Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (202)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse.

‘wegwijzers’ dus

202
Men zou bewust de basis moeten zoeken van wat ziel en geest is, die overal ten grondslag liggen aan het fysieke functioneren. 

Man suche einmal die Grundlage bewußt, daß ein Seelisch-Geistiges überall zugrunde liegt dern körperlichen Wirken.
GA 309/18
Vertaald/18

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-5)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Samen een zintuig voor warmte ontwikkelen

Warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in het leven van een kind. Vanzelfsprekend, zou je zeggen, maar in de praktijk blijkt het uitzoeken van de juiste wandelwagen of een goede school voor je kind vaak meer aandacht te krijgen dan het kiezen van warme kleren. Kinderen hebben veel warmte nodig om goed te
kunnen groeien. En omdat ze zelf nog niet zo goed kunnen voelen of ze het koud hebben, zullen wij dat voor hen moeten doen. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel vertelt waarop je bij je kind moet letten als je wilt weten of hij het wel warm genoeg heeft.

Heel wat problemen met baby’s en kleine kinderen die op het spreekuur van de huisarts belanden, zijn eigenlijk terug te voeren op het niet goed verzorgen van de grote behoefte aan warmte die ze hebben. Ik word als dokter wel eens voor ouderwets versleten als ik ouders aanraad hun kind een wollen hemd en onderbroek aan te trekken. Maar op termijn – en die is vaak korter dan je denkt – merk je als je je kind goed warm houdt dat allerlei gekwakkel en vage pijntjes afnemen of verdwijnen. Maar warmte geven is meer dan de zorg voor wollen ondergoed of een kruik in de wieg.

Enthousiasme

Je lichaam functioneert het beste bij een temperatuur van rond de 37 graden. Bij infecties wordt de temperatuur hoger en spreek je van koorts. De warmte varieert met het welbevinden: hoe beter je in je vel zit, hoe constanter en dichter bij de 37 graden je lichaamstemperatuur is. Temperatuur is de maat voor je gezondheid en weerstand, dus voor je vermogen om bacteriën en virussen die niet in je lijf thuis horen te weren. En koorts is het moedwillig verhogen van de warmte om indringers te vernietigen. Het is een uitdrukking van het lichaam dat het weet hoe het hoort.

Maar warmte doet meer. Substanties kunnen er door veranderen: van gedaante of kleur, zoals kaarsvet dat smelt of je huid die bruin wordt onder invloed van de zonnewarmte. Het belangrijkste is echter misschien wel dat warmte het vermogen heeft om alles in beweging te brengen. Water gaat borrelen, kwik zet uit en mensen zetten als het plotseling mooi weer wordt de ramen en deuren open of gaan buiten lopen genieten van de zon. Dus niet alleen substanties komen in beweging door warmte, maar de ziel ook.
Enthousiasme, beweeglijkheid van de ziel, ontstaat als je ergens warm voor loopt.

Op het lijf geschreven

Warmte heeft dus vele gedaantes: lichaamstemperatuur, weerstand, vermogen tot verandering, beweging, differentiatie, enthousiasme. Al die begrippen zijn een klein kind letterlijk op het lijf geschreven. Alles aan zijn lichaampje is in beweging, verandert, verfijnt en differentieert. In de eerste jaren is een kind eigenlijk voortdurend bezig zich thuis te gaan voelen in zijn lichaam. Het vormt, op basis van het erfelijk materiaal dat het van zijn ouders meekrijgt, een eigen lijfje dat als gegoten zit. Het wordt dan een veilige basis waarmee het de wereld in kan om contact te maken met zijn medemensen en van alles te leren en tot stand te brengen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het kind werkt er heel hard aan om in zijn lichaam thuis te raken en het moet daarbij worden geholpen. Dat laatste is essentieel, want je kind heeft het voor zijn ontwikkeling nodig dat je als ouders meeleeft en meedoet, kortom, dat je voorbeelden geeft die hij innerlijk en uiterlijk kan nabootsen.

