Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Weekspreuken

.

WEEKSPREUK(EN)

Toen ik begin jaren 1970 met het vrijeschoolonderwijs kennis maakte en ik op zeker ogenblik wat invalwerk deed alvorens met een 1e klas te beginnen, stapte ik voor het eerst vóór het begin van de lessen de leraarskamer in. Zo rond 8.15u gingen de leraren in een kring staan en ik werd daarbij ook uitgenodigd. Iemand had een klein blauw boekje en begon daar een spreuk uit voor te lezen. In het Duits, want een vertaling bestond (nog) niet. Het was de zgn. weekspreuk waarvan Steiner er 52 had gemaakt – voor elke week één, te beginnen met Pasen!
Ik begreep niet alles, want sommige woorden waren volstrekt nieuw voor me, ondanks mijn ruime voldoende voor deze taal.

Ik hoorde ze aan, was op zeker ogenblik ook aan de (vrijwillige) beurt om ze een week lang voor te lezen. 
Hoewel ik best ijverig was wat het bestuderen van Steiners werk betrof, m.n. natuurlijk voor de pedagogiek en de didactiek, bleven de weekspreuken wat ze waren: een dagelijks – in ieder geval de vijf schooldagen – luisteren – in de vakanties kwam ik er zelf vaker niet dan wel toe om ze in die tijd voor mijzelf te zeggen.
En zo vergezelden zij mij gedurende al die jaren. 

Wanneer Steiner het over het kind heeft tussen het 7e en 14e jaar, komt van tijd tot tijd het ‘aanschouwelijkheidsonderwijs’ ter sprake en m.n. de opvatting – volgens Steiner – in die tijd dat men het belangrijk vond dat de kinderen alleen moeten horen en leren wat ze kunnen begrijpen. Omdat er voor Steiner veel wezenlijke dingen zijn, die niet  aanschouwelijk zijn, vond hij het zelfs wezenlijk dat de kinderen iets hoorden en leerden wat ze nog niet begrepen. Als zij die dingen aannemen van de opvoeder en/of leraar omdat ze voor deze een groot respect hebben, dan nemen ze dat in vertrouwen op. Maar dat blijft niet onveranderd in het wezen van het kind zitten. Dat verandert mee, volgens Steiner en ineens kan het op latere leeftijd uit de ziel opborrelen en duidelijk worden of een bepaalde betekenis krijgen.

Ik heb met de weekspreuken eenzelfde ervaring. Jaren heb ik de tekst gehoord en gesproken. Schijnbaar ben ik steeds weer vergeten om welke spreuk het ging. Maar ooit was ik eens in een bos dat met prachtige herfstkleuren getooid was. Ik zat op een bankje en at een boterham. Ik keek rond en plotseling zei ik bijna vanzelfsprekend ‘als Sommersonnengabe in Herbstesstimming wärmend lebt’. En verder denkend ‘stroomde’ een hele filosofie naar boven, die ik daarvoor niet eerder had beleefd.

In die drukke schooltijd was het af en toe wel zwaar toch door te gaan met wat nog moest. Nog maar een dagje uitstellen dan? Eigenlijk kan dat niet. Ik was moe en had slaap. En terwijl ik even op de bank wilde gaan liggen, hoorde ik in mijzelf; ‘zum Schlafe drängt natürlich Wesen; der Seele Tiefen sollen wachen’. Wat schuldbewust sprong ik weer van de bank en maakte af, wat die dag prioriteit had.

Je kan ook een studie maken van de weekspreuken, ze meer met bewustzijnskracht benaderen. Dat is er bij mij niet van gekomen, maar gezien mijn ervaringen kan ik zeggen dat ze ‘werken’.

Veel mensen hebben zo hun eigen omgaan met de weekspreuken.

Soms wordt daarover bericht, zoals in onderstaand artikel.

Wanneer je zelf bijv. door werkzaam te worden op een vrijeschool de weekspreuken leert kennen, besef dan, dat er niets hoeft – ze vragen alleen warme belangstelling.

Arianne Collee, Motief, nr. 188  dec. 2014 

Hoe weekspreuken je door het jaar heen meenemen

TROOSTRIJK, ZINGEVEND, OPTIMISTISCH, HELEND?

In 1912 gaf Rudolf Steiner zijn Anthroposophische Seelenkalender uit. In dit boekje wordt voor iedere week een meditatiespreuk gegeven. Meer dan honderd jaar later lezen vele mensen over de hele wereld deze weekspreuken nog altijd, in verschillende vertalingen en versies. Wat bezielt hen? Hoe gebruiken ze de teksten en wat brengt hen dat? M. L. heeft er een atypische omgang mee: soms leest ze er twee per week, een ander keer leest ze twee weken achter elkaar dezelfde spreuk. “Dat is niet zoals het hoort, maar het maakt het spontaner voor mij.”
Verbinding met de onzichtbare wereld “Het jaar heeft een eigen leven en via de spreuken krijg ik daar toegang toe,” vertelt M. L. (65). “Ik vind het beroerend en ontroerend om me zo te verbinden met die onzichtbare wereld. Ik ben niet iemand die onzichtbare dingen ziet. En toch kan ik me er via de weekspreuken mee verbinden en zo de natuurwezens ervaren. Tegelijk geven de spreuken me een diepe verbinding met de ‘zichtbare’ wereld en de natuur. Ze scherpen mijn zintuigen. En dat alles gebeurt alleen al door het lezen zelf. Er schuilt een grote kracht in de herhaling.” Ze leest al dertig jaar de spreuken; de eerste vijftien jaar onregelmatig, daarna trouw, mede dankzij de Engelse vertaling[1].

“Ik heb er wel een atypische omgang mee hoor,” lacht ze. “Soms doe ik twee spreuken in een week, terwijl ik een andere spreuk twee weken achter elkaar lees. Dat is niet zoals het hoort, maar het maakt het spontaner voor mij. En, ik kom uiteindelijk wel altijd goed uit aan het einde van de cyclus.” Vaak pakt ze de afbeeldingen (schilderijen) van Mieke Fielmich erbij. “Haar beelden zijn steviger, aardser, dichter bij de mens en de natuur dan die van Eva Mees die ik te zweverig vind. Naast de Engelse versie lees ik soms de vertaling van Wilfried Nauta, die plechtstatige taal combineert met dagelijks taalgebruik.”

M maakte kennis met de weekspreuken via haar collega bij de Boekerij in Zutphen. Eerst werkte ze met de oorspronkelijke versie, in het Duits. “Hoewel ik meteen voelde dat die spreuken belangrijk waren, kon ik me echter niet goed vinden in de ‘stampende zwaarheid’ van de taal waarin de spreuken gevat waren. Later ontdekte ik de vertalingen van Doorlie Gerdes – dat was revolutionair toen – maar ook daar was er die zwaarheid.” Na een zoektocht kwam M bij de Engelse versie uit: “Die is muzikaler, opener, ik vind ‘m ook lichter. De Engelse spreuken maakten dat ik de inhoud echt kon gaan ervaren.”

De spreuken geven M – ook gezien alles wat er in de wereld gaande is – een geruststellend gevoel. “Het lezen ervan is troostrijk en ik geniet er ook zo van. Het gaat om mooi en poëtisch gecomponeerde antroposofie. Ik voel me er beter door. Ze bieden me een verbinding met de aarde en de kosmos. Ik beleef de seizoenen intenser. Dat elke weekspreuk ieder jaar opnieuw weer terugkomt, geeft me een feestelijk gevoel.”

Bewustwording van bewegingen in de natuur en mijzelf

F K (33), kunstzinnig therapeut en docent levensbeschouwing, maakte vijftien jaar geleden kennis met de weekspreuken. “Ze helpen me om de gang door het jaar mee te beleven en maken me bewust van de bewegingen buiten me, in de natuur, en binnenin mij, in de mens.” Door de afbeeldingen in het boekje van Wijnand en Eva Mees-Christeller[2] spraken de spreuken haar meer aan. De afgelopen tien jaar heeft ze een dagelijks ochtendritueel waarvan de weekspreuk een onderdeel vormt. “Na het opstaan start ik met wat euritmieoefeningen en dan werk ik met – onder meer – de weekspreuk. De eerste dag van een nieuwe week besteed ik extra aandacht aan de weekspreuk, de dagen erna lees ik alleen de spreuk in de vertaling van Wijnand Mees en kijk ik naar de afbeelding daarbij.” Elke nieuwe week volgt F verschillende leesstappen: “Eerst lees ik de Duitse spreuk van Rudolf Steiner uit het oorspronkelijke boekjes, dan lees ik de Nederlandse vertaling die ernaast staat. Daarna lees ik de Nederlandse versie van de spreuk van Wijnand Mees plus de toelichting daarbij en ik bekijk de schildering van Eva Mees. Tot slot lees ik opnieuw de spreuk. Ik doe dat staand en hardop, dat heeft een krachtiger werking.”

F is er niet zozeer op uit de spreuken verstandelijk te begrijpen: “Het gaat mij allereerst om de beleving. Het lezen van de spreuken helpt me om de veranderingen in de natuur en tijdens de seizoenen mee te kunnen beleven en zo word ik me bewuster van de bewegingen die zich in mij door het jaar heen voltrekken. Het helpt dat ik de spreuken in verschillende vertalingen lees. Ik vind het belangrijk om de originele tekst van Steiner te gebruiken, maar met de vertaling van Wijnand Mees kan ik me beter verbinden. Ook zijn toelichtingen maken de spreuk toegankelijker. De schilderingen van Eva Mees bekijk ik elke dag. Dat heeft zeker een meerwaarde.” Met sommige spreuken heeft F    meer affiniteit dan met andere, maar veel spreuken roepen herkenning op. “De spreuk bij week 25 is mij het meest dierbaar. En dan vooral de eerste zin: “Ik mag mijzelf nu toebehoren.” In mijn studietijd was dat vaak de spreuk waar ik na een zomerstop weer mee begon. Elke keer opnieuw kan ik na het uitspreken van die zin weer voelen hoe fijn ik het vind om me in de herfst- en wintertijd meer op het innerlijke te richten.” De twee boekjes met de weekspreuken liggen altijd op de juiste pagina geopend in F’s praktijkruimte.

In de materie Christus herkennen

J O (69), Neerlandicus en beeldend kunstenaar, leest de weekspreuken sinds de kinderen de deur uit zijn. “Elke morgen, samen met mijn vrouw. De ene dag leest zij voor, de andere dag lees ik. Soms praten we na om de betekenis te zoeken. In elke spreuk zit een ‘buiten’ en een ‘binnen’: Steiner verwijst naar het cyclische proces in de natuur en legt een relatie met het zich ontwikkelende ik.” Hij ‘leeft’ nu zo’n zeven jaar intensief met de weekspreuken: “Wat opvalt, is dat de teksten telkens een andere betekenis krijgen. Ik ontdek elk jaar nieuwe dingen. Op dit moment zien mijn vrouw en ik bijvoorbeeld steeds meer opmerkingen over het denken. Over het ‘zintuiglijke’ – het gewone, het kleine denken – en het ‘kosmische’ – grote denken, waarmee je via meditatie in contact kunt komen.”
Samen lezen ze de weekspreuken uit de oorspronkelijke uitgave: “Het is compact archaïsch Duits, we hebben moeite moeten doen om er toegang toe te krijgen. Dat moet je leuk vinden, anders knap je erop af. Er zitten typische Steinerwoorden in zoals ‘Werdelust’ – je zou dat kunnen vertalen als ‘wordingslust’ – wat zoveel betekent als ‘vreugde in het worden’. Ik maak zelf met enige regelmaat vergelijkbare woorden die niet in het Nederlands voorkomen!”

J ervaart dat de spreuken hun werking hebben op verschillende niveaus. “Allereerst start ik de dag wakkerder en bewuster. Hiernaast bieden de teksten me volop innerlijke voeding. Mijn voornaamste drijfveer om me dagelijks met de spreuken bezig te houden, is dat ze me helpen om in contact te komen met Christus. Door het verloop van de seizoenen te volgen en als het ware door de materie heen te kijken, zijn er momenten dat ik in die materie Christus kan herkennen.” De spreuken maken het leven ‘spannender’, zegt hij. “Neem de herfstspreuken. Die gaan over het sterven van de natuur, maar daar staat de ontwikkeling van het innerlijk tegenover. Ze zijn niet melancholisch, maar optimistisch en verwachtingsvol: ‘Er staan boeiende dingen te gebeuren’.”

In het zielenzonnelicht ontluiken in mij
de rijpe vruchten van het denken;
in de zekerheid van het zelfbewustzijn
transformeert zich alle voelen.
Vreugdevol kan ik beleven
het geestelijk ontwaken van de herfst:
de winter zal in mij de zielenzomer wekken.
                                                                                     week 30

Helende werking

M F (68) is dusdanig door de spreukteksten geboeid dat ze die nu al dertig jaar lang schildert. Ze leest ze in maar liefst drie talen. “Ik lees de oorspronkelijke Duitse versie – die geeft me een lyrisch gevoel, de Nederlandse variant en – omdat ik in Zweden ben gaan wonen – de Zweedse versie^ die kort en aards is. Ik vergelijk ze om te kijken welke tekst het beste bij mij past.”
Toen M met de spreuken in aanraking kwam, herkende ze de inhoud meteen als haar eigen waarheid over de natuur en de geestelijke wereld. “Daarom wilde ik ze zo graag schilderen. Ik heb de afgelopen dertig jaar bij elke weekspreuk verschillende schilderijen gemaakt. De gebaren die bij de stemming van de spreuk passen, probeer ik in het schilderij te brengen. Als het geschilderde de kracht van de spreuk in zich draagt, ben ik soms tot tranen toe geroerd. Ik ervaar zo’n schilderij als een geschenk; ik doe het niet zelf, het ontstaat – van mij wordt vooral wakkerheid en techniek gevraagd.”
Sinds voorjaar 2014 is er een ‘cassette’ te koop van M’s hands met daarin de afbeeldingen van 52 van haar schilderijen bij de weekspreuken en een boek met de spreuken in de Nederlandse vertaling van Antrovista[6]. In het boek wordt een groot aantal van de spreuken vergezeld door een notitie van de kunstenares, of een door haar gekozen gedicht of muziekstuk. “Soms staan er heel aardse toelichtingen bij waarin ik de vertaalslag naar het dagelijks leven maak. Bij de spreuk van half oktober staat bijvoorbeeld: ‘Nu het buitenwerk is afgesloten, komt er tijd en ruimte voor mijn atelierwerk.’

M F hoopt met haar schilderijen te bewerkstelligen dat mensen zich makkelijker met de spreuken verbinden. “De tekst benader je vaak meer met je bewustzijn, de afbeeldingen spreken meestal meer tot het gevoel. Sommige mensen hebben zelf een groot beeldend vermogen, voor anderen kunnen mijn beelden een hulp zijn. Ook bied ik mensen graag de troost van de schoonheid. De schilderijen worden weleens ‘heelbeelden’ genoemd: ik hoop dat ze helend zijn, net als de spreuken.” 

1 The lllustrated Calendar of the Soul: Meditations for the Yearly Cycle. Rudolf Steiner, vertaling: John Thomsom. Illustraties: Anne Stockton. Uitgever: Tempel Lodge.

2 Meditaties voor de weken van het jaar. Rudolf Steiner, vertaald door Wijnand Mees met afbeeldingen en korte toelichtingen van Eva Mees-Christeller. Uitgeverij Christofoor.

3 Anthroposofische Weekspreuken. Meditaties voor de weken van het jaar. Rudolf Steiner. Eerste druk (kalender 1912/13), Berlijn 1912, achtste druk (Anthroposophischer Seelenkalender) Dornach 1977. Vertaling van de spreuken: Doorlie Gerdes. Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist (1979).

4 Rudolf Steiner Antroposofisk Sjalskalender. Rudolf Steiner, vertaling Hans Möller. Uitgever: Antroposofiska bokförlaget, Stockholm.

5 Te bestellen bij Mieke Fielmich. Per mail: mielou@live.nl of per post: Blomma, Ginkgohuset 67292 Arjang, Zweden. Afbeeldingen van Miekes schilderijen zijn ook te vinden op: http://www.antrovista.com, E-cards weekspreuken.

6 Bij Antrovista is een digitaal weekspreukenboekje te vinden: http://week-spreuken.antrovista.com. De Duitse versie is te vinden op: http://seelenka-lender.antrovista.com

.

 

2372

 

 

 

 

 

 

/

 

 

 

 

 

/

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Breinbreker (nieuw)

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.
Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

 

Oplossing later

 

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- Jaarfeesten – Palmpasen – Pasen – alle artikelen

.

Palmpasen en Pasen: alle artikelen

Pasen wordt met een hoofdletter geschreven; alle afleidingen en samenstellingen met een kleine: paashaas, paaszondag.

Dat geldt ook voor Palmpasen; palmpasenstok.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in Utrecht (2)

.

RUDOLF STEINER IN UTRECHT

Op 21 februari 1921 – dus bijna precies 100 jaar geleden, hield Rudolf Steiner een voordracht in Utrecht en op 24 februari 1921 een tweede.

