maatschappij. Naast de ‘hippies’ aan de Amerikaanse universiteiten, ‘bloemenkinderen’ die zich in hun communes afzonderden van de maatschappij uit onwil daaraan hun handen vuil te maken, zijn er de radicalen, die onder een ijzeren dicipline en absolute gehoorzaamheid aan de collectiviteit, niet terugschrikken voor terreur.

Zo waart nog steeds de geest van Rousseau, van deze 18e eeuwse ‘promeneur solitaire’ rond in de 20e eeuw: in en buiten Europa, van West naar Oost en van Oost naar West.

Alleen reeds daarom kan een herdenking gerechtvaardigd zijn.

*R.F. Beerling. Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau. Studies over het thema pathos en nostalgie. Van Loghem Slaterus, Deventer.

.

Geschiedenis klas 9

.

1858

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Voltaire

.
N.a.v. Voltaires sterfdag – op 30 mei 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 2. 22-09-1978
.

Voltaire en de volkerenpsychologie
.

Dit jaar – 30 mei – was het 200 jaar geleden dat Voltaire is overleden. Voor zover mij bekend, is dit hier te lande nauwelijks een aanleiding geweest voor een herdenking. Zijn reusachtig oeuvre – 70 delen – rust, perfect gecatalogiseerd, in de bibliotheken van Europa, gelijk de as van een genie in het columbarium van een crematorium. Zijn toneelstukken worden niet meer gespeeld. Hoogstens behoort men zijn romans, zijn historische en filosofische verhandelingen, te kennen op een examen zonder deze te hebben gelezen.

In de 19e eeuw was dit wel anders. Als vrijdenker of als goed liberaal, kon men nog gniffelen over de talloze ‘bon mots’ en anecdotes, die over Voltaire in omloop zijn. ‘Toch is voor de mens van de 20e eeuw’ – ik citeer W.F. Veltman in een Vrije Opvoedkunstartikel van januari 1951 – de verhouding tot de figuur van Voltaire niet wezenlijk anders dan voor onze over-over-grootouders. Er is alleen dit verschil: het voorgeslacht las Voltaire, wij leven Voltaire.

Daarmee is tevens het levensconflict aangeduid, dat begon in de tijd der Verlichting. Dat conflict ontstaat, wanneer, vanuit Engeland, het natuurwetenschappelijk denken in Frankrijk zijn intrede doet, daar vele zekerheden van een eeuwenoude Latijnse cultuur en kerkelijk geloof ondermijnt, de sociale verhoudingen chaotiseert, hetgeen, tenslotte, geleid heeft tot de uitbarsting van de revolutie in 1789.
Destijds was dit conflict nog slechts een aangelegenheid van een beperkte kring van verlichte burgers. Als zodanig had het nog een ‘elitair’ karakter. In de 20e eeuw is het een aangelegenheid geworden van de grote volksmassa, althans in Europa.

In het leven van Voltaire zelf vormt dit conflict, om zo te zeggen, een hoofdthema. Anno 1726 zette dit hoofdthema van zijn leven in.

Ik citeer een passage uit de inaugurele rede, die Prof. Tenhaeff in 1939 te Amsterdam heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: ‘Erasmus en Voltaire als exponenten van hun tijd’.

‘Voltaire stapt zó van de Bastille in de logeerkamer van lord Bolinbroke. Dat zijn nu eenmaal de voordelen van een turbulent leven: soms in rust van de gijzeling, soms jaren van ballingschap, inkeer en nieuwe ervaringen. Deze ervaring in een land, waarboven oceaanwind altijd waait, telt dubbel’.

Een onbeduidende ruzie met een edelman, was de aanleiding geweest, dat Voltaire in de Bastille werd opgesloten. Hij was door deze beledigd en daagde hem uit tot een tweegevecht. Wat een onbeschaamdheid! Om als burger, iemand van de gepriviligeerde klasse, tot een duel uit te dagen. Zo iemand kon het beste met een ‘Lettre de cachet’ – men kon die kopen – in het gevang verdwijnen. Daarmee konden lastige burgers onschadelijk worden gemaakt…

Waarschijnlijk heeft de chevalier de Rohan later nooit beseft, wat, een weldaad hij daarmee Voltaire heeft bewezen, en welke verstrekkende gevolgen dit voor de Franse geschiedenis heeft gehad. De verbanning van Voltaire, na zijn verblijf in de gevangenis, naar Engeland, betekent voor hem het begin van een nieuwe levensfase. Een leerschool van filosofisch en staatsrechtelijk denken. Daar in Engeland wordt niemand zonder vorm van proces van zijn vrijheid beroofd. Ook heeft de koning daar al lang niet meer absolute macht. Hij is gebonden aan een constitutie, waarin de spelregels zijn vervat in competentie tussen wetgeving en uitvoerende macht, en waarin een aantal grondrechten zijn vastgelegd. Ook is daar de Heilige Moederkerk reeds lang niet meer een machtsinstrument, zoals in Frankrijk nog het geval was.

Kort nadat Voltaire uit Engeland is teruggekeerd, verschijnen – 1734 -clandestien in Frankrijk de ‘Lettres filosophiques sur les Anglais’. Het boek werkt in Frankrijk als een tijdbom. Het is geladen met geestelijk dynamiet, van de zelfde kracht, als waarmee 55 jaar later de Bastille te Parijs met de grond gelijk zal worden gemaakt.

‘Wanneer er in Engeland’ – zo schrijft Voltaire – ‘slechts één religie zou bestaan, dan was het despotisme gevaarlijk; wanneer er twee religies zouden bestaan, dan zouden ze elkaar de keel afsnijden, maar er zijn er dertig… en zij leven allen in vrede en geluk ’.
Bovendien, niet alleen de predikanten zijn er vrij hun mening te verkondigen, ook de geleerden. Engeland is het land van Newton, Pope, Addison, John Locke: ‘Les plus grands philosophes et les meilleurs plumes de leur temps’.
Dank zij de natuurwetenschap beseffen al deze geleerde heren dat niemand van hen nog langer kan beweren dat hij de enige waarheid in pacht heeft. Want met de natuurwetenschap is ook de betrekkelijkheid van waarheden aan het licht gebracht. Dat is de invloed van de ‘Copernicaanse revolutie’ op het wereldbeeld van de Kerk. De aarde is niet langer meer het middelpunt, waaromheen de wereld draait; hoogstens een stofje in de onmetelijke ruimte van het heelal.
En wat voor de ‘kosmos’ geldt, die nu door de astronomen met hun kijkers wordt onderzocht, geldt ook voor het geloof. Sinds door de ontdekkingstochten zoveel vreemde volkeren in de gezichtskring van de beschaafde mens in Europa zijn gekomen, is ook duidelijk geworden dat ieder volk zich een God naar zijn beeld heeft geschapen.
‘Voor men gaat dogmatiseren over de ‘natuur van God’, moet men – zo schrijft Voltaire – eens nadenken over de volgende gebeurtenis: ‘Op zekere dag hoorde ik een mol redetwisten met een meikever voor een huisje dat ik juist achterin mijn tuin had gebouwd. ‘Kijk eens wat een schoon bouwsel’ verklaarde de mol, het moet wel een zeer machtige mol zijn geweest die dit werk tot stand heeft gebracht’. ‘Gij steekt er de draak mee’ antwoordde de meikever. ‘Het is een uiterst geniale meikever geweest die dit gebouwd heeft’. ‘Sindsdien – aldus Voltaire – heb ik het besluit genomen nooit meer te disputeren’.

Madame du Chatelet

Een tijd lang kan men met zo’n agnostische wereldbeschouwing heel aangenaam leven, vooral wanneer blijkt dat er in Frankrijk adellijke dames zijn, die wat blasé geworden van het wereldse leven aan het hof te Versailles, er de voorkeur aan geven zich terug te trekken op hun landgoed om zich daar in alle rust te kunnen wijden aan de studie van de natuurkunde.
Dat opent voor Voltaire een nieuw levensperspectief. Vanaf 1734 leeft hij samen met Madame du Chatelet op haar kasteel te Cirey-sur-Blaise. In dezelfde tijd heeft ook Rousseau een minnares gevonden in Madame de Warens en beleeft op haar landgoed in de bergen van Savoye drie verrukkelijke zomers van studie van natuur en cultuur.
Gevaarlijke verhoudingen? ‘Liaisons dangereuses’? Emilie de Breteuil was reeds op haar 19e jaar door haar familie gedwongen te trouwen met de markies du Chatelet. Al gauw bleek dat deze officier en landedelman meer aandacht had voor de jacht op hazen en patrijzen, dan, zoals zijn vrouw, voor de nieuwe denkbeelden van Engelse natuurfilosofen. Voltaire komt haar daarin tegemoet. Dagen en nachten worden gezamenlijk doorgebracht met studie en natuurkundige proeven: natuurwetenschap die in Engeland reeds bijna een jaar lang in de belangstelling stond. Al gauw merkt hij een grote lacune in haar ontwikkeling: gebrek aan historische belangstelling. Maar daar is wel een oplossing voor te vinden. Sprak het eigenlijk niet vanzelf dat een jonge vrouw zich niet interesseert voor wat als ‘fable convenue’ in die tijd doorging voor geschiedeniswetenschap: een samenraapsel van vrome slaapverwekkende vertelsels en leugens die in strijd waren met elk oordeel vanuit het gezonde verstand? Wie kon nog belangstelling hebben voor de verhalen over heiligen en wonderbaarlijke bekeringen van Franse koningen – van Chilperik tot Clovis – zoals die werden beschreven in Bossuet’s ‘Discours sur l’Histoire Universelle’? Een werk, dat begint bij de schepping van de wereld en eindigt met Karei de Grote. Een wat bijgewerkte editie van Augustinus’ heilsgeschiedenis, maar nu pasklaar gemaakt ter rechtvaardiging van het absolute gezag van de ‘Allerchristelijkste majesteiten’ van Frankrijk.

Arme Emilie. Wat moest zij beginnen met een geschiedenis van de mensheid, waarin Egyptenaren en Babyloniërs werden voorgesteld als onbeschaafde heidenen, slavenvolkeren, bijgelovig en dom, wier bestaansrecht in het wereldplan Gods, slechts hierop berustte, dat tegen hén, eens het door God uitverkoren volk der Joden zich had kunnen afzetten. Jawel, Histoire Universelle, wereldgeschiedenis, maar dan wel van een heel klein wereldje, dat veilig beschermd werd door het gezag van Staat en Moederkerk, die sinds de bekering van Constantijn de Grote te Rome, voortaan onafscheidelijk aan elkaar verbonden waren. Alsof, sinds Karel de Grote, er geen ontdekkingstochten waren geweest, die deze ‘christelijke’ wereld hadden opengebroken. Alsof sindsdien geen beschavingen zichtbaar waren geworden als die van de Grieken en Romeinen, en zeker als die van de Joden.

In Cirey begint Voltaire aan zijn opvoedkundige taak. Hij zal Madame du Chatelet laten zien, dat ook op een klein landgoed de ‘grote wereld’, die zij in Versailles ontvlucht was, kan voortleven. Daarvoor hoeft men geen sociale verplichtingen aan het hof te vervullen. Door de wereldgeschiedenis kan men zijn horizon steeds meer verwijden. Niet door een ‘fable convenue’ waarin beoordeeld wordt, welke volkeren wél en welke niet zijn opgenomen in het Heilsplan van Onze Lieve Heer. Wél door wereldgeschiedenis, waarin de beschaving, de zeden en de gewoonten van alle volkeren van de wereld worden beschreven en waarin zij worden getypeerd, ieder naar eigen karakter, dat hun door de natuur is gegeven.

Daarin ziet Voltaire zijn pedagogische opgave; allereerst bij zijn aristocratische vriendin; door geschiedschrijving interesse op te wekken voor de wereld. Daarnaast ook bij anderen, voor zover zij niet voorzien zijn van theologische oogkleppen, die hun oordeelsvermogen hebben afgestompt.

Zo is op Cirey de eerste cultuurgeschiedenis van de mensheid geschreven. ‘Essai sur les Moeurs et l’Esprit des Nations’. Voltaire zal er zijn hele leven lang aan blijven werken en wanneer het werk is voltooid, zou men kunnen spreken van een ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving, meer dan 150 jaar vóór Toynbee’s ‘A Study of History’.

De spiegel van het ‘andere volk’

Revolutionair was zeker de aandacht die Voltaire besteedde aan de Chinese beschaving. Sinds de Franse Jezuïten in China als missionaris hadden gewerkt, was men van de ene verbazing in de andere gevallen. Nog lang vóór de slag bij Salamis, vóór de stichting van Rome en de geboorte van Christus, bestond in het Verre Oosten een duizendjarige beschaving: ‘de Chinezen hadden sinds onheugelijke tijden de zelfde godsdienst, de zelfde moraal nu, terwijl de Gothen, de Herulen, de Vandalen, de Franken er slechts een moraal van rovers op nahielden, die er op neerkomt, het recht van verovering te wettigen ’.
‘Andere volken hebben hun geschiedenis afgeleid van allegorische fabels. De Chinezen schreven hun historie met de pen en het astrolabium in de hand, met een eenvoud waarvan men in heel Azië geen enkel voorbeeld vindt’.
Hun godsdienst kenmerkt zich door afwezigheid van fanatisme. De stichter hiervan, Confucius, was geen profeet, ook niet iemand die zich liet beïnvloeden door bovenzinnelijke inspiraties. Hij was een wijs magistraat, die wetten en leefregels uitvaardigde. Hij leerde slechts wat deugdzaam is. Zijn uitspraken bevatten geen enkel mysterie’.
Behalve China komen nu ook het ( oude India en de wereld van de Islam binnen de gezichtskring. Alle bestaande vooroordelèn over Arabieren en Turken worden zorgvuldig weggewassen. Verder staan Egypte, Perzië, Babylonië in de aandacht en ook – in het Westen – volkeren in Zuid- Amerika. Met deze nieuwe oriëntatie in de wereld wordt de plaats van Europa daarin anders. Sinds de 16e en 17e eeuw waren deze oosterse en westerse volken niet veel meer geweest dan object van exploitatie. Zij waren alleen, van economisch belang voor de Europese kolonisatoren: Spanje, de Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Nu werden zij binnengehaald in de gezichtskring van de beschavingsgeschiedenis. Europa is daarin niet langer meer een middelpunt. Deze ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedsschrijving gaat gepaard met relativisme. Het éigen ‘ volk, als nationaliteit, is niet meer zó
toonaangevend. Het spiegelt zich in het oordeel van andere volken. Ook dat is een gevolg van de natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedeniswetenschap: hoe oordeelt men in China, in Perzië, in de Arabische landen over Frankrijk? Hoe zien die verre volkeren ons?

Deze vraag was reeds gesteld in 1721 door de Montesquieu in zijn ‘Lettres Persanes’, waarin hij twee Perzen die Frankrijk bezochten brieven liet schrijven aan hun vrienden in Perzië. Wat een zonderlinge wereld, daar in Frankrijk.
‘De koning is een groot tovenaar. Hij zwaait zijn scepter zélfs over de geest van zijn onderdanen. Hij laat hen denken zoals hij wil. Als hij slechts één miljoen daalders in zijn schatkist heeft en er twee hebben moet, behoeft hij hun slechts wijs te maken dat één daalder de waarde heeft van twee, en zij geloven het… Een vorm van kritiek die dodelijk is. Voltaire past haar toe, wanneer hij, schrijvend over ‘de zeden en de geest der volkeren’ zijn Arabische koffie drinkt uit een Chinees porseleinen kop. Want tot in de genotmiddelen toe wordt in de 18e eeuw de burger er zich van bewust dat hij niet langer alleen maar deel uitmaakt van zijn eigen volk maar ook van de gehele mensheid.

Tegenspraak tussen filosofie en leven

Zoals gezegd, dit nieuwe bewustzijn stond sterk onder invloed van het natuurwetenschappelijke relativisme, waarmee Voltaire in Engeland in aanraking was gekomen.
In zijn eigen leven roept het de ene crisis na andere op. Want men kan als Fransman gemakkelijk schrijven over deelgenootschap aan de beschaving van de gehele mensheid, maar dat betekende niet dat men daarmee ook reeds kon leven. Er ontstaat een tegenspraak tussen filosofie en de wijze van leven. Dat is dan nog slechts bij enkele mensen het geval. Ook Rousseau – wiens 200 jarige sterfdag (3 juli 1778) wij dit jaar eveneens kunnen herdenken – was één van hen. Pas in de 20e eeuw wordt dit een vraagstuk van ons allen.

Voor Voltaire bleef Frankrijk het vaderland – La Patrie – wiens cultuur toonaangevend was voor Europa. Een levenshouding die men in onze tijd nog kon aantreffen bij generaal De Gaulle. Cuituur, als erfenis van Latijnse beschaving en gehuld in het gewaad van christelijke allegorie. Wie Voltaires nationale epos over Koning Hendrik IV leest met zijn barokke pracht van beeldspraak, kan navoelen welk een kloof er lag tussen de nieuwe, uit Engeland afkomstige, exact geschoolde wijze van denken en de Grandeur’ van continentaal-Latijnse rhetoriek, die de leerlingen van het Collége Louis-Re-Grand te Parijs door de Jezuïetenpaters was bijgebracht. Voltaire was een van hen. Zijn hele leven lang heeft hij onder deze kloof geleden. Zij heeft niet alleen zijn nerveuze onrust beïnvloed, zijn drang om te schitteren en de wereld om hem heen te verbluffen, zij heeft ook zijn scepsis beheerst, die zóver ging, dat hij niet durfde op te komen voor de consequenties van zijn eigen ideeën. Hoe dikwijls heeft hij verloochend, wat hij zelf geschreven heeft. Wanneer men hem vraagt, of hij de auteur is van de ‘Lettres philosophiques sur les Anglais’, zegt hij, dat hij daarvan nooit gehoord heeft. En van een van zijn meest speelse maar ook meest hekelende romans, ‘Candide ou sur l’optimisme’, zegt hij: ‘Ik heb nu eindelijk Candide gelezen, men moet wel krankzinnig zijn om dergelijke vuiligheid mij aan te rekenen’.

Zoals Rousseau een boek schrijft over de ideale opvoeding – ‘Emile’ – en zijn eigen kinderen in het weeshuis laat belanden, zo heeft Voltaire dikwijls zijn geschriften als natuurlijke kinderen beschouwd, voor wiens vaderschap hij niet durft uit te komen.

‘II n’eut pas assez de confiance en la verité’, zegt Gustave Lanson, Voltaires biograaf. En Tenhaeff voegt hieraan toe in de zoëven vermelde inaugurele rede: ‘voor een propagandist moge dat niet erg zijn, voor een bouwer in het rijk des geestes blijft dat een tamelijk ernstige tekortkoming’.

Volkerenpsychologie

Wanneer het na 200 jaar lijkt dat verreweg het grootste deel van Voltaires werk slechts geschreven schijnt voor de bibliotheken van Europa om daarin, als in een mausoleum, te worden begraven ter wille van het voortbestaan van zijn literaire roem, dan is het nu van belang zijn ‘Essai sur les moeurs’ te voorschijn te halen. Enerzijds is het een typische uiting van Voltaire’s agnosticisme. ‘In Voltaires ‘Essai’ heeft God zich teruggetrokken uit de geschiedenis; en indien hij nog heerst, grijpt hij toch niet meer leidinggevend in de historie in’ zegt Karl Löwith in zijn ‘Weltgeschichte und Heilsgeschehen’. Zin en doel van de geschiedenis lagen voor Voltaire hierin: met behulp van de rede de menselijke verhoudingen te verbeteren; de mens minder onwetend, beter en gelukkiger te maken’.

In de 20e eeuw – na twee wereldoorlogen en economische crisis – weten wij wel beter. Niettemin heeft Voltaires ‘Essai’ een belangrijke stoot gegeven aan het zich verplaatsen in het karakter van het ‘andere volk’, als tegenwicht tegen de hoogmoed van nationale superieuriteit.

De ideeën uit de ‘Essai’ zijn dan ook niet steriel gebleken. In 1784 – zes jaar na Voltaires dood – verschijnt in Duitsland Herders ‘Ideeën zur Philosophie der Geschichte’ met zijn tableau van alle volkeren der aarde in Oost en West. Kort na de dood van Voltaire in 1778 verschijnt Lessings geschrift, ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’, waarin voor het eerst de idee van de reïncarnatie optreedt als ontwikkelingselement in de mensheidsgeschiedenis. Later, in de 19e eeuw, wordt het thema van de volkerenpsychologie weer opgenomen door Moritz Lazarus, Steinthal en Wilhelm Wundt, nu meer benaderd vanuit de taalkundige hoek.

Maar in de 20e eeuw, na Wereldoorlog I en II, ontwaakt in Europa weer de belangstelling, onder andere door het werk van de Spanjaard Salvador de Madariaga (Anglais, FranÇais, Espagnols) en de Fransman André Siegfried (L’ame des peuples). Daarvóór was in Duitsland echter al door Rudolf Steiner een grondslag gelegd voor een niet agnostische maar sterk spirituele studie van de volkerenpsychologie, aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de mensheid. Zijn gezichtspunten werden, meer in concreto, uitgewerkt onder andere door Hans Erhard Lauer (Die Volksseelen Europas) en Herbert Hahn (Vom Genius Europas).

In ons land heeft Dr. Zeylmans van Emmichoven het als een van zijn levenstaken beschouwd, de volkerenpsychologie gestalte te geven in overeenstemming met de geest van onze tijd. Na Wereldoorlog II (1946) werd door hem het Instituut voor Volkerenpsychologie opgericht, dat een tijd lang als forum heeft gefunctioneerd, waar psychologen, historici, ondernemers, juristen en sociologen gedachten op dit gebied met elkaar konden uitwisselen. Ook het werk van Max Stibbe was een belangrijke bijdrage, onder andere zijn boek ‘Zwanenridder en Vliegende Hollander’. Daarmee werd gepoogd het begrip voor ‘het andere volk’ en voor het ‘eigen volk’ te ontwikkelen vanuit het ontdekken van een grote samenhang tussen de levensfasen van de mens en die van de mensheid.

Zo kon, naast de ontwikkeling van het internationaal recht, in een tijd van toenemende nationale tegenstellingen, een grondslag worden gelegd voor een nieuwe visie op de ontwikkeling van de mensheid, de mensheid als ‘eenheid in verscheidenheid’.

.
Voltaire

Geschiedenis klas 9

 

1848

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje (2)

.

Arnold Henny, Jonas 22, 24-06-1983

.

