Categorie archief: aardrijkskunde

VRIJESCHOOL – 6e klas – aardrijkskunde – de Amazone

.
Dit is vooral het verhaal van de rubberproductie en alles wat er mee samenhing. Voor de ‘economische aardrijkskunde’ een sterk sprekend voorbeeld van hoe andere mensen hard moeten werken, ja uitgebuit worden. Dat is in deze tijd, maar nu voor andere gebieden en producten, nog steeds actueel.
Sommige gegevens zijn niet meer actueel. Dit artikel is waarschijnlijk geschreven rond 1970.

DE AMAZONE

De Amazone zou onvergelijkbaar zijn, beweert de bekende journalist Raymond Cartier, op wie de Rio Mar en de weelderige plantengroei van haar oevers een onuitwisbare indruk hebben gemaakt. Met de overlevenden van de Indianenstammen, die hun oeroude zeden en gebruiken met hand en tand tegen de aanslagen door de beschaving verdedigen, heeft hij talrijke avonturen beleefd. Ook bezocht hij de laatste rubber tappers, de seringueiro’s, die in de Groene Hel een hard en nijver bestaan leiden.

‘We zagen met pijl en boog gewapende Indiaansen, die de mannen aan voerden in de strijd en zich moediger weerden dan zij. Wanneer een man wilde vluchten, gebruikten de vrouwen hun boog als knots en sloegen ermee op hem in. Ze deden ons denken aan de Amazonen – en aangezien een dergelijk gedrag, dat aan de natuur van de vrouw vreemd pleegt te zijn, nauwelijks geloofwaardig lijkt, wil ik graag beklemtonen dat ik dit inderdaad met eigen ogen aanschouwd heb.’ Op grond van dit rapport, waarvan de waarheidsgetrouwheid niet in twijfel werd getrokken, kreeg de Amazone haar naam. De samensteller ervan was pater Caspar de Carjaval. Hij behoorde tot de groep onversaagde mannen die een van de avontuurlijkste ontdekkingsreizen uit de geschiedenis hebben ondernomen: een handjevol Spanjaarden, vertrokken vanuit Peru, voeren de rijzende zon tegemoet over rivieren die steeds machtiger werden en steeds dieper doordrongen in het verraderlijke oerwoud. Oog in oog met een dergelijke natuur was men geneigd ook de meest fantastische verhalen over de menselijke wezens die hier leefden voor klinkende munt aan te nemen. Bij alle stammen vergaarden de Spanjaarden bijzonderheden over dit volk van krijgsvrouwen, totdat ze uiteindelijk geloofden ze met eigen ogen gezien te hebben. Ze waren rijzig, onverschrokken, blond en naakt. Ze oefenden een streng bewind uit over het gebied en de inboorlingen betaalden hun schatting in de vorm van bonte veren. Ze woonden in afgelegen dorpen waaromheen zich dank zij de mare van hun woeste dapperheid een niemandsland had gevormd.’

‘Onze aanvoerder’, meldt pater Carjaval voorts, ‘wilde weten hoe de Amazonen kinderen kunnen baren, aangezien ze toch niet huwen en geen mannen bij zich dulden. Men legde hem uit dat ze van tijd tot tijd een naburig koninkrijk overvallen, gevangenen maken en die zo lang bij zich houden tot ze zwanger zijn. Daarna laten ze de mannen weer vrij zonder ze een haar te krenken. Wanneer de kinderen geboren zijn, doden ze de jongens en zenden ze de lijken naar de vaders. De meisjes voeden ze met de grootste zorg op en onderwijzen ze in alle krijgskunsten.’

Men heeft naar deze Amazonen gezocht, maar er nooit ook het geringste spoor van gevonden. Hoewel het mogelijk is dat pater Carjaval en zijn meerdere, aanvoerder Orellana, het slachtoffer zijn geweest van een misverstand, neemt men in het algemeen aan dat ze eenvoudig gelogen hebben om hun reisverhaal op te smukken, hoewel dit nergens voor nodig was. Zo dankt de koningin der rivieren dus haar naam aan een hersenspinsel.

Niets laat zich met de Amazone vergelijken. De aanduiding ‘rivier’ is eigenlijk helemaal niet op haar van toepassing. Veeleer is ze een stelsel van reusachtige stromen die op een of andere manier een gezamenlijke weg naar beneden vinden en naast elkaar in de oceaan uitmonden. De Rio Negro heeft een breedte van 50 kilometer. De Madeira en de Purus zijn allebei langer dan de Ganges. Een kleine zijrivier aan de bovenloop, de Ica, vervoert meer water dan de Rhône. De Tapajos en de Tocantins zouden elders belangrijke zijrivieren zijn, waarvan ieder schoolkind de namen diende te kennen. Grote zeeschepen varen tot aan het 3000 kilometer van de oceaan verwijderde Manaus en vrachtboten van 3000 ton nog 2000 kilometer verder tot aan Iquitos in Peru. Bij zijn samenvloeiing met de Rio Negro is de Solimoes 72 meter diep en zijn stroming is zo sterk dat het de zwarte wateren van de grote rivier niet lukt zich met de zijne te vermengen. Apocalyptische onweren, verschrikkelijker dan die op open zee, geselen de watervlakten. Bovendien storten de zware equatoriale regens zich in de Amazone uit en doen ze haar onder donderslagen en stormgehuil plotseling aanzwellen. Bij haar ontmoeting met de Atlantische Oceaan bereikt de woede van de reuzin haar hoogtepunt. De krachtigste Afrikaanse springvloeden kunnen de vergelijking niet doorstaan met het geweld dat rondom het eiland Marajo raast. Als een stormram dwingt de rivier de oceaan terug te wijken. Toen de zeevaarder Vicente Pinzón ver van enige kust in open zee zoet water aantrof, had hij de Amazone ontdekt, enkele jaren voordat Orellana, komend van de andere kant, op haar stootte. Alles is bijzonder aan deze grootste aller rivieren, zelfs haar eerste kennismaking met de mens.

De vroegste verkenners van de Amazone karakteriseerden haar als een zee en de huidige aardrijkskundigen geven hun gelijk. Volgens hen is ze een reusachtige golf vol eilanden, restant van een zeearm die de Atlantische met de Grote Oceaan verbond en die door het oprijzen van de Andes veranderde in een doodlopende straat. Eenmaal per jaar zwelt deze rivierzee aan en maakt ze getijden mee. Haar vloed wordt ‘Ecchante’ genoemd en haar eb ‘Vasante’. Al naargelang van stroom, plaats en jaar bedraagt het verschil tussen de getijden 12 tot 30 meter. Bij vloed overstroomt een zesde deel van het totale Amazonebekken; de overstroming strekt zich dus uit over een gebied dat groter is dan geheel Frankrijk. Reusachtige beboste vlakten staan onder water, tijdelijk vormen zich meren die even groot zijn als het Tsjaadmeer en kleine, ondiepe waterlopen veranderen in rivieren ter lengte van de Donau. Over honderden kilometers wordt de vegetatie weggespoeld, samen met de grond die aan de wortels kleeft en de luipaarden en pythons die de rivier in hun schuilplaatsen verrast heeft; ja zelfs hele kuddes runderen drijven in de stroom en op de oever hoort men boven het ruisen van de golven uit hun vertwijfeld geloei. Wanneer de wateren weer zakken, blijft er een dood Amazonas achter en komt er een nieuw tot leven. Zijn profiel is door oeverwouden veranderd, rivieren zijn van bedding verwisseld, eilanden door de botsing met in het water drijvende boomstammen verwoest en andere zijn uit de miljarden kubieke meters aangespoeld slib opgedoken. De Amazone heeft haar klei omgevormd en opnieuw verdeeld. In het gebied van de Amazone is de schepping nog niet voltooid, hebben de elementen zich nog niet definitief van elkaar losgemaakt.

De hoofdverkeerswegen in het oerwoud van de Amazone, de ‘igarapé’s’, zijn kleine zijrivieren die een lagune met een grotere waterloop verbinden.

Een boottocht door het oerwoud langs de Amazone is een onvergetelijke ervaring. Het vormt een van de volmaakte schouwspelen der natuur op aarde en is hierin te vergelijken met de Himalaya en de Sahara. Nergens zweemt dit oerwoud naar eentonigheid en het wekt als geen ander het brandende verlangen op het geziene nog nauwkeuriger, nog grondiger en nog langer te bestuderen. Wanneer men er laag overheen vliegt, is het een kruimelige vlakte waaruit hier en daar een door de bliksem gedode boomreus oprijst en waarboven vaak een groen-rode wolk van papegaaien zweeft. Vanaf de boot gezien neemt het de meest uiteenlopende en vaak ook bedrieglijkste vormen aan. Soms lijkt het met zijn groene, grasachtige ‘Capim’-vlakten en verspreide boomgroepen op een Engels landschap of op Hyde Park – alleen drijven de ‘Capim’ en de bomen op water dat wemelt van de ziektekiemen. Meestal echter staat het oerwoud daar simpel als een muur waarop de lichte stammen van de kokospalmen een grillig patroon tekenen dat herinnert aan het Arabisch schrift. Bewegingloos, stom, ondoordringbaar, onbuigzaam, afmattend en fascinerend. Men heeft er een uur lang naar gekeken en men zou het dagen willen blijven doen.
Maar de levende muur vertoont ook spleten. Het zijn de paden van de maniok-planters en rubbertappers. Om ze te bereiken moet men er vaak in een uitgeholde boomstam onder mangroven, die het slijk vastzuigen als de laarzen van een baggerman, heen varen. Zelfs op de vaste grond blijft men op water stoten, hetzij in de vorm van modderpoelen, hetzij in de vorm van plantengrotten die druipen van het vocht. Vanaf de wortels tot aan de toppen veranderen de bomen in andere wezens, tonen hun parasieten, resultaat van hun vertwijfelde strijd om het bestaan, want om niet te verstikken moeten ze proberen aan de duistere diepten van de ondergroei te ontsnappen en het zonlicht te bereiken. De groei van het oerwoud heeft iets ziekelijks, koortsachtigs. Enkele solitairen zijn van hout dat zo hard is als ijzer, maar vele andere boomreuzen zijn slechts holle pijpen of hun binnenste bestaat uit een soort stro dat door gaten in de schors naar buiten puilt. Wanneer ze erin slagen om te vallen, breken ze als glas, maar meestal blijven hun dode lijven in lianen geketend hangen en vergaan ze aan de lucht, zoals vroeger de misdadigers aan de galg. Nergens overheerst hier een enkel geslacht, een bepaald gewas, zoals in de wouden van het noorden de berk, de lariks of de spar. De plantenwereld van het gebied van de Amazone is een eeuwige chaos, een wilde wirwar van verschillende soorten, die elkaar in een geluidloze worsteling omklemd houden. De onverbiddelijkheid van dit gevecht komt tot uitdrukking in de onnatuurlijke stilte en droefgeestigheid van het oerwoud. Van buiten gezien is het groen, van binnen grauw. Er komen schitterende, een tot twee meter lange orchideeën voor, maar ze zijn zeer zeldzaam en de weinige planten die lieflijke bloemen dragen, bloeien slechts in verborgenheid. De plant wapent zich hier liever met vijandige dorens of stekels dan dat hij zich met schoonheid tooit, want de strijd om het bestaan is zonder erbarmen en kent geen adempauze.

Eens kreeg het oerwoud langs de Amazone gedurende een korte periode wereldbetekenis. De gehele ontwikkeling van de techniek werd van hem afhankelijk en er kwam leven in, voor zover het al mogelijk is door menselijk toedoen leven te brengen in zo’n onmetelijk groot geheel. Maar de raket viel nog sneller op de aarde terug dan hij opgestegen was en sindsdien heerste er in het gebied weer de gebruikelijke ellende.

La Condamine had de eerste rubber naar Parijs gebracht. Hij toonde het materiaal aan zijn collega’s van de Academie voor Wetenschappen en legde hun uit hoe de Indianen van het Amazonegebied er schoeisel, onbreekbare flessen en ballen uit vervaardigden. Men vond het verhaal van deze vindingrijke wilden amusant en origineel, maar zag aanvankelijk niet in hoeverre deze merkwaardige stof van nut kon zijn voor een beschaafde maatschappij. Vervolgens ontdekte men dat men er potloodstrepen mee kon uitwissen en dat er met deze stof (het Engelse woord ‘rubber’ betekende oorspronkelijk ‘radeergom’) toch iets aan te vangen viel: hij ging in bepaalde gevallen het radeermes vervangen. Minder geleerde, maar daarom meer praktische koppen kwamen op het idee de elastische, waterdichte substantie uit het Amazonegebied ook voor andere doeleinden te gebruiken. Een zekere Mackintosh maakte er jassen van en een zekere Goodyear schoenen. Deze Goodyear, uit Boston, en een Brit met de naam Hancock speelden het klaar de rubber te verharden door er zwavel aan toe te voegen. Plotseling begreep de wereld niet meer hoe ze zo vele eeuwen lang had kunnen rondkomen zonder dit materiaal, waaruit men nu bretels, kousenbanden, riemen, overschoenen, regenjassen, drukrollen, biljartranden en tabaksbuidels vervaardigde. Door de uitvinding van steeds nieuwe machines groeide ook het aantal apparaten waarvan de werking en het nut berustten op de elasticiteit en de water- en luchtdichtheid van rubber. Binnen dertig jaar veranderde rubber van een curiositeit in een onmisbare grondstof. Het oerwoud langs de Amazone kreeg een vaste plaats in de economie.

In de klamme hitte van de jungle halen de seringueiro ’s, de rubbertappers, de melk op van de dagelijks ingekerfde rubberbomen.

De bronnen van rubber zijn talrijk. Het melkwitte sap (latex) waaruit men het wint, vloeit uit vele planten, die tot verschillende families behoren. Vanwege het hoge gomgehalte van zijn sap echter overtreft de Hevea brasiliensis alle andere rubberplanten. Hij kan niet bepaald tot de reuzen van het oerwoudgebied aan de Amazone worden gerekend, maar de fraaie boom met zijn drielobbige bladeren kan toch een hoogte van dertig meter bereiken en zijn grijze stam kan een omtrek hebben van drie meter. Cahuchu, het wenende hout, noemden de Indianen hem. Hij bezit niet alleen het vermogen om te wenen, maar hij mint ook de eenzaamheid. Nooit zoekt een rubberboom het gezelschap van een andere. Hij leeft als solitair, door 100 tot 200 meter kreupelhout van zijn naaste buur gescheiden . Maar het Amazone-oerwoud is zo reusachtig dat er tussen de moerassen aan de monding van de rivier en de hellingen van de uitlopers van de Andes miljoenen Hevea-bomen kunnen groeien en gedijen.

Duizenden mannen zwermden uit langs de vaak nog onverkende rivier. Op de kaden van Belém, tegen het decor van de trotse schoeners met hun blauwe zeilen in het Veropesu Bekken, vormden ze nog een onafzienbare menigte, maar hoe dieper ze doordrongen in het oerwoud, hoe kleiner de groepen werden, totdat uiteindelijk iedereen op zichzelf was aangewezen. De meesten waren afkomstig uit het droogtegebied Ceara, waarin kuddes uitgemergelde dieren rondzwerven. Ze waren gewend aan de verten van de steppe en de hemel, en wat hun aan het einde van hun reis wachtte was een ellendige hut die ze te midden van een zelfs het zonlicht verzwelgende plantengroei zelf moesten bouwen. Ze waren de lange perioden van droogte gewend waarin de huid in perkament verandert en nu moesten ze in een badhuisachtige vochtigheid leven, waarin het vlees opzwelt en bleek wordt als dat van een dode. Zonder ophouden trommelde de regen op hen neer en ze werden zo ziek van de malaria dat de aanvallen van koorts en koude rillingen elkaar steeds sneller opvolgden. Een andere kwaal waarvan ze geen verlossing konden vinden was hun schuldenlast. Alles wat ze in hun roeiboot hadden meegebracht – een paar stukken gereedschap, een wapen, een beetje lampolie, zout, maniokmeel en gedroogd piracuruvlees, de stokvis van de Amazone – deze geringe schat die het enige bezit van de arme drommels vormde, was de vooruitbetaling die de bezitters van de hevea’s of de rubberhandelaren, de aviadors (leveranciers) of patrao’s (eigenaren), hun gegeven hadden. Er was bijna geen seringueiro die het gelukte zijn schuld af te lossen. Toen hij zijn thuisland Ceara verliet, was hij ervan overtuigd geweest terug te zullen keren met een zak vol goudstukken, maar omdat men de analfabeten vervalste rekeningen onder de neus stopte, zou alle rubber uit het oerwoudgebied niet genoeg zijn geweest om de terugreis te betalen. Wanneer hij bij uitzondering een paar cruzeiro’s in de schoot geworpen kreeg was zijn verlangen om angst en eenzaamheid althans voor even te vergeten zo allesoverheersend dat hij zich onmiddellijk op de kroegen van Porto Velho, Santarem of Manaus stortte.

De latex wordt hier tot ‘pela ’ gevormd, een kogel die ongeveer 20 kilo weegt.

De limousines in Wenen en Parijs reden nu op rubberbanden. Dunlop kwam op het idee ook fietsen van rubberbanden te voorzien. Men wilde ‘rubber’ als men waterdichte schoenen kocht en een regenjas zonder rubber was ondenkbaar. Om in de behoeften van een hem onbekende wereld te voorzien, verliet de seringueiro aan de Amazone bij het krieken van de dag zijn hut, op het tijdstip dat het oerwoud vol is van een verscheidenheid van geluiden, die echter langzamerhand verstommen zodra de meedogenloze zon opkomt. Het pad. de ‘estrada’, voerde van de ene rubberboom naar de andere. Bij zijn eerste rondgang maakte de man met een handbijl een inkeping in de schors en bevestigde onder de wond een metalen bakje. Op hun uitgangspunt teruggekeerd begon hij aan zijn tweede ronde om de latex in een loden kan te verzamelen. De afstanden die de seringueiro moest afleggen – hij behandelde 100 tot 150 bomen – waren zo groot dat hij de gehele dag op het smalle, glibberige pad onderweg was .Zonder ophouden probeerde het oerwoud dit pad te overwoekeren zodat hij voortdurend gedwongen was het met zijn machete weer open te hakken. Een giftige en vergiftigde omgeving zwoer samen tegen de arbeiders: doorntakken waarvan de schrammen celweefselontstekingen veroorzaakten, wormen, larven en teken die in alle lichaamsdelen binnendrongen en hen met alle mogelijke afgrijselijke ziekten infecteerden, bacteriën waarvan het wemelde in het stinkende water, zijn enige drank, en reuzenmieren waarvan de beet even pijnlijk en gevaarlijk was als die van een schorpioen. Dan moest de vergaarde latex nog worden gerookt en gekneed tot ongeveer 20 kilo zware ballen, de zogenaamde ‘pela’s’, die eruitzien en aanvoelen als hout. Hurkend voor zijn hut van rijshout beëindigde de seringueiro zijn werkdag bij een vuur van urucuri-noten, waarvan de bijtende rook zijn longen verwoestte. Toen de mannen wegtrokken uit de steppe, waren ze arm, maar gezond. Na enkele jaren in het oerwoud begroef men hen als menselijke wrakken. De eerste rubber in de wereld werd onder slechtere omstandigheden vergaard dan ooit een slaaf had moeten dulden, door uitgehongerde, door koorts geteisterde, vaak zelfs doodzieke mannen.

Maar deze ellende vormde de grondslag voor een opleving zonder weerga van de wereldeconomie. Jaar in jaar uit groeide de behoefte aan rubber en ieder jaar overtroffen de beurskoersen die van het vorige. Voor de seringueiro bracht een pond latex een paar handen vol maniokmeel op, de exporteur echter ontving er de tegenwaarde van 35 pond koffie voor. Onmetelijke winsten goten zich als watervallen uit over de heerschappij van de tussenhandelaren.

Avonturiers uit de hele wereld spoedden zich naar deze bron van rijkdom die plotseling in het oerwoud opwelde. In de gehele geschiedenis van de economie is rubber wellicht het enige plantaardige product dat een met de ‘goldrush’ vergelijkbare koorts heeft ontketend. Manaus bestond reeds zeer lang. Aan de oever van de zwarte golven van de Rio Negro, nabij zijn samenvloeiing met de Amazone, had de ontdekkingsreiziger Francisco Falco in 1667 een fort, San José, gesticht dat later Bara heette en ten slotte uitgroeide tot Manaus. Twee eeuwen lang leidde de plaats op de twee of drie heuveltjes tussen de diep ingesneden kleine zijrivieren, de ‘igarapé’s’, als zetel van bestuur een slaperig bestaan. De hoofdstad van Amazonas was Belém, de haven aan de monding, enige schakel tussen de wilde rivier en de beschaving. Het stadje Manaus telde in 1850 slechts 6000 inwoners en vormde niet meer dan een eindeloos ver verwijderde voorpost in het onverkende gebied. Een paar groepen ‘Memeluco’s’ of ‘Caboclo’s’, een mengras van Indianen en Portugezen, vissers, jagers, looiers die
krokodillenhuiden bewerkten, verzamelaars van geneeskrachtige kruiden, stroopten de eindeloze vlakten van de moerassen af, maar ontmoetten elkaar ten tijde van de vloed in Manaus om de oerwoudproducten te ruilen tegen een beetje ijzer, kruit en zout. De plaats was verschrikkelijk verwaarloosd. Op de oevers van de Rio Negro. die steeds weer onder water stonden, hoopte zich in het slijk de afval op die door de ernstige, zwarte urubu’s, een Zuid-Amerikaanse giersoort, weer uitgegraven werd. De weinige notabelen, ambtenaren en kooplieden bouwden hun houten huizen op de vaste wal, terwijl het gewone volk, net als vandaag nog, op de rivier woonde. Onmiddellijk achter de woningen begon het oerwoud. De ontdekking van de rubber schudde dit verrotte wereldje wakker. Namen uit al ’s Heren landen verschenen plotseling op de uithangborden van Manaus. Toen men moeilijkheden ondervond bij de bouw van de eerste pakhuizen, bood de Britse maatschappij Booth uitkomst door tussen de ‘igarapé’s’ Cachoeirinha en Cachoreira een brug aan te leggen. De grootste troef van de oerwoudstad was de directe verbinding met de oceaan via de machtige waterweg de Amazone. Spoedig kon men regelmatig het schouwspel beleven dat grote stoomschepen uit Europa de Rio Negro binnenvoeren, de schuimende grens tussen het gele en het zwarte water passeerden, langs de steile hellingen van de noordelijke oever voorbijgleden en, begeleid door de klanken van hun boordkapel en het geloei van sirenes, in Manaus voor anker gingen. De rijkelui maakten er een gewoonte van hun was in Londen te laten doen.

De armzalige hutten van Manaus, aan de Rio Negro, staan op palen of op vlotten, aangezien de rivier vaak plotseling zwelt. Geen enkele weg leidt naar deze stad, die volledig door het oerwoud is ingesloten.

Het geld vloeide in stromen naar Manaus en de plaats kende een opbloei zonder weerga. Men plaveide de straten, legde een kanalenstelsel aan, bouwde een kathedraal, voerde gasverlichting in, sloeg een bron die naar de top van een heuvel werd geleid vanwaar het water in een reusachtig reservoir stortte en bestelde in Engeland een trambaan met 16 kilometer rails, ’s Avonds bestegen de schonen van Manaus, gehuld in mousseline, de open rijtuigen en reden om verkoeling te zoeken in de door de snelheid opgewekte wind tot aan het eindstation bij de grote ijzeren brug van Cachoerinha, waar het angstaanjagende oerwoud begon. Het toppunt van pronkzucht was de bouw van een theater met 1400 zitplaatsen en een reusachtige koepel van faience, waarvan een paar totaal verknipte figuren betreurden dat hij niet van goud was gemaakt. Overal bazuinde men rond dat Sarah Bernhardt op dit podium zou zijn opgetreden. Zelfs op de kaften van schoolschriften werd in Manaus van dit wapenfeit kond gedaan, maar in werkelijkheid heeft het nooit plaatsgevonden. Noch Sarah Bernhardt, noch Caruso hebben ooit een voet in Manaus gezet.

In 1880 verbreidde zich het bericht dat een Engelsman, een zekere Parris, enkele jaren daarvoor zaden van de rubberboom uit Brazilië had meegenomen en deze aan de botanische tuin van Kew had gegeven, die ze op zijn beurt had doorgestuurd naar de botanische tuin van Calcutta, in de hoop dat men dit kostbare gewas ook in Azië zou kunnen kweken. Het experiment faalde echter. Ver van hun vaderland waren de plantjes snel doodgegaan. Dit bevestigde het vermoeden dat de Hevea brasiliensis trouw bleef aan zijn naam en dat alle pogingen hem buiten zijn vaderland te kweken tot mislukking waren gedoemd. Voorzichtigheidshalve besloot de Braziliaanse regering toch de uitvoer van zaden en zaailingen van de rubberboom te verbieden en de grensposten kregen dienovereenkomstig instructies. Op grond van de getroffen maatregelen en van het gedrag van het gewas was men er in Manaus vast van overtuigd dat de toekomst veilig was gesteld.

Maar helaas sliepen de douaneambtenaren of zorgde men ervoor dat ze een oogje dicht deden. Het schip dat ze ongehinderd door lieten gaan droeg zelfs de naam ‘Amazone’. Het smokkelde 70000 in bananenbladeren verstopte zaden van de Hevea brasiliensis het land uit. Vanaf de brug zag een zekere H.A. Wickham (later Sir Henry) het vlakke land dat hij nooit meer betreden zou aan de einder verdwijnen. Hij had de missie, waarvoor hij tien jaar vol zware ontberingen en talloze gevaren in Amazonas had doorgebracht, met succes beëindigd. Niemand had deze rijzige, zonderlinge man, met wiens zaken het niet zo best gesteld leek te zijn maar die toch nooit geldgebrek had, ook maar enigszins gewantrouwd. ‘Oude dwaas’, spraken de inwoners van Santarem over hem, wanneer ze hem tegenkwamen op een ‘estrada’. En nu voerde de oude gek op de ‘Amazone’ de rijkdom van de Amazonas met zich mee….Maar in Manaus maakte niemand zich zorgen. De toekomst leek zonniger dan ooit. De auto vormde voor de rubber een nieuwe, winstgevende markt. Tussen 1901 en 1910 steeg de prijs van de rubber van 25 tot 34 franc per kilo. Nu begon men de rubberbomen in de hooggelegen gebieden van de Madre de Dios af tc lappen, waar de wildste Indianenstammen van het continent leefden. Het enige waarvoor men bang was, was dat de wonderboom uitstierf, want onverantwoordelijke scringueiro’s velden hem soms om hem in één klap van al zijn tranen te beroven. In Manaus wist men dat er nu ook op Ceylon en in Maleisië rubberbomen werden aangeplant, maar men wachtte kalm de bestraffing van deze jongste diefstal af. Men had alle aanleiding zich zeker te voelen: zelfs kweekpogingen bij Belém hadden geen resultaat opgeleverd. Er waren weliswaar scheuten uit de grond gekomen, maar deze verwelkten weer snel. Wanneer de begeerde, koppige Hevea zich niet eens in eigen land liet aanplanten, hoe zou hij zich dan wel bij de Maleiers gedragen?