Van de laatste – een pedagogische – bestaat bij mijn weten geen officiële vertaling en daarom heb ik deze destijds op deze blog vertaald:

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

Evenals de vragenbeantwoording

Een initiatiefgroep in Utrecht verzamelt zich morgen -21 februari 2021 – rond de plek waar de 1e voordracht werd gehouden en heeft zich bezonnen op het laatste deel van de Grondsteenspreuk.
In het najaar wil men aan de voordrachten meer aandacht besteden.
De voordracht van 21 februari heb ik nog niet in de Gesamt Ausgabe (GA) kunnen vinden.
Het Studiecentrum voor Antroposofie in Utrecht publiceerde de voordracht in 1996 in het Duits.
Deze is nu hier te vinden.
In 1996 verscheen van de Antroposofische Vereniging in Utrecht dit artikel:

VOORWOORD

Deze uitgave wordt met gepaste bescheidenheid aan de lezer gepresen­teerd. Het oorspronkelijke plan, namelijk het schrij­ven van een geschiedenis van de antroposofische beweging in Utrecht en het uitgeven van de voordrachten die Rudolf Steiner in Utrecht gehouden heeft, zowel in duitse als vertaalde versie, is maar gedeeltelijk gerealiseerd.

Samuel Jonas van der Sloot heeft in het eerste deel van zijn artikel “Rudolf Steiner in Utrecht” een korte schets gegeven van de geschiedenis van de antroposofische beweging in Utrecht. Een naar volledigheid strevende geschiedschrijving kon wegens de tijddruk niet gerealiseerd worden. Het ligt wel in het streven van de schrijver die geschiedschrijving in de toekomst alsnog te realiseren. In het tweede en derde deel geeft hij een antropo­sofische visie op Utrecht en Nederland. Daarbij heeft hij een aantal keer ge­bruik moeten maken van uitspraken die aan Rudolf Steiner worden toegeschreven, maar die niet met zekerheid aan hem toegeschreven kunnen worden. Daar­voor heeft hij de term “apocriefe uitspraak” geïntrodu­ceerd, zodat de lezer op het onzekere karakter ervan gewezen wordt.

Cees Leijenhorst heeft de twee voordrachten van Rudolf Steiner verzorgd. Het is niet gelukt de voordrachten te verta­len, maar ook dat ligt nog in het streven voor de toekomst.

RUDOLF STEINER IN UTRECHT

Samuel Jonas van der Sloot

1  De antroposofische beweging in Utrecht

Rudolf Steiner hield in 1921 twee voordrachten in Utrecht. De voordracht van 21 februari gaf een algemene intro­ductie in de antroposofie, de voor­dracht van 24 februari ging over socia­le problemen en opvoedingsvraag­stukken.

De voordracht van 21 februari vond plaats in de kleine zaal van het gebouw in park Tivoli. Park Tivoli lag aan de Kruis­straat op de plaats waar nu woningen gebouwd zijn, tegenover cultuurcentrum Parnassos. De voor­dracht van 24 februari vond plaats in het gebouw “Kunsten en Wetenschappen” aan de Maria­plaats. Het gebouw stond op de plaats waar ooit het schip van de Mariakerk heeft gestaan. De Maria­kerk was de voet van het Utrechtse kerkenkruis. Toen de kerk leeg kwam te staan heeft het conservatorium het schip van de kerk in gebruik genomen als zaal.

De tournee waar de Utrechtse voordrachten een onderdeel van waren, was georganiseerd door Pieter de Haan, een jonge antro­posoof die in Utrecht woonde. In zijn woning (Park­straat 45) was het ‘Algemene secretariaat van de Antroposophi­sche Vere­niging en Bond voor Drieledige Indeling van het Sociale Orga­nisme’ gevestigd, dat de organisatie voor de tour­nee in handen had. De twee voordrachten in Utrecht waren dus voor de organi­sator een thuiswedstrijd.

Pieter de Haan organiseerde ook mee aan de Antroposofisch-weten­schappelijke cursus die een jaar later in Den Haag plaats vond. In de commissie van voorbereiding zat nog een tweede persoon uit Utrecht, Maddy (Madeleine) van Deventer. Haar naam is samen met de naam van haar man, Henk van Deventer, terug te vinden op een lijst uit 1924 van artsen die zich aangesloten hadden bij de medische sectie van de Vrije Hogeschool voor Geesteswe­ten­schap. Ook daarop staat vermeld dat ze in Utrecht woonden.

De aanwezigheid van Pieter de Haan en de van Deventers in Utrecht zijn de eerste tekenen van antroposofisch leven in de stad. Weliswaar had Ita Wegman op 30 augustus 1902, na een examen van twee dagen, in Utrecht een gymnastiekdiploma ge­haald, maar onmiddellijk daarna reisde ze door naar Berlijn waarmee ze haar tweejarige bezoek aan Nederland afsloot (daar­voor had ze op Java gewoond). Van een groots antroposo­fisch (toen nog theosofisch) leven in de stad getuigt Ita Wegmans korte bezoekje dus niet, vooral omdat ze naar alle waarschijn­lijkheid Rudolf Steiner pas in Ber­lijn ont­moette.

De groep rondom Pieter de Haan en de van Deventers bestond nog halverwege de jaren dertig toen mevrouw Vreugdehil in Utrecht voor apotheker ging studeren. Zij had op de middelbare school een leraar Nederlands gehad, mijnheer Van der Poel, die antropo­soof was. Tijdens haar studie in Utrecht zocht ze hem op in Soest­dijk en ging gedurende twee jaar regelmatig bij hem langs. Ze leende boeken van hem en hij gaf haar een introduc­tie in de antroposofie. Aan het eind van de twee jaar kreeg ze van hem de karmabanden mee, zes boeken met voordrachten over karma en reïncarnatie die Rudolf Steiner in 1924 had gehouden. Eigen­lijk wilde ze de boeken niet lenen, omdat ze niet het gevoel had er klaar voor te zijn, maar Van der Poel drong aan, dus ze nam ze toch mee. Het was de laatste keer dat ze hem zou zien, kort daarna overleed hij.

De bezoeken aan Van der Poel was het enige contact met een antropo­soof dat mevrouw Vreugdehil in die tijd had. Na zijn dood zocht ze aansluiting bij de christengemeenschap in Zeist, maar dat werd geen succes, dus na een tijdje hield ze op naar de dien­sten te gaan. Ze had echter wel gezien dat de bijbel die de Christen­gemeenschap gebruikte vertaald was door mijn­heer Ogilvie, die in Amsterdam woonde. Tijdens de Tweede Wereldoor­log schreef ze aan Ogilvie. Die schreef een brief terug met adres­sen van antropo­sofen in Utrecht.

In de oorlog kreeg ze contact met Liesa Valk, die cursussen volgde bij mijnheer Van Goudoever. Liesa Valk had een antropo­sofische kleu­terklas. Ook Mimie Blankenburg had in die tijd een kleuterklas in Utrecht. Zij gaf daarnaast heileuritmie. Haar man, Jaap Blankenburg, had een boekwinkel.

In de oorlog werd onder leiding van de christengemeenschap­-priesters Ogilvie (Amster­dam) en Piet Muller (Zeist) twee maal het kerstspel opgevoerd, in een lokatie vlak bij sterrenwacht Zonnenburg. Verder hebben in die tijd Johanna en Elisabeth Knottenbelt één of twee euritmie­opvoeringen verzorgd in een lokatie aan de Kromme Nieuwegracht.

Het antroposofische leven vanaf de Eerste Wereldoorlog tot en met het einde van de Tweede Wereldoor­log moet dus rijk en veelzijdig zijn geweest. Wanneer we bedenken dat de Antroposo­fi­sche Vereniging in die tijd maar een paar honderd leden had, dan moet de groep antropo­sofen in Utrecht in die tijd verhou­dings­gewijs groot zijn geweest.

Na de oorlog viel volgens mevrouw Vreugdehil de antroposofi­sche beweging in Utrecht uit elkaar. Iedereen zocht iets nieuws en verhuisde naar andere plaatsen. Zelf verhuisde ze naar Den Haag.

In die tijd kwamen de pro­blemen in de Vereni­ging in volle hevigheid terug. De Antropo­sofische Vereniging in Neder­land was in 1935 uit de Algemene Antroposofische Vereniging gezet, wat tot de nodige discussies had geleid. Na de Tweede Wereld­oorlog veroorzaakten Marie Steiner en Albert Steffen een nieuwe golf van pro­blemen. Centraal stond daar­bij de vraag wie het beheer mocht voeren over de nalatenschap van Rudolf Stei­ner. Aange­zien Marie Steiner een testament kon overleggen, won zij de juri­dische strijd, maar omdat de rest van het bestuur zich niet kon vinden in haar beheervoering mocht zij de boeken die ze uitgaf niet meer in het Goetheanum verkopen en werd haar het leven in Dornach onmoge­lijk gemaakt.

Mevrouw Vreugdehil werd lid van een afdeling van de Neder­landse Vereniging, maar werd ook tegelijkertijd lid in Dor­nach. Op een gegeven moment vertelde een ander lid, mevrouw Barents, haar over het bestaan van de Vrije Hogeschool voor Geestes­wetenschap en de esoterische uren die in het kader van de Hogeschool gegeven werden (de klasse-uren). Mevrouw Vreug­de­hil stelde daarover vragen aan de voorzitter van de Neder­land­se groep, mijnheer Van Wageningen. Die wilde echter om ondui­delijke redenen haar vragen niet beantwoorden. Toen werd ze op uitno­diging van me­vrouw Barents lid van de Albert Stef­fen­groep en ging bij mevrouw Barents ook de klasse-uren vol­gen.

De Albert Steffengroep was gestart in een restaurant in Amersfoort, maar moest al snel op zoek naar een andere ruim­te, omdat de eigenaar van het restaurant vond dat ze niet genoeg con­sumpties nuttigden. Omdat ze in Amers­foort niets vonden, werd de zoektocht in Utrecht voortgezet. Daar werd een ruimte in een kerkje aan de Oude Gracht gevonden dat goed voldeed. Op die manier kreeg Utrecht een eigen afdeling van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap.

In de groep die in Utrecht de klasse-uren volgde zat wonder­lijk genoeg niemand uit Utrecht zelf. De groep be­stond uit mensen die zich niet konden vinden in de zelfstan­di­ge koers van de Nederlandse Vereniging en die lid waren van de Algemene Antroposofi­sche Vereniging. Ze kwamen overal vandaan: Leeuwar­den, Hilversum, Schoorl, Amsterdam, Den Haag en het oosten van het land.

In 1976 nam mevrouw Vreugdehil het lezen van de klas­se-uren in de Utrechtse groep over en deed dit tot 1988. Daarna was de groep, die voorna­melijk uit oudere mensen be­stond, te klein geworden en werd opgehe­ven. De groep werd in de Nederlandse Vereniging afge­schilderd als de zwarte kousen­kerk van de antroposofie, wat naar alle waar­schijn­lijkheid jonge leden afgeschrok­ken heeft lid te worden. Mevrouw Vreug­dehil heeft de klasse-uren nog twee jaar in Maastricht en daarna nog twee jaar in Den Haag gelezen, en is er daarna mee gestopt.

Hoewel het Utrechtse antroposofische leven in de tijd na de Tweede Wereldoorlog zeer bescheiden moet zijn geweest, zijn er toch altijd mensen in de stad actief geweest. Zo is er sprake van een Utrechtse groep waarin mijnheer en mevrouw Engels­man, mevrouw Tempelton en mevrouw Bokhorst actief waren. De groep kwam maandelijks bij elkaar en bestudeerde de antro­posofie.

Eind jaren zeventig kwam er meer bewe­ging in het antroposo­fische leven in Utrecht. Er waren een aantal natuurvoedings­winkels opgezet, onder andere de Groene Waterman aan de Springweg (Binnenstad) en de Zaailing aan de Gild­straat 64 (Wittevrouwen). Mensen ontmoetten elkaar in deze winkels en maakten plannen, wat resulteerde in het opzetten van een Infor­matiecentrum voor antroposofie en de uitgave van een blad, de Berichten. Er werden cursussen en voordrach­ten geor­ganiseerd, het kerstspel werd ingestudeerd, leesgroepjes werden opgezet, kortom, een stroom van nieuwe activiteiten overspoelde de stad.

Maar de antroposofische beweging in Utrecht bleek in sterke mate een karaktertrek te bezitten die volgens Rudolf Steiner eigen is aan de Neder­landse volksziel: als het eb is komt er een vlakte van nieuw land en daarmee van nieuwe mogelijkheden open te liggen, dat vol enthousiasme veroverd wordt, maar zodra de vloed weer opkomt, is dat nieuwe land even snel ver­dwenen als het ontstaan was en is er van het enthousiasme weinig meer over. Het blad, dat be­doeld was als kwartaalblad, heette al snel drie keer per jaar uit te komen en haalde na de drie nummers van 1980 nog één nummer in 1981. Daarna zal waar­schijnlijk een crisis ingetreden zijn. In de lente van 1982 schreef Kees Bogert een praatpapier “Antro­posofie in Utrecht”, voor de bijeenkomst op 25 juni over dit onderwerp. Gezien het feit dat er na die tijd niets meer gehoord is van het informa­tiecentrum, kunnen we alleen spreken van een kortstondige opleving van het antroposo­fische leven.

Toch verslond de opkomende vloed niet alles. In de eb-perio­de van 1980 tot 1982 hadden een aantal ouders van het nieuwe land gebruik gemaakt door er een terp op te bouwen: er had zich een initi­a­tiefgroep ter oprichting van een Vrije School gevormd. Hoewel het nog tot 1984 zou duren voor het tot een daadwerke­lijke oprichting van de Vrije School Utrecht zou komen, heeft de school toch in 1994 haar tienjarige bestaan gevierd.

Sinds de jaren zestig waren in Utrecht twee artsen werkzaam vanuit de antroposofie, waaronder mijnheer Bordewijk, die in 1992 zijn praktijk beëindigde. Toen de antroposofische inter­nist Diederik Houwert in 1983 een lezing hield ontstond er echter de behoefte aan versterking van de antroposo­fisch-medische impuls in de stad. Er werd een initiatiefgroep ge­vormd die via Houwert contact legde met Casper Post Uiter­weer. Die vestigde in februari 1985 zijn praktijk in de Buys Ballot­straat. Casper verza­melde een enthousiaste groep om zich die met man en macht begon te werken aan het opzetten van een Therapeuticum. We kunnen hierin een tweede terp zien.

Wanneer we de winkels met natuur­voeding en het ook in de beginjaren van tachtig opgerichte B.D.tuinbouw­bedrijf de Aardvlo als een derde terp zien, dan krijgen we toch het beeld van een antro­posofi­sche beweging die zich in de jaren tachtig stevig begint te vestigen in Utrecht.

Een andere antroposofische eend in het bijt van de Utrechtse vijver mag zeker niet ongenoemd blijven. Cees van der Sloot was in de jaren zeven­tig in Utrecht gaan wonen. In 1982 richt­te hij met Percy Tjong-A-Hung de Stichting voor de Kinderen op. Vanaf 1982 tot 1989 is de Stichting actief geweest in Utrecht. Cees verzamelde ook een groep mensen om zich, die op anderen soms fanatiek over kwam en die een grote door­stroom kende. Er werd een hele reeks aan activitei­ten ont­plooid, onder andere werd een vegetarische hapjeskraam op het Neude geopend en de Stichting had aan de Oude Gracht 68 een pand, waarin onder andere de Lohengrinbibliotheek geves­tigd was.

De kern van de groep rondom Cees bestond uit zijn vrouw Jolande, waar hij in september 1983 mee getrouwd was, en John Vinks, die Cees waarschijnlijk in 1984 ontmoet had. Jolande was lid van de Hogeschool voor Geesteswetenschap en volgde vanaf 1986 de klasse-uren bij me­vrouw Vreugdehil. Het was het laat­ste rondje van twee jaar dat mevrouw Vreugdehil gaf. Toen ze in 1988 stopte, organiseerde de Stichting voor de Kinderen in het seizoen 1988-1989 meditatieve leesavonden van de klas­se-uren, die in 1988 door uitgeverij Cagliostro waren uitgege­ven. Aan deze openbaar toegankelijke leesavonden deden Jolande van der Sloot, Cees van der Sloot, Jonas van der Sloot, John Vinks en Loes van Alphen mee.

In de zomer van 1989 verhuisden Cees, Jolande en John, gebukt onder de onheilsvoor­spellingen over de ondergang van West-Europa, naar Argentinië. Loes van Alphen trok met Erik Brinkhorst weg uit Neder­land. Jonas van der Sloot bleef als enige in Utrecht wonen.

Een nieuw hoofdstuk voor het antroposofische leven werd in 1986 op initiatief van Casper en Hanny Post-Uiterweer geopend. De ledenavond werd opgericht. Er kwamen ongeveer dertig mensen bij elkaar op de oprichtingsbijeenkomst. Daarna ging een iets kleinere groep van start met wekelijkse bijeenkomsten. In september 1996 zal de groep zijn tienjarige bestaan beleven.

Deze nieuwe fase in het antroposofische leven werd in 1991 beant­woord vanuit de Vrije School Utrecht. Frans Joling, een leerkracht van de Vrije School Utrecht, nam het initiatief tot het opzet­ten van een studiecentrum, aangezien de ledenavond geen noemens­waardige activitei­ten naar buiten toe ontplooide. Daar bracht het studiecentrum verande­ring in. Met veel vuur werd in sep­tember 1991 het eerste programma gelan­ceerd. Al spoedig volgden andere initiatieven, zoals het opzetten van een blad (de Agenda voor antroposofische activiteiten in Utrecht) en een bibliotheek (Pharos, bibliotheek voor Antropo­sofie). De mensen in het studie­centrum zochten ook het contact met andere initiatieven. Uit de samenwer­king met de leden­avond werd een jaarfeesten­groep geboren (Akkerwinde, ter bewustwor­ding van het jaarverloop). De pogingen om een breed plat­form voor overleg tussen de verschillende initi­atieven op te zetten mislukte echter. Daarna werd gestreefd in ieder geval een aantal initiatieven onder één dak te brengen in de Utrechtse afdeling van de Antroposofische Ver­eniging. Een Binnenblad werd opge­richt dat de leden moest informeren over de gebeurte­nissen in de Utrechtse afdeling en dat samen met de Agenda aan de leden toegestuurd werd. Maar ook na deze periode van eb, waarin met veel enthousiasme het vrijgekomen land bestormd werd, begon in het begin van 1995 de vloed weer op te komen. Of deze periode van activiteiten een terp op zal leveren, moet nog blijken.