Willem van Oranje 1533-1584
.

Er is al dikwijls op gewezen dat de levensloop van Willem van Oranje zich in twee verschillende fasen voltrekt. De eerste helft – 1533-1559 – is een periode van voorspoed, waarin hij door het lot in stijgende mate wordt begunstigd met rijkdom en aanzien in de wereld.
Daarna – vanaf 1559 -komen de tegenslagen. Niet alleen in zijn werk naar buiten, ook in zijn privéleven. Ten slotte komt hij door een aanslag – 1584 – om het leven.

1559: Oranje beschrijft zelf in zijn ‘Apologie’ welk een beslissend moment zich in het midden van zijn leven heeft voorgedaan: het moment waarop hij tijdens de vredesonderhandelingen van Cateau-Cambrésis tussen Spanje en Frankrijk, door de Franse koning Hendrik II in vertrouwen wordt genomen en hoort dat in een geheime clausule van het verdrag sprake is van het voornemen in Europa de ketterij uit te roeien. Oranje neemt dan het besluit zich daartegen te verzetten. Kort daarvoor was hij door Filips II nog naar Frankfort afgevaardigd om hem te vertegenwoordigen bij de kroning van zijn oom Ferdinand tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij kwam daar in aanraking met de belangrijkste protestantse Duitse vorsten. Hij hoort tijdens de feestelijkheden dat zijn vrouw, Anna van Buren, zwaar ziek ligt in Breda. Hij haast zich daarheen te gaan, en vindt haar stervende: de eerste grote tegenslag in zijn privéleven, waarop er nog vele zullen volgen: de gijzeling van zijn zoon Filips Willem, het wangedrag van zijn tweede vrouw, Anna van Saksen, de dood van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon.

Zo is dit midden te bezien als een scharnier in zijn levensloop: uiterlijke glans vanuit de buitenwereld slaat om in innerlijke geesteskracht. Deze zal zich steeds meer gaan verdiepen: eerst tijdens het ‘voorspel van de opstand’ – 1559-1568 -daarna tijdens de oorlog; 1568-1584. Het is de kracht die wordt uitgedrukt in zijn, later door hem gekozen levensspreuk: saevis tranquillus in undis (kalm temidden van de ruwe golven). Voor Oranje betekende het – naar binnen toe – de krachten van het ik in een zich steeds vernieuwend godsvertrouwen. Naar buiten toe: staatsmansinzicht voor het scheppen van een nieuwe republikeinse staatsvorm, gebaseerd op gewetensvrijheid, in een tijd waarin Europa werd verscheurd door godsdienstoorlogen. Ook de aan hem toegeschreven woorden ‘Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour perséverer’ (Men heeft geen grote verwachtingen nodig om iets te ondernemen, evenmin behoeft men succes om vol te houden) zijn tekenend voor deze levenshouding.

Eerste levenshelft

Bij de geboorte in 1533 liet de vader, Willem van Nassau, de kerkhervormer Melanchton naar Dillenburg komen om de horoscoop van zijn zoon te trekken. Deze luidde dat de jonge Willem grote macht en rijkdom zou verwerven. Midden in zijn leven zou hij tegenslagen ondervinden. Een gewelddadige dood zou dit leven beëindigen.

Dat klonk allemaal nog al ongeloofwaardig, althans de voorspelling van het verkrijgen van macht en rijkdom. Men had het daar in Dillenburg niet breed. Graaf Willem had uit zijn vorig huwelijk twee kinderen meegebracht en zijn tweede vrouw, zijn nicht Juliana van Stolberg, bracht uit haar eerste huwelijk vier kinderen mee. Later zou de familie met nog elf kinderen worden verrijkt. In totaal achttien kinderen. Een jaar na de geboorte van zijn zoon gaat Willem van Nassau over tot de Lutherse kerk. Daarbij heeft zeker niet – zoals bij zoveel tijdgenoten – het motief gegolden, zich te kunnen verrijken met kloostergoederen. Enkele jaren daarvóór had hij het aanbod afgeslagen te worden opgenomen in de orde van het Gulden Vlies. Soberheid en eenvoud kenmerken de omgeving waarin Willem van Oranje is opgevoed.

Dat wordt anders wanneer in 1544 deze beslotenheid van het leven in Dillenburg wordt opengebroken. In dat jaar sneuvelt bij St. Dezier zijn neef René van Chalon, erfgenaam van de prinsen van Oranje, die zetelend in hun burcht Les Baux in de Provence, hun geslacht terugvoerde tot Balthazar, een van de drie koningen uit het Mattheusevangelie … Uit het testament van René van Chalon bleek dat alle bezittingen overgingen op de oudste zoon van zijn oom Willem van Nassau. Even ontstonden hierdoor in Brussel aan het hof van Karei V moeilijkheden. Zijn raadsman, Van Schoore, beriep zich op een rechtsregel: de zoon van een ketter mag niet erven. De keizer beriep zich daarentegen op een andere rechtsregel: de onaantastbaarheid van de laatste wil van een krijgsman; ook al is deze met bloed op het schild geschreven of met de punt van de laars in het zand van het slagveld getekend, zijn wil is heilig. ‘Maar,’… voegde de keizer hieraan toe, ‘wij weten hier aan het hof wel hoe een knaap van elf jaar goed katholiek kan worden opgevoed.’

Zo verhuisde Willem van een stille hoek van Europa naar het centrum, Brussel. Niet zonder rede heeft Juliana van Stolberg zich over deze verhuizing bezorgd gemaakt. De nieuwe katholieke omgeving was niet alleen vol valkuilen voor het geloof, ook aan tal van wereldse verleidingen werd een jonge man daar blootgesteld. Vergelijk maar eens de boeken die in Dillenburg werden gelezen met die, welke in de Brusselse paleizen in de boekerij stonden: naast Ovidius en Petrarca, lichtzinnige ridderromans zoals ‘Miroir des dames’ of de ‘Amadis de Gaul’ en de onafscheidelijke leidraad voor het hofleven van Castiglione. Alles overgewaaid uit de vroege barok van Italië.

Oranje groeide nu op in de onmiddellijke omgeving van de keizer. Als page en kamerheer van Zijne Majesteit viel hem de eer te beurt ’s ochtends bij het ontwaken van de monarch zijn hemd aan te reiken. Later werden hem belangrijker functies toe vertrouwd; zo was hij reeds op achttienjarige leeftijd legercommandant in de rang van kapitein-generaal. Daarbij behoorde het ophouden van een omvangrijke status. De middelen hiervoor vloeiden hem toe uit de bezittingen zijner erfenis. Bovendien werden deze aangevuld door hetgeen zijn vrouw, Anna van Buren, met wie hij op achttienjarige leeftijd trouwde, meebracht. Naast het prinsdom Orange in de Provence, beschikte hij over een vierde deel van Brabant, landerijen in Luxemburg en Vlaanderen, Franche Comté en kon aanspraak maken op het koninkrijk Arles, het hertogdom Gravina, twee markgraafschappen, vijftig baronieën en nog driehonderd kleine staatjes.

Men schat het inkomen van Oranje op 170.000 ponden per jaar. Daardoor behoorde hij tot de rijkste edellieden van Europa. Wat hij, hiertegenover, krachtens zijn functie van kapitein-generaal verdiende was nauwelijks genoeg om het voetvolk dat zijn tenten opzette te salariëren.

In 1555 doet Karei V als koning van Spanje en Heer der Nederlanden afstand van de regering. Het keizerschap over het Duitse rijk werd aan zijn broer Ferdinand overgedragen. Het tafereel is overbekend: de vorst, 55 jaar oud, in het zwart, strompelend met een stok, en leunend op de schouder van de prins van Oranje. Daarachter zijn zoon Filips, begeleid door Maria van Hongarije, de landvoogdes. Een veertigjarige regeerperiode (1515-1555) wordt hiermee afgesloten. Wat heeft zich daarin niet allemaal afgespeeld.
1517, Het jaar waarop Luther aan de slotkerk te Wittenburg zijn 95 stellingen aanplakt. 1521, De Rijksdag te Worms. Tegenover de macht van Habsburg, een rijk ‘waar de zon niet onderging’, het ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ van Maarten Luther. Drie letters van het Duitse ICH tegenover vijf let
ters van het AEIOU, Austria Est Imperare Orbem Universam, Alles Erdreich Ist Oesterreich Untertan.

Het Habsburgse Rijk, gebaseerd, enerzijds op het saamhorigheidsverband van bloedsbanden, anderzijds op het saamhorigheidsverband van het geloof. Bloedsbanden, dank zij de Habsburgse huwelijkspolitiek waardoor het Rijk door ‘wiegen en doodkisten’ zich had kunnen uitbreiden. Het geloof, dank zij het gezag van de katholieke kerk, bestuurd vanuit Rome. Daartegen richt zich het verzet van de Reformatie en het opkomende nationalisme. In 1513 schrijft Machiavelli als balling op zijn buitenverblijf bij Florence het boek II Principe. Daarin ligt reeds het geestelijk dynamiet dat de eenheid van Europa zal ondermijnen, wanneer vorsten zich zullen onttrekken aan het bindend gezag van de moederkerk. In Frankrijk gebeurt dit in het belang van een onafhankelijke rechtsorde. In het Duitse Rijk doordat de vorsten de Reformatie gebruiken als een wig in de eenheid van Rome en Habsburg. Zo komt Midden Europa te liggen op een breukvlak tussen Noord en Zuid en op een breukvlak tussen West en Oost, wanneer de Franse koningen als ‘allerchristelijkste Majesteit’, zich niet ontzien een verdrag te sluiten met de Sultan van Turkije, waardoor het Habsburgse Rijk in de tang geraakt van twee vijandige machten.

Veertig jaar Europese geschiedenis… tijd van moeizaam weerstand bieden tegen de afbrokkeling van de Europese eenheid. Wat de keizer als afscheidsrede voorleest, is een triest en ietwat beschamend relaas van feiten. Na het einde van het verhaal, lijkt het of de afgevaardigden van de Staten Generaal nog iets anders verwachten van de keizer dan deze afrekening met het verleden. De keizer lijkt even te aarzelen. Dan klinkt uit zijn mond een verontschuldiging: ‘Messieurs… je regrette, messieurs, j’en demande pardon…’. Een Engelse ooggetuige tekent hierbij aan: daarna brak hij in tranen uit, waarbij hij, denk ik, te eerder bewogen werd, doordat allen eveneens weenden.

Nu moet Filips zijn regeringsverklaring voorlezen; nadat hij geknield heeft voor zijn vader, stamelt hij dat hij het Frans zo moeilijk vindt en hij geeft het perkament met zijn aanvaardingsrede aan de bisschop van Atrecht, de latere kardinaal Granvelle. Deze leest de regeringsverklaring voor. Het scenario werpt reeds zijn schaduw vooruit op de komende jaren. Oranje, tussén Granvelle en Filips, tussen kerk en staat, aaneengesloten tegenover hem. Het wordt zijn
levensopgave, déze aaneengeslotenheid te verbreken. Dat betekende: tegenover de oude staatkundige orde, gebaseerd op de uiterlijke zekerheid van kerk en staat, een nieuwe staatkundige orde te vestigen, gebaseerd op de innerlijke zekerheid van gewetenskracht.

Maar eerst moet de oorlog met Frankrijk tot een goed einde worden gebracht. In de veldslagen bij St. Quentin en Grevelingen worden, vooral dank zij Egmont, grote overwinningen op Frankrijk behaald. Dat leidt tot de vrede van Cateau Cambrésis in 1559, waardoor de kaart van Europa nogal wordt gewijzigd. Een jaar tevoren is in Engeland door de dood van Mary Tudor, koningin Elisabeth op de troon gekomen, waardoor Filips zijn aanspraak op de Engelse troon voorlopig moet laten varen. In plaats daarvan wordt, tijdens de vredesonderhandelingen, het huwelijk voorbereid tussen Filips en Elisabeth van Valois, dochter van de Franse koning, waardoor Frankrijk in de invloedssfeer van Habsburg komt te liggen. Voor Willem van Oranje betekent de vrede van Cateau-Cambrésis een nieuwe levensinzet. Wij zagen reeds hoe hij als intimus van Karel V werd ingelicht betreffende een geheime overeenkomst om met behulp van Alva de ketterij in Europa uit te roeien. Dit gebeurde tijdens een jachtrit in de bossen van Vincennes. ‘Wij willen gheerne bekennen’ – aldus Oranje in zijn later geschreven Apologie – ‘dat wij doe ter tijdt uut der maten seere sijn beweeght worden tot compassie ende medelijden over so veel luyden van eeren, die tot der dood geschickt ende overgegeven waren, metgaders in ’t ghemeyne over alle deze landen den welcken wij ons hielden so grootelick verbonden te wezen’.

1559-1568

Het is duidelijk dat vanaf dit ogenblik het konflict tussen Oranje en Filips vaste vorm krijgt. Dat treedt aan het licht wanneer kort daarop Filips de Nederlanden verlaat waarbij Oranje hem uitgeleide doet. Wéér zo’n overbekend tafereel: Filips beklaagt zich over de halsstarrige houding van de Nederlanders. Oranje beroept zich op de Staten. Filips bijt hem toe: ‘Niet de Staten, maar gij, gij, gij…’. Filips zal niet meer terugkeren, trekt zich terug in Spanje. Van daaruit zal hij zich bezig houden met het bouwwerk Europa: in het westen, via huwelijkspolitiek, Engeland en Frankrijk terugbrengen tot de katholiciteit. In Oost-Europa een katholieke koning, Sigismund, met hulp van de jezuïetenorde op de troon in Polen, dat zoals meermaals sluitsteen van de Europese eenheid was. Wat betekent, in deze constellatie, de opstand in de Nederlanden? Een gebeurtenis, die nog steeds in de Spaanse geschiedenisboekjes met een halve bladzijde wordt afgedaan. Vanaf 1559 werkt Filips tevens aan de tot standkoming van een ander bouwwerk: El Escurial. Tijdens de slag bij St. Quentin op 10 augustus 1557, de dag gewijd aan de Heilige Laurentius, had de Spaanse artillerie een Frans klooster vernietigd. Als boetedoening hiervoor werd het rooster, waarop eens deze martelaar was verbrand, als grondplan genomen voor een mausoleum voor de overleden Habsburgers, waarvan de urnen met de as in de grafkelder telkens zouden worden bijgezet. Het gebouw diende tevens als klooster, universiteit, bibliotheek, museum en ten slotte als paleis. Vijf en twintig jaar duurde de bouw, van 1559 tot 1584. Nog steeds staat het daar op een hoogvlakte van 1000 meter, met zijn Dom van 92 meter hoog, zijn 9 torens, zijn 16 patio’s, zijn 88 fonteinen, 86 trappen, 1200 deuren en 2600 ramen. Indrukwekkend bouwwerk, verrijzend uit een vlakte van steen, als model van theocratie: de eenheid van Staat en Kerk in een heilsplan, voor alle volkeren, voor alle eeuwen…

Dat is de wereld, waartegen Oranje nu tijdens het verder verloop van zijn leven – eveneens van 1559 tot 1584 – zich zal afzetten. Ook zijn leven ontwikkelt zich uit een bouwimpuls: gericht op de totstandkoming van een staatsvorm, met als kern de individuele gewetenskracht van de burgers. Later zal dit in Nederland als een inzet ter ere Gods worden verheerlijkt.

Niet alleen vanaf de kansel, ook in het leslokaal zal het leven van Willem van Oranje en zijn nakomelingen als een mythe voortleven, in beelden uit het Oude Testament. Willem de Zwijger, als Mozes, die het uitverkoren volk voert uit het heidendom van Egypte. Maurits, als Jozua de veldheer, die Kanaän veroverde. Willem III als Gideon de Richter, die streed voor Gods eer. Weliswaar wordt het aandeel dat het katholieke volksdeel in de opstand heeft gehad, hierbij volledig miskend. Als gevolg hiervan heeft zich, min of meer uit rancune, nog een ander oordeel over Willem van Oranje vastgezet. De Nederlandse geschiedschrijver Nuyens constateerde: ‘Godsdienst was voor Willem van Oranje niets anders dan een zaak van welgevoeglijkheid en van gewoonte. Hij werd beheerst door eerzucht en egoïsme… Hij, die in zovele opzichten zich een volksman betoonde, was misschien meer dan iemand van adeltrots doortrokken. Hij kon niemand naast zich, ternauwernood de koning boven zich gedogen. Tegenover zijn vijanden deinsde Oranje voor geen middel terug: verdachtmaking, hoon, laster.

Dit oordeel, van katholieke kant, is even eenzijdig als de ‘mythe’ die vanuit protestantse kant gegroeid is. Oranje stond tussen deze beide partijen: hij voerde de strijd zowel ‘religionis causa’ als ‘libertatis causa’, terwille van de godsdienst en terwille van de vrijheid. Wat hem voor ogen heeft gestaan, was een staatsvorm waarin noord en zuid, waarin protestant en katholiek konden samenleven met behoud van gewetensvrijheid. Maar dat vereiste wel een nieuwe maatschappijstructuur, waarin het rechtsleven zich kon vrijmaken uit de overheersende macht van de kerk. De strijd hiervoor is gecompliceerder dan meestal in de geschiedenisboekjes is voorgesteld. In de eerste fase – het voorspel, van 1559 tot 1567 – gaat het, in samenwerking met de katholieke hoge adel, voornamelijk nog om het behoud van de privileges tégen het Bourgondisch-Habsburgs centralisme. Met de komst van Alva in 1567 – door Filips gestuurd om de Nederlanders te straffen voor de beeldenstorm – verandert dit. De tirannie leidt dan niet alleen tot ‘slavernije in den lichame’ maar ook ‘inder consciëntie’. Oranje besluit dan de Nederlanden te verlaten om met behulp van de Duitse vorsten een leger samen te stellen. Voor de financiering van het bevrijdingsleger betaalde Oranje f 1.225.000 uit eigen zak. Van de Duitse vorsten kwam f 262.500. Van de Nederlanders, die bevrijd moesten worden f 12.500…

Pro lege, rege et grege

Met twee legers vond de inval plaats; eerst in het noorden onder Lodewijk en Adolf van Nassau. Later in het zuid-oosten, onder Oranje zelf. In de geschiedenisboekjes kreeg de overwinning bij Heiligerlee doorgaans meer aandacht dan de nederlaag kort daarop bij Jemmingen waarbij aan de Spaanse kant in deze slag zes of zeven man zouden zijn gesneuveld, terwijl de drie duizend slachtoffers onder Lodewijks volgelingen naakt en uitgeschud op het slagveld bleven liggen, weken lang…

In deze noodlottige pinkstertijd vond ook de terechtstelling plaats in Brussel van Egmont en Hoorne. ‘De Franse gezant, aanschouwend uit een heimelijke plaats dus deerlijk een vertoning, liet naar men zegt, zich horen, dat hij daar het hoofd zag vallen hetwelk tot tweemaal toe heel Frankrijk had doen beven, aldus P.C. Hooft in zijn ‘Nederlandse Historiën’. .. Met terreur wilde Alva de inval in het noorden beantwoorden, de plakkaten tegen de ketters werden verscherpt, de ‘Bloedraad’ had, dank zij de Inquisitie, zijn handen vol.

In oktober daarop trok Oranje vanuit het zuid-oosten de Nederlanden binnen, en vond een minder beslist optreden van Alva tegenover zich. Deze speelde de Fabius Cunctator rol, de Romeinse veldheer die de troepen van Hannibal wilde afmatten, door zich voortdurend terug te trekken. Voor Oranje werd deze afmattingsmanoeuvre noodlottig. Met elke dag uitstel van slag leveren, werd de bodem van de krijgskas meer zichtbaar, totdat Oranje gedwongen werd zijn troepen naar huis te sturen, en zelf een goed heenkomen te zoeken in Frankrijk, vanwaar hij, als boer verkleed, de terugtocht naar Dillenburg ondernam.

In deze tijd ligt ook de geboorte van het Wilhelmus. De strekking van dit lied weerspiegelt de opvatting van het, door Oranje in april uitgegeven staatsstuk ‘Justificatie ofte Verantwoordingh’. Daarin wordt zijn verzet tegen de regering gerechtvaardigd. Zijn opvatting – vóór de koning, maar tegen de tirannie van de landvoogd, – staat duidelijk in de eerste strofe van het Wilhelmus: ‘Den Coninck van Hispaengien Heb ick altijd gheeert’ Men vindt haar ook uitgedrukt in de opschriften van de vaandels van de troepen die het land zijn binnengevallen: pro lege, rege et grege (vóór de wet, vóór de koning, vóór het volk).

In de spanning van zoeken naar evenwicht tussen gehoorzaamheid aan het wettig gezag en vrijheid, ligt ook de strijd waarin langzamerhand de nieuwe staatsvorm – de Republiek – gestalte krijgt. Voor Oranje betekent dit steeds leven met twee loyaliteiten, enerzijds, jegens het door God gevestigd gezag van de koning, anderzijds jegens de belangen van de burgers. Vanuit deze loyaliteit is ook de wapenspreuk ‘Je maintiendrai, Nassau’ te bezien. Bij het afleggen van de leeneed, legde de leenman de handen in die van de leenheer en vond een wederzijdse belofte van trouw plaats: je maintiendrai… In 1567 had, met een beroep op het geweten, Oranje geweigerd de eed van trouw af te leggen aan het gezag van de landvoogdes, Margaretha van Parma. Dat ontsloeg hem niet van de eed van trouw aan de koning, in wie nog de personificatie van de rechtsorde werd gezien. Dat leidde soms tot merkwaardige situaties. Zo is de stichting van de Leidse Hogeschool – als geschenk van de prins aan de stad Leiden het doorgestane beleg van 1575 – krachtens het gezag van koning Filips tot stand gekomen, notabene als een bolwerk van vrijheid, onder andere bestemd voor de opleiding van Calvinistische predikanten.

Maar dat is dan al de tijd waarin – na de inneming van Den Briel in 1572 – de noordelijke Nederlanden zich hebben vrijgemaakt. Daarheen heeft Oranje zich begeven. Hij zal daar ‘zijn graf vinden’, maar niet dan na vele pogingen het evenwicht te vinden tussen de belangen van het zuiden en die van het noorden.

