VRIJESCHOOL – Aardrijkskunde – wereldkaarten

.

Wereldkaarten

Bewustzijn in beeld gebracht
‘Het gejongleer met de posities van de werelddelen laat zien hoe subjectief kaarten kunnen zijn.’
Maarten Ploeger over de veranderingen in het kaartbeeld sinds de ‘wereldkaart’ van de Egyptenaren tot onze moderne cartografie.

Een kaart geeft ons een beeld van de vormen van het aardoppervlak. De doorsnee-ervaring die mensen hebben met kaarten, zal zich beperken tot het opzoeken van plaatsen in een atlas of het bestuderen van wegennetten tijdens de vakantie. Een omvattender gebruik van de kaart zien we bij de geografische weergave van themata als staatsgrenzen, bevolkingsverdeling, klimaten, vegetatie, goederenstromen enzovoort. De huidige wereldwijde communicatie en economische interactie zouden ondenkbaar zijn zonder navigatie-kaarten voor de scheep- en luchtvaart, zonder routekaarten voor het vervoer over de weg. Maar de betekenis van (wereld)kaarten reikt verder dan die van praktisch hulpmiddel bij geografische oriëntatie. Aan de kaart is ook een belangrijke culturele, om niet te zeggen filosofische waarde verbonden.

Aarde-oriëntatie
In oeroude tijden was de mens nog geheel op de kosmos georiënteerd. De aarde was Maya, illusie, en daarvan maakt men nu eenmaal geen kaarten.
De eerste cultuurperiode waarin de mens zich – in modernere zin – actief met de aarde gaat verbinden, is de oud-Perzische tijd van circa 6000 – 3000 v. C.
Een legende verhaalt hoe de koning met een gouden dolk een diepe voor in de aarde rijt. De levenschenkende kosmische zonnekracht – het goud – wordt uitgenodigd zich in de aarde te verzinken; de noeste landarbeid neemt zijn aanvang.
De oude Perzen beleven hoezeer het van node is om Angri Maynu of Ahriman, de duisternismacht van het materiele aardrijk, te reinigen door de heilzame krachten van de kosmos. Wilde grassen worden veredeld tot granen. Het komt tot de eerste oogstbomen. Het zonnevolkje der bijen wordt gedomesticeerd. Wilde beesten worden tot vee en huisdier. Dit alles staat in het teken van de eredienst voor het zonnewezen Orzmud of Ahura Mazdao. Kenmerkend voor deze cultuur is dat men niet uit de aarde weg wil vluchten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudst bekende kaartoverlevering – op een kleitafel – stamt uit deze tijd. De actieve aandacht voor de aarde vindt zijn neerslag in een eenvoudige windstrekencirkel met acht segmenten waarin grof aangeduide landschapssymbolen, bijvoorbeeld voor berg, staan afgebeeld.

In de hierop volgende periode, circa 3000 – 800 v. C., bewegen de Egyptenaren en met hen de Babyloniërs en de Chaldeeërs zich met hun interesse alweer dichter naar de aarde toe: landmeetkunde en techniek waarmee de piramides worden gebouwd. De toenemende aarde-oriëntatie gaat echter ten koste van het vermogen tot kosmisch gewaarworden. De verbinding met de kosmos verloopt onder andere via de astrologie; het lezen in de sterren is als het lezen van het handschrift der goden. Al een minder directe ‘communicatie’ dan het rechtstreeks in de ziel kunnen vernemen van het goddelijk klinkende woord. De zintuigen worden zozeer aan het aardse functioneren gekoppeld, dat het grote moeite kost nog in hogere zin te zien en te horen. Toch maken de Egyptenaren, naast minutieuze kadasterkaarten, een ‘wereldkaart’ die als het ware nog door de materie heenschouwt naar de scheppende goden.

