Categorie archief: geschiedenis

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – ontdekkingsreizen

.
Inleiding:

Vertellen is een kunst. En moet dat op de vrijeschool ook zijn, wil je met recht, ook op dit gebied, van ‘kunstzinnig onderwijs’ mogen spreken.
Hoewel het veel voorbereiding vraagt, is het vertellen – uit het hoofd!!! – van de vertelstof van de lagere klassen que inhoud, niet zo moeilijk.
Sprookjes zijn in wezen kant en klaar opgeschreven; Noordse, Griekse en Romeinse sagen en legenden vormen ook geen probleem, maar bijv. in klas 7 een ontdekkingsreis vertellen, is een stuk moeilijker.
De wederwaardigheden van ontdekkingsreizigers staan meestal in feiten, in een verslag in een of ander boek en als je dat gaat vertellen, wordt het een opsomming van feiten.
Hoe worden de figuren waarom het gaat, personen van vlees en bloed.
Dat is de opdracht aan de leerkracht: hoe beleven de kinderen de reis mee, wat zien ze voor zich door jouw woorden.
Ja, ook voor de 7e klas vond Steiner het belangrijk dat er nog veel fantasie – dat is ‘menskundig’ beeld – in het onderwijs aanwezig is.

Er zijn verschillende schrijvers die van het verhaal van hetBehouden huiseen roman hebben gemaakt.
Daarin komen de karakters tot leven. Zo’n roman kan wel als voorbeeld dienen, maar meestal is het hele boek te groot om als vertelling te gebruiken.
Je zal dus keuzes moeten maken.
Verderop heb je een voorbeeld van hoe Jaap ter Haar dit deed.
Hieronder volgen feiten waarmee je je verhaal kan maken.

‘kunnen wij ‘om de noord’?

.
De reis van Heemskerk en Barentsz

de feiten:

Aan het eind van de 16e eeuw begonnen Europese ontdekkingsreizigers erover na te denken reizen te ondernemen naar de Noordpool. In die tijd probeerden ze, via het noordoosten of noordwesten, een nieuwe route te vinden naar Azië. Het vinden van een zeeweg naar het Oosten was vooral voor Engeland van groot belang, omdat de handel met Frankrijk en Nederland in verval geraakte. Een nog belangrijker motief was echter de grote rijkdom, die Spaanse en Portugese kooplieden hadden verworven dankzij de nieuwe handelspartners, die ze ontdekt hadden in Amerika, India en vooral in China (of Cathay, zoals de Europeanen het toen noemden). Londense kooplieden en de heersende vorsten kregen een groeiende belangstelling voor de Engelse ontdekkingsreizigers, die een nieuwe route naar het oosten wilden vinden en verleenden hun financiële steun.

Tegen het eind van de 16e eeuw waren de Hollandse zee- en kooplieden de grootste rivalen van Engeland in het nasporen van een land- of zeeroute naar de rijkdommen van Cathay. Zij zagen meer heil in een noordoostelijke doorgang, omdat ze dan onderweg met de Russen handel konden drijven. De belangrijkste man bij deze Hollandse Noordpoolexpedities was Willem Barentsz. Hij was gezagvoerder en gids op drie succesvolle reizen. Op zijn derde expeditie, die in 1596 in Amsterdam begon, hoopte hij de Kara Straat te bereiken door langs de noordpunt van Nova Zembla te varen. Door deze zeer noordelijke route te nemen, loodste Barentsz de schepen van zijn expeditie door nog niet bekende zeeën. Zodoende ontdekte hij West-Spitsbergen, het grootste eiland van de eilandengroep, die men nu Svalbard noemt. Daarna koerste hij in oostelijke richting. Toen hij echter Nova Zembla naderde, sloot het ijs zijn schip aan alle kanten in. Het begon zo’n enorme druk op de wanden van de boot uit te oefenen, dat de romp omhoog werd geperst. Toen het schip tenslotte uit het ijs geduwd was, was het zo ontzet en gehavend, dat Barentsz niets anders kon doen dan het verlaten en onderdak te zoeken op de kust van Nova Zembla.

Dit was de eerste overwintering van Europese ontdekkingsreizigers op een zo noordelijk gelegen plaats. Hun ervaringen kennen we door het verslag, dat één van de mannen, die erbij betrokken was, maakte. Van de spanten van het schip, die ze in veiligheid hadden gebracht, bouwden de Hollanders een hut. Ze richtten deze in met slaapbanken, lampen en al het overige materiaal dat ze konden wegslepen van het bevroren wrak.

Toen het winter werd, werd het zo koud, dat de wijn bevroor en de dekens er uit zagen als stijve witte platen. Van de voorraad berenvet was nog maar weinig over. De rook van het vuur in de hut werd zo verstikkend, dat de mannen in bed moesten blijven en zich zo goed en zo kwaad als dat ging warm moesten houden met de hete stenen, die ze om hun voeten hadden gelegd.

Toch wisten de Hollanders de winter te overleven. Er was echter nog weinig hoop dat ze ooit gered zouden worden. Barentsz was ervan overtuigd dat de enige manier om nog eens in Amsterdam terug te komen een bootreis naar het dichtstbijzijnde vasteland was. Dit was het schiereiland Kola, 2800 kilometer verder.

Midden juni slaagden de dappere expeditieleden erin zichzelf in zo’n conditie te brengen, dat ze in staat waren tot een ander hachelijk experiment. Ze laadden de sloepen van hun schip met alle vracht, die deze konden dragen en vertrokken. Ze speelden het klaar de reis naar het schiereiland Kola te voltooien, doordat ze gebruik maakten van alle middelen, die ze kenden — ze roeiden, ze zeilden en droegen zelfs de sloepen van de ene vaarweg naar de andere. Barentsz mocht dit echter niet meer beleven. Enkele dagen na het vertrek stierf hij in het laatste stadium van de expeditie, dat hij zo noodzakelijk had gevonden.

Met de terugkeer van Barentsz expeditie eindigde de Hollandse belangstelling voor het vinden van een noordoostelijke zeeweg.

Tijdens zijn eerste reis in 1594 bereikte Willem Barentsz met zijn vloot de kust van Novaja Semlja (Nova Zembla). Met het oog op de naderende winter werd de reis niet voortgezet, maar keerde Barentsz naar Amsterdam terug om verslag uit te brengen van zijn vorderingen in oostelijke richting.

Navigatie-instrument van Barentsz’ laatste reis, dat in 1871 in de hut op Nova Zembla werd gevonden. Tussen de met ijs bedekte ruïnes van de hut werden verschillende voorwerpen ontdekt die nog in prima staat verkeerden: kaarsenhouders, borden en zelfs boeken.

Jaap ter Haar vertelt in zijnGeschiedenis van de lage landen‘:

Als koning Filips schepen in beslag neemt en daardoor de handel in gevaar brengt, steken ondernemende kooplui de koppen bij elkaar:
De uit Antwerpen afkomstige, Middelburgse koopman Moucheron heeft overleg gepleegd met admiraal Duivenvoorde, met gedeputeerden, ten slotte ook met prins Maurits en Oldenbarnevelt.
„Excellentie, ik heb alle beschikbare kaarten en alle bestaande reisbeschrijvingenbestudeerd. Mercator, de beroemde geograaf, heeft beweerd, dat er dwars over de Pool een grote open zee loopt, waarlangs Indië te bereiken moet zijn!”
„Bent u daar zeker van?”
Moucheron knikt. Hij somt voordelen op en weet de anderen te overtuigen. Vanwege zijn enthousiasme rusten de Staten twee schepen uit. Amsterdamse kooplieden, die graag een gokje wagen, dragen voor een derde in de kosten bij.
In juli 1594 begint de tocht onder bevel van Jan Huyghen van Linschoten met de ervaren stuurman Willem Barendsz. op de brug.
„Goeie reis!”
„En behouden vaart!”
Ze zeilen langs Noorwegen, de Noordkaap, Lapland, Finland, Rusland, de Witte Zee en vinden een zeestraat met open water, die Waaigat wordt gedoopt. Maar juist dan moeten zij naar huis wegens gebrek aan proviand.

Een nieuwe vloot van 7 schepen probeert het een jaar later. Uit de scheepsjournalen van die reis slechts één detail:
Hoog in het noorden zijn de bootsgezellen aan land gegaan om gretig te graven naar bergkristal. Een ijsbeer sluipt nader, valt één van hen aan in de rug:
„Hij heeft hem metterhaast de halve kaak en wang met het halve hoofd afgebeten en zuigt zijn bloed zó lang, tot de ongelukkige de geest geeft. . .” Tevergeefs tracht het scheepsvolk, nog 29 man sterk, de beer te verjagen. Wapens hebben ze niet, die zijn aan boord gelaten. Een tweede zeeman sterft in de sterke klauwen van de beer. De rest vlucht weg naar het schip. Later krijgen ze het monster toch nog te pakken. De matroos, die de ijsbeer vilt en opensnijdt, vindt in de maag de halve hoofden en de kaken van zijn gezellen!
Omdat schotsen en ijsbergen de weg versperren, keert de vloot naar het vaderland terug. Dan stoppen de Staten hun pogingen. Wel loven zij een prijs uit:
„25.000 gulden voor ieder, die de noordelijke zeeweg naar Indië vindt!”

Het behouden huis

Het stadsbestuur van Amsterdam rust de derde expeditie uit. In mei 1596 varen de Rijp en Heemskerck uit. De ervaren Willem Barendsz. gaat ook dit keer mee. De schippers hebben zoveel mogelijk ongehuwd scheepsvolk aangemonsterd :
„Om te minder door de trek tot wijf en kinderen in het werk te versagen!” Het zijn knapen, die tegen een stootje kunnen.
De Rijp houdt een westelijke koers, ontdekt Spitsbergen en wijkt dan naar Finland uit. Heemskerck en Barendsz. zeilen oost-noord-oost.
Gerrit de Veer schrijft op, wat ze tijdens de reis „ter werelt noyt so vreemt ghehoort” beleven: „Zwanen! Een hele zee vol reuzenzwanen!” roept de uitkijk op een dag. De hele bemanning stormt aan dek om te zien hoe . . . ijsschotsen naderen en voorbijdrijven. Ze bereiken Nova Zembla en vriezen daar vast in het ijs:
„Het schip ligt scheef als een bootsgezel na twee volle kruiken bourgogne!”
De sloepen gaan de wal op. Dan volgen de vaatjes boter, de voorraden gezouten vlees, meel, wijn. De bemanning, 17 man sterk, besluit een huis te bouwen, waarin zij de op handen zijnde winter kunnen doorstaan. In oktober komt het geraamte van de hut gereed. Kort daarop sterft de scheepstimmerman. Zonder zijn kundige leiding ploeteren de zeebonken voort. Het dak sluiten ze af met een zeil. [op illustraties zie je een houten dak, wat aannemelijker is]
„Het Behouden Huis!” Dat is de naam voor de hut in die volslagen verlaten wereld. Toch staat er trouw een wacht bij het schip: om te zien of het ijs al smelt.
De lange poolnacht gaat in. Op 1 december valt de eerste sneeuw. Het blijft sneeuwen. Metershoog hopen de vlokken zich op. De schoorsteen raakt verstopt en poolvossen sluipen over het dak! Het vriest dat het kraakt. IJzel bedekt de kleren. De bevroren schoenen zijn onbruikbaar. Van hout maken ze klompen en bekleden die met vossenbont. De versleten, ontoereikende kleding verwisselen zij voor een ijsberenpels. Het houtvuur in het Behouden Huis rookt en geeft nauwelijks warmte. Dat is verschrikkelijk, maar hoe bloemrijk klinkt dat in de oud-Hollandse taal:

De mannen van Willem Barentsz schieten een ijsbeer. Hun wanhopige poging met hun schip open water te bereiken, hadden geen succes. Het onverbiddelijke noordpoolijs hield hen gevangen en dwong hen te overwinteren. 

„Als wij onze voeten nae ’t vuur staken, soo verbranden wij veel eer onze cousen, eer wij de warmte gevoelden . . . jae, hadden wij ’t niet eer gheroken als ghevoelt, wij souden se eer gantsch verbrandt hebben, eer wij ’t ghewacr gheworden hadden!”

Verkleumd zitten ze tijdens sneeuwstormen bijeen op een karig rantsoen. Het vuil hoopt zich op.
„We moeten Driekoningenavond vieren”, hebben ze gezegd. Van twee pond meel bakken ze koeken. Ze drinken wijn:
„Constabel, jou maken we koninck van Nova Zembla!” Eventjes hebben ze lol, maar soms worden ze half gek van de lange winter, van de eenzaamheid en van elkaar. Steeds weer brengen de Bijbel en de wijze Willem Barendsz. vertroosting.

De speurtocht naar een noordelijke doorvaart deed Willem Barentsz in het onherbergzame noordpoolgebied belanden. Hier verzamelen de bemanningsleden van zijn in het ijs gevangen schip wrakhout om een hut te bouwen. De afbeelding is ontleend aan het officiële verslag van de expeditie, dat in 1598 werd gepubliceerd.

Voorjaar! Het open water komt dichterbij. De ene dag is het nog maar 100 meter van het ingevroren schip verwijderd. Een paar dagen later is alles weer ijs en ligt het water weer 500 meter weg.
„Schipper, we motten naar huis. Desnoods in een sloep. We gaan hier kapot,,
Ze smeken. Ze janken. Maar Heemskerck laat zijn goede schip niet voor wat jammerend scheepsvolk in de steek. Nog drie weken gaan voorbij. Het rantsoen is nog slechts twee ons spek per dag.
„Gaan we nou?”
„Maak de sloepen maar zeilklaar!”
„Godlof!”
Barendsz. is ziek. Hij schrijft drie brieven, waarin hij over zijn lotgevallen vertelt. Een van die brieven laat hij in een kruithoorn hangen aan de schoorsteen van het Behouden Huis. (In 1871 vindt de walvisjager Elling Carlsen die brief bij de ingezakte woning terug, mét de koperen braadpannen, een klok, waskaarsen, kisten en kleren. Dankzij een Engelsman komen al die overblijfselen met Heemskerks’ scheepsvlag naar Amsterdam.)

Met twee kleine sloepen kiezen ze zee. Ze dragen de zieke Barendsz. en de uitgeputte matroos Claes Andriesz. aan boord. Beiden sterven.
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen . . .” Een simpele plechtigheid. „In Godsnaam!” Ze zetten hun gestorven makkers overboord. De lichamen zakken weg in het groene, ijskoude water.

Zeilend en roeiend bereiken ze de Russische kust en later, o wonder, het schip van Jan Cornelisz. de Rijp. Het einde van de barre onderneming komt eindelijk in zicht, als zij boven de horizon de vertrouwde Hollandse torenspitsen uit de ommuurde steden zien verrijzen. Beurtschippers op de Zuiderzee schreeuwen een eerste welkom en vragen:
„Wie zijn jullie?”
„De Rijp en Heemskerck. Terug van Nova Zembla!”
En misschien horen zij dan al het grote nieuws:

„Houtman en De Keyser zijn van een reis naar Indië teruggekeerd!”
Terwijl ze vastgevroren zaten in het ijs, zijn andere Hollanders erin geslaagd, het verre Indië langs de Zuidelijke route te bereiken . . .

.

7e klas: vertelstof of geschiedenis?

7e klasalle artikelen

Vertelstof: alle artikelen

Vrijeschool in beeld7e klas

.

2831

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Advertentie

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 2400 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDENARBEID
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
kAlle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Geschiedenis – zeilschepen

 

Bij het voorbereiden op de lessen zit je soms ineens verlegen om informatie die uiteindelijk wel te vinden is, maar ernaar moeten zoeken kan veel tijd kosten.

Wanneer je iets wil vertellen – en laten zien – of zelf (laten) tekenen, vind je hier e.e.a. bij elkaar.

.

zeilschepen
.

De eerste zeilschepen

Niemand weet wanneer het eerste zeilbootje is gemaakt, maar de eerste afbeeldingen van een zeilboot zijn al ± 6000 jaar oud. In Egypte bouwde men toen al kanovormige bootjes van papyrus, een soort riet. Van de tekeningen kunnen we afleiden dat het kleine zeil vastzat aan de mast voor op het bootje. Het zeil kon dus alleen gebruikt worden met wind achter (in zeiltermen heet dit voor de wind zeilen) en het werd neergeklapt bij tegen- of zijwind.

Thor Heyerdal, die wilde bewijzen dat de Zuid-Amerikaanse Maya’s mogelijk van de Egyptenaren afstamden, bouwde zo’n papyrusboot na en voer ermee van Egypte naar Mexico.

De Egyptenaren verbeterden hun zeilschepen in de loop van honderden jaren tot grote houten vaartuigen van wel 25 m. lang, met een groot vierkant zeil en een bemanning van 40 koppen. Maar de manier van varen bleef hetzelfde: er werd geroeid en alleen bij gunstige wind gezeild. Omdat de Egyptenaren rivierzeilers waren, moeten we de eerste echte zeeschepen ergens anders zoeken.

De Feniciërs bouwden zo rond 1500 v. Chr. handels- en oorlogsschepen die zeewaardig waren. Maar ook die schepen waren eigenlijk meer roeischepen met een (hulp)zeil. 

De eerste echte zeezeilschepen werden gebouwd door de Grieken ± 500 v. Chr maar de meeste grote schepen werden nog steeds bemand met roeiers. De Romeinen bouwden zeilschepen zonder roeiers (100 n. Chr.). Het waren brede ronde schepen met twee masten met meer dan een zeil. De zeilen konden een beetje gedraaid worden zodat ook van zijwind kon worden geprofiteerd De Romeinen verloren na ± 350 n. Chr. hun macht en daardoor stopte de ontwikkeling van het Romeinse zeilschip.

 

De zeilschepen van de Noormannen

De schepen van de Noormannen lijken omstreeks 500 op de Egyptische zeilroei-scheepjes: aan de zijkant plaats voor roeiers en een vast, vierkant zeil. Het verschil met de Egyptenaren was dat de Noormannen vanaf het begin aan hout gebruikt hebben. Dat is natuurlijk te begrijpen: in Noorwegen en Zweden zijn uitgestrekte bossen. Dat hout maakte het mogelijk de romp een betere vorm te geven. De Vikingschepen werden steeds groter: het schip van Gokstad dat in de 19e eeuw werd opgegraven, was 23 m. lang en 5 m. breed, had 32 roeiers en een groot vierkant zeil. Aan elke kant hingen bij de opgravingen 32 schilden ter versiering. Er kon met de schilden niet worden gezeild; ze zouden wegspoelen.


Een der eerste Vikingschepen

Vikingschip uit Gokstad:

In 1893 bouwde men het schip volledig na. Als bewijs dat deze schepen zeewaardig genoeg waren om naar Amerika te zeilen, voer men er in 28 dagen mee over de oceaan. De Vikingen veranderden verder niet zoveel aan de schepen, wel gingen ze steeds meer versieringen aanbrengen. Heel bekend is de drakenkop op de voorsteven. Deze draken waren afneembaar, want het was verboden ze op de voorsteven te hebben voor de eigen kust. Ze waren waarschijnlijk ter afschrikking van de vijand bedoeld.

Engelse schepen

Uit de 13e eeuw zijn veel afbeeldingen van Engelse schepen bewaard gebleven op de zegels van de Engelse handelssteden en op het beroemde „Tapijt van Bayeux”. Op die tekeningen zien we rond 1200 nog de bijna onveranderde Vikingschepen. Wat later zijn er veranderingen, met name het achterwege laten van de riemen en het toevoegen van een boegspriet. Voor het eerst ontstond nu in Noord-Europa het echte zeilschip. Deze Engelse schepen werden o.a. gebruikt voor het vervoeren van de kruisvaarders naar Palestina.

Bayeuxschip

Duitse schepen

In Oost-Nederland en Noord-Duitsland vormden de handelssteden een verbond: de Hanze. Hun schepen, Hanzekog genaamd, waren ook duidelijk afgeleid van de Vikingschepen maar er was veel verbeterd: de stevens waren hoog en recht tot aan de kiel. Hierdoor kon veel beter gezeild worden. In de Hanzekog werd bovendien een nieuwe vinding toegepast: het achterstevenroer. Alle schepen hiervoor hadden het roer opzij, rechtsachter (stuurboord). De Hanzekog had het roer achter het schip, het roer werd bewogen met behulp van een helmstok.

De kog, en de latere nog grotere hulk, hebben voor het uiterlijk van Europa veel betekent: ze waren zo groot dat havensteden niet langer landinwaarts gelegen konden zijn, havens moesten voortaan aan zee liggen en dat is nu nog zo.

Schepen van de Middellandse zee

Na de Romeinen kwamen er geen nieuwe soorten schepen bij in de Middellandse Zee. De ontwikkeling van het zeilschip vond plaats in Noord-Europa en in het Zuiden had men daar geen weet van. Waarschijnlijk raakte men meer onder invloed van de Arabische landen, want omstreeks 900 verschenen op zee zeilschepen met het zogenaamde Latijnse zeil: een driehoekig zeil.

Dit driehoekige zeil zien we nu nog steeds op de Arabische wateren. Dit zeil was goed draaibaar en zo kon bij verschillende windrichtingen gezeild worden over verschillende boegen. De Italianen, vooral die uit Venetië en Genua, gebruikten dit driehoekige zeil in de 13e eeuw voor hun kruistochtschepen. Voor het eerst in de zeilschepengeschiedenis bouwden ze de schepen met meer dan één mast.

De Kraak

In Noord-Europa voer de kog, met achtersteven en vierkant zeil, in Zuid-Europa waren de twee- of driemasters met driehoekig, draaibaar zeil. Toen de Noord-Europeanen en Zuid-Europeanen elkaar ontmoetten (o.a. door kruistochten en handel) gaven ze de kennis die ze hadden aan elkaar door. Het resultaat was de kraak, een zeilschip dat alle goede eigenschappen van de noordelijke en de zuidelijke schepen had. De kraak was een tweemaster, met driehoekig en vierkant zeil, boegspriet en achterstevenroer. Met een kleine kraak voer Columbus naar Amerika.

 

Eigenlijk is er na de kraak aan het zeilschip niet veel meer veranderd, alleen werd het aantal zeilschepen uitgebreid of gebruikte men meer masten. Zo ontstond na 1500 het Spaanse galjoen, met een ronde bodem, vier masten en een hoog achterdek. Dat hoge achterdek werd bij latere schepen prachtig versierd, met houtsnijwerk en verguldsel (de spiegel).

Zeilschepen van 1500-1900

Tussen 1500 en 1900 ontstaan er een heleboel verschillende soorten zeilschepen, met allemaal verschillende vormen en tuigages (= zeilen en masten). Elke soort had een aparte naam. We noemen: de fluit (koopvaarder), de pinas (bewapend koopvaardijschip), het fregat (oorlogsschip), het Hollandse jacht (snelvervoer), het linieschip (oorlogsschip), de polakker, de bark, de kotter, de schoener (nu nog in ’t klein in gebruik als plezierjacht), de Brigantijn (ook brik), de korvet, de chebeck, de logger, de Oostinjevaarder en de klipper.

De klipper en de schoener zijn de laatste grote zeezeilschepen, want ondanks hun snelheid en handelbaarheid werden ze na 1900 vervangen door het stoomschip.

Niet-Europese zeilschepen

In Europa is het grote zeilschip eerst vervangen door het stoomschip en later door het motorschip, maar buiten Europa worden nog veel zeilschepen gebruikt. Op de Nijl en in de zeeën rond de Arabische wereld ziet men nog steeds de Latijnse zeilen, rond Ceylon vindt men ook soortgelijke zeilschepen, de mashwa of patta mar.

Op da rivier de Ganges in India vaart nog de pallar, een schip dat precies lijkt op de Nijlschepen van 4000 j. geleden. In Indonesië treffen we de prauw aan en ten slotte moet nog de Chinese jonk genoemd worden: grote, platte schepen met zeilen waarop lange latten zitten, zodat die zeilen als matten opgevouwen kunnen worden.

De zeilsport

In onze moderne wereld is het zeilschip in verkleinde vorm alleen nog als pleziervaartuig in gebruik. De zeilsport is na 1900 tot grote bloei gekomen. Voor elke soort zeilboot zijn zeilwedstrijden, kampioenschappen en Olympische Spelen.

Heel veel belangstelling heeft ook zeezeilen. Zo zijn er de beroemde klipper-wedstrijden om de Americabeker en maken diverse stoere mensen in hun zeilschip enorme tochten, zoals Sir Francis Chichester, die in zijn Gipsy Moth in z’n eentje de wereld omzeilde.

.

Geschiedenis: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Schepen in het Oude Testament

Vrijeschool in beeld: klas 5 aardrijkskunde
 klas 5 geschiedenis
 klas 6 geschiedenis

.

2696

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Bovenbouw – geschiedenis

Onderstaand artikel is niet meteen ‘vrijeschoolachtergrond’.

Het is geschreven door een van de bekendste antroposofen uit de vorige eeuw: Willem Frederik Veltman.

Met Steiners gezichtspunten over ‘Europa’ ontwikkelde Veltman een visie op de hedendaagse geschiedenis en wat daarin de taak van Europa zou moeten zijn.
Dit wordt nader toegelicht op zijn website.

In 1991 schreef Veltman in het blad Jonas een artikel over het conflict tussen Israël en de Arabische wereld.

De bovenbouwleraar die bijv. bij geschiedenis dit nu al zo lang durende conflict met de leerlingen wil bespreken, kan wellicht met Veltmans artikel gezichtspunten aandragen die niet blijven staan bij begrip en acceptatie alleen.

.
W.F.Veltman, Jonas 22-02-1991

.

OMZIEN IN VERBONDENHEID
.

Is er een oplossing voor de vijandschap tussen Israël en de Arabische wereld? Willem Veltman legt uit dat drieduizend jaar geleden de verzoening in feite al heeft plaatsgevonden. 

Wie het heden tracht te begrijpen en met een positieve gezindheid naar de toekomst toe wil leven, mag niet nalaten zich bezig te houden met het verleden. In de wereldsituatie van dit ogenblik is het zinvolste dat de enkeling kan doen: streven naar een eerlijk oordeel zonder emoties. Het is daarbij noodzakelijk door politieke maskers heen te kijken en zich weinig aan te trekken van beschuldigingen, verdoemingen en andere morele hoogdravendheden die over en weer gaan.

Wij moeten terugkijken in het verleden. En dat even ver vóór het begin van onze jaartelling als onze tijd er na ligt, dus vierduizend jaar terug. Met het ontstaan van een nieuw volk, dat wij nu het joodse noemen, ontsprong destijds de bron waaruit de belangrijkste gebeurtenis van de mensheidsgeschiedenis zou voortvloeien, maar waaruit tevens de tegenwoordige verdeeldheid en strijd zijn voortgekomen. Want het is duidelijk dat de bezetting van Koeweit door de troepen van Saddam Hoessein en de daaropvolgende krachtmeting met de Verenigde staten van Amerika wel degelijk te maken hebben met het centrale probleem van het Midden-Oosten: de staat Israël te midden van de zogenoemde Arabische wereld.

Er zijn drie historische bewegingen die wij – in beknopte vorm – nader willen beschouwen: in de eerste plaats de geschiedenis en het lot van het volk van Israël; in de tweede plaats de rol van de islamitische Arabieren vanaf de zevende eeuw na Christus en de huidige situatie van de Arabische wereld en ten slotte: het in politiek-economisch opzicht streven naar de wereldhegemonie door het Anglo-Amerikaanse Westen.

Deze drie krachtstromingen zijn ten zeerste verstrengeld en moeten bezien worden in het licht en de schaduw van de omwenteling die zich in de mensheid aan het voltrekken is. Ik bedoel daarmee de doorbraak van de menselijke individualiteit als geestelijk zelfbewust wezen. Een omwenteling waarbij zich een tegenstelling tussen oost en west aftekent, die uiterst gecompliceerd is en niet onder één gezichtspunt valt te brengen. Er zijn geweldige tegenkrachten in de weer, die dit willen verijdelen door de mensen juist in groepen te fixeren, in rassen, volken, stammen, waarvoor men het noodlottige woord ‘naties’ heeft bedacht.

Het nationalisme is overal ter wereld de aartsvijand van een werkelijke vooruitgang in de samenleving. Hoe het naar mijn mening bestreden kan worden zal aan het eind van dit artikel ter sprake komen.

