Categorie archief: geschiedenis

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 3300 artikelen

Kleinere en grotere, makkelijk toegankelijke en die meer studie vragen; direct met de vrijeschool te maken hebbend of zijdelings: de meest uitgebreide vrijeschoolsite die er te vinden is.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BEWEGEN in de klas
alle artikelen

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

EURITMIE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDVAARDIGHEIDSONDERWIJS
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
alle artikelen

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
Alle artikelen

SCHILDEREN
Alle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
Niet elders gerubriceerd: alle artikelen

Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven
Auschwitz en Gaza 2025
Ahriman en/in het onderwijs;
Grafische vormgeving bij Steiner
Interviews met oud-leerlingen
Is het alles goud wat er blinkt….?
Kritiek op de vrijeschool
Kunstzinnige vormgeving van een klaslokaal
Naamgeving en schrijfwijze vrijeschool;
Ochtendspreuk;
Organische architectuur;
Steiner lezen?
Uitgangspunten vrijeschool;
Vrijeschool en antroposofie;
Vrijheid van onderwijs;  
Worden wie je bent

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – 8e klas – geschiedenis (4)

.
Steiner geeft slechts enkele aanwijzingen voor het vak geschiedenis in klas 8.
En dat is ook al een eeuw geleden.
Wat is nu belangrijk voor de mensvorming van de 8e-klasser waaraan ‘geschiedenis’ een bijdrage kan leveren.
Het is logisch dat daar in het verleden een antwoord voor werd gezocht en het is m.i. belangrijk steeds te blijven zoeken.
Een van de meest uitgewerkte achtergrondideeën zijn te vinden in ‘Geschichte lehren’ van Lindenberg.
Een deel daarvan staat vertaald op deze blog, nog niet echter de klassen vanaf 7.
In onderstaande artikel worden ook gezichtspunten aangedragen.
Het is m.i. zeker belangrijk de historische slogan goed te laten beleven, vooral met het oog op Steiner sociale driegeleding die daar in zekere zin een
metamorfose van is en waarmee m.i. in deze tijd de leerlingen van de hoogste klassen (11 en/of 12) ook gedegen kennis van zouden moeten krijgen om te zien of deze ideeën nu en of in de toekomst een oplossing kunnen bieden voor talloze maatschappelijke problemen. 
.

Jozef Zimmermann, Erziehungskunst jrg. 19 nr. 9 1955
.

Vrijheid, gelijkheid, broederschap

Geschiedenisles bij het aanbreken van de puberteit

Met het bereiken van lichamelijke volwassenheid begint de jongere – vanuit zijn innerlijke beleving – een tijdgenoot van zijn eigen tijd te worden. Er ontstaat dan een innerlijke behoefte aan geschiedenislessen die tot in het heden doorlopen.
De beelden van de moderne geschiedenis hebben een ander karakter dan die van de middeleeuwen. Gebeurtenissen van vóór de vijftiende eeuw worden grotendeels overschaduwd door bovennatuurlijke verschijnselen; ze dragen vaak legendarische of mythische trekken en laten zich zelden herleiden tot louter historische feiten. Wie zou bijvoorbeeld de bijdrage van middeleeuwse kloosters aan het aanzien van handenarbeid kunnen beschrijven zonder te wijzen op de aureool van Benedictus van Nursia – een glans die eeuwenlang de kloosterwereld en het bewustzijn van de monniken verlichtte? Wie zou de volle waarheid over de kruistochten kunnen overbrengen zonder te vertellen hoe Karel de Grote als heldenfiguur vooropging in de stoet van kruisvaarders?
Hoe verder we terugkijken in de geschiedenis, des te meer zien we bovennatuurlijke krachten werkzaam op het toneel van de gebeurtenissen.

Daarentegen is het historische beeld van de moderne tijd niet langer doordrongen van het handelen van goden, helden en heiligen. Hier staat het menselijke – en vaak het maar al te menselijke – onverhuld voor ons. Het is begrijpelijk dat een jongere, in deze levensfase waarin hij dichter bij zijn eigen lichamelijke natuur komt te staan, de betekenis van een dergelijk louter menselijk historisch drama kan gaan doorgronden. Het is echter lastig om te bepalen vanuit welke invalshoeken de historische verhalen van de moderne tijd – wat betreft hun wezenlijke waarheid – van pedagogische betekenis kunnen zijn voor jongeren.

De strijdkreet van de Franse Revolutie – “Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap” – biedt ons een sleutel tot het ideale element dat als een rode draad door de gebeurtenissen van de moderne tijd loopt. Dit drietal idealen kwam ruim 200 jaar geleden naar voren als een eis van de moderne mensheid en weerspiegelde precies de krachten die sinds de 15e eeuw onder de oppervlakte van de gebeurtenissen gistten.

Vrijheid: Het streven naar vrijheid markeert het aanbreken van de moderne tijd. We komen het in de Reformatie tegen als een eis tot gewetensvrijheid. Het treedt ons tegemoet in de opbloeiende wetenschap door het gedurfde streven naar onderzoeksdoelen die nooit eerder waren nagestreefd. Als vitaal element van een nieuwe artistieke geest verbrijzelt het oude ketenen. Jonge mensen herkennen zichzelf in de beeldtaal van dit tijdperk; voor velen wakkerden de beelden van vrijheid uit de vroegmoderne tijd de impuls aan tot een individueel, onafhankelijk geestelijk leven.
Men kan in detail beschrijven hoe deze ontluikende geestelijke vrijheid geleidelijk werd onderdrukt door de macht van de heersende klasse.
Slechts negen jaar na de dood van Luther maakte de Vrede van Augsburg een einde aan de gewetensvrijheid (*cuius regio, eius religio*). Onderzoekers liepen het risico op gevangenschap en gedwongen herroeping van hun opvattingen. De Dertigjarige Oorlog speelde de krachten van onderdrukking in de kaart, en het daaropvolgende tijdperk van het absolutisme bleek de tegenpool te zijn van wat oorspronkelijk tot ontwikkeling had willen komen.

Gelijkheid: Het inzicht van Rousseau – dat vrijheid niet kan bestaan ​​zonder rechtsgelijkheid – vormt de afsluiting van de eerste akte van de moderne geschiedenis. Alleen Engeland verankerde de vrijheid stap voor stap door wijzigingen in de rechtsorde, waardoor deze tot bloei kon komen. Elders in Europa – en eerder al bij de stichting van de Verenigde Staten van Amerika – vonden gewelddadige omwentelingen plaats waarbij men streefde naar rechtssystemen die op gelijkheid waren gebaseerd, “omdat vrijheid zonder die systemen niet kan bestaan.”
De burgerij van de 19e eeuw zette voort wat de Franse Revolutie was begonnen, door te streven naar een constitutioneel bestuur. Reactionaire krachten konden deze tweede beweging in de moderne geschiedenis slechts korte tijd stuiten; het jaar 1848 maakte de weg opnieuw vrij.
Het onderwijs zal op levendige wijze de ontwikkelingen schetsen die leidden tot de afschaffing van standen-kiesstelsels, de emancipatie van slaven in de VS en het einde van de lijfeigenschap in Rusland.

Broederschap: Het pleit voor de bourgeoisie dat zij de maatschappelijke verhoudingen zo krachtig heeft ontwikkeld. Toch schiet de burgerlijke orde tekort wanneer zij wordt geconfronteerd met de derde en moeilijkste vraag van het maatschappelijk leven.
Engeland, dat aanvankelijk vooropliep in de vooruitgang, was het eerste land dat de problemen blootlegde die voortvloeiden uit de industriële expansie. Het merendeel van de bevolking raakte geproletariseerd en werd overgeleverd aan de grillen van economische cycli en moordende concurrentie. Wat betekenen ‘gelijkheid voor de wet’ en ‘geestelijke vrijheid’ voor mensen zonder bezit, wanneer economische schommelingen hen van de ene op de andere dag tot bedelaars kunnen maken? Hoewel de erbarmelijke omstandigheden sindsdien zijn verzacht, blijft er een fundamenteel probleem bestaan. Want zelfs onder de gunstigste omstandigheden – zoals bij grote, moderne Amerikaanse ondernemingen die profiteren van economische bloei – blijft de observatie van L. Vaubel van kracht: “Het principe dat de bedrijfsleiding altijd de belangen van de werknemers voorop moet stellen, geldt alleen bij ‘mooi weer’. Zodra er moeilijke tijden aanbreken, wordt de leiding gedwongen haar beleid te wijzigen. Hoe oprecht de leiding ook gelooft in haar eigen paternalistische welwillendheid, voor de werknemer komt deze houding onvermijdelijk over als hypocrisie.”

De Franse Revolutie stelde ‘broederschap’ voorop als het ideaal dat op het gebied van economische arbeid verwezenlijkt had moeten worden. Dit doel bleef echter vaag, en juist op dit punt faalde de Franse Revolutie. Ze schond het beginsel van broederschap op twee manieren: tijdens de Terreur stortte inflatie het land in een periode van torenhoge prijzen, terwijl enkele honderden speculanten een fabelachtig vermogen vergaarden – pogingen om de geldeconomie aan banden te leggen, bleven zonder succes. Ondertussen leidde de opkomst van het nationalisme de aandacht af van het werkelijke sociale vraagstuk en dreef het volk in de armen van de veroveraar. Gedurende de hele negentiende eeuw en tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de historische vooruitgang belemmerd, met name door de nationalistische ambities die door het Franse voorbeeld waren aangewakkerd.
Het jaar 1848, dat de juridische hervorming had bevorderd, bracht tegelijkertijd het manifest van de klassenstrijd voort. Deze strijd ondermijnde echter de fundamenten van de rechtsorde; het beginsel van een partijstelsel gebaseerd op klassenconflict tastte het juridische klimaat aan. Economische belangen – gedreven door maatschappelijke standen waarvan de onderlinge verhoudingen nieuw en ongereguleerd waren – begonnen door te dringen tot het rechtsdomein.
De meest schrijnende vormen van proletarische nood werden geleidelijk verlicht. Bismarcks sociale wetgeving – en de latere uitbreidingen daarvan – introduceerde ouderdomspensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziektegeld en werkloosheidsverzekeringen. In onze tijd zijn het concept van medezeggenschap en, in sommige kringen, winstdeling opgekomen.

Toch blijven er cruciale vragen openstaan:
De waarde van arbeid is gestegen, maar blijft overgeleverd aan chaotische omstandigheden; ze bestaat nog niet binnen een geordende economische wereld waarin zij als vanzelfsprekend een inherente, volle waarde zou kunnen bezitten.
Alles wat jongeren aanschouwelijk wordt gemaakt over stukloon en uurloon, vakbonden en economische opbrengsten, roept vragen en overpeinzingen bij hen op. Ze gaan begrijpen hoe de opkomst van het nationaalsocialisme voortkwam uit werkloosheid en hoe het Oost-Westconflict voortvloeit uit uiteenlopende maatschappelijke structuren. Te midden van deze grote historische confrontatie kan de jongere zijn eigen plaats bepalen.
Men kan hun geen kant-en-klare formule aanbieden om de vraagstukken van de toekomst op te lossen. Wel moeten ze inzicht krijgen in de ontwikkelingen uit het verleden en de diverse facetten van de “sociale kwestie”, zodat ze leren hun weg te vinden in de stroom van de hedendaagse geschiedenis.
Hiermee is de reikwijdte van het geschiedenisonderwijs in de achtste klas nog niet uitgeput. Er moeten hier perspectieven worden geboden die het mogelijk maken om de verschillende samenhangen te ordenen en in onderling verband te plaatsen. 

8e klas geschiedenis: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Sociale driegelding: alle artikelen
veel onderwerpen die in de geschiedenislesstof van 8 t/m 12 besproken kunnen worden!

Driegonaal

.

3589-3382

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 5e klas geschiedenis (8-2)

.

Ernst Bentz, Erziehungskunst jrg. jrg. 26 nr.1 1962
.

Tijdlijn of opeenvolging van generaties?

.

Over de introductie van het tijdsbegrip in de geschiedenislessen voor de vijfde klas

Een kind in de vroege schooljaren beschikt nog niet over een historisch tijdsbesef. Het komt in aanraking met ‘tijd’ via het ‘Er was eens’ uit sprookjes, het ‘In het begin schiep God’ uit de Bijbel, het ‘Het was de oertijd’ uit de Edda of het ‘Lang geleden’ uit mythen en sagen.
Voor het kind is dit verleden geen tastbare, meetbare tijdsduur die aan het heden voorafgaat; het is veeleer een mythische oertijd – een tijd die buiten de gewone tijd staat – en die kwalitatief totaal anders is: eerder een rijk van de geest dan een aards verleden, en daarmee een herinnering aan de oorspronkelijke thuishaven van zowel het individu als de mensheid.
Het kind is er niet op uit om precies te doorgronden wat er is gebeurd of hoe de zaken in elkaar zaten, in de zin van Ranke’s adagium. [“de geschiedenis weergeven zoals zij werkelijk heeft plaatsgevonden”] Men zou ook kunnen zeggen: voor het kind is alles het heden.

Met het pedagogisch belangrijke ‘keerpunt naar de echte wereld’ [Duits: Realwendung, een term uit de moderne psychologie] staat de leerkracht van klas 4 voor de taak om het kind kennis te laten maken met een meer aards tijdsbesef, aangezien het zich nu richt op het oriënteren in de wereld.
De heemkunde laat het kennismaken met de biologische tijd van groei (bijvoorbeeld bij de behandeling van de boerderij) en de ‘menselijke’ tijd van bouwen (handwerk). Dit vak sluit nauw aan bij de omgeving.
In klas 5 beginnen de geschiedenislessen met  de vroegste stadia van de menselijke geschiedenis. De leerkracht moet niet alleen de tijdsafstand van de vertelde gebeurtenissen tastbaar maken door de manier waarop ze worden gepresenteerd, maar ook bij het kind een eerste besef van ‘historische’ tijd wekken.

De volgende uiteenzetting beoogt enkele gedachten bij te dragen aan deze pedagogische opgave. Door uit te gaan van de suggesties in een veelgebruikt geschiedenisleerboek – en deze te vergelijken met de wijze waarop in vrijescholen met het tijdsbegrip wordt omgegaan – is het niet de bedoeling kritiek te leveren op een andere onderwijsmethode; deze vergelijking maakt het juist mogelijk de kwestie helderder te doorgronden en de intenties van het vrijeschoolonderwijs scherper te verwoorden. Ook dient vooraf te worden opgemerkt dat de nadruk hier niet ligt op het wetenschappelijke vraagstuk van de datering van geologische en prehistorische tijdperken, noch op de methodologische vraag naar het gebruik van visuele hulpmiddelen in het onderwijs in het algemeen; onze beschouwingen beperken zich tot de introductie van het historische tijdsbegrip op deze specifieke leeftijd.

Een leermiddel dat in het reguliere onderwijs (en daarbuiten) veelvuldig wordt gebruikt om leerlingen vertrouwd te maken met het tellen in jaren, is de tijdlijn. Deze is populair omdat leerlingen hiermee de verhoudingen tussen verschillende tijdsduren gemakkelijk kunnen waarnemen en zich eigen kunnen maken. Dergelijke tijdlijnen worden ofwel door uitgeverijen van leermiddelen aangeleverd, ofwel door de leerlingen zelf vervaardigd onder begeleiding van de leerkracht. De leerkracht vertrekt vanuit tijdsbegrippen die het kind al kent – ​​zoals de eigen leeftijd, die van de ouders, enzovoort – en vertaalt deze tijdsperioden naar een op schaal getekende lijn. Om te illustreren hoe een tijdlijn wordt gemaakt en gebruikt, citeren we uit een geschiedenisleerboek voor de vijfde klas van Ebeling, dat enkele jaren geleden [artikel is uit 1962] is verschenen.
“Neem een ​​houten lat of smalle stroken karton met een totale lengte van 2 meter en teken er een ‘tijdlijn’ op. Laat elk jaar overeenkomen met één centimeter. Zet het jaar 2000 aan het einde, gevolgd door 1999, 1998, enzovoort… terug tot 1800. Plaats een klein kartonnen figuurtje bij je geboortejaar; dit stelt jou voor. Geef op dezelfde manier de geboortejaren van je ouders… grootouders en overgrootouders aan, en werk zo terug naar het begin van de strook.
Op deze manier kun je zien hoe de ene ‘familielijn’ of ‘generatie’ op de andere volgt, als schakels van een ketting.”
Na deze inleiding volgen verhalen over de steentijd; om de chronologie in kaart te brengen, maken we een nieuwe tijdlijn: “We nemen… twintig stroken stevig wit karton, elk 1 meter lang en ongeveer 30 cm breed. Op elke strook tekenen we opnieuw een ‘tijdliniaal’… Onder de basislijn laten we ruimte vrij voor de generaties mensen die we hier uitbeelden (plak er een papieren uitknipsel van een echtpaar op – vader en moeder!). We beginnen bij het heden; elke generatie beslaat ongeveer 25 jaar… Deze opdracht kan als groepsproject worden uitgevoerd door nette en handige kinderen: tweetallen tekenen op het karton, terwijl een andere groep de papieren figuren maakt… We bevestigen deze kartonnen stroken in een doorlopende rij aan de muren van het klaslokaal (bij voorkeur boven het schoolbord). Dat levert twintig strekkende meter op… We ‘nummeren’ onze tijdlijn dienovereenkomstig: beginnend bij het toekomstige jaar 2000 – 1950, 1900, 1850, 1800, enzovoort, terug tot het jaar 1… Daar hebben we ons laatste echtpaar geplakt. We kunnen hier ook een heel bekend figuur plaatsen. Je kent hem wel van de godsdienstles! Voeg een passende afbeelding toe! Maar houdt het verleden hier op? Jezus had ook ouders – je kent ze wel: Maria en Jozef. Weer een echtpaar – maar waar moeten zij komen? En Jezus’ grootmoeder, Anna?… We maken nog een paar kartonnen stroken met de tijdliniaal klaar…”

Maar waar passen de ijstijd, de steentijd en de prehistorische mens eigenlijk in het geheel? Waar kunnen we ze op onze tijdlijn plaatsen? Hier zijn de jaartallen: Paleolithicum (oude steentijd) 600.000–10.000 v.Chr…. We beseffen: de menselijke geschiedenis is zo omvangrijk dat we de volle omvang ervan nauwelijks kunnen bevatten, en we kunnen haar ook niet eeuw voor eeuw op onze tijdlijn in de klas weergeven. We moeten een nieuwe ‘schaal’ kiezen. Aan de hand van kaarten in onze atlas frissen we op wat een ‘schaal’ precies is. We besluiten het zo in te delen dat 10.000 jaar menselijke geschiedenis wordt weergegeven door één meter… De jongens halen hun vliegertouw erbij. We meten het uit: 60 meter voor de 600.000 jaar vóór de geboorte van Christus – plus een klein stukje extra voor de tijd tot aan het heden (hoeveel precies?). Vervolgens spannen we het touw uit op het schoolplein en zetten we kinderen met een bordje op specifieke punten neer: het begin van het paleolithicum… Op deze manier wordt onze tijdlijn de ‘snelweg van de geschiedenis’, die we gebruiken voor onze reis naar het verleden. Langs deze snelweg zullen we specifieke punten, data en jaartallen uit ons hoofd leren. Het zijn de mijlpalen op de snelweg van de geschiedenis.

Om het onderliggende principe te illustreren, kan een wetenschappelijk werk worden aangehaald:
“De lezer dient te trachten deze chronologische vraagstukken met de nodige ernst te benaderen, niet in de laatste plaats om een ​​algemeen beeld te krijgen van de ouderdom van het menselijk ras.
Het — helaas nog steeds wijdverbreide — idee dat de mens de kroon op de schepping is, die volgens de Oudtestamentische traditie zo’n 6000 jaar geleden ontstond, zou plaats moeten maken voor een beter inzicht…
Aangezien de mensheid al ongeveer een miljoen jaar bestaat, kan het geen kwaad
te beseffen dat de ‘mens’ niet altijd ‘de maat van alle dingen’ is.” 

En in het hoofdstuk “De plaats van de mens in het geheel der dingen”:
Deze bevindingen, die qua datering met elkaar overeenstemmen, wijzen erop dat er zich ongeveer vier tot vijf miljard jaar geleden een gebeurtenis heeft voorgedaan – een gebeurtenis die leidde tot de vorming van materie uit de bouwstenen van atomen. Dit markeert het ruimtelijke en temporele begin van het universum, de ware en unieke daad van schepping. Vergeleken met de vier miljard jaar die sindsdien zijn verstreken – de berekende ouderdom van de wereld – lijkt de geschiedenis van de mensheid, die een half miljoen tot een miljoen jaar beslaat, uiterst bescheiden. Deze tijdsspannen zijn zo enorm dat ze slechts te bevatten zijn door ze te vertalen naar een gecomprimeerde schaal. Als men ze plaatst binnen de scheppingsweek van zes dagen (of 144 uur), wordt duidelijk dat de mens niet louter het product is van de zesde dag; integendeel, de gehele periode van geologische formaties – teruggaand tot het begin van het Cambrium – zou binnen die ene dag vallen. Toch verschijnt de mens – als primitief wezen gewapend met een steen – pas op zijn vroegst twee minuten voor middernacht op de laatste scheppingsdag ten tonele; en de volledige zogeheten ‘wereldgeschiedenis’, die zo’n vier millennia omspant, zou op deze schaal neerkomen op slechts een halve seconde. Niets kan duidelijker illustreren welke ondergeschikte rol het individu – of zelfs de mensheid als geheel – speelt in het grote geheel van kosmische gebeurtenissen.” 

Rudolf Steiner gaf de leerkrachten van de eerste Waldorfschool de volgende korte suggestie voor het introduceren van het concept tijd: “Wanneer ik verhalen vertel over Karel de Grote, moet ik de tijdsafstand tastbaar maken; ik moet dat doen door te zeggen: ‘Stel je voor dat je nu een klein jongetje bent en je de hand van je vader pakt.’ Dat geeft hem iets concreets om zich voor te stellen. Dan maak ik hem duidelijk hoeveel ouder de vader is – en dan: de grootvader pakt de hand van zijn vader, en die pakt op zijn beurt de hand van zijn grootvader, enzovoort”
GA 302/53
Menskunde en opvoeding/53

Hoe verschillen de twee methoden, met name in hun effect op een tienjarig kind?

De tijdlijn vervangt tijd door iets ruimtelijks – sterker nog, lineairs – dat kan worden weergegeven en gemeten als een lengte (een ‘tijdliniaal’!). Dit maakt het ongrijpbare tastbaar voor de zintuigen – zichtbaar en tastbaar in de letterlijke zin. Maar wat gebeurt er door deze vertaling van tijd naar ruimte – of, in principe, zelfs naar een tweedimensionale vorm? (We laten hier de kwestie van het verkleinen even buiten beschouwing – een proces dat, zoals Grabmann opmerkt, alleen zinvol is wanneer het wordt toegepast op tijdsgrootheden, hoewel seconden helaas niet visueel waarneembaar zijn.) Tijd wordt geëxternaliseerd. Daarbij wordt de specifieke kwaliteit ervan volledig ontdaan! De implicaties hiervan kunnen worden geïllustreerd met een paar eenvoudige voorbeelden: stel je een tijdlijn voor die een jaar voorstelt – bijvoorbeeld 365 cm lang (het is al vervelend dat een jaar geen 400 of, beter nog, 100 dagen telt – wat betekent dat je niet met ronde decimalen kunt rekenen; denk bijvoorbeeld aan het beginpunt van het jaar 2000 op Ebelings tijdlijn! Je zou ook kunnen denken aan de cirkel van 400 graden of de voorgestelde kalenderhervorming). De seizoenen, maanfasen, enzovoort, worden slechts “over elkaar heen gelegd” – ze vormen niet het jaar zelf, maar zijn secundaire kenmerken.

Het ritmische element, als de essentie van kosmische en biologische tijd, laat zich niet vatten.

Want welke zin heeft een tijdlijn waarop de biografie van een mens wordt uitgezet? De centimeters of decimeters die de jaren vertegenwoordigen, zouden door het lot worden ‘ingevuld’. Ook hier is de kwaliteit van ondergeschikt belang. Het wordt duidelijk dat onze natuurkundige tijdsopvatting aan deze tijdlijn ten grondslag ligt. Maar daarmee wordt het kind – al bij de eerste kennismaking met geschiedenis – iets wezenlijks ontnomen: deze beperking verhindert de ontwikkeling van een gevoel voor levende tijd, voor een beleving van het kwalitatieve.
Een tweede, nauw daarmee samenhangend aspect is de achteloze overname van onze telwijze, waarbij jaar na jaar wordt opgeteld – net zoals de Joden en Romeinen dat aanvankelijk deden (de Egyptenaren telden aan de hand van koningen en hun Nijlreizen of dynastieën, de Grieken aan de hand van Olympiades). Deze oriëntatie vereist een hoge mate van intellect en abstract denkvermogen; immers, slechts weinig leerlingen en leerkrachten zien het begin van onze tijdrekening – de geboorte van Jezus – als het ‘keerpunt’, het begin van iets nieuws. Bij de Romeinen en Joden lag dat anders: voor hen vormden de stichting van de stad of de schepping van de wereld werkelijk een oerbegin dat nauw met hun bestaan ​​verbonden was. Tegenwoordig ervaart vrijwel niemand zichzelf als iemand die leeft in het 1962e jaar na de geboorte van Jezus .
(Het is verhelderend om te zien hoe Ebeling het jaar 1 behandelt – en de geboorte van Jezus gebruikt om de nummering verder door te trekken.)
Ons systeem van jaartelling is een loutere conventie geworden! Het kind moet het gewoon accepteren; het wordt er niet van bewust gemaakt dat het een conventie is, noch kan de aanduiding “jaar 1” diepgaand aan hem worden uitgelegd, aangezien de onderliggende gebeurtenis een onderwerp is voor godsdienstonderwijs. Dit negeert echter het feit dat de kwestie niet primair religieus is – dat zou natuurlijk aan de eigen overtuigingen van de leerkracht worden overgelaten – maar historisch; want de geschiedenis van het Westen van de afgelopen twee millennia kan niet worden begrepen zonder de invloed van het christendom.