De ramp voltrok zich met de kracht van een lawine. In 1910 betaalde men voor de rubber 35 franc, in 1911 17, in 1912 nog maar 14 en in 1913 nog slechts 10. Door zijn lage productieprijs overstroomde en verzadigde de rubber uit Zuidoost-Azië bliksemsnel de markt, die even rekbaar bleek als de rubber zelf. De keten van schulden, die van de bankiers in Londen tot aan de seringueiro’s van Guapore reikte, brak in duizend stukken. Manaus en Belém noteerden faillissementen tot een totale hoogte van een kwart miljard goud-franc. Menige grijsaard weet te vertellen hoe hij als boemelstudent in het Parijse Quartier Latin op een kwade dag het volgende telegram ontving:

CATASTROFE. FAMILIE GEHEEL GERUÏNEERD. MAANDELIJKSE TOELAGE INGETROKKEN. KOM ZO SNEL MOGELIJK NAAR HUIS.

Het hardst werden natuurlijk de seringueiro’s getroffen. Ze moesten hun
‘estrada’s’ verlaten en sleepten zich half uitgehongerd over de Amazone naar hun vaderland terug. Menigeen bleef achter in het oerwoud, waar hij wegkwijnde of het slachtoffer werd van de giftige pijlen van de Indianen. Na nauwelijks vier jaar was Manaus, met zijn reusachtig, nu zinloos geworden theater, zijn verlaten dokken, de half voltooide paleizen en de vleugels die stonden weg te rotten, een dode stad.

Maar het verhaal is nog niet uit. Er bestond voor het land aan de Amazone nog een uitweg: men moest het voorbeeld van Maleisië volgen en rubberplantages aanleggen. De eerste mislukking schreef men toe aan gebrek aan ervaring, maar de toestand veranderde toen in 1924 Henry Ford ten tonele verscheen. Hij wilde het Brits-Nederlands-Franse monopolie breken en vocht vooral tegen het zogenaamde Plan Stevenson, dat beoogde het prijspeil te behouden door de productie te beperken. Ford was een overtuigd aanhanger van de Monroe Doctrine en deze sterkte hem nog in zijn voornemen. De rubber was een geschenk van Amerika aan de wereld. Het was daarom onverdraaglijk, ja zelfs volkomen amoreel dat de rubberboom ergens anders dan op Amerikaanse bodem groeide.

Weer voeren grote stoomschepen de Amazone op. Langs de uivormige torens van de kathedraal van Santarem gleden ze de onafzienbare, melkachtige wateren van de Tapajos op. Van dit beste en gezondste gebied van Amazonas stond de Braziliaanse regering 800000 hectaren af aan de Ford Motors Company. Verbluft sloegen de Caboclo’s aan de Tapajos het oprukken van de Noord-Amerikaans luxe gade. Midden in het oerwoud was er plotseling elektrisch licht en waren er ziekenhuizen, zo wit en koel als in een droom, en fel verlichte winkels waarin onvoorstelbare massa’s kostelijkheden lagen uitgestald. De twee steden van Henry Ford, Belterra en Fordlandia, werden het trefpunt van alle rubberdeskundigen wier diensten voor dollars te koop waren. Bij dit gigantische, kostbare experiment weigerde er slechts één zijn medewerking: de rubberboom zelf. De Hevea brasiliensis weigerde koppig Henry Ford te gehoorzamen. Niets is zo wonderlijk als dit verzet, deze wilsuiting van een plant. In Azië groeien miljoenen Hevea-bomen gehoorzaam in reusachtige concentratiekampen. In Amazonas daarentegen ging de gevangen Hevea te keer als een bezetene. Een ziekte ontbladerde hem. Daarom veranderde men hem met behulp van een variëteit uit het Verre Oosten. Maar toen kwamen de stam en de wortels in opstand. Aangezien de bomen uit oogpunt van rendabiliteit dicht op elkaar geplant moesten worden, wemelde het in de plantages al snel van vraatzuchtige insecten en andere parasieten. De oogsten bleven onbeduidend en de productie van de duurste rubberplantage ter wereld overtrof nooit de enkele duizenden tonnen omvattende opbrengst van een gemiddelde plantage in Maleisië. De oude Ford zette uit trots tot aan het einde van zijn leven door, maar zijn erven stootten de geldverslindende onderneming direct na zijn dood af en gaven het voor een honderdste deel van de koopprijs van 25 miljoen dollar aan de Braziliaanse regering terug. Tegenwoordig is Fordlandia geheel verlaten en in Belterra rekken nog slechts enkele resten van de droom van Henry Ford een kommervol bestaan.

Ondertussen was de rubber oorzaak van nog een tragedie. Alles was echter zo duister dat het nu, na enkele tientallen jaren, moeilijk is alle bijzonderheden te reconstrueren. De Tweede Wereldoorlog woedde. Japan hield het gehele zuidoosten van Azië bezet. De Verenigde Staten zocht vertwijfeld naar nieuwe mogelijkheden om rubber te winnen en de gedachten gingen zelfs in de richting van de lianen van Afrika en de wolfsmelkgewassen van hun eigen grote vlakten. De in het wild groeiende rubberbomen van Amazonas vormden in de ogen van de leiders van de War Production Board een geschenk van de Voorzienigheid. Men was nooit helemaal opgehouden met ze af te tappen. Nooit waren de bruine en zwarte ‘pela’s’ geheel van de markt van Manaus verdwenen, vanwaar men ze naar Sao Paulo verscheepte om het geringe binnenlandse verbruik te dekken. Men wilde nu deze in het wild groeiende rubberbomen gewelddadig aanpakken en ze zo nodig dood laten bloeden om ze van de rubber te beroven die men zo dringend nodig had voor de oorlog. Aangezien er te weinig professionele seringueiro’s waren, haalde men de arbeiders nogmaals weg uit Ceara. De veteranen van de Amazone voelden, zij het in gemoderniseerde versie, nog één keer dezelfde koorts als tegen het einde van de afgelopen eeuw. Ditmaal brachten watervliegtuigen de mannen naar de ‘estrada’s’. Hun vrouwen en kinderen volgden op kleine stoomschepen. Velen van deze arme drommels kwamen omdat men hen sprookjesachtige lonen in het vooruitzicht had gesteld, maar talrijke andere waren door hun feodale broodheren verkocht.
Nog eenmaal heerste er aan de Amazone koortsachtige bedrijvigheid. Het ronken van de jeeps wekte Manaus uit zijn vochtige dommel. Tot diep in het oerwoud landden watervliegtuigen ongeacht enig gevaar op de kleinste watertjes en transporteerden de pela’s naar Belém, waarmee men zich het lange transport over water bespaarde. Toen senator Hugh Butler het land van de Amazone bezocht, stelde hij onthutst vast dat één enkel pond van deze rubber, waarvan de winning door bureaucraten georganiseerd was en die men door de lucht vervoerde, 500 dollar kostte. De ware tragedie echter bleef voor hem verborgen, namelijk die van de ongeschoolde arbeiders. Men had ze de jungle ingestuurd en ze stierven bij duizenden door koorts en ellende. Men beweert – misschien is het overdreven – dat op dit onbekende slagveld van de Tweede Wereldoorlog 50000 mannen het leven lieten. Zo goed als voor niets. De productie van natuurlijke rubber aan de Amazone bedroeg in 1938 19 000 ton. Ondanks alle inspanningen kwam die in 1945 niet boven de 45 000 ton.

Nog steeds bestaan er seringueiro’s. Ze leven en werken nog precies zoals honderd jaar geleden toen het avontuur van de rubber begon. 50000 zwerven er door het gebied tussen Belém en Benjamin Constant respectievelijk Cruzeiro do Sul. Ze vergaren per jaar hooguit 600 kilo rubber en hun maandelijks inkomen is niet meer dan een paar honderd gulden. De prijs voor de tranen van de rubberboom is sinds de gloriedagen van Manaus ongehoord gedaald. Toen was een pond rubber evenveel waard als 35 pond koffie; nu krijgt men er een half pond voor. De seringueiro’s werken overigens alleen nog maar voor de eigen behoeften van Brazilië, dat het kweken van de Hevea op eigen bodem opgegeven heeft en in plaats daarvan te Recife een fabriek voor de productie van synthetische rubber heeft gebouwd.

Dit Amazonas is een land vol tegenstrijdigheden. De eersten die het na Alexander von Humboldt bezocht hebben, bevestigen geestdriftig diens oordeel: er is hier nog genoeg vruchtbare grond om de totale mensheid van de toekomst te voeden. Maar op de markt van Manaus – een uit Frankrijk geïmporteerde ijzeren hal die door de urubu-gieren wordt schoongehouden – komt alles van elders. De ‘faejoes’ of rode bonen, de ‘farinha’, het maniokmeel, de uien, de rijst, ja zelfs de bananen zijn afkomstig uit andere streken van Brazilië, bijna altijd – zoals in het gehele land – uit de staat Sao Paulo. De hele kringloop van het leven berust op fotosynthese-dat wil zeggen op het gebruik van zonne-energie, met behulp waarvan de planten proteïnen vormen. Nergens ter wereld is de fotosynthese intensiever en toch gelukt het Amazonas nauwelijks de paar mensen te voeden die verspreid in zijn verten leven. In het vruchtbaarste land ter wereld heersen ondervoeding en honger. De schuld daarvan is vooral de bodem. Deze is in het Amazonegebied zeer ondiep en schraal. Even snel als de humus zich vormt, lossen de hevige tropenregens deze weer op en spoelen hem weg. Overigens onttrekken de meeste gewassen nauwelijks voedingsstoffen aan de aarde, want voor een groot deel leven ze uitsluitend in de lucht of in het water. De machtigste bomen bezitten slechts nietige wortels, zijn reusachtige lijven met de benen van een dwerg. Het is onmogelijk in deze grond de gebruikelijke landbouwgewassen te telen. En toch staat de grote vruchtbaarheid ervan buiten kijf als men denkt aan de miljoenen tonnen organische materie die het oerwoud dagelijks voortbrengt.

Met behulp van de wetenschap en gedwongen door de steeds groeiende behoefte zal de mens zich in de toekomst ongetwijfeld nog diepgaander met dit probleem bezighouden. Het zal gelukken de hierboven geschetste tegenstrijdigheid op te heffen en de voorspelling van Von Humboldt zal in vervulling gaan, zij het op een andere manier dan met de middelen van de traditionele landbouw. De toekomst van Amazonas ligt in de toepassing van nieuwe, uit de ontwikkeling voortvloeiende technieken, bijvoorbeeld de cultuur zonder aarde. De ongekende massa’s licht, warmte en water die zich over het bekken uitgieten, zullen niet langer onbenut blijven. Maar er zullen nog een of twee generaties, misschien zelfs een of twee eeuwen voorbijgaan voordat men het probleem van het benutten van Amazonas geheel aankan.

Tot dan toe zullen slechts de gebieden langs zijn waterlopen bouwrijp zijn. Ook dit rivierenstelsel kent, evenals de Nijl, het verschijnsel van overstromingen, alleen honderdmaal sterker. Het water laat vruchtbaar slib achter dat het deels aan de vulkanische bodem van de Andes onttrokken heeft. Een Japanse immigrant, Oyama, slaagde erin één enkel zaadje van de jutezaden die hij had meegebracht tot ontkieming te brengen en reeds is het groen aan de oevers van de Amazone, de Tapajos en de Madeira. Dit groen heeft het jutemonopolie van Bengalen gebroken. Hetzelfde herhaalde zich met de peperstruik. Nog vele andere nuttige planten zouden in het gebied van de Amazone geteeld kunnen worden indien het land niet de meest onontbeerlijke van alle vruchtbaarheidsfactoren, namelijk de mens, miste. De reusachtige staat Para, dertigmaal zo groot als Nederland, telt niet meer dan 2 miljoen inwoners, en de staat Amazonas, bijna vijftigmaal zo groot als Nederland, slechts iets meer dan 500000. De mens is het kostbaarste geschenk dat men dit gebied geven kan.

Het land langs de Amazone wordt de ‘Groene Hel’ genoemd. Een ongezond klimaat, een angstaanjagende natuur, wolken bloedzuigers en talloze slangen maken de mens tot een onwetende, bange indringer. De Brazilianen kunnen niemand het verwijt maken de kwalijke naam van een deel van hun land in de wereld geholpen te hebben. Zij zelf zijn er de schuld van, want zelfs de uitdrukking ‘Groene Hel’ werd in Brazilië uitgevonden. Er bestaat geen Groene Hel. Men kan zijn gehele leven in Amazonas doorbrengen zonder ooit een slang te ontmoeten. De meeste foto’s van wilde dieren worden gemaakt in de dierentuinen van Belém en Rio. De dieren van het oerwoud mogen vreemdsoortig, ja zelfs gevaarlijk zijn, ze komen zelden te voorschijn en vormen geen noemenswaardig gevaar. De enige levende wezens waar men echt bang voor mag zijn, zijn de insecten, waartegen echter steeds betere beschermende middelen bestaan. De vroegere gesels van het Amazonegebied -malaria, gele koorts, inheemse tropische ziekten – zijn dank zij de onvermoeibare inspanningen van Oswaldo Cruz, Chagas en hun opvolgers, sterk aan het afnemen. Ze zouden geheel verdwijnen als de mensen aan de Amazone niet zo arm en onwetend waren. Wel kan er voor de enkeling een Groene Hel bestaan, voor de seringueiro in zijn hut of voor de eenzame reiziger die zich uit romantische zucht naar avontuur of op jacht naar roem in de ongebaande jungle waagt. Van dergelijke hellen zijn er tientallen op aarde; de Groene Hel in één adem te noemen met Amazonas – dat komt slechts voort uit de dwaze literaire traditie uit een tijd waarin San Remo al voor exotisch doorging. Het land aan de Amazone is weliswaar een ongastvrij, onbeschaafd gebied, maar het onderscheidt zich in geen enkel opzicht van andere streken op dezelfde breedtegraad, waar het nochtans wemelt van de mensen. De dalen van alle grote rivieren, te beginnen bij Vader Nijl, waren oorspronkelijk reusachtige overstromingsgebieden, weidse moeraslandschappen waarin op een goede dag de mens zich kwam vestigen, die ze door zijn arbeid in cultuurgrond veranderde.

.

Aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld6e klas

.

2167

VRIJESCHOOL – 11e klas – wiskundige aardrijkskunde

.

wiskundige aardrijkskunde

Toen de vrijeschoolbovenbouwen iets minder onvrij waren dan nu – lees: minder te maken hadden met examendruk – was ‘wiskundige aardrijkskunde’ een periode waaraan alle leerlingen van de klas in het hoofdonderwijs deelnamen. Hoe dat nu is, weet ik niet.

Een van de allereerste aanwijzingen in het leerplan van Caroline von Heydebrand voor het vak aardrijkskunde in de 11e klas, is de behandeling van de mercatorprojectie. In dit nummer van het tijdschrift Vrije Opvoedkunst staat een artikel over ‘wiskundige aardrijkskunde’. 

Ook de zonnewijzer kan behandeld worden. 
In een verzameling artikelen in een bundel van vrijeschool ‘Novalis college’ in Eindhoven staat dit artikel uit het blad ‘Pythagoras’.

Daarin wordt genoemd deZonnewijzerkring‘. Op de website staat veel informatie en je kan er veel afbeeldingen vinden.

11e klas: alle artikelen

Sterrenkunde: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden.

2056

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – aardrijkskunde (6)

.

Wie een 4e klas heeft en voor het eerst aardrijkskunde geeft, gaat met de klas een stads- of dorpswandeling maken om vanuit historische gegevens een indruk te krijgen van hoe het daar allemaal begonnen is. De vele – soms onbegrijpelijke – straatnamen worden onderzocht, maar ook allerlei andere interessante bezienswaardigheden. Vele aanknopingspunten naar de geschiedenis, de economie van de plaats in vervlogen tijden, de banden naar het heden. 
Kortom: een heerlijk begin om met de kinderen ‘in de wereld’ rond te zien.

Er zijn maar een paar plaatsen waar je met de kinderen ook de zgn. ‘gaper’ aan de gevel kan ontdekken: o.a. in Eindhoven, Amersfoort, Amsterdam, Den Haag Zwolle, Deventer, Haarlem, Enkhuizen (de lijst is niet compleet).

Uiteraard kan er ook een andere aanleiding zijn om eens stil te staan bij deze ‘gaper’.
Op Wikipedia staat een heel bruikbaar artikel en ik vond er zelf nog een:

.
ANWB – kampioen maart 1994
.

Wegwijzers naar pillen en poeders

Kinderen zijn er soms bang voor. Zo’n enge kop, die je altijd aankijkt, waar je ook staat. Bovendien steekt hij ook nog zijn tong naar je uit… Vanaf gevels en puien blikken moren, muzelmannen en narren op ons neer. De een nog lelijker dan de ander, maar toch met goede bedoelingen. Zo’n houten kop wil de mensen attenderen op de verkrijgbaarheid van drankjes, pillen en poedertjes bij de drogist. Als bewijs van zijn eigen voortreffelijke conditie steekt de gaper zijn tong uit.

De herkomst van de gaper is min of meer in nevelen gehuld,’ zegt Koos Koster. Hij heeft met Cor van Vliet, oud-drogist, het eerste Drogisterij Museum in Nederland opgericht. In de wereld van de witjassen doen twee versies de ronde. De eerste historisch aantoonbare versie luidt, dat ene heer Gaper, drogist in Gouda, omstreeks 1400 een bloeiende kruidennering had, die van heinde en ver volk aantrok. Na zijn overlijden besloten de bedienden deze druk beklante zaak voort te zetten. Uit eerbetoon of kiene klantenbinding plaatsten zijn opvolgers een beeld van hun baas op de pui, zodat het voor de klanten duidelijk was dat de zaak op oude voet werd voortgezet. Dat was de eerste Gaper.

‘Van winkels zoals wij die kennen, was natuurlijk geen sprake,’ vervolgt Koster. ‘Straatnamen bestonden nog niet, laat staan ANWB-wegwijzers! Bovendien konden de meeste mensen niet lezen. Slimme handelaren plaatsten daarom een uithangbord of symbool van hun waren aan gevel om het publiek te wijzen op hun nering; bij de drogist werd dat op den duur de gaper.’

Kwakzalvers en waarzeggers

‘Het tweede verhaal klinkt al net zo aannemelijk,’ lacht Koster. ‘In de late middeleeuwen raakte in de grote steden de markt in zwang. Een soort primitieve Albert Cuyp waar kooplieden en marskramers op af kwamen om hun meegezeulde waren te slijten. In hun kielzog trokken kleurrijke figuren mee, zoals barbiers, kruidenverkopers, kwakzalvers, waarzeggers, piskijkers, chirurgijnen, narren en andere potsenmakers. Een soort rondreizend circus. Het publiek was natuurlijk nieuwsgierig naar die onbekende, uitheemse handel en geheimzinnig geurende kruiden, waaraan een medicinale waarde werd toegekend. Men verdrong zich rond die vreemde grappenmakers. Net als nu waren kooplieden inventief in het verzinnen van trucs en foefjes om hun waren aan de man te brengen. De kruidenverkopers, de voorlopers van apothekers en drogisten, vormden geen uitzondering. De meeste kruidenhandelaren hadden een ‘bezienswaardige’ oosterling als assistent. Die speelde de rol van patiënt. Hij bewees hoe gezond die pillen, brouwsels en kruiden wel waren. Het argwanende publiek zag dat de zieke vreemdeling een kruidendrank innam en zich even terugtrok. Uit het zicht smeerde hij zich bliksemsnel in met geurende olie om vervolgens een paar minuten later springend en dansend vol vitaliteit tevoorschijn te komen. Zijn bruine body glom van gezondheid en als bewijs liet hij bovendien zijn rode tong zien die prachtig afstak tegen de witte tanden in zijn donkere glanzende gelaat. De opgewonden menigte aanschouwde met eigen ogen dat geen kwaal hem nog deerde. Bovendien bleek hij niet vergiftigd en dat kwam in die tijd óók nog wel eens voor! Na zo’n act werden goede zaken gedaan, dat is duidelijk. En de kruidenverkoper steeg in aanzien,’ besluit Koster, die zichtbaar geniet van zijn verhaal.

Bruine kroeg

Van Vliet vervolgt het relaas: ‘In die dagen had een apotheek meer weg van een bruine kroeg dan van een serieuze, propere winkel. Doordat de handel met andere landen op gang kwam, waren producten als koffie, thee, suiker en niet te vergeten tabak óók in de apotheek verkrijgbaar. Liefhebbers van geestverrijkende kruidenbitters, genotmiddelen en pijnstillende siroopjes konden deze ter plekke in het etablissement nuttigen. Als er haast bij was, bereidde de apotheker zelfs a la minuut een heilzame drank. Die waren vaak op basis van alcohol. Na de laatste slok voelde ‘de patiënt’ zich dus al heel wat beter. Geïnspireerd door de oosterse cultuur sierden steeds vaker roetzwarte sjeiks, gekwelde sultans, koffiekleurige pasha’s en grappige narren de gevels van medicijnmannen. De exotische gaper, bruin of zwart, ziek of misselijk, met of zonder pil, bleek een ijzersterke reclamemaker voor drogisten en apothekers die zich allengs hier en daar definitief vestigden. Sommige kooplieden die voornamelijk uitheemse specerijen en genotmiddelen als tabak verhandelden, maakten reclame door middel van zo’n roetzwarte moriaan op de pui.

Vrouwen achtergesteld

Tot aan het begin van de negentiende eeuw werkten apothekers en drogisten samen, dat wil zeggen dat de drogist tevens groothandel en leverancier was voor apothekers en hen voorzag van ingrediënten zoals chemicaliën en kruiden die eerst in de drogerij werden gedroogd. In Zwolle aan de Diezerstraat is nog een originele onderpui van zo’n drogerij uit 1782 te zien.

In vergelijking met het buitenland was er in ons land gaandeweg een unieke situatie ontstaan, want in geen enkel ander land mochten drogisten geneesmiddelen verkopen. Daardoor is de gaper een oerhollands stukje volkskunst. Nergens ter wereld vind je zoiets. Rond het midden van de vorige eeuw kwam er een scheiding tussen de drogisterijen en apothekers. De laatsten werden door de overheid gekwalificeerd om geneesmiddelen te verkopen. Om zich van de drogisten te onderscheiden, kozen de apothekers voor het symbool van de vijzel met de slang, zoals dat ook in het buitenland gebruikelijk was.

Het assortiment van de drogist spitste zich nu voornamelijk toe op verfstoffen, bijenwas, zaden, specerijen, kruiden, ratten- en muizengif en later ook op
middelen als zand, zeep en soda. De laatste twintig jaar is het assortiment volkomen veranderd; maar voor een geurig zeepje, een smeersel voor een wondje of een doekje voor het bloeden kan men er nog steeds terecht. Veel drogisten zijn de clowneske pillenvreter, die graag het achterste van zijn tong laat zien, als symbool blijven gebruiken tot grote vreugde van wie er op letten wil. Behalve dat we er een stijve nek van hebben gekregen, heeft onze jacht op gapers ons duidelijk gemaakt dat vrouwen slecht zijn vertegenwoordigd bij het gilde der gapenden. Zegge en schrijve één schone gaapster kruiste tot nu toe ons pad. In Deventer, vlakbij de Lebuinuskerk, is speciaal een huis naar haar genoemd: De Moriaan. Metershoog hangt de ijdeltuit aan de gevel. Gepermanent en opgetut. Al meteen blijkt dat ze zich onderscheidt van haar mannelijke collega’s: ze doet d’r mond niet open! Gouden letters vertolken haar grief:

Dit is de hoofdzaak van mijn lijk;
als moorkop hang ik hier te kijk!’

Gapers onder het mes

In zijn werkplaats in Den Haag is schrijner en kunstenaar Joop Mackenbach juist bezig op papier de zoveelste moor te ontwerpen. ‘Veel gapers hebben de tand des tijas niet overleefd,’ zegt hij. ‘Ouderdom, oorlogsgeweld, reorganisaties, slecht onderhoud, zure regen en verbouwingen waarbij hij in de weg hing, hebben bijna geleid tot zijn ondergang. Maar de moderne drogist heeft toch weer oog gekregen voor dit stukje historie. In de tien jaar, dat ik gapers maak en restaureer, is de vraag naar deze snelle reclamejongens groeiende,’ lacht hij.
‘Net als vroeger maak ook ik gebruik van een goede kwaliteit grenehout, tenminste als de gaper binnen komt te hangen. Voor buiten komt merantie in aanmerking, want dat is harder. Voor zo’n zware jongen, die bijvoorbeeld in Nijmegen of Leusden hangt te gapen, worden drie grote blokken hout tegen elkaar gelijmd met tussen ieder blok een krant,’ legt de schrijner uit. ‘Na droging van de lijm ga ik met beitels aan de slag om de grove vorm aan te brengen. Dan splijt ik de stukken hout, wat heel gemakkelijk gaat vanwege de kranten die er tussen zitten, en hol ik ze uit. Vervolgens gaan de uitgeholde delen in de lijmtangen en daarna breng ik met messcherpe gutsen, die ik zelf slijp, de verfijningen aan. Om hem tegen inwateren te beschermen, klop ik een loden kap op z’n kop waarna hij in de grondverf gaat. Froukje, mijn vrouw, hanteert de verfkwast. Dat is namelijk een secuur werkje. Bij een nieuwe gaper worden de kleuren bepaald aan de hand van het ontwerp van mij of van de opdrachtgever. Gaat het om de restauratie van een oude gaper dan gebruik ik zo mogelijk de originele kleuren. Soms zitten er wel twintig verflagen over elkaar, die er allemaal af moeten. De verven worden gemaakt op basis van lijnolie die een lange droogtijd hebben. Dat is een nadeeltje; daar tegenover staat echter dat ze heel mooi zijn en het hout goed beschermen, weet Joop.
Wat ik nog wilde vertellen, is dat de gapercollectie van wijlen drogist Van Os ondergebracht is in het Zuiderzeemuseum. Deze Van Os zag blijkbaar aankomen dat menige gaper verloren zou gaan. Daarom heeft hij her en der gapers opgekocht. Na zijn dood hebben zijn erfgenamen de antieke verzameling in bruikleen gegeven aan het museum. De originele pui van apotheek De Groote Gaper in Hoorn maakt eveneens deel uit van het Buitenmuseum, aldus Joop.