Nabootsen: meer dan imiteren

Vanaf de geboorte bezit een kind dat vermogen tot nabootsen. Nabootsen wil zeggen dat je iets waarneemt en in staat bent dat op je eigen wijze weer naar buiten te brengen. Dat is net zoiets als een pianist die een muziekstuk waarneemt, daar zo zijn eigen overwegingen bij heeft en het vervolgens op strikt persoonlijke wijze ten gehore brengt. Een klein kind ziet zijn ouders bewegen en lopen en hoort hen spreken. Hij neemt dat in zich op en ontwikkelt aan de hand daarvan zijn eigen manier van lopen, bewegen en spreken.

Nabootsen is meer dan imiteren omdat het veel diepgaander is. Imitatie is gebonden aan één onderwerp. Denk maar aan de soundmixshow waarbij iemand laat zien hoe hij één liedje van één artiest kan nadoen.

Nabootsen heeft meer te maken met een zangopleiding die je in staat stelt in principe alles te kunnen zingen. Vaardigheden die je als kind op fysiek niveau hebt verworven, vormen in het latere leven de basis voor het ontwikkelen van psychische en sociale vermogens. Zo kun je je, doordat je als klein kind hebt leren staan en lopen, later min of meer onafhankelijk opstellen tegenover de wereld om je heen. Je kunt een eigen ‘standpunt’ innemen omdat je hebt geleerd wat afstand nemen is. De ontwikkeling van lichamelijke vaardigheden in de kindertijd vormt zo bezien het uitgangspunt voor het hele verdere leven. En warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in die ontwikkeling.

Zintuig voor warmte

Kruiken, omslagdoeken, warm drinken, wollen kleertjes en een warm bad hebben maar een doel: het kind net zolang warm houden tot het dat zelf kan. Het wachten is op het moment dat hij zoveel warmte heeft ervaren, dat hij voor ‘home made’ warmte kan zorgen en zichzelf op temperatuur kan houden. Het lichaam van het kleine kind leert hoe het warmte kan hanteren om gezond te worden en te blijven, groeiprocessen te ondersteunen en te herkennen wat de eigen warmte bedreigt. Om dat te kunnen leren heeft hij een gevoeligheid nodig die je het ‘warmtezintuig’ zou kunnen noemen. Hij ervaart een stuk ijs als koud omdat zijn eigen warmte erin wegvloeit. Een glas thee voelt heet omdat er vreemde warmte bij hem binnen dreigt te komen met alle gevolgen van dien. Door al dit soort ervaringen ontstaat zijn warmtezintuig en gaat hij als het ware innerlijk met zijn ervaringen mee bewegen. Zoals het zien lopen op een bepaald moment de drang doet ontstaan om dat ook te doen, zo is het waarnemen van warmte van buitenaf aanleiding tot het vormen van eigen warmte.

Plannen maken

Met hetzelfde warmtezintuig kan hij later in zijn leven ook warmte in overdrachtelijke zin herkennen en hanteren. Zijn warmtezin wordt dan gevoed door een enthousiaste leerkracht, een meeslepende popheld of een boeiende schrijver. Je zou ook van een enthousiasmezintuig kunnen spreken. Enthousiasme heeft veel te maken met plannen maken, met iets willen. Het is voor een zinvol leven belangrijk dat je zoveel mogelijk doet wat je wilt, dat je contacten legt die iets voor je kunnen betekenen en de stappen zet die nodig zijn om dat wat je met je leven van plan bent te realiseren. Dat is voor een klein kind nog ver weg, maar in de kiem is het toch al aanwezig in zijn worsteling om een werkzame relatie op te bouwen met zijn lichaamstemperatuur.