Een nieuw volk met een wereldtaak

Ongeveer tweeduizend jaar voor het begin van onze jaartelling maakte zich een bijzondere individualiteit los uit de volkssamenhang binnen welke hij was geboren (in het huidige Irak), die de stamvader werd van een nieuw volk. De geaardheid van deze stamvader Abraham was zeer verschillend van de toen gangbare zielengesteldheid. De cultuur van Babylon waar Abraham uit voortkwam (zijn vaderstad Ur lag niet zo heel ver van de tegenwoordige grens tussen Irak en Koeweit) werd nog beheerst door een priesterwijsheid, die haar oorsprong had in een lang vervlogen vorm van helderziendheid. Waarbij de geestelijke, dirigerende machten, die men ‘goden’ noemde, als imaginaties, dus als innerlijke beelden in de ziel opdoemden.
Met Abraham echter ontwikkelde zich een andersoortig bewustzijn. Het volk dat van hem afstamde, moest afstand doen van de oude verbondenheid met de goddelijke wereld en een ‘beeldloze’ godheid volgen, die aanvankelijk wel van ‘buitenaf’ sprak uit de elementen van de aarde, maar die op den duur alleen in de allerintiemste innerlijkheid van de ziel kon worden ervaren: de ‘IK BEN’.
De wereldtaak van dit volk was: het lichaam te vormen dat eenmaal de drager van deze hoogste godheid zou kunnen zijn, die uit zonnehoogten naar de aarde zou afdalen om de mensheid uit haar val te verheffen en in haar ontwikkeling voorwaarts te helpen: de Messias.
Alle hoop en verwachting, alle leed en beproeving waar het Oude Testament van vertelt, is gericht op de komst van de Messias. Hij zal de ‘eindoplossing’ brengen!
Dit volk is het mensheidsvolk. Aan Abraham wordt reeds gezegd dat zijn nageslacht ‘geordend zal zijn als de sterren’ (en niet ‘talrijk als de sterren’). Dat betekent dat de twaalf stammen Israëls een afbeelding zijn van de gehele mensheid, die in de twaalfheid van de dierenriem haar kosmische oorsprong vindt. Uiteindelijk kan het door tweeënveertig generaties gevormde lichaam van de Messias (zie de stamboom in het evangelie volgens Mattheüs) natuurlijk niet anders dan uit één stam voortkomen: de stam Juda waaruit David, de grote koning-herder van Israël, ontspruit. Hij is de stamvader van hem die herder en koning zal zijn voor zijn volk, ergo voor de hele mensheid De joodse schrijver Martin Buber, bekend door zijn diepzinnige werken, geschreven in een wonderschoon Duits (!), wijst ook op dit mensheidskarakter van het jodendom. Hij zegt dat het moreel hoogste en laagste in dit volk leeft. Je kan dit begrijpen, omdat ‘mensheid’ betekent: de lange en moeizame weg te gaan tot vrijheid en liefde, waarbij alle beproevingen door het boze een integrerend bestanddeel vormen van de ontwikkeling zelf.
Als de tijd gekomen is, wordt de zoon Davids geboren. Dertig jaar later daalt de hoge Zonnegeest in de ziel en het lichaam van deze mens. Het mysterie van Golgotha vindt plaats. Is Christus de Messias? Het joodse volk staat voor zijn zwaarste beproeving.
Een enkeling erkent hem, het merendeel wijst hem af. Dit heeft verstrekkende gevolgen. De grote verspreiding die zich na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen (70 na Chr.) gaat voltrekken, is te beschouwen als schaduwwerking van het gebeuren op Golgotha. Wanneer ik dit schrijf is hiermee geen moreel oordeel en zeker geen veroordeling bedoeld! De geschiedenis zelf spreekt in duidelijke beelden.

Men stelt zich meestal niet voor hoe radicaal de ‘diaspora’ van de joden over de totale wereld is geweest: in Azië zowel als in Amerika en Afrika, in Europa binnen alle volken die dit continent bewonen. Deze mensen assimileerden in hoge mate met de volken te midden waarvan zij leefden, maar behielden ook een eigenheid. In sommige gebieden van de aarde sterker dan elders, mede afhankelijk van hun religieuze gezindheid. Bleven zij trouw aan het orthodox-joodse geloof dan was de saamhorigheid en de kenmerkende eigenheid groter dan in de gevallen waarbij dit niet zo was. Smaad, vernedering, haat en vervolging door de uiterst intolerante ‘christenen’ waren veelal hun deel. De vrije Nederlanden van de zeventiende eeuw waren een gunstige uitzondering. Vele joodse families, uit Portugal gevlucht voor de Spaanse inquisitie (1580) vonden hier te lande een veilige woonplaats. In dat opzicht waren de Hollanders tolerant. Rembrandt, onze grootste schilder, woonde in de joodse wijk in Amsterdam en stond op heel goede voet met de joden.
Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw, de tijd van de Verlichting, veranderde ook in de andere landen de afwijzende houding van de ‘christelijke’ wereld ten opzichte van de joden. Ik denk hier vooral aan Gotthold Ephraim Lessing die met zijn drama ‘Nathan der Weise’, een grandioos gebaar maakt van liefdevol begrip en eerbied naar de joodse mens. Dit positieve proces zette zich vooral in Midden-Europa voort: verbindingen van de edelste aard konden ontstaan tussen mensen van joodse afkomst en niet-joodse mensen.
Vrij abrupt komt daar weer een verandering ten kwade in aan het eind van de vorige eeuw: antisemitisme steekt de kop op als een venijnige slang, als een verwoester van menselijkheid. De oorzaak van deze verslechtering moet gezocht worden in de sterk toenemende ontmenselijking die met de ‘hoogconjunctuur’ van het materialisme verband houdt. De beruchte hetze tegen de Frans-joodse officier Dreyfuss is te beschouwen als een teken aan de wand van de historie, een symptoom van een zich snel verbreidende boosheidsmacht. En deze roept een tegenkracht op: het zionisme.

Dit culmineert in de holocaust van het nationaal-socialistische rijk en de stichting van de nationale staat Israël na de ondergang van Hitlers regime en het tot staan brengen van zijn attaque tegen de mensheid. Door Hitlers duivelse ‘Endlösung’, is de ‘Lösung’ van Theodor Herzl, vader van het Zionisme, niet meer discutabel. Het mensheidsvolk moet weer een ‘natie’ worden. Wie zou het wagen tegen te spreken, als dit allerzwaarst beproefde deel van de mensheid zijn verlangen naar leniging van het leed, naar eendracht, vrede en welvaart vervuld wil zien door de stichting van een eigen staat in het land van de Vaderen, het Beloofde Land?
En wat daar gaat gebeuren is bewonderenswaardig. Het onder eeuwenlange Turkse heerschappij verwaarloosde en verarmde land wordt weer een bloeiend gebied, waarvan de bewoners de noeste arbeid op hun land combineren met een heldhaftige strijdvaardigheid als in de tijd van de Makkabeeën. Maar wat te doen met de Palestijnen?
Wij zien hier de verstrengeling van de krachtstromen: de staat Israël wordt een westers bolwerk in een oosterse wereld. In de Anglo-Amerikaanse wereldpolitiek is Israël een gedreven bondgenoot, een onmisbare pion op het schaakbord van de machtsverhoudingen. Waarbij het niet gaat om sterrenwijsheid van mysteriepriesters en koningen (zoals voor vierduizend jaar) maar om aardolie in de handen van economisch denkende politici.

Kijken we naar de ‘Arabische wereld’ dan zien wij daar eveneens ontwikkelingen die met een verleden in verband staan.

De ‘echte’ Arabieren afkomstig van het schiereiland Arabië, stammen eveneens af van Abraham. Diens eerste zoon Ismaël, verwekt bij een Egyptische dienstvrouw van Sara, Hagar genaamd (volgens de joodse sage een dochter van Farao) wordt met zijn moeder verstoten en in de woestijn gedreven. Ismaël is de stamvader van de Arabieren. Beschouw je dit optreden van Abraham als een barbaarse daad die terecht door de eeuwen heen om vergelding roept, dan zie je de specifieke missie van het Hebreeuwse volk over het hoofd. Door de goddelijke leiding wordt bij herhaling een schijnbare onrechtvaardigheid gedirigeerd of op zijn minst goedgekeurd. Tussen Jacob en Esau speelt dezelfde ongehoordheid. Maar in het licht van de Messiasverwachting krijgen deze gebeurtenissen een andere betekenis. De erfelijke lijn kon blijkbaar niet over Ismaël en Esau lopen, maar moest via Isaac en Jacob gaan. Overigens worden er in de Koran in deze zin geen verwijtende woorden aan Abraham gericht. De huidige Arabieren tillen echter wel degelijk zwaar aan de bevoordeling van de later geboren Isaac boven de oudste zoon Ismaël. Men beschouwt dit als de oervete tussen hen en Israël.

Het bleef echter niet bij deze uitstoting, en hier gaat de historie zeer indrukwekkende bewegingen tonen, die maar al te vaak over het hoofd worden gezien door oppervlakkig oordelende mensen. Want de Esau- en de Ismaëlstroming (evenals die van de later uitgestoten broeder Josef) worden weer teruggenomen in de ontwikkeling van het Hebreeuws-Israëlitisch-joodse volk. Ik laat Esau en Josef even terzijde en wijs alleen op de grote ingewijde bij wie Mozes als hij uit Egypte is gevlucht veertig jaar vertoeft, en in wiens gebied hij later zijn volk eveneens veertig jaar laat verblijven voor hij het laat vertrekken naar het beloofde land. De geheimzinnige priester wiens naam Jethro of ook wel Reguel luidt, is een afstammeling van Ismaël.
In zijn mysteriegebied speelt zich af wat wij gewend zijn de openbaring van Sinaï te noemen (Sinaï is niet het huidige schiereiland van die naam in de Rode Zee, maar het tussen Egypte en Palestina gelegen Kadesh). Dus wat sinds Mozes’ tijd de leidende impuls van het Israëlitische volk wordt – het gehoorzamen aan de Wet van de God die zich in het braambos, in de donder en in het water uit de rots openbaart – dat alles is uit de Ismaëlstroming opgenomen en daarmee zijn de broeders in wezen verzoend. Dat betekent niets minder dan dat in het voor-islamitische Arabië, waarvan Kadesh het aller-noordelijkste gebied was, een mysteriestroming werkte die als een directe voorbereiding van de komst van de Messias is te beschouwen.
De oud-Hebreeuwse overlevering heeft in de ontmoeting van Mozes en Jethro iets van uitzonderlijk belang gezien; in de latere joodse sagen wordt zelfs vermeld dat in Mozes Abel en in Jethro Kaïn gereïncarneerd waren, waardoor de nog veel oudere broedervete in het mensengeslacht zijn verzoend!

Het Griekse gedachtegoed bij de zonen van de woestijn

Nu wacht echter het Arabische volk een totaal andere missie dan die van het Hebreeuws-joodse volk. De voor-islamitische mysteriegodsdienst in de Arabische gebieden was een sterrendienst. In het belangwekkende rijk van Saba dat midden- en zuid-Arabië omvatte werd het Phoenixwezen vereerd. Men heeft er het graalsymbool gevonden: ingegrifte figuren die de maanschaal voorstellen welke de zonnebal draagt, een teken dat ook in Egypte overbekend is. Met de ondergang van het Sabaanse rijk verdwijnt dit alles; er is geen continue verbinding met het christendom, althans niet uiterlijk aanwijsbaar. Uitgezonderd de overlevering van de heilige drie koningen, die immers uit Saba (of Scheba) kwamen.

Mohammeds leer geeft een andere richting aan het religieuze leven van de Arabische stammen: het oudtestamentische element is opgenomen en in zekere zin geassimileerd, maar de eschatologische trek, de Messiasverwachting is verdwenen. Mohammed is de laatste en de grootste profeet van God, maar geen Messias – God een Zoon toekennen is de zwaarste zonde voor de islamitische gelovige. Met het aannemen van Mohammeds geloof komen de tot dat moment vrijwel geïsoleerd levende Arabische stammen in beweging. In de zevende eeuw na Chr. veroveren zij in korte tijd een wereldrijk dat de oude cultuurgebieden van Perzië, Babylon en Egypte omsluit. Spoedig breidt hun macht zich uit over Noord-Afrika, Spanje en over het voormalige Byzantijnse (Oost-Romeinse) rijk.

Nu gebeurt er iets merkwaardigs dat voor de wereldontwikkeling van het hoogste gewicht is. De Arabieren leren de Griekse wetenschap kennen, die zich reeds eeuwen tevoren oostwaarts had verbreid en die in academies van het Midden-Oosten werd beoefend. De belangrijkste van deze academies bevond zich te Gondishapur, een Perzische stad ten oosten van het huidige Bagdad, waar zich een briljant wetenschappelijk leven had ontwikkeld, vooral op medisch en astronomisch gebied.
Arabië was destijds niet gehelleniseerd – Alexanders voornemen dit gebied te veroveren was door zijn vroege dood verhinderd – de Romeinen hadden vergeefse pogingen gedaan het rijk van Saba te veroveren en het christendom was er niet doorgedrongen.
Nu echter maken de zonen van de woestijn zich meester van het Griekse gedachtegoed – Aristoteles wordt in het Arabisch vertaald. Zijn werken vinden dankzij de Arabieren hun weg via Spanje naar Europa. De hele huidige westerse natuurwetenschap is niets anders dan de voortzetting van de Gondishapur-wetenschap via Arabische intelligentie en stootkracht naar het westen overgebracht. Maar ook de graal overlevering is langs Arabische wegen tot ons gekomen! (Zie Wolframs Parzival.)
In Gondishapur had het Aristotelisme reeds een verschraling doorgemaakt. Uit de oude mysteriewijsheid die ondanks de droge schrijftrant bij Aristoteles nog overal doorschemert, is kennis van een koude abstractheid ontstaan. Wat in onze tijd tot ‘materialisme’ is geworden, vindt daar zijn oorsprong. Was deze wetenschap zo direct in de nog jonge gemoederen van de Europese (Germaanse) volken doorgedrongen, dan zou een fatale vervroeging zijn opgetreden van datgene wat heden ten dage pas aan de orde is: een totale afsnoering van de menselijke ziel van haar geestelijke oorsprong en een kluistering aan de materie. De Arabieren hebben weliswaar deze Gondishapur-impuls opgenomen, maar hem tegelijkertijd enigszins afgezwakt door hun hang naar het poëtisch-fantastische, een aspect van hun volkskarakter dat naast de scherpe intellectualiteit evenzeer kenmerkend was. We zouden de bloemrijke en zwoel-erotische verhalen uit Duizend-en-een-nacht als pendant kunnen beschouwen van het koude intellectualisme dat de Arabische wetenschap inaugureert. Vanuit Spanje en Sicilië dringt dit element binnen in de universiteiten van Europa en vormt er de basis van de westerse natuurwetenschap die zich vooral sedert het begin van de zeventiende eeuw vanuit Engeland en Nederland gaat ontplooien. Het groot-Arabische rijk viel spoedig uiteen. In het westen werd de opmars tot staan gebracht bij Poitiers (732 na Christus) door Karel Martel, de grootvader van Karel de Grote. In het Oosten ontstond een islamitische cultuur van Arabische verfijning en intelligentie (Bagdad). Maar het Arabische volk van Mohammed ging grotendeels op in de verscheidenheid van de oorspronkelijke bewoners plus de binnenvallende stammen van Mongoolse herkomst, waarvan de Turken op den duur het machtigste bleken.

Twee belangrijke elementen bleven echter een eenheid vormen in de grote verscheidenheid van Arabieren, Berbers, Egyptenaren, Mammelukken, Koerden, Turken, Perzen en wat al niet meer: het Arabische schrift en de taal (de koran) en natuurlijk het islamitische geloof, hoewel dit laatste ook onderhevig was aan een splijting zoals deze in het christendom eveneens is opgetreden.
Het Turkse rijk dat het grootste deel van het door de islam veroverde gebied omvatte, bedreigde Oost-Europa nog ten zeerste in de zeventiende en achttiende eeuw. Sinds de Griekse vrijheidsoorlog (negentiende eeuw) verviel de macht van de Turken en aan het begin van de twintigste eeuw was dit rijk niets anders dan een ’zieke man’ zoals toen de uitdrukking luidde.

De taak van Europa is het materialisme overwinnen

In de Eerste Wereldoorlog stond Turkije aan Duitse zijde en het rijk viel uiteen. Het waren vooral de Engelsen, tuk op de veiligstelling van de weg naar India, die zich bemoeiden met het Midden-Oosten. De verschillende bevolkingsgroepen kwamen in verzet tegen de Turkse overheersers (Lawrence of Arabia!) en er ontstonden onafhankelijke staten naast protectoraten, waarvan Engeland de belangrijkste als mandaatgebied beheerste.

En de aardolie kwam boven de grond om het totale economische leven van de aarde te gaan domineren!

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een reveil van deze gebieden. Men ging weer spreken van een Arabische wereld. De politieke eenheid werd wel belemmerd door grote tegenstellingen, die mede door het verschil in een meer fundamentalistische en een liberalere opvatting van de islam werden bepaald. Tegen Israël echter, dat de ‘Arabische’ Palestijnen weg- of onderdrukte, waren en zijn de Arabische gemoederen eensgezind.
Zoals in Europa waar Mussolini en Hitler droomden van het herstel van historische wereldrijken uit het verleden, zien wij in de Arabische landen ook ‘grote leiders’ zoals Nasser, Gadhafi, Khomeini en nu Saddam Hoessein, die een groot-Arabische droom koesteren. Het nationalistische gevoel is anders dan in Europa. Hier in de Arabische wereld is het aan de ene kant veel beperkter – meer een stambewustzijn dan een echt volksgevoel – maar aan de andere kant is het moslimgeloof een verbindende factor die duidelijk trekken van religieus nationalisme vertoont.
De politiek van de Verenigde Staten is erop gericht een wankel evenwicht in deze roerige wereld van het Midden-Oosten te bewaren, het liefst langs diplomatieke weg, maar als het moet met geweld. Dat het niet uitvoeren van resoluties van de Verenigde Naties de ene keer wel wordt gedoogd (Israël in Libanon) maar de andere keer niet (Irak in Koeweit), tekent de machthebbers van het Westen. Dat de bewapening van Irak door westerse mogendheden (en ook Rusland natuurlijk) is geschied, heeft niets met de ‘logica’ van deze Golfoorlog te maken. (De gewone simpele burger kan daar natuurlijk niet helemaal bij, maar voor een regering is zoiets vanzelfsprekend. Men vergeve mij deze cynische opmerking…)

Hoe moeten wij nu met de hier verschafte, uiterst beknopte en onvolledige gegevens omgaan? In de eerste plaats: als mondige en zelfbewuste mensen van deze tijd kunnen wij, innerlijk althans, nooit afzijdig zijn, al houdt de gemakzucht ons dat wel als iets begeerlijks voor de neus. Niet afzijdig zijn betekent absoluut niet partijdig zijn. Het vraagstuk waar het om gaat, is een mensheidsvraagstuk en ‘mensheid’ is nooit wit of zwart, maar wit en zwart tegelijk. Wat is gebeurd, kan niet zomaar ongedaan worden gemaakt; het kan alleen in positieve zin gemetamorfoseerd worden.

De enig mogelijke richting waarin volgens mij een oplossing te zoeken zou zijn – een oorlog lost nooit iets op! – is de ontwikkeling van een Europese midden-functie. Dat wil zeggen het formuleren van een eigen Europees standpunt, onafhankelijk van Amerikaanse invloed. (En ik bedoel inderdaad Europa en niet bijvoorbeeld een opportunistische Franse president.) Europa heeft onnoemlijk veel aan het ’Arabisme’ te danken.
Deze stroming bracht ons onze huidige wetenschap waaraan een denken ten grondslag ligt, dat de basis vormt van ons zelfbewustzijn. De noodzakelijke schaduwzijde van deze wetenschap was het materialisme. Dit materialisme in de natuurwetenschap te overwinnen door haar te verruimen in de richting van een wetenschap van de geest is een Europese taak. Dat zou een positief antwoord zijn op de impuls van Gondishapur.

Dit is echter alleen mogelijk als het culturele leven zich in vrijheid, onafhankelijk van alle staatsbemoeienis, ontplooit.

Europa heeft ook een verantwoordelijkheid ten opzichte van de grotendeels islamitische ‘Arabische’ gastarbeiders; bij een Europese integratie zou dit probleem als een geestelijk en niet als een economisch vraagstuk moeten worden beschouwd en aangepakt.
Ten aanzien van Israël zou je innerlijk kunnen proberen de kortsluitingsgedachte te overwinnen waardoor een gerechtvaardige samenhang wordt gezien tussen Israël als nationale staat en de gebeurtenissen in Midden-Europa tussen 1933-1945. Dan pas, zo lijkt mij, kan een probleem Israël contra de Arabische wereld het dwingende van een ‘morele verplichting van de wereld veelal slechts naar één richting wordt gezien. Waar de voor Israël zo glorieuze Zesdaagse Oorlog zich heeft afgespeeld, in het gebied van het vroegere Kadesch tussen Egypte en Palestina, heeft eigenlijk de verzoening tussen de vijandige broeders Ismaël en Israël al plaats gevonden, meer dan drieduizend jaar geleden. Het is belangrijk na te gaan wat daar werkelijk historisch is gebeurd en dit niet te beschouwen als een vroom verhaal uit de verouderde bibliotheek van een of ander obscuur kerkgenootschapje. Wij moeten de geschiedenis niet vergeten!

En de remedie tegen de ziekte van het nationalisme? Wanneer je je met volken van de wereld bezighoudt, hun zielengesteldheid tracht aan te voelen, hun geschiedenis en hun grote figuren leert kennen, dan kan het niet anders of je gaat achting voor ze voelen. Je kent hun goede, hun slechte kanten, maar je leert inzien dat het volkskarakter soortgelijk is aan datgene wat bij de individuele mens – zowel psychisch als lichamelijk bezien – zijn ‘omhulling’ is. Je weet dat dit omhullende geen doel op zichzelf is maar een dragend middel, waardoor de individualiteit zich op aarde kan manifesteren. De gedachte dat deze individualiteit in vele levens op aarde, door alle rassen en volken heen gaat om mens te worden in de mensheid (de zo uiterst heilzame gedachte van reïncarnatie en karma), zal volgens mij de nationalistische spoken op de vlucht jagen.

.

Geschiedenis: alle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

.
2298

.

 

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (2-3/2)

In de 5e klas horen de kinderen ook ‘iets’ over Egypte. Wat je zou kunnen laten horen en zien, staat beschreven in de artikelen die je hier onder [2-3] kan vinden.

Als leerkracht is het ook goed om je te verdiepen in ‘wat Egypte was’.  De ‘Osiris-mythe’ die je zeker zal vertellen, wordt hier bijv. nader toegelicht.
Vandaar dit achtergrondartikel voor de leerkracht.
.

J. Zee, Jonas jaarging 10 nr. 2
.

De wedergeboorte van de zon in Egypte

In de hal van het Egypte-museum van Cairo hebben verschillenden van ons het moeilijk, worden door een duizeling bevangen.

Komt het door de inspanningen van de 16 uur durende treinreis uit Assoean (volgens officiële opgave in het Egyptische spoorboekje moet de reis 12 uur duren: maar 4 uur verschil!) die we juist achter de rug hebben? Het is onze laatste dag hier in Egypte en in het museum resten ons nog slechts enkele uren voor het sluitingstijd is.

Of is het de werking van al die goden en farao’s die misschien nog hechten aan de hier verzamelde resten en brokstukken van die glansperiode uit de mensheidsgeschiedenis?

Een feit is dat het geheel met de uit het halfduister opdoemende steengestalten veel weg heeft van grootvaders rommelzolder, maar dan van deprimerend gigantische afmetingen. Een bonte opeenstapeling van duizenden jaren beschaving ligt daar bijeengeraapt, weggehakt en geplunderd uit de heiligste ruimtes van priesters en koningen, van eertijds niet-toegankelijke tempels en graven.

Tot de grote attracties (apart bijbetalen) behoort de mummiezaal: hier ligt de geconserveerde mens geconserveerd en in glazen kisten tentoongesteld; het kerkhof van een legertje koningen en koninginnen geconcentreerd in één museumzaaltje. Mijn oog valt op een apart glazen kistje, met daarin een aandoenlijk opgezet hoofd. Ook zie ik hier Seti I, de vader van Ramses II. We hebben zijn graf in de Vallei der Koningen in Thebe, met de prachtig in kleur bewaard gebleven afbeeldingen van het hiernamaals helaas afgesloten gevonden, misschien wel voor altijd. Het gevaar dat de ruimtes zullen instorten, is het lot dat waarschijnlijk alle graven hier staat te wachten (er zijn er in totaal 64, waarvan er tot voor kort 17 zijn te bezoeken).

Het is de tol die de mensheid moet betalen voor de zegeningen van de Assoeandam: heel Egypte drijft! Misschien behoorden wij al tot de laatsten die de diverse graven nog hebben kunnen zien.

Het is overigens een merkwaardig verschijnsel dat Egypte zo’n geheimzinnige aantrekkingskracht uitoefent op de mens van deze tijd. Gedurende de kleine tweeduizend jaar die achter ons liggen is de Egyptische cultuur de mist in gegaan. Kort na de jaartelling is er niemand meer die de hiëroglyfen kan lezen. Egypte is herontdekt moeten worden, in een tijd die we de onze mogen noemen: sinds de Franse Revolutie, door Napoleon, door Champollion en door de vele onderzoekers in de vorige en in onze eeuw. En nu verdringen de mensen zich en staan mannetje aan mannetje om van hun belangstelling blijk te geven, niet alleen op de Egypte-tentoonstelling, die over de wereld gaat en nog kortgeleden Rotterdam heeft ‘aangedaan’, maar net zo goed in Egypte zelf. In de piramides, de rotsgraven, de tempels, de musea, steeds weer moesten we de ruimte delen met hele busladingen toeristen.

Veel is er inmiddels over het zo mysterieuze oude Egypte bekend geraakt en er is een gigantische arbeid verricht om de verklarende hiëroglyfenteksten vertaald te krijgen. Het neemt niet weg dat het geheim van Egypte zichzelf bewaart, en dat die monumentale uit steen gehouwen wereld over zijn verborgen betekenis zwijgt als het graf. Wat beweegt dan de mens van tegenwoordig om er in groten getale op af te komen? Wat is het dat we in Egypte zoeken?

Met deze vraag in gedachte is het misschien goed ons eens in te leven in wat in de Egyptische mysteriën op bijzondere wijze wordt ervaren: de zonsopkomst.

Uit talrijke teksten en afbeeldingen blijkt dat iedere zonsopkomst beschouwd wordt als een opstanding uit het niets, als de overwinning van het zonnewezen op de chaos, op de dood. Op afbeelding 1. kunnen we zien hoe de zonneschijf overdag zijn weg vervolgt langs het lichaam van Noet, de hemelgodin. ’s Avonds gaat hij in haar mond naar binnen, ’s ochtends wordt de zonneschijf tussen haar benen geboren.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-2.jpg

Men vergist zich echter als men zou denken dat de zonneschijf in de nacht alleen maar bedekt wordt door het lichaam van Noet of door de aarde, en ’s ochtends weer vanuit zijn verscholen positie te voorschijn komt. Uit diverse afbeeldingen, maar meer nog uit de teksten, blijkt de voorstelling te zijn geweest (vanuit het imaginatieve schouwen van de ingewijde Egyptenaar), dat de zonneschijf bij zonsopgang niet alleen voor het oog, maar ook letterlijk uit de wereld verdwijnt. Het zonnewezen neemt een andere gedaante aan. Ten slotte is het de zonnegod Toem-Chepera, voorgesteld als de scarabee, de kever, die het wonder verricht zichzelf uit het niets voort te brengen.

(Zoals de mestkever in de natuur een balletje mest – waarin hij zijn eitjes legt – voor zich uitduwt, zo zien we op de afbeeldingen de goddelijke scarabee de uit zichzelf voortgebrachte zonneschijf voor zich uit bewegen.) Het is niets minder dan een herhaling van de oerschepping, waarbij de schepper oprijst uit de wateren van Noen en chaos door kosmos vervangt. De demonen van de duisternis en van de dood worden overwonnen, het is de schepping van de eerste opstanding van het leven. Deze oerschepping herhaalt zich elk jaar, elke maand, elke zonsopgang, bij iedere troonsbestijging. Het is de openbaring van het spontane leven, even onverklaarbaar als de schepping in het oerbegin.

Hoe nuchter is daarmee vergeleken ónze visie van het dag- en nachtverloop van de zon! In onze voorstelling beschrijven zon en aarde wetmatig hun banen langs de hemel en ten opzichte van elkaar, onverschillig of de kleine mens haar vanuit zijn plaats op de aarde nu wel of niet met het oog kan vervolgen. En uiteraard kan er geen sprake van zijn dat de zonneschijf verloren gaat enkel en alleen omdat hij uit mijn gezichtsveld verdwijnt.

Maar laten we desalniettemin beginnen met de Egyptenaar serieus te nemen. Op zijn minst kunnen we dan vaststellen dat hij het bestaan van het zonnewezen in de wereld op het wonder van zijn eigen existentie betrekt! Het doet mij denken aan wat Nietzsche zijn Zarathoestra laat zeggen, terwijl deze de zon tegemoet treedt: ‘Gij groot gesternte! Wat zou uw geluk waard zijn, wanneer ge niet hen had, die gij verlicht?’ (in: ‘Aldus sprak Zarathoestra’.)

Is het niet eigenlijk primitief van óns om te denken dat de planeten zomaar tot in eeuwigheid van dagen, als een zinloos mechaniek, om elkaar heen draaien? De Egyptenaar heeft nog die uit de directe aanschouwing verkregen grootse visie, dat het zonnestelsel de uitdrukking is van wezens die in de mens tot hun bewustzijn komen! En als u en als ik ze niet zouden zien en gadeslaan, die planeten en sterren als hun bestaan niet in u en in mij tot bewustzijn zouden komen, dan zouden ze daar niet hun rondjes draaien aan de hemel.