Eén ogenblik schijnt dit te gelukken, bij de Pacificatie van Gent (1576), wanneer het zuiden onder invloed van muiterij der Spaanse troepen tijdens een gezagsvacuüm, onderhandelingen opent met het noorden voor het sluiten van een overeenkomst. Maar spoedig blijkt dat de hoge verwachtingen doorkruist worden door de harde werkelijkheid. Enerzijds door de intolerantie van de fanatieke Calvinistische predikanten in Vlaanderen, voor wie ‘godsdienstvrijheid’ betekent hun eigen geloof aan andersdenkenden te mogen opleggen. Anderzijds door het optreden van Farnese, de hertog van Parma, die als de nieuwe landvoogd, veldheer en diplomaat de zuidelijke katholieke adel voor zich weet te winnen en de Unie van Atrecht sluit. Het antwoord van het noorden is de Unie van Utrecht (1579), enigszins tégen de wil van Oranje, door zijn broer Jan van Nassau doorgedrukt. Ook hierin is de Godsdienstvrijheid vastgelegd. Toch leidt dit niet tot het door Oranje beoogde doel.

Unie van Utrecht 

In deze Unie – met haar, voor ons volk, zo kenschetsend devies, ‘Res parvae Concordia crescunt’ (in eensgezindheid groeien de kleine dingen) – ligt de kiem van de Republiek die pas in 1588 tot stand is gekomen. Want eerst moest de gehoorzaamheid aan de koning van Spanje worden opgezegd. De aanleiding daartoe was de door Filips uitgesproken ban, waarin Oranje vogelvrij wordt verklaard en aan zijn moordenaar een beloning van 25.000 kronen en verheffing in de adelstand in het vooruitzicht wordt gesteld.

Op 26 juli 1581 besloten de bij de Unie van Utrecht verbonden provincies en steden, Filips als koning af te zweren daar hij als tiran misbruik had gemaakt van zijn bevoegdheid, hem door God verleend. Immers, zoals in het Plakkaat van Verlatinghe staat uitgedrukt, ‘de ondersaten en sijn niet van Gode geschapen tot behoef van den prince om hem in alles, wat hij beveelt, onderdanig te wesen en als slaven te dienen, maar den prince om d’ondersaten wille, sonder de welke hij geen prince is’.
De kern hiervan is de gewetensvrijheid. Wanneer de macht des konings indruist tegen het geweten van de enkeling, tégen de gehoorzaamheid jegens God, is verzet geoorloofd. Niet het volk heeft het recht de gehoorzaamheid op te zeggen, maar de Staten als ‘magistratus populares’, de volksvertegenwoordigers. Niettemin wijzen de laatste woorden van de Apologie, ‘Je maintiendrai, Nassau’ op een nieuwe betekenis van Oranjes wapenspreuk. De oorspronkelijke belofte tussen leenman en leenheer wordt nu een belofte van trouw tussen Oranje en het volk. Daarmee wordt gewezen op een middenweg: tussen enerzijds theocratie en anderzijds volkssouvereiniteit.

Toch is er in 1581 nog geen sprake van een Republiek. Tussen 1581 en 1588 ligt eerst nog een periode van moeizaam experimenteren met buitenlandse machthebbers aan wie de souvereiniteit wordt aangeboden; eerst, nog tijdens het leven van Oranje, de Fransman Anjou, na Oranjes dood, de Engelsman Leicester.
De hertog van Anjou, broer van de Franse koning, is vooral op aandringen van Oranje hier binnengehaald. Het was geen gelukkige keus. Deze laatste dégénéré van de Valois was allerminst aantrekkelijk, noch wat uiterlijk betreft, noch wat karakter betreft,

Reeds tijdens de onderhandelingen over zijn aanstelling, bleek hij ‘koortsig van de kliergezwellen, het gehemelte weggeteerd van de etterige zweren die zijn uitspattingen hem hadden bezorgd’… Omringd door zijn ‘mignons’ viel hij op door zijn gewaagde kleding, door pommade, poeder en schmink, door een geverfd gezicht en een zijde-achtige fantastische pruik. Weldra bleek dat zijn aspiraties veel verder gingen dan men zich in de Nederlanden had voorgesteld. Naar Engeland overgestoken, maakte hij het hof aan koninggin Elisabeth, die hem een tijd lang aan het lijntje hield van haar staatkundige aspiraties, ook al noemde zij hem ‘haar kleine kikvors’…

Teruggekeerd trachtte hij plotseling zich meester te maken van de stad Antwerpen met de Franse troepen, die ons land tegen de Spanjaarden moesten beschermen. Zijn bedoelingen kwamen daarmee abrupt aan het licht: mettertijd van de Nederlanden een Franse provincie te maken.

Oranje geraakte hierdoor in een gezagscrisis ten opzichte van de Staten, omdat hij volhield dat zonder Franse steun de oorlog tegen Spanje kansloos was. Ook in zijn privéleven was sprake van een crisis, eerst door het verlies van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon – zij bezweek onder de zorgen voor het behoud van zijn leven, na de eerste aanslag door Jean Jauréguy – daarna, doordat zijn vierde huwelijk met Louise de Coligny – wier vader en eerste man waren omgekomen tijdens de Bartholomeusnacht te Parijs – bij de Staten geen onverdeelde instemming vond tijdens het bewind van Anjou. Ondertussen was Parma vanuit het zuiden naar het noorden opgetrokken. Na de val van Duinkerken maakte hij zich op Antwerpen te veroveren. Tijdens dit dieptepunt van zijn leven, trof hem op 10 juli 1584 de kogel van Balthazar Gerards in het Prinsenhof te Delft. Twee dagen later, zouden de Staten, na langdurig geharrewar, hem als Graaf van Holland inhuldigen.

Republiek

Ten slotte is in 1588 de Republiek uitgeroepen, zij het met een vrij wankele rechtsorde als basis. Spoedig zou blijken dat de twee motieven van waaruit door Oranje de strijd tegen Spanje gevoerd is – terwille van de gosdienst, én terwille van de vrijheid – eeuwen lang ons volk verdeeld hebben gehouden in ‘facties’ (van partijen is in deze tijd nog geen sprake). Twee verschillende gezindheden, die teruggrijpen op het verleden, met als voorbeeld, enerzijds Israël, als het door God uitverkoren volk, anderzijds de Res Publica, de rechtsorde van het Romeinse volk. Beide gezindheden staan afgebeeld aan de wanden van de vergaderzalen van het Amsterdamse stadhuis (thans het Paleis op de Dam). Naast afbeeldingen uit het Oude Testament, afbeeldingen ontleend aan de beschrijvingen van Livius, waarbij steeds de burgerdeugd (Virtus) de vergaderende magistraten maant het belang van de enkeling achter te stellen bij het belang van de gemeenschap.

In de Republiek leidt deze ‘onderscheiding’ steeds sterker tot een ‘scheiding’, naarmate theologische geschillen tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ – tijdens het Twaalfjarig Bestand – escaleren tot sociologische en staatkundige geschillen. Aan de ene kant staan dan de Oranjes, steunend op de predikanten, het leger en het volk. Aan de andere kant staan de regenten uit het stedelijk patriciaat met zijn handelsbelangen.

In de Staten-Generaal krijgt deze laatste factie een overwicht, naarmate handelsbelangen ook hun invloed gaan uitoefenen op de buitenlandse politiek. Speciaal in de Staten van het gewest Holland overweegt de invloed van de stedelijke vroedschappen en in het bijzonder de vroedschap van de stad Amsterdam, waarvan de burgemeesters wel eens de ‘ongekroonde koningen van de Republiek’ zijn genoemd. Zij hebben zich’ althans daar dikwijls naar gedragen. Daartegenover hadden de Oranjes als stadhouder slechts een ondergeschikte positie.

Hoe stond Willem van Oranje zelf ten opzichte van deze twee stromingen? In een magistraal artikel, geschreven ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix in 1938, wijst Huizinga op Oranje als drager van de republikeinse traditie in ons land. ‘Oranje is in en uit de Republiek omhoog gestegen, gevoed door al de krachten die ons volk levend maakten.’ Daarmee in overeenstemming is een in januari 1983 verschenen doctoraal-scriptie van Ellen Huidekoper aan de Utrechtse Universiteit.

Het verzet van Oranje moet niet eenzijdig worden gezien, terwille van de godsdienst óf terwille van de vrijheid. Het verzet tegen de ‘slavernije so in den lichame als inder consciëntie’, moet men zien tegen de achtergrond van de zestiende eeuw, waarin het rechtsleven zich met vallen en opstaan, vrij ging maken uit de theocratische staat die nog geheel werd beheerst door de gedachte van eenheid op godsdienstig gebied. Daartegenover tekende zich af het streven naar verscheidenheid van geloofsovertuiging, waarbij de ‘rechtvaardigheid’ boven de godsdienstige tegenstellingen komt te staan. Het was niet alleen een aangelegenheid van gewetensvrijheid, waarvoor men streed, maar ook een aangelegenheid van een nieuwe republikeinse orde. Met deze gezagscrisis worden de grenzen aangegeven tussen het rechtsgebied van de overheid en het geloofsgebied van de kerk. Niet dat, tijdens de Republiek, deze gezagscrisis is opgelost. Voortdurend vindt hierin een grensoverschrijding plaats, dank zij de onverdraagzaamheid van het calvinisme, dat ‘godsdienstvrijheid’ uitlegt als het recht de uitoefening van het geloof door andersdenkenden te verbieden en te eisen dat ieder die een staatsambt bekleedt, lid moet zijn van de gereformeerde kerk.

Wanneer men tegenwoordig zegt, dat Willem van Oranje zijn leven heeft geofferd voor de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, is dat juist. Men moet dan echter niet vergeten dat hij – omstreeks 1573 overgegaan tot de gereformeerde kerk – hierbij even goed heeft moeten strijden tegen de onverdraagzaamheid van zijn geloofsgenoten als tegen die van de katholieken. Zijn verdraagzaamheid was nog zeer onconventioneel christelijk voor de 16e eeuwse verhoudingen, waarbij godsdienstoorlog voornamelijk a-sociale hartstochten wakker riep. Het ‘in Christus sterven’ ging bij hem gepaard met het ‘cognaistre Dieu’ als ‘ung don especial du Sain Esprit’: God leren kennen als een bijzondere gave van de Heilige Geest… Als zodanig is dan ook de laatste strofe van het Wilhelmus tevens te bezien als het sluitstuk van het leven van Willem van Oranje:

Voor Godt wil ick belijden
End Zijner grooter Macht,

Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:

Dan dat ick God den Heere
Der Hoochster Majesteyt
Heb moeten obediëren
Inder gherechticheyt.

.

Willem van Oranje

Een liedtekst van Claudia de Breij, muziek op ‘Andermans veren’ v.a. min. 6.30

alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

1800

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Epidauros

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Epidauros kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Epidauros  zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

EPIDAUROS

het heilige centrum van imaginatieve geneeskunst in het oude Griekenland

De Griekse cultuur heeft ons een grote hoeveelheid archeologische voorwerpen nagelaten, die min of meer gerestaureerd, geordend, van commentaar voorzien en tentoongesteld, in de gehele wereld en vooral natuurlijk in Griekenland zelf zijn te bezichtigen. Daartoe behoren ook de architectonische overblijfselen van oude tempels, waarvan in het navolgende het heiligdom van de god Asclepios te Epidauros zal worden besproken.

Willen wij een antwoord zoeken op de vraag, hoe het uiterlijk van deze heiligdommen in de oudheid geweest kan zijn, dan kunnen geschriften uit de Romeinse tijd ons daarbij helpen. In dit verband zijn de reisberichten van Pausanias te noemen of de beschrijvingen van Plutarchus. Bij de laatste zijn ook aanduidingen over het verloop van rituele handelingen te vinden, maar deze berichten zijn schaars en als men naar de oorsprong van de rituelen vraagt, laten de historische bronnen ons helemaal in de steek.
Wij zijn hier op de beeldentaal van de mythologie aangewezen, die met ons eigen abstracte, niet-beeldende denken zo moeilijk valt te begrijpen. Hoe meer zich het voor ons begrijpelijke, in deze beeldentaal kleedt, als wij de berichten tot in de tijd van de mythologische periode terug vervolgen, hoe meer de teksten ervan spreken dat de goden in het leven van de mensen ingrijpen en de loop van het lot van enkelingen en volkeren besturen. Zich in overeenstemming te weten met bepaalde wezens van de geestelijke wereld was voor de mens van het oude Griekenland tot in de hellenistische periode een na te streven doel. Voor een dergelijke levenshouding ontbreekt ons het bewustzijn aan ervaring en begrip. Het constateren van dit feit maakt ons er echter op attent, dat er voor ons begrip van de Griekse cultuur twee niveaus bestaan. Het ene vinden wij bij het aanschouwen van de archeologische overblijfselen, het tweede in de mythologische beelden. Het eerstgenoemde niveau lijkt ons daarom begrijpelijk, omdat wij objecten voor ogen hebben die wij gewend zijn te onderzoeken. Dat het mythologische niveau en het andere echter elkaar niet dekken, zou ons voorzichtig moeten maken, want voor de oude Grieken waren immers de objectief waarneembare en de met de uiterlijke zintuigen niet te bevatten geestelijke wereld onafscheidelijk met elkaar verbonden. Voor ons zijn ze dat niet. Wat aan de Griek zich ongescheiden openbaarde, verbinden wij niet meer met elkaar. Als wij voor de zichtbare overblijfselen van de Griekse cultuur een enigszins juist begrip willen krijgen, moeten zij – niet op de oude, maar voor ons hedendaagse bewustzijn geschikte wijze – met een geestelijke wereld in verband gebracht worden. Want een volkomen misverstand zou ontstaan, indien men zou vergeten, dat de oude culturen in eerste instantie in deze dualiteit verschijnen. Indien men een begrip voor Epidauros wil ontwikkelen, is het dus nodig bij dat, wat aan materiële overblijfselen is bewaard gebleven, het geestelijke te voegen.

theater van Epidauros

Het heiligdom van Asclepios ligt aan de noordoostelijke kant van de Peloponnesos en vormt samen met Delphi en Olympia de hoeken van een ongeveer gelijkzijdige driehoek. Delphi ligt in het noorden, aan de punt van de gelijkbenige driehoek, op het vasteland tegen de achtergrond van het indrukwekkende hooggebergte van de zuidelijke Parnassos. Epidauros vormt de oostelijke punt van de driehoek en ligt in een landschap van zacht glooiende bergtoppen van een middelgebergte. Het Olympische heiligdom aan de westelijke punt ligt in de laagvlakte van het Alpheiosdal in de noordwestelijke Peloponnesos.

In de Griekse mythologie is Asklepios bekend als zoon van de zonnegod Apollo. Zijn moeder is de Thessalische koningsdochter Coronis. Het kind van Apollo onder haar hart dragend, wordt zij de God ontrouw. Vertoornd geeft Apollo aan zijn zuster Artemis de opdracht om Coronis met haar pijlen te doden. Op het ogenblik dat de ouders de dode dochter in het vuur verbranden, herinnert Apollo zich zijn zoon en redt hem uit het lichaam van de brandende Coronis. Hij brengt de jonge Asklepios naar het Peliongebergte naar de centaur Chiron, de grote opvoeder, die, zoals Pindarus zegt, vol liefde voor de mensen was. Volgens een andere, uit Epidauros stammende legende, baart Coronis haar kind heimelijk op de berg Myrtio bij Epidauros, die sindsdien de naam Titthio draagt, d.w.z. de berg waar gezoogd werd. Coronos legde hem daar te vondeling en hij werd door een geit gevoed en door een hond bewaakt, totdat hij gevonden werd door een herder, Aristenas, die zijn goddelijke afkomst herkent. Asklepios, god en mens tegelijk, wordt de genezer van ziekten. Geen andere god uit de kring der Griekse goden buigt zich met zo’n mildheid en met zo’n sterke wil om te helpen tot de mensen als hij. Weliswaar is uit sommige van de beschreven gevallen van genezing op te maken, dat hij bij gebrek aan belangstelling, onnauwkeurig en gebrek aan medewerking bij de hulp die hij biedt, met een zekere listigheid weet te straffen. Een vrouw bijvoorbeeld, die een zwangerschap wenst, helpt hij, maar zij kan gedurende drie jaar niet baren. Naar Epidauros teruggekeerd, moet zij zich door Asklepios laten zeggen, dat zij een kind had moeten wensen. Na het brengen van een offer mag zij haar kind baren. De gevallen van genezing werden in Epidauros op grote zuilen opgetekend en in het heiligdom opgesteld. Pausanias beschrijft, dat er in zijn tijd nog slechts zes zuilen aanwezig waren. Twee ervan werden gevonden, zij zijn in het museum van Epidauros tentoongesteld.

Laten wij ons thans tot de architectuur van het heiligdom van Epidauros wenden; de restanten en fragmenten en de bouwfundamenten, die nog bewaard zijn gebleven. Het gehele complex kreeg zijn definitieve vorm in de tijd van de hoogste bloei van het Hellenendom, in de periode toen Perikles in Athene heerste en de Griekse cultuur haar hoogtepunt overschreed. De naam van de architect die de ronde tempel, de tholos, ontwierp, is ons bekend, het was Polykletos de jongere.

Wij mogen verwachten dat de afzonderlijke bouwcomplexen niet willekeurig in het landschap werden neergezet, maar dat de sociale taak van het heiligdom, nl. de plaats van genezing voor de ziekten van de mens, ook in het geheel van de architectuur ligt verborgen. Laten wij de zieke volgen die van de haven, twee uur te voet, of van de istmus bij Korinthe komend, het heiligdom van Asklepios bereikt. Als men vóór de Propyleeën van het heiligdom staat, blijft al het andere voor het oog van de beschouwer verborgen. Slechts het theater zal, al naar gelang van het toenmalige boombestand, zichtbaar geweest kunnen zijn. Een opgeworpen heuveltje, dat door de architect bewust is aangebracht, verbergt het abaton, de zaal, waar Asklepios de zieken in hun slaap verschijnt. Verborgen blijft ook de tempel van Asklepios en de tholos, een merkwaardig rond bouwwerk. Pas wanneer de woorden die op de Propyleeën staan zich in de ziel van de intredende hebben gevestigd en de drempel van het heiligdom is overschreden, wordt het complex van gebouwen stapsgewijs aan hem onthuld. Pausanias heeft de woorden van de Propyleeën opgetekend:

“Rein, zij een ieder die de van wierook geurende tempel betreedt.
Rein zijn betekent, in gedachten het goddelijke koesteren.”

De reinheid van de peinzende ziel, zoals wij uit het motto van het heiligdom kunnen opmaken, moet wederom gevonden worden, want al het denken, voelen en willen dat de goden onwaardig is, ligt aan de ziekten van het lichaam ten grondslag. Dat lichaam en ziel een samenhang hebben, daarvan zijn wij ons ook bewust. Deze eenheid van lichaam en ziel werd echter in de Griekse cultuur au sérieux genomen. In het belangrijkste centrum van genezing werd alleen de terug verkregen reinheid van de ziel tot therapie van het lichaam.

Misschien laat zich het beeld dat men in de oudheid van de mens had, ontraadselen, wanneer wij trachten alles tot eenheid te brengen, wat voor de genezing van de mens in Epidauros architectonisch werd geschapen. Laten wij proberen daarbij in het oog te houden, dat voor het Griekse bewustzijn het uit de ziel komende het lichaam schaadt, wanneer het ongoddelijk wordt – echter het lichaam ook kan genezen, wanneer het zich weer met het goddelijke verbindt.

Epidauros is wel het meest vernielde heiligdom van het oude Griekenland. Alleen het theater bleef behouden

en de weinige noodzakelijke restauratiewerkzaamheden worden met een gevoel voor het mogelijke door Griekse archeologen uitgevoerd. Het is een van de weinige klassieke plaatsen die door de Grieken wordt uitgegraven. (Schets nr. 1 geeft de topografische situatie weer; houd er echter rekening mee, dat het noorden links beneden ligt).

Het opgerichte kleine museum biedt ondanks de bescheiden middelen die ter beschikking stonden een indruk van hetgeen er van architectuur eens voorhanden was. Bijzondere moeite werd besteed aan de restauratie van een sector van de tholos, die eens buiten de cella door 26 Dorische zuilen en binnen door 14 Korinthische zuilen werd gedragen. Onder de tholos bevindt zich een crypte, die als labyrint is gebouwd, bestaande uit drie cirkelvormige gangen, die naar verhouding goed bewaard zijn gebleven. In het midden daarvan werden de heilige slangen gehouden, zonder welke Asklepios niet goed denkbaar is. De overleveringen zeggen, dat aan Epidauros een van de heilige slangen werd gevraagd, wanneer in een stad of streek van het oude Griekenland een Asklepeion zou worden opgericht. Een gezantschap ging naar Epidauros en wanneer de god zijn toestemming gaf, brachten de afgezanten een van de heilige slangen terug, die de stammoeder van het slangengeslacht van het nieuwe Asklepeion werd.

Hier vele voorbeelden van een reconstructie. In dit artikel worden ze aangeduid met schets 2.

Zuidelijk van de tholos ligt het stadion, ten noordoosten ervan de tempel van Asklepios. Als men in het midden van de naar de tholos toegekeerde kant van de tempel gaat staan, is men verrast het midden van de tholos en de meest westelijke hoek van het stadion op een rechte lijn te zien liggen. Een blik op het kaartje bevestigt deze observatie. Men krijgt het gevoel dat met deze ontdekte ruimtelijke samenhang ook een culturele zou kunnen overeenkomen. Voordat wij op een dergelijk aspect ingaan, zal worden onderzocht, of niet nog meer ruimtelijke samenhangen tussen de genoemde bouwwerken: tempel van Asklepios, tholos, stadion en theater bestaan. De twee op een cirkelvormige plattegrond staande gebouwen zijn de tholos en het theater.