Een derde punt: Kinderen raken overweldigd wanneer hen wordt gevraagd tijdsconcepten te vormen, zoals de 600.000 jaar die Ebeling en andere auteurs van leerboeken berekenen. De hulp van een “geschaalde” weergave met behulp van een vliegerlijn maskeert het feit dat een dergelijke tijdsspanne conceptueel of imaginair niet door het kind kan worden begrepen; misschien nog belangrijker is dat ze er ook geen emotionele band mee kunnen opbouwen. Geologische en prehistorische getallen overstijgen zelfs het voorstellingsvermogen van een volwassene – en dat is precies de reden waarom Grabmann een schaalrepresentatie gebruikt. Het probleem wordt nog duidelijker wanneer Grabmanns tijdsgetallen worden omgezet naar de schaal van Ebeling (10.000 jaar = 1 meter). Waarom zou een leraar kinderen immers geen idee willen geven van de ouderdom van de aarde met behulp van dit gedachte-experiment?

Dit zou worden weergegeven door 400 km (!), de geschiedenis van de mensheid door 60 m, en de tijd sinds de geboorte van Christus door 19,61 cm.
Om de totale lengte echter voor het kind te kunnen bevatten, moet de schaal
verkleind worden; laten we aannemen dat 1 miljoen jaar overeenkomt met 1 m: zelfs dan zoueen vliegersnoer niet meer volstaan, want we zouden 4 km moeten lopen om de leeftijd van de aarde te overbruggen (menselijke evolutie: 60 cm; het postchristelijke tijdperk: 1,961 mm!). Welke lengtes komen dan overeen met een mensenleven of de tien jaar van het kind dat deze concepten moet internaliseren? Ze bedragen respectievelijk 0,07 en 0,01 van 4 miljoen millimeter – een verwaarloosbaar kleinigheid! De cijfers voor de Ebeling-schaal – die alleen de geschiedenis van de mensheid omvat – zijn respectievelijk 7 en
1, op een schaal van 60.000 millimeter.

Hoe beïnvloeden dergelijke vergelijkingen de ziel van het kind? Deze oefeningen met schalen en getallen werden heel bewust gedetailleerd beschreven. We willen de lezer immers uitnodigen zich te herinneren wat hij of zij deed tijdens het lezen van al deze getallen en overwegingen. Was het voor hen mogelijk – hebben ze het überhaupt geprobeerd – om de genoemde getallen en tijdsperioden te visualiseren? Hoewel je ermee kunt rekenen als wiskundige grootheden, blijven ze verstoken van werkelijke betekenis. Hoeveel te meer geldt dit voor het kind! En heeft de lezer zich werkelijk een levendig mentaal beeld gevormd van de genoemde lineaire metingen? Alleen zo kunnen we wellicht de vraag beantwoorden over de indruk die ze op de ziel van het kind maken; alleen dan kunnen we ons in de positie verplaatsen van het kind dat 60 meter vliegertouw afmeet op het schoolplein, waarna de juf wijst op de enkele millimeter die zijn of haar eigen leven vertegenwoordigt. (Inleidende lessen in de astronomie gebruiken vaak een vergelijkbare aanpak om astronomische grootheden en afstanden te illustreren met behulp van schaalmodellen.)
Een volwassene die dergelijke vertalingen van tijd naar ruimte tegenkomt, kan zich ervan bewust zijn dat hij of zij, door middel van zijn of haar intellectuele vermogen, iets – in dubbele zin onbegrijpelijk – tastbaar heeft gemaakt. Ze begrijpen ook de basis voor de wetenschappelijke postulaten die ermee gepaard gaan; voor hen kan deze ‘lege’ tijd ‘gevulde’ tijd worden door kennis van biologische, geologische en andere feiten. Natuurlijk kunnen we dit wetenschappelijke materiaal – of de daaruit getrokken conclusies over de duur – nog niet aan een tienjarige presenteren. (Merk op hoe de sporen van gebeurtenissen aan de wetenschapper worden gepresenteerd en hoe hij, door middel van zijn denken, de overeenkomstige tijdsconcepten construeert – door ze te vergelijken met de duur van hedendaagse afzettingen, enzovoort.) Het kind kan daarom de ‘realiteit’ van deze tijdsperioden niet bevatten – sterker nog, het kan de tijdsperioden zelf niet eens bevatten. Een weergave op schaal – voortgekomen uit de poging van de leraar om het abstracte concreet te maken – blijkt een intellectuele truc te zijn die de illusie van begrip wekt, waardoor de tienjarige juist op het verkeerde spoor wordt gezet, op het moment dat hij de realiteit probeert te doorgronden.

Nog zorgwekkender dan de daaruit voortvloeiende schijnkennis is echter iets anders dat dergelijke vergelijkingen in de ziel van het kind oproepen (we herinneren ons: 1 mm op het 60 meter lange touw!): het weergeven van een mensenleven in millimeters berooft het van zijn kwaliteit en waardigheid. Het gevoel slechts “enkele millimeters” op dat ellenlange touw te zijn, wekt geen besef van historische verantwoordelijkheid op; integendeel, het zaait de kiem van onverschilligheid of gelatenheid. Het abstraheren van een tijdsperiode tot een (minuscule) numerieke eenheid vernietigt het gevoel voor de uniciteit van een individu en een historisch tijdperk – voor het eigen karakter ervan. Er moet daarom met klem worden gesteld dat een dergelijke methode een demoraliserend effect heeft en daarmee indruist tegen de doelstellingen van geschiedenisonderwijs.
De vrijeschoolleerkracht zal de overgang van de mythische tijdsbeleving van het kind naar een meer aardse beleving niet abrupt laten verlopen: de beschrijving van de oosterse cultuurtijdperken na de ijstijd – van het “Oud-Indische” tot het Griekse tijdperk – leidt op natuurlijke wijze vanuit een mythische wereld naar de historische tastbaarheid en helderheid van de oudheid. Hij zal ons tijdsbegrip niet helemaal aan het begin introduceren, maar pas voorafgaand aan de behandeling van de Griekse geschiedenis – of op zijn vroegst bij de behandeling van Egypte.
Wat betekent het voor het kind wanneer de leerkracht deze eenvoudige suggestie van Rudolf Steiner oppakt en verder uitwerkt?

Het eerste wat opvalt, is dat niet het intellect van het kind, maar juist zijn verbeelding wordt aangesproken en tot actie wordt aangezet. Door het verhaal van de leerkracht ontstaat er een keten van generaties – die het kind zelf met het verleden verbindt – voor het kind; de tijd wordt niet zichtbaar of aanwezig in de buitenwereld, maar presenteert zich aan het innerlijke oog van het kind, waardoor het kind het verleden innerlijk in het heden moet oproepen. Deze benadering alleen al is toereikend voor de essentie van tijd, de essentie van geschiedenis en het epische karakter van geschiedenislessen – in tegenstelling tot de concepten ruimte of de lineaire tijdlijn. (Men zou dit kunnen vergelijken met Rudolf Steiners opmerkingen over het contrast tussen geografie en geschiedenis in de hier geciteerde voordracht.) Het kind roept levende mensen – mensen met een bestemming, dat wil zeggen, met een geschiedenis – voor zijn innerlijke oog; zij zijn en blijven levend, in schril contrast met de dode abstractie van kartonnen figuren. Het wordt voor het kind gemakkelijk om het verband te begrijpen tussen deze voorouders en de bredere geschiedenis, want zij hebben zelf geschiedenis gemaakt én ondergaan. Een ontluikend besef ontstaat: dat alleen mensen geschiedenis kunnen bezitten, en dat er zonder menselijkheid geen geschiedenis is.

Pas nadat deze opeenvolging van generaties geruime tijd in de verbeelding van het kind heeft geleefd – als een concept dat voortdurend kan veranderen – kan de leerkracht het vervolgens met de klas uitbeelden:

Het ene kind pakt het andere bij de hand; elk kind kan zich met zijn rol identificeren en opnieuw wordt de verbeeldingskracht aangesproken: de klasgenoot – een levend mens – verandert in een historische figuur. Vergelijk dit eens met de lesmethode van Ebeling, waarbij kinderen en hun voorouders direct worden weergegeven door papieren knipsels – figuren die al snel als ‘mijlpalen’ aan een touw hangen!
Wie zich in beide gevallen in de kinderen verplaatst, ziet direct het enorme verschil in beleving.
Een stap verder gaand zou de leerkracht kunnen zeggen: “Jij bent tien
jaar geleden geboren. Je vader is veertig jaar oud; dat betekent dat hij dertig jaar vóór jou is geboren,” enzovoort.
In deze context vullen drie of vier generaties niet simpelweg een reeds bestaande eeuw (op een tijdlijn); het is juist hun bestaan ​​dat de tijd zelf creëert.
Dit versterkt bij het kind het besef van de verbondenheid tussen mensheid en geschiedenis.

Pas nu stappen we over op het in onze westerse cultuur gebruikelijke jaartelsysteem: “Wij – en ook vooraanstaande persoonlijkheden – noemen het jaar waarin we nu leven 1962; we noemen het jaar waarin jij geboren bent 1952, enzovoort.” Het conventionele karakter hiervan – de mogelijkheid om het anders te doen – wordt ervaren; tegelijkertijd ervaart men het menselijk vermogen om op eigen initiatief iets vast te leggen, evenals het vermogen om zich daar binnen een gemeenschap aan te houden. Beide zijn fundamentele historische verschijnselen: de daad van vrije vastlegging op basis van inzicht, en de daad van het zich voegen naar de krachtige invloed van een gemeenschap en traditie. Het feit dat deze aanduiding van een “keerpunt in de tijd” verwijst naar een gebeurtenis van enorme historische betekenis, zal de sfeer in de klas doordringen – tenzij de leerkracht er de voorkeur aan geeft dieper in te gaan op de gevoelens van de mensen die dat keerpunt teweegbrachten.
De reeks generaties die op deze manier met een klas in beeld kan worden gebracht, reikt grofweg terug tot het begin van het Frankische Rijk; een verdubbeling van die tijdsspanne zou de periode van de Grieks-Romeinse geschiedenis omvatten. Wiskundig gezien zou de reeks natuurlijk helemaal kunnen worden teruggevoerd tot de “eerste mens” van 600.000 jaar geleden, wat zou neerkomen op 18.000 generaties (uitgaande van drie generaties per eeuw). Toch zou deze methode stuiten op dezelfde bezwaren die we tegen de tijdlijn hadden: 18.000 – dat zijn geen mensen meer, maar louter getallen! Als we het zich ontwikkelende tijdsbesef van het kind concreet willen houden, moeten we ons daarom beperken tot de laatste twee of drie millennia.

In het tiende levensjaar richt de jongere zich intensiever op de buitenwereld; dit veronderstelt een groeiend besef van afscheiding daarvan, aangezien in de voorgaande jaren de grens tussen het zelf en de buitenwereld nog niet werd onderkend. Het kind wordt zich steeds meer bewust van de eigen individualiteit en die van anderen in zijn omgeving; de eerste tekenen van bewust sociaal gedrag en een kritische blik op de gemeenschap dienen zich aan. De ervaring van de klasgemeenschap – het naast en met elkaar zijn – in combinatie met het besef van het eigen ‘ik’, transformeert het voorstellingsvermogen van generatiecontinuïteit tot een doorleefde ervaring van opeenvolging in de tijd. Het individu wordt daardoor niet uitgewist, noch gereduceerd tot een nauwelijks zichtbare, niet te onderscheiden eenheid binnen een totaal; veeleer ervaart het zichzelf en anderen als schakels in een tastbare, begrijpelijke keten van generaties – een keten die, net als de klasgemeenschap, alleen kan voortbestaan ​​door wederzijdse verantwoordelijkheid. Een dergelijke onderwijsaanpak dient dus niet slechts om kennis over te dragen, maar ook om het morele karakter te vormen.
De voorgaande uiteenzetting heeft slechts een klein deel van het onderwijs in één enkel vak belicht. Het doel was aan te tonen dat de brede doelstellingen van geschiedenisonderwijs – zoals vastgelegd in leerplannen en beleidsstukken – pas vrucht dragen wanneer de leerkracht ze tot leven brengt in elke handeling binnen de dagelijkse pedagogische praktijk. Uiteindelijk hangt dit af van het vermogen van de leerkracht om de juiste werkvormen te ontwikkelen, voortkomend uit inzicht in de menselijke natuur en de eigen artistieke vaardigheden.

.

Rudolf Steiner als didacticus: hoe maak je de tijd duidelijk

5e klas geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis

.

3586-3379

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – klas 5 geschiedenis (2-4-2)

.
In de 5e klas wordt de leerlingen o.a. iets verteld over de cultuur van het Tweestromenland. Wat is het kenmerkende van bv. de Babylonische cultuur.
In het Gilgamesjepos dat meestal in proza wordt verteld, staan raadselachtige dingen. 
Al in 1928 probeert Max Stibbe, dan leerkracht aan de vrijeschool Den Haag, een bepaald licht te werpen. Hij doet dit met wat er van Steiner vanuit de antroposofie bekend is.
Het is geen stof voor de leerlingen, maar voor leerkrachten – voor velen is het ook vaak nieuw als ze voor het eerst geschiedenis geven – kan het een hulp zijn ‘gevoel’ te krijgen voor zo’n cultuurfase.
Ik heb aan de spelling van die tijd niets veranderd.

.
Mr. M.Stibbe, Ostara 2e jrg. nr 2 1928

 

MYTHOLOGIE EN GESCHIEDENIS
.

‘Niet alsof wij de door geest en geleerdheid verworven resultaten van ons zouden willen wijzen; of tot de vroegere beschouwingswijze van Romeinsche verhoudingen terugkeeren, wel willen wij de scherpzinnigheid en de twijfelzucht slechts binnen die grenzen laten gelden, die door de geschiedenis zelf gesteld zijn. Een geestrijk scepticisme kan de geesten wekken en, wat slechts op goede trouw en geloof werd aangenomen, omvormen tot diepere kennis; aan het verleden de maatstaf van den tegenwoordigen tijd aan te leggen, kan leiden tot een nieuwe beschouwingswijze, en een aangename bezigheid verschaffen; verder het samenstellen en vergelijken van gelijksoortige verschijnselen in het leven van verschillende volken, kan tot verrassende resultaten voeren; maar om de geschiedenis van een volk te schrijven, voldoet deze soort van behandeling niet. Niet gedachten, vermoedens, oordeelen van de negentiende eeuw over oud-Romeinsche toestanden willen wij vernemen, maar de daden en lotgevallen der Romeinen willen we ervaren, zooals ze door hen zelf zijn begrepen en overgeleverd’.

Zoo schrijven in 1851 twee vooraanstaande Duitsche geleerden:
Gerlach en J.J. Bachofen in de inleiding van hun „Geschichte der Romer’

Waarlijk een woord, dat de niet-materialistisch bevooroordeelde historicus en ook niet-historicus, vreugdevol kan aandoen! De twee schrijvers willen in hun werk de feitelijke geschiedenis der Romeinen afleiden uit mythologie en cultuur.

Moeten wij niet onze kinderen in de jonge jaren opvoeden door sprookjes en later pas komen met de intellectueele leerstof?

Hadden niet evenzoo de oude volken een beeldend bewustzijn, tegenover het moderne denkende bewustzijn?

Trachten we ons te verdiepen in den zin van enkele oude mythen en sagen, trachten wij te zien hoe daarin de ontwikkelingsgang, dat is de geschiedenis der menschheid op een bepaald stadium in beelden werd geschouwd.

Een bekende oude Joodsche legende vertelt van Abraham: Als zoon van Iara, de veldheer van Nimrod, die dezelfde persoonlijkheid is als Gilgamesch, wordt hij geboren. Voorspeld wordt zijn latere groote macht. Daarom wil Nimrod hem dooden. Zijn moeder verbergt hem in een grot in het gebergte, waar de engel Gabriël, door Jehovah gezonden, hem komt voeden. Dan vlucht hij later door het land Charam (=het holenland) naar Palestina. Het land Palestina wordt doorsneden door de Jordaan en wel zóó, dat die rivier uitloopt in de Doode Zee, die 419 M. onder de oppervlakte van de Middellandsche Zee ligt, d.w.z. het Jordaandal is niet anders, dan een zeer groote en diepe kloof. De stamvader dus der Joden leeft bij voortduring in onderaardsche regionen, geleid door maanmachten, want dat zijn Gabriel en Jehova (zij worden in de legende steeds met de maan in samenhang gebracht).

De maan regeert de bloedsbanden der menschen en we zien in het Joodsche volk het meest aardgebonden volk der oudheid, dat sterker dan alle andere de bloedsbanden cultiveert en wel met een speciale opgave: namelijk het schoonste en edelste lichaam voort te brengen, dat van den Christus. Daarvoor moet het zich losmaken van den samenhang met het stamland, n.l. Babylon, waar een veelgodendom heerschte. De legende duidt dit aan in de vlucht van Abraham uit Babylon. In holen, kloven, grotten leeft Abraham, omdat hij en zijn volk zich verbinden moeten met het specifiek aardsche, het physische en omdat hun taak zal worden een bepaald physisch lichaam voort te brengen, door maanmachten geleid. Zinvol is inderdaad de legende voor het heele Joodsche volk, waarvan Abraham niet alleen de stamvader, maar tevens de representant is.

Het Gilgamesch-epos van de oude Babyloniërs spreekt van den held Gilgamesch, een veroveraar, die de stad Uruh beheerscht — twee derde van hem is God, één derde is mensch. Met zijn vriend Eabani (of Engidu) beleeft hij vele avonturen, totdat de laatste in een gevecht met den hemelstier gedood wordt. Daar beleeft Gilgamesch het raadsel van leven en dood:

„Engidu, mijn vriend, die met mij leeuwen doodde,

Die met mij doorschreed alle wegen,

Hem bereikte het lot der menschheid!

Zes dagen en nachten heb ik over hem geweend

Tot de zevende dag liet ik hem begraven.

Ik vreesde, toen ik zijn noodlot zag,

Doodsvrees greep mij aan, daarom ijl ik over het veld;

Het lot van mijn vriend drukt zwaar op mij:

Een verre weg ijl ik, daarom over het veld:

Het lot van Engidu, mijn vriend, drukt zwaar op mij:

Een verre baan ijl ik daarom over het veld.

Mijn vriend, die ik liefheb, is tot aarde geworden,

Engidu, mijn vriend, die ik liefheb, is tot aarde geworden,

Zal ook ik niet als hij, mij neer moeten leggen

Zonder weer op té staan in alle eeuwigheid?”

 

Zoo vraagt Gilgamesch klagend. En hij trekt ver weg tot over de grenzen van het doodenwater naar zijn voorvader. Utnapischtim, die leefde ten tijde van den zondvloed en die onder de goden is opgenomen. Van hem wil hij antwoord hooren op de vraag naar ’t geheim van leven en dood. Utnapischtim wil hem het antwoord geven, eischt echter een innerlijke voorbereiding van Gilgamesch. Deze voldoet daaraan niet — en vergeefs is zijn tocht geweest. Leven en dood blijven een zwart, onopgelost geheim.

Zinvoller beeld van de Babylonische cultuur is onmogelijk te geven. Zien we toch (ik verwijs naar mijn artikel in Nr. I van dezen jaargang) hoe aan dit cultuurtijdvak voorafging een oer-Perzische en oer-Indische cultuur, waarin de mensch nog geheel één was met de wereld der Goden. Lezen we de geschriften, die van die tijden getuigenis afleggen, dan kunnen we daaruit concludeeren: toen was de mensch nog geheel God, de aarde een deel van den hemel, van de goddelijk-geestelijke wereld. De mensch, de laagste onder de geestwezens. En nu gaat de mensch in de Babylonische cultuur veel sterker zich verbinden met de aarde. Gilgamesch is het prototype van de heele Babylonische cultuur, een derde van hem is al mensch, d.w.z. aardewezen geworden. De menschen uit voorafgaande tijden wisten wat gebeurde met hen na den dood, de dood was geen raadsel en dus het leven niet. Godenwijsheid leerde hun den inhoud van beiden. Gilgamesch echter bezit die Godenwijsheid niet meer in dit mate. Het menschelijk „Ik” verkeerde a. h. w. in de oertijden nog in de geestwereld, ‘bij Gilgamesch verbindt het zich al ten deele met het lichaam, het sterft, zou de Egyptenaar zeggen, in het lichaam. En de vraag rijst bij Gilgamesch: zal het ook ondergaan met het lichaam?

De vraag naar ’t geheim van leven en dood kan in die tijden niet meer beantwoord worden. De Goden beginnen te zwijgen. Gilgamesch zoekt vergeefs. Een duistere tijd voor het menschdom breekt aan met de Babylonische cultuur. Zoolang de geestelijke wereld niet vol zich kan openbaren, zoolang is de menschheid in twijfel overleven en dood. De oude Indiërs spraken van het Kali-yuga, het duistere tijdvak, dat 5000 jaar zou duren. Het begon 3101 voor Christus, het is afgeloopen 1899 na Christus. De nieuwe openbaringen uit de geestelijke wereld, die licht geven over het raadsel van leven en dood, zijn inderdaad gekomen. Wat Gilgamesch zocht wordt 5000 jaar later in de Anthroposophie gegeven. Het begint weer licht te worden in de wereld.

Een diepe zin ligt in de oude sagen verborgen. Zij zijn de tijdlooze documenten van een menschheid, die nog zoozeer met het eeuwig-goddelijke verbonden was. Er volgde een tijd, dat uiterlijke, in den tijd opeenvolgende documenten werden neergelegd. Toen de mensch op aarde zich thuis ging voelen.

In onzen tijd van nieuw geestelijk inzicht zullen wij beide soorten van documenten een bepaalde waarde moeten toekennen. De waarde der legenden en sages blijkt geen geringe te zijn.

.
Over Babylon in klas 5: [2-4]   en  hier//      op Google

5e klas geschiedenis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; 5e klasalle geschiedenisbeelden

5e klasalle artikelen

 

.

3545-3330

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis – Mohammed (4-1-1)

.

Hendrik Jan Bakker, mei 1920

.

.

AL SIERA

DE BIOGRAFIE VAN DE PROFEET MOHAMMED

Bewerkt ten behoeve van het hoofd- of godsdienstonderwijs in de zesde klas
van de vrijeschool (Nederland) of steinerschool (België)

Ik stierf als een steen en als plant ontsproot ik.
Ik stierf als plant en keerde weer als dier.
Ik stierf als dier en werd een mensen-ik.
Wees niet bevreesd, de dood heeft mij niet tekort gedaan.

Als mens tilde hij mij van de aarde
Opdat ik engelvleugels dragen mocht.
Ook als engel ben ik niet onsterfelijk
Want eeuwig is slechts het aangezicht van God.

Mijn vleugelslag verheft mij boven engelsferen,
Tot onmeetbaar hoge hoogten.
Dan roept het niets mij, want in mij klinkt als harpmuziek
De roep om wederkeer tot Hem.

Mathnawi, boek III, vers XVII
Vrij vertaald naar Jalaleddin Rumi: Ich bin Wind und du bist Feuer, in de vertaling van Annemarie Schimmel, uitgeverij Hugendubel, 2003

Lieve kinderen, ik ga jullie het verhaal van Mohammed ibn [1] Abd Allah ibn Abd al-Moettalib, profeet van de islam, vertellen.

Toen Abd Allah, de laatste zoon van Abd al-Moettalib, de puberteit had bereikt, besloot zijn vader hem met Amina, dochter van Wahhaab ibn Abd Manaaf, te laten trouwen. Zij gingen beiden naar Wahhaab om hem om de hand van zijn dochter te vragen. Onderweg kwamen zij een vrouw van de Banoe Asad tegen, die, toen zij zijn gezicht zag, bleef staan en tegen hem zei: “Waar ga je heen,
Abd Allah?”
Hij wees op zijn vader die voor hem liep en zei: “Ik ga met mijn vader mee.”
Zij zei: “Ik zou je evenveel kamelen geven als er voor je werden geofferd om je te redden [2] wanneer je mij nu onmiddellijk neemt.”
Hij zei: “Ik begeleid mijn vader, ik moet met hem mee.”

Zij kwamen bij Wahhaab, aan wie Ab al-Moettalib om de hand van zijn dochter Amina vroeg voor zijn zoon Abd Allah. Wahhaab stemde toe en Abd Allah ging bij Amina binnen en hij bekende haar nog dezelfde nacht. Zij werd zwanger van Mohammed.
Toen hij de volgende ochtend onderweg was naar huis, kwam Abd Allah de vrouw van de Banoe Asad opnieuw tegen, die zich de vorige dag aan hem had aangeboden. Deze keer deed ze niets en keerde hem de rug toe. Hij zei tegen haar: “Waarom bied je me vandaag niet aan wat je me gisteravond hebt aangeboden?”
Zij antwoordde hem: “Het licht dat jij gisteren uitstraalde is verdwenen. Vandaag verlang ik niet meer naar jou.”

Iets later vertrok Aballah naar het land van Sjaam [3] om daar handel te drijven. Op de terugreis ging hij langs bij zijn ooms van moederskant, de Banoe an-Nadjjaar in Jathrib [4]. Hij werd ziek en stierf voordat zijn vrouw was bevallen. Aan het kind dat geboren moest worden, liet hij niet veel na.
Amina liet Abd al-Moettalib, de grootvader van de pasgeborene, weten: “Er is een jongen geboren, kom hem zien.”
Abd al-Moettalib ging naar haar toe, nam zijn kleinzoon en droeg hem in zijn armen naar de Ka’aba. [5] Hij dankte God dat Hij hem dit geschenk had gegeven en bad Hem zijn kleinzoon welstand en welvaart te geven. Toen bracht hij het kind naar zijn moeder en ging, zoals de gewoonte was, op zoek naar een voedster. Hij offerde een bok en noemde de pasgeborene

1 Ibn = zoon van
2 Abd al-Moettalib had ooit beloofd de jonge Abd Allah te offeren, maar in plaats daarvan liet een waarzegger hem veertig kamelen offeren
3 Syrië
4 De stad werd later Medina genoemd
5 Het centrale heiligdom in Mekka

Mohammed [6]. De mensen verbaasden zich hierover: “Waarom heb je hem niet de naam van je voorouders gegeven?”
Abd al-Moettalib antwoordde: “Ik wil hem zowel door God in de hemel als door de mensen op aarde geprezen zien.” […]

Tegelijk met ander vrouwen van haar stam had Haliema haar stamgebied verlaten om in Mekka zuigelingen te zoeken en te zogen [.7]
Het was een onvruchtbaar jaar geweest en ze hadden niets meer.
Haliema zat op een zieltogende ezelin, ze werd begeleid door haar man en droeg haar pasgeboren zoon. Zij sleepten een kameel achter zich aan die geen druppel melk meer gaf. Het kind dat niet door zijn moeders borst werd gevoed, kwijnde weg en krijste zo dat het zijn ouders uit de slaap hield. Zij hoopten dat hun redding uit Mekka zou komen.