Er zijn ook musea waar nog gapers zijn te bekijken. Zie Wikipedia-artikel.

 

.

4e klas aardrijkskunde: alle artikelen

4e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld; 4e klas

.

2006

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – zijde (1-1)

.

ZIJDE

van cocon tot couture

Zijde: eeuwenlang ritselen en ruisen in de paleizen van China, de kastelen van Frankrijk en Italië. Maar ook zijde anno nu, sportieve bloesjes en geklede jurken, gewoon in de confectie. De hernieuwde belangstelling voor natuurlijke stoffen bracht ons op het idee u iets te laten zien van die oeroude, springlevende zijde-cultuur.

Een Chinese gravure uit de 19e eeuw laat zien hoe de blaadjes van de moerbeiboom, het voedsel van de zijderups, met de hand worden geplukt. In onze tijd is de pluk gemechaniseerd.

De zijderups is de larve van deze prachtige moerbeivlinder, (Bombyx Mori).

De eitjes die door de vlinder zijn gelegd, worden verzameld.op papier en in een koele ruimte bewaard. Een deskundige bepaalt daarna het meest gunstige moment voor het uitkomen van de rupsen.

De rupsen worden in maart of april geboren. Als de rups 8 centimeter is, rolt zij zich op om haar cocondraad te gaan spinnen.

De cocondraad komt uit twee openingen onder de kop van de rups. Tijdens het spinnen worden de twee draden door een soort lijm tot één samengevoegd. De rups legt deze draad, die ongeveer 1500 meter lang is, als een cocon om zich heen. In vierentwintig uur is haar cocon klaar, die dan wordt afgehaspeld: de eerste ruwe zijde, klaar voor bewerking!

LYON, bakermat van de Europese zijde-industrie

Twintig eeuwen lang wisten de Chinezen het geheim van de zijdecultuur te bewaren. Toen kwamen in de derde eeuw de Romeinen, die het meenamen naar Europa. Maar het duurde nog elf eeuwen voor Italië als eerste een monopolie van zijden stoffen voor zich opeist. Frankrijks zijdewevers van Lyon volgen. Zijdeweven wordt kunst. In 1805 vindt een zekere monsieur Jacquard de eerste weefmachine uit waarmee de meest ingewikkelde en verfijnde patronen kunnen worden gemaakt.

De vallei van de Rhône zoemt van vlinders en fabrieken; kunst wordt industrie.

Na twee wereldoorlogen kent de zijdeindustrie een dieptepunt. Nu, in 1973*, heeft Lyon zich weer hersteld, mede door de hernieuwde belangstelling voor natuurlijke materialen.

Bij het weven:

De ketting is de lengtedraad in een weefsel. De duizenden kettingdraden moeten evenwijdig aan elkaar op de kettingboom gewikkeld worden. Dit heet scheren.

Chinese 19e eeuwse prent met een handweefgetouw.

*Door de opkomst van de kunstzijde is de zijdeproductie in Lyon vrijwel verdwenen.

Meer          meer

.

Aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde 7e klas: alle artikelen

.

1741

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – klas 8 – meteorologie (2)

.

EERSTE meteorologie

De blik omhoog naar naar de lucht waar wolken ontstaan, zich vormen en langzaam weer oplossen, is bij ons, aardebewoners, dikwijls met de hoop verbonden dat het weer ons niet teleurstelt. We weten hoe kwetsbaar voorspellingen zijn. Zeker, vandaag de dag lijken de nieuwsmededelingen en de satellietbeelden meer zekerheid te hebben gebracht, tegelijkertijd ook een voorschot te nemen op het gemak om het net eerst zelf eens te proberen. Om de weersvoorspellingen op het beeldscherm te volgen is zeker indrukwekkend, maar ook voor de opgroeiende leerling geen aansporing meer tot eigen initiatief.
Wat kunnen we doen?
Vele klassenleerkrachten van de middenbouw zullen geneigd zijn de schoonheid van de wolkensoorten in de belangstelling van een klas te plaatsen, waarbij tochtjes de bergen in of naar zee aanleiding geven. Dat is begrijpelijk, maar daarmee komen de eerste vragen op naar de eigenlijke samenhang, waarop ook Goethe wijst, wanneer hij in een brief aan een vriend schrijft:
“Bij nader onderzoek geloof ik te hebben gevonden dat het vormen van de wolkenverschijnselen van de barometerstand afhangt en dientengevolge van de barometerhoogte.'[1]
En ja, Goethe roemde bij zijn eigen weerswaarnemingen de barometer en hij wees er steeds op: ‘De methode om vooral naar de barometer te kijken bij alle atmosferische verschijnselen, was voor mij zeer vruchtbaar en ik ben er bijna overmatig mee bezig geweest.'[2]
Zowel op reis als thuis waren de weerswaarnemingen voor hem belangrijk. Bijkomend vond hij een eigen barometer uit die uit een gesloten glas bestond met daarin water dat naar buiten met een buisje, een zgn. pijpje verbonden is. Al naar gelang de toestand van het weer daalt of stijgt het water in het pijpje en daarmee wordt de luchtdruk zichtbaar. [3]

bron

Ondanks zijn intensieve leven als onderzoeker had Goethe nog geen kennis van de ons nu vertrouwde samenhang van het weer op grote schaal, de hoge- en lagedrukgebieden met de turbulentie en fronten. Des temeer was hij aangewezen op eigen waarnemingen. De beeldrijke taal die hij bij zijn kennis zo bewonderenswaardig kon toepassen, is voor de vrijeschoolleerkracht een grote steun om met de eigen klas een begin te kunnen maken met de meteorologie. Ook hier komt de barometer op de eerste plaats en dat gebeurt op een zinvolle manier in klas 8.
In de 2e leerplanvoordracht spreekt Rudolf Steiner over de natuurkunde en tot slot klinkt dan: Dan sluit u de natuurkunde min of meer af door de aeromechanica, de mechanica dus van de lucht, waarbij alles ter sprake komt, wat te maken heeft met klimaat, werking van de barometer, meteorologie.[4]
Op het einde van de natuurkundeperiode behandelen we dus de werking van de lucht m.b.t. de barometer en tenslotte alles wat de belangstelling voor de weersverschijnselen kan wekken.

Luchtdruk en luchtbeweging

De mens leeft op de bodem van een geweldige luchtoceaan. Hij kan de wisselende luchtdruk niet onmiddellijk waarnemen, wel de luchtbewegingen. Beide zijn die nauw met elkaar verbonden. Met een hulpapparaat om te meten kan het de leerling duidelijk worden. Op de barometer van Goethe is het in het begin veel makkelijker te zien dan op de gebruikelijke (muur)barometer. Als er een periode met mooi weer komt, dan stellen we vast dat de waterstand inhet tuitje naar beneden gaat. Bij slecht weer stijgt die. Een andere mogelijkheid biedt een zelfgemaakt barometer. [3]
Daarvoor hebben we een fles nodig met een wijde hals (de oude melkfles) en daarover bevestigen we een stuk luchtballon en spannen het strak. Dan plakken we een strohalm midden op het membraan met een stukje lucifer eronder. Dan is hij al klaar, hij moet alleen nog op een plaats neergezet worden met gelijkblijvende temperatuur en op de muur moeten we een schaalverdeling plakken waarop de strohalm kan aanwijzen of hij hoger dan wel lager staat.

Met behulp van deze zelfgebouwde barometer, dat kan iedere leerling, kunnen we nu onze eigen waarnemingen doen op de bodem van de ‘luchtoceaan’. Dat moet je niet mechanisch opvatten, veel eerder lijkt die in- en uit te ademen,
vergelijkbaar met een levend wezen.
Zelfs onze eenvoudige barometer maakt het ervaarbaar dat de weersgesteldheid niet echt verandert. Het ‘ademritme’ vindt tweemaal binnen 24 uur plaats en wordt oscillatie (slingering) genoemd en dat heeft Goethe steeds weer beziggehouden:
‘….deze bewegingen hebben iets van een bepaald pulseren, een toe- en afnemen, zonder dat kun je niet aan iets levends denken, het is eveneens een regelmatig uitzetten en samentrekken, dat binnen de 24 uur wordt herhaald, het zwakst in de namiddag en nanacht en dat ’s morgens om 9 uur en ’s avonds op dezelfde tijd het hoogste punt bereikt.
Wanneer we in de les bij het leven van een ‘pulserende’ aarde-omhulling kunnen aanknopen, kunnen we de zwaarte van de lucht in een passende samenhang plaatsen.
Deze twee basisbewegingen noemen we vandaag hoog en laag. Om het beter te begrijpen, kunnen we de volgenden waarnemingen met de leerlingen beproeven:

Het is zomer. Wij zijn op het strand en het weer is onveranderlijk. Op het land en op het water schijnt de zon evenveel, maar het water blijft koeler, terwijl het land sneller opwarmt. Welke conclusie kunnen we nu met de 8-klassers trekken, wanneer de samenhang tussen oorzaak en gevolg bekeken wordt? Er ontstaat drukverschil. Boven land stijgt de warme lucht op. We hebben dus te maken met een opstijgende luchtkolom die tegelijkertijd koude lucht van over zee aanzuigt. Zo ontstaat er een windbeweging van zee naar land die in de loop van de dag sterker wordt. Boven zee ontstaat tegelijkertijd een dalende luchtkolom die veroorzaakt wordt door de beweging hoog in de lucht.

Pas tegen de avond komt alles weer tot rust en draait het, want nu koelt de aarde door de uitstraling sterk af, de zee daarentegen minder. De windrichting en de luchtkolommen gaan de tegenovergestelde richting op.

Wat is dus een hogedrukgebied?
Het is het centrum van een neerdalende luchtkolom. De lucht stroomt weer naar beneden in de richting van minder luchtdruk. Verse lucht komt uit de hogere lagen erachteraan, die wordt warmer en veroorzaakt luchtdruktoename.
Wat is een lagedrukgebied?
Het is het centrum van een opstijgende luchtkolom. Hier stijgt de lucht die vanuit een hogedrukgebied weggestroomd is en daarbij werd verwarmd en boven het aardoppervlak vocht opgenomen heeft, weer omhoog.
Tegelijkertijd vindt er afkoeling plaats en wordt de druk zwakker, later ontstaan wolken en neerslag.
Wat  aan de kust gevormd wordt aan lage- en hogedrukzones, vinden we ook in de bergstreken, waar het op grond van verschillende opwarmingen tot vergelijkbare windbewegingen komt op de hellingen: in de zomer ’s morgens dalwind, ’s avonds bergwind.
Deze voorbeelden van hoge- en lage druk zijn geen voorbeelden van het weer over een langere tijd en van een groter gebied, maar maken duidelijk dat iedere periode van goed of slecht weer verschillende luchtstromingen heeft. Ook bij mooi weer zijn er sterke stromingen omhoog die de zweefvliegers erg op prijs stellen.
De beroemde zweefvliegster Hanna Reitsch noemt ze ‘stijgslangen’ [Aufwärtsschläuche] die meestal een hoogte bereiken van 100 tot 200 meter.

‘Dikwijls wordt zo’n plek met opstijgende wind [Aufwindstelle] zichtbaar door de sterk gerande, ronde wolkenbundels die erboven zweven, de zgn. stapelwolken of cumuli…Ze zijn voor de zweefvlieger de wegwijzer naar de plaatsen waar de wind stijgt. Omdat deze, zoals al opgemerkt, begrensd zijn bij het uitdijen, kun je er alleen in blijven, wanneer je cirkels maakt, alsof je in een onzichtbare reuzenkachel rondvliegt. Hier zijn de buizerds en valken onze leermeester die zonder vleugelslag, steeds rondcirkelend, zich door de warme lucht die van de grond komt en opstijgt, op grote hoogte laten dragen.'[7]

Heel andere factoren vormen het eigenlijke weer. Wat tussen IJsland en de Azoren of de Baltische landen voor het weer bepalend is, zijn heel sterke hoge- en lagedrukwervelingbewegingen, die we tegenwoordig dankzij de satellietopnamen zelf op een beeldscherm kunnen volgen. Het draaien naar rechts gebeurt in het hoge-, naar links in het lagedrukgebied. Deze draaiende bewegingen die voor het noordelijk halfrond gelden, worden tegenwoordig verklaard met de zgn. Corioloskracht.


In een 8e klas kan de aanwijzing voldoende zijn, dat dit proces dat met de aarderotatie te maken heeft, in de bovenbouw later nog ter sprake komt.
Op het zuidelijk halfrond verlopen deze processen in spiegelbeeld, zodat de aarde als geheel de waarnemer die vergelijkingen maakt toch steeds weer aanleiding geeft zich te verbazen en bij alles wat verwarrend lijkt, toch een verborgen harmonie doet vermoeden.

De wolkenvorming en het weer oplossen ervan

Met de leer over de wolken betreden we zonder twijfel een zeer geliefd gebied van de meteorologie, want de vormen vertonen indrukwekkende kenmerken die het de waarnemer mogelijk maken veel voorspellingen te doen.

De volgende voorbeelden maken het begin wellicht wat makkelijk:
op een zonnige morgen klimmen we na een langere beklimming op een alpentop. De zon heeft net het wolkendek doen oplossen, terwijl beneden ons nog een dicht wolkendek ligt, die uiteindelijk door directe warmtestraling omhoog getild wordt. Wij staan op het topje en kunnen nu waarnemen hoe zich door de wind bewogen wolkenflarden in het zonlicht in het niets oplossen. Langzamerhand wordt hierdoor de blik in het dal vrij en ook de aangrenzende bergen worden uiteindelijk zichtbaar. Maar waarheen is het meegevoerde water van de wolken verdampt.
Nu moeten we het begrip ‘dauwpunt‘ gaan bespreken. Wie kent niet het voorbeeld van de koude en de verwarmde badkamer! Wanneer ik namelijk in  een koude ruimte een douche neem, sta ik even later in een damp. Alle harde voorwerpen zoals de spiegel, de tegels en armaturen zijn beslagen. Gebruik ik een warme ruimte, dan is er veel minder condens. Wat betekent dat?

Warme lucht neemt meer vocht op. Het dauwpunt krijg je als een temperatuur de relatieve luchtvochtigheid van ongeveer 100 procent bereikt en iedere temperatuur heeft zijn dauwpunt. Zo zal een kubieke meter lucht bij -10 maar 2,4 gram waterdamp opnemen, bij + 20 is dat 9,4 gram. Daalt de verzadigingstemperatuur, dan ontstaat waterdamp en in de onderste luchtlagen worden dauw en nevel zichtbaar en in de bovenlagen wolken. Wordt die temperatuur hoger dan lossen mist en wolken weer op.
Wolken zijn net als mist dichte verzamelingen van zeer kleine druppeltjes die zich door afkoeling bij het opstijgen vervluchtigd hebben en die door hun geringe afmeting zweven, door de breking van het licht aan ons oog wit en oplichtend zichtbaar worden. Als druppels kunnen ze zoveel dichter worden, dat ze steeds groter en zwaarder worden, tot ze tenslotte zo zwaar zijn, dat ze door de stroming van de lucht net meer kunnen zweven, maar als neerslag naar beneden komen.

Nu weten we ook dat bij een lagedrukgebied het weer als regel slecht wordt, bij een hogedrukgebied op z’n minst even een poosje mooi. Hoe komt dat?
Bij een opstijgende luchtkolom (lage druk) wordt de lucht afgekoeld, daardoor ontstaan er wolken en uiteindelijk neerslag.
Het omgekeerde vindt plaats bij de neergaande luchtkolom, de hogedruk: hier stijgt de temperatuur en de wolken lossen op. Alleen op grotere hoogten leidt de krachtige zonestraalinwerking ertoe dat er cumuluswolken ontstaan.

Zoals Goethe dit proces beschrijft, horen we van Eckermann in een brief van 22.03.1824:
‘Goethe sprak heel veel over het stijgen en dalen van de barometer die hij de ‘waterbevestiging’ en ‘waterontkenning’ noemde (Wasserbejahung, Wasserverneinung). Hij had het over in- en uitademen van de aarde volgens eeuwige wetten, over een mogelijke zondvloed bij voortdurende waterbevestiging…[8]

Dat zou betekenen:

hoog                                         oplossen van wolken             waterbevestiging
laag                                          vormen van wolken               waterontkenning

Op dit tijdstip wordt wel duidelijk dat deze lesstof kennis van natuurkundige processen vereist. Luchtdruk, luchttemperatuur alsook dauwpunt maken dat we de vorming van wolken pas dan kunnen begrijpen. Aan de andere kant hoeft de schoonheid van deze natuurprocessen niet voor de 8e-klasser verloren te gaan. Integendeel. Juist de blik voor de verborgen processen van geestelijke oerbeelden, geeft ons de mogelijkheid het onderwijs een kunstzinnig aanknopingspunt te geven.

Toen de Engelse meteoroloog en farmaceut Luke Howard (1772)-1864) zijn wolkenleer gepubliceerd had, was Goethe daar zo door geroerd, dat hij voor hem, om hem te eren, een trilogiedichtte: ‘

‘Darum danket mein beflügelt Lied
Dem Mann, der Wolken unterschied….'[9]

Bij deze trilogie horen ook de strofen over de vier klassieke wolkenvormen die ook hier moeten klinken, omdat ze een voortreffelijk begin vormen van een eerste wolkenleer.

Stratus

Wenn von dem stillen Wasserspiegel-Plan
Ein Nebel hebt den flachen Teppich an,
Der Mond, dem Wallen des Erscheins vereint,
Als ein Gespenst, Gespenster bildend, scheint,
Dann sind wir alle, das gestehn wir nur,
Erquickt, erfreute Kinder, o Natur!

Dann hebt sich’s wohl am Berge, sammelnd breit
An Streife Streifen; so umdüstert’s weit
Die Mittelhöhe, beidem gleich geneigt,
Ob’s fallend wässert, oder lustig steigt.

Inderdaad: stratusvormen ontstaan hoofdzakelijk ’s nachts en ’s morgens. Wat als mist in de onderste luchtlagen zichtbaar wordt, ontwikkelt zich als wolk op grotere hoogte: gelijkmatig, verticaal niet erg groots, op zich vormloos en hangend. Stratuswolken komen tot ontwikkeling waar vochtige lucht opstijgt.

Cumulus

Und wenn darauf zu höhrer Atmosphäre
Der tüchtige Gehalt berufen wäre,
Steht Wolke hoch, zum herrlichsten geballt.
Verkündet, festgebildet, Machtgewalt,
Und, was ihr fürchtet und auch wohl erlebt,
Wie’s oben drohet, so es unten bebt.

Het zijn de wolken van midden op de dag, wanneer het licht en de warmte het grootst zijn. Goethe: ‘Dit zijn nu die prachtige verschijnselen die eigenlijk pas de naam wolk verdienen.'[10]

Dan op een andere plaats: ‘ De cumulus neemt het middengebied in, daarin wordt eigenlijk de strijd voorbereid of de hogere lucht of de aarde de overwinning gaat behalen. Dit gebied heeft de eigenschap dat het weliswaar veel vocht op kan nemen, alleen niet in een volledige oplossing.'[11]

Cirrus

Doch immer höher steigt der edle Drang!
Erlösung ist ein himmlisch leichter Zwang.
Ein Aufgehauftes, flockig lost sich’s auf,
Wie Schaflein trippelnd, leicht gekammt zu Hauf.
So fliefit zuletzt, was unten leicht entstand,
Dem Vater oben still in Schoss und Hand.

Omdat er op grote hoogte voortdurende luchtbewegingen zijn, gaan ook daar steeds weer vochtige luchtmassa’s omhoog. Hier worden ze echter ook sterk blootgesteld aan de invloed van de zonnestraling: het water verdampt weer – en condenseert meteen door de lage temperaturen. Er zal boven de cumuluswolk in veel gevallen een fijne mist worden gevormd die voornamelijk uit fijn verdeelde ijskristallen bestaat.
Cirruswolken verplaatsen zich onder invloed van de hoge snelle stromingen meestal ook sneller dan de cumuluswolken, ze gaan voorop. Dit kan je vooral ’s avonds waarnemen en voor de voorspelling is dat van groot belang. Cirruswolken zijn vooral avondwolken.

Wolkenschets van Goethe. Aan de achterkant eigenhandig gedateerd: 10 mei 1816. Boven de oostelijke bergen bij Jena. G

Nimbus

Nun lasst auch niederwärts, durch Erdgewalt
Herabgezogen, was sich hoch geballt,
In Donnerwettern wütend sich ergehn,
Heerscharen gleich entrollen und verwehn!
Der Erde tätig-leidendes Geschick! –
Doch mit dem Bilde hebet euren Bliek:
Die Rede geht herab, denn sie beschreibt;
Der Geist will aufwärts, wo er ewig bleibt.

Nimbuswolken zijn regenwolken en met hen met elke dag rekening worden gehouden, wanneer, zoals het Goethe het formuleert, de aardekrachten er met de overwinning vandoor gaan: ‘Als het onderste gebied wint dat geneigd is de grootste vochtigheid naar zich toe te trekken en voelbare druppels te produceren, dan zakt de horizontale basis van de cumulus, de wolk wordt tot stratus, ze hangt en trekt gelaagd verder en eindelijk valt ze dan in regen naar beneden; samen heet dat nimbus.'[12]

Dergelijke wolken worden wanneer ze dalen weer min of meer vormloos. Wanneer ze uiteindelijk regen brengen, hangt van verschillende factoren af. We kennen allemaal dagen  wanneer de hemel schuilgaat achter een heel dicht wolkendek en het ondanks dat, toch niet regent. De condenskernen van de druppeltjes kunnen door de stromingen in de wolk zelf vastgehouden worden, omdat er geen hoger hangende wolken zijn. Zijn er echter ijswolken die heel kleine kristallen laten vallen, dan veroorzaken deze in de diepere lagen een plotselinge afkoeling en dan hebben we plotseling een wolkbreuk.

Nu kan er gesproken worden over dauw, rijp, hagel en stofhagel.
Veel volkse uitspraken kunnen daarbij helpen. [13]

Dat tegenwoordig de vier klassieke wolkensoorten voor de moderne meteorologie niet voldoende zijn, hoeft helemaal niet weggelaten te worden. Internationaal zijn er 10 wolkensoorten geclassificeerd. *

Weersgesteldheid en prognose

Nu volgen een paar voorbeelden, want er zijn verschijnselen aan de hand waarvan zich weersveranderingen laten voorspellen>

Stromingen op grote hoogte: veerwolken (cirrus)  zijn voorboden van wat er met het weer gaat gebeuren en moeten altijd aandachtig waargenomen worden. Wanneer dergelijke wolken zich in de namiddag of de avond als draden in de lengte gaan vertonen, betekent dit dat er op grotere hoogten een krachtige luchtstroom aanwezig is en daardoor een verandering in het weer over een groot gebied. Als de stroming westelijk is, betekent dat een min of meer snelle nadering van een warmtefront met regen.
Ook moet je goed kijken naar de trekrichting: ‘Als regel wordt het op de plaats van de waarneming alleen maar slecht weer, wanneer de veerwolken de trekrichting van de middelhoge of de lagere stratus- of stapelwolken doorsnijden…..een weersverandering  komt er niet, wanneer de stroming over de grond en hoger in dezelfde richting samen of tegen elkaar in, wegtrekken. [15]
Hier geldt de vuistregel: De hoogtestroming bepaalt de ontwikkeling van het weer.

Cumuluswolken:
De kleinere, in de loop van de ochtend zich weer oplossende stapelwolk vormt een bestendiging voor een overheersende toestand van mooi weer. Toenemende warmte doet de vochtopnamecapaciteit van de lucht toenemen (‘waterbevestiging’). Pas de gelijkblijvende stapelwolk met toenemende rafelrand aan de bovenkant, voorafgegaan door een snel groter worden in de hoogte, duidt op onweer.

Stratuswolken
Nu moet je erg op de windrichting letten: vooral wind die uit het westen komt brengt ons de stratuswolk, de oostenwind meestal de cumulus. Wanneer de hoge bewolking sluierachtig daalt en het tot de vorming van grijze stratuswolken komt, houdt dit een kouder worden van de lucht in en het condenseren van de luchtvochtigheid (‘waterontkenning’). Dit echter zijn duidelijke tekens voor het begin van slecht weer, op z’n laatst de volgende dag.

Nimbuswolken
Hoe heftiger de regen naar beneden komt en hoe groter de druppels, des te korter duurt het. Verder trekkende, laaghangende bewolking na aanhoudende regen wijzen niet op een weersverandering: de lucht erachter is vochtig en koud en is niet in staat de wolken op te lossen.

Nog meer punten om op te letten bij het voorspellen, kunnen hier alleen maar aangestipt worden:

Als regel komen luchtbewegingen bij mooi weer ’s avonds tot rust. Wakkert de wind daarentegen op deze tijd aan, dan kun je een verandering verwachten. Vooral het draaien naar het zuiden tot het noordwesten doet onbestendig, naar regen neigend weer vermoeden. –

Ook kleurrijke schemeringsverschijnselen en een blauwe hemel zijn indicaties voor voorspellingen. Zo is bijv. extreem donkerblauw, gepaard gaand met een bijna meer dan helder zicht, een teken van een labiele weerstoestand omdat de lucht op dat ogenblik weinig vertroebelingsdeeltjes (water) bevat, wat een impuls tot evenwicht oproept. De plotselinge weersverslechtering met storm en neerslag blijft meestal niet uit.
Als we een keer na zonsondergang onderweg zijn, kun je de vraag stellen naar de nachtelijke aanwijzingen: een blinken en fonkelen van sterren duidt nl. op turbulente processen in de aardatmosfeer. Na een periode van mooi weer wijst dit op een omschakeling in de lucht die vaak slecht zicht tot gevolg heeft. Rustig sterrenlicht en goed zicht wijzen op een stabiele toestand die in koudere jaargetijden tot vorst leidt.