De Babylonische tijdgenoten kijken wat dit betreft al ’zintuiglijker’. Zij schetsen de wereld als een platte schijf, omspoeld door water, overspannen met een hele hoge koepel (van tin). Aardser, maar toch ook met behoud van kosmologische elementen: de aardeschijf is nog nietig in verhouding tot het hemelgewelf; zon, planeten en sterren hangen aan touwen door goden bewogen.

Door de Griekse natuurfilosoof Thales van Milete (circa 650 v. C.) wordt een volgende stap gezet. Figuur 1 toont ons de Babylonische weergave, figuur 2 die van Thales van Milete. De aarde wordt relatief groter, de hemel minder van belang.

Kort daarop introduceert Anaximander het – in moderne termen – modeldenken. Uit het waarnemingsgegeven dat de zon in het oosten opgaat en in het westen verdwijnt, leidt hij denkend af dat de zon een cirkelvormige baan voltrekt onder de aarde door. Er ontplooit zich in snel tempo een vurig enthousiasme voor het verstand van de mens. Worden in de strijd om Troje (Ilias-epos) de daden van de helden nog ingegeven door de goden, als Odysseus zijn omzwervingen maakt verlaat hij zich steeds meer op zijn mensenverstand. Ten slotte komt hij zover dat hij éérst uit eigen inzicht handelt en zich pas achteraf hierover verstaat met Pallas Athene.

De herinnering aan kosmos en goden is nog rijk en levendig, maar de mens belandt op de aarde.
Aristoteles bewijst dat de aarde een ronde bol is. Niet alleen is Aristoteles grondlegger van aardwetenschap (hij beschrijft bij voorbeeld erosie en sedimentatie), ook de innerlijke wetmatigheden van het denken worden door hem tot bewustzijn gebracht. Zelfs wordt door Grieken al gevonden dat de aarde om de zon draait; gegevens die tot aan Copernicus in de vijftiende eeuw weer zullen ‘onderduiken’.

Eratosthenes (circa 250 v. C.) berekent de aardomtrek tot op vier procent nauwkeurig en introduceert parallellen en meridianen als hulpmiddel bij de plaatsbepaling. Zijn kaart geeft al een omvattend beeld van de landvormen van Europa, Azië en noordelijk Afrika. De Romeinen, als aardspolitici, interesseren zich niet voor cartografisch vakmanschap. Zij zijn tevreden met zeer grove kaarten, als de marsroutes voor hun legers er maar op staan. De cartografische erfenis van de Grieken gaat over op de Arabieren, die deze verder vervolmaken.

Daarnaast wordt de fakkel van de cultuurontwikkeling ook overgenomen door de christenheid. Het verstandelijk denken wordt door de scholastiek tot grote scherpte gebracht. In de onderstroom ontplooien zich warme krachten van het menselijk gemoed, van het religieus gevoelen. De monniken in hun kloostercellen tekenen een T in O-kaart, een ronde kaart, de ‘O’, met Jeruzalem, het graf van de Heer, in het middelpunt en een ‘T’ die in de onderste helft van de kaart staat afgebeeld en die wordt gevormd door de Middellandse zee (verticaal) en de rivieren de Don en de Nijl (horizontaal). Eromheen worden de dan bekende landmassa’s ruw gegroepeerd, opgevuld met vele miniatuurtjes ter verbeelding van steden en kloosters. Hoog in het noorden ligt als een eilandje het paradijs. Daarboven torent het gelaat van Christus. Aan oost- en westzijde prijken zijn handen, in het zuiden steunt de aarde op zijn voeten: een eerbiedig beeld van het intiem-religieuze beleven dat de aarde sinds Golgotha tot lichaam van Christus is geworden, waaraan Hij is gekruisigd: ‘wie mijn brood eet, treedt mij met voeten’.

