Tagarchief: 7e klas geschiedenis

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/4)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST 4

Zie deel 3: Toch wijst het voorgaande niet direct op de uitvinding van drukken met losse letters, hoewel er een aanduiding is van een procedé, waarbij metalen letters werden gebruikt. Werden deze misschien bij het ’schrijven’ van een tekst achtereenvolgens op het papier afgedrukt, zo ongeveer als de letters van onze stempels.

Binnen 50 jaar na Waldfoghels tijd is geen enkel stuk drukwerk aan het licht gekomen; geen enkele schrijver heeft ernstig volgehouden dat de proeven van Waldfoghel ouder zijn dan de experimenten van Gutenberg. Men heeft wel verondersteld dat Waldfoghel het denkbeeld van drukken kan hebben opgevangen uit het een of ander dat bij het proces van Gutenberg in Straatsburg in 1438 openbaar werd. Volgens bepaalde akten woonden er verscheidene vroegere Straatsburgers omstreeks 1445 in Avignon. Hieronder was ook een zilversmid!

Volgens een duistere 17e-eeuwse kroniek zou Pamfilo Castaldi van Feltre in Italië de uitvinder der boekdrukkunst zijn. Zijn geboorteplaats schonk zoveel geloof aan dit verhaal, dat er in 1868 een monument voor hem werd opgerioht. Geschiedkundigen vatten het verhaal niet ernstig op, hoewel het een feit is dat hij de eerste drukker van Milaan was.

België laat nog een zwak geluid horen met Jean Brito, die zich te Brugge van ongeveer 1477 tot 1488 met drukken heeft beziggehouden. Geen van die vertelsels berusten echter op iets anders dan op plaatselijke legenden.

De uitvinding verbreidde zich snel over heel Europa. Duitsland en Nederland gingen voorop in de rij van landen waar drukkerijen werden opgericht en vele andere volgden hun voorbeeld. In Italië werd in 1464 een drukkerij opgericht in het klooster Subiaco bij Rome, die korte tijd later naar het centrum van de hoofdstad werd verplaatst.

Op verzoek van enkele hoogleraren kreeg de Parijse Sorbonne in 1470 een drukkerij. Het slotschrift van het eerste gedrukte boek te Parijs draagt het jaartal 1470 en noemt als drukkers: Michael Friburger, Ulrich Gering en Martin Cranz.

Wat Engeland betreft namen enkele kooplieden in 1476 het initiatief. Aan het eind van de 15e eeuw bezaten meer dan 100 Europese steden een drukkerij. Hoewel de techniek nog primitief was, vervaardigden de eerste drukkers prachtige werken. Hun producten (tot ± 1600) noemen we incunabelen of wiegedrukken, omdat de boekdrukkunst zich nog ’in cuna’ (in de wieg) bevond!

Natuurlijk heeft men in de loop der tijd veel weten te verbeteren aan de techniek van het boekdrukken, maar toch is deze bijna drie eeuwen lang in feite ongewijzigd gebleven.

In de 16e eeuw kwam de techniek van de kopergravure op. Aangezien die uitermate geschikt was voor technische en natuurwetenschappelijke werken verdrong die bijna de boekdruk zelf. Het spreekt wel vanzelf dat de kopergravure met kop en schouders uitstak boven de houtsnede. Met de naald graveerde men alles veel fijner in metaal dan men met hout sneed. De houtsnede deed nog slechts dienst voor de armelijke volksprenten, maar omstreeks 1800 beleefde de houtsnijkunst een nieuw hoogtepunt.

Drie procedés

In 1796 werd de grondslag gelegd voor de zgn. steendruk (lithografie). Daarmee ontstond – naast de hoogdruk en de diepdruk – de derde van de drie hoofdprocedés : de vlakdruk. Voordat we over elk van deze drie procedés iets zeggen, vermelden we nog dat vele uitvindingen werden gedaan en dat men nog vele verbeteringen aanbracht. We noemen daarvan slechts de stoomdrukmachine, rotatiepers, tegelijk gieten en zetten van letters enz. Bovendien haalde men steeds grotere oplagen in steeds kortere tijd!

Zonder ons te veel in technische details te verdiepen gaan we hieronder na wat de drie hoofdprocedés waarover we het hadden, precies inhouden.

Om teksten of afbeeldingen te kunnen afdrukken, hebben we drie dingen nodig: 1. een drukvorm (met tekst en/of figuren);
2. papier of een dergelijk materiaal;
3. een werktuig dat – door middel van druk – de tekst en/of figuren overbrengt.

Hoogdruk is het procedé waarbij het te drukken beeld verhoogd is aangebraoht. Om afdrukken te krijgen moeten we de letters en clichés (de verhoogde delen dus) door middel van rollen van inkt voorzien. Doordat het drukbeeld hoger ligt dan zijn omgeving neemt alles wat niet tot de voorstelling behoort, geen inkt op. We kunnen deze methode vergelijken met de rubber lettertjes waarmee kinderen spelen.

Diepdruk moet u zien als het tegengestelde van hoogdruk. Het drukbeeld is hier namelijk niet verhoogd maar verlaagd aangebraoht in het metaal. Vroeger werd het beeld verkregen door etsen of graveren. Tegenwoordig* maakt men echter gebruik van chemicaliën die het beeld in een koperen cilinder bijten. Voorzien we de cilinder nu van inkt, dan komt niet alleen het verlaagde beeld met de inkt in aanraking, maar het gehele cilinderoppervlak. Bij afdrukken zou dit een onleesbare, zwarte en vlekkerige massa geven! Daarom wordt de overtollige inkt vóór het drukken weggeschraapt met een soort verend mes, waaraan men de naam rakel heeft gegeven. Het spreekt wel vanzelf dat alleen de inkt van de oppervlakte wordt verwijderd. Naar de naam van het verende mes spreekt men ook van rakeldiepdruk.
Ten slotte de vlakdruk. Bij deze druktechniek ligt het te drukken beeld op gelijke hoogte met de delen die niet mogen drukken. Na ininkting zou dus alles afdrukken, hetgeen een groezelige massa zou geven. Door gebruik te maken van het feit dat water en vet elkaar afstoten, heeft men dat opgelost. Wanneer men met inkt (vet) op een ondergrond van b.v. metaal een tekst aanbrengt, bereikt men dat alleen die tekst wordt afgedrukt, en wel door de niet voor afdrukken bestemde delen waterhoudend en dus vetafstotend te maken. Als dus een bewerkte plaats eerst met water wordt ingerold (de tekst neemt hierbij geen vocht aan) en daarna met (vette) inkt, neemt uitsluitend de tekst inkt aan. Bij contact tussen beeld en papier wordt dus alleen de tekst overgebracht. De bekende offsetdruk is vlakdruk.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend *artikel waarschijnlijk uit de jaren 1980 of eerder. Uiteraard heeft de ontwikkeling niet stilgestaan. Om die te zien, zou je bijv. met een klas naar een drukkerij kunnen gaan.

Deel 1    deel 2     deel 3

.

7e klas geschiedenisalle artikelen

.

1518

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/3)

 

het ontstaan van de boekdrukkunst 3

Op grond van de huidige kennis mogen we aannemen dat het drukken met losse letters van metaal door Johann Gutenberg te Mainz of omgeving, tussen 1440 en 1450, is uitgevonden. Zowel in Mainz als in Straatsburg heeft men een standbeeld van hem als de uitvinder der boekdrukkunst geplaatst.

Zoals we al eerder zeiden, is die mening niet onaangevochten gebleven. De meeste aanspraken van andere landen kunnen we gevoeglijk terzijde schuiven. Een daarvan, namelijk die van ons eigen land, verdient een nadere beschouwing. De Hollandse aanspraak op de uitvinding is pas lange tijd na de uitvinding zelf naar voren gekomen. We vinden het eerste gerucht in een in 1499 te Keulen gedrukt boek: de ‘Keulse Kroniek’. Daarin komt o.a. de volgende passage voor: ‘Hoewel deze kunst in Mainz werd uitgevonden, voor zover het betreft de wijze waarop die thans in de regel wordt gebruikt, werden de eerste voorlopers daarvan in Holland gevonden.’

U begrijpt dat dit verhaal niet bepaald veel houvast geeft. Deze mededeling, die steunde op mondelinge verklaringen, stelt vast dat het boekdrukken in Mainz werd uitgevonden. Deze uitspraak wordt echter onmiddellijk in twijfel getrokken met de opmerking dat ‘er al voorlopers in Nederland waren geweest, namelijk in de vorm van Donaten’ (sehoolgrammatica’s), die vóór die tijd waren gedrukt. Geen enkel document bevestigt dit echter. Het zal u niet verbazen dat het woord ‘voorlopers’ (Vurbyldung) een bron van talloze onderzoekingen en redetwisten is geweest.

Een van de overige verhalen over de uitvinding in Holland is van Adriaen de Jonghe, een Nederlandse dokter en geschiedschrijver, ook genoemd Hadrianus Junius. Een door deze Hadrianus Junius geschreven geschiedenis van Holland, ‘Batavia’ geheten, vormt de voornaamste grondslag voor de Hollandse aanspraak op de uitvinding. Junius eiste de eer van de uitvinding zonder voorbehoud op voor Haarlem. Dit baseerde hij op inlichtingen die hij van bejaarde inwoners ‘van onbetwistbare betrouwbaarheid’ uit Haarlem zou hebben gekregen. Hij vermeldt dat vóór 128 jaar – dat is in 1440 – in Haarlem een zekere Laurens Janszoon Coster leefde, van wie op het moment dat Junius dit schrijft nog nazaten in leven waren.

Coster bezat het kostersambt erfelijk, maar het dagelijkse werk dat daaraan was verbonden, verrichtte hij niet zelf; hij was koopman en zorgde in die hoedanigheid voor de leverantie van kaarsen, olie, zeep en wijn. Op een dag toen Coster ‘met zijn kleinkinderen’ (volgens Junius!) in de Hout wandelde, sneed hij enige letters uit boombast; hij constateerde dat die letters op een vel papier een afdruk maakten. Hij begreep dat dit van betekenis zou kunnen zijn en besloot deze proef in het groot te herhalen. Samen met zijn schoonzoon, Thomas Pieterszoon, ontwikkelde hij een betere zwarte inkt, omdat de gewone inkt geen duidelijke afdrukken gaf, en verving de beukenhouten letters door loden. Later gebruikte bij tin om ze sterker en duurzamer te maken,

We vervolgen met een citaat uit de eerdergenoemde, in het Latijn geschreven, ‘Batavia’ van Junius.
‘De nieuwe uitvinding bloeide wegens de graagte waarmee het volk het nieuwe product kocht. Er werden leerlingen aangenomen. Het begin van het ongeluk, want onder hen was een zekere Johann. Nadat deze Johann de kunst van letters gieten en zetten – dus het gehele bedrijf – had geleerd, greep deze op kerstavond, toen allen naar de kerk waren, de gunstige gelegenheid aan en stal de gehele voorraad lettermateriaal met de gereedschappen en werktuigen van zijn meester. Hij begaf zich eerst naar Amsterdam, toen naar Keulen, en uiteindelijk naar Mainz, dat ver genoeg was om hem veilig te doen zijn, opende aldaar een drukkerij en oogstte de vruchten van zijn diefstal. Het is bekend dat binnen het jaar, in 1442, met dezelfde letters die Laurens in Haarlem had gebruikt, zijn eerste werk verscheen, het ’Doctrinale’ van Alexander Gallus, een spraakkunst die in die tijd in algemeen gebruik was, te zamen met de tractaten van Petrus Hispanus. Dit is ongeveer het verhaal zoals ik het heb gehoord van oude en vertrouwde mannen, die het van hun voorvaders hadden vernomen.’

Tot zover Junius.

We moeten bij het voorgaande aantekenen dat Hadrianus Junius verre van kritisch was ten aanzien van de feiten die hij noemt. Uit een stamboom blijkt bijvoorbeeld dat Coster in 1440 nog geen kleinkinderen had! Junius vertelde slechts het verhaal dat toen de ronde deed.

Geen enkele aantekening in officiële stukken legt verband tussen Coster en het drukkersbedrijf. Eerst in 1559 vermeldt een geschreven stamboom van de familie Coster dat deze ‘de eerste druk in de wereld bracht’, en wel in 1446.

Vóór 1470 kon men echter geen met losse letters gedrukte boeken aanwijzen; de oudste boeken droegen geen merk omtrent het jaar van drukken. Wat Coster betreft besluiten we met te vermelden dat er geen enkel bewijsstuk bestaat aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat het Hollandse drukwerk aan de aanvang der typografie in Duitsland vóóraf ging. Wat zou er met de drukkerij van Coster zijn gebeurd? Men neemt aan dat zijn nabestaanden de drukkerij hebben voortgezet (tot ongeveer 1470). Volgens Junius zijn de overgebleven letters van Costers drukkerij gesmolten om er wijnkannen van te maken.

In Haarlem heeft men op de Grote Markt voor Laurens Janszoon Coster een standbeeld opgericht. Achter de firma Enschedé en Zonen bevindt zich eveneens een standbeeld te zijner ere. Ook in de Haarlemmerhout vinden we een gedenksteen.