Het centrum van ons zonnestelsel, onze zon, mag uiterlijk als gesternte, schenker zijn van alle leven dat op aarde voorkomt, maar innerlijk – zo ongeveer zegt de Egyptenaar – is het een onzichtbare bron die iedere mens van bewustzijnslicht voorziet als een door de goden aangereikte hemelse substantie. (Bij de gratie daarvan vallen de sterren ons eerst op en zijn wij ons bewust van hun eeuwige en wetmatige kringlopen.) De geboorte daarvan, namelijk van het licht van ons zelfbewustzijn iedere ochtend weer, is een door zelfschepping verkregen echte wedergeboorte, ongelijk aan de vorige en volgende keren!

Horus het kind, of Re-Hor-Achte, is een zich steeds vernieuwend wezen, dat wordt geschapen aan de horizon. Evenzo vindt aan de dageraad van ons bewustzijn de geboorte plaats van ons eigen wezen, dat uit zichzelf in ons wordt voortgebracht.

Wat zich dus buiten in de kosmos in het groot voltrekt, herhaalt zich in de mens op dezelfde wijze. De Egyptische mysteriën zijn, zoals Rudolf Steiner beschrijft in zijn ‘Egyptische Mythen und Mysteriën’, [vertaald] geboortemysteriën. Men kan zich daarbij meteen afvragen van wat voor soort geboorte daar sprake moet zijn als het een wedergeboorte is. In de legende die ten grondslag ligt aan de hele Egyptische cultuur is bij nader inzien sprake van twee geboortes, maar beide wezenlijk verschillend, en men kan deze zogenoemde ‘Osiris-mythe’ daarom met een zeker recht ook een geboorteverhaal noemen. Hierin spelen drie figuren een fundamentele rol. Het is de god Osiris, die de oorspronkelijke koning van Egypte is, zijn zuster en gemalin Isis, die het goede ten aanzien van Osiris nastreeft, en zijn broeder Seth die ten aanzien van Osiris alleen maar het kwade wil. (In het Grieks Typhoon, de god van de stormwind.) De legende vertelt dat Seth op een feest een prachtige kist in mensengestalte ten geschenke geeft aan diegene die er in past. Op het moment dat Osiris in de hem als gegoten zittende kist gaat liggen, slaan Seth en zijn 72 handlangers het deksel dicht en gooien hem in de Nijl.
De treurende Isis zoekt en vindt uiteindelijk de dode Osiris en verstopt hem in het riet van de Nijldelta. Uit een goddelijke lichtstraal wordt Isis door Osiris bevrucht en zij baart Horus het kind.
Seth weet de verborgen Osiris te ontdekken en hij scheurt het lijk in veertien stukken. Isis slaagt erin de stukken te vinden die zij alle begraaft. Voortaan ligt Osiris, de hemelse mens, in stukken uiteen, verspreid over Egypte. Naar de legende is er op ieder van de stukken een tempel gebouwd. De nageboren Horus wreekt zijn vader door Seth in een langdurige strijd te verslaan.

Het is een merkwaardig geboorteverhaal. Want op het moment dat de hemelse mens zich begeeft in zijn op maat gemaakte kist (de geboorte!) sterft hij. De lucht, die bij de eerste ademhaling, als een vlaag van ‘hartstocht’, in de romp wordt gezogen, betekent een overwinning voor de windgod, de boze Seth-Typhoon. Hij is de god die de wateren van het leven door heftige begeerten kan doen kolken en tot razernij kan opzwepen.

Ook Homerus spreekt van de wijnrode zee (het bloed) die de mens op zijn tochten (Odysseus) zo moeilijk tot bedaren kan krijgen. Die strijd is het die Horus voert met Seth, van de ochtend tot de avond. Want de Seth-Typhoon-krachten stijgen uit het onbewuste in de mens omhoog en de bevrediging van die verlangens schenken de mens de hoogste gelukzaligheid, maar tevens zijn het die krachten die de mens in stukken scheuren.

Voor de oude Egyptenaar is Egypte aan het menselijk lichaam gelijk (en van dit menselijk lichaam is Osiris de soevereine vorst!): de benen strekken zich uit naar het zuiden, de veel koelere Nijldelta is het hoofd. In dit hoofd, in het vegetatieve leven van de delta, houdt Isis Osiris verborgen, en hier is het dat de nieuwe geboorte van de onsterfelijke Horus plaatsvindt.
De Egyptenaar lokaliseert Horus dus in het hoofd, de delta van de Nijl, en stelt daartegenover het uit het onbewuste, opstijgende boze, ook voorgesteld als Sebek, de uit het zuiden van de Nijl opdringende krokodil (het beeld van St.-Joris die de draak moet verslaan!). Het strijdtoneel ligt in het midden: bij de Grieken de wijnrode ‘Middelland’-se Zee.

In het hoofd, waarin ons het bewust-zijnslicht geschonken wordt, moeten wij de wapens vinden waarmee wij de duistere machten van het onbewuste moeten verslaan.

De originele filosoof-Egyptoloog Schwaller de Lubicz vestigt op weer andere wijze de aandacht op; het hoofd. Hij wijst ons op de grote overeenkomst tussen het typische kever-schild van de scarabee en het nadenpatroon van de menselijke schedel (zie afb. 2).

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-3.jpg

Heel anders beluisteren we nu de Egyptische teksten, die vermelden dat de scarabee als zonnegod in de vroege ochtend de zonneschijf schept uit zichzelf!

Bij de strijd die Horus aanbindt met de boze Seth om zijn vader te wreken, speelt de vrouw van Seth, Nefthys, een beslissende rol. In deze godin kan de moderne mens zichzelf herkennen. Zij behoort met Osiris, Isis, Seth en Horus tot de vijf belangrijkste goden van de Egyptische mysteriën. Voor de ontwikkeling van de moderne mens neemt zij echter de allerbelangrijkste plaats in. Omdat de geboorte van de mens het begin van het einde betekent, waardoor het lichaam hard wordt en de dood in het lichaam trekt (het skelet) heet de vrouw van Seth ‘huis van het harde lichaam’. Maar zij wordt tegelijkertijd ’het huis van de Phoenix’ genoemd. De Phoenix (in het Egyptisch: de vogel Bennu) is de vogel die uit zijn as herrijst.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is egypte-1.jpg

De Egyptische mythologie lijkt daarmee wel voor de toekomst te zijn geschreven, en die toekomst lijkt in hoge mate betrekking te hebben op de tijd waarin wij leven. Want de mens is nog nooit zo ver van zijn hemelse oorsprong afgedwaald als nu. Wat ervaart de mens van vandaag anders dan dat de geest eruit is en dat de wereld van onze tijd aan stukken ligt?

Voor de moderne mens geldt dat hij geconfronteerd wordt met de dood. Zeker ook met de uiterlijke dood, met de dood van het lichaam, maar veel meer nog met de innerlijke dood, met de ervaring in de ziel dood te zullen gaan terwijl we toch gewoon blijven leven.

We willen de valium goedkoper krijgen omdat de omzet in de astronomische cijfers gaat lopen en dat moet allemaal nodig zijn om de angsten, de fobieën en de hyperventilaties te helpen onderdrukken. In de mens die aan hyperventilatie lijdt, breekt de onverhulde angst door te zullen sterven, in een zwart gat weggezogen te zullen worden. In de innerlijk verdeelde, vaak nog jonge mens treedt een benauwdheid op en een beklemming die hem noopt snel adem te halen, tot er een bezwijming (een schijndood) met verkrampte ledematen op kan volgen, tenzij de patiënt kalmeert of gaat blazen in het bekende plastic zakje. Wat deze zieke mens doormaakt is niets minder dan een drempelervaring.

In Rotterdam aan de haven staat het beroemde beeld van Zadkine, van de verscheurde mens, de armen krampachtig naar de hemel geheven en op de plaats van het hart een zwart gat.

Het is de confrontatie van de mens met de godin Nefthys. Zij vertegenwoordigt de kracht die de stervende graankorrel doet ontkiemen, maar tevens de kracht, die de ontkiemende graankorrel doet sterven.

Uit de Egyptische dodenteksten weten we dat er geen farao de troon bestijgt of hij moet zijn ingewijd en dat er geen inwijding plaats heeft zonder de vaste begeleiding van Isis én Nefthys, afgebeeld aan hoofd- en voeteneind van de in te wijden mens die in de toestand van schijndood is gebracht. (Dikwijls weergegeven als mummie.) Wat lang geleden gold voor enkelingen, die hun tijd ver vooruit moesten zijn om hun volk te kunnen leiden, dat is nu aangelegenheid van de hele mensheid geworden (in zoverre de mensen tot de moderne tijd behoren). Het mag in ziektebeelden als de hyperventilatie op tragische en karikaturale wijze naar voren komen, maar in wezen houdt het ieder van ons bezig of we willen of niet, namelijk het innerlijk te boven moeten komen dat we le-levend bezig zijn te sterven of stervend bezig zijn te leven. Over het feit dat we in een beklemmende tijd leven is het onnodig uit te weiden. Hoe we er echter weer uitkomen, hoe we dit innerlijk moeten overwinnen, hoe we na leven en dood tot opstanding moeten komen is een andere vraag. Het is het leren omgaan met Nefthys, die de vergankelijke mens wil leren wat er onsterfelijk aan hem is.

De Egyptische cultuur toont zich in feite als een spiegelbeeldige versie van de onze, geeft dus het omgekeerde beeld te zien van onze materialistische tijd. Zij richten zich vanuit hun hogere bewustzijn naar de materie (hun uit steenblokken opgetrokken gigantische bouwwerken, hun mummie-cultuur, enz. getuigen daarvan), terwijl wij als verstokte materialisten ons beginnen te realiseren dat er misschien toch iets ‘nieuws’ is onder de zon. Er begint bij ons iets te dagen aan de horizon, aan de Horus-zon, aan Re-Hor-Achte. Zou het oude Egypte bij ons daarom zo in trek komen?

Ik moet denken aan het mopje van die Amerikaan in het Egypte-museum van Cairo, die wijzend op een mummie, roept: ‘Hé! Perhaps it was yóu.’ Wie strijdt er niet zoals Horus of zoekt zoals Isis, of ‘gaat langs de tempels’ als hij de kans krijgt, en verzamelt de brokstukken op zoek naar zichzelf?

  . 

5e klas geschiedenis: alle artikelen         

5e klas: alle artikelen   

Geschiedenis: alle artikelen                                

Vrijeschool in beeld: 5e klas geschiedenis

.

2287

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Rousseau

.

N.a.v. Rousseaus sterfdag – op 3 juli 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 3. 06-10-1978

.
Jean-Jacques Rousseau, de kerkvader van de revolutie

Dit jaar is het 200 jaar geleden dat Jean-Jacques Rousseau is gestorven: 3 juli 1778. Dit sterfjaar heeft hij gemeen met zijn geestelijke tegenvoeter Voltaire. De invloed, die beide schrijvers hebben uitgeoefend op de Franse revolutie die 11 jaar na hun dood te Parijs is uitgebroken, is onmiskenbaar, hetgeen nog geen aanleiding hoeft te zijn hen thans te herdenken.

In mijn Jonas-artikel over ‘Voltaire en de volkerenpsychologie’ heb ik willen aantonen, waarom een Voltaire-herdenking nu nog van belang is. Zijn ‘Essai sur les moeurs et l’esprit des nations’ was een eerste poging de mensheid als geheel in haar verscheidenheid van volkeren, cultuurhistorisch te beschrijven. Daarbij werd niet meer de geschiedenis van het eigen volk vooropgesteld, maar als deel van de gehele mensheid, gerelativeerd in zijn verhouding tot andere volkeren. Bij Rousseau ligt dat anders. Hij is de grondlegger van de volkssouvereiniteit. Aan de ‘algemene wil’ van het volk kende hij een absoluut gezag toe. Daardoor is hij niet alleen de ‘kerkvader’ van de Franse revolutie geweest, maar hebben zijn geschriften ook in-spirerend gewerkt op de vele nationale bevrijdingsbewegingen – in Italië en Duitsland – in de 19e eeuw. Bovendien vindt men in zijn ‘Contrat social’ ideeën die tegenwoordig letterlijk schijnen te zijn overgenomen in de zogenaamde volksdemocratieën in Oost-Europa en China. Ook daardoor is hij de antipode van Voltaire, die het Engelse model van constitutionele democratie als voorbeeld stelde van staatkundige hervorming in Frankrijk.

Beide schrijvers hebben dan ook een verschillende invloed uitgeoefend op de gebeurtenissen te Parijs tussen 1789 en 1795. In de eerste periode – tot 1792 – zijn het vooral de meer liberale ideeën geweest die de revolutie hebben gestimuleerd. Daarna, – na de val van de monarchie – zijn het de meer radicale ideeën geweest, onder invloed van de Jacobijnenclub en van Robespierre die wel eens het ‘vleesgeworden Contrat social’ is genoemd.

Zó spiegelt zich in deze zes revolutiejaren de eeuw van de Verlichting, die niet alleen de eeuw is geweest van de ‘rede’ – onder andere via Voltaire – maar ook de eeuw van het ‘gevoel’ – via Rousseau.

Goethe heeft dit als tijdgenoot reeds voorzien. ‘Met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’, heeft hij eens gezegd.

Na 200 jaar kunnen wij constateren dat met Voltaire de ‘burgerlijke’ revolutie is ingezet, gebaseerd op zuiver rationalistische grondslag, en dat met Rousseau de ‘proletarische revolutie’ is begonnen, sterk op de toekomst gericht onder invloed van een collectieve wilsimpuls en daardoor meer irrationeel.

Volonté générale

Ik citeer een beroemde passage uit het Contrat social: ‘Wil het geen loze vorm zijn dan houdt het maatschappelijk verdrag stilzwijgend die verplichting in die als enige de andere dwingend kan maken, dat alwie zal weigeren te gehoorzamen aan de algemene wil er door heel het staatslichaam toe gedwongen zal worden. Dit betekent niets anders dan dat men hem zal dwingen vrij te zijn. Want de voorwaarde die iedere burger vrijwaart van afhankelijkheid is: hem aan het vaderland te geven; een voorwaarde die het politieke raderwerk kunstig en vlot doet lopen en die als enige de burgerlijke verplichtingen legitimeert; zonder haar zouden zij absurd zijn, tiranniek en onderhevig aan de grootste misbruiken’.

Voor Rousseau was de liefde voor het vaderland niet alleen een deugd maar ook een waarborg dat ieder burger afstand doet van zijn eigen belang en geheel gehoorzaamt aan de ‘algemene wil’ – voltonté générale – van het volk, waartoe hij behoort. In een brief aan Bordes schrijft Rousseau wat hij onder deze gehoorzaamheid verstaat… ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid is landverraad en wordt met de dood gestraft. Aan de landsgrenzen wordt een galg opgericht om daaraan de eerste burger die deze grenzen zou proberen te overschrijden, te laten ophangen. Want de burger doet daarmee niet alleen zijn volk, maar zichzelf kwaad aan en het is beter dat hij wordt opgehangen dan dat hij slecht is voor zichzelf’.

De onderwerping van de individuele burger aan de ‘algemene wil’ van het volk is dus niets anders dan een vorm van zelfbescherming. Zelfbescherming van de enkeling tegen de enkeling. Want de mens is wél ‘van nature goed’, maar de cultuur heeft hem verdorven. Voor Rousseau betekent ‘cultuur’, leven in afhankelijkheid van anderen. Daarmee heeft de mens zijn eigen vrijheid, die hem in de natuurstaat nog gegeven was, verloren. Niet alleen de vrijheid maar ook de gelijkheid met de medemens. Want cultuur gaat gepaard met verlangen naar roem, naar onderscheid boven anderen, bovendien met arbeidsverdeling, waardoor mensen onderling van elkaar afhankelijk zijn geworden. Dat is voor Rousseau de zondeval die de mens zichzelf op de hals heeft gehaald. Om dit in te zien, hoeft men niet meer het bijbelverhaal te lezen over de engel Gabriël met het vlammende zwaard die Adam en Eva uit het paradijs heeft verdreven. Het paradijs van Rousseau is een eerste ontwikkelingsstadium, waarin de mens volmaakt gelukkig was, omdat hij alleen op zichzelf was aangewezen, leefde vanuit zijn nog dierlijk instinct en de ‘andere mens’ voor hem nog geen -lastpost was. Wat Sartre twee eeuwen later, in zijn ‘l’enfer, c’est l’autre’ tot uiting brengt, was voor Rousseau reeds een existentieel gegeven. Zijn hele leven lang heeft hij als eenzaam zwerver met anderen overhoop gelegen, ‘nooit echt geschikt om in het gezelschap van zijn medemensen te leven’. ‘Ik was wanhopig’ schreef hij, ‘over mijn onhandigheid in gezelschap’. Het meest gelukkig gevoelde hij zich in de periodes van zijn leven, waarin hij op een landgoed van de Franse aristocratie – madame de Warens, madame d’Epinay – een kluizenaarsbestaan kon lijden, ‘van het bos zijn werkkamer maken’ om in lange wandelingen toe te geven aan zijn voorliefde voor dagdromen.

Veel van zijn ideeën – en vooral die van de maatschappelijke verhoudingen – zijn uit deze dagdromen geboren. Het ‘terug naar de natuur’ – waarvan niet alleen zijn ‘Verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ maar ook zijn roman ‘La nouvelle Héloise’ is doortrokken – was ‘voor veel lezers een verlossing. Was het eigenlijk niet vanzelfsprekend, dat Rousseaus oeuvre, in marokkijnleder ingebonden, op de kaptafels lag van de dames, die gebonden aan sociale verplichting, vele uren moesten besteden aan de opmaak van hun toilet, om te kunnen verschijnen in de grote wereld van Parijs?

Tot in de tuinarchitectuur toe – weg met het snoeimes en de geometrische vormen, laat de natuur zijn vrije loop! – sprak de nostalgie en de weerzin tegen de vervreemding van de natuur die plotseling de mensen aangreep, en waaraan slechts enkele sterk kritische geesten zich konden onttrekken.

Een van hen was Voltaire, aan wie Rousseau zijn ‘verhandeling over de oorsprong der ongelijkheid’ had toegestuurd. Hij antwoordde met de volgende brief (30 augustus 1755):

‘Ik heb, mijnheer, uw laatste boek tegen de mensheid ontvangen en betuig er mijn dank voor. U zult bij de mensen in de smaak vallen, aan wie u hun waarheden debiteert, maar u zult hen niet verbeteren. Men kan nauwelijks nog feller kleuren gebruiken om de gruwelen te schilderen van de menselijke samenleving, waarvan onze eigen onwetendheid en zwakheid nog zoveel troost verwachten. Nog nooit heeft men zoveel schranderheid aangewend in een poging om ons dom te maken; als men uw boek leest, zou men op handen en voeten willen gaan lopen. Niettemin, daar ik deze gewoonte reeds zestig jaar geleden opgaf, voel ik mij ongelukkigerwijze buiten staat, haar weer aan te wenden, en laat deze natuurlijke houding over aan wie haar meer waard zijn dan u en ik’.

Voltaires scherpe blik heeft terstond de kardinale denkfout doorzien in het geestelijke fundament van Roussaus natuurstaat. ‘Nooit werd zoveel schranderheid besteed om ons allen dom te maken’. Dat wil zeggen: de historische visie, waarop Rousseau zijn gevoelsmystiek van de ideale natuurstaat baseert is een stuk rationalisme: het heeft een volledig verstandelijke en theoretische interpretatie van de historie nodig, om het gevoel tot zijn recht te doen komen.

Ontwikkeling als dialectisch proces

Toch kon Voltaire in 1755, toen hij deze brief schreef, niet voorzien welke ‘tour de force’ Rousseau in zijn denken zou ondergaan, toen hij in 1762 het Contrat social schreef.
Want daarin beschrijft hij, hoe, uit zelfbehoud tegen de bedreiging van de ‘ander’, de mens zijn toevlucht neemt tot absolute gehoorzaamheid aan de gemeenschap.
Ook dat is bij Rousseau een vorm van eigenbelang, van zelfbescherming.
Met deze constructie heeft Rousseau staatsmacht en individuele vrijheid willen verzoenen. Want in de ‘algemene wil’ van het volk, door het staatslichaam gelegitimeerd, herkent iedere burger zijn eigen wil. Door de algemene wil worden individuele vrijheden, worden burgerrechten, als oorzaak van willekeur, opgeheven.
De algemene wil is onfeilbaar, zij spreekt altijd ex cathedra. Wie meent dat zijn eigen opvattingen, zijn eigen persoonlijk recht, in strijd is met de algemene wil, oordeelt tegen beter weten in. Ook al zijn hem burgerrechten verleend, deze mogen nooit zódanig worden geïnterpreteerd, dat hierdoor particulierbelang in conflckt komt met collectief belang. Tegen déze afwijking moet iedere burger worden beschermd. Hij begaat een soort zelfvergrijp en moet worden geredresseerd. De mens wil het eigene maar behoort het algemene te willen, dat is zijn eigenlijke eigenlijkheid.

Rousseau beschrijft hiermee een evolutieproces, de loutering van ‘amour de soi’ – de liefde van de mens voor zichzelf in de natuurstaat – tot ‘amour propre’ – de volledige overgave aan de algemene wil van de collectiviteit. Het is een dialectisch proces, een ontwikkeling van leven in natuurlijke verhoudingen, via leven in een aan de natuur vijandige beschaving, tot een herwinnen van de verloren gegane natuurlijke verhoudingen, door volledige, overgave en gehoorzaamheid aan de algemene wil.

Dit laatste is net niet meer een aangelegenheid van nostalgie onder een elite van aristocraten die lijdt aan overbeschaving, maar wordt een aangelegenheid van de massa, die onder het tromgeroffel van de Marseillaise, dadelijk zal worden opgeroepen het vaderland te verdedigen. In de ‘deugd van de vaderlandsliefde’ hervindt de mens zijn vrijheid, die hij verloren heeft tijdens het ontwikkelingsstadium van de mensheid, waar hij vervreemd is geraakt van zichzelf, onder invloed van de beschaving.

Rousseau en de 20e eeuw

Na tweehonderd jaar, valt het ons niet gemakkelijk, deze uiterst abstracte voorstellingen van Rousseau op de voet te volgen. Niettemin is het schokkend, wanneer, na 61 jaar proletarische revolutie in Rusland, blijkt, dat deze voorstellingen ons toch wel vertrouwd zijn geworden. Speciaal wat de interpretatie van burgerrechten – of mensenrechten – betreft. Mensenrechten worden in de Sovjetunie volledig erkend, mits zij geen afbreuk doen aan de dicipline van de communistische partij…

Daarmee hoeft nog geen direct causaal verband te worden aangetoond tussen Rousseaus Contrat Social, zijn hierin beschreven volonté générale, en de communistische partijdoctrines. Tussen Rousseau en Lenin of Brezjnev ligt Karl Marx, wiens leer maar voor een klein deel beïnvloed is geweest door Jean-Jacques. Niettemin blijft de dialectische ‘tour de force’ van de Franse dweper boeiend tegen de achtergrond van het ‘dialectisch materialisme’, waarmee de huidige maatschappijstructuur in de Sovjetunie wordt gerechtvaardigd.

In de 20e eeuw blijkt dus wel, dat de invloed van Rousseau veel verder – zowel in positieve als in negatieve zin – is gegaan ‘dan die van Voltaire, die beperkt is gebleven tot de 18e en 19e eeuw.

Goethe’s woorden zijn dus wel waar gebleken: ‘met Voltaire eindigt een tijdperk en met Rousseau begint een nieuw’. Hoewel niet waarschijnlijk is dat Goethe heeft voorzien welke vlucht Rousseaus irrationalisme genomen heeft in 200 jaar mensheidsgeschiedenis.

Wie wél reeds in de 18e eeuw heeft voorzien in welke uitersten van demonie een revolutie kan vervallen – anarchie enerzijds, despotisme van de ‘Déesse Raison’ anderzijds – was Friedrich Schiller, wiens brieven ‘über die ästhetische Erziehung des Menschen’ als een antwoord kunnen worden beschouwd op de uitdaging van de Franse revolutie.

Schiller zegt daarin dat noch een toegeven aan de dwang van de instincten – Stofftrieb – noch een zich conformeren aan een ‘Ideeën-Einheit’ – Formtrieb – de mens vrijmaakt.

De weg tot zelfverwerkelijking – Spieltrieb – voert tussen beide extremen in. De tweevoudige vervreemding van zichzelf kan de mens opheffen door het innerlijke evenwicht te vinden waar hij de ‘natuur tot zijn vriend maakt en haar vrijheid eert, doordat hij haar willekeur weet te beteugelen’. Voor Schiller was het geenszins verbazingwekkend, toen de door de revolutie losgeslagen instincten van de ‘bon sauvage’ alleen nog maar door middel van een starre politieke heilsverwachting – beschermd door militair geweld – konden worden beteugeld. Zolang het vraagstuk van de menselijke vrijheid nog niet gesteld werd als een vraagstuk van opvoeding – niet door maar tot vrijheid – was dit verloop der gebeurtenissen niets anders dan een psychologische noodzaak.

De geschriften van Rousseau bleken in de afgelopen 200 jaar een literaire steengroeve te zijn. Iedere generatie heeft daar het materiaal uitgehaald voor een voetstuk voor eigen glorie. Omdat Rousseaus oeuvre, als geheel gezien, een vat van tegenstrijdigheden blijkt te zijn, kan iedereen bij hem terecht: rationalisten en irrationalisten, individualisten en collectivisten, sentimentalisten en moralisten, democraten en anti-democraten, anarchisten en voorstanders van dictatuur.

Maar niet alleen zijn werk, ook zijn leven zit vol tegenstrijdigheden. Het leven van de man die onder bescherming van de Franse adel zijn boeken schrijft, welke later een tijdbom blijken te zijn waarmee de Franse standenmaatschappij wordt opgeblazen. Het leven van de man die zegt dat boeken hem meer in verwarring hebben gebracht dan dat zij hem iets hebben geleerd, hetgeen hem er niet van weerhoudt zichzelf vol te zuigen met de denkbeelden van alle grote geesten van zijn eigen tijd en het verleden. Het leven van de man die verkondigt dat ‘wie de plichten van een vader niet kan vervullen, niet het recht heeft vader te worden’, en zelf zijn vijf kinderen een voor een in het vondelingentehuis laat opbergen.

De literatuur over dit, zowel psychologisch als maatschappelijke raadsels stellende wezen, is langzamerhand zó omvangrijk geworden, dat nauwelijks een mensenleven lang genoeg is om daarin dit alles te kunnen lezen. Dit heeft trouwens Rousseau gemeen met Napoleon en Karl Marx.

Ter gelegenheid van de tweehonderdjarige herdenking van Rousseaus dood, is in ons land een nieuw boek over hem toegevoegd aan de onafzienbare keten van de voorafgaande: ‘Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau’ van R.F. Beerling. *

Ik heb daaraan in dit artikel speciaal passages over het Contrat Social en de volonté générale ontleend. Wat betreft de invloed van Rousseau op de volksdemocratie in de communistische landen, stelt de schrijver zich heel voorzichtig op. Er wordt in het boek nauwelijks naar verwezen. Wél ziet Beerling Rousseaus invloed op de zogenaamde ‘tegencultuur (counter-cultures)’ die in de zestiger jaren van deze eeuw zulk een omvang heeft genomen bij het studentenprotest in Amerika en Frankrijk.

Rousseaus rijk gevoelsleven, zijn door dagdromen bevolkte wereld, waarvan zijn werken een weerspiegeling zijn, blijken voor velen nog steeds een oase te zijn in de woestijn van de huidige maatschappij. Naast de ‘hippies’ aan de Amerikaanse universiteiten, ‘bloemenkinderen’ die zich in hun communes afzonderden van de maatschappij uit onwil daaraan hun handen vuil te maken, zijn er de radicalen, die onder een ijzeren dicipline en absolute gehoorzaamheid aan de collectiviteit, niet terugschrikken voor terreur.

Zo waart nog steeds de geest van Rousseau, van deze 18e eeuwse ‘promeneur solitaire’ rond in de 20e eeuw: in en buiten Europa, van West naar Oost en van Oost naar West.

Alleen reeds daarom kan een herdenking gerechtvaardigd zijn.

*R.F. Beerling. Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau. Studies over het thema pathos en nostalgie. Van Loghem Slaterus, Deventer.

.

Geschiedenis klas 9

.

1858

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Geschiedenis klas 9 – Voltaire

.
N.a.v. Voltaires sterfdag – op 30 mei 1978 2oo jaar geleden,  schreef Arnold Henny een artikel over hem. Zijn gezichtspunten kunnen worden gebruikt wanneer Voltaire in de geschiedenislessen van klas 9 behandeld wordt.

Arnold Henny, Jonas 2. 22-09-1978
.

Voltaire en de volkerenpsychologie
.

Dit jaar – 30 mei – was het 200 jaar geleden dat Voltaire is overleden. Voor zover mij bekend, is dit hier te lande nauwelijks een aanleiding geweest voor een herdenking. Zijn reusachtig oeuvre – 70 delen – rust, perfect gecatalogiseerd, in de bibliotheken van Europa, gelijk de as van een genie in het columbarium van een crematorium. Zijn toneelstukken worden niet meer gespeeld. Hoogstens behoort men zijn romans, zijn historische en filosofische verhandelingen, te kennen op een examen zonder deze te hebben gelezen.

