Categorie archief: euritmie

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 10)

.

Nora von Baditz
.

sprookjes- en arbeidsspel als stimulans voor de euritmie

.

Om je werk telkens opnieuw met een gevoel van frisheid en moed te benaderen, zijn nieuwe ideeën nodig. Laten we beginnen met het bekijken van enkele suggesties van Rudolf Steiner:

‘En als de mens in onze tijd wordt opgeroepen om als het ware de goden in zijn eigen zielenkrachten op te nemen, zodat hij niet maar gelovig afwacht tot de goden hem dit of dat brengen, maar integendeel wil handelen alsof de goden in zijn handelende wil leefden, dan is dit het tijdstip – als de mensheid het wil beleven – waarop de mens in zekere zin van de uitwendig geschapen, objectieve kunsten moet overgaan naar een kunst die in de toekomst nog heel andere dimensies en vormen zal aannemen: naar een kunst die het bovenzinnelijke direct uitbeeldt.

En wat de pedagogisch-didactische toepassing betreft: deze zal gaandeweg individuen vormen die, dankzij een in deze richting georiënteerde opvoeding, als vanzelfsprekend beschouwen dat zij bovenzintuiglijke wezens zijn; zij bewegen immers hun handen, armen en benen op een zodanige wijze dat de krachten van de bovenzintuiglijke wereld in die bewegingen werkzaam zijn. Het is in feite de menselijke ziel — de bovenzintuiglijke ziel — die in de euritmie overgaat in beweging. Het is de levende uitdrukking van het bovenzintuiglijke die zich in euritmische bewegingen manifesteert.”

En de pedagogisch-didactische toepassing van de euritmie zal mettertijd mensen opvoeden die het door deze opvoeding vanzelfsprekend zullen vinden dat ze bovenzinnelijke wezens zijn, omdat ze hun handen, hun armen en benen zo bewegen dat daarin de krachten van de bovenzinnelijke wereld werken. Het is immers de ziel van de mens, de bovenzinnelijke ziel, die bij de euritmie tot beweging overgaat. Het is immers een levende manifestatie van het bovenzinnelijke die in de euritmische bewegingen aan het licht treedt.’
GA 271/201
Vertaald/186

‘We keren terug naar de oerbewegingen wanneer we euritmie doen.’
GA 279/57
Niet vertaald

We zetten dan bewust de weg van de goden voort doordat we het werk van de goden hebben overgenomen – het afdrukken van het denken in de hersenen – doordat we van het boven­zinnelijke van de euritmie, van de bovenzinnelijke euritmie, de zintuiglijke maken. Deden we dat niet, dan zou de mensheid langzamerhand in een zielendromen vervallen; ze zou in slaap gaan vallen. Het zou zó worden dat uit de geestelijke wereld wel allerlei in het Ik en het astrale lichaam van de mens binnen zou stromen, maar dat zou altijd in slaaptoestand gebeuren, en bij het wakker worden zou het nooit op het fysieke organisme worden overgebracht. Opdat de ontwikkeling van de mensheid kan voortgaan, moeten we dit proces – waarbij het bovenzinnelijke naar het domein van het zintuiglijke wordt gebracht – bewust in eigen hand nemen.”
GA 302A/48-50
Vertaald/51-52

Maar dat wat in de waarneming wordt ervaren, niet zintuiglijk maar spiritueel, wordt in de euritmie gegeven. Daarom zou men, bij het observeren van de bewegingen van de euritmist, werkelijk overal de natuur moeten kunnen voelen. En zij die de natuur voelen – maar dan de geest in de natuur – ervaren euritmie op de juiste manier. Stel je bijvoorbeeld voor dat iemand zegt: “Ik zie een euritmische beweging; het doet me denken aan de indruk die een spar op me maakte tijdens een wandeling in het bos. Een spar die in de wind bewoog of juist niet.” Maar als het niet bij dit gevoel blijft, als de persoon in kwestie bij zichzelf zegt: “Ja, nu verduidelijkt de euritmie me echt de spar, want de spar staat daar niet zomaar; de spar is een letter in dat wat stroomt en weeft door de wereld, in de eeuwige, oneindige woorden van de wereld. En euritmie verduidelijkt me over hoe de spar spreekt.” Euritmie kan me ook verduidelijken hoe de lente spreekt, euritmie ook over hoe de bliksem spreekt, enzovoort.’

We moeten onze verbeelding in beweging brengen – waarbij we putten uit alles wat in ons leeft – als we, vanuit een geest van liefde, het geheim van de spirituele essentie die in elk ding en elk proces besloten ligt, tot uitdrukking willen brengen. Pas wanneer we in staat zijn om vanuit de natuur iets te scheppen dat bij ons op zijn beurt een gevoel van verwondering oproept over wat het universum door ons, met ons en in ons vormgeeft, stijgen we op naar het werkelijk artistieke – naar die kunstvorm waaruit alle kunst in de menselijke geschiedenis is voortgekomen. Vanuit een dergelijke gemoedstoestand zullen we ook in staat zijn om op de juiste wijze een nieuwe kunstvorm, zoals euritmie, te ontwikkelen.
GA 277D/41  niet oproepbaar
Niet vertaald

Maar de euritmie bedient zich van de gehele mens als haar uitdrukkingsmiddel. Toch moet voor zo’n voorstelling tegenwoordig nog steeds aan de welwillendheid van de toeschouwer geappelleerd worden. Elke kunst moest ooit een beginstadium doormaken. Dat moet de euritmie ook. Zij staat aan het begin van haar ont­wikkeling. Maar omdat zij zich van het meest volmaakte in­strument bedient dat denkbaar is moet zij onbegrensde ont­wikkelingsmogelijkheden in zich hebben. Het menselijke organisme is dit meest volmaakte instrument; het is in wer­kelijkheid de microkosmos, die alle wereldgeheimen en wereldwetten geconcentreerd in zich draagt. Brengen we door euritmische bewegingsvormen tot openbaring wat zijn we­zen omvattend in aanleg in zich draagt als een taal die licha­melijk het totale beleven van de ziel laat verschijnen, dan moeten we daardoor de wereldgeheimen op artistieke wijze veelomvattend tot uitbeelding kunnen laten komen.
GA 307/278
Vertaald/355

“Door ons volledig onder te dompelen in het menselijk innerlijk — door de innerlijke roerselen te volgen, door te dringen in het denken, voelen en willen, en door alles te verkennen wat tot uitdrukking kan komen via spraak en zang — zijn we in staat om ‘bewegende beeldhouwkunst’ te creëren. Men zou kunnen zeggen dat wanneer we een beeldhouwwerk scheppen, het gehele, uitgestrekte universum samenkomt in een wonderbaarlijke synthese. Dat wat diep in de mens geconcentreerd is — als in een enkel punt van de ziel — streeft naar buiten, de kosmos in, en neemt de vorm aan van bewegingen die de mens vanuit zijn innerlijk voortbrengt op een euritmische wijze. In de kunst van de euritmie — deze ‘bewegende beeldhouwkunst’ — vormt de mens de bijbehorende tegenpool. We zien hoe de uitgestrekte sferen van het universum zich naar de aarde wenden en samenkomen in de rustende menselijke gestalte: dit is wat de beeldhouwkunst inhoudt. Omgekeerd, door ons in het menselijk innerlijk te verdiepen — door ons er geestelijk in onder te dompelen — nemen we waar hoe de mens uitreikt naar de kosmische krachten die vanuit alle richtingen toestromen om de menselijke vorm gestalte te geven; we zien wat vanuit de mens naar elk punt aan de periferie van het universum uitstroomt — en in die zin geven we vorm aan de euritmie.
Ik zou dit willen zeggen: het universum stelt ons voor een grote opgave, en de oplossing voor deze opgave is de schone menselijke gestalte. Ook het innerlijk wezen van de mens stelt ons voor een grote opgave. We putten uit oneindige diepten wanneer we ons, met een blik vol liefdevolle innigheid, verdiepen in het menselijk innerlijk. Toch streeft dit menselijk innerlijk ook naar buiten, de weidsheid in; het tracht – door middel van vloeiend soepele en ritmische bewegingen – datgene tot uitdrukking te brengen wat, in zielstermen, in één enkel punt is geconcentreerd. Op dezelfde wijze tracht de sculpturale menselijke gestalte – die, in verhouding tot de kosmos, slechts een enkel punt is – alle geheimen van de kosmos te omvatten. De menselijke gestalte, zoals die in de beeldhouwkunst tot uitdrukking komt, is het antwoord op de grote vraag die het universum aan ons stelt. En wanneer menselijke beweging kosmisch wordt – wanneer een mens in zijn eigen bewegingen iets van kosmische aard schept, zoals bij euritmie het geval is – dan ontstaat er vanuit de mens zelf een soort universum; althans, in eerste instantie in een imaginaire zin.’
Antroposofie mag de geheimen van de menselijke ziel niet louter theoretisch beschouwen; zij moet ook de volledige tragiek van de menselijke ziel ervaren, evenals haar uitbundige vreugde en alles wat daartussenin ligt. Bovendien moet zij in staat zijn om niet alleen datgene waar te nemen wat tragisch of vreugdevol is — of wat zich in het gebied daartussen bevindt — maar ook om hetgeen in de menselijke ziel wordt aanschouwd, tot uitdrukking te brengen door middel van uiterlijke bewegingen. Zoals de sterren in de beeldentaal van vroegere tijden helder werden waargenomen, en zoals de vormende krachten van de sterren in de ziel konden worden opgenomen, zo moet men ook datgene wat men in de menselijke ziel aanschouwt, naar buiten brengen — en dit door middel van uiterlijke bewegingen tot uitdrukking kunnen brengen —; dan ontstaat er euritmie.

GA 82/107-109
Niet vertaald

In de pedagogische euritmie is het de bedoeling om door middel van euritmie bewegingen met het lichaam uit te voeren die de ziel verder helpen – op moreel, cognitief en emotioneel vlak.
GA 279/252
Niet vertaald

“Door de euritmische bewegingen naar voren te brengen, wordt een grotere mate van vrijheid bereikt dan het geval zou zijn als ze niet naar voren werden gebracht.”
Het lijkt erop dat von Baditz een paar gezichtspunten heeft gecombineerd; het citaat als zodanig heb ik in de GA’s niet kunnen vinden.

Euritmie voor de kleine kinderen
.

“We bereiken ons doel niet!” zo luidde het oordeel van dr. Steiner tegenover het docententeam van de Vrije Waldorfschool, na enkele jaren van uiterst intensieve arbeid. “De ontwikkeling van de kinderen is al verstoord tegen de tijd dat ze op school komen; we moeten eerder beginnen — we moeten een kleuterschool oprichten.” Deze woorden — of woorden van gelijke strekking, doordrenkt van de diepe ernst van de spreker — raakten de leerkrachten tot in het hart.

Hieraan vooraf ging een bespreking tijdens een conferentie, waarin dr. Steiner uiteenzette hoe het beoefenen van euritmie met een kind vóór de tandenwissel een kracht van het “Ik”  bevordert – een kracht die noch door school, noch door het lot (karma) kan worden geboden.

Het ‘Ik’ en het astrale lichaam worden echter van onderop ontwikkeld wanneer de mens in zijn totaliteit bij het opvoedingsproces wordt betrokken. Een sterk ‘Ik’-gevoel – oftewel een besef van het eigen zelf – zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan ​​als een kind tussen de drie en vier jaar oud in aanraking komt met elementaire euritmie. Het individu raakt hierdoor volledig betrokken, en een waarachtig ‘Ik’-gevoel dringt door tot in de kern van zijn wezen.

De volgende dag begon ik met deze elementaire euritmie bij de kinderen van de leraren. Het verbaasde me enorm om te zien hoe natuurlijk de eenvoudige euritmiebewegingen voor jonge kinderen zijn; ze bootsen ze na met een ongekunsteld, vanzelfsprekend gemak. De weg van een jong kind is een proces van incarnatie – niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de omstandigheden van het aardse bestaan. Deze gerichtheid op de aarde laat haar sporen na in de wijze waarop het onderricht wordt gegeven.

De basis voor de les wordt gevormd door sprookjes, die op ritmische wijze in hun eenvoudigst mogelijke vorm zijn gestructureerd. Dr. Steiner benadrukte met klem dat sprookjes uitsluitend via ritme zouden moeten worden gegeven. De ervaring leerde dat een elementaire versie van het sprookje ‘Doornroosje’ bijzonder geliefd was onder de kleintjes:

Von Baditz behandelt nu een sprookje. Aangezien het Duits is, zijn niet alle voorbeelden ook geldig voor het Nederlands.
Naast een vertaling van de tekst, heb ik ook het Duits weergegeven.

Dornröschen war ein gutes Kind.
Doornroosje was een goed kind.

Bij het tot uitdrukking brengen van liefdevolle vriendelijkheid worden twee langgerekte bewegingen uitgevoerd: met de nadruk op een ‘U’-[oe]vorm en de handen tegen elkaar gedrukt, beweegt men langzaam — vervuld van de diepste, meest oprechte liefdevolle vriendelijkheid — naar het midden toe.

Dornröschen war ein liebes Kind.
Doornroosje was een lief kind.

Dezelfde lengte, maar nu doortrokken van liefde; de ​​B – binnen de ‘zone van de liefde’ – wordt vervolgens vertolkt met oprechte, innerlijke warmte.

Dornröschen war ein schönes Kind.
Doornroosje was een mooi kind

Deze ‘langen’ worden in een iets hoger tempo gedaan, vooruitlopend op het moois dat nog komen gaat. Bij de “Ö” maakt men een sprong van vreugde – en dat zelfs meermaals.

Bij een jong kind is het “vermogen om gebaren waar te nemen” actief; het kind kan eenvoudige begrippen of vermaningen uitsluitend via gebaren begrijpen. Daarom moet elk element uit de inhoud van een sprookje worden vertaald naar beweging.

Dan verschijnen de koning en de koningin, gehuld in een purperen mantel en getooid met een gouden kroon. Hun majestueuze verschijning geeft dit alles werkelijk gestalte. De koning spreekt vervolgens met grootse, meeslepende ‘langen’ die uit de hoogte lijken neer te dalen:

Dornröschen nimm dich ja in acht vor einer bösen Fee.
Doornroosje pas op voor een boze fee.

De spanning van de ervaring wordt verlicht door een kort, luchtig intermezzo waarin alle kinderen veranderen in ‘goede feeën’ die geschenken verzamelen voor Doornroosje. Ze vragen aan de zon, de sterren, bloemen, mensen, enzovoort: “Geef mij een geschenk” – en rennen vervolgens naar het midden van de ruimte om het aan Doornroosje aan te bieden, waarbij ze een zacht, schenkend gebaar maken. (Het maakt niet uit of er daadwerkelijk een voorwerp aanwezig is of niet; de verbeelding vult dit aan.)

Dan ga je met de kinderen naar een hoek – daar woont de boze fee; je wringt je lichaam in de onnatuurlijke, vreemde houding van een heks, stampt met je voeten en balt je vuisten. Met een zware, hese stem spreekt ze – waarbij elke lettergreep wordt benadrukt door een krachtige stoot van haar gebalde vuisten naar beneden –:

Dornröschen schlafe hundert Jahr. Und alle mit!
Doornroosje slaap honderd jaar. En iedereen!

Nu liggen alle kinderen op de grond te slapen. (Al gluren ze wel even om te zien wat er gebeurt.) Met weidse, levendige en bezielde gebaren laat de leerkracht een haag groeien rondom de kinderen die op de grond liggen.

Da wuchs die Hecke riesengroß. Und umgab das Schloß.
Toen groeide de haag reuzengroot en omsloot het kasteel.

Het zijn de enkelvoudige klinkers die op een wijze worden gevormd die leven uitstraalt. (De ‘I’ wordt weggelaten, aangezien deze nog niet passend is voor deze leeftijd.)

Vanuit een andere richting arriveert de prins – rijdend op een gouden paard, voortbewegend in een vlot tempo en zonder te stoppen; het gekletter van hoeven is hoorbaar – galop, galop – waarna de muziek kan beginnen, bij voorkeur gespeeld op een lier. Dit zonnige, vrolijke tafereel kan desgewenst ook in tijdsduur worden verlengd.

Hecke auf! Hecke auf!
Open de haag! Open de haag!

Hecke auf! Hecke auf!
Open de haag! Open de haag!

Daarmee suist het gouden zwaard neer op de doornen. De combinatie van de ‘H’ — die vanuit de hoogten van de hemel neerdaalt — en de ‘K’ — die naar beneden slaat en de materie overwint — creëert een levensechte beweging voor de prins, waarmee de leerkracht met veel energie meedoet. Nadat de prins om de slapenden heen is gelopen en met zijn zwaard heeft toegeslagen, komt hij tot stilstand en vormt hij een grootse, jubelende en liefdevolle ‘A’ — of wellicht een ‘AU’:

Dornröschen wache wieder auf
Und alle mit!

Doornroosje wordt wakker
en iedereen!

dan vele grote L-vormen — met de jubelende kreet van bevrijding, van verlossing. De prins pakt de handen van de prinses; de kinderen en de leerkracht dansen, in paren of in grotere groepen, waarbij ze naar rechts ronddraaien en vervolgens weer naar links draaien.

Da feiern sie ein Hochzeitsfest
Ein großes Fest!

Toen vierden ze bruiloft.
Een groot feest!

Onder begeleiding van muziek gaat deze zalige uitbundigheid door – totdat er plotseling iets heel anders gebeurt: misschien sta je doodstil, klap je drie keer in je handen, til je drie keer je voeten op – telkens met een korte pauze tussendoor – en verberg je vervolgens je handen terwijl je om je heen kijkt en vraagt: “Waar zijn ze?” – om ze daarna weer tevoorschijn te toveren. De kleintjes vinden het prachtig. Hun voeten bewegen – één, twee, drie – en met een vingertop geef je aan dat ze stil moeten zijn: “Blijf nu maar heel rustig staan.” Op deze manier ontstaat er een heel eenvoudig, ritmisch effect dat tot rust brengt.

Het is een vreugde voor de kleintjes wanneer zij, na wat zonnige, vrolijke muziek, plotseling het interval van een kwint horen en de beweging imiteren die hun is voorgedaan – een beweging die doorwerkt in de rugzijde en de palm van de hand. Binnen de pentatonische toonladder is de fundamentele kwaliteit van de kwint al werkzaam in de mens: “De wereld vormt de mens…” en ontvouwt zo het proces van het “worden tot een vrij mens.”

Het is voor deze leeftijd – dat wil zeggen, tot aan de tandenwissel – van groot belang dat het kind geborgen kan blijven in de dromerige beleving van het eigen lichaam. Men dient te vermijden dat er voortijdig begrippen worden geïntroduceerd; zo is het bijvoorbeeld raadzaam om nog geen versjes te gebruiken waarin wordt gewezen op lichaamsdelen, zoals: “Dit is mijn oog… mijn oor… mijn mond.” Dergelijke zaken zijn pas op hun plaats wanneer het kind in de eerste klas zit – het moment waarop het ‘etherlijf’ is geboren. Tot die tijd moet het kind de ruimte krijgen voor sprookjesachtig spel en praktisch, handelingsgericht spel. Bovendien mogen er in deze jaren nog geen formele geometrische vormen – zoals vijfhoeken of soortgelijke figuren – worden aangeboden. Volgens het leerplan horen dergelijke vormen thuis in de eerste, tweede en derde klas; een fase waarin het kind zich via verschillende geometrische vormen in de ruimte leert oriënteren.

In de euritmie zoals die door jonge kinderen wordt beoefend, worden enkel de basiselementen van de euritmie ingezet. Er is de grote pas – de reus, die over enorme, krachtige krachten beschikt; er zijn de vele lichte stappen op de toppen van de tenen, met vreugdevol geheven armen of handen die snelle, schietende bewegingen maken – de elfen; en er is de dwerg, die met zware voetstappen en vuisten die tegen elkaar slaan, “goud en zilver smeedt”. Deze variatie in beweging dient als een proces van incarnatie voor deze levensfase. De ritmische elementen helpen het kind om op een gezonde manier op aarde aan te komen – het doel is niet om het kind door een overdaad aan beelden – elfjes, engeltjes, dwergjes en dergelijke – van de aarde weg te tillen, maar juist om het op een speelse en luchtige wijze vertrouwd te maken met de aardse omstandigheden. Wat houden kinderen van zo’n ontmoeting!

Füchslein wollte Vögel fangen
Ist dann in den Wald gegangen,
Vöglein flogen alle fort,
Füchslein blieb allein am Ort.

Kleine vos wou vogels vangen,
Is toen naar het bos gegaan.
Vogeltjes zijn weggevlogen,
Kleine vos bleef eenzaam staan.

Eerst loopt loop je op de ‘langen’ richting het bos, vergezeld door het vosje; dit kan even duren en mag gerust een paar keer herhaald worden. De vogeltjes vliegen vrolijk weg, waarbij ze luid een ‘L’-klank laten horen. (Je kunt ook stoelen in de ruimte neerzetten, waar de hele groep omheen fladdert.) Het vosje zakt ineen met een ‘O’-klank – een heerlijk moment van teleurstelling. De kinderen zijn tevreden en spelen het spel maar al te graag nog een keer.

Häschen in der Grube Saß und schlief.
Saß und schlief.
Armes Häschen bist du krank,
Daß du nicht mehr hüpfen kannst?
Has‘ hupf, Has‘ hupf, Has‘ hupf!

Haasje in de legerstee (of: in de groeve) zat en sliep,
Zat en sliep.
Arm klein haasje, ben je krank,
Dat je niet meer huppen kunt?
Haasje hup, haasje hup, haasje hup!

Een kind hurkt neer, helemaal toegedekt, en doet alsof het een haasje is. De anderen komen dichterbij; ze bewegen met lange, aangehouden passen of – in het geval van de oudere kinderen – met een ritme van ‘lang-kort’ (— ◡). Dan springt het haasje plotseling op en huppelt iedereen in het rond, waarbij ze wellicht ook een korte (◡) tel verwerken. De kleintjes vinden dit een geweldig leuk spel.

“De verjaardag van het haasje” is een uitstekende manier om een ​​voorproefje te krijgen van de diversiteit op aarde..

Es war einmal ein Häschen,
Das hat ein stumpfes Näschen.

Dit is niet direct rijmend te vertalen. Je moet hiervoor zelf iets bedenken: bv.
Er was er eens een paardje,
dat had een heel mooi staartje

Ein kleines a, ein ä wie ein Häschen, u nach innen über die Nase, ä auch.
Met de bijbehorende klanken, zoals het Duitse voorbeeld.

Da Häschen heut’ Geburtstag hat,
Findet große Gesellschaft statt.

Vind iets eigens en daarop, staand, de lange klanken.

Da kommt der Vetter Muckelchen
Mit seinem krummen Buckelchen

Daar komt neefje …..
Met zijn ………

In het Duits komt hier een ‘haasje’ met sprongen en pasjes op de beklemtoonde lettergrepen, de armen uitgebeeld als pootjes. Grotere kinderen kunnen misschien een paar klanken maken – hier de oe bij Muckelchen. Al huppend komt het bij het haasje dat in het midden zit.

Da kommt die liebe Tante Reh Auch von des Berges Höh’.
Dan komt lieve tante ree,
die neemt haar kleintjes mee.

Lichte pasjes, armen omhoog.

Mit seinem stattlichen Geweih
Kommt der Onkel Hirsch herbei.

Met zijn statige gewei,
komt ook oom hert erbij.

Stampend, met gebalde vuisten en armen in een dreigende houding, nadert deze manifestatie van aardekracht.

Und die liebe kleine Maus
Kommt aus ihrem Loch heraus.

En het lieve kleine muisje,
komt uit haar kleine huisje.

Ze schiet naar voren met kleine, snelle pasjes.

Dan vieren ze de verjaardag.
Een groot feest, trala, trala, trala.
Alles danst.

Dit spel kan je een paar jaar spelen (ook nog in de 1e of 2e klas op verjaardagen)

Staven spelen slechts een ondergeschikte rol; het corrigeren van de lichaamshouding door middel van oefeningen met een staaf is doorgaans alleen aan de orde in een therapeutisch-pedagogische context. Niettemin kunnen bepaalde elementen worden toegepast: denk bijvoorbeeld aan het langzaam omhoog brengen van de staaf, het dragen ervan op de rug tijdens een mars met zware passen, het ‘bereiden van een maaltijd’ via de staafoefening ‘Zo is het nu eenmaal’,[Duits So ist es] of kinderen laten knielen en hen als dwergen laten hameren: zilver, goud, zilver, zilver, goud.

Elementaire arbeidsspelletjes

Naast traditionele sprookjesspelen – zoals *Doornroosje*, *Sneeuwwitje*, enzovoort – vormen ‘arbeidsspelen’ de basis van het lesuur. Door middel van de archetypische bewegingen die inherent zijn aan menselijke arbeid, bevorderen zij een gezonde incarnatie. Het bezwaar dat men in onze moderne, technologische tijd geen activiteiten meer kan zien zoals maaien, zaaien, dorsen of het smeden van hoefijzers, is ongegrond. Net zoals we de opvoeding van een kind niet beginnen met wereldgeschiedenis, beginnen we evenmin met de technologische vooruitgang – oftewel met machines. In plaats daarvan laten we de bewegingen die verbonden zijn met menselijke arbeid dienen als hulpmiddelen op de weg van het kind naar wording en ontplooiing hier op aarde.

Ook hier is de benadering fundamenteel. Dr. Steiner legt uit hoe men de dynamiek die inherent is aan arbeidsbewegingen op kunstzinnige manier kan vatten en gebruiken om ‘arbeidsspelen’ te creëren. Met andere woorden: uit de bewegingen die gepaard gaan met zaaien, maaien, smeden, melken, enzovoort, worden heel eenvoudige woorden afgeleid – woorden waarvan de klanken de specifieke dynamiek van elke afzonderlijke activiteit tot uitdrukking brengen.

Kom kinderen.
kom dichterbij,
ik maak voor jullie een goede schoen.

De schoenmaker zit daar in een brede, stevige houding; hij spreekt met een vriendelijke, krachtige en ongekunstelde stem, terwijl zijn handen – nog steeds aan het werk – op zijn dijen rusten. De kinderen zitten op stoelen of banken – niet op de grond – en ervaren een weldadig gevoel, voortkomend uit de kracht die van hem uitgaat. De twee ‘oe’-klanken worden langgerekt en dalen langzaam vanuit de hoogte neer richting de schoenen. Sommige kleintjes staren vol verwondering naar het schoeisel. Dan begint het werk. De dynamische beweging van de vingers komt tot uitdrukking in de ‘L’-klank, die de uiterste vingertoppen activeert:

Ik geef hier alleen de Duitse tekst van het spelletje . Zoek zelf een passend Nederlands rijm, met de bijbehorende klanken, zoals hier voor het Duits.

Lege kleine Nägelein

Het is vaak prachtig om het leven te zien dat zich in die kleine vingertjes openbaart!

In die weichen Sohlen fein.

Hier brengt men vier ‘N’-klanken voort – zachtjes, met liefdevolle zorg; men kan ze ook als een lichte aanraking laten klinken. In deze klank, die verbonden is met het noodlot, geeft men de liefde voor het aardse rijk de ruimte.

Schlage mit dem Hämmerlein
Alle Nägel schnell hinein.

Sla nu met de rechterhand op de linkerhand. (Zorg ervoor dat de rechterhand de actieve rol vervult; dit dient als preventieve maatregel of als correctie voor linkshandigheid.[1]) Je kunt beginnen door twee vingers tegen twee vingers te tikken, vervolgens wijsvinger tegen wijsvinger, en ten slotte — met een scherpe, doelgerichte beweging — de hele hand op de andere hand te laten neerkomen. Deze ritmische, harmonieuze interactie met het eigen lichaam kan werkelijk worden ervaren als zinvolle bezigheid, wat de kinderen grote vreugde schenkt. Hun hele wezen wordt geactiveerd. Tik daarna speels rondom het hoofd met snelle, scherpe, ritmische bewegingen — waarbij het tempo gaandeweg toeneemt. De kleintjes zullen vol verwondering uitroepen, alsof ze beseffen: “O, wat is het toch prachtig om hier op deze aarde te mogen werken!”

Klopfe, klopfe, klopfe schnell
Klopfe alle Näglein‘rein.

De voltooide schoenen worden in een rugzak gestopt en naar mensen gebracht die geen schoenen hebben. Wat een vreugde beleven de kinderen eraan om schoenen te geven aan een oude man, een vrouw of een kind! Daarna gaan ze vol enthousiasme aan de slag om weer nieuwe paren te maken.