2  Een antroposofische visie op Utrecht

Utrecht is een heilige stad. In het begin van de elfde eeuw is er een kruis van kerken in de stad gebouwd, waarmee in de stad het Hemelse Jeruza­lem afgebeeld werd. Men was er van overtuigd dat aan dit Hemelse Jeruzalem een kruisvorm ten grondslag lag, omdat het aardse Jeruzalem geheiligd was door het kruis dat op Golgotha stond.

Het is opmerkelijk dat het Romeinse kamp waar Utrecht uit ontstaan is, ook een kruisvorm had, dat op dezelfde manier georiënteerd was als het kerkenkruis. Dat is te verklaren uit het feit dat de Romeinen hun kampen oriënteerden naar de windrichtingen, en dat het kerkenkruis, net als veel kerken, met de kop van het kruis naar het oosten gericht was.

De twee loka­ties waar Rudolf Steiner zijn voordrachten hield, vormen samen met het huis van Pieter de Haan drie punten van een kruis, dat iets groter is dan het Utrecht­se kerken­kruis, maar verder op dezelfde manier in de stad ligt. Het vierde punt van het kruis ligt in de buurt van het Wolven­plein. Het is waarschijnlijk niet meer dan een opmerkelijk toeval, maar omdat de voordracht van 24 februari op een loka­tie plaatsvond die een historische verbinding heeft met het kerkenkruis, drong de vergelij­king zich op.

Utrecht wordt altijd in één adem genoemd met de drie andere grote steden van Neder­land: Amsterdam, Den Haag en Rot­terdam. De vier steden vormen het leeuwedeel van de randstad. Utrecht is in dit rijtje veruit de kleinste stad. Aan de drie grote steden valt op dat Amsterdam een sterk cultureel leven heeft, dat in Den Haag de politiek zetelt en dat Rotterdam leeft van de econo­mi­sche activiteiten van de haven, die de grootste van de wereld is. Op basis daarvan zou men kunnen zeggen dat in Amsterdam, Den Haag en Rot­terdam de ziel van Neder­land op drie­voudige wijze tot uitdruk­king komt. Wanneer we de geleding met het menselijke lichaam willen vergelijken, dan kunnen we zeggen dat Am­sterdam de maag van Nederland is, omdat het culturele leven altijd voor de voeding van het leven van een volk zorgt, dat Den Haag de longen van Nederland zijn, omdat het sociale leven dat door de politiek geordend wordt geba­seerd is op de afwisseling van geven en nemen, en dat Rotter­dam de hersenen van Nederland zijn omdat de economie bestaat uit logische processen die van de grondstoffen uit de natuur goederen maken.

Wanneer we naar Utrecht kijken, springt vooral het geeste­lij­ke leven van de kerk in het oog. De nadruk ligt daarbij op de vraag hoe het leven in morele zin gevoerd moet worden. Wanneer we dit vergelijken met de andere drie steden, dan kunnen we zeggen dat Utrecht het zelfbewustzijn of het ik van Nederland tot uitdrukking brengt. Dit komt tot uitdrukking in de Domto­ren, een symbool voor de oprichting van de ruggegraat, waarmee de mens zich van het dier onderscheidt. Een ander symbool voor het ik is het menselijke hart. Het beeld van Utrecht als hart van Nederland duikt regel­matig in de media op.

Het ik is een centrum, maar wordt door Rudolf Steiner ook gekarakte­ri­seerd als een open ruimte die door de goddelijke wezens uitgespaard wordt, zodat de mens daar zich­zelf kan zijn. De kwaliteit van het ik zien we op verschillende manie­ren terug in de stad.

Een goed voorbeeld is het klasse-uur, waarover in het vorige hoofdstuk gesproken werd. Van overal uit Nederland kwamen mensen in Utrecht bij elkaar om een geestelijke scholing door te maken, maar niemand kwam uit Utrecht zelf. Als beeld daar­voor zouden we een cirkel kunnen teke­nen, met allemaal pijlen die van buiten naar het middelpunt van de cirkel wijzen, maar die aan de rand van de cirkel stoppen.

Hetzelfde fenomeen zien we bij een culturele activiteit die een belang­rijke rol heeft gespeeld in de opleving van Utrecht in de laatste vijftien jaar: Het Festival aan de Werf. Eén van de medewerkers schreef dat het zo opvallend was dat geen van de medewerkers van de staf uit Utrecht kwam of in Utrecht woonde. We zouden hier dus dezelfde tekening kunnen tekenen als bij het klasse-uur.

Het ik is het jongste deel van de mens, het is nog in zijn kinderstadi­um. Daardoor kan het dwalen, fouten maken, vooral op moreel gebied. In de geschiedenis van Utrecht zien we daar verschillende voorbeelden van. Het pijnlijkste daarvan is dat de NSB, de Nederlandse variant van de natio­naal-socialistische partij van Adolf Hitler, zijn hoofdkantoor aan de Maliebaan in Utrecht had. Het natio­naal-socialisme schijnt in Utrecht ook het meest ver­breid te zijn geweest. Een zwaardere dwaling op moreel gebied is nauwe­lijks voor te stellen en het geeft aan wat er gebeurt wanneer de open ruimte van het ik niet door menselijke kracht gevuld wordt. Dan kruipen andere krachten door het gat wat dan ont­staat de wereld binnen.

Een opvallend fenomeen is de opleving van Utrecht vanaf begin jaren tachtig. Wanneer we naar die tijd terug kijken kunnen we zeggen dat toen de antroposofische beweging werke­lijk een voet aan de grond kreeg in de stad.

Maar ook andere symptomen wijzen op een verandering in de geestelij­ke atmo­sfeer van de stad. In januari 1979 vond bij­voorbeeld de eerste bezetting van het oude Tivoli aan het Lepelenburg plaats. Daaruit groeide het poppodium dat in 1982 het pand aan de Oude Gracht kreeg en dat nu tot de grootste poppodia van Nederland gerekend mag worden. De jongeren die deze actie ondernamen gaven als reden op dat ze een feestruim­te nodig hadden, omdat er volgens hen “in Utrecht niets te doen was voor jongeren”. Het symboliseert de ommekeer die sindsdien in de stad heeft plaatsgevonden. Niemand zal tegen­woordig meer op het idee komen Utrecht te karakteriseren als een stad waar niets meer te doen is.

In het Utrechts Nieuwsblad van 2 juni 1993 stond een artikel met de kop: ‘Utrecht wenst zelfbewust imago’. Het artikel opende als volgt: “Zelfbewust en duidelijk. Dat moet het imago zijn van de stad Utrecht. Volgens het vandaag verschenen gemeentelijk communica­tieplan moeten de verschillende partijen en instanties in de stad in wisselwerking met het stadsbestuur bepalen wat de realiteit van Utrecht is en welke toekomstige identiteit daarbij hoort. Volgens het communicatieplan is die richting: vooruit naar een zelfbewuste toekomst met als kern kansen, groeimoge­lijkheden, zelfbewustzijn en daadkracht.” Deze zinnen laten niets aan duidelijkheid te wensen over. Ze kenmerken de daadkracht van het gemeen­tebestuur, wat zich uit in het feit dat Utrecht zich onlangs vrij gemaakt heeft van haar artikel-12 status. Die status krijgt een stad wanneer ze niet in staat is finan­cieel op eigen benen te staan en gehol­pen moet worden door de over­heid. Daar zitten natuur­lijk veel beperkingen voor de bewe­gingsvrijheid van de stad aan vast.

Tegelij­kertijd met het weer op eigen benen komen te staan is het kolossale Utrecht Centrum Project gelanceerd. Dit plan probeert een oplossing te bieden voor de problemen rondom Hoog Catharijne. Het is iedereen duidelijk dat Hoog Catharijne niet gezond is. De revitalisatie die op het moment plaats­vindt drukt uit dat de vita (het leven) ver te zoeken is. Een be­lang­rijk onder­deel van de revitalisatie is het verande­ren van het dak, zodat het daglicht binnen kan komen. Een ander be­langrijk onder­deel is het her­kenbaar­der maken van de in- en uitgangen. Het zijn pogingen om iets duis­ters open te maken.

Joseph Beuys, een Duits kunstenaar en antroposoof, drukte het belang van een station voor een stad uit in de kreet: “Macht Bahnhof-mysteriën!” Hij wilde er op wijzen dat de mysteri­n, waarin de mensen hun geestelij­ke ontwikkeling doormaken, vandaag de dag plaatsvinden op straat, in alle openbaarheid. Dat Hoog Catharijne zich tussen de binnenstad van Utrecht en het station heeft geschoven, is een alarmerend gegeven. Dat daarbij één van de grachten droog­gelegd is, kan die alarmeren­de toon alleen maar versterken. Wanneer het Utrecht Centrum Pro­ject daadwerke­lijk iets kan verbeteren aan die omstandighe­den dan is er veel gewonnen voor de stad. Er zou dan een evenwicht tussen de oude binnenstad en het moderne zakencen­trum rondom de jaarbeurs kunnen ontstaan, waarbij het station het raakvlak tussen die twee is.

Er doet een anekdote de ronde waarin een antroposoof op het station van Utrecht aan Rudolf Steiner vroeg of de antroposo­fie in Utrecht een kans zou maken. Rudolf Steiner zou daar­bij naar het oosten hebben gewezen en gezegd hebben dat de antro­posofie daar een kans zou maken. Het ontstaan van het antropo­sofische centrum in Drie­ber­gen-Zeist zou een bevesti­ging van de anekdo­te zijn, maar de vraag is natuurlijk hoeveel histori­sche gewicht de anekdote heeft. In ieder geval drukt het op het moment een bestaand probleem uit. Het antro­posofische leven in de stad wordt in haar ontwikke­ling regel­matig ge­stoord door het feit dat Drieber­gen-Zeist zo’n belang­rijk antroposofisch centrum is.

In een andere apocriefe uitspraak zegt Rudolf Steiner dat de antroposo­fie het in Utrecht zo moeilijk zou krijgen vanwege de sterke invloed van de kerk in de stad. We kunnen ons voorstel­len dat die uitspraak in het­zelfde gesprek op het station gedaan is. Het is opvallend dat het kerkelij­ke leven sinds de jaren zeven­tig sterk terug aan het lopen is, wat niet alleen in Utrecht zo is, maar wel een groot effect op Utrecht heeft. Er ontstaat vrije ruimte voor andere initiatie­ven en het is opvallend dat de ontplooiing van die andere initiatieven gepaard gaat met een algehele opleving van de stad. Met name New Age is sinds die tijd zeer prominent aanwezig in Utrecht.

Begin volgende eeuw is het duizend jaar geleden dat het initiatief voor het kerkenkruis in Utrecht genomen werd. Duizend jaar is in de christelij­ke esoterie een belangrijk getal, er wordt een samenhangende periode mee aangeduid die afgesloten wordt door een crisis die overwonnen moet worden. In het overwinnen van de crisis wordt de basis gelegd voor de volgende periode. Utrecht moet zich dus af gaan vragen hoe het in de toekomst verder wil. Zal de stad haar heilige karak­ter kunnen behouden? De kerken hebben de afgelopen dui­zend jaar bepaald, maar de vraag is of we ook voor de volgende duizend jaar onze hoop op de kerken moeten stellen, aangezien die sterk aan het leeglo­pen zijn. Wellicht is die leeg­loop zelfs een teken van het einde van de duizend jaar die Utrecht achter zich heeft.

Daar komt bij dat Nederland in de tussentijd een eigen volksziel heeft gekregen (zie het derde hoofdstuk). Het ker­kenkruis is ontstaan naar aanleiding van de dood van de Duitse keizer Koenraad II in Utrecht, door de kronieken uit die tijd ‘een stad in Frie­sland’ ge­noemd. De Friezen waren een germaan­se stam en Neder­land, in ieder geval het noordelij­ke deel, werd gezien als een onderdeel van Duitsland. Aangezien die situatie is veranderd halverwege de duizend jaar van het kerkenkruis, zal een her­nieuwde afdruk van het Hemelse Jeruza­lem in Utrecht een aan de nieuwe situatie aangepaste vorm moeten krijgen. In de stad van het ik zal de ziel van het volk gespiegeld moeten worden, zodat het volk een zelfbewustzijn kan ontwikke­len.

Nu is deze eeuw in Utrecht een ontwikkeling ingezet, die met de bouw van het Universi­teitscentrum in de Uithof een voorlo­pige afronding heeft gekregen. Het midden van de stad wordt beheerst door de grachtengor­dels, waar het sociale leven plaatsvindt. Stijgen we van de Domtoren op en vliegen we drie kilometer naar het oosten dan komen we in de Uithof, waar het wetenschappelijke leven zich geconcentreerd heeft. Vliegen we drie kilometer naar het westen, dan komen we in het industrie­gebied van Utrecht uit. Deze drieledigheid heeft hetzelfde karakter als de drieledig­heid van Amsterdam, Den Haag en Rotter­dam.

Wellicht dat het Nieuwe Jeruzalem niet alleen een kruisvorm in zich draagt, maar ook een driegele­ding. In dat geval zou de stad met zelfbe­wustzijn haar taak op moeten pakken en een idee moeten krijgen op welke manier ze uitdrukking kan geven aan die structuur, die zich potentieel al in de stad aan het verwerke­lijken is. Net zoals in het Neder­landse landschap de molens als kruisvormen aan de horizon stonden, maar de moderne molens drie wieken hebben, zo zou wellicht het nieuwe ‘kerken­kruis’ in Utrecht niet een vier- maar een drieledige vorm moeten krij­gen.

3  Rudolf Steiner in Nederland en de Nederlandse volksziel

Om een idee te krijgen van het belang van Rudolf Steiners aanwezig­heid in Nederland moeten we eerst een idee krijgen van het karakter van het Nederlandse volk en van de rol die inge­wijden spelen in het leven van volkeren.

De Nederlandse volksziel is in de vijftiende eeuw zelfstan­dig gewor­den. Tot die tijd was ze een deel van de Duitse volksziel. Rudolf Steiner zei daar op 9 juni 1910 in een voor­dracht in Oslo het volgende over: “Als wij nu een volk bekij­ken, dan zien we als zijn eerste machthebber de aartsen­gel. In hem werkt de tijdgeest met zijn bevelen en de aartsen­gel geeft dan deze bevelen door aan de engelen en deze weer aan de afzon­derlijke mensen. Omdat men gewoonlijk alleen ziet wat dichtbij is beschouwt men van dit ingewik­kelde samen­spel de rol van de aartsenge­len als de belangrijk­ste. Het kan echter ook gebeuren dat de tijdgeest ernstigere, belang­rijkere beve­len moet geven, dat hij iets van de aartsen­gel moet afne­men. Hij moet soms een deel van het volk afzonde­ren, zodat vervuld kan worden wat de tijd eist, wat zijn opdracht is. In zo’n geval zonderen bepaalde volksge­meenschap­pen zich van andere af. Daar krijgt de tijdgeest duidelijk de overhand over het werken van de aartsen­gel. Zo iets deed zich voor toen het Hollandse volk zich afsplitste van de basis die het met het Duitse volk gemeen had. Holland en Duitsland hadden oor­spron­kelijk dezelfde aartsengel en de afsplitsing vond plaats omdat de tijdgeest op een bepaald ogenblik een deel van het volk apart nam en daaraan een taak gaf, die voerde tot de belang­rijkste opdrachten van de huidige tijdgeest. Alles wat u in de ge­schiedenis van Holland kunt lezen – geschiedenis is welis­waar slechts een uiterlijke uitdrukking, een schijn van datge­ne wat werkelijk vanuit het innerlijk bekeken gebeurt – is alleen maar een weerspiegeling van dit innerlijke gebeuren. We zien dus uiterlijk deze afsplitsing van het Hollandse volk van het algemeen Duitse voltrekken. De innerlijke betekenis is echter dat de tijdgeest een instru­ment nodig had om zijn taak overzee te kunnen volbrengen. De hele opdracht van het Hol­landse volk is een taak van de tijdgeest geweest en het werd afgesplitst om de tijdgeest in staat te stellen in een bepaal­de tijd iets belangrijks met dit volksdeel uit te voeren.”

De missie van het Nederlandse volk is dus zijn taak overzee. Dat verwondert ons niet wanneer we naar de vaderlandse ge­schiedenis kijken. De drang om te gaan varen en koloniën te stichten beheerste het hele volk. Het V.O.C. kreeg overal in de wereld een voet aan de grond. New York is door Nederlan­ders gesticht. Suriname, Kaapstad en Indonesië zijn lange tijd in Nederlandse handen geweest. En de Nederlanders waren als enige welkom in Japan. Wanneer we die punten met elkaar ver­binden dan ontstaat ongeveer een cirkel op de wereldkaart, met in het middel­punt Amsterdam.

Een apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Chris­tiaan Rozen­kruis in de geestelijke wereld overleg gevoerd heeft men de groepsziel van de haringen en die gevraagd heeft van de Oostzee naar de Noordzee te verhuizen. De reden om dat te vragen was omdat de Nederlanders moesten gaan varen. De haringvangst in de Noordzee was inderdaad een belang­rijke stimulans voor het Neder­landse volk om te gaan varen.