wikipedia

Met de grote ontdekkingsreizen vanaf de vijftiende eeuw breekt een nieuwe tijd aan. De Arabische wetenschappen, met inbegrip van hun superieure navigatie- en kaartkennis, vagen het middeleeuwse wereldbeeld letterlijk en figuurlijk van de kaart. De mens verlegt nu op onstuimige wijze zijn gerichtheid van verticaal (relatie mens-kosmos) naar horizontaal (mens-fysieke omgeving). Astrologie wordt definitief tot astronomie. De aarde verliest haar centrale plaats als schouwtoneel der goden, om als nietig deeltje temidden van ontelbare andere deeltjes voort te cirkelen rond een van de vele ‘zonnen’. Ook de mens wordt een stofje, opgebouwd uit stof, toegerust om de stof te beheersen. Het kosmisch bewustzijn is uitgedoofd, om individueel aardebewustzijn te doen ontwaken. De tijd van de heroïsche ontdekkingsreizen, ingeleid door Hendrik de Zeevaarder van Portugal, luidt de absolute vervolmaking van de kaart in.

Hoe langer hoe meer aardvormen worden steeds exacter op hun juiste plaats gebracht, tot aan de satellietwaarnemingen van de dag van vandaag toe. Technieken als infraroodopsporing en dergelijke maken het mogelijk tot in de aardkorst ligging en naam van grondsoorten en mineralen te bepalen. De aarde als schouwtoneel van de gemechaniseerde afgoden. De moderne cartografie spiegelt in de eerste plaats ons mathematisch-technologische aardevernuft, gericht op de totale overmeestering van de materie.

Kaartprojectie
Behalve historische perspectieven vraagt een beschouwing van en over kaarten om een nader inzicht in de mathematische technieken van de kaartweergave. De grote moeilijkheid bij een mathematisch verantwoorde weergave van het aardoppervlak is, dat een bolvorm nooit en te nimmer zonder vertekening in een plat vlak kan worden afgebeeld. Als men een plastisch bolletje zonder rimpelingen plat wil krijgen, zal men dit volledig moeten verknippen. Bij (militaire) artilleriekaarten wordt dit principe inderdaad toegepast, maar voor vrijwel alle verdere gebruik kennen we aaneengesloten rechthoekige of ronde kaarten; deze laatste zijn alle vertekend en dus in zeker opzicht onjuist. Voor doelgericht gebruik hoeft dit geen enkel bezwaar te zijn. Het gaat er maar om welke informatie is gewenst.

In het algemeen zijn er drie soorten ‘waarheidsgehalte’ te onderscheiden:
1. een kaart geeft werkelijkheidsgetrouwe oppervlakken weer,
2. een kaart geeft werkelijkheidsgetrouwe kompasrichtingen weer,
3. een kaart geeft de juiste lineaire afstand tussen de opeenvolgende breedtecirkels weer.

Nooit zijn op een kaart alle drie de aspecten werkelijkheidsgetrouw, altijd slechts een of twee ervan. Geen mens kan dus in een oogopslag een waar totaalbeeld van het aardoppervlak hebben. Kijkt men op de globe, waarop alles juist is maar waar men onmogelijk passer en lineaal op kan gebruiken, dan overziet men op één moment hooguit de helft van de globe. (Wat men zou kunnen oefenen, is zichzelf als in het middelpunt van de aarde te beleven en de verschillende continenten ruimtelijk om zich heen te plaatsen in een aftastproces van links-rechts/voor-achter/boven-onder.) Kijkt men op een kaart, dan krijgt men een vertekend beeld. Dit laatste is niet zonder gevolgen!

De brave tv-nieuwskijker kent maar een kaartbeeld. Links de Amerika’s, midden en rechts Eurazië, met Afrika en Australië eronderaan bungelend. Canada en de (vroegere) Sovjet-Unie torenen als grote waterhoofden bovenaan. In feite zijn de noordelijkste landmassa’s in grootte vier maal te groot voorgesteld. De landmassa’s van het zuidelijk halfrond, ons ‘vergeten werelddeel’, reiken niet ver genoeg naar de Zuidpool om zo’n imponerende vergroting te kunnen ondergaan. De Sovjetbeer oogt inderdaad vreeswekkend in deze omvang. Toch prefereren de Russische leiders zelf een andere kaart. Met dezelfde noordelijke overdrijving, maar anders ‘geknipt’.