Overige aanspraken

Er zijn meer pretendenten geweest voor de eer van uitvinder der boekdrukkunst. Ze zijn echter weinig geloofwaardig. Een daarvan berust enigszins op een deugdelijke grondslag. In 1890 ontdekte Abbé Requin te Avignon in Frankrijk vijf notariële protocollen in het Latijn, gedateerd 1444 en 1446. Deze vermeldden dat Procopius Waldfoghel, een zilversmid uit Praag, destijds woonachtig in Avignon, zich bezighield met een methode ‘om kunstmatig te schrijven’. Een van die documenten spreekt van ‘twee stalen alfabetten, twee ijzeren vormen, een stalen schroef, achtenveertig tinnen vormen, en verschillende andere vormen, behorende tot de kunst van schrijven’.
Een ander document ging over een belofte die Waldfoghel gegeven had om les te geven in zijn kunst van schrijven. We horen voorts over beloften om geen anderen in te wijden in deze kunst; over de vervaardiging van 27 Hebreeuwse letters gesneden in ijzer ‘volgens de wetenschap en de methode van schrijven’ en over instrumenten van hout, tin en ijzer.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1    deel 2    deel 4
.

Gutenberg, Coster

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1517

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/2)

.

HeT ontstaan van DE boekdrukkunst (II)

Gutenberg of Coster?

Juist omdat de uitvinding van het drukken met losse letters van onschatbare waarde is, hebben vele Europese landen zich de eer van die uitvinding willen toe-eigenen. Het zal u bekend zijn dat men als uitvinder meestal Gutenberg (Duitsland) of Coster (Nederland) noemt. De traditie heeft voor beiden het jaar van uitvinding op 1440 gesteld, hoewel daarvoor geen duidelijke aanwijzing bestaat.

Over de vraag wie van beiden de werkelijke uitvinder is, zijn vele boeken en artikelen geschreven. Ten aanzien van de identiteit van de uitvinder hebben onderzoekers een schat aan bewijzen verzameld. Hiervan heeft echter slechts een klein deel directe bewijskracht. Wanneer men nu vraagt wie na al die onderzoekingen als uitvinder naar voren komt, moet het antwoord luiden dat het niet absoluut zeker is wie recht heeft op het predikaat van uitvinder der boekdrukkunst. Uit de talrijke onderzoekingen van het vele materiaal blijkt echter wel dat Johann Gutenberg de meeste aanspraak op de eretitel maakt!

Dat men niet zeker weet wie de uitvinder is, komt doordat die uitvinding onopvallend heeft plaatsgevonden. Het is toch eigenlijk een vreemde zaak dat de uitvinder zelf zo weinig ruchtbaarheid aan zijn vinding heeft gegeven, terwijl hij over het best denkbare middel tot publikatie beschikte.

Johann Gensfleisch (of: Gansefleisch) Gutenberg werd omstreeks 1400 in Mainz geboren (men neemt wel aan 24 juni 1400). Hij vestigde zich waarschijnlijk ongeveer 1430 als banneling in Straatsburg. Hier vinden we de eerste aanduidingen dat hij proeven nam met boekdrukken.

Uit de stukken van een proces uit 1439, waarbij Gutenberg betrokken was, vernemen we dat hij enkele jaren tevoren een compagnonschap was aangegaan met twee personen die hij in enkele ambachten zou opleiden. De originele verslagen van dit proces zijn bij de inneming van Straatsburg door de Pruisen in 1870 verloren gegaan, zodat we moeten steunen op de tekst uit de tweede hand. Bij een later proces in verband met de dood van een van die compagnons komen we enkele – zij het vage – zinspelingen tegen over de aard van de onderneming. We kunnen daaruit echter afleiden dat de werkzaamheden te maken hadden met het uitwerken van een bepaalde werkwijze die verband hield met het drukken.

Het is niet met zekerheid bekend waar Gutenberg verbleef nadat hij uit Mainz was weggetrokken. Vertoefde hij in de buurt van Mainz? Is hij naar Holland gegaan, waar hij kennis heeft gemaakt met de boekdrukkunst van Coster? Dit zijn slechts enkele van de veronderstellingen!

In 1455 komen we hem weer tegen, nu als aangeklaagde in een proces. In 1450 had hij een groot bedrag geleend van een zekere Johan Fust, goudsmid en geldschieter in Mainz, met het doel ‘zijn werk te voltooien’. In die tijd was de schoonschrijver Peter Schöffer bij Gutenberg in dienst, een knap man die er veel toe heeft bijgedragen om de boekdrukkunst praktisch bruikbaar te maken. Fust kon veel beter met Schöffer opschieten dan met Gutenberg. Bovendien was Schöffer de schoonzoon van Fust!

In 1452 had Gutenberg nogmaals een groot bedrag van Fust geleend. In het proces eiste deze o.a. terugbetaling van het geleende bedrag plus rente. Uit de stukken van deze zaak weten we dat de onderneming een drukkerij betreft. Er wordt o.a. gesproken over uitgaven aan perkament, papier en inkt.

Hoe het proces ook afgelopen mag zijn, het is een feit dat Fust en Schöffer de voornaamste drukkerij in Mainz bezaten toen de drukkunst het stadium van proefnemingen had verlaten!

De zgn. Gutenbergbijbel is overal beschouwd als het eerste boek dat in Europa is gedrukt. Het is dezelfde als de ’42-regelige Bijbel’, die zo heet omdat de meeste pagina’s 42 regels per kolom tellen. De mening dat deze als het eerste in Europa gedrukte stuk moet worden beschouwd, is achterhaald. Al zo’n tien jaar eerder zag het ’Wereld-Oordeel’ het licht: een 74 pagina’s tellend boek. Er zijn trouwens nog vele andere werken vóór de Gutenbergbijbel verschenen. Er bestaat in elk geval een Duits calendarium dat men op 1448 kan dateren.

De verschijningsdatum van de genoemde werken berust op gissingen. Het eerste gedateerde boek dat we kennen, is uit 1454.

In 1457 gaven Fust en Schöffer een prachtig werk uit, te weten het Psalterium. Aan het slot van dit psalmboek stond vermeld dat dit werk was vervaardigd door middel van de kunst van het drukken met losse letters, uitgevonden door Fust en Schöffer. De naam Gutenberg werd niet eens genoemd!

Om nog even terug te komen op de Gutenbergbijbel; na langdurige studie menen vele geleerden te mogen veronderstellen dat deze – op zijn minst gedeeltelijk – door Johann Fust is gedrukt!

Sommige al te geestdriftige pleitbezorgers hebben aan het bewijsmateriaal ten gunste van Gutenberg nadeel berokkend door een aantal documenten te vervalsen. Deze vervalsingen zijn als zodanig onderkend en hebben ertoe geleid dat men ging twijfelen aan de echtheid van alle bewijsstukken.
.

P.J.van der Horst, Vacature, nadere gegevens onbekend
.

Deel 1   deel 3    deel 4

 

Geschiedenis klas 7alle artikelen

.

1516

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis (2-1/1)

.

HET ONTSTAAN VAN DE BOEKDRUKKUNST

We leven in een tijd waarin massa’s boeken, tijdschriften en kranten verschijnen. Daarmee houdt verband dat er zeer veel wordt gelezen. We staan er eigenlijk zelden of nooit bij stil dat er ook eens een tijd is geweest dat men niet zo gemakkelijk over fraai gedrukte teksten kon beschikken. De uitvinding van de boekdrukkunst is dan ook van onschatbare waarde gebleken. Geen uitvinding biedt betere mogelijkheden om de gedachten, ideeën en kennis van de mens door alle tijden heen te bewaren en onder komende geslachten te verspreiden. De gedrukte tekst is altijd de beste en veiligste cultuurdrager geweest en zal dat ook in de toekomst blijven.

Bijna alle teksten die we onder ogen krijgen zijn gedrukt. Daarom kunnen we ons moeilijk voorstellen dat het vroeger bijna onmogelijk of zeer tijdrovend was een tekst te vermenigvuldigen. Afgezien van de delen van de wereld waar de bevolking nog analfabeet is, gebruikt men overal lettertekens. Een onderontwikkeld gebied kan pas tot bloei komen als de bevolking kan lezen en schrijven. Het schrift is uit onze samenleving dan ook niet weg te denken. Alleen door middel daarvan kunnen onze gedachten en woorden worden vastgelegd op het moment dat we ze produceren. Hierdoor kan men op zeer grote schaal van gedachten wisselen. Bovendien deed zich dikwijls de behoefte gevoelen wettelijke of religieuze voorschriften vast te leggen.

In dit artikel zullen we ons niet bezighouden met de ontwikkeling van het schrift, maar met de ontwikkeling’ van het schrijfmateriaal. We leggen de nadruk op het boekdrukken.

De niet-Semitische Soemeriërs maakten gebruik van stukjes klei om hun karakteristieke spijkerschrift in vast te leggen. Door de Babyloniërs verspreidde dit schrift zich naar o.a. de Elamieten, de Assyriërs, de Hittieten en de Perzen. Er zijn grote bibliotheken van kleitabletten bewaard gebleven. Een daarvan is de verzameling van ruim 22.000 tafeltjes die door Assoerbanipal in Ninive was aangelegd.

Schrijfmateriaal

Ook de Egyptenaren kenden omstreeks 2900 voor Chr. een beeldschrift. Omstreeks die tijd had de bereiding van papyrus in Egypte een hoge graad van volmaaktheid bereikt: het was licht, fijn en toch sterk. Het oudstbekende exemplaar dateert van ongeveer 3000 v. Chr.!

In die tijd maakte men in China gebruik van boombast als schrijfmateriaal. Er is echter niets van teruggevonden. Veel later kwam de zijde hier als schrijfmateriaal in gebruik.
Het gebruik van papyrus bleef niet tot Egypte beperkt. Het vond verbreiding in het gehele Middellandse Zeegebied. Het werd in Griekenland in de 7e eeuw v. Chr. ingevoerd.

In verband met o.a. de hoge vrachttarieven en belasting werd de prijs ervan te hoog. Daarbij kwam nog het nadeel dat het erg bros en gevoelig voor vocht was. Bovendien waren voor één enkele tekst vele rollen nodig: het was slechts aan één zijde beschrijfbaar. Papyrus dankt zijn naam aan een in het oude Egypte inheemse rietsoort die in de moerassen groeide. Het komt thans nog in het wild voor op Sicilië. De Egyptenaren gebruikten het voor vele doeleinden: het werd gegeten, van de vezels maakte men touwen, matten, sandalen enz. Voor ons is het van belang dat zij het gebruikten voor het vervaardigen van schrijfmateriaal, dat een belangrijk exportartikel zou warden en eeuwenlang in de Grieks-Romeinse wereld werd gebruikt. Van de drie tot vier meter lange stengel werd de groene bast verwijderd. De resterende mergachtige pit deelde men in moten en sneed er dunne stroken van. Deze stroken werden in horizontale richting dakpansgewijs over elkaar gelegd, bevochtigd en door er met een hamer op te kloppen aan elkaar bevestigd. Om het geheel wat te verstevigen legde men een tweede laag verticaal gerangschikt daarachter. Na in de zon gedroogd te zijn was het goed beschrijfbaar. Door de verschillende vellen aaneen te voegen, kreeg men papyrusrollen van soms wel tientallen meters. Papyrus was duur en daarom gebruikte men daarnaast voor minder belangrijke optekeningen ook kalkstenen scherven. Aangezien papyrus niet zonder beschadiging gevouwen kon worden, bewaarde men het opgerold op een houten of ivoren staaf. Bij het lezen rolde men het in kolommen beschreven vel geleidelijk af. Een enigszins uitvoerig geschrift bestond uit vele rollen.

In Egypte heeft het droge woestijnzand vele papyri uit hellenistisch-Romeinse tijd bewaard. In de keizertijd moest het papyrus het veld ruimen voor het perkament. De grondstof daarvoor (dierenhuid) was overal te krijgen en had een grotere duurzaamheid dan papyrus. Aan het feit dat de bereidingswijze uit
schapenhuiden in Pergamum werd verfijnd dankt het de naam die de Romeinen eraan gaven: perkament.

Het had vele voordelen boven andere materialen, waarvan we hier slechts noemen dat het aan beide zijden kon worden beschreven en dat het vouwbaar was. Op den duur was perkament als schrijfmateriaal echter te kostbaar en stond daardoor een algemene verbreiding in de weg. Het moest geleidelijk zijn plaats afstaan aan een nieuw materiaal dat omstreeks de achtste eeuw vanuit China door de Arabieren in Europa werd geïntroduceerd, namelijk het papier. De uitvinding van dit materiaal speelde een grote rol bij de ontdekking van de boekdrukkunst.

Monnikenwerk

Zoals we in een eerder artikel schreven, dateren de oudstbekende handschriften uit de vierde eeuw. De vroegste Middelnederlandse teksten stammen uit de achtste eeuw. Verspreid over musea en bibliotheken zijn ons vele duizenden handschriften uit deze en latere tijden nagebleven. Vooral de benedictijnen en karthuizers hebben zich met een bijna eindeloos geduld toegelegd op het kopiëren van dit soort teksten.