Nog een spel: De postbode. — Het gegeven dat je iets bij je draagt, komt tot uiting in het lopen. Eerst gaat iedereen voor de deur staan ​​en klopt zachtjes aan: “Bel, bel, klink maar luid!”
Ze kijken om zich heen: doet niemand de deur open?
Dit wordt herhaald, maar dan met een harde klop. De derde keer kloppen ze heel hard, en de deur zwaait open:

Viele Briefe bringt die Post.

Al dragend en slepend – wat het hele lichaam op dynamische wijze activeert – stapt iedereen voort:

Pakketten, dozen, zakken….

De kinderen roepen en eisen steeds zwaardere dingen, totdat een jongen schreeuwt: Een piano! En dus slepen en tillen ze die met grote inspanning met zich mee.

Staand:
Een brief voor vader.
Alleen een grote A.

Een brief voor de lieve moeder – iedereen voegde bij de [oe] spontaan kleine kusjes aan de brief toe.

Een zak noten voor omama

De vele m’s zijn  leuk

Een piano voor opapa

De grote P’s

Een pruimenpit voor jou.
De kinderen rennen naar elkaar toe, al juichend.Veel brieven brengt de post

Klappend wordt er rondgedanst.

Hartelijk dank,
hartelijk dank.

Met de A oprecht uiting geven aan dankbaarheid in je innerlijk is essentieel, want dankbaarheid is de fundamentele deugd van deze levensfase.

Rum-pum-pum, rum-pum-pum,
de post gaat ergens anders heen.

En dan verder op de ‘langen’.

Het is een prachtige ervaring voor de kinderen om, na afloop van zo’n stuk, prinses Doornroosje te begeleiden in volkomen stilte, met de armen eerbiedig over de borst gekruist. Ik hanteerde deze vorm van “ootmoed” uitsluitend op dit specifieke moment, omdat het — mits met de uiterste terughoudendheid toegepast — iets diepgaands oproept. Het te vaak kruisen van de armen over de borst leidt tot een afstomping voor dit gevoel van ootmoed (hierop moet gedurende de gehele schooltijd strikt worden toegezien!).

Er zijn vele manieren om een ​​kind de wereld in te begeleiden. De kleermaker naait, de boerin melkt de koe, de houthakker velt bomen in het bos, enzovoort. Dit alles werkt orgaanvormend, versterkend en bevordert de gezondheid.

De stem van de leerkracht dient natuurlijk te zijn (vermijd een te hoge toonhoogte, of een gekunstelde dan wel kinderachtige wijze van spreken!). Alles wat onnatuurlijk is, werkt irriterend op het kind en verstoort de maag; dergelijke zaken kunnen zelfs de oorzaak zijn van maagklachten die zich op latere leeftijd manifesteren. Over het algemeen vereist deze vorm van instructie de grootst mogelijke oprechtheid. Er is geen ruimte voor speelse of fantasierijke elementen – niets dat niet past bij de leeftijd van het kind. Men mag geen vreemde elementen – zoals stenen of linten – in de beoefening introduceren, aangezien dit de basis, die van zuiver euritmische aard is, aantast.

In een uur dat vervuld is van warmte en liefde, en van oprechte vreugde, kan een kind een vorm van genezing in zich opnemen – een tegenmiddel voor de vele schadelijke invloeden die op het kind afkomen via televisie, radio, auto’s en dergelijke. Ons werk moet krachtig en fris zijn om een ​​effectief tegenwicht te bieden en zo het zich ontwikkelende menswezen te beschermen! Hoe eerder een kind de zegeningen van euritmie ervaart, des te beter is dat voor het kind.
Toen een moeder aan dr. Steiner vroeg of het zinvol zou zijn voor haar achttien maanden oude dochter om privélessen euritmie te volgen, antwoordde hij: “Ja, dat is goed. Men kan niet vroeg genoeg met euritmie beginnen.”
Daarom is het zeker aan te raden om vóór het derde levensjaar met groepslessen euritmie te starten.
Denk aan deze woorden van dr. Steiner: “Euritmie versterkt de werking van die krachten die vóór het derde levensjaar in het kind werkzaam zijn.”
Om welke krachten gaat het hier? Het is de kracht van de Christus, die tot het derde levensjaar in het kind verblijft. Laat de euritmie voor het jonge kind daarom in Zijn dienst staan, zodat het kind, in alle nederigheid, naar de “nieuwe Heer van de Aarde” wordt geleid. [2]

Samenballen en uiteengaan

Het in de euritmie bekende ‘ballen und spreizen’ heeft als kern dat iets zich samentrekt en weer uitbreidt. Een mooi voorbeeld is een groep kinderen in een cirkel staand, die zich allemaal naar het middenpunt van de ruimte bewegen en weer teruggaan naar de periferie..

De omstandigheden van deze tijd werken, meer dan wat ook, verlammend en verstikkend op het vrije initiatief van de mens. Het individu lijdt onder een onvermogen om beslissingen te nemen. In het gehele maatschappelijke organisme is er een wijdverbreid gebrek aan individuen die in staat zijn tot het nemen van initiatief.

Dr. Steiner introduceerde een oefening die bestaat uit het ballen en spreiden van de handen – een werkwijze die verlichting kan bieden bij dit specifieke probleem. Het is de bedoeling dat het kind deze oefening uitvoert in steeds complexere variaties: vanaf de vroegste jaren in de euritmie – beginnend in de peuterleeftijd – tot en met de twaalfde klas en zelfs in de euritmie voor volwassenen. Jonge kinderen genieten van het beeld waarbij de vingers en handen zo worden samengebracht dat ze een vogelnestje vormen met een kleine opening; daarin liggen zeven eitjes. Het is helemaal stil – dan klinkt er een zacht gepiep – een vogeltje is uit een eitje gekropen. Eén, twee, drie – allemaal! Plotseling vliegt een vogeltje omhoog, richting de zon, met gespreide en bewegende vingers; een ander volgt, keert dan terug naar het nest, waarna ze allemaal vrolijk omhoog vliegen, om vervolgens weer af te dalen naar de vader- en moedervogel. Het hele verloop – een afwisseling tussen het ballen en spreiden van de handen – ontvouwt zich in een rustgevend, ritmisch samenspel.

Bij de eerste klas kun je de kinderen in rijen tegenover elkaar opstellen, of de groep in een kring laten stampen — zonder de stappen te tellen — waarbij de nadruk uitsluitend ligt op een geconcentreerde krachtsinspanning, met gebalde (maar niet gekruiste) handen; laat hen vervolgens uitbarsten in een wijde, ruimtelijke beweging, gevolgd door een snelle ren.

Het doel van deze oefening is om de afwisseling tussen contractie en expansie te leren beheersen – oftewel: om door middel van een innerlijke kracht van de ene toestand naar de andere te bewegen. En waar bevindt deze kracht zich – de kracht die telkens opnieuw het bevel kan geven om los te breken uit een van deze uitersten, uit deze tegengestelde polen?

Iedere euritmist die de diepe mysteriën van de oefeningen van dr. Steiner begrijpt, kan in een geest van eerbied geleidelijk doordringen tot de wezenlijke diepten van zo’n oefening. En wat ontdekt men dan? De mens, die worstelt, maar tegelijkertijd naar beneden wordt getrokken – door de verhardende, beklemmende afgronden van Ahriman – naar een toestand beneden het menselijke niveau. Men ervaart zichzelf als een gevangene in de greep van de zwaartekracht. Wat schenkt dan de kracht om zich te bevrijden? De verlossende kracht van het midden, van het evenwicht – de Christus! Door Zijn milde hulp is men in staat om eerst de vingers uit hun verkrampte toestand te bevrijden – vervolgens de handen, de armen, de borst, de rug – de gehele mens.

Een toestand van evenwicht ontstaat uit oneindig bevrijdende krachten.

Voor de belangstellende leek is onderstaande niet eenvoudig te begrijpen. Zowel de intervallen als ‘Ich denke die Rede’ zijn onderwerpen van de opleiding tot euritmist en krijgen m.n. door het beoefenen en door de tijdsduur dat je ermee bezig bent, hun verdere verdieping.
Wat von Baditz van Steiner citeert is allesbehalve makkelijk en veronderstelt een bepaald weten van Steiners verdere gezichtspunten.

Uit de tooneuritmie: intervallen

De kwint.
In de pedagogische euritmie krijgt de tooneuritmie een geheel andere betekenis. Het interval van de kwint fungeert bijvoorbeeld als een soort verzorger, behoeder en beschermer voor het kind. Vanaf de vroegste jaren vergezelt deze beweging van de kwint het kind; ze vormt en boetseert het. “Door de ervaring van de kwint voelt het kind zich een mens in de wereld.” De wereld — het goddelijke — vormt de mens. Het is een “ontwaken tot het eigen mens-zijn binnen de goddelijke wereldorde.” “Zich verankeren in het goddelijke.” “De engel zingt in mij…”

Het kind wordt gevormd. Het kind voelt zich op zijn gemak en beleeft vreugde aan deze resonerende beweging. Voor de leerkracht brengen de intervallen een grote verantwoordelijkheid met zich mee: het begeleiden van de impuls – die bij het sleutelbeen ontstaat – naar het punt waar het interval moet klinken. Dit moet zo feilloos en zuiver gebeuren dat elk kind de klank kan waarnemen en imiteren. Men spreekt met kinderen niet over de mechanica van deze impuls. Maar wanneer de leerkracht een kwint laat klinken – waarbij de aandacht in een flits wordt gericht op de binnenzijde van het rechter sleutelbeen en de omliggende spieren, dit vervolgens aan de linkerzijde wordt herhaald, en deze muzikale energie ten slotte naar de hand wordt geleid om haar tot levendige expressie te brengen – dan volgt het kind dit voorbeeld. Zo krijgt de vormende, mensvormende kracht van dit interval de kans om in het kind werkzaam te zijn. “De kwint is de mens. Het is alsof een mens tot aan de eigen huid naar binnen reikt, die huid vastpakt en daarmee zijn eigen grenzen bepaalt. De kwint is de huid die de mens definieert. En nimmer kan een mens zich door middel van muzikale tonen zo diep menselijk voelen als wanneer hij de kwint ervaart in verhouding tot de grondtoon.”

Het is daarom gemakkelijk te begrijpen waarom de vormende kracht van dit interval – het enige interval dat zo’n invloed op het kind uitoefent – ​​werkzaam blijft tot de leeftijd van negen jaar. Op de lier of de piano kan de kwint het beste als een gebroken interval worden gespeeld; dat wil zeggen dat de tonen na elkaar klinken in plaats van tegelijkertijd. Het is waardevol om het kind dit al vroeg te laten horen, te leren herkennen en uiteindelijk ook zelf te laten voortbrengen. Zo wordt het interval als een vriend, een vertrouweling voor het kind – een vormende aanwezigheid die door de jaren heen blijft bestaan.

De terts.
Naarmate het negende levensjaar nadert, wordt het leven voor het kind lastig. Dr. Steiner spreekt van een “crisis”. Rond deze tijd worden kinderen die doorgaans rustig zijn vaak onrustig, terwijl kinderen die juist onrustig zijn, stiller kunnen worden. Er ontstaat een spanning – die vaak gepaard gaat met een intense pijn die zich zelfs fysiek kan uiten – naarmate het ‘zelf’ van het kind naar voren treedt en zich losmaakt van zijn omgeving. Dr. Steiner beschrijft hoe het kind op dit punt naar iets “verlangt”. Waarnaar verlangt het? Naar datgene wat de kleine en de grote terts bieden: een gevoel van stabiliteit in het eigen zelf – precies het fundament dat nodig is om voet aan de grond te krijgen in het aardse leven.

Wie er diep van overtuigd is dat alles wat we kinderen – in de vorm van muzikale tertsen – aanreiken tussen hun negende en twaalfde levensjaar, dient als een waarborg tegen instabiliteit in het leven en als een pantser tegen schadelijke invloeden, die zal in staat zijn een schat aan oefeningen te bedenken die de kinderen zowel boeien als verlevendigen…

Platvoeten en spreidvoeten: preventie bij jonge kinderen

De volgende korte oefening, die kinderen erg leuk vinden, helpt bij het voorkomen van platvoeten en spreidvoeten. Laat de kinderen halverwege de sessie – bijvoorbeeld na een sprookjesspel – in een rij gaan staan, elkaars hand vasthouden en voorzichtig hun rechtervoet optillen, waarbij ze op de toppen van hun tenen balanceren: “Ze vieren een bruiloftsfeest – een groots feest!”

Elk van de vier stappen wordt uitzonderlijk goed uitgevoerd – we zijn aan het “dansen”. Daarna schiet je razendsnel richting de muur: woesj!

Iedereen tikt vrolijk tegen de muur, draait zich vervolgens om, en het “dansen” begint in de andere richting. Deze vlotte, opgewekte beweging van de muur af dient als een welkome onderbreking, aangezien de langzame passen — die de kinderen met grote concentratie uitvoeren — behoorlijk inspannend zijn voor de kleintjes. Door op de toppen van de tenen te balanceren, krijgt de voetboog vorm; wanneer de voet daarna langzaam weer wordt neergezet, wordt deze gemasseerd en geactiveerd.

Hoe wordt en blijft men geschikt voor het werk?
TAO en “Ich denke die Rede.”

Hoe maak ik mezelf geschikt voor deze grote taak? Dat is een vraag die menig euritmist zich stelt. En… hoe blijf ik fris en creatief?

Het “TAO” is de ene weg. Dr. Steiner zei: “U zult zien dat u in het TAO een prachtig middel bezit om uw innerlijke lichamelijkheid soepel, innerlijk flexibel en artistiek vormbaar te maken voor de euritmie; want als u het werkelijk uitvoert — als u een septiem en een sext, zoals ik ze heb gegeven, terugvoert naar de E en de D, waardoor u bij het interval van een secunde uitkomt — dan zult u merken dat dit u een innerlijke kracht schenkt die u vervolgens in al uw euritmie kunt inzetten. Het is een esoterisch instrument. En het beoefenen ervan betekent mediteren binnen de euritmie. — Wat ik hier aanreik, is in feite een esoterisch intermezzo dat wijst in de richting van euritmische meditatie. En men moet ver teruggaan in de tijd — helemaal tot in het oude China — wil men tot deze vorm van meditatieve euritmie kunnen komen.”

Degenen die vele jaren met deze meditatie leven, ervaren oneindige zegeningen voor hun werk. Ter inspiratie volgt hier een passage uit een voordracht die in 1906 werd gehouden:

De Atlantiër nam in de natuur een fundamentele grondtoon van het Goddelijke waar; hij ademde zijn God als het ware in en uit. Zou men dit waargenomene in woorden moeten vatten, dan zou men het kunnen samenvatten in een klank die verwant is aan het Chinese ‘Tao’. Voor de Atlantiër was dit de klank die de gehele natuur doordrong. Of hij nu een blad aanraakte of een bliksemschicht aanschouwde, het was alsof hij het gewaad van het Goddelijke aanraakte.

Wanneer de intuïtieve kracht van de septime – actief en vurig wordt ingezet in de vingertoppen, kan er, in alle nederigheid, de werkelijke ervaring ontstaan ​​die door dr. Steiner in verband met intuïtie wordt beschreven: “In deze toestand dompelt een mens zich als het ware onder in verschillende entiteiten en identificeert zich daarmee. Men kan één worden met welk wezen dan ook. Daarbij doet men onvermijdelijk ervaringen op die voorbij ons zonnestelsel reiken. Het perspectief verruimt zich dan van een bewustzijn van een specifiek stelsel naar een bewustzijn van de kosmos – intuïtie voert de mens voorbij de grenzen van individuele zonnestelsels.”

De “septime-ervaring” is een kwestie van uit jezelf stappen – want in wezen is het een tevoorschijn komen van binnenuit. En wie ‘septimen’ ervaart – mits diegene de ervaring beleeft – zal weten wat intuïtie is.’

Vervolgens komen we, vanuit een meditatieve benadering, bij het interval van de sext. “Wie sexten ervaart, weet wat inspiratie is.” De volheid, de rijkdom van de sext, stroomt naar beneden. “Gedurende de nacht dompelt de mens zich onder in de muziek der sferen; terwijl deze tonen door hem heen klinken, ontwaakt hij ’s ochtends verfrist en versterkt. En wanneer een mens dit in zijn bewustzijn opneemt, treedt hij in een staat van inspiratie – waardoor hij in staat wordt alles waar te nemen wat binnen zijn zonnestelsel bestaat.”

De overvloed, die via de septiem en de sext wordt overgebracht, daalt door middel van de grote terts af in het menselijk zelf. Vervolgens wordt deze volledig verinnerlijkt door de aanhoudende secunde. De mens heeft ontvangen! Wanneer men deze reeks intervallen toepast op de bijbehorende intervalvormen — waarbij de septiem en de sext worden samengevoegd — en deze herhaaldelijk uitvoert met zowel moed als toewijding, voelt men zich tot in de diepste kern verrijkt, verfrist en opgewassen tegen de taken die voorhanden zijn.

Een tweede manier om dieper in de euritmie door te dringen, is via de houdingen die horen bij de zin: “Ich denke die Rede.” Dr. Steiner merkte op dat deze oefening een harmoniserende en opbeurende werking heeft – en voegde daar, met een glimlach, aan toe terwijl hij naar de euritmiste wees die op de personen in de houdingen afkwam: “U zult zien hoe vrolijk juffrouw… over twee uur zal zijn!”

Helaas zijn er in de loop der jaren fouten in deze houdingen geslopen. Het is mij toegestaan ​​– sterker nog, ik voel mij genoodzaakt – om dit te vermelden, aangezien ik zelf deelnam aan de oefening toen deze voor het eerst werd gepresenteerd, en ik mij herinner hoe dr. Steiner de stand van mijn armen en voeten corrigeerde.

Ich denke die Rede.
Je beweegt rechtstreeks – zonder een eerdere houding  – naar de positie met gekruiste armen, waarbij de rugkant van je handen naar boven wijst.

Ich rede.
De spraakstroom breekt door – waarbij deze zich uiteraard altijd voorwaarts beweegt – en de armen en handen zijn actief betrokken terwijl deze spraakstroom naar voren stroomt. Hoe vaak sprak dr. Steiner niet over dit voorwaarts gerichte karakter van de spraakstroom!

Ich habe geredet.
De armen dalen tot de hoogte van het hart.

Ich suche mich in meinem geistigen Ursprung.
Ik stond op deze plek toen dr. Steiner de houdingen demonstreerde; hij liet mij deze houding aannemen en bracht er correcties in aan: de handpalmen naar boven gericht, de voeten ver uit elkaar geplaatst.

Ich fühle mich in mir.
De handpalmen blijven naar boven gericht, en de armen en handen dalen — op een ontvankelijke wijze — af tot op hoofdhoogte.

Ich bin auf dem Wege zum Geiste, zu mir.
De handpalmen blijven naar binnen gericht, terwijl de armen en handen in een smalle lijn omhoog zijn gestrekt..

Wanneer ze op een rustige wijze worden uitgevoerd – waarbij men de tijd krijgt om erbij stil te staan ​​en zich onder te dompelen in de ervaringen die ze in het diepere zelf oproepen – hebben deze houdingen een enorm herstellende en verenigende uitwerking.

Uit een manescript „Über die pädagogische Eurythmie für Unterrichtende“

[1] Er was een tijd in het Nederlandse onderwijs, dat linkshandigheid ‘verkeerd’ was en moest worden afgeleerd, dan wel voorkomen. Deze tekst lijkt daarop.
Steiner heeft over linkshandigheid gesproken en bv. in de jaren 1970 werd er in de vrijescholen serieus naar linkshandigheid gekeken. Er werd allerlei onderzoek gedaan of het kind wel ‘echt’ linkshandig was of niet en of het van waarde zou kunnen zijn het ‘rechts’ te stimuleren (of niet).
Hoe daar anno-nu naar gekeken wordt, is mij niet bekend.

[2] Deze gezichtspunten vragen eigenlijk om nadere uitleg.
Die kan hier niet zomaar gegeven worden.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3639-3429

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 9)

.

Nora von Baditz

.

euritmie voor kleine kinderen

.

Euritmie met de kleine kinderen onder de zeven begon met de woorden van Dr. Steiner: “Als je euritmie doet met kleine kinderen onder de 7 jaar, dan krijg je een Ik-kracht die noch school noch karma kunnen doen ontstaan.”

De dag nadat deze opmerking was gemaakt, begon ik met een aantal jonge kinderen te werken. De enige richtlijn voor het vormgeven van een les voor deze leeftijdsgroep was dat men zich moest bezighouden met “eenvoudige euritmie”.

Dr. Steiner deed ooit een algemene uitspraak over euritmie: dat zij een mens verbindt met de krachten die werkzaam zijn in een kind tot de leeftijd van drie jaar.
Voor iedereen die heeft nagedacht over deze eerste drie levensjaren – en die bijvoorbeeld het boek GA 15, de blz. 15-23 *De geestelijke leiding van de mens en de mensheid* heeft bestudeerd – komen deze twee ideeën samen. Ze tonen aan hoe enorm waardevol het is om een ​​kind zo vroeg mogelijk met euritmie in contact te brengen.

Men begint rond de leeftijd van drie jaar – of zelfs iets eerder, als het kind uit eigen beweging wil meedoen – met het introduceren van de eerste ritmische elementen in een vorm die past bij deze leeftijd: beelden die voortkomen uit vreugde en liefde. Kleine elfjes* fladderen lichtvoetig voorbij – de kinderen zetten kleine, snelle pasjes op hun tenen, begeleid door verfijnde, heldere muziek, terwijl hun handen korte, ritmische gebaren maken. Daarna lopen ze, voorovergebogen als dwergen*, stampend voort en hameren ze met gebalde vuisten op zilver en goud; de muziek wordt krachtiger.

Als leerkracht ontdekt men al snel dat kinderen in hun snelle bewegingen een bijna hemelse, stralende lichtheid kunnen bezitten – en dat men als volwassene moet binnentreden in deze zorgeloze, zonovergoten wereld van beweging. Hoewel dr. Steiner benadrukte dat leerkrachten alle persoonlijke zorgen en beslommeringen achter zich moeten laten voordat ze aan een les beginnen, is dit voor juist deze uren van essentieel belang. Men dient een gevoel van opgewektheid uit te stralen – een creatieve vreugde die geworteld is in een vitaal, bijna sanguine vermogen tot innerlijke transformatie – zonder daarbij ooit specifieke prestaties van de kleintjes te verlangen of – wat al helemaal uitgesloten is – hen te willen corrigeren. Het is simpelweg de bedoeling dat zij vreugdevol kunnen leven binnen de wereld van de euritmie.

De term “eenvoudig” — zoals in “eenvoudige euritmie” — herinnert ons eraan hoe eenvoudig alles zou moeten zijn. Het was een uitdagend proces om te ontdekken wat dit precies inhield, maar de kleintjes lieten zelf zien wat bij hen paste; men leert door het leven te observeren. Alles wat een grotere mentale inspanning vereiste — zoals tellen of complexe cognitieve taken — werd afgewezen; met andere woorden: ze konden het simpelweg nog niet. Ik leerde deze les toen ik probeerde een reeks van “kort, kort, lang” te introduceren: sommige kinderen voerden vier korte bewegingen uit, terwijl anderen drie korte bewegingen deden, gevolgd door twee lange. Ik besefte toen dat men dergelijke dingen niet van hen kan vragen; in plaats daarvan moet men bij de basiselementen blijven — strikt vasthouden aan óf “kort” óf “lang”. Zodra ik dat deed, verliep alles uitstekend. De “lange” bewegingen werden reuzen die met trage, krachtige passen voortschreden, terwijl de “korte” bewegingen kleine dwergen werden die behendig rondhuppelden. De kinderen waren dolenthousiast! Ik concludeerde dat men hen volledige vrijheid moet geven, zodat elk kind zich op zijn eigen manier in de ervaring kan onderdompelen. Het behoud van de wil — die fundamenteel is voor deze levensfase — moet tijdens deze uren worden gerespecteerd; de kinderen mogen nooit tot iets worden gedwongen. Men dient uitsluitend te vertrouwen op de kracht van imitatie — een nabootsing van bewegingen die voortkomt uit een oprecht, liefdevol plezier in de activiteit zelf.
Toen hem werd gevraagd waarom de allerkleinsten en de kinderen in de eerste klassen slechts één keer per week euritmie zouden moeten krijgen, antwoordde dr. Steiner: “De kinderen moeten in een vreugdevolle verwachting leven; ze moeten uitkijken naar de les. Het zou schadelijk zijn als dat niet zo was – als ze als het ware overvoerd zouden worden met eurythmie.”
Deze vreugdevolle verwachting kan worden ervaren door iedereen die de allerkleinsten op de juiste wijze laat kennismaken met deze bewegingen – bewegingen die voor hen net zo natuurlijk en vertrouwd aanvoelen als thuis zijn.

Zonder de afzonderlijke klanken ooit bij hun naam te noemen, verweeft men ze met de gebeurtenissen van het moment. De activiteiten van jonge kinderen bestaan ​​hoofdzakelijk uit spel dat op werk is gebaseerd, en uit sprookjes. Toen ik dr. Steiner vroeg of het passend zou zijn om sprookjes te verwerken in de eurythmie voor deze leeftijdsgroep, antwoordde hij: “Ja, dat is heel goed – alleen moeten de sprookjes in een ritmische vorm worden gebracht, nooit in proza.” Zo worden korte, ritmische versies van sprookjes – zoals *Doornroosje*, *Sneeuwwitje*, *De kikkerkoning*, enzovoort – uitgebeeld, waarbij de nadruk sterk op het ritme ligt en er slechts enkele specifieke klanken worden gebruikt.

De op arbeid gebaseerde spelletjes die in de kleuterklas worden aangeboden, krijgen in de euritmie een nieuwe vorm. De dynamiek van alledaagse arbeid komt tot uitdrukking via ritme en klank – denk bijvoorbeeld aan de schoenmaker die met snelle, lichte tikjes spijkers in een schoenzool slaat, of de postbode die met een weloverwogen, zware tred zware pakketten draagt. Zonder de klanken zelf te kunnen benoemen, bootsen de kleintjes ze na – gedreven door een natuurlijke neiging tot imitatie – en verweven ze zo in hun spel. Net zoals kinderen op deze leeftijd nog niet hoeven te leren lezen of schrijven, horen ze ook niet in aanraking te komen met een intellectuele, op het verstand gerichte benadering van klanken en tonen. In plaats daarvan leven ze erin, waarbij ze zich laten dragen door het oerelement van het ritme.

De voeding voor de ziel die sprookjes bieden, in combinatie met de kracht die schuilt in doelgerichte fysieke bewegingen – bewegingen die het kind verankeren in de aardse werkelijkheid – is bijzonder heilzaam voor kinderen jonger dan zeven jaar. In deze context speelt het muzikale interval van de kwint een fundamentele rol. De kinderen krijgen de gelegenheid om dit interval te horen; ze reageren op de muziek, merken de kwint op, luisteren aandachtig, beleven vreugde aan het herkennen ervan en voeren enthousiast een mooie, ronde beweging uit. Men zou het zelfs de “gouden poort” kunnen noemen – een benaming die tijdens deze uren op natuurlijke wijze ontstond en waar de jonge kinderen werkelijk van houden. De begeleider begrijpt echter de vormende betekenis die de kwint heeft voor een kind tot de leeftijd van negen jaar: het weerspiegelt het idee dat “de wereld de mens vormt” en dat “de mens bestaat binnen het goddelijke”. In de ervaring van de kwint wordt de mens zich bewust van zijn eigen plek binnen de goddelijke orde van de wereld.

En men doet het voor met eerbied en een gevoel van grootsheid.

De suggestie van dr. Steiner dat jonge kinderen regelmatig het euritmiegebaar voor de klank “B” zouden moeten oefenen, opent vele mogelijkheden voor creatieve activiteiten. Hij beschrijft de euritmische “B” als een beweging waarbij men de armen – beschermend en liefdevol – om iemand heen slaat (hij noemt hierbij een jong kind). Wat vinden kinderen het heerlijk om dit te doen! Eén kind staat in het midden, terwijl de anderen hun armen en handen om hem of haar heen leggen en zo bescherming en een schuilplaats bieden. Buiten kan een storm woeden (uitgebeeld door de leerkracht), of het kan regenen; wanneer de kinderen gaan kijken, zien ze dat het kind in het midden geen last heeft gehad van de wind – en iedereen juicht! Wanneer ze tijdens de “regen” kijken, merken ze dat het kind niet nat is geworden. De vreugde en uitbundigheid zijn enorm. Ieder kind verlangt ernaar om op deze manier geborgen te zijn. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe deze klank – die verbonden is met het sterrenbeeld Maagd – werkt als een blauwe mantel uit de hemel, die de kinderen omhult terwijl zij worstelen met de uitdagingen van de incarnatie.
Een bijkomende aanwijzing is dat men de ‘B’-vorm ook om een ​​voorwerp heen kan slaan. Ik pakte dus een kussen en gooide het over; een kleintje ving het op, en inderdaad: zijn kleine armpjes omsloten het kussen in een perfecte ‘B’-vorm. Wat een vreugde! Iedereen wilde het kussen beschermen. Als het op de grond viel, schreeuwde hij (of ik) het uit, en het gaf veel voldoening om het weer op te pakken, dicht tegen zich aan te drukken en te koesteren. De ‘B’-vorm kan op vele verschillende manieren worden gevormd.