Evenwicht

Als ouders kun je aan de ontwikkeling van het warmtezintuig werkelijk bijdragen als je je realiseert dat een klein kind gediend is met kwaliteit, zeker waar het warmte betreft, want het kan niet meer nabootsen dan het krijgt aangeboden. Het is echt geen overbodige luxe om voor de kleding van je baby, peuter of kleuter natuurlijke materialen als wol, zijde en katoen te gebruiken en op de kwaliteit van de voeding te letten. Maar ook in de verzorging moet het kleine kind warmte voelen. Het is kou lijden als het plichtmatig wordt verschoond of even snel gevoed. Het moet kunnen ervaren dat je vanuit een bepaalde betrokkenheid met zijn opvoeding bezig bent. Ook aandacht, bijvoorbeeld als het kind ziek is, kan koud of warm zijn. Een kind wordt niet beter van een ouder die zich alleen maar zorgen maakt, maar ook niet van eentje die overloopt van vertrouwen in het idee dat ziek zijn nuttig en noodzakelijk is voor kleine kinderen. Het gaat om het vinden van het goede evenwicht. Dat vraagt nogal wat van je als ouder. Je moet vaak heel wat in jezelf opzij zetten om te willen inzien wat nodig is voor je kind. Maar je kunt daarbij wel merken dat jouw warmtezin ook nog steeds in beweging is en zich ontwikkelt en verfijnt.

En het is heel waarschijnlijk dat je dat aan het opvoeden van je kind, met alle problemen die daarbij horen, te danken hebt. Want het zintuig voor de kwaliteit van de warmte kan zich juist door de warme band die er tussen jou en je kind bestaat ontplooien. Opvoeden en warmte ontwikkelen gaan dan hand in hand.

.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ritme (3-12)

.

DE kwaliteit van tijd

De Griekse taal kent twee woorden voor voor tijd: xpóvos (chrónos) en xaipós (kairós).

Het eerste herkennen we meteen in woorden als chronometer en chronologie. Deze woorden geven tevens een belangrijk kenmerk van de xpóvos weer, namelijk dat hij meetbaar is, dat hij in stukken te verdelen is, dat bepaalde tijdsperioden met getallen (jaartallen en data) zijn aan te geven, zodat iedereen weet over welke tijd het gaat.

Kortom: in chrónos zien we de tijd in zijn kwantiteit en dus ook meetbaarheid  (kortere of langere tijd). Daartegenover bestaat er niet zoiets als een ‘kairometer’ om een bepaald tijdstip te meten, omdat nu juist de kairós onmeetbaar is. Hier komen we op het gebied van de kwaliteit van de tijd, zijn innerlijke, wezenlijke waarde. Uitdrukkingen als: ‘de tijd is rijp’ of ‘te rechter tijd’, geven enigzins aan in welke richting we ons dan begeven, namelijk daar waar we met een geheel ander orgaan moeten waarnemen dan met een tijdmeter.

Iedereen weet uit ervaring, hoe belangrijk het is het juiste moment te kiezen om iemand iets belangrijks te vragen, of een verheugende of juist schokkende mededeling te doen. Om dat ‘juiste moment’ te vinden kunnen we niet volstaan met een count-down (zoals dit voor het startsein van een raketlancering gebruikelijk is), maar we moeten met een fijner ‘zintuig’ aanvoelen wanneer zoiets aan de orde is (‘an der Zeit’! ).

In een ander ervaringsgebied kennen we ook het bestaan van deze twee soorten tijd, namelijk bij het fenomeen, dat bijvoorbeeld bij een (dag) droom in nog geen seconde tijd (chrónos) een ‘eindeloos’ verhaal van spannende gebeurtenissen zich kan afspelen, waar alles ‘zijn tijd’ (kairós) heeft. Of omgekeerd, wanneer we zo geconcentreerd opgaan in een bepaalde bezigheid, studie of gesprek, dat we ‘de tijd vergeten’ en – voordat we het goed en wel in de gaten hebben – er al weer twee uur voorbij zijn. Een kwartier kan kan onder vervelende omstandigheden eindeloos duren, terwijl eenzelfde tijdsduur van 15 minuten in een andere situatie ‘geen tijd’ is en voorbij is voordat je ’t weet.