Toen de groep daar aankwam, werd Mohammed ibn Abd Allah aan de vrouwen getoond. Maar toen ze hoorden dat hij een wees was, weigerde de een na de ander hem te nemen. Zij wilden geen wezen, want ze dachten dat alleen vaders hen gul zouden belonen.
Alle vrouwen vonden pasgeborenen om te voeden, behalve Haliema. Toen de groep zich gereedmaakte voor het vertrek zei zij tegen haar man: “Bij God, ik wil niet naar huis zonder een zuigeling mee te nemen. Dan zou ik de enige zonder mijn vriendinnen zijn. Nee, dan neem ik nog liever deze wees!”
Haar man zei tegen haar: “Ja, doe dat maar. Misschien wil God dat dit kind ons geluk brengt.”
Haliema ging naar Amina bint [8] Wahhaab en kwam met de kleine Mohammed bij haar vandaan.
Terug bij haar man ging zij zitten, nam het kind op schoot en gaf het de borst. En haar borst bleek over te vloeien van melk en Mohammed dronk tot hij verzadigd was. Daarop haastte zij zich om haar eigen zoon, die Mohammeds zoogbroeder was geworden, de borst te geven. En haar zoon dronk tot hij genoeg had. Daarna gingen de twee zuigelingen vredig slapen.
De man van Haliema ging naar hun kameelmerrie en zag dat haar uiers barstensvol melk waren.
Hij begon haar direct te melken en dronk met zijn vrouw tot ze genoeg hadden. Het was lang geleden dat zij zo verzadigd waren geweest. De volgende dag zei hij tegen Haliema: “Bij God, Haliema, je hebt een gezegend wezen genomen. Zie alle weldaden die wij gekend hebben sinds hij bij ons is!”
“Bij God, ik hoop het!”
Met Mohammed ibn Abd Allah in haar armen besteeg ze haar ezelin. Het dier vertrok zo vlug dat het alle dieren van haar gezellinnen voorbijliep. Toen zij haar hadden ingehaald, zeiden ze tegen haar: “Dit is toch niet dezelfde ezelin als waarmee je naar Mekka bent gekomen?”
“Bij God, het is wel dezelfde.”

6 Mohammed: de geprezene, de prijzenswaardige
7 Het was de gewoonde dat zuigelingen uit Mekka de eerste twee jaren aan bedoeïenenvrouwen werden meegegeven, omdat men het stadsklimaat ongezond vond.
8 Bint(i) = dochter van

“Bij God, daar steekt een mysterie achter.”
Haliema en haar man gingen naar huis en zagen dat hun grond, die eerder de onvruchtbaarste van het land was geweest, hen voortaan in staat stelde hun dieren te voeden. Zij hadden genoeg melk voor zichzelf en Haliema kon zowel Mohammed voeden als haar eigen zoon. Sindsdien plachten de mensen tegen hun herders te zeggen: “Gaan jullie je schapen maar weiden waar Haliema de hare weidt.”
Haliema en haar man hielden niet op God te prijzen en Hem te danken voor de weldaden die Hij hun bewees.

Twee jaren gingen voorbij, waarna Mohammed werd gespeend. Volgens het gebruik moest hij nu aan zijn moeder worden teruggegeven. Haliema en haar man brachten hem terug naar Mekka, maar drongen er bij Amina bint Wahhaab op aan hem nog een tijdje te mogen houden. Haliema zei tegen haar: “Waarom laat je hem niet bij mij tot hij sterker wordt? Ik ben bang dat de lucht van
Mekka hem geen goed zal doen.” [9]

Niet lang daarna speelde Mohammed met zijn vriendjes in een ravijn. Plotseling stonden er drie mannen in witte kleding naast hem. Een van hem pakte hem beet, spleet zijn borst open en haalde zijn hart eruit. Uit het hart haalde hij iets zwarts. Toen waste hij het met sneeuw. Daarna plaatste hij het hart weer in Mohammeds borst. Zijn vriendjes waren intussen in paniek naar Haliema
gerend. Haliema kwam aangesneld en trof Mohammed bewusteloos aan. Toen ze hem omhelsde, kwam hij bij. Behalve dat hij bleek zag, was er niets aan hem te zien. De drie mannen waren door God gezonden engelen.

Haliema vertrouwde het niet meer en bracht Mohammed terug naar zijn moeder. Die nam hem mee naar haar ouders in Jathrib, waar zij stierf.

Ontmoeting met een kluizenaar

Nu had de kleine Mohammed ook geen moeder meer en werd hij opgevoed door zijn grootvader Abd al-Moettalib. Die woonde in Mekka dicht bij de Ka’ba, waar hij vaak te vinden was op een mat met zijn kleinzoon naast zich. Toen Mohammed acht jaar oud was, stierf ook zijn grootvader en werd hij in huis genomen door zijn oom Aboe Talib. Aboe Talib was arm en had niet altijd genoeg eten om zijn eigen kinderen en Mohammed te voeden.
Toen Mohammed twaalf jaar oud was, vergezelde hij zijn oom op een handelsreis naar Boesra in het zuiden van Syrië.
Vlak bij die stad woonde een kluizenaar, Bahiera. Veel handelskaravanen kampeerden voor zijn deur, maar Bahiera keurde hen nooit een blik waardig. Maar toen de karavaan met Mohammed langs kwam, nodigde hij hen uit voor een maaltijd. Iedereen moest komen, zei hij.

9 Hussein pp.177-180

Aboe Talib liet Mohammed achter om op de kamelen te letten, maar de kluizenaar hield aan dat echt iedereen moest komen, ook de jongen die de kamelen hoedde. Tijdens de maaltijd observeerde Bahiera de jongen en hij vroeg Aboe Talib over hem te vertellen. Na de maaltijd nam Bahiera Mohammed apart en vroeg hem wat hij zoal droomde en hoe hij zich voelde. Toen bekeek hij zijn
rug en herkende tussen zijn schouders het zegel van de profeten. Hij drukte Aboe Talib op het hart goed voor de jongen te zorgen en op zijn hoede te zijn voor mensen die Mohammed kwaad wilden doen.

Huwelijk

Toen Mohammed was opgegroeid, stelde Aboe Talib hem voor in dienst te treden van Chadiedja bint Choewailid, een rijke koopmansvrouw die gescheiden was van haar man en jonge mannen in dienst nam om haar karavanen te begeleiden. Dat deed Mohammed en Chadiedja zond hem met een karavaan naar Syrië. Ze stuurde een jongen met hem mee. Toen ze terugkwamen, vroeg ze de
jongen hoe Mohammed had gehandeld. Hij was vol lof en vertelde Chadiedja hoe eerlijk hij de mensen bejegende en hoe zorgvuldig hij overeenkomsten sloot en hoeveel voordeel hij wist te behalen.

Na enige tijd stuurde Chadiedja een vrouw naar Mohammed toe die hem vroeg: “Wat weerhoudt je ervan te trouwen?”
Mohammed antwoordde: “Ik heb niet wat er nodig is om te trouwen.”
“Als ik je dat zou bezorgen en je tegelijk schoonheid, rijkdom en deugdzaamheid zou aanbieden, wat zou je dan zeggen?”
“Om wie gaat het?”
“Om Chadiedja bint Choewailid.”
“Maar hoe zou ik dat durven?”
“Laat dat maar aan mij over.” [10]

Chadiedja droeg de vrouw op Mohammed uit te nodigen en die kwam met zijn oom Aboe Talib om haar hand te vragen. Chadiedja had ook haar oom Amr ibn Asad uitgenodigd. Ter ere van de gasten had Chadiedja een schaap laten slachten en ze lieten zich het maal goed smaken. Toen ze voldaan waren, deed Aboe Talib het aanzoek en Amr ibn Asad stemde ermee in. Mohammed was toen vijfentwintig jaar oud en Chadiedja veertig. Zij hielden erg veel van elkaar en Mohammed had later veel steun aan haar. Ze kregen vier dochters en een zoon, die in de wieg stierf.

10 Hussein p.219

De eerste openbaring

Mohammed was een devoot man. Regelmatig trok hij zich terug om te mediteren, vaak in een grot op de berg Hira een half uur lopen buiten Mekka. Toen Mohammed veertig jaar oud was, trok hij zich in de maand ramadan weer terug in die grot. In de nacht werd hij gewekt door de engel Djibriel, die hem opdroeg iets voor te dragen. “Reciteer,” sprak de engel, maar Mohammed zei dat
hij dat niet kon. Hij wist niet wat hij moest zeggen. De engel herhaalde de opdracht en drukte Mohammed stevig tegen zich aan, zodat Mohammed bijna geen lucht meer kreeg. Maar Mohammed herhaalde dat hij niet wist wat hij moest zeggen. Nog eens gebood de engel hem te lezen en hij drukte Mohammed opnieuw tegen zich aan. Toen sprak de engel:

Reciteer: In de naam van je Heer die schiep.
Die de mens schiep uit klei.
Reciteer: want edelmoedig is jouw Heer, Die leerde met het Woord,
Die de mensen leerde wat zij niet wisten.

lqra: bismi rabbik-alladzie khalaq
Khalaqa al-insana min ‘alaq
lqra: warabbuka-l-akram
Alladzie ‘allama bi-l-qalam
‘Allama-l-insana ma lam ya’lam
(Koran 96:2-6; luisteren: http://quran.com/96)

Mohammed was zo bang dat hij door een demon bezeten was, dat hij zich van het leven wilde beroven. Hij rende de grot uit, maar zag daar aan de hemel de gestalte van de engel, die de hele horizon vulde. De engel sprak: “O Mohammed, jij bent de gezant van God en ik ben Djibriel.”
Mohammed keek naar links en naar rechts, maar ook daar zag hij de gestalte van Djibriel.
Mohammed rende in paniek naar huis en riep: “Wikkel mij in een deken. Ik ben bezeten!”
Chadiedja wikkelde hem in een deken – Mohammad zweette hevig en klappertandde van de koorts – en zei tegen hem: “Ik geloof niet dat je bezeten bent.”

Chadiedja ging naar haar neef Waraka ibn Naufal die christen was en vertelde wat Mohammed was overkomen. Deze vertelde haar over Djibriel en geloofde dat wat Mohammed was overkomen waar was.

De boodschapper van God kreeg een tijdlang geen openbaring meer. Toen zij zijn verdriet zag, zei Chadiedja tegen hem: “Het lijkt alsof jouw God je in de steek heeft gelaten.” Zijn verdriet was zo groot dat hij verschillende keren op het punt stond om van een rots af te springen. Maar elke keer als hij op de top was aangekomen, verscheen Djibriel om hem te zeggen:
“O Mohammed, je bent echt de gezant van God.”
Na enige tijd openbaarde Djibriel:

Bij de glorie van de dag.
En bij de nacht als het donker is.
Je Heer heeft je niet verlaten, noch is Hij ontevreden over jou.
Voorwaar, het komende uur [11] zal beter zijn voor u dan het vorige.
En voorwaar, je Heer zal je geven, en je zult tevreden zijn.
Vond Hij je niet als wees en beschermde Hij je?
En vond Hij je niet zoekende en leidde Hij je?
En vond Hij je niet in armoede en verrijkte Hij je?
(Koran 93:2-9)

Er gingen enkele jaren voorbij waarin Mohammed meer openbaringen ontving die hij op de markt en bij de ka’aba verkondigde. Hij kreeg steeds meer volgelingen die hun afgoden afzworen en in de Ene God gingen geloven en een beter en eerlijker leven probeerden te leiden. Dat was tegen het zere been van de rijken en machtigen, die zich bedreigd voelden, omdat ze rijk waren geworden
door list en bedrog en de armen en zieken aan hun lot overlieten. Toen Mohammed weigerde te stoppen met prediken, boden ze hem het koningschap aan, als hij zijn mond maar hield. Dat weigerde Mohammed natuurlijk. Zolang Mohammeds oom Abu Talib, die de leider van de stam Hasyim was, Mohammed beschermde, durfden de anderen Mohammed niets aan te doen, maar toen die overleed, beraamden ze plannen om van hem af te komen. Eerst boycotten ze de stam Hasyim in de hoop dat die Mohammed aan hen zou uitleveren of zou verbannen. Maar dat gebeurde niet.
Hoewel niet alle leden van zijn stam Mohammed volgden, beschermden ze hem toch zoals je een stamgenoot hoorde te beschermen. Na enige tijd overleed ook Mohammeds geliefde vrouw Chadiedja. Mohammed zonk de moed in de schoenen, maar hield toch vol, gesteund door zijn trouwe volgelingen, zijn vriend Abu Bakr en zijn neef Ali, die vanaf het eerste uur in zijn boodschap geloofden.

De nachtelijke reis

Dit is het verhaal van de wonderbaarlijke reis die de Profeet Mohammed (mogen vrede en Gods zegeningen met hem zijn) met de engel Djibriel naar Jeruzalem en door de zeven hemelen naar God maakte. Oemm Hani, de dochter van Aboe Talib, vertelt.

De Boodschapper van God was in mijn huis gaan slapen. Toen hij opstond, vertelde hij dat hij die nacht naar Jeruzalem was gereisd. Toen hij naar buiten wilde gaan, trok ik aan zijn kleren om hem tegen te houden, zodat zijn blote buik zichtbaar werd. Ik zei tegen hem: “O Boodschapper van God,

11 Het komende uur: het hiernamaals

vertel het aan niemand. De mensen zullen je voor leugenaar uitmaken en je kwaad doen.”
De Boodschapper van God zei: “Bij God, ik zal het vertellen.”

Toen het nieuws zich onder de moslims verspreidde, raakten er een paar zo in de war dat zij hun geloof afzworen. Zij gingen naar Aboe Bakr, Mohammeds beste vriend en trouwste volgeling, en zeiden tegen hem: Weet jij wat je vriend vertelt? Hij beweert dat hij vannacht in Jeruzalem gebeden heeft. Aboe Bakr zei: “Jullie liegen.” Zij zeiden: “Vraag het hem dan zelf.” Aboe Bakr zei: “Nou, als hij het zegt, dan is het zeker waar.”

Aboe Bakr ging naar de Boodschapper van God en vroeg hem: “Heb jij aan deze mensen gezegd dat je vannacht in Jeruzalem was?” “Ja.” “Beschrijf het, aangezien ik de stad ken.”
De Boodschapper van God beschreef hoe de stad er uitzag en Aboe Bakr zei dat het klopte. Daarna zei hij: “Ik getuig dat jij de Boodschapper van God bent.” “En jij, Aboe Bakr, bent degene die de waarheid verkondigt.”

De Boodschapper van God vertelde toen: “Ik werd gewekt door Djibriel, die mij naar een wit, slank rijdier bracht dat op een ezel en een muildier leek en dat stevig op zijn hoeven stond. Hij noemde het al-Boeraak. Ik besteeg het dier en reed weg, samen met Djibriel, die na enige tijd tegen mij zei: ‘Stijg af en bid.’ Ik gehoorzaamde. Toen ik klaar was zei hij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Tieba [12], de plaats van de ballingschap.’

Verderop zei hij weer: ‘Stijg af en bid.’ Ik verrichtte mijn gebed en hij zei tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? Op de berg Sinaï, waar de Almachtige Mozes, vrede zei met hem, de Tien Geboden gaf.’

Toen we nog verder waren gekomen, herhaalde Djibriel: ‘Stijg af en bid.’ Toen ik klaar was, zei hij weer tegen mij: ‘Weet je waar je hebt gebeden? In Bethlehem, waar Jezus, vrede zij met hem, is geboren.’

Ten slotte bereikten we Jeruzalem. Ik bond al-Boeraak vast aan de ring die de profeten daarvoor altijd gebruikten en ging de moskee binnen. Ik verrichtte een gebed en ging naar buiten. Djibriel kwam met twee kruiken naar mij toe, de ene gevuld met wijn en de andere met melk. Ik nam de kruik die met melk was gevuld en Djibriel zei: ‘Je hebt de goede keuze gemaakt, de keuze van een
mens die weet wat goed is.’

Toen bracht Djibriel de profeten bijeen en liet mij voorgaan in het gebed. Daarna verhief hij zich met mij tot in de eerste hemel. Daar aangekomen, verzocht Djibriel om binnengelaten te worden.
Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’

12 Medina

Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’
‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’
Toen werd ons open gedaan en ik stond voor Adam, die mij welkom heette en mij het beste wenste.

Daarna verhief Djibriel zich met mij tot in de tweede hemel, waar hij weer verzocht om binnengelaten te worden.
Een stem vroeg: ‘Wie ben jij?’ ‘Djibriel.’

‘Wie is er bij je?’ ‘Mohammed.’
‘Heeft hij zijn opdracht al gekregen?’ ‘Hij heeft zijn opdracht al gekregen.’
Er werd ons opengedaan en ik stond voor Isa (Jezus), zoon van Meryem (Maria), en Yahya (Johannes), zoon van Zakaria. Zij heetten mij welkom en wensten mij het beste.

Zo ontmoetten we Yoesoef (Jozef), Idries, Haroen en Moesa (Mozes).
Ten slotte kwamen we bij de zevende hemel, waar Ibrahiem (Abraham) op ons wachtte. Hij leunde tegen het Veelbezochte Huis, waar elke dag zeventigduizend engelen komen om er nooit meer terug te komen.

Toen verhief Djibriel zich met mij boven de zeven hemelen. Wij bereikten de Sidrat al Moentaha, de boom van de uiterste grens. Ik werd door een nevelsluier omhuld en ik wierp mij ter aarde. Ik hoorde toen: ‘Op de dag dat Ik de hemelen en de aarde heb geschapen, heb Ik bepaald dat jij en je volk vijftig gebeden per dag moeten doen. Die hebben jij en je volk vanaf vandaag te volbrengen.’

Daarna kwam ik terug bij Ibrahiem, die geen vragen stelde. Maar toen ik terugkwam bij Moesa, vroeg hij mij: ‘Hoeveel gebeden heeft de Heer jou en je volk opgedragen?’ Ik antwoordde: ‘Vijftig.’
Moesa zei tegen mij: ‘Dat is veel teveel voor jullie. Ik ken de mensen beter dan jij. Ik heb met de kinderen van Israël heel wat te stellen gehad. Ga terug naar de Heer en vraag Hem het aantal te verminderen.’

Ik ging terug naar de Heer, die er tien van maakte. Maar Moesa zei dat ik het nog eens moest proberen en ik bereikte dat het er vijf werden. Toch zei Moesa: ‘Ga nog een keer terug naar de Heer en vraag hem het aantal nog meer te verminderen. Hij heeft de kinderen van Israël twee gebeden opgedragen en die doen ze niet eens.’ Maar ik weigerde omdat ik me zou schamen om nog
verder aan te dringen.”

De mensen die naar de Boodschapper van God geluisterd hadden, zeiden: “Geef ons bewijzen, Mohammed. Wij hebben nooit zoiets wonderlijks gehoord.”

De Boodschapper van God zei: “Toen ik naar het land van Sjaam (Syrië) ging, vloog ik boven de kudde van Ibn Foelaan. Een van de kamelen schrok van mijn rijdier en ging er vandoor. Vanuit de lucht riep ik naar de mensen waar ze hun kameel terug konden vinden. En aan de voet van de berg Sahfaan heb ik slapende mensen gezien, naast wie een kruik vol water stond met een deksel erop.
Daar heb ik uit gedronken. Deze mensen dalen op dit ogenblik van al-Baidaa’ af naar de pas van atTan’iem met een grijze kameel die voorop loopt en die twee zakken draagt. De ene is zwart en de andere veelkleurig.”

De mensen gingen naar de pas van at-Tan’iem. Zij zagen de zwarte kameel met de twee zakken.
Daarna ondervroegen ze de mensen, die vertelden dat zij hun waterkruik hadden gevuld voordat ze waren gaan slapen, maar dat hij leeg was toen ze wakker werden, hoewel het deksel er nog steeds op lag. Ten slotte ondervroegen ze de mensen van Ibn Foelaan die net in Mekka aankwamen, en zij bevestigden de woorden van de Boodschapper van God: Bij God, hij zegt de waarheid. Nadat een
van onze kamelen schrok en wegliep, hebben we een stem gehoord die ons naar hem toe leidde en het ons mogelijk maakte hem weer te vinden.

Geprezen zij Hij die Zijn dienaar bij nacht een reis liet maken van de heilige moskee naar de verste moskee, waarvan Wij de omgeving gezegend hebben om hem iets van Onze tekenen te tonen. Hij is de horende, de ziende.
(Koran 17:1)

Het vertrek naar Jathrib

Op een nacht had Mohammed een droom waarin hij zichzelf naar een land zag vertrekken waar rijkelijk water vloeide en volop palmen en fruitbomen groeiden. Hij vertelde zijn droom aan zijn metgezellen en die verheugden zich erover, want zij zagen daarin een gunstig voorteken van een aanstaande verlossing, die een eind zou maken aan het lijden dat ze in Mekka te verduren hadden.

Kort daarna ontving hij een delegatie uit Jathrib, een oase die ongeveer een week reizen per kameel ten noorden van Mekka ligt. Jahtrib was een vruchtbare oase, beroemd om zijn dadelpalmen en groentetuinen en werd bewoond door verschillende Arabische en Joodse families. De Arabische families hadden vaak onenigheid en dan traden de Joodse families als scheidsrechter op. Maar nu
kwamen ze er niet meer uit en zochten ze een onafhankelijke scheidsrechter. Ze hadden gehoord dat Mohammed eerlijk en wijs was, dus vroegen ze hem om zijn oordeel. Ook nodigden ze hem uit om met zijn volgelingen bij hen te komen wonen, want ze hadden gehoord in welke moeilijke omstandigheden ze in Mekka leefden.

Mohammed zond een zijn volgelingen naar Jathrib, maar bleef zelf in Mekka, omdat hij op een openbaring van God wilde wachten.

Op een middag werd Mohammed door de engel Djibriel gewaarschuwd: “Slaap vannacht niet op het bed waarop je gewoonlijk slaapt.”
Mohammed ging meteen naar zijn trouwe vriend Abu Bakr en vertelde hem: “God heeft mij toegestaan Mekka te verlaten.” Abu Bakr vroeg: “Zullen wij
samen vertrekken?” Mohammed antwoordde: “Ja, wij zullen samen vertrekken.”

Wat was er aan de hand? De vertegenwoordigers van de verschillende families van Mekka waren bij elkaar gekomen en hadden besloten Mohammed uit de weg te ruimen. Om later ruzie te vermijden, zou iedere familie een jongeman sturen, die Mohammed tegelijkertijd met een scherp zwaard moesten doorsteken. Niemand zou dan weten wie de dodelijke slag had toegebracht.

Abu Bakr en Mohammed maakten alles gereed voor hun vertrek. Mohammed vroeg zijn neef Ali om die nacht in zijn bed te slapen en zijn geliefde groene mantel aan te trekken, zodat hij op Mohammed leek. Als hij naar buiten kwam, zouden de mannen hem herkennen en hem niets doen.
Ondertussen verzamelden de jongemannen zich voor de deur van Mohammeds huis. Toen die naar buiten kwam, nam hij een handvol zand en wierp dat in hun gezicht, waardoor ze verblind werden en niet merkten dat Mohammed vertrok. Toen ze weer konden zien, zagen ze iemand op het bed van Mohammed liggen en dachten ze natuurlijk dat het Mohammed was. Ze drongen het huis binnen, maar keken beteuterd op hun neus toen ze ontdekten dat het Ali was.

Intussen waren Mohammed en Abu Bakr op twee vlugge kameelmerries vertrokken. Zij verschuilden zich drie dagen lang in een grot buiten Mekka, waar een herdersjongen hen voedsel bracht. Mohammeds vijanden stuurden mensen uit om hem op te sporen, maar de een na de ander kwam onverrichter zake terug. Twee mannen ontdekten de grot waarin de twee verscholen zaten, maar omdat er een spinnenweb voor de ingang was geweven, dachten ze dat Mohammed daar niet kon zijn en ze gingen weg. Opgelucht haalden de twee adem en snel vertrokken ze in de richting van Jathrib, waar ze door hun vrienden en een groot aantal van de inwoners van Jathrib die inmiddels tot de islam waren bekeerd, met grote vreugde werden onthaald.

Iedere dag stonden enkele kinderen op de uitkijk om te zien of Mohammed al kwam. Toen ze hem zagen aankomen, riepen ze de bewoners uit hun huizen en iedereen verzamelde zich langs de kant van de weg. Toen Mohammed naderde, zongen ze dit lied:

Tala’al-Badru ‘alayna, min thaniyyatil-Wada’.
Wajab al-shukru ‘alayna, ma da’a lillahi da’. Ma da’a lillahi da’.
Ayyuh al-mab’uthu fina, ji’ta bi-l-amri-l-muta’.
Ji’ta sharraft al-Madinah, marhaban ya khayra da’! Marhaban ya khayra da’!

De volle maan is opgekomen uit de vallei van Wada’.
Wij tonen onze dankbaarheid over de boodschap van Allah.
O jij die te midden van ons opgroeide, je hebt je opdracht vervuld.

Je bent gekomen om deze stad te eren. Welkom, wees welkom in ons midden![13]
Iedere familie wilde Mohammed in huis nemen, maar om jaloezie te vermijden liet Mohammed het oordeel liever aan God over. Hij liet de teugels van zijn kameel los en op de plek waar de kameel knielde, liet hij een huis bouwen. Op die plaats verrees wat later een moskee, die nu de moskee van de Profeet wordt genoemd.

Links: Reconstructietekening van de eerste moskee. Links zie je de kamers van Mohammed en zijn vrouwen. Een dak van palmbladeren bood schaduw om onder te bidden. De moskee werd gebruikt voor alle belangrijke religieuze en politieke bijeenkomsten. Ook bood hij onderdak aan armen en reizigers.
Rechts: Een foto van de moskee zoals die er nu uitziet. Onder de groene koepel liggen Mohammed en zijn trouwste metgezellen begraven.

Het verdrag van Medina

Om orde op zaken te stellen en een einde te maken aan de onderlinge strijd van de verschillende bevolkingsgroepen van Jathrib, dat later Medinat-un-Nabi (de stad van de profeet) genoemd werd, of kortweg Medina, stelde Mohammed een overeenkomst op waaraan alle groepen zich moesten houden. Het begon zo:

“In naam van God, de schepper, de barmhartige. Dit is een document van de profeet Mohammed aangaande de betrekkingen tussen de gelovigen van Qoeraish en Jathrib en degenen die hen volgen, zich bij hen hebben aangesloten en zich tezamen met hen inspannen. Zij zijn één gemeenschap, met uitsluiting van andere mensen.”