Christiaan Rozenkruis is één van de grootste ingewijden die de mens­heid kent. Wanneer we bovenstaande uitspraak serieus nemen dan moeten we dus concluderen dat hij heel concreet meegeholpen heeft aan het werk van de tijdgeest en het ont­staan van het Nederlandse volk.

Een andere apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Chris­tiaan Rozenkruis in de Gouden Eeuw Rembrandt inspireerde tot zijn onderzoek naar licht en duisternis. Rembrandt zou zelfs een portret van Christiaan Rozenkruis geschilderd hebben (‘Man in wapenuitrus­ting’ of ‘Alexander de Grote’). Wanneer we ook deze uitspraak serieus nemen dan moeten we concluderen dat Christi­aan Rozenkruis in de Gouden Eeuw be­trokken was bij de ontplooiïng van de Nederlandse volksziel. Het was de tijd van de Republiek; van grote namen als Rem­brandt, Vondel, Huygens en Spino­za. Nederland was een vrij land waar mensen als Des­cartes en Comenius heenvluchtten om in vrijheid te kunnen werken.

Een derde apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Christiaan Rozenkruis in zijn incarnatie als de graaf van Saint Germain (eind achttiende, begin negentiende eeuw) in Den Haag gewoond heeft. Dat is ongeveer de tijd dat Goethe en Schiller hun stukken schreven over de oorlog tussen Neder­land en Spanje en daarbij Nederland bejubelden als het land van de vrijheid. In de laatste akte van Faust II laat Faust een stuk zee inpolde­ren om een nieuw, vrij land te scheppen; als dat ontstaan is, heeft hij zijn onrustige streven tot een voor hem bevre­digend einde ge­bracht. Dit land doet sterk denken aan de inge­polderde delen van Neder­land.

We kunnen door de uitspraken van Rudolf Steiner het idee krijgen dat Christiaan Rozenkruis zich door de loop van ver­schillende eeuwen bezig gehouden heeft met het Nederlandse volk.

Wanneer we de overzeese missie van Nederland opvatten in de zin van het doen van ontdekkingsreizen en het stichten van een we­reldom­span­nend rijk dan kunnen we concluderen dat die taak zijn langste tijd gehad heeft. Het grote rijk over­zee bleek niet tegen erosie be­stand. In Japan heeft Neder­land nooit echt een kolonie kunnen stichten (wat waarschijn­lijk ook nooit de bedoeling was). New York, in zijn eerste jaren Nieuw Amster­dam geheten, werd na een aantal jaar aan de Engel­sen verkocht voor Surina­me. Kaap­stad bleef langer in Neder­landse handen, lang genoeg om het Neder­lands als taal daar te laten aarden, maar uitein­delijk viel ook dat in Engel­se han­den. Na de Tweede Wereldoor­log viel defini­tief het doek voor het overzeese rijk: Indone­sië vocht zich vrij en in 1975 verwierf Surina­me de status van zelfstan­digheid. De paar kleine eiland­jes die over bleven zijn voor dit verhaal het noemen niet waard.

Maar hoe moeten we nu verder? Keert Nederland weer terug in de schoot van het Duitse volk? Door de Tweede Wereld­oorlog is zoveel weerzin tegen de Duitsers ontstaan dat daar geen kans op be­staat. Maar wanneer Nederland als zelfstandig volk verder wil heeft het wel een nieuwe missie nodig.

Wellicht kunnen we op een nieuwe missie wat licht werpen wanneer we realiseren dat ook Rudolf Steiner een groot inge­wijde was en in Neder­land gewerkt heeft. Dat was weliswaar in een tijd dat de missie van Nederland nog overzee lag, maar we zouden zijn activiteiten op kunnen vatten als een voorbe­rei­ding, net zoals Christi­aan Rozenkruis ter voorbe­reiding zijn vraag stelde aan de groeps­ziel van de haringen.

Wanneer we met dit oog de aanwezigheid van Rudolf Steiner in Neder­land overzien dan kan ons in eerste opzicht een teleur­stelling overvallen: het grootste deel van de tijd onder­scheidt zijn verhouding tot Nederland zich niet van zijn verhouding tot andere landen.

Daar komt echter verandering in wanneer de Kerstbijeenkomst van 1923 nadert. Rudolf Steiner neemt in 1923 een aantal besluiten die zijn werk­wijze radicaal veranderen. En vanaf dat moment liggen de opvallen­de verbindingen van Rudolf Stei­ner met Nederland voor het oprapen.

Een voorbeeld van zo’n verbinding is dat hij in het bestuur van de nieuwe Antroposofi­sche Vereniging twee Neder­landse vrouwen opneemt, Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Een ander voorbeeld is dat hij erg tevreden is met het feit dat Zeylmans van Emmichoven de voorzitter wordt van de Antro­poso­fische Vereni­ging in Nederland (in plaats van de in het eerste hoofd­stuk genoemde Pieter de Haan, die door een aantal leden naar voren was geschoven). Met die benoeming lukte in Nederland iets wat in een aantal andere landen niet lukte, namelijk dat de door Rudolf Steiner voorgestelde voorzitter ook gekozen werd.

Maar het meest opvallende voorbeeld zijn de karmavoordrach­ten die Rudolf Steiner in 1924 hield. In deze enorme reeks voordrachten stuurde hij aan op het onthullen van de karmische achtergronden van de antropo­sofische beweging. In juli bezocht hij Nederland omdat er een groot congres in Arnhem georga­ni­seerd was. Hij gaf daar ook drie karmavoor­drachten, en gaf daarin een wending aan de hele reeks. Hij begon te spreken over de aarts­engel Michael, die in 1879 tijdgeest was gewor­den. Hij sprak over de strijd van Michael met de draak en hij deed de voor­spelling dat de antroposofen aan het einde van de eeuw opnieuw zouden incarneren om aan de strijd van Michael met de draak deel te nemen, die dan in alle hevig­heid zou ontbran­den en die beslissend zou zijn voor de rich­ting die onze cultuur inslaat.

Dit thema bleef Rudolf Steiner tot aan zijn dood in maart 1925 behan­delen. Hij had aan de jongere generatie om zich heen, waar Zeylmans van Emmichoven een representant van was, beloofd dat hij zou proberen weer jong te worden. Dat die belofte erg letterlijk uitpakte en dat hij eerst dood moest gaan om weer opnieuw te kunnen incarneren, zal men daar­bij toen niet gereali­seerd hebben, Rudolf Steiner zelf mis­schien ook niet.

De geschiedenis van de Nederlandse Vereniging vertoonde na de dood van Rudolf Steiner opmerkelijk genoeg hetzelfde pa­troon als de Neder­landse volksziel een aantal eeuw eerder: de Ver­eniging verzelfstandigde zich tegenover de Algemene, voor­na­me­lijk Duitse vereni­ging. En ook hierin kunnen we de hand van de tijdgeest vermoeden.

De vraag die voor verder onderzoek open ligt is of er wel­licht een verband is tussen de situatie waarin Utrecht zich bevindt door het aflopen van haar duizend jaar kerkenkruis, de nieuwe missie van de Nederlandse volksziel, de strijd van Michael tegen de draak en de reïncar­natie van de antroposofen in deze tijd.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in Utrecht (1)

Op 21 februari 1921 hield Rudolf Steiner in Utrecht een voordracht.
Deze heb ik niet in de Gesamt Ausgabe kunnen vinden, maar die werd wel gedrukt weergegeven door het Studiecentrum voor Antroposofie in Utrecht, 1996.

Op 24 februari hield Steiner daar ook een pedagogische voordracht die in GA 297A staat en een vertaling en vragenbeantwoording staat op deze blog.

De voordracht van 21 februari 1921 met vragenbeantwoording volgt hier in het Duits:

DIE ANTHROPOSOPHISCHE GEISTESWISSENSCHAFT UND DIE ZIVILISATIONS­FRAGEN DER GEGENWART

Rudolf Steiner

Öffentlicher Vortrag I, Utrecht, 21 Februar 1921

Meine sehr verehrten Anwesenden ! Derjenige, welcher im vollen Ernst über ein solches Thema spricht, wie dasjenige des heutigen Abends ist, oder auch dasjenige, welches ich am 24. Februar hier in Utrecht besprechen werde, er muβ sich bewuβt sein, wie es allerdings schon in der Gegenwart zahlreiche Seelen gibt, die sich sehnen nach einer neuen Weltanschauung oder wenigstens nach einem neuen Einschlag in die Weltanschauung und Lebensgestaltung.

Man kann allerdings sagen, daβ nicht alle diejenigen Seelen, die sich in unserer Gegenwart nach einem solchen neuen Einschlag sehnen, sich dessen schon ganz voll bewuβt sind. Manches schlummert von dieser Sehnsucht in den Untergründen der menschlichen Seele. Allein für denjenigen, der sowohl das Seelenleben im Einzelnen, wie auch das soziale Leben der Gegenwart unbefangen betrachten kann, für ihn ist es ohne Weiteres klar, daβ es ein Suchen, ein ernstes Suchen solcher Seelen in der Gegenwart gibt. Und dieses Suchen hängt im Grunde genommen zusammen mit den groβen Zivilisationsfragen dieser unserer Gegenwart.

Es gibt viele solcher Zivilisationsfragen in der Gegenwart, allein sie werden sich alle mehr oder weniger beherrschen lassen, wenn man sie von zwei Gesichtspunkten aus betrachtet. Die eine groβe Rätselfrage, die in die menschlichen Seelen sich hinein gesenkt hat, möchte man sagen, seit langer Zeit, und die heute eine ganz besondere Offenbarung in diesen Seelen schon findet, sie rührt her von der wissenschaftlichen Entwicklung der letzten drei bis vier Jahrhunderten. Diese wissenschaftliche Entwicklung hat der Menschheit in Erkenntnisbeziehung groβe, gewaltige Triumphe gebracht, bemerkenswerte Einsichten geliefert. Allein für denjenigen, der nun mit ganzer Seele gerade in bezug auf Seelen-und Geistesfragen an die Ergebnisse dieser modernen Wissenschaft herantritt, für den wird ein Verständnis immer klarer und klarer. Ich bemerke im Voraus, damit ich nicht miβverstanden werde: diejenige Geisteswissenschaft, die anthroposophisch orientiert ist, und die ich hier meine, indem ich meine Ausführungen gebe, sie steht voll auf dem Boden moderner naturwissenschaftlicher Denkweise. Aber wir werden sehen, daβ sie gerade deshalb, weil sie ganz voll auf diesem Boden stehen will, über dasjenige hinaus gehen muβ, was gewöhnlich als Grenze dieser naturwissen­schaftlichen Denkweise angesehen wird.

Derjenige, welcher nicht nur äuβere Kenntnisse für irgend welche praktische oder sonstige Lebensverrichtung will, sondern der aus den naturwissenschaftlichen Einsichten etwas gewinnen will für das Leben seiner Seele und seines Geistes, der wird allerdings, wenn er unbefangen genug dazu ist, nach und nach gewahr, daβ, je tiefer man sich in diese Einsichten hinein begibt, desto mehr bedeuten sie eigentlich Rätsel, desto weniger lösen sie uns irgend etwas von dem, was aus der Seelentiefen heraufquillt als die groβen Daseinsfragen des menschlichen Lebens. Im Gegenteil, sie lehren uns etwas ganz anderes, diese  naturwissenschaftlichen Einsichten; sie lehren uns die Fragen, die wir aus der gepreβten Seele heraus stellen müssen als Menschen, tiefer, gründlicher zu stellen. Sie lehren uns mehr Rätsel aufwerfen, als wir früher aufgeworfen haben, denn für einen solchen Unbefangenen, der mit ganzer Seele sich in diese Einsichten hineinlebt, läβt es sich ja gar nicht anders machen, als daβ er ein Verhältnis herstellt zwischen dem, was Naturwissenschaft in den letzten drei bis vier Jahrhunderten gebracht hat, und zwischen dem, was in den alten, traditionellen Religionsbekenntnissen als eine wirkliche seelische Erhebung, als ein wirklicher seelischer Inhalt gegeben ist. Man kann theoretisch viel über die Frage sprechen, ob das religiöse Leben, das religiöse Vertiefen des Menschen einen eigenen Weg gehen soll neben dem neueren wissenschaftlichen Erkennen. Die Seele des Menschen ist einmal eine, und er kann nicht anderes, als, wenn er auf der einen Seite Lebensnahrung für die ewige Bestimmung seiner Seele aus religiösen Grundlagen schöpft, und auf der anderen Seite entgegennimmt dasjenige, was ihm zu sagen haben zum Beispiel über den Bau des Himmelsgebäudes, über die Entwicklung der organischen Lebewesen und Ähnliches die Naturwissenschaften, er kann nicht anderes als fragen: Wie verhält sich das Eine zu dem Anderen. Wir können mit unserem Intellekt sagen: die beiden Lebensgebiete strömen aus verschiedenen Quellen heraus. So sehr wir auch davon deklamieren, wie sie aus verschiedenen Quellen herausflieβen, in unserer Seele flieβen sie doch zusammen, und wir müssen einen Ausgleich suchen. Aber in dem Suchen nach diesem Ausgleich ergeben sich neue Rätsel, zu denen der Mensch der Gegenwart, wenn er wirklich aufblickt zu dem allgemeinen Bildungsleben, wenn er in diesem allgemeinen Bildungsleben drinnen steht, einfach hingetrieben wird, die ihn beunruhigen, die nach irgend welchen, noch anderen Quellen rufen, aus denen eine wirkliche Vereinheitlichung unseres ganzen Seelenlebens herausflieβen muβ.

Und so sehen wir, daβ eine der wichtigsten Zivilationsfragen der Gegenwart eigentlich eine innere Seelenfrage ist. Wir müssen, bevor wir in das soziale Leben irgendwie maβgeblich eingreifen wollen, mit uns selber fertig werden. Wir müssen innerlich eine gewisse Festigkeit gewinnen. Daher sind im Grunde genommen alle äuβeren Fragen des Lebens, alle Fragen der Lebenspraxis doch abhängig von den Fragen des menschlichen Seelenlebens. Das von der einen Seite über die groβen Zivilisationsfragen der Gegenwart.

Aber noch von einer anderen Seite kommen Lebensrätsel über den gegenwärtigen, den modernen Menschen. Die naturwissenschaftlichen Erkenntnisse sind ja nicht bloβ Erkenntnisse geblieben. Sie haben in einer weitgehenden Weise, in einer gerade bewundernswerten Weise eingegriffen in das praktische Leben.

Sie haben uns in der modernen Technik alles dasjenige gebracht, was wir im Grunde genommen heute im äuβeren Leben auf Schritt und Tritt begegnen, ohne das die moderne Menschheit eigentlich nicht mehr leben kann. Aber auch hier haben uns die modernen Ereignisse, die praktischen Ergebnisse der naturwissenschaftlichen Denkweise eigentlich nicht Lösungen gebracht, sondern im Grunde genommen neue, praktische Lebensrätsel. Wir haben es dahin gebracht im Laufe der letzten zwei bis drei Jahrhunderten, eine komplizierte Technik, und ein damit zusammenhängendes kompliziertes Menschenleben zu gestalten. Wir muβten die Menschen in groβer Anzahl hinstellen an die Maschine, welche ein Ergebnis der modernen naturwissenschaftlichen Denkweise ist. Wir haben hineinversetzen müssen die Menschheit in die modernen Verkehrsverhältnisse, welche ein Ergebnis eben dieser Denkweise sind. Auf dem Gebiet des rein  mechanisch-maschinellen Wirkens, auch da, wo das Mechanische auftritt im Kommerziellen, im Weltverkehrswesen, in der Weltwirtschaft, hat sich die naturwissenschaftliche Denkungsweise als fruchtbar erwiesen. Aber in bezug auf die soziale Denkweise, in bezug auf den Verkehr des Menschen mit den Menschen als Mensch hat sie sozusagen alles übrig gelassen.

Darüber braucht man sich gar nicht theoretisch zu unterrichten, das sieht man an den Konvulsionen sozialer Natur, die sich in der Gegenwart kundgeben, und die schreckhaft aufwühlend wirken in der Menschheit. Man sieht es daran, wie wenig zunächst Rat in der Menschheit vorhanden ist, diese Kräfte, die nach und nach einen furchtbar zerstörerischen Charakter, einen lebenszerstörenden Charakter annehmen, in irgend einer, der Menschheit gedeihlichen Weise zu leiten und zu lenken.

Und so sind gerade in bezug auf das Menschliche, in bezug auf das Moralische, in bezug auf das Seelisch-Geistige im Verkehr von Mensch zu Mensch viele Rätsel heraufgezogen in diesem modernen, zivilisatorischen Leben.

Und wir stehen vor der groβen Seelenfrage: Wie vereint sich moderne Einsicht mit demjenigen, was religiöse Bedürfnisse der Menschheit sind? Und wir stehen vor der groβen, praktischen sozialen Lebensfrage: Wie bringen wir eine solche Richtung in dasjenige hinein, was mechanisch-technisches Leben geworden ist, das in einem der modernen Anschauungen gewachsenen Sinn auch ein Verkehr im Verhältnis von Mensch zu Mensch so möglich ist, daβ von allen Menschen dieses Verhältnis als zu einem menschenwürdigen Dasein führend empfunden werde?

Kurz, so stehen vor uns Lösung heischende, zivilisatorische Fragen, die in die beiden angegebenen Strömungen laufen. Die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, über welche ich hier heute zunächst in bezug auf ihre Erkenntnisse orientierend sprechen möchte, sie will gerade an diese Rätselfragen herantreten, die von der beiden eben charakterisierten Seiten an den modernen Menschen kommen. Sie muβ es aber in einer Weise tun, die ungewohnt ist heute noch den breitesten Massen der Menschheitsbevölkerung eben der zivilisierten Welt. Sie wird daher von der einen Seite als Phantasterei angesehen; sie wird von der anderen Seite vielleicht als noch etwas Schlimmeres angesehen.