In de 19e eeuw was dit wel anders. Als vrijdenker of als goed liberaal, kon men nog gniffelen over de talloze ‘bon mots’ en anecdotes, die over Voltaire in omloop zijn. ‘Toch is voor de mens van de 20e eeuw’ – ik citeer W.F. Veltman in een Vrije Opvoedkunstartikel van januari 1951 – de verhouding tot de figuur van Voltaire niet wezenlijk anders dan voor onze over-over-grootouders. Er is alleen dit verschil: het voorgeslacht las Voltaire, wij leven Voltaire.

Daarmee is tevens het levensconflict aangeduid, dat begon in de tijd der Verlichting. Dat conflict ontstaat, wanneer, vanuit Engeland, het natuurwetenschappelijk denken in Frankrijk zijn intrede doet, daar vele zekerheden van een eeuwenoude Latijnse cultuur en kerkelijk geloof ondermijnt, de sociale verhoudingen chaotiseert, hetgeen, tenslotte, geleid heeft tot de uitbarsting van de revolutie in 1789.
Destijds was dit conflict nog slechts een aangelegenheid van een beperkte kring van verlichte burgers. Als zodanig had het nog een ‘elitair’ karakter. In de 20e eeuw is het een aangelegenheid geworden van de grote volksmassa, althans in Europa.

In het leven van Voltaire zelf vormt dit conflict, om zo te zeggen, een hoofdthema. Anno 1726 zette dit hoofdthema van zijn leven in.

Ik citeer een passage uit de inaugurele rede, die Prof. Tenhaeff in 1939 te Amsterdam heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarsambt: ‘Erasmus en Voltaire als exponenten van hun tijd’.

‘Voltaire stapt zó van de Bastille in de logeerkamer van lord Bolinbroke. Dat zijn nu eenmaal de voordelen van een turbulent leven: soms in rust van de gijzeling, soms jaren van ballingschap, inkeer en nieuwe ervaringen. Deze ervaring in een land, waarboven oceaanwind altijd waait, telt dubbel’.

Een onbeduidende ruzie met een edelman, was de aanleiding geweest, dat Voltaire in de Bastille werd opgesloten. Hij was door deze beledigd en daagde hem uit tot een tweegevecht. Wat een onbeschaamdheid! Om als burger, iemand van de gepriviligeerde klasse, tot een duel uit te dagen. Zo iemand kon het beste met een ‘Lettre de cachet’ – men kon die kopen – in het gevang verdwijnen. Daarmee konden lastige burgers onschadelijk worden gemaakt…

Waarschijnlijk heeft de chevalier de Rohan later nooit beseft, wat, een weldaad hij daarmee Voltaire heeft bewezen, en welke verstrekkende gevolgen dit voor de Franse geschiedenis heeft gehad. De verbanning van Voltaire, na zijn verblijf in de gevangenis, naar Engeland, betekent voor hem het begin van een nieuwe levensfase. Een leerschool van filosofisch en staatsrechtelijk denken. Daar in Engeland wordt niemand zonder vorm van proces van zijn vrijheid beroofd. Ook heeft de koning daar al lang niet meer absolute macht. Hij is gebonden aan een constitutie, waarin de spelregels zijn vervat in competentie tussen wetgeving en uitvoerende macht, en waarin een aantal grondrechten zijn vastgelegd. Ook is daar de Heilige Moederkerk reeds lang niet meer een machtsinstrument, zoals in Frankrijk nog het geval was.

Kort nadat Voltaire uit Engeland is teruggekeerd, verschijnen – 1734 -clandestien in Frankrijk de ‘Lettres filosophiques sur les Anglais’. Het boek werkt in Frankrijk als een tijdbom. Het is geladen met geestelijk dynamiet, van de zelfde kracht, als waarmee 55 jaar later de Bastille te Parijs met de grond gelijk zal worden gemaakt.

‘Wanneer er in Engeland’ – zo schrijft Voltaire – ‘slechts één religie zou bestaan, dan was het despotisme gevaarlijk; wanneer er twee religies zouden bestaan, dan zouden ze elkaar de keel afsnijden, maar er zijn er dertig… en zij leven allen in vrede en geluk ’.
Bovendien, niet alleen de predikanten zijn er vrij hun mening te verkondigen, ook de geleerden. Engeland is het land van Newton, Pope, Addison, John Locke: ‘Les plus grands philosophes et les meilleurs plumes de leur temps’.
Dank zij de natuurwetenschap beseffen al deze geleerde heren dat niemand van hen nog langer kan beweren dat hij de enige waarheid in pacht heeft. Want met de natuurwetenschap is ook de betrekkelijkheid van waarheden aan het licht gebracht. Dat is de invloed van de ‘Copernicaanse revolutie’ op het wereldbeeld van de Kerk. De aarde is niet langer meer het middelpunt, waaromheen de wereld draait; hoogstens een stofje in de onmetelijke ruimte van het heelal.
En wat voor de ‘kosmos’ geldt, die nu door de astronomen met hun kijkers wordt onderzocht, geldt ook voor het geloof. Sinds door de ontdekkingstochten zoveel vreemde volkeren in de gezichtskring van de beschaafde mens in Europa zijn gekomen, is ook duidelijk geworden dat ieder volk zich een God naar zijn beeld heeft geschapen.
‘Voor men gaat dogmatiseren over de ‘natuur van God’, moet men – zo schrijft Voltaire – eens nadenken over de volgende gebeurtenis: ‘Op zekere dag hoorde ik een mol redetwisten met een meikever voor een huisje dat ik juist achterin mijn tuin had gebouwd. ‘Kijk eens wat een schoon bouwsel’ verklaarde de mol, het moet wel een zeer machtige mol zijn geweest die dit werk tot stand heeft gebracht’. ‘Gij steekt er de draak mee’ antwoordde de meikever. ‘Het is een uiterst geniale meikever geweest die dit gebouwd heeft’. ‘Sindsdien – aldus Voltaire – heb ik het besluit genomen nooit meer te disputeren’.

Madame du Chatelet

Een tijd lang kan men met zo’n agnostische wereldbeschouwing heel aangenaam leven, vooral wanneer blijkt dat er in Frankrijk adellijke dames zijn, die wat blasé geworden van het wereldse leven aan het hof te Versailles, er de voorkeur aan geven zich terug te trekken op hun landgoed om zich daar in alle rust te kunnen wijden aan de studie van de natuurkunde.
Dat opent voor Voltaire een nieuw levensperspectief. Vanaf 1734 leeft hij samen met Madame du Chatelet op haar kasteel te Cirey-sur-Blaise. In dezelfde tijd heeft ook Rousseau een minnares gevonden in Madame de Warens en beleeft op haar landgoed in de bergen van Savoye drie verrukkelijke zomers van studie van natuur en cultuur.
Gevaarlijke verhoudingen? ‘Liaisons dangereuses’? Emilie de Breteuil was reeds op haar 19e jaar door haar familie gedwongen te trouwen met de markies du Chatelet. Al gauw bleek dat deze officier en landedelman meer aandacht had voor de jacht op hazen en patrijzen, dan, zoals zijn vrouw, voor de nieuwe denkbeelden van Engelse natuurfilosofen. Voltaire komt haar daarin tegemoet. Dagen en nachten worden gezamenlijk doorgebracht met studie en natuurkundige proeven: natuurwetenschap die in Engeland reeds bijna een jaar lang in de belangstelling stond. Al gauw merkt hij een grote lacune in haar ontwikkeling: gebrek aan historische belangstelling. Maar daar is wel een oplossing voor te vinden. Sprak het eigenlijk niet vanzelf dat een jonge vrouw zich niet interesseert voor wat als ‘fable convenue’ in die tijd doorging voor geschiedeniswetenschap: een samenraapsel van vrome slaapverwekkende vertelsels en leugens die in strijd waren met elk oordeel vanuit het gezonde verstand? Wie kon nog belangstelling hebben voor de verhalen over heiligen en wonderbaarlijke bekeringen van Franse koningen – van Chilperik tot Clovis – zoals die werden beschreven in Bossuet’s ‘Discours sur l’Histoire Universelle’? Een werk, dat begint bij de schepping van de wereld en eindigt met Karei de Grote. Een wat bijgewerkte editie van Augustinus’ heilsgeschiedenis, maar nu pasklaar gemaakt ter rechtvaardiging van het absolute gezag van de ‘Allerchristelijkste majesteiten’ van Frankrijk.

Arme Emilie. Wat moest zij beginnen met een geschiedenis van de mensheid, waarin Egyptenaren en Babyloniërs werden voorgesteld als onbeschaafde heidenen, slavenvolkeren, bijgelovig en dom, wier bestaansrecht in het wereldplan Gods, slechts hierop berustte, dat tegen hén, eens het door God uitverkoren volk der Joden zich had kunnen afzetten. Jawel, Histoire Universelle, wereldgeschiedenis, maar dan wel van een heel klein wereldje, dat veilig beschermd werd door het gezag van Staat en Moederkerk, die sinds de bekering van Constantijn de Grote te Rome, voortaan onafscheidelijk aan elkaar verbonden waren. Alsof, sinds Karel de Grote, er geen ontdekkingstochten waren geweest, die deze ‘christelijke’ wereld hadden opengebroken. Alsof sindsdien geen beschavingen zichtbaar waren geworden als die van de Grieken en Romeinen, en zeker als die van de Joden.

In Cirey begint Voltaire aan zijn opvoedkundige taak. Hij zal Madame du Chatelet laten zien, dat ook op een klein landgoed de ‘grote wereld’, die zij in Versailles ontvlucht was, kan voortleven. Daarvoor hoeft men geen sociale verplichtingen aan het hof te vervullen. Door de wereldgeschiedenis kan men zijn horizon steeds meer verwijden. Niet door een ‘fable convenue’ waarin beoordeeld wordt, welke volkeren wél en welke niet zijn opgenomen in het Heilsplan van Onze Lieve Heer. Wél door wereldgeschiedenis, waarin de beschaving, de zeden en de gewoonten van alle volkeren van de wereld worden beschreven en waarin zij worden getypeerd, ieder naar eigen karakter, dat hun door de natuur is gegeven.

Daarin ziet Voltaire zijn pedagogische opgave; allereerst bij zijn aristocratische vriendin; door geschiedschrijving interesse op te wekken voor de wereld. Daarnaast ook bij anderen, voor zover zij niet voorzien zijn van theologische oogkleppen, die hun oordeelsvermogen hebben afgestompt.

Zo is op Cirey de eerste cultuurgeschiedenis van de mensheid geschreven. ‘Essai sur les Moeurs et l’Esprit des Nations’. Voltaire zal er zijn hele leven lang aan blijven werken en wanneer het werk is voltooid, zou men kunnen spreken van een ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedschrijving, meer dan 150 jaar vóór Toynbee’s ‘A Study of History’.

De spiegel van het ‘andere volk’

Revolutionair was zeker de aandacht die Voltaire besteedde aan de Chinese beschaving. Sinds de Franse Jezuïten in China als missionaris hadden gewerkt, was men van de ene verbazing in de andere gevallen. Nog lang vóór de slag bij Salamis, vóór de stichting van Rome en de geboorte van Christus, bestond in het Verre Oosten een duizendjarige beschaving: ‘de Chinezen hadden sinds onheugelijke tijden de zelfde godsdienst, de zelfde moraal nu, terwijl de Gothen, de Herulen, de Vandalen, de Franken er slechts een moraal van rovers op nahielden, die er op neerkomt, het recht van verovering te wettigen ’.
‘Andere volken hebben hun geschiedenis afgeleid van allegorische fabels. De Chinezen schreven hun historie met de pen en het astrolabium in de hand, met een eenvoud waarvan men in heel Azië geen enkel voorbeeld vindt’.
Hun godsdienst kenmerkt zich door afwezigheid van fanatisme. De stichter hiervan, Confucius, was geen profeet, ook niet iemand die zich liet beïnvloeden door bovenzinnelijke inspiraties. Hij was een wijs magistraat, die wetten en leefregels uitvaardigde. Hij leerde slechts wat deugdzaam is. Zijn uitspraken bevatten geen enkel mysterie’.
Behalve China komen nu ook het ( oude India en de wereld van de Islam binnen de gezichtskring. Alle bestaande vooroordelèn over Arabieren en Turken worden zorgvuldig weggewassen. Verder staan Egypte, Perzië, Babylonië in de aandacht en ook – in het Westen – volkeren in Zuid- Amerika. Met deze nieuwe oriëntatie in de wereld wordt de plaats van Europa daarin anders. Sinds de 16e en 17e eeuw waren deze oosterse en westerse volken niet veel meer geweest dan object van exploitatie. Zij waren alleen, van economisch belang voor de Europese kolonisatoren: Spanje, de Nederlanden, Frankrijk en Engeland. Nu werden zij binnengehaald in de gezichtskring van de beschavingsgeschiedenis. Europa is daarin niet langer meer een middelpunt. Deze ‘Copernicaanse revolutie’ in de geschiedsschrijving gaat gepaard met relativisme. Het éigen ‘ volk, als nationaliteit, is niet meer zó
toonaangevend. Het spiegelt zich in het oordeel van andere volken. Ook dat is een gevolg van de natuurwetenschappelijke benadering van de geschiedeniswetenschap: hoe oordeelt men in China, in Perzië, in de Arabische landen over Frankrijk? Hoe zien die verre volkeren ons?

Deze vraag was reeds gesteld in 1721 door de Montesquieu in zijn ‘Lettres Persanes’, waarin hij twee Perzen die Frankrijk bezochten brieven liet schrijven aan hun vrienden in Perzië. Wat een zonderlinge wereld, daar in Frankrijk.
‘De koning is een groot tovenaar. Hij zwaait zijn scepter zélfs over de geest van zijn onderdanen. Hij laat hen denken zoals hij wil. Als hij slechts één miljoen daalders in zijn schatkist heeft en er twee hebben moet, behoeft hij hun slechts wijs te maken dat één daalder de waarde heeft van twee, en zij geloven het… Een vorm van kritiek die dodelijk is. Voltaire past haar toe, wanneer hij, schrijvend over ‘de zeden en de geest der volkeren’ zijn Arabische koffie drinkt uit een Chinees porseleinen kop. Want tot in de genotmiddelen toe wordt in de 18e eeuw de burger er zich van bewust dat hij niet langer alleen maar deel uitmaakt van zijn eigen volk maar ook van de gehele mensheid.

Tegenspraak tussen filosofie en leven

Zoals gezegd, dit nieuwe bewustzijn stond sterk onder invloed van het natuurwetenschappelijke relativisme, waarmee Voltaire in Engeland in aanraking was gekomen.
In zijn eigen leven roept het de ene crisis na andere op. Want men kan als Fransman gemakkelijk schrijven over deelgenootschap aan de beschaving van de gehele mensheid, maar dat betekende niet dat men daarmee ook reeds kon leven. Er ontstaat een tegenspraak tussen filosofie en de wijze van leven. Dat is dan nog slechts bij enkele mensen het geval. Ook Rousseau – wiens 200 jarige sterfdag (3 juli 1778) wij dit jaar eveneens kunnen herdenken – was één van hen. Pas in de 20e eeuw wordt dit een vraagstuk van ons allen.

Voor Voltaire bleef Frankrijk het vaderland – La Patrie – wiens cultuur toonaangevend was voor Europa. Een levenshouding die men in onze tijd nog kon aantreffen bij generaal De Gaulle. Cuituur, als erfenis van Latijnse beschaving en gehuld in het gewaad van christelijke allegorie. Wie Voltaires nationale epos over Koning Hendrik IV leest met zijn barokke pracht van beeldspraak, kan navoelen welk een kloof er lag tussen de nieuwe, uit Engeland afkomstige, exact geschoolde wijze van denken en de Grandeur’ van continentaal-Latijnse rhetoriek, die de leerlingen van het Collége Louis-Re-Grand te Parijs door de Jezuïetenpaters was bijgebracht. Voltaire was een van hen. Zijn hele leven lang heeft hij onder deze kloof geleden. Zij heeft niet alleen zijn nerveuze onrust beïnvloed, zijn drang om te schitteren en de wereld om hem heen te verbluffen, zij heeft ook zijn scepsis beheerst, die zóver ging, dat hij niet durfde op te komen voor de consequenties van zijn eigen ideeën. Hoe dikwijls heeft hij verloochend, wat hij zelf geschreven heeft. Wanneer men hem vraagt, of hij de auteur is van de ‘Lettres philosophiques sur les Anglais’, zegt hij, dat hij daarvan nooit gehoord heeft. En van een van zijn meest speelse maar ook meest hekelende romans, ‘Candide ou sur l’optimisme’, zegt hij: ‘Ik heb nu eindelijk Candide gelezen, men moet wel krankzinnig zijn om dergelijke vuiligheid mij aan te rekenen’.

Zoals Rousseau een boek schrijft over de ideale opvoeding – ‘Emile’ – en zijn eigen kinderen in het weeshuis laat belanden, zo heeft Voltaire dikwijls zijn geschriften als natuurlijke kinderen beschouwd, voor wiens vaderschap hij niet durft uit te komen.

‘II n’eut pas assez de confiance en la verité’, zegt Gustave Lanson, Voltaires biograaf. En Tenhaeff voegt hieraan toe in de zoëven vermelde inaugurele rede: ‘voor een propagandist moge dat niet erg zijn, voor een bouwer in het rijk des geestes blijft dat een tamelijk ernstige tekortkoming’.

Volkerenpsychologie

Wanneer het na 200 jaar lijkt dat verreweg het grootste deel van Voltaires werk slechts geschreven schijnt voor de bibliotheken van Europa om daarin, als in een mausoleum, te worden begraven ter wille van het voortbestaan van zijn literaire roem, dan is het nu van belang zijn ‘Essai sur les moeurs’ te voorschijn te halen. Enerzijds is het een typische uiting van Voltaire’s agnosticisme. ‘In Voltaires ‘Essai’ heeft God zich teruggetrokken uit de geschiedenis; en indien hij nog heerst, grijpt hij toch niet meer leidinggevend in de historie in’ zegt Karl Löwith in zijn ‘Weltgeschichte und Heilsgeschehen’. Zin en doel van de geschiedenis lagen voor Voltaire hierin: met behulp van de rede de menselijke verhoudingen te verbeteren; de mens minder onwetend, beter en gelukkiger te maken’.

In de 20e eeuw – na twee wereldoorlogen en economische crisis – weten wij wel beter. Niettemin heeft Voltaires ‘Essai’ een belangrijke stoot gegeven aan het zich verplaatsen in het karakter van het ‘andere volk’, als tegenwicht tegen de hoogmoed van nationale superieuriteit.

De ideeën uit de ‘Essai’ zijn dan ook niet steriel gebleken. In 1784 – zes jaar na Voltaires dood – verschijnt in Duitsland Herders ‘Ideeën zur Philosophie der Geschichte’ met zijn tableau van alle volkeren der aarde in Oost en West. Kort na de dood van Voltaire in 1778 verschijnt Lessings geschrift, ‘Die Erziehung des Menschengeschlechts’, waarin voor het eerst de idee van de reïncarnatie optreedt als ontwikkelingselement in de mensheidsgeschiedenis. Later, in de 19e eeuw, wordt het thema van de volkerenpsychologie weer opgenomen door Moritz Lazarus, Steinthal en Wilhelm Wundt, nu meer benaderd vanuit de taalkundige hoek.

Maar in de 20e eeuw, na Wereldoorlog I en II, ontwaakt in Europa weer de belangstelling, onder andere door het werk van de Spanjaard Salvador de Madariaga (Anglais, FranÇais, Espagnols) en de Fransman André Siegfried (L’ame des peuples). Daarvóór was in Duitsland echter al door Rudolf Steiner een grondslag gelegd voor een niet agnostische maar sterk spirituele studie van de volkerenpsychologie, aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de mensheid. Zijn gezichtspunten werden, meer in concreto, uitgewerkt onder andere door Hans Erhard Lauer (Die Volksseelen Europas) en Herbert Hahn (Vom Genius Europas).

In ons land heeft Dr. Zeylmans van Emmichoven het als een van zijn levenstaken beschouwd, de volkerenpsychologie gestalte te geven in overeenstemming met de geest van onze tijd. Na Wereldoorlog II (1946) werd door hem het Instituut voor Volkerenpsychologie opgericht, dat een tijd lang als forum heeft gefunctioneerd, waar psychologen, historici, ondernemers, juristen en sociologen gedachten op dit gebied met elkaar konden uitwisselen. Ook het werk van Max Stibbe was een belangrijke bijdrage, onder andere zijn boek ‘Zwanenridder en Vliegende Hollander’. Daarmee werd gepoogd het begrip voor ‘het andere volk’ en voor het ‘eigen volk’ te ontwikkelen vanuit het ontdekken van een grote samenhang tussen de levensfasen van de mens en die van de mensheid.

Zo kon, naast de ontwikkeling van het internationaal recht, in een tijd van toenemende nationale tegenstellingen, een grondslag worden gelegd voor een nieuwe visie op de ontwikkeling van de mensheid, de mensheid als ‘eenheid in verscheidenheid’.

.
Voltaire

Geschiedenis klas 9

 

1848

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje (2)

.

Arnold Henny, Jonas 22, 24-06-1983

.

Willem van Oranje 1533-1584
.

Er is al dikwijls op gewezen dat de levensloop van Willem van Oranje zich in twee verschillende fasen voltrekt. De eerste helft – 1533-1559 – is een periode van voorspoed, waarin hij door het lot in stijgende mate wordt begunstigd met rijkdom en aanzien in de wereld.
Daarna – vanaf 1559 -komen de tegenslagen. Niet alleen in zijn werk naar buiten, ook in zijn privéleven. Ten slotte komt hij door een aanslag – 1584 – om het leven.

1559: Oranje beschrijft zelf in zijn ‘Apologie’ welk een beslissend moment zich in het midden van zijn leven heeft voorgedaan: het moment waarop hij tijdens de vredesonderhandelingen van Cateau-Cambrésis tussen Spanje en Frankrijk, door de Franse koning Hendrik II in vertrouwen wordt genomen en hoort dat in een geheime clausule van het verdrag sprake is van het voornemen in Europa de ketterij uit te roeien. Oranje neemt dan het besluit zich daartegen te verzetten. Kort daarvoor was hij door Filips II nog naar Frankfort afgevaardigd om hem te vertegenwoordigen bij de kroning van zijn oom Ferdinand tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij kwam daar in aanraking met de belangrijkste protestantse Duitse vorsten. Hij hoort tijdens de feestelijkheden dat zijn vrouw, Anna van Buren, zwaar ziek ligt in Breda. Hij haast zich daarheen te gaan, en vindt haar stervende: de eerste grote tegenslag in zijn privéleven, waarop er nog vele zullen volgen: de gijzeling van zijn zoon Filips Willem, het wangedrag van zijn tweede vrouw, Anna van Saksen, de dood van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon.

Zo is dit midden te bezien als een scharnier in zijn levensloop: uiterlijke glans vanuit de buitenwereld slaat om in innerlijke geesteskracht. Deze zal zich steeds meer gaan verdiepen: eerst tijdens het ‘voorspel van de opstand’ – 1559-1568 -daarna tijdens de oorlog; 1568-1584. Het is de kracht die wordt uitgedrukt in zijn, later door hem gekozen levensspreuk: saevis tranquillus in undis (kalm temidden van de ruwe golven). Voor Oranje betekende het – naar binnen toe – de krachten van het ik in een zich steeds vernieuwend godsvertrouwen. Naar buiten toe: staatsmansinzicht voor het scheppen van een nieuwe republikeinse staatsvorm, gebaseerd op gewetensvrijheid, in een tijd waarin Europa werd verscheurd door godsdienstoorlogen. Ook de aan hem toegeschreven woorden ‘Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour perséverer’ (Men heeft geen grote verwachtingen nodig om iets te ondernemen, evenmin behoeft men succes om vol te houden) zijn tekenend voor deze levenshouding.

Eerste levenshelft

Bij de geboorte in 1533 liet de vader, Willem van Nassau, de kerkhervormer Melanchton naar Dillenburg komen om de horoscoop van zijn zoon te trekken. Deze luidde dat de jonge Willem grote macht en rijkdom zou verwerven. Midden in zijn leven zou hij tegenslagen ondervinden. Een gewelddadige dood zou dit leven beëindigen.

Dat klonk allemaal nog al ongeloofwaardig, althans de voorspelling van het verkrijgen van macht en rijkdom. Men had het daar in Dillenburg niet breed. Graaf Willem had uit zijn vorig huwelijk twee kinderen meegebracht en zijn tweede vrouw, zijn nicht Juliana van Stolberg, bracht uit haar eerste huwelijk vier kinderen mee. Later zou de familie met nog elf kinderen worden verrijkt. In totaal achttien kinderen. Een jaar na de geboorte van zijn zoon gaat Willem van Nassau over tot de Lutherse kerk. Daarbij heeft zeker niet – zoals bij zoveel tijdgenoten – het motief gegolden, zich te kunnen verrijken met kloostergoederen. Enkele jaren daarvóór had hij het aanbod afgeslagen te worden opgenomen in de orde van het Gulden Vlies. Soberheid en eenvoud kenmerken de omgeving waarin Willem van Oranje is opgevoed.

Dat wordt anders wanneer in 1544 deze beslotenheid van het leven in Dillenburg wordt opengebroken. In dat jaar sneuvelt bij St. Dezier zijn neef René van Chalon, erfgenaam van de prinsen van Oranje, die zetelend in hun burcht Les Baux in de Provence, hun geslacht terugvoerde tot Balthazar, een van de drie koningen uit het Mattheusevangelie … Uit het testament van René van Chalon bleek dat alle bezittingen overgingen op de oudste zoon van zijn oom Willem van Nassau. Even ontstonden hierdoor in Brussel aan het hof van Karei V moeilijkheden. Zijn raadsman, Van Schoore, beriep zich op een rechtsregel: de zoon van een ketter mag niet erven. De keizer beriep zich daarentegen op een andere rechtsregel: de onaantastbaarheid van de laatste wil van een krijgsman; ook al is deze met bloed op het schild geschreven of met de punt van de laars in het zand van het slagveld getekend, zijn wil is heilig. ‘Maar,’… voegde de keizer hieraan toe, ‘wij weten hier aan het hof wel hoe een knaap van elf jaar goed katholiek kan worden opgevoed.’

Zo verhuisde Willem van een stille hoek van Europa naar het centrum, Brussel. Niet zonder rede heeft Juliana van Stolberg zich over deze verhuizing bezorgd gemaakt. De nieuwe katholieke omgeving was niet alleen vol valkuilen voor het geloof, ook aan tal van wereldse verleidingen werd een jonge man daar blootgesteld. Vergelijk maar eens de boeken die in Dillenburg werden gelezen met die, welke in de Brusselse paleizen in de boekerij stonden: naast Ovidius en Petrarca, lichtzinnige ridderromans zoals ‘Miroir des dames’ of de ‘Amadis de Gaul’ en de onafscheidelijke leidraad voor het hofleven van Castiglione. Alles overgewaaid uit de vroege barok van Italië.

Oranje groeide nu op in de onmiddellijke omgeving van de keizer. Als page en kamerheer van Zijne Majesteit viel hem de eer te beurt ’s ochtends bij het ontwaken van de monarch zijn hemd aan te reiken. Later werden hem belangrijker functies toe vertrouwd; zo was hij reeds op achttienjarige leeftijd legercommandant in de rang van kapitein-generaal. Daarbij behoorde het ophouden van een omvangrijke status. De middelen hiervoor vloeiden hem toe uit de bezittingen zijner erfenis. Bovendien werden deze aangevuld door hetgeen zijn vrouw, Anna van Buren, met wie hij op achttienjarige leeftijd trouwde, meebracht. Naast het prinsdom Orange in de Provence, beschikte hij over een vierde deel van Brabant, landerijen in Luxemburg en Vlaanderen, Franche Comté en kon aanspraak maken op het koninkrijk Arles, het hertogdom Gravina, twee markgraafschappen, vijftig baronieën en nog driehonderd kleine staatjes.

Men schat het inkomen van Oranje op 170.000 ponden per jaar. Daardoor behoorde hij tot de rijkste edellieden van Europa. Wat hij, hiertegenover, krachtens zijn functie van kapitein-generaal verdiende was nauwelijks genoeg om het voetvolk dat zijn tenten opzette te salariëren.

In 1555 doet Karei V als koning van Spanje en Heer der Nederlanden afstand van de regering. Het keizerschap over het Duitse rijk werd aan zijn broer Ferdinand overgedragen. Het tafereel is overbekend: de vorst, 55 jaar oud, in het zwart, strompelend met een stok, en leunend op de schouder van de prins van Oranje. Daarachter zijn zoon Filips, begeleid door Maria van Hongarije, de landvoogdes. Een veertigjarige regeerperiode (1515-1555) wordt hiermee afgesloten. Wat heeft zich daarin niet allemaal afgespeeld.
1517, Het jaar waarop Luther aan de slotkerk te Wittenburg zijn 95 stellingen aanplakt. 1521, De Rijksdag te Worms. Tegenover de macht van Habsburg, een rijk ‘waar de zon niet onderging’, het ‘hier sta ik, ik kan niet anders’ van Maarten Luther. Drie letters van het Duitse ICH tegenover vijf let
ters van het AEIOU, Austria Est Imperare Orbem Universam, Alles Erdreich Ist Oesterreich Untertan.