[13] Luisteren:
https://www.youtube.com/watch?v=BXBdyJitlRk

Er werd in bepaald dat zij elkaar zouden steunen en beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Buit verkregen in de strijd werd door Mohammed eerlijk verdeeld. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen moslims, joden en ongelovigen. Zij mochten elkaar niet doden. Deden zij dat toch, dan mocht iemand van de ander familie gedood worden, tenzij de familie van het slachtoffer akkoord ging met bloedgeld. Meningsverschillen moesten aan de profeet worden voorgelegd, die een bemiddelaar aanstelde of zelf een oordeel uitsprak.

Strijd om Mekka

Mohammeds vijanden in Mekka waren bang dat de moslims in Medina terug zouden komen om Mekka te heroveren. Het was immers Mohammeds bedoeling om het veelgodendom te vernietigen en de Ka’aba, het heiligdom dat het centrum van Mekka vormt, van afgodsbeelden te zuiveren. En mdaarin vergisten ze zich niet! Daarom vormden ze een leger dat de moslims in Medina moest
verslaan. Er werden verscheidene veldslagen geleverd, waarbij de moslims soms door engelen geholpen werden. Er werden vele verliezen geleden, maar uiteindelijk werd een wapenstilstand gesloten. Na afloop van die wapenstilstand trokken de moslims Mekka binnen en gaven de inwoners zich over. Wie moslim wilde worden, deed dat en wie geen moslim wilde worden, kon zijn oude geloof binnenshuis blijven volhouden, zolang hij anderen daar maar niet mee lastig viel.
De Ka’aba werd gezuiverd en geen ongelovige mag daar tot aan de dag van vandaag bij in de buurt komen.

De preek van de afscheidsbedevaart

Tien jaar na zijn vertrek naar Medina ging de profeet Mohammed op bedevaart naar Mekka. De handelingen die de Profeet toen uitvoerde, vormen nu nog steeds de vaste rituelen van de bedevaart. Bovendien hield de Profeet op de negende dag van de maand dzoel-hiddja in de vallei van de berg Arafah een toespraak.

O mensen! Luister aandachtig naar mij, want ik weet niet of ik na dit jaar hier weer onder jullie zal zijn. Luister daarom nauwkeurig naar wat ik zeg en geef deze woorden door aan degenen die vandaag niet aanwezig konden zijn.

Jullie bloed en jullie bezittingen zijn net zo heilig en onschendbaar als de heiligheid van deze dag, deze maand en deze stad. Kijk, alles wat tot de dagen van onwetendheid behoorde, wordt onder mijn voeten volledig afgeschaft! Afgeschaft is ook de bloedwraak uit de dagen van onwetendheid.
Onze eerste eis van bloedwraak die ik heb afgeschaft, is die van de zoon van Rabiah ibn al-Harith, die gevoed werd door de stam van Sa’d en gedood door Hoedhail.

En de woekerrente is afgeschaft, en de eerste woekerrente die ik afschaf is die van ‘Abbas ibn ‘Abd-al-Moettalib.

Jullie kapitaal is aan jullie om te houden. Doe er geen onrecht mee en jullie zal geen onrecht gedaan worden. Geef de goederen die aan jullie zijn toevertrouwd altijd weer terug aan hun rechtmatige eigenaren. Niets van de ene moslim is toegestaan aan een andere moslim, tenzij het vrijwillig gegeven is. Doe elkaar daarom geen onrecht aan.

Vrees Allah wat betreft vrouwen! Jullie hebben hen tot echtgenotes genomen onder het vertrouwen van Allah en gemeenschap met hen is jullie toegestaan door de woorden van Allah. Jullie hebben recht op hen, en jullie hebben er recht op dat zij iemand die jullie niet mogen, niet toestaan op jullie bed te zitten. Doen zij dat toch, dan mogen jullie hen tuchtigen, maar niet hard.

Hebt het goede met hen voor, want zij zijn gevangenen bij u die niets van zichzelf bezitten. U hebt hen ontvangen van God, als een toevertrouwd goed. Mannen, het is waar dat jullie bepaalde rechten hebben over jullie vrouwen, maar zij hebben ook rechten over jullie! Bedenk dat jullie hen als jullie echtgenotes hebben genomen, alleen onder het vertrouwen van Allah en met Zijn
toestemming.

Als zij zich houden aan hun plicht jegens jullie, dan hebben zij het recht om te worden gevoed en gekleed met vriendelijkheid. Behandel jullie vrouwen goed en wees lief voor hen, want zij zijn jullie partners en toevertrouwde helpers.

De hele mensheid stamt af van Adam en Eva. Dus is een Arabier niet beter dan een niet-Arabier en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier. Evenmin is een blanke beter dan een zwarte, en een zwarte is niet beter dan een blanke. Alleen wat betreft vroomheid en het doen van goede daden kan de ene moslim zich onderscheiden van de andere! Leer dat elke moslim een broeder is van alle
andere moslims en dat de moslims samen een broederschap vormen.

Doe niemand pijn, opdat niemand jullie pijn zal doen.

Aanbid Allah, verricht de dagelijkse vijf gebeden, vast tijdens de maand ramadan en betaal uit je bezittingen de zakaat. Verricht de bedevaart als jullie daartoe in staat zijn.

De ongelovigen geven zich over aan het vervalsen van de kalender opdat zij datgene wat Allah heeft verboden, geoorloofd kunnen maken, en te verbieden wat Allah heeft toegestaan. Allah heeft de maanden vastgesteld op twaalf; vier daarvan zijn heilig.

Weet dat jullie je Heer zullen ontmoeten en dat Hij jullie zeker zal afrekenen op jullie daden.
Bedenk dat jullie op een dag voor Allah zullen verschijnen en jullie daden moeten verantwoorden.
Pas dus op! Raak niet van het rechte pad af nadat ik weg ben.

Geen enkele profeet of boodschapper zal meer na mij komen en geen enkel nieuw geloof zal meer worden geboren. Wees daarom verstandig, o mensen, en probeer mijn woorden aan jullie te begrijpen. Ik laat twee dingen voor jullie achter: de Koran en mijn voorbeeld. Als je deze volgt, zul je nooit op het verkeerde pad terechtkomen.

Tot slot reciteerde de Profeet een openbaring van Allah, die hij net had ontvangen:

Heden heb Ik jullie godsdienst voor jullie voltooid, Mijn genade aan jullie volledig bewezen en de islam (overgave) als godsdienst voor jullie goedgevonden.
(Koran 5:3)

Degenen die naar mij luisteren, moeten mijn woorden doorgeven aan anderen, en diegenen weer aan anderen. En mogen de laatsten mijn woorden beter begrijpen dan diegenen die direct naar mij luisteren.
O Allah, wees mijn getuige, dat ik Uw boodschap heb meegedeeld aan Uw mensen!

Ik heb het Boek van Allah voor jullie achtergelaten en als jullie daaraan vasthouden, zullen jullie nooit dwalen. En als jullie op de Opstandingsdag over mij ondervraagd worden, wat zullen jullie dan zeggen?

Zijn toehoorders zeiden: “Wij zullen getuigen dat u de boodschap hebt overgedragen en ons wijze raad hebt gegeven.” De Profeet hief toen zijn wijsvinger op, wees naar de mensen en zei drie keer:
“O Allah, wees mijn getuige!”

Korte tijd later is de profeet overleden.


Luisteren: http://quran.com/1

in de Koran terugkomt), dus ook met klei kunnen worden vertaald. Qalam wordt meestal met ‘pen’ of ‘schrijfriet’ vertaald. Dr. Ibrahim Abouleish (oprichter van het Sekem-initiatief in Egypte) vertaalt het met ‘logos’, wat hier logischer lijkt.
Soera al-lchlaas geeft heel krachtig de kernboodschap van de Koran weer: God is één, dat wil zeggen dat er slechts één god is – er zijn er niet meerdere – maar ook dat alles één is, dus met elkaar verbonden, van elkaar afhankelijk, holistisch. “Zijn troon strekt zich uit over de hemelen en de aarde” en “Wij zijn hem (de mens) nader dan zijn halsslagader” leert de Koran elders. God is alomvattend, maar dat wil ook zeggen dat alles goddelijk is, heilig. Dit leert ons eerbied voor de schepping, want God openbaart zich in ieder wezen, hoe nietig ook, en zelfs in de dode natuur.
God kan dan ook gekend worden door de schepping te kennen. God is tijdloos, zonder begin en einde, zonder ouders en zonder nakomelingen. Moslims aanbidden alleen God, maar hebben eerbied voor de overige geestelijke wezens (malaikat – engelen, en natuurwezens – djinn).

Een hoofdstuk dat heel duidelijk naar het leven na de dood verwijst is soera al-lntifaar. Aan het einde der tijden, als het universum vergaat, staan de mensen voor het jongste gericht en wordt geopenbaard wat het leven voor betekenis heeft gehad. Dan worden de graven geopend, komen de doden tot leven en worden de mensen beoordeeld op hun goede en slechte daden, met als
consequentie een eeuwig leven in de hel (het vuur) of in het paradijs (de tuin). (Dit hoeft niet per se definitief te worden opgevat. Er zijn passages die erop wijzen dat een gestorvene direct na zijn dood wordt ‘beoordeeld’ en in een nieuw leven terugkeert. Wat de mens volgens de beschrijvingen in de Koran in het graf beleeft, lijkt sterk op wat Rudolf Steiner over het Kamaloka meedeelt. De
Koran laat het bestaan van reïncarnatie en karma open.) Het is dus zaak je op het leven na de dood voor te bereiden door het doen van goede werken en gebed, zonder echter het aardse leven te verzaken. “Bereid je voor op het hiernamaals alsof je morgen zult sterven, maar werk in het hiernumaals alsof je het eeuwige leven hebt.”

Soera al-‘Asr geeft kernachtig weer wie als moslims (gelovigen) te beschouwen zijn: zij die vertrouwen hebben, het juiste doen, geloven in de waarheid en niet opgeven. Het begrip moslim (degene die zich – uit vrije wil – aan het Hogere onderwerpt) zou je best ruimer mogen nemen dan alleen degenen die de geïnstitutionaliseerde godsdienst Islam volgen. ‘Asr is letterlijk de tijd van
het namiddaggebed, maar wordt hier meestal vertaald met de stroom van de tijd, de tijd die voorbij gaat. Wa al ‘asr betekent: Bij de tijd! (een bezwering: bij de tijd, ik zweer dat…).
Deze soera herinnert aan een andere passage, waarin God de bergen (het mineraalrijk) en de bomen (het plantenrijk) het beheer over Zijn schepping aanbiedt. Maar zij weigeren, omdat zij beseffen dat ze in deze enorme verantwoordelijkheid tekort zullen schieten. De mens echter, overmoedig, neemt
het aanbod aan. Maar ook de meeste mensen schieten hierin (nog) tekort. Er zijn slechts enkele ingewijden en spirituele leiders die de verantwoordelijkheid werkelijk kunnen dragen.

De islam kent drie stadia van spirituele ontwikkeling: moslim, mo’min en mohsin, vergelijkbaar met de antroposofische begrippen gewaarwordingsziel, verstands-gemoedsziel en bewustzijnsziel.
Moslim is degene die zich trouw aan de voorschriften houdt en verder geen vragen stelt. Mo’min is degene die deze tracht te doorgronden en van binnenuit tot het volgen van het juiste komt (je zou dat een leerling-stadium kunnen noemen). Mohsin is een ingewijde die de geheimen van het leven
kent.

Een traditioneel Egyptisch lied om samen te zingen:

Bronnen:
Mahmoud Hussein: Al Síra – de verhalen over Mohammed in Mekka, uitgeverij Bulaaq, 2008
Pé Mullenders: De preek van de afscheidsbedevaart van de profeet Mohammed “O Allah, wees mijn getuige!”, in: Al Nisa, Islamitisch maandblad voor vrouwen, december 2006
Het lied hierboven: Sekem, Egypte
Mondelinge en schriftelijke bronnen waarvan ik mij de titel niet meer kan herinneren.

De afbeelding bovenaan en hieronder is calligrafie in Kufisch schrift. Er staat:
Bismillahirrahamaanirrahiem (In naam van God, de Schepper, de Genadevolle)

.

6e klas geschiedenisalle artikelen


6e klas: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas geschiedenis


3495-3283

. . . .

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – Geschiedenis – Egypte (2-3/3)

.

Om de geschiedenis van een cultuur boeiend te kunnen brengen, moet je als leerkracht veel lezen. Je weet dat je daar maar een deel van kan gebruiken.
Het gaat er met dit artikel ook niet om dat je met de leerlingen ‘de vraagstukken’ doorneemt. Veel meer om de verwondering te wekken voor – hier de piramide van Cheops – de bedoeling en uitdrukking van zo’n bouwwerk.
.

Mark Mastenbroek, Jonas, nadere gegevens onbekend
.

Een drama van kosmische afmetingen
.

Vormen de piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde, zoals onderzoekers ons willen doen geloven? De nieuwe theorie over de functie van de zogenaamde ‘ventilatie-schachten’ in de piramide van Cheops past in ieder geval wonderwel in dit beeld.

Piramiden zijn anders dan je denkt. Wie verwacht te worden verpletterd door hun formaat, zal bij zijn eerste bezoek aan Gizeh, de voorstad van Cairo waar de drie grootste piramiden te vinden zijn, wellicht teleurgesteld raken door die ogenschijnlijk heel gewone bergen van steen. Ze lijken soms eerder een natuurverschijnsel dan mensenwerk. Een ander zal, wanneer hij tussen de grijs-bestofte palmen van het laagland opeens hun silhouet ontwaart, maar één behoefte voelen: zich ter aarde te storten. Niet alleen vanwege hun ontzagwekkende formaat, maar misschien nog wel eerder vanwege iets in hun vorm en uitstraling, waar eigenlijk geen woorden voor te vinden zijn. Kortom, de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid rond 2500 voor Christus schiep, onttrekken zich voortdurend aan ons voorstellingsvermogen. De ene keer moet je moeite doen om je te realiseren dat de piramide van Cheops wel degelijk honderdvijftig meter hoog is, de andere keer zijn de 2,5 miljoen stenen van Cheops met een gemiddeld gewicht van 2,6 ton (waarmee je een flinke muur om heel Frankrijk zou kunnen bouwen) niet genoeg om de ware dimensie recht te doen, die je in de nabijheid van dit wereldwonder ervaart.

Daar komt nog bij dat de reuzen van Gizeh de onderzoekers bij voortduring voor raadsels plaatsen. Het is namelijk onmogelijk dat men met de toen geldende technische middelen dergelijke complexen kan hebben gerealiseerd. Bovendien staat een piramide nooit op zichzelf, maar torent majesteitelijk uit boven een ommuurd complex met aanlegsteigers, verhoogde wegen, vele tempels, in de grond neergelaten schepen, talloze grafmonumenten, een reusachtige sfinx en een aantal bijpiramiden. Zelfs in ons tijdperk van hoogontwikkelde technologie zou zoiets een megaproject zijn. Niet alleen op het gebied van planning en organisatie, maar ook op het gebied van technische precisie en verfijning. Stenen van meer dan vijftien ton per stuk, uitgehouwen in een steengroeve op 700 kilometer afstand aan de overzijde van de Nijl, zijn hoog in de piramide geplaatst met een precisie waar letterlijk geen speld tussen te steken valt. Hoe doe je dat?

Met bonzend hart zwoeg ik omhoog door de zogenaamde Grote Galerij van Cheops, die even plotseling begint als eindigt, en kijk terloops even naar mijn handen. Veel meer dan de eigen spierkracht en zachte bronzen beitels hadden de Egyptenaren niet tot hun beschikking. Er was geen staal, geen ijzer, geen katrol en geen wiel. Om nog te zwijgen van de gecomputeriseerde diamantzagen en lasers die voor ons onontbeerlijk zouden zijn om stenen zo glad te maken. Boven je torent de ruimte als in een kathedraal. Eén ding is zeker. Dit bouwwerk maakt korte metten met onze logica. Het getuigt van een principieel ander systeem van natuurwetten, zekerheden en mogelijkheden dan het onze. In tegenstelling tot wat sommige populair-wetenschappelijke boekjes met tekeningen van het bouwproces ons willen doen geloven, staan we oog in oog met een wonder.

Djedefra

Op de een of andere manier lijkt het wel alsof heel de mensheid betrokken is bij het geheim van de piramiden. Alsof ieder van ons stilletjes zit te wachten op de onthulling van een mysterie dat hem persoonlijk aangaat. Vandaar wellicht de commotie die al enige tijd op mondiale schaal gaande is over de publicatie van Robert Bauval en Adrian Gilbert. Van dit boek is onlangs een Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Het Orion Mysterie. Gilbert en Bauval hebben in veel opzichten baanbrekend werk verricht. Om te beginnen is het hen gelukt om in hun onderzoek naar de piramide van Cheops en zijn tijdgenoten een aantal wetenschappelijke disciplines te verenigen, die doorgaans gescheiden van elkaar opereren. Egyptologen houden astronomen op gepaste afstand omdat zij geen zin hebben om zich met sterren bezig te houden. Archeologen vinden egyptologen weer snel onwetenschappelijk en taalwetenschappers vormen op hun beurt een wereld apart, net als de technocraten die laser-gestuurde minivoertuigjes door smalle schachten laten rijden.

Het boek, dat als een wetenschappelijke verhandeling te lezen valt, maar ook de kwaliteit van een detectiveroman bezit, is vooral gebaseerd op teksten uit Egypte zelf. Dat lijkt nogal voor de hand liggend. Maar al snel ontdekten de auteurs in hun aanvankelijke, amateuristische gedrevenheid dat zij in dit onderzoek voor een muur stonden, die bijna even ondoordringbaar was ais de piramiden zelf. Want de meest eminente egyptoloog die deze eeuw heeft voortgebracht -professor Breasted-heeft hieromtrent reeds in 1912 een barrière opgeworpen, die in de wetenschappelijke praktijk nauwelijks te nemen valt zonder gezichtsverlies. Hij omschreef de piramideteksten steeds als “bijgelovige bezweringsformules, meer niet”. Dankzij zijn Bijbelse oriëntatie kon men volgens Breasted pas bij de teksten van de ketterse farao Echnaton (ca. 1350 voor Christus), in wiens Aton-religie hij een voorloper van het christendom zag, spreken van een coherente inhoud. Vanuit de overtuiging dat een cultuur die bouwwerken als de piramiden weet te realiseren, misschien toch ook teksten produceert die op zijn minst ergens op slaan, kwamen Bauval en Gilbert tot de ontdekking dat de Egyptenaren zelf hun piramiden steeds weer in samenhang brachten met sterren.

De reusachtige piramiden van de vierde dynastie (ca. 2500 voor Christus) zoals Cheops, zijn echter ‘stom’. We vinden pas teksten in grafkamers van de kleinere piramiden uit de vijfde dynastie, zoals die van Ounas (Jonas) te Sakkara. Al snel bleek dat Gilbert en Bauval niet de enigen waren die stonden te dringen voor de barrière van Breasted. Diverse egyptologen en taalwetenschappers hadden reeds in alle voorzichtigheid geopperd dat de teksten uit de latere piramiden van de vijfde dynastie een inhoud weergaven die op veel oudere originelen teruggreep. Er wordt in diverse papyri geciteerd uit bronnen van eerder datum. Daarbij komen ook bestaande piramiden ter sprake, zoals die van de farao’s Nebka en Djedefra uit de vierde dynastie. We lezen bijvoorbeeld: “(De piramide van farao) Nebka is een ster.” Of: “Djedefra is een Sehetoe-ster.” Sehetoe betekende: ster van de Doeat, ofwel het nachtelijk uitspansel waarin de dode zielen tot sterren waren geworden. In een papyrusfragment dat bekend staat als Spreuk 600 lezen we een opdracht voor een nieuwe koning. Iedere farao werd tijdens zijn leven beschouwd als de verpersoonlijking van de god Horus op aarde. Horus was de op wonderbaarlijke wijze verwekte zoon van de god Osiris en zijn gemalin Isis. In Spreuk 600 wordt een nieuw gekozen farao opgeroepen om naar de piramidevelden te gaan. Er staat: “O Horus, de (gestorven) koning is Osiris, deze piramide is Osiris, dit bouwwerk van hem is Osiris, begeef u daarheen. ’’ De piramiden werden dus beschouwd ais sterren, maar ook verpersoonlijkten zij Osiris. Deze centrale god van de Egyptische mythologie was na zijn tragische dood door moordenaarshand de heer van het dodenrijk geworden. Heel de Egyptische cultuur was sindsdien gericht op de dodencultus. Elke farao die tijdens zijn leven de titel Horus droeg, werd na de dood één met de geliefde Osiris. Kennelijk vervulde de piramide -die immers ook Osiris genoemd werd- een centrale rol bij die eenwording.

Verpletterend schouwspel

Aan de rand van de woestijn, op een plek waar even geen straatverlichting of ander neon in de omgeving is, kan je er nog een vermoeden van krijgen hoe verpletterend het schouwspel van de nachtelijke sterrenhemel hier in de oudheid geweest moet zijn. Wanneer je je een beetje in het verleden probeert te verplaatsen, dan doemen er in oud-Egypte enkele monumentale karakteristieken op die het bestaan bepalen. Het land biedt 2000 kilometer lang hetzelfde beeld: de Nijl, geflankeerd door een smalle strook vruchtbare grond en daarbuiten de woestijn onder de kraakheldere lucht. Een woestijn die het land ook grondig isoleert van de rest van de wereld. Hier maakt het een formidabel verschil of het dag is of nacht. Het leven speelt zich tussen die twee realiteiten af. De wereld is te onderscheiden in hemel en aarde. Voor de mens zijn er slechts twee vormen van bestaan: leven en dood. Het is in een land als Egypte ook haast vanzelfsprekend dat men in de Melkweg, die de inktzwarte hemel met al die flonkerende sterren als een rivier doorsnijdt, de hemelse Nijl herkent. Zo boven, zo beneden, ‘s Nachts staan we oog in oog met de majesteit van de doden, die in de Doeat leven aan de oevers van de hemelse Nijl als sterren. En uiteindelijk rest natuurlijk de vraag: hoe maak je de grote sprong van hier naar ginds? Hoe word je een Osiris? Volgens Bauval en Gilbert gebeurde dat in Egypte door een afspiegeling van de hemel op aarde te realiseren. Zij ontdekten dat de plaatsing van de piramiden uit de vierde dynastie exact overeenkomt met de toenmalige configuratie van de sterren van het sterrebeeid Orion. Orion werd in de Egyptische inwijdingsplaatsen beschouwd als het oord waar Osiris vertoefde. Ook de grootte van de diverse piramiden komt precies overeen met de lichtintensiteit van de sterren uit Orion waarmee ze corresponderen.

Die ontdekking is revolutionair, maar vanuit de Egyptische dodencultuur heel aannemelijk. Het betekent bovendien dat de piramiden met hun bijgebouwen geen afzonderlijke monumenten waren, maar onderdeel vormden van een masterplan. Een reusachtig plan om Orion als het ware te herscheppen op aarde. Zonder de hulp van telescopen, satellieten of een computerprogramma als Skyglobe dat het ons nu mogelijk maakt om de toenmalige configuratie van Orion in beeld te brengen. Want niet alleen veranderen sterren op eigen gelegenheid geleidelijk van plaats, ook de ritmische schommelingen in de stand van de aardas zorgen voor variaties in de hoogte die sterren in de loop van de eeuwen aan de hemel kunnen bereiken. Ook de Egyptenaren waren trouwens op de hoogte van deze minimale veranderingen aan de sterrenhemel die zich over eeuwen uitstrekken.

Ventilatiekanalen

Minstens even spectaculair is de suggestie van Gilbert en Bauval dat de smalle schachten in de piramide van Cheops, die lange tijd als ventilatiekanalen werden beschouwd, een rol hebben gespeeld bij het ceremonieel dat zich daar voltrok. De belangrijkste ‘kamers’ in de piramide van Cheops zijn de zogenaamde koninginnenkamer en de koningskamer waarin men de (lege) sarcofaag aantrof. Vanuit beide ‘kamers’ lopen kanalen schuin omhoog. Het op afstand bestuurbare robotachtige voertuigje Oepoeaut 2, dat in 1993 met een camera door de smalle schachten omhoogsnorde, nam hier de laatste twijfels weg. De schachten bleken rond het jaar 2450 voor Christus exact georiënteerd op Orion (Osiris) en Sirius (Isis). De noordelijke kanalen stonden gericht op de ster uit het circumpolaire gebied die toen de Poolster was: Alpha Draconis. Kennelijk werd de ziel van de dode via deze doorgangen op de een of andere manier geleid naar de Doeat. De Poolster en het gebied daaromheen was vanouds het rijk van Thoëris, de god die een paal of dukdalf aan de hemel had geslagen als een houvast, opdat de ziel niet zijn oriëntatie zou verliezen. Het is niet ondenkbaar, dat de mummie van de farao voor die schacht werd geplaatst om de ziel een eerste oriëntatie te bieden op de wereld van de sterren. Op een vooraf bepaald moment in het sterrenjaar zou de mummie vervolgens verplaatst kunnen zijn en naar het zuiden gericht. In Orion werd de gestorven farao dan tot een sterrenziel .tijdens het ritueel van de mondopening dat zich wellicht voor de betreffende schacht voltrok. Een rituele tekst roept de gestorvene toe tijdens de mondopening: “Uw gelaat is gewassen, uw tranen zijn afgeveegd, uw mond is opengesneden met ijzeren vingers.” In de Doeat kreeg de farao als een nieuwe Osiris aldus zijn stem terug om de magische spreuken ten gehore te kunnen brengen die hem zijn rechtmatige plaats tussen de gestorvenen konden doen innemen. Maar eenmaal tot een Osiris geworden, had de dode farao nog een missie waar heel de voortgang van de Egyptische cultuur van afhing. Hij moest een nieuwe Horus verwekken, die op aarde zijn rechtmatige taak zou voortzetten en die als bij Osiris zijn dood zou wreken op de machten van het kwaad. Voor de schacht die naar Sirius wees zou, getrouw aan de mythologie heel goed een ritueel hebben kunnen plaatsvinden, dat te omschrijven valt als een onbevlekte ontvangenis. Zoals dat eens volgens de mythologie met de dode Osiris was gebeurd, werd de gestorvene met een kunstmatige fallus getooid en bevruchtte zo langs magische weg zijn gemalin in de sterren. Negen maanden later ‘wezen’ de sterren dan de nieuwe Horus aan, die ais het ware incarneerde in zijn opvolger.