Allein, man kann in der Menscheitsentwicklung nicht weiter kommen, wenn man nicht den Entschluβ fassen wollte, auch dasjenige auszusprechen, was in irgend einem Zeitalter, weil es ungewohnt ist, noch auβerordentlich scharf bekämpft wird.

Wir sehen es ja an den Seelen, die das was ich vorhin gekennzeichnet habe, in einer besonders scharfen Weise empfinden, wie sie sich sehnen gewissermaβen nach einem Hineinströmen einer übersinnlichen, geistigen Welt in die Menschenseele durch Erkenntnis. Und da kommen solche sehnenden Seelen heute auf gar manches, das allerdings nicht mit unserem zivilisatorischen Leben in der Gegenwart vereinbar ist. Wir sehen zahlreiche Seelen, welche hinblicken auf dasjenige, was in alten Zeiten bei unseren Vorfahren vorhanden war: eine gewisse Harmonie zwischen religiöser Empfindung, künstlerischer Gestaltung und wissenschaftlicher Erkenntnis. Auch die äuβere anthropologische Wissenschaft teilt ja heute der Menschheit durch ihre Forschungen über alte Zeiten Dinge mit, durch die man eine hohe Achtung gegenüber diesen alten Kulturen haben muβ. Manche Menschen schielen hinüber nach dem Oriente, wo allerdings in dekadenter Weise Reste einer alten Urweisheit sich erhalten haben. Sie möchten eine Empfindung haben von dem was einstmals war. Wir sehen Dieses bei zahlreichen Seelen auftauchen, müssen aber, wenn wir den Sinn der Menschheitsentwicklung wirklich verstehen, uns sagen, das wir zwar begreifen können solche Seelen, die sich sehnen nach irgend einem Alten oder nach dem, was von einem Alten in Dekadenz geblieben ist, wie etwa die indische Mystik oder dergleichen. Wir können ein solches Sehnen verstehen, müssen aber sagen: es widerspricht ein solches Sehnen durchaus den Sinn der ganzen menschlichen Entwicklung. Denn diese Entwicklung ist doch so, daβ jedes Zeitalter seinen eignen Charakter hat. Und was einmal entsprechend war den Trieben und Empfindungen der menschlichen Seele in alten Zeiten, das ist es nicht mehr heute. Wir müssen allerdings auch noch Anderes sagen. Wir müssen sagen: Dieser Drang nach dem Alten, oder dieser Drang nach Aufwärmung orientalischer Weistümer, er entspringt auch einer gewissen Müdigkeit der modernen Menschenseele.

Diese Müdigkeit der modernen Menschenseele, sie kündigt sich dadurch an, daβ der Mensch zwar sich versenken mag in dasjenige was Jahrhunderte oder Jahrtausende alte Tradition ist, daβ er sich hingeben mag an dasjenige, was überkommene äuβere Einrichtungen des praktischen Lebens sind, daβ er aber innerhalb des heutigen komplizierten Lebens nur schwer sich aufrafft dazu, ein Schöpferisches, ein elementar Schöpferisches in der menschlichen Seele zu entfalten, das geeignet ist, neue geistige Kräfte aus den Untergründen der Seele an die Oberfläche derselben zu befördern, das geeignet ist, dem praktischen sozialen Leben neue Richtlinien zu geben. Hingeben mag sich leicht der moderne Mensch, aber Schaffen, das liegt im Grunde genommen seiner stark ermüdeten Seele fern. Aber an die schöpferischen Kräfte der Menschenseele möchte sich gerade die hier gemeinte anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft wenden. Denn sie glaubt zu erkennen, daβ nur aus einer Neuschöpfung aus den tiefsten, elementarsten Kräften der Menschenseele heraus Befriedigung über dasjenige kommen kann, was im Grunde genommen in der charakterisierten Weise von Zahlreichen Menschen heute aus den groβen zivilisatorischen Strömungen ersehnt wird.

Dasjenige, was Geisteswissenschaft zunächst in bezug auf Erkenntnis ihrerseits zu bieten hat, das steht allerdings ganz auf dem Boden moderner naturwissenschaftlicher Denkweise. Aber, sie muβ zu gleicher Zeit, weil sie auf diesem Boden steht, über diese naturwissenschaftliche Denkweise hinausgehen zu der Erkenntnis eines Übersinnlichen, während diese naturwissenschaftliche Denkweise nur ergreift mit ihren Erkenntnismitteln, mit ihren allerdings groβartigen bewunderungswürdigen Erkenntnismitteln die äuβere Sinneswelt und dasjenige, was der Verstand aus dieser Sinneswelt herauskombinieren kann als abstrakte Naturgesetze und dergleichen.

Wenn ich das Verhältnis desjenigen was ich hier meine als anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft, zu dieser modernen Naturwissenschaft kennzeichnen soll, so möchte ich einen historischen Vergleich gebrauchen. Aber ich bitte Sie, mir diesen Vergleich nicht als Unbescheidenheit anzurechnen. Er ist nicht so gemeint. Es soll nicht verglichen werden ohne weiteres der schwache Versuch, der heute erst gegeben werden kann mit der Geisteswissenschaft, und der der schwachen menschlichen Kraft entspricht, mit einem groβen, gewaltigen Ereignis, sondern mit etwas, was auch eigentümlich ist diesem historischen Ereignis, ich meine die Entdeckung Amerikas.

Als Kolumbus ausfuhr zur Entdeckung Amerikas, da war es so, daβ er es eigentlich so meinte, über das groβe Weltmeer fahren zu müssen, um dasjenige, was ihm schon bekannt war, von der anderen Seite zu erreichen, nämlich Indien zu erreichen von der anderen Seite. Man glaubte  also hinzusteuern nach etwas schon Bekanntem. Auf dem Wege fand man aber ein Unbekanntes, das man nicht geahnt hat.

So geht es im Grunde genommen mit dem modernen Geistesfortscher. Er will ausgehen von dem, was aus zahlreichen wissenschaftlichen Bestrebungen heraus das moderne Leben bietet. Er möchte sich hinaus wagen, auf all die Forschungswege, welche eingeschlagen werden in der gewissenhaften, durchaus methodischen Weise von diesem modernen Wissenschaftsleben. Allein auf dem Wege hierzu, findet er nicht dasjenige, was im Grunde genommen eine groβe Anzahl von Forschern zu finden meinen: eine Art Bekanntes, das doch, wenn es auch durch seine Kleinheit oder dergleichen unterschieden sein soll von dem, was wir in unserer Sinneswelt um uns haben, doch wiederum ein Bekanntes ist. Wie Kolumbus Indien zu erreichen vermeinte, also ein Bekanntes, so möchten die Forscher des äuβere n Sinnengebietes entdecken Atome, Moleküle, Ione, Elektronen und dergleichen, was doch nichts anderes ist als ins Kleinste umgesetzt dasjenige, was wir schon haben in der Sinneswelt. Und wenn wir nun mit den gewissenhaften modernen Forschungsmethoden hinausschauen in den Weltenraum, bewaffnet mit all den bewundernswürdigen Instrumenten, die konstruiert worden sind, so wollen wir auch nichts anderes finden als dasjenige, was wir hier auf der Erde schon kennen. Wir konstruieren uns den ganzen Himmel zusammen aus den sinnlichen Elementen, die wir schon auf der Erde haben.

Erwarten mag man das zunächst, und im Grunde genommen wird jeder, der nicht Dilettant ist im wissenschaftlichem Leben der Gegenwart, sondern ausgeht von dem gewissenhaften wissenschaftlichen Leben dieser Gegenwart, vielleicht ein Ähnliches erwarten. Wenn er aber ganz klar sein wird über dasjenige, was da eigentlich bei ihm als Forscher vorliegt, dann kommt er zu etwas Anderem. Er glaubt vielleicht zu etwas Bekanntem zu kommen, zu Atomen, Molekülen, zu Ionen, Elektronen, aber er entdeckt auf dem Wege ein Unbekanntes, so unbekannt, wie den Indienfahrern Amerika war. Er entdeckt auf dem Wege, gerade indem er sich vertieft in die Denkprozesse, in die ganzen Seelenprozesse, die er anwenden muβ bei dem naturwissenschaftlichen Forschen, eine ihm vorher unbekannte, übersinnliche Welt.

Ausbilden im Feineren, im Weiteren will anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft dasjenige, was man innerlich seelisch tut, indem man in der Klinik, im Laboratorium, auf der Sternwarte forscht. Allein, indem sie recht exakt aufmerksam wird auf dieses innerliche Verrichten der Seele, muβ sie sich darauf besinnen: Da ist es doch der Geist, der auch, wenn er sich nur an das äuβerlich Materielle hält, in dir tätig ist, gerade im methodischen Forschen. Und dann, wenn man einmal ganz herzhaftig und ganz so stark, als es die menschliche Seele nur kann, seine eigene Tätigkeit beim Forschen gewahr wird, dann gewinnt man den Drang, diese Seelenkräfte die man in sich trägt, die gewissermaβen anzuregen sind durch die gewöhnliche Erziehung, weiter auszubilden. Und dann kommt man zu den geisteswissenschaftlichen Methoden, von denen ich Ihnen jetzt eine kleine Andeutung geben möchte.

Am Ausgangspunkte dieser geisteswissenschaftlichen Methoden muβ allerdings eines stehen, was der heutigen Menschheit auch recht ungewohnt ist. Dasjenige muβ stehen vor dem geistesforscherischen Wege, was ich nennen möchte ‘intellektuelle Bescheidenheit’. Und ich möchte wiederum durch einen Vergleich erklären, was ich unter intellektueller Bescheidenheit verstehe. Denken sie sich ein fünfjähriges Kind, wir geben ihm einen Band Shakespeares in die Hand, was wird es damit anfangen? Es wird ihn zerreiβen oder sonst mit ihm spielen, aber ganz gewiβ wird es nicht dasjenige damit machen, was dem Band Shakespeares angemessen ist. Wenn das Kind weitere zehn bis fünfzehn Jahre gelebt hat, so werden seine Seelenkräfte sich so entwickelt haben, daβ es das Richtige mit diesem Bande Shakespeares anfangen wird. Wir können sagen: herausgeholt ist aus dem verborgensten Innern dieses Kindes dasjenige, was es nun zu etwas ganz anderem befähigt, als wozu es früher im Stande war.

Man muβ sich nun in intellektueller Bescheidenheit sagen können, wenn man ein Geistesforscher werden will: Man könnte ja der ganzen Natur, die uns umgibt, auch als erwachsener Mensch so gegenüberstehen, wie das fünfjahrige Kind dem Bande Shakespeares, und man könnte sich dadurch aufgefordert fühlen, nun weiter die Seelenkräfte zu entwickeln durch eigene Handhabung, wie bei dem fünfjahrigen Kinde die Seelenkräfte allmählich entwickelt worden sind, wodurch aus dem Kinde etwas ganz anderes gemacht wurde, als es vorher war. Solche Methoden, wie sie im Grunde genommen schon begonnen sind beim naturwissenschaftlichen Forschen, nur auf natürliche Weise gegeben, solche Methoden sucht geisteswissenschaftliche Forschung weiter auszubilden. Und diese geisteswissenschaftliche Forschung, sie ruht nicht auf irgendwelchen äuβeren Maβnahmen, sie ruht ganz und gar auf innerer Seelenarbeit. Diese innere Seelenarbeit ist allerdings nicht etwa leichter zu verrichten als die Arbeit im Laboratorium, in der Klinik oder auf der Sternwarte. Dasjenige, was ich Ihnen jetzt schildern werde als den inneren Seelenweg des Geistesforschers, das fordert zu seiner wirklichen Ausbildung jahrelange innere Austrengung, obwohl man nicht mit äuβeren Werkzeugen, mit äuβeren Instrumenten hantiert, sondern lediglich mit den Kräften der Seele selbst; und es sind im Grunde genommen Seelenkräfte, die durchaus im gewöhnlichen Leben schon vorhanden sind, die nur weiter ausgebildet werden müssen.

Die Menschheit liebt es heute nicht, solche Seelenkräfte in sich weiter auszubilden. Man ist gerade durch den modernen Entwicklungsweg dahin gekommen, nicht mehr so zu denken, wie man in gewissen alten Zeitaltern über die menschliche Entwicklung gedacht hat. Das ist von der einen Seite voll berechtigt, aber von der anderen Seite ist es so, daβ wiederum andere Anschauungen an Stelle der Landläufigen treten müssen. Gerade deshalb sehnen sich viele suchenden Seelen, wie ich schon sagte, heute unhistorisch nach einer gewissen Art, wie unsere alten Vorfahren zu ihren Erkenntnissen gekommen sind, weil diese Vorfahren im Erkenntnisweg doch etwas ganz anderes gesehen haben, als die heutigen Menschen darin sehen. Man hat in den alten Zeiten – ich kann das nur andeuten, weitere Ausführungen können Sie heute schon in der äuβeren Wissenschaft finden – man hatte in alten Zeiten Weisheitsschulen, die man auch wohl die Mysterien nennt. In diesen Mysterien wurde nicht in derselben Weise eine bloβ mehr auf den Intellekt hinzielende Wissenschaft gepflegt, wie das heute der Fall ist, sondern es wurde eine Wissenschaft gepflegt, die durchaus so intensiv zu der Menschenseele sprach, das sie hineinträufelte in die Tiefen dieser Seele, indem sie religiöse Inbrunst zugleich aus dieser Seele auslöste, die diese Seele so anregte, daβ sie zu gleicher Zeit dasjenige, was sie als Erkenntnis empfing, in künstlerischen Anschauungen empfing. Kunst, Religion, Wissenschaft, sie waren eins in diesen alten Mysterien. Aber in diesen alten Weisheitsschulen sprach man von der Erlangung höherer Erkenntnisse in der Weise, daβ man an den ganzen Menschen und nicht bloβ an den Kopf appellierte. Und man sprach von etwas, von dem zu sprechen heute in einer gewissen  Weise gefährlich ist, weil man der Paradoxie oder Phantastik beziehen wird, wenn man davon spricht. Man sprach davon, daβ zwischen dem, was der Mensch im gewöhnlichen Leben wissen, fühlen und wollen kan, und demjenigen, dem eigentlich seine Seele als dem Übersinnlichen zugehört, das zwischen diesen zwei Gebieten des äuβeren und des inneren Lebens ein Abgrund sich auftut und daβ dieser Abgrund erst durch Überwindung, durch innere Kämpfe der Menschenseele überschritten werden könne. Man sprach von der Schwelle welche das gewöhnliche Leben trennt von der übersinnlichen Welt, der eigentlich die Seele zugehört. Und man sprach davon, daβ der Mensch durch die Weltenmächte behütet ist, unvorbereitet in das Reich der übersinnlichen Erkenntnis einzutreten. Nicht eine bloβe Personifikation, sonder sehr reales Erlebnis war es für die Schüler der alten Weisheitsschulen, wenn sie sprachen von dem Hüter der Schwelle.

Dieser Hüter der Schwelle war nicht erlebt worden, wenn man den Abgrund nicht übersteigen wollte zwischen der sinnlichen und der übersinnlichen Welt. Aber man muβte an ihm vorbei schreiten, wenn man in die übersinnliche Welt hineinkommen wollte. Er wurde sozusagen erst sichtbar, wenn man seine Erkenntnis aufschwingen wollte zu den übersinnlichen Gebieten des Daseins. Aber man solle und dürfe das nicht tun, so sagten die alten Weisheitslehrer, ohne daβ der Mensch in gesunder Weise vorbereitet werde, und ohne daβ er noch andere Bedingungen erfülle. Denn anders, als wir jetzt sprechen, sprach man in alten Zeiten von dem, was eigentlich menschliche Weisheit und menschliche Wissenschaft ist. Man sagte: Der unvorbereitete Mensch, wenn ihm die Wissenschaft vom Übersinnlichen übergeben wird, sie wird für ihn eine Quelle der Versuchung, nicht nur das Gute zu vollbringen, sondern auch das Böse zu vollbringen; das Wissen vom Übersinnlichen stachelt auf menschliche Begierden, die sonst schweigen uns gezähmt sind durch dasjenige, was die äuβerliche Moral ist. Durch die Einsicht in das Übersinnliche, lassen sich diese Begierden nicht mehr zähmen. Daher verlangten diese alten Weisheitslehrer von ihren Schülern, das sie sich unterzogen solch einer Willenszucht, solch einer Erziehung, daβ diese Instinkte zurücktreten, daβ diese Instinkte nicht mehr sprachen, sodaβ diese Schüler hörten auf alles dasjenige, was ihnen als eine reine Moral vermöge ihrer naturgemäβen Autorität die alten Weisheitslehrer vorbrachten. Und sie verlangten strengen Gehorsam. Sie sehen, das war ein Verhältni s des Schülers zum Lehrer, das sich vielfach noch in kirchlichen Zusammenhängen erhalten hat. Aber sie werden mir auch zugeben: Das moderne Leben ist so beschaffen, daβ es auf allen Gebieten ein solches Verhältnis nicht mehr haben will. Wir können mit groβer Achtung, mit vollem Verständnis hinaufblicken zu jenen alten Zeiten, in denen so mit gewissen Geboten, mit strengen Geboten für Ethisches, für Moralisches, für Gehorsam, für religiöse Achtungsgefühle dem Schüler Wissenschaft und Weisheit übergeben wurde – sonst wurde es ihnen nicht übergeben, wenn sie sich nicht diesen Bedingungen unterwarfen. Wir können für alte Zeiten das berechtigt empfinden, aber heute können wir nicht mehr aus unseren modernen, menschlichen Verhältnissen heraus eben solche Beziehungen zu Wissenschaft und Weisheit eingehen. Das verstehen diejenigen aber nicht, welche alte Weistümer, dekadente Weisheit des Morgenlandes, wiederum aufwärmen wollen. Wir brauchen heute ein Anderes, und das gibt sich uns aus einer Tatsache kund, die ich in der folgenden Weise charakterisieren will.