Het kopiëren van boeken was dus met recht ‘monnikenwerk’. Het was voor de leek niet lonend, omdat het wekenlang of maandenlang schrijven – om één boek te vervaardigen – bijna niet te betalen was. Als er geen geduldig schrijvende monniken waren geweest die hun leven van armoede aan het kopiëren van boeken hadden besteed, zouden er in de middeleeuwen veel meer getuigenissen verloren zijn gegaan. De kloosterlingen schreven dag in dag uit, en verrijkten de wereld met honderden exemplaren per jaar! Ze stonden dagelijks in het ‘scriptorium’ of in de librije over hun lessenaar gebogen om de teksten over te schrijven.

Men kreeg hoe langer hoe meer behoefte aan meer afschriften en een goedkopere vermenigvuldiging; het langzame schrijven ging men als een hindernis beschouwen, Het stuk voor stuk moeizaam overtekenen van boeken was karakteristiek voor de werkwijze van de bezadigde middeleeuwer, maar het schrijfwerk der monniken zou spoedig tot het verleden gaan behoren. Hun manuscripten zouden – na vergelijking en verbetering van schrijffouten – met duizenden tegelijk in druk worden verspreid.

Lang voordat de boekdrukkunst in Europa haar intrede zou doen, was het probleem hoe men bepaalde teksten in meer exemplaren kon reproduceren door de oude volkeren der beschaving op hun eigen wijze opgelost. Zo kenden b.v. de Egyptenaren, de Assyriërs en de Babyloniërs reeds technieken om gebakken tegels te bedrukken. Het is voorts bekend dat de Chinezen reeds vroeg plankjes gebruikten die met inkt werden ingesmeerd om tekens én letters af te drukken.

U vraagt zich nu misschien af hoe men er dan bij komt de uitvinding van de boekdrukkunst toe te schrijven aan een Nederlander of een Duitser uit de 15e eeuw. Onder andere door de aard van de woordtekens waren de omstandigheden in het verre oosten niet gunstig voor de opkomst en de bloei van een boekdrukkunst. Zo bleef alles wat o.a. in China op dit gebied was bereikt in cultuurhistorisch opzicht onvruchtbaar.

Voorafgaand aan de ‘echte’ boekdruk, zoals die thans is, kende men ook in Europa het zgn. blokboek. Zo’n blokboek kwam tot stand door zowel de tekst als de illustraties in hout uit te snijden en de aldus vervaardigde houten ‘stempel’ af te drukken. Voor deze zgn, xylografie (houtsnede) die in de 2e eeuw na Chr. in China ontstond, gebruikte men verschillende houtsoorten met fijne nerf en grote hardheid, zoals hout van perenboom, appelboom, palm en wilde vijgenboom. Het vervaardigen van teksten door middel van houtdruk vroeg veel tijd van voorbereiding en maakte slechts kleine oplagen mogelijk (door slijtage van het hout). Beroemde voorbeelden van blokboeken zijn: ‘Biblia pauperum’, ‘Ars moriendi’ en ’Canticum canticorum’, alle van Nederlandse af Duitse oorsprong.

Na de elfde eeuw ontwikkelde de houtsnijkunst zich snel, mede door de uitvinding van het papier. Na de uitvinding van de losse letters werd de
houtsnede nog aangewend voor illustratie. Het hoogtepunt van de Europese houtsnijkunst werd omstreeks 1500 bereikt, met o.a. Albrecht Dürer. De beroemde series als de ‘Grote Passie’, de ‘Kleine Passie’ en het ‘Leven van Maria’ zijn daar het schitterende bewijs van.

De grote ontwikkeling van de boekdrukkunst begon echter met de toepassing van losse, metalen letters in de 15e eeuw.

Als we proberen ons te verplaatsen in een wereld zonder boekdruk zouden we merken dat we daar niet meer buiten kunnen. Gedrukte boeken e.d. zijn immers zo vanzelfsprekend voor ons! Deze uitvinding is zo belangrijk voor de mensheid gebleken, dat geen enkel feit in de cultuurgeschiedenis de uitvinding van het boekdrukken ook maar kan benaderen in belangrijkheid. Grote denkers hebben de uitvinding van het boekdrukken de geniaalste genoemd die ooit door de menselijke geest aan de samenleving is geschonken. Op geen enkel gebied van menselijke werkzaamheid zou de enorme ontwikkeling in de laatste eeuwen
mogelijk zijn geweest zonder de boekdrukkunst: wetenschap, kunst, techniek, religie, letterkunde enz. Iedereen die kon lezen, kreeg nu de gelegenheid daartoe, en wie niet kon lezen kreeg nu de middelen om zich die vaardigheid eigen te maken.
.

P.J. van der Horst, Vacature, nadere gevenens onbekend
.

deel 2     deel 3    deel 4
.
Geschiedenis klas 7: alle artikelen

.

1515

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips de Goede

.

Filips de Goede

Filips de Goede, hertog van Bourgondië  1396-1467

De kern van het tegenwoordige België en Nedeeland vindt zijn oorsprong in het bewind van Filips de Goede, de hertog van Bourgondië. Voor hem hadden gebieden als Holland, Zeeland, Brabant en Vlaanderen gemeenschappelijke belangen. Maar die gebieden waren verdeeld onder een groot aantal heersers, die elkaar bestreden. Filips verenigde hen door een volhardende politiek van huwelijken, veroveringen en aankopen. Het leek mogelijk, dat er tussen de Rijn, de Seine en de Rhône een nieuwe staat zou ontstaan. Dit vooruitzicht stierf met Karel de Stoute, de zoon van Filips, tijdens de Slag om Nancy in 1476. Maar de Bourgondische gebieden in de Lage Landen, die werden geërfd door Filips’ dochter Maria van Bourgondië, waren van groot belang voor de daarna volgende Europese geschiedenis.

De Bourgondische staat en de bemoeienis in de Lage Landen, waren begonnen met de grootvader van Filips, hertog Filips de Stoute (1404), uit de Franse koninklijke familie Valois, hertog van Bourgondië en door zijn huwelijk graaf van Vlaanderen. Hij was een van de toonaangevende figuren in de Franse politiek. Zijn zoon, hertog Jan zonder Vrees, zette die traditie voort. Hij betwistte de volgelingen van de dauphin (kroonprins) de macht over de krankzinnige koning Karel VI. Door de grote overwinning van de Engelse koning Hendrik V bij Agincourt in 1415, was Noord-Frankrijk blootgelegd voor verovering door de Britten. Uiteindelijk werd er een ontmoeting gearrangeerd tussen de aanhangers van de dauphin en de Bourgondiërs. Dat was in Montreux op 10 september 1419.

Maar er kwam geen verzoening. In plaats daarvan werd Jan zonder Vrees op verraderlijke wijze vermoord. Filips sloot een bondgenootschap met de Engelsen en erkende het recht van de Engelse koning Hendrik V op de troon van Frankrijk. De Engelsen betaalden Filips jaarlijks een groot bedrag en ‘schonken’ hem verscheidene Franse gebieden, zoals Macon en Ponthieu. Zijn zuster Anne trouwde met hertog Jan van Bedford, de Engelse regent in Normandië. Het was een Bourgondisch garnizoen, dat Jeanne d’Arc tot overgave aan de Engelsen dwong. Maar Jeanne had de Fransen weer tot vaderlandsliefde geïnspireerd. Frankrijk knoopte ook banden aan met Duitse heersers aan de oostgrens van Bourgondië. Een tijdgenoot schreef: ‘Naarmate de tijd verstreek, kreeg hertog Filips steeds meer de behoefte zijn Franse hart te tonen’. In 1435 vergaderde het Congres van Arras (Atrecht) om Frankrijk en Engeland met elkaar te verzoenen. Daar ruilde Filips de Goede op dramatische wijze zijn bondgenootschap met Engeland voor een hernieuwde band met Frankrijk. Niettemin behield hij de landen die hem door de Engelsen waren geschonken, en uitgebreide grensgebieden langs de rivier de Somme.

De Bourgondische banden in het zuiden steunden op een overeenkomst van Filips de Goede met hertog Amadeus VII van Savoye en de hertog van Bourbon. Hij zocht in de moeizame politiek van Karel VII van Frankrijk naar voordelen voor Bourgondië. Hij steunde de oppositie van de edelen, de Praguerie, en bood asiel aan de opstandige Franse koningszoon, de toekomstige Lodewijk XI. Maar zijn belangrijkste wapenfeit was het behouden van de Bourgondische macht in de Lage Landen.

In het Verdrag van Delft van 1428 werd het recht van Filips de Goede op de troonsopvolging in Holland erkend. Dit gold ook voor Zeeland en Henegouwen. In 1430 werd hij in Brabant als hertog aanvaard. Namen werd aangekocht en Luxemburg veroverd. Hij verwierf Friesland, Limburg en Kamerijk en breidde de invloed van zijn familie uit in de bisdommen van Luik en Utrecht. Ondanks deze aanzienlijke gebiedsuitbreidingen slaagde Filips de Goede er niet in, de politieke problemen die werden veroorzaakt door de rijke en machtige steden, op te lossen. En op die rijke steden steunde de Bourgondische macht. Er kwamen opstanden in Brugge, Amsterdam, Rotterdam en Leiden. Toen, in 1447, kondigde de regering aan dat er een belasting op zout geheven zou worden. Dit betekende het begin van een langdurige strijd tegen de stad Gent. Deze stad was ‘de machtigste stad in de gebiedsdelen van de hertog’. Gent had een leidende rol gespeeld in het Vlaamse verzet tegen de grootvader van Filips de Goede. Dat verzet werd neergeslagen in de Slag bij Roosebeeck in 1382. De stad en de gemeenteraad van Gent hadden veel macht op het omringende platteland. Hun greep werd versterkt door de niet in de stad wonende burgers, de zogenoemde ‘hagepoorters’. Maar tijdens het conflict met de regering van de hertog werd het bestuur in de stad uitgeoefend door een revolutionaire raad. Het leger van de stad Gent werd in juli 1453 in de Slag bij Gavere verslagen. Daaraan was een strijd voorafgegaan, die de Bourgondische staat bedreigde en die de economie van Vlaanderen veel schade berokkende.

De tradities van de gebieden van de hertog werden weerspiegeld in het regeringssysteem. Het innen van de belastingen gebeurde plaatselijk, bijvoorbeeld in Den Haag, Brussel, Lille en Dijon. De stadhouders (provinciale bestuurders) werden de permanente bestuurders.

Het hof van Filips de Goede was het schitterendste van zijn tijdperk. Het werd gefinancierd door de schatrijke Nederlandse en Vlaamse steden. De schilders Jan van Eyck en Rogier van der Weyden en de musici Guillaume Dufay, Gilles Binchois en Johannes Ockeghem behoorden tot de grootste kunstenaars van de Lage Landen tijdens de regeringsperiode van Filips de Goede. Het was een ‘gouden eeuw’ voor de Europese cultuur.

 

alle biografieën

 

1022

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Elizabeth 1

.

Elizabeth 1

Elizabeth I  1533-1603

Een portret van Elizabeth I. Het werd in 1585 geschilderd door Nicholas Hilliard. Hilliard was waarschijnlijk ook de maker van het Armada-juweel van 1588. Elizabeth stond toen op het hoogtepunt van haar macht. Aan het eind van de regeringsperiode van de ‘Virgin Queen’ was Engeland als wereldmacht naar voren gekomen.

 

Elizabeth I was een dochter van Hendrik VIII uit zijn tweede huwelijk, met Anna Boleyn. Hendrik VIII werd in 1547 opgevolgd door zijn zoon Eduard VI uit zijn derde huwelijk, met Jane Seymour. In 1553 kwam Maria (de Katholieke) aan het bewind, een halfzuster van Eduard VI, een dochter uit het huwelijk van Hendrik VIII en Catharina van Aragon. Hoe haar regering was, blijkt wel uit de bijnaam die ze kreeg, ‘Bloody Mary’ ofwel Maria de Bloedige. Toen Elizabeth betrokken raakte bij een mislukte opstand, werd ze door haar halfzuster opgesloten in de Tower van Londen. De 21-jarige prinses liet zich echter niet uit haar evenwicht brengen. Ze ging niet in op de beschuldigingen van haar ondervragers. Elizabeth was intelligent en bekwaam. Ze beheerste zeven vreemde talen. Maar bovendien bezat ze, wat voor iemand in haar positie onontbeerlijk was, de gave om zich te handhaven. In de gevaarlijke jaren die volgden, zou haar behoedzame gedrag haar in leven houden. Mogelijk kwam het daardoor, dat ‘Bloody Mary’ het niet aandurfde, haar halfzuster ter dood te laten brengen.

Toen Elizabeth als Elizabeth I koningin was geworden, kreeg ze met nog meer gevaar te kampen. Maar ze was gelukkig in de keus van haar ministers. Hun vooruitziende blik en trouw beschermden haar tegen haar vijanden.