Als men de hoek meet tussen het middelpunt van de tholos, de meest oostelijke hoek van het stadion en het middelpunt van het theater, vindt men een waarde van 120°, de driedeling van de cirkel. De benen van deze hoek staan in een verhouding van 1:5. Het traject 1 is de afstand, middelpunt van de tholos – meest oostelijke hoek van het stadion. Traject 5 is de afstand tussen de meest oostelijke hoek van het stadion tot het centrum van het theater. Als men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt draait, dat hij een tangent aan het theater vormt, vormt hij ook een tangent aan de tholos. Dus hebben de diameters van de tholos en ’t theater een verhouding van 1:5, ( zie hiervoor, alsmede voor de volgende beschouwingen, deze schets 3):

Een tweede keer is de hoek van 120° in de architectonische compositie te vinden, wanneer men het middelpunt van de tempel van Asclepios weer met de meest oostelijke hoek van het stadion en deze op de oostelijke zijde ervan met de meest zuidelijke verbindt. Draait men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt dat het op de tempel gerichte been tot tangent aan de tempel wordt, dan zal het andere been tot diagonaal van het stadion worden. Op deze wijze zijn de vier bouwwerken zodanig tot elkaar gecomponeerd, dat de maten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. De middelen die de architect hiervoor heeft gebruikt, zijn de driedeling van de cirkel en de verhouding 1:5 van de lengtematen. Daarbij komt als een absolute lengtemaat een stadie, d.w.z. de lengte van het stadion. Indien deze afstand een gegeven is, dan bepaalt de ligging van de tholos op de rechte lijn tussen het stadion en de tempel, die wij de hoofdas van het heiligdom willen noemen, alle andere proporties. Hierdoor houdt de tholos de architectonische compositie van Epidauros in harmonie. Het lijkt derhalve wenselijk allereerst de betekenis van de tholos te begrijpen om te weten te komen wat de delen tot een geheel ordent, (schets 2 levert het materiaal voor de aanschouwelijkheid en schets 4 toont o.a. de plattegrond.)

(Duits: Hauptachse des Heiligtum = hoofdas van het heiligdom; süd – zuid; ost – oost)

De tholos die op oude inscripties ook thymele genoemd wordt, is een cirkelvormig bouwwerk, omgeven door een zuilengang die uit 26 zuilen van gewit tufsteen bestond. De muur van de cella bestond uit veelkleurige ornamenten, bloemen, meanders, holle lijsten, tandlijsten en fresco’s van de schilder Pausias, waarvan er twee door Pausianas zijn beschreven. Op een fresco was Eros afgebeeld, die boog en pijlen ter zijde heeft gelegd en naar een lier grijpt; op het andere fresco is de dronkenschap uitgebeeld, uit een glazen fles drinkend. Binnen de cella bevond zich een tweede zuilengang bestaande uit 14 Korinthische zuilen van marmer. Tussen de binnenste Korinthische zuilen en de wand van de cella bestaat het plafond uit een cassettenring die zich tussen de cellamuur en de door de Dorische zuilen gedragen architraaf door twee verdere cassettenringen voortzet. In elke cassette bevindt zich een bloesem die zich van cassettenring tot cassettenring van binnen naar buiten toenemend lijkt te openen. Deze bloemen van het cassetteplafond zetten een vormmotief voort dat zich aan de Korinthische zuilen in het binnenste van de cella bevindt. De kapitelen van deze zuilen zijn drieledig. Dicht bij de basis dragen de kapitelen bladmotieven, in het middelste gebied ziet men stengelvormen, die zich in spiraalvorm naar boven slingeren en in de nabijheid van de dekplaat verschijnen vier bloesems. Deze bloemvorm gaat klaarblijkelijk in het cassetteplafond over en zet zich voort tot in het plafond buiten de cella. Wie de overdreven vormen van de Korinthische zuilen uit de Romeinse tijd kent, zal verbaasd zijn te zien met welke eenvoud en schoonheid het Korinthische kapiteel hier gevormd is. Mij persoonlijk is geen poging tot een verklaring van deze merkwaardige tempel bekend. Als wij in onze beschouwing verder willen komen, moeten wij naar geschikte begrippen zoeken, die ons helpen het geheim van de tholos tenminste in een eerste aanzet te ontraadselen.

In zijn derde voordracht van de voor artsen gehouden cyclus “Geesteswetenschap en medische wetenschap”[1] herinnert Rudolf Steiner aan het vermogen van lagere diersoorten om verloren lichaamsdelen weer te vervangen of toch zodanig te compenseren, dat het organisme in al zijn functies weer wordt hersteld. Hij maakte deze opmerking om, overgaande op de mens, de vraag te behandelen wat bij hem uit deze regeneratie- en reproductiekrachten is geworden. Want de mens is immers niet in staat om een verloren orgaan opnieuw te vormen. Rudolf Steiner beschrijft dan hoe dat deel van het menselijk lichaam dat hij het vormkrachten– en/of etherlichaam noemt, over deze krachten beschikt. Daarmee wendt hij zich echter niet meer tot het lichaam, maar tot de ziel. In de cultureel scheppende krachten die in het denken, voelen en willen van de mens leven, kunnen de krachten weer worden gevonden, die aan het lichaam ontbreken. Met behulp van deze kan de mens op dezelfde wijze gedachten tot een geheel vormen als de regenworm het met zijn lichamelijk organisme kan doen. De gedachte ligt voor de hand dat de krachten die het lichaam mist, omdat zij als cultureel werkzame krachten ter beschikking van de ziel staan, de oorzaak van de ziekten van de mens zijn. Omdat de mens een geestelijke wezen is, mist hij in het lichaam krachten die hij zou moeten hebben om onder alle omstandigheden gezond te zijn. Vandaar dat de geest van de mens de oorzaak van zijn ziekte is.

De geciteerde geesteswetenschappelijke uitspraak van Rudolf Steiner kunnen wij nu verder differentiëren. Want al naar gelang van de graad van bewustzijn die de mens in de verschillende ledematen van zijn lichaam ontwikkelt, zijn aan deze levenskrachten onttrokken. In het gebied van de stofwisseling slaapt de ziel en heeft het lichaam de meeste levenskrachten. In het bereik van de borstkas droomt zij en daarom ontbreken aan het lichaam meer levenskrachten dan in het stofwisselingsgebied. In het hoofd heerst het wakkere bewustzijn, zodat daaraan de meeste levenskrachten zijn onttrokken. Het hoofd als drager van het wakkere bewustzijn is daarmee ook de pool waarvan in principe de ziekte uitgaat. Hier worden de levenskrachten nagenoeg geheel tot het cultureel werkzame instrument, het denken. Het zou verwonderlijk zijn als van het stuk bovenzinnelijke waarheid over de mens dat wij zo hebben leren kennen, de mens in het oude Griekenland geen bewustzijn zou hebben gehad. Het zou kunnen zijn dat het geweldige beeld van Prometheus die vastgesmeed is aan de rots van de aarde, de Kaukasus, en aan wiens lever de adelaar vreet, een weten van het beschreven feit in de oude beeldentaal van het toenmalige bewustzijn vertolkt. Wanneer dus een dergelijk weten in het Griekse bewustzijn heeft geleefd, dan zou Epidauros als centrum van geneeskunst ook de plaats zijn waar een dergelijk weten werd beoefend. Zulke gedachten doen de vraag rijzen of de tholos zich niet tot het geheel van het complex van Epidauros verhoudt als het hoofd tot het menselijk organisme. Men kan er over nadenken welke verhouding de wezensdelen van de mens tot elkaar in het hoofd hebben. In de omgeving van het hoofd ligt het waarnemingsbereik van de mens. Hier zijn de zintuigen werkzaam die wij de ‘lange afstandszintuigen’ zouden kunnen noemen. Door te zien en te horen omvat de ziel van de mens, van het hoofd uitgaande, meer dan alleen het eigen lichaam en de grens tot de omgeving. In deze omgevings-zielenruimte leeft het wakkere Ik van de mens. Het Ik leeft eveneens wakker in het binnenste van het hoofd, wanneer het gedachten vormt. De denkprocessen die de instrumenten van het Ik bij de vorming van gedachten zijn, blijken, zoals wij gezien hebben, de metamorfosen van de werkzaamheden van het vormkrachtenlichaam te zijn, dat niet alleen aan de levensprocessen van de mens, maar ook aan de levensprocessen van alle andere levende organismen ten grondslag ligt. In de plant vinden wij de levensprocessen het zuiverst werkzaam, omdat geen ander wezensdeel over de activiteiten heen werkt. Zoals de plant de vorming van haar gestalte door bloesems en vruchten bekroond en afsluit, wordt ook de werkzaamheid van het vormkrachtenlichaam in het menselijke hoofd door de vorming van gedachten bekroond, die de goden waardig, dus waar zijn, omdat zij zich vruchtbaar tonen. Door deze gedachte kan men een begrip voor de tholos krijgen. Het in de omgeving levende Ik, dat zichzelf als rechtop en door een centrum bekroond beleeft, vindt zijn uitdrukking in de Dorische zuilen van de buitenste gang van de tholos. De muur van de cella zelf zou met de grens van de binnenste en buitenste zielenruimte vergelijkbaar kunnen zijn. Het denken, cultureel scheppende processen van het vormkrachtenlichaam, komt overeen met de Korinthische kapitelen in het binnenste van de cella, die van daar, overgaande op het met bloemen versierde cassetteplafond, naar buiten treden in de omgevingsruimte. Wij zouden dus op deze wijze in de tholos een architectonische vorm voor ons hebben, die volgens wetten is gebouwd welke wij vinden, als wij de samenhang van het Ik en het etherlichaam (vormkrachten) in het menselijke hoofd in beschouwing nemen. Evenals de mens zich met het in de kosmos levende zich verbindt, wanneer hij waarheden, dus genezend op het lichaam werkende gedachten denkt, is de tholos met het kosmische middelpunt, de zon, verbonden.
Zijn middenas, die door het midden van de tholos en het midden van de celadeur is bepaald, is ten aanzien van de oost-westrichting met 23½º naar het noorden verschoven, dus met dezelfde hoek die de aarde tegenover de ecliptica vormt. Zie hiervoor schets 4.

Een opmerkelijk feit is nog te constateren, als men de ligging van de hoofdas van het heiligdom in de beschouwing betrekt. Deze halveert de hoek die tussen de as van de tholos en de noordelijke richting bestaat (33¼°).

Zoals de tholos in de ligging van zijn as een zonnemaat vertoont, is dit ook bij de tempel van Asklepios het geval. Zijn symmetrieas loopt parallel met die van de tholos en wijkt eveneens 23½º af. Nog andere bouwwerken binnen het heiligdom lopen parallel met deze richting, maar wij kunnen hier niet op meer dan de reeds genoemde ingaan.

De tholos staat voor ons innerlijk oog als een bouwwerk, dat de wetmatigheden van het hoofd openbaart, d.w.z. de wetmatigheden welke de oorzaak van ziekten zijn. Het is mogelijk dat wij hiermede de plaats hebben gevonden, waar de priester-artsen van Epidauros hun kennis van ziekten hebben toegepast. Hiervoor vormt de tholos de meest waardige achtergrond, omdat hij als architectuur openbaart, wat de daarin werkzame mensen op het gebied van kennis zoeken. Het door de heilige slangen bewoonde labyrint onder de tholos is een noodzakelijke aanvulling tot het verkregen beeld. Het is de plaats die qua niveau lager ligt dan die, waar zich de gedachten bevinden, die de goden waardig zijn. Hij komt dus overeen met het aan de aarde gekluisterde denken, dat de mens in een duister labyrint leidt, wanneer de verbinding met de kosmos verbroken is en de weg van de geest niet meer wordt verlicht. (Het heiligdom van Epidauros geeft aanleiding om de zeker veelzijdige realiteit en betekenis van het labyrint ook eens van deze kant te bekijken. Zo was het mogelijk, dat de -zoals wij heden ten dage zouden zeggen- naar de diagnose zoekende priester-arts, het beeld van de ziekte, die genezen moest worden in het centrum van het tholos-labyrint zag, omdat de wezens, die de ziekte zijn, de zieke loslieten en de tholos binnen trokken. Zoals alle genezing niet van het hoofd uitgaat, maar van het middengebied van de mens, dat door zijn ritmen een harmonie teweegbrengt tussen de hoofd-mens en de stofwisselingsmens, die de substanties voor de genezing levert, zo gaat de imaginatie van de therapie, het beeld van de medicijn, van Asclepios uit, die zijn woning in de tempel heeft genomen. Deze tempel is door zijn ruimtelijke ligging even onafscheidelijk verbonden met de tholos, als diagnose en therapie het, tenminste in het oude Griekenland, waren. Op hetzelfde moment – zo zou men kunnen denken – dat de ziekte zich imaginatief aan de priester openbaarde, verschijnt aan de in het abaton slapende zieke, Asklepios, die uit mildheid zijn tempel verlaat, in het abaton de zieke bezoekt en de genezende artsenij brengt. Teneinde de genezingsslaap in het abaton te mogen houden, moest de zieke onder aanwijzing van de priester door oefeningen in een muzische en gymnastische disciplines, die in het stadion plaats vonden, alsmede door het opbouwen van een gezond gevoelsleven zijn bijdrage tot de therapie leveren. In het theater, zoals men mag veronderstellen, leert de patiënt het gevoelsleven harmoniseren, wanneer hij de grote tragedies beleeft, die de lotgevallen van mensen als voorbeelden vertonen. Hij beleeft, hoe mensen, subjectief gezien zonder schuld, door de wil van de Goden in hun lot verward raken, om de krachten te verwerven die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben. De zieke moest dus zelf bij zijn genezing meewerken. Hij moest werkzaam zijn in dat deel van zijn organisatie, dat voor het wakkere bewustzijn ontoegankelijk is. Hij werkte aan het ledematen- en stofwisselingssysteem door lichamelijke oefeningen en daar, waar krachten tot in het voelende bewustzijn, tot naar het hart stijgen, door het genietend beleven van de dramatische kunst. De priester en arts greep vanaf het hoofd door het mededelen van oefeningsinhouden in het verloop van de ziekte in, opdat Asclepios vanuit het ritmische middengebied van het heiligdom, de tempel, de imaginatie van de therapie kon geven, wanneer de zieke, door de oefeningen te verrichten, de voorwaarde voor de genezing had geschapen. Dat was klaarblijkelijk dan het geval, wanneer in de ziel van de zieke de gezonde harmonie tussen denken, voelen en willen zodanig was hersteld, als deze in het heiligdom van Epidauros architectonisch uitdrukking vindt. Wanneer deze toestand was hersteld, was de door de inscriptie op de Propyleeën genoemde eis vervuld en mocht de zieke Asclepios zijn offer brengen; de priester gaf toestemming tot de slaap in het abaton.

Het meest gebruikte en ook meest geschikte offer voor Asclepios was de haan. Zoals de mythologie overlevert, zijn haan en slang twee natuurbeelden die nauw met de werkzaamheid van Asclepios zijn verbonden. In het volgende zal een poging worden ondernomen ook deze twee beelden in onze huidige taal te vertalen. Hiertoe kan de natuurwetenschap vanuit een bepaald aspect bijdragen. De vogels, waartoe de haan behoort en de reptielen, waartoe de slang wordt gerekend, worden door de zoölogische systematiek samengevat tot de afstammelingen van de Sauriërs, de Sauropsiden. In tegenstelling tot alle andere diersoorten hebben de Sauropsiden één merkwaardigheid met de mens gemeen, die, omdat deze op het eerste gezicht profaan is, niet in deze samenhang lijkt te passen. Mensen en Sauropsiden scheiden in de urine niet alleen urinestof uit, zoals alle andere dieren ook doen, maar bovendien urinezuur. Urinezuur kan door sommige in de woestijn levende slangen zelfs in kristallijne vorm worden uitgescheiden. Dit is een indicatie dat urinezuur een stof is die zich graag wil kristalliseren. In de fysiologie weet men dat in het menselijk organisme een geheel chemisch systeem wordt opgebouwd dat de kristallisatie van urinezuur verhindert. Daarbij komt het feit, dat de mens een heel bepaalde en individueel verschillende spiegel van opgelost urinezuur in zijn organisme behoudt. Rudolf Steiner, naar wie nog eens mag worden verwezen, heeft in gesprekken artsen gestimuleerd de veranderingen in de afscheiding van urinezuur door denkprocessen te onderzoeken. Aan deze suggestie heeft G.Suchantke gevolg gegeven. [2] De toenmalige intentie was het verband van denkprocessen met de overwinning van kristallisatieprocessen te willen bewijzen. De denkkracht die door haar verbindende werkzaamheid begrippen samenvoegt, hangt samen met het ontbinden van natuurlijke substanties, d.w.z. van zouten. Zoals de opbouw van de menselijke lichaamsorganisatie erop berust dat natuurlijke substanties door de spijsvertering worden afgebroken en vernietigd, heeft ook de op denkprocessen gerichte culturele kant van de menselijke levensorganisatie klaarblijkelijk deze grondslag nodig. De in het hoofd aanwezige zenuwen zijn dan op dezelfde wijze het werkinstrument van het vormkrachtenlichaam bij deze werkzaamheid als de met darmen gevulde buikholte het instrument is van het vormkrachtenlichaam bij de natuurlijke processen. Evenals de spijsvertering niet alleen door de werkzaamheid van de darmen is beschreven, maar daartoe het voedsel nodig is, kunnen ook de denkprocessen niet alleen door de werkzaamheid van de hersenen worden beschreven. Pas wanneer wij de overwinning van de kristallisatiekrachten van het urinezuur er aan toevoegen, hebben wij de gehele grondslag van de denkactiviteit. Het licht dat de mens in het hoofd kan ontsteken, is zonder zijn op ontbindingsprocessen gebaseerde organische grondslag niet mogelijk.

De vogels en in het bijzonder de zangvogels hebben een transparant schedeldak. Speciaal de oogholten zijn toegankelijk voor het licht. Men weet tegenwoordig, dat het in de ogen en hersenen van de vogels schijnende zonlicht de klierwerkzaamheid van de hypofyse stimuleert. Dit geschiedt vooral door de lengte van de dag en zijn cyclische verandering in de loop van het jaar. Het zingen van de vogels in de lente, maar ook het trekinstinct van de trekvogels wordt op deze wijze gestimuleerd. De ochtendzang in het voorjaar begint precies op de minuut volgens de plaatselijke tijd. De merel b.v. begint 43-44 minuten voor zonsopgang, het roodborstje 34 minuten, de tortelduif 27 en de blauwkopmees 9½ minuten voor zonsopgang. Portmann geeft in zijn boek “Von Vögeln und Insekte”[3] waaraan deze cijfers zijn ontleend een beschrijving en samenvatting van hetgeen over de lentezang en zijn oorzaken met zekerheid kan worden gesteld. De vogels zijn met hun door de zon doorlichte hersenen natuurbeelden voor gedachten, de goden waardige gedachten, die de mens door zijn wil om te denken kan voortbrengen, De door de denkwilskracht in het binnenste ontstoken zon heeft voor haar schijnen evenzeer het correlaat van het urinezuur nodig, als de kosmische zon, wanneer deze door het transparante schedeldak het jubileren van de vogels uitlokt. Het urinezuur is de substantie, waardoor het geest-dragende wezen van de mens en het zielenwezen van de vogels zich voor het zonlicht ontvankelijk maken.

De slangen hebben hun schedel door de vorming van hoornsubstantie verduisterd. Alleen boven de pijnappelklier bevindt zich in het schedeldak een gat, misschien een aanduiding voor datgene wat bij hun val ter aarde verloren is gegaan. Dit gat in het schedeldak toont, dat de slangen volgens hun oorsprong voor het ontvangen van zonlicht zijn gevormd. Door zich van de inwerking van de zon af te sluiten zijn zij koud (wisselwarm) gebleven en hebben geen individueel warmte-organisme gevormd. De koude – zo kan men het zien – is de oorzaak dat de hoornsubstantie bij de slangen zich tot pantser heeft ontwikkeld, die het reptiel in zijn eigen organisme gevangen houdt en tegen de zonnewerking afschermt. Bij de vogels die over het warmte-organisme met de hoogste temperatuur in het gehele dierenrijk beschikken, heeft de hoornsubstantie zich tot veren omgevormd, is luchtig-licht tot drager van kleuren en tekeningen geworden, waarop is afgebeeld wat uit het zonlicht werd ontvangen. De koude, aan de duistere aarde gebonden slang, die uit oeroud, verloren gegane verwantschap met de vogelwereld het urinezuur als organische grondslag voor het ontvangen van het licht nog in het organisme draagt, is een natuurbeeld voor dat denken in het menselijke hoofd, dat de goden onwaardige, aan de aarde gekluisterde gedachten denkt. Dat zijn gedachten die voor het geestelijke deel van de wereld blind zijn, die geen genezend licht in het organisme ontsteken, die geen zielenwarmte voortbrengen. Zij leiden tot koude van de ziel en tot ziekte en vormen een zielenpantser, zoals de slang dit fysiek heeft. Zo is de slang een beeld van het materiegebonden denken. Het zich verwerven van deze wijze van denken is een ontwikkelings-historische noodzakelijkheid voor het mensdom. Hoe had de mens tot een individueel Ik, tot een zichzelf-leiden kunnen komen, als de goden hem niet hadden losgelaten? De loodrechte staf van Asklepios en de Dorische zuil van de tholos in Epidauros, zijn beelden van het vrije Ik, dat zonder de er omheen kronkelende slang niet tot zichzelf zou zijn gekomen. De staf omstrengeld door de slang, is een groots mythologisch beeld voor de zichzelf bewuste en derhalve aan ziekten blootgestelde mens.

Asklepios aanvaardt het offer van de haan, de vogel die op aarde heeft leren lopen, zonder, zoals zijn kraaien in de ochtend toont, de relatie met de zon te hebben verloren. Dit offer neemt Asklepios aan van degene die de werking van de ziekte, van de donkere zielenkrachten in zichzelf wil overwinnen.

“Kriton, wij zijn aan Asklepios een haan verschuldigd, ga en offer hem, vergeet het niet!”, dit zijn de laatste woorden van Socrates, toen hij de gifbeker reeds had gedronken; deze woorden verkrijgen hun oude klank, hun ware betekenis pas, wanneer wij ze tegen de hier geschetste achtergrond kunnen zien. Het door eigen schuld aan het lichaam toegevoerde vergif kan Asklepios geestelijk in de ziel genezen, wanneer de mens zelf de brug naar de geestelijke wereld niet wilde verliezen. Zo is ook voor Socrates de haan een natuurbeeld voor de kracht waarmee hij in het uur de geestelijke zon zocht.

De hedendaagse mens heeft zich zijn individuele Ik verworven, en de wereld van de goden verloren. Het aan zichzelf overgelaten mensdom heeft reeds te lang geaarzeld om de verloren draad weer aan te knopen, uit eigen kracht de weg terug te zoeken, om de goden als een vrij individu weer tegemoet te treden. Deze draad kan alleen daar weer worden aangeknoopt, waar zich iets goddelijks in het binnenste heeft gevormd, toen de goden in de buitenwereld verloren gingen. Dit is de kracht van het Ik, die warmte en licht in de gedachten kan brengen, opdat uit eigen kracht tot een kleurig verenkleed wordt wat anders slechts een koude slangenpantser is. Deze kracht van innerlijke verandering te oefenen en te scholen is een geneesmiddel voor de aan de ziel toegebrachte schade van onze tijd, zij is Asklepios in onszelf.