Nog steeds heeft het toerisme in Egypte zich niet hersteld van de angst voor aanslagen van fundamentalisten. Het is januari 1995 en ik sta, temidden van vrijwel verlaten piramidevelden, alleen in de kalkstenen koninginnenkamer van Cheops. De schachten, waarvan de uiteinden er nu een beetje onooglijk uitzien. liepen oorspronkelijk niet door tot in dé ‘kamer’ zelf, maar hielden enkele centimeters vóór deze ruimte halt. Onderzoekers uit de vorige eeuw hebben de toegangen ontdekt en opengehakt. Toch kun je ook nu niet door die kanalen van 20 x 20 centimeter direct naar de sterren kijken. Eerst lopen ze een stukje horizontaal, en dan pas schieten ze in de richting van hun toenmalige doel. Bovendien eindigen niet alle schachten in de open lucht. Het robotwagentje dat gebruikt werd bij het onderzoek van de gangen, stuitte in één van die kanalen op een valdeur met twee koperen handgreepjes. Dit was de meest sensationele vondst van heel het onderzoek. Bevindt zich achter die kleine deur een geheime kamer? Kennelijk, want het robotkarretje zond laserstralen uit die onderaan de valdeur uit het zicht verdwenen in een kier. Er bevindt zich daarachter dus op zijn minst een open ruimte. En wat is daar te vinden? Staat er een Ka-beeld van de farao naar de sterren te turen of zit er een piramidevormig stuk meteorietijzer in? Ook dat laatste is niet ondenkbaar. Dergelijke brokken meteorietijzer, die de Egyptenaren ais het sperma van de goden beschouwden, werden Benben genoemd, wat zoveel betekent als ‘lichtuitwerper’. Het mystieke beeld van de Phoenix, de vuurvogel die herrijst uit zijn eigen as, is vermoedelijk aan deze voorwerpen ontleend. Het meest heilige object uit de prehistorische tijd van Egypte, de Benben van de zonnetempel te Heliopolis, was in de periode van Cheops reeds zoek. Staat die soms hier? Speculeren is verleidelijk. Ook Bauval en Gilbert ontkomen er niet aan, maar vergeten in hun boek te vermelden waar vooronderstellingen in het spel zijn en waar niet.

Nieuwe vragen

In de koninginnenkamer van Cheops staande, is er niets dat houvast biedt omtrent het verleden. Wat zich hier werkelijk voltrokken heeft lijkt allang weggevlucht naar sterren die wij zelfs met een telescoop niet meer kunnen traceren. De ontdekkingen van Bauval en Gilbert roepen nieuwe vragen op, die zich voegen bij de veie onopgeloste kwesties die er rond de piramiden wel altijd zullen blijven. De enige nieuwe gedachte die zich opdringt is, dat we hier misschien wel oog in oog staan met een vreselijke mislukking. Zijn de ontzagwekkende piramiden soms de getuigen van een drama van kosmische afmetingen?

Wanneer men ooit met behulp van piramiden een afspiegeling van de hemel op aarde wilde maken, had Egypte eigenlijk bezaaid moeten zijn met piramiden. Maar dat is slechts zeer ten dele gebeurd. Voortgaande onderzoekingen van Bauval en Gilbert tonen aan dat de posities van latere piramiden, evenals de enkele piramiden uit de derde dynastie, overeenkomen met hemellichamen van andere sterrenbeelden. Maar zelfs binnen de vierde dynastie is het Cheops en zijn directe opvolgers niet gelukt om het sterrenbeeld Orion compleet te maken. In dat geval hadden er twee piramiden moeten worden toegevoegd aan de vijf’ die er nu staan. Zijn die resterende twee soms vernietigd? Het zou een interessant studieobject zijn, want we weten dankzij Skyglobe precies waar ze zich zouden moeten bevinden. Of is men daar niet aan toegekomen? De vijfde dynastie, die op Cheops en zijn tijdgenoten volgde, plaatste wel degelijk nieuwe piramiden, maar die tonen in vergelijking met hun illustere voorgangers een smadelijk verval. Technisch kunnen zij niet aan hun voorlopers tippen, je moet een piramide waanzinnig nauwkeurig in elkaar zetten, wil hij na 4500 jaar nog overeind staan. Dat is in de derde en vierde dynastie dan ook op wonderbaarlijke wijze gebeurd. En je zou mogen verwachten dat er na de eerste monumentale bouwwerken die de mensheid oprichtte, een opgaande lijn zou ontstaan. Al die nakomelingen zijn momenteel echter niet meer dan ruïneuze zandhopen in de woestijn. En met de zesde dynastie is het einde in zicht. Hoe en waarom ging die kennis verloren? Welke worm knaagde aan dit verheven concept? Is het al te gewaagd om te veronderstellen dat de wereld er anders zou hebben uitgezien wanneer het grote wonder van de vierde dynastie was voltooid en in volgende generaties nog tot nieuwe hoogtepunten had geleid? Waren de toverkunsten volgens welke deze bouwwerken zijn ontstaan, dan blijvend op aarde gevestigd? Was de muur tussen levenden en doden transparant gebleven?

De koningskamer van Cheops is van zwart graniet. Ook hier sta ik alleen en pijnig mijn voorstellingsvermogen om te bevatten wat niet te bevatten is. Maar ditmaal word ik toch gestoord. Al zijn er dan geen toeristen in de buurt, in dit geval neemt de Egyptische jeugd hun plaats in. Met denderend lawaai komt een groepje tieners uit de voorstad van Cairo door de nauwe gang de heilige ruimte binnengeschoten. Explosieve jongens van een jaar of dertien met stijf gefixeerde schouders als kwamen zij juist uit de boksring, lopen zinloos van de ene hoek naar de andere. Temidden van het quasi-stoere geschreeuw wordt een rotje afgestoken. De knal kaatst duizendvoudig door de zwarte ruimte waar Cheops tot een ster werd herschapen. 

Het Orion Mysterie Robert Bauval en Adrian Gilbert. Uitg. Fibula

.

5e klas geschiedenisalle artikelen     

5e klasalle artikelen 

Geschiedenisalle artikelen 

Vrijeschool in beeld5e klas geschiedenis

.

3466-3263

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 310)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 310            vertaald

 

Voordracht 1, Arnhem 17 juli 1924

Blz. 17         vert. 17/18

Waldorfschul-Pädagogik, die ja zuerst die anthroposophische Pädagogik ins Leben eingeführt hat, ist daher künstlerische Erziehungspraxis, und die kann im Grunde genommen nur reden von Angaben, wie man es in diesem oder jenem Falle macht. Man hat kein starkes Interesse für allgemeine Theorien, aber ein um so stärkeres für Impulse, die aus der Anthroposophie heraus kommen können für wirkliche Menschenerkenntnis, die eben schon beim Kinde beginnen muß. Aber unser grobschlächtiges Beobachten von heute verwischt ja gerade das Charakteristische in den aufeinanderfolgenden Lebensaltern. Man muß schon ein wenig, ich möchte sagen, inspiriert sein von demjenigen, was einem die Geisteswissenschaft heute über das geschichtliche Werden der
Menschheit sagen kann, wenn man den richtigen Sinn entwickeln will,
der dem Kinde entgegengebracht werden soll. Man weiß ja heute so
außerordentlich wenig über den Menschen und die Menschheit.
Man stellt sich vor, so wie wir heute sind, wenn wir unser Leben vollbringen,
so hat man es seit dem 14,, 15., 16. Jahrhundert vollbracht, und so war es
eigentlich immer. Man stellt sich auch die alten Griechen oder die alten
Ägypter noch so ähnlich vor wie die heutigen Menschen. Und geht man
noch weiter zurück, dann verschwimmt die Geschichte, bis jene Wesen
auftauchen, die halb Affen, halb Menschen sind, so wie sie sich die
heutige Naturwissenschaft denkt. Aber auf die großen Unterschiede
einzugehen, die zwischen der geschichtlichen und der vorgeschichtlichen Periode der Menschheit bestehen, dafür hat man kein Interesse.

Vrijeschoolpedagogie, die toch als eerste de antroposofische pedagogie in het leven heeft gezet, is daarom de praktijk van het kunstzinnige opvoeden. En die kan in feite alleen maar aangeven hoe je in dit of dat geval te werk gaat. We hebben niet veel interesse voor algemene theorieën, maar des te meer voor impulsen die uit de antroposofie kunnen voortvloeien om te komen tot een ware menskunde, die al bij het kleine kind moet beginnen. Maar onze grove manier van waarnemen van tegenwoordig wist wat karakteristiek is in de opeenvolgende levensperioden, juist uit. Je moet een beetje, laat ik zeggen, geïnspireerd zijn door wat de geesteswetenschap in deze tijd over de historische wording van de mensheid te zeggen heeft als je het juiste gevoel naar het kind toe wilt ontwikkelen. Vandaag de dag weet men zo ontzettend weinig over de mens en de mensheid. Men stelt zich voor dat wij tegenwoordig net zo leven als men in de 14e, 15e, 16e eeuw leefde en dat het eigenlijk altijd op dezelfde manier is gegaan. Ook de oude Grieken en Egyptenaren stelt men zich ongeveer zo voor als de mensen van nu. En ga je nog verder terug, dan vervaagt de geschiedenis, tot die wezens opduiken die half aap half mens zijn; zo stellen de huidige natuurwetenschappers zich dat voor. Maar ingaan op de grote verschillen die er bestaan tussen de historische en de prehistorische periode van de mensheid, daarvoor hebben ze geen interesse.
GA 310/17
vertaald/17-18

Voordracht 4, Arnhem 20 juli 1924

Blz. 80/81    vert. 84/85

Wenn Sie das, was zu den übrigen Kenntnissen gehört, die an das Kind herangebracht werden müssen, unter die Gesichtspunkte rücken
werden, die sich durch das Auseinandergesetzte ergeben, dann kommen
Sie dazu, nun in dem Lebensalter, wo das Kind nur durch das Fühlen
das Bildhafte aufnehmen kann, auch zum Beispiel Geschichte und Geographie bildhaft zu treiben; so daß Sie also Bilder hinstellen müssen, wenn Sie Geschichtsunterricht treiben, plastische Bilder, malerische Bilder! Daran entwickelt sich der Sinn des Kindes. Denn was in den ersten zwei Epochen des zweiten größeren Lebensabschnittes, vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife, vor allen Dingen noch nicht in dem Kinde lebt, das ist das, was man den Ursachenbegriff nennt. Vor dem 7. Jahre sollte das Kind überhaupt nicht zur Schule kommen.
Wenn Sie die Zeit vom 7. bis zum 9. und 1/Jahr nehmen, so haben Sie dann wiederum die erste Unterabteilung des zweiten großen Lebensabschnittes; von 91/ bis zu 11 2/Jahren haben Sie die zweite Epoche; und von 11 2/bis zum 14. Jahre, approximativ, die dritte Epoche. In der ersten Epoche der zweiten Überepoche ist das Kind ganz auf Bildhaftigkeit veranlagt. Da muß man märchenhaft sprechen, da muß alles in der Außenwelt noch ungeschieden sein von der kindlichen Natur.

De overige kennis waar we het kind mee vertrouwd moeten maken, zult u in het licht kunnen plaatsen van wat hier naar voren is gebracht; als u dit doet, dan zult u in de leeftijdsfase waarin het kind het beeldende slechts door middel van het voelen kan opnemen, ook bijvoorbeeld geschiedenis en aardrijkskunde op een beeldende manier geven. U moet dus beelden neerzetten als u geschiedenisles geeft: plastische beelden, schilderkunstige beelden! Daardoor ontwikkelt zich het gevoel van het kind. Want wat leeft er zeker nog niet in het kind tijdens de eerste twee perioden van de tweede grote leeftijdsfase, van tandenwisseling tot geslachtsrijpheid?: dat wat men noemt het oorzakelijk begrip, begrip voor het kausale. Vóór het 7e jaar zou een kind helemaal niet naar school moeten gaan. Wanneer u de periode neemt van 7 jaar tot en met 9 1/3 jaar, heeft u de eerste onderafdeling van de tweede grote leeftijdsfase; van 9 1/3 tot en met 11 2/3 heeft u de tweede periode; en van 11 2/3 tot 14 ongeveer de derde periode. In de eerste periode van de tweede leeftijdsfase is het kind helemaal ingesteld op het beeldende. Dan moet je sprookjesachtig spreken, dan moet alles in de buitenwereld nog niet van de natuur van het kind zijn gescheiden.

Da muß die eine Pflanze mit der andern sprechen, ein Mineral mit dem
andern sprechen; da müssen Pflanzen sich küssen, da müssen Pflanzen
Vater und Mutter haben und so weiter. Wenn jener Zeitpunkt heran gekommen ist, den ich eben charakterisiert habe, von 91/ Jahren an, dann wird das Ich anfangen sich zu unterscheiden von der Außenwelt.
Da kann man dann auch mit einer Art Realerkenntnis an die Pflanzen
und Tiere herankommen. Aber immer wird man das Geschichtliche in
den ersten Lebensjahren überhaupt noch märchenhaft, mythenhaft behandeln; in der zweiten Lebensepoche dieses größeren Abschnittes, von 91/3 bis 11 2/3  Jahren, wird man bildhaft sprechen. Und erst wenn das Kind nahezu das 12. Lebensjahr erreicht, kann man mit dem kommen, was man unter der Gewalt des Ursachenbegriffes betrachtet, was etwas nach abstrakten Begriffen hinübergeht, wobei Ursache und Wirkung auftreten kann. Vorher ist das Kind für Ursache und Wirkung so unzugänglich wie der Farbenblinde für die Farben, und man ahnt als Erzieher manchmal gar nicht, wie unnötig man dem Kinde von Ursache und Wirkung redet.Woran wir heute so gewöhnt sind in dem wissenschaftlichen Betrachten, davon kann man dem Kinde erst nach dem 12. Jahre sprechen.
Das aber erfordert auch, daß man mit allem Unterricht über das Leblose, wo eben der Ursachenbegriff in Betracht kommt, wartet bis gegen das 12. Jahr, und daß man mit dem geschichtlichen Betrachten über Ursache und Wirkung in der Geschichte, wo es über das Bildhafte hinausgeht und die Ursachen gesucht werden, auch wartet bis

Blz. 81

gegen das 12. Jahr. Vorher sollte man es nur mit dem zu tun haben, was
man an das Kind heranbringt an Seelischem, an Lebendigem. 

Dan moet de ene plant met de andere praten, de ene ‘mineraal met de ander spreken; dan moeten planten elkaar kussen, dan hebben planten een vader en een moeder enzovoort. Wanneer de tijd gekomen is die ik zojuist heb gekarakteriseerd, vanaf 9 1/3 jaar, dan zal het Ik zich beginnen te onderscheiden van de buitenwereld. Dan kun je ook met een soort reële kennis dieren en planten bekijken. Maar historische zaken zul je in de eerste levensjaren helemaal nog sprookjesachtig, mythe-achtig moeten behandelen; in de tweede periode van deze levensfase, vanaf 9 1/3 tot 11 2/3 jaar, kun je beter beeldend spreken. En pas wanneer het kind bijna het 12e jaar heeft bereikt, kun je aankomen met kausaliteitsbegrippen, met enigszins naar abstrakte begrippen tenderende zaken, waarbij oorzaak en gevolg te voorschijn kunnen komen. Vóór die tijd is het kind voor oorzaak en gevolg even ontoegankelijk als een kleurenblinde voor kleuren. We hebben soms als opvoeder geen idee hoe we het kind nodeloos iets vertellen wat te maken heeft met oorzaak en gevolg. Wij zijn tegenwoordig zo gewend aan de wetenschappelijke manier om naar dingen te kijken, maar daarover kun je het kind pas na het 12e jaar iets vertellen. Daarom moet je ook met alle stof over het levenloze, waarbij het oorzakelijk begrip een rol speelt, wachten tot tegen het 12e jaar; en je moet met historische beschouwingen over oorzaak en gevolg in de geschiedenis, waarbij je boven het beeldende uit-en de oorzaken opzoekt, ook wachten tot tegen het 12e jaar. Vóór die tijd moet je je alleen bezighouden met dingen waar je het kind vanuit de ziel, vanuit het levende vertrouwd mee maakt.
GA 310/80-81
vertaald/84-85  

Voordracht 8, Arnhem 24 juli 1924 ’s ochtends

Blz. 149/150   vert. 156

Nehmen Sie zum Beispiel die Methodik des Geschichtsunterrichtes. Geschichte
einem Kinde vor dem 9., 10. Lebensjahre beibringen zu wollen, ist ein ganz unsinniges Unternehmen; denn das Kind hat gar nicht den Weg zum geschichtlichen Werden. Erst mit dem 9., 10. Jahre beginnt es – beobachten Sie es nur -, für die einzelnen Menschen sich zu interessieren. Wenn Sie so den Cäsar, so einen Achill, einen Hektor, Agamemnon oder Alkibiades als geschlossene Persönlichkeiten hinstellen und das übrige Geschichtliche nur als Hintergrund auftreten lassen, indem Sie das Ganze so malen, dann hat das Kind das allergrößte Interesse daran. Sogar der Trieb macht sich geltend, immer mehr in dieser Art zu wissen. Das Kind bekommt den Drang, sich in das Biographische der geschichtlichen Persönlichkeiten hineinzuleben, wenn Sie in dieser Weise schildern. Geschlossene Bilder von Persönlichkeiten; geschlossene Bilder, wie eine Mahlzeit in einem bestimmten Jahrhundert ausgesehen hat und wie sie in einem andern Jahrhundert ausgesehen hat; plastisch hinmalen, wie die Leute gegessen haben, als es noch keine Gabeln gegeben hat; plastisch hinmalen, wie man im alten Rom gegessen hat; plastisch hinmalen, wie ein Grieche gegangen ist, der sich bei jedem Schritt bewußt war, was das Bein als Form ist, der die Form fühlte; schildern, wie die Menschen des Alten Testamentes, des hebräischen Volkes, gegangen sind, die gar kein Formgefühl hatten, sondern die die Arme und Beine schlenkern ließen; Gefühle hervorrufen für diese Einzelheiten, die man ins Bild bringen kann: das gibt den Geschichtsunterricht für das 10. bis 12. Lebensjahr.

Neem bijvoorbeeld de methodiek van het geschiedenisonderwijs. Een kind geschiedenis willen bijbrengen vóór z’n 9e, 10e jaar is eigenlijk onzin: het kind is helemaal nog niet zover dat hij toegang heeft tot de ontstaansgeschiedenis. Pas op z’n 9e, 10e jaar begint hij -observeert u het maar – zich te interesseren voor de individuele mens. Wanneer u Caesar, Achilles, Hektor, Agamemnon of Alkibiades3 neerzet als afgeronde personen en het overige historische alleen maar als achtergrond laat optreden door het geheel te schilderen, dan heeft het kind daar de allergrootste interesse voor. Hij zal zelfs steeds méér willen weten. Hij krijgt de aandrang om zich in te leven in het biografische van de historische personen als u het op deze wijze schildert. Afgeronde beelden van persoonlijkheden; afgeronde beelden van hoe een maaltijd er in een bepaalde eeuw uitzag en hoe die er in een andere eeuw uitzag; plastisch schilderen hoe de mensen aten toen er nog geen vorken waren; plastisch schilderen hoe men in het oude Rome at; plastisch schilderen hoe een Griek liep, die zich bij elke stap bewust was wat het been als vorm is, die de vorm voelde; schilderen hoe de mensen van het Oude Testament, van het hebreeuwse volk liepen, die helemaal geen vormgevoel hadden, maar die hun armen en benen lieten bengelen. Gevoel oproepen voor deze details, die je in beeld kunt brengen: dat is geschiedenisonderwijs voor het 10e tot 12e levensjaar. 

Dann geht man über in die geschichtlichen Zusammenhänge; denn dann erst wird das Kind empfänglich für den Ursachen- und Wirkungenbegriff. Dann kann man erst zusammenhängende Geschichte darstellen. Aber alles, was in der Geschichte lebt, muß man aus dem Werden herausarbeiten. Sie kommen zum Werden. Stellen Sie sich vor:
Wir leben jetzt im Jahre 1924; Karl der Große hat gelebt von 760 bis 814, wenn wir also sagen um 800, so hat er etwa 1120 Jahre hinter uns gelebt. Wenn wir nun als Kind in der Welt stehen, so entwickeln wir uns, und wir rechnen so, daß wir durch ein Jahrhundert hindurch haben können: Sohn oder Tochter, Vater oder Mutter, Großvater, vielleicht auch Urgroßvater, das heißt also 3 bis 4 Generationen in einem Jahrhundert hintereinander. Diese 3 bis 4 Generationen kann man sich so vorstellen, daß der Sohn oder die Tochter dastehen, der Vater oder die Mutter die Arme auf ihre Schultern legen, der Groß-

Vervolgens ga je over tot de historische samenhangen. Want dan pas wordt het kind ontvankelijk voor het begrip van oorzaak en gevolg. Dan kun je pas historische samenhangen brengen. Maar alles wat in de geschiedenis leeft, moet je uit het ontstaansproces halen. Stelt u zich eens voor: we leven nu in 1924; Karel de Grote4 heeft geleefd van 760 tot 814; laten we zeggen rond 800, (Jan heeft hij ongeveer 1120 jaar vóór ons geleefd. Aan de kinderen kunnen we laten zien dat zoon of dochter, vader of moeder, grootvader, misschien ook overgrootvader, dat wil dus zeggen drie tot vier generaties in één eeuw kunnen leven. Deze drie tot vier generaties kun je je zó voorstellen, dat de zoon of de dochter  voor je staat, de vader of de moeder de armen op zijn of haar schouders legt, de grootvader

Blz. 151  vert. 157/158

vater wiederum seine Arme auf die Schultern des Vaters, und ebenso der Urgroßvater seine Arme auf die Schultern des Großvaters. Da sind Sie aber schon ein Jahrhundert zurückgegangen. Wenn Sie sich nun vorstellen, daß Sie so hintereinander Sohn, Vater und Großvater, also die Menschen der Gegenwart aufstellen und dahinter nun die Menschen von 10 weiteren Jahrhunderten in der Generationenfolge, so bekommen Sie zusammen 11 mal 3 oder 4 Generationen, also sagen wir 44 Generationen. Wenn Sie so 44 Leute hintereinander stellen, von denen jeder die Hände auf die Schultern des vor ihm Stehenden legt, so kann der vorderste ein Mensch der Gegenwart sein, der hinterste kann Karl der Große sein. So bekommen Sie aus der Hintereinanderstellung der Personen eine Anschauung, wie lange das ist, und Sie sagen jetzt: das geht durch 11 Jahrhunderte. Gehen wir nur durch 3 Jahrhunderte, so brauchen wir nicht 44, sondern nur 10 oder 11 Personen hintereinander zu stellen. Auf diese Weise können Sie das, was so schwer anschaulich ist, nämlich die Zeitverhältnisse in der Geschichte, verwandeln in lauter Raumverhältnisse. Sie können sich vorstellen: Sie haben hier einen Menschen, der mit einem andern spricht; der dreht sich um und kann mit einem folgenden sprechen, dieser ebenso wiederum mit einem folgenden bis Sie dahin kommen, wo es war, als der Petrus mit dem Christus gesprochen hat; dann bekommen Sie die ganze Entwickelung der christlichen Kirche in dem Gespräch der hintereinanderstehenden Leute. Die ganze apostolische Sukzession bekommen Sie heraus, anschaulich hingestellt.
So handelt es sich darum, daß man jedes Mittel ergreifen wird, um ins Bild, in die Anschauung zu kommen. Das ist auch notwendig, weil man dadurch lernt, in die Wirklichkeit hineinzukommen und dadurch wiederum lernt, alles wirklichkeitsgemäß zu gestalten.

wederom zijn armen op de schouders van de vader, en evenzo de overgrootvader zijn armen op de schouders van de grootvader. Dan ben je al één eeuw teruggegaan. Als je je nu voorstelt dat je zo na elkaar zoon, vader en grootvader, dus de mensen van de tegenwoordige tijd neerzet en daarachter de mensen van tien eerdere generaties in de generatievolgorde, dan krijg je samen elf maal drie of vier generaties, dus laten we zeggen 44 generaties. Als je zo 44 mensen achter elkaar zet, van wie ieder z’n handen op de schouders legt van degene die voor hem staat, dan kan de voorste iemand van de tegenwoordige tijd zijn en de achterste kan Karei de Grote zijn. Zo krijg je door het achter elkaar neerzetten van mensen een aanschouwelijk beeld hoe lang dat is, en nu zeg je: dat loopt door elf eeuwen heen. Als we maar drie eeuwen teruggaan, dan hebben we niet 44, maar slechts tien of elf personen achter elkaar te zetten. Zo kun je dat wat zo moeilijk aanschouwelijk is, namelijk de tijdverhoudingen in de geschiedenis, omvormen tot louter ruimteverhoudingen. U kunt zich voorstellen: hier heeft u iemand die met iemand anders praat; hij draait zich om en kan met de volgende praten, die weer net zo met een volgende, tot u op het punt komt waarop Petrus5 met de Christus heeft gesproken; dan krijgt u de hele ontwikkeling van de christelijke kerk in gesprek met de achter elkaar staande mensen. De hele apostolische suksessie6 krijgt u te voorschijn, aanschouwelijk neergezet.
Het gaat erom dat je ieder middel aangrijpt om in het beeld, in de aanschouwelijkheid te komen.
GA 310/149-151
vertaald/156-158

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3443-3241
.
.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 307)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 307                vertaald

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung

Opvoeding en moderne cultuur

Het gaat in deze voordracht over:

Het verschil in vakken m.b.t de werking op de verschillende wezensdelen <1>
Geschiedenis; vóór 12e jr geen oorzaak en gevolg; <2>
Historisch tijdsbesef: generatieketting <3>
Tussen 9 en 12jr geschiedenis beleven vanuit de ziel <4>
Economisch lesgeven <5>
Geschiedenis ‘los van de mens’ pas in 11e, 12e jaar; oorzaak en gevolg<6>
Geschiedenis en geheugen <7>
Geschiedenis: levendige morele en religieuze sympathieën en antipathieën ontwikkelen <8>

Voordracht 10, Ilkley 14 augustus 1923

Blz. 185    vertaling blz. 224

Wenn wir nun dem Kinde zum Beispiel etwas beibringen aus Rechnen oder Geometrie oder aus denjenigen Gebieten, die ich gestern angeführt habe als zeichnendes Malen, malendes Zeichnen, als Übergang zum Schreiben, so wird durch diesen Unterricht der physische Leib und der Ätherleib beeinflußt. Und wenn wir dem Äther- oder Bildekräfteleib das beibringen, was ich gestern hier skizziert habe, wenn wir ihm etwas beibringen von Rechnen oder Geometrie, so behält er das auch während des Schlafes, so schwingt er auch während des Schlafes fort.
Wenn wir dem Kinde dagegen etwas beibringen von Geschichte oder von jener Tierkunde, von der ich gestern gesprochen habe, so wirkt das nur auf den astralischen Leib und die Ich-Organisation. Das nimmt der Mensch beim Einschlafen aus seinem physischen und Ätherleib heraus mit in die geistige Welt.
Das ist also ein großer Unterschied, ob ich Schreiben oder Pflanzenkunde lehre, das behält die körperliche und die ätherische Organisation im Bette zurück, das schwingt weiter, oder ob ich Geschichte oder Menschenkunde lehre, die nimmt das Ich und der astralische Leib jedesmal beim Schlaf in die geistige Welt mit hinaus. Das bedeutet einen gewaltigen Unterschied in der Wirkung auf den Menschen.