Aan het hoofd van deze ministers stond William Cecil, de latere Lord Burghley. Evenals Elizabeth was Cecil van mening, dat welvaart alleen maar mogelijk was door het voeren van een voorzichtige financiële politiek en het vermijden van oorlog. Engeland kwam tot bloei. De industrie profiteerde van de stroom vakbekwame immigranten die naar Engeland vluchtten vanwege de godsdienstoorlogen op het vasteland van Europa. In 1571 opende Elizabeth de Koninklijke Beurs, gebouwd door de financier Sir Thomas Gresham. Een jaar tevoren was de protestantse Elizabeth door paus Pius V formeel in de ban gedaan. De pauselijke bul hield in, dat de Engelse katholieken hun koningin niet trouw hoefden te zijn. Erger nog: hij riep zelfs op tot ongehoorzaamheid. Deze passage zou overigens tien jaar later worden herroepen. Van dat ogenblik af was iedere katholiek voor wat de regering betrof een mogelijke verrader. Aanvankelijk had Elizabeths betrekkelijk verdraagzame politiek de katholieken (de helft van de bevolking) in staat gesteld hun geloof althans binnenskamers te belijden. Nu werden de wetten vervangen door strengere. Toen de jezuïeten in 1580 heimelijk het land begonnen binnen te komen, liet de regering van Elizabeth hen tot in hun verste schuilhoeken achtervolgen.

De ergste bedreiging voor de koningin was de aanwezigheid van haar nicht, Maria Stuart. Nadat de opstandige adel haar had gedwongen afstand van de Schotse troon te doen, was Maria Stuart naar Engeland gevlucht, in de hoop steun te krijgen van Elizabeth. Ze bleef er voortdurend bij de koningin op aandringen, haar tot haar opvolgster te benoemen. Daarbij was ze tactloos genoeg om te beweren dat zij – en niet Elizabeth – de rechtmatige koningin van Engeland was. Elizabeth liet haar onwelkome koninklijke bezoekster in verschillende kastelen opsluiten. Intussen werden zowel in Engeland als daarbuiten plannen beraamd om de katholieke Maria Stuart op de Engelse troon te krijgen.

Toen een aantal van deze samenzweringen aan het licht was gekomen, liet Elizabeth de samenzweerders terechtstellen. Haar ministers smeekten haar, zich ook van Maria te ontdoen, maar Elizabeth aarzelde om een gekroonde koningin te laten terechtstellen. Toen echter het bewijs werd geleverd dat Maria betrokken was geweest bij een samenzwering met als doel Elizabeth te doden, liet ze haar toch voor de rechter brengen. Zelf tekende ze Maria’s doodvonnis, maar toen het werd uitgevoerd, werd de koningin hysterisch en probeerde ze haar ministers de schuld te geven.

Elizabeth was onvermurwbaar wat een ander belangrijk punt betrof: haar huwelijk. Als kind had ze zich reeds voorgenomen, nooit te zullen trouwen. Mogelijk kwam haar angst voor het huwelijk voort uit het feit dat ze het met de dood in verband bracht. Gezien het lot van haar moeder, Anna Boleyn, en dat van haar vaders vijfde vrouw, Catherine Howard, was dat niet verwonderlijk. Een tweede factor die een rol speelde bij haar tegenzin aangaande het huwelijk was, dat zij er niets voor voelde haar macht met een eventuele echtgenoot te delen. Haar minnaars, die ze zelfs tot op middelbare leeftijd had, heeft ze waarschijnlijk nooit serieus genomen. Ze had hen vanwege hun strategische waarde. Zo bleef ze de hertog van Anjou bijvoorbeeld drie jaar lang aan het lijntje houden door hem een verbond met Frankrijk in het vooruitzicht te stellen. Op die manier zou de agressieve politiek van Filips II van Spanje binnen de perken kunnen worden gehouden. Filips ergerde zich aan de Engelse piraterij die door Elizabeth oogluikend werd toegestaan. Bovendien was hij van mening, dat hij recht had op de Engelse kroon, die Maria Stuart hem had nagelaten. In 1588 stuurde hij zijn Onoverwinnelijke Vloot, de Armada, naar het noorden. Elizabeth bleef er tot op het allerlaatst van overtuigd, dat het niet tot een werkelijke oorlog zou komen. Ze weigerde daarom, haar strijdkrachten van voldoende voorraden te voorzien. Toch slaagde de Engelse zeemacht (grotendeels een schepping van Elizabeth) erin, de Spanjaarden te verdrijven. Door deze overwinning groeide de nationale trots van de Engelsen en de genegenheid voor hun koningin nam toe. Gedurende de laatste vijftien jaar van haar regering werd Elizabeth bijna als een godin verheerlijkt. Vele dichters maakten lofzangen op haar verdiensten. Het toegenomen nationaal bewustzijn kwam tot uitdrukking in een golf van culturele activiteit. Daarvan werd het hoogtepunt wel gevormd door de toneelstukken van William Shakespeare (1564-1616). De oude vorstin, zwaar opgemaakt, voorzien van een pruik en gehuld in de meest fantastische kostuums, diende als levend symbool van de nieuwe grootheid van Engeland. Onder al die uiterlijke opschik ging een scherpzinnige vrouw schuil, die pas op haar sterfbed bekendmaakte wie haar opvolger zou worden: Jacobus VI van Schotland, Maria Stuarts zoon.

 

Elizabeth 1

Elizabeth I wordt op het hoogtepunt van haar regeringsperiode door haar hovelingen in een draagstoel gedragen. Ze eiste van haar hof totale trouw. Toen haar favoriet, Sir Walter Raleigh, in het geheim in het huwelijk trad, beschouwde Elizabeth dit als een belediging voor haar als vorstin en als vrouw. Dit schilderij wordt toegeschreven aan Robert Peake de Oudere.

 

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 

alle biografieën

 

 

997

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Cortez

.

Cortez

Een portret van Hernan Cortez te paard. Het is afkomstig uit een boek van de Tlaxcalan-indianen, dat handelt over zijn verovering van Mexico. De Indiaanse kunstenaar beeldde Cortez af met een hoed, zoals die werd gedragen door hun god Quetzalcoatl. De verschijning van Cortez was voor de Indianen zeer vreemd. Het versterkte hun overtuiging, dat Cortez een god was, die uit ballingschap terugkeerde

HERNÀN CORTEZ  1485-1547

Hoe Hernàn Cortez erin slaagde om met niet meer dan 500 soldaten een rijk met verscheidene miljoenen inwoners te veroveren, zal wel altijd een raadsel blijven.

Hernàn Cortez was afkomstig uit de arme Spaanse provincie Estremadura, waar zijn ouders tot de lagere Castiliaanse adel behoorden. Hij nam deel aan de verovering van Cuba en was al op negentienjarige leeftijd een vooraanstaand lid van de koloniale samenleving daar. In 1517 kreeg hij van gouverneur-generaal Velazquez van Cuba opdracht, naar het westen te varen om gegevens te verzamelen over nieuwe gebieden. Cortez vertrok met 500 manschappen, 16 paarden, 10 kleine kanonnen en 48 geweren. Toen Velazquez, die spijt had gekregen van zijn opdracht, hem terug wilde roepen, waren Cortez en zijn mannen al op weg. Voor de kust van Yucatan werden ze verwelkomd door de plaatselijke Maya-bevolking. Eén van de vrouwen sprak een Azteekse taal en samen met een Spanjaard, die slaaf bij de Maya’s was geweest en die hun taal sprak, trad ze voor Cortez op als tolk. In april 1519 landden de Spanjaarden bij Cempoalla aan de Mexicaanse kust.

Nog geen honderd jaar tevoren hadden de Azteken enkele wrede oorlogen gevoerd, waarbij ze schatting, slaven en mensenoffers van de Maya’s geëist hadden. Het verslagen volk was ervan overtuigd, dat hun god Quetzalcoatl eens zou terugkeren om de vijand te verslaan. Toen Cortez met zijn ‘gevleugelde kano’s met hun donderstemmen’ (de kanonnen) aankwam, meende men dan ook dat de dag van de bevrijding was gekomen.

Voor velen was hij de god, wiens komst was voorspeld, de god van de winden, de goedheid en het licht.

Vlakbij Cempoalla bouwde Cortez een versterking, die hij Vera Cruz noemde. Vervolgens stuurde hij een van zijn schepen terug naar Spanje met een verslag over de gebeurtenissen, op de vijand veroverde voorwerpen en een geschilderd boek over de legende van Quetzalcoatl.

Het was augustus 1519, toen hij met 400 van zijn mannen, duizenden inlandse dragers en 7 kanonnen landinwaarts trok om zich te voegen bij de Tlaxcala, een bergvolk dat in oorlog was met de Azteken. De grote hoofdstad Tenochtitlan telde bijna een miljoen inwoners. Deze stad was gebouwd op een aantal eilanden in een meer dat was omgeven door bergen en vulkanen. Montezuma, de Azteekse keizer, die er niet in slaagde Cortez tegen te houden of hem uit de weg te ruimen, schonk hem een paleis binnen de stad.

Intussen waren in Vera Cruz manschappen vanuit Cuba aangekomen, met de opdracht van de jaloerse gouverneur-generaal, Cortez gevangen te nemen. Razendsnel keerde Cortez terug naar de kust, waar hij zijn tegenstanders versloeg en de overlevenden overhaalde, zich bij hem aan te sluiten.

In Tenochtitlan hadden de achtergebleven mannen inmiddels een groot aantal burgers vermoord, uit angst overvallen te worden. Toen Cortez terugkwam, begonnen de Azteken een beleg. Tijdens de gevechten die volgden werd Montezuma gedood, maar de Spanjaarden werden op de vlucht gedreven. Op de terugweg, die via een
verbindingsdam leidde, vonden vele Spanjaarden de dood in het meer.

Ondanks het grote verlies dat ze hadden geleden, wisten Cortez en zijn mannen een groot Azteeks leger bij Otumba te verslaan. Samen met de Tlaxcala en duizenden Azteekse opstandelingen, vereerden ze Tenochtitlan. Het beleg duurde drie maanden en na afloop stond er vrijwel geen gebouw meer overeind. De Spaanse soldaten maakten zich schuldig aan afschuwelijke wreedheden, hoewel een dergelijk gedrag bepaald niet paste bij Cortez’ godsdienstige opvattingen.

Hoewel er verschillende theorieën over bestaan, zal het waarschijnlijk altijd een raadsel blijven, hoe de 500 conquistadores (veroveraars) van Cortez erin slaagden een miljoenenvolk te verslaan. Sommige deskundigen menen dat er sprake moet zijn geweest van een ziekte die, meegebracht door de Europeanen, onder de Azteken een epidemie veroorzaakte. De ontevredenheid onder de bevolking die herhaaldelijk tot opstanden leidde, zal wellicht ook een rol hebben gespeeld. Cortez, die van de Spaanse regering de titel ‘Marquis de Valle des Oaxaca’ kreeg, zag zijn grootste wens, gouverneur van de nieuwe provincie te worden, niet in vervulling gaan. Hij ondervond voortdurend tegenstand van de koloniale regering en de onderkoning en hij stierf in 1547 als een verbitterd man.

Cortez

Cortez met de Indiaanse prinses Malinche, die zijn tolk werd. Zij vertaalt de woorden van een Azteek om Cortez van dienst te zijn.

alle biografieën

7e klas geschiedenis

 

VRIJESCHOOL in beeld:  7e klas alle beelden

 

994

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem de Veroveraar

.

Willem de Veroveraar

 

 

Het linkerprofiel van Willem de Veroveraar op een zilveren penny. De munt werd waarschijnlijk in 1068 geslagen. Het ontwerp is toegeschreven aan Theodoric.

 

Willem, hertog van Normandië, was een van de veroveraars die in de 11e eeuw de kaart van Europa drastisch wijzigde. De Normandiërs waren de afstammelingen van de Vikingen, die aan het begin van de 10e eeuw het hertogdom hadden gesticht. Tegen 1100 hadden ze Zuid-Italië op de vroegere Longobardische en Byzantijnse overheersers veroverd. Ze begonnen na de Eerste Kruistocht al nieuwe staten te stichten in Syrië en Palestina.

Deze harde en oorlogszuchtige mannen hadden een groot talent voor regeren. Na de slag bij Hastings in 1066 werd Willem heer en meester van één van de best bestuurde koninkrijken in Europa. Hij bouwde op deze basis verder. Toen hij stierf, liet hij een voor die tijd op unieke wijze georganiseerde staat na.

Willem was de onwettige zoon van Robert I van Normandië en Herleva, de dochter van een rijke inwoner van Falaise. Hertog Robert stierf toen zijn zoon nog maar acht jaar was. Onmiddellijk ontstond er rond de jongen een golf van geweld en intrige. Drie van zijn raadslieden werden vermoord en aan datzelfde lot kon de jonge Willem ternauwernood ontsnappen.

Op zijn zestiende jaar kreeg de jonge hertog Willem al te maken met een algemene opstand. Het was duidelijk, dat hij op militair gebied zeer begaafd was. Maar toch moest hij de hulp inroepen van koning Hendrik I van Frankrijk. Tijdens de vijf jaar daarna kwam Willem naar voren als een kundig leider.