1. GA 312, de blz. is niet vermeld
Vertaald
[2] G.Suchantke: Über den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen im Menschen mit seiner Leibesnatur, Natura, 1929/30
[3] Portmann: “Von Vögeln und Insekte”,(Uitg. Fr.Reinhardt,Basel,o.J.)

.
Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

1622

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – geschiedenis – onderbouw

.

GESCHIEDENIS IN DE BENEDENBOUW

(een bijdrage…)

‘Het is niet goed als je alleen maar in het heden leeft…
Je moet ook weten wie Indië ontdekt heeft, het is gewoon goed om dat te weten.’

Aldus het heldere antwoord van een zevende-klasser op de vraag:’ Waarom leren wij geschiedenis?’

Geschiedenis.
Ja, waaróm leren wij nu eigenlijk die dingen, die zich in het verleden voltrokken hebben; waaróm leren wij datgene, wat door mensenhanden, door mensenzielen, door menselijke daad- en geestkracht geschied is?

Waarom leren wij geschiedenis?

Wij zijn met alle mensen van alle volken en volkeren op aarde verbonden. Wij ademen dezelfde lucht, nemen dezelfde sterren aan de hemel waar en ieder mensenleven is mogelijk door zonnekrachten van dezelfde zon.

Wij hebben de andere mensen nodig; de andere mensen hebben ons nodig. Daarom is het goed: van elkaar te leren; te leren van andere landen en volkeren.

Wij zijn met alle mensen verbonden in de ruimte.

Hoe?

Dat leert ons de aardrijkskunde.

Het is ook goed te leren van mensen en volken, die vroeger op onze aarde leefden. Ook met hén zijn wij verbonden.
Veel hebben zij ons geschonken, waardoor wij, in onze tijd, nu kunnen leven, zoals wij leven:

– De kruisvaarders namen de strijd op tegen de Moren, waardoor wij in zekere zin nog steeds in een vrij Europa leven.

– De ridders van de Tempelorde – ook wel genoemd Tempelridders of Tempelieren- gaven de eerste aanzet tot ons huidige bankwezen.

Hendrik de Zeevaarder opende voor ons de poort naar het Oosten: naar Indië!

Christopher Columbus slaagt er in voor ons de Atlantische Oceaan te overbruggen en ontdekt: Amerika!

Uit het voorafgaande moge blijken, dat wij met alle mensen verbonden zijn, verbonden in de Tijd.

Hoe ?

Dat leert ons de geschiedenis.

Aldus de schuchtere poging van een 7e-klasleraar om voor zijn zevende-klassers het antwoord op bovengestelde vraag te vereeuwigen in hun periodeschrift.

Waar “staat” het zevende-klas-kind, of beter gevraagd: waar “staat” het kind in de benedenbouw ten opzichte van alles wat hem omringt>
“Ik zie rond in de wereld…”

Wat beleeft het kind als het deze regel en ook steeds de volgende regels opzegt op de eerste dag (en volgende dagen) in de vierde klas en wat beleeft het daarbij in de vijfde, zesde, zevende en achtste klas?

Een antwoord proberen te geven op deze vragen, is een gevaarlijke onderneming, ligt ook geenszins in het vermogen van schrijver dezes, heeft echter alles te maken met wat er door de jaren heen aan, met, in en door het kind “geschiedt”.

Telkens weer neem je aan het opgroeiende kind waar, dat het steeds en opnieuw zijn eigen grenzen doorbreekt, dat het verschillende keren in zijn leven zijn horizon verruimt.
Het kind ontdekt telkens meer van zichzelf, wordt zich ook steeds bewuster van zichzelf en wordt zich ook steeds meer bewust van zijn/haar plaats in de wereld.

Het is enorm indrukwekkend, om te mogen ervaren hoe helder en klaar ons geschiedenisonderwijs daarop aansluit!

In de vierde klas nog geen “echte geschiedenis”, maar (Germaanse) mythologische verhalen.
In klas vijf en zes wordt in de Griekse en Romeinse historie een brug geslagen van de mythologieën naar de meer gestructureerde geschiedenis.
In klas zeven wordt veel van wat tot dusverre “versluierd” en “bedekt” was, nu “ontsluierd” en “ontdekt !”

Ademloos, vol enthousiasme, kan zo’n zevende-klasser meeleven met de lotgevallen van de verschillende ontdekkingsreizigers. Geen wonder!?

De 13-jarige is immers ook steeds op zoek naar nieuwe grenzen, is dus in zekere zin, ook een ontdekkingsreiziger, die met vallen en opstaan steeds grenzen doorbreekt en dan een stukje “nieuwe wereld” ontdekt.

Soms kan het in de belevingswereld van de prepuber heel erg duister zijn, maar telkens weer wint het licht het van de duisternis. Telkens, als de zon opgaat, blijkt de dag weer van de nacht gewonnen te hebben,..!
Een van de matrozen van Columbus, was iedere dag zo verblijd, dat hij staande aan de reling van zijn schip, kijkend tot hoever zijn horizon reikte (….!) God dankte met deze woorden:

Bendita sea la luz
Y la Santa Veracruz
Y el senor de la Verdad
Y la Santa Trinidad;
Bendito sea el dia
Y el Senor que nos Zo manda;
Bendito sea el dia
Y el Senor que nos lo envia

(Vertaling:

Geprezen zij het licht
en het Heilige Kruis
en de Heer van de Waarheid en de Heilige Drievuldigheid.
Geprezen zij de ziel
en de Heer, die haar ons schenkt.
Geprezen zij de dag
en de Heer, die hem ons stuurt).

.

J.H.M.Dieselhorst, nadere gegevens onbekend
.

Geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis 5e klas, 6e klas 

.

1563

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (8-1)

.

Op 5 mei 1818 werd Karl Marx geboren.
Zijn opvattingen stonden ver af van die van Steiner, die een honderd jaar later zijn ideeën over een driegelede maatschappijstructuur kenbaar maakte. In die tijd – o.a. van de Russische revolutie – was de invloed van Marx’ ideeën groot, maar ze stonden vrijwel haaks op de gedachten van Steiner.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Steiner ruimschoots aandacht aan hem en aan zijn opvattingen – bijv. over ‘waren, arbeid en kapitaal’ – besteedde.

In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw bestond er voor de idee van de sociale driegeleding veel meer zichtbare belangstelling dan nu – min of meer 100 jaar nadat Steiner die ideeën probeerde ingang in de maatschappij te doen vinden.

In het tijdschrift Jonas schreven door Steiner geïnspireerde auteurs met grote regelmaat over de driegeleding. En ook over Marx.

Aangezien deze artikelen nauwelijks aan zienswijze hebben ingeboet, zullen ze hier – in het kader van ‘archieveren’ worden weergegeven, voor zocer ze nog in mijn bezit zijn.

Wat kunnen we doen?

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring

Nog is er niets gebeurd; nog kan men zich terugtrekken in een dal van de Hoge Alpen in een „gezonde” natuur om uren- en dagenlang de bedreigingen van onze beschaving te vergeten, te verdringen — waarom ook niet, als men uit de stilte en schoonheid van die oases kracht en moed voor het dagelijkse leven meebrengt. Wie de wereldsituatie echter goed beschouwt en de tijdstendensen volgt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingslijnen steeds duidelijker op komende crisissen en catastrofes wijzen. Zo iets schrijft men niet graag neer en zeer zeker niet zonder zorg. Het woord catastrofe gebruik ik bepaald met tegenzin, want met „paniekzaaien” is niemand geholpen. Maar de tekenen des tijds zijn zo overduidelijk, dat men wel blind moet zijn om ze niet te zien.

Zelf zie ik de volgende hoofdproblemen, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om de mensheid in haar bestaan te bedreigen of haar ontwikkeling eeuwen terug te zetten:

• De bevolkingsexplosie en de tengevolge daarvan dreigende hongercatastrofe, die tot ernstige conflicten tussen het noorden en het zuiden kan leiden.

• De dreigende milieuvernietiging en -vergiftiging.

• De wedkamp der supermachten USA, USSR en China, die reeds door een fout in het communicatiesysteem tot een oorlog opgevoerd kan worden.

• De zelfvernietiging van de steden die een duizenden jaren oude stadscultuur dreigt te verstoren, wat een enorm sociaal onheil met zich brengen kan.

• De ongeremde exploitatie van de verstandelijke vermogens van de jeugd door de machinerie van het intellectualisme (geprogrammeerd leren, het vervroegd leren lezen, enz.)

• Het verval van de oude — alleszins problematische — moraal, zonder dat nieuwe en betere gedragsregels ervoor in de plaats komen.

Gesteld tegenover deze problemen, die men nog zou kunnen aanvullen en illustreren, komt de vraag in ons op: „Wat kunnen we doen! ” Deze vraag dringt zich vooral aan ons op, omdat men van mening is, dat degenen die de verantwoording dragen niet genoeg en niet het juiste zouden hebben gedaan. Het meest verbreide antwoord op de vraag „Wat te doen” is kort en bondig: revolutie, omwenteling! De onderlinge betrekkingen, de omstandigheden moeten veranderd worden als men werkelijk wat bereiken wil. Pas als het kapitalistische stelsel en de bureaucratische staat geliquideerd zijn, is er een kans om een nieuwe, betere maatschappij en een nieuwe mens te vormen. Revolutie betekent: radicaal opnieuw beginnen, het kwaad bij de wortel aanpakken door de oorzaken van de huidige misstand te verwijderen. En de oorzaken liggen, zo meent men, in de omstandigheden, in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Wie draagt de schuld van de milieuvernietiging: het op voordeel beluste „kapitalisme”! Wie verdient aan de oorlogen? Het „kapitalisme”! Wie wil reeds de kinderen op de omgang met machines africhten? Het machtbegerende „kapitalisme”, dat zich een gedwee volk kweekt! —Het is de materialistische interpretatie die meent met de wijziging van de omstandigheden — dus in ons geval met de liquidatie van het kapitalisme en imperialisme – de problemen zelf te kunnen oplossen en zo ook de mensen te kunnen verbeteren.

revolutie

Het is de revolutie die de gewenste grote en ingrijpende verandering in de omstandigheden brengt. Vatten we nog eenmaal kort de geschiedenis van de revolutie samen, om ons een beeld te vormen van de historische praktijk van deze wereldverandering. De revoluties treden in de latere tijd in de plaats van die bewegingen die het „goede oude” wilden herstellen: in de middeleeuwen was het de Renovatie; daarna volgden de Renaissance en de Reformatie. Ook de eerste grote revolutie van de nieuwe tijd, de Engelse, begon nog als een beweging tot herstel van het goede oude recht der Magna Charta (waarin men zijn eigen wensen geïnterpreteerd had), maar na een zestig jaar durende strijd had men tenslotte „de glorierijke revolutie” volbracht, en aan staat en maatschappij een nieuwe ordening gegeven. Zonder plannen gemaakt te hebben en zonder theorie had men de revolutie haast instinctief ten uitvoer gebracht.

Anders verliep de revolutie in Frankrijk: men wist dat er een revolutie zou komen. De gedachten van Montesquieu (machtenscheiding) en Rousseau (gelijkheid) vormden een theorie die de gebeurtenissen hun richting gaven. Met het geweld van een natuurgebeuren brak dan echter de revolutie toch in wezen onvoorgenomen en ongewild los en verzwolg niet alleen de Royalisten en Girondijnen, maar ook haar eigen bijzonderste kinderen, Marat, Danton en Robespierre. Niet de ideale deugdzame mens, die Robespierre en Rousseau zich hadden voorgesteld, werd uit de Franse Revolutie geboren, maar Napoleon, de code civil (het Burgerlijk Wetboek) en — de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw.

Door het voorbeeld van de Franse Revolutie en de kleinere die daarna nog kwamen tot aan de opstand van de Parijse Commune besefte men, wat revolutie eigenlijk was. Karl Marx voorspelde de komende revolutie. Lenin was dat niet genoeg: hij beraamde plannen en voerde tenslotte de revolutie uit.

Met het „uitvoeren” van de revolutie is een wereldhistorisch gewichtig stadium in de geschiedenis der mensheid bereikt: men maakt geschiedenis, plannen en sociale gebeurtenissen volgens bepaalde theorieën. De mensheid overschrijdt zo de drempel van de van buitenaf bepaalde „menselijke geschiedenis”.

Lenin merkte zelf al in de laatste jaren van zijn leven, dat zijn revolutie haar doel niet bereikt had. Weliswaar had hij gepoogd de oude staat, het oude leger en de bureaucratie te vernietigen en was het kapitalisme geliquideerd, maar uit alle hoeken en gaten van de Sovjetstaat kroop de oude bureaucratie tevoorschijn; al spoedig vormde zich, zoals Milovan Djilas het raak gekarakteriseerd heeft, een „nieuwe klasse” van functionarissen, en uiteindelijk bedreef de nieuwe Sovjetstaat de oude imperialistische politiek van Rusland. Men had iets nieuws willen brengen maar was ongewild weer in het oude beland. Ook al herkent men de prestaties van de Sovjetunie volledig, dan kan men nochtans de mening zijn toegedaan dat in de Sovjetstaat een technocratische kaste van functionarissen heerst over een kleinburgerlijke samenleving.

Mao Tse-tung

Vanuit dit aspect moeten we de door Mao Tse-tung in scène gezette grote Chinese cultuurrevolutie beschouwen. Nadat in 1949 de volksrepubliek China door een boerenrevolutie gegrondvest was, begon na een twintigjarige burgeroorlog een fase van kalmering en consolidering, en dat was de aanvang van een nieuwe verburgerlijking. Hoge posten werden bekleed door academici; letterkundige en wetenschappelijke examens openden de weg daartoe, zoals dat ten tijde van het confucianisme ook het geval was. Zo dreigde weer een klasse van functionarissen, litteratoren en technici te ontstaan.

Doordat men in China het gehele examensysteem en de inschrijving van studenten afschafte en in de opvoeding elke theoretische opleiding met praktisch werk verbond, begon er een heropvoedingsproces dat klassenvorming en verburgerlijking verhindert. De terugkeer der mandarijnen is door de proletarische cultuurrevolutie zeker verhinderd. Of echter de cultuurrevolutie werkelijk een spontane, vrije, scheppende beweging van de revolutionaire massa’s of de grootste massa-
indoctrinatie en geestelijke gelijkschakeling aller tijden geweest is, dat zal de toekomst ons moeten leren. — Eén ding laat het verloop van de revolutie in China ons in elk geval zien: de revolutie is geen eenmalig gebeuren meer; volgens de woorden van Mao is het zelfs als voortdurend omvormingsproces van mens en milieu gedacht.

Nieuwe ordening

Duidelijk komt in de volgende vragen de problematiek van de revolutie naar voren, namelijk: „Wat wil ze in de plaats van de oude ordening stellen? ” en „Hoe brengt ze een nieuwe ordening tot stand? ” De Franse en de Russische revolutie hebben in wezen het vraagstuk van de nieuwe ordening en van de nieuwe mens niet opgelost, maar alleen op bepaalde gebieden ingrijpende veranderingen gebracht.

De Chinese cultuurrevolutie, wat voor een zonderlinge en avontuurlijke indruk ze ook op de Europese waarnemer maken mag, heeft in elk geval een belangrijk probleem herkend en geformuleerd: „De uitbuitende klassen werden ontwapend — maar hun reactionaire ideeën blijven stevig in hun hoofden vastgeworteld. Wij hebben hun eigendom in beslag genomen, maar hun hoofden kunnen we niet van reactionaire gedachten bevrijden.”

Om de hoofden nieuwe gedachten in te prenten, begon men de cultuurrevolutie en men prijst nu in heel China de „gedachten van Mao Tse-tung”, omdat men heeft ingezien dat het handelen van de mens door zijn gedachten bepaald en geleid wordt, en men laat de intellectueel lichamelijke arbeid verrichten opdat hij uit de praktijk nieuwe gedachten zal opdoen. De revolutie wordt op deze manier tot opvoedingsproces. Mao weet dat alleen daar een nieuwe wereld, een nieuwe ordening kan ontstaan, waar nieuwe gedachten zijn.

Daarmee krijgt de gedachte, de idee, een betekenis die in de materialistische interpretatie van de geschiedenis in het geheel niet was voorzien. Naast de verandering van alleen de omstandigheden komt de verandering van de mensen en hun gedachten te staan.

Reeds in een geschrift uit het jaar 1845 kan men lezen: „De materialistische leer van de verandering der omstandigheden en der opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en dat de opvoeder zelf moet worden opgevoed. Om de samenleving te kunnen doorgronden, moet ze in twee delen worden gezien, waarvan het ene deel boven het andere verheven is.”

Deze woorden uit de stellingen over Feuerbach van Karl Marx geven een tweevoudig dilemma aan: Wanneer de omstandigheden — of de opvoeding van de mens — door iemand worden veranderd die niet al zelf veranderd is, die niet al zelf „een nieuwe mens” is, dan moet men zich niet verwonderen als alle, zij het ook met nog zo veel vlijt aangebrachte verandering, tenslotte alleen het oude reproduceert, omdat telkens de verkeerde manier van denken van de vaders weer binnensluipt en zich ermee vermengt.

Aan de andere kant vraagt Marx met recht: Welk deel van de samenleving heeft het recht zichzelf boven de ander te verheffen en hem op te voeden? Alleen de reeds volbrachte zelfopvoeding van een enkeling of van een groep mensen kan de bevoegdheid geven om de omstandigheden te veranderen! Men kan de mensheid niet de chaotische wensen van zijn eigen door het kapitalisme gevormde wezen als revolutionair programma aanbieden. Wel moet deze zelfopvoeding ook werkelijk praktisch zijn, een proces dat zich midden in het maatschappelijke leven van onze tijd afspeelt en daarin voldoet. Dan zal namelijk de omvorming van onszelf niet abstract zijn maar zich tegelijkertijd bezighouden met de verandering van de wereld. Dat weet ook Karl Marx. Hij hecht er veel waarde aan dat het allebei, de verandering van de wereld die van onszelf, op dezelfde wijze en in dezelfde mate zal gebeuren, dat het samenvalt: „De gelijktijdigheid van zowel de verandering van de omstandigheden als van de menselijke bemoeiingen om zichzelf te veranderen, kan alleen als revolutionaire praktijk gebracht en rationeel, op wetenschappelijke feiten gebaseerd, worden begrepen.

Rationeel

Waar kan zo’n revolutionaire praktijk rationeel beginnen? Vele „revolutionairen” uit onze dagen menen: in de dagelijkse politieke strijd. Dat leidt echter, zoals de ervaring ons heeft geleerd, alleen tot een hier en daar proberen, tot onrust en tenslotte tot berusting. De werkelijke revolutie neemt een ander uitgangspunt: ze begint met een verandering van het eigen denken. Normalerwijze wenden we onze gedachten net zoals ze in ons opkomen aan, om de wereld te beoordelen. Daarbij besturen zowel denkgewoonten als antipathie en sympathie onze meningen. Hebben we ons eenmaal het denkbeeld gevormd dat b.v. het materialisme de juiste wereldbeschouwing is, dan zullen we alle gedachten en redenen met ons denken erbij sleuren om deze mening te ondersteunen. Ons denken is dan in één richting geprogrammeerd.

Daartegen helpt slechts één ding: zich tegenover zijn eigen denken plaatsen en het observeren. Met de waarneming en controle van de eigen gedachten begint de werkelijke zelfbevrijding van de mens, die een omwenteling in zijn bestaan betekent. Dit is geen theoretisch probleem, maar een voortdurende practische opgave: Inzicht te verkrijgen in de gedachten en motieven die de eigen denkbeelden en daarmee ook het eigen handelen bepalen. Hiermee begint het proces van de zelfbevrijding. En dat is bepaald geen genoegen, want op hetzelfde moment waarin men ophoudt instinctmatig en volgens gewoonte over alles te oordelen, wordt men om te beginnen onzeker, men begint te vragen. Dat is al een enorme vooruitgang, want de vraag leidt tot beter en misschien ook onbevangener observeren.

Zolang men nog instinctief gewoon „erop los” dacht, wist men op alles een antwoord. Vooral als er in menselijke relaties iets verkeerd ging, was het meteen duidelijk waar dat aan lag. De van zichzelf overtuigde zocht de schuld bij de anderen; de ander, moedeloos geworden, stelde — al even onproductief — vast: mij lukt ook nooit iets. De werkelijke oorzaken opmerken, dat kan alleen hij wiens denken niet geprogrammeerd is. Wie zich vragend aan de verschijnselen weet over te geven, leert uit de praktijk van het leven. Hij krijgt dan ook vanuit de omgang met de mensen en dingen nieuwe gedachten. De theoretici van het marxisme hadden gedacht dat de bevrijde klasse der proletariërs vanzelf wel voor de nieuwe gedachten en nieuwe sociale vormen zouden zorgen. Rosa Luxemburg b.v. geloofde dat het revolutionerende proletariaat de intuitiebron zou zijn, waaruit nieuw denken en nieuw willen geboren zouden worden. Bij een dergelijke opvatting wordt vergeten dat ook het als een mythe vereerde proletariaat het bedorven, in verval geraakte voortbrengsel is van een burgerlijk-kapitalistische samenleving. Het denken van dit proletariaat — voor zover dat tenminste nog bestaat — is door de gedegradeerde vormen der burgerlijke wetenschap geblokkeerd. In werkelijkheid heeft het revolutionaire proletariaat in het geheel geen nieuwe vormen en ideeën voortgebracht, maar werd het integendeel door een kleine groep burgerlijke beroepsrevolutionairen bestuurd en aan de leiband gehouden.

Ervaring

Antroposofie stelt zich ten doel, de weg naar nieuwe gedachten en sociale vormen werkelijk vrij te maken, en ze heeft in de afgelopen tientallen jaren weliswaar niet genoeg maar toch van alles gepresteerd wat de aandacht verdient. Deze wereldbeschouwing doelt geenszins alleen op verinnerlijking en zelfopvoeding, maar in dezelfde mate op wereldhervorming. Voor haar begint echter de praktijk der verandering met de verandering van het practische denken.

In de kennisleer van Rudolf Steiner wordt dat volkomen duidelijk: de eerste schrede naar het verkrijgen van inzicht is een poging om tot rechtstreekse ervaring en waarneming te komen. In het dagelijks leven hebben we om twee redenen geen directe ervaringen. Enerzijds omdat we datgene waarmee we in aanraking komen altijd beschouwen vanuit abstracte gezichtspunten: als het om een mens gaat dan vinden we hem dom of knap, vriendelijk of hatelijk, sympathiek of onsympathiek, en zo vormen we oordelen die al van te voren onder de dictatuur van bepaalde begrippen staan, begrippen die nergens aan getoetst zijn en waarvan de gegrondheid twijfelachtig is. Erger is echter dat deze abstracte brillen ons verhinderen tot werkelijke ervaring te komen.