Het idee dat men op deze leeftijd het gebaar voor “I” moet vermijden – met als argument dat dit egoïsme in de hand zou kunnen werken – is eenvoudig in de praktijk te brengen: men laat het simpelweg achterwege. Dit wordt begrijpelijk wanneer men beseft dat, tot het moment waarop het blijvende gebit doorbreekt, dankbaarheid de fundamentele deugd – de voornaamste kracht – in het leven van een kind behoort te zijn. Uit deze dankbaarheid zal later de liefde voor het Goddelijke voortkomen. Dankbaarheid dient met het kind mee te groeien, net zoals het lichaam groeit. In deze fase is er geen ruimte voor een nadruk op het “Ik” door middel van het euritmiegebaar voor “I”.

Aangezien op deze leeftijd alles gericht is op de gezonde ontwikkeling van het fysieke lichaam – op het wegnemen van obstakels voor die groei – is de les zo opgezet dat euritmie, zonder dat het kind dit merkt, in elk deel van het lichaam doordringt, het verlevendigt en versterkt. De vitale, etherische overvloed die inherent is aan euritmie stroomt door de voeten, wat helpt om platvoeten te voorkomen; ze stroomt door de vingers; ze leidt overtollige levensenergie weg van het gebit – energie die anders tot tandbederf zou kunnen leiden; ze verruimt de borstkas, reguleert de ademhaling en stimuleert de stofwisseling. Kortom: ze bevordert de gezondheid. De leerkracht is zich tijdens het vreugdevolle werk voortdurend bewust van dit effect. Hij of zij zorgt ervoor dat licht, frisheid en liefde de eigen ziel vervullen, zodat uitsluitend gezondheidsbevorderende krachten de kinderen bereiken – want de emotionele impulsen uit de omgeving werken als opbouwende of juist afbrekende krachten bij de ontwikkeling van de organen, weefsels, bloedsomloop en andere lichaamsstructuren.

Het is noodzakelijk om drie afzonderlijke fasen in het leven van een kind te onderscheiden. Rond de leeftijd van 2 jaar en 4 maanden is de ontwikkelingsfase van de organisatie van het hoofd voltooid. Omstreeks de leeftijd van 4 jaar en 8 maanden maakt het etherlichaam zich los van het ritmische systeem van de borstkas. En rond het zevende levensjaar is het stofwisselings- en ledematensysteem door het etherlichaam vormgegeven.

Wanneer kinderen naar euritmie worden gebracht, bevinden zij zich in een levensfase waarin het ritmische systeem door middel van dansachtige bewegingen ontwikkeld dient te worden. Rijmpjes waarin het ritme – meer nog dan de inhoud van de woorden – de boventoon voert, zijn volgens dr. Steiner vormend voor het kind. (Dergelijke rijmpjes zijn terug te vinden in zeer oude verzen.) Ze kunnen bovendien worden ingezet om lange en korte maatdelen aan te geven, of om bij te klappen of te tikken. De gehele bijeenkomst mag doordrenkt zijn van deze ritmes..

Naarmate kinderen hun vijfde levensjaar naderen, gaan ze op zoek naar intensievere fysieke activiteiten, wat in lijn is met de ontwikkeling van hun ledematen. Hier kan rekening mee worden gehouden door deze oudere kinderen taken te geven die meer inspanning vereisen.

Wie euritmie geeft aan kinderen van deze leeftijd, doet er goed aan de opmerkingen in de pedagogische voordrachtenreeksen te bestuderen – in het bijzonder in het boek GA 34/309, vertaald *De opvoeding van het kind* – om daar inspiratie uit op te doen. De gehele onderwijsaanpak is gebaseerd op het inzicht dat warmte – oprechte, liefdevolle warmte – essentieel is voor de gezonde ontwikkeling van het jonge kind. Daarbij komt nog vreugde – een soort innerlijke verlichting – waarin lichaam, ziel en geest kunnen opbloeien.

Het spreekt voor zich dat men, naast sprookjes en spelletjes, nog veel meer kan aanbieden – de verbeelding krijgt immers alle ruimte. Zo kan men kinderen veel meegeven aan de hand van een mooi, oud gedicht, zoals:

Wenn die Kinder schlafen ein,
Wachen auf die Sternelein,
Und es schweben Engelein,|
Nieder aus der Ferne.
Halten wohl die ganze Nacht
Bei den frommen Kindern Wacht.

Wanneer de kinderen in slaap vallen,
Ontwaken de kleine sterren,
En dalen kleine engeltjes neer,
Van heel ver weg.
De hele nacht houden zij de wacht,
Over de zachte, vrome kinderen.

(Automatische vertaling)

Wat houden de kleintjes ervan om hun armen over hun borst te kruisen, in een gebaar van toewijding! Het korte versje “Er was eens een klein konijntje…” is een bron van grote vreugde voor alle kinderen. Daarna – op een eenvoudige en basale manier – kun je de bewegingen van ‘verzamelen’ en ‘verspreiden’ [samenballen en loslaten, het bekende begrip ballen und spreizen] verkennen door met beide handen een vogelnestje te vormen. Binnenin liggen de vogeltjes rustig; ze zijn nog niet uit hun eieren gekomen. Je gluurt door de kleine opening en luistert: alles is stil. Plotseling klinkt er een geluidje: *tjilp… tjilp…* Eén vogeltje fladdert even naar buiten (de vingers bewegen speels en vrolijk) om vervolgens weer terug te keren naar zijn moeder. Daarna vliegen twee vogeltjes omhoog, richting de zon, terwijl ze vrolijk kwetteren. Dit prille ontwaken van het vermogen tot eigen initiatief is voor iedereen een bron van pure vreugde. Een andere keer kunnen de vogeltjes misschien rondhuppelen op een koperen staaf – de vingers dansen dan langs het metaal, al klinkt er op dat moment nog geen “getjilp”. [het qui, qui].

Op deze leeftijd zijn vaste vormen nog niet passend. Geometrische figuren – zoals driehoeken of vijfhoeken – evenals spiralen en achtvormen, maken deel uit van het lesprogramma voor de eerste klas. Laat de kleintjes daarom vrij rondspringen en handelen met een ongekunstelde eenvoud.

Laat je niet afschrikken door het vooruitzicht om met een zeer groot aantal kinderen tegelijk te werken. Ik begon met 15 kinderen en kwam uiteindelijk uit bij een groep van wel 80 jonge kinderen. Dat leverde geen enkel probleem op; ze volgden allemaal de leiding van de leerkracht en beleefden veel plezier aan het beoefenen van euritmie. Naarmate de groep bleef groeien, moest ik deze uiteindelijk opsplitsen vanwege een gebrek aan ruimte. Hoe moediger, natuurlijker en steviger je eigen houding is, des te enthousiaster en oprechter zullen de kleintjes zich in hun activiteit storten.

*Zie over ‘het gebruik’ van elementairwezens deze opmerking aan het begin van het artikel.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3637-3427

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 3 en 4)

.
In ‘Kind tanzt’ zijn een aantal uitspraken van Steiner opgenomen onder de titel:

Het ontwikkelen van verstandsvermogen door middel van juiste bewegingen in de vroege kindertijd

.

Over de gezondheidsbevorderende effecten van eurythmie

Dan volgt tekst uit GA 304, voordracht 6, van blz. 160 t/m 169.

De vertaling daarvan is hier te vinden.

Onder het kopje:

Wilsvorming, werken vanuit een kunstzinnige basis, initiatief en de juiste muzikale benadering

wordt er geciteerd uit GA 304, voordracht 5, blz. 152, 153.
De vertaling daarvan is hier te vinden.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beweging: peuter- en kleuterklas

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

3635-3425

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 8)

.
Traudel Zwieauer

Over eurITmie met jonge kinderen 

De volgende opmerkingen zijn bedoeld om ervaringen te delen die zijn opgedaan met euritmie bij kinderen in de kleuterleeftijd. Iedereen die werkzaam is in een kleuterklas of bij groepen jonge kinderen, weet dat de ervaringen van een ander slechts als inspiratiebron kunnen dienen; elke activiteit met jonge kinderen is immers zo nauw verbonden met het directe moment – ​​met de gemoedstoestand van de kinderen op dat ogenblik, de sfeer in de ruimte en talloze subtiele, ongrijpbare factoren.

Deze reflecties zijn daarom bedoeld als een bescheiden aanzet voor het werken met euritmie – een praktijk die ieder individu telkens opnieuw en op vruchtbare wijze kan vormgeven, afgestemd op de specifieke omstandigheden van het moment.

Dit voortdurende, spontane proces van telkens iets nieuws scheppen, roept een innerlijke gesteldheid op die lastig in woorden te vatten is, maar die zich als volgt laat omschrijven: op momenten dat het – met hulp van de kinderen – lukt om iets nieuws tot stand te brengen, is het alsof je in een bron van jeugd duikt en met de pure vreugde van een ontdekkingsreiziger onverwachte schatten ontdekt en hanteert. Deze innerlijke houding bepaalt ook de blik op de euritmie zelf: de jonge kunstvorm van de euritmie – die bruist van de krachten van de kindertijd – ontmoet de prachtige, natuurlijke gebaren van de kleintjes. Wanneer kinderen hun handen opheffen, doen zij dat niet omdat ze zich herinneren dat ze dat gebaar ooit hebben geleerd; het ontstaat veeleer vanuit een direct, creatief proces van nabootsing en beleving. Een dergelijke innerlijke vreugde kan een bijeenkomst met kinderen veranderen in een waar feest.

Wanneer men de volgende woorden van Rudolf Steiner over euritmie voor jonge kinderen in overweging neemt — en de innerlijke kern van deze uitspraak afzet tegen de gebeurtenissen van onze tijd — begin je de betekenis en de hedendaagse relevantie van pedagogische euritmie in de kleuterklas te begrijpen: “Een krachtig ‘ik-gevoel’ (ik-bewustzijn) zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan ​​als je een kind tussen de drie en vier jaar oud laat kennismaken met elementaire euritmie. Het kind zou er volledig in opgaan, en een werkelijk ‘ik-gevoel’ zou tot in de diepste lagen van zijn wezen doordringen.”
Nora v. Baditz, die na 1919 als eerste deze vorm van elementaire euritmie bij jonge kinderen introduceerde, merkt daarover nog op: “De weg van het jonge kind is een weg van incarnatie — niet alleen in het eigen fysieke lichaam, maar ook in de uiterlijke levensomstandigheden op aarde. Deze gerichtheid op de aarde drukt een specifiek stempel op de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven.”

Euritmische gebaren kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een “gezond zelfgevoel” en het kind op een passende wijze helpen zijn weg te vinden in de omringende wereld; tegen deze achtergrond dienen de volgende praktische suggesties te worden beschouwd.

Het integreren van euritmie in het dagritme van een kleuterklas vormt vaak een zekere uitdaging. De euritmist komt één keer per week langs – de kinderen zijn zich daarvan bewust – en de kleuterleerkracht heeft die ochtend wellicht al de ruimte voorbereid door de stoeltjes opzij te zetten. De wijze waarop de euritmist binnenkomt, en haar vermogen om snel aan te sluiten bij de actuele situatie van de kinderen, zijn van groot belang. Wanneer de kinderen verdiept zijn in hun vrije spel, kan zij – om hen niet abrupt uit hun concentratie te halen – thema’s uit hun spel oppakken en zo op een natuurlijke wijze de overgang naar de nieuwe activiteit begeleiden.

Laten we een klein voorbeeld bekijken: de meeste kleintjes zitten dicht bij elkaar in een speelhuisje dat ze zelf hebben gebouwd. Een meisje roept: “Tante, we komen er vandaag niet uit – we zijn in de kerk!” Na een moment antwoordt de euritmist: “Daar in het bos is ook een kerk – daar kunnen jullie allemaal de klokken luiden!” Eén kind begint: “Ding, dong…” en kruipt naar buiten; langzaam volgen de anderen, terwijl ze “ding, dong” zingen. De euritmist zegt dan misschien: “Nu luiden de kleine klokjes – ding, ding!” Ze pakt een klokkenspel, en terwijl de klokjes klinken, volgen de kinderen het geluid; moeiteloos brengt ze hen samen in een kring. De les begint, en de kinderen verheugen zich telkens weer wanneer het motief van de klokjes terugkeert.
Hier is nog een anekdote – een spel waar de kinderen nooit genoeg van kregen en dat ze keer op keer wilden herhalen. De kleuterleidster zit of staat met de groep in de ochtendkring wanneer de deur opengaat en de euritmist binnenkomt. De leidster fluistert: “Wees heel stil – misschien zoekt ‘tante’ wel naar ons!” De euritmist komt binnen, vermijdt bewust om naar de kinderen te kijken – die zo vol verwachting zitten dat ze nauwelijks stil kunnen blijven zitten – en vraagt: “Waar zijn mijn kleintjes vandaag?” Ze zoekt rond, kijkt in kasten en achter de kachel. Dan – zorgvuldig erop lettend de betovering niet te verbreken door te veel de aandacht op zichzelf te vestigen – pakt ze iets op dat voorhanden is, bijvoorbeeld een pop of een handpop zoals Jan Klaassen. Ze vraagt ​​aan de pop of hij weet waar de kinderen zijn gebleven. De geliefde Jan Klaassen “vindt” de verborgen kinderen, die – hun opwinding nauwelijks kunnen bedwingen – luid juichen zodra ze “ontdekt” worden. Ze springen misschien allemaal op en rennen naar de euritmist toe, die vervolgens inspeelt op deze intense, groeiende verwachting en een vrolijke aanpak maakt het gemakkelijk om de aandacht van de kinderen erbij te houden. Het was elke week weer een bijzondere ervaring om te zien met hoeveel onvermoeibare energie dit spel zich ontvouwde – waarbij telkens variaties werden aangebracht, zodat het voor iedereen elke keer weer als een compleet nieuwe belevenis aanvoelde.

Zodra de kring is gevormd, teken ik – op voorstel van juffrouw Thetters – met krijt kleine “huisjes” op de vloer. Elk kind kiest zelf wat zijn of haar huisje voorstelt: een zon, een maan, een jagershut – of zelfs een krokodil, tot groot vermaak van iedereen. De kinderen kijken met verbazingwekkend veel geduld toe hoe de huisjes worden getekend, en ieder kind krijgt een eigen plekje toegewezen. Hierdoor kan de euritmist de orde bewaren, zelfs nadat de kinderen hebben rondgerend en gesprongen; ze keren maar al te graag terug naar hun eigen “huisje”, waar ze zich veilig en geborgen voelen.

De activiteit begint met de gezamenlijke klankenreeks “I-A-O” (ie-aa-oo), waarbij de kinderen hun hoofdjes verstoppen. “Waar zijn jullie hoofdjes?” “Hier!” “Ik zie jullie beentjes niet – waar zijn die?” “Daar!” “En wat doen jullie armpjes?” “Zo!” – ze steken hun armen omhoog en vormen zo een ronde zon. Als ik merkte dat de aandacht van de kinderen verslapte, voegde ik vóór de “I-A-O” een eenvoudige oefening in – bijvoorbeeld een ademhalingsoefening, of het ballen en weer strekken van de handen, afhankelijk van wat er op dat moment nodig was. We bewegen allemaal naar het midden van de kring – naar het “huisje van de dwerg” – en dan luisteren we (*ch*) [het Duits heeft ‘horchen’, vandaar de ch]: komt er iemand aan? Langzaam staan ​​we op, de kring wordt groter, en we springen op en rennen terug naar onze eigen huisjes, waarbij we onze armen uitstrekken en naar elkaar lachen. De kinderen zijn dol op lachen – en dat doen ze dan ook vaak – waarbij ze hun handjes gebruiken: ze lachen met hun handen hoog in de lucht, laag bij de grond, of door de ene of de andere hand te gebruiken. Of we kunnen ons in de struiken verstoppen, waarbij we het gebaar voor de letter ‘B’ maken, terwijl de euritmist roept: “Kleine kabouter, waar ben je? Kleine kabouter, waar word je wakker? Kleine kabouter, waar slaap je?” “Hier!” roepen ze, terwijl ze opspringen.

Na dit eerste moment van samenkomen ontvouwt de euritmieles zich – een les die in de praktijk overigens geen vol uur kan of hoeft te duren. Het uitgangspunt is altijd om aan te sluiten bij de actuele situatie: de seizoenen, een verjaardag, of misschien simpelweg het feit dat het buiten sneeuwt. Dit vereist van de euritmist een grote alertheid en het vermogen om de ideeën van de kinderen te omarmen, zonder daarbij de rode draad van de les uit het oog te verliezen. Iedereen die met kinderen heeft gewerkt, weet dat je van hen kunt leren hoe je het huidige moment naar een hoger niveau tilt.

Euritmie plaatst de mens in de wereld door middel van gebaren voor spraakklanken, muzikale elementen en ritmen; er is niets in de euritmie dat niet al in de wereld of in de mens zelf aanwezig is. Dit is een fundamentele ervaring die je bij kinderen kan waarnemen: er is slechts een klein duwtje in de rug nodig om datgene wat al in de mens verankerd ligt, tot bloei te laten komen.
In dit licht wordt een opmerking van Rudolf Steiner – uit zijn voordrachtenreeks *Algemene menskunde als basis voor de pedagogie* – begrijpelijk: “Wanneer is een mens zinloos bezig? Wanneer hij alleen zo bezig is als zijn lichaam het verlangt. Zinvol handelt hij, wanneer hij doet wat de omgeving van hem vraagt en niet alleen zijn eigen lichaam. Daar moeten we bij kinderen rekening mee houden. Enerzijds kunnen we de lichamelijke activiteit van een kind meer en meer sturen in de richting van puur lichamelijke beweging, van gymnastiek, turnen; daarbij wordt alleen het lichaam gevraagd welke bewegingen gedaan moeten worden. – En anderzijds kunnen we de uiterlijke bewegingen van een kind sturen in de richting van zinvolle bewegingen, bewegingen die geheel en al
van zin doordrongen zijn; dan dartelt het kind met zijn bewegingen niet in het geestelijke rond, maar volgt het de richtingen van de geest.
GA 293/191
Vertaald/182

De algemene opzet van een euritmieles wordt gevormd door de aanwijzingen van Rudolf Steiner voor het onderwijs op vrijescholen: begin elke les met een zekere ernst en sluit deze af met een vrolijke stemming. Bij jonge kinderen kan deze aanvankelijke ernst zich uiten als een verhoogde, geconcentreerde activiteit; het einde van de les kan vervolgens overgaan in een vrolijke, ontspannen vorm van spel, die uitmondt in een moment van volkomen stilte – waarbij echter ook op dat moment een luchtige, ontspannen sfeer behouden blijft. Een diepe, volledige ademhaling bij de kinderen getuigt van een gezond welbevinden – een toestand die nooit mag worden getemperd door de zware, sombere ernst die volwassenen nogal eens met zich meebrengen.

Er is vaak gezegd dat het verloop van een euritmieles een afgerond geheel moet vormen – vergelijkbaar met een reis door een andere wereld – en dat het ritmische sprookje daarvan een kernonderdeel is. Ik ben echter van mening dat er in dit proces juist een grote verscheidenheid moet heersen. De uitbundigste vreugde bij kinderen – en het is prachtig wanneer euritmie met zoveel enthousiasme wordt ontvangen – ontstaat wanneer er met contrasten wordt gewerkt. Denk bijvoorbeeld aan dwergjes die zo zachtjes met hun vingertjes – hun zilveren hamertjes – tikken dat niemand hen hoort; en die vervolgens met een heel grote hamer slaan (waarbij ze met hun voeten stampen). Nergens is de sfeer zo verstild en geheimzinnig als juist na een moment van uitbundige activiteit. Het principe van samentrekking en uitbreiding – zowel in de les als geheel als in de kleinste oefeningen – werkt simpelweg heilzaam. Ik heb vaak gezien hoe volwassenen proberen een bepaalde stemming bij kinderen op te roepen, of vanuit de stilte iets tot stand proberen te brengen en telkens weer wordt deze stilte doorbroken; er zijn kinderen die het simpelweg niet kunnen verdragen. Na een periode van levendige beweging — “Over stok en over steen, rent mijn kleine kabouter heen” — voelt de daaropvolgende stilte even natuurlijk aan als een inademing; op dit moment, waarin adem wordt gehaald, kan de euritmist de kleintjes — die zich nu in een staat van luisteren bevinden — op een geheel nieuwe wijze bereiken.

In de euritmie zoekt een kind naar volledige overgave; het kind wordt aangesproken binnen zijn eigen bewegingssfeer, en dat moet je te respecteren. Een kind is altijd volledig opgegaan in een bepaalde belevingswereld — het leeft daarbinnen. Ook de euritmist dient de oefening of de spraakklank met een dergelijke volledige, onbevangen en totale toewijding te beleven; het kind zal dit vervolgens met vreugde imiteren.

Wie probeert door te dringen tot wat bij jonge kinderen als een ontwikkelingsrealiteit kan worden waargenomen — en wie de ontplooiing van de mensheid beschouwt als een evolutie, zoals Lessing dat doet in zijn *De opvoeding van het menselijk geslacht* — die ziet bij het jonge kind iets wat volwassenen zijn kwijtgeraakt, maar wat in vroegere tijden wellicht bestond als een oorspronkelijke, poëtische kwaliteit. Het betreft hier de natuurlijke en onverbrekelijke eenheid van het talige, het muzikale en het ritmische.
J. G. Herder — wiens ideeën over volksliederen en balladen een grote inspiratiebron vormden voor de jonge Goethe — omschrijft deze “natuurlijke staat van poëzie” als: “Levendige gewaarwording, uitgedrukt in woorden en vergezeld van een volledige expressie door middel van gebaren.”
Bij het kiezen van teksten of liedjes voor kinderen is het daarom raadzaam te zoeken naar voorbeelden waarin het talige en het muzikale op natuurlijke wijze met elkaar verweven zijn. Kinderrijmpjes — in het bijzonder de oudere exemplaren — bezitten dit in de hoogste mate; daarin leeft zowel het creatieve taalgevoel als datgene wat Herder de “volledige expressie door middel van gebaren” noemt.

Bijvoorbeeld:
Klopfe, klopfe Ringelchen,
da gehn zwei arme Kinderchen,
gib ihnen was und laß sie gehn,
das Himmelreich wird offen stehn, 

“Klop, klop, ringetje, 
twee arme kindjes komen aan;
geef ze wat, laat ze gaan,
de hemelpoort zal wijd opengaan” – of:

Es regnet, es schneiet,
es weht ein kalter Wind,
es frieren alle Stäudelein
und alle kleinen Kind.

“Het regent, het sneeuwt,
een koude wind waait;
alle plantjes bevriezen,
en de kindjes ook.”

Het eerste versje neigt meer naar het lyrische en muzikale, terwijl het tweede rijmpje een ervaring beschrijft die geworteld is in medeklinkers – een wisselwerking met de omringende wereld.
Wat betreft de euritmische expressie van taal voor kinderen, geldt het advies van Rudolf Steiner: “Gebruik veel medeklinkers.”
Dit wijst opnieuw op de natuurlijke wijze waarop kinderen de krachten in hun omgeving in zich opnemen – krachten die het kind vormen en tegelijkertijd als vormgevende machten in de wereld werkzaam zijn.
Kinderen beleven groot plezier aan het voortbrengen van de ‘W’-klank – het waaien van de wind – of het sissen en fluiten van de ‘Fff’, vaak met zoveel overgave dat een gordijn kan gaan bewegen of een lamp begint te trillen. En wat een vreugde ontstaat er wanneer de euritmist doet alsof hij – bijna – door die kracht wordt omvergeblazen! Het is duidelijk dat de kleintjes deze gebaren niet slechts “uitvoeren”; ze leven erin. Ze hoeven alleen maar hun kleine armpjes op te tillen, want ze bevinden zich in een elementaire wereld waar de betekenis van wat wordt uitgesproken rechtstreeks voortkomt uit de klanken – uit de medeklinkers zelf. Deze wereld van scheppende taalbetekenis vormt en boetseert het kind, zeker wanneer het zich er met vreugdevolle, creatieve ijver aan overgeeft. Het kan een hoogtepunt van een euritmieles zijn wanneer de kinderen – misschien als reuzen die zware boomstammen voortrollen, of als dwergjes die op hun kleine rode rijdieren rondspringen – volop genieten van de klank van de letter ‘R’.

In eerste instantie zullen de kinderen willen meedoen – vaak nogal luidkeels – en dat moet je hen zeker niet verbieden. Met een beetje slimheid kan je echter uitnodigen tot een gebaar zonder dat daar geluid bij hoeft te worden gemaakt; denk bijvoorbeeld aan dit bekende liedje:

Johann, spann an,
zwei Katzen voran,
zwei Mauserin vorauf,
den Blocksberg hinauf!

“Johann, span het span maar in –
twee katten voorop,
twee muizenvangers erbij,
naar de Blocksberg trekken wij!”

Misschien komt Johann niet opdagen; dan roep je: “Johann!” Maar hij verschijnt nog steeds niet – roep nog eens… hij heeft het niet gehoord. Laten we het nu eens met onze armen proberen – kijk, daar is Johann, en de katten en muizenvangers schieten al vooruit.

Terwijl de kinderen zich enerzijds bezighouden met de medeklinkers, de taal en de vormgeving, vormt het muzikale element – ​​een wereld waarin de kleintjes zo natuurlijk en gelukkig vertoeven – de andere kant. Ritme – de eigenlijke hartslag van het leven – is in beide aanwezig. De meest oorspronkelijke vorm is het lied: het samen zingen met de kinderen. Wanneer de kinderen helemaal opgaan in het muzikale, hoef je hen niet apart te instrueren om specifieke geluiden te maken of armgebaren toe te maken.

Aan de kinderen is duidelijk te merken dat één en dezelfde persoon niet tegelijkertijd kan zingen en euritmische gebaren kan uitvoeren*; de kinderen worden moe en verliezen hun belangstelling – de dubbele belasting is voelbaar. Wel kan je tijdens het zingen een kleine kringdans vormen, of – in de eenvoudigste vorm – de kinderen langs “rechte en gebogen” lijnen laten bewegen. Een kort voorbeeld kan dit verduidelijken:

Rudolf Steiner GA 278/108
Niet vertaald

Schmied, Schmied, Schmied,
nimm dein Hämmerlein mit!

Smid, smid, smid,
breng je hamertje mee!

De smid staat in het midden van de kring; de kinderen lopen naar hem toe, maken een hamerende beweging en lopen dan weer terug. Daarna lopen ze in een kring rond, terwijl ze zingen:

Willst du mir mein Ross beschlagen,
mußt dein Hämmerlein mit dir tragen.

Wil je mijn paard beslaan,
dan moet je met je hamertje komen!

Zodra het liedje is afgelopen, kan je zeggen: “Laten we het de smid nu eens op een andere manier vertellen!” – waarna je, stilstaand en zonder melodie, activiteiten kan ondernemen die zich richten op de medeklinkers van de taal.

Het zingen kan worden ondersteund – of zelfs vervangen – door de klanken van een lier of fluit; zo kan je bijvoorbeeld dwergen uitbeelden die snel voortbewegen of huppelen, of zelfs de dwergenkoning die met een kroon op zijn hoofd door het bos trekt. Er zijn talloze variaties te bedenken, zeker wanneer je muzikale elementen integreert – en als het op de juiste wijze wordt aangepakt, zullen de kinderen zelf meedoen met het bedenken ervan!

Wat betreft de vraag welke melodieën geschikt zijn voor een jong kind, wil ik erop wijzen dat de meeste traditionele kinderliedjes een pentatonische structuur hebben, al worden lang niet altijd alle vijf de tonen gebruikt. Doorgaans bestaan ​​deze melodische patronen uit figuren van drie tonen. Er zijn vier specifieke drietonige figuren die steeds weer opduiken in kinderliedjes van over de hele wereld – of ze nu uit Hongarije, Duitsland of Zweden komen. Deze patronen bewegen zich binnen een middenregister – een kwart of een kwint – en het blijkt dat kinderen zich heel natuurlijk binnen dit bereik van een kwint (meestal van D tot A) bewegen.