Da möchte ich zuerst fragen: Warum war es denn eigentlich, daβ die alten Weisheitslehrer, bevor sie Wissenschaft und Weisheit überlieferten, ihre Schüler solch strenger Zucht, Willenszucht, Willenserziehung unterzogen ? Das war aus dem Grunde, weil die Seelenverfassung der Menschen der Vorzeit eine ganz andere war, als die unsrige ist. Die äuβere Geschichte, sie gibt uns ja eigentlich nur auch das Äuβere der Menschheitsentwicklung. Daβ in der Tat die menschliche Seele im Laufe der Zeiten gewaltige Metamorphosen durchgemacht hat, davon spricht diese äusere Geschichte heute nur auβerordentlich wenig. Wir brauchen gar nicht etwa nach dem alten Indien oder nach sonstigen Gegenden des Orients zurückzugehen, sondern wir brauchen nur in die Zeiten des alten Griechenland, vielleicht in die etwas früheren und in die mittleren Zeiten des alten Griechenland zurückzublicken, und wir finden noch eine ganz andere Seelenverfassung bei den Menschen. Dasjenige was wir den Intellekt nennen, dasjenige, worauf wir einen so groβen Wert als unsere Verstandeskultur legen, das war noch nicht als ein abgesondertes Seelenvermögen bei diesen älteren Menschen ausgebildet. Bei ihnen wirkten Instinkte, Triebe, Willensimpulse, Gefühlsregungen, Gefühlskräfte aus den Tiefen der Seele herauf und durchdrangen die abstrakten Begriffe. Die Erkenntnis wirkte aus dem vollen Menschen heraus, nicht bloβ aus dem Kopf heraus. Wir können uns nur eine Vorstellung machen, was für den Griechen Erkenntnis war, wenn wir auf diesen Ursprung seiner Erkenntnis aus dem vollen Menschen heraus eingehen können.

Das ist in unserer Zeit anders geworden. Aus der Galiläi-Kopernikanischen Weltanschauung heraus und aus all dem was damit zusammenhängt in moderner Naturauffassung, hat sich für uns einseitig das intellektuelle Leben entwickelt.

Einige von Ihnen werden gewiβ sagen, dieses intellektuelle Leben wäre nicht in einer solchen Einseitigkeit da, wie ich es eben darstellen möchte. Wir experimentieren, das ist richtig; wir haben es da zu tun mit äuβeren Tatsachen und mit dem, was sie offenbaren, und nicht mit dem bloβen Intellekt. Wir beobachten gewissenhaft nach unseren Methoden in allen Reichen der Natur und im sonstigen Weltengebäude. Wir haben es nicht mit dem bloβen Intellekt zu tun. Gewiβ wir experimentieren, wir beobachten, aber indem wir das tun, wenden wir auf dieses Experimentieren und Beobachten nur unserer Intellekt an. Und wir sind geradezu darauf aus, nur dasjenige als Wissenschaft und menschliche Weisheit anzuerkennen, was an den Experiment und der Beobachtung durch den Intellekt an solchen Naturgesetzen oder auch historischen Gesetzen gewonnen wird, das in intellektuelle Formen gebracht werden kann. Unsere ganze Seelenverfassung ist eine intellektualistische geworden. Dadurch unterscheidet sie sich von der alten Seelenverfassung. Diese alte Seelenverfassung, ihr kamen, indem sie nach Erkenntnis strebte, nicht bloβe Begriffe, nicht bloβe Ideen, ihr kamen aus den Tiefen der ganzen menschlichen Organisation herauf Empfindungen, Seeleninhalte über die Weltentwicklung selbst. Es gab für die Alten eine Welterkenntnis, wenn sie sich überhaupt auf den Pfad der Erkenntnis begaben. Sie fühlten sich so mit der Natur verbunden, daβ sie, indem sie Minerale, Pflanzen, Tiere betrachteten, indem sie den physischen Menschen betrachteten, überall zu gleicher Zeit ein Geistig-Seelisches betrachteten. Mann nennt das heute Animismus, aber mann kennt sehr wenig das Wesen desjenigen, um was es sich da handelt. Dieses Wesen, es besteht darin, daβ in alten Zeiten der Mensch, wenn er ansah die äuβere Natur, nicht nur die trockene äuβere Sinneswahrnehmung vor sich  hatte, sondern aus Allem kam ihm ein Geistiges entgegen. Er wuβte den Blitz innig verbunden mit dem, was in seinem eigenen Innern vorgeht. Er wuβte die ziehenden Wolken verbunden mit dem, was in seinem Innern vorgeht. Er fühlte sich angehörig dem ganzen Weltenall. Er fühlte sich so als Glied dieses Weltenalls, wie der Finger sich an mir fühlen würde als ein Glied von mir, wenn er ein Bewuβtsein hätte. Aus diesem Weltgefühle ging alle alte Erkenntnis hervor. Aber dieses Weltgefühl war nur dadurch vorhanden, daβ das Selbstgefühl, selbst bei den alten Griechen noch, nicht so ausgebildet war, wie unseres Selbstgefühl. Das Selbstgefühl war dumpf, und deshalb sagte der alte Weisheitslehrer: Man darf die Schüler nicht einfach einführen in eine höhere Erkenntnis, zu der ein höheres Selbstgefühl unbedingt notwendig ist, denn sie würden, wenn sie unvorbereitet zu diesen Erkenntnissen kämen, in eine Art seelischer Ohnmacht verfallen. Diese seelische Ohnmacht, die sollte bekämpft werden durch die Willenszucht, die Willenserziehung.

Wie ist das bei uns? Ja, das sehen wir am besten aus dem Folgenden. Wir sind heute mit Recht stolz auf dasjenige, was wir zum Beispiel über das äuβere Weltengebäude wissen durch die Kopernikanische Weltanschauung. Wir bekennen uns heute zu der Anschauung, die Sonne stehe im Mittelpunkt unseres Planetensystems, die Erde bewege sich mit groβer Geschwindigkeit um die Sonne. Wir nennen das die heliozentrische Weltanschauung, im Gegensatz zur Weltanschauung des Mittelalters und des Altertums, welche die Erde in den Mittelpunkt unseres Planetensystems gerückt hatten, sodaβ sich der Mensch auf dem festen Boden der Erde, ruhend im Weltenraum fühlte und die Sonne kreisen lieβ mit den anderen Planeten um die Erde. Aber schon aus der äuβeren Geschichte kann man ersehen, daβ dasjenige, was wir heute heliozentrische Weltanschauung nennen, nicht unbekannt war den Alten; daβ es in den Weisheitsschulen nicht unbekannt war. Davon spricht die heutige Weltanschauung nicht. Aber man braucht nur bei Plutarch nachzulesen, was er über die Himmelsanschauung des Aristarch von Samos, Jahrhunderte vor der Entstehung des Christentums, schreibt, so wird man sehen, daβ Aristarch von Samos die heliozentrische Weltanschauung verkündete; daβ er die Sonne im Mittelpunkt stehen läβt des Planetensystems, daβ er die Erde herumkreisen läβt um die Sonne. Aristarch von Samos verkündete nur in einer mehr äuβerlich wahrnehmbaren Weise dasjenige, was in den Weisheitsschulen sonst den Schülern verkündet worden ist, nachdem sie zuerst die Vorbereitung durchgemacht hatten. Und manches Anderes wurde da verkündet, was wir ebenso wie die Kopernikanische Weltanschaung, wie das heliozentrische Weltensystem, heute ganz in der allgemeinen Menschenbildung drinnen haben, was wir sozusagen in der Elementarschule schon als etwas uns aneignen, das eben zu unserer allgemeinen Bildung gehört.

So können wir also die merkwürdige Tatsache verzeichnen, daβ die alten Weisheitslehrer dasjenige, was für uns heute gewöhnliche Schulbildung ist, den Schülern erst überlieferten, nachdem diese eine strenge Willenszucht, eine Willenserziehung durchgemacht hatten. Sie riefen in den Schülern das Bewuβtsein hervor: Ihr müβt die Schwelle zur geistigen Welt überschreiten. Nach dem teilten sie ihnen Dinge mit, die bei uns heute allgemeine Bildung sind.

Wir stehen gewissermaβen durch die ganz gewöhnliche menschliche Entwicklung jenseits der Schwelle. Das ist der Sinn der geschichtlichen Metamorphose, daβ dasjenige, was in alten Zeiten zum Beispiel nur nach gewaltiger Vorbereitung den Schülern gegeben worden ist, heute von jedem  gelernt wird. Jedes Kind wird hinter die Schwelle heute geführt, die die Alten schilderten in der charakterisierten Weise. Warum ist das ? Das ist deshalb, weil wir wiederum durch die menschheitliche Entwicklung auf eine naturgemäβe Weise eine andere innere Seelenverfassung haben, wie die Alten. Wir werden nicht ausgesetzt der Seelenohnmacht, der Seelenbetäubung, die in alten Zeiten gefürchtet werden müβte. Wir haben durchgemacht seit Jahrhunderten als zivilisierte Menschheit durch die intellektuelle Bildung eine Verstärkung, eine Erkraftung gerade des Selbstbewuβtsein. Dieses Selbstbewuβtsein kann nicht dadurch, daβ wir in die Welt, die für die Alten die Welt jenseits der Schwelle war, eintreten, herabgestimmt, herabgelähmt, ohnmächtig gemacht werden. Das kann es nicht. Die Alten würden etwa so gesagt haben: Wenn man überliefern wollte dem unvorbereiteten Menschen die Erkenntnis, daβ die Erde sich im Raume mit groβer Schnelligkeit bewegt, er würde den Boden unter den Füβen zu verlieren glauben; er würde seelisch-geistig das Gefühl haben, als ob er den Boden verlieren würde, als ob er schwindelig würde im Weltendasein.

Das ist heute nicht so. Aber est steht uns dafür etwas anderes bevor. Jene Welterkenntnis die der Alte instinktiv hatte, die geht uns heute verloren, indem wir aus der äuβeren Sinnenwelt erkennen, was dem alten Mensch nur nach langer Vorbereitung gegeben wurde. Wir stehen heute vor einer anderen Schwelle. Wir lernen gerade vom gewissenhaften Naturforscher, wie geredet werden muβ von ‘Grenzen der Naturerkenntnis’, vom ‘Ignorabimus’. Wir spüren diese Erkenntnisgrenzen uberall, wo diese Naturerkenntnis praktisch werden muβ für den Menschen. Wir spüren sie in der modernen Heilkunde, wo so schwer eine Brücke zu slagen ist von der Pathologie zur eigentlichen Heilkunde. Wir spüren sie wenn wir anwenden wollen die Ergebnisse unserer Erkenntnisse auf das soziale Leben. Wir spüren diese Grenzen. Sie sind da. An eine neue Schwelle fühlen wir uns versetzt. Diese Schwelle zu überschreiten in einer dem modernen Menschen angemessenen Weise, das macht sich Geisteswissenschaft zur Aufgabe. Deshalb geht sie aus von der intellektuellen Bescheidenheit, um dasjenige, was gerade groβ geworden ist im modernen Menschen, wiederum zu seinem Maβ zurück zu bringen, und die menschlichen Seelenkräfte aus dem vollen Menschen heraus zu entwickeln. Da knüpft Geisteswissenschaft nun an an zwei im gewöhnlichen Leben ganz bekannte Seelenkräfte, nur entwickelt sie diese weiter. Sie knüpft zunachst an dasjenige an, was wir im gewöhnlichen Leben  das Erinnerungsvermögen nennen. Dieses Erinnerungsvermögen, was gibt es uns denn im gewöhnlichen menschlichen Dasein? Es zaubert herauf aus dem Gedächtnis dasjenige, was wir seit unserer Geburt oder einige Jahre nachher erlebt haben, was wir durchgemacht haben. Das tritt in mehr oder weniger blassen Bildern durch die Erinnerung vor unserer Seele. Dauernd wird dasjenige, was in diesem Leben vorüberhuscht.

Wir wissen ja, und die moderne Wissenschaft kennzeichnet es mit groβer Schärfe, daβ, wenn dieses Erinnerungsvermögen nicht intakt ist, eine schwere innere Seelenerkrankung vorliegt. Diese zusammenhängende, bis zur Kindheit zurückreichende Erinnerung muβ im Menschen vorhanden sein.

An dieses Erinnerungsvermögen, diese Erinnerungskraft, knüpfen die geisteswissenschaftlichen Methoden an. Sie machen dieses Erinnerungsvermögen zu etwas Anderem, zu etwas Entwickelterem durch dasjenige, was ich in ausführlicher Weise gekennzeichnet habe in meinem Buche ‘Wie erlangt man Erkenntnisse höherer Welten’, in meiner ‘Geheimwissenschaft’, in anderen meiner Schriften, durch  dasjenige was ich nenne Meditation und Konzentration. Hier kann ich allerdings nur eine Richtungslinie angeben über dasjenige, was da eigentlich mit der Seele vorgehen muβ, um zum unmittelbaren Erfassen des Übersinnlichen der Welt zu kommen. Der Mensch muβ in hingebungsvoller Art ruhen, energisch und geduldig ruhen auf Vorstellungen, die ihm entweder angeraten werden, oder die er sich selber zubereitet, indem er die Geisteswissenschaft kennenlernt. Er muβ, während sonst die Vorstellungen vorüberhuschen, dauernd, wie die Erinnerung dauernd wird, aus innerer Willkür, aus völliger innerer Besonnenheit, die so groβ sein muβ wie dasjenige, was wir im mathematischen Denken an innerlicher Besonnenheit entwickeln, auf überschaubaren Vorstellungen ruhen, ruhen und immer wieder ruhen. Dann wird er nach einiger Zeit eine ganz bestimmte Entdeckung machen. Er wird fühlen: Mit seinem gewöhnlichen Erinnerungsvermögen ist er abhängig von seinem Organismus, wenn er aber das Erinnerungsvermögen weiter ausbildet zu einer ganz neuen Seelenkraft, dann wird er in eine geistig-seelische Tätigkeit versetzt, in bezug auf welche er jetzt nicht mehr abhängig ist von seinem Organismus. Er lernt verstehen was es heiβt, Denken, Fühlen, Wollen oder ähnliche Tätigkeiten verrichten, ohne daβ ihm der Leib die Unterlage dafür bietet. Er lernt auβer seinem Leibe ein seelisches Leben entfalten. Ich möchte dieses seelische Leben, das der Mensch da als Geistforscher kennenlernt, noch in einer anderen Weise charakterisieren.

Wir finden das gewöhnliche Menschenleben so verlaufend, daβ es wechselt zwischen Wachen und Schlafen. Der Mensch geht durch die Zustände des Einschlafens, des Schlafens und des Aufwachens hindurch. Mit dem Einschlafen wird das Bewuβtsein herabgedämpft. Der Mensch wird sich dessen nicht bewuβt, was er durchmacht zwischen Einschlafen und Aufwachen, weil es das nicht zeigt, was vom Willen aus den Organismus durchpulst. Das aber, was vom Willen aus den Organismus durchpulst, was die Sinne dem Menschen an Wahrnehmung bieten, das bringt der Geistesforscher dadurch zum Schweigen, daβ er sich in selbstgemachte Vorstellungen vertieft. Auf den Inhalt der Vorstellungen kommt es nicht an, sondern auf die Vertiefung; daβ er die Tätigkeit erstarken fühlt in sich, die  aus den Tiefen der Seele herausquillt durch solches Ruhen auf Vorstellungen, solches dauernde Ruhen. Er lernt in einem Zustande sein, in dem man sonst nur im Schlafe ist. Während man aber im Schlafe ohne Bewuβtsein ist, ist man da im vollbewuβten Zustand, in innerer Seelentätigkeit und Seelenregsamkeit. Nur, diese Seelentätigkeit und Seelenregsamkeit bezieht sich nicht, wie die Erinnerungsbilder des gewöhnlichen Lebens, auf Dinge, die wir durchgemacht haben in der äuβeren Welt, und die jetzt nur heraufsteigen aus dem Gedächtnis, sondern diejenigen Bilder – ich nenne sie Imaginationen in den angeführten Werken – sie lassen sich sofort erkennen als dasjenige, was abbildet eine Welt, die wir nicht zwischen der Geburt und dem jetztigen Zeitpunkte durchlebt haben, sondern eine Welt die auβer uns ist, so wie für die Sinne die Farben und Töne auβer uns sind, die Wärmequalitäten auβer uns sind. Wir lernen erfahren, daβ die geistige Welt uns umgibt, eine geistige Welt mit wirklichen geistigen Wesenheiten; daβ wir auch in der Zeit zwischen Einschlafen und Aufwachen in derselben sind. Aber jetzt lernen wir sie als eine reale Welt auch anschauen. Und indem wir Dieses lernen, können wir den Blick erweitern über das Leben zwischen Geburt und Tod hinaus. Lernen wir erkennen auf elementarer Stufe, wie das Schlafleben nichts anderes ist als ein Trennen des Geistig-Seelischen vom physischen Leibe, nicht räumlich oder dynamisch, und wie, wenn  der Mensch schläft, in ihm, wachsend von Einschlafen bis zum Aufwachen, eine Begierde vorhanden ist, zurückzukehren zum Leibe, lernen wir das beobachten durch solches inneres Schauen wie es sich die entwickelte Erinnerungsfähigkeit ergibt, dann lernen wir die vom physischen Leibe unabhängige Seele kennen. Und wir lernen sie auch beobachten in Zeiten, die unserer Geburt voran gegangen sind, in denen wir gelebt haben in einer geistig-seelischen Welt, aus der wir heruntergestiegen sind durch die Geburt, durch die Empfängnis in die physisch-sinnliche Welt. Wir lernen unterscheiden zwischen dem, was in der Seele lebt als eine bloβe Begierde, den im Bette liegenden Körper wieder zu durchdringen und der ganz anders gearteten, stärkeren Kraft, die die Seele durchwellt in den Zeiten, in denen sie noch nicht empfangen oder geboren ist in einem physischen Leibe, die aber danach tendiert, in die physische Welt hinunter zu steigen, um in ihr das Leben zwischen Geburt und Tod durchzumachen. Dann lernen wir erkennen als Entwicklung desjenigen Vorstellens, das wir gewonnen haben über den Moment des Einschlafens, dasjenige, was Erlebnis der Seele ist, wenn sie durch die Pforte des Todes tritt. Wir lernen erkennen wie diese Seele, weil sie innerlich regsam ist, gerade durch die Begierde zu dem im Bette liegenden Körper getrieben wird; dadurch aber wird ihr Bewuβtsein ausgelöscht. Im Tode löscht sich das Bewuβtsein nicht aus, sondern es bleibt erhalten. Wir erkennen also, daβ das Auslöschen des Bewuβtseins im gewöhnlichen Schlafe davon herrührt, daβ das Band erhalten bleibt zwischen Seele und Leib.