<1>Wanneer we nu het kind bijvoorbeeld iets bijbrengen van rekenen of geometrie, of uit die gebieden die ik gisteren aan­gehaald heb als tekenend schilderen, schilderend tekenen, als overgang naar het schrijven, dan wordt door dit onder­wijs het fysieke lichaam en etherlichaam beïnvloed. En als we het ether- of vormkrachtenlichaam datgene bijbrengen wat ik gisteren hier geschetst heb, als we het iets bijbrengen van rekenen of geometrie, dan houdt het kind dat vast ook tijdens de slaap, dan vibreert het ook tijdens de slaap verder.
Wanneer we het kind daarentegen iets bijbrengen van ge­schiedenis, of van die dierkunde waarover ik gisteren sprak, dan werkt dat alleen in op het astrale lichaam en de Ik-orga­nisatie. Dat haalt de mens bij het inslapen uit zijn fysieke li­chaam en etherlichaam mee de geestelijke wereld in.
Het is dus een groot verschil of ik schrijven of plantkun­de leer, dat laat de fysieke en etherische organisatie in bed achter, dat vibreert verder , of als ik geschiedenis of mens­kunde doceer, die neemt het Ik en het astraallichaam tel­kens bij de slaap mee de geestelijke wereld in. Dat betekent een enorm verschil in werking op de mens.

Blz. 186  vert. 224

Sie müssen sich klar darüber sein, daß all die bildhaften, imaginativen Eindrücke, die ich auf das Kind mache, sogar während des Schlafes
die Tendenz haben, sich zu vervollkommnen, vollkommener zu werden. Dagegen muß dasjenige, was wir zum Beispiel aus Geschichte oder Menschenkunde dem Kinde beibringen, auf die eigentlich seelischgeistige Organisation wirken, und das hat die Tendenz, während des Schlafens vergessen zu werden, unvollkommener zu werden, blaß zu werden. Es ist daher notwendig, daß wir beim Unterricht darauf Rücksicht nehmen, ob wir einen Stoff haben, der zum Ätherleib und zum physischen Leibe spricht, oder ob wir einen Stoff haben, der zur Ich-Organisation und zur astralischen Organisation spricht.

Het moet duidelijk voor u zijn dat alle beeldende, imagi­natieve indrukken die ik op het kind maak, zelfs tijdens de slaap de tendens hebben om zich te vervolmaken, volmaak­ter te worden. Daarentegen moet dat wat we het kind bij­voorbeeld aan geschiedenis of menskunde bijbrengen, op de eigenlijke ziele-geestelijke organisatie inwerken, en dat heeft de tendens tijdens de slaap vergeten te worden, onvolmaak­ter te worden, te verbleken. Het is daarom nodig dat we er bij het onderwijs rekening mee houden of we stof hebben die tot het etherlichaam en tot het fysieke lichaam spreekt, of dat we stof hebben die tot de Ik-organisatie en tot de as­trale organisatie spreekt.

Blz. 187   vertaling  239

Insbesondere ist der geschichtliche Unterricht sehr leicht der Gefahr ausgesetzt, daß er zu stark vom Menschen losgelöst werde. Wir haben gesehen, wie es zu einem fruchtbaren Unterricht nötig ist, ein jegliches
Ding an seinen richtigen Platz zu stellen. Wir haben gesehen, wie es für die Pflanzenkunde nötig ist, die Pflanze im Zusammenhang mit der Erde zu betrachten, und wie es für die Tierkunde nötig ist, die
fächerartig ausgebreiteten Tierarten im Zusammenhange mit dem Menschen zu betrachten. So aber muß auch der Geschichtsunterricht durchaus, ich möchte sagen, menschlich anschaulich bleiben und die
Dinge an den Menschen noch heranbringen.
Wenn wir das Kind oder den Schüler und die Schülerin in die Geschichte einführen, handelt es sich darum, daß wir verstehen lernen, daß in der Zeit, in der das Kind sehr wohl ganz lebendig dazu veranlagt ist, die Pflanze im Zusammenhang mit der Erde und die Erde selber als einen Organismus zu betrachten, in der Zeit, in der es noch ganz gut das gesamte Tierreich im Menschen lebendig zusammengefaßt schauen kann, es gerade sogenannte Kausalzusammenhänge in der Geschichte absolut nicht zu fassen in der Lage ist. Wir können noch so

Vooral het geschiedenisonderwijs is heel gemakkelijk aan het gevaar blootgesteld dat het te sterk van de mens wordt losgemaakt. We hebben gezien hoe het voor een vruchtbaar onderwijs nodig is om ieder ding op zijn juiste plaats te zet­ten. We hebben gezien hoe het voor de plantkunde nodig is om de plant in samenhang met de aarde te beschouwen en hoe het voor de dierkunde nodig is om de waaiervormig ver­spreide diersoorten in samenhang met de mens te beschou­wen. Zo echter moet ook het geschiedenisonderwijs abso­luut, ik zou willen zeggen, menselijk aanschouwelijk blijven en de dingen bij de mens brengen. <1>
<2> Wanneer we het kind of de leerling in de geschiedenis in­voeren, gaat het erom dat we leren begrijpen dat in de tijd waarin het kind op een wel heel levendige wijze de aanleg ervoor heeft gekregen om de plant in samenhang met de aar­de en de aarde zelf als een organisme te beschouwen, in de tijd waarin het nog heel goed het totale dierenrijk in de mens levend samengevat kan zien, het absoluut niet in staat is om juist zogenaamde causale verbanden in de geschiedenis te begrijpen. We kunnen nog zo

Blz. 188  blz. 239/240

schön, wie wir es ja heute besonders gewöhnt sind, die gebräuchlichen Geschichtsbetrachtungen durchnehmen, eine Epoche nach der anderen schildern und immer darstellen, wie das eine aus dem anderen, wie die Wirkung aus der Ursache hervorgeht. Wir können schön schildern in der Kunstgeschichte zum Beispiel den Leonardo, und dann den Michelangelo als Wirkung und so weiter. Von alledem, was heute, ich möchte sagen, unter den Erwachsenen konventionell geworden ist, kausal leitende Motive in der Geschichte zu suchen, von alldem kann der Mensch vor dem zwölften Jahr überhaupt nichts verstehen. Wie eine Art ganz willkürlichen Trommeins oder unmusikalischen Klavierklimperns am Ohre vorbeigeht, so geht eine Geschichtsbetrachtung, welche, wie man sagen kann, kausal das Spätere aus dem Vorigen herleitet, an dem Kinde vorüber. Und es kann das Kind nur durch Zwang dazu veranlaßt werden, eine solche Geschichtsbetrachtung irgendwie in die Seele aufzunehmen. Dann aber wird sie aufgenommen von der Seele, wie vom Magen aufgenommen werden eine Portion Steine, die verschluckt werden müssen. Wir müssen ja durchaus darauf sehen, daß wir seelisch ebensowenig Steine verabreichen statt eines
Genießbaren, wie wir dem Magen Steine statt Brot verabreichen dürfen.

mooi zoals we het tegenwoordig vooral gewend zijn, de gebruikelijke historische beschouwingen doornemen, het ene tijdvak na het andere beschrijven, en steeds beschrijven hoe het ene uit het andere, hoe het gevolg uit de oorzaak voortkomt. We kunnen in de kunstgeschiedenis bijvoorbeeld Leonardo mooi beschrijven, en vervolgens Michelangelo als gevolg enzovoort. Van alles wat tegenwoordig, ik zou willen zeggen, onder de volwassenen conventioneel geworden is, om causaal leidende motieven in de geschiedenis te zoeken, van dat alles kan de mens voor het twaalfde jaar überhaupt niets begrijpen. Zoals een manier van volkomen willekeurig getrommel of onmuzikaal gerammel op de piano aan het oor voorbijgaat, zo gaat een historische beschouwing die, zoals je kunt zeggen, causaal het latere uit het voorafgaande afleidt, aan het kind voorbij. En alleen onder dwang kan het kind ertoe gebracht worden om zo’n historische beschouwing op een of andere wijze in de ziel op te nemen. Maar dan wordt ze door de ziel opgenomen zoals een portie stenen die doorgeslikt moeten worden, door de maag worden opgenomen. We moeten er toch vooral op letten dat we zielsmatig net zo min stenen in plaats van iets eetbaars geven, als we de maag stenen in plaats van brood mogen geven.

Darum handelt es sich: tatsächlich lebendig die Geschichte, das geschichtliche Leben an den Menschen heranzubringen. Dazu haben wir vorerst nötig, einen mit dem Menschen verbundenen geschichtlichen Zeitbegriff zu erwecken.
Wenn wir da ein Buch haben über das Altertum, das zweite Buch über das Mittelalter, das dritte über die Neuzeit, wie wenig wird eigentlich darauf gesehen, daß geschichtlicher Zeitbegriff drinnen waltet! Wenn ich aber davon ausgehe, daß ich dem Kinde sage: Du bist jetzt zehn Jahre alt, du hast also schon im Jahre 1913 gelebt. Dein Vater, der ist viel älter als du, der hat schon im Jahre 1890 gelebt, und dessen Vater hat wiederum schon im Jahre 1850 gelebt. Stelle dir also vor, sage ich zu dem Kinde, da stehst du, du gibst deinen Arm nach rückwärts, fassest deinen Vater an den Seiten an, der gibt wiederum seine Arme nach rückwärts und faßt seinen Vater an, deinen Großvater und so weiter, da kommst du bis zum Jahre 1850 zurück. Und dann denkst du dir immer, jeder faßt seinen Vater an! Ungefähr

Hierom gaat het: de mens daadwerkelijk op levendige wijze de geschiedenis, het historische leven bij te brengen. Daartoe hebben we allereerst nodig om een met de mens verbonden, historisch tijdsbegrip op te wekken.
<3> Als we daar een boek hebben over de oudheid, het tweede boek over de middeleeuwen, het derde over de moderne tijd, hoe weinig wordt er eigenlijk op gelet dat daarin het historische tijdsbegrip heerst! Maar als ik ervan uitga dat ik tegen het kind zeg: je bent tien jaar oud, je hebt dus al in het jaar 1913 geleefd; je vader, die is veel ouder dan jij, die leefde al in 1890, en zijn vader leefde weer reeds in 1850. Stel je dus voor, zeg ik tegen het kind, daar sta je, je steekt je arm naar achteren uit, pakt je vader opzij vast, die steekt weer zijn armen naar achteren en pakt zijn vader vast, jouw grootvader enzovoort, dan ga je tot het jaar 1850 terug. En dan bedenk je steeds dat eenieder zijn vader vastpakt! Ongeveer

Blz. 189  vert. 240/241

um ein Jahrhundert kommt man immer zurück, wenn man in die dritte, vierte folgende Generation geht, wenn Angehörige von drei oder vier folgenden Generationen ihren Vater oder ihre Mutter anfassen. Wir
leben jetzt im 20. Jahrhundert. Wenn wir so die Reihe aufstellen und immer einer den anderen nach rückwärts anfaßt, so kommt man zu den Vorvätern oder Vormüttern zurück. Und kommt man zu dem sechzigsten Vorvater oder zu der sechzigsten Vormutter zurück, stehen also sechzig hintereinander, die gedacht werden nach rückwärts verlaufend in der Zeit – man kann sich in einem großen Saal fast dies vorstellen, wie da sechzig hintereinander stehen -, der Raum verwandelt sich in die Zeit: da hat man in diesem Sechzigsten denjenigen Vorfahren erreicht, der zur Zeit von Christi Geburt gelebt hat.
Man hat auf diese Weise an den Menschen herangebracht – man kann ja, wenn man erfinderisch ist, auch noch andere Mittel finden, aber ich will nur das Prinzip andeuten, daß er nun selber in der Geschichte drinnen steht, und daß diejenigen Menschen, die als Alfred der Große, als Cromwell und so weiter bekannt sind, dann immer so bestimmt werden können, als wenn sie ein Vorfahre wären.

een eeuw ga je steeds terug wanneer je in de derde, vierde opeenvolgende generatie komt, wanneer familieleden van drie of vier opeenvolgende generaties hun vader of hun moeder vastpakken. We leven nu in de 20ste eeuw. Als we zo de rij opstellen en steeds de een de ander achter zijn rug vastpakt, dan kom je terecht bij de voorouders. En kom je dan aan bij de zestigste voorvader of de zestigste voormoeder, staan er dus zestig achter elkaar die teruglopend in de tijd gedacht worden – je kunt je dit bijna voorstellen in een grote zaal, hoe er zestig achter elkaar staan -, de ruimte verandert in de tijd: daar heb je in deze 60ste die voorouder bereikt die ten tijde van Christus’ geboorte leefde.
Je hebt het op deze manier dichter bij de mens gebracht – je kunt, als je vindingrijk bent, ook nog andere middelen vinden, maar ik wil alleen het principe aangeven dat de mens nu zelf midden in de geschiedenis staat, en dat die mensen die als Alfred de Grote, als Cromwell enzovoort bekend zijn, dan steeds zo bepaald kunnen worden alsof ze een voorouder zouden zijn.

Man kann auf diese Weise die ganze Geschichte unmittelbar in das Schulehalten hineinstellen. Es wird an das Kind die Geschichte in einem lebendigen geschichtlichen Zeitbegriffe herangebracht.
Das ist notwendig, daß man auch da die Sache nicht absondert vom Menschen, daß der Mensch nicht glaubt, es stehe die Geschichte in einem Buch oder dergleichen. Es braucht ja nicht gleich so arg zu sein,
aber manche haben schon die Vorstellung, die Geschichte stehe eigentlich in einem Buche. Aber es müssen alle Mittel angewendet werden, um die Vorstellung hervorzurufen, daß die Geschichte etwas Lebendiges sei, und daß man selbst drinnen steht in diesem Lebendigen.
Dann handelt es sich darum, daß, wenn man eine Zeitvorstellung in lebendiger Art hervorgerufen hat, man dazu vorschreiten kann, innerlich das Geschichtliche zu beleben, wie man das Rechnerische, das
Geometrische dadurch belebt, daß man nicht eine tote Anschauung entwickelt. Es phantasieren alle Leute heute so viel von Anschauung, aber es handelt sich darum, daß man eine lebendige Anschauung entwickeln muß, nicht eine Anschauung erreicht, die auch tot sein kann.

Je kunt op deze wijze de hele geschiedenis rechtstreeks in het schoolsysteem plaatsen. Dan wordt het kind in een levend historisch tijdsbegrip vertrouwd gemaakt met de geschiedenis. <3>
Het is noodzakelijk dat je ook daar de zaak niet afzondert van de mens, dat de mens niet gelooft dat de geschiedenis in een boek of iets dergelijks staat. Het hoeft toch niet meteen zo beroerd te zijn, maar velen hebben wel de voorstelling dat de geschiedenis eigenlijk in een boek staat. Maar alle middelen moeten aangewend worden om de voorstelling op te roepen dat de geschiedenis iets levends is en dat je zelf midden in dit levende staat.
Dan gaat het erom dat, als je een tijdsvoorstelling op levendige wijze hebt opgeroepen, dat je ermee verder kunt gaan innerlijk het historische te beleven zoals je het rekenen, het geometrische beleeft doordat je niet een dode opvatting ontwikkelt. Alle mensen fantaseren tegenwoordig zoveel over kijkwijze, maar het gaat erom dat je een levendige kijkwijze moet ontwikkelen, dat je niet een kijkwijze bereikt die ook dood kan zijn.

Blz. 190  blz. 241/242

Wenn man jene Symmetrie-Übungen macht, dann lebt in der Anschauung drinnen die Seele: das ist lebendige Anschauung. Wie man da die lebendige Anschauung im Räume und so weiter versuchen muß, so muß man versuchen, für einen gesunden geschichtlichen Unterricht des Kindes zwischen dem neunten und zwölften Lebensjahre dasjenige hineinzubringen, was eben von innen nun beleben kann, nicht vom Räumlichen, sondern von der Seele her, vom Herzen her beleben kann.
Der Geschichtsunterricht muß ganz besonders vom Herzen aus belebt werden. Man stelle daher die Geschichte möglichst ideal in Bildern hin. Figuren, Gestalten sollen dastehen; aber diese Gestalten sollen nicht kalt geschildert werden, sondern immer soll, ohne daß man mit den geschichtlichen Figuren den Unfug treibt, moralische oder religiöse Ermahnungen damit zu geben, dennoch gerade das religiöse Element, das moralische Element, in die lebendige Schilderung der geschichtlichen Gestalten, der geschichtlichen Figuren die Farbe hineinbringen.
Das Kind muß vorzugsweise durch die Geschichte in Gefühl und Wille ergriffen werden, das heißt, es muß ein persönliches Verhältnis gewinnen können zu den geschichtlichen Gestalten, auch zu der Schilderung der Lebensweise in einzelnen Epochen der Weltgeschichte.

<4> Wanneer je die symmetrie-oefeningen maakt, dan leeft de ziel midden in de kijkwijze: dat is levende kijkwijze. Zoals je daar de levende zienswijze in de ruimte en zo verder moet proberen, moet je proberen voor een gezond geschiedenisonderwijs van het kind tussen het negende en twaalfde levensjaar datgene erin te brengen wat het van binnen nu kan beleven, niet vanuit het ruimtelijke, maar vanuit de ziel, vanuit het hart kan beleven.
Het geschiedenisonderwijs moet helemaal sterk vanuit het hart beleefd worden. Daarom moet je de geschiedenis zo ideaal mogelijk in beelden neerzetten. Figuren, personen moeten er staan; deze personen moeten echter niet koud beschreven worden, maar steeds moet, zonder dat je met de historische figuren onzin uithaalt door er morele of religieuze vermaningen mee te geven, toch juist het religieuze element, het morele element in de levendige beschrijving van de historische personen, van de historische figuren kleur aanbrengen. Het kind moet bij voorkeur door de historie in gevoel en wil gegrepen worden, dat wil zeggen, het moet een persoonlijke verhouding kunnen krijgen tot de historische personen, ook tot de beschrijving van de levenswijze in de afzonderlijke tijdperken van de wereldgeschiedenis.

Man braucht bei der Gestaltung nicht bloß an den Menschen zu denken. Man kann zum Beispiel schildern, wie es, sagen wir, in einer Stadt im 12. Jahrhundert vor sich gegangen ist. Aber dasjenige, was man da schildert, das muß in Gefühl und Wille des Kindes hineingehen. Das Kind muß sich selber drinnen formen in dem, wie es sich drinnen bewegt, wie ihm die Dinge sympathisch und antipathisch werden. Gefühl und Wille müssen erregt werden.
Sie sehen aber, wie gerade in den geschichtlichen Unterricht auf diese Art das künstlerische Element hineinkommen muß. Dieses künstlerische Element kommt in die Dinge dann hinein, wenn der Unterricht, so wie ich es oftmals nenne, ökonomisch erteilt wird.
Ökonomisch wird der Unterricht erteilt, wenn der Lehrer eigentlich die Hauptsache für sich ganz erledigt hat, bis zur Überreife erledigt hat, sobald er das Schulzimmer betritt, wenn er da nicht mehr nötig hat, über irgend etwas nachzudenken, wenn ihm die Lehrstunden durch seine eigene Vorbereitung in plastischer Weise vor der Seele ste-

Je hoeft bij de inrichting ervan niet alleen aan de mens te denken. Je kunt bijvoorbeeld beschrijven hoe het er, laten we zeggen, in een stad in de twaalfde eeuw aan toe gegaan is. Maar wat je dan beschrijft moet in gevoel en wil van het kind naar binnen gaan. Het kind moet zichzelf van binnen in datgene vormen zoals het zich binnenin beweegt, zoals de dingen sympathiek en antipathiek op hem overkomen. Gevoel en wil moeten worden geprikkeld.
Maar u ziet hoe juist in het geschiedenisonderwijs op deze wijze het kunstzinnige element binnen moet komen. Dit kunstzinnige element komt dan in de dingen binnen als het onderwijs, zoals ik het vaak noem, economisch gegeven wordt. <4>
<5>Economisch wordt het onderwijs gegeven als de leraar eigenlijk de hoofdzaak voor zichzelf helemaal heeft afgehandeld, tot aan het overrijpe heeft afgehandeld, zodra hij het schoollokaal betreedt, als hij dan niet meer nodig heeft over iets na te denken, als voor hem de lesuren door zijn eigen voorbereiding op plastische wijze voor de ziel

Blz. 190  vert.  242/243

hen. ökonomisch erteilt man einen Unterricht, wenn man so vorbereitet ist, daß für den Unterricht selbst nur noch die künstlerische Gestaltungübrigbleibt. Daher ist jede Unterrichtsfrage nicht bloß eine Frage des
Interesses, des Fleißes, der Hingebung der Schüler, sondern in erster Linie eine Frage des Interesses, des Fleißes, der Hingebung der Lehrer. Keine Unterrichtsstunde sollte erteilt werden, die nicht vorher vom
Lehrer im Geiste voll erlebt worden ist. Daher muß selbstverständlich das Lehrerkollegium so gestaltet sein, daß für den Lehrer absolut die Zeit vorhanden ist, alles auch für sich voll und intensiv zu erleben,
was er dann in die Schule hineinzutragen hat.
Etwas Schreckliches ist es, Lehrer, die noch zu kämpfen haben mit dem Lehrstoff, mit einem Buche vor den Bänken der Schüler herumgehen zu sehen! Wer das furchtbar Unpädagogische dieser Sache nicht
empfindet, der weiß eben nicht, was alles unbewußt in den Kinderseelen vor sich geht, und wie dieses Unbewußte eine ungeheure Rolle spielt.
Geschichte mit einem Notizbuch in der Schule vorzubringen,
das ruft, nicht im Oberbewußtsein, aber im Unterbewußtsein, bei den Kindern ein ganz bestimmtes Urteil hervor.

staan. Economisch geef je les als je zo voorbereid bent dat voor de les zelf alleen nog de kunstzinnige vormgeving overblijft. Daarom is elk onderwijsvraagstuk niet alleen een kwestie van interesse, van vlijt, van overgave van de leerling, maar in de eerste plaats een kwestie van interesse, van vlijt, van overgave van de leraar.
Er zou geen enkele les gegeven moeten worden die niet tevoren door de leraar in de geest volledig doorleefd is. Daarom moet vanzelfsprekend het lerarencollege zo zijn ingericht dat voor de leraar absoluut de tijd beschikbaar is om ook voor zichzelf volledig en intensief alles te doorleven, wat hij vervolgens in de school binnen moet brengen.
Het is iets verschrikkelijks om leraren die nog moeten worstelen met de leerstof, met een boek voor de schoolbanken van de leerlingen te zien rondlopen! Wie het vreselijk onpedagogische van deze zaak niet ervaart, die weet ook niet wat er zich allemaal onbewust in de kinderzielen afspeelt, en hoe dit onbewuste een enorme rol speelt. Geschiedenis met een notitieboekje op school geven, dat roept – niet in het bovenbewustzijn, maar in het onderbewustzijn — bij de kinderen een heel bepaald oordeel op.