Aan het einde van de les kan de kring worden opgeheven voor een levendig spel, zoals “De wolf en het duifje”. Omdat alle kinderen de rol van wolf, vos of reus willen spelen, ontstaat er een uitbundige, bijna dionysische sfeer. Zodra de rust is weergekeerd, kan je op de lier een kwint aanslaan – de “gouden klok” – en het gebaar van deze kwint laten doorklinken. Als de kinderen enthousiast raken, kan je zeggen: “Mijn klok is van zilver!” – wat anderen uitnodigt om met hun eigen klokken in te vallen – wit, groot of klein – totdat ze volledig zijn omhuld door de klank van kwinten. Dit interval, waarin de binnen- en buitenwereld in volmaakt evenwicht verkeren, brengt het ritmische proces van uitademen en inademen in een harmonieuze balans. Aan het slot van de les is het goed om met muziek of een liedje af te sluiten, zodat de ruimte waar de euritmie plaatsvond weer haar alledaagse karakter terugkrijgt.

Dit zijn slechts kleine suggesties, die op elk moment kunnen — en zelfs behoren te — worden aangevuld met andere soorten ervaringen. Het behoeft nauwelijks toelichting dat er sessies met kinderen zijn waarna je je rijkelijk beloond voelt; maar er zijn ook dagen waarop niets wil lukken — dagen die pijnlijk duidelijk maken hoeveel werk en leerproces er nog in het verschiet liggen. Het komt erop aan te leren van het directe moment, op een wijze die past bij de situatie, om zo steeds meer gestalte te geven aan het mensbeeld dat Rudolf Steiner ons door middel van zijn inzichten opnieuw heeft geschonken. Dit mensbeeld komt bovendien tot leven door het bezielde gebaar — de euritmie — en het zijn de kinderen die aan onze zorg zijn toevertrouwd, die ons dit kunnen leren.

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3632-3422

.

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 7)

.
In dit artikel ‘gebruikt’ de schrijfsters wezens die door Steiner in zijn geesteswetenschappelijke mededelingen bekend zijn geworden bij mensen die zich door antroposofie laten inspireren.
Het bestaan van die wezens is voor de antroposofie een realiteit. Maar het is wél antroposofie en Steiner wilde geen antroposofie in het onderwijs.
Wanneer deze wezens – ik zeg niet dat dit hier gebeurt – te pas en te onpas in het onderwijs gebruikt worden: bij rekenen, bij taal, in de euritmie – bestaat de kans dat ze als een ‘leuke versiering’ gaan dienen.
Tevens vind ik dat als je ze al gebruikt, ze voor jou een (diepe) realiteit moeten zijn. Dit om te voorkomen dat je ‘maar wat zegt en maar wat doet’. 

Johanna Otto

.

Euritmie in de kleuterklas
.

“Tot de krachten die vormend op de organen inwerken, behoren vreugde in en met de omgeving, de opgewekte gezichten van opvoeders en – bovenal – oprechte, ongeforceerde liefde. Dergelijke liefde, die de fysieke omgeving met een soort warmte doordringt, laat de vormen van de fysieke organen letterlijk uitrijpen…”

“In de vroege kinderjaren is het bijzonder belangrijk dat opvoedkundige elementen – zoals kinderliedjes – een mooie, ritmische indruk op de zintuigen maken. De nadruk moet minder op de betekenis liggen dan op de mooie klank. Hoe verfrissender iets voor oog en oor is, des te beter. Je mag de orgaanvormende kracht die besloten ligt in bewegingen op muzikaal ritme niet onderschatten…”

De voorgaande woorden zijn afkomstig uit Rudolf Steiners korte maar diepzinnige tekst *De opvoeding van het kind in het licht van de geesteswetenschap*. [1]
De tekst is gebaseerd op een lezing over kinderopvoeding; over deze lezing merkte Steiner in 1907 – nog voordat hij samen met Lory Maier-Smits de euritmie ontwikkelde – het volgende op: “Ik heb deze voordracht op verschillende plaatsen in Duitsland gehouden. Omdat velen de wens uitten om over de inhoud in geschreven vorm te beschikken, verschijnt deze hier in de vorm van een bewerkt essay.”
Het is een van de weinige voordrachten waarvan Steiner besloot het stenografisch verslag te herzien; zo belangrijk vond hij het destijds al om een ​​nieuwe impuls te geven aan het gebied van de opvoeding. Deze suggesties worden het meest uitvoerig uiteengezet voor de eerste levensfase van zeven jaar; ook de hierboven geciteerde passages hebben betrekking op deze fase.

Elke euritmiste [bedoeld is ook euritmist] die met kleuters wil werken, zou deze woorden van Rudolf Steiner diep in de ziel moeten prenten. Ze verhelderen precies wat zij in zichzelf tot leven moet brengen voordat ze voor de kinderen verschijnt. Het is van belang te beseffen dat euritmie, door haar etherische krachten, inwerkt op het fysieke lichaam van het kind – en wel zo krachtig dat dit effect de organen daadwerkelijk vormgeeft. Dit toont de grote verantwoordelijkheid aan die hiermee gepaard gaat; het betekent immers dat elke beweging die met de kinderen wordt uitgevoerd, waarachtig en precies moet zijn, en tegelijkertijd vloeiend en ontspannen. De euritmist moet altijd de hoogste eisen aan zichzelf stellen en niets van het kind verwachten; de ontvankelijkheid van het kind kan immers alleen ontstaan ​​als zij werkelijk en vol vreugde bereid is te geven. Dan echter ontstaat er een ‘dialoog’ waarin de euritmist, net zozeer als de kinderen, een geschenk ontvangt. Het mag geen ‘les’ in de schoolse zin van het woord worden, maar veeleer een uur vol vreugde, vitaliteit en een sprookjesachtige sfeer, waarin de groei- en vormkrachten zich in hun natuurlijke element kunnen ontplooien.

Hoe wordt dit bereikt? Om te beginnen moeten de opening en de afsluiting van het samenzijn goed gestructureerd en consequent zijn. Daartussenin moet echter ruimte zijn om te ademen, tot bloei te komen en te bruisen van leven, wat leidt tot ervaringen die zowel vreugdevol als beschouwend van aard zijn.

Om te beginnen begroeten we niet alleen het kind zelf, maar ook de afzonderlijke lichaamsdelen – bijvoorbeeld hoofd, armen en benen: I A O – “Ik ben hier,” zegt het hoofd (I); “Wij zijn hier,” kondigen de benen (A) aan; “O, wij ook,” verheugen de armen (O) zich.
Vervolgens bouwen we ons huisje van het lichaam: eerst de stevige muur, dan het dak dat ons tegen de regen beschermt, de poort voor de vele lieve mensen die ons willen bezoeken, en het raam voor het zonlicht. Hieruit ontstaan ​​prachtige oefeningen – bijvoorbeeld wanneer de stevige muur door de wind wordt geteisterd, maar zich vervolgens herpakt om weer stevig te staan. Want we zijn kleine steentjes geworden die precies in elkaar passen.

De eerste, tere ervaring van het vormen van een kring ontstaat op natuurlijke wijze wanneer de muur zich weer sluit. Of het raam wordt geopend en gesloten – overal: in de kelder, op zolder, aan de kant van de tuin – een prachtige A-E-oefening. De toren wordt gebouwd; de “U”-vorm groeit vanuit de donkere diepte omhoog naar het licht, en als bekroning vormt de muzikale kwint een prachtig, rond raam aan de top. Het is wonderbaarlijk om te zien hoe stil en toegewijd de kinderen kunnen luisteren naar die bescheiden kwinttoon! En zodra er een torenraam is, kunnen de klokken luiden en tot in de verre omtrek klinken. De grote klokken luiden, en de reuzen horen ze en komen met grote passen aangeschreden. De kleine klokjes roepen de dwergen, die met kleine pasjes komen aanrennen. Dit is tijdens het bezigzijn ook het moment om het kind de wisseling van de seizoenen te laten ervaren. Maar daarover later meer.

Tegen het einde van de ‘les’ pakken we de koperen staven erbij – waarmee het huis opnieuw vorm kan krijgen, maar ditmaal met een specifiek object erin verwerkt, en die uitnodigen tot korte, eenvoudige oefeningen; toch moet de activiteit altijd binnen de sfeer van spel en verbeelding blijven. Je kan de staaf bijvoorbeeld gebruiken om een ​​muur van onder naar boven te volgen, waaroverheen van voor naar achter een mooi, rond dak kan worden getekend; ook kunnen we ramen toevoegen, enzovoort. Vervolgens kunnen er zitstokjes voor de vogels worden bevestigd, zodat de vogels (onze vingers) op en neer kunnen vliegen. Het spelen met de vingers zou een terugkerende activiteit moeten zijn. Je kan ook oefenen om de vingers langs de staven te laten rennen of huppelen. Dit alles is een bron van vreugde, maar tegelijkertijd een serieuze bezigheid in de ware zin van het woord. Tot slot moet een gezamenlijke oefening – waarin vrolijkheid en ernst samenkomen – de ledematen weer tot rust brengen. Als afsluiting gebruik ik het gedicht “Ik ben Moeder Zon” van Christian Morgenstern.

Geen enkele euritmieles mag voorbijgaan zonder de oefening van ‘samenballen en verspreiden’. De les als geheel dient deze terugkerende beweging van samenballen en loslaten te integreren, waarbij de kinderen tussendoor vrolijk door de ruimte mogen rennen, om hen vervolgens via een vloeiend begeleide beweging weer tot rust te brengen. Uitbundigheid en verstilling, activiteit en luisteren moeten elkaar in evenwicht afwisselen. In de zomer kan een sfeer van jubel overheersen, terwijl de winter vraagt ​​om meer beschouwend luisteren. Over het algemeen hanteer ik dalende ritmes; het kind wil immers zijn lichaam bewonen. Uiteraard worden er ook wel eens stijgende ritmes gebruikt. Van Lory Maier-Smits heb ik geleerd dat Rudolf Steiner voor kinderen de majeurtoonsoort koppelde aan dalende ritmes, en de mineurtoonsoort aan stijgende ritmes.

Deze inzichten heb ik te danken aan de zeer geliefde en geachte Lory Maier-Smits; dankzij haar kreeg ik voor het eerst de gelegenheid om een ​​euritmieles voor kinderen bij te wonen.

Klinkers en medeklinkers in de euritmie voor jonge kinderen

In de jaren vóór de basisschoolleeftijd heeft euritmie een ‘orgaanvormende’ werking op kinderen. Dit moet je je voortdurend bewust zijn – zij het niet tijdens de les zelf; op dat moment moet het diep vanbinnen verankerd zijn en als vanzelfsprekend worden toegepast. De plofklanken (of stopklanken) zorgen voor vorm en vormkracht; de ademklanken verwarmen de groeikrachten en doordringen ze met ritme; de ​​waterklank (L) boetseert het lichaam; en de luchtklank (R) doordringt het met adem en licht.

Klinkers bevorderen bij het kind een levendig en warmvoelend vermogen tot emotionele respons, zonder het te dwingen tot een al te intense, specifieke ervaring. Het gevoel van verwondering bij de ‘A’, de liefdevolle omarming bij de ‘O’ en de beweging naar de ander toe bij de ‘U’ – ze dienen alle vreugdevol te zijn. Hier wordt het eerste, tere zaadje geplant voor een toekomstig, zeker gevoel van sociale verbondenheid; net zoals die ene wekelijkse les de basis kan leggen voor een aangeboren gevoel voor waarheid, dat zo essentieel is voor sociale interactie in het latere leven. Een kind dat na het derde levensjaar euritmie op een zo mooi en authentiek mogelijke wijze heeft mogen ervaren, zal later waarde hechten aan de waarheid – en deze zeker herkennen wanneer het geconfronteerd wordt met een leugen uit de buitenwereld.

Rudolf Steiner sprak over hoe één wekelijkse euritmieles voor het jonge kind voldoende zou zijn; tegelijkertijd moest deze les echter ook een ankerpunt vormen in het ritme van de week.

De seizoenen beleven: de lente

Op een dag, tegen het einde van februari, komen de kinderen vol verwondering aan bij hun euritmieles, nadat ze de eerste sneeuwklokjes hebben gezien. Dit is een ervaring die vraagt ​​om een ​​gedeelde beleving. We kunnen uitgebreid stilstaan ​​bij wat het sneeuwklokje moet doen om zulke prachtige klokjes voort te brengen: hoe het eerst de sneeuw en de aarde opzij duwt (G), vervolgens zijn ‘laarsje’ uitstrekt (L I) en twee kleine blaadjes ontvouwt (L A), zodat een zonnestraal (T) recht in het hart kan schijnen en het klokje naar buiten kan lokken. Nu kan het gaan luiden; vele bloemen zullen het horen en ook tevoorschijn komen. Ook bijen en vlinders komen langs om de bloemen te kussen en in ruil daarvoor wat honing mee te nemen…

Maar ook de mens moet nu iets voor de aarde doen; er moet geploegd en gezaaid worden. Jambische en anapest-ritmes werken hier goed bij. In het tijdperk van landbouwmachines is het niet altijd eenvoudig om jonge kinderen duidelijk te maken dat een boer ook met de hand kan zaaien, aangezien ze bijna allemaal al vertrouwd zijn met de machines die daadwerkelijk worden gebruikt. Toch is het belangrijk om ze de zaaibeweging te laten uitvoeren. Dit houdt meer in dan alleen het nieuw leven inblazen van een oude landbouwpraktijk; het staat symbool voor de menselijke verbondenheid met de aarde – het zaaien om later te kunnen oogsten.

Uiteraard moeten ook de vogels worden begroet. Door de hand simpelweg te sluiten en te spreiden, kunnen kinderen het leven van een jong vogeltje in het nest en zijn eerste vluchten ervaren.

Het seizoen vordert; de ooievaars arriveren en de jongen moeten leren vliegen. Dit is een prachtige gelegenheid om de bewegingen van sluiten en spreiden ten volle te verkennen. Eerst balanceren de jonge ooievaars op de nok van het dak; daarna oefenen ze met hun vleugels – het sluiten en spreiden begint klein en wordt steeds groter – totdat ze uiteindelijk het dak verlaten en ver weg vliegen. Dit is een oefening die de kleintjes eindeloos kunnen herhalen. Ook een wandeling door de wei, langs de rivier of door het bos is heerlijk. Er valt zoveel te beleven! Om te beginnen zijn er de wisselende texturen van de paden – of we nu langzaam omhoog klimmen of snel naar beneden rennen. Of het pad nu glad en stevig is of juist drassig, onze pas moet zich voortdurend aanpassen. Bovendien bieden de vele dieren die we tegenkomen – groot en klein – een schat aan bewegingsmogelijkheden die hun oorsprong vinden in de euritmie.

Het zou te ver voeren om dit allemaal in detail te beschrijven. Maar juist het verschil tussen de flitsende eekhoorn, de vos die met een schuldig geweten wegsluipt, de slak die over de grond kruipt en het zoemende bijtje, maakt dat de kinderen enthousiast en blij meedoen.

Zomer

De zomer verdiept zich; het wordt warm – zelfs heet! Weiden en wateren wemelen niet alleen van de bloemen, maar ook van dartelende elfen, watergeesten, sylfen en kabouters. Watergeesten spelen met ballen op het water (links), terwijl sylfen ballen van licht, lucht en zonneschijn hebben (rechts); kabouters doen vaak mee, altijd in voor een plaagstootje of om dit vrolijke volkje te laten schrikken. Soms duikt er ook een onhandige reus op. Elfen, kevers, bijen – alle wezens van de zomer en alle vreugden van het seizoen horen hierbij. Ik acht het van groot belang om de zomer zo met kinderen te beleven dat ook deze elementwezens erbij betrokken worden. Een kind in de eerste zevenjaarsfase – dat volledig in zijn omgeving leeft en die omgeving beter kent dan zichzelf – moet leren houden van watergeesten, sylfen, kabouters en salamanders, en een band met hen opbouwen. Hieruit groeien later een krachtig gevoel van vitaliteit en een gezonde levenshouding. De beleving van elementwezens moet echter werkelijk naar de elementen zelf leiden; het mag niet slechts een spel met symbolen worden. Hagedissen bijvoorbeeld, die snel een holletje in schieten, bieden een levendig, werkelijk voorbeeld van de bedrijvigheid van salamanders. De euritmist moet over grote innerlijke beweeglijkheid beschikken, zodat de zomerweide, het bos, het water en de rest van de natuur het kind kunnen onderdompelen in deze bruisende pracht.

Herfst

En dan komt de herfst; ze vult de voorraadschuren en schenkt ons heerlijk fruit en graan – we hoeven het alleen maar binnen te halen. Maar ze brengt ook storm en regen; ze brengt een strijd met de natuurkrachten met zich mee. Het is de tijd waarin kinderen met vliegers spelen. Ook wij laten vliegers op tijdens de les, zij het op een iets andere manier: ze vormen een zich ontvouwende spiraal die opstijgt in de vrije lucht, om vervolgens weer zorgvuldig te worden opgerold – want de vlieger, of liever gezegd de ‘windvogel’, moet behoedzaam worden opgeborgen voor het komende jaar.

Winter

Buiten wordt het steeds donkerder en stormachtiger. Mensen trekken zich langzaam terug in de warmte van hun huis. Kabouters verzamelen graan en fruit voor de winter; hamsters, eekhoorns en alle andere dieren leggen voorraden aan; het kaboutertje bakt brood voor de kersttijd. Alles keert naar binnen…

Waar we in de lente de jambe en anapest prachtig konden inzetten voor het zaaien en de naar buiten gerichte groeibeweging, lenen de trochee en de dactylus zich beter voor de tijd van de oogst. Toch mag men deze overwegingen nooit verstandelijk forceren; alles moet voortkomen uit een oprechte, doorleefde ervaring.

En dan breekt de prachtige adventstijd aan; het licht in huis moet worden ontstoken. Aan het begin van deze periode zet ik een adventsspiraal uit voor de kinderen: in het midden staat het grote licht – de gave uit de hemel – waaraan de kinderen hun eigen kaarsje mogen aansteken. Dit gebeuren beslaat een volledige euritmieles. Eerst vertel ik de kinderen een kort adventsverhaal. Karl Schuberts “Marias Sternfahrt” (Maria’s sterrenreis) [2], uit het leesboek van de school, is hiervoor heel geschikt. Wanneer elk kind zijn kaarsje heeft aangestoken en in de spiraal heeft geplaatst, bewonderen we de pracht van de lichtjes; tot slot mag elk kind zijn kaarsje ter hand nemen en de vlam uitblazen. Ik weet van veel moeders hoe diep de kinderen dit alles ervaren en hoe graag ze willen dat hun moeder diezelfde kaars elke avond voor het slapengaan voor hen aansteekt. Het kaarsje wordt met grote zorg bewaard.

Na deze bijzondere les zijn er meestal nog maar twee of drie lessen over tot de kerstvakantie – lessen die doordrongen zijn van een wonderlijke, verstilde sfeer. Marianne Garff heeft een charmant boekje gepubliceerd met de titel *Das Öchslein und das Eselein* (Het osje en het ezeltje), waarin ze verschillende dieren naar de kribbe laat komen op de Heilige Nacht. Ze mogen allemaal met menselijke stem het Christuskind begroeten. Het met de kinderen in euritmie uitbeelden van deze verzen vormt een prachtige voorbereiding op Kerstmis. Uiteraard vragen de kinderen ook om andere dieren dan de genoemde. Dus bedenk ik – in al mijn onvolmaaktheid – zelf verzen daarbij; en ook al kunnen ze zich niet meten met die van Marianne Garff, de kinderen genieten ervan.

Tegen de tijd dat we elkaar weer zien, zal Kerstmis voorbij zijn. Nu breekt de tijd aan waarin we willen ervaren hoe de aarde ontwaakt. En wat is er mooier dan dat te doen door de dwergen in de berg te laten hakken en graven naar goud en edelstenen? Ook dit biedt weer een onuitputtelijke bron van bewegingsmogelijkheden. Eerst moeten de dwergen de bergen in trekken om het goud en de edelstenen los te hakken – een bezigheid die lang kan voortduren. Daarna laten we elkaar zien wat we hebben gevonden en stoppen we alles in een grote zak; een zak die zo zwaar wordt dat we hem nauwelijks naar huis kunnen slepen. Daar legen we hem en rennen we vol vreugde naar de dwergendans. We herhalen dit ritme totdat de kinderen en de dwergen op een dag merken dat de sneeuwklokjes zich opmaken om tevoorschijn te komen. De cirkel van het jaar is rond; de lente keert terug.

Dit is slechts een klein deel van wat er met de kinderen gedaan kan worden; de mogelijkheden van de euritmie zijn onuitputtelijk, mits je je strikt aan de principes ervan houdt.

Natuurlijk gebruik ik af en toe sprookjes – *Sneeuwwitje* in de winter, *Doornroosje* in de zomer en misschien *De wolf en de zeven geitjes*. Voor de euritmie haal ik echter alleen specifieke situaties uit deze verhalen. Wanneer ik een verhaal wil vertellen, gaan we op de grond zitten en luisteren we. Bij de euritmie proberen we ons te beperken tot individuele handelingen – al moeten die natuurlijk wel met elkaar in verband staan. Voor de lessen gebruik ik vaak de versjes die Frau Diestel speciaal voor de euritmie heeft gemaakt. Toch zijn er ook momenten waarop de euritmist zelf de sfeer in de ruimte zo moet ‘verdichten’ dat er spontaan versjes ontstaan.

Over de aanwezigheid van ouders

Vaak rijst de vraag of moeders/ouders al dan niet aanwezig moeten zijn tijdens het bezigzijn van de kinderen. Bij kleuters is de situatie vanzelfsprekend zo dat ouders er niet bij zijn. Maar hoe zit het wanneer ouders hun kinderen brengen?

Op basis van mijn jarenlange ervaring kan ik zeggen dat ik beide scenario’s ben tegengekomen: zowel wel als niet.

Waarom ‘wel’? Ik herinner me moeders die hun kinderen meer dan tien jaar achter elkaar brachten en altijd rustig in de buurt bleven zitten, zonder contact met de kinderen te zoeken – ze grepen bijvoorbeeld niet in, zelfs niet bij ‘ongewenst gedrag’. Dit zorgde nooit voor verstoring; toch was het voor de moeders – zo verzekerden ze me telkens weer – net zozeer een hoogtepunt van de week als voor hun kinderen. Ze zagen hun kinderen plotseling in een ander licht en ontdekten eigenschappen en vaardigheden die ze thuis nog niet hadden opgemerkt.

De juiste afstand tot hun eigen kinderen ontstond op natuurlijke wijze, doordat ze de hele groep kinderen met evenveel belangstelling benaderden. En aan het einde leek er werkelijk een gezamenlijke ademhaling door de hele gemeenschap te gaan – moeders, kinderen en de euritmist.

Waarom ook niet? Er zijn kinderen die vrijer zijn en meer bereid om op te gaan in de euritmie-activiteiten wanneer hun moeder niet aanwezig is. Dat moet zeker worden opgemerkt en gerespecteerd – net zoals uiteraard het omgekeerde geldt, waarbij kinderen hun moeder nog even in de buurt nodig hebben. Ik vroeg moeders die aan het kletsen waren of voor onrust zorgden, altijd vriendelijk om in de gemeenschappelijke ruimte van de school te wachten. Soms nam een ​​collega handwerken, of zelfs een van de moeders, de leiding over een project: samen met alle kinderen (of zoveel mogelijk kinderen) werden er dan poppen of transparanten gemaakt voor de adventsverkoop.

Een aanpak die zeer aan te bevelen valt – al is het ons om externe redenen nooit gelukt deze te realiseren – is dat de moeders tegelijkertijd in een andere ruimte hun eigen euritmieles zouden volgen.

De overgang naar school

Waarnemingen met betrekking tot de ontwikkeling van kinderen die al op jonge leeftijd aan euritmie hebben gedaan – en hoe zij verschillen van kinderen die zonder deze ervaring naar school gaan – vragen om verdere zorgvuldige overweging en bespreking. Dit zou een belangrijk onderwerp zijn voor een lerarenvergadering op een vrijeschool. Ik hoor vaak van leerkrachten in de onderbouw dat kinderen die al ervaring hebben met euritmie veel gemakkelijker hun draai vinden in het leven op de vrijeschool dan kinderen die niet eerder met deze nieuwe bewegingskunst in aanraking zijn gekomen.

.
[1] Als essay staat het in GA 34/309
Vertaald: De opvoeding van het kind

[2] Te vinden in het leesboek ‘Zonlicht‘:

MARIA’S STERRENREIS

De boodschapper van de heilige Nicolaas, die langs de sterrebanen liep, ontmoette daar boven Moeder Maria. Zij ging, zo vertelde hij aan de kinderen, van de ene ster naar de andere, om gaven te vragen voor haar kindje.
Ze wilde zo graag een hemdje voor het Christuskindje maken, waarin ze hem zou kunnen kleden, als hij op de aarde zou komen.
Daarom gaf ieder van de twaalf sterrenbeelden aan de hemel wat gouden draden van hun stralenschat. Alle verheven hemelkrachten, de zon en de bewegende sterren, begroetten haar en zonden hulp.
Terwijl de aarde in de loop van een jaar haar baan om de zon aflegt, voert Maria’s weg van ster tot ster.
Bij de grote feesten, die door de mensen op aarde gevierd worden, reppen zich haar vlijtige handen, draad naast draad leggend steeds maar weer. Ze weeft een teer glanzend weefsel. Verblindend mooi.
Zij haast zich met haar werk, want met Kerstmis moet het hemdje klaar zijn.
Steeds is ze bezorgd of het haar wel gelukken zal, omdat het goud van de sterren niet bij elkaar wil blijven. Telkens weer stralen de mooi ineengelegde sterredraden uit elkaar.
Daar komen als trouwe helpers de engelen van de goede kinderen, die op aarde wonen, zich bij haar voegen. Zij brengen de goede daden, gedachten en woorden van die kinderen opwaarts in hun reine handen. Daarboven verandert dat alles in goud. Dat is het aarde-zielengoud. Zacht glinstert het tussen de trillende draden.
Met de gouden aardedraden maakt Maria de inslag in de schering van de hemeldraden. Ze voegt ze samen en maakt zo voor het Christuskindje een hemdje voor de Kerstnacht.
Alle kinderen van goede wil kunnen op deze wijze meehelpen.

Lied:

Over sterren, over zonnen zachte gaat Maria s voet,
louter goud uit sterrehronnen brengt zij als een hemelgroet.

Schrijdt Maria langs Gods wegen, hoog door hemellicht omstraald,
weeft zij ’t kleed uit sterrezegen, waar Gods kind in nederdaalt.

K. Schubert

.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- en kleuterklas

.

3630-3420

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ – inhoudsopgave)

.

In 1980 verscheen als studiemateriaal van de vereniging Waldorfkindergärten deel 10: ‘Kind tanzt’.

De titel is ontleend aan de uitspraak van een klein kind bij deze tekening die het maakte:


In verschillende bijdragen gaat het om de euritmie in de 1e 7-jaarsfase.
.

INHOUDSOPGAVE

De artikelen met een link zijn oproepbaar, de andere volgen

Voorwoord

1.Over elementaire euritmie in de eerste zevenjaarsperiode
  H.von Kügelgen

2.Het dansachtige element en elementaire euritmie
   Rudolf Steiner
Hier worden woorden van Rudolf Steiner geciteerd die hij in de 1e        voordracht van GA 294 sprak. Ze zijn op deze blog te vinden bij ‘Rudolf Steiner over euritmie‘.

3.Het ontwikkelen van het verstand door juiste bewegingen in de vroege              kinderjaren; over de heilzame werking van euritmie
    Rudolf Steiner

4.Wilsvorming, initiatief en de juiste benadering van muziek
    Rudolf Steiner

5.Nabootsing en euritmie
   Suze König

6.Over de voorbereiding van de volwassene
   Hannelore Blume

7.Euritmie op de kleuterschool
   Johanna Otto

8.Uit de euritmiepraktijk met jonge kinderen
   Traude Zwieauer

9.Euritmie voor jonge kinderen
   Nora von Baditz

10.Sprookjesspelen – Actieve spelen
     Over het geven van impulsen voor euritmie-activiteiten
     Nora von Baditz

11.Over de bewegingsontwikkeling van het jonge kind: perspectieven op euritmie
     Dr.Angelika Gäch/Dr. Kurt Gäch

12.Over het verankeren van de wil in de lichaamsorganen door middel van                 beweging; hoe geest en ziel het lichaam door activiteit tot een orgaan van de         wil vormen — vingerbeweging en spraakontwikkeling (Prof. Dr. med. M.                 Kolzowa)
    H. von Kügelgen

13.Ritmische spelen of bewegingsspelen
     Ingeborg Haller

14.Hoe bereidt de kleuterleerkracht zich voor op muziek in de kleuterklas?
     Dr. Julius Knierim

.

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beweging: peuter- en kleuterklas

.