Lernen wir das durchschauen, so durchschauen wir auch das Geheimnis des Todes, wie wir auf die angedeutete Weise das Geheimnis der Geburt durchschauen lernen. Und so lernen wir hinblicken auf dasjenige, was uns als Mensch als Ewiges zu Grunde liegt und durch Geburt und Tode geht. Wir lernen erkennen die innere Kraft der Menschenseele. Wir lernen dasjenige erkennen, was uns durch den Tod führt. Wir lernen erkennen, wie die Seele, in dem sie durch den Tod geführt wird, zunächst kein Band hat zu einem physischen Leibe, daβ sie aber dieses Band wiederum als eine Kraft empfängt, sodaβ sie zu einem neuen Leben heruntersteigt. Dasjenige was wir in der Geisteswissenschaft ‘wiederholte Erdenleben’ nennen, es ist nicht aufgewärmte orientalische Weisheit; es ist aus den Tatsachen des geistigen Lebens, die in der Gegenwart durchschaut werden können, hervorgezogen; es ist wissenschaftlich in derselben Weise aus ihnen hervorgeholt, wie Anderes durch Wissenschaft erfahren wird. Und derjenige, der davon spricht, daβ mit solchen Dingen nur alte Weistümer, wie etwa die gnostischen oder orientalischen, etwa indischen Weistümer aufgewarmt werden, der soll nur gleich sagen: wenn wir heute Geometrie treiben, wärmen wir nur den alten Euklid auf. Nein, es wird nicht bloβ etwas historisches hervorgeholt, sondern aus ursprünglichen Erkenntnissen ist das geholt, was über solche Dinge zu sagen ist.

Dann aber, wenn wir so uns selber kennenlernen, wenn wir so das Ewige der Erkenntnis erschlieβen, dann erschlieβt sich uns auch das Ewige, das Übersinnliche, das Geistige der äuβeren Welt. Dann gewinnen wir ein anderes Verhältnis zur Naturforschung, als es uns sonst gegenüber der heutigen zivilisatorischen Geistesströmung möglich ist. Was gibt uns – und wenn sie ehrlich ist, kann sie uns nichts anderes geben – was gibt uns die moderne naturwissenschaftliche Weltanschaung ? Ihr darf das nicht zum Vorwurf gemacht werden, was ich jetzt charakterisieren werde, denn sie wird nichts anderes bieten können, wenn sie ehrlich und gewissenhaft vorgeht – sie gibt uns ein Bild des äuβeren, natürlichen,  notwendigen Geschehens. Sie kann nicht anders als zurückblicken in diejenigen Zeiten der Erdenentstehung, die sie erschlieβt aus den biologischen, aus den astronomischen Tatsachen oder aus anderen Tatsachen. Da steht am Ausgangspunkte der Entwicklung eine Nebelwelt oder dergleichen. Mag das heute auch als hypothetisch angesehen werden, die Naturwissenschaft kann zu nichts anderem kommen, als daβ sich aus rein äuβeren Naturgesetzen, die nur eine elementare Notwendigkeit in sich schlieβen, einmal der Mensch gebildet habe, daβ aber der Schauplatz, auf dem sich der Mensch bildet, einstmals wie eine Schlacke in die Sonne fallen wird; daβ ausgelöscht sein wird alles dasjenige, was der Mensch innerlich erlebt. Und so lernen wir dann kennen neben dem, was uns ehrlicherweise die Naturanschauung nur bieten kann, was aus unserm Innern aufsteigt, die moralische Welt, die ethischen Ideale, das ganze geistige, religiöse Leben; wir fühlen es als wertvollstes in uns, aber wir können es nicht anknüpfen an diese äuβere Welt, weil wir nirgends finden einen Zusammenhang zwischen dem Moralischen in uns und dem Physisch-Natürlichen auβer uns. Wir müssen sie, wenn wir auf dem Boden der heutigen Weltanschauung bleiben wollen, als zwei nebeneinander hergehende Welten betrachten. Aber dann macht die naturwissenschaftliche Weltanschauung ihre Überzeugungskraft so geltend, daβ sie doch prädominiert, daβ sie dennoch sagt: Die Ideale mögen schön sein, sie müssen da sein, der Mensch muβ sie als wertvoll anerkennen, aber die Welt in der wir leben wird doch einstmals der groβe Kirchhof sein, auf dem die Ideale, die jetzt für uns das wertvollste sind, begraben werden.

Durch Geisteswissenschaft, indem sie einmal hinein sieht in das Übersinnliche der Welt, indem sie wiederum Geistiges in jedem Stein, in Pflanze und Tier, in der Wolke und im Quell sieht, wie es den Alten sich enthüllt hat, dadurch daβ der Mensch selber in sich die Organe des Geistigen entwickelt hat, daβ er sich selber als der geistigen Welt angehörend erkennen lernt, lernt er auch die äuβere Geisteswelt in der ganzen Natur kennen. Dadurch aber kann er zurückschauen in ferne Erdenzeiten, und kann sich sagen: Dasjenige was materiell entstanden ist, in dem du heute drinnen lebst, ist aus Geistigem hervorgegangen, und dasjenige was du heute erlebst aus Materielles, es wird wiederum in der Zukunft in physische Schlacke verwandelt werden; die physische Schlacke wird abfallen, wie der Leib vom sterbenden Menschen abfällt. Aber wie die irdisch sterbende Menschenseele in die geistige Welt eintritt, so wird dasjenige, was im Menschen, in der Menschheit lebt, in eine geistige Welt eintreten. Die materielle Welt erscheint als ein Mittelstück zwischen einer Geistigen und einer anderen Entwicklung. Der Mensch aber gehört der Geistentwicklung der Urzeit und er gehört der Zukunft an. Und wir können uns heute sagen, wenn wir so den Weltenzusammenhang aus der Geisteswissenschaft, aus der wirklichen Erkenntnis des Übersinnlichen erschauen: Nicht wahr ist es, daβ dasjenige, was uns als materielle Welt umgibt, in der Weise eine Zukunft hat, wie die äuβere Wissenschaft, wenn sie ehrlich ist, wohl anerkennen muβ, sondern wir müssen sagen: dasjenige, was äuβere Natur ist, es wird abfallen von dem, was innerlich ist und was die menschliche Seelen in sich tragen. Es wird das Geistige, dem die Menschen angehören, verlassen, wie der Körper die Menschenseele verläβt. Aber dasjenige, was heute in uns lebt als sittliche Ideale, als religiöse Erlebnisse, das wird Zukunft haben. Das wird einstmals der Erde sich entringen, wie die einzelne menschliche Seele sich dem menschlichen Leibe zur Lebendigkeit und nicht zum Tode entringt. Wenn aber der Mensch fühlen lernt: dasjenige, was moralisch in ihm ist, es ist wie der Pflanzenkeim, wenn die Pflanze, wenn Blüten und Blätter verwelken  und verdorren, der Kreis bleibt für das nächste Jahr von der vorjährigen Pflanze; wir tragen in uns als Keim eine ferne Zukunft, in der auch die Erde nicht mehr sein wird; wenn alles andere, durch das wir der Erde angehören, von uns abfällt, wir tragen unsere Ideale, unsere erfüllten Pflichten, wir tragen das soziale, das religiöse Leben in uns, das der Erde sich entringt mit der Menschheit.- Bedenken wir, was das bedeutet für dasjenige, was der Mensch aufnimmt als die Impulse für sein soziales Handeln. Er steht mit einem solchen Bewuβtsein nicht mehr da im sozialen Leben, wie ein Einsiedler auf der Erde, der eigentlich nur denken kann: was mir angenehm ist als Pflicht zwischen Geburt und Tod, das erfülle ich, denn die Erde ist ja nur ein Körper im Weltenraum; sie vergeht. Und wenn sie materiell vergangen ist, was soll dann aus den Idealen werden – Bleibt er treu der Naturwissenschaft, gibt er nicht vor, aus anderen Quellen etwas zu wissen, was nicht mit Naturwissenschaft vereinigt zu werden braucht, so wird er notwendig haben, das, was Ideale sind, einzufügen der natürlichen Notwendigkeit- Durch Geisteswissenschaft aber wird sein Erdenbewuβtsein zugefügt an das kosmische Bewuβtsein. Das ist die Art, über diese Dinge zu denken, die der moderne Mensch braucht.

Stellen wir uns vor das heutige soziale Leben. Wir stellen groβe soziale Forderungen als heutige Menschheit, allein wir haben wenig Soziales in unserer inneren Seelenverfassung. Soziale Instinkte, soziale Triebe haben wir nicht. Gerade weil wir sie nicht haben, fordern wir so viel äuβerlich Soziales vom Leben. Aber alles dasjenige, was der Mensch heute als Egoismus fühlt gegenüber den sozialen Trieben, es ist ja im Grunde genommen nur eine Ausbildung des Einsiedlerbewuβtseins auf der Erde, wie es der Anschauung, die rein naturwissenschaftlich ist, entspricht. Lernt uns wiederum erkennen: Alles das, was du tust deinen Nächsten oder für deinen Nächsten, alles dasjenige, was du wirkst in dem Menschheitszusammenhang, das hat eine kosmische Bedeutung; eine Bedeutung weit über das hinaus, was es für den Tag ist. Verknüpft man so das Erdensein wiederum mit dem universellen Dasein, weiβ sich der Mensch wiederum drinnen im universellen Dasein, dann bekommen die sozialen Fragen andere Impulse als sie heute haben.

Daher ist es schon so, daβ von drei Seiten her den Menschen etwas gegeben werden kann durch dasjenige was anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft ausbilden will. Vorerst wird ihm gegeben eine neue Menschenerkenntnis, eine Einsicht in die übersinnlichen Gründe seine Daseins. Selbsterkenntnis wird ihm gegeben im wahren Sinne des Wortes. Er kann wiederum die Schwelle überschreiten. Die Grenzen der Naturwissenschaft, sie lassen sich überschreiten. Er kann wiederum hinüberkommen über sich; er kann wiederum eintreten in die Welt, der er mit seinem Geistig-Seelischen angehört.

Das ist das eine, daβ der Mensch dadurch innerlichen Halt und Sicherheit gewinnt; daβ er nicht ins Bodenlose versinkt, wenn er Welterkenntnis erwerben will, wenn er nicht auf Unbekanntes blicken will jenseits des Teppichs der Sinnesanschauung.

Wenn der Mensch aber so sich erkennt in seinem ganzen kosmischen Zusammenhang, dann tritt er auch dem anderen Menschen entgegen mit jener Menschenachtung, die entstehen muβ, wenn man wiederum weiβ: es steht dir gegenüber ein Geistig-Seelisches mit jedem Menschen. Unser ganzes staatlich-rechtliches Leben wird auf einen anderen Boden gestellt, wenn man weiβ, daβ es nur dadurch einen Sinn hat daβ es die äuβere Umkleidung ist desjenigen, was  auf die Erde verpflanzt ist aus dem Geistigen an menschlichen Seelen, die man auch erkenntnismäβig durchschaut.

Und das Dritte ist, daβ das menschliche Leben eine unmittelbar religiöse Nuance erhält, wirkliche Brüderlichkeit, weil der Mensch sich so verhält, wie wir das Wort auffassen können; das schöne, wunderbare Christuswort: Himmel und Erde werden vergehen, aber meine Worte werden nicht vergehen. So sagte diejenige Wesenheit, durch die die Erde erst ihren Sinn erhalten hat, ohne die sie keinen Sinn haben würde.

Aber wahr ist es, daβ es so ist mit den menschlichen Idealen selber. Sie keimen, während das andere reif ist und herum abwelkt. Sie sind für die Zukunft. Alles das, was im Sozialen sich auslebt, ist im Grunde genommen dasjenige, was Keim ist zu Zukunftswelten; wie dasjenige, was uns heute als naturgemäβe Welt, als materielle Welt umgibt, die materielle Ausgestaltung früherer moralischer Welten ist.

Wenn wir das durchschauen, wird uns von drei Seiten neue Kraft zugeführt. Und von innen heraus muβ sich umgestalten auch das soziale Leben.

Ich habe auch 1913 und 1908 über anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft in Holland gesprochen. Dazumal konnte ich nur hinweisen auf dasjenige, was von diesem Geisteswissenschaft angestrebt wird, allerdings nicht in sektiererischer Weise oder mit dem Willen, eine neue Religion begründen zu wollen. Nein, das will Geisteswissenschaft nicht. Sie will Wissenschaft sein, und gerade durch ihre Wissenschaftlichkeit zu der wahren Religion, die das Mysterium von Golgatha in den Mittelpunkt der Erdenentwicklung stellt, in der rechten Weise hinführen. Ich konnte darauf hinweisen damals, wie in vielen Seelen so etwas entstanden ist wie eine Weltanschauung. Seither ist aber Einiges dazu gekommen. Wir konnten beginnen im Jahre 1913 in Dornach bei Basel mit dem Bau des Goetheanums, einer freien Hochschule für Geisteswissenschaft. Dieser Bau hat allerdings mancherlei Schwierigkeiten geboten; namentlich die Zeiten der Weltkatastrophe haben auch schwere Zeiten über diesen Bau gebracht. Aber wir dürfen doch sagen: Wir konnten in diesem Herbste, trotzdem der Bau noch nicht fertig ist, und noch Vieles zu seiner Fertigstellung gehört, eine Anzahl von Kursen abhalten. In diesen Kursen sollte gezeigt werden, wie in allen Wissenschaften hinein befruchtend wirken kann dasjenige, was ich Ihnen heute in den Grundlagen geschildert habe – über das Sie aber in den charakterisierten Büchern Genaueres finden können – als anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft. Bei diesen Dornacher Herbstkursen haben gewirkt 30 Persönlichkeiten etwa, Fachleute aus allen Wissenschaften, aus Mathematik, Physik, Chemie, Biologie, Jurisprudenz, Geschichte, Soziologie. Auch Künstler haben gewirkt, welche von der Geisteswissenschaft aus ihre Kunst beleuchtet haben. Männer des praktischen Lebens, des industriellen, des kommerziellen Lebens haben mitgewirkt um zu zeigen, wie man, wenn man im Sinne der Geisteswissenschaft denkt, nicht etwa ein unpraktischer Mensch wird, sondern wie man gerade ein praktischer Mensch wird, als man es durch irgend eine andere Lebenspraxis der Gegenwart werden kann.

Ferner habe ich in Frühling 1920 vor Ärtzten und Medizinstudierenden, von denen Einzelne auch hier in Holland sind, in einen Kursus zeigen können, wie dasjenige, was Heilkunde im wahren Sinne des Wortes genannt werden kann, wie die Medizin befruchtet werden kann von dieser Einsicht in das übersinnliche Leben. Denn dasjenige, was die äuβeren Produkte des Lebens in den verschiedenen Reichen sind, wir lernen sie in  ihrer inneren Natur erst kennen, wenn wir sie auch der übersinnlichen Seite nach betrachten können. Und diejenigen Menschen, die vielleicht dasjenige, was man zunächst in Weltanschauungsform über die anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft gibt, aufnahmen, sie sollten sich doch ein wenig erkundigen, wie gesprochen werden kann aus voller Sachkenntnis heraus zu den Fachleuten, wie aus den einzelnen Fächern der Wissenschaft heraus gesprochen werden kann ohne Dilletantismus und mit voller Beherrschung desjenigen, was moderne Wissenschaft ist, zur Erneuerung der Wissenschaft, gerade zur Hinausführung derjenigen Grenzen, die nicht empfunden werden theoretisch als Grenzen, sondern die empfunden werden als Grenzen, die als unbefriedigend, als ungenügend in der praktischen Wirkungsweise der Wissenschaft auf das Leben sich anzeigen.