Tot slot van de opsomming kan ook de vraag naar de kosmische aanwijzingen behandeld worden. De meeste meteorologische boeken trekken de invloed van de maan op het water niet in twijfel, maar wijzen er tegelijkertijd op dat de directe invloed van de maan op het weer tot nu toe niet ondubbelzinnig kon worden bewezen'[16]

In zijn laatste voordracht voor de werknemers aan het Goetheanum spreekt Rudolf Steiner over het weer over een langere periode en hoe dat ontstaat, o.a. over zonnevlekken, maanknopen en de loop van Venus. Dat is allemaal, zoals hij uitlegt, niet zonder invloed, maar voor de gewone waarnemer vermengt zich dat allemaal: ‘Maar er zijn zoveel dingen waar het weer van afhangt, dat men dit niet meer kan overzien….-het wordt te gecompliceerd, omdat het zo door elkaar loopt.'[17]
Goethe wilde onaardse invloeden van het weer helemaal niet onderzoeken, omdat deze, in tegenstelling tot de aardse invloed, volgens hem, niet tot heldere uitspraken leiden: ‘Voor wie ernstig bezig is, blijft niets anders over dan dat hij tot het besluit moet komen dat hij maar ergens in het midden moet gaan zitten en dan maar kijken en zoeken hoe hij de rest vanuit de periferie kan behandelen.'[18]
Dit standpunt van Goethe voor de leer van het weer is tegelijkertijd ook onze eigen methodische instap in dit vak: de waarnemende mens vormt het middelpunt, die wat er in de natuur gebeurt, leert verbinden met fysische wetten. Het weer is gecompliceerd, maar voor de 8e-klasser een passende uitdaging die ze midden in het leven doet staan. ‘Het hele onderwijs moet kennis van het leven opleveren’ (Lebenskunde muss aller Unterricht geben)**. Met deze woorden heeft Rudolf Steiner in het voorjaar van 1919, nog voor de vrijeschool er was, de opdracht van een moderne opvoeding beschreven en het onderwijs opgevat als ‘een kennen van het leven’, het is het motief van de vrijeschoolpedagogie geworden.
De weerswetmatigheden gelden voor de hele aardbol. Daardoor ontstaat de mogelijkheid een brug te slaan naar de aardrijkskunde.
Met het voorbeeld van een meteorologische vergelijking tussen Oost en West eindigt het artikel over de meteorologie.

Moessons en weerfronten

Onvergetelijk blijft voor iedere Europese reiziger die naar Oost-Azië reist de werking van de moesson in de periode van grote hitte, wanneer de regen a.h.w. door geopende sluizen naar beneden komt. Deze gebeurtenis is met niets in Europa te vergelijken! Maar de meeste reizigers weten nauwelijks, dat ze te maken hebben met periodiek wisselende hoge- en lagedrukwerkingen, alleen zijn die reusachtig groot geworden.
Wat wij voor het verschil van opwarming van land en zee binnen 24 uur in het klein hebben geleerd, vind je op onze aardbol gespiegeld in het groot en voltrekt zich in jaarritmen. [19].
Oost-Azië kent twee vormen van moesson, de zomer- en de wintermoesson, vergelijkbaar met een in- en uitademing van een heel continent. Dit wordt hieronder in het kort uitgelegd:

In het voorjaar wordt over het binnenland van Azië de lucht door de bodemverwarming omhoog gestuwd, dit des te sterker, naarmate de ondergrond warmer wordt. Boven Centraal-Azië ontstaat dus een krachtige, naar omhoog wervelende luchtkolom. Vanaf de zeeën die om het zuiden en het oosten van Azië stromen, komen de onderste luchtlagen in beweging en volgen de zuigstroom die ze naar Centraal-Azië ‘slurpt’. Er ontstaat wind vanaf zee. Het water van die zeeën wordt onstuimig, de lucht zuigt zich sterk vol met waterdampen. Nu kunnen de steeds groter wordende wolken die een wilde reis naar Centraal-Azië beginnen, enorme watermassa’s vasthouden.
In de herfst draait de moessonwind en blaast nu uit de tegenovergestelde richting, want de woeste, steenachtige gebieden van Hoog-Azië koelen nu veel sneller en heftiger af dan de warme zee daaromheen. De koude, zware lucht stroomt nu uit dit ijzig koude gebied van Hoog-Azië naar de warme zeeën. De wintermoesson  brengt koelte en droogte en het stof van de Gobi-woestijn die alle belangrijke voedingszouten bevat en alleen maar begoten hoeven te worden om goede oogsten te krijgen.

Een van de eerste onderzoekers van Oost-Azië die zich met de moessons bezighield, was Ferdinand von Richthoven (1833-1905), wiens eerste reis naar China in 1867 die hij in opdracht van de Pruisische regering maakte, door zijn eigen onwetendheid over de gevolgen van de moesson, letterlijk ‘in het water viel,’
Het volgende jaar maakte hij deze fout echter goed door de moessonwolken steeds voor te blijven en voor zijn onderzoekswerk vond hij ideale omstandigheden. Later schreef hij in zijn boek: ‘China. Resultaten van eigen reizen en de daarop gebaseerde studies.’ [20]:
‘Het land is zo groot en strekt zich door zoveel klimaatzones uit, dat je iedere tijd van het jaar kan benutten om de reis te maken zonder regen, wanneer je de streken goed uitzoekt. Dit voordeel is een wezenlijk gevolg van de buitengewone regelmaat waarmee de periodieke verandering van het jaargetijde en de regen in China plaatsvindt en dat zou nauwelijks weleens in een ander land op dezelfde manier aan de hand kunnen zijn.’

Als je de geweldige regens van de zomermoesson, en ook de stof- en zandstormen van de wintermoesson indrukwekkend hebt beschreven, dan heb je als leerkracht een goede gelegenheid om het ritmische jaarverloop van de Aziatische mens en zijn cultuur beleefbaar te maken. De Europeanen zijn deze weersverschijnselen vreemd. Zomer- en wintermoesson hebben zo’n kracht dat ze alle andere windsystemen opheffen of opslokken.

Heel anders zijn de weersverhoudingen op het tegenovergestelde noordelijke halfrond. Noord-Amerika heeft geen moesson. Het is het continent van de weerfronten. Op onze Europese breedte is het weer in de eerste plaats een vereffening tussen warme en koude lucht. Koude lucht heeft de neiging zich op bodemhoogte uit te breiden, warme lucht daarentegen streeft naar omhoog: ‘Daar bij het naderbij komen van een koufront de warme lucht omhoog gaat en bij de nadering van een warmtefront de warme lucht langs de koude lucht stroomt, gaan beide weerstoestanden gepaard met de vorming van wolken en in de meeste gevallen met het ontstaan van regen.'[21].
Het eigenlijke front ligt tussen warme en koude lucht in. Nu is het interessant te zien dat dergelijke warme en koude luchtmassa’s in Europa als regel maar langzaam van karakter veranderen. In Noord-Amerika verloopt dit ‘naast elkaar’ echter veel dramatischer, vooral omdat er geen beschermende bergen in oost-westelijke richting lopen. In tegendeel: de steile, noord-zuid lopende bergen vormen juist openingen voor de polaire stromingen’, zoals de meteorologische onderzoeker H. von Ficker [22] geformujleerd heeft. Wat is daarvan het gevolg voor mens en landschap?

Tussen twee polariteiten vindt een voortdurende uitwisseling plaats. ‘Koude golven en warme golven’ (cold and hot waves) staan voortdurend tegenover elkaar en maken langer durend weer onmogelijk. Temperatuurschommelingen van 30 graden van de ene op de andere dag zijn niets ongewoons. In de ‘plains’, het vlakke land, gaat de koude, stormachtige luchtval dikwijls met sneewuval gepaard, ze worden ‘blizzards’ genoemd. Juist een dergelijke koudeval heeft grote gevolgen, omdat die tot Florida en de Golf van Mexico kan komen en planten en kudden kan doen bevriezen. Dit alles behoort bij de ‘nothers’, zoals deze koude-invallen in Amerika worden genoemd. Omgekeerd kunnen warme luchtstromen nog in oktober (‘Indian Summer’) ver tot in Canada komen, die ook ’s nachts niet afkoelen, omdat de zware vochtigheid van de lucht de nachtelijke uitstraling verhindert.
De voortdurende wisselwerking van hitte en vorst, droogte en vochtigheid heeft zijn stempel gedrukt op het aangezicht van het continent. Pas wanneer dergelijke samenhangen worden opgemerkt, worden bijv. de reusachtige hoeveelheden steen ten oosten van de Rocky Mountains begrijpelijk, alsmede de overal sterke erosiewerking. Vele gebergten zijn in de loop van eonen tot hun kristalkern blootgelegd, wat uiteindelijk aan het grandioze landschap van Monument Valley zo indrukwekkend is te zien. Materie laat in Noord-Amerika dikwijls zonder meer haar gezicht zien.

Dit kan een 8e-klasser alleen begrijpen wanneer er vakoverschrijdende samenhangen worden gemaakt, De volgorde van de perioden

natuurkunde               →         meteorologie          →         aardrijkskunde

geeft ons de mogelijkheid verder te gaan dan de vertrouwde Europese omstandigheden; weerskundige verschijnselen worden verdiept en belangrijke verschillen tussen twee zo aan elkaar tegengestelde continenten in hun spanningsverhouding getoond.
Tot slot wordt het volgende voorstel gedaan:

De natuurkunde kan via de aeromechanica uitmonden in meteorologie die net langer dan twee weken duurt en dan voortgezet wordt met een geografische vergelijking van Oost-Azië en Noord-Amerika, waarbij dan ook andere samenhangen van beide werelddelen goed kunnen aansluiten.

Noten:
1. Cotta’sche Goetheausgabe 1960, Bd. 20, S. 776.
2 a.a.O., S. 889.
3. Zu beziehen: z.Zt. z. B. Versandhaus Paul Schrader & Co., 28182 Bremen.
4 GA 295, S. 167.   vertaald/153
5 H. J. Press: »Spiel, das Wissen schafft«.
6 Cotta, S. 931.
7 Hanna Reitsch: »Fliegen mein Leben«, 1951.
8 Cotta, S. 904.
9 Cotta, S. 814.
10 Cotta, S. 783.
11 Cotta, S. 809.
12 Cotta, S. 809.
13 Günter D. Roth: Wetterkunde für alle, 1977. BLV München.
14 Deutscher Wetterdienst, Seewetteramt Plamburg – Wetterkundliche Lehrmittel.
15 G. D. Roth, S. 52 f.
16 G. D. Roth, S. 28.
17 GA 354, S. 180.
18 Cotta, S. 913.
19 H. J. Flechtner: Du und das Wetter, 1940, S. 127.
20 Band I, Berlin 1877.
21 G. D. Roth, S. 188.
22 H..v.Ficker: Wetter und Wetterentwicklung (Bd.15) Berlin 1972>

*’Kunde’ is kennis, maar ook het vermogen om..’Uit de vele voordrachten waarin dit ter sprake komt, gaat het Steiner er altijd om dat het kind van nu, later als volwassene ‘goed in de wereld staat’; weet heeft van allerlei, maar ook weet te leven. Dat is m.i. ‘kunde’. (phaw)

.

Giselher Wulff, Erziehungskunst jrg. 58, 7/8-1994
.

Nog een artikel over het weer in klas 8

Een mooi artikel over wolken in poëzie en schilderkunst

.

8e klas

.

8e klas natuurkundealle artikelen

8e klasalle artikelen

natuurkundealle artikelen

.

1663

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – hogere klassen (1-2)

.

In de vrijeschool Den Haag werkte in 1931 – het jaar waarin dit artikel in de schoolkrant verscheen, Mr. M.Stibbe. Deze leerkracht legt een grote bevlogenheid aan de dag voor het werk van Rudolf Steiner en in het bijzonder voor de vrijeschoolpedagogie.
Uit zijn publicaties over deze pedagogie en uit zijn artikelen die schoolsituaties beschrijven, blijkt hij niet erg goed op de hoogte te zijn geweest van Steiners nadrukkelijke wens dat het vrijeschoolonderwijs geen antroposofische inhoud moet hebben. M.n. Stibbes lessen over de rassen bevatten te veel antroposofische gezichtspunten.

Ook in zijn lessen over aardrijkskunde komen we ze tegen. 

Voor een aantal racistenpuristen zijn sommige artikelen op deze blog ‘van obscure’ inhoud. 
Als eigenaar van deze blog neem ik afstand van iedere racistische tekst en laat het oordeel ‘obscuur’ voor rekening van de puristen

Een motief daarvoor is o.a.
“Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed,” aldus Rudolf Steiner in een voordracht op 26 oktober 1917 te Dornach in Zwitserland.

Enerzijds zijn het gezichtspunten die zeker passen in een fenomenologische benadering, anderzijds moet je je afvragen of het stof voor leerlingen is en in welke mate en onder welke omstandigheden: met 17-18-jarigen kan natuurlijk veel besproken worden. Dat is wat anders dan de lesstof als ‘waarheid’ doorgeven.
Ik ben niet op de hoogte wat het huidige aardrijkskundeonderwijs in de bovenbouw – wanneer het niet om examenstof gaat – als onderwerpen heeft.

Het onderstaande artikel en de volgende zijn bedoeld als – enerzijds: uit het archief, voor het archief – anderzijds, hoe waardevol zijn de gezichtspunten op zich?

De spelling uit de tijd heb ik niet aangepast.

VORMEN DER AARDE

In een vorig artikel werd uiteengezet hoe dezelfde wetten der metamorfose die de vormen bepalen van de menschelijke gestalte, ook de grondslag zijn voor de vormen der aarde. De drie Zuidelijke continenten vindt men in metamorfose terug in de drie Zuidelijke schiereilanden van Azië, Europa en Noord-Amerika, waar het eene schiereiland (de Mississippidelta) zeer klein, rudimentair geworden is, het andere (Mexico) uitgegroeid tot een landengte.

Er doen zich in het Noordelijk halfrond nog meer en andere verschijnselen voor, die de aandacht trekken.

Allereerst kan opvallen dat de twee complexen: Eurazië en Noord Amerika aan de zijde van de Stille Oceaan zich naar elkaar toeneigen, aan de zijde van de Atlantische Oceaan uit elkaar loopen. Dit is ook anders uit te drukken: Azië en de Westzijde van Noord Amerika neigen naar elkaar toe, Europa en de Oostzijde van Noord Amerika loopen uiteen: een vierheid treedt op.

Wanneer men hieraan vasthoudend opnieuw de aardvormen tot zich laat spreken ten Noorden van de lijn Alpen-Himalaja in Eurazië, kan het volgende opvallen: Westelijk van Europa een  eilandengroep, de Britsche Archipel — Oostelijk van Azië, de Japansche Archipel. Engeland is het land van techniek, handel, verkeer in Europa, Japan dat in Azië. In het Noorden van Europa een schiereiland: Skandinavië, in Azië Kamsjatka. In het centrum in Europa een land dat uit vele onderdeLen bestaat: het Duitsche Middeneuropa, waar men onderscheiden kan (afgezien van de vele staatjes), Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers; zoo in Azië in het centrum China, waar bij de vele detailverschillen het hoofdonderscheid ligt tusschen Noord-Chineezen en Zuid-Chineezen. Deze parallellen wijzen niet op een verschuivende metamorfose, zooals in de Zuidelijke schiereilanden, maar op een spiegelende metamorfose. Zet men .deze voort dan spiegelt zich het groote woud-steppengebied van Rusland in Siberië, Holland (het China van Europa) in het kleine stuk China dat afgesloten wordt door den Chineeschen muur. Frankrijk in Cochin-China en Zwitserland in het Himalajacomplex.

Belangrijk is in deze beschouwingswijze dat alle vormen in Azië naar verhouding zeer groot en massaal zijn, die in Europa subtiel en met vele details. Azië is a. h. w. opgeblazen, Europa zeer fijn afgewerkt en gedetailleerd in zijn formaties.

Ik stel me voor, dat dit gegeven van spiegeling van Oost in West tot allerlei perspectieven aanleiding kan geven in volken- en rassenkunde, geschiedenis en cultuur. Ik zou zeer dankbaar zijn voor alle nadere uitwerking van deze gegevens.

De vormen van Noord-Amerika zijn veel minder sprekend dan die van Eurazië. Toch brengt het motief van de aantrekking en afstooting, dat boven genoemd werd, en dat van de spiegeling, ons ook hier tot verdere inzichten. Daar vallen in de eerste plaats op de groote schiereilanden in Oost en West: Labrador en Alaska, beide zeer plomp van vorm als men ze vergelijkt met Skandinavië en Kamsjatka. Dan treft ons nog in het Oosten een eilandgroep: die van New-Foundland als parallel van Engeland en Japan, in het Westen valt deze vorm weg, zooals daar vrijwel alle vormen wegvallen en alleen een lange, bijna onafgebroken kustlijn optreedt. Tegenover de veelvormigheid van Europa heeft men in het Westen van Amerika de geringste vormkracht.

Verdere vergelijkingen kunnen gemaakt worden: als parallel van Duitschland met zijn vele staten (onderscheiden in Noord en Zuid) heeft men het Oosten van de Vereenigde Staten (die evenzeer in Noordelijke en Zuidelijke Staten onderscheiden werden van ouds); dit Oosten herhaalt zich in het Westen, nadat het in het uitgestrekte steppengebied van het centrum en van Canada een parallel gevormd heeft van Rusland en Siberië. Het Oeralgebergte brengt nog een scherpe afscheiding tot stand tusschen Rusland en Siberië. Alle vormingen in Amerika loopen meer in elkaar. Misschien kan men hier spreken van een scheiding tusschen Oost en West door de Mississippi.

Holland vindt in Amerika zijn parallel in New York, vroeger Nieuw-Amsterdam, dat zich weerspiegelt in het Westen in San Francisco (het China van de Vereenigde Staten).

Zwitserlands parallel is te zoeken in het Alleghanygebergte in het Oosten, in het Rotsgebergte in het Westen. De parallel van Frankrijk is vermoedelijk verschoven en te zoeken in het Canadeesche merengebied, dat langen tijd Frankrijk toebehoord heeft en in wezen daardoor Fransch karakter kreeg.

Al deze gezichtspunten vereischen nog nadere uitwerking. Echter zijn zij reeds aanwijzing genoeg om met zekerheid in de twee groote Noordelijke landcomplexen een vierheid te zien, die in spiegelbeelden telkens nieuwe en andere vormen te voorschijn roepen. De vier hoofdvormkrachten der natuur, door Dr. Günther Wachsmuth uitvoerig behandeld in zijn tweehandig werk „Die atherischen Bildekrafte. in Kosmos, Erde und Mensch” en „Die atherische Welt in Wissenschaft, Kunst und Religion” zijn het die het Noordelijk halfrond zijn vele landvormen schonken en wel twee aan twee. De warmte- en lichtether, die werken in warmte-element en lucht-element in de natuur, vormden Azië en Europa. Azië werd door de warmte-etherkrachten zoo massaal opgeblazen, Europa door de lichtetherkrachten zoo fijn gevormd. In den mensch werken de warmte-etherkrachten in de stofwisseling, in het bloed en vormen de organen, die de omvangrijkste ook zijn in het menschenlichaam, terwijl de lichtether werkt in de longen en daar de allerfijnste formaties tevoorschijn roept. Het wezen van de longen maakt toch een veel fijner indruk dan dat b.v. van lever of milt.

De warmte- en de lichtether zijn de centrifugale ethersoorten; de andere twee, die in water- en aarde-element werken, de chemische en de levensether, zijn centripetaal van aard. Vandaar dan ook de samengetrokken vormen in Noord-Amerika, waar deze twee laatste vormkrachten werken. De diametrale tegenstelling tusschen deze vormkrachten, twee aan twee, verklaart ook de uiteenloopende tendens van Europa en Oost-Amerika. Aan den anderen kant zijn warmte en aarde weer tegenstellingen, die steeds met elkaar verbonden zijn, zoozeer zelfs, dat de moderne natuurwetenschap de warmte niet kent als zelfstandig element, omdat het in zijn optreden steeds gebonden is aan aardsche substanties. Van de vier elementen is het aarde-element het meest starre, het minst vormbare. Men ziet dan ook in het Westen van Amerika zeer weinig sprekende vormen.

In den mensch werken deze aardsche vormkrachten in het hoofd, speciaal in den schedel, die ook naar verhouding de minste vormen vertoont van alle organen.

De vele parallellen die men op deze wijze zien kan in Oost en West geven eenerzijds een blik in de veelvormigheid van de scheppingskracht van de natuur, anderzijds maken zij het mogelijk het een door het ander te belichten. Beide artikelen, die spraken over de vormen der aarde zijn een resultaat van het onderwijs in de aardrijkskunde in de „Vrije School”, waar gedurende vele jaren gezocht werd naar een samenvattend inzicht in den bouw van de aarde. Dat dit samenvattend inzicht in alle details nader uit te werken valt, is natuurlijk. Dat strenge wetten den bouw van de aarde beheerschen, zooals zij heerschen in het menschelijk lichaam, wordt hieruit zichtbaar en kan vervullen met een innerlijke bevrediging.

Mr.M.Stibbe, vrijeschool Den Haag, Ostara 4e jrg.2, 04-1931

.

Deel 1

Aardrijkskundealle artikelen

1662

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

 

VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – hogere klassen (1-1)

.

In de vrijeschool Den Haag werkte in 1931 – het jaar waarin dit artikel in de schoolkrant verscheen, Mr. M.Stibbe. Deze leerkracht legt een grote bevlogenheid aan de dag voor het werk van Rudolf Steiner en in het bijzonder voor de vrijeschoolpedagogie.
Uit zijn publicaties over deze pedagogie en uit zijn artikelen die schoolsituaties beschrijven, blijkt hij niet erg goed op de hoogte te zijn geweest van Steiners nadrukkelijke wens dat het vrijeschoolonderwijs geen antroposofische inhoud moet hebben. M.n. Stibbes lessen over de rassen bevatten te veel antroposofische gezichtspunten.

Ook in zijn lessen over aardrijkskunde komen we ze tegen. 

Voor een aantal racistenpuristen zijn sommige artikelen op deze blog ‘van obscure’ inhoud. 
Als eigenaar van deze blog neem ik afstand van iedere racistische tekst en laat het oordeel ‘obscuur’ voor rekening van de puristen

Een motief daarvoor is o.a.
“Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed,” aldus Rudolf Steiner in een voordracht op 26 oktober 1917 te Dornach in Zwitserland.

Enerzijds zijn het gezichtspunten die zeker passen in een fenomenologische benadering, anderzijds moet je je afvragen of het stof voor leerlingen is en in welke mate en onder welke omstandigheden: met 17-18-jarigen kan natuurlijk veel besproken worden. Dat is wat anders dan de lesstof als ‘waarheid’ doorgeven.
Ik ben niet op de hoogte wat het huidige aardrijkskundeonderwijs in de bovenbouw – wanneer het niet om examenstof gaat – als onderwerpen heeft.

Het onderstaande artikel en de volgende zijn bedoeld als – enerzijds: uit het archief, voor het archief – anderzijds, hoe waardevol zijn de gezichtspunten op zich?

De spelling uit de tijd heb ik niet aangepast.

DE VORMEN DER AARDE

Vruchten van het aardrijkskunde-onderwijs in de hoogere klassen van de Vrije School.

Aarde en mensch zijn één geheel, ontstaan en gevormd door kosmische krachten. Dezelfde vormprincipes die den mensch zijn gestalte gaven, vormden de aarde. Begrijpen we iets van den menschenvorm, dan kan ons dit begrip inzichten verschaffen over vormen der aarde en andersom.

Reeds lang wordt betwijfeld of de leer van geologie en biologie der 19e eeuw dat de mensch het laatst ontstane product is der aarde, wel juist is. De geestelijke inzichten van Rudolf Steiner, die reeds voor eenige tientallen jaren erop wees (o.a. in „Haeckel, die Weltratsel und die Theosophie”), dat de mensch het eerste product der aarde moest zijn, de dieren de later ontstane, worden steeds meer bevestigd door de onderzoekingen op ander gebied o.a. door de ontdekkingen van Prof. Bolk op biologisch en die van Prof. Edgar Dacqué op palaeontologisch gebied. Hun ontdekkingen wijzen in deze richting dat de mensch eerder bestond dan de dieren, dat menschengeschiedenis en aardegeschiedenis een samenhangend geheel zijn.

Deze wetenschap geeft aanleiding tot belangrijke ontdekkingen. Wat de menschengestalte betreft, hier leerde Rudolf Steiner (in het boek „Von Seelenratseln), dat deze te zien is als een drieledigheid, die correspondeert met een drieledig zieleleven en bewustzijnsleven. Het hoofd is de drager van het denk- en waarnemingsleven, dat in vol waakbewustzijn zich afspeelt, de borst met ademhaling en bloedsomloop is drager van het gevoelsleven, dat slechts half bewust is, als de droomen; de stofwisselingsorganen met de ledematen zijn de dragers van het wilsleven dat geheel onbewust functionneert als in ‘droomlooze slaap.

Beschouwt men de vormen van de menschelijke gestalte, dan valt op dat het hoofd ronde vormen heeft in het algemeen, de ledematen gestrekte, uitstralende vormen, terwijl de borst een tusschengebied is. Nu is het lichaam van den mensch gevormd volgens vaste wetten, die zich voortdurend herhalen. Het hoofd zelf b.v. herhaalt in het klein de drieheid, die het heele lichaam in het groot opbouwt: de kaken zijn de ledematen van het hoofd, zij dienen ook de stofwisseling, de middenpartij correspondeert door neus en ooren met de borst, de schedel is denkapparaat bij uitstek.

Deze zelfde wetten der metamorphose en opbouw in drieheid kan men over het heele lichaam vervolgen: b.v. aan een been: bovenaan de gewrichtsknobbel, de ronde vorm, onderaan de voet met de teenen stralend, daartusschen de overgang.

Deze drieheid, die overal weer terugkeert, ook in de lagere natuurrijken, waar Goethe ij zijn metamorphosenleer haar beschreef voor de planten, bestaat uit twee polen van geheel tegengesteld karakter, waartusschen een overgang. Die polen zijn de kosmische en de aardsche pool: het hoofd met de kosmisch ronde vorm, de ledematen met hun aan de aarde aangepaste vorm, daartusschen de overgang van de borstvormen, terwijl de mensch door de borstorganen, vooral door de longen in verbinding staat met de atmosfeer der aarde die de overgang tot stand brengt tusschen aarde en kosmos.