In plaats van met een dankbare trouwe vazal, zag Hendrik zich geconfronteerd met een machtige buur. Zijn pogingen om de Normandische staat te ontmantelen faalden. Na de dood van de Franse koning Hendrik I in 1060 breidde Willem zijn gebied uit met het aangrenzende graafschap Maine. Hij had bewezen, dat hij de meester was in het roerigste gebied van Frankrijk. Zijn Engelse avontuur stond op het punt te beginnen.

Engeland werd geregeerd door Eduard de Belijder. Deze koning was kinderloos. Tijdens de regering van Kanoet had Eduard als banneling in Normandie geleefd. Toen hij koning werd, had hij Normandiërs als raadsheren aangesteld. In 1051 wees hij Willem officieel als zijn troonopvolger aan. In 1053 trouwde Willem met Matilda, die afstamde van Alfred de Grote van Engeland. Maar er waren in Engeland allerlei ontwikkelingen waardoor Harold Godwinson op de voorgrond kwam. In de 60-er jaren van de elfde eeuw had hij een goede kans, door middel van verkiezingen tot koning te worden gekozen. Toen leed Harold in 1064 voor de kust van Normandië schipbreuk. Hij werd als ‘gast’ meegenomen naar het hof van Willem. Volgens zeggen werd hij daar door een list overgehaald om te zweren, dat hij Willems aanspraken op de Engelse troon zou steunen. Koning Eduard stierf en in januari 1066 werd Harold tot koning gekozen.

Ondanks de tegenstand van zijn eigen raadgevers begon Willem op grote schaal voorbereidingen te treffen voor de invasie van Engeland. Hij bouwde een vloot om zijn manschappen te vervoeren. Hij rekruteerde huursoldaten uit Bretagne, Vlaanderen en uit andere streken. Hij kreeg voor zijn oorlog tegen een ‘meineed-plegende overweldiger’ de pauselijke zegen. Door de harde tegenwind werden zijn troepen gedwongen om de hele zomer van 1066 in Normandië te blijven.

Intussen had Harold langs de hele Engelse Kanaalkust mannen en schepen geposteerd. In september kreeg hij het bericht dat Noorse troepen in het noorden aan land waren gegaan. Hij marcheerde met zijn leger zo snel noordwaarts, dat hij de Noren en hun bondgenoten kon verrassen. Hij vernietigde hen op 25 september 1066 in de slag van Stamford Bridge. Maar in het zuiden was de wind gedraaid. Willem kon zonder tegenstand bij Pevensey aan land gaan.

Harold en zijn keurtroepen haastten zich terug naar Londen. Op 13 oktober 1066 sloegen ze hun kamp op bovenop een heuvel in de buurt van de tegenwoordige stad Battle. Daar hadden ze moeten wachten op versterkingen die onderweg waren. Harolds mannen waren eigenlijk ook te moe om direct weer ten strijde te trekken. Maar Harold besloot, de volgende ochtend om negen uur het gevecht met de indringers aan te gaan. De Engelsen hielden de hele dag stand. Tegen het vallen van de avond deden de legers van Willem alsof ze op de vlucht sloegen. De Engelsen verlieten hun slagorde om hen te achtervolgen. Maar de troepen van Willem verzamelden zich weer. De list slaagde. De Engelsen werden overwonnen en Harold sneuvelde.

De veertigjarige overwinnaar was wreed, hebzuchtig, meedogenloos en mateloos ambitieus. Maar hij was ook een dapper en vindingrijk leider. Hij werd één van Engelands grootste koningen. Vanaf Hastings rukte hij op naar Londen. In de zuidelijke streken liet hij een spoor van verwoesting en dood achter. Hij werd op Kerstdag 1066 in de Abdij van Westminster tot koning gekroond. Er volgden opstanden in 1069, 1072 en 1075, die allemaal werden neergeslagen. Midden-Engeland en het noorden werden door Willem de Veroveraar zo verwoest, dat het land 50 jaar nodig had om zich weer enigszins te herstellen. Willem verdeelde het land en de bezittingen van de verslagen Engelse adel onder zijn volgelingen. Maar de nieuwe Normandische machthebbers kregen maar heel kleine leengoeden, waardoor het voor hen heel moeilijk werd machtsblokken te vormen. Er werden kastelen gebouwd om vandaaruit het vijandige land in bedwang te houden. De grootste van die kastelen waren dat van de koning in Windsor en de Tower van Londen. Aan het eind van zijn regering gaf Willem het bevel om overal landmetingen te verrichten en daarvan aantekeningen te maken. Dit werd bij de Engelsen bekend als het Domesday Book. Het was een omvangrijk en uniek document. Het had zonder het bestuurlijk apparaat dat Willem van zijn voorgangers erfde, nooit tot stand kunnen komen. Willem sneuvelde terwijl hij zijn vijanden in Normandië bestreed. Tijdens zijn regering had de Engelse samenleving een nieuwe vorm gekregen.

Bayeux

Een deel van het beroemde wandkleed van Bayeux. Het toont de Normandiërs die op weg zijn naar de zuidkust van Engeland, enige tijd voor de Slag bij Hastings. Na de nederlaag van de Engelsen en de dood van koning Harold bij Hastings, trokken de troepen van Willem de Veroveraar een spoor van dood en verwoesting door Zuid-Engeland. Daarna werd Londen veroverd. Het wandkleed van Bayeux werd waarschijnlijk aan het eind van de 11e eeuw door Engelse naaisters geweven in opdracht van Odo, de bisschop van Bayeux en halfbroer van Willem de Veroveraar.

 

alle biografieën

 

988

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Willem van Oranje

 

Willem de Zwijger  1533-1584

Willem van Oranje

Een portret van Willem van Oranje. Het werd geschilderd door de Hollandse schilder Michiel van Mierevelt.

 

Toen de elfjarige Willem van zijn neef René van Chalon het prinsdom Oranje en de uitgestrekte bezittingen van Nassau erfde, werd hij daardoor een van de rijkste edelen van Europa. Zijn vader, graaf Willem de Rijke van Nassau-Dillenburg, die zijn zoon volgens de lutheraanse gedachten wilde opvoeden, was er niet erg gelukkig mee. Het betekende namelijk, dat de jonge Willem aan het hof te Brussel zou moeten gaan wonen. Keizer Karel V wilde dat Willem verder zou worden opgevoed door de landvoogdes Maria van Hongarije, die trouw rooms-katholiek was.

Willem was een zelfbewuste vriendelijke jongeman, die bij keizer Karel V in de smaak viel. Zijn bijnaam ‘de Zwijger’ dankte hij aan het feit, dat hij zijn gevoelens zo goed wist te verbergen. Als jongeman leidde hij een werelds bestaan, op het genotzuchtige af.

Toen Filips II van Spanje in 1555 het beheer over de Nederlanden kreeg, werd zijn kijk op het leven ernstiger. Willem was stadhouder voor Filips van de provincies Holland, Zeeland, Utrecht en Bourgondië. Trouw te zijn aan zijn vorst beschouwde hij als zijn eerste plicht. Willem, en met hem andere leden van de heersende klasse, begonnen tot het besef te komen dat Filips II van plan was hun macht ernstig te beknotten, zo niet geheel te laten verdwijnen. Filips II had zich voorgenomen, de ketterij in de Nederlanden ten koste van alles uit te roeien.

Ten gevolge van deze politiek, die op meedogenloze wijze in praktijk werd gebracht door de afgevaardigden van Filips II, verlieten veel van zijn onderdanen het land. Willem en de andere edelen – katholieke zowel als protestantse – verzochten Filips II via een Smeekschrift, een wat toegeeflijker houding aan te nemen. Het antwoord van Filips II kwam in de vorm van de hertog van Alva en enkele duizenden soldaten. Het buitengewone gerechtshof van Alva, de Raad van Beroerten (bekender als ‘de Bloedraad’), maakte al snel duidelijk dat het niet alleen de ketters waren die zouden worden gestraft. Bezittingen van lastige edelen werden in beslag genomen, de eigenaars werden gevangengezet en in sommige gevallen ter dood gebracht. Willem en zijn familieleden vluchtten naar Duitsland. In de vijf jaar dat zijn ballingschap duurde, bracht Willem van Oranje een leger op de been.

Voor Willem had de strijd tegen Spanje voornamelijk politieke betekenis. Maar al kwam voor hem in dit geval de godsdienst op de tweede plaats, toch werd hij gedwongen zich aan te sluiten bij de protestanten. Dankzij de strijdvaardigheid van zijn soldaten, kreeg hij de beschikking over een leger dat een gericht doel voor ogen stond. Langzamerhand begon Willem steeds meer voor het calvinisme te voelen. Maar hij zou blijven werken aan de vereniging van de Nederlanden, waar volledige vrijheid van godsdienst mogelijk moest zijn.

In 1572 rukte Willem met een leger van 20.000 man de Nederlanden binnen. Aan het eind van dat jaar had hij éénderde van Holland en gedeelten van Zeeland en Friesland in handen. Dat was nog maar het begin van de oorlog. De Spanjaarden sloegen terug. In het voorjaar van 1574 belegerden ze Leiden. Het heldhaftige opheffen van het beleg, door het omliggende platteland onder water te zetten en de stad met behulp van boten te bevrijden, betekende de redding van Holland.

Een belangrijke stap voorwaarts bij de totstandkoming van de eenheid was de Pacificatie van Gent van 1576. Hierdoor werden Holland en Zeeland verenigd, terwijl aan Willem van Oranje uitgebreide militaire bevoegdheden werden verleend. In het zuiden nam het verzet tegen de Spanjaarden toe. Men riep Willem te hulp om de opstand te leiden. Maar al snel begon de kloof tussen het calvinistische noorden en het katholieke zuiden breder te worden. Enkele zuidelijke provincies (Artois, Henegouwen en de stad Douai) sloten zich middels de Unie van Atrecht, in januari 1579 aaneen. Nog geen drie weken later kwam de Unie van Utrecht tot stand, een verbond tussen Noord- Nederlandse gewesten en Brabantse en Vlaamse steden. Daarmee kwam een eind aan het vooruitzicht het gebied van de Nederlanden tot één geheel te verenigen.

Dit schilderij werd in 1832 gemaakt door Cornelis Kruseman. Het is een voorstelling van Willem de Zwijger, die in 1559 in Vlissingen door Filips II van Spanje werd beschuldigd van trouweloosheid. Filips II staat op het punt uit de Nederlanden te vertrekken. Willems trouw aan Filips II bracht hem in een innerlijk conflict met zijn sympathie voor het volk der Nederlanden. Hij besefte, dat Filips II de bedoeling had, de Nederlanden met geweld te onderdrukken.

Willem van Oranje

In het jaar daarop (1580) verscheen de Apologie van Willem. In dit verweerschrift rechtvaardigde hij zijn opstandigheid. Het was ook de eerste keer dat hij Filips II ervan beschuldigde, de trouw van zijn onderdanen niet waard te zijn. Op 26 juli 1581 tekenden de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden de Akte van Afzwering. Daarbij verklaarden ze Filips II van de heerschappij over de Nederlanden vervallen, terwijl ze de Prins van Oranje, de ‘Vader des Vaderlands’, tot tijdelijk regeringshoofd kozen.

Maar Filips II had een prijs gezet op het hoofd van Willem van Oranje. De eerste moordaanslag mislukte. Enkele jaren later, op 10 juli 1584, werd hij doodgeschoten door Balthasar Gerards, een schrijnwerkersleerling. Het wapen waarmee deze de aanslag pleegde, had hij betaald met geld dat hij van Willem van Oranje zelf had geleend.

Willem van Oranje 2

Deze prent is een afbeelding van Willem de Zwijger, die door Balthasar Gerards werd doodgeschoten. Het moordwapen werd met het geld van het slachtoffer gekocht.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

917

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Filips ll

Filips ll

Filips II 1527-1598

Filips II was, evenals zijn vader Karel V, de machtigste vorst van zijn tijd. Maar ondanks de internationale positie die hij innam, bekeek Filips II de wereld uitsluitend vanuit Spaans oogpunt. Hij sprak geen vreemde talen en in tegenstelling tot zijn vader hield hij niet van reizen.

Hoewel de kroon van het Heilige Roomse Rijk na de dood van Karel V naar diens broer Ferdinand was gegaan, bleef er toch een aanzienlijke erfenis over voor Filips: Spanje met zijn bezittingen in de Nieuwe Wereld, de 17 provincies van de Nederlanden, Bourgondië, Napels en verscheidene andere bezittingen in het Middellandse zeegebied. Door zijn huwelijk met Maria Tudor werd hij in naam koning van Engeland. In 1578 erfde hij Portugal met zijn bezittingen. De militaire ondernemingen van Filips II tegen de Turken, de Fransen, de Nederlanders en de Engelsen werden bekostigd met geld uit de Nieuwe Wereld. Filips II was reeds op 27-jarige leeftijd weduwnaar. Overeenkomstig de wens van zijn vader hertrouwde hij in 1554 met de koningin van Engeland, Maria Tudor, die elf jaar ouder was dan hij. Het huwelijk was een mislukking. Tweemaal verkeerde Maria in de veronderstelling dat ze zwanger was. Tweemaal bleken het symptomen van waterzucht te zijn. De erfgenaam die Engeland en de Nederlanden met elkaar zou moeten verbinden, werd niet geboren.