Kennelijk ligt de kairós op een ander vlak, in een ander gebied, dan de meetbare, dus aardse tijd. De voorbeelden en ervaringen schijnen daarop te wijzen. Hoe meer we ons van het aards-stoffelijke-meetbare verwijderen en ons bewust (concentratie) of onbewust (in slaap of droom) trachten in te leven in het bovenzintuigelijk-spirituele, des te meer zal dat verschil tussen chrónos en kairós ervaarbaar, waarneembaar worden. Maar hoe verschillend deze twee soorten tijd ook zijn, toch bestaat het bekende verschijnsel, dat iemand op een een bepaald moment (dus in de chrónos) in een situatie komt, die hij tot in de kleinste details al eens eerder (!) in een droom (dus niet in de uiterlijke werkelijkheid) heeft beleefd. Met andere woorden, in de bovenzintuigelijke tijd kan al iets ‘bekend’ zijn of zich afspelen, dat zich pas later in de aardse tijd manifesteert. Hierop berust de gave van de profetie, namelijk het waarnemen van gebeurtenissen in de geestelijke wereld, die zich later ‘verdichten’ op aarde, als een soort
incarnatieproces. De grootste verdichting op dit gebied is de incarnatie van Christus op een bepaald moment (chrónos) in de geschiedenis van de mensheid. Een gebeurtenis, die door vele profeten reeds lang te voren was voorzien, alsof het voor hen reeds werkelijkheid was. ‘Het uur zal komen en is er reeds. . .’ is een uitspraak uit het Johannesevangelie, die deze wonderbaarlijke paradox tot uitdrukking brengt.

Na het voorgaande zal het ook geen verwondering wekken, dat juist in het evangelie de twee Griekse woorden voor tijd terug te vinden zijn. Van de vele plaatsen waar dit het geval is, moge in dit verband dié genoemd worden, die juist met dit incarnatieproces samenhangen.
Na de geboorte van Jezus vraagt Herodes aan de drie wijzen uit het morgenland ‘naar de tijd (chrónos) waarop de ster verschenen was’. Daartegenover spreekt Johannes tot de mensen: ‘De tijd (kairós) is vervuld, het Rijk Gods is nabij’. Dat wil zeggen, datgene wat in het goddelijke tijdsplan zich afspeelt komt ‘in dekking’ met de aardse tijdenloop, ‘de tijd is vervuld’.

Maar ook aan het einde van de Drie Jaren, naar het hoogtepunt, respectievelijk dieptepunt van het incarnatieproces toe, blijken de beide soorten tijd steeds met elkaar in dekking te komen: ‘Nog een korte tijd (chrónos) ben ik bij U. . .’, en bij de voorbereiding door de leerlingen van het Paasmaal: ‘de meester spreekt: ‘Mijn tijd (kairós) is nabij’.

Bij de woorden aan het kruis ‘Het is volbracht’ zouden we kunnen zeggen dat het grootste niet aan aardse tijd gebonden goddelijke wezen, (‘Ik ben de alfa en de omega, aanvang en einde, oerbegin en werelddoel’) en als zodanig representant van het eeuwige leven, zich verbindt met het tijdstip van de dood.
Gods buitentijdelijke werken worden ingevoegd in ónze geschiedenis, kairós wordt chrónos. Of misschien ook wel omgekeerd, dat de chrónos ‘vervuld’ wordt, en daarmee tot kairós wordt. Zo bezien leeft diegene in christelijke zin, die tracht tijd vrij te houden voor het ‘buiten-tijdelijke’, zodat er steeds meer momenten in de biografie kunnen komen, die het spiritueel-kwalitatieve karakter van de kairós dragen.