Naarmate men zich langer met deze vormenwereld bezig houdt, in die mate leert men haar strenge doorvoering zien. En men bemerkt hoe een soortgelijke wetmatigheid als in het menschenlichaam in de aardvormen te vinden is. Vele geographen viel het reeds op, dat zoowel Azië als Europa drie Zuidelijke schiereilanden hebben en dat in het algemeen de continenten in een puntvorm eindigen. Erkent men de strengheid van de vormende krachten in de wereld, dan ontdekt men plots, hoe de wetten der metamorphose tot in alle details doorwerken, alleen schijnen zij door de veelvormigheid die de natuur zich veroorlooft niet zoo voor de hand te liggen.

De dubbele drieheid n.l. in het Zuiden van Azië en Europa herhaalt zich weer in Noord-Amerika. Hier is de Oostelijke punt, het schiereiland Florida te vergelijken met de Balkan in Europa, met Achter-Indië in Azië, de middelste de Mississippidelta te vergelijken met Italië in Europa, met Voor-Indië in Azië, de Westelijke Mexico te vergelijken met Spanje in Europa, met Arabië in Azië. Mexico echter gaat over in een landengte die Noord- en Zuid-Amerika verbindt.

De tendens tot vorming van een landengte was oorspronkelijk bij Spanje, dat met Mexico correspondeert, ook aanwezig. Samenhangen, ook cultuurhistorisch te vinden tusschen Arabië en Spanje, Spanje en Mexico is zeer eenvoudig, tusschen Voor-Indië en Italië ook zeer wel mogelijk. Andere samenhangen n.l. tusschen Achter-Indië en de Balkan (vgl. de vele wilde staten en daarbij één zeer geciviliseerde: Siam en Griekenland) liggen verder weg, nog verder die tusschen de Balkan en Florida, tusschen Italië en de Mississippidelta. Interessant is dat in Amerika het midden-schiereiland zoo klein is en a. h. w. zich heeft moeten opofferen voor het Westelijke, (Mexico), dat daardoor de vaste verbinding van Noord en Zuid kon bewerkstelligen. Bevredigen kan het in principe de vormende krachten te herkennen die het drievoudige element consequent tot aanschouwing brengen.

Zooals echter bij den mensch de drievoudigheid van het hoofd, van de ledematen, ook van de borst in het klein een herhaling zijn van de drievoudigheid van het lichaam in zijn geheel, zoo vinden we in het aardelichaam deze drievoudigheid in het groot ook terug, en wel in de drie groote Zuidelijke continenten. Hier zijn de vormen van Zuid-Amerika en Afrika duidelijk uit gewerkt, die van Australië iets minder. Men moet zich echter
Tasmanië dat eens met Australië inderdaad één geheel was, daarmee verbonden voorstellen en men heeft de derde punt ook voor zich. Hier ziet men de volgende metamorphose: Afrika’ heeft een zwaar bovenstuk, dat ik zal aanduiden met het woord buik, die in ’t Zuiden overgaat in een volledig gevormde punt. Zuid-Amerika heeft een veel sterker uitgegroeide punt, veel minder buik; Australië daarentegen heeft veel meer buik, zelfs de punt wil hier zelfstandig tot buik worden (Tasmanië). Ook hier dus een vormingstendens van twee uitersten, waartusschen Afrika als een harmonisch midden te zien is.

Een derde belangrijk verschijnsel in de aardformatie is nu af te lezen. Men ziet hoe er eigenlijk zes continenten zijn, die twee aan twee bij elkaar hooren: een Noord- en Zuid-continent: Azië en Australië, Europa en Afrika, Noord-Amerika en Zuid-Amerika. Deze continenten zijn twee aan twee verbonden aan de Oostzijde door een eilandengroep, dié ook weer als metamorfosen van elkaar te beschouwen zijn, en wel resp. de Oost-Indische Archipel, de Grieksche Archipel en de West-Indische Archipel. Aan de Westzijde dezer continenten kan men een andere metamorphose zien: In Amerika een volledige aanéénhechting van Noord en Zuid, in Europa-Afrika een bijna verbonden zijn of anders gezegd: een geringe scheiding (bij Gibraltar), ten slotte bij Azië en Australië niet de minste verbinding meer. Dus de grootste losheid in het Oosten, de grootste vastheid in het Westen, het Midden geeft een overgangsbeeld als steeds..

Tallooze vragen ontstaan bij deze inzichten nieuw. Op vele kan nog niet geantwoord worden, op andere schijnt een antwoord zich voor te doen. Hierover verder in een volgend opstel. Dankbaar ben ik voor bijdragen die deze gegevens nog verder kunnen ondersteunen. Men ziet in elk geval dezelfde wetten der metamorfose in drieheid werken in het aardelichaam en in het menschenlichaam. — De Aarde is het lichaam van den Menschenzoon..

Mr.M.Stibbe, vrijeschool Den Haag, Ostara 4e jrg. nr.1, 02-1931
.

deel 2

Aardrijkskunde: alle artikelen

.

1661

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – 7e klas – aardrijkskunde

.

landschappen en mensen in andere werelddelen: Azië

Mensvorming door aardrijkskunde (5)

In de twee laatste jaren* waarin je klassenleraar bent komt het tot een afsluiting wat de behandeling van de landen betreft. Bouwend op het meer systematische overzicht van de hele aarde in klas 6, moet de blik nu minder gericht worden op de economische omstandigheden, maar veel meer op de geestelijke en culturele.
In de ontwikkeling van een kind vindt in de vóórpuberteit een duidelijke verandering plaats in de richting van het aards-materiële. Niet alleen de lichaamsbouw wordt steviger en beniger; ook het gedrag in de klas en tegenover de volwassenen wordt ‘robuster’. De ontwakende oordeelskracht meldt zich en vraagt om voedsel. Dat wordt in de eerste plaats door het leerplan gegeven door de nieuwe vakken natuur- en scheikunde.
In de aardrijkskundelessen wilde Rudolf Steiner daarom juist die kant benadrukken die de leerling voor een te sterk onderduiken in materiële samenhangen beschermt. Steiner beschijft de opdracht voor de 7e en 8e klas zo:

Nadat u, zoals gezegd, alles wat u de kinderen hebt geleerd over het economische leven kort hebt herhaald voor de hele aarde, en u misschien al een half jaar geschiedenis hebt gegeven zoals we dat hebben leren kennen, dan is dat een goed moment om over te gaan tot de geestelijke, de culturele omstandigheden van de mensen die die verschillende werelddelen bewonen.** Maar vergeet u niet om deze verschillen pas te behandelen nadat u door de eerste geschie­denislessen de ziel daarvoor enigszins ontvankelijk hebt gemaakt. Dan vertelt u ook hoe de verschillende volkeren met hun specifie­ke karakter over de aarde verdeeld zijn. Maar spreekt u niet eer­der over verschillen in karakter tussen volkeren dan rond deze tijd, want dan hebben kinderen pas de basis die ik u geschetst heb om dit soort dingen het beste te begrijpen. Dan kunt u ze vertellen over het verschil tussen Aziatische, Europese en Amerikaanse vol­keren, over het verschil tussen volkeren in Zuid-Europa en Noord- Europa. Dan kunt u ertoe overgaan aardrijkskunde geleidelijk aan met geschiedenis te verbinden. Als u dit doet, bij voorkeur tussen het twaalfde jaar en het veertiende à vijftiende jaar, dan vervult u daarmee een mooie taak waar de kinderen vreugde aan beleven. U ziet dat we in de aardrijkskundelessen buitengewoon veel moeten onderbrengen, wil aardrijkskunde inderdaad een soort samenbundeling zijn van alle andere vakken. [1]

Nu moet je de verwijzing naar de geschiedenis niet zo begrijpen dat aardrijkskunde een soort cultuurkunde zou moeten worden die meer met het verleden dan met het heden van deze aparte gebieden op aarde bezig is. In de aardrijkskunde gaat het steeds om de ruimte en daarvan moet je met de behandeling uitgaan. De culturele omstandigheden waarover het nu moet gaan, moeten tegelijk met het landschap bekeken worden waarin die ingebed zijn. Je zou de gemeenschappelijke signatuur moeten zoeken die werkzaam is in de natuur en de cultuur van een gebied. In dat opzicht moet je ook in de 7e en 8e klas de natuurlijke feiten van de werelddelen, hun indeling in het groot enz. bekijken, zoals je in de 6e klas met de kinderen hebt geoefend. Toen ging het om het begrijpen van de grote Europese gebieden om de invloed van de elementen aarde, water lucht en warmte. En bij een eerste kennismaking met de hele aarde – eveneens in klas 6 – probeerden we aarde en werelddeel als organisme te begijpen, door levensprocessen gevormd, waartoe toch ook de harder wordende ‘beendervorming’ behoort.
Je moet voor alle twee de klassen besluiten aan welke werelddelen je ‘de geestelijke omstandigheden van de mens’ duidelijk wil maken en waar je vergelijkend terug kan kijken op wat al bekend is. Want de vier overige werelddelen (Afrika, Australië, Azië, Amerika) zal je niet in een vloek en een zucht willen behandelen. Als je in de 6e klas goed voorwerk hebt verricht, dan kun je in de 7e klas in een periode van vier weken (wanneer twee perioden er niet inzitten) allereerst ‘de oude wereld’ behandelen, omdat die met de oude culturen de kinderen het meest dichtbij staat en Amerika in dit schooljaar bij geschiedenis ‘ontdekt’ wordt.
Aan Azië als voorbeeld willen we laten zien, hoe je in het begin het hele werelddeel als ruimtelijk gebied nemen kan om dan de geestelijk-culturele kleur van een deel van het landschap uit te werken. De leerkracht moet aanschouwelijker maken wat hier maar een schets moet blijven.

Centraal Azië – ‘het geraamte’ van het continent 

Bij de blik op het ‘lichaam’ van Azië verschijnt Centraal-Azië met het compacte hoogland van Tibet, een bergketen die in het noorden tot aan het Baikalmeer doorloopt met bekkens en in het westen het aangrenzende steppenplateau van Kazachstan waar geen water vanaf komt, als het ‘geraamte’ van het werelddeel. Het element aarde overheerst hier. Samenballing en afsplitsing, als samentrekken en loslaten, is het vormingsprincipe van alles wat leeft, vinden we hier veelvuldig in de vorming van het jonge plooiingsgebergte terug. Het hoogland van Tibet, de hoogtepool van de aarde, rijst in het westen uit de gebergten van de Pamir ‘het dak van de wereld’ omhoog en wordt in bogen breder tussen Himalaya en Kunlun, verdeeld in zeer vele losse bergketens die in het bevroren puin van de hooggelegen dalen ‘verdrinken’ en balt zich weer samen tot een plooiingsknoop in Achter-Indië. Het hooggebergte– en woestijnklimaat veroorzaken extreme omstandigheden. Naar het noorden toe maken een paar aparte bergketens zich los en omsluiten woestijngebieden zonder waterafvoer: Tarimbekken, Dzjoengarije, Gobi. Ten westen van Tiensjan, naar het Balkasj- en Aralmeer opent het landschap zich in de ‘hongersteppe’ van het Russische Midden-Azië, waarvan de rivieren eveneens het meer niet bereiken. Overal heerst het motief dat het water op berghoogte, waar zelfs gletsjers zijn, zich terugtrekt, zodat de rivieren uitdrogen, steppen en woestijnen ontstaan. De materie valt uiteen.
Ondanks deze vijandigheid t.a.v. het leven zorgt de natuur voor evenwicht: zouden de bergketens naar het noorden toe niet verdwijnen en bekkens omsluiten, dan zou het hoogland van Tibet tot in Mongolië doorlopen, dan zou heel Centraal-Azië een ijsklomp zijn. Nu kunnn in de dalen subtropische planten worden verbouwd.
Toch hebben mensen dit ongunstige gebied al in een vroegere tijd ingenomen, weliswaar eerst voornamelijk als nomaden, in de dichtbevolkte oasen, maar ook als ambachtslieden en kooplieden (zijdestraat). Met de weidsheid van het landschap hangt het ruimomvattende bewustzijn van haar bewoners samen. De nomaden overzagen door hun trektochten reusachtige gebieden en stichtten heerschappijsystemen die daarbij hoorden. De grote rijken van de Mongolen vonden hier hun oorsprong. Deze staten waren centralistisch opgebouwd en het schijnt dat het bewustzijn van deze mensen de gedachte aan eenheid ook in religieus opzicht in zich droegen. Want de volkeren van deze streek hebben in de loop van de tijd het monotheïsme aangenomen; in de hoge streken van Tibet het boeddhisme met zijn louteringsweg, de islam meer in de verharde, woestijnachtige landstreken. Het is alsof landschap en menselijk bewustzijn door dezelfde geestelijke signatuur bepaald zijn.

Voor-Azië – wieg van oude culturen

Voor-Azië lijkt wel een verkleinde voorfase van Centraal-Azië. Ook hier de knooppunten en vertakkingen van het alpine plooiingsgebergte met het daarin gelegen woestijnachtige bekken (Iran en Anatolië) en een daarvoor gelegen woestijnplateau (Arabië). Het is hier niet meer zo extreem. Het waterelement doet zijn invloed gelden vanaf vijf kanten door randzeeën, door Transkaukasië en Mesopotamië stromen rivieren. Waar in Centraal-Azië samenhangend een woestijn- resp. hooggebergteklimaat heerst, vind je hier een polariteit wat klimaat betreft tussen het woestijnachtige binnenland en de vruchtbare landschappen aan de randen, met subtropische winterregens (Klein-Azië, de ‘vruchtbare halve maan’, de landen van de Kaukasus. Bepalend zijn echter het aarde-element en het warmte-element die in verregaande mate uitdrogings- en verwoestingsprocessen met zich meebrengen. Daartussen liggen echter zones die weer veel leven bevatten waarin er afhankelijk van het jaargetijde vochttoevoer plaatsvindt door regenwinden. Ondanks dat is het een vijandig landschap om er te gaan wonen. Toch treffen we in de door het klimaat bevoorrechte streken de wieg aan van de oude culturen: Perzië, Mesopotamië en Klein-Azië; later kwamen daar het christendom en de islam bij. Daarbij springt het in het oog hoe het christendom in de kleine ruimten, in zekere zin meer in de naar ‘het innerlijk’ liggende landschappen ingeburgerd raakte (Libanon, Armenië, Georgië), terwijl de islam met zijn tendens tot extremisme zich in de uitgedroogde woestijngebieden verspreidde.

Noord-Azië: toendra, taiga, steppengordel

Noord-Azië (Siberië) wordt op een andere manier dan Centraal-Azië door het aarde-element beheerst; op een duidelijk drievoudige weg neemt het van het West-Siberische laagland via het Midden-Siberische bergland toe op weg naar de hooggebergten van Oost-Siberië. In dit extreme continentale klimaat (65º C verschil over het jaar) ligt de koudepool van de aarde, hoewel de korte zomer relatief warm is.  Alleen dan verschijnt het waterelement met de dan ijsvrije stromen. In grote delen van het land is er toch ook dan permafrost; het water wordt zogezegd door het element van het aards-vaste opnieuw vast.
Van het noorden naar het zuiden volgen opnieuw drie zones elkaar op die met het oog op hun levensprocessen verschillend zijn: de toendra van het arctische noorden waar het licht en de vegetatie beperkt zijn – een landschap dat tot aan de kosmos open is [2]; het woudengebied van de Taiga, met weinig boomsoorten, met beperkt bodemleven, de moerasachtige of bevoren ondergrond; de vruchtbare steppengordel, waarin evenwichtige organische processen duizenden jaren lang de vruchtbare zwarte aarde deden ontstaan. In het noorden staat het leven stil, ook voor de mens (het was het gebied van de Goelag, de strafkampen), in het zuiden sinds heel lang volksverhuizingen in beide richtingen – tegenwoordig een gordel van industrie.
Wat het bewustzijn betreft – en daarmee cultureel – bevinden zich de mensen hier in het gedwongen veranderen van oude gevoelsmatige tradities naar het materialistische nuttigheidsdenken. Dat geldt én voor de oorspronkelijke Mongoolse bosbevolking als ook voor de gemigreerde Russen. Voor allemaal is het een moeizaam proces van er innerlijk vrede mee hebben, waarover Valentin Rasputin in zijn romans veel schrijft.
Tegenover het Noord-Azië dat arm is aan nederzettingen, dus cultuurarm, staan de drie Aziatische grote landschappen als uitgesproken samengebalde ruimte, rijk aan cultuur: Oost-Azië, Zuidoost-Azië, Zuid-Azië. In elk zal je een natuurlijke onderverdeling ontdekken die op de meest verschillende manier door de elementen beïnvloed zijn en de ‘omhulling’ voor de cultuur vormen.

Oost-Azië: ijzig noorden, subtropisch zuiden

In Oost-Azië maken we onderscheid tussen het door de Siberische kou beïnvloede continentale noorden (Amurbekken en Mantsjoerije) en het oceanische subtropische zuiden (Japan-Korea, Noordchinese laagland, Zuidchinese bergland). Hoe verder we naar het zuiden gaan, des te meer nemen niet alleen warmte- water- en stromingsfenomen toe, maar ook de culturele activiteit. De mens bevindt zich in een wisselwerking met de natuur, verandert deze in cultuurlandschappen (rijstterrassen, rivierbeheersing, irrigatie van het Rode Bekken, planten kweken en vroege cultuurtechnieken). De veelzijdige menselijke activiteit in de vroege tijd, waartoe ook het aannemen van het boeddhisme, dus een uitgesproken religie van ‘gene zijde’ hoort, komt in de loop van het historische proces, valt verrassend genoeg bijna stil: filosofie, staatsinrichting, ambtenarij verstarren in hun vorm, die in Japan tot het midden van de 19e eeuw, in China tot in de 20e eeuw voortduren. In een land waarin de persoonlijkheidskrachten eeuwenlang onderdrukt werden, kan het communisme zodanig hardnekkig standhouden, als we nu kunnen meemaken.

Zuid-Azië – subcontinent van de tegenstellingen

Zuid-Azië, d.w.z. Voor-Indië, staat duidelijk onder invloed van de elementen warmte en water, waarbij de laatste in het bijzonder gedurende aan de jaarlijks optredende moessons gebonden is.
Tegenstellingen bepalen het aanzien van dit subcontinent: om te beginnen de bergmuren die het van de rest van Azië scheiden; dan het laagland van de GangesBrahmaputra waar steeds het gevaar van overstromingen dreigt, de belangrijkste levensruimte voor de mensen daar; verder het uit vulkanische deklagen (Duits heeft Dekken, waarvan geen vertaling bestaat) opgebouwde hoogland van Dekan waar men de water’tanks’ uitvond om vocht op te slaan; tenslotte de Induslaagvlakte, die alleen maar in schijn vruchtbaarheid belooft, in werkelijkheid echter woestijnland is en waarvan de uitdroging alleen door kunstmatige irrigatie overwonnen kan worden. Polariteiten ook in het klimaat: een droge, warme winter die met het draaien van de windrichting abrupt in de zwoele zomer overgaat met de wolkbreuken van de moesson. Nog talrijker zijn de culturele tegenstellingen: wat de religie betreft enerzijds de hindoes met hun gevarieerde godenhemel, aan de andere kant Pakistan, bezield door een gevoel van eenheid, steunend op Allah; het Indische kastenstelsel, de ontelbare Indische volkeren en talen (140 in aantal). Ook dat kun je met vele voorbeelden ook nu, concreet schetsen.

Zuidoost-Azië – wereld in wording

In Zuidoost-Azië vinden we tenslotte dat Aziatische grote land dat het sterkst door de ritmische processen, door het water- en warmte-element wordt bepaald. Al aan de grenzen blijkt hoe de Aziatische vastelandmassa in Achter-Indië in aparte schiereilanden uiteenvalt die in vlakke randzeeën naar voren springen en overgaat in het onafzienbare aantal grotere en kleinere eilanden van de Indische Archipel die in de vorm van guirlandes geordend uit de diepzee oprijzen. Grote slibgebieden van de rivieren worden in Achter-Indië door hoge jonge plooiingsgebergten verdeeld en op de eilanden liggen voor de bergruggen zompige laaglanden. Actieve vulkanen, aard- en zeebevingen, koraalriffen op 600m hoogte op de bergen en een merkwaardig verlaagde aantrekkingskracht van de aarde tonen dat we hier te maken hebben met een deel van het aardoppervlak dat nog helemaal niet af is. Het komt nog steeds omhoog, het is dus nog niet helemaal vast geworden.
Het element van het stromende is werkelijk karakteristiek voor de gehele ruimte. De neerslag valt zo rijkelijk dat de laagvlakte in de regentijd in reusachtige amfibische vlakten veranderd worden; de Mekong bijv. kan de watermassa’s niet snel genoeg wegvoeren, zodat een meer in zijn mondingsgebied dat normaal zo groot als het Bodenmeer is, in de regentijd twintig maal groter wordt. Aan de kust strekken zich mangrovebossen uit die met hun luchtwortels in het water groeien; de grens tussen water en land is niet duidelijk meer. De bewoners van deze aarderuimte, de Maleiers wonen op huisboten op de rivieren, in paalwoningen in lagunen en ook op het vaste land houden ze aan de paalbouwmanier vast. Er zijn tuinlieden die drijvende groeibedden in de rivier aanleggen en ook anderszins brengt de natte rijstbouw de mensen voortdurend in contact met het water. Zelfs waar tegenwoordig nieuwe takken van landbouw lokken die meer opbrengen of andere beroepen, laten de Maleiers de rijstbouw niet los. Je krijgt de indruk dat ze zich met het waterelement meer verbonden voelen dan met de vaste aarde.
Ook als je naar de Maleier kijkt, vind je iets van het waterelement terug: de ronde, enigszins dikkere gezichten, de zachte lichaamsvormen, de vloeiende bewegingen, zoals in de dans op Bali. Wat ras betreft zijn de Maleiers een vroege vorm van de Mongolen en in vergelijking met de Chinesen valt de veel minder verharde lichamelijkheid van de Maleiers in het bijzonder op.
In de geschiedenis van deze ruimte vallen de vele volksbewegingen op. Er ontstonden verschillende rijken naast elkaar, ze werden groter en weer kleiner, trektochten van het vaste land naar de eilanden en omgekeerd vonden plaats. Allerlei invloeden van buitenaf speelden een rol, met name het religieuze leven kreeg steeds weer nieuwe impulsen. Oorspronkelijk heerste er het animisme van de natuurvolkeren, dat in dieren, planten, stenen en wateren goddelijke wezens, demonen of de zielen van de voorvaderen beleeft. Door helderziende en magische krachten wordt de verbinding met het bovenzintuiglijke in stand gehouden. In de minder toegankelijke gebieden is deze religieuze houding, ondanks alle latere stromingen tot nu toe blijven bestaan en iedere religie die erbij kwam moest uit het animisme elementen aannemen: het hindoeïsme, het boeddhisme, de islam, het katholicisme. Er ontstonden merkwaardige versmeltingen. Overal voelen we het waterelement! Tegenwoordig bestaan naast elkaar: het boeddhisme in Achter-Indië, de islam in Indonesië, het katholicisme op de Filippijnen en overal daaronder het animisme.
In de nieuwere tijd stroomden met golfbewegingen andere volken naar Zuidoost-Azië: Portugezen, Spanjaarden, Hollanders, Engelsen, Fransen, Indiërs, Chinezen. Van allen namen de Maleiers cultuurimpulsen op, zonder daardoor hun eigenheid te verliezen. Het stroomde door hen heen en de zielenvermogens bleven beweeglijk. Je krijgt de indruk van een volksgroep die zich – anders dan wij Europeanen – met de fysieke aardse omstandigheden niet helemaal verenigt, die niet alleen maar uiterlijk amfibisch tussen land en water leeft, maar ook tussen deze en gene zijde. Spirituele vermogens en praktijken zijn talrijk gebleven, hun muziek werkt door ritme, melodie en de klank van de instrumenten eveneens excarnerend; pantomime, schimmenspel en andere theatervormen, maar ook sagen en sprookjes kunnen worden genoemd. Tot in de politieke bewegingen van deze eeuw (1992) kun je het element van het stromende, de volksbewegingen en bevolkingsverdelingen volgen, processen die vooral in Indochina ook geweld en chaos met zich meebrengen.
Wanneer je met een dergelijke leerweg voor de leerlingen het beeld ontwerpt van een aarderuimte zodat de losse verschijnselen innerlijk overeenstemmen, breng je beweeglijkheid in de kinderlijke fantasie en kan de opbloeiende oordeelskracht die een werkterrein zoekt, zich met deze fantasie verder ontwikkelen. [3]

.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst, jrg. 56 03-1992
.

*Dat geldt niet meer voor de Nederlandse situatie. Ooit was dit wel zo: de vrijebasisschool telde 7 klassen.

**cursief van de schrijver

[1] hier de totale voordracht [GA 294, vdr. 11] waaruit dit is geciteerd (vert. blz. 158 e.v.)
[2] Christiane Ritter: Een vrouw in de poolnacht
[3] Als leraar kun je je laten inspireren door de manier waarop Laurens van der Post [niet onomstreden] de Afrikaanse en Aziatische volksmentaliteit vanuit hun mythen bekijkt en in zijn boeken beschrijft

Göpfert plaatste in zijn artikel ook foto’s die in de Erziehungskunst zwart/wit zijn.
o.a. uit het boek ‘Russland und die Russen‘ van Valerij Tarsis

Turkmenische herder die noch in de zomer, noch in de winter zijn schapenwollen muts afzet, omdat die hem tegen hitte en kou beschermt. Op het uitgestrekte vlakke land dat vijandig is voor het leven moet de nomade zelf voor zijn bescherming zorgen en een doelgericht bewustzijn ontwikkelen dat hem helpt de grote ontberingen te overwinnen.

.

deel 1deel 2;  deel 3;  deel 4;

Aardrijkskunde: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas

.

1571

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 5e klas – aardrijkskunde

.