Anderzijds zorgt heden ten dage de technische wereld om ons heen ervoor dat mensen steeds minder werkelijke ervaringen kunnen maken. In vroeger tijden werden de meeste mensen door hun werk in weer en wind en met ploeg en hamer wezenlijk met de dingen vertrouwd. Men ondervond de gevolgen van het eigen bezigzijn lichamelijk. Tegenwoordig beschermen we ons niet alleen als we ons b.v. in het wegverkeer begeven, met een stalen pantser dat we auto noemen, we zijn ook bij de uitvoering van ons dagelijks werk tegen vele gevolgen „verzekerd”.

Het is echter noodzakelijk dat wezenlijke ervaringen gemaakt en dat deze ervaringen ten volle innerlijk doorleefd worden. Pas dan kan de mens ertoe komen dat hij spontaan vanuit eigen beleven en ervaren zichzelf uitspreekt. Directheid, spontaniteit, vrijheid, het zijn geen geschenken van de natuur, zij moeten door bewuste scholing worden voorbereid.

Nieuwe gedachten

Hoe ieder afzonderlijk zoveel mogelijk ervaringen kan opdoen, is moeilijk in het algemeen te zeggen. Maar zoveel is wel duidelijk: Men kan ernaar streven met zoveel mogelijk mensen een innerlijk levendige ontmoeting te hebben, en ook onaangenaam lijkende ontmoetingen niet uit de weg te gaan.

Verder kan men ervoor zorgen niet in een sleur te verstarren door heel bewust nieuwe werkzaamheden en taken op zich te nemen, ook die waarvoor men niet „geschikt” is. Zelfs de vakantie kan men daartoe gebruiken, door niet alleen zo maar op reis te gaan maar door zich in ander werk, onder andere mensen te hervinden, zich werkelijk te herstellen, zichzelf op een nieuwe plaats te stellen. Uiteindelijk dienen alle oefeningen waarbij de geest geschoold wordt, ter vermeerdering van de ervaring. De controle van de eigen gedachten is daarentegen een oefening die iedereen in de eerste plaats alleen te verwerken heeft. Hierbij gaat het erom niet volgens het gebruikelijke patroon te denken. Niet te vragen: wat was goed — wat was verkeerd — maar zich onbevangen aan de verschijningen over te geven en te vragen: wat is dat?

Werkelijk nieuwe gedachten komen vaak niet in ons op, omdat we al een bepaalde opvatting over het probleem hebben, omdat we al weten — of beter: denken te weten —, wat er moet gebeuren-. Als men echter al weet wat er aan de hand is en wat men te doen heeft, kan men het verschijnsel niet meer onbevangen waarnemen. Alleen daar waar het is gelukt de situatie onbevangen, met open vragende ziel innerlijk te doorleven, alleen daar treden intuïties op.

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring; uit het zuivere waarnemen ontstaat de zuivere en nieuwe gedachte. Men zal zo weliswaar niet direct met het oplossen van alle aan het begin genoemde wereldvragen kunnen beginnen, maar wel kan men iets reëlers doen: men zal kunnen beginnen met handelen, met werken, en in deze arbeid legt men kiemen, die zich verder kunnen ontwikkelen.
.

Christoph Lindenberg, Jonas 04-03-1972

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

Boeken van Lindenberg

Vrijescholen, leren zonder angstscroll op alfabet

 

1521

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/4)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST 4

Zie deel 3: Toch wijst het voorgaande niet direct op de uitvinding van drukken met losse letters, hoewel er een aanduiding is van een procedé, waarbij metalen letters werden gebruikt. Werden deze misschien bij het ’schrijven’ van een tekst achtereenvolgens op het papier afgedrukt, zo ongeveer als de letters van onze stempels.

Binnen 50 jaar na Waldfoghels tijd is geen enkel stuk drukwerk aan het licht gekomen; geen enkele schrijver heeft ernstig volgehouden dat de proeven van Waldfoghel ouder zijn dan de experimenten van Gutenberg. Men heeft wel verondersteld dat Waldfoghel het denkbeeld van drukken kan hebben opgevangen uit het een of ander dat bij het proces van Gutenberg in Straatsburg in 1438 openbaar werd. Volgens bepaalde akten woonden er verscheidene vroegere Straatsburgers omstreeks 1445 in Avignon. Hieronder was ook een zilversmid!

Volgens een duistere 17e-eeuwse kroniek zou Pamfilo Castaldi van Feltre in Italië de uitvinder der boekdrukkunst zijn. Zijn geboorteplaats schonk zoveel geloof aan dit verhaal, dat er in 1868 een monument voor hem werd opgerioht. Geschiedkundigen vatten het verhaal niet ernstig op, hoewel het een feit is dat hij de eerste drukker van Milaan was.

België laat nog een zwak geluid horen met Jean Brito, die zich te Brugge van ongeveer 1477 tot 1488 met drukken heeft beziggehouden. Geen van die vertelsels berusten echter op iets anders dan op plaatselijke legenden.

De uitvinding verbreidde zich snel over heel Europa. Duitsland en Nederland gingen voorop in de rij van landen waar drukkerijen werden opgericht en vele andere volgden hun voorbeeld. In Italië werd in 1464 een drukkerij opgericht in het klooster Subiaco bij Rome, die korte tijd later naar het centrum van de hoofdstad werd verplaatst.

Op verzoek van enkele hoogleraren kreeg de Parijse Sorbonne in 1470 een drukkerij. Het slotschrift van het eerste gedrukte boek te Parijs draagt het jaartal 1470 en noemt als drukkers: Michael Friburger, Ulrich Gering en Martin Cranz.

Wat Engeland betreft namen enkele kooplieden in 1476 het initiatief. Aan het eind van de 15e eeuw bezaten meer dan 100 Europese steden een drukkerij. Hoewel de techniek nog primitief was, vervaardigden de eerste drukkers prachtige werken. Hun producten (tot ± 1600) noemen we incunabelen of wiegedrukken, omdat de boekdrukkunst zich nog ’in cuna’ (in de wieg) bevond!

Natuurlijk heeft men in de loop der tijd veel weten te verbeteren aan de techniek van het boekdrukken, maar toch is deze bijna drie eeuwen lang in feite ongewijzigd gebleven.

In de 16e eeuw kwam de techniek van de kopergravure op. Aangezien die uitermate geschikt was voor technische en natuurwetenschappelijke werken verdrong die bijna de boekdruk zelf. Het spreekt wel vanzelf dat de kopergravure met kop en schouders uitstak boven de houtsnede. Met de naald graveerde men alles veel fijner in metaal dan men met hout sneed. De houtsnede deed nog slechts dienst voor de armelijke volksprenten, maar omstreeks 1800 beleefde de houtsnijkunst een nieuw hoogtepunt.

Drie procedés

In 1796 werd de grondslag gelegd voor de zgn. steendruk (lithografie). Daarmee ontstond – naast de hoogdruk en de diepdruk – de derde van de drie hoofdprocedés : de vlakdruk. Voordat we over elk van deze drie procedés iets zeggen, vermelden we nog dat vele uitvindingen werden gedaan en dat men nog vele verbeteringen aanbracht. We noemen daarvan slechts de stoomdrukmachine, rotatiepers, tegelijk gieten en zetten van letters enz. Bovendien haalde men steeds grotere oplagen in steeds kortere tijd!

Zonder ons te veel in technische details te verdiepen gaan we hieronder na wat de drie hoofdprocedés waarover we het hadden, precies inhouden.

Om teksten of afbeeldingen te kunnen afdrukken, hebben we drie dingen nodig: 1. een drukvorm (met tekst en/of figuren);
2. papier of een dergelijk materiaal;
3. een werktuig dat – door middel van druk – de tekst en/of figuren overbrengt.

Hoogdruk is het procedé waarbij het te drukken beeld verhoogd is aangebraoht. Om afdrukken te krijgen moeten we de letters en clichés (de verhoogde delen dus) door middel van rollen van inkt voorzien. Doordat het drukbeeld hoger ligt dan zijn omgeving neemt alles wat niet tot de voorstelling behoort, geen inkt op. We kunnen deze methode vergelijken met de rubber lettertjes waarmee kinderen spelen.

Diepdruk moet u zien als het tegengestelde van hoogdruk. Het drukbeeld is hier namelijk niet verhoogd maar verlaagd aangebraoht in het metaal. Vroeger werd het beeld verkregen door etsen of graveren. Tegenwoordig* maakt men echter gebruik van chemicaliën die het beeld in een koperen cilinder bijten. Voorzien we de cilinder nu van inkt, dan komt niet alleen het verlaagde beeld met de inkt in aanraking, maar het gehele cilinderoppervlak. Bij afdrukken zou dit een onleesbare, zwarte en vlekkerige massa geven! Daarom wordt de overtollige inkt vóór het drukken weggeschraapt met een soort verend mes, waaraan men de naam rakel heeft gegeven. Het spreekt wel vanzelf dat alleen de inkt van de oppervlakte wordt verwijderd. Naar de naam van het verende mes spreekt men ook van rakeldiepdruk.
Ten slotte de vlakdruk. Bij deze druktechniek ligt het te drukken beeld op gelijke hoogte met de delen die niet mogen drukken. Na ininkting zou dus alles afdrukken, hetgeen een groezelige massa zou geven. Door gebruik te maken van het feit dat water en vet elkaar afstoten, heeft men dat opgelost. Wanneer men met inkt (vet) op een ondergrond van b.v. metaal een tekst aanbrengt, bereikt men dat alleen die tekst wordt afgedrukt, en wel door de niet voor afdrukken bestemde delen waterhoudend en dus vetafstotend te maken. Als dus een bewerkte plaats eerst met water wordt ingerold (de tekst neemt hierbij geen vocht aan) en daarna met (vette) inkt, neemt uitsluitend de tekst inkt aan. Bij contact tussen beeld en papier wordt dus alleen de tekst overgebracht. De bekende offsetdruk is vlakdruk.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend *artikel waarschijnlijk uit de jaren 1980 of eerder. Uiteraard heeft de ontwikkeling niet stilgestaan. Om die te zien, zou je bijv. met een klas naar een drukkerij kunnen gaan.

Deel 1    deel 2     deel 3

.

7e klas geschiedenisalle artikelen

.

1518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/3)

 

het ontstaan van de boekdrukkunst 3

Op grond van de huidige kennis mogen we aannemen dat het drukken met losse letters van metaal door Johann Gutenberg te Mainz of omgeving, tussen 1440 en 1450, is uitgevonden. Zowel in Mainz als in Straatsburg heeft men een standbeeld van hem als de uitvinder der boekdrukkunst geplaatst.

Zoals we al eerder zeiden, is die mening niet onaangevochten gebleven. De meeste aanspraken van andere landen kunnen we gevoeglijk terzijde schuiven. Een daarvan, namelijk die van ons eigen land, verdient een nadere beschouwing. De Hollandse aanspraak op de uitvinding is pas lange tijd na de uitvinding zelf naar voren gekomen. We vinden het eerste gerucht in een in 1499 te Keulen gedrukt boek: de ‘Keulse Kroniek’. Daarin komt o.a. de volgende passage voor: ‘Hoewel deze kunst in Mainz werd uitgevonden, voor zover het betreft de wijze waarop die thans in de regel wordt gebruikt, werden de eerste voorlopers daarvan in Holland gevonden.’

U begrijpt dat dit verhaal niet bepaald veel houvast geeft. Deze mededeling, die steunde op mondelinge verklaringen, stelt vast dat het boekdrukken in Mainz werd uitgevonden. Deze uitspraak wordt echter onmiddellijk in twijfel getrokken met de opmerking dat ‘er al voorlopers in Nederland waren geweest, namelijk in de vorm van Donaten’ (sehoolgrammatica’s), die vóór die tijd waren gedrukt. Geen enkel document bevestigt dit echter. Het zal u niet verbazen dat het woord ‘voorlopers’ (Vurbyldung) een bron van talloze onderzoekingen en redetwisten is geweest.

Een van de overige verhalen over de uitvinding in Holland is van Adriaen de Jonghe, een Nederlandse dokter en geschiedschrijver, ook genoemd Hadrianus Junius. Een door deze Hadrianus Junius geschreven geschiedenis van Holland, ‘Batavia’ geheten, vormt de voornaamste grondslag voor de Hollandse aanspraak op de uitvinding. Junius eiste de eer van de uitvinding zonder voorbehoud op voor Haarlem. Dit baseerde hij op inlichtingen die hij van bejaarde inwoners ‘van onbetwistbare betrouwbaarheid’ uit Haarlem zou hebben gekregen. Hij vermeldt dat vóór 128 jaar – dat is in 1440 – in Haarlem een zekere Laurens Janszoon Coster leefde, van wie op het moment dat Junius dit schrijft nog nazaten in leven waren.

Coster bezat het kostersambt erfelijk, maar het dagelijkse werk dat daaraan was verbonden, verrichtte hij niet zelf; hij was koopman en zorgde in die hoedanigheid voor de leverantie van kaarsen, olie, zeep en wijn. Op een dag toen Coster ‘met zijn kleinkinderen’ (volgens Junius!) in de Hout wandelde, sneed hij enige letters uit boombast; hij constateerde dat die letters op een vel papier een afdruk maakten. Hij begreep dat dit van betekenis zou kunnen zijn en besloot deze proef in het groot te herhalen. Samen met zijn schoonzoon, Thomas Pieterszoon, ontwikkelde hij een betere zwarte inkt, omdat de gewone inkt geen duidelijke afdrukken gaf, en verving de beukenhouten letters door loden. Later gebruikte bij tin om ze sterker en duurzamer te maken,

We vervolgen met een citaat uit de eerdergenoemde, in het Latijn geschreven, ‘Batavia’ van Junius.
‘De nieuwe uitvinding bloeide wegens de graagte waarmee het volk het nieuwe product kocht. Er werden leerlingen aangenomen. Het begin van het ongeluk, want onder hen was een zekere Johann. Nadat deze Johann de kunst van letters gieten en zetten – dus het gehele bedrijf – had geleerd, greep deze op kerstavond, toen allen naar de kerk waren, de gunstige gelegenheid aan en stal de gehele voorraad lettermateriaal met de gereedschappen en werktuigen van zijn meester. Hij begaf zich eerst naar Amsterdam, toen naar Keulen, en uiteindelijk naar Mainz, dat ver genoeg was om hem veilig te doen zijn, opende aldaar een drukkerij en oogstte de vruchten van zijn diefstal. Het is bekend dat binnen het jaar, in 1442, met dezelfde letters die Laurens in Haarlem had gebruikt, zijn eerste werk verscheen, het ’Doctrinale’ van Alexander Gallus, een spraakkunst die in die tijd in algemeen gebruik was, te zamen met de tractaten van Petrus Hispanus. Dit is ongeveer het verhaal zoals ik het heb gehoord van oude en vertrouwde mannen, die het van hun voorvaders hadden vernomen.’

Tot zover Junius.

We moeten bij het voorgaande aantekenen dat Hadrianus Junius verre van kritisch was ten aanzien van de feiten die hij noemt. Uit een stamboom blijkt bijvoorbeeld dat Coster in 1440 nog geen kleinkinderen had! Junius vertelde slechts het verhaal dat toen de ronde deed.

Geen enkele aantekening in officiële stukken legt verband tussen Coster en het drukkersbedrijf. Eerst in 1559 vermeldt een geschreven stamboom van de familie Coster dat deze ‘de eerste druk in de wereld bracht’, en wel in 1446.

Vóór 1470 kon men echter geen met losse letters gedrukte boeken aanwijzen; de oudste boeken droegen geen merk omtrent het jaar van drukken. Wat Coster betreft besluiten we met te vermelden dat er geen enkel bewijsstuk bestaat aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het Hollandse drukwerk aan de aanvang der typografie in Duitsland vóóraf ging. Wat zou er met de drukkerij van Coster zijn gebeurd? Men neemt aan dat zijn nabestaanden de drukkerij hebben voortgezet (tot ongeveer 1470). Volgens Junius zijn de overgebleven letters van Costers drukkerij gesmolten om er wijnkannen van te maken.

In Haarlem heeft men op de Grote Markt voor Laurens Janszoon Coster een standbeeld opgericht. Achter de firma Enschedé en Zonen bevindt zich eveneens een standbeeld te zijner ere. Ook in de Haarlemmerhout vinden we een gedenksteen.

Overige aanspraken

Er zijn meer pretendenten geweest voor de eer van uitvinder der boekdrukkunst. Ze zijn echter weinig geloofwaardig. Een daarvan berust enigszins op een deugdelijke grondslag. In 1890 ontdekte Abbé Requin te Avignon in Frankrijk vijf notariële protocollen in het Latijn, gedateerd 1444 en 1446. Deze vermeldden dat Procopius Waldfoghel, een zilversmid uit Praag, destijds woonachtig in Avignon, zich bezighield met een methode ‘om kunstmatig te schrijven’. Een van die documenten spreekt van ‘twee stalen alfabetten, twee ijzeren vormen, een stalen schroef, achtenveertig tinnen vormen, en verschillende andere vormen, behorende tot de kunst van schrijven’.
Een ander document ging over een belofte die Waldfoghel gegeven had om les te geven in zijn kunst van schrijven. We horen voorts over beloften om geen anderen in te wijden in deze kunst; over de vervaardiging van 27 Hebreeuwse letters gesneden in ijzer ‘volgens de wetenschap en de methode van schrijven’ en over instrumenten van hout, tin en ijzer.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1    deel 2    deel 4
.

Gutenberg, Coster

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1517

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/1)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST

We leven in een tijd waarin massa’s boeken, tijdschriften en kranten verschijnen. Daarmee houdt verband dat er zeer veel wordt gelezen. We staan er eigenlijk zelden of nooit bij stil dat er ook eens een tijd is geweest dat men niet zo gemakkelijk over fraai gedrukte teksten kon beschikken. De uitvinding van de boekdrukkunst is dan ook van onschatbare waarde gebleken. Geen uitvinding biedt betere mogelijkheden om de gedachten, ideeën en kennis van de mens door alle tijden heen te bewaren en onder komende geslachten te verspreiden. De gedrukte tekst is altijd de beste en veiligste cultuurdrager geweest en zal dat ook in de toekomst blijven.

Bijna alle teksten die we onder ogen krijgen zijn gedrukt. Daarom kunnen we ons moeilijk voorstellen dat het vroeger bijna onmogelijk of zeer tijdrovend was een tekst te vermenigvuldigen. Afgezien van de delen van de wereld waar de bevolking nog analfabeet is, gebruikt men overal lettertekens. Een onderontwikkeld gebied kan pas tot bloei komen als de bevolking kan lezen en schrijven. Het schrift is uit onze samenleving dan ook niet weg te denken. Alleen door middel daarvan kunnen onze gedachten en woorden worden vastgelegd op het moment dat we ze produceren. Hierdoor kan men op zeer grote schaal van gedachten wisselen. Bovendien deed zich dikwijls de behoefte gevoelen wettelijke of religieuze voorschriften vast te leggen.

In dit artikel zullen we ons niet bezighouden met de ontwikkeling van het schrift, maar met de ontwikkeling’ van het schrijfmateriaal. We leggen de nadruk op het boekdrukken.

De niet-Semitische Soemeriërs maakten gebruik van stukjes klei om hun karakteristieke spijkerschrift in vast te leggen. Door de Babyloniërs verspreidde dit schrift zich naar o.a. de Elamieten, de Assyriërs, de Hittieten en de Perzen. Er zijn grote bibliotheken van kleitabletten bewaard gebleven. Een daarvan is de verzameling van ruim 22.000 tafeltjes die door Assoerbanipal in Ninive was aangelegd.

Schrijfmateriaal

Ook de Egyptenaren kenden omstreeks 2900 voor Chr. een beeldschrift. Omstreeks die tijd had de bereiding van papyrus in Egypte een hoge graad van volmaaktheid bereikt: het was licht, fijn en toch sterk. Het oudstbekende exemplaar dateert van ongeveer 3000 v. Chr.!

In die tijd maakte men in China gebruik van boombast als schrijfmateriaal. Er is echter niets van teruggevonden. Veel later kwam de zijde hier als schrijfmateriaal in gebruik.
Het gebruik van papyrus bleef niet tot Egypte beperkt. Het vond verbreiding in het gehele Middellandse Zeegebied. Het werd in Griekenland in de 7e eeuw v. Chr. ingevoerd.

In verband met o.a. de hoge vrachttarieven en belasting werd de prijs ervan te hoog. Daarbij kwam nog het nadeel dat het erg bros en gevoelig voor vocht was. Bovendien waren voor één enkele tekst vele rollen nodig: het was slechts aan één zijde beschrijfbaar. Papyrus dankt zijn naam aan een in het oude Egypte inheemse rietsoort die in de moerassen groeide. Het komt thans nog in het wild voor op Sicilië. De Egyptenaren gebruikten het voor vele doeleinden: het werd gegeten, van de vezels maakte men touwen, matten, sandalen enz. Voor ons is het van belang dat zij het gebruikten voor het vervaardigen van schrijfmateriaal, dat een belangrijk exportartikel zou warden en eeuwenlang in de Grieks-Romeinse wereld werd gebruikt. Van de drie tot vier meter lange stengel werd de groene bast verwijderd. De resterende mergachtige pit deelde men in moten en sneed er dunne stroken van. Deze stroken werden in horizontale richting dakpansgewijs over elkaar gelegd, bevochtigd en door er met een hamer op te kloppen aan elkaar bevestigd. Om het geheel wat te verstevigen legde men een tweede laag verticaal gerangschikt daarachter. Na in de zon gedroogd te zijn was het goed beschrijfbaar. Door de verschillende vellen aaneen te voegen, kreeg men papyrusrollen van soms wel tientallen meters. Papyrus was duur en daarom gebruikte men daarnaast voor minder belangrijke optekeningen ook kalkstenen scherven. Aangezien papyrus niet zonder beschadiging gevouwen kon worden, bewaarde men het opgerold op een houten of ivoren staaf. Bij het lezen rolde men het in kolommen beschreven vel geleidelijk af. Een enigszins uitvoerig geschrift bestond uit vele rollen.