3628-3418

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 6)

..
Hannelore Blume/ Suse König
.

De voorbereiding van de volwassene

Om te komen tot wat je ‘elementaire’ euritmie voor jonge kinderen zou kunnen noemen, is het niet nodig om de rijke verscheidenheid van de kunstzinnige euritmie te vereenvoudigen of aan te passen in kindvriendelijke vormen; de euritmist moet zich veeleer terugverplaatsen naar de fundamentele elementen van de kunstvorm. Dit is in feite het omgekeerde van de gebruikelijke aanpak. Bij vereenvoudiging laat je zaken weg, terwijl het zoeken naar de oorspronkelijke essentie juist vraagt ​​om een ​​intensievere verdieping in de materie.

De innerlijke voorbereiding op euritmie met jonge kinderen houdt daarom een ​​proces van rustige, persoonlijke verkenning in. Je kan bijvoorbeeld de (weinige) specifieke spraakklanken die voor de les bedoeld zijn, herhaaldelijk vanuit verschillende invalshoeken oefenen – waarbij je let op hun kleur, vorm en innerlijk ritme, evenals de bijbehorende voorbereidende gebaren – om zo gevoel te krijgen voor het karakter van de vormgevende kracht van de klank. Alleen op die manier kan men intuïtief aanvoelen welke klanken geschikt zijn voor jonge kinderen en welke minder, of bepalen of een bepaalde klank wellicht vaker gebruikt zou moeten worden om therapeutische redenen. Wie streeft naar dit achtergrondbegrip, hoeft niet onzeker te zijn bij het opzetten van een euritmieles voor kinderen.

Het is belangrijk dat de les (die niet de volle zestig minuten hoeft te duren) een natuurlijk ‘ademend’ karakter heeft: een balans tussen snelle en langzame, luide en zachte, en kleine en grote bewegingen, evenals de juiste verhouding tussen arm- en beenbewegingen, spraak en muzikale klank. Dit innerlijke ritme moet worden afgestemd op de toestand van de kinderen en flexibel genoeg blijven om aanpassingen mogelijk te maken. Als kinderen bijvoorbeeld onrustig binnenkomen, helpen langzame, kalme bewegingen meestal niet. Het is het beste om aan te sluiten bij de situatie zoals die zich voordoet en hen vervolgens via beweging te leiden naar wat je wil aanbieden – net zoals het jonge kind het gemakkelijkst te begeleiden is door activiteit en doen. Niet de gemoedstoestanden van de volwassene worden door hen opgepikt, maar de handelingen. Het vermogen en de behoefte van het jonge kind om na te bootsen, vormen de sleutel tot alles. Ze willen volledig opgaan in het doen; uitleg, lof of plotselinge verzoeken om iets zelfstandig te laten zien of uit eigen beweging te stoppen, halen hen uit die flow. De kinderen worden dan moe, kritisch of gaan gek doen. Dit gedrag is simpelweg een teken dat de kinderen niet in hun element zijn – het element van nabootsing.

Nabootsing is een fundamentele fase van de menselijke vrijheid en de noodzakelijke basis daarvan. Wanneer je deze twee begrippen samen beschouwt – “het jonge kind is pure wil en puur zintuigorgaan” – herken je de twee elementen die ook het vrije oordeel en handelen van de bewuste mens, de volwassene, kenmerken. De krachtige uiting van de eigen creatieve impuls en de onbevangen waarneming van de handelingen van een ander vormen de twee pijlers van het sociale leven. In een groep kinderen is duidelijk waar te nemen dat nabootsing geworteld is in de diepste menselijke kracht: de kracht van het “Ik”. Want hoewel alle kinderen dezelfde volwassene meemaken, zie je een grote verscheidenheid aan metamorfosen in de manier waarop zij opnemen wat ze zien. Het ene kind doet misschien met elke vezel van zijn lichaam mee, terwijl het andere dat wellicht alleen met de ogen of een lichte handbeweging doet. Het ene kind heeft misschien heel levendig in zich opgenomen hoe reuzen stampen, terwijl het andere zich richt op hoe de dwergen hameren bij het geluid van een zilveren belletje.

De volwassene grijpt niet van buitenaf in op deze stroom van de kinderwil; hij toont simpelweg zijn eigen handelingen. Zo zijn nabootsing en vrolijkheid de twee elementen die de sfeer bepalen waarin het jonge kind leeft. Wanneer je bedenkt dat het kind bezig is te incarneren – zijn ziel-geest-natuur te verbinden met zijn fysieke lichaam – begrijpt je hoe vrolijkheid (in tegenstelling tot louter uitgelatenheid) de nodige “lichtheid” biedt om de verschillende aspecten van zijn wezen met elkaar in harmonie te brengen.

Als de zoektocht naar de ware aard van het kind tijdens de eerste zevenjaarsperiode – naast het voortdurend herontdekken en verwarmen van de geest door middel van euritmie – de achtergrond vormt, kan je vol vertrouwen en vrijheid op uiteenlopende manieren vormgeven aan een les. Soms rijst de vraag: waarin verschilt kindereuritmie van de kringspelen en ochtendkringen op de kleuterschool? De inhoud en teksten zijn immers vaak vergelijkbaar of zelfs identiek. Het wezenlijke verschil is echter dat het bij kringspelen gaat om het nadoen van menselijke bewegingen die ontleend zijn aan het dagelijks leven en de natuur. Hoewel deze bewegingen op artistieke en ritmische wijze worden uitgevoerd, blijven het zichtbare, letterlijke handelingen – zoals die van de zaaier of de spinster. Euritmische beweging is daarentegen geen uiterlijke handeling; het is veeleer de beweging van de klank, van de spraak en van de innerlijke vormkracht der dingen.

Een andere veel gestelde vraag betreft ritmes: welke moeten er worden gebruikt – of misschien juist helemaal geen? Ook hier rijst de vraag: wat vormt een fundamenteel ritme? Is het wellicht het ademhalingsritme van de les zelf – het samenspel van luid en zacht, snel en langzaam, naar buiten bewegen en weer terugkeren – dat telkens opnieuw wordt herhaald en toch aan de specifieke situatie wordt aangepast? Elke leerkracht moet zelf aanvoelen hoe diep er op spraakritmes en de uitvoering daarvan moet worden ingegaan. Het is echter belangrijk te beseffen dat de ademhalingspatronen van een kind vóór het negende levensjaar nog niet hun eigen ritme hebben gevonden; het instrument dat nodig is voor ritmische vormen, is nog niet volledig ontwikkeld. Toch dient dat algemene ritme om het leven van het kind te ordenen en te voeden.
.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beweging: peuter- en kleuterklas

.

3627-3418

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de 1e zevenjaarsfase (‘Kind danst’ 1)

 

Helmut von Kügelgen
.

Over de eerste euritmie in de leeftijdsfase tot 7 jaar
.

Euritmie was als nieuwe bewegingskunst al door Rudolf Steiner ontwikkeld toen in 1919 de eerste vrijeschool werd opgericht. De opgave was nu om vanuit de nog prille wortel van deze jonge kunstvorm een ​​nieuwe loot te laten groeien: de pedagogische euritmie.
Fundamentele kunstzinnige elementen moesten worden doorgrond en geïntegreerd in een methodische opbouw die aansloot bij de leeftijdsgroepen van de kinderen; daarbij was het instrument voor de beoefening niet kleur- of boetseermateriaal, noch spraakklank of muzikale toon, maar het bewegende lichaam zelf.
Pedagogische euritmie ontstond als een nieuwe creatie, voortgekomen uit de samenwerking tussen de eerste leraren en Rudolf Steiner.
Ook Elisabeth Dollfuss-Baumann speelde een rol bij de ontwikkeling van de derde tak: de euritmietherapie. Zoals altijd bij Rudolf Steiner het geval was, kreeg dit werk zeer concreet gestalte, waarbij kinderen die hulp nodig hadden en de leraren die voor de taak stonden met hen te werken – en die zich toegewijd inzetten om hun ontwikkeling en levensloop te ondersteunen – nauw betrokken waren.

De grootste verschillen in pedagogische aanpak corresponderen vanzelfsprekend met de levensveranderende periodes van zeven jaar: de overgang van de adolescent naar vrije artistieke expressie na de puberteit, de kennismaking met de elementen van bewegingskunst door middel van gestructureerde artistieke oefeningen tijdens de gezagsgerichte tweede periode van zeven jaar, en de onderdompeling van het jonge kind in de vloeiende bewegingen van de volwassene tijdens de imitatiefase. Euritmie kan beginnen wanneer, rond de leeftijd van drie jaar, de hechte band met de moeder losser wordt en de eerste drie stadia van de menselijke ontwikkeling zijn voltooid: leren lopen, leren spreken en het ontwikkelen van bewust denken door middel van zelfexpressie en taal. De eerste fase van pedagogische euritmie, die hier centraal staat – euritmie in de vroege kindertijd – loopt dus van het derde levensjaar tot de schoolrijpheid.

De belangrijkste verschillen in de pedagogische aanpak worden uiteraard bepaald door de grote ontwikkelingsfasen die zich in cycli van zeven jaar voltrekken: het begeleiden van de adolescent naar vrije artistieke expressie na de puberteit; het introduceren van de elementen van een bewegingskunst door middel van gestructureerde oefening tijdens de ‘leeftijd van het gezag’ (de tweede zevenjaarsperiode); en het onderdompelen van het jonge kind – dat zich in de fase van nabootsing bevindt – in de bewegingsstroom van de volwassene. Met euritmie kan worden begonnen zodra het kind drie jaar oud is; op die leeftijd versoepelt de intense band met de moeder en is de eerste ontwikkelingsdrie-eenheid van de mens voltooid: leren lopen, leren spreken en het begin van de ontwikkeling van een bewustzijn dat ‘ik’ zegt en via taal denkt. De eerste fase van de pedagogische euritmie – het onderwerp van deze bespreking – omvat dus de periode van het derde levensjaar tot het moment waarop het kind schoolrijp is: de euritmie voor het jonge kind.

Nora von Baditz beschrijft hoe een opmerking van Rudolf Steiner de doorslaggevende impuls gaf voor dit werk: wanneer jonge kinderen zich bezighouden met elementaire euritmie, kunnen zij een kracht van het ‘Ik’ verwerven die noch schoolonderwijs, noch de werking van het lot teweeg kan brengen. Hoe moet een dergelijke diepgaande en veelzeggende uitspraak worden begrepen?
Enerzijds is het jonge kind louter gebaar en beweging; anderzijds vormt het, met al zijn zintuigen en zijn hele lichaam, één enkel zintuigorgaan. Het proeft tot in de toppen van de grote tenen; het ervaart een schok op een wijze die zijn hele wezen aangrijpt – iets wat wij volwassenen slechts kunnen begrijpen of invoelen wanneer we met een werkelijk schokkende gebeurtenis worden geconfronteerd. Met zijn hele bestaan ​​neemt het kind zo intens waar, dat het deze waarnemingen integreert in de eigen lichaamsstructuur.

Toch wordt, door de kracht die het rechtop staan ​​mogelijk maakt en door de eerste bewegingen, de in het kind sluimerende wil actief; deze manifesteert zich in lopen, huppelen, dansen en het bewegen van de handen. De volle dramatiek van de wil – die kracht die het lot vormgeeft – kondigt zich aan in de spelen en gebaren van het kind. Betekenisvolle, goede en mooie bewegingen helen en versterken de wilskrachten; deze krachten bouwen voort op de fysieke gezondheid van de eerste zevenjaarsperiode en de emotionele gezondheid van de tweede, om uiteindelijk in de derde zevenjaarsperiode op te stijgen tot vol bewustzijn en de zelfstandige uitoefening van de wil. Gedurende het hele leven zal de kracht van het ‘Ik’ – de kracht waarmee men de eigen biografie vormgeeft vanuit het materiaal van opvoeding, maatschappelijke omstandigheden en het lot – zich openbaren in initiatief, doorzettingsvermogen, beweeglijkheid en daadkracht. De artistiek geïnspireerde beweging van de euritmie legt de basis voor de verbinding van het ‘Ik’ met de wil en voor de incarnatie daarvan in de gezond gevormde organen van het lichaam. Daarom kan elementaire euritmie in de vroege kinderjaren zo’n essentiële levensgave zijn.

Waarneming (het hele kind is een zintuiglijk orgaan) en ‘wil in gebaar’ versmelten echter niet door bewustzijn, maar door imitatie. Nabootsing is het toverwoord van de opvoeding gedurende de eerste zeven jaar. Het is de elementaire fase van menselijke vrijheid, de ware basis ervan: want het kiest en handelt vanuit het verborgen heiligdom van het zelf. Daarin, met een kracht van liefde en toewijding die alleen te vergelijken is met een religieuze ‘vereniging’, zijn de krachten van vertrouwen en zelfbewustzijn van het kind aan het werk: het wordt, tot in zijn gezondheid, zijn manier van spreken, zijn gebaren, zijn temperament, zijn fundamentele mentaliteit, beïnvloed door wat het door imitatie uit zijn sociale omgeving absorbeert.

Dat is één kant van de zaak. Omdat imitatie geworteld is in de essentiële sfeer van het Ik, is het niet willekeurig! Broers en zussen, kinderen in een euritmiegroep die dezelfde volwassene ervaren, absorberen niettemin, in verbazingwekkende transformaties, wat hen wordt voorgedaan en gedemonstreerd. Tijdens een euritmieles bijvoorbeeld, dompelt het ene kind zich met elke vezel van zijn wezen onder in de gebaren van de volwassene, terwijl het andere kind hem alleen met de ogen of met subtiele handbewegingen volgt. De een wacht op de galopperende paarden, de ander op de zilveren bellen van de dwergen of het gestamp van de reuzen. De volwassene mag niet autoritair ingrijpen in deze stroom van wil en besluitvorming, door leerresultaten te eisen; anders onderdrukt hij de geheime activiteit van het Ik, dat zich in imitatie onbewust maar krachtig manifesteert als de kracht van selectie en zelfbeschikking.

De volwassene draagt ​​daarom alleen bij wat van hemzelf is, de elementaire euritmie; hij bemoeit zich niet met de beweging of de wilsstroom van het kind door middel van lof en kritiek, eisen en correcties. Hij kan echter zijn bevrijdende, diepgaande effect op het imiterende kind oneindig versterken door vrolijkheid en levensvreugde uit te stralen. In het licht van deze vrolijkheid, die niet verward moet worden met luidruchtigheid en uitbundigheid, ontstaan ​​levensvreugde en lichtheid; die vreugde, vrij van alle stemmingen en emotionele druk, komt naar voren waarin het kind zich vrij kan bewegen en zijn spirituele en psychische wezen gezond belichaamd wordt in het lichaam dat hem door erfelijkheid is geschonken. Inderdaad, het vermogen tot imitatie, verzwakt door zintuiglijke overprikkeling en gebrek aan beweging, wordt hersteld, zwaarte en vermoeidheid worden overwonnen en nerveuze spanning wordt geharmoniseerd. Moeilijkheden in de relatie met euritmie ontstaan ​​alleen wanneer het basisprincipe van het werken met jonge kinderen wordt geschonden: het principe van nabootsing.

Maar wat is ‘elementaire eurythmie’ en welke eisen stelt ze aan de volwassene? Omdat de vormende, bezielende krachten die voortkomen uit de euritmische beweging zo nauw verweven zijn met de levensprocessen van kinderen door nabootsing, zal elk gebaar een bijzondere verantwoordelijkheid vergen: het zal niet afhangen van een veelvoud aan variatie, maar van een selecte kwaliteit. Ter voorbereiding zal de euritmist zich daarom richten op een terugkeer naar de bron, naar het pure, oorspronkelijke klankgebaar zoals dat zijn essentie ontleent aan de planetaire en zodiakale bewegingen. ‘Elementair’ betekent niet vereenvoudigd of zelfs speels, maar eerder euritmie die zich concentreert op haar oorsprong. Als ik het kiemende, het ontluikende zoek, dan ben ik zelf weer actief aan het onderzoeken en vormgeven: dit heeft zijn effect op de ontwikkeling van het kind, dat zich naar de toekomst toe beweegt. Het gaat er dus niet om de diversiteit van de artistieke euritmie te reduceren tot een simpele, ‘kinderlijke’ vorm, maar om de vruchtbare basiselementen voortdurend te herontdekken.

De kinderen moeten zich ook voorbereiden op de euritmieles – door middel van verwachting en enthousiasme!
Rudolf Steiner wilde aanvankelijk niet meer dan één uur per week, zodat deze vreugdevolle verwachting wortel kon schieten en ze niet ‘overvoed’ zouden raken.
Wanneer de euritmist de klanken, zonder expliciete benamingen, verweeft in de gebeurtenissen van de les, glijden de kinderen in bewegingen die vertrouwd en geruststellend aanvoelen. De activiteiten van de kinderen worden voornamelijk gemotiveerd door spel, door de hele context van de natuur met haar jaarlijkse ritmes en feesten, haar dieren en planten, winden en wolken, beekjes en stenen, elementaire wezens en hemellichamen, evenals door sprookjes. De sprookjes en korte verhalen moeten worden samengevat in ritmische vrije verzen. Daarnaast richt de muzikale benadering zich primair op de kwint en de kwintstemming. Naar een suggestie van Nora von Baditz wordt de prachtig geharmoniseerde beweging van de kwint ‘de gouden poort’ genoemd.
De essentie van de kwint doorgronden betekent de mens ervaren terwijl hij zich nog in de harmonie van de goddelijke sferen bevindt; dit komt tot uiting in de gouden poorten waarin de kinderen zichzelf transformeren door het gebaar van de kwint – want zijzelf staan ​​op de drempel naar aardse volwassenheid.
.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Vrijeschool in beweging: peuter- en kleuterklas

 

.

 

VRIJESCHOOL – Euritmie

.

Voor haar studie euritmiedocente schreef Philia de Vries deze scriptie:

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN?

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken. 

Hoofdstuk 2

2.1. Deze scriptie richt zich op het vak pedagogische euritmie

In het kader van deze scriptie richt ik me op de euritmie als pedagogisch vak, de ‘pedagogische euritmie’ genoemd’.

De pedagogische euritmie, bevat na de kleuterklassen 12 jaar leer- en ontwikkelingsstof van de lagere en middelbare school, oftewel middenbouw basisschool en het voortgezet onderwijs. In deze scriptie beperkte ik me tot de leeftijd van 4-12 jaar, omdat ik daarin dit vak vanuit mijn eigen ervaringen als leerkracht en euritmievakleerkracht kan onderbouwen.
Voor de middelbare school zou een uitbreiding van deze scriptie gewenst zijn om ook de waarde in deze klassen met dit vak te onderbouwen.

2.1.1 Wat is euritmie? 

Er zijn in  de loop der jaren meerdere vormen van euritmie ontstaan, naast de euritmie als kunstvorm. Allereerst de pedagogische euritmie, later de euritmietherapie en veel later ook de sociale euritmie die ingezet kan worden in verschillende werkvelden.
Alle vinden hun bron in de oorspronkelijke euritmie zoals deze vanaf de jaren 1912 tot 1924 met Rudolf Steiner gezamenlijk vanuit de deelnemende studenten en euritmisten ontwikkeld werd.

Euritmie als vakgerichte opleiding valt in Nederland (Hogeschool Leiden) onder de categorie ‘dans’, maar een betere omschrijving is ‘bewegingskunst’. [1]

De euritmie baseert zich op waarnemingen van Rudolf Steiner, die deze bewegingskunst op vraag van Lori Smits als studente ontwikkelde tot een danskunst waar allereerst de spraakklanken, vormen in de taal en ritmen ontwikkeld werden. [2]
Later werd de muziek, de ‘tooneuritmie’, aan deze danskunst toegevoegd. [3]

Over het ontstaan van de klankgebaren die met de armen gevormd worden zegt Rudolf Steiner het volgende:

Geradeso wie es Formungen gibt des Kehlkopfes und der anderen Sprachorgane […], so gibt es die entsprechenden Bewegungen, Bewegungsformen. Diese Bewegungsformen, sie sind daher diejenige Offenbarung des Willens, für die sonst die Offenbarungen des Gedankens und des Willens, im Sprechen und Singen bestehen. Das Gedankliche, das rein abstrakte Gedankliche, das in der Sprache ist, wird hier herausgenommen, und alles, was sich aussprechen will, in die Bewegung selbst hineinversetzt; so daß die Eurythmie im weitesten Sinne eine Bewegungskunst ist.

“Zoals er formaties zijn van het strottenhoofd en de andere spraakorganen […], zo zijn er overeenkomstige bewegingen, bewegingsvormen. Deze bewegingsvormen zijn (daarom) [4] de openbaring van de wil*. Andere openbaringen van het denken en de wil bestaan uit spreken en zingen. De gedachte, (in de inhoud en de vorm van bijvoorbeeld een tekst of gedicht -PdV), de zuiver abstracte gedachte, die in taal is, zich uitspreken wil, wordt door de euritmie zichtbaar gemaakt en omgezet in de bewegingsgebaren [5] zodat euritmie in de breedste zin een bewegingskunst is.” [6]

Euritmie wordt daarom ook wel ‘zichtbare spraak’ of ‘zichtbare zang’ genoemd.

Het woord ‘euritmie’ is een Grieks woord en betekent ‘goed ritme’ of ‘harmonieus ritme’.[7] Hiermee wordt nog een diepere laag van het vak aangeduid: De euritmie sluit direct aan bij onze levenskrachtenenergie. Ze maakt niet alleen de levenskracht in taal en muziek zichtbaar, maar versterkt door het beoefenen en het kijken ernaar ook onze eigen levenskrachten. Zo wordt haar benaming van ‘goed /harmonisch ritme’ beleefbaar!

De euritmie onderscheidt ze zich daarmee als dans/bewegingskunst van enkel expressie, of bewegingen waarbij niet direct inhoud van wetmatigheden in de taal en muziek zichtbaar wordt: Als kunstzinnige representatie druk ze uit wat als een geestelijke werkelijkheid verborgen ligt in taal en muziek. 

De fysieke bewegingen, gevoed vanuit onze levenskrachten worden tot stromende, krachtige en lichte gebaren, die de fysieke zwaarte van onze bewegingen als het ware ‘optillen’. [8] [9]

Daarmee onderscheidt zich de euritmie dan ook wezenlijk van andere bewegingsvormen en is de grondslag, waarop de meerwaarde van dit pedagogische vak berust!

[1] Inleiding in de nieuwe bewegingskunst
[2] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbare Sprache GA 279
[3] Rudolf Steiner Eurythmie als sichtbarer Gesang GA 278
[4] het betreft hier de bewegings/klankgebaren in de euritmie waarbij de beweging gekarakteriseerd wordt als uitdrukking van de wil)
[5] zoals muziek in de euritmie zichtbaar wordt door tonen en intervallen, ritme, maat en bewegingsstijl (-PdV)
[6] In de loop der jaren zijn er naast de oorspronkelijke kunstzinnige, therapeutische en pedagogische vormen van euritmie verschillende andere vormen ontstaan, zoals beroeps-, senioren-, vitale en hygiënische euritmie.
[7]‘Harmonisch ritme’. Euritmie als bewegingskunst is gerelateerd aan de ‘levenskrachten’ . (Schoorel 2013, p. 33-47): ‘Euritmische beweging’ probeert deze levenskrachten beleefbaar en zichtbaar te maken’.
[8] Rudolf Steiner over: Zichtbaar spreken en zingen in GA 301 blz. 251, 257, 259). Vertaald
[9] 14 Rudolf Steiner over: Euritmie als bewegingskunst  in GA 305.
Vertaald

2.1.2 Wat is pedagogische euritmie en welke plek heeft dit vak binnen het vrijeschoolonderwijs?  

Vanaf het begin bij het ontstaan van de vrijeschool (Stuttgart 1919), zijn er in het leerplan twee ‘bewegingsvakken’ opgenomen: gymnastiek/sport en euritmie.

Met gymnastiek op school – voor alle leerlingen, dus jongens en meisjes – was Rudolf Steiner in zijn tijd al vooruitstrevend. Euritmie is daarnaast een onbekend vak en heeft als ‘pedagogische euritmie’ sindsdien een heel eigen plek heeft binnen het vrijschoolonderwijs en scholen die werken met mensen met een beperking. Rudolf Steiner heeft indertijd in verschillende voordrachten het belang en verschil van beide vakken in het onderwijs toegelicht! [1]

[1] Rudolf Steiner over euritmie en gymnastiek

2.1.3 Leerstof van de pedagogische euritmielessen

Het vak euritmie gebruikt in de basis de leerstof uit het leerplan (curriculum) van de vrijeschool als materiaal. [1]

Middels verhalen, gedichten en muziek ondersteunt het vak de leerstof in de klas/leerjaar en daarmee ook om de processen van het opgroeiende kind in een kunstzinnig uiten en bewegen beleefbaar te maken, waarbij tevens concentratie, vaardigheid en motoriek worden bevorderd en zowel individueel als ook de sociale vermogens van een groep/klas gestimuleerd worden.

Het vak ondersteunt zo de bewegings- en innerlijke ontwikkeling van de kinderen door de gehele schooltijd heen: om de algemene ontwikkeling die het kind doormaakt, (gebaseerd op Steiners mensbeeld) dat aan het vrijeschoolonderwijs ten grondslag ligt te begeleiden. [2] 

Op de vrijeschool staat de leervraag centraal: Kan het kind wat het ziet, hoort en oefent als leerstof niet alleen cognitief integreren, maar dit met lichaam en ziel, als vaardigheid ook innerlijk verbinden en omzetten in praktisch vormgeven? In de euritmielessen wordt de wil vanuit het actief bewegend bezig zijn met de inhoud extra geactiveerd en verdiept, maar ook het gevoel voor vormen, taal/muziek, beweging en inzicht! bevorderd.

[1] Wat is de vrijeschool, van jaar tot jaar
[2]Leerplan euritmie vrijeschool Rotterdam West

2.2 Het gebruik van pedagogische euritmie en de neurologische en sensomotorische ontwikkeling van het kind en innerlijke ontwikkeling naast de fysiologische ontwikkeling

Pedagogische euritmie gaat uit van een gezonde ontwikkeling van het kind.

Het activeert de vitaliteit die het opgroeiende kind nodig heeft, om gezond het leren aan te kunnen! Als dusdanig is de pedagogische euritmie een leerstof overschrijdend vak!

Bij een kleuter werkt dit anders dan bij een schoolgaand kind of puber!

Bij een kind in de kleuterleeftijd werken de euritmiebewegingen direct door in de fysieke organen (inclusief de vorming van de hersenen) [1]

Bij schoolkinderen worden de levenskrachten (vitaliteit) en het begripsvermogen geactiveerd. Bij een puber (middelbare school) gaat het erom dat de leerling opnieuw het ‘groeiende en veranderende lichaam’ al bewegend met zijn levenskrachten kan doordringen en zowel de aardezwaarte, als het opheffen daarvan in de ziel tot innerlijke vaardigheid wordt. Als je naar dit gegeven kijkt, wordt duidelijk dat het vak euritmie extra bijdraagt aan de neurologische en sensomotorische ontwikkeling, maar ook de psyche ondersteunt!.

[1] Rudolf Steiner: GA 224/9:  Lopen, spreken en denken– mens in relatie tot de engelenwereld. . “Werken die bewegingen […] verder tot in de hersenen […] vormende werking uitoefent.” 

2.3 Het belang van euritmie op vrijescholen en hoe deze momenteel onder druk staat .

Hieronder wordt de Nederlandse situatie van het euritmie onderwijs op de vrijescholen kort toegelicht

Vanaf de jaren ’70 in de vorige eeuw zijn er veel nieuwe basisscholen en bovenbouwscholen in Nederland bijgekomen. Deze groei zet momenteel nog steeds door, ook in de alternatieve ‘staatsvrije scholen’! 
Dit staat in schril contrast met het feit dat de laatste jaren – ondanks de deeltijdopleiding – in Nederland [1] minder mensen zijn afgestudeerd als dans- euritmiedocent dan tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw, met toen nog 20 à 25 studenten per jaar! Hierdoor zijn op dit moment te weinig docenten die dit vak nu en in de komende jaren kunnen geven, ondanks dat de opleiding van kunstzinnige naar een pedagogische vakopleiding is omgezet! Daarom hebben niet alle scholen euritmielessen; er zijn ook ideologische en financiële overwegingen  die ervoor zorgen dat er op bepaalde scholen geen euritmie gegeven wordt.

 Sinds 2017 is er echter een groep leerkrachten/dansdocenten, die dit vak een warm hart toedragen, van start gegaan! Onder leiding van Jiri Brummans (‘stichting Dynameis’) die een eigen leerlijn heeft neergezet binnen het euritmieonderwijs, startte hij met geïnteresseerden een eigen opleiding. 