Het Habsburgse Rijk, gebaseerd, enerzijds op het saamhorigheidsverband van bloedsbanden, anderzijds op het saamhorigheidsverband van het geloof. Bloedsbanden, dank zij de Habsburgse huwelijkspolitiek waardoor het Rijk door ‘wiegen en doodkisten’ zich had kunnen uitbreiden. Het geloof, dank zij het gezag van de katholieke kerk, bestuurd vanuit Rome. Daartegen richt zich het verzet van de Reformatie en het opkomende nationalisme. In 1513 schrijft Machiavelli als balling op zijn buitenverblijf bij Florence het boek II Principe. Daarin ligt reeds het geestelijk dynamiet dat de eenheid van Europa zal ondermijnen, wanneer vorsten zich zullen onttrekken aan het bindend gezag van de moederkerk. In Frankrijk gebeurt dit in het belang van een onafhankelijke rechtsorde. In het Duitse Rijk doordat de vorsten de Reformatie gebruiken als een wig in de eenheid van Rome en Habsburg. Zo komt Midden Europa te liggen op een breukvlak tussen Noord en Zuid en op een breukvlak tussen West en Oost, wanneer de Franse koningen als ‘allerchristelijkste Majesteit’, zich niet ontzien een verdrag te sluiten met de Sultan van Turkije, waardoor het Habsburgse Rijk in de tang geraakt van twee vijandige machten.

Veertig jaar Europese geschiedenis… tijd van moeizaam weerstand bieden tegen de afbrokkeling van de Europese eenheid. Wat de keizer als afscheidsrede voorleest, is een triest en ietwat beschamend relaas van feiten. Na het einde van het verhaal, lijkt het of de afgevaardigden van de Staten Generaal nog iets anders verwachten van de keizer dan deze afrekening met het verleden. De keizer lijkt even te aarzelen. Dan klinkt uit zijn mond een verontschuldiging: ‘Messieurs… je regrette, messieurs, j’en demande pardon…’. Een Engelse ooggetuige tekent hierbij aan: daarna brak hij in tranen uit, waarbij hij, denk ik, te eerder bewogen werd, doordat allen eveneens weenden.

Nu moet Filips zijn regeringsverklaring voorlezen; nadat hij geknield heeft voor zijn vader, stamelt hij dat hij het Frans zo moeilijk vindt en hij geeft het perkament met zijn aanvaardingsrede aan de bisschop van Atrecht, de latere kardinaal Granvelle. Deze leest de regeringsverklaring voor. Het scenario werpt reeds zijn schaduw vooruit op de komende jaren. Oranje, tussén Granvelle en Filips, tussen kerk en staat, aaneengesloten tegenover hem. Het wordt zijn
levensopgave, déze aaneengeslotenheid te verbreken. Dat betekende: tegenover de oude staatkundige orde, gebaseerd op de uiterlijke zekerheid van kerk en staat, een nieuwe staatkundige orde te vestigen, gebaseerd op de innerlijke zekerheid van gewetenskracht.

Maar eerst moet de oorlog met Frankrijk tot een goed einde worden gebracht. In de veldslagen bij St. Quentin en Grevelingen worden, vooral dank zij Egmont, grote overwinningen op Frankrijk behaald. Dat leidt tot de vrede van Cateau Cambrésis in 1559, waardoor de kaart van Europa nogal wordt gewijzigd. Een jaar tevoren is in Engeland door de dood van Mary Tudor, koningin Elisabeth op de troon gekomen, waardoor Filips zijn aanspraak op de Engelse troon voorlopig moet laten varen. In plaats daarvan wordt, tijdens de vredesonderhandelingen, het huwelijk voorbereid tussen Filips en Elisabeth van Valois, dochter van de Franse koning, waardoor Frankrijk in de invloedssfeer van Habsburg komt te liggen. Voor Willem van Oranje betekent de vrede van Cateau-Cambrésis een nieuwe levensinzet. Wij zagen reeds hoe hij als intimus van Karel V werd ingelicht betreffende een geheime overeenkomst om met behulp van Alva de ketterij in Europa uit te roeien. Dit gebeurde tijdens een jachtrit in de bossen van Vincennes. ‘Wij willen gheerne bekennen’ – aldus Oranje in zijn later geschreven Apologie – ‘dat wij doe ter tijdt uut der maten seere sijn beweeght worden tot compassie ende medelijden over so veel luyden van eeren, die tot der dood geschickt ende overgegeven waren, metgaders in ’t ghemeyne over alle deze landen den welcken wij ons hielden so grootelick verbonden te wezen’.

1559-1568

Het is duidelijk dat vanaf dit ogenblik het konflict tussen Oranje en Filips vaste vorm krijgt. Dat treedt aan het licht wanneer kort daarop Filips de Nederlanden verlaat waarbij Oranje hem uitgeleide doet. Wéér zo’n overbekend tafereel: Filips beklaagt zich over de halsstarrige houding van de Nederlanders. Oranje beroept zich op de Staten. Filips bijt hem toe: ‘Niet de Staten, maar gij, gij, gij…’. Filips zal niet meer terugkeren, trekt zich terug in Spanje. Van daaruit zal hij zich bezig houden met het bouwwerk Europa: in het westen, via huwelijkspolitiek, Engeland en Frankrijk terugbrengen tot de katholiciteit. In Oost-Europa een katholieke koning, Sigismund, met hulp van de jezuïetenorde op de troon in Polen, dat zoals meermaals sluitsteen van de Europese eenheid was. Wat betekent, in deze constellatie, de opstand in de Nederlanden? Een gebeurtenis, die nog steeds in de Spaanse geschiedenisboekjes met een halve bladzijde wordt afgedaan. Vanaf 1559 werkt Filips tevens aan de tot standkoming van een ander bouwwerk: El Escurial. Tijdens de slag bij St. Quentin op 10 augustus 1557, de dag gewijd aan de Heilige Laurentius, had de Spaanse artillerie een Frans klooster vernietigd. Als boetedoening hiervoor werd het rooster, waarop eens deze martelaar was verbrand, als grondplan genomen voor een mausoleum voor de overleden Habsburgers, waarvan de urnen met de as in de grafkelder telkens zouden worden bijgezet. Het gebouw diende tevens als klooster, universiteit, bibliotheek, museum en ten slotte als paleis. Vijf en twintig jaar duurde de bouw, van 1559 tot 1584. Nog steeds staat het daar op een hoogvlakte van 1000 meter, met zijn Dom van 92 meter hoog, zijn 9 torens, zijn 16 patio’s, zijn 88 fonteinen, 86 trappen, 1200 deuren en 2600 ramen. Indrukwekkend bouwwerk, verrijzend uit een vlakte van steen, als model van theocratie: de eenheid van Staat en Kerk in een heilsplan, voor alle volkeren, voor alle eeuwen…

Dat is de wereld, waartegen Oranje nu tijdens het verder verloop van zijn leven – eveneens van 1559 tot 1584 – zich zal afzetten. Ook zijn leven ontwikkelt zich uit een bouwimpuls: gericht op de totstandkoming van een staatsvorm, met als kern de individuele gewetenskracht van de burgers. Later zal dit in Nederland als een inzet ter ere Gods worden verheerlijkt.

Niet alleen vanaf de kansel, ook in het leslokaal zal het leven van Willem van Oranje en zijn nakomelingen als een mythe voortleven, in beelden uit het Oude Testament. Willem de Zwijger, als Mozes, die het uitverkoren volk voert uit het heidendom van Egypte. Maurits, als Jozua de veldheer, die Kanaän veroverde. Willem III als Gideon de Richter, die streed voor Gods eer. Weliswaar wordt het aandeel dat het katholieke volksdeel in de opstand heeft gehad, hierbij volledig miskend. Als gevolg hiervan heeft zich, min of meer uit rancune, nog een ander oordeel over Willem van Oranje vastgezet. De Nederlandse geschiedschrijver Nuyens constateerde: ‘Godsdienst was voor Willem van Oranje niets anders dan een zaak van welgevoeglijkheid en van gewoonte. Hij werd beheerst door eerzucht en egoïsme… Hij, die in zovele opzichten zich een volksman betoonde, was misschien meer dan iemand van adeltrots doortrokken. Hij kon niemand naast zich, ternauwernood de koning boven zich gedogen. Tegenover zijn vijanden deinsde Oranje voor geen middel terug: verdachtmaking, hoon, laster.

Dit oordeel, van katholieke kant, is even eenzijdig als de ‘mythe’ die vanuit protestantse kant gegroeid is. Oranje stond tussen deze beide partijen: hij voerde de strijd zowel ‘religionis causa’ als ‘libertatis causa’, terwille van de godsdienst en terwille van de vrijheid. Wat hem voor ogen heeft gestaan, was een staatsvorm waarin noord en zuid, waarin protestant en katholiek konden samenleven met behoud van gewetensvrijheid. Maar dat vereiste wel een nieuwe maatschappijstructuur, waarin het rechtsleven zich kon vrijmaken uit de overheersende macht van de kerk. De strijd hiervoor is gecompliceerder dan meestal in de geschiedenisboekjes is voorgesteld. In de eerste fase – het voorspel, van 1559 tot 1567 – gaat het, in samenwerking met de katholieke hoge adel, voornamelijk nog om het behoud van de privileges tégen het Bourgondisch-Habsburgs centralisme. Met de komst van Alva in 1567 – door Filips gestuurd om de Nederlanders te straffen voor de beeldenstorm – verandert dit. De tirannie leidt dan niet alleen tot ‘slavernije in den lichame’ maar ook ‘inder consciëntie’. Oranje besluit dan de Nederlanden te verlaten om met behulp van de Duitse vorsten een leger samen te stellen. Voor de financiering van het bevrijdingsleger betaalde Oranje f 1.225.000 uit eigen zak. Van de Duitse vorsten kwam f 262.500. Van de Nederlanders, die bevrijd moesten worden f 12.500…

Pro lege, rege et grege

Met twee legers vond de inval plaats; eerst in het noorden onder Lodewijk en Adolf van Nassau. Later in het zuid-oosten, onder Oranje zelf. In de geschiedenisboekjes kreeg de overwinning bij Heiligerlee doorgaans meer aandacht dan de nederlaag kort daarop bij Jemmingen waarbij aan de Spaanse kant in deze slag zes of zeven man zouden zijn gesneuveld, terwijl de drie duizend slachtoffers onder Lodewijks volgelingen naakt en uitgeschud op het slagveld bleven liggen, weken lang…

In deze noodlottige pinkstertijd vond ook de terechtstelling plaats in Brussel van Egmont en Hoorne. ‘De Franse gezant, aanschouwend uit een heimelijke plaats dus deerlijk een vertoning, liet naar men zegt, zich horen, dat hij daar het hoofd zag vallen hetwelk tot tweemaal toe heel Frankrijk had doen beven, aldus P.C. Hooft in zijn ‘Nederlandse Historiën’. .. Met terreur wilde Alva de inval in het noorden beantwoorden, de plakkaten tegen de ketters werden verscherpt, de ‘Bloedraad’ had, dank zij de Inquisitie, zijn handen vol.

In oktober daarop trok Oranje vanuit het zuid-oosten de Nederlanden binnen, en vond een minder beslist optreden van Alva tegenover zich. Deze speelde de Fabius Cunctator rol, de Romeinse veldheer die de troepen van Hannibal wilde afmatten, door zich voortdurend terug te trekken. Voor Oranje werd deze afmattingsmanoeuvre noodlottig. Met elke dag uitstel van slag leveren, werd de bodem van de krijgskas meer zichtbaar, totdat Oranje gedwongen werd zijn troepen naar huis te sturen, en zelf een goed heenkomen te zoeken in Frankrijk, vanwaar hij, als boer verkleed, de terugtocht naar Dillenburg ondernam.

In deze tijd ligt ook de geboorte van het Wilhelmus. De strekking van dit lied weerspiegelt de opvatting van het, door Oranje in april uitgegeven staatsstuk ‘Justificatie ofte Verantwoordingh’. Daarin wordt zijn verzet tegen de regering gerechtvaardigd. Zijn opvatting – vóór de koning, maar tegen de tirannie van de landvoogd, – staat duidelijk in de eerste strofe van het Wilhelmus: ‘Den Coninck van Hispaengien Heb ick altijd gheeert’ Men vindt haar ook uitgedrukt in de opschriften van de vaandels van de troepen die het land zijn binnengevallen: pro lege, rege et grege (vóór de wet, vóór de koning, vóór het volk).

In de spanning van zoeken naar evenwicht tussen gehoorzaamheid aan het wettig gezag en vrijheid, ligt ook de strijd waarin langzamerhand de nieuwe staatsvorm – de Republiek – gestalte krijgt. Voor Oranje betekent dit steeds leven met twee loyaliteiten, enerzijds, jegens het door God gevestigd gezag van de koning, anderzijds jegens de belangen van de burgers. Vanuit deze loyaliteit is ook de wapenspreuk ‘Je maintiendrai, Nassau’ te bezien. Bij het afleggen van de leeneed, legde de leenman de handen in die van de leenheer en vond een wederzijdse belofte van trouw plaats: je maintiendrai… In 1567 had, met een beroep op het geweten, Oranje geweigerd de eed van trouw af te leggen aan het gezag van de landvoogdes, Margaretha van Parma. Dat ontsloeg hem niet van de eed van trouw aan de koning, in wie nog de personificatie van de rechtsorde werd gezien. Dat leidde soms tot merkwaardige situaties. Zo is de stichting van de Leidse Hogeschool – als geschenk van de prins aan de stad Leiden het doorgestane beleg van 1575 – krachtens het gezag van koning Filips tot stand gekomen, notabene als een bolwerk van vrijheid, onder andere bestemd voor de opleiding van Calvinistische predikanten.

Maar dat is dan al de tijd waarin – na de inneming van Den Briel in 1572 – de noordelijke Nederlanden zich hebben vrijgemaakt. Daarheen heeft Oranje zich begeven. Hij zal daar ‘zijn graf vinden’, maar niet dan na vele pogingen het evenwicht te vinden tussen de belangen van het zuiden en die van het noorden.

Eén ogenblik schijnt dit te gelukken, bij de Pacificatie van Gent (1576), wanneer het zuiden onder invloed van muiterij der Spaanse troepen tijdens een gezagsvacuüm, onderhandelingen opent met het noorden voor het sluiten van een overeenkomst. Maar spoedig blijkt dat de hoge verwachtingen doorkruist worden door de harde werkelijkheid. Enerzijds door de intolerantie van de fanatieke Calvinistische predikanten in Vlaanderen, voor wie ‘godsdienstvrijheid’ betekent hun eigen geloof aan andersdenkenden te mogen opleggen. Anderzijds door het optreden van Farnese, de hertog van Parma, die als de nieuwe landvoogd, veldheer en diplomaat de zuidelijke katholieke adel voor zich weet te winnen en de Unie van Atrecht sluit. Het antwoord van het noorden is de Unie van Utrecht (1579), enigszins tégen de wil van Oranje, door zijn broer Jan van Nassau doorgedrukt. Ook hierin is de Godsdienstvrijheid vastgelegd. Toch leidt dit niet tot het door Oranje beoogde doel.

Unie van Utrecht 

In deze Unie – met haar, voor ons volk, zo kenschetsend devies, ‘Res parvae Concordia crescunt’ (in eensgezindheid groeien de kleine dingen) – ligt de kiem van de Republiek die pas in 1588 tot stand is gekomen. Want eerst moest de gehoorzaamheid aan de koning van Spanje worden opgezegd. De aanleiding daartoe was de door Filips uitgesproken ban, waarin Oranje vogelvrij wordt verklaard en aan zijn moordenaar een beloning van 25.000 kronen en verheffing in de adelstand in het vooruitzicht wordt gesteld.

Op 26 juli 1581 besloten de bij de Unie van Utrecht verbonden provincies en steden, Filips als koning af te zweren daar hij als tiran misbruik had gemaakt van zijn bevoegdheid, hem door God verleend. Immers, zoals in het Plakkaat van Verlatinghe staat uitgedrukt, ‘de ondersaten en sijn niet van Gode geschapen tot behoef van den prince om hem in alles, wat hij beveelt, onderdanig te wesen en als slaven te dienen, maar den prince om d’ondersaten wille, sonder de welke hij geen prince is’.
De kern hiervan is de gewetensvrijheid. Wanneer de macht des konings indruist tegen het geweten van de enkeling, tégen de gehoorzaamheid jegens God, is verzet geoorloofd. Niet het volk heeft het recht de gehoorzaamheid op te zeggen, maar de Staten als ‘magistratus populares’, de volksvertegenwoordigers. Niettemin wijzen de laatste woorden van de Apologie, ‘Je maintiendrai, Nassau’ op een nieuwe betekenis van Oranjes wapenspreuk. De oorspronkelijke belofte tussen leenman en leenheer wordt nu een belofte van trouw tussen Oranje en het volk. Daarmee wordt gewezen op een middenweg: tussen enerzijds theocratie en anderzijds volkssouvereiniteit.

Toch is er in 1581 nog geen sprake van een Republiek. Tussen 1581 en 1588 ligt eerst nog een periode van moeizaam experimenteren met buitenlandse machthebbers aan wie de souvereiniteit wordt aangeboden; eerst, nog tijdens het leven van Oranje, de Fransman Anjou, na Oranjes dood, de Engelsman Leicester.
De hertog van Anjou, broer van de Franse koning, is vooral op aandringen van Oranje hier binnengehaald. Het was geen gelukkige keus. Deze laatste dégénéré van de Valois was allerminst aantrekkelijk, noch wat uiterlijk betreft, noch wat karakter betreft,

Reeds tijdens de onderhandelingen over zijn aanstelling, bleek hij ‘koortsig van de kliergezwellen, het gehemelte weggeteerd van de etterige zweren die zijn uitspattingen hem hadden bezorgd’… Omringd door zijn ‘mignons’ viel hij op door zijn gewaagde kleding, door pommade, poeder en schmink, door een geverfd gezicht en een zijde-achtige fantastische pruik. Weldra bleek dat zijn aspiraties veel verder gingen dan men zich in de Nederlanden had voorgesteld. Naar Engeland overgestoken, maakte hij het hof aan koninggin Elisabeth, die hem een tijd lang aan het lijntje hield van haar staatkundige aspiraties, ook al noemde zij hem ‘haar kleine kikvors’…

Teruggekeerd trachtte hij plotseling zich meester te maken van de stad Antwerpen met de Franse troepen, die ons land tegen de Spanjaarden moesten beschermen. Zijn bedoelingen kwamen daarmee abrupt aan het licht: mettertijd van de Nederlanden een Franse provincie te maken.

Oranje geraakte hierdoor in een gezagscrisis ten opzichte van de Staten, omdat hij volhield dat zonder Franse steun de oorlog tegen Spanje kansloos was. Ook in zijn privéleven was sprake van een crisis, eerst door het verlies van zijn derde vrouw, Charlotte de Bourbon – zij bezweek onder de zorgen voor het behoud van zijn leven, na de eerste aanslag door Jean Jauréguy – daarna, doordat zijn vierde huwelijk met Louise de Coligny – wier vader en eerste man waren omgekomen tijdens de Bartholomeusnacht te Parijs – bij de Staten geen onverdeelde instemming vond tijdens het bewind van Anjou. Ondertussen was Parma vanuit het zuiden naar het noorden opgetrokken. Na de val van Duinkerken maakte hij zich op Antwerpen te veroveren. Tijdens dit dieptepunt van zijn leven, trof hem op 10 juli 1584 de kogel van Balthazar Gerards in het Prinsenhof te Delft. Twee dagen later, zouden de Staten, na langdurig geharrewar, hem als Graaf van Holland inhuldigen.

Republiek

Ten slotte is in 1588 de Republiek uitgeroepen, zij het met een vrij wankele rechtsorde als basis. Spoedig zou blijken dat de twee motieven van waaruit door Oranje de strijd tegen Spanje gevoerd is – terwille van de gosdienst, én terwille van de vrijheid – eeuwen lang ons volk verdeeld hebben gehouden in ‘facties’ (van partijen is in deze tijd nog geen sprake). Twee verschillende gezindheden, die teruggrijpen op het verleden, met als voorbeeld, enerzijds Israël, als het door God uitverkoren volk, anderzijds de Res Publica, de rechtsorde van het Romeinse volk. Beide gezindheden staan afgebeeld aan de wanden van de vergaderzalen van het Amsterdamse stadhuis (thans het Paleis op de Dam). Naast afbeeldingen uit het Oude Testament, afbeeldingen ontleend aan de beschrijvingen van Livius, waarbij steeds de burgerdeugd (Virtus) de vergaderende magistraten maant het belang van de enkeling achter te stellen bij het belang van de gemeenschap.

In de Republiek leidt deze ‘onderscheiding’ steeds sterker tot een ‘scheiding’, naarmate theologische geschillen tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ – tijdens het Twaalfjarig Bestand – escaleren tot sociologische en staatkundige geschillen. Aan de ene kant staan dan de Oranjes, steunend op de predikanten, het leger en het volk. Aan de andere kant staan de regenten uit het stedelijk patriciaat met zijn handelsbelangen.

In de Staten-Generaal krijgt deze laatste factie een overwicht, naarmate handelsbelangen ook hun invloed gaan uitoefenen op de buitenlandse politiek. Speciaal in de Staten van het gewest Holland overweegt de invloed van de stedelijke vroedschappen en in het bijzonder de vroedschap van de stad Amsterdam, waarvan de burgemeesters wel eens de ‘ongekroonde koningen van de Republiek’ zijn genoemd. Zij hebben zich’ althans daar dikwijls naar gedragen. Daartegenover hadden de Oranjes als stadhouder slechts een ondergeschikte positie.

Hoe stond Willem van Oranje zelf ten opzichte van deze twee stromingen? In een magistraal artikel, geschreven ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix in 1938, wijst Huizinga op Oranje als drager van de republikeinse traditie in ons land. ‘Oranje is in en uit de Republiek omhoog gestegen, gevoed door al de krachten die ons volk levend maakten.’ Daarmee in overeenstemming is een in januari 1983 verschenen doctoraal-scriptie van Ellen Huidekoper aan de Utrechtse Universiteit.

Het verzet van Oranje moet niet eenzijdig worden gezien, terwille van de godsdienst óf terwille van de vrijheid. Het verzet tegen de ‘slavernije so in den lichame als inder consciëntie’, moet men zien tegen de achtergrond van de zestiende eeuw, waarin het rechtsleven zich met vallen en opstaan, vrij ging maken uit de theocratische staat die nog geheel werd beheerst door de gedachte van eenheid op godsdienstig gebied. Daartegenover tekende zich af het streven naar verscheidenheid van geloofsovertuiging, waarbij de ‘rechtvaardigheid’ boven de godsdienstige tegenstellingen komt te staan. Het was niet alleen een aangelegenheid van gewetensvrijheid, waarvoor men streed, maar ook een aangelegenheid van een nieuwe republikeinse orde. Met deze gezagscrisis worden de grenzen aangegeven tussen het rechtsgebied van de overheid en het geloofsgebied van de kerk. Niet dat, tijdens de Republiek, deze gezagscrisis is opgelost. Voortdurend vindt hierin een grensoverschrijding plaats, dank zij de onverdraagzaamheid van het calvinisme, dat ‘godsdienstvrijheid’ uitlegt als het recht de uitoefening van het geloof door andersdenkenden te verbieden en te eisen dat ieder die een staatsambt bekleedt, lid moet zijn van de gereformeerde kerk.

Wanneer men tegenwoordig zegt, dat Willem van Oranje zijn leven heeft geofferd voor de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, is dat juist. Men moet dan echter niet vergeten dat hij – omstreeks 1573 overgegaan tot de gereformeerde kerk – hierbij even goed heeft moeten strijden tegen de onverdraagzaamheid van zijn geloofsgenoten als tegen die van de katholieken. Zijn verdraagzaamheid was nog zeer onconventioneel christelijk voor de 16e eeuwse verhoudingen, waarbij godsdienstoorlog voornamelijk a-sociale hartstochten wakker riep. Het ‘in Christus sterven’ ging bij hem gepaard met het ‘cognaistre Dieu’ als ‘ung don especial du Sain Esprit’: God leren kennen als een bijzondere gave van de Heilige Geest… Als zodanig is dan ook de laatste strofe van het Wilhelmus tevens te bezien als het sluitstuk van het leven van Willem van Oranje:

Voor Godt wil ick belijden
End Zijner grooter Macht,

Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:

Dan dat ick God den Heere
Der Hoochster Majesteyt
Heb moeten obediëren
Inder gherechticheyt.

.

Willem van Oranje

Een liedtekst van Claudia de Breij, muziek op ‘Andermans veren’ v.a. min. 6.30

alle biografieën

8e klas: alle artikelen

.

1800

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – (Kunst)geschiedenis – Epidauros

.

Onderstaande gezichtspunten over het Griekse Epidauros kunnen je een beeld geven van een verleden waartoe we niet gemakkelijk toegang meer hebben. 
Wanneer je geschiedenis geeft in klas 5 of in de bovenbouw kan het helpen je in te leven en je inzicht in dit verleden te vergroten.
Voor mij zou het bezoeken van Epidauros  zonder deze achtergronden anders zijn geweest, dan kijkend vanuit de inhoud van dit artikel. 

EPIDAUROS

het heilige centrum van imaginatieve geneeskunst in het oude Griekenland

De Griekse cultuur heeft ons een grote hoeveelheid archeologische voorwerpen nagelaten, die min of meer gerestaureerd, geordend, van commentaar voorzien en tentoongesteld, in de gehele wereld en vooral natuurlijk in Griekenland zelf zijn te bezichtigen. Daartoe behoren ook de architectonische overblijfselen van oude tempels, waarvan in het navolgende het heiligdom van de god Asclepios te Epidauros zal worden besproken.

Willen wij een antwoord zoeken op de vraag, hoe het uiterlijk van deze heiligdommen in de oudheid geweest kan zijn, dan kunnen geschriften uit de Romeinse tijd ons daarbij helpen. In dit verband zijn de reisberichten van Pausanias te noemen of de beschrijvingen van Plutarchus. Bij de laatste zijn ook aanduidingen over het verloop van rituele handelingen te vinden, maar deze berichten zijn schaars en als men naar de oorsprong van de rituelen vraagt, laten de historische bronnen ons helemaal in de steek.
Wij zijn hier op de beeldentaal van de mythologie aangewezen, die met ons eigen abstracte, niet-beeldende denken zo moeilijk valt te begrijpen. Hoe meer zich het voor ons begrijpelijke, in deze beeldentaal kleedt, als wij de berichten tot in de tijd van de mythologische periode terug vervolgen, hoe meer de teksten ervan spreken dat de goden in het leven van de mensen ingrijpen en de loop van het lot van enkelingen en volkeren besturen. Zich in overeenstemming te weten met bepaalde wezens van de geestelijke wereld was voor de mens van het oude Griekenland tot in de hellenistische periode een na te streven doel. Voor een dergelijke levenshouding ontbreekt ons het bewustzijn aan ervaring en begrip. Het constateren van dit feit maakt ons er echter op attent, dat er voor ons begrip van de Griekse cultuur twee niveaus bestaan. Het ene vinden wij bij het aanschouwen van de archeologische overblijfselen, het tweede in de mythologische beelden. Het eerstgenoemde niveau lijkt ons daarom begrijpelijk, omdat wij objecten voor ogen hebben die wij gewend zijn te onderzoeken. Dat het mythologische niveau en het andere echter elkaar niet dekken, zou ons voorzichtig moeten maken, want voor de oude Grieken waren immers de objectief waarneembare en de met de uiterlijke zintuigen niet te bevatten geestelijke wereld onafscheidelijk met elkaar verbonden. Voor ons zijn ze dat niet. Wat aan de Griek zich ongescheiden openbaarde, verbinden wij niet meer met elkaar. Als wij voor de zichtbare overblijfselen van de Griekse cultuur een enigszins juist begrip willen krijgen, moeten zij – niet op de oude, maar voor ons hedendaagse bewustzijn geschikte wijze – met een geestelijke wereld in verband gebracht worden. Want een volkomen misverstand zou ontstaan, indien men zou vergeten, dat de oude culturen in eerste instantie in deze dualiteit verschijnen. Indien men een begrip voor Epidauros wil ontwikkelen, is het dus nodig bij dat, wat aan materiële overblijfselen is bewaard gebleven, het geestelijke te voegen.

theater van Epidauros

Het heiligdom van Asclepios ligt aan de noordoostelijke kant van de Peloponnesos en vormt samen met Delphi en Olympia de hoeken van een ongeveer gelijkzijdige driehoek. Delphi ligt in het noorden, aan de punt van de gelijkbenige driehoek, op het vasteland tegen de achtergrond van het indrukwekkende hooggebergte van de zuidelijke Parnassos. Epidauros vormt de oostelijke punt van de driehoek en ligt in een landschap van zacht glooiende bergtoppen van een middelgebergte. Het Olympische heiligdom aan de westelijke punt ligt in de laagvlakte van het Alpheiosdal in de noordwestelijke Peloponnesos.