In Egypte heeft het droge woestijnzand vele papyri uit hellenistisch-Romeinse tijd bewaard. In de keizertijd moest het papyrus het veld ruimen voor het perkament. De grondstof daarvoor (dierenhuid) was overal te krijgen en had een grotere duurzaamheid dan papyrus. Aan het feit dat de bereidingswijze uit
schapenhuiden in Pergamum werd verfijnd dankt het de naam die de Romeinen eraan gaven: perkament.

Het had vele voordelen boven andere materialen, waarvan we hier slechts noemen dat het aan beide zijden kon worden beschreven en dat het vouwbaar was. Op den duur was perkament als schrijfmateriaal echter te kostbaar en stond daardoor een algemene verbreiding in de weg. Het moest geleidelijk zijn plaats afstaan aan een nieuw materiaal dat omstreeks de achtste eeuw vanuit China door de Arabieren in Europa werd geïntroduceerd, namelijk het papier. De uitvinding van dit materiaal speelde een grote rol bij de ontdekking van de boekdrukkunst.

Monnikenwerk

Zoals we in een eerder artikel schreven, dateren de oudstbekende handschriften uit de vierde eeuw. De vroegste Middelnederlandse teksten stammen uit de achtste eeuw. Verspreid over musea en bibliotheken zijn ons vele duizenden handschriften uit deze en latere tijden nagebleven. Vooral de benedictijnen en karthuizers hebben zich met een bijna eindeloos geduld toegelegd op het kopiëren van dit soort teksten.

Het kopiëren van boeken was dus met recht ‘monnikenwerk’. Het was voor de leek niet lonend, omdat het wekenlang of maandenlang schrijven – om één boek te vervaardigen – bijna niet te betalen was. Als er geen geduldig schrijvende monniken waren geweest die hun leven van armoede aan het kopiëren van boeken hadden besteed, zouden er in de middeleeuwen veel meer getuigenissen verloren zijn gegaan. De kloosterlingen schreven dag in dag uit, en verrijkten de wereld met honderden exemplaren per jaar! Ze stonden dagelijks in het ‘scriptorium’ of in de librije over hun lessenaar gebogen om de teksten over te schrijven.

Men kreeg hoe langer hoe meer behoefte aan meer afschriften en een goedkopere vermenigvuldiging; het langzame schrijven ging men als een hindernis beschouwen, Het stuk voor stuk moeizaam overtekenen van boeken was karakteristiek voor de werkwijze van de bezadigde middeleeuwer, maar het schrijfwerk der monniken zou spoedig tot het verleden gaan behoren. Hun manuscripten zouden – na vergelijking en verbetering van schrijffouten – met duizenden tegelijk in druk worden verspreid.

Lang voordat de boekdrukkunst in Europa haar intrede zou doen, was het probleem hoe men bepaalde teksten in meer exemplaren kon reproduceren door de oude volkeren der beschaving op hun eigen wijze opgelost. Zo kenden b.v. de Egyptenaren, de Assyriërs en de Babyloniërs reeds technieken om gebakken tegels te bedrukken. Het is voorts bekend dat de Chinezen reeds vroeg plankjes gebruikten die met inkt werden ingesmeerd om tekens én letters af te drukken.

U vraagt zich nu misschien af hoe men er dan bij komt de uitvinding van de boekdrukkunst toe te schrijven aan een Nederlander of een Duitser uit de 15e eeuw. Onder andere door de aard van de woordtekens waren de omstandigheden in het verre oosten niet gunstig voor de opkomst en de bloei van een boekdrukkunst. Zo bleef alles wat o.a. in China op dit gebied was bereikt in cultuurhistorisch opzicht onvruchtbaar.

Voorafgaand aan de ‘echte’ boekdruk, zoals die thans is, kende men ook in Europa het zgn. blokboek. Zo’n blokboek kwam tot stand door zowel de tekst als de illustraties in hout uit te snijden en de aldus vervaardigde houten ‘stempel’ af te drukken. Voor deze zgn, xylografie (houtsnede) die in de 2e eeuw na Chr. in China ontstond, gebruikte men verschillende houtsoorten met fijne nerf en grote hardheid, zoals hout van perenboom, appelboom, palm en wilde vijgenboom. Het vervaardigen van teksten door middel van houtdruk vroeg veel tijd van voorbereiding en maakte slechts kleine oplagen mogelijk (door slijtage van het hout). Beroemde voorbeelden van blokboeken zijn: ‘Biblia pauperum’, ‘Ars moriendi’ en ’Canticum canticorum’, alle van Nederlandse af Duitse oorsprong.

Na de elfde eeuw ontwikkelde de houtsnijkunst zich snel, mede door de uitvinding van het papier. Na de uitvinding van de losse letters werd de
houtsnede nog aangewend voor illustratie. Het hoogtepunt van de Europese houtsnijkunst werd omstreeks 1500 bereikt, met o.a. Albrecht Dürer. De beroemde series als de ‘Grote Passie’, de ‘Kleine Passie’ en het ‘Leven van Maria’ zijn daar het schitterende bewijs van.

De grote ontwikkeling van de boekdrukkunst begon echter met de toepassing van losse, metalen letters in de 15e eeuw.

Als we proberen ons te verplaatsen in een wereld zonder boekdruk zouden we merken dat we daar niet meer buiten kunnen. Gedrukte boeken e.d. zijn immers zo vanzelfsprekend voor ons! Deze uitvinding is zo belangrijk voor de mensheid gebleken, dat geen enkel feit in de cultuurgeschiedenis de uitvinding van het boekdrukken ook maar kan benaderen in belangrijkheid. Grote denkers hebben de uitvinding van het boekdrukken de geniaalste genoemd die ooit door de menselijke geest aan de samenleving is geschonken. Op geen enkel gebied van menselijke werkzaamheid zou de enorme ontwikkeling in de laatste eeuwen
mogelijk zijn geweest zonder de boekdrukkunst: wetenschap, kunst, techniek, religie, letterkunde enz. Iedereen die kon lezen, kreeg nu de gelegenheid daartoe, en wie niet kon lezen kreeg nu de middelen om zich die vaardigheid eigen te maken.
.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gevenens onbekend
.

deel 2     deel 3    deel 4
.
Geschiedenis klas 7: alle artikelen

.

1515

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (12-2)

.

Het Romeinse legerkamp

Zo moet een Romeins legerkamp er tegen het begin van onze jaartelling hebben uitgezien. Sommige details zijn in deze tekening weergegeven zonder rekening te houden met hun afmetingen en aantal, om het geheel zo duidelijk mogelijk te maken.

Verklaring van de plattegrond

1. Hoofdpoort of ‘Pretoriaanse’ poort
2. Achterpoort
3. Linkerpoort
4. Rechterpoort
5. Pretoriaanse weg
6. Hoofdweg
7. Nog een hoofdweg die ‘Vijfde weg’ werd genoemd
8. Forum, de open vergaderruimte
9. Pretorium, de plaats waar de tent van de generaal stond
10. Driepoot voor het brengen van offers aan de góden
11. Tent waarin de vaandels en de andere onderscheidingstekenen van het legioen werden bewaard
12. Tribunaal, een verhoging vanwaar de generaal zijn troepen toesprak
13. Tent voor de administratie
14. Tent van de lijfwacht van de generaal.
15. Tenten van de officieren. Deze werden dichtbij die van de manschappen geplaatst, zodat iedere officier zijn eigen manschappen kon overzien.
16. Tenten voor de manschappen. In de winter werden de tenten van huiden vaak vervangen door barakken van hout of steen
17. Tenten van bondgenoten en huursoldaten
18. Stal voor de paarden
19. Smederij
20. Verdedigings-gracht van 4 meter breed en 3 meter diep
21. Aarden wal
22. Palissaden; bij verplaatsing van het kamp droegen de soldaten de palen van het ene kamp naar het andere
23. Uitkijktoren.

Van de Romeinse geschiedschrijver Livius weten we, dat de consul Paulus Emilius op zekere dag zijn legioen opdracht gaf een kamp in te richten. Nu was dat inrichten niet zo’n enorm karwei, want het ging er alleen maar om een kleine versterking te bouwen waarin de soldaten zich konden terugtrekken. Bovendien waren de soldaten geoefend in de bouw van zo’n eenvoudig kampement en moesten ze het karwei in 6 uur tijd kunnen klaren. Terwijl iedereen druk bezig was, meldde een jonge officier de consul dat de vijand naderde. Als die onmiddellijk zou aanvallen, zou dat vrijwel zeker een nederlaag voor de Romeinen betekenen.
De officieren die van het bericht hoorden, gaven hun soldaten onmiddellijk bevel te stoppen met de bouwwerkzaamheden.
Ze vonden het verstandiger de wapens bij de hand te houden en de vijand op te wachten.
Maar de consul dacht er anders over: het werk moest doorgaan!
De officieren smeekten hem, hun toe te staan de soldaten in slagorde op te stellen, maar de consul was onvermurwbaar.
Met een somber gezicht beklom hij een verhoging in het kamp en hield een toespraak, die sindsdien beroemd is geworden:

‘Mijne heren,’ sprak consul Paulus Emilius, ‘u was toch van plan een kamp in te richten en het te voorzien van alles wat nodig is? Welnu, we kunnen het slechts verlaten als het klaar is. Pas dan kunnen we ten strijde trekken, want het zal ons tot bescherming moeten dienen als de strijd ons noodzaakt terug te trekken. Daarom brengen we toch de versterkingen aan? Wanneer het kamp van een generaal vernietigd wordt, wordt hij als een verliezer beschouwd, zelfs als hij de strijd heeft gewonnen. Een kamp is de kracht van de overwinnaar en een toevlucht voor wie dreigt te verliezen.
Hoeveel legioenen zijn er niet geweest die op het punt stonden te verliezen?
Trokken ze zich niet terug in hun kampen en vonden ze daar geen bescherming? Het is menigmaal gebeurd, dat dergelijke legioenen vervolgens een uitval deden en de vijand onder de voet liepen. Het kamp dient voor iedere soldaat een tweede vaderland te zijn en de tent is zijn huis en haard.’

Nadat Paulus Emilius deze woorden had gesproken, moesten de officieren wel toegeven. Ze zagen af van de strijd en zetten hun werk als timmerlieden en grondwerkers voort. Zóveel belang werd er gehecht aan de Romeinse legerkampen, dat men er een nederlaag voor wilde riskeren.

Door heel Europa
Het moet toch wel een flink karwei zijn geweest om zelfs grote legerkampen, met alles wat daarbij hoorde, af te breken en na transport op een andere plaats weer op te bouwen. Dat was alleen mogelijk door de grote discipline die de Romeinse legioensoldaten werd opgelegd.
In het kamp had alles een vaste plaats. Daardoor waren er nauwelijks bevelen nodig om de soldaten aan het werk te zetten. Iedereen wist nauwkeurig wat hem te doen stond. Iedere tent en iedere paal had zijn vaste plaats. Soms groeide een legerkamp uit tot een legerplaats, een echte vaste nederzetting.
In de veroverde gebieden, door heel Europa, groeiden om die legerplaatsen vaak dorpen en ten slotte steden.
In Spanje, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, België en Nederland liggen onder tal van moderne steden de resten van oude Romeinse legerplaatsen.

Op de plattegrond zien we de ontwikkeling van de Italiaanse stad Pavia, vanaf de Romeinse tijd tot aan de 17e eeuw.

De luchtfoto hierboven toont de oude binnenstad van Pavia, die nog steeds de typisch vierkante vorm van het Romeinse legerkamp heeft.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

.

1469

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 301 voordracht 12

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 301: vertaling
inhoudsopgave;     voordracht:   [1]  [2]  [3]  [4]  [5]  [6]  [7]  [8]  [9]  [10]  [11]  [13]   [14]

RUDOLF STEINER:

DE VERNIEUWING VAN DE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE KUNST DOOR GEESTESWETENSCHAP

14 voordrachten gehouden te Bazel van 20 april tot en met 11 mei 1920, met vragenbeantwoording en inleidende woorden bij twee euritmieopvoeringen [1]

12e voordracht Bazel, 7 mei 1920 [2]

Inhoudsopgave
Geschiedenis en aardrijkskunde:
Geschiedenis: uitgaan van wat uit vroegere tijden nog aanwezig is
verworvenheden van de Grieken in de moderne tijd
uitgaan van gehelen in plaats van details. Economie van het onderwijs
algemeen menselijke waarden, individueel bewustzijn, algemeen menselijk als karakteristiek van na-Griekse (christelijke) tijd
geen pragmatisch, maar symptomatologische geschiedenisopvatting
aardrijkskunde
over linkshandigheid.

blz.  184

Geschichts- und Geographieunterricht

Wenn man die Kinder in der angedeuteten Weise so weit gebracht hat in dem Lebensabschnitt gegen das 12. Jahr hin – einzelnes, wie zum Beispiel das Bruchrechnen, werden wir noch nachholen -, wird man sehen, daß sie dann reif sind, auf der einen Seite für die Aufnahme des eigentlichen Geschichtsunterrichtes und auf der anderen Seite des Geo­graphie-, des physikalischen und des chemischen Unterrichtes. Zu glei­cher Zeit reifen die Kinder in diesen Jahren zur Vorbereitung für eine wirkliche Lebenspraxis heran. Nach dieser Richtung möchte ich heute einige skizzenhafte Andeutungen machen.
Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.

geschiedenis en aardrijkskunde

Wanneer je de kinderen op de aangeduide manier tot zo ver in de leeftijdsfase tegen het 12e jaar hebt begeleid – details, zoals bijv. de breuken, doen we later nog -, zal je zien, dat ze dan rijp zijn om aan de ene kant het eigenlijke geschiedenisonderwijs te kunnen begrijpen en aan de andere kant het aardrijkskundeonderwijs, natuur- en scheikunde. Tegelijkertijd worden de kinderen in deze jaren rijp voor de voorbereiding op het echte praktische leven. In deze richting wilde ik vandaag schetsmatig wat aanwijzingen geven.
Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.

 Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tier-gruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.
Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.
Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 189

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug.

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven. Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe ovegaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee krijgen van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid te presteren.
Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiastmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen.
Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om  op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten.
En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgansimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen. Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het chrtistendom: het algemeen menslijke.
Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïvere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurt is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [3] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religeuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie. 

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.
Nun sagte ich, man habe die Kinder vorzubereiten durch die Natur­geschichte auf die Geschichte, wenn man so vorgeht, wie ich es in den vorangegangenen Betrachtungen charakterisiert habe. Man hat aber die Kinder auch vorbereitet auf das Leben der Erde, indem man so Bota­nik getrieben hat, wie ich es charakterisiert habe. Dann kann man in diesem Lebensalter auch zum Geographischen übergehen. Dieses Geo­graphische sollte sich aufbauen können auf allerlei in erzählender Form gehaltene Schilderungen von Gegenden, wobei auch ferne Gegenden, zum Beispiel amerikanische oder afrikanische Gegenden, geschildert werden können. Dadurch, wie auch durch die vorausgegangene Natur­geschichte, in der der Zusammenhang des Pflanzenreichs mit der ganzen

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen.
Nu zei ik dat je de kinderen door de biologie moet voorbereiden op geschiedenis, als je zo te werk gaat als ik in de vorige beschouwingen gekarakteriseerd heb. Je hebt de kinderen ook voorbereid op het leven op aarde, als je zo plantkunde hebt gegeven als ik geschetst heb. Dan kun je op deze leeftijd ook aardrijkskunde gaan doen. Deze aardrijkskunde moet kunnen bouwen op allerlei schilderingen in vertelvorm van gebieden, waarbij bijv. ook veraf gelegen streken zoals bijoorbeeld Amerikaanse of Afrikaanse streken geschetst kunnen worden. Daardoor, zoals ook door de voorafgaande biologie waarin de samenhang van het plantenrijk

blz. 197

Erde dargestellt wurde, ist das Kind vorbereitet, um gegen das 12. Jahr hin Verständnis zu haben für das eigentlich Geographische. Bei dieser Geographie kommt es jetzt darauf an, zu zeigen, wie von der Erde aus, von dem Klimatischen, von alledem, was die Erde an gesetzmäßiger Gestaltung und Struktur an ihren verschiedenen Orten hervorbringt, wie von dem das abhängt, was man in der Geschichte gerade entwickelt. Nachdem man einen Begriff gegeben hat vom Zu­sammenhang von Meer und Land, von dem Klimatischen im alten Griechenland, kann man nun zurückleiten auf dasjenige, was man rein als Symptom für den inneren Werdegang der Menschheit in bezug auf den Charakter des Griechentums entwickelt hat. Ein inniger Zusam­menhang kann dann gefunden werden zwischen dem geographischen Bild, das man von der Erde gibt, und dem geschichtlichen Werden. Eigentlich sollten immer ineinandergreifen die Schilderungen der Erden-gegenden und die Schilderungen, die man vom geschichtlichen Werden gibt. In der Geographie sollte im Grunde genommen Amerika nicht behandelt werden, bevor man in der Geschichte die Entdeckung Ame­rikas behandelt hat. 

met de hele aarde geschetst werd, is het kind voorbereid om tegen het 12e jaar begrip te krijgen voor de eigenlijke aardrijkskunde. Bij deze aardrijkskunde komt het er nu op aan, te laten zien hoe van de aarde uit, van de klimaten, van alles wat de aarde aan wetmatige vorm en structuur op de verschillende plaatsen laat zien, hoe, wat je met geschiedenis ontwikkelt, daarvan afhankelijk is. Nadat je begrip ontwikkeld hebt voor de samenhang van zee en land, van het klimaat in het Oude Griekenland, kun je dat terugleiden naar hetgeen wat je puur als symptoom voor de innerlijke weg van de wordende mensheid m.b.t. het karakter van het Griekendom ontwikkeld hebt. Een diepe samenhang kan dan gevonden worden tussen het aardrijkskundige beeld dat je van de aarde geeft en de historische wording. Eigenlijk zouden steeds de schilderingen van de aardestreken en de schilderingen die je van de historische wording geeft, in elkaar moeten grijpen. Bij aardrijkskunde zou in de aard der zaak Amerika niet behandeld moeten worden, voor je in de geschiedenis de ontdekking van Amerika behandeld hebt.

Es ist notwendig, daß man in einer gewissen Weise berücksichtigt, daß der Horizont des Menschen im Laufe der Entwicke­lung sich ausgedehnt hat, und daß man nicht zu stark, ich möchte sagen, das Menschengemüt zu einem Absoluten hinbringen soll.
So ist es auch in der sogenannten mathematischen Geographie nicht gut, wenn man von vorneherein dogmatisch von einer Zeichnung des kopernikanischen oder keplerischen Weltsystems ausgeht, sondern es ist angebracht, die Art und Weise, wie die Menschen zu solchem ge­kommen sind, für die Kinder auch wenigstens andeutend zu entwickeln. Dadurch bekommen die Kinder nicht Begriffe, die ihnen mehr sind, als sie ihnen nach dem, was sie in der Menschheitsentwickelung sind, sein sollten. Natürlich würde ein Mensch in dem Zeitalter der ptolemäischen Weltanschauung den Kindern die starren Begriffe des ptolemäischen Systems beigebracht haben; jetzt bringt er ihnen die des kopernika­nischen Weltsystems bei. Es ist aber durchaus notwendig, daß man den Kindern wenigstens einen Begriff davon gibt, wie man sich auf irgend­eine Weise von den Orten der Sterne am Himmel versichert und aus der Zusammenfassung der Orte einen Schluß bildet, der eigentlich erst das Weltsystem ist, damit sie nicht etwa glauben, solch ein Weltsystem sei dadurch errungen, daß sich irgend jemand auf einen Stuhl gesetzt hat außerhalb dieser Welt und sich dieses Weltsystem angeschaut habe.

Het is noodzakelijk dat je er op een bepaalde manier rekening mee houdt, dat de horizon van de mens in de loop van de aardeontwikkeling zich verruimd heeft en dat je niet te sterk het gemoed van de mens tot iets absoluuts wil brengen.
Zo is het ook in de zogenaamde wiskundige aardrijksunde niet goed, wanneer je vooraf dogmatisch van een schets van het wereldsysteem van Copernicus of Kepler uitgaat, maar het is zinvol de manier waarop de mens op zoiets gekomen is, voor de kinderen op z’n minst aanstippend te ontwikkelen. Daardoor krijgen de kinderen geen begrippen die voor hen meer zijn, dan ze voor hen zouden moeten zijn, naar wat ze in de ontwikkeling van de mensheid zijn. Natuurlijk zou iemand in de tijd van de Ptolemeïsche wereldbeschouwing de kinderen de starre begrippen van het Ptolemeïsche systeem bijgebracht hebben; nu brengt hij het het Copernicaanse wereldsysteem bij. Het is echter beslist noodzakelijk dat men de kinderen er tenminste een begrip van geeft hoe men op de een of andere manier zeker is van de plaatsbepaling van de sterren aan de hemel en uit het overzicht een gevolgtrekking maakt die dan pas dat wereldsysteem vormt, zodat ze niet geloven dat zo’n wereldsysteem er zonder inspanning gekomen is of dat een of ander iemand buiten deze wereld op een stoel is gaan zitten en dit wereldsysteem bekeken heeft.

blz. 198

Wie soll sich denn eigentlich ein Kind, wenn man ihm auf die Tafel das kopernikanische System wie eine Tatsache zeichnet, vorstellen, wie man dazu gekommen ist in der Menschheit? Das Kind muß eine leben­dige Vorstellung haben davon, wie solche Dinge gebildet werden, sonst geht es durch sein ganzes Leben mit konfusen Begriffen, die es aber als etwas außerordentlich Sicheres ansieht. Dadurch wird der falsche Auto­ritätsglaube erzeugt – nicht aber dadurch, daß man auf das richtige Autoritätsgefühl beim Kinde vom 7. bis 14. oder 15. Jahre rechnet.
Und so ist es vor allen Dingen gut, wenn man sich durchdringt mit dem Bewußtsein davon, was es nicht bloß für die seelische Entwicke­lung des Kindes bedeutet, in dem richtigen Zeitmomente die richtigen Vorstellungen an das Kind heranzubringen, sondern was es für die ganze Wesenheit des Menschen bedeutet, auch für seine gesunde leib­liche Organisation. Versuchen Sie einmal den Blick darauf zu richten, was es bedeutet, zwischen dem 7. und 12. Lebensjahre das richtige Maß von durch das Gedächtnis zu bewahrenden Stoffes an das Kind heran-zubringen, oder das nicht zu tun. Versuchen Sie einmal sich darüber klarzuwerden, was es heißt, wenn Sie ein sogenanntes gutes Gedächt­nis bei einem Kind mißbrauchen.