‘Dat God eeuwig tijd heeft voor ons, vinden we al even vanzelfsprekend als het feit dat wij geen tijd hebben voor Hem’, stelt Dag Hammarskjöld beschaamd in zijn dagboek vast.

Maar het lijkt tevens een appèl, wél tijd voor Hem te vinden.

En in onze tijd lijkt dat wel ‘aan de tijd’ te zijn.

.

Maarten Udo de Haes, Jonas 8/9, 15-12-1978

.

Ritme: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (201)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse.

‘wegwijzers’ dus

201
De hele mens moet opvoeder zijn, niet alleen de denkende mens; de voelende mens moet het zijn, de willende mens. 

Der ganze Mensch muß als Erzieher wirken, nicht bloß der denkende Mensch; der füh­lende Mensch muß es, der wollende Mensch muß es.
GA 309/9
Vertaald/9
.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Plantkunde – brandnetel

.

De brandnetel is een van de meest veelzijdige planten in de natuur. Iedereen zou van deze onvervangbare plant moeten houden, zegt Rudolf Steiner in zijn landbouwcursus. (Duits GA 327)

De brandnetel bloeit met onaanzienlijke bloemetjes, die met behulp van de wind bestoven worden. De bloeiwarmte-impuls is werkzaam en wel in de sapstroom en in de bladeren met de brandharen.

Deze brandharen aan de onderkant van de bladeren hebben brosse punten, die makkelijk afbreken bij aanraken. Wij ervaren aan het ‘branden’ het warmteproces in het ‘brand-’netelsap. Dit sap dat via de brandnetelharen wordt afgescheiden is vergelijkbaar met de sterk werkende sappen, die insecten via hun angel kunnen afscheiden, bijvoorbeeld het mierenzuur. De brandhaar zelf lijkt op een angel. Juist door deze sterke werking van het brandnetelsap, kan de brandnetel gebruikt worden als insectenbestrijdingsmiddel.

Het bestrijdingsmiddel wordt als volgt bereid: Men snijdt de toppen voor de bloei af, doet ze in een houten ton of stenen pot en giet er zoveel water op dat de toppen precies onder water staan. Na 24 uur kan dit extract na verdunning gesproeid worden over planten die aangetast zijn door luis. De mate van verdunning hangt er vanaf of de te besproeien planten oud of jong zijn en ligt meestal tussen 1:1 en 1:10. De bespuiting moet na 3 à 4 dagen enige malen herhaald worden doordat de luiseitjes uitkomen. Voor de herhalingsbespuiting moet een nieuw aftreksel gemaakt worden, omdat de anti-insectenwerking ook na ca 4 dagen uitgewerkt is.

De brandnetel groeit overal waar mensen geweest zijn – op onbebouwde terreinen, op vergeten plekjes in de tuin, in parken, langs weilanden en bossen. Op plaatsen waar veel afvalstoffen (bijvoorbeeld stikstof) terecht gekomen zijn, neemt de brandnetel deze op en reguleert zodoende het milieu.
Bijzonder interessant is de verhouding van de brandnetel tot ijzer. Als er te weinig ijzer is, scheidt hij ijzer af, is er te veel ijzer in het milieu dan neemt hij ijzer op.

Behalve opnemen en afscheiden werkt het ijzer in de brandnetel zelf ook op bijzondere wijze en met name in de ademprocessen.

In de biologisch-dynamische landbouw wordt de brandnetel dan ook vaak in de vorm van gier gebruikt, als extra bemesting voor de gewassen. Hierdoor komt dan een betere ademhaling tot stand en kunnen de gewassen beter groeien.

De gier wordt bereid door de toppen ca 2 weken onder water te laten staan. Hiervoor kunnen ook de resten van de toppen van het bestrijdingsmiddel gebruikt worden.

Verder wordt de brandnetel als compostpreparaat gebruikt in de biologisch-dynamische tuinbouw. Hiervoor gebruikt men de hele plant met uitzondering van de wortels en begraaft hem in de aarde. Rondom in de gegraven kuil legt men wat turfmolm voor het terug vinden.