In de Griekse mythologie is Asklepios bekend als zoon van de zonnegod Apollo. Zijn moeder is de Thessalische koningsdochter Coronis. Het kind van Apollo onder haar hart dragend, wordt zij de God ontrouw. Vertoornd geeft Apollo aan zijn zuster Artemis de opdracht om Coronis met haar pijlen te doden. Op het ogenblik dat de ouders de dode dochter in het vuur verbranden, herinnert Apollo zich zijn zoon en redt hem uit het lichaam van de brandende Coronis. Hij brengt de jonge Asklepios naar het Peliongebergte naar de centaur Chiron, de grote opvoeder, die, zoals Pindarus zegt, vol liefde voor de mensen was. Volgens een andere, uit Epidauros stammende legende, baart Coronis haar kind heimelijk op de berg Myrtio bij Epidauros, die sindsdien de naam Titthio draagt, d.w.z. de berg waar gezoogd werd. Coronos legde hem daar te vondeling en hij werd door een geit gevoed en door een hond bewaakt, totdat hij gevonden werd door een herder, Aristenas, die zijn goddelijke afkomst herkent. Asklepios, god en mens tegelijk, wordt de genezer van ziekten. Geen andere god uit de kring der Griekse goden buigt zich met zo’n mildheid en met zo’n sterke wil om te helpen tot de mensen als hij. Weliswaar is uit sommige van de beschreven gevallen van genezing op te maken, dat hij bij gebrek aan belangstelling, onnauwkeurig en gebrek aan medewerking bij de hulp die hij biedt, met een zekere listigheid weet te straffen. Een vrouw bijvoorbeeld, die een zwangerschap wenst, helpt hij, maar zij kan gedurende drie jaar niet baren. Naar Epidauros teruggekeerd, moet zij zich door Asklepios laten zeggen, dat zij een kind had moeten wensen. Na het brengen van een offer mag zij haar kind baren. De gevallen van genezing werden in Epidauros op grote zuilen opgetekend en in het heiligdom opgesteld. Pausanias beschrijft, dat er in zijn tijd nog slechts zes zuilen aanwezig waren. Twee ervan werden gevonden, zij zijn in het museum van Epidauros tentoongesteld.

Laten wij ons thans tot de architectuur van het heiligdom van Epidauros wenden; de restanten en fragmenten en de bouwfundamenten, die nog bewaard zijn gebleven. Het gehele complex kreeg zijn definitieve vorm in de tijd van de hoogste bloei van het Hellenendom, in de periode toen Perikles in Athene heerste en de Griekse cultuur haar hoogtepunt overschreed. De naam van de architect die de ronde tempel, de tholos, ontwierp, is ons bekend, het was Polykletos de jongere.

Wij mogen verwachten dat de afzonderlijke bouwcomplexen niet willekeurig in het landschap werden neergezet, maar dat de sociale taak van het heiligdom, nl. de plaats van genezing voor de ziekten van de mens, ook in het geheel van de architectuur ligt verborgen. Laten wij de zieke volgen die van de haven, twee uur te voet, of van de istmus bij Korinthe komend, het heiligdom van Asklepios bereikt. Als men vóór de Propyleeën van het heiligdom staat, blijft al het andere voor het oog van de beschouwer verborgen. Slechts het theater zal, al naar gelang van het toenmalige boombestand, zichtbaar geweest kunnen zijn. Een opgeworpen heuveltje, dat door de architect bewust is aangebracht, verbergt het abaton, de zaal, waar Asklepios de zieken in hun slaap verschijnt. Verborgen blijft ook de tempel van Asklepios en de tholos, een merkwaardig rond bouwwerk. Pas wanneer de woorden die op de Propyleeën staan zich in de ziel van de intredende hebben gevestigd en de drempel van het heiligdom is overschreden, wordt het complex van gebouwen stapsgewijs aan hem onthuld. Pausanias heeft de woorden van de Propyleeën opgetekend:

“Rein, zij een ieder die de van wierook geurende tempel betreedt.
Rein zijn betekent, in gedachten het goddelijke koesteren.”

De reinheid van de peinzende ziel, zoals wij uit het motto van het heiligdom kunnen opmaken, moet wederom gevonden worden, want al het denken, voelen en willen dat de goden onwaardig is, ligt aan de ziekten van het lichaam ten grondslag. Dat lichaam en ziel een samenhang hebben, daarvan zijn wij ons ook bewust. Deze eenheid van lichaam en ziel werd echter in de Griekse cultuur au sérieux genomen. In het belangrijkste centrum van genezing werd alleen de terug verkregen reinheid van de ziel tot therapie van het lichaam.

Misschien laat zich het beeld dat men in de oudheid van de mens had, ontraadselen, wanneer wij trachten alles tot eenheid te brengen, wat voor de genezing van de mens in Epidauros architectonisch werd geschapen. Laten wij proberen daarbij in het oog te houden, dat voor het Griekse bewustzijn het uit de ziel komende het lichaam schaadt, wanneer het ongoddelijk wordt – echter het lichaam ook kan genezen, wanneer het zich weer met het goddelijke verbindt.

Epidauros is wel het meest vernielde heiligdom van het oude Griekenland. Alleen het theater bleef behouden

en de weinige noodzakelijke restauratiewerkzaamheden worden met een gevoel voor het mogelijke door Griekse archeologen uitgevoerd. Het is een van de weinige klassieke plaatsen die door de Grieken wordt uitgegraven. (Schets nr. 1 geeft de topografische situatie weer; houd er echter rekening mee, dat het noorden links beneden ligt).

Het opgerichte kleine museum biedt ondanks de bescheiden middelen die ter beschikking stonden een indruk van hetgeen er van architectuur eens voorhanden was. Bijzondere moeite werd besteed aan de restauratie van een sector van de tholos, die eens buiten de cella door 26 Dorische zuilen en binnen door 14 Korinthische zuilen werd gedragen. Onder de tholos bevindt zich een crypte, die als labyrint is gebouwd, bestaande uit drie cirkelvormige gangen, die naar verhouding goed bewaard zijn gebleven. In het midden daarvan werden de heilige slangen gehouden, zonder welke Asklepios niet goed denkbaar is. De overleveringen zeggen, dat aan Epidauros een van de heilige slangen werd gevraagd, wanneer in een stad of streek van het oude Griekenland een Asklepeion zou worden opgericht. Een gezantschap ging naar Epidauros en wanneer de god zijn toestemming gaf, brachten de afgezanten een van de heilige slangen terug, die de stammoeder van het slangengeslacht van het nieuwe Asklepeion werd.

Hier vele voorbeelden van een reconstructie. In dit artikel worden ze aangeduid met schets 2.

Zuidelijk van de tholos ligt het stadion, ten noordoosten ervan de tempel van Asklepios. Als men in het midden van de naar de tholos toegekeerde kant van de tempel gaat staan, is men verrast het midden van de tholos en de meest westelijke hoek van het stadion op een rechte lijn te zien liggen. Een blik op het kaartje bevestigt deze observatie. Men krijgt het gevoel dat met deze ontdekte ruimtelijke samenhang ook een culturele zou kunnen overeenkomen. Voordat wij op een dergelijk aspect ingaan, zal worden onderzocht, of niet nog meer ruimtelijke samenhangen tussen de genoemde bouwwerken: tempel van Asklepios, tholos, stadion en theater bestaan. De twee op een cirkelvormige plattegrond staande gebouwen zijn de tholos en het theater.

Als men de hoek meet tussen het middelpunt van de tholos, de meest oostelijke hoek van het stadion en het middelpunt van het theater, vindt men een waarde van 120°, de driedeling van de cirkel. De benen van deze hoek staan in een verhouding van 1:5. Het traject 1 is de afstand, middelpunt van de tholos – meest oostelijke hoek van het stadion. Traject 5 is de afstand tussen de meest oostelijke hoek van het stadion tot het centrum van het theater. Als men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt draait, dat hij een tangent aan het theater vormt, vormt hij ook een tangent aan de tholos. Dus hebben de diameters van de tholos en ’t theater een verhouding van 1:5, ( zie hiervoor, alsmede voor de volgende beschouwingen, deze schets 3):

Een tweede keer is de hoek van 120° in de architectonische compositie te vinden, wanneer men het middelpunt van de tempel van Asclepios weer met de meest oostelijke hoek van het stadion en deze op de oostelijke zijde ervan met de meest zuidelijke verbindt. Draait men deze hoek zodanig om zijn hoekpunt dat het op de tempel gerichte been tot tangent aan de tempel wordt, dan zal het andere been tot diagonaal van het stadion worden. Op deze wijze zijn de vier bouwwerken zodanig tot elkaar gecomponeerd, dat de maten wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. De middelen die de architect hiervoor heeft gebruikt, zijn de driedeling van de cirkel en de verhouding 1:5 van de lengtematen. Daarbij komt als een absolute lengtemaat een stadie, d.w.z. de lengte van het stadion. Indien deze afstand een gegeven is, dan bepaalt de ligging van de tholos op de rechte lijn tussen het stadion en de tempel, die wij de hoofdas van het heiligdom willen noemen, alle andere proporties. Hierdoor houdt de tholos de architectonische compositie van Epidauros in harmonie. Het lijkt derhalve wenselijk allereerst de betekenis van de tholos te begrijpen om te weten te komen wat de delen tot een geheel ordent, (schets 2 levert het materiaal voor de aanschouwelijkheid en schets 4 toont o.a. de plattegrond.)

(Duits: Hauptachse des Heiligtum = hoofdas van het heiligdom; süd – zuid; ost – oost)

De tholos die op oude inscripties ook thymele genoemd wordt, is een cirkelvormig bouwwerk, omgeven door een zuilengang die uit 26 zuilen van gewit tufsteen bestond. De muur van de cella bestond uit veelkleurige ornamenten, bloemen, meanders, holle lijsten, tandlijsten en fresco’s van de schilder Pausias, waarvan er twee door Pausianas zijn beschreven. Op een fresco was Eros afgebeeld, die boog en pijlen ter zijde heeft gelegd en naar een lier grijpt; op het andere fresco is de dronkenschap uitgebeeld, uit een glazen fles drinkend. Binnen de cella bevond zich een tweede zuilengang bestaande uit 14 Korinthische zuilen van marmer. Tussen de binnenste Korinthische zuilen en de wand van de cella bestaat het plafond uit een cassettenring die zich tussen de cellamuur en de door de Dorische zuilen gedragen architraaf door twee verdere cassettenringen voortzet. In elke cassette bevindt zich een bloesem die zich van cassettenring tot cassettenring van binnen naar buiten toenemend lijkt te openen. Deze bloemen van het cassetteplafond zetten een vormmotief voort dat zich aan de Korinthische zuilen in het binnenste van de cella bevindt. De kapitelen van deze zuilen zijn drieledig. Dicht bij de basis dragen de kapitelen bladmotieven, in het middelste gebied ziet men stengelvormen, die zich in spiraalvorm naar boven slingeren en in de nabijheid van de dekplaat verschijnen vier bloesems. Deze bloemvorm gaat klaarblijkelijk in het cassetteplafond over en zet zich voort tot in het plafond buiten de cella. Wie de overdreven vormen van de Korinthische zuilen uit de Romeinse tijd kent, zal verbaasd zijn te zien met welke eenvoud en schoonheid het Korinthische kapiteel hier gevormd is. Mij persoonlijk is geen poging tot een verklaring van deze merkwaardige tempel bekend. Als wij in onze beschouwing verder willen komen, moeten wij naar geschikte begrippen zoeken, die ons helpen het geheim van de tholos tenminste in een eerste aanzet te ontraadselen.

In zijn derde voordracht van de voor artsen gehouden cyclus “Geesteswetenschap en medische wetenschap”[1] herinnert Rudolf Steiner aan het vermogen van lagere diersoorten om verloren lichaamsdelen weer te vervangen of toch zodanig te compenseren, dat het organisme in al zijn functies weer wordt hersteld. Hij maakte deze opmerking om, overgaande op de mens, de vraag te behandelen wat bij hem uit deze regeneratie- en reproductiekrachten is geworden. Want de mens is immers niet in staat om een verloren orgaan opnieuw te vormen. Rudolf Steiner beschrijft dan hoe dat deel van het menselijk lichaam dat hij het vormkrachten– en/of etherlichaam noemt, over deze krachten beschikt. Daarmee wendt hij zich echter niet meer tot het lichaam, maar tot de ziel. In de cultureel scheppende krachten die in het denken, voelen en willen van de mens leven, kunnen de krachten weer worden gevonden, die aan het lichaam ontbreken. Met behulp van deze kan de mens op dezelfde wijze gedachten tot een geheel vormen als de regenworm het met zijn lichamelijk organisme kan doen. De gedachte ligt voor de hand dat de krachten die het lichaam mist, omdat zij als cultureel werkzame krachten ter beschikking van de ziel staan, de oorzaak van de ziekten van de mens zijn. Omdat de mens een geestelijke wezen is, mist hij in het lichaam krachten die hij zou moeten hebben om onder alle omstandigheden gezond te zijn. Vandaar dat de geest van de mens de oorzaak van zijn ziekte is.

De geciteerde geesteswetenschappelijke uitspraak van Rudolf Steiner kunnen wij nu verder differentiëren. Want al naar gelang van de graad van bewustzijn die de mens in de verschillende ledematen van zijn lichaam ontwikkelt, zijn aan deze levenskrachten onttrokken. In het gebied van de stofwisseling slaapt de ziel en heeft het lichaam de meeste levenskrachten. In het bereik van de borstkas droomt zij en daarom ontbreken aan het lichaam meer levenskrachten dan in het stofwisselingsgebied. In het hoofd heerst het wakkere bewustzijn, zodat daaraan de meeste levenskrachten zijn onttrokken. Het hoofd als drager van het wakkere bewustzijn is daarmee ook de pool waarvan in principe de ziekte uitgaat. Hier worden de levenskrachten nagenoeg geheel tot het cultureel werkzame instrument, het denken. Het zou verwonderlijk zijn als van het stuk bovenzinnelijke waarheid over de mens dat wij zo hebben leren kennen, de mens in het oude Griekenland geen bewustzijn zou hebben gehad. Het zou kunnen zijn dat het geweldige beeld van Prometheus die vastgesmeed is aan de rots van de aarde, de Kaukasus, en aan wiens lever de adelaar vreet, een weten van het beschreven feit in de oude beeldentaal van het toenmalige bewustzijn vertolkt. Wanneer dus een dergelijk weten in het Griekse bewustzijn heeft geleefd, dan zou Epidauros als centrum van geneeskunst ook de plaats zijn waar een dergelijk weten werd beoefend. Zulke gedachten doen de vraag rijzen of de tholos zich niet tot het geheel van het complex van Epidauros verhoudt als het hoofd tot het menselijk organisme. Men kan er over nadenken welke verhouding de wezensdelen van de mens tot elkaar in het hoofd hebben. In de omgeving van het hoofd ligt het waarnemingsbereik van de mens. Hier zijn de zintuigen werkzaam die wij de ‘lange afstandszintuigen’ zouden kunnen noemen. Door te zien en te horen omvat de ziel van de mens, van het hoofd uitgaande, meer dan alleen het eigen lichaam en de grens tot de omgeving. In deze omgevings-zielenruimte leeft het wakkere Ik van de mens. Het Ik leeft eveneens wakker in het binnenste van het hoofd, wanneer het gedachten vormt. De denkprocessen die de instrumenten van het Ik bij de vorming van gedachten zijn, blijken, zoals wij gezien hebben, de metamorfosen van de werkzaamheden van het vormkrachtenlichaam te zijn, dat niet alleen aan de levensprocessen van de mens, maar ook aan de levensprocessen van alle andere levende organismen ten grondslag ligt. In de plant vinden wij de levensprocessen het zuiverst werkzaam, omdat geen ander wezensdeel over de activiteiten heen werkt. Zoals de plant de vorming van haar gestalte door bloesems en vruchten bekroond en afsluit, wordt ook de werkzaamheid van het vormkrachtenlichaam in het menselijke hoofd door de vorming van gedachten bekroond, die de goden waardig, dus waar zijn, omdat zij zich vruchtbaar tonen. Door deze gedachte kan men een begrip voor de tholos krijgen. Het in de omgeving levende Ik, dat zichzelf als rechtop en door een centrum bekroond beleeft, vindt zijn uitdrukking in de Dorische zuilen van de buitenste gang van de tholos. De muur van de cella zelf zou met de grens van de binnenste en buitenste zielenruimte vergelijkbaar kunnen zijn. Het denken, cultureel scheppende processen van het vormkrachtenlichaam, komt overeen met de Korinthische kapitelen in het binnenste van de cella, die van daar, overgaande op het met bloemen versierde cassetteplafond, naar buiten treden in de omgevingsruimte. Wij zouden dus op deze wijze in de tholos een architectonische vorm voor ons hebben, die volgens wetten is gebouwd welke wij vinden, als wij de samenhang van het Ik en het etherlichaam (vormkrachten) in het menselijke hoofd in beschouwing nemen. Evenals de mens zich met het in de kosmos levende zich verbindt, wanneer hij waarheden, dus genezend op het lichaam werkende gedachten denkt, is de tholos met het kosmische middelpunt, de zon, verbonden.
Zijn middenas, die door het midden van de tholos en het midden van de celadeur is bepaald, is ten aanzien van de oost-westrichting met 23½º naar het noorden verschoven, dus met dezelfde hoek die de aarde tegenover de ecliptica vormt. Zie hiervoor schets 4.

Een opmerkelijk feit is nog te constateren, als men de ligging van de hoofdas van het heiligdom in de beschouwing betrekt. Deze halveert de hoek die tussen de as van de tholos en de noordelijke richting bestaat (33¼°).

Zoals de tholos in de ligging van zijn as een zonnemaat vertoont, is dit ook bij de tempel van Asklepios het geval. Zijn symmetrieas loopt parallel met die van de tholos en wijkt eveneens 23½º af. Nog andere bouwwerken binnen het heiligdom lopen parallel met deze richting, maar wij kunnen hier niet op meer dan de reeds genoemde ingaan.

De tholos staat voor ons innerlijk oog als een bouwwerk, dat de wetmatigheden van het hoofd openbaart, d.w.z. de wetmatigheden welke de oorzaak van ziekten zijn. Het is mogelijk dat wij hiermede de plaats hebben gevonden, waar de priester-artsen van Epidauros hun kennis van ziekten hebben toegepast. Hiervoor vormt de tholos de meest waardige achtergrond, omdat hij als architectuur openbaart, wat de daarin werkzame mensen op het gebied van kennis zoeken. Het door de heilige slangen bewoonde labyrint onder de tholos is een noodzakelijke aanvulling tot het verkregen beeld. Het is de plaats die qua niveau lager ligt dan die, waar zich de gedachten bevinden, die de goden waardig zijn. Hij komt dus overeen met het aan de aarde gekluisterde denken, dat de mens in een duister labyrint leidt, wanneer de verbinding met de kosmos verbroken is en de weg van de geest niet meer wordt verlicht. (Het heiligdom van Epidauros geeft aanleiding om de zeker veelzijdige realiteit en betekenis van het labyrint ook eens van deze kant te bekijken. Zo was het mogelijk, dat de -zoals wij heden ten dage zouden zeggen- naar de diagnose zoekende priester-arts, het beeld van de ziekte, die genezen moest worden in het centrum van het tholos-labyrint zag, omdat de wezens, die de ziekte zijn, de zieke loslieten en de tholos binnen trokken. Zoals alle genezing niet van het hoofd uitgaat, maar van het middengebied van de mens, dat door zijn ritmen een harmonie teweegbrengt tussen de hoofd-mens en de stofwisselingsmens, die de substanties voor de genezing levert, zo gaat de imaginatie van de therapie, het beeld van de medicijn, van Asclepios uit, die zijn woning in de tempel heeft genomen. Deze tempel is door zijn ruimtelijke ligging even onafscheidelijk verbonden met de tholos, als diagnose en therapie het, tenminste in het oude Griekenland, waren. Op hetzelfde moment – zo zou men kunnen denken – dat de ziekte zich imaginatief aan de priester openbaarde, verschijnt aan de in het abaton slapende zieke, Asklepios, die uit mildheid zijn tempel verlaat, in het abaton de zieke bezoekt en de genezende artsenij brengt. Teneinde de genezingsslaap in het abaton te mogen houden, moest de zieke onder aanwijzing van de priester door oefeningen in een muzische en gymnastische disciplines, die in het stadion plaats vonden, alsmede door het opbouwen van een gezond gevoelsleven zijn bijdrage tot de therapie leveren. In het theater, zoals men mag veronderstellen, leert de patiënt het gevoelsleven harmoniseren, wanneer hij de grote tragedies beleeft, die de lotgevallen van mensen als voorbeelden vertonen. Hij beleeft, hoe mensen, subjectief gezien zonder schuld, door de wil van de Goden in hun lot verward raken, om de krachten te verwerven die zij voor hun ontwikkeling nodig hebben. De zieke moest dus zelf bij zijn genezing meewerken. Hij moest werkzaam zijn in dat deel van zijn organisatie, dat voor het wakkere bewustzijn ontoegankelijk is. Hij werkte aan het ledematen- en stofwisselingssysteem door lichamelijke oefeningen en daar, waar krachten tot in het voelende bewustzijn, tot naar het hart stijgen, door het genietend beleven van de dramatische kunst. De priester en arts greep vanaf het hoofd door het mededelen van oefeningsinhouden in het verloop van de ziekte in, opdat Asclepios vanuit het ritmische middengebied van het heiligdom, de tempel, de imaginatie van de therapie kon geven, wanneer de zieke, door de oefeningen te verrichten, de voorwaarde voor de genezing had geschapen. Dat was klaarblijkelijk dan het geval, wanneer in de ziel van de zieke de gezonde harmonie tussen denken, voelen en willen zodanig was hersteld, als deze in het heiligdom van Epidauros architectonisch uitdrukking vindt. Wanneer deze toestand was hersteld, was de door de inscriptie op de Propyleeën genoemde eis vervuld en mocht de zieke Asclepios zijn offer brengen; de priester gaf toestemming tot de slaap in het abaton.

Het meest gebruikte en ook meest geschikte offer voor Asclepios was de haan. Zoals de mythologie overlevert, zijn haan en slang twee natuurbeelden die nauw met de werkzaamheid van Asclepios zijn verbonden. In het volgende zal een poging worden ondernomen ook deze twee beelden in onze huidige taal te vertalen. Hiertoe kan de natuurwetenschap vanuit een bepaald aspect bijdragen. De vogels, waartoe de haan behoort en de reptielen, waartoe de slang wordt gerekend, worden door de zoölogische systematiek samengevat tot de afstammelingen van de Sauriërs, de Sauropsiden. In tegenstelling tot alle andere diersoorten hebben de Sauropsiden één merkwaardigheid met de mens gemeen, die, omdat deze op het eerste gezicht profaan is, niet in deze samenhang lijkt te passen. Mensen en Sauropsiden scheiden in de urine niet alleen urinestof uit, zoals alle andere dieren ook doen, maar bovendien urinezuur. Urinezuur kan door sommige in de woestijn levende slangen zelfs in kristallijne vorm worden uitgescheiden. Dit is een indicatie dat urinezuur een stof is die zich graag wil kristalliseren. In de fysiologie weet men dat in het menselijk organisme een geheel chemisch systeem wordt opgebouwd dat de kristallisatie van urinezuur verhindert. Daarbij komt het feit, dat de mens een heel bepaalde en individueel verschillende spiegel van opgelost urinezuur in zijn organisme behoudt. Rudolf Steiner, naar wie nog eens mag worden verwezen, heeft in gesprekken artsen gestimuleerd de veranderingen in de afscheiding van urinezuur door denkprocessen te onderzoeken. Aan deze suggestie heeft G.Suchantke gevolg gegeven. [2] De toenmalige intentie was het verband van denkprocessen met de overwinning van kristallisatieprocessen te willen bewijzen. De denkkracht die door haar verbindende werkzaamheid begrippen samenvoegt, hangt samen met het ontbinden van natuurlijke substanties, d.w.z. van zouten. Zoals de opbouw van de menselijke lichaamsorganisatie erop berust dat natuurlijke substanties door de spijsvertering worden afgebroken en vernietigd, heeft ook de op denkprocessen gerichte culturele kant van de menselijke levensorganisatie klaarblijkelijk deze grondslag nodig. De in het hoofd aanwezige zenuwen zijn dan op dezelfde wijze het werkinstrument van het vormkrachtenlichaam bij deze werkzaamheid als de met darmen gevulde buikholte het instrument is van het vormkrachtenlichaam bij de natuurlijke processen. Evenals de spijsvertering niet alleen door de werkzaamheid van de darmen is beschreven, maar daartoe het voedsel nodig is, kunnen ook de denkprocessen niet alleen door de werkzaamheid van de hersenen worden beschreven. Pas wanneer wij de overwinning van de kristallisatiekrachten van het urinezuur er aan toevoegen, hebben wij de gehele grondslag van de denkactiviteit. Het licht dat de mens in het hoofd kan ontsteken, is zonder zijn op ontbindingsprocessen gebaseerde organische grondslag niet mogelijk.

De vogels en in het bijzonder de zangvogels hebben een transparant schedeldak. Speciaal de oogholten zijn toegankelijk voor het licht. Men weet tegenwoordig, dat het in de ogen en hersenen van de vogels schijnende zonlicht de klierwerkzaamheid van de hypofyse stimuleert. Dit geschiedt vooral door de lengte van de dag en zijn cyclische verandering in de loop van het jaar. Het zingen van de vogels in de lente, maar ook het trekinstinct van de trekvogels wordt op deze wijze gestimuleerd. De ochtendzang in het voorjaar begint precies op de minuut volgens de plaatselijke tijd. De merel b.v. begint 43-44 minuten voor zonsopgang, het roodborstje 34 minuten, de tortelduif 27 en de blauwkopmees 9½ minuten voor zonsopgang. Portmann geeft in zijn boek “Von Vögeln und Insekte”[3] waaraan deze cijfers zijn ontleend een beschrijving en samenvatting van hetgeen over de lentezang en zijn oorzaken met zekerheid kan worden gesteld. De vogels zijn met hun door de zon doorlichte hersenen natuurbeelden voor gedachten, de goden waardige gedachten, die de mens door zijn wil om te denken kan voortbrengen, De door de denkwilskracht in het binnenste ontstoken zon heeft voor haar schijnen evenzeer het correlaat van het urinezuur nodig, als de kosmische zon, wanneer deze door het transparante schedeldak het jubileren van de vogels uitlokt. Het urinezuur is de substantie, waardoor het geest-dragende wezen van de mens en het zielenwezen van de vogels zich voor het zonlicht ontvankelijk maken.

De slangen hebben hun schedel door de vorming van hoornsubstantie verduisterd. Alleen boven de pijnappelklier bevindt zich in het schedeldak een gat, misschien een aanduiding voor datgene wat bij hun val ter aarde verloren is gegaan. Dit gat in het schedeldak toont, dat de slangen volgens hun oorsprong voor het ontvangen van zonlicht zijn gevormd. Door zich van de inwerking van de zon af te sluiten zijn zij koud (wisselwarm) gebleven en hebben geen individueel warmte-organisme gevormd. De koude – zo kan men het zien – is de oorzaak dat de hoornsubstantie bij de slangen zich tot pantser heeft ontwikkeld, die het reptiel in zijn eigen organisme gevangen houdt en tegen de zonnewerking afschermt. Bij de vogels die over het warmte-organisme met de hoogste temperatuur in het gehele dierenrijk beschikken, heeft de hoornsubstantie zich tot veren omgevormd, is luchtig-licht tot drager van kleuren en tekeningen geworden, waarop is afgebeeld wat uit het zonlicht werd ontvangen. De koude, aan de duistere aarde gebonden slang, die uit oeroud, verloren gegane verwantschap met de vogelwereld het urinezuur als organische grondslag voor het ontvangen van het licht nog in het organisme draagt, is een natuurbeeld voor dat denken in het menselijke hoofd, dat de goden onwaardige, aan de aarde gekluisterde gedachten denkt. Dat zijn gedachten die voor het geestelijke deel van de wereld blind zijn, die geen genezend licht in het organisme ontsteken, die geen zielenwarmte voortbrengen. Zij leiden tot koude van de ziel en tot ziekte en vormen een zielenpantser, zoals de slang dit fysiek heeft. Zo is de slang een beeld van het materiegebonden denken. Het zich verwerven van deze wijze van denken is een ontwikkelings-historische noodzakelijkheid voor het mensdom. Hoe had de mens tot een individueel Ik, tot een zichzelf-leiden kunnen komen, als de goden hem niet hadden losgelaten? De loodrechte staf van Asklepios en de Dorische zuil van de tholos in Epidauros, zijn beelden van het vrije Ik, dat zonder de er omheen kronkelende slang niet tot zichzelf zou zijn gekomen. De staf omstrengeld door de slang, is een groots mythologisch beeld voor de zichzelf bewuste en derhalve aan ziekten blootgestelde mens.

Asklepios aanvaardt het offer van de haan, de vogel die op aarde heeft leren lopen, zonder, zoals zijn kraaien in de ochtend toont, de relatie met de zon te hebben verloren. Dit offer neemt Asklepios aan van degene die de werking van de ziekte, van de donkere zielenkrachten in zichzelf wil overwinnen.