Filips’ grootste streven was, de positie van de rooms-katholieke kerk in heel Europa te herstellen. Maar met de vervolgingen van de protestanten in Engeland onder ‘Bloody Mary’ kon hij zich niet bemoeien. Hij had zich namelijk verplicht, zich niet in Engelse aangelegenheden te mengen. Ook had hij toegezegd, Engeland niet te betrekken bij de oorlogen van Spanje. Toen hij echter in 1557 in oorlog raakte met Frankrijk, deed hij een beroep op Maria en haar Geheime Raad om hem met manschappen en geld te steunen. Het leger van Filips II bracht de Fransen een verschrikkelijke nederlaag toe bij St. Quentin, in het noorden van Frankrijk. Maar de Fransen wisten de slecht verdedigde haven Calais te veroveren.

Maria Tudor stierf in 1558. Haar dood bracht Elizabeth I op de troon. Zij zou later een geduchte tegenstandster worden van Filips II, maar voorlopig waren de Nederlanden zijn grootste zorg. Deze provincies waren weliswaar onafhankelijk van elkaar, maar er begon zich langzamerhand een gevoel van saamhorigheid te ontwikkelen. Streng, vroom en sober als Filips II was, voelde hij zich niet aangetrokken tot de Nederlanders. Hij begreep niet, wat Karel V zo goed had ingezien, dat ze zich zouden verzetten tegen Spaanse overheersing. De adellijke Nederlandse families hadden een afkeer van de landvoogd die Filips had gestuurd om hen te regeren. In 1566 bood een groep protestantse en katholieke edelen hem een smeekschrift aan, waarin hem dringend werd verzocht de Spaanse inquisitie niet naar de Nederlanden te laten komen. Het verzoek werd verworpen. Horden woedende calvinisten vernielden heiligenbeelden en voorwerpen van de eredienst in talloze katholieke kerken en kloosters. In antwoord op deze ‘beeldenstorm’ stuurde Filips II niet alleen de inquisitie om de ketters op te sporen en te bestraffen, maar bovendien duizenden soldaten onder de hertog van Alva. Deze werd de nieuwe landvoogd en trad de opstandelingen met uiterste wreedheid tegemoet. Maar de geest van de opstand was aangewakkerd en er begon een lange bittere strijd.

Een latere landvoogd, de hertog van Parma, slaagde erin de zuidelijke provincies te onderwerpen, maar in 1581 verklaarden de noordelijke provincies zich onafhankelijk. De Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg steun van de Engelsen, die Spaanse schepen aanvielen en plunderden. Besluitvaardigheid was niet het sterkste punt van Filips II. Maar hij nam zich toch voor, de Engelsen een lesje te leren, Elizabeth I van de troon te stoten en het land in bezit te nemen ten gunste van het katholieke geloof.

Hij gaf opdracht tot het bouwen van 130 schepen, de grootste vloot die de wereld ooit had aanschouwd, de Armada. Met 30.000 man aan boord zette de Armada in juli 1588 koers naar het noorden, terwijl het leger onder bevel van de hertog van Parma vanuit de Nederlanden oprukte. In Het Kanaal zette de Engelse vloot de achtervolging van de Spaanse schepen in, verjoeg de schepen en bracht de Armada, Onoverwinnelijke Vloot, ernstige schade toe. Hevige storm dreef de geteisterde Spaanse schepen de Noordzee op. Na een verschrikkelijke tocht langs de kust van Engeland keerde slechts de helft van de vloot met één derde van de bemanning in Spanje terug.

Kunst en cultuur waren inmiddels in het moederland tot grote bloei gekomen. Dankzij mannen als de schrijver Cervantes en de schilder El Greco kon men terecht spreken van een ‘Gouden Eeuw’. Maar de voornaamste bezittingen van Filips II, de rijke landen overzee, waren er oorzaak van dat het verval zich begon in te zetten. De stroom goud die Spanje vanuit Amerika binnenvloeide, bracht er een ernstige inflatie teweeg. Maar Filips II was evenmin als zijn raadslieden in staat de hand over hand toenemende waardevermindering van het Spaanse geld aan banden te leggen. Bovendien hadden de rijkdommen van het buitenland een duidelijke lokroep laten horen. Grote delen van de bevolking waren vertrokken, om hun geluk daar te gaan beproeven. Het gevolg was dat de industrie in het eigen land begon weg te kwijnen. Koning Filips II was oud en ziek. In het
Escoriaal, het grote paleis dat hij bij Madrid had laten bouwen, wijdde Filips II zich meer en meer aan het geestelijk leven, teleurgesteld over de wereld.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

913

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Karel V

 

Karel V  1500-1558

Karel VEen portret van de Habsburgse keizer Karel V. Het is afkomstig van een familieportret, dat door Bernard Striegel werd geschilderd. Het schilderij werd gemaakt toen Karel nog een tiener was. Op zijn negentiende jaar werd hij ‘Heilig Rooms Keizer’. De familie van de Habsburgers was bijna 600 jaar de belangrijkste macht in Centraal-Europa.

Voor een miljoen gouden florijnen kreeg Karel van Habsburg de zekerheid, dat hij keizer van het Heilige Roomse Rijk zou worden. Zeer waarschijnlijk zouden de zeven keurvorsten – die aan het hoofd stonden van de belangrijke Duitse staten – hem, als kleinzoon van Maximiliaan I, tóch wel hebben gekozen. Maar de mogelijkheid bestond, dat hun keus zou vallen op Frans I, koning van Frankrijk. Dat was een zorgwekkend vooruitzicht voor Karel. Zijn rijkste bezittingen, de Nederlanden, zouden daardoor immers komen te liggen tussen twee door de Fransen beheerste gebieden.

Karel, die al hertog van Bourgondië, koning van Spanje, Sicilië, Sardinië en Napels was, alsmede erfopvolger in de Habsburgse landen in Midden-Europa, was op zijn negentiende jaar de machtigste vorst van het Westen. Maar zijn macht werd van alle kanten bedreigd. De Franse koning, die was omringd door Habsburgse landen, was vastbesloten de eerzuchtige plannen van de keizer in Italië tegen te gaan. Oost-Europa en de landen om de Middellandse Zee ondervonden voortdurend bedreiging van de Turken, die Constantinopel hadden veroverd. Ook waren er enkele Duitse vorsten, die zich tegen Karel verzetten. Het lutheranisme dat ze aanhingen, verstoorde de eenheid van het keizerrijk. De hervorming was het grootste struikelblok tijdens de regering van Karel, die zijn uiterste best bleef doen de protestanten terug te brengen naar de rooms- katholieke kerk. De keizer was het in zoverre met Lutner eens, dat hij zich veel moeite getroostte er bij de paus op aan te dringen een eind te maken aan de corruptie binnen de rooms-katholieke kerk. Maar Luthers nieuwe leerstellingen kon hij niet aanvaarden. Zonder enig succes wierp de ene Rijksdag na de andere zich op het probleem van de godsdienstkwestie. Veel Duitse vorsten gingen namelijk niet alleen zelf tot het lutheranisme over, maar eisten bovendien dat ze zelf de staatsgodsdienst van hun rijk mochten bepalen. Toen Karel ten slotte paus Paulus III bereid had gevonden een concilie te houden, was de houding van de protestanten harder geworden.

Karel V  2

Het schitterende schild van Karel V. Het werd ontworpen door Raphael. Het reliëf is een voorstelling van de ‘Slag bij Carthago’.

In 1546 kwam het tot een oorlog tussen de protestantse landen – geholpen door Frans I – enerzijds, en de katholieke staten onder Karel V met steun van paus Paulus III anderzijds. De strijd duurde voort tot 1555. Bij de Vrede van Augsburg werd bepaald, dat een staatshoofd het recht had de godsdienst van zijn onderdanen te bepalen. Intussen was Karel V voortdurend betrokken bij oorlogen tussen de Fransen en de Turken. Verbintenissen met vooraanstaande Italiaanse geslachten (vaak door middel van huwelijken) maakten, dat het grootste deel van Italië onder Habsburgs bewind kwam. Maar niet alle pausen waren gelukkig met deze gang van zaken. Teneinde een machtsevenwicht tot stand te brengen, verleenden ze steun aan Frankrijk, dat eveneens naar Italië lonkte. In 1521 brak er oorlog uit tussen Karel V en Frans I. De voornaamste inzet was Milaan, dat destijds in Franse handen was. De strijd duurde jaren, maar uiteindelijk slaagde Karel V erin een federatie van Noorditaliaanse staten te vormen die trouw was aan de keizer. Deze band zou 300 jaar blijven bestaan.

De Turken, die gebruik maakten van de vijandelijkheden tussen de christelijke machten, vielen Hongarije binnen. Maar in 1532, toen ze bijna voor Wenen stonden, werden ze door de legers van Karel V verslagen. Het kwam in Hongarije tot een weinig overtuigende vrede. Toen Karel V in 1535 Tunis veroverde, kreeg de Turkse heerschappij op de Noordafrikaanse kust een forse klap. Maar tijdens de hele regeringsperiode van Karel V en ook nog daarna bleven de Turken de landen om de Middellandse Zee bedreigen. Voordat het goud uit de Spaanse bezittingen in Zuid-Amerika begon binnen te stromen, vormden de Lage Landen de voornaamste bron van welvaart van Karel V. Al eeuwenlang bloeiden daar handel en industrie. Karel V, die hertog van Bourgondië was, eiste van deze provincies trouw en het recht op financiële steun – geen belasting, maar hulpverlening. De vele oorlogen waarin hij betrokken was, kostten schatten. Dat was iets waarover hij herhaaldelijk waarschuwingen kreeg van zijn zuster Maria, de regentes over deze gebieden. Het bestuur dat Karels eisen desondanks had ingewilligd, werd in 1539 door de bevolking van Gent omvergeworpen. Maar Karel V sloeg de opstand meedogenloos neer.

Toch was Karel V graag gezien in de Nederlanden. Hij was er geboren en getogen en sprak de taal. Het gebied was tijdens zijn regering groter geworden en de zuidelijke provincies Vlaanderen en Artois waren bevrijd van de Franse dreiging. Toen Karel V in de vijftig was, zag hij eruit als een oude, uitgeputte man. Verwonderlijk was dat niet, gezien de spanningen waarmee hij voortdurend te maken had gehad. De verbintenis tussen Maria Tudor en zijn zoon Filips, die ten doel had een gecombineerde Engels-Nederlandse macht te stellen tegenover Frankrijk, deed zijn energie tijdelijk weer opleven.

In 1555 maakte Karel V een begin met het overdragen van zijn verschillende kronen aan Filips en aan zijn broer Ferdinand, die keizer zou worden. Zelf trok hij zich terug in een klein huis in Spanje. Daar bracht hij zijn laatste levensjaren door. Hij hield er hof, genoot van de jacht en muziek en van de overdadige maaltijden, die zijn gezondheid verder ondermijnden. Veertig jaar lang had hij een enorme last op zijn schouders gedragen. Niet al zijn ondernemingen waren geslaagd. Maar hij stierf als een bemind vorst.

alle biografieën

7e klas geschiedenis: alle artikelen

908

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis – alle artikelen

 

7e KLAS GESCHIEDENIS ALLE ARTIKELEN

[1] vertaling van Lindenberg ‘Geschichte lehren’: 7e klas; overzicht van de lesstof.

[2-1] Ontstaan van de boekdrukkunst
[2-1/1] deel 1
P.J. van der Horst over: schrijfmateriaal in oude culturen – Soemeriërs, Egyptenaren: papyrus; ‘monnikenwerk’; blokboeken; houtsnede
[2-1/2] deel 2
P.J. van der Horst over: Gutenberg of Coster?; Gutenbergbijbel
[2-1/3] deel 3
P.J. van der Horst over : verder over Gutenberg of Coster; Waldfoghel
[2-1/4] deel 4
P.J. van der Horst over: ook Waldfoghel niet; andere namen die als uitvinder worden genoemd: Italië, Frankrijk, België, Engeland; etsen; kopergravure; hoogdruk, diepdruk, vlakdruk
.
[3] Geschiedenis in de onderbouw
J.H.M.Dieselhorst over: geschiedenis in klas 7; de 7e-klasser; verloop geschiedenis klas 4, 5, en 6; ruimte en tijd: aardrijkskunde en geschiedenis

uitwerking van de door Lindenberg genoemde onderwerpen:

Biografieën van:

Columbus
Cortez
Galilei
Gutenberg en Coster
Hendrik de Zeevaarder
Jeanne d’Arc
Karel V
Leonardo da Vinci
Luther
Magalean
Marco Polo [1]  [2];
Paracelsus
Willem de Veroveraar

Willem van Oranje

Over ‘hoe vertel je’

7e klas: alle artikelen

alle biografieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- 7e klas – geschiedenis

Marco Polo 1

portret van Marco Polo, die door de Venetianen ‘Mijnheer Miljoen Wonderen’ genoemd werd om de wonderbaarlijke avonturen die hij zou hebben beleefd.