OPMAAT TOT EEN AARDRIJKSKUNDEPERIODE, klas V

Wanneer de kinderen in een aardrijkskundeperiode de aarde gaan ontdekken, denk je weer even terug aan de jaren die daarvoor liggen, waarin de heemkunde werd besproken, in de derde klas. In de vierde klas werd onder andere de verkenning van de oppervlakte van de aarde aan de orde gesteld. Ook hoe vanuit het jaarthema, het ontstaan van de aarde werd besproken. Dan komt de drang boven om dit ontstaan opnieuw als opmaat te nemen.

Ditmaal hebben we de vier elementen als uitgangspunt genomen. Aarde, water, lucht en vuur zijn vier realiteiten waar de kinderen ook in mee kunnen voelen. Wij bespraken, hoe de vier elementen als het ware als polen tegenover elkaar staan en hoe zij aan de andere kant in hun werking onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden.

Aarde bestaat uit steen, klei, zand.
Water vinden we overal waar aarde is.
Lucht is in en om de aarde, zelfs in de levende natuur dringt het binnen.
Warmte is overal waar leven is en nieuw leven wil ontstaan.

Wij ontdekten met elkaar het gedrag van de elementen en zagen dat:
aarde zich om een vertikaal naar binnen spiraalt,
lucht om een vertikaal naar boven (buiten) spiraalt,
water zijn kortste weg naar beneden zoekt en in het horizontale vlak tot rust wil komen,
vuur omhoog stijgt en zich dan in het horizontale vlak uitbreidt.

Zo ontdekten we dat vanuit de beweging
aarde en lucht staan tegenover water en vuur,
en anderzijds vanuit het karakter
aarde en water staan tegenover lucht en vuur.

Zo staan dan naast eikaar:

Hieruit destilleren wij dan de vier hoofdklimaten:
zeeklimaat (koud- en nat)
subtropisch klimaat (nat en warm)
tropisch klimaat (warm en droog)
landklimaat (droog en koud).

Naar aanleiding van de vier elementen legden wij een verbinding met de mens, die op de aarde staat als centraal wezen, en ontdekten dat ook in de mens de vier elementen een rol spelen.
Hoewel niet bij name genoemd in de klas, kunnen wij ons gedragen als:
aarde in het melancholische
water in het flegmatische
lucht in het sanguinische
vuur in het cholerische

Duidelijk echter zij hierbij gezegd dat het “kanten” zijn in ons gedrag. Een ander uitgangspunt om de elementen te koppelen aan de temperamenten kan even goed dienstbaar zijn.

Tot slot wil ik nog vermelden, dat wij ons bezighielden met de vraag: “Als de vier elementen in en om ons werken, dan moet er toch in een volk een karakter leven dat verband houdt net de “geaardheid” van dat land.

Zo kwamen wij dan tenslotte op de behandeling van de grondsoorten in Nederland en haar naaste omgeving.
.

H. de Bie, nadere gegevens onbekend

.

aardrijkskunde 5e klas: alle artikelen

aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: over aardrijkskunde

5e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas

.

1560

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 302)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 302

voordracht 3

blz. 52

Wenn wir den Menschen, der schließt, den Menschen, der also sich betätigt, sehen, wie er drinnensteht in der ganzen Welt, nicht sich herauslöst durch den Kopf aus der Welt, wenn wir diesen Menschen uns vergegenwärtigen, so ist er eigentlich ohne den Raum gar nicht denkbar. Der Raum gehört zu diesem Menschen dazu. Er ist ein Glied in der räumlichen Welt, insofern er ein Beine und Füßemensch ist.
Und wenn wir das räumlich betrachten, dann ist es in gewisser Weise für unseren astralischen Leib ein Sich auf die Beine Stellen, wenn wir Geographie mit dem Kinde treiben. Es wird tatsächlich der astralische Leib unten mächtiger und dichter. Wir treiben das Räumliche, und wir verdichten daher das Geistig-Seelische des Menschen nach dem Boden hin. Mit anderen Worten: Wir bringen den Menschen zu einer gewissen Festigung in sich gerade dadurch, daß wir recht anschaulich das Geographische betreiben, aber diese Geographie so betreiben, daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen, daß der Niagara nicht an der Elbe liegt, sondern daß wir immer das Bewußtsein hervorrufen: wieviel Raum liegt zwischen Elbe und Niagara.Wenn wir das wirklich anschaulich betreiben, dann stellen wir den Menschen in den Raum hinein, wir bilden insbesondere dasjenige in ihm aus, was ihm ein Weltinteresse beibringt, und das wird sich in der verschiedensten Weise in der Wirkung zeigen. Ein Mensch, mit dem wir verständig Geographie treiben, steht liebevoller seinem Nebenmenschen gegenüber als ein solcher, der nicht das Daneben-im-Raum erlernt. Er lernt das Danebenstehen neben den anderen Menschen; er berücksichtigt die anderen. Diese Dinge gehen stark in die moralische Bildung hinüber, und das Zurückdrängen der Geographie bedeutet nichts anderes als eine Aversion gegen die Nächstenliebe, die sich in unserem Zeitalter immer mehr und mehr zurückdrängen lassen mußte.
Man merkt solche Zusammenhänge nicht, aber sie sind vorhanden. Denn es wirkt immer eine gewisse unterbewußte Vernunft oder Unvernunft in den Erscheinungen des Zivilisationslebens.

Als we de mens die conclusies trekt, die dus actief is, zien zoals hij in de wereld staat, en niet zoals hij zich door zijn hoofd van de wereld losmaakt, als we ons die mens voor de geest halen, dan is die eigenlijk helemaal niet denkbaar zonder de ruimte. De ruimte hóórt bij die mens. Hij is een deel van de ruimtelijke wereld voor zover hij benen- en voetenmens is. En als we het ruimtelijk bekijken, dan is het voor ons astrale lichaam in zekere zin een met-de-voeten-op-de-grond-gaan-staan wanneer we met de kinderen aardrijkskunde doen. Het astrale lichaam wordt inderdaad van onderen steviger en dichter. We gaan om met het ruimtelijke en daardoor verdichten we het geestelijk-psychische van de mens naar de grond toe.
Met andere woorden: we brengen de mens tot een zekere verste­viging in zichzelf doordat we op aanschouwelijke wijze aardrijks­kunde geven; aardrijkskunde wel zó dat we steeds het bewustzijn wekken dat de Niagarawatervallen niet in de Elbe liggen, maar dat we altijd een bewustzijn wekken voor de hoeveelheid ruimte die er tussen de Elbe en de Niagara ligt.
Als we dat echt aanschouwelijk doen, dan plaatsen we de mens in de ruimte, dan ontwikkelen we bij hem vooral dat wat zijn interesse voor de wereld opwekt; en dat zal op de meest uiteenlo­pende manieren tot uiting komen. Een mens die we met verstand van zaken aardrijkskunde bijbrengen, staat liefdevoller ten opzichte van zijn medemens dan iemand die het naast-elkaar-in-de-ruimte niet leert kennen. Hij leert naast de andere mensen te staan, hij houdt rekening met de anderen. Deze dingen raken sterk de morele ontwikkeling; het verdringen van de aardrijkskunde* betekent niets anders dan afkeer van de naastenliefde, die zich in onze tijd steeds meer heeft moeten laten verdringen. Men merkt dergelijke samen­hangen niet, maar ze zijn er wel degelijk. Want in de verschijnselen van onze cultuur werkt steeds een bepaald onderbewust verstand of onverstand door.
GA 302/52
vertaald/51-52

*Even tevoren heeft Steiner een opmerking gemaakt over hoe men in die tijd (1921) en daarvoor, over aardrijkskunde dacht:

Sehen Sie, da wirken manchmal merkwürdige Dinge; sie werden nicht beobachtet und sie gehören doch zu den kulturgeschichtlich aller- wichtigsten Dingen. Wir haben eine Zeit gehabt, so im letzten Drittel des 19. Jahrhunderts, da ist der Geographieunterricht gegenüber dem Geschichtsunterricht eigentlich in den Lehrplänen etwas zurückgedrängt worden. Man hat ja auch immer die Geographie bei den Lehrbefähigungsprüfungen an irgend etwas angehängt. Sie ist weniger berücksichtigt worden. Entweder der Geschichtslehrer bekam sie ange hängt, oder in gewissen Gegenden wurde sie an den Naturgeschichtsunterricht angehängt. Die Geographie ist tatsächlich eine Zeitlang zurückgedrängt worden. 

Weet u, er zijn soms merkwaardige dingen in het spel; ze worden niet opgemerkt en toch behoren ze cultuurhistorisch tot de allerbe­langrijkste dingen. Er is een tijd geweest, rond het laatste derde deel van de 19e eeuw, waarin het aardrijkskundeonderwijs in het leer­plan enigszins is teruggedrongen ten opzichte van het geschie­denisonderwijs. Men heeft immers ook de aardrijkskunde bij de bevoegdheidsexamens voor het onderwijs altijd ergens aan ge­koppeld. Het vak werd minder voor vol aangezien. Ofwel de geschiedenisleraar kreeg het als aanhangwagen, ofwel – in bepaalde streken – viel het onder de natuurlijke historie. Aardrijkskunde is werkelijk een tijd lang teruggedrongen.
GA 302/51
vertaald/51

.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

 

1555

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – 6e klas – aardrijkskunde – alle artikelen

.

Aardrijkskunde 6e klas 

[1] mineralogie
Graniet, kalk, vulkaan
[2] mineralogie:
illustraties van gesteenten met korte beschrijving

[3] Wat voor weer is het?
Het binnenste buiten over: 6e klas meteorologie; klimaten (die de kinderen ‘spelen’)

Aardrijkskunde klas 4 t/m 12:
overzicht
Christoph Göpfert menskunde door aardrijkskunde’ deel 1 over: om welke ervaringen gaat het die een kind moet hebben over de wereld van nu; aardrijkskunde heeft verbinding met bijna alles: gesteenten, planten, dieren, waar en hoe mensen leven en leefden (geschiedenis); aardrijkskunde moet ook leiden tot meer naastenliefde; wat en waarom – ook menskundig gezien – van wat in de klas behandeld wordt; een overzicht

Deel 2 bij klas 4, 5    deel 5 bij klas 7

Christoph Göpfert –menskunde door aardrijkskunde deel 3: over: aardrijkskunde Europa vanuit het gezichtspunt: polariteiten (oost-west; noord-zuid) Landen en rivieren, economie

Christoph Göpfertmenskunde door aardrijkskunde deel 4 over:
aardrijkskunde geen bijvak; overal basis voor economisch leven; aarde is levend organisme: dat schept verantwoordelijkheid; bouwen op wat eerder werd aangelegd; wat meer abstractie vereist; belangrijk middel om vanuit te gaan: de elementen; bergen, woestijn, delta’s; klimaat; grote stromen;

 

6e klas: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 6e klas

 

1549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 301)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 301

voordracht 12 
blz. 196

Dieses Geo­graphische sollte sich aufbauen können auf allerlei in erzählender Form gehaltene Schilderungen von Gegenden, wobei auch ferne Gegenden, zum Beispiel amerikanische oder afrikanische Gegenden, geschildert werden können. Dadurch, wie auch durch die vorausgegangene Natur­geschichte, in der der Zusammenhang des Pflanzenreichs mit der ganzen

Deze aardrijkskunde moet kunnen bouwen op allerlei schilderingen in vertelvorm van gebieden, waarbij bijv. ook veraf gelegen streken zoals bijoorbeeld Amerikaanse of Afrikaanse streken geschetst kunnen worden. Daardoor, zoals ook door de voorafgaande biologie waarin de samenhang van het plantenrijk

blz. 197
Erde dargestellt wurde, ist das Kind vorbereitet, um gegen das 12. Jahr hin Verständnis zu haben für das eigentlich Geographische. Bei dieser Geographie kommt es jetzt darauf an, zu zeigen, wie von der Erde aus, von dem Klimatischen, von alledem, was die Erde an gesetzmäßiger Gestaltung und Struktur an ihren verschiedenen Orten hervorbringt, wie von dem das abhängt, was man in der Geschichte gerade entwickelt. Nachdem man einen Begriff gegeben hat vom Zu­sammenhang von Meer und Land, von dem Klimatischen im alten Griechenland, kann man nun zurückleiten auf dasjenige, was man rein als Symptom für den inneren Werdegang der Menschheit in bezug auf den Charakter des Griechentums entwickelt hat. Ein inniger Zusam­menhang kann dann gefunden werden zwischen dem geographischen Bild, das man von der Erde gibt, und dem geschichtlichen Werden. Eigentlich sollten immer ineinandergreifen die Schilderungen der Erdengegenden und die Schilderungen, die man vom geschichtlichen Werden gibt. In der Geographie sollte im Grunde genommen Amerika nicht behandelt werden, bevor man in der Geschichte die Entdeckung Ame­rikas behandelt hat. 

met de hele aarde geschetst werd, is het kind voorbereid om tegen het 12e jaar begrip te krijgen voor de eigenlijke aardrijkskunde. Bij deze aardrijkskunde komt het er nu op aan, te laten zien hoe van de aarde uit, van de klimaten, van alles wat de aarde aan wetmatige vorm en structuur op de verschillende plaatsen laat zien, hoe, wat je met geschiedenis ontwikkelt, daarvan afhankelijk is. Nadat je begrip ontwikkeld hebt voor de samenhang van zee en land, van het klimaat in het Oude Griekenland, kun je dat terugleiden naar hetgeen wat je puur als symptoom voor de innerlijke weg van de wordende mensheid m.b.t. het karakter van het Griekendom ontwikkeld hebt. Een diepe samenhang kan dan gevonden worden tussen het aardrijkskundige beeld dat je van de aarde geeft en de historische wording. Eigenlijk zouden steeds de schilderingen van de aardestreken en de schilderingen die je van de historische wording geeft, in elkaar moeten grijpen. Bij aardrijkskunde zou in de aard der zaak Amerika niet behandeld moeten worden, voor je in de geschiedenis de ontdekking van Amerika behandeld hebt.

Es ist notwendig, daß man in einer gewissen Weise berücksichtigt, daß der Horizont des Menschen im Laufe der Entwicke­lung sich ausgedehnt hat, und daß man nicht zu stark, ich möchte sagen, das Menschengemüt zu einem Absoluten hinbringen soll. So ist es auch in der sogenannten mathematischen Geographie nicht gut, wenn man von vorneherein dogmatisch von einer Zeichnung des kopernikanischen oder keplerischen Weltsystems ausgeht, sondern es ist angebracht, die Art und Weise, wie die Menschen zu solchem ge­kommen sind, für die Kinder auch wenigstens andeutend zu entwickeln. Dadurch bekommen die Kinder nicht Begriffe, die ihnen mehr sind, als sie ihnen nach dem, was sie in der Menschheitsentwicklung sind, sein sollten. Natürlich würde ein Mensch in dem Zeitalter der ptolemäischen Weltanschauung den Kindern die starren Begriffe des ptolemäischen Systems beigebracht haben; jetzt bringt er ihnen die des kopernika­nischen Weltsystems bei. Es ist aber durchaus notwendig, daß man den Kindern wenigstens einen Begriff davon gibt, wie man sich auf irgend­eine Weise von den Orten der Sterne am Himmel versichert und aus der Zusammenfassung der Orte einen Schluß bildet, der eigentlich erst das Weltsystem ist, damit sie nicht etwa glauben, solch ein Weltsystem sei dadurch errungen, daß sich irgend jemand auf einen Stuhl gesetzt hat außerhalb dieser Welt und sich dieses Weltsystem angeschaut habe.

Het is noodzakelijk dat je er op een bepaalde manier rekening mee houdt, dat de horizon van de mens in de loop van de aardeontwikkeling zich verruimd heeft en dat je niet te sterk het gemoed van de mens tot iets absoluuts wil brengen.
Zo is het ook in de zogenaamde wiskundige aardrijksunde niet goed, wanneer je vooraf dogmatisch van een schets van het wereldsysteem van Copernicus of Kepler uitgaat, maar het is zinvol de manier waarop de mens op zoiets gekomen is, voor de kinderen op z’n minst aanstippend te ontwikkelen. Daardoor krijgen de kinderen geen begrippen die voor hen meer zijn, dan ze voor hen zouden moeten zijn, naar wat ze in de ontwikkeling van de mensheid zijn. Natuurlijk zou iemand in de tijd van de Ptolemeïsche wereldbeschouwing de kinderen de starre begrippen van het Ptolemeïsche systeem bijgebracht hebben; nu brengt hij het het Copernicaanse wereldsysteem bij. Het is echter beslist noodzakelijk dat men de kinderen er tenminste een begrip van geeft hoe men op de een of andere manier zeker is van de plaatsbepaling van de sterren aan de hemel en uit het overzicht een gevolgtrekking maakt die dan pas dat wereldsysteem vormt, zodat ze niet geloven dat zo’n wereldsysteem er zonder inspanning gekomen is of dat een of ander iemand buiten deze wereld op een stoel is gaan zitten en dit wereldsysteem bekeken heeft.

blz. 198

Wie soll sich denn eigentlich ein Kind, wenn man ihm auf die Tafel das kopernikanische System wie eine Tatsache zeichnet, vorstellen, wie man dazu gekommen ist in der Menschheit? Das Kind muß eine leben­dige Vorstellung haben davon, wie solche Dinge gebildet werden, sonst geht es durch sein ganzes Leben mit konfusen Begriffen, die es aber als etwas außerordentlich Sicheres ansieht. Dadurch wird der falsche Auto­ritätsglaube erzeugt – nicht aber dadurch, daß man auf das richtige Autoritätsgefühl beim Kinde vom 7. bis 14. oder 15. Jahre rechnet.

Hoe zou een kind eigenlijk, wanneer je op het bord voor hem het Copernicaanse systeem als een feit tekent, zich voorstellen, hoe men daarop in de mensheid gekomen is. Het kind moet een levendige voorstelling hebben van hoe zulke dingen gevormd worden, anders loopt het zijn hele leven lang rond met verwarde begrippen die het echter als buitengewoon vaststaand ziet. Daardoor wordt het verkeerde geloof in een autoriteit opgeroepen – niet doordat men op het juiste autoriteitsgevoel bij het kind van 7 tot 14 of 15 jaar rekent.
GA 301/196-198
Vertaald

.

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen.

.

1548

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 300C)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 300C 

Rudolf Steiner in vergadering met de leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart.

Vergadering van 25-04-1923

Rudolf Steiner opende de vergadering met een aantal opmerkingen over de 12e klas en het verplichte examen.

Hij betreurt het dat er veel van het eigen leerplan ingeleverd moet worden ten koste van de examenstof. (Dat is in 100 jaar niet anders geworden – sterker nog: verergerd)

Es würde ja wünschenswert sem, daß gerade in diesem Lebensalter -es sind etwa Achtzehnjährige – die Schüler ein abschließendes Ver­ständnis gewinnen würden für das Historisch-Künstlerische und schon aufnehmen würden das Spirituelle, ohne ihnen anthro­posophische Dogmatik beizubringen, in Literatur, Kunstgeschichte und Geschichte. Wir müßten also eben den Versuch machen, in Lite­ratur, Kunstgeschichte und Geschichte das Spirituelle nicht nur inhaltlich, sondern auch in der Art der Behandlung hineinzubringen; müßten also zum Beispiel wenigstens für diese Schüler das erreichen, was ich selbst bei meinen Arbeitern in Dornach angestrebt habe, denen ich schon klarmachen konnte, daß ja eigentlich, sagen wir, solch eine Insel, wie zum Beispiel die britische Insel, im Meere schwimmt und festgehalten wird von außen durch Sternenkräfte. Man hat es zu tun mit einer Insel, die sitzt nicht auf Grund auf, sie schwimmt, sie wird von außen festgehalten. Im ganzen, im Prinzip wird die kontinentale Gestaltung und Inselgestaltung von außen durch den Kosmos bewirkt. Das ist bei der Konfiguration der Fest­länder überhaupt der Fall. Das sind Wirkungen des Kosmos, Wir­kungen der Sternenwelt. Die Erde ist durchaus ein Spiegelbild des Kosmos, nicht etwas, was von innen bewirkt wird. Solche Dinge müssen wir nun doch vermeiden. Wir können sie aus dem Grunde nicht bringen, weil die Schüler veranlaßt würden, das im Examen ihren Professoren beizubringen, und dann würden wir in einen schrecklichen Ruf kommen. Das müßte aber eigentlich in der Geo­graphie erreicht werden.

Het zou wenselijk zijn dat juist op deze leeftijd – het gaat om ongeveer achttienjarigen – de leerlingen een afsluitend begrip ontwikkeld zouden hebben voor het historisch-kunstzinnige en al begrip zouden kunnen opbrengen voor het spirituele zonder hen antroposofische dogma’s bij te brengen, in literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis. We zouden dus een poging moeten doen in de literatuur, kunstgeschiedenis en geschiedenis het spirituele, niet alleen naar de inhoud, maar ook in de manier van lesgeven; we zouden dus bijv. op z’n minst bij deze leerlingen moeten bereiken, wat ik zelf bij mijn arbeiders in Dornach nagestreefde die ik wel duidelijk kon maken dat, ja laten we zeggen, zo’n eiland als bijv. Brittannië, in zee drijft en vastgehouden wordt van buitenaf door sterrenkracht. Je hebt te maken met een eiland dat niet op een vaste ondergrond rust, maar gedragen wordt; het wordt van buitenaf verankerd. In het algemeen, in principe wordt de continentale vormgeving en eilandvorming van buitenaf door de kosmos veroorzaakt. Dat is bij de vorming van het vaste land überhaupt het geval. Het is de werking van de kosmos, niet iets wat van binnenuit veroorzaakt wordt. Die dingen moeten we tóch vermijden. We kunnen ze niet zo brengen, omdat de leerlingen dan genoodzaakt zouden zijn dat op het examen hun examinatorren bij te brengen en dan zouden we een vreselijke naam krijgen. Maar dit zou met aardrijkskunde moeten worden bereikt.
GA 300C/34-35

blz. 42

Es wird noch einmal nach dem Schwimmen der Kontinente gefragt.

Dr. Steiner: In der Regel denkt man doch nicht darüber nach, wie es ausschaut, wenn man dem Mittelpunkt der Erde zukommt. Man kommt sehr bald in Schichten, wo es flüssig ist, gleich ob Wasser oder etwas anderes. Also schon nach dem, was man immerhin annimmt,

Er wordt nog een keer naar het drijven van de continenten gevraagd.

Dr.Steiner: In de regel denk je er toch niet over na, hoe het eruitziet wanneer je naar het middelpunt van de aarde gaat. Je komt al heel gauw in lagen waar het vochtig is, aan water gelijk of wat anders. Dus al volgens dat wat men echt aanneemt

blz. 43

schwimmen die Kontinente. Nun fragt es sich, warum sie nicht durcheinander purzeln, warum es nicht hin und her geht, warum sie immer gleich weit voneinander entfernt sind, da doch die Erde allen möglichen Einflüssen ausgesetzt ist. Warum stoßen sie sich nun nicht; warum ist der Kanal zum Beispiel immer gleich breit? Da gibt es aus dem Inneren der Erde keine Erklärung dafür. Das kommt von außen. Es schwimmt ja alles Festland, das ist von den Sternen fest­gehalten. Es würde zerbrechen. Die Grundform des Meeres tendiert nach dem Sphärischen.

drijven de continenten. Nu zou je je kunnen afvragen waarom ze niet door elkaar raken, waarom ze niet heen en weer gaan, waarom ze steeds even ver van elkaar verwijderd zijn, daar de aarde toch blootgesteld is aan allerlei invloeden. Waarom botsen ze niet tegen elkaar op; waarom is het Kanaal bijv. steeds even breed? Dat komt van buitenaf. Al het vaste land drijft, maar wordt door de sterren op zijn plaats gehouden. Het zou breken. De grondvorm van de zee heeft de tendens naar het sferische te gaan.

Es wird noch eine Frage gestellt nach näheren Einzelheiten. Dr. Steiner nimmt das Heft eines Lehrers, zeichnet die nachstehende Skizze hinein und gibt dabei Erklärungen:

Er wordt nog een vraag gesteld naar bijzonderheden. Dr.Steiner neemt het schrift van een leraar, tekent onderstaande schets en geeft de volgende verklaringen:

Dr. Steiner: Es ist interessant, der Gegensatz. Die Kontinente schwimmen, sie sitzen nicht auf. Die Kontinente auf der Erde wer­den von außen festgehalten durch Fixsternkonstellationen. Wenn die sich ändern, ändern sich auch die Kontinente. Auf alten Tellurien und Atlanten sind auch noch die Tierkreisbilder richtig eingezeich­net, mit diesen Beziehungen zwischen Fixsternkonstellation und Konfiguration der Erdoberfläche. Die Kontinente sind von der Peripherie herein gehalten; die große Sphäre hält die Erdteile. Der Mond dagegen wird dynamisch von der Erde gehalten, wie auf einem Zapfen. Der Mond geht so mit, wie wenn er einen richtigen Zapfen hätte.

Dr. Steiner: Hij is interessant, die tegenstelling. De continenten drijven, ze steunen niet. De continenten op aarde worden van buitenaf vastgehouden door sterrenbeeldconstellaties. Wanneer die veranderen, veranderen ook de continenten. Op oude telluria en atlanten staan ook nog de dierenriemtekens juist ingetekend, in dit verband met de verhouding tussen sterrenbeeldconstellatie en de toestand van het aardoppervlak. De continenten zijn vanuit de periferie bepaald; de hemelsfeer houdt de werelddelen vast. De maan wordt door de aarde dynamisch gehouden, alsof deze op een drijfas zit. De maan gaat zo mee, alsof hij een goede drijfas zou hebben.
GA 300C/42-44

.

Zie voor ditzelfde onderwerp GA 300A
.

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1540

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – Aardrijkskunde

.