Hoe zou een kind eigenlijk, wanneer je op het bord voor hem het Copernicaanse systeem als een feit tekent, zich voorstellen, hoe men daarop in de mensheid gekomen is. Het kind moet een levendige voorstelling hebben van hoe zulke dingen gevormd worden, anders loopt het zijn hele leven lang rond met verwarde begrippen die het echter als buitengewoon vaststaand ziet. Daardoor wordt het verkeerde geloof in een autoriteit opgeroepen – niet doordat men op het juiste autoriteitsgevoel bij het kind van 7 tot 14 of 15 jaar rekent.
En zo is het vooral goed wanneer je jezelf met het bewustzijn doordringt van wat het niet alleen maar voor de ontwikkeling van de ziel van het kind betekent om op het juiste ogenblik de goede voorstellingen aan het kind mee te geven, maar wat het voor het hele mensenwezen betekent, ook voor zijn gezonde lichamelijke organisatie. Probeert u de blik erop te richten wat het betekent tussen het 7e en het 12e levensjaar de juiste hoeveelheid stof aan te bieden die onthouden moet worden of dat niet te doen. Probeer het helder te krijgen, wat het betekent wanneer u een zogenaamd goed geheugen bij het kind verkeerd gebruikt.

Bei einem Kind mit einem guten Ge­dächtnis darf nicht damit gerechnet werden, daß dieses Kind mit dem Gedächtnis glänzt, sondern Sie müssen dafür sorgen, daß ein solches Kind öfters neue Eindrücke bekommt, durch die frühere Eindrücke ausgelöscht werden. Wenn Sie dem Gedächtnis zu stark zusetzen, bleibt das Kind untersetzt und wächst nicht so hoch, als es wachsen würde, wenn sein Gedächtnis in richtiger Weise behandelt würde. Menschen, denen man ansieht, sie haben zurückgehaltenen Wuchs, bei denen kann man sicher sein: das rührt von einem nicht richtigen Behandeln des Ge­dächtnisses her. Ebenso können Sie sicher sein, daß Menschen, welche in einer gewissen Weise unfähig sind, ihr Antlitz zu beherrschen, solche Menschen, die einen gewissen starren Eindruck machen, nicht genug künstlerische oder überhaupt ästhetische Anschauungseindrücke um das 9. Jahr herum bekommen haben.
Gerade im kindlichen Lebensalter ist die Wirkung des richtig see­lisch Behandelten auf das Leibliche von einer ungeheueren Bedeutung. Und so ist es von ungeheurer Bedeutung, daß man immer wiederum dafür zu sorgen versucht, daß das Kind deutlich volltönend und vor allen Dingen, wie ich es genannt habe, gerundet sprechen lernt, daß es Sätze voll, Silben voll, vollendet aussprechen lernt. Denn beim

Bij een kind met een goed geheugen mag je er niet mee rekenen dat dit kind met zijn geheugen schittert, maar je moet ervoor zorgen dat zo’n kind vaker nieuwe indrukken krijgt, waardoor eerdere indrukken weer verdwijnen. Wanneer je het geheugen te sterk aanspreekt, blijft het kind gedrongen en wordt niet zo lang, als het zou zijn geworden, wanneer zijn geheugen op de juiste manier behandeld was. Je kunt bij mensen naar wie je kijkt en die een teruggehouden groei vertonen, er zeker van zijn: dat komt door een niet juiste behandeling van het geheugen. Net zo zeker kun je ervan zijn, dat mensen die op een bepaalde manier niet in staat zijn hun gezicht te beheersen, zulke mensen die een starre indruk maken, niet genoeg kunstzinnige of vooral ook esthetische indrukken bij het waarnemen hebben gekregen rond het 9e jaar.
Juist op de kinderleeftijd is de werking van wat op de juiste manier voor de ziel goed behandeld is, op het lichamelijke van een ongekend belang, dat je er steeds weer voor probeert te zorgen dat het kind duidelijk met volle klanken en vooral – zoals ik het heb genoemd – afgerond leert spreken, dat het de zinnen volledig, de lettergrepen volledig leert uitspreken. Want  bij de

blz. 199

Menschen hängt das richtige Atmen von dem richtigen sachgemäßen Sprechen ab, und daher hängt mittelbar die richtige Ausbildung der menschlichen Brustorgane von dem richtigen Sprechen ab. Man sollte einmal eine Statistik der jetzt so wütenden Brustkrankheiten auch von diesem Gesichtspunkte aus aufnehmen. Man sollte sich fragen: Inwie­weit ist Schuld an der Brusttuberkulose, daß viel zu wenig Rücksicht genommen wird in der Schule auf ein sachgemäß silbenvolles Sprechen, daß vor allen Dingen nicht Rücksicht darauf genommen wird, daß während des Sprechens wirklich das Kind voll atmet? Es darf dabei nicht das Sprechen vom Atmen ausgehen, sondern es muß das Atmen vom Sprechen ausgehen. Es muß richtig gesprochen werden. Das Ge­fühl für das richtige Sprechen, für die Längen und Kürzen der Silben und Worte muß entwickelt werden; dann richtet sich das Atmen dar­nach. Zu glauben, man müsse das Atmen trainieren, um zum richtigen Sprechen zu kommen, ist ein Unfug. Das Atmen, das richtige Atmen muß eine Folge des richtig empfundenen Sprechens sein. Dann wirkt es in der richtigen Weise auf das Atmen zurück. In solcher Weise sollte man heute überhaupt gründlicher den Zusammenhang des Leiblichen mit dem Geistig-Seelischen ins Auge fassen.

mens hangt het op een goede manier ademhalen van het adequaat spreken af en indirect hangt de goede ontwikkeling van de menselijke borstorganen af van het juiste spreken. Je zou eens een statistiek moeten maken van de nu heersende borstziekten ook vanuit dit gezichtspunt. Je zou je moeten afvragen: in hoeverre is de borsttuberculose de schuld van dat er op school veel te weinig rekening is gehouden met het adequaat spreken van de lettergrepen doordat er vooral geen rekening wordt gehouden dat het kind tijdens het spreken voluit ademt? Het spreken moet daarbij niet van het ademen uitgaan, maar het ademen moet van het spreken uitgaan. Er moet goed worden gesproken. Het gevoel voor goed spreken, of de lettergreep of het woord lang of kort is, moet ontwikkeld worden; dan richt de adem zich daarnaar. Geloven dat je de adem moet trainen om tot goed spreken te komen is een onding. Het ademen, de juiste ademhaling moet het gevolg zijn van het juist waargenomen spreken. Dan werkt dat op een goede manier op het ademen terug. Op zo’n manier zou men tegenwoordig een grondiger samenhang tussen het lichaam en de geest en de ziel op het oog moeten hebben.

Da komme ich auf eine Frage, die mir gestellt worden ist, und die eine große Bedeutung hat: die Linkshändigkeit oder die Beidhändig­keit.
Sehen Sie, es ist richtig, daß man im allgemeinen dasjenige, was im Grunde genommen allgemeine Menschengewohnheit geworden ist, die Rechtshändigkeit, die man benützt beim Schreibenlernen und bei ande­ren Geschicklichkeiten des Lebens, daß man diese Gewohnheit erweitere dadurch, daß man auch die linke Hand in einer gewissen Weise ge­schickt macht, es ist in einer gewissen Weise berechtigt. Allein, wenn man über solche Dinge diskutiert, so ist die Diskussion nur fruchtbar, wenn man einen tieferen Einblick in die menschlichen Lebensverhält­nisse hat. Wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem im Men­schen die volle Menschheit erweckt wird, wenn wir einem Zeitalter entgegenleben, in dem zu dem abstrakten Sinn, der heute so ausgebildet ist, wiederum auch die Kultur des Gemütsvermögens, des Gefühlslebens und Aktivität des Willenslebens kommt, dann läßt sich über manche Frage ganz anders sprechen, als sich heute über diese Frage sprechen läßt. Wenn die Menschen weiterhin so erzogen werden, wie unsere Menschen erzogen werden, so daß man immer in Abstraktionen steckenbleibt,

Dan kom ik bij een vraag die mij gesteld is en die een grote betekenis heeft: linkshandigheid of het gebruik van beide handen.
Het is juist dat men in het algemeen wat op de keeper beschouwd een algemene gewoonte van de mens is geworden, de rechtshandigheid die gebruikt wordt bij het leren schrijven en bij andere vaardigheden in het leven, dat men deze gewoonte dan zou kunnen uitbreiden door ook de linkerhand op een bepaalde manier geschikt te maken, dat is op een bepaalde manier te rechtvaardigen. Alleen, wanneer je over deze dingen discussieert, is de discussie alleen vruchtbaar wanneer je een dieper inzicht hebt in de menselijke levensverhoudingen. Wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin in de mens de volle mensheid (menselijkheid?) wordt gewekt, wanneer we naar een tijdperk toegaan waarin naast de zin voor het abstracte die tegenwoordig zo ontwikkeld wordt, ook weer de cultuur van de gevoelsvermogens, van het gevoelsleven en de activiteit van het wilsleven komt, is het mogelijk om over sommige vragen heel anders te spreken, dan dat dit vandaag de dag kan. Wanneer de mensen bovendien zo opgevoed zouden worden zoals onze mensen opgevoed worden, zodat men steeds in abstracties blijft

blz. 200

der Materialismus ist ja gerade dasjenige, was in Abstraktionen steckenbleibt, was nicht bis zum Begreifen des Materiellen aus dem Geistigen kommt, dann wird man sich nach einiger Zeit, wenn man beide Hände zum Schreiben in gleicher Weise ausbildet, überzeugen können, daß ein gewisser Grad von Schwachsinnigkeit die Menschen ergreift, die da die beiden Hände in gleicher Weise benützen lernen, denn es hängt schon ein wenig die Art, wie wir heute als Mensch sind, zusammen damit, daß wir die rechte Hand in ausgiebigerem Maße be­nützen als die linke Hand. Es hängt das vor allen Dingen damit zu­sammen, daß ja der ganze Mensch in bezug auf gewisse Organe doch nicht symmetrisch gebaut ist, und daß es einen tiefen Eingriff bedeutet in die ganze menschliche Organisation, wenn man zum Beispiel zum Schreiben beide Hände gebraucht.
Ich würde über diese Dinge gar nicht sprechen, wenn ich nicht gerade viel darüber nachgeforscht hätte, und wenn ich nicht zum Beispiel pro­biert hätte, was es heißt, die linke Hand zu benützen. Wenn man sich Menschenbeobachtung erworben hat, dann kann man auch durch das Probieren herausbekommen, was es bedeutet, die linke Hand zu be­nützen.

steken, juist het materialisme blijft in abstracties steken, wat niet tot het begrijpen van de materie vanuit de geest komt, dan zal men zich na enige tijd, wanneer men voor het schrijven allebei zijn handen ontwikkelt, ervan kunnen overtuigen dat een bepaalde graad van zwakzinnigheid over de mensen komt die allebei de handen op dezelfde manier leren gebruiken, want dat hangt een beetje van de aard af van hoe we nu als mens zijn, dat we de rechterhand veel meer gebruiken dan de linker. Het hangt er vooral mee samen dat de hele mens m.b.t. bepaalde organen toch niet symmetrisch gebouwd is en dat het een zware ingreep voor de hele menselijke organisatie betekent, wanneer men bijv. met het schrijven allebei de handen gebruikt.
Ik zou over deze dingen helemaal niet spreken, wanneer ik niet juist daarover veel onderzocht zou hebben en wanneer ik bijv. niet geprobeerd zou hebben, wat het betekent de linkerhand te gebruiken. Wanneer je de mens hebt leren waarnemen, kun je er ook door proberen achterkomen, wat het betekent de linkerhand te gebruiken.

Die linke Hand ist gut dann, wenn der Mensch einen gewissen Grad in der Unabhängigkeit des Geistig-Seelischen von dem Leiblichen erreicht hat; aber so in der Abhängigkeit, wie der heutige Mensch ist von dem Leiblichen, da entsteht eine ungeheure Revolution in dem Leiblichen selbst, wenn man die linke Hand in derselben Weise zum Beispiel zum Schreiben wie die rechte Hand verwendet. Es wird da­durch vor allen Dingen die rechte Körperseite, die rechte Kopfseite in einer solchen Weise belastet, wie es der heutige Mensch eben durchaus nicht gewöhnt ist. Die Erziehungsmethode, welche den Menschen zuerst so behandelt, daß sie diejenigen Erziehungsgrundlagen, die hier be­sprochen worden sind, auf ihn anwendet, die darf dann auch die Beid­händigkeit gebrauchen. Die heutige Kultur darf nicht abstrakt zum Gebrauch der beiden Hände einfach übergehen. Solche Dinge kann man ja natürlich nur aus Erfahrung sagen. Aber Statistiken würden das, was ich heute gesagt habe, ganz wesentlich beweisen.
Auch da muß man sagen: Es ist schon notwendig, in die geistige Welt hineinzuschauen, wenn man einen Begriff haben will von dem, wie namentlich in dem Kind stark wirkt das Geistig-Seelische zu gleicher Zeit mit dem Leiblich-Physischen. Aus dem Grunde muß ich mir so viel von der Eurythmie hauptsächlich in der Kindererziehung versprechen,

De linkerhand is wel goed, wanneer de mens een bepaald niveau bereikt heeft in het onafhankelijk- zijn van zijn geest en ziel van zijn lichaam; maar bij zo’n afhankelijkheid van het lichamelijke bij de tegenwoordige mens, veroorzaakt dat een behoorlijke rebellie in het lichaam zelf, wanneer je de linkerhand op dezelfde manier voor bijvoorbeeld het schrijven gebruikt als de rechter. Met name de rechterkant van het lichaam, de rechterkant van het hoofd wordt zodanig belast zoals de huidige mens dat beslist niet gewend is. De opvoedingsmethode die de mens zo behandelt dat zij die fundamenten van de opvoeding die hier zijn besproken op hem gaat toepassen die mag dan ook beide handen gebruiken. De huidige cultuur mag niet simpelweg abstract tot het gebruik van beide handen overgaan. Zulke dingen kan men natuurlijk slechts uit ervaring zeggen. Maar statistieken zouden wat ik nu zeg, heel duidelijk bewijzen.
Ook hier moet je zeggen: het is nodig in de geestelijke wereld waar te nemen wanneer je begrip wil krijgen van hoe met name in een kind sterk het mentaal-psychische werkt, tegelijkertijd met het fysiek-levende. Daarom verwacht ik in eerste instantie in de opvoeding van het kind zoveel van de euritmie

blz. 201

und zwar weil die Eurythmie eine beseelte Bewegung ist und dadurch die Aktivität des Willens gehoben wird gegenüber der bloßen Passi­vität des Willens, die doch im wesentlichen erzogen wird gerade durch das bloß physiologische Turnen.

en wel omdat de euritmie een bezielde beweging is en daardoor de activiteit van de wil beter wordt t.o.v. de passiviteit van de wil die in wezen toch juist opgeroepen wordt door alleen maar de lichamelijke gymnastiek.

[1] GA 301: Die Erneuerung der pädagogisch-didaktischen Kunst durch Geisteswissenschaft
[2] 11e voordracht (Duits)
[3] GA 23, ‘Die Kernpunkte der sozialen Frage
Vertaald

*in 1920 was het nog niet gerestaureerd zoals nu

geschiedenis: alle artikelen

aardrijkskunde: alle artikelen

dierkunde: alle artikelen

plantkunde: alle artikelen

goed spreken: alle spraakoefeningen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1281

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Het 12-jarige kind

.

Men kan er niet mee volstaan het onderwijs in te richten volgens de gewone menselijke omgang, maar men moet dit onderwijs vormgeven vanuit inzichten in de innerlijke mens.
Rudolf Steiner, wegwijzer 12

.

Uit de oude doos: een artikel uit 1929.
Qua stijl en spelling gedateerd, wat de inhoud betreft nauwelijks.

.

OVER HET TWAALFJARIGE KIND

In den tijd tusschen tandenwisselen en de puberteit, van 7 tot 10 jaar, vallen twee momenten, die voor de paedagogiek zeer belangrijk zijn.
Het eerste moment ligt tusschen het 9de en 10de jaar. Het Ik-bewustzijn van het kind wordt dan versterkt, zoodat we van dezen tijd af kunnen beginnen met het aanleeren van begrippen uit de natuurlijke historie (dierkunde). Hierbij moet echter rekening gehouden worden met de wederkeerige verhouding van den mensch en zijn omgeving, nl. hoe de mensch eigenlijk een samenvatting van alle overige nauurrijken is, waarvan hij echter nog niet zoo scherp is gescheiden, als dit later het geval wordt. Langs den weg der gewaarwordingen en gevoelens moet dan op dien samenhang met de natuur gewezen worden.
Het tweede moment ligt tusschen het 12de en 13de jaar. In dezen tijd versterkt zich de geest-ziel (geistig-seelenhafte) des menschen, voor zoover dit „geistig-seelenhafte” minder van het „ik” afhankelijk is. Dan versterkt zich datgene, wat in de Anthroposophie het astraal-lichaam wordt genoemd en het begint zich te verbinden met het etherlichaam, dat met het 7e jaar geboren wordt. Het astraallichaam, de drager van de driften, begeerten, sympathie en antipathie wordt als zelfstandig werkende kracht eerst recht geboren met de geslachtsrijpheid, zooals het etherlichaam met de tandwisseling. Maar dit astraallichaam doordringt en versterkt reeds tusschen het 12de en 13de jaar het etherlichaam.
In dezen tijd leeft het kind zich veel sterker in zijn beenderstelsel in, dan vroeger het geval was. Het jongere kind beweegt zich met een natuurlijke bevalligheid in zijn spierstelsel, dat gevoed wordt door den rhythmisch circuleerenden bloedstroom. Nu echter leeft het kind meer in zijn skelet, nadat hij langzamerhand van de spieren, via de zenuwen naar het beenderstelsel overgaat. Zijn bewegingen verliezen rhythme en bevalligheid: ze worden hoekig en willekeurig. Het kind komt in de z.g. „vlegeljaren” en het weet niet, wat het met zijn ledematen moet aanvangen.
Maar tegelijk openbaart deze verandering zich zoo, dat het begrip ontwikkelt voor wat als impulsen in de uiterlijke wereld werkt en zoo o.m. ontvankelijk wordt voor de krachten, die in de historie werken. Vóór het twaalfde jaar wordt veel uit de menschheidsgeschiedenis aan het kind verteld, maar altijd zoo, dat wij geschiedenissen verhalen en biographieën vertellen. Van geschiedkundige samenhangen heeft het kind nog geen begrip.

Anders wordt dit nu na het 12de jaar. Dan ontwikkelt zich een verlangen, datgene, wat het eerst als schoone verhalen ontving, als werkelijke „Geschiedenis” te krijgen. Zoo moet nu, in wat wordt meegedeeld, een omvorming plaats vinden, waardoor de historische samenhang op den voorgrond treedt.
Behandelen we vóór het 9de jaar alles vanuit een kunstzinnig oogpunt, ook schrijven, lezen en later rekenen, na het 9e jaar (versterking van het „ik”), komt dan de natuurlijke historie (dierkunde), terwijl tot Geschiedenis, in zoover het niet bloot verhalen zijn, pas wordt overgegaan na het 12de jaar.

De kultuurontwikkeling der menschheid wordt nu gewichtig. Zoo komt men na het twaalfde jaar tot een behandeling van de samenhangen der opeenvolgende kulturen.

We krijgen dus den volgenden gang door de eerste 5 leerjaren:

Eerste klas: Vertellen van sprookjes.
Tweede klas: Dierfabelen en -geschiedenissen.
Derde klas: Verhalen en biographieën uit het Oude Testament.
Vierde klas: Sagen der Germaansche Mythologie en Heldentijd.
Vijfde klas: Sagen uit de klassieke oudheid (Grieksche Mythologie).

Gedurende den tijd van 9 tot 12 jaar maakt het kind zich losser van een droomend, vanzelfsprekend samenleven met de hem omgevende wereld en wordt nu meer en meer persoonlijkheid. Uit zijn droomend, kunstzinnig fantasie-leven ontwaakt langzaam het kritische, afzonderende intellect. Hiermee houden de verhalen gelijken tred.

De Oudste Geschiedenis brengt ons als haar meest-wezenlijke waarheidsvormen de mythen, sagen en sprookjes: een wereld vol geheim-gevormde beelden, geweldig en kinderlijk tegelijk in haar meeste uitingen. In den vorm dezer beelden kleedden de oude volkeren de wijsheid der wereld in hun droomend bewustzijn. Zulke vormen zijn ook geschikt voor de kinderziel. Maar ze is bezig te ontwaken tot een oordeélend denken, tot een bevatten van een historische ontwikkeling.

Door de sagenwereld der oudste volken, de Indiërs, Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren, de Homerische Grieken wordt het kind gevoerd tot de vreugde aan de zinnenwereld en de liefde tot schoonheid van de Grieken, om daarna een figuur als Alexander de Groote in het middelpunt der belangstelling te plaatsen. Hier ontmoeten de sagen en legenden en de resultaten van historisch onderzoek elkander. Om Alexander weeft zich eensdeels een web van legenden en sagen, anderdeels valt het licht der historie vol op hem.

Zoo voeren we de kinderen van den hemel tot de aarde, naar het punt, waar wij als menschen van onzen tijd, de persoonlijkheden uit de „Geschiedenis” vanuit ons bewustzijn begrijpen kunnen.
Met het bereiken van den 12-jarigen leeftijd begint het kind belangstelling te voelen voor de groote historische samenhangen. En dat is voor de toekomst zeer belangrijk, want steeds meer zal de noodzakelijkheid blijken, de menschen tot het begrijpen van den historischen samenhang op te voeden.

De cultuur-historische ontwikkeling zal het geschiedenisonderwijs van de toekomst moeten behandelen, niet langer een onsamenhangende, voor de kinderen onbegrijpelijke geschiedenis van uiterlijke feiten en jaartallen, waar geen wijsheid uit te putten valt.

In dezen zin opgevat behoort de Geschiedenis tot een der belangrijkste vakken, die van vèr-reikenden invloed op de menschelijke ontwikkeling kan zijn. Vandaar, dat op de Vrije School veel aandacht aan dit vak besteed wordt besteed.

J.P.Soetekouw,  vrijeschool Den Haag, Ostara 3/2, dec.1929

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis 5e klas;   geschiedenis 6e klas

Ontwikkelingsfasen

.

1280

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.