Das ist ein intellektualistisches Urteil, ein Urteil, das auch nicht bewußt wird, aber das in dem Organismus des Menschen tief drinnen sitzt: Warum sollte denn ich das alles wissen? Der weiß es doch auch nicht, oder die weiß es doch auch nicht, die muß es erst ablesen; das kann ich ja später einmal auch tun, ich brauche es nicht erst zu lernen. – Das ist nicht ein in der Form dem Kinde zum Bewußtsein kommendes Urteil, aber die anderen Urteile sind viel wichtiger, die unbewußt im Gemüt und Gefühl drunten sitzen.
Daher handelt es sich darum, daß mit innerer Lebendigkeit und Frische aus dem Menschen selbst heraus der Unterricht gegeben wird, ohne daß der Kampf besteht, wenn man zum Beispiel die geschichtlichen Gestalten hinmalen soll, sich selber erst die Daten zu vergegenwärtigen. Gerade beim geschichtlichen Unterricht ist es notwendig, daß er nicht nur so zum Menschen spricht, wie ich es in bezug auf den historischen Zeitbegriff mit den hintereinandergestellten Generationen gezeigt habe, sondern daß er auch aus dem Menschen unmittelbar elementar hervorquillt, daß nichts Abstraktes wirkt, sondern der Leh-

Het is een intellectualistisch oordeel, een oordeel dat ook niet tot bewustzijn komt, maar dat diep binnen in het organisme van de mens zit: waarom zou ik dan alles moeten weten? Hij weet het toch ook niet, of zij weet het toch ook niet, die moet het eerst aflezen; dat kan ik toch later ook ooit doen, ik hoef het niet eerst te leren. — Het is niet een in de vorm bij het kind tot bewustzijn komend oordeel, maar de andere oordelen zijn veel belangrijker, die onbewust in het gemoed en gevoel beneden zitten.
Vandaar dat het erom gaat dat het onderwijs met innerlijke levendigheid en frisheid vanuit de mens zelf wordt gegeven, zonder dat er het gevecht bestaat, als je bijvoorbeeld de historische personen moet beschrijven, voor jezelf eerst de feiten voor de geest te halen. Juist bij het geschiedenisonderwijs is het nodig dat het niet zo tot de mens spreekt als ik dat in verband met het historisch tijdsbegrip met de achter elkaar opgestelde generaties heb laten zien, maar dat het ook uit de mens direct elementair opborrelt, dat er niets abstracts werkt, maar dat de leraar

Blz. 192   vert. 244

rer als Mensch wirke, namentlich im geschichtlichen Unterricht. Und wenn so oft gesagt worden ist, man habe, wenn man unterrichtet, zum ganzen Menschen hin zu wirken, nicht zu einem Teil des Menschen,
so handelt es sich darum, daß man vor allen Dingen auch folgendes zu betonen hat: ebenso wichtig, wie immer davon zu sprechen, was das Kind lernen muß, ob das Kind intellektualistisch oder dem Willen
nach erzogen werden soll, ebenso notwendig für die Pädagogik ist es, die Frage zu entscheiden: Wie hat der Lehrer zu wirken? Soll der ganze Mensch erzogen werden, so muß der Erzieher ein ganzer Mensch
sein, das heißt, nicht ein Mensch, der aus dem mechanischen Gedächtnis heraus schafft und erzieht, oder aus einer mechanistischen Wissenschaft, sondern der aus dem Menschen heraus, aus dem ganzen, vollen Menschen heraus erzieht und unterrichtet. Darauf kommt es an!

als mens werkt, met name in het geschiedenisonderwijs. En als er zo vaak gezegd is dat je bij het lesgeven op de totale mens moet inwerken, niet op een deel van de mens, gaat het erom dat je vooral ook het volgende moeten benadrukken: net zo belangrijk als het is er altijd over te spreken wat het kind moet leren, of het kind intellectualistisch of naar de wil opgevoed moet worden, net zo nodig voor de pedagogie is het om over de vraag te beslissen; hoe moet de leraar werken? Moet de totale mens opgevoed worden, dan moet de opvoeder een totale mens zijn, dat wil zeggen, niet een mens die vanuit het mechanische geheugen schept en opvoedt, of vanuit een mechanistische wetenschap, maar iemand die vanuit de mens, vanuit de totale, volledige mens opvoedt en lesgeeft. Daar komt het op aan! <5>
GA 307/187-192
Vertaald/239-244

Voordracht 11, Illkley 15 augustus 1923

Blz. 194   vert. 248

Und dasselbe, was vom Mineralischen gilt, gilt von den Begriffen des Physikalischen und gilt von den Begriffen des Chemischen, und es gilt auch für die sogenannten objektiven Zusammenhänge in der Geschichte und in der Geographie, für alle diejenigen Zusammenhänge, die abgesondert vom Menschen betrachtet werden müssen. Die großen historischen Zusammenhänge, die nicht so betrachtet werden können,wie ich das gestern in bezug auf den Menschen charakterisiert habe, die müssen verschoben werden im Unterricht bis in die Zeit zwischen dem elften und zwölften Lebensjahre. Erst nachher kann mit dem begonnen werden, was den Menschen zunächst eigentlich wenig angeht.

<6> En hetzelfde wat voor het minerale geldt, geldt voor de begrippen van de natuurkunde en de begrippen van de scheikunde. En het geldt ook voor de zogenoemde objectieve samenhangen in de geschiedenis en in de aardrijkskunde, voor al die samenhangen die afgezonderd van de mens moeten worden beschouwd. De grote historische samenhangen, die niet zo kunnen worden beschouwd als ik dat gisteren met betrekking tot de mens heb gekarakteriseerd, die moeten in het onderwijs worden uitgesteld tot het tijdstip tussen het elfde en twaalfde levensjaar. Pas daarna kan worden begonnen met dat wat de mens in eerste instantie eigenlijk weinig aangaat. 

Blz. 195    vert.  249/250

Wir sollten das Kind erst mit dem siebenten Lebensjahre, mit dem Zahnwechsel, in die Schule bekommen, vorher gehört das Kind eigentlich nicht in die Schule. Müssen wir es vorher hereinnehmen, so müssen wir natürlich allerlei Kompromisse schließen. Aber ich will hier das Prinzipielle erklären. Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen, dann erteilen wir den Unterricht so, daß das Kind noch nicht die Unterscheidungen macht zwischen sich und der Welt. Wenn das Kind das charakterisierte Lebensalter zwischen dem neunten und zehnten Jahr erreicht, führen wir es zu demjenigen, was zum Verstand, aber zum beweglichen, zum lebendigen Verstand gehört: Pflanzenkunde; was zur Stärkung des Willens führt: Tierkunde. Mit dem eigentlichen mineralischen Unterricht, mit dem Unterricht in Physik und Chemie können wir nur auf den Intellekt wirken. Wir brauchen dann, wie ich noch morgen zu erörtern haben werde, zum Ausgleich den Kunstunterricht. Aber wir finden das Kind vom elften oder zwölften Lebensjahr ab reif dazu, dasjenige durch den Intellekt aufzufassen, was erarbeitet werden muß nach den Zusammenhängen von Ursache und Wirkung. Und das muß ja in Physik und Chemie geschehen.

We moeten het kind pas met het zevende levensjaar, bij de tandenwisseling, op school krijgen; voor die tijd hoort het kind eigenlijk niet op school. Moeten we het voor die tijd opnemen, dan moeten we natuurlijk allerlei compromissen sluiten. Maar ik wil hier het principiële verklaren. Wanneer we het kind op school krijgen, dan geven we het onderwijs zo dat het kind nog geen onderscheid maakt tussen zichzelf en de wereld. Wanneer het kind de gekarakteriseerde leeftijd tussen het negende en tiende jaar bereikt, voeren we hem tot datgene wat tot het verstand, maar tot het beweeglijke, tot het levendige verstand hoort: plantkunde; wat tot het versterken van de wil leidt: dierkunde. Met het eigenlijke onderwijs van het minerale, met het onderwijs in natuurkunde en scheikunde kunnen we alleen op het intellect inwerken. We hebben dan – zoals ik morgen nog moet bespreken – ter compensatie het kunstonderwijs. Maar we vinden het kind vanaf het elfde of twaalfde levensjaar er rijp voor datgene door zijn intellect op te nemen wat verwerkt moet worden volgens de samenhangen van oorzaak en gevolg. En dat moet in natuur- en scheikunde gebeuren, nietwaar? 

Diese Prozesse, die dann auch in astronomische Betrachtungen übergehen müssen, dürfen also nicht früher mit dem Kinde begonnen werden. Wenn wir vorher einfache physikalische Prozesse, wie zum Beispiel
die Verbrennung oder chemische Prozesse beschreiben, dann soll das eine bloße bildhafte Beschreibung sein, dann soll das imaginative Element darinnen eine besondere Rolle spielen, nicht der Gedankenzusammenhang von Ursache und Wirkung. Ursache und Wirkung in ihrer Beziehung soll das Kind im Grunde genommen erst kennenlernen von einem Zeitpunkte an, der zwischen dem elften und zwölften Jahre liegt. Und je weniger man über die sogenannte Kausalität vorher zu dem Kinde spricht, desto besser ist
es, desto stärker, desto kräftiger und auch desto inniger wird der Mensch in bezug auf seine Seele, während er vertrocknet in bezug auf seine Seele, tote Begriffe und sogar tote Gefühle in sich aufnimmt, wenn wir mit der Kausalität vor diesem Lebensalter an den Menschen herankommen.

Deze processen, die ook in astronomische beschouwingen moeten overgaan, mogen dus niet vroeger met het kind worden ondernomen. Als we ervoor eenvoudige natuurkundige processen, zoals bijvoorbeeld de verbranding, of chemische processen beschrijven, dan moet dat zuiver een beeldachtige beschrijving zijn, dan moet het imaginatieve element er een bijzondere rol in spelen, niet de gedachtesamenhang van oorzaak en gevolg.
Oorzaak en gevolg in hun verband moet het kind feitelijk pas leren kennen vanaf een tijdstip dat tussen het elfde en twaalfde jaar ligt. En hoe minder je voor die tijd over de zogenoemde causaliteit tot het kind spreekt, des te beter is het, des te sterker, des te krachtiger en ook des te inniger wordt de mens wat zijn ziel betreft. Daarentegen verdroogt hij met betrekking tot zijn ziel, neemt hij dode begrippen en zelfs dode gevoelens in zich op als we voor deze leeftijd de mens benaderen met de causaliteit.
<6>
GA 307/194-195
Vertaald/248-250

Voordracht 12, Illkley 16 augustus 1923

Blz. 213   vert. 272

Wenn wir die drei Grundsätze festhalten: Begriffe belasten das Gedächtnis; Anschaulich-Künstlerisches bildet das Gedächtnis; Willensanstrengung, Willensbetätigung befestigt das Gedächtnis -, dann haben wir die drei goldenen Regeln für die Gedächtnisentwickelung.
Wir können diese drei goldenen Regeln ganz besonders dadurch anwenden, daß wir dann den Unterricht in der Naturkunde, in der Geschichte, den wir so leiten, wie ich es in diesen Tagen angedeutet
habe, zur Ausbildung des Gedächtnisses benützen.

<7> Als we deze drie grondbeginselen vasthouden: begrippen belasten het geheugen; het aanschouwelijk-kunstzinnige vormt het geheugen; wilsinspanning, wilsactiviteit versterkt het geheugen -, dan hebben we de drie gouden regels voor de ontwikkeling van het geheugen.
We kunnen deze drie gouden regels heel speciaal toepas­sen doordat we het onderwijs in biologie, in geschiedenis dat we zo geven als ik het deze dagen heb aangeduid, ge­bruiken ter ontwikkeling van het geheugen. Het is zo dat we bij het rekenen altijd moeten beginnen met het kunst­zinnig begrijpen van de dingen, zoals het deze dagen is aan­gegeven. <7>
GA 307/212

Vertaald/272

Voordracht 13, Illkley 17 augustus 192

Blz. 231  vert.  298

Der Geschichtsunterricht kann so getrieben werden, daß wir die geschichtlichen Größen, die geschichtlichen Menschen und auch die einzelnen Impulse der Zeitalter in solcher Art hinstellen, daß das Kind lebendige moralische und religiöse Sympathien und Antipathien entwickelt. Dann erreichen wir etwas, was außerordentlich wichtig ist.

<8> Het geschiedenisonderwijs kan zó worden gegeven, dat we de historische grootheden, de mensen uit de geschiedenis en ook de afzonderlijke impulsen van het tijdperk op een dusdanige manier neerzetten dat het kind levendige morele en religieuze sympathieën en antipathieën ontwikkelt. Dan bereiken we iets wat buitengewoon belangrijk is. <8>
GA 307/231  
Vertaald/298

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3441-3239

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 297)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 297

Niet altijd gaan Steiners opmerkingen over ‘geschiedenis’ over de geschiedenis zelf. 
In deze voordracht gaat het om de stemming van waaruit je vertelt; hoe dit te maken heeft met waar het kind in zijn ontwikkeling staat.

Blz. 179

Und so muß man wiederum erkennen, wie zwei Seelenfähigkeiten in dem Menschen zusammenhängen, zwischen denen die heutige Psychologie, die ja in Wirklichkeit von Geisteswissenschaft eben nicht durchdrungen ist, keinen rechten Zusammenhang findet. Wenn wir sachgemäß hinblicken können auf den wichtigen Zeitpunkt, den ich als um das neunte Lebensjahr herum liegend
bezeichnet habe, so werden wir sehen, daß in diesem Zeitpunkte etwas Besonderes vorgeht in bezug auf die Gefühlsfähigkeiten, das Gefühlsleben des Kindes. Der Mensch verinnerlicht sich. Es treten eben andere Gefühlsnuancen auf. Gewissermaßen wird das innere Seelenleben in seinen Gefühlsnuancen selbständiger gegenüber der äußeren Natur. Dagegen tritt auch etwas auf, was nur bei wirklicher intimer Seelenbeobachtung uns entgegentritt – Jean Paul bemerkte das auch und sprach es geistreich aus: Wir lernen gewiß in unseren drei ersten Lebensjahren mehr als in unseren drei akademischen Lebensjahren, weil wir sozusagen ein organisch entwickeltes Gedächtnis ja noch haben, weil da das Gedächtnis noch organisch wirkt. Für das Leben lernen wir da nämlich mehr. Aber eine besondere Beziehung, eine Beziehung, die mehr in das bewußte Leben hineinspielt, wird gerade zwischen dem Gefühlsleben und zwischen dem Gedächtnisleben um das neunte Lebensjahr hergestellt.

En dus moet je weer leren kennen hoe twee vermogens van de ziel in de mens met elkaar samenhangen, waartussen de huidige psychologie die in werkelijkheid nu eenmaal niet van geesteswetenschap doordrongen is, geen echte samenhang vindt. Wanneer we doelmatig kunnen kijken naar het belangrijke tijdstip dat ik als rond het negende jaar liggend heb gekwalificeerd, zullen we zien dat er op dit tijdstip iets bijzonders gebeurt wat de gevoelsvermogens betreft, het gevoelsleven van het kind. De mens wordt innerlijker. Er doen zich nu andere gevoelsnuances voor. In zekere zin wordt het innerlijke zielenleven in zijn gevoelsnuances zelfstandiger t.o.v. de uiterlijke natuur. Er ontstaat daarentegen ook iets, wat je alleen maar merkt door een werkelijk intieme waarneming van de ziel – Jean Paul* merkte dit ook en deed geestvol de uitspraak: ‘Het is zeker zo dat wij in onze eerste drie levensjaren meer leren dan in onze drie academische levensjaren’- omdat wij zogezegd nog een organisch ontwikkeld geheugen hebben, omdat het geheugen nog organisch werkt.

*De passage is te vinden in Levana oder Erziehlehre» (1807), 6 Bruchstuck 4. hfdst. , § 123. Origineel staat er: ‘De vruchten van een goede opvoeding van de eerste drie (een hoger drietal dan de academische) kun je niet onder het zaaien oogsten;….maar na een paar jaar zal de tevoorschijn kiemende rijkdom u verrassen en belonen.’

We leren daar voor het leven namelijk meer. Maar een bijzondere relatie, een relatie die meer in het bewuste leven speelt, komt juist tussen het gevoelsleven en tussen het geheugen tot stand rond het negende jaar.

Solche Dinge muß man nur sehen. Wenn man sie nicht sehen kann, so sind sie für einen nicht da. Wenn man diese intimen Beziehungen zwischen Gefühlsleben und Gedächtnis wirklich durchschaut, findet man dann, indem man diese Beziehungen pflegt, den richtigen Gesichtspunkt für dasjenige, wofür an das Gedächtnis appelliert werden muß im Unterrichte. An das Gedächtnis soll man eigentlich nicht anders appellieren, als indem man zu gleicher Zeit an das Gefühlsleben appelliert. Namentlich für den geschichtlichen Unterricht, für alle geschichtlichen Mitteilungen wird man die richtige Mitteilungsnuance finden, wenn man weiß: was dem Gedächtnisse einverleibt werden soll, soll in unserer Darstellung immer

Die dingen moet je dus zien. Wanneer je ze niet kan zien, dan zijn ze er voor jou niet. Wanneer je deze tere relaties tussen gevoelsleven en geheugen werkelijk doorziet, vind je, wanneer je deze relatie verzorgt, het juiste gezichtspunt voor  dat waarbij aan het geheugen geappelleerd moet worden. Je moet het geheugen eigenlijk niet anders aanspreken, dan wanneer je tegelijkertijd het gevoelsleven aanspreekt. En wel bij het geschiedenisonderwijs, bij alle historische mededelingen zal je de juiste nuance van mededelen vinden, wanneer je weet: wat in het geheugen moet beklijven, moet wat wij brengen steeds

Blz. 180   vert. 180

durchdrungen sein von etwas, was hinüberspielt in das selbständiger gewordene Empfinden. Man wird diesen geschichtlichen
Unterricht auch richtig in den Lehrplan einreihen, wenn man diese
Zusammenhänge des Lebens kennt. So wird man dann auch eine richtige Anschauung bekommen über die Gedächtnis-Kultur überhaupt. Und man wird mit dem, wodurch man vorzugsweise auf das Gedächtnis gewirkt hat, ebenso auf das Gefühlsleben wirken, wie man vorerst durch Künstlerisches auf das Willensleben gewirkt hat.
Dann wird man die Möglichkeit gewinnen, allmählich nach diesem
Lebensabschnitte erst das intellektuelle Element aus dem Willenselement und aus dem Gefühlselement herauswirken zu lassen.
Denn wenn in der Erziehung, im Unterrichte nicht das intellektuelle Element aus dem Willenselement, aus dem Gefühlselement in der richtigen Weise herausgebildet wird, dann wirken wir gegen die Entwicklungskraft im Menschen, nicht im Sinne der Entwicklungskraft.

doordrongen zijn van iets wat overspringt naar het zelfstandiger geworden gevoel. Je zal dit geschiedenisonderwijs ook in het leerplan zijn juiste plaats geven, wanneer je deze samenhangen in het leven kent. En zo krijgt je ook een juiste kijk op de geheugencultuur bovendien. En je zal met dat waarmee je hoofdzakelijk op het geheugen hebt gewerkt, net zo op het gevoelsleven werken als je voordien door het kunstzinnige op het wilsleven hebt gewerkt. 
Dan krijg je de mogelijkheid langzamerhand na deze verandering in het leven nu het intellectuele element uit het wilselement en uit het gevoelselement actief te laten worden. Want wanneer in de opvoeding en het onderwijs het intellectuele element niet op de juiste manier uit het wils- en gevoelselement ontwikkeld wordt, doen we dingen die tegen de ontwikkelingskracht in de mens ingaan, die niet overeenkomen de ontwikkelingskracht. 
GA 297/179-180
Op deze blog vertaald/179-180

Ook hier gaat het niet om concrete geschiedenis. Wél wordt concreter benoemd wat het zou moeten betekenen voor het kind en het onderwijs dat wij het geven, als we er serieus vanuit gaan dat het kind uit de geestelijke wereld komt en dat wij op aarde voortzetten te geven wat het nodig heeft.

Blz. 220  vert. 220

Ich sagte schon, der Lehrer und der Erzieher können nicht auskommen ohne das Bewußtsein, das sie mit Ehrfurcht erfüllen kann, aber auch mit Verantwortung: daß er zu arbeiten hat an den Seelen, die aus der geistigen Welt kommen, aber so, daß sich die nächste Generation in einer richtigen Weise in die Welt hineinstellt. Wer die heutige Zeit ansieht, der fühlt schon, wie wichtig es ist, was wir als nächste Generation in die Welt hineinstellen. Und deshalb hat man eine solche innere Befriedigung, wenn man sehen kann, wie, ohne daß man Weltanschauung in die Schule hineinträgt, von unseren Lehrkräften zum Beispiel in der fünften Klasse Anthropologie behandelt wird: nicht in trockenem Sinne, nicht etwa anthropologisch-theoretische Erkenntnisse, sondern so, daß man dasjenige, was man als erste Anthropologie an die Kinder heranbringt, durchlesen und durchwärmen läßt vom Geiste aus. Wenn man das den Kindern so beibringt, dann fangen die Kinder an, in ganz anderer Weise beim Unterricht dabei zu sein; da gründen sie etwas in sich, was ihnen für das ganze Leben bleibt.

Ik zei al, de leraar en de opvoeder komen niet verder zonder het bewustzijn dat hen met eerbied kan vervullen, maar ook met verantwoordelijkheidsgevoel: dat hij moet werken aan de zielen die uit de geestelijke wereld komen, maar zo, dat de volgende generatie op een goede manier zijn plaats in de wereld inneemt. Wie naar de huidige tijd kijkt, voelt al hoe belangrijk het is wat wij als de komende generatie in de wereld een plaats geven. En daarom kan je innerlijk zo tevreden zijn wanneer je kan zien, hoe, zonder dat je een wereldbeschouwing de school binnenbrengt, door onze leerkrachten bijv. in de vijfde klas antropologie gegeven wordt: niet op een droge manier, niet met wat antropologisch-theoretische kennis is, maar zo, dat je, wat je aan eerste antropologie aan de kinderen geeft, deze doorlíchten en doorwarmen laat vanuit de geest.

Wanneer je dat de kinderen zo bijbrengt, beginnen ze op een heel andere manier aandacht te hebben voor het onderwijs; dan leggen ze in zichzelf iets aan, wat het hele leven blijft.
Net zo was ik diep tevreden met hoe door onze leraar van de zevende klas op deze geesteswetenschappelijke manier geschiedenis is ontwikkeld – maar niet, zoals gezegd, de geesteswetenschap, maar de geschiedenis geesteswetenschappelijk behandeld. Dan metamorfoseert zich iets, in wat anders voor de kinderen min of meer vreemd blijft, in iets, wat het kind omdat het verwant is met zijn eigen wezen, meteen weet. En dan kan je overal een brug slaan tussen wat het kind ervaart van de gang van de ontwikkeling van de mensheid en wat in het kind sprankelen kan, zodat het een bruikbaar lid van de toekomstige mensheid zal zijn.
GA 297/220
Op deze blog vertaald/220

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3437-3235

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis – GA 309

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 309     Op deze blog vertaald

Voordracht 5, Bern 17 april 1924

Blz. 76  vert. 76

Dann kommt in einer dritten Epoche, gegen das 12. Jahr hin, nach Erreichung der Mitte des ii. Lebensjahres, erst ein Verständnis für das, was man das Kausalitätsgefühl nennt. Sie können zu dem Kinde noch so gescheit reden vor diesem 12. Lebensjahr, wie die Dinge ihre Ur­sachen und ihre Wirkungen haben, das Kind ist in diesem Lebensalter kausalitätsblind. Wie man von Farbe das Wort Farbenblindheit prä­gen kann, so kann man das Wort prägen: Kausalitätsblindheit. Das, was Zusammenhang hat zwischen Ursache und Wirkung, formt sich im Menschenwesen erst nach dem 12. Lebensjahre. Daher kann man das­jenige, was man dem Kinde beibringen soll aus dem Physisch-Minera­lischen, insofern es über das Bildhafte hinausgeht und zu dem Physika­lisch-Chemischen geht, erst beginnen zwischen dein ii. und 12. Lebens­jahr. Da kann es erst als Physikalisch-Chemisches in den Unterricht ein­geführt werden. Es ist durchaus von Schaden, nicht von Nutzen, wenn vor diesem Lebensalter mit dem Kinde allerlei verhandelt wird über Ursache und Wirkung in der Natur.

Dan komt in een derde fase, tegen het 12e jaar, na het midden van het 11e, pas begrip voor wat men gevoel voor causaliteit noemt. Je kan tegen een kind vóór dit 12e jaar nog zo verstandig praten als je wilt, hoe de dingen hun oorzaak en gevolg hebben, het kind is op deze leeftijd nog blind voor causaliteit. Zoals je bij kleur kan zeggen: kleurenblindheid, zo kan je bij causaliteit zeggen: causaliteitsblindheid. Wat als oorzaak en gevolg samenhangt, ziet het mensenwezen pas in na het 12e jaar. Vandaar dat je het kind wat je het aanleren moet aan natuurkunde, mineralogie – in zoverre dit verder gaat dan wat je beeldend geeft, pas kan gaan doen tussen het 11e en het 12e jaar. Dan pas kan het als vak natuur- of scheikunde in het onderwijs worden opgenomen. Het is juist schadelijk, niet van nut, wanneer je vóór deze leeftijd met het kind van alles doorneemt wat gaat over oorzaak en gevolg in de natuur.

Damit aber ist, ich möchte sagen, auch dem geschichtlichen Unter­richt sein Methodisches zugeteilt; denn Geschichte läßt sich betrachten auf zweierlei Arten: entweder so, daß man die einzelnen Gestalten der Geschichte seelisch malend, möchte ich sagen, hinstellt, Persönlichkei­ten in Bildern hinstellt. So allein ist Geschichte bis zum 12. Jahre zu er­teilen. Alles übrige verhärtet den Menschen, macht ihn sozusagen see­lisch skl erotisch. Reden Sie vor dem 11. Lebensjahr in der Geschichte davon, daß die frühere die spätere Epoche vorbereitet durch irgend­welche Impulse, so erzeugen Sie in dem Kinde eine seelische Sklerose. Die Menschen, die solches beobachten können, werden gar vielfach bei den nun alt gewordenen Menschen sagen können: dem ist in der Geschichte viel zu früh von Kausalität geredet worden. Und das über­trägt sich sogar auch in diesem Lebensalter noch oft nach denselben Gesetzen, die ich erörtert habe, ins Körperlich-Physische. Und auch physische Sklerose, die im hohen Alter auftritt, ist unter anderen Ur­sachen auch auf diese zurückzuführen, daß im kindlichen Lebensalter zuviel Kausalität an das Kind herangekommen ist.

En dat geldt, wil ik zeggen, ook voor de onderwijsmethode geschiedenis; want geschiedenis kan je op twee manieren bekijken: of zo dat je de historische individuen gevoelsmatig schetst, de persoonlijkheden beeldend, ten tonele voert. Zo moet je dus geschiedenis brengen vóór het 12e jaar. Op een andere manier verhardt het de mens, maakt hem a.h.w. sclerotisch in zijn ziel. Spreek je er vóór het 11e jaar over hoe in de geschiedenis de eerdere periode door bepaalde impulsen een voorbereiding is voor een latere, leg je voor de ziel iets sclerotisch aan. Mensen die zoiets kunnen waarnemen, kunnen zelfs bij de nu oud geworden mens vaak zeggen: die heeft in de geschiedenisles veel te vroeg over causaliteit horen spreken. En volgens dezelfde wetmatigheden als ik uitgelegd heb, komt dat zelfs ook op deze leeftijd nog dikwijls terecht in het fysiek-etherische. En ook de fysieke sclerose die op hoge leeftijd optreedt, is naast andere oorzaken terug te voeren op het teveel aan causaliteit dat het kind kreeg.
GA 309/76
Op deze blog vertaald/76

Blz. 78/79   vert. 78/79

So handelt es sich darum, daß man die eigentliche mineralisierende Betrachtung erst zwischen dem 11. und 12. Lebensjahr aufnimmt, auch das Geschichtliche so unterrichtet, daß man Bildhaftes gibt bis in dieses Lebensalter, und daß man dann erst anfängt, auf das Ursächliche und das Wirkende in der Geschichte einzugehen durch die zusammenfas­sende geschichtliche Betrachtung, und Überblicke erst zwischen dem 11. und 12. Lebensjahr gewinnen läßt. Man wird überall die Richtigkeit dieser Methodik daran ablesen können, daß, sobald man die Vorgänge in kausaler Betrachtung zu früh an die Kinder heranbringt, sie einem gar nicht zuhören; wenn man es aber im richtigen Momente tut, dann kommt einem die innerliche Freude, das innerliche Dabeisein des Kin­des entgegen.