De plantresten blijven de hele zomer en winter in de grond en worden pas na 1 jaar in de composthoop gedaan.

De werking van de plant beschrijft Rudolf Steiner in de landbouwcursus als het overbrengen van een innerlijke gevoeligheid op de composthoop waardoor de compost nu ‘verstandig’ geworden is en niet toelaat, dat iets op de verkeerde manier wordt afgebroken. Hierdoor kan de aarde, die deze compost krijgt zich individualiseren ten gunste van de gewassen die men telen wil.

Dit zijn een aantal voorbeelden van de veelzijdigheid van de brandnetel zoals hij werkt in het plantenrijk, maar in andere rijken vinden wij hem ook terug.

In het sprookje van ‘De Wilde Zwanen’ van Andersen, wordt beschreven hoe de prinses absoluut zwijgend hemden moet maken voor haar 11 broers, die betoverd waren. Die hemden moesten gemaakt zijn van (brand)-neteldoek.

Vroeger werd neteldoek veel gebruikt, tegenwoordig haast niet meer. Het was gemaakt van een taaie vezel, die gemaakt werd van de grote- of overblijvende brandnetel (Urtica diorica). Tegenwoordig wordt de brandnetel nog veel gebruikt in geneesmiddelen. Hij komt als bestanddeel voor in ijzerpreparaten tegen bloedarmoede, in kruidenthee voor melkvorming bij zogende vrouwen en in brandzalf (arnica/urtica, of combudoron). Ook tegen reuma wordt hij vaak gebruikt. Vroeger werden reumapatiënten op de pijnlijke plaatsen met brandnetels geslagen.

Tegenwoordig komt de brandnetel als voedingsmiddel weer terug. Juist in het voorjaar is dit van belang als bloedreinigingsmiddel en als ijzerdragende groente om weer snel wat frisse krachten te krijgen. De smaak doet denken aan die van spinazie en na het koken bij gebruik als soep is er echt geen branden meer waar te nemen. Voor het maken van soep worden de geplukte toppen van de brandnetel gewassen bijvoorbeeld door ze met een lepel te roeren in een pan met water. Smoor daarna de toppen met ca 40 gram boter en doe er dan ca 40 gram bloem bij. Tot slot 1 liter bouillon of groentenat erbij doen en af maken op smaak met zout, peper, nootmuskaat en andere kruiden.

Er zijn natuurlijk ook andere variaties mogelijk.

In de zomer kunnen we op de brandnetel ook kleine beestjes vinden, die afhankelijk zijn van deze plant voor hun voortbestaan.

Het zijn onder andere de rupsen van de vlinder Kleine Vos, die leven van deze plant. Deze vlinders worden op het moment erg bedreigd door milieu-omstandigheden. Het is daarom erg nuttig en ook leuk om zelf vlinders te kweken.

Hierover zal ik een andere keer nog eens schrijven, maar laat nu vast wat brandnetels in de tuin staan om de vlinders een kans te geven.

.

Irene Storm, Jonas 18, 04-05-1979

.

Plantkunde: tekst en illustratie brandnetel

In het leesboek van Grohmann: over de brandnetel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- actueel – St.-Jan – alle artikelen

.

Sint-Jansfeest: alle artikelen

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan hoort een koppelteken. Ook bij de afkorting St.- Jan.
In samenstellingen vervallen de hoofdletters: sint-jansvlinder; sint-janskruid. Samenstellingen die direct met het feest verband houden zie je weer wel met de hoofdletters: St.-Jansnacht; hoewel Van Dale sint-jansvuur heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – actueel – schoolrijpheid

.

over schoolrijpheid

zie ook een interessant gezichtspunt van Ewald Vervaet i.v.m. het leesvaardigheidsvermogen van kleuters.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.