We dienen ons namelijk te bedenken dat de betreffende kaart, een zogenaamde Mercatorprojectie, ontstaat door een cylinder om de aardbol heen te leggen. De geniale Gerhard Mercator vond als eerste de juiste projectiemethode om de schepen – met relatief gebrekkige navigatiemogelijkheden – met een blijvend juiste kompashoek/koers op weg te sturen. Een revolutionaire vondst die talloze schepelingen van een wisse verdwalingsdood heeft gered.

Bij de mercatorprojectie wordt elke locatie overgebracht op de binnenzijde van de cylinder. Het wordt een platte kaart door de cylinder ergens open te knippen en uit te vouwen. Gangbaar is om dit op de 180° lengte te doen. De 0° meridiaan van Greenwich ligt dan precies in het midden; het suggestieve centrum van de wereld, terecht voor de tijd dat Engeland de sleepboot was voor de maritieme ontsluiting van de aardglobe. Knipt men de kaart echter zo open dat de USSR in het midden ligt, met Europa in het westen en Amerika in het oosten, dan begrijpt iedere Sovjetburger onmiddellijk hoe dreigend hij is ingesloten door ‘vijandige machten’. Met andere woorden: kaartprojecties lenen zich uitstekend voor manipulatie. De kaart waarop Rusland centraal is afgebeeld, wordt dan ook door de Russische leiders gebruikt voor hun doelstellingen.

De gebruikelijke knip op 180° lengte weerspiegelt ons denken in oost- en westblokken, met Europa ingeklemd in het midden. Dit kaartbeeld vindt zijn oorsprong tijdens de opkomst van de grote zeevaart. Europa opende haar poorten naar de Amerika’s. Het is logisch dat Amerika op de kaart in het westen een plaats moest krijgen; als Europa aan de westrand had gelegen, waren de koerslijnen links van de kaart afgevallen. Ook nu nog is deze traditionele kaartindeling functioneel. Azië als ‘oost’ (‘oosterse wijsheid’), Amerika als ‘west’ (de Yankee als westerling bij uitstek) en Europa als ‘midden’, beantwoorden aan een diepgeworteld oriëntatiebesef in onze (‘westerse’) cultuur. Neutraal geografisch is het bovendien te verdedigen doordat bij een verwisselde schikking de reusachtige – onbewoonde – Stille Oceaan het centrum van de kaart zou innemen.

Bij de middeleeuwse T in O-kaart zagen we ook al een keuze met
wereldbeeldkarakter: Jeruzalem, het doel van de dramatische kruistochten, in het middelpunt van de ronde aarde; rond sluit aan bij het gevoel van beslotenheid en harmonie, passend bij het zich identificeren door de geestelijken met de goddelijke schepping.

Er zijn ook vele moderne cirkelkaarten; deze zijn bij uitstek geschikt voor de luchtvaartnavigatie. In een atlas staan veelal twee cirkels naast elkaar, met op elk een halve aardbol afgebeeld in zij-aanzicht. Tussen Eurazië en Amerika splijt de Atlantische Oceaan zich boogvormig uiteen. De noordelijke overdrijvingen ontbreken hier. Men zou kunnen fantaseren dat dit een profetisch beeld is van een rigoreuze wereldverdeling in een oost- en een westblok, zonder evenwichtscheppend midden (dan behorend tot oost). Dit is natuurlijk niet de bedoeling van de makers. Maar als iets dergelijks onverhoopt ooit een politiek feit zou worden, zou men bevreemd kunnen terugzien op zo’n – dan – vroegere kaart. Andere cirkelkaarten verbeelden de helft of minder van de aardbol (soms meer). Het centrumgebied komt altijd ‘gaaf’ uit de verf, als het ware omringd door paladijnen. Dit gejongleer met posities laat wel zien hoe subjectief kaarten kunnen zijn. Wil men de realiteit doorzien, dan dient men inzicht te hebben in de vooronderstellingen en keuzen die aan een bepaalde kaart ten grondslag liggen.