MARCO POLO

In het jaar 1261 vertrokken twee Venetiaanse kooplieden vanuit Constantinopel naar Azië. Het waren de gebroeders Mattheus en Nicolaas Polo. Het was hun bedoeling om de binnenlanden van Azië te doorkruisen, waar ze naar nieuwe specerijgebieden zouden zoeken.

Tijdens hun zwerftochten ontmoetten ze ondermeer Koebilaj Khan, de machtige keizer van de Tartaren. Dat gebeurde in 1264 aan het hof van Kambalig (het tegenwoordige Peking). De gebroeders Polo werden er met veel pracht en praal ontvangen, want ze waren de eerste blanken die de oosterse landen bezochten. De keizer wilde alles weten over de gebruiken in de landen van Europa. Vooral de godsdienst in Europa interesseerde de keizer zeer. Drie jaar later vertrokken de Polo’s weer naar hun vaderland Italië. De terugreis verliep een stuk gemakkelijker dan de heenreis, want Mattheus en Nicolaas Polo droegen een gouden amulet bij zich. De keizer had daarop geschreven, dat iedereen hen tijdens hun tocht behulpzaam moest zijn.

WAT WIST MEN VAN AZIË IN DE TIJD VÓÓR MARCO POLO?
In de middeleeuwen was er weinig bekend over de oosterse landen. Er werden ongelooflijke verhalen verteld over vreemde dieren, planten en mensen. Maar wat er waar van was…? Niemand was er ooit geweest.

De kooplieden die handel dreven met de Aziatische landen, kwamen niet verder dan de havens. Daar kwamen de karavanen met oosterse waren, die geruild werden tegen producten uit Europa. Toen men in Europa hoorde dat de Tartaren, onder leiding van hun aanvoerder Djengis Khan, bijna heel Azië hadden veroverd, besloot de paus om enige monniken naar Karakoroem te zenden. Daar bevond zich het hof van de keizer. De paus hoopte op deze manier de woeste Tartaren tot het christendom te bekeren. Eén van de beroemdste monniken, die door de paus naar het oosten werden gestuurd, was Johannes da Pian del Carpine.

In 1245 trok hij door Rusland en Toerkestan naar het rijk der Tartaren. Alles wat hij tijdens zijn lange en vermoeiende reis zag en beleefde, beschreef hij later in zijn boek.

DE EERSTE REIZEN VAN MARCO POLO
In 1269 keerden Nicolaas en Mattheus Polo weer terug naar hun vaderland. Kort daarna vertrokken ze voor een tweede reis naar het Oosten. Ze waren toen in het gezelschap van de jongste zoon van Nicolaas, Marco Polo. De drie dappere Venetianen trokken verder en na een avontuurlijke reis bereikten ze opnieuw het hof van Koebilaj Khan. Ze hadden een bericht van de paus bij zich. De vorst was bijzonder blij met hun komst. Hij raakte gesteld op de jonge Marco Polo, omdat deze een pientere en eerlijke jongeman bleek te zijn. De vorst benoemde Marco tot z’n raadsheer. Hij kreeg zelfs het bestuur over de provincie Sangoej (Nanking). Marco Polo kreeg daardoor de kans om verre reizen te maken door het gebied van Koebilaj Khan. Op deze manier leerde hij de gebruiken van vele volkeren kennen. De vorst vond het niet plezierig dat zijn gasten ten slotte weer naar hun eigen land wilden terugkeren en wist ze vele jaren lang tegen te houden. In het jaar 1292 gingen ze uiteindelijk terug.

Marco Polo 2

De jonge Marco Polo kijkt met zijn vader en oom hoe de schepen voor de reis naar het onbekende Azië worden volgeladen.

‘Meneer Miljoen Wonderen’
Waarom liet Koebilaj Khan zijn gasten ten slotte tóch vertrekken? Hier was een speciale reden voor. De keizer van Perzië had de keizer enkele afgezanten gestuurd met een huwelijksaanzoek voor de prinses. Op de terugreis wilden de Perzische afgezanten graag vergezeld worden door de drie Polo’s want zij hadden natuurlijk een enorme ervaring in het maken van verre reizen. Met tegenzin stemde de vorst toe en zo vertrokken onze wereldreizigers met 14 schepen en 600 man naar het westen. Na vier en een half jaar varen – er waren nog slechts 18 overlevenden – bereikte de vloot eindelijk Perzië. Vandaar ging de reis naar Venetië, waar ze in 1295 aankwamen. Ze waren toen 24 jaar van huis geweest! Marco Polo vertelde z’n avonturen uitvoerig, maar de mensen geloofden hem niet.

Men vond hem een opschepper. De mensen lachten maar een beetje om al die fantastische verhalen en gaven Marco de bijnaam van ‘Meneer Miljoen Wonderen’.

Tijdens een oorlog tussen de handelssteden Venetië en Genua werd Marco Polo gevangengenomen en kwam in een Genuese kerker terecht en ontmoette daar een andere gevangene, Rustichello uit Pisa. Deze tekende de wonderbaarlijke verhalen van Marco Polo op. Toen hij vrijgelaten werd verscheen een boek over de avonturen van de wereldreiziger. De titel van het boek was dezelfde als de bijnaam, die men Marco Polo had gegeven. ‘Meneer Miljoen Wonderen’ stond er in sierlijke letters op het omslag. Het merkwaardige was dat de mensen de verhalen toen wel geloofden.

 

ZO LEEFDEN DE TARTAREN
De Tartaren woonden ’s winters in de dalen, waar voldoende gras groeide voor hun dieren, ’s Zomers gingen ze de bergen in of ze trokken naar valleien waar zich veel water bevond. Wanneer de Tartaren verhuisden braken ze hun houten huizen af en namen deze mee. Voor de verhuizing werden grote karren gebruikt, die waren bedekt met grote kleden, die de regen tegenhielden. De karren werden door ossen of kamelen getrokken. Bovenop zaten de vrouwen en kinderen. Het zwaard en de knuppel waren de wapens van de Tartaren. Maar zij waren het meest gevreesd om hun trefzekerheid met pijl en boog. Als ze eenmaal op hun paard zaten, waren ze onvermoeibaar. De Tartaren konden gerust tien dagen achter elkaar op het paard zitten. Hun enige voedsel bestond dan uit het bloed dat ze uit de aderen van hun paarden zogen.

Marco Polo 3

In gevechten voerden ze een zeer speciale tactiek. De Tartaren deden eerst alsof ze op de vlucht sloegen. Als hun tegenstanders dan overmoedig de achtervolging inzetten, draaiden de Tartaarse ruiters zich plotseling om en bestookten hun vijanden met een regen van pijlen.

Het is niet verwonderlijk dat dit woeste ruitervolk heel China veroverde, met uitzondering van de stad Sanjanfoe.

Deze stad wist al drie lange jaren de aanvaller van de Tartaren af te slaan. Dat de stad ten slotte toch werd veroverd was te danken aan Marco Polo. Hij adviseerde de vorst van de Tartaren om een blijde te gebruiken. Een blijde is te vergelijken met een enorme katapult. Daarmee werden grote stenen over de stadsmuren geslingerd, een blijde was in Europa in de Middeleeuwen een veel gebruikt wapen.

De Tartaren hadden er nog nooit van gehoord. Met behulp van een tekening legde Marco PoLo uit, hoe zo’n wapen werkte.

Onder zijn leiding werden drie blijden gebouw die stenen tot 300 pond konden wegslingeren. Dit werd de stad Sanjanfoe noodlottig. Tegen dit moderne wapen was men niet opgewassen. De stad Sanjanfoe gaf zich ontsteld over.

Aantekeningen van Marco Polo over Azië

Klein-Armenië
De mensen in deze streek
zijn enorme drinkers. Aan zee ligt de stad Lajas, waar zich opslagplaatsen bevinden van goederen en specerijen uit de hele wereld.

Groot-Armenië
Boven op een berg, de Ararat, ligt de Ark van Noach.

Baldac –
Een grote stad, waar de kalief van alle Saracenen woont, zoals in Rome de paus van alle christenen (Bagdad).

Tobris –
Mooiste stad van Irak. Hier worden gewaden gemaakt van zijde en goud. Kooplieden uit alle delen van de wereld bezoeken deze stad.

Balc –
Een stad op de grens van het Tartarenland. Wie verder wil reizen moet veel proviand meenemen, aangezien men gedurende 12 dagen reizen geen onderdak zal vinden.

Balscian –
In deze streek leven wilde rammen met grote horens. Van de horens maken de herders diepe borden. Het is hier zo koud, dat er zelfs geen vogels vliegen.

Tangoet –
In deze provincie verbouwt men rabarber, dat over de hele wereld wordt uitgevoerd.

Kataj –
In deze streek wordt geld gebruikt, dat op papier lijkt. Het zijn zijden blaadjes, waar de stempel van de Grote Khan op staat. In andere gebieden gebruikt men schelpen als betaalmiddel of schijven zout van een half pond.

Sjangli –
Rond deze stad wordt in de bodem zout gevonden. Men graaft de zoute aarde op en laat er water doorheen stromen. Het zoute water wordt in grote ijzeren ketels aan de kook gebracht. Als het water is verdampt, blijft op de bodem van de ketels een laag zout liggen.

Kambalig –
Hoofdstad van het Tartarenrijk van Koebilaj Khan. De Khan woont in een schitterend paleis.

Kipangoe –
Een eiland dat rijk is aan goud. Het schitterende paleis van de keizer is goud belegd (Japan).

Kinsaj –
Betekent in het Chinees: ‘Hemelse Stad’. Het is de hoofdstad van het oude Mantsji-rijk. De stad is net als Venetië op het water gebouwd en er zijn 12.000 stenen bruggen. Elke brug wordt bewaakt door schildwachten.

Sumatra –
Een eiland dat wordt bewoond door bloeddorstige mensen. Geen enkele vreemdeling kan hier binnendringen. De mensen drinken er palmwijn.

Ceylon –
Een eiland waar kostbare edelstenen worden gevonden. De koning bezit de grootste robijn ter wereld. Deze steen is langer dan een hand en dikker dan de arm van een man.

Lar –
Het land van de boeddhisten. Dit zijn de eerlijkste kooplieden ter wereld. Ze eten geen vlees en drinken ook geen wijn. Ze zullen nooit dieren doden, zelfs geen insecten.

Escier –
Het land van wierook. Deze stof wordt uit bepaalde bomen verkregen. Er is een tekort aan graan en andere landbouwgewassen, maar er is vis in overvloed. De bewoners voeden hun dieren met vis.

Aden –
Een provincie met veel steden en kastelen. Veel schepen, die op weg zijn van Indonesië naar Egypte, doen Aden aan.

Ormoes –
Hier leven merkwaardige vogelsoorten, zoals papegaaien. De mensen in Ormoes bouwen onveilige schepen, omdat het hout niet wordt vastgespijkerd. Het hout wordt met draden bevestigd, die gemaakt zijn uit de bast van een notenboom.

Kamadin –
Rondom deze stad ligt een vruchtbaar gebied, waar dadels en paradijsvruchten worden gekweekt. Men heeft er grote ossen, die zo wit zijn als sneeuw. Deze ossen hebben kort haar, dikke horens en een grote bult tussen de schouders (zeboes).

Perzië –
In dit koninkrijk ligt de stad Sava. Vanuit deze stad vertrokken de Drie Koningen om Christus te aanbidden. De Drie Koningen liggen hier in een mooie graftombe begraven.

Mosoel –
Deze stad maakt deel uit van een koninkrijk, waar vele mensen wonen. De grootste stam is die van de aanbidders van Mohammed.

Toerkmenistan –
Hier worden de mooiste tapijten ter wereld gemaakt.

Marco Polo 4

 

Marco Polo

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 

904

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – geschiedenis

 

Hoe ga je te werk

In ‘Geschichte lehren’ staat de lesstof van de 7e klas in grote lijnen beschreven.

Dit is wat je eigenlijk met de kinderen zou moeten behandelen en wel in 2 perioden van 3 à 4 weken.

Lindenberg geeft in zijn boek perioden van 3 weken, maar de ervaring is bij velen dat 4 weken nodig zijn, dus totaal 8.

Zeker, wanneer je niet voortdurend – gedurende die 2 uur hoofdonderwijs waar ook vaak nog iets vanaf gaat (een paar liederen, getuigschriftspreuken enz.???) aan het woord wilt zijn. Dat verdragen de leerlingen niet en vanuit de algemene menskunde kun je weten dat ze dan teveel wegdromen en derhalve niet veel opnemen. Je doet dus moeite voor niets.

Het is dus belangrijk dat je kijkt naar de werkvormen die je wilt hanteren bij het aanleren van de stof.

Het vertellen is toch een belangrijk onderdeel en hierbij gelden, ook al hebben we hier met een hogere klas te maken, dat het ‘beeldend’ moet zijn. (Dat geldt ook  nog voor klas 8).

Beeldend is, wanneer je iets voor je ziet; wanneer je iets meebeleeft; wanneer er spanning en ontspanning is; humor en verdriet enz.