Na zijn dood in 2021, heeft zijn vrouw Lara Brummans de opleiding onder het cursusaanbod van de BVS (Begeleidingsdienst voor vrijescholen) voortgezet en hebben ook andere euritmisten zich aan deze opleiding verbonden! Omdat deze ‘studenten’ niet de ‘euritmieopleiding’ hebben voltooid, zijn ze niet gekwalificeerd als euritmist. Maar zij scholen zich verder! En sommigen van hen zijn alsnog de opleiding begonnen om hun werk ‘euritmisch’ meer handen en voeten te geven! Hun enthousiasme is heel groot voor dit vak en zo proberen zij bij te dragen aan het euritmische gat van het tekort aan pedagogische euritmisten en noemen dit ter onderscheiding euritmisch bewegingsonderwijs.

De vraag “Waarom euritmie in het onderwijs?” heeft daarom een goede onderbouwing nodig om de euritmie als vak vanzelfsprekend binnen de school te erkennen, mede omdat het nog steeds een vak is dat niet bekend is in het openbare leven buiten de school. Men heeft (meestal ) geen referentiekader  [3]. Als ouders dan het signaal krijgen dat de kinderen niet geïnteresseerd zijn in het vak en euritmie ‘stom’ vinden, dan is dat ook voor de ouders niet echt motiverend om het vak te ondersteunen, daar het vaak betaald wordt uit de extra schoolgelden die de ouders betalen en het een duur vak is omdat ook een muzikant ter begeleiding betaald moet worden. 

Waar de genoemde ‘weerstand bij de kinderen’ ligt, heeft vaak een diepere oorzaak (zie punt 2.4.)

De noodzaak om dit onderwerp goed zichtbaar te maken in de ‘leercurve’ van de kinderen op school, heeft daarom een bijzondere betekenis om het voortbestaan van het vak op vrijescholen te rechtvaardigen. 

Dit werk wil een aanpak laten zien om de toegevoegde waarde van pedagogische euritmie zichtbaarder te maken: Het belang van euritmie voor de ontwikkeling van kinderen! 

Enkele middelen om dit te doen zijn bijvoorbeeld ‘open dagen’, proeflessen, presentaties, cursussen en artikelen in de schoolkrant, [4] [5] voorstellingen en vooral gesprekken waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. 

De boeken van Marijke van Vuure en Audrey McAllen die voor dit werk zijn bestudeerd, geven inzichten om het onderwerp euritmie op school beter te onderbouwen

[1] Hogeschool Leiden – docent dans-euritmie

[3] A. Ehrlich: “Dus ik denk […] dat je begrippen gebruikt die een ander begrijpt […]” blz.34 in :’ Stilstaan is geen optie‘.
[4] Euritmie in de kleuterklas
[5] Achtergronden euritmie en leerplan

2.4 Voorbeeld: uit de wereld van het werk: Hoe de euritmie op scholen haar plaats kan vinden

De Vrije School Utrecht (VSU) is een zogenaamde coöperatie waarbij de leraren mede-eigenaar van de school zijn. 

Binnen de school is in 2015-2016 met behulp van opiniepeilingen een werkgroep opgericht om te onderzoeken hoe het vak euritmie beter geïntegreerd kan worden in de leerstof.

Een van de doelen was dat het vak voor de kinderen een natuurlijk onderdeel van het leerplan zou worden en niet alleen gezien wordt als ‘dat ene uur per week in het euritmielokaal’, dat los staat van wat er in de klas wordt gedaan. 

Mogelijkheden werden bekeken en suggesties gedaan om dit verder te ontwikkelen. Vorig jaar vond een proefproject plaats, waarbij de vijfde en zesde klas in twee blokken werkten – met twee keer per week euritmie [1] en aan het eind gaven beide klassen elk een presentatie. 

Een natuurlijke houding voor dit vak vanuit de school en de leerkrachten kan de weerstand van de kinderen voor euritmielessen doorbreken. Dat betekent ook dat de leerkrachten doordrongen moeten zijn van de meerwaarde van dit vak als ondersteuning van hun werk en hier door aanwezigheid waar mogelijk, waardoor de leerlingen zich ‘gezien’ voelen, maar ook zelf actief of innerlijk het vak ‘mee te dragen’. Dat je dit vak ‘wilt’ voor je leerlingen, omdat ze er zoveel aan kunnen ontwikkelen en het jouw lessen ‘ondersteunt’ qua inhoud, maar ook concentratie en vaardigheden! Ook vanuit de vakleerkrachten kan deze eenheid ontstaan, hoe ieder daarin vanuit zijn vak bijdraagt!

Deze ‘omhulling en inbedding van het vak’ binnen de school, maakt dat de leerlingen ervaren aan de volwassen dat het beoefenen van dit vak ‘zin’ heeft en onderdeel is van de school. 

Dit is een belangrijk aspect, omdat veelal de kennis en begrip voor het vak niet altijd bij de leerkrachten en het college leeft. Heel logisch dat het onbegrip en ook de eigen ‘weerstand’ dan ook doorwerkt op de leerlingen. De euritmieleerkracht werkt heel hard, maar vaak is het daardoor ‘water naar zee dragen’, het beklijft niet in de school! Dan vindt men deze vakleerkracht onbekwaam. Wat een leerkracht en school zich daarbij niet realiseren is dat een euritmie-leerkracht niet alleen met zijn ik en ziel zijn lessen vormgeeft maar ook met zijn eigen ‘levenskrachten’. Gevolg dat men dan aantijgt dat deze leerkracht niet capabel is en onvoldoende didactisch werkt en dan ook nog vaak ziek wordt!

Het mag duidelijk zijn dat dit vak dan ook niet een ‘verfraaiing van het vrijeschoolonderwijs is’, maar een wezenlijk vak, dat binnen het college en de individuele leerkrachten ‘gewild’ moet worden, ook al heb je er zelf niet zoveel mee, of vind je het zelf ‘onaangenaam’. In feite is het een vak dat ‘geestelijke vleugels’ geeft aan het vrijeschoolonderwijs en is daarom ook ‘kwetsbaar’!

Hoe zit dat bij de kinderen?

Deze weerstand komt meestal voort uit het feit  dat dit vak een beroep doet op het kind om zijn ‘eigen innerlijke capaciteit en vitaliteit‘ zichtbaar te maken in de oefeningen!

Een situatie waarin ze kwetsbaar zijn, vooral in deze tijd waarin het dagelijkse ritme verdwijnt uit de cultuur van leven en werk en de uiterlijke verschijning van dingen en mensen in het middelpunt staan.

Het feit dat de kinderen de concentratie- en behendigheidsoefeningen met plezier doen, helpt hen deze weerstand te overwinnen die ze hebben als ze zich goed zich innerlijk met hun lichaam moeten verbinden bij het oefenen. 

Het valt op dat de kinderen die behendig bewegen tijdens atletiek, capoeira of skateboarden vaak de grootste moeite hebben om zich innerlijk te verbinden. Hun bewegingsvermogen ligt in het beheersen van de spieren, maar daarbij komt niet altijd hun innerlijk gevoel mee. Hun houding is ook vaak wat koppig opdat ze hun innerlijk en het daarin niet vaardig zijn (maar zelfs onhandig zijn) niet hoeven te laten zien. Hun ‘vertrouwen’ moet zich op een andere manier opbouwen en dat doet (innerlijk) ‘pijn’!

Deze ‘pijn’ is een realiteit in de ervaring, maar soms moet je als volwassenen ook door die weerstand heen kijken en leerlingen kunnen dat soms bij elkaar ook!

Als een ouder uit de zesde klas ons vertelt dat hun kind net heeft gezegd dat hij of zij grappige dingen doet in de euritmieles (terwijl de werkhouding van het kind allesbehalve inspirerend is) omdat het altijd afleidt en daardoor storend is), dan moet je soms op een speciale manier kijken om te herkennen dat het kind zich ontwikkelt door het aangeboden materiaal.

Opvallend is altijd weer dat de aanwijzingen van Rudolf Steiner (vooral voor de zesde klas) altijd met rustige aandacht moeten worden uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn: de evolutievorm, de halleluja-kroonvorm en het octaafgebaar.

Het leren ‘doordringen’ van je eigen bewegingen is een leerschool op zich. Maar ook een uitdaging! Waar lukt het? Daar waar het lukt, zie je hoe de eigen wezenskern van het kind samenvalt met de bewegingen. Bij de kleuters noemen we dat hij/zij kan toveren’. Maar dat is ook reëel een magisch moment! Je houdt als het ware als je dit ziet even je ‘adem in’, maar leerlingen zelf kunnen dit ook ervaren! Het gaat er nooit en te nimmer om dat ze een ‘euritmist’ worden, maar een kunstenaar die even zijn eigen essentie weet te pakken door het middel van beweging! Hij mag het allemaal ook weer vergeten, of toch wegzetten als een vak dat moeizaam is en niet leuk, maar dat is omdat het ook meer dan welk vak je confronteert met je eigenheid. Mogelijk dat later in het leven in het innerlijk dit als krachtbron helpt om het leven vorm te geven of in een verandering te vertrouwen op de eigen kern!

Dit is de essentie van het vak en vraagt om nieuwe impulsen en moedige leerkrachten die met hun leerlingen ‘in beweging durven te komen’ en al meeluisterend weten wat zijn moeten inzetten om de leerling(en) te begeleiden op hun ontwikkelingsweg! 

Helaas is het vak de laatste 50 jaar soms zo op scholen gegeven dat de leerlingen een zekere ‘vormdwang’ ervoeren in de euritmie. Dat heeft er toe geleid dat velen naderhand nog steeds als volwassenen het vak maar ‘stom’ vinden. De euritmisten waren er m.i. onvoldoende van doordrongen dat juist bij dit vak niet het gekund zijn voorop staat, maar bij het kunnen de ‘eigen wil ‘ gewekt moet worden. Dat kan alleen vanuit een zekere ‘vrijheid’ waarbij ook de leerkracht zelf zijn ‘bevlogenheid’ voor het vak uitstraalt!

Een versterkende factor om de euritmieleerkracht ook anders beleefbaar te maken voor de leerlingen, was een aanwijzing van Rudolf Steiner (?) dat deze leerkracht ook nog een ander vak in de school gaf. Tot in de jaren ’80 van de vorige eeuw was dit een ‘logische traditie’, waardoor de euritmist in de school een bredere basis had! Het vak euritmie kwam daarmee niet in een ‘eenzijdigheid’ als waar het nu vaak in terecht is gekomen! Aan de scholen, colleges en leerkrachten de opdracht om binnen hun school een vorm te vinden waarin de euritmie kan ‘gedijen’ en daarmee ook als vak in het curriculum, want het vak heeft ook naar de toekomst toe ‘veel te bieden’ wat de vrijeschool tot een echte ‘vrijeschool’ maakt.
In Duitsland kreeg de vrijeschool bij de oprichting in 1919 de naam Waldorf, de naam van de fabriek van de oorspronkelijke initiator, de directeur Emil Molt, van de Waldorf Astoria Fabriek te Stuttgart. Steiner noemde de school Freie Waldorfschule met een verwijzing in ‘Freie’ naar wat de school, als onderdeel van het vrije geestesleven zou moeten zijn: vrij van iedere staatsbemoeienis. Alleen dat is een voorwaarde dat leerlingen kunnen ‘opgroeien tot een vrij mens’, d.w.z. dat de leerling vertrouwen heeft in zijn eigen autonomie en al zoekende in het leven daar ‘vorm’ aan leert geven! 

Het vak euritmie binnen de school kan daar wel beschouwd juist fundamenteel aan bijdragen! Daarom de ijver van Rudolf Steiner om middels voordrachten, ouders en leerkrachten te overtuigen van de ‘kwaliteit ‘van dit vak op de Waldorf/vrijeschool! Deze scriptie wil er een pleidooi voor zijn, de ogen te openen voor dit ‘bijzondere vak’. [2]

{1] In Nederland is het niet op alle scholen gebruikelijk om vanaf leerjaar 4 twee keer per week euritmie te geven. Het ritme van 2x per week is dynamischer, waardoor de euritmie beter in het levenskrachtenorganisme van de leerling werkzaam kan zijn.

[2] Francoise Verhagen beschreef en onderzocht de situatie van het euritmieonderwijs bij het Noord-Hollandse ‘Ithaka’: een samenwerkingsverband van vrijescholen. Stilstaan is geen optie_Francoise Verhagen) (17-8-2017). 

.

Euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: handen en intelligentie

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmische klankfiguren

.

3467-3264

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Euritmie

.
Voor haar studie euritmiedocente schreef Philia de Vries deze scriptie.

Deze zal in hoofdstukken op deze blog verschijnen.

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN?

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken. 

Inhoud

Gedicht van Ida Gerhardt: “Het volmaakte”.

1.Inleiding, kader, vraag, doel, inspiratie en materiaalgebruik voor het werk                                                                                                                                       1
1.1. Inleiding                                                                                                                         1  1.2. Inleiding tot het thema                                                                                               2
1.3. Onderzoeksmateriaal                                                                                                  3

HET VOLMAAKTE

Ik gaf mijn kind een zilveren bal.
Het werd zijn één, het werd zijn al;
en hij die steeds met ieder deelt,
hij schreit als iemand er mee speelt.
Ik sprak tot hem met zacht vermaan;
hij zag mij lang verwonderd aan
en liet toen stil zijn tranen gaan.
Ik gaf mijn kind een zilveren bal:
bracht ík zijn onschuld nu ten val?
Of ben ik blind? – Het goddelijk kind
hield in zijn handjes het heelal.

Ida Gerhardt
uit: Zomen van het licht

1.Inleiding, kader, vraag, doel, inspiratie en materiaalgebruik voor het werk 

1.1. Inleiding

We leven in een tijd waarin de leercurve/ontwikkeling van kinderen wordt gemeten en beoordeeld door middel van testen. Men gaat uit van een stijgende lijn in de ontwikkelingscurve. Wat hierbij vergeten wordt, is dat de leerontwikkeling een dynamisch proces is en dat een kind pas dan ‘leerstof’ kan opnemen, wanneer het daar (lichamelijk en innerlijk) voor klaar is.

Een voorbeeld is de zwemles [1], waarvan we inmiddels weten dat het kind eerst over bepaalde motorische vaardigheden moet beschikken om de beweging tijdens de schoolslag uit te kunnen voeren. Het is bekend dat een kind heel snel leert zwemmen als hij er klaar voor is, terwijl voor kinderen die op vierjarige leeftijd beginnen de leerweg veel langer en zwaarder is.
Bij leren is het eigenlijk net zo, maar toch worden kleine kinderen in het reguliere onderwijs in Nederland nu al gedwongen om toetsen af te leggen, ook al zijn ze daar cognitief nog niet rijp voor. [2] Hun denken is a.h.w. nog binnen bepaalde kaders begrensd. Dit staat in contrast met veel onderzoeken die aantonen [3] dat de hersenontwikkeling pas rond de leeftijd van acht jaar voldoende rijp is om de leervaardigheden te ontwikkelen [4] die op school nodig zijn om echt te kunnen leren. De motorische ontwikkeling [5] (die aan de reflex-integratie ten grondslag ligt) en de rijping van de zintuigen gaat daaraan vooraf.
Ook zien we de tendens van hyperactieve kinderen die zich moeilijk kunnen concentreren, wat soms samenhangt met een nog niet voltooide integratie van de reflexen, waardoor er ‘motorische onrust’ ontstaat, soms ook bepaald door nog onvoldoende lateralisatie, of het driedimensionaal kunnen zien. De vraag is: hoe kunnen we het kind helpen zich zo gezond mogelijk te ontwikkelen, zodanig dat deze basis ook zijn denkvermogen stimuleert?

Deze scriptie richt zich op het vak (pedagogische) euritmie en hoe dit bewegingsvak een essentiële plaats inneemt in het vrijeschoolonderwijs. Wat is het belang van dit extra bewegingsvak, naast gymnastiek en een onderwijsvorm die al veel beweging in de leerstof verwerkt?
In de vrijeschool wordt de ontwikkeling van het kind met name vanuit bewegingsonderwijs gestimuleerd om zijn leermogelijkheden te ontplooien en een gezonde ontwikkeling te bevorderen, die past bij het kind.

De ‘ontwikkeling van het denken’ is een kwaliteit binnen de vrijeschoolpedagogie die – gebaseerd op het antroposofische mensbeeld, en ontwikkeling van het kind tot volwassene-, tot doel stelt, dat de lesstof zo ingericht is dat de leerling uiteindelijk een onafhankelijk ‘vrij denkend’ mens kan worden : “[…] dat we tot op zekere hoogte ons denken zo ontwikkelen dat het totaal doorstraald wordt door de wil, en (we in ons denken) niet van buitenaf gestimuleerd worden (om te denken), maar dat het denken in de wil leeft’ [10]

Sinds de oprichting van de eerste Waldorf/vrijeschool (Stuttgart, september 1919) bestaat de pedagogische euritmie als leervak en kreeg om het verschil met de kunstzinnige euritmie aan te geven, de term

 
[1] Als kinderen kunnen huppelen, dan kunnen ze de schoolslag:
(http://www.allesinbeweging.net/motorische-ontwikkeling-zwemles) (20-7-2017).
[2] Brein, Leren & Educatie: (http://www.hersenenenleren.nl/centrum-brein-leren/) (20-7-2017).
Versus  “Kennisplatform voor het onderwijs” (http://wij-leren.nl/ontwikkeling-hersenen.php)(20-7-2017).
[3] Nunen, Peter van 2 -1-2010. Van kind tot volwassenen: De rol van de neurologische en effecten van neurologische rijpingsachterstand. (2 -1-2010) (www.epi-groep.nl/wp/wp-content/uloads/rijping_1_2art.pdf) (15-7-2107).
[4] http://www.ergoml.nl/ergotherapie/kinderen/schoolse-vaardigheden (zie ook n.8 ) (20-07-2017).
[5] “De motoriek en de zintuigen zijn niet meer in evenwicht” – uit: Voorwoord van Ewald Vervaet.
Boek: Vuure Marijke van. Dyslexie en touwtje springen. (Akasha 2013, p. 7).

1

pedagogische euritmie, waarbij de euritmische vaardigheden extra kunnen konden worden beoefend als bewegingsvak. De pedagogische euritmie als vak, is dus vanaf het begin van de Waldorfschool (in Nederland de vrijeschool genoemd) ingezet als leerstof bij het ontplooien van het kind tot een vrij denkend mens die met 18 jaar (12e klas) de school verlaat. 

Een vak dat in het het leerplan naast gymnastiek een eigen leerroute heeft. Tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw, was dit heel vanzelfsprekend en werd het als een vast en gewaardeerd onderdeel van het leerplan ingezet. Helaas worden, sinds de toename van vrijescholen in de jaren ’80 de kwaliteiten die de pedagogische euritmie kinderen kan bieden, niet altijd begrepen door mensen van buiten de vrijeschool, of door hen die zich niet in het wezen van dit vak op de vrijeschool verdiept hebben en begrip hebben voor de wezenlijke kwaliteit ervan, zodat het de afgelopen jaren op veel vrijescholen ten prooi is gevallen aan bezuinigingen. Zoiets als een ‘versiering’ die niet direct zinvol lijkt voor het leren.

Deze scriptie wil dan ook een pleidooi zijn voor dit vak op de scholen en onderbouwen dat dit juist bijdraagt aan een gezonde denk-leerontwikkeling, naast dat het leerplan van de vrijeschool ‘al bewegende kunstzinnig’ verdiept wordt en ook de individuele en sociale-emotionele ontwikkeling van de leerling sterkt.

Euritmie is juist heel concreet in de oefeningen, maar – zoals elk vak op de vrijeschool zou moeten zijn – er ook een dat het kind ruimte geeft tussen zijn spirituele afkomst en de persoon die hij nu op aarde wil worden. Hierdoor lijkt de inhoud soms wat ongrijpbaar, maar die is wel degelijk werkzaam en heeft zoals gezegd ook zijn weerspiegeling op de andere vakken en het leren van het kind. [6]

Dit brengt ons bij de titel van deze scriptie:

1.2. Titel

HOE KAN DE ONTWIKKELING VAN HET KIND EN DE DAARMEE SAMENHANGENDE HERSENONTWIKKELING DOOR BEWEGING GESTIMULEERD WORDEN

– Welke oefeningen helpen het kind tijdens de euritmielessen tot een gezonde verhouding van de driedimensionaliteit in zijn gestalte te  komen, die ook ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van de hersenen en daarmee een bodem vormen voor het leren en denken.

Inleiding tot het onderwerp:

De ondertitel

Deze werpt de vraag op: Wat kan pedagogische euritmie als bewegingsvak betekenen voor een gezonde ontwikkeling van het kind en vervolgens ook voor de ontwikkeling van zijn denken als ondersteuning bij het leren?

Kader

De focus van dit werk ligt op de ‘hersenontwikkeling’ van kinderen van nul tot en met de wisseling van het melkgebit (0-7 jaar) [7], ook wel de ‘periode van de eerste zeven jaar’ genoemd en hoe deze zich verder kan ontwikkelen in de tweede ‘periode van zeven jaar’(van 7-12 jaar), als het kind ‘leerrijp is’.
In Nederland gaat het op de vrijeschool om klas 1 t/m 6, ook wel de onderbouw genoemd, waar de middelbare school ‘bovenbouw’ genoemd wordt), of groep 3 t/m 8 in het reguliere onderwijs).
Op de vrijeschool begint het feitelijke leren pas vanaf klas 1 (groep 3) als het kind rijp is voor
het abstracte leren van de leerstof van taal, rekenen en vreemde talen. Daarvoor is de leerstof gericht op een gezonde ontwikkeling, met spel, bewegings- en kringspelen die met ambachtelijke bewegingsvaardigheden samenhangen en het kind in zijn wil, gevoel en begripsvorming van de wereld om hem heen aanspreken d.m.v. de zintuigen!

Toelichting op de titel en ondertitel

Bij de titel wordt uitgegaan van een gezonde ontwikkeling en een gezond denkvermogen van het kind. Als de ontwikkeling stagneert, ontstaan er ook problemen in het rijpingsproces met het mogelijk ontstaan van leer- en gedragsproblemen. [8]
Een cruciaal moment is de overgang van de kleuterschool naar het eerste leerjaar (klas 1). Daar gaat de ontwikkeling van het jonge kind dat nu ‘klaar is voor school’ (schoolrijp) aan vooraf: heeft het kind genoeg  

[6]  Steiner, Rudolf. De opvoeding van het kind blz. 10). Vert. uit GA 34, blz. 309 e.v.
[7]  Over de zevenjaarsperioden: Steiner, Rudolf. Idem 7-22.
Schoorel, Edmond. De eerste zevenjaar– kinderfysiologie. Uitgeverij Christofoor-Zeist. 2014. (p. 19  32).
[8] Nunen, Peter van Van kind tot volwassenen: De rol van de neurologische en effecten van neurologische rijpingsachterstand. (2 -1-2010) (www.epi-groep.nl/wp/wp-content/uloads/rijping_1_2art.pdf.). (p. 10). 15-7-2017

2

motorische en fijn-motorische, maar ook sociaal- emotionele vaardigheden ontwikkeld om te kunnen gaan leren? [9] Als er stagnatie optreedt, kunnen de fysieke ontwikkeling van het kind en zijn cognitieve ontwikkeling niet meer parallel lopen – dan is hulp nodig.

Soms loopt de ontwikkeling van een kind cognitief vooruit op zijn leeftijd, maar blijven andere vaardigheden op motorische of sociaal-emotionele ontwikkeling achter. Soms heeft een vroegrijp kind later behoefte om ‘even pas op de plaats’ te maken, omdat het soms nog te ‘jong’ is voor een volgende fase. Zo heeft elk kind zijn eigen unieke ‘leerroute’ binnen wat een school kan bieden.

De auteurs van de boeken die in dit werk worden besproken, hebben voor kinderen met een hulpvraag materiaal en kennis verzameld om hen weer op het goede spoor te helpen in hun ontwikkeling. Door verdieping in deze boeken kunnen inzichten gevonden worden die nodig zijn om de pedagogische euritmie te onderbouwen.
Het boek ‘Dyslexie en touwtjespringen’ van Marijke van Vuure vormt voor dit werk een soort springplank voor het idee dat een bewegingsvak als euritmie niet alleen voor het kind mogelijkheden kan bieden om de neurologische, sensomotorische ontwikkeling te ondersteunen, maar ook het denken (en de daarmee samenhangende cognitieve ontwikkeling) te stimuleren.

‘The extra lesson’ van Audrey McAllen biedt voor Remedial-teaching (RT) praktische oefeningen om kinderen met een hulpvraag in hun leren of ontwikkeling te ondersteunen. Wat kunnen ze daarin voor de euritmie betekenen?

Doel

Het doel van de voorliggende scriptie is: het onderwerp verdiepen als inhoudelijke verrijking en reflectie op het lesgeven als euritmiedocent. De vraag is: welke oefeningen worden al gebruikt in de euritmielessen om de ontwikkeling van het kind te ondersteunen en hoe helpen de inzichten – verkregen uit de boeken en wat over de euritmie als pedagogisch vak door Rudolf Steiner gezegd is [14] en zijn essay over ‘De opvoeding van het kind’. [6]

De opgedane inzichten ondersteunen de onderliggende vraag: wat is de rol van de pedagogische euritmie in relatie tot de ontwikkeling van het kind? Hoe kan het onderwerp van deze scriptie de betekenis van de pedagogische euritmie op de vrijescholen in Nederland ondersteunen.

De titel van deze scriptie is dan ook zo gekozen dat dit het vak pedagogische euritmie zichtbaar wil maken als een actueel vak, een vak dat ook voor de toekomst in de vrijeschool van grote waarde zal kunnen zijn en niet iets wat ‘uit de tijd’ of onnodig ‘extra’ is op leergebied.

Ook biedt de scriptie niet alleen scholen en organisaties en de leerkrachten, maar ook de ouders, pedagogie- en euritmiestudenten en euritmisten inzicht in wat het kind door dit vak kan leren.

De eigen inzichten en ervaringen (als leerkracht en euritmiedocent) mogen naast de verdieping van het onderzoeksmateriaal duidelijk maken wat een prachtig vak dit is en wat je de kinderen op hun weg daarin kan meegeven!

Ik hoop dan ook dat deze scriptie de pedagogische euritmie als vak verduidelijkt in zijn mogelijkheid voor de ontwikkeling van het kind in het algemeen en de ontwikkeling die het denken stimuleert, als hulp bij de leerweg van het kind, in het bijzonder.

Deze scriptie wil het belang van het vak pedagogische euritmie op de vrijeschool onderstrepen als een zeer essentieel vak voor de kwaliteit en identiteit van een vrijeschool. 

1.3. Onderzoeksmateriaal als uitgangspunt voor deze scriptie

Voor deze onderzoeken heb ik twee boeken gebruikt als leidraad om het onderwerp te verdiepen. De inzichten daarvan worden in het werk besproken, gereflecteerd en toegepast op de vrijeschool en de pedagogische euritmie.

[9] McAllen, Audrey. De extra les: “Rond het zevende jaar […] beschikking moeten staan” (Vertaald: McAllen 2004, p. 31).
[10] Steiner, Rudolf GA 202/202   Niet vertaald

3

Boek 1: Marijke van Vuure: ” Dyslexie en touwtje springen” (Akasha, Uitgave (3) 2013). -Een praktisch boek voor ouders van kinderen die lezen lastig vinden.[11]

Boek 2: Audrey McAllen: “De extra les” – Bewegings-, teken- en schilderoefeningen. – Mogelijkheden voor ondersteuning van kinderen met leer- en ontwikkelingsproblemen. Uitgeverij Christofoor Zeist 2004.

Bovenstaande boeken vormen de basis van mijn onderzoek, naast de literatuur in de voetnoten genoemd.

De inzichten voortvloeiend uit de boeken en voordrachten, worden in dit werk besproken, gereflecteerd en toegepast op de vrijeschool en de pedagogische euritmie, aangevuld met mijn eigen ervaringen met pedagogische euritmie over een periode van meer dan tien jaar en meer dan 25 jaar als leerkracht. 

 

Verder onderzoeksmateriaal:

1) De nodige achtergrondinformatie over de verschillende onderwerpen en de bronnen zijn in de voetnoten te vinden en worden in de literatuur- en websitelijst als verwijzingen genoemd.
Het betreft hier verwijzingen over de ontwikkeling van de hersenen, neurologische en motorische ontwikkeling, reflexen en zintuigen.
2) De genoemde voordrachten van Rudolf Steiner, waarin hij aanwijzingen geeft over pedagogie en menskunde zouden echter als materiaal nog verder verdiept kunnen worden.