Kaarten van de toekomst
Een meer filosofische benadering van de kaartprojectieleer kan zijn: de realiteit van het totaalbeeld van het aardoppervlak is voor een visueel georiënteerd bewustzijn niet toegankelijk. Via expliciete keuzen ontstaat een veelheid van benaderingen, elk met hun eigen deelwaarheid; een basisproces bij elk menselijk streven naar kennis en waarheid. Bezie het object van waarneming – materieel of immaterieel – van verschillende kanten (diverse kaartprojecties) en tracht de essentie te pakken. Door de karakteristiek van het omgaan met deelwaarheden is de kaartprojectieleer op zich al een spiegel van onze moderne bewustzijnsactiviteit, nog geheel afgezien van de feitelijke kaartinhoud.

Ons hedendaagse bewustzijn staat voor de uitdaging om zich van een geïsoleerd deeltjesdenken, zowel in het fysieke als in het sociale, weer te verwijden tot een meer omvattend denken. Alles hangt met alles samen, zowel in de politiek, de economie als de ecologie. De dimensie die hier achter sluimert, rijp om door ons bewustzijn te worden doorlicht, is de geestelijk scheppende wereld die dit alles doordrenkt. Als geesteswetenschap werkelijk zou doorbreken in de cultuur, tot wat voor kaartbeelden zou dat dan kunnen leiden? We kunnen er slechts naar gissen.

De bewustzijnsfase die op de huidige volgt, wordt door Rudolf Steiner benoemd als een vorm van imaginatief bewustzijn. Dat wil zeggen dat de realiteiten van de geestelijke wereld zich voor ons innerlijk oog manifesteren als beweeglijke beelden, die aan ons een waarheid overdragen omtrent de aard van in de geestelijke wereld werkzame wezens en krachten. Zuivere imaginaties hebben echter de eigenschap dat ze nooit zijn te fixeren. Je kunt er met fysieke middelen een schets van maken, maar de imaginatieve werkelijkheid onttrekt zich onmiddellijk weer aan zo’n neerslag.
Zijn eigen schetsen op dit gebied noemt Rudolf Steiner dan ook grove hulpmiddelen ten behoeve van ons gewone – aan de uiterlijke zintuigen gebonden – voorstellingsvermogen.

Ik vermoed dat een en ander betekent dat in de toekomst van kaarten in onze zin van het woord eenvoudig geen sprake meer zal zijn. Materieel-visuele hulpmiddelen hebben geen enkele functie voor het imaginatieve bewustzijn. De neerslag van dit toekomstige bewustzijn is eerder te verwachten in de richting van de beeldende kunstuitingen. De aarde als levend kosmisch organisme zal weer tot een beeld worden dat wezens en machten tot zeggingskracht brengt.

De Egyptenaren in hun nog kosmische verbondenheid deden dat ook met hun ‘goden-aarde’. Echter voor ons beleven op een starre, schematische manier. Dit schematisme kunnen we zien als afspiegeling van het feit dat de Egyptenaren nog op weg waren naar de vaste aardematerie toe. Nu staan we voor de taak om ons, mét behoud van ons aan de materie ontvonkte zelfbewustzijn, weer van de te enge gebondenheid aan de vaste stof los te maken. Dat vraagt om kwalitatief andere verbeeldingen van het hogere dan de Egyptenaren konden voortbrengen. ‘Kaarten’ zullen die niet meer heten. Hooguit zal het in de overgangsfase van materiegebonden naar imaginatief bewustzijn zinvol kunnen zijn om ruimtelijk-cartografische hulpvoorstellingen te maken van bijvoorbeeld bovenzintuiglijk waarneembare krachtvelden, die met bepaalde aardstreken en
mensheidsgroe-peringen verbonden zijn. De toekomst zal het leren.
.

.

Maarten Ploeger, Jonas 5, 28-10-1983

.

Aardrijkskunde: alle artikelen

.

1428

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.