In de lesstof die in de artikelen voor de 7e klas wordt beschreven, is daarvan niet erg veel aanwezig; het gaat daar meer om de inhoud.

Goede schrijvers van historische (jeugd)romans kunnen een zeer inspirerend voorbeeld zijn. Het betekent wel dat je die boeken zelf eerst moet lezen en er vervolgens die onderwerpen uit moet halen die je nodig hebt.

Voor de geschiedenis van de lage landen bestaat er een serie die voor ons buitengewoon geschikt is: ‘Geschiedenis van de lage landen‘ van Jaap ter Haar.

Hij laat steeds de mensen iets beleven en doet dit zoals wij dit met onze vertelstof door de klassen heen, ook doen.
De kinderen in je klas kunnen dit zo meebeleven, dat hun gevoel aangesproken wordt en niet, zoals bij het feitelijk overbrengen van de stof, het hoofd – de ‘antipathiekrachten van het spiegelend moeten leren’ (Algemene menskunde o.a. 2e voordracht).

Uit deel 2: DE WERELD IS ROND

Tegen het eind van de 15de eeuw zijn de geleerden – maar nog niet allen – ervan overtuigd, dat de aarde rond is. De weg naar het Verre Oosten, open gelegd door de tocht van Mar co Polo (in 1271 van Venetië naar Peking), moet dus ook via het Westen bereikbaar zijn. Nu Constantinopel gevallen is en de Turken beslag hebben gelegd op het Byzantijnse rijk, ligt de handelsroute naar het Oosten gedeeltelijk geblokkeerd. Wel worden nu nog omvangrijke zaken gedaan met Egypte, maar de wens bij de kooplieden groeit om een zeeweg naar het Oosten via het Westen te vinden. Koene Portugezen varen langs de kust van Afrika. Zij verdienen kapitalen met hun handel in slaven (voor huiselijk gebruik in Europa en door de verkoop van de ongelukkigen aan andere stammen!). Zij halen vermogens op met specerijen, ivoor en goud. Met het zo verdiende geld zijn de Portugezen in staat snellere en zeewaardiger schepen te bouwen. Steeds verder zeilen ze uit om rijkdommen in de wacht te slepen – terwijl de rest van Europa hun verrichtingen jaloers gadeslaat.

In 1488 zeilt Bartholomeus Diaz als eerste Europeaan om Kaap de Goede Hoop. Hij koestert de hoop de zeeweg naar Azië eindelijk te hebben gevonden. Wanneer na drie weken zeilen nog steeds geen land in zicht komt slaat de bemanning aan het muiten.

Tot zover is het nog een gewone beschrijving. Dan begint de ‘echte’ vertelling:

„Terug!” roept het zeevolk uit angst voor donkere zeeën en onbewoonbare gebieden. De stoere Diaz ziet zich gedwongen het roer te wenden.
De wereld is rond! Jawel, maar welke gek waagt het naar de qwestelijke einder te zeilen om zodoende in China aan land te gaan?

Christofoor Columbus, een weverszoon uit Genua wil het proberen. Zeelieden hebben hem verteld, dat op de Azoren meermalen voorwerpen zijn aangespoeld :

„Ver in het Westen moeten eilanden zijn!”

„Een stuurman uit Portugal heeft op de Azoren een kunstig gesneden brok hout gevonden!”

„Stukken riet en zelfs twee lijken van een vreemd mensenras zijn daar door de golven aan land gespoeld!”

Onvermoeid vecht Columbus – aan vele hoven van Europa – acht j aar lang voor zijn plan. Eindelijk beginnen koningin Isabella en koning Ferdinand toch iets te zien in de ideeën van de welbespraakte kapitein. De Moren zijn net uit Granada verjaagd en nu aan die slepende oorlog een eind gekomen is, kunnen er wel gelden beschikbaar worden gesteld.

..Het prestige van Spanje zal groeien, als de tocht met succes wordt bekroond!” denkt men aan het hof.

Zó doldriest, zó avontuurlijk, zó gevaarlijk lijkt de onderneming dat Columbus geen zeevolk voor zijn schepen vindt. Gevangenen kunnen hun vrijheid krijgen als zij zich melden, maar ze doen het niet. Tenslotte krijgt Columbus zijn bemanning toch bij elkaar.

3 augustus 1492: In de haven van Palos gooien de matrozen op de Pinta, de Nina en de Santa Maria de trossen los. In de hut van Columbus ligt een brief in het Latijn, bestemd voor de keizer van China.

Het is prachtig weer. Met een constante oostenwind drijven de schepen, met in totaal 120 koppen aan boord, in snelle vaart westwaarts.

„Pssst!” Ze spugen in zee, tellen de polsslagen, terwijl de spuugvlek langs het schip drijft. Zó meten ze hun snelheid. Columbus geeft de afgelegde afstand steevast te klein op: zijn zeelieden moeten de afstand naar Spanje vooral niet te groot gaan vinden.

De zee, de eindeloze zee, maakt de bemanning soms wanhopig. Pas na 10 weken komen er aanwijzingen, dat „Indië” nabij moet zijn.

„Daar!” wijst een matroos over de reling. Een stok met snijwerk en kort daarop nog een tak met rode bessen worden verheugd uit zee opgevist. Op de avond van de 11de oktober meent Columbus in de verte een licht te zien:

„Het flikkerde met zulk een onzekere glans, dat ik het niet als een teken van land durfde aanmerken . . .” noteert hij in zijn logboek. Ruim 23 uur later weerklinkt in de nacht opeens de bevrijdende kreet van de uitkijk:

„Land! Land!”

Rodrigues Bermejo, matroos op de vooruitvarende Pinta, heeft in het maanlicht de zoom van een zeestrand ontdekt. Wat een blijdschap!

„Rodrigues!”

„Fernando! Land, land!” De ruige zeelui omarmen elkaar en juichen. Dankbaar zingen zij een Te Deum op het dek om God te prijzen voor de behouden vaart.

Wat een fascinerend schouwspel, als de naakte, beschilderde Taino- Indianen op de Bahama’s de vreemdelingen tegemoetgaan. Als onbekende góden uit een andere wereld betreden de Spanjaarden het land. Begerig loeren zij naar de kleine stukjes goud, die de Taino’s in de doorboorde neuswand dragen. Wapens kennen deze vreedzame Indianen niet. Eén van hen loopt argeloos in het zwaard van de admiraal en verwondt zich lelijk.

Zoekend naar Japan ontdekken de Spanjaarden in de komende weken nieuwe eilanden. De tropische lente vertoont zich in haar exotische bloemenpracht. Voor het eerst ziet het zeevolk, hoe de Indianen een soort kruiden in een droog blad wikkelen en aansteken.

„Ze drinken de rook!” schrijft Columbus in een van zijn rapporten.

De moeilijkheden waarmee hij te kampen krijgt zijn groot. Er is desertie. Belust op goud gaan bemanningsleden aan de haal. Bij het ruilen van prullaria tegen goud stapelen de ruzies zich op. Bovendien loopt de Santa Maria aan de grond. Van het wrakhout bouwen de Spanjaarden een fort: het eerste Europese bolwerk in de Nieuwe Wereld. Wat vooral opvalt is het feit, dat de Indianen nog geen spijker ontvreemden – terwijl door de bemanning toch heel wat wordt geklauwd.

Na vele avonturen vindt Columbus het mooi genoeg. 40 vrijwilligers blijven achter in het eenzame fort – hopend zich rijk te stelen. Dan wordt de terugreis aanvaard!

7e klas geschiedenis: alle artikelen

 

900

 

 

VRIJESCHOOL – Vertelstof – biografieën – Paracelsus

Paracelsus   1493-1541

Paracelsus kan worden beschouwd als de geneeskundige die voor het eerst scheikundig verkregen stoffen toepaste bij het behandelen van ziekten. Door zijn denkwijze heeft hij grote invloed gehad op de latere geneeskunde.

Paracelsus

Paracelsus werd geboren als Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim, in het dorpje Einsiedeln, bij Zürich in Zwitserland. Zijn vader was arts en chemicus. Zijn eerste opleiding kreeg hij aan een school in Augsburg, Oostenrijk. In 1507, toen hij 14 jaar was, begon hij vele universiteiten in Europa af te reizen, zoals die van Basel, Tübingen, Wenen, Wittenberg, Heidelberg en Keulen. Hij deed dat in de hoop leermeesters te vinden met denkbeelden die hij zou kunnen respecteren. Hij had een sterke persoonlijkheid en zei altijd onomwonden zijn mening. Zijn leermeesters en andere autoriteiten waren dan ook steeds al gauw beledigd, door zowel zijn houding en optreden als zijn scherpe opmerkingen. Toch behaalde hij zijn graad in de medische wetenschap, eerst in Wenen, en toen in de Italiaanse stad Ferrara, in 1716. Omstreeks dezelfde tijd nam hij de naam Paracelsus aan, die de betekenis heeft van (verheven) boven Celsus. Daarmee wilde hij zijn verachting tot uitdrukking brengen voor de oude Romeinse geneesheer Celsus, die in de 16e eeuw zo bewonderd werd.
Daarna bleef Paracelsus zwerven, van Ierland in het westen tot Constantinopel – het huidige Istanboel – in het oosten. In Rusland werd hij een tijdje gevangen gehouden door de Tataren. Omstreeks 1521 was hij chirurgijn van een leger in Italië, waarbij hij betrokken raakte bij verschillende plaatselijke oorlogen. Steeds was hij erop uit zijn kennis van medische behandelingsmethoden te verrijken en om, zoals hij het zelf uitdrukte, ‘de sluimerende krachten van de natuur’ te ontdekken.

Paracelsus’ opvallende, weidse stijl van spreken heeft de taal verrijkt met de uitdrukking ‘bombastisch’, naar het eerste deel van zijn familienaam. Ook kon hij bijzonder fel uitvallen. Zo heeft hij eens een groepje professoren, met wie hij onenigheid had, verteld: ‘U bent nog niet waard dat een hond zijn achterpoot tegen u optilt’.

In de jaren 1527-1528 was hij hoogleraar in Basel. Daar joeg hij de autoriteiten tegen zich in het harnas door de werken van de befaamde Griekse geneesheer Galen in het openbaar te verbranden. En hij maakte de zaak nóg erger door zijn colleges voor iedereen toegankelijk te maken en ze gewoon in het Duits te geven, in plaats van in het Latijn. Vanuit alle hoeken van Europa stroomden studenten toe om zijn colleges te volgen.

Net als Hippocrates geloofde Paracelsus in het geneeskundig behandelen van de hele persoon van de patiënt, en in het genezend vermogen van de natuur zelf. Hij zette een flinke stap in de richting in de richting van de homeopathische geneeswijze toen hij verklaarde dat – in kleine hoeveelheden toegediend – ‘wat een mens ziek maakt, hem ook geneest’.
Volgenss zeggen heeft hij een doeltreffend middel tegen de pest gemaakt: een pil van deeg en een uierst kleine hoeveelheid uitwerpselen van de patiënt. Hoewel hij de geneeskunde in principe zuiver wetenschappelijk benaderde, zag hij magie –  of tenminste ‘mentale kracht’ – als een belangrijk element van de genezing. Niemand minder dan de Zwitserse psycholoog uit de 20e eeuw, Carl Jung, zag in Paracelsus een pionier op het gebied van ‘een op ervaring en proeven berustende psychologische geneeswijze’.

Paracelsus was buitengewoon knap in de diagnose, het onderkennen van een bepaalde ziekte.

‘Met vastberadenheid en verbeeldingskracht kan alles verricht worden,’ heeft hij gezegd. Hij vond de astrologie bespottelijk, maar hij zocht in de alchemie naar fundamentele waarheden. ‘In magie zit grote wijsheid… in de rede alleen dwaasheid,’ verklaarde hij. Hij overbrugde de kloof tussen de oude alchemie en de nieuwe scheikundige wetenschap. Daarbij verschafte hij zich en verkregen anderen na hem, inzicht op het gebied van de chemotherapie, de geneeswijze met chemische stoffen. Paracelsus was de eerste die opperde dat longziekten bij mijnwerkers werden veroorzaakt door het inademen van metaal-‘dampen’ en niet door boze geesten. Ook als eerste legde hij verband tussen het veelvuldig voorkomen van struma (een aandoening van de schildklier in de hals) in bepaalde streken, en het gebrek aan mineralen in het drinkwater in die streken.

Een van zijn grootste werken was het schrijven van Die grosse Wundartzney (Het grote Boek der Heelkunde), dat in 1536 gepubliceerd werd. Bovendien werd hij dankzij dit werk beschermd door de machthebbers. Hij stierf op 24 september 1541 in een herberg in Salzburg, waarheen hij was gereisd om in dienst te treden van de prins-aartsbisschop hertog Ernst von Beieren. Volgens sommigen werd hij vergiftigd. Een andere lezing is, dat hij overleed aan verwondingen die hij opliep toen hij dronken van een heuvel afrolde.

Meer over Paracelsus is hier te vinden.

Alle biografieën

Paracelsus wordt (soms) in de 7e klas geschiedenis behandeld.

899