“Kriton, wij zijn aan Asklepios een haan verschuldigd, ga en offer hem, vergeet het niet!”, dit zijn de laatste woorden van Socrates, toen hij de gifbeker reeds had gedronken; deze woorden verkrijgen hun oude klank, hun ware betekenis pas, wanneer wij ze tegen de hier geschetste achtergrond kunnen zien. Het door eigen schuld aan het lichaam toegevoerde vergif kan Asklepios geestelijk in de ziel genezen, wanneer de mens zelf de brug naar de geestelijke wereld niet wilde verliezen. Zo is ook voor Socrates de haan een natuurbeeld voor de kracht waarmee hij in het uur de geestelijke zon zocht.

De hedendaagse mens heeft zich zijn individuele Ik verworven, en de wereld van de goden verloren. Het aan zichzelf overgelaten mensdom heeft reeds te lang geaarzeld om de verloren draad weer aan te knopen, uit eigen kracht de weg terug te zoeken, om de goden als een vrij individu weer tegemoet te treden. Deze draad kan alleen daar weer worden aangeknoopt, waar zich iets goddelijks in het binnenste heeft gevormd, toen de goden in de buitenwereld verloren gingen. Dit is de kracht van het Ik, die warmte en licht in de gedachten kan brengen, opdat uit eigen kracht tot een kleurig verenkleed wordt wat anders slechts een koude slangenpantser is. Deze kracht van innerlijke verandering te oefenen en te scholen is een geneesmiddel voor de aan de ziel toegebrachte schade van onze tijd, zij is Asklepios in onszelf.

1. GA 312, de blz. is niet vermeld
Vertaald
[2] G.Suchantke: Über den Zusammenhang des Seelisch-Geistigen im Menschen mit seiner Leibesnatur, Natura, 1929/30
[3] Portmann: “Von Vögeln und Insekte”,(Uitg. Fr.Reinhardt,Basel,o.J.)

.
Artikel lijkt een bewerking – auteur onbekend – van een hoofdstuk uit ‘Die Quellen der Kunst, Thomas Göbel

.

Kunstgeschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

.

1622

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – geschiedenis – onderbouw

.

GESCHIEDENIS IN DE BENEDENBOUW

(een bijdrage…)

‘Het is niet goed als je alleen maar in het heden leeft…
Je moet ook weten wie Indië ontdekt heeft, het is gewoon goed om dat te weten.’

Aldus het heldere antwoord van een zevende-klasser op de vraag:’ Waarom leren wij geschiedenis?’

Geschiedenis.
Ja, waaróm leren wij nu eigenlijk die dingen, die zich in het verleden voltrokken hebben; waaróm leren wij datgene, wat door mensenhanden, door mensenzielen, door menselijke daad- en geestkracht geschied is?

Waarom leren wij geschiedenis?

Wij zijn met alle mensen van alle volken en volkeren op aarde verbonden. Wij ademen dezelfde lucht, nemen dezelfde sterren aan de hemel waar en ieder mensenleven is mogelijk door zonnekrachten van dezelfde zon.

Wij hebben de andere mensen nodig; de andere mensen hebben ons nodig. Daarom is het goed: van elkaar te leren; te leren van andere landen en volkeren.

Wij zijn met alle mensen verbonden in de ruimte.

Hoe?

Dat leert ons de aardrijkskunde.

Het is ook goed te leren van mensen en volken, die vroeger op onze aarde leefden. Ook met hén zijn wij verbonden.
Veel hebben zij ons geschonken, waardoor wij, in onze tijd, nu kunnen leven, zoals wij leven:

– De kruisvaarders namen de strijd op tegen de Moren, waardoor wij in zekere zin nog steeds in een vrij Europa leven.

– De ridders van de Tempelorde – ook wel genoemd Tempelridders of Tempelieren- gaven de eerste aanzet tot ons huidige bankwezen.

Hendrik de Zeevaarder opende voor ons de poort naar het Oosten: naar Indië!

Christopher Columbus slaagt er in voor ons de Atlantische Oceaan te overbruggen en ontdekt: Amerika!

Uit het voorafgaande moge blijken, dat wij met alle mensen verbonden zijn, verbonden in de Tijd.

Hoe ?

Dat leert ons de geschiedenis.

Aldus de schuchtere poging van een 7e-klasleraar om voor zijn zevende-klassers het antwoord op bovengestelde vraag te vereeuwigen in hun periodeschrift.

Waar “staat” het zevende-klas-kind, of beter gevraagd: waar “staat” het kind in de benedenbouw ten opzichte van alles wat hem omringt>
“Ik zie rond in de wereld…”

Wat beleeft het kind als het deze regel en ook steeds de volgende regels opzegt op de eerste dag (en volgende dagen) in de vierde klas en wat beleeft het daarbij in de vijfde, zesde, zevende en achtste klas?

Een antwoord proberen te geven op deze vragen, is een gevaarlijke onderneming, ligt ook geenszins in het vermogen van schrijver dezes, heeft echter alles te maken met wat er door de jaren heen aan, met, in en door het kind “geschiedt”.

Telkens weer neem je aan het opgroeiende kind waar, dat het steeds en opnieuw zijn eigen grenzen doorbreekt, dat het verschillende keren in zijn leven zijn horizon verruimt.
Het kind ontdekt telkens meer van zichzelf, wordt zich ook steeds bewuster van zichzelf en wordt zich ook steeds meer bewust van zijn/haar plaats in de wereld.

Het is enorm indrukwekkend, om te mogen ervaren hoe helder en klaar ons geschiedenisonderwijs daarop aansluit!

In de vierde klas nog geen “echte geschiedenis”, maar (Germaanse) mythologische verhalen.
In klas vijf en zes wordt in de Griekse en Romeinse historie een brug geslagen van de mythologieën naar de meer gestructureerde geschiedenis.
In klas zeven wordt veel van wat tot dusverre “versluierd” en “bedekt” was, nu “ontsluierd” en “ontdekt !”

Ademloos, vol enthousiasme, kan zo’n zevende-klasser meeleven met de lotgevallen van de verschillende ontdekkingsreizigers. Geen wonder!?

De 13-jarige is immers ook steeds op zoek naar nieuwe grenzen, is dus in zekere zin, ook een ontdekkingsreiziger, die met vallen en opstaan steeds grenzen doorbreekt en dan een stukje “nieuwe wereld” ontdekt.

Soms kan het in de belevingswereld van de prepuber heel erg duister zijn, maar telkens weer wint het licht het van de duisternis. Telkens, als de zon opgaat, blijkt de dag weer van de nacht gewonnen te hebben,..!
Een van de matrozen van Columbus, was iedere dag zo verblijd, dat hij staande aan de reling van zijn schip, kijkend tot hoever zijn horizon reikte (….!) God dankte met deze woorden:

Bendita sea la luz
Y la Santa Veracruz
Y el senor de la Verdad
Y la Santa Trinidad;
Bendito sea el dia
Y el Senor que nos Zo manda;
Bendito sea el dia
Y el Senor que nos lo envia

(Vertaling:

Geprezen zij het licht
en het Heilige Kruis
en de Heer van de Waarheid en de Heilige Drievuldigheid.
Geprezen zij de ziel
en de Heer, die haar ons schenkt.
Geprezen zij de dag
en de Heer, die hem ons stuurt).

.

J.H.M.Dieselhorst, nadere gegevens onbekend
.

Geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: geschiedenis 5e klas, 6e klas 

.

1563

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (8-1)

.

Op 5 mei 1818 werd Karl Marx geboren.
Zijn opvattingen stonden ver af van die van Steiner, die een honderd jaar later zijn ideeën over een driegelede maatschappijstructuur kenbaar maakte. In die tijd – o.a. van de Russische revolutie – was de invloed van Marx’ ideeën groot, maar ze stonden vrijwel haaks op de gedachten van Steiner.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Steiner ruimschoots aandacht aan hem en aan zijn opvattingen – bijv. over ‘waren, arbeid en kapitaal’ – besteedde.

In de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw bestond er voor de idee van de sociale driegeleding veel meer zichtbare belangstelling dan nu – min of meer 100 jaar nadat Steiner die ideeën probeerde ingang in de maatschappij te doen vinden.

In het tijdschrift Jonas schreven door Steiner geïnspireerde auteurs met grote regelmaat over de driegeleding. En ook over Marx.

Aangezien deze artikelen nauwelijks aan zienswijze hebben ingeboet, zullen ze hier – in het kader van ‘archieveren’ worden weergegeven, voor zocer ze nog in mijn bezit zijn.

Wat kunnen we doen?

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring

Nog is er niets gebeurd; nog kan men zich terugtrekken in een dal van de Hoge Alpen in een „gezonde” natuur om uren- en dagenlang de bedreigingen van onze beschaving te vergeten, te verdringen — waarom ook niet, als men uit de stilte en schoonheid van die oases kracht en moed voor het dagelijkse leven meebrengt. Wie de wereldsituatie echter goed beschouwt en de tijdstendensen volgt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de ontwikkelingslijnen steeds duidelijker op komende crisissen en catastrofes wijzen. Zo iets schrijft men niet graag neer en zeer zeker niet zonder zorg. Het woord catastrofe gebruik ik bepaald met tegenzin, want met „paniekzaaien” is niemand geholpen. Maar de tekenen des tijds zijn zo overduidelijk, dat men wel blind moet zijn om ze niet te zien.

Zelf zie ik de volgende hoofdproblemen, die stuk voor stuk belangrijk genoeg zijn om de mensheid in haar bestaan te bedreigen of haar ontwikkeling eeuwen terug te zetten:

• De bevolkingsexplosie en de tengevolge daarvan dreigende hongercatastrofe, die tot ernstige conflicten tussen het noorden en het zuiden kan leiden.

• De dreigende milieuvernietiging en -vergiftiging.

• De wedkamp der supermachten USA, USSR en China, die reeds door een fout in het communicatiesysteem tot een oorlog opgevoerd kan worden.

• De zelfvernietiging van de steden die een duizenden jaren oude stadscultuur dreigt te verstoren, wat een enorm sociaal onheil met zich brengen kan.

• De ongeremde exploitatie van de verstandelijke vermogens van de jeugd door de machinerie van het intellectualisme (geprogrammeerd leren, het vervroegd leren lezen, enz.)

• Het verval van de oude — alleszins problematische — moraal, zonder dat nieuwe en betere gedragsregels ervoor in de plaats komen.

Gesteld tegenover deze problemen, die men nog zou kunnen aanvullen en illustreren, komt de vraag in ons op: „Wat kunnen we doen! ” Deze vraag dringt zich vooral aan ons op, omdat men van mening is, dat degenen die de verantwoording dragen niet genoeg en niet het juiste zouden hebben gedaan. Het meest verbreide antwoord op de vraag „Wat te doen” is kort en bondig: revolutie, omwenteling! De onderlinge betrekkingen, de omstandigheden moeten veranderd worden als men werkelijk wat bereiken wil. Pas als het kapitalistische stelsel en de bureaucratische staat geliquideerd zijn, is er een kans om een nieuwe, betere maatschappij en een nieuwe mens te vormen. Revolutie betekent: radicaal opnieuw beginnen, het kwaad bij de wortel aanpakken door de oorzaken van de huidige misstand te verwijderen. En de oorzaken liggen, zo meent men, in de omstandigheden, in de maatschappelijke machtsverhoudingen. Wie draagt de schuld van de milieuvernietiging: het op voordeel beluste „kapitalisme”! Wie verdient aan de oorlogen? Het „kapitalisme”! Wie wil reeds de kinderen op de omgang met machines africhten? Het machtbegerende „kapitalisme”, dat zich een gedwee volk kweekt! —Het is de materialistische interpretatie die meent met de wijziging van de omstandigheden — dus in ons geval met de liquidatie van het kapitalisme en imperialisme – de problemen zelf te kunnen oplossen en zo ook de mensen te kunnen verbeteren.

revolutie

Het is de revolutie die de gewenste grote en ingrijpende verandering in de omstandigheden brengt. Vatten we nog eenmaal kort de geschiedenis van de revolutie samen, om ons een beeld te vormen van de historische praktijk van deze wereldverandering. De revoluties treden in de latere tijd in de plaats van die bewegingen die het „goede oude” wilden herstellen: in de middeleeuwen was het de Renovatie; daarna volgden de Renaissance en de Reformatie. Ook de eerste grote revolutie van de nieuwe tijd, de Engelse, begon nog als een beweging tot herstel van het goede oude recht der Magna Charta (waarin men zijn eigen wensen geïnterpreteerd had), maar na een zestig jaar durende strijd had men tenslotte „de glorierijke revolutie” volbracht, en aan staat en maatschappij een nieuwe ordening gegeven. Zonder plannen gemaakt te hebben en zonder theorie had men de revolutie haast instinctief ten uitvoer gebracht.

Anders verliep de revolutie in Frankrijk: men wist dat er een revolutie zou komen. De gedachten van Montesquieu (machtenscheiding) en Rousseau (gelijkheid) vormden een theorie die de gebeurtenissen hun richting gaven. Met het geweld van een natuurgebeuren brak dan echter de revolutie toch in wezen onvoorgenomen en ongewild los en verzwolg niet alleen de Royalisten en Girondijnen, maar ook haar eigen bijzonderste kinderen, Marat, Danton en Robespierre. Niet de ideale deugdzame mens, die Robespierre en Rousseau zich hadden voorgesteld, werd uit de Franse Revolutie geboren, maar Napoleon, de code civil (het Burgerlijk Wetboek) en — de burgerlijke samenleving van de negentiende eeuw.

Door het voorbeeld van de Franse Revolutie en de kleinere die daarna nog kwamen tot aan de opstand van de Parijse Commune besefte men, wat revolutie eigenlijk was. Karl Marx voorspelde de komende revolutie. Lenin was dat niet genoeg: hij beraamde plannen en voerde tenslotte de revolutie uit.

Met het „uitvoeren” van de revolutie is een wereldhistorisch gewichtig stadium in de geschiedenis der mensheid bereikt: men maakt geschiedenis, plannen en sociale gebeurtenissen volgens bepaalde theorieën. De mensheid overschrijdt zo de drempel van de van buitenaf bepaalde „menselijke geschiedenis”.

Lenin merkte zelf al in de laatste jaren van zijn leven, dat zijn revolutie haar doel niet bereikt had. Weliswaar had hij gepoogd de oude staat, het oude leger en de bureaucratie te vernietigen en was het kapitalisme geliquideerd, maar uit alle hoeken en gaten van de Sovjetstaat kroop de oude bureaucratie tevoorschijn; al spoedig vormde zich, zoals Milovan Djilas het raak gekarakteriseerd heeft, een „nieuwe klasse” van functionarissen, en uiteindelijk bedreef de nieuwe Sovjetstaat de oude imperialistische politiek van Rusland. Men had iets nieuws willen brengen maar was ongewild weer in het oude beland. Ook al herkent men de prestaties van de Sovjetunie volledig, dan kan men nochtans de mening zijn toegedaan dat in de Sovjetstaat een technocratische kaste van functionarissen heerst over een kleinburgerlijke samenleving.

Mao Tse-tung

Vanuit dit aspect moeten we de door Mao Tse-tung in scène gezette grote Chinese cultuurrevolutie beschouwen. Nadat in 1949 de volksrepubliek China door een boerenrevolutie gegrondvest was, begon na een twintigjarige burgeroorlog een fase van kalmering en consolidering, en dat was de aanvang van een nieuwe verburgerlijking. Hoge posten werden bekleed door academici; letterkundige en wetenschappelijke examens openden de weg daartoe, zoals dat ten tijde van het confucianisme ook het geval was. Zo dreigde weer een klasse van functionarissen, litteratoren en technici te ontstaan.

Doordat men in China het gehele examensysteem en de inschrijving van studenten afschafte en in de opvoeding elke theoretische opleiding met praktisch werk verbond, begon er een heropvoedingsproces dat klassenvorming en verburgerlijking verhindert. De terugkeer der mandarijnen is door de proletarische cultuurrevolutie zeker verhinderd. Of echter de cultuurrevolutie werkelijk een spontane, vrije, scheppende beweging van de revolutionaire massa’s of de grootste massa-
indoctrinatie en geestelijke gelijkschakeling aller tijden geweest is, dat zal de toekomst ons moeten leren. — Eén ding laat het verloop van de revolutie in China ons in elk geval zien: de revolutie is geen eenmalig gebeuren meer; volgens de woorden van Mao is het zelfs als voortdurend omvormingsproces van mens en milieu gedacht.

Nieuwe ordening

Duidelijk komt in de volgende vragen de problematiek van de revolutie naar voren, namelijk: „Wat wil ze in de plaats van de oude ordening stellen? ” en „Hoe brengt ze een nieuwe ordening tot stand? ” De Franse en de Russische revolutie hebben in wezen het vraagstuk van de nieuwe ordening en van de nieuwe mens niet opgelost, maar alleen op bepaalde gebieden ingrijpende veranderingen gebracht.

De Chinese cultuurrevolutie, wat voor een zonderlinge en avontuurlijke indruk ze ook op de Europese waarnemer maken mag, heeft in elk geval een belangrijk probleem herkend en geformuleerd: „De uitbuitende klassen werden ontwapend — maar hun reactionaire ideeën blijven stevig in hun hoofden vastgeworteld. Wij hebben hun eigendom in beslag genomen, maar hun hoofden kunnen we niet van reactionaire gedachten bevrijden.”

Om de hoofden nieuwe gedachten in te prenten, begon men de cultuurrevolutie en men prijst nu in heel China de „gedachten van Mao Tse-tung”, omdat men heeft ingezien dat het handelen van de mens door zijn gedachten bepaald en geleid wordt, en men laat de intellectueel lichamelijke arbeid verrichten opdat hij uit de praktijk nieuwe gedachten zal opdoen. De revolutie wordt op deze manier tot opvoedingsproces. Mao weet dat alleen daar een nieuwe wereld, een nieuwe ordening kan ontstaan, waar nieuwe gedachten zijn.

Daarmee krijgt de gedachte, de idee, een betekenis die in de materialistische interpretatie van de geschiedenis in het geheel niet was voorzien. Naast de verandering van alleen de omstandigheden komt de verandering van de mensen en hun gedachten te staan.

Reeds in een geschrift uit het jaar 1845 kan men lezen: „De materialistische leer van de verandering der omstandigheden en der opvoeding vergeet, dat de omstandigheden door de mensen moeten worden veranderd en dat de opvoeder zelf moet worden opgevoed. Om de samenleving te kunnen doorgronden, moet ze in twee delen worden gezien, waarvan het ene deel boven het andere verheven is.”

Deze woorden uit de stellingen over Feuerbach van Karl Marx geven een tweevoudig dilemma aan: Wanneer de omstandigheden — of de opvoeding van de mens — door iemand worden veranderd die niet al zelf veranderd is, die niet al zelf „een nieuwe mens” is, dan moet men zich niet verwonderen als alle, zij het ook met nog zo veel vlijt aangebrachte verandering, tenslotte alleen het oude reproduceert, omdat telkens de verkeerde manier van denken van de vaders weer binnensluipt en zich ermee vermengt.

Aan de andere kant vraagt Marx met recht: Welk deel van de samenleving heeft het recht zichzelf boven de ander te verheffen en hem op te voeden? Alleen de reeds volbrachte zelfopvoeding van een enkeling of van een groep mensen kan de bevoegdheid geven om de omstandigheden te veranderen! Men kan de mensheid niet de chaotische wensen van zijn eigen door het kapitalisme gevormde wezen als revolutionair programma aanbieden. Wel moet deze zelfopvoeding ook werkelijk praktisch zijn, een proces dat zich midden in het maatschappelijke leven van onze tijd afspeelt en daarin voldoet. Dan zal namelijk de omvorming van onszelf niet abstract zijn maar zich tegelijkertijd bezighouden met de verandering van de wereld. Dat weet ook Karl Marx. Hij hecht er veel waarde aan dat het allebei, de verandering van de wereld die van onszelf, op dezelfde wijze en in dezelfde mate zal gebeuren, dat het samenvalt: „De gelijktijdigheid van zowel de verandering van de omstandigheden als van de menselijke bemoeiingen om zichzelf te veranderen, kan alleen als revolutionaire praktijk gebracht en rationeel, op wetenschappelijke feiten gebaseerd, worden begrepen.

Rationeel

Waar kan zo’n revolutionaire praktijk rationeel beginnen? Vele „revolutionairen” uit onze dagen menen: in de dagelijkse politieke strijd. Dat leidt echter, zoals de ervaring ons heeft geleerd, alleen tot een hier en daar proberen, tot onrust en tenslotte tot berusting. De werkelijke revolutie neemt een ander uitgangspunt: ze begint met een verandering van het eigen denken. Normalerwijze wenden we onze gedachten net zoals ze in ons opkomen aan, om de wereld te beoordelen. Daarbij besturen zowel denkgewoonten als antipathie en sympathie onze meningen. Hebben we ons eenmaal het denkbeeld gevormd dat b.v. het materialisme de juiste wereldbeschouwing is, dan zullen we alle gedachten en redenen met ons denken erbij sleuren om deze mening te ondersteunen. Ons denken is dan in één richting geprogrammeerd.

Daartegen helpt slechts één ding: zich tegenover zijn eigen denken plaatsen en het observeren. Met de waarneming en controle van de eigen gedachten begint de werkelijke zelfbevrijding van de mens, die een omwenteling in zijn bestaan betekent. Dit is geen theoretisch probleem, maar een voortdurende practische opgave: Inzicht te verkrijgen in de gedachten en motieven die de eigen denkbeelden en daarmee ook het eigen handelen bepalen. Hiermee begint het proces van de zelfbevrijding. En dat is bepaald geen genoegen, want op hetzelfde moment waarin men ophoudt instinctmatig en volgens gewoonte over alles te oordelen, wordt men om te beginnen onzeker, men begint te vragen. Dat is al een enorme vooruitgang, want de vraag leidt tot beter en misschien ook onbevangener observeren.

Zolang men nog instinctief gewoon „erop los” dacht, wist men op alles een antwoord. Vooral als er in menselijke relaties iets verkeerd ging, was het meteen duidelijk waar dat aan lag. De van zichzelf overtuigde zocht de schuld bij de anderen; de ander, moedeloos geworden, stelde — al even onproductief — vast: mij lukt ook nooit iets. De werkelijke oorzaken opmerken, dat kan alleen hij wiens denken niet geprogrammeerd is. Wie zich vragend aan de verschijnselen weet over te geven, leert uit de praktijk van het leven. Hij krijgt dan ook vanuit de omgang met de mensen en dingen nieuwe gedachten. De theoretici van het marxisme hadden gedacht dat de bevrijde klasse der proletariërs vanzelf wel voor de nieuwe gedachten en nieuwe sociale vormen zouden zorgen. Rosa Luxemburg b.v. geloofde dat het revolutionerende proletariaat de intuitiebron zou zijn, waaruit nieuw denken en nieuw willen geboren zouden worden. Bij een dergelijke opvatting wordt vergeten dat ook het als een mythe vereerde proletariaat het bedorven, in verval geraakte voortbrengsel is van een burgerlijk-kapitalistische samenleving. Het denken van dit proletariaat — voor zover dat tenminste nog bestaat — is door de gedegradeerde vormen der burgerlijke wetenschap geblokkeerd. In werkelijkheid heeft het revolutionaire proletariaat in het geheel geen nieuwe vormen en ideeën voortgebracht, maar werd het integendeel door een kleine groep burgerlijke beroepsrevolutionairen bestuurd en aan de leiband gehouden.

Ervaring

Antroposofie stelt zich ten doel, de weg naar nieuwe gedachten en sociale vormen werkelijk vrij te maken, en ze heeft in de afgelopen tientallen jaren weliswaar niet genoeg maar toch van alles gepresteerd wat de aandacht verdient. Deze wereldbeschouwing doelt geenszins alleen op verinnerlijking en zelfopvoeding, maar in dezelfde mate op wereldhervorming. Voor haar begint echter de praktijk der verandering met de verandering van het practische denken.

In de kennisleer van Rudolf Steiner wordt dat volkomen duidelijk: de eerste schrede naar het verkrijgen van inzicht is een poging om tot rechtstreekse ervaring en waarneming te komen. In het dagelijks leven hebben we om twee redenen geen directe ervaringen. Enerzijds omdat we datgene waarmee we in aanraking komen altijd beschouwen vanuit abstracte gezichtspunten: als het om een mens gaat dan vinden we hem dom of knap, vriendelijk of hatelijk, sympathiek of onsympathiek, en zo vormen we oordelen die al van te voren onder de dictatuur van bepaalde begrippen staan, begrippen die nergens aan getoetst zijn en waarvan de gegrondheid twijfelachtig is. Erger is echter dat deze abstracte brillen ons verhinderen tot werkelijke ervaring te komen.

Anderzijds zorgt heden ten dage de technische wereld om ons heen ervoor dat mensen steeds minder werkelijke ervaringen kunnen maken. In vroeger tijden werden de meeste mensen door hun werk in weer en wind en met ploeg en hamer wezenlijk met de dingen vertrouwd. Men ondervond de gevolgen van het eigen bezigzijn lichamelijk. Tegenwoordig beschermen we ons niet alleen als we ons b.v. in het wegverkeer begeven, met een stalen pantser dat we auto noemen, we zijn ook bij de uitvoering van ons dagelijks werk tegen vele gevolgen „verzekerd”.

Het is echter noodzakelijk dat wezenlijke ervaringen gemaakt en dat deze ervaringen ten volle innerlijk doorleefd worden. Pas dan kan de mens ertoe komen dat hij spontaan vanuit eigen beleven en ervaren zichzelf uitspreekt. Directheid, spontaniteit, vrijheid, het zijn geen geschenken van de natuur, zij moeten door bewuste scholing worden voorbereid.

Nieuwe gedachten

Hoe ieder afzonderlijk zoveel mogelijk ervaringen kan opdoen, is moeilijk in het algemeen te zeggen. Maar zoveel is wel duidelijk: Men kan ernaar streven met zoveel mogelijk mensen een innerlijk levendige ontmoeting te hebben, en ook onaangenaam lijkende ontmoetingen niet uit de weg te gaan.

Verder kan men ervoor zorgen niet in een sleur te verstarren door heel bewust nieuwe werkzaamheden en taken op zich te nemen, ook die waarvoor men niet „geschikt” is. Zelfs de vakantie kan men daartoe gebruiken, door niet alleen zo maar op reis te gaan maar door zich in ander werk, onder andere mensen te hervinden, zich werkelijk te herstellen, zichzelf op een nieuwe plaats te stellen. Uiteindelijk dienen alle oefeningen waarbij de geest geschoold wordt, ter vermeerdering van de ervaring. De controle van de eigen gedachten is daarentegen een oefening die iedereen in de eerste plaats alleen te verwerken heeft. Hierbij gaat het erom niet volgens het gebruikelijke patroon te denken. Niet te vragen: wat was goed — wat was verkeerd — maar zich onbevangen aan de verschijningen over te geven en te vragen: wat is dat?

Werkelijk nieuwe gedachten komen vaak niet in ons op, omdat we al een bepaalde opvatting over het probleem hebben, omdat we al weten — of beter: denken te weten —, wat er moet gebeuren-. Als men echter al weet wat er aan de hand is en wat men te doen heeft, kan men het verschijnsel niet meer onbevangen waarnemen. Alleen daar waar het is gelukt de situatie onbevangen, met open vragende ziel innerlijk te doorleven, alleen daar treden intuïties op.

Iedere nieuwe gedachte is het kind van een nieuwe ervaring; uit het zuivere waarnemen ontstaat de zuivere en nieuwe gedachte. Men zal zo weliswaar niet direct met het oplossen van alle aan het begin genoemde wereldvragen kunnen beginnen, maar wel kan men iets reëlers doen: men zal kunnen beginnen met handelen, met werken, en in deze arbeid legt men kiemen, die zich verder kunnen ontwikkelen.
.

Christoph Lindenberg, Jonas 04-03-1972

.

Sociale driegeleding: alle artikelen

.

Boeken van Lindenberg

Vrijescholen, leren zonder angstscroll op alfabet

 

1521

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/4)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST 4

Zie deel 3: Toch wijst het voorgaande niet direct op de uitvinding van drukken met losse letters, hoewel er een aanduiding is van een procedé, waarbij metalen letters werden gebruikt. Werden deze misschien bij het ’schrijven’ van een tekst achtereenvolgens op het papier afgedrukt, zo ongeveer als de letters van onze stempels.

Binnen 50 jaar na Waldfoghels tijd is geen enkel stuk drukwerk aan het licht gekomen; geen enkele schrijver heeft ernstig volgehouden dat de proeven van Waldfoghel ouder zijn dan de experimenten van Gutenberg. Men heeft wel verondersteld dat Waldfoghel het denkbeeld van drukken kan hebben opgevangen uit het een of ander dat bij het proces van Gutenberg in Straatsburg in 1438 openbaar werd. Volgens bepaalde akten woonden er verscheidene vroegere Straatsburgers omstreeks 1445 in Avignon. Hieronder was ook een zilversmid!