EEN EERSTE BLIK OP DE HELE WERELD

Mensvorming door aardrijkskunde (4)

Aardrijkskunde is op de vrijeschool geen bijvak, maar is even belangrijk als bijv. biologie, natuur- en scheikunde. Dat heeft verschillende redenen. De gebieden op aarde vormen met hun bijzondere bodemconstellatie en bodemschatten, hun weersgesteldheid, hun flora en fauna de economische basis voor het menselijk leven. Wanneer je de landschappelijke gegevens samen met de leefomstandigheden van de mensen bestudeert, zoals Rudolf Steiner dat voor klas 4 tot en met 6 aangeeft, ontstaat er interesse en begrip voor het leven van de andere mens op de gehele aarde.
De aarde is tegelijkertijd het toneel van het geschiedkundig handelen en de culturele ontwikkeling van de mens. 
In klas 7 en 8 (1e twee jaren middelbaar onderwijs) moeten het karakter en de culturele omstandigheden van de verschillende volkeren in ogenschouw owrden genomen.
Steeds belangrijker wordt in de tijd van ecologische bedreiging een derde gezichtspunt: de aarde is een levend organisme waarvoor wij verantwoordelijk zijn. Zo gaat het er niet alleen om slechts wetmatigheden in de uiterlijke structuren en vormen van de aarde te ontdekken, maar a.h.w. aan een fysiologie van de aarde te werken. Hoe dat voor het eerst in de 6e klas kan, laat Christoph Göpfert zien in het volgende artikel, deel van een reeks over aardrijkskunde op de vrijeschool [1]
Redactie Erziehungskunst

Tot het 12e jaar vormt ‘de relatie tussen de natuurlijke gesteldheid en het economische leven van de mens’ [2] het belangrijkste gezichtspunt van het aardrijkskundeonderwijs op de vrijeschool. Dat geldt voor de aardrijkskunde in de 4e klas, maar ook voor de behandeling van Midden-Europa en de rest van Europa in de 5e, resp. 6e klas. Het gaat er nog niet om ‘een volledig beeld van de aarde te geven’. Toch hecht Rudolf Steiner er grote waarde aan dat de leerlingen in hun voorstelling de boog spannen van Europa over de Atlantische Oceaan naar Amerika. Daar is bij het bekijken van West-Europa steeds weer gelegenheid voor.
Met het 12e levensjaar, d.w.z. binnen de 6e klas, wil Steiner graag een nieuw beginsel dat met de menskundige verandering in deze leeftijd samenhangt. Hij beschrijft dat zo: ‘Als u op die manier een goede basis hebt gelegd, dan kunt u er rond het twaalfde jaar op rekenen dat de kinderen u kunnen vol­gen, wanneer u van dan af meer systematisch te werk gaat en in korte tijd een beeld geeft van de hele aarde, de vijf werelddelen, de zeeën – natuurlijk op een beknoptere manier dan eerst – en u dan ook het economische leven van die verschillende werelddelen be­schrijft. Uit de basis die u hebt gelegd, zou u dat alles tevoorschijn moeten halen.’ [3]

Voor zo’n ‘systematisch’ te werk gaan is wel een sterker vermogen tot abstraheren nodig en een voorstelling van de ruimte die meer omvattend is, mogelijkheden die het kind nu van nature krijgt. Naast het gebruik van landkaarten, hier de fysische wereldkaart, komt nu ook de globe. Hiermee kun je het beste de verdeling land – water, de ligging van de werelddelen verduidelijken; de globe als de helft water en de helft land. Interessant is ook het gezichtspunt van de aarde als halve bol met Kaapstad of Japan (i.p.v. Europa) als middelpunt!
Wat betekent ‘systematisch te werk gaan’ en ‘een beeld van de aarde’ (d.w.z. een eerste beeld van de totale aarde) geven, verder ‘de vijf werelddelen’, de zeeën en….het economischc leven van deze verschillende gebieden beschrijven? –
Hoe men vanuit de natuurlijke omstandigheden het menselijke economische leven tot ontwikkeling bracht, staat in deel twee en drie [1] van onze reeks. Bij de behandeling van Europa hebben we ook nog de invloed van de elementen aarde, water, lucht en warmte op het landschap en haar atmosfeer gevolgd. Een andere richtinggevende gedachte kan ontstaan, wanneer je aarde en werelddeel als organisme probeert te begrijpen, als deelgebieden waarin zich levensprocessen afspelen.

De aarde als levend organisme

We weten tegenwoordig dat daadwerkelijk van het begin levensprocessen de aarde hebben gevormd; dat de processen op de aarde volgens de wetten van een organisme verlopen. [4] Wat dat betreft is het meer dan een analogie, wanneer je in de vormen van de continenten, de ‘romptendens’, ziet overheersen (Afrika, Australië), terwijl andere hun schiereilanden als ‘ledematen’ uitstrekken (Europa, Azië). Ook de grote landschappen van een werelddeel onderscheiden zich als ‘lichaamsdelen’ wat hun functioneren betreft van elkaar (zie verderop). Zo zijn er werelddelen en landstreken die zich naar een bepaalde richting openen (Europa naar het westen en zuiden, Amerika naar de Golf van Mexico) andere, die zich naar buiten afsluiten (Afrika). Openstellen en afsluiten zijn echter vormingprincipes en attituden van levende wezens. We hebben bij de behandeling van Europa (deel 3) [1] metamorfosen en tendenzen tot harmoniseren leren kennen – ook dit soort processen en gebaren behoren bij het leven.

Inderdaad is het interessant als je eenmaal karakteristieke eigenschappen van wat levend is, heb leren kennen en gecontroleerd, waar deze op aarde te vinden zijn. Daarbij horen zeker ook bepaalde ritmische processen, analoog aan wat zich afspeelt in de adem-hart-bloedsomloopactiviteit bij mens en dier. Die hebben bij de hogere levensvormen duidelijk in de borststreek hun centrum. Als we naar de aarde kijken, zien we in iedere rivier verschillende pulserende bewegingen die in het groot in het meanderen zichtbaar worden. Hoofd- en bijrivieren vormen een water’netstelsel’ waarvan de ‘aderen’ als levensstroom het landschap doortrékken. In de oceanen en in de lucht nemen kringlopen van dit soort een grote plaats in (Golfstroom, zich verplaatsende lagedrukgebieden).

Nog een basis van het leven is de stofwisseling met de bijbehorende organen. Daarin voltrekt zich de verandering van het voedsel, zodat nieuwe stoffen opgebouwd kunnen worden. Oplossen, veranderen en opnieuw vormen van stoffen vindt echter ook plaats op aarde en dat kun je vaak waarnemen, het meest in het oog springend in het tropische regenwoud. In andere streken overheerst de opbouw van substantie: in de plooiingsgebergten die ontstaan, bij de mid-oceanische ruggen; het vulkanisme, maar ook bij de vorming van delta’s waarbij het meegevoerde slib ten gevolge van het minder snel worden van de stroom, afgezet wordt en daardoor ‘groeit’ de delta de zee in. [5].

Het aardoppervlak wordt door innerlijke en uiterlijke krachten gevormd die een samenspel vormen zoals in een organisme. Het zijn de krachten van het aards-vaste, van het water, de lucht en de warmte. 
In de deltavorming van de grote stromen grijpen ‘stofwisselingskrachten’ in en maken ze tot gebieden met veel leven. Zoals in de stofwisselingsprocessen van een levend organisme vindt ook hier oplossing, omvorming en nieuwe vorming van stoffen plaats. Het meegevoerde slib – de op de lange reis verpulverde stenen – wordt als gevolg van vermindering van de stroomsnelheid afgezet en schuift als landtong in de zee: de delta ‘groeit’. 
De Wolgadelta – zo groot als Schleswig-Holstein – komt hoger te liggen als een dicht rietveld, weilanden en tuinbouwgrond dan de (in augustus) verdorde bruine halve woestenij. Vanuit de binnenranden tot in de delta is een breed patroon getrokken van parallellopende smalle binnenzeeën en heuvels die wellicht het gevolg zijn van vroegere windactiviteit. Voor de delta waaiert een strook licht sediment naar het noorden die echter nog maar een derde zoveel materiaal meevoert als vóór de bouw van de grote stuwdammen in de Midden-Wolga.

In de Nijldelta zijn de tegenstellingen extremer. De helft groter dan de Wolgadelta, omgeven door hete woestijnplateaus zonder regen, overgeleverd aan winderosie. Aan de kust hebben de zeestromingen strandwallen uitgespoeld, waarachter vroegere bochten als lagunen verzouten (vlakke kust). De Nijl waarvan het water uit de evenaargebieden van Afrika komt en die hier in de woestijn een vreemd element is, zorgt voor 59% van de vochtigheid van het Egyptisch landschap onder Caïro. 

Ook ijs kan een landschap gestalte geven en zijn vormen in het levende afdrukken. De Noorse fjordenkust doet je denken aan het aderstelsel. Oudere stroomsystemen volgend hebben de gletsjers van de ijstijd brede U-vormige dalen uitgehold die het mogelijk maken dat de warmte van de Golfstroom ver het land kan binnendringen. In het bijzonder de scheren in het westen die door tectonische kloven alleen zijn komen te liggen, zijn met een groene vegetatiemantel bedekt.

 bron

Vanaf het Makrangebergte in Pakistan met zijn dicht opeen geformeerde vormenreeks dat tot in de lengtedalen naar beneden loopt in zandachtig erosiemateriaal met scherpe kanten, blazen de noordwestenwinden fijn materiaal weg en vormen zo de bergribben. De stofwaaiers worden tot 150 km lang en kunnen het zware leven van herders en vissers volledig lam leggen. 

Warmte en water maken vormen op de ‘hoogtepool’ van de aarde, de oostelijke Himalaya. De grootte Baden-Württemberg als voorbeeld laat de grootst mogelijke tegenstellingen zien. Ze strekken zich uit van het grijs-groene zwoele Gangesgebied helemaal in het zuiden, via de met wouden bedekte, aan de moesson overgeleverde zuidelijk glooiing van de Nepal-Himalaya en de vergletsjerde hoog-Himalaya (met vier toppen van 8000 m tot het woeste, geelgekleurde, winterkoude hoogland van Tibet 4000 m boven de zeespiegel. Omdat rivieren hier zeldzaam zijn, wordt in zuidelijke richting het gebergte door talrijke V-dalen geciseleerd. Hier triomfeert het water over het element aarde, want een paar rivieren doorsnijden, vanuit het noorden komend, de hoog-Himalaya: die zijn hier ouder dan het gebergte! De verschillende grijsnuances wijzen op de zich met de hoogte (en dat betekent met de warmte) veranderende bosbegroeiing. Ingebed in de zuideliljke glooiing komt het met terrassen gevormde kernland van Nepal als bruin-gele streep in het onderste stuk van de foto tevoorschijn: water en warmte zijn hier doodemens in een harmonisch wisselspel gebracht. [10] 

de foto’s in het tijdschriftartikelen zijn zwart/wit. Ik heb ze via Google-maps geprobeerd op te zoeken. De beschrijving van de foto hierboven beantwoordt niet helemaal aan het plaatje: de foto’s in het tijdschrift zijn uit een atlas

Als een reuzenmossel rusten de Berry-eilanden met het daarbij behorende kalme bekken met ondiep water (1 tot 2 m) van de grote Bahamabank. Een hoge temperatuur en een hoog zoutgehalte zijn karakteristiek voor deze unieke zeewereld die door koraalriffen, duinruggen en brandingswallen tegen de driftstromen van de passaatwinden beschermd zijn. Overal modelleert het rustige water: er zijn smalle, langgerekte eilanden, half cirkelvormige baaien ontstaan. Het onderwaterreliëf toont door zijn kleurschakeringen wervelingen, zandbanken en plaatsen waar het ineens steil naar beneden gaat.

Vergaan, resp. vernietiging en daarmee doodsprocessen vind je daarentegen in de woestijnen. [6] Naar deze verschijnselen zal de leekracht steeds weer kijken, ze als levensprocessen van de aarde proberen te begrijpen, ook al maakt hij er niet per se een onderwijsonderwerp van. Voor hemzelf vormen zulke overwegingen echter een basis die zijn leerstofperiode toch anders doeverlopen.

Vorm en klimaat van de werelddelen

Je moet voor het overzicht van de periode van de 6e klas met behulp van de landkaart beginnen en met de behandeling naar details gaan, de namen van de werelddelen en de oceanen laten noemen, hun positie t.o.v elkaar. Daarbij springen belangrijke vormelementen in het oog, bij de zeeën ook de mid-oceanische ruggen die op de moderne kaarten ingetekend zijn. Die moet je niet overslaan, want de kinderen worden door zulke waarnemingen gevoelig voor het feit dat plastische krachten die in de aarde werkzaam zijn, ook invloed hebben op de zeebodem.
Maar vooral aan de vorming van de continenten kun je veel waarnemen; ieder maken ze een bepaald gebaar: de noordelijke werelddelen, breed om de Noordelijke IJszee gesitueerd en door landbruggen met de naburige werelddelen verbonden, worden naar het zuiden toe jonger. De drie zuidelijke werelddelen, verder opgeschoven naar de equator, zijn echter duidelijk van elkaar gescheiden, worden in zuidelijke richting ook smaller. Daardoor ontstaat hier een brede cirkelpolaire oceaangordel waarvan het midden ingenomen wordt door het ijsgeworden Antarctis met de zuidpool als 7e werelddeel, terwijl de noordpool op de ijsschotsen van de Arctische zee ligt. – Een goede waarnemingsoefening is het dan voor de leerlingen, wanneer ze de omtrek van de continenten vereenvoudigd in meetkundige figuren tekenen, waarmee je tegelijkertijd de kinderen wakker maakt (zie deel 1) [1]. Ook het meten van van de diepzeetroggen komt hiervoor in aanmerking en prikkelt de leerlingen om te ontdekken en precies te werken.
Je kan ook nog andere dingen aan de vorm van de werelddelen waarnemen.
Wat wij bij de drie Zuid-Europese schiereilanden als gebaar opgemerkt hebben, komt als een metamorfose – uitvergroot – in de drie Zuid-Aziatische schiereilanden weer opnieuw naar voren: het wat compacte Arabische, het slankere Voor-Indië met een vooruitgeschoven groot eiland; het in halve eilanden en eilanden opgaande Achter-Indië met de Soenda archipel.
Een ander opvallend vormfenomeen biedt het overgangsgebied tussen de noord- en zuidcontinenten die men heel algemeen ‘middenzeeën’ noemt.
De Europese Middellandse Zee kennen de kinderen nu als een watervlakte die helemaal omsloten is door het vaste land die echter in de Zwarte en de Rode Zee twee bijzeeën heeft, echter alleen maar door een smalle doorgang met de open oceaan verbonden.
De Amerikaanse ‘middenzee’, de Caribische‘ is sneller te begrijpen: in het westen wordt die door de smalle Midden-Amerikaanse landbrug naar de oceaan toe afgesloten, in het oosten stromen er door de eilandenbogen van de Antillen sterke Atlantische zeestromingen in en uit. Nog verder open is de ‘Zuidoost-Aziatische middenzee” de Indonesische eilandenwereld. In zijn eilandenbogen zitten overal gaten waardoor het water uit de Stille Oceaan in de Indische kan stromen.

Nog een gezichtspunt voor een overzicht van de werelddelen is hun oppervlaktegesteldheid: Afrika bestaat bijna helemaal uit een oude kristallijne bergmassa die alleen maar in het noordwesten aan de jonge ‘alpine’ plooiing van de Atlasketen raakt die in Oost-Afrika door breuklijnen en vulkanisme zich kenbaar maakt.
Zuid-Amerika daarentegen  wordt in zijn totale lengte door plooiingsgebergten doortrokken, terwijl de kristallijne oerplaten zich beperken tot het oosten.
Australië – om bij de zuidelijke delen te blijven – heeft geen deel aan de jonge vorming van plooiingsgebergten; dat loopt buiten het eigenlijke continent over Nieuw-Zeeland en Nieuw-Guinea.
In verbinding met de sterrenkunde of daarbij aanknopend kun je ook over het klimaat van de nieuw ‘ontdekte’ werelddelen vertellen, want dat behoort ook bij het ‘beeld van de aarde.’
De loodrecht lopende zonnebaan tussen de ‘keerkringen’ en het ontbreken van schemering zijn de eerste opwindende verschijnselen. Daarbij kun je misschien aansluiten met schetsen over de woestijnen en het regenwoud, over de hoogten van de vegetatie in de tropen, bijv. bij de Kilimanjaro. Dat er eeuwige sneeuw onder de equatorzon voorkomt, verbaast de kinderen. maar ook passaat- en moessonwind horen erbij.

De ‘biografie’ van grote stromen

Op opvallende indeling krijgen de continenten tenslotte door hun grote stromen. Ze onderscheiden zich zo sterk van elkaar dat je over ‘rivierindividualiteiten’ mag spreken. Er zijn stromen die traag naar zee gaan (Mississippi), andere die eerst de richting naar de woestijn inslaan en pas laat naar zee afbuigen (Niger), weer andere die de zee nooit bereiken (Tarim).
In het wezen van de grote stromen drukt zich echter ook iets van het werelddeel uit waartoe ze behoren.
De Amazone heeft een volledig ander karakter dan de Nijl en deze weer dan de Hwang-ho, de gele rivier in China.
De leerkracht moet de moed hebben om zijn klas een paar van die rivierbiografieën te vertellen, alsof de rivier een wezen is, dat bij haar loop het omgevende landschap beleeft, wat in overeenstemming is met een geestelijke realiteit:
In alle oude culturen wordt over riviergoden verteld (bijv. over de god ‘Skamandros‘ in de Ilias, die de priesters op grond van hun helderziende vermogen nog konden waarnemen. Een enkel natuurvolk onderhoudt tegenwoordig nog de verbinding in hun riten met zulke natuurgeesten waarover de moderne volkenkunde zonder vooroordeel verslag doet. (Horst Nachtigall: Völkerkunde, Stuttgart 1974)
Rudolf Steiner zet op grond van zijn bijzondere methode van geestonderzoek vaker iets uiteen over dergelijke elementairwezens (bijv. GA 136 en 158, niet vertaald)

Je kan ze ook zakelijker, als reisbeschrijving, geven en de rivier vanaf de bron tot de monding volgen en vergelijkingen maken. [6]
Wat de Nijl betreft zou het er zo uit kunnen zien, waarbij we wel vooropstellen dat de leerkracht gebruik moet maken van kaarten, beeldmateriaal en landschapsschilderingen [7] omdat hij niet in Afrika is geweest.

‘De Nijl ontspringt (als Kagera) ongeveer 2000 m hoog in het jonge vulkaanlandschap van Oost-Afrika, waarin geisers, moddervulkanen en andere verschijnselen van de levendigheid van dit aardegebied getuigen. Al gauw komt hij na steile hellingen naar het oosten uit de mistige wouden tevoorschijn en loopt in de wijde vochtige savannen van Oost-Afrika verder, een licht overstroomd middenhooglandschap van 1200 m. Daar liggen heel wat zoetwater- en sodameren die tijdens de regentijd voller en groter worden, in de droge tijd weer ineen schrompelen. Deze twee jaargetijden bepalen ook hoe het gaat met flora en fauna en het menselijk leven. Het vlakke Victoriameer – zo groot als een kleine zee – is de eerste ‘erosiebasis’ van de Nijl, d.w.z. het water komt hier tot rust, hij zou hier kunnen eindigen, wat misschien vroeger ooit het geval was. In dit ‘zonnesavannenland’ heerste lange tijd harmonie tussen natuur en mens: tussen de rijke hoeveelheid groot wild en de verschillende volkeren en rassen waarvan de veeteelt en de landbouw aan de natuur aangepast was en voor een deel nog steeds is.
Lager dan het Victoriameer begint met de droge savannen de wilde fase van de Nijl, vermoedelijk als gevolg van een ‘aftakking’ van een andere rivier vanuit het noorden. Want de Nijl stort zich nu over cataracten, verandert meerdere keren van richting, vanuit de zijkanten monden er mineraalrijke en -arme zijriveren in uit die je met de witte en zwarte waterstromen van de Amazone zou kunnen vergelijken.
In Bahr-el-Ghasal, het gazellenmoeras, (390m boven de zeespiegel) worden de watermassa’s van de Nijl door een dwarsliggende rotsbarrière tegengehouden – een reusachtige ‘binnendelta’ ontstaat als tweede ‘erosiebasis. Vermoedelijk sijpelde de Nijl hier vroeger net zo verder als in de bovenloop van de Niger bij Timboektoe ooit het geval was en wat nu nog het ‘lot’ is van de Schari in het Tsjadmeer. Want we bevinden ons nu al in het droogtegebied van de Sahel waarin slechts een korte, onregelmatig voorkomende regentijd is. Terzijde daarvan ligt dunbevolkt hongerland. Het is alsof het wegblijven van de levenskrachten aan zijn oevers ook invloed heeft op hemzelf: over 800 km verplaatst de ‘witte Nijl’ zich bijna zonder hellingen naar Khartoem. Hier komen we een andere vorm van stuwing tegen, niet door een bergobstakel, maar door een waterbarrière: de waterrijke Blauwe Nijl vanuit het hoogland van Abessinië, met vruchtbaar vulkaanslib verrijkt, drukt het water van de hoofdstroom terug en brengt Egypte het eerste hoogwater in de zomer. Pas wanneer dit weggestroomd is, volgt het tweede hoogwater door de Witte Nijl.

In dit laatste deel dat men ‘woeste Nijl’ noemt, is de stroom een ‘vreemdelingrivier’ (Fremdlingsfluss) geworden, d.w.z. met zijn water een vreemdeling binnen de hem omgevende gortdroge woestijnplateaus. Er stromen geen zijrivieren meer in, ja hij verliest voortdurend water aan de grondwaterstand en ook door verdamping. Er is ook geen afwisseling meer van de jaargetijden (afgezien van de temperaturen); alleen nog die droge tijd overheerst. Ondanks dat oefende het hoekvormige Nijldal sinds mensenheugnis een aantrekkingskracht uit, omdat je met hulp van het vruchtbare slib en de kunstmatige bevloeiing van de woestijnbodem een intensief te bewerken akkerland kan maken waarop verschillende oogsten per jaar mogelijk zijn. De Egyptenaren werden in de oudheid door de Nijl juist tot bepaalde bewustzijnsstappen gebracht. Zo stroomt de Nijl aan de getuigen van deze oude cultuur voorbij op weg naar zijn delta. Pas hier liggen de huidige grote steden – voor de laatste keer wordt er hier nog water uitgehaald voor de velden. Aan zijn monding brengt hij echter niet meer water mee dan de Rijn – voor de reusachtige rivier met zijn lange ‘biografie’ verschrikkelijk weinig!

De laatste opdracht die je als leraar in deze ‘overzichtsperiode’ moet uitvoeren, is de uiteenzetting van de economische activiteiten die je niet in Eurpa vindt – bijv. het werk op een tweemans boerderij in Noord-Amerika, op een koffie- of katoenplantage in Brazilië, het verbouwen van rijst op de terrassen in China, misschien ook de ecologische houtkap in het tropische regenwoud. Hier zal het afhangen van wat de leerkracht aanschouwelijk en voor de kinderen te begijpen, kan vertellen. [8] Het mag hier echter wel wat korter en beperkter, want een grondige behandeling van de landen, weliswaar meer onder cultuur-geografische gezichtspunten blijft voorbehouden aan de klassen die volgen.

[1] deel 1   deel 2   deel 3   deel 5

[2] Rudolf Steiner GA 294
Vertaald/152
Hier te vinden bij andere opmerkingen van Steiner over aardrijkskunde
[3]  idem/157
[4] Spektrum der Wissenschaft: ‘Die Dynamik der Erde, Heidelberg 1987
[5] Theodor Schwenk Das sensibele Chaos
[6] Eberhard Czaya: Die Strome der Erde; Kevin Sinclair: Der gelbe Fluss; Andreas Suchantke: Kontinent der Kolibris
[7] Andreas Suchantke: Sonnensavannen und Nebelwälder; J.Bockemühl, W.Schad, Suchantke: Mens und landschaft Afrikas
[8] Materiaal hiervoor: Terra – Lesehefte

.

Christoph Göpfert, Erziehungskunst jrg. 56, o2-1999

.
deel 1deel 2;  deel 3;  deel 5

.

aardrijkskunde 6e klas: alle artikelen

aardrijkskundealle artikelen

Rudolf Steiner over aardrijkskundealle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld6e klas

 

1539

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over aardrijkskunde (GA 300A)

.

RUDOLF STEINER OVER AARDRIJKSKUNDE

GA 300A 

Rudolf Steiner in vergadering met de leerkrachten van de 1e vrijeschool in Stuttgart.

Vergadering van 25-09-1919

blz. 85

X.:   Wie kann man für den geologischen Unterricht einen Zusammenhang her­stellen zwischen der Geologie und der Akasha-Chronik?

X: Hoe kun je bij het geologie-onderwijs een verband leggen tussen de geologie en de Akashakroniek?

Steiner geeft een concreet antwoord op deze vraag. Gezien zijn vele opmerkingen over ‘antroposofisch onderwijs‘ – met als voornaamste conclusie: in het vrijeschoolonderwijs hoort geen antroposofie – zou je hier verbaasd kunnen (moeten) zijn dat hij deze vraag niet afwijst.

Dr. Steiner: Da wäre es natürlich gut, wenn Sie es so machen würden, daß Sie den Kindern zunächst die Schichtenbildung zum Bewußtsein bringen, daß Sie ihnen einen Begriff beibringen, wie die Alpen ent­standen sind. Und daß Sie dann den ganzen von den Alpen ausgehenden Komplex behandeln: Pyrenäen, Alpen, Karpaten, Altai und so weiter, was ja die eine Welle ist; daß Sie diese ganze Welle den Kin­dern klarmachen. Und dann die andere Welle, die von Nordamerika über Südamerika geht. Da kriegt man also heraus diese eine Welle bis zum Altai, bis zu den asiatischen Bergen, die geht von Westen nach Osten. Und dann haben wir im Westen Amerikas oben die nordame­rikanischen und unten die südamerikanischen Gebirge. Das ist die andere Welle, von Nord nach Süd. Die steht auf der ersten senkrecht darauf.

Dr. Steiner:
Nu zou het natuurlijk goed zijn, wanneer u dat zo zou doen, dat je de kinderen allereerst de vorming van de aardlagen uitlegt, dat je ze een begrip bijbrengt hoe de Alpen zijn ontstaan. En dat je dan, uitgaand van de Alpen, het hele complex behandelt: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Altai enz.; dat is dan de ene golving, die moet je de kinderen goed uitleggen. En dan de andere golving die van Noord- naar Zuid-Amerika loopt. Dan zie je een golving tot de Altai, tot de Aziatische bergen, die loopt van west naar oost. En dan hebben we in het westen van Amerika de Noord-Amerikaanse en de Zuid-Amerikaanse bergen. Dat is de andere golving van noord naar zuid. Die staat haaks op de andere.