Dus het gaat erom dat je de eigenlijke beschouwing van het stoffelijke pas tussen het 11e en 12e jaar invoert; ook de geschiedenis zo aanleert dat je het beeldend geeft op deze leeftijd en dat je dan pas tussen het 11e en 12e jaar begint op oorzaak en gevolg in de geschiedenis in te gaan door een samenvattende geschiedkundige beschouwing en overzichten laat ontstaan. Je zal de juistheid van deze methodiek overal kunnen aflezen aan het feit dat zo gauw je processen in causale samenhang te vroeg aan het kind aanbiedt, zij jou helemaal niet horen; doe je het echter op het juiste tijdstip dan merk je de innerlijke vreugde, het innerlijk erbij betrokken zijn.
GA 309/78-79
Op deze blog vertaald/78-79

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3429-3227

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis – GA 311

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 311      op deze blog vertaald

Voordracht 3, Torquay 14 augustus 1924

Blz. 57

Und weiter, wenn man Geschichtliches betrachtet, so soll das Kind auch bis gegen das 12. Jahr hin in der Geschichte Bilder bekommen, Bilder von einzelnen Persönlichkeiten, Bilder von Ereignissen, über­schaubar schön gemalte Bilder, wo die Dinge lebendig vor der Seele stehen, nicht eine Geschichtsbetrachtung, in der man immer das Folgende als die Wirkung vom Vorhergehenden betrachtet, worauf die Menschheit so stolz geworden ist. Diese pragmatische Geschichts­betrachtung, die nach Ursachen und Wirkungen sucht in der Ge­schichte, ist etwas, was das Kind ebensowenig auffaßt, wie der Far­benblinde die Farbe. Und außerdem bekommt der Mensch eine ganz falsche Vorstellung vom Leben, vom fortlaufenden Leben, wenn

En verder, wanneer je naar iets uit de geschiedenis kijkt, moet het kind ook tegen het 12 jaar nog geschiedenisbeelden krijgen, beelden van persoonlijkheden, beelden van gebeurtenissen, overzichtelijk mooi (met woorden) geschilderde beelden waarin de dingen levend voor de ziel staan; geen geschiedenisbeschouwing waarbij je steeds het volgende als de werking van het vorige beschouwt, waarop de mensheid zo trots geworden is. Deze pragmatische geschiedenisbeschouwing die in de geschiedenis naar oorzaak en gevolg zoekt, pakt het kind net zo min op als de kleurenblinde de kleuren. En bovendien krijgt de mens een hele verkeerde voorstelling van het leven, van het leven dat verder gaat, wanneer

blz.58:

man ihm alles immer nur nach Ursachen und Wirkungen beibringt. Ich möchte Ihnen das durch ein Bild klarmachen.
Denken Sie sich, da fließt ein Strom dahin (es wird gezeichnet).

Er zeigt Wellen. Sie werden nicht immer richtig gehen, wenn Sie die Welle c aus der Welle b und diese aus der Welle a hervorgehen lassen, wenn Sie sagen, c ist die Wirkung von b, und b von a; es walten da unten in den Tiefen noch allerlei Kräfte, welche diese Wellen aufblasen. Und so ist es in der Geschichte.

je hem steeds alles alleen maar bijbrengt als oorzaak en gevolg.
Dit wil ik u door een beeld duidelijk maken.
Stel je voor, hier is een waterstroom (dat wordt getekend):

GA 311 blz. 58

Er zijn golven. Maar, je zou het niet steeds bij het rechte eind hebben, wanneer je golf c uit golf b en deze uit golf a zou laten ontstaan, wanneer je zou zeggen: c is de werking van b en b van a; dieper in de stroom werken nog andere krachten die de golven omhoogstuwen. En zo is het ook in de geschiedenis.

Da ist nicht immer das, was 1910 geschieht, die Wirkung von dem, was 1909 geschehen ist und so weiter, sondern für diese Wirkungen aus den Tiefen der Strömung in der Entwickelung, was die Wellen aufwirft, dafür muß beim Menschen sehr frühzeitig eine Empfindung eintreten. Sie tritt aber nur ein, wenn man spät erst die Ursachen und Wirkungen ein­führt, gegen das 12. Jahr hin, und vorher Bilder hinstellt.
Es stellt dies wiederum Anforderungen an die Phantasie des Leh­rers. Diesen muß er aber genügen. Er wird schon genügen, wenn er für sich Menschenkenntnis erwirbt. Und darum handelt es sich. 

Daarin is het ook niet altijd zo, dat wat in 1910 gebeurt, de werking is van wat in 1909 gebeurd is enz., maar voor deze werkingen vanuit de diepten van de ontwikkelingsstroom, die de golven veroorzaken, daarvoor moet bij de mens zeer vroeg een gevoel ontstaan. Maar dat ontstaat alleen, wanneer je pas laat oorzaak en werking invoert, tegen het 12e jaar en daarvóór beelden geeft.

Dat stelt opnieuw eisen aan de fantasie van de leraar. Daaraan moet hij voldoen. Maar hij zal er aan voldoen, wanneer hij zich menskunde eigen maakt. En daar gaat het om.
GA 311/57-58
Op deze blog vertaald/57-58

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3424-3222

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis – GA 306

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 306       vertaald

Voordracht 5, Dornach  19 april 1923

Blz. 106    vert. 106

Steiner staat hier langer stil bij het ‘causaliteitsdenken’ en het daarbij horende kunnen oordelen.
Hij schetst een kleine ontwikkeling: hoe het kind vóór het 12e denkt en in overeenstemming daarmee (beeldend) onderwijs nodig heeft en na het 12e jaar:

want je moet wel weten dat zich iets pas tegen het 12 jaar, eigenlijk dicht tegen het 12e jaar in het kind ontwikkelt en dat is het gevoel voor causaliteit.

Omdat de hele voordracht op deze blog is vertaald, kun je hier verder lezen, vanaf <1

En wat de geschiedenis betreft:   

Blz. 107

Auf der anderen Seite können Sie den Kindern vor diesem Lebens­alter gegen das 12. Jahr hin nicht Zusammenhänge in der Geschichte begreiflich machen. Da sollen Sie vor die Kinder hinstellen einzelne Menschenbilder, die entweder das Gefallen erwecken durch ihre Güte, ihre Wahrhaffigkeit oder dergleichen, oder das Mißfallen erwecken durch das Gegenteil. Auf Gefallen und Mißfallen, auf das Gefühls-­und Gemütsleben muß auch die Geschichte gestellt werden: geschlos­sene Bilder von Vorgängen und von Persönlichkeiten, aber Bilder, die in dem Sinne wieder beweglich gehalten werden, wie ich es angedeutet

Anderzijds kun je kinderen vóór deze leeftijd tegen het 12e jaar geen samenhangen in de geschiedenis laten begrijpen. Je moet dan individuele mensen voor de kinderen neerzetten, die of sympathie wekken door hun goedheid, hun waarachtigheid o.i.d., of de antipathie door het tegendeel. Op sympathie en antipathie, op het gevoels- en gewaarwordingsleven moet je geschiedenis laten berusten: afgeronde beelden van gebeurtenissen en persoonlijkheden, maar beelden die in dit opzicht weer beweeglijk worden gehouden, zoals ik aangegeven

blz. 108

habe. Dagegen kausale Zusammenhänge zwischen dem Frü­heren und dem Späteren, die können Sie dem Kinde erst beibringen, wenn in ihm voranleuchtet dieses Rückläufige des Astralleibes, das dann stärker auftritt nach dem 14. Jahr. So gegen das 12.Jahr hin kommt das Kind in dieses Rückläufige hinein, und man kann dann an­fangen, an den Kausalitätsbegriff zu appellieren auch in der Ge­schichte. 

heb. Causale samenhangen tussen wat er eerder was en wat er later kwam, kun je het kind pas bijbrengen wanneer in hem het teruggaan van het astraallijf het eerste licht daarop kan laten schijnen, wat dan sterker optreedt na het 14e jaar. Zo tegen het 12e jaar komt het kind in dat proces van teruggaan en dan kun je beginnen te appelleren aan het causaliteitsbegrip, ook in de geschiedenis.

En een verdere menskundige uitleg tot 2>
GA 306/1
07-108
Op deze blog vertaald/107-108

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3419-3217

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 303)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij. 

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 303       vertaald

Voordracht 11, Dornach 2 januari 1922

Blz. 211

Das­jenige, was die historischen Ideen sind, die Impulse, die durch das ge­schichtliche Leben durchgehen, die in soziale Gestaltungen eingreifen, die sind, obwohl sie wiederum etwas ganz anderes sind auf geschicht­lichem Gebiete, dennoch gleichsam das Skelett der Geschichte, während das Fleisch, während die Muskeln die lebendigen Menschen sind mit ihren Biographien und die unmittelbaren konkreten Ereignisse im Ge­schichtlichen. Daher müssen wir in der Geschichtsbehandlung, die wir auch schon zwischen dem zehnten und zwölften Lebensjahre einfügen müssen, so vorgehen, daß wir abgeschlossene Bilder, an denen sich das Gefühl erwärmen kann, zu denen das Gefühl hinaufschauen kann, er­zählen, Biographisches, Charakteristiken abgeschlossener Ereignisse, nicht abstrakte durchgehende Impulse. Die kommen an das Kind her­an, wenn das zwölfte Jahr herangekommen ist, wo dasjenige eintritt, was eben dann durch das Stehen des Menschen in der Außenwelt be­dingt ist – er geht ja ganz von innen nach außen; nun kann er auch dasjenige erfassen lernen, was als geschichtliche Impulse von außen her die einzelnen Menschen ergreift.

Wat de historische ideeën zijn, de impulsen die door het historische leven gaan, die in de sociale ontwikkelingen ingrijpen, die zijn, hoewel ze weer iets heel anders zijn op historisch gebied, toch als het ware het skelet van de geschiedenis, terwijl het vlees, terwijl de spieren de levende mensen zijn met hun biografieën en de direct concrete gebeurtenissen in de geschiedenis. Vandaar dat we met de behandeling van de geschiedenis, die we ook al tussen het tiende en twaalfde levensjaar moeten invoegen, zo moeten omgaan dat we in vastomlijnde beelden vertellen waaraan het gevoel zich kan verwarmen, waarnaar het gevoel kan opzien, biografische verhalen, karakteristieken van afgesloten gebeurtenissen, geen abstracte doorlopende impulsen. Die pakt het kind pas op wanneer het twaalf geworden is, wanneer datgene optreedt wat bepaald wordt door het feit dat de mens in de buitenwereld komt te staan — hij gaat immers helemaal van binnen naar buiten. Nu kan hij ook leren begrijpen wat als historische impulsen van buitenaf de individuele mensen aangrijpt.
GA 303/211
Vertaald/238

Voordracht 12, Dornach 3 januari 1922

Blz. 227

Und ebenso wird man das Geschichtliche, wie ich schon er­wähnt habe, in diesem Lebensabschnitte (9-10) so behandeln, daß man abge­schlossene Bilder von menschlichen Ereignissen hinstellt.

En evenzo, zoals ik al gezegd heb, zul je ook de geschiedenis in deze levensfase (9-10) zo behandelen dat je afgesloten beelden van menselijke gebeurtenissen aangeeft.
GA 303/227
Vertaald/256

Voordracht 4, Dornach 4 januari 1922

Blz. 251    vert. 282/283

Was ich eben anzudeuten versuchte, das wird man so stark gewahr, wenn man genotigt ist, sowohl für den Jüngling wie für die Jungfrau nach dem Eintritt in die Geschlechtsreife – ich will heute nur ein Bei­spiel herausheben – zum Beispiel Geschichte vorzuführen. Im wirk­lichen Gang der menschlichen Geschichtsentwicklung fielen, wenn auch in anderer Form, männliche und weibliche Kräfte durcheinander. Unsere Geschichtsdarstellungen, die uns einzig und allein für das ge­schlechtsreife Alter zur Verfügung stehen, sind aber durchaus männi­scher Natur, wie wenn sie bloß von Epimetheus dargestellt worden wä­ren. Dafür bringen zum Beispiel die Mädchen, die geschlechtsreif ge­worden sind, gar kein Verständnis entgegen. Den Jungen wird es etwas langweilig, aber es ist noch eher mit ihnen auszukommen mit dem Epi­metheischen, mit demjenigen, was vorzugsweise mit dem Urteilen, mit dem unmittelbar Feststellbaren sich befaßt.

Wat ik zojuist geprobeerd heb aan te duiden, dat word je zo sterk gewaar wanneer je genoodzaakt bent zowel voor de jongeman als voor de jongedame na het betreden van de geslachtsrijpheid – ik wil vandaag slechts een voorbeeld noemen — bijvoorbeeld geschiedenis te geven. In de werkelijke gang van de menselijke historische ontwikkeling liepen, zij het in een andere vorm, mannelijke en vrouwelijke krachten door elkaar heen. Onze geschiedenisthema’s, die ons enkel en alleen voor de geslachtsrijpe leeftijd ter beschikking staan, hebben echter een volledig mannelijke aard, alsof zij alleen door Epimetheus zouden zijn beschreven. Daarvoor kunnen bijvoorbeeld de meisjes, die geslachtsrijp geworden zijn, helemaal geen begrip opbrengen. De jongens zullen het wat saai gaan vinden, maar bij hen kun je nog eerder met Epimetheus-achtige dingen aankomen, met wat zich vooral met het oordelen, met het direct vaststelbare bezighoudt.

Es gibt auch eine Prometheusartige Darstellung der Geschichte, wo nicht nur dasjenige gezeigt wird, was geschehen ist, sondern, wo das­jenige, was von Ideen in der Gegenwart dasteht, in seiner Metamor­phose aus Vorangegangenem gezeigt wird, aber so gezeigt wird, wie Impulse da waren, um die Gegenwart weiterzuführen, wie die Gegen­wart wieder weitergeführt wird durch Impulse. Dieses Wirken eines Prometheus-Elementes in der Geschichte, das ist dasjenige. was das Frauenelement besonders anzieht.
Es würde durchaus einseitig werden, wenn man die Geschichte in einer Frauenschule in einer Prometheusartigen Weise, für die Männer in einer Epimetheusartigen Weise darstellen wollte. Die Männer wür­den ganz in die Vergangenheit zurückfließen und da noch mehr erstar­ren als sie es heute sind. Die Mädchen in den Mädchenschulen würden gerade bei den für sie geeigneten Geschichtsdarstellungen gewisserma­ßen der Zukunft nur entgegenfliegen wollen. Sie würden überall die Impulse empfinden, die durchaus ihrem Verständnisse besonders nahe­liegen. Aber wir gewinnen ein richtiges Wirken für das soziale Zu­sammenleben nur dann, wenn wir eben zu dem, was wir heute fast

Er bestaat ook een Prometheus-achtige weergave van de geschiedenis, waarbij niet alleen wordt getoond wat er gebeurd is, maar waar dat wat vanuit ideeën in de tegenwoordige tijd aanwezig is, in zijn metamorfose vanuit het voorafgaande wordt getoond, maar op zo’n manier wordt getoond dat er impulsen zijn geweest om de tegenwoordige tijd verder te brengen, dat de tegenwoordige tijd weer verder wordt gebracht door bepaalde impulsen. Dit werken van een Prometheus-element in de geschiedenis, dat is iets wat vooral het vrouwelijke element aantrekt.

Het zou volstrekt eenzijdig worden als je de geschiedenis op een meisjesschool op een Prometheus-achtige wijze, voor de jongens Epimetheus-achtig zouden willen behandelen. De jongens zouden helemaal in het verleden terugstromen en daar nog meer verstarren dan nu al het geval is. De meisjes op de meisjesscholen zouden juist bij de voor hen geschikte geschiedenisbeschrijving in zekere zin alleen maar de toekomst tegemoet willen vliegen. Zij zouden overal de impulsen voelen die zeker heel dicht bij hun begripsvermogen liggen. Maar we krijgen pas dan een juiste werking voor het sociale samenleven als we nu aan dat wat we nu bijna

Blz. 252   vert. 283

einzig und allein zur Verfügung haben, zu der Epimetheusartigen Ge­schichte, die von Prometheus geschriebene hinzufügen. Dann, wenn beide Elemente in der Geschichtsdarstellung wirken, werden wir tat­sächlich für das geschlechtsreife Alter geschichtliche Darstellungen ha­ben, beziehungsweise solche zustande bringen, wenn uns die entspre­chende Aufgabe zugefallen ist.

uitsluitend ter beschikking hebben, aan de Epimetheus-achtige geschiedenis, de door Prometheus geschreven geschiedenis toevoegen. Wanneer dan beide elementen in de behandeling van de geschiedenis werkzaam zijn, zullen we, als we deze taak hebben gekregen, voor de geslachtsrijpe leeftijd werkelijk historische beschrijvingen ter beschikking hebben, respectievelijk tot stand kunnen brengen.
GA 303/251-252
Vertaald/282-283

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3409-3207

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. <1>
Idem: het belang van de plantkunde. <2>
Hoe zit het met causaliteit? <3>
Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt <4>
Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; <5>
Geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom) <6>
Het geheel en de delen. <7>
Het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht. <8
Over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo <9
Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen. <10>
Causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie <11>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 301

Voordracht 8, Bazel 3 mei 1920

Blz. 133

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erdenleben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., 11. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., 11. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts beleben kann. Erst im 12. Jahr ist eigentlich die Möglichkeit gegeben, überzugehen zu dem, was das eigentliche Urteil ist.

<1>Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.
Pas aan het einde van het 12e jaar is het in feite  mogelijk over te gaan tot het eigenlijke oordelen.<1>
GA 301/133
Op deze blog vertaald/133
.

Voordracht 12, Bazel 7 mei 1920

Blz. 184

Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.
Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tiergruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.

Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

<2>Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.
Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.<2>
<3> Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug. <3>

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

<4> Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven.<4>
<5> Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe overgaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid presteren. <5>
<6>Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiasmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen. <6>
<7> Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten. <7>
<8> En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgangsimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen.<8>
<9> Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het christendom: het algemeen menselijke. <9>
<10>Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïevere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.<10>

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

<11> Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurd is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [1] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religieuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie.

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen. <11>
GA 301/184-196  
Op deze blog vertaald/184-196

.

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3391-3189

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 300A)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl <1>
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. <2>


RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 300A

In de vergaderingen met de leerkrachten gaat het regelmatig over ‘geschiedenis’. Leerkrachten hebben vragen en Steiner geeft antwoord.

Vergadering van 25 september 1919

Blz. 82

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

<1> X.: Waar moet je beginnen met geschiedenis?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwickelung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schuljahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn. Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

In bijna iedere klas zal je met geschiedenis weer bij het begin moeten beginnen. Beperk gewoon de lessen naar behoefte. Als je bijvoorbeeld gedwongen wordt in klas 8 vanaf het begin te beginnen, neem dan gewoon een beetje, maar probeer dan toch een overzicht te geven van de gehele ontwikkeling van de mensheid, alleen korter. Je zou dus in klas 8 de hele wereldgeschiedenis in onze opvatting moeten doorlopen. Dit geldt ook voor de natuurkunde. Bij biologie is het heel makkelijk om wat de kinderen geleerd hebben, te laten gebruiken en te verlevendigen. Het zullen alleen de vakken zijn waarbij dit tekort optreedt, vakken waarvan we zeggen dat ze na het twaalfde jaar moeten beginnen, wanneer de oordeelskracht ontstaat. Je zult een aantal dingen kunnen gebruiken in beschrijvende vorm wat de kinderen hebben geleerd, zij het op een ingewikkelde manier .

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kulturgeschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen; die Perserkriege zum Beispiel.

X.: In de Griekse geschiedenis kun je je waarschijnlijk meer concentreren op de culturele geschiedenis en de legenden en de politieke zaken achterwege laten; de Perzische oorlogen bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegenwart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

De Perzische oorlogen kunnen op zo’n manier worden behandeld dat je ze cultuurhistorisch brengt. In oudere tijden kan je de oorlogen nog vanuit een cultuurhistorisch perspectief behandelen; tot in onze huidige tijd zijn ze steeds onverdragelijker geworden. Je kunt de Perzische oorlogen zien als een symptoom van de cultuurgeschiedkundige aard.

Blz.83

X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X.: Binnenlandse politiek is minder belangrijk, toch?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.  

Jawel, maar hoe het geld er kwam, bijvoorbeeld.

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X.: De grondwetten kunnen waarschijnlijk kort worden behandeld?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Ja, maar de geest van de Lycurgische grondwet moet je zo beschrijven, dat bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta duidelijk wordt.

X.: Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehrbüchern.

X.: Het constitutionele systeem van de Romeinen wordt in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte auswendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große Anzahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daß jeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

In de leerboeken is het uitgebreid en vaak heel verkeerd behandeld. De Romein kende geen grondwet, maar hij kende niet alleen de Twaalf Tafelwetten uit zijn hoofd, maar ook een groot aantal juridische boeken. Je krijgt het verkeerde idee over Rome als je met de kinderen niet doorneemt dat de Romein een man van het recht was en dat men het kende. Het wordt op een saaie manier gepresenteerd in de leerboeken, maar voor Rome moet je al wel de voorstelling wekken dat iedere Romein voor het recht ging en op z’n duimpje de wetten kende. De Twaalf Tafelwetten werden daar zo aangeleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging.
GA 300A/82
Vertaald/82

Vergadering van 23 december 1919

Blz. 115

X. berichtet über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse, die er seit dem Herbst übernommen hat.

X rapporteert over de humanistische vakken in de 7e en 8e klas, die hij sinds het najaar overgenomen heeft.

Dr. Steiner: Römische Geschichte, da muß man die Hauptlinien entwickeln und dann erst, vom Hauptcharakter ausgehend, die Einzelheiten. Es liegt gar kein besonderer Grund vor, alles zu behandeln, zum Beispiel die Geschichte von der Lukretia. Es geschah in Rom viel mehr, als überliefert ist, und es hat keinen Sinn, die zufällig überlieferten Einzelheiten alle zu erzählen.

In de Romeinse geschiedenis moet je de hoofdlijnen uitwerken en vervolgens, beginnend bij de hoofdpersoon, de details. Er is geen specifieke reden om alles te behandelen, bijvoorbeeld het verhaal van Lucretia. Er gebeurde in Rome veel meer dan er overgeleverd werd en het heeft geen zin om de toevallig overgeleverde details te vertellen.

X.: Was sind die Etrusker?

X.: Wat zijn de Etrusken?

Dr. Steiner: Die Etrusker sind ein südliches keltisches Element, ein nach Süden verpflanzter Zweig der Kelten.

De Etrusken zijn een Zuid-Keltisch element, een tak van de Kelten die naar het zuiden kwam.

X. fragt nach kulturhistorischen Schriften zur orientalischen Geschichte.

X. vraagt ​​naar cultuurhistorische geschriften over de oosterse geschiedenis.

Dr. Steiner weist hin auf die Abschnitte über Geschichte Babyloniens und Assyriens von Stahl und Hugo Winkler und auf die Schriften von Friedrich Delitzsch. In Helmolts „Weltgeschichte”. Zum Beispiel „Geschichte Babyloniens und Assyriens”. Stuttgart, 3. Auflage 1891.

Dr. Steiner verwijst naar de hoofdstukken over de geschiedenis van Babylonië en Assyrië door Stahl en Hugo Winkler en naar de geschriften van Friedrich Delitzsch. In Helmolts “Wereldgeschiedenis”. Bijvoorbeeld ‘Geschiedenis van Babylonië en Assyrië’ Stuttgart, 3e editie 1891.

X.: Was ist Baal?

X: Wat is Baäl?

Dr. Steiner: Baal ist ursprünglich eine Sonnengottheit.

Baal is van oorsprong een zonnegod. 
GA 300A/115
Vertaald/115

Vergadering van 1 januari 1920

Blz. 118

X.: Wie weit soll ich die Geschichte weiterfuhren, ehe ich zu etwas anderem übergehe? Ich bin in der 7. Klasse mit der römischen Geschichte bis zum Ende der Königszeit und in der 8. bis zu den punischen Kriegen gekommen.
X.: Hoe ver moet ik doorgaan met geschiedenis voordat ik verder ga met iets anders? Ik ben in klas 7 met Romeinse geschiedenis tot en met het einde van de koningentijd gekomen en in de 8e eeuw tot de Punische oorlogen.

Met een grote boog tot het christendom komen en daarna twee maanden Duits; [bedoeld wordt geschiedenis, denk ik] Goethe en Schiller in de 8e klas. <1>
GA 300A/118
Vertaald/118

Vergadering van 26 juni 1921

Blz. 280

Het gaat ervoor over aardrijkskunde. Daar wijst Steiner naar het belang van grote verbanden.
De vraag werd gesteld n.a.v. ‘het geheugen, wat onthouden de kinderen. Steiner was waarschijnlijk op bezoek in die klas:

Die Kinder waren interessiert. Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber
nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da
gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.
Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer
gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man
hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom

<2>De kinderen waren geïnteresseerd. Ze begrepen alles en waren enthousiast. Maar ze hebben niet iets opgemerkt omdat hij (de leerkracht) dingen benadrukte en niet het grotere plaatje schetste. Grotere verbanden leggen is een goede manier om het geheugen te verzorgen.
Dit geldt op verschillende manieren voor verschillende vakken. Dat geldt vooral voor onderwerpen als geografie, maar ook voor bepaalde aspecten van de biologie. En m.n. bij geschiedenis is het belangrijk.
Bij geschiedenis is het belangrijk dat op alle mogelijke manieren gezocht wordt om de kinderen concrete voorstellingen te geven.
Wanneer bv. de Perzische oorlogen besproken worden, zou ik nooit achterwege laten om bij belangrijke knooppunten, iemand extra aandacht te geven. Nu waren bv. de Atheense lopers aan de beurt. Hier zou ik nooit achterwege laten om bv. de kinderen een heel concrete voorstelling te geven van hoe lang het is geleden dat zo iemand leefde, bv. door de generaties na te tellen: vader en zoon enz. Die rij zou ik samenstellen tot aan de Atheense lopers.  Er zou uitkomen 55 of 56 achter elkaar staande mensen.
Zo krijgen de kinderen een idee van hoe lang de tijdlijn oploopt. Ik zou willen vragen: wie is een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha? Gebruik zulke ideeën en laat de kinderen erover nadenken. Je vertelt over Egypte en wil ze leren hoe ze van Stuttgart naar Egypte kunnen reizen. Je stopt in Venetië, dan probeer je een beetje afstand te nemen van het

Blz. 281

Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat. Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

van het thema en een grap te vertellen die over Venetië gaat. Er moet humor in de les zitten, anders lijdt het geheugen daaronder. <2>

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3383-3181

.

.

.

.