Volgens een duistere 17e-eeuwse kroniek zou Pamfilo Castaldi van Feltre in Italië de uitvinder der boekdrukkunst zijn. Zijn geboorteplaats schonk zoveel geloof aan dit verhaal, dat er in 1868 een monument voor hem werd opgerioht. Geschiedkundigen vatten het verhaal niet ernstig op, hoewel het een feit is dat hij de eerste drukker van Milaan was.

België laat nog een zwak geluid horen met Jean Brito, die zich te Brugge van ongeveer 1477 tot 1488 met drukken heeft beziggehouden. Geen van die vertelsels berusten echter op iets anders dan op plaatselijke legenden.

De uitvinding verbreidde zich snel over heel Europa. Duitsland en Nederland gingen voorop in de rij van landen waar drukkerijen werden opgericht en vele andere volgden hun voorbeeld. In Italië werd in 1464 een drukkerij opgericht in het klooster Subiaco bij Rome, die korte tijd later naar het centrum van de hoofdstad werd verplaatst.

Op verzoek van enkele hoogleraren kreeg de Parijse Sorbonne in 1470 een drukkerij. Het slotschrift van het eerste gedrukte boek te Parijs draagt het jaartal 1470 en noemt als drukkers: Michael Friburger, Ulrich Gering en Martin Cranz.

Wat Engeland betreft namen enkele kooplieden in 1476 het initiatief. Aan het eind van de 15e eeuw bezaten meer dan 100 Europese steden een drukkerij. Hoewel de techniek nog primitief was, vervaardigden de eerste drukkers prachtige werken. Hun producten (tot ± 1600) noemen we incunabelen of wiegedrukken, omdat de boekdrukkunst zich nog ’in cuna’ (in de wieg) bevond!

Natuurlijk heeft men in de loop der tijd veel weten te verbeteren aan de techniek van het boekdrukken, maar toch is deze bijna drie eeuwen lang in feite ongewijzigd gebleven.

In de 16e eeuw kwam de techniek van de kopergravure op. Aangezien die uitermate geschikt was voor technische en natuurwetenschappelijke werken verdrong die bijna de boekdruk zelf. Het spreekt wel vanzelf dat de kopergravure met kop en schouders uitstak boven de houtsnede. Met de naald graveerde men alles veel fijner in metaal dan men met hout sneed. De houtsnede deed nog slechts dienst voor de armelijke volksprenten, maar omstreeks 1800 beleefde de houtsnijkunst een nieuw hoogtepunt.

Drie procedés

In 1796 werd de grondslag gelegd voor de zgn. steendruk (lithografie). Daarmee ontstond – naast de hoogdruk en de diepdruk – de derde van de drie hoofdprocedés : de vlakdruk. Voordat we over elk van deze drie procedés iets zeggen, vermelden we nog dat vele uitvindingen werden gedaan en dat men nog vele verbeteringen aanbracht. We noemen daarvan slechts de stoomdrukmachine, rotatiepers, tegelijk gieten en zetten van letters enz. Bovendien haalde men steeds grotere oplagen in steeds kortere tijd!

Zonder ons te veel in technische details te verdiepen gaan we hieronder na wat de drie hoofdprocedés waarover we het hadden, precies inhouden.

Om teksten of afbeeldingen te kunnen afdrukken, hebben we drie dingen nodig: 1. een drukvorm (met tekst en/of figuren);
2. papier of een dergelijk materiaal;
3. een werktuig dat – door middel van druk – de tekst en/of figuren overbrengt.

Hoogdruk is het procedé waarbij het te drukken beeld verhoogd is aangebraoht. Om afdrukken te krijgen moeten we de letters en clichés (de verhoogde delen dus) door middel van rollen van inkt voorzien. Doordat het drukbeeld hoger ligt dan zijn omgeving neemt alles wat niet tot de voorstelling behoort, geen inkt op. We kunnen deze methode vergelijken met de rubber lettertjes waarmee kinderen spelen.

Diepdruk moet u zien als het tegengestelde van hoogdruk. Het drukbeeld is hier namelijk niet verhoogd maar verlaagd aangebraoht in het metaal. Vroeger werd het beeld verkregen door etsen of graveren. Tegenwoordig* maakt men echter gebruik van chemicaliën die het beeld in een koperen cilinder bijten. Voorzien we de cilinder nu van inkt, dan komt niet alleen het verlaagde beeld met de inkt in aanraking, maar het gehele cilinderoppervlak. Bij afdrukken zou dit een onleesbare, zwarte en vlekkerige massa geven! Daarom wordt de overtollige inkt vóór het drukken weggeschraapt met een soort verend mes, waaraan men de naam rakel heeft gegeven. Het spreekt wel vanzelf dat alleen de inkt van de oppervlakte wordt verwijderd. Naar de naam van het verende mes spreekt men ook van rakeldiepdruk.
Ten slotte de vlakdruk. Bij deze druktechniek ligt het te drukken beeld op gelijke hoogte met de delen die niet mogen drukken. Na ininkting zou dus alles afdrukken, hetgeen een groezelige massa zou geven. Door gebruik te maken van het feit dat water en vet elkaar afstoten, heeft men dat opgelost. Wanneer men met inkt (vet) op een ondergrond van b.v. metaal een tekst aanbrengt, bereikt men dat alleen die tekst wordt afgedrukt, en wel door de niet voor afdrukken bestemde delen waterhoudend en dus vetafstotend te maken. Als dus een bewerkte plaats eerst met water wordt ingerold (de tekst neemt hierbij geen vocht aan) en daarna met (vette) inkt, neemt uitsluitend de tekst inkt aan. Bij contact tussen beeld en papier wordt dus alleen de tekst overgebracht. De bekende offsetdruk is vlakdruk.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend *artikel waarschijnlijk uit de jaren 1980 of eerder. Uiteraard heeft de ontwikkeling niet stilgestaan. Om die te zien, zou je bijv. met een klas naar een drukkerij kunnen gaan.

Deel 1    deel 2     deel 3

.

7e klas geschiedenisalle artikelen

.

1518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/3)

 

het ontstaan van de boekdrukkunst 3

Op grond van de huidige kennis mogen we aannemen dat het drukken met losse letters van metaal door Johann Gutenberg te Mainz of omgeving, tussen 1440 en 1450, is uitgevonden. Zowel in Mainz als in Straatsburg heeft men een standbeeld van hem als de uitvinder der boekdrukkunst geplaatst.

Zoals we al eerder zeiden, is die mening niet onaangevochten gebleven. De meeste aanspraken van andere landen kunnen we gevoeglijk terzijde schuiven. Een daarvan, namelijk die van ons eigen land, verdient een nadere beschouwing. De Hollandse aanspraak op de uitvinding is pas lange tijd na de uitvinding zelf naar voren gekomen. We vinden het eerste gerucht in een in 1499 te Keulen gedrukt boek: de ‘Keulse Kroniek’. Daarin komt o.a. de volgende passage voor: ‘Hoewel deze kunst in Mainz werd uitgevonden, voor zover het betreft de wijze waarop die thans in de regel wordt gebruikt, werden de eerste voorlopers daarvan in Holland gevonden.’

U begrijpt dat dit verhaal niet bepaald veel houvast geeft. Deze mededeling, die steunde op mondelinge verklaringen, stelt vast dat het boekdrukken in Mainz werd uitgevonden. Deze uitspraak wordt echter onmiddellijk in twijfel getrokken met de opmerking dat ‘er al voorlopers in Nederland waren geweest, namelijk in de vorm van Donaten’ (sehoolgrammatica’s), die vóór die tijd waren gedrukt. Geen enkel document bevestigt dit echter. Het zal u niet verbazen dat het woord ‘voorlopers’ (Vurbyldung) een bron van talloze onderzoekingen en redetwisten is geweest.

Een van de overige verhalen over de uitvinding in Holland is van Adriaen de Jonghe, een Nederlandse dokter en geschiedschrijver, ook genoemd Hadrianus Junius. Een door deze Hadrianus Junius geschreven geschiedenis van Holland, ‘Batavia’ geheten, vormt de voornaamste grondslag voor de Hollandse aanspraak op de uitvinding. Junius eiste de eer van de uitvinding zonder voorbehoud op voor Haarlem. Dit baseerde hij op inlichtingen die hij van bejaarde inwoners ‘van onbetwistbare betrouwbaarheid’ uit Haarlem zou hebben gekregen. Hij vermeldt dat vóór 128 jaar – dat is in 1440 – in Haarlem een zekere Laurens Janszoon Coster leefde, van wie op het moment dat Junius dit schrijft nog nazaten in leven waren.

Coster bezat het kostersambt erfelijk, maar het dagelijkse werk dat daaraan was verbonden, verrichtte hij niet zelf; hij was koopman en zorgde in die hoedanigheid voor de leverantie van kaarsen, olie, zeep en wijn. Op een dag toen Coster ‘met zijn kleinkinderen’ (volgens Junius!) in de Hout wandelde, sneed hij enige letters uit boombast; hij constateerde dat die letters op een vel papier een afdruk maakten. Hij begreep dat dit van betekenis zou kunnen zijn en besloot deze proef in het groot te herhalen. Samen met zijn schoonzoon, Thomas Pieterszoon, ontwikkelde hij een betere zwarte inkt, omdat de gewone inkt geen duidelijke afdrukken gaf, en verving de beukenhouten letters door loden. Later gebruikte bij tin om ze sterker en duurzamer te maken,

We vervolgen met een citaat uit de eerdergenoemde, in het Latijn geschreven, ‘Batavia’ van Junius.
‘De nieuwe uitvinding bloeide wegens de graagte waarmee het volk het nieuwe product kocht. Er werden leerlingen aangenomen. Het begin van het ongeluk, want onder hen was een zekere Johann. Nadat deze Johann de kunst van letters gieten en zetten – dus het gehele bedrijf – had geleerd, greep deze op kerstavond, toen allen naar de kerk waren, de gunstige gelegenheid aan en stal de gehele voorraad lettermateriaal met de gereedschappen en werktuigen van zijn meester. Hij begaf zich eerst naar Amsterdam, toen naar Keulen, en uiteindelijk naar Mainz, dat ver genoeg was om hem veilig te doen zijn, opende aldaar een drukkerij en oogstte de vruchten van zijn diefstal. Het is bekend dat binnen het jaar, in 1442, met dezelfde letters die Laurens in Haarlem had gebruikt, zijn eerste werk verscheen, het ’Doctrinale’ van Alexander Gallus, een spraakkunst die in die tijd in algemeen gebruik was, te zamen met de tractaten van Petrus Hispanus. Dit is ongeveer het verhaal zoals ik het heb gehoord van oude en vertrouwde mannen, die het van hun voorvaders hadden vernomen.’

Tot zover Junius.

We moeten bij het voorgaande aantekenen dat Hadrianus Junius verre van kritisch was ten aanzien van de feiten die hij noemt. Uit een stamboom blijkt bijvoorbeeld dat Coster in 1440 nog geen kleinkinderen had! Junius vertelde slechts het verhaal dat toen de ronde deed.

Geen enkele aantekening in officiële stukken legt verband tussen Coster en het drukkersbedrijf. Eerst in 1559 vermeldt een geschreven stamboom van de familie Coster dat deze ‘de eerste druk in de wereld bracht’, en wel in 1446.

Vóór 1470 kon men echter geen met losse letters gedrukte boeken aanwijzen; de oudste boeken droegen geen merk omtrent het jaar van drukken. Wat Coster betreft besluiten we met te vermelden dat er geen enkel bewijsstuk bestaat aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het Hollandse drukwerk aan de aanvang der typografie in Duitsland vóóraf ging. Wat zou er met de drukkerij van Coster zijn gebeurd? Men neemt aan dat zijn nabestaanden de drukkerij hebben voortgezet (tot ongeveer 1470). Volgens Junius zijn de overgebleven letters van Costers drukkerij gesmolten om er wijnkannen van te maken.

In Haarlem heeft men op de Grote Markt voor Laurens Janszoon Coster een standbeeld opgericht. Achter de firma Enschedé en Zonen bevindt zich eveneens een standbeeld te zijner ere. Ook in de Haarlemmerhout vinden we een gedenksteen.

Overige aanspraken

Er zijn meer pretendenten geweest voor de eer van uitvinder der boekdrukkunst. Ze zijn echter weinig geloofwaardig. Een daarvan berust enigszins op een deugdelijke grondslag. In 1890 ontdekte Abbé Requin te Avignon in Frankrijk vijf notariële protocollen in het Latijn, gedateerd 1444 en 1446. Deze vermeldden dat Procopius Waldfoghel, een zilversmid uit Praag, destijds woonachtig in Avignon, zich bezighield met een methode ‘om kunstmatig te schrijven’. Een van die documenten spreekt van ‘twee stalen alfabetten, twee ijzeren vormen, een stalen schroef, achtenveertig tinnen vormen, en verschillende andere vormen, behorende tot de kunst van schrijven’.
Een ander document ging over een belofte die Waldfoghel gegeven had om les te geven in zijn kunst van schrijven. We horen voorts over beloften om geen anderen in te wijden in deze kunst; over de vervaardiging van 27 Hebreeuwse letters gesneden in ijzer ‘volgens de wetenschap en de methode van schrijven’ en over instrumenten van hout, tin en ijzer.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1    deel 2    deel 4
.

Gutenberg, Coster

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1517

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/1)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST

We leven in een tijd waarin massa’s boeken, tijdschriften en kranten verschijnen. Daarmee houdt verband dat er zeer veel wordt gelezen. We staan er eigenlijk zelden of nooit bij stil dat er ook eens een tijd is geweest dat men niet zo gemakkelijk over fraai gedrukte teksten kon beschikken. De uitvinding van de boekdrukkunst is dan ook van onschatbare waarde gebleken. Geen uitvinding biedt betere mogelijkheden om de gedachten, ideeën en kennis van de mens door alle tijden heen te bewaren en onder komende geslachten te verspreiden. De gedrukte tekst is altijd de beste en veiligste cultuurdrager geweest en zal dat ook in de toekomst blijven.

Bijna alle teksten die we onder ogen krijgen zijn gedrukt. Daarom kunnen we ons moeilijk voorstellen dat het vroeger bijna onmogelijk of zeer tijdrovend was een tekst te vermenigvuldigen. Afgezien van de delen van de wereld waar de bevolking nog analfabeet is, gebruikt men overal lettertekens. Een onderontwikkeld gebied kan pas tot bloei komen als de bevolking kan lezen en schrijven. Het schrift is uit onze samenleving dan ook niet weg te denken. Alleen door middel daarvan kunnen onze gedachten en woorden worden vastgelegd op het moment dat we ze produceren. Hierdoor kan men op zeer grote schaal van gedachten wisselen. Bovendien deed zich dikwijls de behoefte gevoelen wettelijke of religieuze voorschriften vast te leggen.

In dit artikel zullen we ons niet bezighouden met de ontwikkeling van het schrift, maar met de ontwikkeling’ van het schrijfmateriaal. We leggen de nadruk op het boekdrukken.

De niet-Semitische Soemeriërs maakten gebruik van stukjes klei om hun karakteristieke spijkerschrift in vast te leggen. Door de Babyloniërs verspreidde dit schrift zich naar o.a. de Elamieten, de Assyriërs, de Hittieten en de Perzen. Er zijn grote bibliotheken van kleitabletten bewaard gebleven. Een daarvan is de verzameling van ruim 22.000 tafeltjes die door Assoerbanipal in Ninive was aangelegd.

Schrijfmateriaal

Ook de Egyptenaren kenden omstreeks 2900 voor Chr. een beeldschrift. Omstreeks die tijd had de bereiding van papyrus in Egypte een hoge graad van volmaaktheid bereikt: het was licht, fijn en toch sterk. Het oudstbekende exemplaar dateert van ongeveer 3000 v. Chr.!

In die tijd maakte men in China gebruik van boombast als schrijfmateriaal. Er is echter niets van teruggevonden. Veel later kwam de zijde hier als schrijfmateriaal in gebruik.
Het gebruik van papyrus bleef niet tot Egypte beperkt. Het vond verbreiding in het gehele Middellandse Zeegebied. Het werd in Griekenland in de 7e eeuw v. Chr. ingevoerd.

In verband met o.a. de hoge vrachttarieven en belasting werd de prijs ervan te hoog. Daarbij kwam nog het nadeel dat het erg bros en gevoelig voor vocht was. Bovendien waren voor één enkele tekst vele rollen nodig: het was slechts aan één zijde beschrijfbaar. Papyrus dankt zijn naam aan een in het oude Egypte inheemse rietsoort die in de moerassen groeide. Het komt thans nog in het wild voor op Sicilië. De Egyptenaren gebruikten het voor vele doeleinden: het werd gegeten, van de vezels maakte men touwen, matten, sandalen enz. Voor ons is het van belang dat zij het gebruikten voor het vervaardigen van schrijfmateriaal, dat een belangrijk exportartikel zou warden en eeuwenlang in de Grieks-Romeinse wereld werd gebruikt. Van de drie tot vier meter lange stengel werd de groene bast verwijderd. De resterende mergachtige pit deelde men in moten en sneed er dunne stroken van. Deze stroken werden in horizontale richting dakpansgewijs over elkaar gelegd, bevochtigd en door er met een hamer op te kloppen aan elkaar bevestigd. Om het geheel wat te verstevigen legde men een tweede laag verticaal gerangschikt daarachter. Na in de zon gedroogd te zijn was het goed beschrijfbaar. Door de verschillende vellen aaneen te voegen, kreeg men papyrusrollen van soms wel tientallen meters. Papyrus was duur en daarom gebruikte men daarnaast voor minder belangrijke optekeningen ook kalkstenen scherven. Aangezien papyrus niet zonder beschadiging gevouwen kon worden, bewaarde men het opgerold op een houten of ivoren staaf. Bij het lezen rolde men het in kolommen beschreven vel geleidelijk af. Een enigszins uitvoerig geschrift bestond uit vele rollen.

In Egypte heeft het droge woestijnzand vele papyri uit hellenistisch-Romeinse tijd bewaard. In de keizertijd moest het papyrus het veld ruimen voor het perkament. De grondstof daarvoor (dierenhuid) was overal te krijgen en had een grotere duurzaamheid dan papyrus. Aan het feit dat de bereidingswijze uit
schapenhuiden in Pergamum werd verfijnd dankt het de naam die de Romeinen eraan gaven: perkament.

Het had vele voordelen boven andere materialen, waarvan we hier slechts noemen dat het aan beide zijden kon worden beschreven en dat het vouwbaar was. Op den duur was perkament als schrijfmateriaal echter te kostbaar en stond daardoor een algemene verbreiding in de weg. Het moest geleidelijk zijn plaats afstaan aan een nieuw materiaal dat omstreeks de achtste eeuw vanuit China door de Arabieren in Europa werd geïntroduceerd, namelijk het papier. De uitvinding van dit materiaal speelde een grote rol bij de ontdekking van de boekdrukkunst.

Monnikenwerk

Zoals we in een eerder artikel schreven, dateren de oudstbekende handschriften uit de vierde eeuw. De vroegste Middelnederlandse teksten stammen uit de achtste eeuw. Verspreid over musea en bibliotheken zijn ons vele duizenden handschriften uit deze en latere tijden nagebleven. Vooral de benedictijnen en karthuizers hebben zich met een bijna eindeloos geduld toegelegd op het kopiëren van dit soort teksten.

Het kopiëren van boeken was dus met recht ‘monnikenwerk’. Het was voor de leek niet lonend, omdat het wekenlang of maandenlang schrijven – om één boek te vervaardigen – bijna niet te betalen was. Als er geen geduldig schrijvende monniken waren geweest die hun leven van armoede aan het kopiëren van boeken hadden besteed, zouden er in de middeleeuwen veel meer getuigenissen verloren zijn gegaan. De kloosterlingen schreven dag in dag uit, en verrijkten de wereld met honderden exemplaren per jaar! Ze stonden dagelijks in het ‘scriptorium’ of in de librije over hun lessenaar gebogen om de teksten over te schrijven.

Men kreeg hoe langer hoe meer behoefte aan meer afschriften en een goedkopere vermenigvuldiging; het langzame schrijven ging men als een hindernis beschouwen, Het stuk voor stuk moeizaam overtekenen van boeken was karakteristiek voor de werkwijze van de bezadigde middeleeuwer, maar het schrijfwerk der monniken zou spoedig tot het verleden gaan behoren. Hun manuscripten zouden – na vergelijking en verbetering van schrijffouten – met duizenden tegelijk in druk worden verspreid.

Lang voordat de boekdrukkunst in Europa haar intrede zou doen, was het probleem hoe men bepaalde teksten in meer exemplaren kon reproduceren door de oude volkeren der beschaving op hun eigen wijze opgelost. Zo kenden b.v. de Egyptenaren, de Assyriërs en de Babyloniërs reeds technieken om gebakken tegels te bedrukken. Het is voorts bekend dat de Chinezen reeds vroeg plankjes gebruikten die met inkt werden ingesmeerd om tekens én letters af te drukken.

U vraagt zich nu misschien af hoe men er dan bij komt de uitvinding van de boekdrukkunst toe te schrijven aan een Nederlander of een Duitser uit de 15e eeuw. Onder andere door de aard van de woordtekens waren de omstandigheden in het verre oosten niet gunstig voor de opkomst en de bloei van een boekdrukkunst. Zo bleef alles wat o.a. in China op dit gebied was bereikt in cultuurhistorisch opzicht onvruchtbaar.

Voorafgaand aan de ‘echte’ boekdruk, zoals die thans is, kende men ook in Europa het zgn. blokboek. Zo’n blokboek kwam tot stand door zowel de tekst als de illustraties in hout uit te snijden en de aldus vervaardigde houten ‘stempel’ af te drukken. Voor deze zgn, xylografie (houtsnede) die in de 2e eeuw na Chr. in China ontstond, gebruikte men verschillende houtsoorten met fijne nerf en grote hardheid, zoals hout van perenboom, appelboom, palm en wilde vijgenboom. Het vervaardigen van teksten door middel van houtdruk vroeg veel tijd van voorbereiding en maakte slechts kleine oplagen mogelijk (door slijtage van het hout). Beroemde voorbeelden van blokboeken zijn: ‘Biblia pauperum’, ‘Ars moriendi’ en ’Canticum canticorum’, alle van Nederlandse af Duitse oorsprong.

Na de elfde eeuw ontwikkelde de houtsnijkunst zich snel, mede door de uitvinding van het papier. Na de uitvinding van de losse letters werd de
houtsnede nog aangewend voor illustratie. Het hoogtepunt van de Europese houtsnijkunst werd omstreeks 1500 bereikt, met o.a. Albrecht Dürer. De beroemde series als de ‘Grote Passie’, de ‘Kleine Passie’ en het ‘Leven van Maria’ zijn daar het schitterende bewijs van.

De grote ontwikkeling van de boekdrukkunst begon echter met de toepassing van losse, metalen letters in de 15e eeuw.

Als we proberen ons te verplaatsen in een wereld zonder boekdruk zouden we merken dat we daar niet meer buiten kunnen. Gedrukte boeken e.d. zijn immers zo vanzelfsprekend voor ons! Deze uitvinding is zo belangrijk voor de mensheid gebleken, dat geen enkel feit in de cultuurgeschiedenis de uitvinding van het boekdrukken ook maar kan benaderen in belangrijkheid. Grote denkers hebben de uitvinding van het boekdrukken de geniaalste genoemd die ooit door de menselijke geest aan de samenleving is geschonken. Op geen enkel gebied van menselijke werkzaamheid zou de enorme ontwikkeling in de laatste eeuwen
mogelijk zijn geweest zonder de boekdrukkunst: wetenschap, kunst, techniek, religie, letterkunde enz. Iedereen die kon lezen, kreeg nu de gelegenheid daartoe, en wie niet kon lezen kreeg nu de middelen om zich die vaardigheid eigen te maken.
.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gevenens onbekend
.

deel 2     deel 3    deel 4
.
Geschiedenis klas 7: alle artikelen

.

1515

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – geschiedenis (12-2)

.

Het Romeinse legerkamp

Zo moet een Romeins legerkamp er tegen het begin van onze jaartelling hebben uitgezien. Sommige details zijn in deze tekening weergegeven zonder rekening te houden met hun afmetingen en aantal, om het geheel zo duidelijk mogelijk te maken.

Verklaring van de plattegrond

1. Hoofdpoort of ‘Pretoriaanse’ poort
2. Achterpoort
3. Linkerpoort
4. Rechterpoort
5. Pretoriaanse weg
6. Hoofdweg
7. Nog een hoofdweg die ‘Vijfde weg’ werd genoemd
8. Forum, de open vergaderruimte
9. Pretorium, de plaats waar de tent van de generaal stond
10. Driepoot voor het brengen van offers aan de góden
11. Tent waarin de vaandels en de andere onderscheidingstekenen van het legioen werden bewaard
12. Tribunaal, een verhoging vanwaar de generaal zijn troepen toesprak
13. Tent voor de administratie
14. Tent van de lijfwacht van de generaal.
15. Tenten van de officieren. Deze werden dichtbij die van de manschappen geplaatst, zodat iedere officier zijn eigen manschappen kon overzien.
16. Tenten voor de manschappen. In de winter werden de tenten van huiden vaak vervangen door barakken van hout of steen
17. Tenten van bondgenoten en huursoldaten
18. Stal voor de paarden
19. Smederij
20. Verdedigings-gracht van 4 meter breed en 3 meter diep
21. Aarden wal
22. Palissaden; bij verplaatsing van het kamp droegen de soldaten de palen van het ene kamp naar het andere
23. Uitkijktoren.

Van de Romeinse geschiedschrijver Livius weten we, dat de consul Paulus Emilius op zekere dag zijn legioen opdracht gaf een kamp in te richten. Nu was dat inrichten niet zo’n enorm karwei, want het ging er alleen maar om een kleine versterking te bouwen waarin de soldaten zich konden terugtrekken. Bovendien waren de soldaten geoefend in de bouw van zo’n eenvoudig kampement en moesten ze het karwei in 6 uur tijd kunnen klaren. Terwijl iedereen druk bezig was, meldde een jonge officier de consul dat de vijand naderde. Als die onmiddellijk zou aanvallen, zou dat vrijwel zeker een nederlaag voor de Romeinen betekenen.
De officieren die van het bericht hoorden, gaven hun soldaten onmiddellijk bevel te stoppen met de bouwwerkzaamheden.
Ze vonden het verstandiger de wapens bij de hand te houden en de vijand op te wachten.
Maar de consul dacht er anders over: het werk moest doorgaan!
De officieren smeekten hem, hun toe te staan de soldaten in slagorde op te stellen, maar de consul was onvermurwbaar.
Met een somber gezicht beklom hij een verhoging in het kamp en hield een toespraak, die sindsdien beroemd is geworden:

‘Mijne heren,’ sprak consul Paulus Emilius, ‘u was toch van plan een kamp in te richten en het te voorzien van alles wat nodig is? Welnu, we kunnen het slechts verlaten als het klaar is. Pas dan kunnen we ten strijde trekken, want het zal ons tot bescherming moeten dienen als de strijd ons noodzaakt terug te trekken. Daarom brengen we toch de versterkingen aan? Wanneer het kamp van een generaal vernietigd wordt, wordt hij als een verliezer beschouwd, zelfs als hij de strijd heeft gewonnen. Een kamp is de kracht van de overwinnaar en een toevlucht voor wie dreigt te verliezen.
Hoeveel legioenen zijn er niet geweest die op het punt stonden te verliezen?
Trokken ze zich niet terug in hun kampen en vonden ze daar geen bescherming? Het is menigmaal gebeurd, dat dergelijke legioenen vervolgens een uitval deden en de vijand onder de voet liepen. Het kamp dient voor iedere soldaat een tweede vaderland te zijn en de tent is zijn huis en haard.’

Nadat Paulus Emilius deze woorden had gesproken, moesten de officieren wel toegeven. Ze zagen af van de strijd en zetten hun werk als timmerlieden en grondwerkers voort. Zóveel belang werd er gehecht aan de Romeinse legerkampen, dat men er een nederlaag voor wilde riskeren.

Door heel Europa
Het moet toch wel een flink karwei zijn geweest om zelfs grote legerkampen, met alles wat daarbij hoorde, af te breken en na transport op een andere plaats weer op te bouwen. Dat was alleen mogelijk door de grote discipline die de Romeinse legioensoldaten werd opgelegd.
In het kamp had alles een vaste plaats. Daardoor waren er nauwelijks bevelen nodig om de soldaten aan het werk te zetten. Iedereen wist nauwkeurig wat hem te doen stond. Iedere tent en iedere paal had zijn vaste plaats. Soms groeide een legerkamp uit tot een legerplaats, een echte vaste nederzetting.
In de veroverde gebieden, door heel Europa, groeiden om die legerplaatsen vaak dorpen en ten slotte steden.
In Spanje, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, België en Nederland liggen onder tal van moderne steden de resten van oude Romeinse legerplaatsen.

Op de plattegrond zien we de ontwikkeling van de Italiaanse stad Pavia, vanaf de Romeinse tijd tot aan de 17e eeuw.

De luchtfoto hierboven toont de oude binnenstad van Pavia, die nog steeds de typisch vierkante vorm van het Romeinse legerkamp heeft.

.

6e klas geschiedenis: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

geschiedenis: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

.

1469

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.