Von dieser Schichtung und Gliederung gehen wir aus, und da reihen wir dann die Vegetation und die Fauna an. Dann versuchen wir einfach die Westküste von Europa und die Ostküste von Amerika, die Fauna und Flora und die Schichtung zu studieren. Dann gehen wir dazu über, den Begriff davon hervorzurufen, wie der Osten von Ame­rika und der Westen von Europa zusammenhängen, und daß das Becken des Atlantischen Ozeans und die Westküste von Europa ein­fach Senkungsland ist. Von diesen Begriffen aus versuchen wir dann auf naturgemäße Weise klarzumachen, daß sich das im Rhythmus auf und ab bewegt. Von dem Begriff des Rhythmus gehen wir aus. Wir zeigen, daß die britischen Inseln viermal auf und abgestiegen  sind. Da kommen wir zurück zu dem Begriff der alten Atlantis, auf geologischem Wege.

We gaan uit van deze gelaagdheid en deze indeling en daar laten we dan de vegetatie en de fauna bij aansluiten. Dan proberen, eenvoudig, de westkust van Europa en de oostkust van Amerika, de fauna en de flora en de gelaagdheid te bestuderen. Dan gaan we ertoe over begrip te wekken voor hoe het oosten van Amerika en het westen van Europa met elkaar samenhangen en dat het bekken van de Atlantische oceaan en de westkust van Europa gewoon verzonken land is. Vanuit deze begrippen proberen we dan duidelijk te maken dat er een ritmisch stijgen en dalen plaatsvindt. We gaan uit van het begrip ritme. We laten zien dat de Britse eilanden viermaal gestegen en gedaald zijn. Dan zijn we terug bij het begrip van het oude Atlantis, langs geologische weg.

blz. 86

Dann können wir übergehen, indem wir versuchen, in den Kindern die Vorstellung hervorzurufen, wie es anders war, als das eine da unten war, und das andere da oben. Wir gehen davon aus, daß die britischen Inseln viermal auf- und abgestiegen sind. Das ist einfach geologisch festzustellen an den Schichten. Wir versuchen also, diese Dinge in Zusammenhang zu stellen, aber wir dürfen nicht davor zurückschrecken, bei den Kindern von dem atlantischen Land zu sprechen. Wir dürfen das nicht überspringen. Auch im geschicht­lichen Zusammenhang können wir daran anknüpfen. Nur werden Sie dann die gewöhnliche Geologie desavouieren müssen. Denn die atlantische Katastrophe muß ja im 7. bis 8. Jahrtausend angesetzt werden.
Die Eiszeit, das ist die atlantische Katastrophe. Die ältere, mittlere und neuere Eiszeit, das ist nichts anderes als das, was vorgeht in Europa, während die Atlantis untersinkt. Das ist gleichzeitig, also im 7., 8. Jahrtausend.

Dan kunnen we ertoe overgaan te proberen in de kinderen een voorstelling te wekken hoe anders het was als het ene onder is gegaan en het andere weer bovenkomt. We gaan ervan uit dat de Britse eilanden vier keer ten onder zijn gegaan en weer aan de oppervlakte gekomen. Dat is eenvoudigweg vast te stellen aan de stratificatie. We proberen dus deze dingen in een samenhang te zien, maar we hoeven er niet voor terug te schrikken om met de kinderen over Atlantis te spreken. Dat mogen we niet achterwege laten. Ook bij geschiedenis kunnen we daarbij aanknopen. Maar dan moet je de gewone geologie opzij schuiven. Want de Atlantische ramp moet je wel in het 7e tot 8e millennium plaatsen.
De ijstijd, dat is de Atlantische catastrofe. De oudere, middelste en nieuwere ijstijd zijn niets anders dat wat het gevolg is in Europa, als Atlantis ten ondergaat. Dat gebeurt tegelijkertijd, dus in het 7e, 8e millennium.

Na dit antwoord is het duidelijk dat Steiner heel weinig teruggrijpt op de Akasha-Kroniek, maar op bestaande bergruggen en stratificaties wijst. 
Wat Steiner over het samengaan van Amerika en Europa zegt – waar de Atlantische Oceaan is, was vroeger land – was in 1915 door Alfred Wegener beschreven. Ik weet niet of Steiner zich baseert op zijn eigen bovenzinnelijke waarnemingen of op Wegener, zijn naam vond ik niet in een trefwoordenregister van de voordrachten.
Over de beweging van de Britse eilanden en over de ijstijden is mij momenteel niets bekend wat Steiners visie zou kunnen ondersteunen.

Hoewel ook Plato ‘een’ Atlantis ten onder laat gaan, is het zeer aannemelijk dat Steiner hier zijn eigen beschrijving van de ondergang van Atlantis bedoelt. Dat kan ook gelden voor zijn opmerking dat ‘je er niet voor terug hoeft te schrikken’ om over Atlantis te spreken. 
Kwaadwillende critici hebben e.e.a. aangevoerd als ‘bewijs’ dat Steiner middels deze mededelingen ‘de kinderen wil indoctrineren’.
(Zie o.a. hier  en hier)

X.: Der Anschluß ist sehr schwer zu finden hinter der Eiszeit. Wie ist da das, was die Wissenschaft sagt, in Parallele zu bringen mit dem, was die Geisteswis­senschaft vertritt?

blz. 87

Dr. Steiner: Da finden Sie aber in den Zyklen Anhaltspunkte. Sie haben in der Quartärzeit, bedoeld: Terziärzeit, die erste und zweite Säugetierfauna, und Sie brauchen bloß das zu ergänzen, was über den Menschen gilt. Sie können das schon parallelisieren. Die Quartärzeit bedoeld: Terziärzeit können Sie gut mit der Atlantis parallelisieren, und die Tertiärzeit, bedoeld: Sekundärzeit können Sie paralleli­sieren im wesentlichen, nicht pedantisch, mit dem, was ich schildere als die lemurische Zeit. Da würde also die Tertiärzeit, bedoeld: Sekundärzeit hineinkommen. Da haben Sie die älteren Amphibien und Reptilien. Da ist auch der Mensch noch in der äußeren Gestalt nur quallig da in der Substanz; er ist nur amphibienhaft gestaltet.

Volgens de uitgever zitten er in deze stukken stenografeerfouten. Ik heb ze telkens vermeld als ‘bedoeld is – . 

Hierna verwijst Steiner naar door hem gehouden voordrachten. Ook is het duidelijk dat hij een aantal dingen zegt die (o.a) in de Akashkroniek staan.

X.: De aansluiting na de ijstijd is moeilijk te vinden. Hoe kun je dat hier, hoe de wetenschap het ziet, parallel laten gaan met wat de geesteswetenschap zegt?

Dr. Steiner: In de voordrachten vind je allerlei aanknopingspunten. In het kwartair -bedoeld is het tertiair – de eerste en tweede zoogdierenfauna en dat hoef je alleen aan te vullen met wat voor de mens geldt. Dat kun je gelijk laten lopen. Het kwartair – bedoeld: tertiair – kan je goed met Atlantis laten samenvallen en het tertiair – bedoeld: – secondairtijd, kun je gelijk laten lopen, in grote trekken, niet pedant, met wat ik geschetst heb als de Lemurische tijd. Dan zou het tertiair – bedoeld – secondairtijd erbij komen. Dan heb je de oudere amfibieën en reptielen. Ook de mens is dan nog meer kwalachtig in zijn uiterlijke gedaante als substantie, hij is meer amfibie-achtig gevormd.

X.: Da ist aber doch noch Feueratmung!

Dr. Steiner: Aber diese Biester, die atmen ja auch Feuer, der Archä­opteryx zum Beispiel.

X.: Dan is er toch vuurademhaling?

Dr. Steiner: Maar deze beesten ademen vuur, de archeopteryx bijv.

X.: Also die Tiere, deren Knochen man heute im Museum sieht, die atmeten noch Feuer?
Dr. Steiner: *Ja, alle die zu den Sauriern gehören, die gehören in das Ende der Tertiärzeit, bedoeld: Sekundärzeit. Die im Jura gefundenen, das sind schon die Nachkommen. Ich meine  Saurier, die im Anfang der Tertiärzeit, bedoeld: Sekundärzeit da waren. Die Juraformation erstreckt sich weiter fort. Es schiebt sich da alles ineinander. Nichts ist pedantisch zu behandeln. Vor dem Tertiären liegt das Sekundärzeitalter; da gehört der Jura hinein. Da gehört der Archäopteryx hinein. Aber das würde bei uns schon die zweite Periode werden. Man muß nicht pedantisch das eine dem anderen zuordnen.

X.: Dus de dieren waaarvan we nu de beenderen in het museum zien, ademden nog vuur?

Dr. Steiner: Ja, die tot de sauriërs behoren, allemaal; die horen bij het einde van het tertiair – bedoeld secondair -. Die in de Juratijd werden gevonden zijn al oudere nakomelingen. Ik bedoel de sauriërs die in het begin van het tertiair – bedoeld – secondair – bestonden. De Juraformatie strekt zich verder uit. Daar komt alles bij elkaar. Je moet niets pedant behandelen. Vóór het tertiair bevindt zich het secondair en daar hoort de Juratijd bij. Tot die tijd behoort de archeopteryx. Maar bij ons is dat al de tweede periode. Je moet niet pedant het ene naast het andere willen zetten.
(Omdat hiervoor sprake was van het Lexicon van Pierer, slaat deze laatste zin waarschijnlijk daarop)

blz. 88

X.: Wie ordnet sich ein, was wir über das Erdinnere gelernt haben? Darüber findet man fast nichts in der äußeren Wissenschaft.

Dr. Steiner: Das, worüber die äußere geologische Wissenschaft über­haupt handelt, bezieht sich ja nur auf die allerobersten Schichten. Diese Schichten, die bis zum Mittelpunkt der Erde gehen, die haben ja mit der Geologie nichts zu tun.

X.: Hoe kun je wat we over het binnenste van de aarde hebben gehoord, een logische plaats geven? Daarover kun je in de gewone wetenschap bijna niets vinden.

Dr. Steiner: Wat de gewone geologische wetenschap betreft, die gaat alleen in op de bovenste aardlagen. De lagen die tot het middelpunt van de aarde gaan, hebben niets te maken met geologie.

X.: Kann man diese Schichten den Kindern beibringen? Man muß doch die oben aufliegenden Schichten erwähnen.

Dr. Steiner: Ja, möglichst die Schichten angeben. Man kann es nach einer Schichtenkarte machen, aber niemals ohne daß die Kinder etwas wissen von den Gesteinsarten. Die Kinder müssen die Anschau­ung bekommen, was das für Steine sind. Bei der Erklärung fängt man an von oben herunter, weil man da leichter vermitteln kann, was da durchbricht.

X.: Kun je deze lagen aan de kinderen leren? Je zal de toplagen toch moeten noemen.

Dr. Steiner: Ja, als het mogelijk is, die lagen noemen. Je kan een aardlagenkaart maken, maar nooit voordat de kinderen iets weten van de steensoorten. De kinderen moeten  zien wat dat voor gesteenten zijn. Bij de uitleg begin je van boven naar beneden, omdat je dan beter kan overbrengen wat er tevoorschijn komt.
GA 300A/85-88

Vergadering van 26-09-1919:

blz. 106

X.: Ich habe hier eine Tabelle der geologischen Formationen zusammen­gestellt im Anschluß an das gestern Gesagte.

Dr. Steiner: Sie dürfen da nie pedantisch parallelisieren. Ja, wenn Sie zu der Primitivform, zum Urgebirge, gehen, haben Sie die polarische Zeit. Die paläozoische entspricht der hyperboräischen Epoche, auch da dürfen Sie nicht pedantisch die einzelnen Tierformen nehmen. Dann haben Sie das mesozoische Zeitalter dem lemurischen im wesentlichen entsprechend. Dann die erste und zweite Säugetierfauna oder das känozoische Zeitalter, das ist das atlantische  Zeit­alter. Das atlantische ist nicht älter als etwa neuntausend Jahre. -Diese fünf Zeitalter, das primitive, paläozoische, mesozoische, käno­zoische, anthropozoische können Sie also geradezu parallelisieren, aber nicht pedantisch.

X.: Ik heb hier een tabel van geologische formaties gemaakt, aansluitend op wat er gisteren is gezegd.

blz. 107

Dr. Steiner: Je moet daarbij nooit pedant parallellen trekken. Ja, als je naar de primitiefste vorming, naar het oergebergte kijkt, heb je de polaire tijd (een indeling die Steiner in de Akashakroniek gaf, als eerste tijd, de Hyperboreïsche als tweede, Lemurische als derde en Atlantische als vierde tijdperk). Het paleozoïcum komt overeen met de Hyperboreïsche tijd, ook hierbij kun je niet pedant diervormen plaatsen. Dan heb je het mesozoïcum dat voor het grootste deel overeenkomt met Lemurië. Dan de eerste en tweede zoogdierenfauna of het cenozoïcum, dat is het Atlantische tijdperk. Dit is niet ouder dan zo’n negenduizend jaar. Deze vijf tijdperken, het primaire, paleozoïsche, mesosoïsche, cenozoïsche, antroposoïsche kun je parallel laten lopen, maar niet schoolmeesterachtig.

X.: Es ist einmal gesagt, daß die Abzweigung der Fische und die Abzweigung der Vögel gewöhnlich nicht richtig angegeben werden, zum Beispiel bei Haeckel.

Dr. Steiner: Die Abzweigung der Fische wird allerdings etwas zu­rückgeschoben im Devonschen Zeitalter.

X.: Er werd gezegd dat de afsplitising van de vissen en die van de vogels niet goed zijn aangegeven, bijv. bij Haeckel.

Dr. Steiner: De afsplitisng van de vissen wordt zeer zeker iets terug verschoven naar het devoon.

X.: Wie sieht der Mensch in diesem Zeitalter aus?

Dr. Steiner: Im primitiven Zeitalter ist er fast ganz noch von äthe­rischer Substantialität. Er lebt zwischen den anderen Erscheinungen. Er hat noch keine Dichte. Er wird dichter im hyperboräischen Zeit­alter. Nur diese Tierformen, die eigentlich der Niederschlag sind, die leben. Der Mensch lebt auch, nicht in geringer Kraft, er hat eine ungeheure Kraft. Aber er hat nichts an sich von einer Substanz, die zurückbleiben könnte. Daher gibt es keine Überreste. Er lebt durch die ganzen Zeitalter hindurch und bekommt erst etwa im käno­zoischen Zeitalter äußere Dichte. Wenn Sie sich erinnern, wie ich das lemurische Zeitalter beschrieben habe, das sind fast ätherische Land­schaften. Das ist alles da, aber es sind keine geologischen Überreste da. Aber wollen Sie das berücksichtigen, daß eigentlich hier durch alle fünf Zeitalter überall schon Mensch ist: Mensch ist überall. Dann hier (Dr. Steiner demonstriert an der Tabelle) im ersten Zeitalter (Primitivform> ist außer dem Menschen eigentlich noch nichts ande­res vorhanden; das sind nur geringfügige Überreste. Da ist Eozoon canadense eigentlich mehr Formation, etwas, was sich als Figur bil­det; das ist nicht ein wirkliches Tier. Dann hier in der hyperboräisch­-paläozoischen Zeit tritt das Tierische schon auf, aber in Formen, die später nicht mehr erhalten sind. Hier in der lemurisch-mesozoischen Zeit tritt das Pflanzenreich auf, und hier tritt in der Atlantis, in der känozoischen Zeit, das Mineralreich auf; eigentlich schon in der letzten Zeit hier, in diesen zwei früheren Zeitaltern schon. (In den bei­den letzten Unterrassen der lemurischen Zeit.)

X.: Hoe ziet de mens er in deze tijd uit?

Dr. Steiner: in het begintijdperk bestaat deze nog bijna helemaal uit etherische substantie. Hij leeft tussen de andere verschijnselen. Hij heeft nog geen dichtheid. Hij wordt vaster in de Hyperboreïsche tijd. Alleen de dieren die eigenlijk de neerslag zijn, die leven. (In Steiners visie ontstaan de dieren uit de (zielen)substantie die de mens buiten zich laat, voor hem overbodig of zelfs remmend is bij zijn menswording). De mens leeft ook, niet met zwakke krachten, hij heeft een ongelooflijke kracht. Maar hij heeft niets aan zich wat achter zou kunnen blijven. Daarom zijn er geen resten. Hij leeft tijdens het hele tijdperk en pas in het cenoïsche tijdperk ontstaat er een uiterlijke verdichting. Wanneer u zich herinnert hoe ik het Lemurische tijdperk heb beschreven, dat is bijna allemaal etherisch (landschap). Dat is er allemaal, maar er zijn geen geologische resten. Maar wilt u er hier wel rekening mee houden dat gedurende alle vijf die tijdperken de mens bestaat: de mens is overal. Dan hier (Dr. Steiner laat een tabel zien) in het eerste tijdperk is buiten de mens nog niets anders aanwezig; dat zijn maar onbeduidende overblijfselen. Dan heb je eozoon canadensis, dat is meer een formatie, iets wat als figuur wordt gevormd, dat is geen echt dier. Dan hier in de Hyperboreïsch-paleozoïsche tijd ontstaat het dierlijke, maar in vormen die er later niet meer zijn. Hier in de Lemurisch – mesozoïsche tijd ontstaat het plantenrijk en hier ontstaat in Atlantis, in de cenoïsche tijd het mineraalrijk; eigenlijk in de laatste tijd hier, in deze twee eerdere tijdperken al. (In de twee laatste onderrassen van de Lemurische tijd).

blz. 108

X.: Ist der Mensch schon als Kopfmensch, Brustmensch und Gliedmaßen­mensch da?
Dr. Steiner: Er ist ähnlich wie ein Kentaur. Stark tierischer Unterleib und vermenschlicht der Kopf.

X.: Bestaat de mens al als hoofd- romp- en ledematenmens?

Dr .Steiner: Hij ziet er ongeveer als een centaur uit. Een sterk dierlijk onderlichaam en het hoofd is vermenselijkt.

X.: Man hat fast den Eindruck, als wäre es eine Zusammensetzung, eine Symbiose aus drei Wesenheiten.
Dr. Steiner: So ist es auch.

X.: Men krijgt de indruk dat het een combinatie, een symbiose is van drie wezens.

Dr. Steiner: Zo is het ook.

X.: Wie ist es möglich, daß dann im Karbon Pflanzenreste sind?

Dr. Steiner: Das sind keine Pflanzenreste. Was da so ausschaut wie Pflanzenreste, das ist dadurch entstanden, daß zum Beispiel der Wind weht und ganz bestimmte Hemmungen findet. Sagen wir, der Wind weht und bringt so etwas wie Pflanzenformen hervor, die sich geradeso erhalten haben wie der Tritt der Tiere. (Hyperboräisches Zeitalter.) Es ist eine Art Pflanzenkristallisation. Es ist eine Ein­kristallisierung mit Pflanzenformen.

X.: Hoe is het dan mogelijk dat er in het carboon plantenresten zijn?

Dr. Steiner: Dat zijn geen plantenresten. Wat er uitziet als plantenresten is ontstaan doordat bijv. de wind waait en bepaalde weerstanden ondervindt. Laten we zeggen, de wind waait en veroorzaakt zoiets als plantenvormen die net zo bewaard zijn gebleven als de pootafdrukken van de dieren (Hyperboreïsche tijd). Het is een soort plantenkristallisatie. Een kristallijn vastworden met plantenvormen.

X.: Also die Bäume, die existierten gar nicht?

Dr. Steiner: Nein, die sind als Baumformen vorhanden gewesen. Die ganze Flora der Karbonzeit ist nicht physisch vorhanden. Denken Sie sich einen Wald, der eigentlich in seiner Ätherform vorhanden ist, und der daher in bestimmter Weise den Wind aufhält. Dadurch bil­den sich da in der Form fast Stalaktiten. Was sich bildet, das sind nicht Überreste von Pflanzen. Da bilden sich Formen einfach durch die Konfiguration, die da entsteht durch Elementarwirkungen. Das sind nicht wirkliche Überreste. Man kann nicht sagen, daß das so ist, wie in der Atlantis. Da haben sich dann die Sachen erhalten, und in der letzten lemurischen Zeit auch, aber in der Karbonzeit ist keine Rede davon, daß Pflanzenüberreste da sind. Nur tierische Überreste. Aber da handelt es sich auch in der Mehrzahl um solche Tiere, die nur zu parallelisieren sind mit unserer Kopfform. Das sind nicht wirkliche Überreste. Man kann nicht sagen, daß das so ist, wie in der Atlantis. Da haben sich dann die Sachen erhalten, und in der letzten lemurischen Zeit auch, aber in der Karbonzeit ist keine Rede davon, daß Pflanzenüberreste da sind. Nur tierische Überreste. Aber da handelt es sich auch in der Mehrzahl um solche Tiere, die nur zu parallelisieren sind mit unserer Kopfform.

X.: Dus de bomen bestonden helemaal niet?

Dr. Steiner: Nee, die waren er als boomvormen. De hele flora van de carboontijd is stoffelijk niet aanwezig. Denk u in dat u in een bos bent dat alleen eigenlijk als ethervorm bestaat en die op die manier de wind tegenhoudt. Dan ontstaan er bijna stalactietachtige vormen. Er worden geen resten van planten gevormd. Er ontstaan eenvoudigweg vormen veroorzaakt door elementaire inwerkingen. Dat zijn geen echte resten. Je kan niet zeggen dat het zo is als in Atlantis. Daar zijn resten bewaard gebleven en in de laatste tijd van Lemurië ook, maar in de carboontijd is er geen sprake van plantenresten. Alleen van dierlijke. Maar dan gaat het om die dieren die gelijk te schakelen zijn met onze vorm van het hoofd.

X.: Wann richtete sich der Mensch auf? Man kann den Punkt nicht ein­ordnen.

Dr. Steiner: Das ist doch nicht gut, wenn Sie sich diese Vorstellun­gen so festnageln. Denn, nicht wahr, manche Rasse richtete sich eben früher auf und manche später. Man kann nicht den bestimmten Punkt festnageln. So ist es in der Wirklichkeit nicht.

X,: Wanneer richt de mens zich op? Dat tijdstip kun je geen plaats geven.

Dr. Steiner: Het is toch niet goed dat u zich zo vastlegt in uw voorstellingen. Want, niet waar, sommige rassen deden dat eerder en andere later. Dat kun je niet op één punt vastspijkeren. Zo is het in werkelijkheid niet.
GA 300A/107-108
Niet vertaald

blz. 220

X.: Vorzugsweise durchgenommen ist die Eiszeit; Umlagerung von Land und Wasser. Überhaupt viel Geologisches von dieser Zeit.

Dr. Steiner: Ich würde empfehlen, mit Anschluß an alles dasjenige, was man in eine solche Sache hineinbringen kann, eine vollständige Gliederung der Alpen durchzunehmen. Nördliche Kalkalpen, süd­liche Kalkalpen, mit allen Flußtälern, die die Grenzen bilden, die Gebirgszüge, die Gliederung, dann Land- schaftliches, einiges über die geologische Beschaffenheit, angefangen von den Seealpen bis hin­über zu den österreichischen Alpen durch die ganze Schweiz hin­durch. Dabei können Sie in dieser Besprechung der Alpen immer einfließen lassen, daß ja eigentlich in der Erdstruktur eine Art Kreuz vorhanden ist, auf das die äußeren Gebirgsformationen deuten. Set­zen Sie die Alpen fort durch die Pyrenäen, dann durch die Kar­paten, gehen Sie über durch die waldigen Gebirge, gehen Sie bis zum Altai, so haben Sie einen ausgedehnten Ost-West-Gebirgszug, der, sich unterirdisch fortsetzend, wie ein Ring sich um die Erde schließt, der senkrecht durchkreuzt wird von der Anden-Cordilleren­Richtung, die einen anderen Kreuzring bildet. Sie können zwei kreuzförmig aufeinander stehende Ringe als Struktur der Erde sehr schön den Kindern klarmachen. Sie bekommen dadurch eine Vor­stellung, daß die Erde ein innerlich organisierter Körper ist. Das können Sie alles so tun, daß Sie nicht allzu kurze Zeit verwenden. Sie brauchen nicht alles, das ganze geographische Thema auf einmal zu machen.

X.: Allereerst is de ijstijd behandeld; land en water die elkaar afwisselen. Vanzelfsprekend veel over de geologie van deze tijd.

Dr. Steiner: Ik zou willen aanraden om daar met alles wat erbij kan, een volledige indeling van de Alpen te geven. De kalkalpen in het noorden, de zuidelijke, met alle rivierdalen die de grenzen vormen, de bergketens, de formatie, over het landschap, iets over het geologische karakter, te beginnen bij de zuidelijke West-Alpen, tot aan de Oostenrijkse, door heel Zwitserland. Je kan in deze bespreking van de Alpen steeds erbij nemen dat in de aardestructuur er eigenlijk een soort kruis aanwezig is, wat de andere bergformaties laten zien. Verleng je de Alpen verder door de Pyreneeën, dan door de Karpaten, ga je naar de beboste gebergten, ga je tot de Altai, dan heb je een uitgebreide oost-west bergketen die onderaards verderlopend als een ring de aarde omsluit, die loodrecht wordt doorkruisd door de Andes-Cordillera-richting die een andere kruisring vormt. Je kan twee loodrecht op elkaar staande kruisvormige ringen als structuur van de aarde wel al aan de kinderen duidelijk maken. Ze krijgen er daardoor een voorstelling van dat de aarde een lichaam is met een inwendige organisatie. Dat kun je allemaal doen als je de tijd niet te kort neemt. Je hoeft niet alles, het gehele aardrijkskundige thema, in een keer te doen.

GA 300A/220
Niet vertaald

De leerkrachten die de vragen stellen, worden niet met naam genoemd. Het is steeds ‘X’ die iets vraagt. Maar van de ‘X’ die dit vraagt, weten we dat hij/zij de 8e en 9e klas voor het vak Duits samen heeft gevoegd. Dat staat boven de opmerkingen over de aardrijkskunde, hierboven. In zijn antwoord gaat Steiner in op de vraag over het Duits, om dan te besluiten met: ‘Nu gaat het om de aardrijkskunde’. Aangezien hij nu hetzelfde aardrijkskundige thema aansnijdt als op blz. 85, kunnen we er vrijwel zeker van zijn, dat alle opmerkingen die dan volgen bedoeld zijn voor het onderwerp ‘aardrijkskunde in klas 8 of 9.
Dat is voor de hele ‘Atlantisdiscussie‘ van wezenlijk belang: het is hier geen- en nergens in de pedagogische voordrachten – lesstof voor de basisschool. 

.

Rudolf Steiner over aardrijkskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Aardrijkskunde: alle artikelen

.

 

1508

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.