[11] Zie hoofdstuk 4, 5 en bijlage 1.
[12] Zie hoofdstuk 6, 7 en bijlage 2.
[13] Gebruikt werd de Nederlandse vertaling “De extra les” (McAllen 2004, p. ).

4

Inhoudsopgave van de scriptie (nog niet oproepbaar)

[14] Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Euritmie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: klankfiguren

.

3418-3216

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie – Achtergronden en leerplan

.
Philia de Vries

.

EURITMIE
.

Teksten voor schoolgidsen en begeleidend vakinhoudelijk per klas

Deel 1) Achtergrond informatie euritmie als kunst en vak op de vrijeschool

Deel 2) Korte tekst euritmie als vak op de vrijeschool

Deel 3) Klassen 1 t/m 6 toelichting op de behandelde stof per leerjaar

Deel 1

Euritmie als kunst:

Euritmie is een bewegingskunst die in het begin van de vorige eeuw ontwikkeld is door Rudolf Steiner en begeleid werd door Marie Steiner- von Sivers. Terugziend op de oorsprong van de dans, die in oude tijden uitdrukking was van de tempelwijsheden, zocht Rudolf Steiner naar een nieuwe vorm en sloot daarbij aan bij verschillende impulsen in zijn tijd die de oorspronkelijk dans weer probeerde te herontdekken.

Steiner vroeg zich af of je de wezenlijke boodschap die in de taal leeft, zowel in de poëzie als in het proza zichtbaar kon maken d.m.v. bewegingskunst.
Marie Steiner was van beroep voordrachtkunstenares en toneelspeelster en werkte Steiners ideeën vanaf 1913 met de studenten uit, waarbij hij naast algemene basisvaardigheden ook altijd keek naar de individuele uitdrukking van de euritmisten die hij kunstzinnig verwerkte in de vormen en aanwijzingen. Later kwam daar de muziek als uitdrukkingsmiddel bij.

Euritmie wordt veelal beschreven als zichtbare taal en muziek, maar net als in een muziekstuk waar motieven en pauzes essentieel zijn, wil de euritmie juist zichtbaar maken wat ‘er tussen’ wil klinken. Zoals een musicus naar de wetmatigheden in de muziek luistert en deze met zijn instrument en kunnen probeert te vertolken, zo werkt de euritmist ook, met dit verschil, dat zijn beweging zijn instrument is. In de vertolking van een tekst of muziekstuk is de euritmist vooral kunstenaar: Hij schept (door zijn keuzes en zijn vaardigheid) wat hoorbaar en zichtbaar wil worden in de tekst of het muziekstuk opnieuw tot leven, door het proces dat hij er mee aangegaan is!

Ritme pulseert zowel in de taal als in de muziek; het spoort ons aan, of brengt ons tot rust.
Een basisritme, die we ook in onze ademhaling terug vinden is: “ik open me” , “ik ontvang”:
De naam euritmie brengt dit tot uiting: ‘eu rhythmos’ wat betekent ‘goed (harmonisch) ritme’.

Door het beoefenen van euritmie worden de vitaliteitskrachten in ons aangesproken, zij werkt tevens diep op ons organisme door en kan ook therapeutisch ingezet wordt. Maar vooral is euritmie een oefenweg, waar onze levensimpulsen innerlijk bewogen kunnen worden. Het behoed ons tegen verstarring en verharding, zowel lichamelijk, in ons innerlijk en in ons denken.

Wat is dan het wezenlijke verschil met andere dans/bewegingskunsten in deze tijd?
We kennen er momenteel heel veel en hun vaardigheid grenst vaak aan het ongelooflijke. Het verschil met euritmie is, kan je een beweging innerlijk van binnenuit vormgeven, kan je ziel erin mee spreken en ook de gedachte-impuls die in een tekst of muziekstuk leeft, als bron zichtbaar maken? De kunstenaar is instrument, niet alleen danser.

Euritmie als pedagogisch vak

Rudolf Steiner wilde graag bij de opzet van de eerste Waldorfschool (vrijeschool) in Stuttgart (in 1919), dat er naast gymnastiek, ook de euritmie ingezet werd als bewegingsvak: naast fysieke vaardigheden vond hij het ook van belang dat de ‘innerlijke bewegelijkheid’ beoefend zou worden.

Het zou de opgroeiende mens zijn vrijheid in zelfstandig denken en handelen ondersteunen.

En in sociale context: De leerling maakt deel uit van een groter geheel, waaraan ieder als individu zijn specifieke bijdrage levert.

Euritmie werd tevens door Rudolf Steiner als vak ingezet om alle andere vakken in het vrijeschoolonderwijs te omvatten: dat de totale mens hier vaardig en kunstzinnig aangesproken wordt en zo het vrijeschoolonderwijs al doende opgenomen en verteerd kan worden, om tot eigen vermogens te groeien.

Inhoud van deze lessen zijn teksten, poëzie of muziek die aansluiten bij de leeftijd en onderwijsstof van het leerplan. Het musische van tekst en muziek komt a.h.w. van buiten ons, daar klinkt het, maar vormt daarmee ‘in-boetserend als kwaliteiten’ ons innerlijk.

– De taal in de euritmielessen wordt hoorbaar en zichtbaar door klankgebaren, die bij de klinkers en medeklinkers horen en een verlengde zijn van de beweging die in het klein zich in ons strottenhoofd afspeelt. De structuur van een gedicht of tekst wordt duidelijk aan de vormbeweging die de kinderen ruimtelijk lopen. Hoe loop je een vorm? Loop je hem alleen, met elkaar, is de vorm recht, rond, gebogen, zijn de voeten licht of zwaar, snel of langzaam?

– De muziek behandeld o.m. ritme, toonhoogte, majeur/mineur, melodische thema’s enzo, maar ondersteunt ook de concentratie- of ruimteoefeningen, om het juiste ritme te voelen of de kwaliteit van de vorm.

– De concentratie- en coördinatie-oefeningen zijn in eerste instantie op het kind zelf gericht, maar kunnen uitgebreid worden als oefening in het sociale. Ze vragen van het kind vaardigheden t.o.v. de eigen gestalte: kunnen onze armen en benen dit uitvoeren, kan je ze ook tegelijkertijd verschillende bewegingen of ritme laten oefenen? In het sociale kan dit betekenen afwisseling in groepen of in canon.

– Extra is het oefenen met verschillend materiaal, zoals koperen staven
(koperen) balletjes, doekjes, houten stokjes, stokken in oefeningen zowel dichtbij de gestalte van het kind, of in het doorgeven en bewegen met anderen.

Rudolf Steiner wees tevens de leerkrachten op het belang, om alle lesstof zo aan te bieden dat de kinderen tijdens de les kunnen “inademen” (= opnemen) of uitademen (= loslaten, ontspannen).

Het is het basisritme van het leven; worden en weer loslaten, zodat er een nieuwe kiem kan ontstaan.

In een vak als euritmie is dit een zeer belangrijk basisprincipe in de les: waar ben je meer gecentreerd, waar ben je open voor je omgeving en kan je daarin je eigenzijn mee laten stromen, zonder je eigenheid op te geven?

Euritmie vraagt als vak dan ook een grote innerlijke activiteit:

Het invoelend luisteren naar taal of muziek en deze in gebaar en beweging uit te drukken, vraagt om initiatiefkracht om deze indrukken telkens opnieuw ‘al bewegend bewust uit te voeren’.

Het is niet dan ook niet voor alle leerlingen een vanzelfsprekend vak om te beoefenen: hoe zit je in vel en in je lijf, waar is je focus, hoe beweeg je alleen of met anderen? Het is zelfs confronterend soms, maar door het aanbod van speels oefenen kan het kind de eigen vaardigheden scholen en vergroten en die overwinning geeft het kind meer zelfvertrouwen in zijn eigen kunnen. Soms kan je van dit vak in eerste instantie zelfs best moe worden, maar door oefening en plezier je uiteindelijk fitter voelen: Er ontstaat a.h.w. een “innerlijke wakkerheid”, die het doen draagt!

De ontwikkeling van de motoriek als basis voor een vrij denken

In deze tijd is het een gangbaar gedachtegoed, dat je door oefeningen zowel aan het welbevinden van het kind, als aan zijn leermogelijkheden kan bijdragen. Rudolf Steiner wees indertijd al de leerkrachten en m.n. de kleuterleidsters op het belang van de ontwikkeling van de grove én fijne motoriek, die tot in het doorvormen van de hersenen zijn weerslag heeft. Daarom stonden er naast schilderen en boetseren, vanzelfsprekend ook vakken als handwerken en handarbeid voor zowel jongens als meisjes (voor die tijd zeer vooruitstrevend!) in het curriculum.

Hij wist dat de vorming van onze hersenen van groot belang zijn voor zowel het goed kunnen verwerken van het leerproces, als voor de autonomie van de mens door middel van zijn denken.

Voor de euritmielessen geldt: de afwisseling van grove en fijne motoriek wordt m.n. bij het jonge kind sterk geoefend: het jonge kind is van zich uit een en al wil tot bewegen: de oefeningen werken op de wil die naar binnen verinnerlijkt wordt.
Vanaf het 10e jaar gaat het kind meer vanuit zijn denken aan het werk en ligt het accent en de differentiatie op de sociale oefeningen; het ik-wereldvlak: de waarneming van zowel de eigen beweging als die van de ander en hoe die als vorm en beweging corresponderen, schoolt het waarnemingsvermogen van de kinderen en daarmee hun denkprocessen.

De euritmie begeleidt de leerling door de hele schooltijd (officieel vanaf de peuter/kleuterklas t/m klas 12) heen, steeds met oefeningen harmoniserend inwerkend op de ontwikkelingsfasen. Als vak legt het daarmee naast een individueel en sociaal welbevinden a.h.w. kiemen voor innerlijke beweeglijkheid en fantasie- en  initiatiefkrachten en denkvermogen, die het kind in het latere leven verder tot ontwikkeling kan brengen. 

Deel 2

Korte tekst voor vakles, begeleidende tekst van de getuigschriften:

Het vak euritmie:

Euritmie wordt op de vrijeschool als extra bewegingsvak ingezet:

Het gaat hier om de “innerlijke aanzet van de beweging”

De leerstof omvat coördinatie-, concentratie- en sociale vaardigheidsoefeningen, die het individuele kind in zijn sociale context versterken. De oefeningen werken door op de hersenvorming, die het algemene leerproces ondersteunen: door de waarneming van de bewegingen en vormen die het kind in de lessen doet, wordt het denken geschoold, wat nodig is om de leerstof met inzicht te kunnen begrijpen. Maar ook zijn wil wordt aangespoord en zijn gevoel. Het proces door de leerjaren heen, gaat hand in hand met de les- en ontwikkelingsstof van het betreffende leerjaar.

In de euritmielessen ondersteunen muziek en taal op een kunstzinnige wijze het proces in de les.
Tevens wordt er ook gebruik gemaakt van verschillende materialen om te oefenen.
Het vak biedt de leerling de mogelijkheid de aangeboden lesstof uit alle lessen, tot in de wil en het denken, kunstzinnig te verwerken en eigen te maken, zodat het kind deze kan verbinden met zijn eigen innerlijke kwaliteiten.

Dit sluit aan bij de basisgedachte van het vrijeschoolonderwijs, dat het kind zijn eigen kwaliteiten meebrengt en die in het leven schoolt tot vaardigheden van zijn opgave.

Deel 3

1e klas:

In de 1e klas worden, aansluitend op de sprookjes als vertelstof, verschillende verhalen uitgewerkt, d.m.v. spel en tekst. Muzikale intermezzo’s geven extra uitdagingen in de bewegingen en omlijsten de sfeer van het sprookje of verhaal. De kinderen zijn hier een aantal weken tot een trimester mee bezig, waarin het verhaal steeds verder uitgewerkt wordt met extra oefeningen, zodat er in de vertrouwde context van het verhaal nieuwe uitdagingen ontstaan in  bewegingsspel en proces. Dit biedt het kind de mogelijkheid, binnen de context van de groep, zijn eigen vaardigheden te ontwikkelen en vanuit vertrouwen in zijn eigen kunnen, deze te integreren.

2e Klas:

De vertelstof in de 2e klas bestaat uit fabels en heiligenlegenden. Enkele daarvan worden in de euritmielessen uitgewerkt met teksten en muziek, waarin oefeningen verwerkt zijn. Veel oefeningen hebben betrekking op de dualiteit zoals we die ook in de fabels terug vinden: de een loopt een vorm, de ander een andere en samen wordt er ‘bewogen’. Extremen in de rollen van de fabel(dieren) en verhalen komen terug in de kwaliteiten van zwaar/licht, hard/zacht, hoog/laag, maar ook in het versnellen/verlangzamen. In het samen oefenen aan bijvoorbeeld een dansje zijn dit vrolijke oefeningrediënten: al deze contrasten in de bewegingen, taal en muziek ondersteunen en versterken het plezier om zowel de eigen als de klassikale vaardigheden in de bewegingen eigen te maken. De 2e-klasser gaat er vol in op!
Een kroon op deze extremen is, als de inzet van ieder met die van de hele klas samen gaat stromen. Deze nieuwe kwaliteit vinden we terug in de heiligenlegenden, waar eenzijdigheid wordt overwonnen en de handelingen ten dienste komen van de gemeenschap. De vitaliteit van het aanvankelijke dualisme waarin de 2e-klasser uit de sprookjessfeer van de 1e klas valt, krijgt nu een innerlijke impuls, die het kind zich ‘al bewegend” eigen mag maken.

Klas 3

In de 3e klas staan de “ambachten” als periodestof en “Het Oude Testament” als vertelstof centraal.

De ambachten lenen zich uitstekend om de ambachtsgebaren/bewegingen te oefenen: Hoe gaat een zeis, of slaat de smid zijn hamer op het aambeeld? Het zijn oergebaren die het menselijk handelen uitdrukken in zijn verbinding met het bewerken van de aarde. De ambachtsman en m’n de boer (boerderijperioden) weet dat hij tevens met de vier elementen van doen heeft. Hoe beweeg je die kwaliteiten, die immers ook deel uitmaken van ons zijn: vastheid, water, vuur en lucht

De 3e-klasser wordt aardeburger: het zwervende Joodse volk vind onder Jaweh het beloofde land. Dit zijn beelden voor het kind rond het 9e jaar: met zijn wilsleven land hij op aarde en zijn denken staat nog onder de glans van zijn hemelse herkomst.

Zijn gestalte weet nu dat er een links, rechts, voor, achter, boven en onder is. Deze ruimte-positie-coördinatie is essentieel voor het kind om zichzelf goed geplaatst in de wereld te ervaren. Coördinatie-oefeningen zorgen dat de harmonie in de gestalte geoefend wordt en het kind zijn “ik” in zichzelf kan ervaren, ook t.o.v. de groep om hem heen.

In de lessen oefenen we daarom zowel aan grote groepsbewegingen met elkaar,  maar ook voor het eerst in kleine groepjes. Hiervoor gebruiken we m.n. de driehoek: de 3-hoek leent zich voor het beeld van de 3e-klasser die zich vanuit zijn hoofd verbonden weet met zijn voeten. Wanneer twee driehoeken tegenovergesteld in elkaar grijpen, ontstaat de 6-ster die past bij het Joodse volk, maar ook bij de mens die vanuit zijn ik zowel naar zijn hemelse herkomst kan grijpen, als naar zijn verbinding met de aarde en in zichzelf het punt beleeft waar deze samen komen.

4e klas

Vertelstof in de 4e klas is de Edda, de oorspronkelijke taalvorm daarvan de stafrijm. Het is een grillige vorm, die de uitdaging vormt om innerlijk gegrepen te worden m.n. als deze met een stamp, een stok of klankgebaar krachtig uitgevoerd wordt. Het past bij de 4e-klasser, die in zijn eigenheid en kracht komt te staan t.o.v. de wereld om hem heen. In de Edda gaat de oude godenwereld ten onder en een nieuwe gloort aan de horizon: het begin van de ochtendspreuk verandert van “Het lieve licht der zon….” (t/m 3e klas) naar: ‘Ik zie rond in de wereld…”

Het is een enorme stap de wereld in en tevens naar de wereld in jezelf. Om dit te ondersteunen, worden er in de euritmielessen verschillende oefeningen gedaan waar de 4e-klasser aan kan oefenen om de wereld van zich uit stevig te leren betreden.
Voorbeelden zijn de 4 windrichtingen: hoe vind je die in de ruimte om je heen terug, waar zijn ze als je met je rug naar het noorden gaat staan? Hoe beweeg je je als je frontaal een vorm loopt i.p.v. je neus na?
Het plaatst het kind in een voor/achter- en links/rechtsvlak, die vanuit de positie van het kind  elkaar kruisen en een + vormen. De lijnen eromheen vormen het vierkant of de cirkel. De eigenpositie weerspiegelt hier het ik en de ruimteverhouding: het wakkere bewustzijn wordt aangesproken, maar ook het perspectief verandert, want hoe ziet dezelfde vorm er vanuit de verschillende zijden van een vierkant uit? Dat is een nieuwe ervaring!

Om het innerlijk ik-standpunt te versterken op deze leeftijd, wordt het buiten/ binnen als innerlijk aspect (zoals we dat in de muziek in majeur en mineur kennen), in de vormen geoefend,  Daarbij hoort ook het gaan leren differentiëren van het geheel naar de delen, zoals dit in de breuken behandeld wordt. We doen dit vanuit de 4/4 maat in de muziek met hele, halve, kwart en achtsten noten, een verdeling die terugwijst op onze verhouding hart- en polsslag van 1:4 die rond deze leeftijd voor het verdere leven stabiel wordt.

De 4e-klasser gaat nu ook zelfstandig aan het werk: Er volgen kleine groepsopdrachten, zoals een vorm te bedenken die bij de tekst of een muziekje past. Daarmee wordt tevens ook een appel gedaan op het zelfstandig leren beheersen van een oefening.

5e klas

In de 5e klas staan naast de Griekse vertelstof ook de oude cultuurperioden centraal. Verschillende teksten uit die tijden worden geoefend, om de verhouding mens-goden uit die tijden te kunnen ervaren, maar is ook een beeld voor de eigen innerlijke ontwikkeling die het kind maakt in zijn ontwikkeling naar een zelfstandig denkend mens.

De lesstof in de 5e klas is gericht op het meer verinnerlijken van het denken, voelen en willen.

Naast inhoud, is ritme een middel om dit te versterken: de interesse naar buiten pulseert terug in een innerlijk naklinken. In de Griekse vertelritmen van hun sagen, vinden we deze als basis terug: de Griek wil de wereld gaan begrijpen. Het waarom, duikt op in de filosofie. Het verinnerlijken hangt samen met het in- en uitademen en de harmonie daarin. De spraak beweegt zich op een bewogen luchtstroom.

Het ritme van de Griekse Homerusvertelling, de hexamete, is de basis voor het oefenen aan de verschillende ritmen in de lessen. Het ‘kort-lang’ als stimulerend ritme “de mens die vraagt aan de goden” en het ‘lang-kort’ als het ritme dat tot rust brengt “de boodschap van de goden die ontvangen wordt”. We oefenen o.m. een tempeldans waar men zich indertijd d.m.v. het ritme opwarmde om te gaan strijden, de “Energiedans’ en bij terugkomst in de “Vredesdans” de op strijd gerichte energie kon omvormen om weer aan het (boeren)werk te kunnen! Door beide ritmen te beoefenen, kan een innerlijke balans ontstaan, die harmoniseert. Niet alleen bij de Grieken, maar tot in onze tijd liggen deze ritmen in verschillende vormen aan de basis van vele gedichten in onze taal en ook in de muziek vinden we haar terug. Het is het muzische element dat hier spreekt, de taal die in ons weerklinkt en door de Grieken ook de Muze werd genoemd die inspireerde.

De behoefte van de Grieken aan harmonie, vinden we ook als ideaal terug in de bouw van hun tempels (volgens het principe van de gulden snede), maar ook in hun interesse voor de harmonie van het lichaam in kunst en sport: de gulden snede zoals we die kennen in de pentagon (5-hoek) en pentagram (5-ster) is tevens terug te vinden in de wetmatigheid van de gestalte; de verhouding hoofd, armen en benen. Kijkend naar de gestalte van de 5e-klasser zou je kunnen zeggen dat rond deze leeftijd er een overeenkomst is tussen het ideaal van de Grieken en de gestalte van het 11-jarige kind, alvorens deze gaat uitgroeien in de puberteit. De kinderen maken zich deze wetmatigheden eigen door ruimtelijk op verschillende wijze deze vormprincipes te vormen en te lopen.

Een extra uitdaging in de 5e klas is het werken met koperen staven: de oefeningen zijn enerzijds gericht op concentratie, coördinatie en balans t.o.v. de eigen gestalte, maar de staaf is ook een voorwerp om met anderen d.m.v. doorgeven, werpen en vangen in speelse vaardigheid te komen. Ook hier geven de ritmen de impuls: de korte is bij de gestalte, de lange is de worp, zoals dit ook in de vijfkamp bij de Grieken terug te vinden is.

Een prachtig voorbeeld waarin het ideaal, de vaardigheid en schoonheid van de beweging en de gestalte te ervaren is, is de sculptuur, waarin de elegantie van een voetstap uitgebeeld wordt: de driedelige stap, van loslaten, dragen en plaatsen, waarin ons willen, denken en voelen gespiegeld wordt, is het beeld van de mens die de aarde vanuit zijn bewustzijn betreedt: de Griek wist zijn gestalte te richten naar het doel, deze te bezielen, ook in het denken! Het innerlijke in het kind die deze schoonheid ervaart, kan zo in zichzelf een bodem vinden, waarnaar het altijd weer kan terugkeren als ideaal.

6e klas

Romeinen, expansiedrift en het verkennen van andere landen, het past bij de uitgroeiende 6e-klasser. De lengte, de armen en benen worden zichtbaar langer: je moet opnieuw een verbinding krijgen met dit uit zijn voegen groeiende lijf.
In de euritmie worden hiervoor concentratie- en coördinatie-oefeningen ingezet. Grote groeps- en meetkundige vormen helpen de 6e-klasser (die zich soms wat onhandig voelt), te ervaren dat ze deelgenoot zijn van een grote stroom. In die vormen zitten wetmatigheden die het denken aanzetten tot overzicht en inzicht. Er wordt zowel gewerkt met staven en stokken, om de eigen- en groepsvaardigheden verder uit te dagen! Sommige klassen werken in groepjes aan een eigen gedicht of muziekstukje. Andere klassen aan een gezamenlijke productie.

.

Euritmie: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Leerplan: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3368-3167

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie in de kleuterklassen

.

Philia de Vries
.

Euritmie in de kleuterklassen

Als euritmiedocente geef ik alle klassen op school euritmieles.
Het komende jaar zal ik in de schoolkrant in een aantal artikelen toelichten, wat er zo bijzonder aan dit vak is.
Welke menskundige aspecten uit het leerplan worden hier in dit bewegingsvak geoefend en hoe ondersteunen die daarmee de processen van het kind in zijn ontwikkeling enerzijds en anderzijds ook in zijn leerproces bij de aangeboden leerstof en periode-inhoud?

In dit artikel ga ik jullie vertellen hoe dit in de kleuterklassen vorm krijgt en wat de euritmie in deze lessen voor de kleuters kan betekenen.
Een aantal ouders zijn hier al mee bekend door de open lessen die zij in eerdere jaren hebben kunnen bijwonen.

Het ophalen van de kinderen in de klassen en hoe we de les beginnen

De vier kleuterklassen bij ons op school hebben verdeeld op donderdag- of vrijdagochtend elk een half uur euritmieles.
Ik haal de kinderen op in de klassen, waar ze hun euritmieschoentjes meestal al aan hebben.
Soms zitten de kinderen klaar, soms zijn ze nog aan het knutselen.
We stemmen ons af en langzamerhand vormt zich een rij, waarbij voor drie klassen geldt, “met twee enthousiaste hulpjes voorop” die mij helpen de klapdeuren in de gang open te houden.
We zingen een lied dat bij het verhaal of seizoen hoort, terwijl we op weg gaan naar de zaal.
Meester Ward (onze pianist!) zit al in de zaal achter de piano en laat voorzichtig de begintoon horen, waarna we die overnemen en naar goede gewoonte, al vrolijk huppelend (en met onze armen in een geopend gebaar) de zaal binnen komen. Soms blijft er een nieuwe of wat zieke kleuter bedremmeld staan en wacht op zijn of haar juffie om aan te sluiten.
Al zingend vormen we onze kring, waarna achtereenvolgens de “zon”, meester Ward, de juffen en alle kinderen met onze voeten en armen worden begroet. Soms verstild ons lied tot een steeds kleiner wordende beweging, zoals bijvoorbeeld een klein klokje dat naast ons oor klingelt.

Vast ritueel in de lessen zijn drie stijgende kwinten aan het begin van het verhaal en drie dalende aan het einde.
Rudolf Steiner gaf drie aanwijzingen voor de kleutereuritmie waaronder deze kwint.
De kwint (dit is het interval van grondtoon naar de 5e toon erboven of eronder), zou voor het kind als een omhulling zijn tussen zijn eigen sfeer en die daarbuiten.
Het kwintgebaar bij de kleuters ziet er als volgt uit: De handen openen zich naar boven en eindigen als een open O rondom het hoofd. Wij noemen dit “de zon die gaat opkomen”!
Zelf ben ik deze gebaren steeds meer gaan beleven als het openen van een sfeer, waarin het verhaal kan klinken en ook weer afgesloten wordt. Het zien van al die armpjes die vol aandacht dit mee vormen, is vaak een wondermooi en ontroerend moment.
Terwijl wij dat doen, probeer ik ook om hen heen dat gebaar te leggen, zodat ze omhuld zijn in het meebewegen daarna: het gezamenlijk bewegen wordt dan welhaast tot één bewegingsgebaar.

Ieder kind zijn eigen weg

De kleuter beweegt nog sterk vanuit de nabootsing, zijn wil is daarop gericht.
Er zijn kinderen waarbij dat heel vanzelfsprekend is en voor anderen weer totaal niet. Ook vraagt het geheel een concentratieboog in het volgen van het verhaal en het meebewegen daarbij. Ieder kind stapt daar dan ook op zijn manier in. Voor het ene kind is alles wat we doen vanaf de eerste minuut vanzelfsprekend en stroomt met de gebaren en bewegingsoefeningen vol mee, voor de ander is de
kracht die ervan uitgaat te overdonderend en kijken ze eerst toe! Maar er zijn ook kinderen die lange tijd “innerlijk meebewegen” en daarbij gewoon meelopen in de stroom.
Het gaat erom dat het kind zich stukje bij beetje thuis gaat voelen in zijn eigen levens- en bewegingselement, ieder op zijn manier!
Daar gebeuren soms echt wonderen: Het ene kind sluit ineens met zijn armen bij een gebaar aan van wat hij vanuit zijn omgeving waarneemt, het andere kind begint ineens mee te huppen en vandaar uit mee te bewegen.
Er zijn ook kleuters die zo wegdromen in het verhaal, dat ze af en toe aangespoord moeten worden, door ze uit te nodigen mee te helpen bij een beweging. Anderen hebben last van te veel beweging en moeten eerst tot rust komen in de stroom.

Het moment waar het kind geheel instapt in de stroom en vol erbij is, is veelal een moment van gezamenlijke waarneming tussen de juffies. Na het verhaal zeggen we als juffies dan voorzichtig – zonder direct de naam te noemen- dat er vandaag weer een kindje was dat “getoverd” heeft. Het betreffende kind weet dit meestal zelf ook; alsof er iets “wakker geworden” is!
Dit ogenblik als juffen mee te maken is elke keer weer adembenemend mooi!

Door de euritmie leren omgaan met je eigen levenskrachten

In de eerste zeven jaar (na de geboorte) bouwt het kind zijn erfelijk lichaam om tot zijn eigen huis, tot in de organen toe!
Euritmie werkt op en met de levenskrachten van de mens. Met de gebaren en
bewegingen boetseert hij niet alleen de beeld-, klank- en ritme-wetmatigheden van de gesproken tekst of laat zich dragen door muzikale motieven, maar de gehele mens ademt a.h.w. mee.
Door het meevormen van de klankgebaren, boetseert het kind mee aan zijn eigen levenskrachten en ….(hierop duidde R. Steiner), kan het kind zijn eigen organen “doorlichten”.
Rudolf Steiner geeft aan dat de innerlijke souplesse in de kinderjaren hierdoor gevormd, het kind kan helpen in zijn verdere leven, zijn levensimpulsen door zijn lichaam – als instrument van zijn vermogens – beter te realiseren.
Tevens is belangrijk in de kleuterjaren, dat in alle processen van innerlijke groei, fantasie en  strekking van de romp en ledematen -naarmate het kind schoolrijp wordt- een zekere harmonie ontstaat. Voelt het kind zich thuis in zijn lichaam, kan het het gaan bewonen?
R. Steiner geeft aan dat rond de schoolrijpheid, de omvormingsprocessen van het eigen lichaam afgerond worden, waarbij meestal de tandenwisseling deze periode inluidt: Dezelfde levenskrachten zullen vanaf de basisschool voortaan ingezet gaan worden in de leerprocessen: Zo wordt op een ander niveau het opnemen van de wereld, omzetten en eigen maken, voortgezet!
Pedagogisch gezien werk je dus met de kinderen niet zomaar aan een verhaaltje, maar kijk je naar de klanken, gebaren of bewegingen, die vanuit het beeld passend, het kind gezond maken, d.w.z. kan het aansluiten bij zijn eigen levensstroom? Hoe help je het kind daarbij, dat het zich geplaatst voelt tussen waar zijn oorsprong ligt (het sterrenland) en zijn komst op aarde, waar we
“aan het werk gaan”.

De klankgebaren en -bewegingen in de euritmie zijn hierbij een hulp.
Elke klank heeft zijn kwaliteit: Hoe verschillend is een A t.o.v. een E.
In de euritmie is het A-gebaar openend, in de E kruisen de armen dit gebaar en komt dat wat zo geopend tegemoet getreden was, tot bewustzijn; de I wil zich daar weer uit oprichten, de O alles omvatten en de U brengt samen, enigszins streng, maar ook met warmte.

De medeklinkers zijn daarnaast meer vormend: De B omhult, “vormt voor het kind zijn huis”, zegt R.Steiner bijvoorbeeld.
Hoe verschillend kan je de B met het woord boom, berg, bos enzovoort vormen en verbinden!
De M tast, de D duidt, maar laat het tastende gebaar ergens heen ook
aankomen. L wil in beweging zijn, R wil rollen, de K, de T….
De klanken vertellen een verhaal op zich en het kind leert zich in deze kwaliteiten bewegen. Ze stimuleren zijn taal gevoel, in plasticiteit, maar ook in ordening en al bewegend (doende), maakt het kind zich dit met zijn wil, gevoel en waarneming eigen.
Euritmie is in feite boetseren in de lucht!
De taal om en door ons heen leren bewegen, maakt ook dat we groter of meer zijn dan een skelet met botjes, spieren, hersenen en allerlei mechanische processen. Die processen worden door onze levenskrachten doordrongen, en de euritmie kan helpen dat we daardoor in innerlijke harmonie komen met ons zelf
en onze processen.
Voor het kleine kind is het levensplezier en de warmte van de omgeving in de vorm van liefde en geborgenheid en een verzorgde omgeving voorwaarde zich met zijn omgeving te verbinden, het zet hem aan tot bewegen en wil om het te leren kennen. Bij de kleuter, ontstaan voor het eerst innerlijke beelden, die door fantasie groter, kleiner, veranderlijk in vorm gekleurd worden. Het concrete aan
vormen en gebeuren om het kind heen verinnerlijkt zich in een enorme beeldenrijkdom, die het met eenvoudige middelen uitbouwt door al spelende deze verder te ontwikkelen. Het oefent hiermee zowel zijn fysieke grenzen, als die aan zijn denken ontwikkelende fantasie.
Met de euritmie, zetten we deze processen voort en stimuleren het kind in zijn bewegings- en levensgevoel. Hierdoor ontstaat er een innerlijk evenwicht dat hem sterk maakt.

Kan het straks die levensenergie als het schoolrijp is inzetten in zijn leerprocessen? Dit onderzoeken, aftasten van het kleine kind, helpen hem de brug te slaan tussen zijn eigen innerlijk zijn en de wereld waarin het leeft!
Van de volwassene vraagt dit vooralsnog, om een wereld om hem heen te creëren, die veiligheid biedt tot nabootsen. Vreugde en plezier en hier en daar wat ernst, zijn de benodigde “kruiden” daarbij.

Het ge-euritmiseerde verhaal

Zo zijn ook de verhaaltjes op gebouwd die we doen met de kleuters. Plezier aan de bewegingen en de tekst staan voorop. Spreken de beelden en de daarbij gevormde klanken de fantasie aan van het kind, kan het zich daarin bewegen?
In de 1e klas worden de bewogen klanken tot klankletter en komt de geschreven taal tot leven en het bewogen ritmegevoel richt zich op het rekenen.
De structuur van het “bewogen verhaal” is zo opgebouwd, dat er steeds een “eilandje” is waarin een beeld of handeling wordt verteld met de klankgebaren, dan bewegen we ons langs de kring met een toepasselijke beweging zoals, huppelen, springen, sluipen enz. naar het volgende beeld.
Ook het ademen van de kring in het naar elkaar toegaan en weer wijder worden van de kring gaf R. Steiner aan als belangrijk element voor de kleuters en voor de euritmie in het algemeen als oefening.
Mooie gebaren wisselen af met grapjes, zoals bij het verhaal van Hansje Stoffel, een sprong met A van Hansje en een T op het hoofd bij Stoffel.. Hier zijn de kleuters soms vaardiger dan je denkt! Ze gieren het soms uit van de pret en het helpt ze tevens “wakker” te worden, want voor je het weet is zo’n moment al voorbij. Zulke gebaren te herhalen is dan behalve leuk, zinvol tegelijk!
Een sprookje is een beeld, maar samen een sprookje of verhaal opbouwen of uitbouwen heeft zijn eigen kwaliteit.
Zo hebben we Olle’s skitocht of Repelsteeltje steeds verder uitgebouwd en konden zelfs de jongere kinderen goed mee komen en een half uur meebewegen, door de boeiende bewegingsafwisseling!

Repeterende verhalen (zoals bakersprookjes), zijn ook heerlijk!
Het verhaal wordt afgesloten met de zon die ondergaat, de maan aan de hemel, en de sterren, waarvan bijvoorbeeld een sterretje bij ons hartje naar binnen gaat, gevolgd door de drie kwinten.

Het uit laten klinken van het verhaal d.m.v. spel en het afsluiten van de les

R. Steiner gaf bij voorstellingen aan dat na een ernstig deel voor de pauze, een meer humoresk gedeelte, gezond zou werken op de toeschouwer.
Dat idee heb ik ook bij de kleuters.
Na onze afsluitende kwinten gaan we zitten.
En met de muziek verdiepen we nog eens een aspect uit het verhaal, hoe loopt de slak, hoe danst de trol. Hier kan het verhaal “uitklinken” en verinnerlijkt worden. Als het dan tot rust is gekomen pakken we onze handen vast en verlaten al zingend in optocht de zaal terug naar de klas.

Alleen de kleuterklas die dicht bij de zaal zit, heeft de kunst afgekeken van de onderbouwklassen.
Ooit sloot ik af met de nu 5e klas. Bij het handen geven, sprongen ze ineens! Vanaf die dag zit ik er bij de kleuterklas bij de zaal aan vast, dat de kinderen springend de zaal verlaten! Op zich een prachtig gegeven, hoe licht kan je jezelf maken en tevens ook weer goed landen!

De euritmie als leermiddel en het kind als inspiratiebron voor de lesvorm en inhoud

Euritmie wordt ook wel eens “zielengymnastiek” genoemd.
De gebaren en bewegingen die we met de kinderen doen zijn een hulpmiddel om de bewegingsvaardigheden ook innerlijk te doordringen, tot innerlijke vaardigheden. We willen voor de kleuter een harmonie creëren, waarin het kind zich een met de wereld en zich zelf ervaart.
Het steeds weer vinden van balans blijft in ieders leven een proces dat bij ontwikkeling hoort.
Voor de kleuter geldt, dat het zich straks gaat openen voor andere leerprocessen. Hoe meer het het kind gelukt is om zijn gestalte goed om te vormen tot zijn eigen huis, hoe beter het de nieuwe leerprocessen aan kan gaan. Het heeft a.h.w. zijn aandacht vrij om dit op te nemen en eigen te maken. Ieder kind gaat daarin geheel zijn eigen proces.
Voor de gehele vrijeschoolpedagogiek geldt in principe, dat de kinderen zelf de inspiratiebron zijn bij hoe we de leerstof aanbieden. Ik luister wat nodig is en zet dat om naar mijn vermogens, de kinderen pakken op wat voor hen wezenlijk is. Zo is elk verhaal dan ook elke keer weer een beetje anders in de klanken en uitvoering. Samen met de pianist wordt door mij en in onze samenwerking,
telkens weer naar de ideale vorm gezocht. Juist dit samen “scheppen” aan het verhaal in het doen met de kinderen, is de voorwaarde voor levende pedagogiek! De euritmie als kunst om dit te beoefenen is een prachtig middel: In gezamenlijkheid breng je iets tot stand, waardoor de inhoud en vorm even samen komen. Het is als een schaal, waarin op zulke momenten a.h.w. een gouden glans opgevangen wordt!
Deze “rijkdom” kan je niet zien, maar wel ervaren.

.
Euritmie: alle artikelen

Peuter en kleuter: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3365-3164

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie – alle artikelen

.

Rudolf Steiner over euritmie
De belangrijkste opmerkingen over euritmie (vaak samen met gymnastiek) uit de verschillende pedagogische voordrachten. En uit GA 156 en GA 205.

Kleutereuritmie: plezier bij het nabootsen
Andreas Deibele over: het waarom; wat er in de les gedaan wordt.

Uit de euritmieles voor de kleinere kinderen
Cläre Rother over: het aanleren van de (euritmische) klinkers en medeklinkers in de 1e klas.

Euritmie in de middenklassen
Edith Röhrle over: verband euritmie en grammatica; lopen van een spiraal naar binnen (vraag) en naar buiten (antwoord); vormverandering: innerlijke en uiterlijke krachten; werkwoord, zelfst. nw. bijv.nw.

Euritmie
Philia de Vries over: teksten voor schoolgidsen en begeleidend vakinhoudelijk per klas; wat is euritmie op school; leerplan euritmie per klas 1 t/m 6.

Euritmie in de kleuterklassen
Philia de Vries over: euritmie in de kleuterklas; wat wordt er gedaan en waarom; levenskrachten; ge-euritmiseerd verhaal.

Euritmie: Hoe kan de ontwikkeling van het kind en de daarmee samenhangende hersenontwikkeling door beweging gestimuleerd worden
Philia de Vries: scriptie
Hoofdstuk 1: Opmaat, kader, vraag, doel, inspiratie en materiaalgebruik voor het werk
Hoofdstuk 2: Wat is euritmie; plaats ervan in het vrijeschoolonderwijs; leerstof; euritmie en neuro-en sensitieve ontwikkeling; in de praktijk.

‘Het kind danst’: inhoudsopgave
Verschillende artikelen over peuter- en kleutereuritmie

.

Vrijeschool in beeld: euritmiefiguren

.

3361-3161

.

.

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – euritmie

.

De eerste tijdschriften van het blad ‘Erziehungskunst’ – toen nog ‘Zur Pädagogik Rudolf Steiners’ verschenen zo’n 100 jaar geleden.

Het is opvallend en interessant tegelijk hoe de leerkrachten het vrijeschoolonderwijs vorm wilden geven – nu zonder de hulp van Steiner die in 1925 was overleden.

Natuurlijk zijn er ‘dingen’ die niet los gezien kunnen worden van de tijd waarin men toen leefde, maar tegelijkertijd vind je in veel artikelen een inhoud die ook vandaag de dag nog actueel is.

Cläre Rother, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, jrg. 2, nr 1 mei 1928

.

Uit de euritmieles voor de kleinere kinderen
.

Het was lente toen ik een groep kleine zes- tot zevenjarige kinderen voor me had om ze kennis te laten maken met wat veel geluk voor hen zou betekenen, namelijk euritmie, de levende taal van de ziel die Rudolf Steiner aan de mensheid heeft gegeven.
Dit is een bijzonder geschenk voor de leraar, want nooit meer zijn de kinderen zo visueel, zo toegewijd alle bewegingen aan het imiteren, zo fantasierijk de wereld aan het beleven als op deze leeftijd.

Het is dus mogelijk om het sprookje als uitgangspunt te nemen. Wat de verbeelding van de kinderen stimuleert, stimuleert ook hun bewegingen en ze bewegen hun ledematen met plezier.
Ik vertelde ze sprookjes over reuzen en dwergen, bloemen, elfen en vlinders, vogels en kevers. We luisterden naar al deze wezens en leerden iets van hen: lange en korte, lichte en zware stappen, rennen en huppelen, alles in harmonie met het muzikale.
Toen probeerde ik de klinkers aan de kinderen in een verhaaltje te geven.
Ik ging uit van een artikel van Dr.Treichler in een mededelingenblad van de school.

Wat ik de kinderen vertelde, wil ik hier graag samenvatten:

Er was eens een klein meisje van jullie leeftijd. Ze was met Pasen* met school begonnen.
De eerste nacht had ze een prachtige droom.
Ze droomde dat er een heldere engel met prachtige vleugels naar haar toekwam die zei: “Kom met me mee, ik wil je de schoonheid van de hele wereld laten zien, de aarde en de hemel, en jij zult me laten zien dat je een open hart hebt voor al deze schoonheid.”
Nu vlogen ze ver omhoog naar het midden van de blauwe hemel. Die was zo groot en wijds en zo stralend helder dat het kleine meisje Ah! wilde roepen van verbazing over deze schoonheid toen ze plotseling besefte dat ze niet kon spreken. Haar woorden vervaagden in de ether. Maar ze dacht aan de woorden van de engel en wilde hem laten zien hoe graag ze de schoonheid wilde ontvangen, ze opende haar armen wijd in een grote zwaai en de engel deed hetzelfde en verheugde zich. A.
Ze vlogen verder, hoger en hoger. De helderheid werd groter en groter, stromen van kleuren vermengden zich, van het zachte blauw ging het over van lichtgroen naar stralend geel. En plotseling stonden ze voor de troon van God.
Daar zat de Moeder van God, gehuld in haar blauwe sterrenmantel, met het stralende kind van God in haar armen, stralend als een zon.
Verblind door het felle licht strekte het kleintje haar armen kruiselings uit als lichte verdediging tegen de al te felle schijn.
Maar langzamerhand kon ze het beter verdragen en ze sloeg haar armen over haar borst in aanbidding en eerbied voor het kind van God, ja, ze bad en kruiste al haar vingers. En ze zag de engel hetzelfde doen en verheugde zich.
Ja, de engel kruiste zelfs zijn vleugels boven en zijn vleugels onder en zijn voeten, zodat hij daar in een viervoudige E stond.
En zij zagen hoe vele engeltjes naar buiten zweefden, helder licht dragend dat rond de troon van het kind van God scheen.
En het mensenkind wilde ook worden als een licht, een kaars op het altaar van het kind van God, en hij maakte een lichtstraal vanuit zijn armen. Het werd zelf een straal, die licht gaf, .I.
Nu vlogen ze weg, terug naar de aarde. Toen hield het kind haar armen rond
alsof het al het moois wilde omarmen en meenemen naar de aarde. O.

Ruisend daalde het af van de uitgestrektheid van de hemel naar de aarde.
En het zag hoe de mensen zo diep in de duisternis leven en niets ervaren van het heldere licht dat het had mogen zien en weer in bed liggend strekte ze haar armen uit met verlangen, met weemoed en diepe eerbied van beneden naar boven, naar de hemel. U.
En de engel glimlachte naar haar in haar slaap en sprak tot haar:
“Je hebt de taal van de engelen goed geleerd, vergeet die nu op aarde niet. Mensen vergeten het zo gemakkelijk omdat ze niet aan het stralende kind van God denken.
Je moet ze ook op aarde oefenen, dan zul je de weg naar het hemelse thuisland weer vinden.”

In haar slaap glimlachend zag het kind hoe de engel opsteeg naar de hemelse wereld van een donkerpaarse U naar een rode O, een al lichtere, diep-blauwe A naar een hoopvolle groene E, tot hij als een heldere, gele I in het stralende licht bij de troon van God stond die zijn verlangen voedde.

Dit verhaal maakte diepe indruk, we oefenden vreugdevol al deze
bewegingen en lange tijd hoorde ik bij de kinderen het woord “engelentaal”.

Tegelijkertijd hadden ze goed begrepen dat je bij de engelentaal niet mee moet spreken, dat de menselijke taal dan stil moet blijven.

Van daaruit kon ik in de loop van het jaar veel klanken blijven ontwikkelen, waaronder de medeklinkers. De kinderen vonden de beelden van de W – het golvende water of de wind, de L van een lelie heel duidelijk, We gebruikten ook het beeld van het vliegen, vooral dat van de engel voor de L.

Met Kerstmis was er grote vreugde toen elk kind een huisje kreeg. Dat was tot dan toe een gekleurde cirkel geweest waarin het tijdens de euritmieles had gestaan. Dat werd nu een ster.

Daarvoor vertelde ik een verhaaltje van het gouden sterrenhuis en we bewogen met onze handen mee op de maat of onze voeten liepen het ritme:

“Wenn ich meine Äuglein schließe,
führt ein Englein mich hinaus,
auf die grüne Himmelswiese,
vor das goldene Sternenhaus;
und die Sterne, groß und kleine,
nehmen mich in ihren Tanz,
daß ich ihnen mich vereine
Zu dem schönen Himmelsglanz.”

Sluit ik mijn ogen beide,
leidt een engel mij zo verre,
over de groene hemelweide,
naar het gouden huis der sterren;
en de sterren groot en klein
leiden mij in hunne dans
dat ik bij hen kan zijn
naar de mooie hemelglans.

(eigen vertaling, een proberen)

Het volgende uur vertelde ik verder.
De sterren leiden het kind naar Maria met het Kerstkind dat omringd is door spelende engelen. 
Toen kwam er ook weer iets terug van het eerste verhaal en met veel plezier oefenden we elk uur tot aan Kerstmis  – met de engelentaal – het volgende gedichtje 

“Im Himmel beim Christkind
sind Freuden soviel,
Da spielen die Englein
gar liebliche Spiel.
Da sitzet im Glanze
auf himmlischer Au
die hohe, die sanfte
demütige Frau.
Maria, die reine,
voll seliger Lust,
Hält Jesu, das Kindlein,
an heiliger Brust.”

De sterren vormden een cirkel en euritmiseerden de vocalen. 
In het midden van een gouden sterrenhuis stond heel ernstig een klein meisje dat Maria was, omgeven door vijf engelen die de L van de engelvleugel maakten.
De kinderen deden enthousiast mee, ze werden nooit moe, elke les waren ze er vol aandacht bij; de realiteit van dit aparte spel meebelevend.

Zo werd elk euritmie-uur in deze tijd een nieuwe beleving van Kerstmis.

*In die tijd begon het nieuwe schooljaar met Pasen.
(Dat er met Pasen iets nieuws begint, heeft een zekere diepgang.)
Toen ik zelf op de ‘lagere school’ zat, (ca 1952) was dat ook nog zo, maar enige jaren later ‘gingen wij over’ met de grote vakantie).

In het artikel gaat het er niet over, maar ik zou zeggen dat je het aanleren van de klinkers op deze manier niet zonder de klassenleerkracht moet doen, d.w.z. die zal iets soortgelijks moeten doen, zodat er voor de kinderen een vorm van overeenstemming bestaat.

Wat het gebruik van engelen of elementairwezens betreft, zie daarvoor een opmerking hier.

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmiefiguren

.

3360-3161

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Euritmie – uit de lessen in de middenklassen

.
Het Duitse blad voor de vrijeschoolbeweging heet ‘Erziehungskunst‘, Opvoedkunst – zoals voor de Nederlandstalige vrijeschoolbeweging: ‘Vrije Opvoedkunst’.
Vóór het Duitse blad ‘Erziehungskunst’ heette, had het als naam: ‘Zur Pädagogik Rudolf Steiners’, ‘Over de pedagogie van Rudolf Steiner’.
De 1e jaargang daarvan stamt uit 1927.
Een aantal leerkrachten die er vanaf het begin bij waren, schreven regelmatig artikelen over hun werk.
Vaak is daar een groot enthousiasme in te bespeuren. En hun pogingen de aanwijzingen van Steiner gestalte te geven in de concrete onderwijspraktijk.

De vele gezichtspunten van Steiner hebben na 100 jaar vrijwel niets aan zeggingskracht verloren en het hoeft daarom niet vreemd te klinken dat ook de bijna 100-jarige artikelen ook nu nog bruikbaar zijn. Soms is er wel enige met die tijd van toen, maar het gaat vaak meer om aspecten die langdurig blijvend zijn.
En dus ook bruikbaar in de vrijeschool nu.

.

Edith Röhrle, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 2e jrg. nr 3  sept, 1928

.
euritmie in de middenklassen
.

Rudolf Steiner heeft ons met de euritmie een nieuwe kunst geschonken, die op buitengewoon vruchtbare wijze kan integreren in het geheel van onze nieuwe pedagogie.

Zoals Goethe in zijn nieuwe kleurenleer wijst op een nieuw kleurbegrip en de afzonderlijke kleuren een gevoelsnuance geeft waarvan hij zegt dat het rood een uitdagend, agressief karakter heeft of het blauw waaraan de ziel beleeft hoe dat verdiept en innerlijk wordt, zo moet ook de taal door euritmie opnieuw beleefd worden.

De afzonderlijke klanken moeten hun eigen essentie weer aan ons onthullen door ze zichtbaar te maken.
Maar ook de grammatica krijgt een nieuwe impuls, wanneer de kinderen leren voelen hoe een zelfstandig naamwoord in de euritmie naar zijn innerlijke essentie op een heel andere manier moet worden weergegeven, dan bijvoorbeeld  een werkwoord.

Juist op het verband tussen euritmie en grammatica wil ik nu nader ingaan, omdat men meestal verbaasde gezichten krijgt als men op dit verband wijst.

We beginnen met deze taak in de middenklassen, maar de eerste schooljaren bereiden dit werk al voor. Zelfs in de laagste klassen wordt in hoofdonderwijs veel belang gehecht aan het geven van een echt gevoel aan de kinderen voor de aard van geometrische vormen.

In de euritmielessen lopen de kinderen nu driehoeken, vierkanten, spiralen etc., maar op zo’n manier dat er een gevoel mee verbonden kan worden. Als een kind een inwikkelende spiraal loopt, dan moet het voelen dat als ik zo van buiten naar binnen ga, wil ik iets ervaren, iets te weten komen, van binnen een vraag stellen. Als ik daarentegen de spiraal zo loop dat hij uitwikkelt, dan wil ik iets overbrengen van wat ik weet, dan kan ik het antwoord geven. Zulke vormen worden vaak geoefend met bijpassende muzikale begeleiding of met een bijpassend gedicht. De in- en uitwikkelende spiraal komt bijvoorbeeld prachtig overeen met het gedicht van Dr. Steiner:

Wie laat de planten bloeien? Dat is Gods wijsheid.
Wie laat de mensen leven? Dat is Gods liefde, enz.

Bij de vraag wordt de inwikkelende spiraal gelopen,

bij het antwoord de uitwikkelende.

Het gevoel voor vormverandering wordt ook gewekt, bijvoorbeeld door de kinderen een regelmatige driehoek te laten lopen en hun aandacht te vestigen op het feit dat in deze vorm (I) de krachten, die van buiten en van binnen vormend werken, in evenwicht zijn.

Nu kan er echter een vormverandering optreden als de krachten van buitenaf overheersen. Dan krijgt de vorm een ander uiterlijk.

In de derde vorm zegevieren de innerlijke krachten over de uiterlijke krachten. Voor oudere leerlingen kan het gedicht ‘Beherzigung‘ van Goethe worden gekozen als voorbeeld van zulke vormen.

De eerste strofe toont een beklemming, zwakte tegenover externe krachten, dus wordt een vorm gekozen die overeenkomt met de tweede:

Feiger Gedanken
Bängliches Schwanken enz.

De tweede strofe drukt overwinnen uit:

Allen Gewalten
Zum Trotz sich erhalten enz.

De derde vorm is geschikt om te visualiseren hoe het innerlijke zelf zich nu vrij kan ontplooien.

Als op deze manier een levendig gevoel voor de essentie van een vorm bij de kinderen is gewekt, dan is het ook mogelijk om het grammaticale te benaderen zonder een lichte angst voor grammatica bij de leerlingen te veroorzaken, zoals we in het verleden meestal hebben ervaren.
Ze vinden het leuk om te zien hoe de meest uiteenlopende kunstenaars hebben geholpen om een zin te vormen, hoe er een geheime architect aan het werk is die iets voor ons neerzet dat op zichzelf af is, maar dat door een geheime schilder wordt verfraaid, hoe een toneelschrijver ons in spanning wil brengen enzovoort. Het is helemaal niet moeilijk voor hen om te ontdekken dat de architect het zelfstandig naamwoord plaatst en dat de schilder het versiert met het bijvoeglijk naamwoord. De innerlijke spanning en ontspanning worden veroorzaakt door de verbindingswoorden, die zo gemakkelijk over het hoofd worden gezien, die een dramatisch element in de zin brengen met hun “en”, “maar”, “toch”.
Zodra de kinderen dit verschil hebben ontdekt, is het ook vanzelfsprekend voor hen dat elk woord een andere voorstelling vereist. Een zelfstandig naamwoord moet laten zien dat het iets wil schilderen, dus we moeten de medeklinkers gebruiken om ons te helpen, want die hebben van zichzelf al een beeldend karakter. Als ik wil euritmiseren: “Het wuivende korenveld”, dan geeft de w me de mogelijkheid om het innerlijk zichtbaar te maken door middel van het bewegingsgebaar van de w.

Op deze manier is het mogelijk om te visualiseren wat de genius van de taal in woorden heeft getoverd. Een zelfstandig naamwoord wordt in de ruimte geplaatst, dus moet het een vorm krijgen die overeenkomt met zijn essentie, wat ons dan leidt naar de verschillende soorten zelfstandige naamwoorden. De boom, die fysiek zichtbaar is, moet een andere vorm krijgen dan engelen of duivels, die spirituele wezens zijn. Ik laat de kinderen nu ervaren hoe alles wat zichtbaar is geworden, zoals boom, steen, mens, een bepaalde, duidelijk gedefinieerde vorm heeft. Maar ze weten uit sprookjes hoe duivels van vorm kunnen veranderen, op de ene manier kunnen verschijnen en dan weer op een andere, dus dat moet je ook in de vorm herkennen, die moet niet zo vast liggen. Voor concrete woorden nemen we de vorm

die doet denken aan een kristallen punt, laat zien dat we iets specifieks insluiten. Spirituele essentie krijgt een ronde vorm.

Maar als we een vorm zo lopen dat we de kromming naar voren nemen, dan ontstaat in ons het gevoel dat we met onze ervaring en blik naar de verte gevoerd worden, het gaat meer over iets dat meer omvattend is.

Dit is een vorm die in aanmerking komt voor het conceptuele: “uitgestrektheid”, “afstand”, “schoonheid”.

Voor de ziel: “plezier”, “vreugde”, “pijn”, is de golvende lijn de uitdrukking die de kinderen de ups en downs van de emotionele ervaring laat zien.

Nu moeten de kinderen de vormen die zo ontstaan, combineren tot een mooie algemene vorm voor een gezegde of een versje, dat dan aan de tekst wordt toegevoegd. Elk kind doet zijn eigen poging en de beste wordt dan voor iedereen gekozen. Terwijl de meisjes meestal handiger zijn in het maken van de klanken, krijg ik van de jongens meestal de mooiste en levendigste vormen. Een spreuk van Angelus Silesius resulteerde in de volgende vorm:

De ziel is een kristal,
De godheid is haar glans,
Het lichaam waarin je woont,
Is de omhulling van beide.

Voor een langer gedicht van C.F.Meyer kreeg ik de volgende vorm van een leerling uit de 8e klas:

In de les hadden we het gedicht zo behandeld dat we met de zelfstandige naamwoorden bezig waren en alleen de basisvormen



werden genoteerd. Hiervan had een jongen toen deze tekening gemaakt, die een prachtig gevoel voor vorm laat zien. (ll)

Net als bij de zelfstandige naamwoorden worden ook de andere woordsoorten
en de vormen en bewegingen steeds rijker en gevarieerder.

Als de kinderen gedurende meerdere jaren zo vertrouwd zijn geraakt met de grammatica in de euritmie, dan is het niet langer abstract, ze leren de innerlijke kant voelen die door de taal stroomt en dat door de taal moet stromen.
dat door de taal stroomt en die ook de kinderen weer moet doordringen.
Het scheppende woord spreekt door de euritmie de mens weer aan en heeft  een revitaliserende werking op denken, voelen en willen en stimuleert het de krachten die door de taal stromen en die gedood worden door een te intellectuele
opvoeding, tot nieuwe creatieve activiteit.

.

Rudolf Steiner over euritmie: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Rudolf Steiner over…: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: euritmiefiguren

.

3293-3100

.

.

.

.