So konnten wir im Herbste das in solcher Weise für die einzelnen Wissenschaften und Zweige des praktischen Lebens und der Kunst zeigen, wie Geisteswissenschaft überall anregend wirken kann. Und diejenigen, die zahlreich versammelt waren – bei der Eröffnung dieser Kurse waren mehr als tausend Menschen anwesend – sie konnten sehen, was dieses Goetheanum selbst als äuβerer Bau darstellt. Wenn man sonst eine Hochschule errichtet hat, was hätte man dan getan ? Man hätte, wenn man ein besonderes Gebäude gebraucht hätte, worin man dieses oder jeniges geistiges Leben treiben will, oder Wissenschaft treiben will, einen Architekten gerufen; man hätte sich einen griechischen, einen romanischen, einen gothischen oder einen Renaissancebau entwerfen lassen oder etwas Anderes. Das war nicht möglich in Dornach bei unserer freien Hochschule, dem Goetheanum. Da muβte durchaus aus den selben Seelenimpulsen heraus, aus denen dort gesprochen und geforscht werden soll, auch gebaut, gebildhauert, gemalt werden. Und so sieht man in einem allerdings ersten Versuche – der erste Anhub kann ja nichts Anderes sein –  in einem neuen Baustil dieses Goetheanum aufgeführt. Denn dasjenige, was Geisteswissenschaft ist, es ist nicht einseitige Kopfkultur, es ist etwas was eingreift in alle Zweige des praktischen Lebens. Es ist etwas, was, ohne lehrhaft oder didaktisch oder symbolisch oder strohern allegorisch zu werden, befruchten wird auch künstlerisches Schaffen. Was vom Podium aus verkündet wird als Geisteswissenschaft, was da in Ideen, in Gedanken, in wissenschaftlichen Resultaten mitgeteilt wird, es kommt aus demselben Quellen des Seelenlebens heraus, aus dem die Säulen gebaut sind, aus dem die Decke gemalt ist, aus dem die Figuren, die bildhauerisch verfertigt sind, entstanden sind. Man spricht das eine Mal von dem lebendigen Geistesleben durch Worte, das andere Mal durch die Formen der Baukunst oder der Bildhauerkunst oder durch die Malerei undsoweiter. Geisteswissenschaft ist etwas, was aus dem vollen Menschen herauskommt, dadurch aber auch in alle Zweige des menschlichen Lebens eingreifen kann.

Es haben sich sehr viele opferwillige Menschen gefunden, welche uns bisher soweit unterstützt haben, daβ wir diesen Bau zu dem Punkte führen konnten, zu dem er bisher geführt worden ist. Allein mit Wehmut möchte man bekennen, daβ noch Vieles notwendig ist, und eine groβe Anzahl ebenso die Sache verstehender Menschen sich finden müssen, wenn dieser Bau vollendet werden soll; die uns in der nötigen Weise unterstützen in Bezug auf die äuβere Vollendung dieses Baues, wie sie sich schon gefunden haben. Aber man möchte ja, daβ dasjenige, was gemeint ist mit diesem Bau,  eindringlich zu den Seelen der Menschen spricht.

Und wir sind nicht stehen geblieben bei demjenigen, was bloβ der Dornacher Bau ist, sondern wir sind auch zu praktischen Einrichtungen geschritten vor allen Dingen auf dem Gebiete des Erziehungswesens. Und da darf ich heute nur kurz hinweisen – ich werde noch am 24. des Monats zu besprechen haben, was praktische Einrichtungen sind, die folgten aus anthroposophisch orientierter Geisteswissenschaft für das praktische Leben selber – da darf ich nur kurz erwähnen, daβ in Stuttgart als Schöpfung Emil Molts die freie Waldorfschule begründet worden ist, die von mir geleitet wird nach den pädagogisch-didaktischen Impulsen, die aus der Geisteswissenschaft flieβen können. Diese Waldorfschule, trotzdem sie erst kurz besteht, sie hat gerade in erzieherischer Weise und im Unterricht Erfolge zu verzeichen, von denen ich auch am 24. des Monats sprechen werde.

Dann sind wir dazu geschritten, dasjenige zu bilden, was rein praktische Einrichtungen, ökonomische Einrichtungen sind aus dem Geiste der Geisteswissenschaft heraus. Denn überall soll gezeigt werden, daβ diese Geisteswissenschaft nicht meint ein weltfremdes, weltenfernes Geistesleben, zu dem man nur aufsteigen kann, wenn einem das irdische Leben zu schlecht dünkt. Sondern Geisteswissenschaft ist so gemeint, daβ man mit dem Geiste gerade sich durchdringt, um ihn in alles Materielle, auch in das ökonomisch Materielle hineinzutragen, sodaβ alles durchgeistigt und damit wahrhaft praktisch wird – Über das werde ich ja noch am 24. des Monats auch Manches zu sagen haben. Da werde ich sprechen über Erziehungs- und Unterrichtsfragen und über das praktische Leben vom Standpunkte anthroposophisch orientierter Geisteswissenschaft aus. Heute wollte ich nur auseinandersetzen, was die Richtung, der eigentliche Geist und Sinn dieser Geisteswissenschaft sind, und wie dann dieser Geist und Sinn der Geisteswissenschaft entgegenkommt gerade den suchenden Seelen der Gegenwart. Und so sehr man auch dieses Seelensuchen als Phantasterei, als Narretei verschrieen hat – die Menschheit wird gerade erfahren müssen, aus den katastrophalen Ereignissen der Gegenwart, aus alledem, was heute so deutlich seine Niedergangs- und Ermüdigungsstimmung ausspricht, aus alledem, was in der modernen Zivilisation sich erkündigt als das, was die moderne Zivilisation in Dekadenz führt – aus alledem wird die Menschheit lernen müssen, daβ die suchenden Seelen auf dem rechten Wege sind; und von diesen Suchenden Seelen diejenigen, welche das, was doch im Innern als das Tiefste, Bedeutsamste erlebt werden muβ, auch im ganzen übrigen universellen Weltenall suchen; welche suchen im Geiste den Geist. Denn meine sehr verehrten Anwesenden, man mag den Geist verleugnen, auch aus der Verleugnung muβ zuletzt durch Reaktion dasjenige hervorgehen, was dann die Überzeugung hervorruft: Die Menschheit kann auf die Dauer ohne Geist nicht sein, denn die innersten Tiefen der Seelen, sie brauchen den Geist ! Und dasjenige, was so die Seelen brauchen, das möchte, allerdings heute noch mit schwachen Kräften, anthroposophisch orientierte Geisteswissenschaft suchen.

Fragen im Anschluβ an den Vortrag

Frage: Ist es wirklich hemmend, nach alter Weisheit zu zuchen im Sinne der früheren Zeiten, weil wir innerhalb der gegenwärtigen Zivilisation andere Menschen geworden sind?

Dr. Steiner: Das ist durchaus so, meine sehr verehrten  Anwesenden! Es ist ja heute vielfach die Sehnsucht nach Erneuerung alter Weisheit vorhanden. Wenn man mit so etwas vor die Mensheit hintritt, wie es die anthropos­ophisch orientierte Geisteswissenschaft ist, die aus den unmittelbaren Quellen des heutigen Geistesleben selbst heraus schöpft, und dadurch, rein äuβerlich betrachtet, zu Manchem kommt, was ähnlich ist dem, was auch den Alten bekannt war, so ist es so, daβ dann die Leute kommen und sagen: Warum denn das Alte nicht? Daβ sich viele Menschen nichts anderes denken können, daβ widerspricht durchaus den Sinn der Menschheitsen­twickelung.

Betrachten wir die Sache einmal von einem Gesichtspunkte aus, der einem Vieles erläutern kann:

Nehmen wir an, irgend jemand wollte unbeschadet desjenigen, was ich eben jetzt gesagt habe, einfach dadurch Befriediging für seine Seele suchen, daβ er, sagen wir, alt-indische Weisheit in der modernen Yoga-Philosophie oder den Inhalt der Vedanta-Philosophie anwendet, was würde sich dieser Seele ergeben? Etwas würde sich ergeben, was einfach mit dem, was heute diese Seele geworden ist, in Wirklichkeit doch nicht vereinbar ist, was nicht ganz erlebt werden kann von dieser Seele des heutigen Menschen. Es ist dann so, daβ der Mensch glaubt, er habe etwas mit dieser alten aufgewärmten Weisheit; aber er bekommt nicht wirklichen Seeleninhalt, sondern er bekommt einen Seeleninhalt, den er nicht durchdringen kann, an dem er sich eigentlich nur berauscht. Solches Berauschen finden wir bei den Menschen, die sich in Gesellschaften zur Erneuerung alter Weisheiten vereinigen. Es tritt dann eine gewisse innere Unwahrhaftigkeit in der Seele auf. Man glaubt etwas zu haben, aber man kann es doch nicht haben. Und diese innere Unwahrhaftigkeit, das ist etwas, was, auch wenn es gar nicht gewollt wird, wenn es selbst in der redlichsten, bewuβt redlichsten Weise von der Seele angestrebt wird, doch zerstörerisch auf das Seelenleben des Menschen wirkt. Es höhlt eher aus, als daβ es mit einem wirklich befriedigendem Inhal­te erfüllt.

Man kann auch sagen: die Menschen haben es heute, auch wenn sie nicht teilnehmen an einem wissenschaftlichen Leben, schon durch dasjenige, was in der Schule aufgenommen wird, zu einer bestimmten Art des Selbstbewuβtseins gebracht. Dieses Selbstbewuβtsein, das wird herabgedämpft, herabgestimmt, wenn man eine alte Weltanschauung, trotz ihrer Schönheit, in sich aufnimmt. Man dämpft das Bewuβtsein herab und kommt nicht zu einem wirklichen Begreifen, sondern zu einem Phantasieren, wenn es auch manchmal einem Träumen eher ähnlich sieht. Es ist nicht Realität in einer solchen Seele, die so etwas Altes aufnimmt. – Das sind Dinge, die nur aus der Erfahrung gespro­chen werden können. Theoretisch kann man natürlich glauben, daβ, was in alten Zeiten für den Menschen das Rechte war, müsse es auch heute noch sein. Aber ich muβ sagen, man findet selten über diesen Punkt das richtige Verständnis.

Ich war einmal hoch erfreut, als mich in Berlin ein amerika­nischer Geistlicher, der sich viel mit  Geisteswissenschaft beschäftigt hat, besuchte. Er is leider schon gestorben, trotzdem er noch ein junger Mann war, und so aus seinem Wirken in Amerika heraugerissen worden. Er sprach mich gleich mit folgenden Worten an, er sagte: Sie reden heute von dem, was Sie als antroposophische Geisteswissenschaft vertreten, was in Ihren Büchern steht, zum Beispiel in der “Geheimwissenschaft”, in den “Kernpunkten der sozialen Frage” oder sonst in sozialer Anschauung von dem, was als Impulse kommen soll in die Welt. Glauben Sie, daβ dasjenige, was Sie jetzt geben, seinem Inhalte nach, so wie Sie es jetzt  geben, dauernd bleiben muβ? Ich sagte, indem ich sehr gut bemerkte, daβ er gerade auf dem richtigen Wege war: “Das glaube ich nicht. Ich bin durchdrungen von der Anerkenntnis der Menschheitsentwickelung, daβ der Geist zwar lebt von Ewigkeit zu Ewigkeit, daβ aber das, was wir an Begriffen in unserem ganzen, vollen Menschentum ausprägen über den Geist, sei es in Religion, Wissenschaft oder Kunst, in voller Entwickelung ist. Und so glaube ich, daβ das, was ich als anthroposophisch orientierte Geisteswis­senschaft vortrage, das Richtige für die Gegenwart ist, daβ es aber gerade deshalb das ist, weil es sich nach einer verhältnismäβig kurzen Zeit – die Zeiten gehen ja immer rascher – ganz verändert haben wird, ganz andere Metamorphosen annehmen wird”.

Gerade aus dieser Frage ersah ich, daβ ich von diesem Amerikaner recht gut verstanden wurde. Diese Empfindung muβ man haben gegenüber dem, das liegt in der Menschheitsentwicke­lung.

Frage: Aus welchen Gründen nehmen Sie an, daβ in früheren Schulen nicht mehr gelehrt wurde, als heute bekannt geworden ist?

Dr. Steiner: Das habe ich nicht gesagt. Es wurde in früheren Schulen sehr viel anderes gelehrt, als was jetzt bekannt geworden ist. Denn ich glaube, daβ in den weitesten Kreisen sogar unbekannt ist dasjenige, was ich heute gesagt habe über den Unterricht in den alten Schulen. Was heute bekannt ist in der Hauptsache, im Duktus, in der heutigen Richting der Wel­tanschauungsfragen, das ist heute allgemeine Bildung, das ist das Bedeutsame. Ich habe in einem Beispiel angeführt die heliozentrische Weltanschauung; man könnte sehr viele solcher Beispiele anführen. Geht man zurück in alte Kulturen, dann findet man überall, – allerdings muβ man erst die Sprachen der alten Kulturen verstehen, und hinauskommen über das Vorur­teil, als ob der primitive Mensch sich irgendwelche Weltan­schauung zusammendichte und nicht seine Erfahrungen sprechen liesse, – man findet überall einen Inhalt der alten Weltan­schauungen, vor dem man Achtung bekommt, immer mehr und mehr Achtung bekommt. Gerade indem man alte chaldäische Weltanschau­ungsideen kennenlernt, und sonstige Blüten alter Seelenver­fassungen, der indischen, ägyptischen, der griechischen Welt­anschauung in ihrer wahren Gestalt, in ihren tieferen, vollmenschlichen Impulsen, bekommt man eine groβe Achtung vor dem Alten. Aber man lernt dann auch kennen jene Seelenerfah­rungen, wenn man Geistesforscher ist. Es ist ja wirklich nicht so, daβ man die Dinge aus der Phantasie heraus produ­ziert. Ich muβ sagen: Ich habe begonnen mit manchem, was ich heute vortrage in Bezug auf die Forschungen vor 30, 35 Jahren, und erst seit wenigen Jahren wage ich, diese Dinge auszuspre­chen, weil ich mittlerweile daran gearbeitet habe. Alles das, was ich über den dreigliedrigen Menschen in meinem Buche “Von Seelenrätseln” gesagt habe, geht auf eine dreiβig- bis fünfunddreiβigjährige Forschung zurück. Da kommt man dann auf manche Dinge, die  allerdings dann in der modernen Art erforscht sind, mit denen man zusammenhängt in Gemäβheit des modernen Seelenlebens, die aber in gewisser Weise aus dumpfen Instinkten eines für uns nicht mehr brauchbaren Seelenlebens in alten Weistümern vorhanden waren. Dann geht einem ein groβartiges Respekt vor dem auf, was die Alten auf ganz andere Weise errungen haben, was wir heute wieder finden, was wir aber heute auf eine ganz andere Weise suchen müssen. Und ich möchte sagen: Dasjenige, was den Alten aus Instinkt aufge­gangen ist, das ist unserem Instinkt verloren  gegangen. Dasje­nige aber, was sie sich errungen haben jenseits der Schwelle, das ist Ergebnis unserer gewöhnlichen Erziehung. Wir müssen aus einem entwickelten Bewuβtsein heraus wiederum das entwickeln, was die Alten aus ihrem Instinktleben heraus als Welter­kenntnis gehabt haben.

Das sind tiefe Zusammenhänge. Die äuβere Geschichte spricht eigentlich auf jedem Blatt davon, wenn man die äuβere Ge­schichte zu lesen versteht und sich nicht begnügt mit irgen­dwelchen bloβ übernommenen Wortbedeutungen.

Zum Beispiel, dasjenige, was indische Weisheit ist, man kann es so übersetzen, wie Deussen es übersetzt hat. Dann bekommen aber diejenigen, die solchen Übersetzungen erhalten, keine Vorstellung von dieser indischen Weisheit. Man kann sich aber auch mit dem Geiste durchdringen, dann lernt man erkennen, daβ in den alten indischen Weisheitsschulen auf Grundlage der Yoga-Philosophie Dinge gefunden werden, die wir auf andere Weise suchen müssen: und auf diese Weise kommt es an. Wir lernen erkennen, wie sich die Leute sagten: Wenn wir von unserem gewöhnlichen Bewuβtsein ausgehen, hängen wir mit der Welt nicht sehr zusammen. Wenn wir aber ausgehen von den Dingen, die uns mehr geben als die Sinneswahrnehmungen, wenn wir uns vertiefen in den Atmungsprozess, dann geht uns, indem wir innerlich organisch das Atmen verfolgen, der Sinn der Welt in ganz anderer Weise auf. Das wurde dann verzeichnet, was als Sinn der Welt auf diese Weise aufging. Wir können nicht mehr diese Yogaschulen erneuern, und tun wir es, so verkümmern wir den Organismus. Denn das, was den Leuten aufgegangen ist, das ist in der Hauptzügen heute allgemeine Menschenbildung. Wir müssen etwas Anderes tun. Wir müssen dasjenige, was wir uns vollkommener angeeignet haben als die Alten, die intellektuel­le Kultur, vertiefen, so daβ wir den Intellekt hineinpflanzen in das Gefühls-und Willensimpulsleben, so gelangen wir tiefer in die menschliche Natur und in die Natur überhaupt. Wir kommen auf diese Weise zum Geistigen. Wir müssen einen ande­ren, einen seelisch-geistigen Weg gehen. Und indem man weiβ, was eigentlich der Weg indischer Weltanschauung war, lernt man erst dasjenige verstehen, was in der Schriften mitgeteilt ist. Denn man kann immer, wenn man eine übersinnliche Wahrheit später auf andere Weise entdeckt, sie in ihrer früheren Ge­stalt verstehen, wenn auch das Umgekehrte nicht der Fall ist. Aus solchen Erkenntnissen ergibt sich das, was ich gesagt habe über die Beziehungen desjenigen, was heute allgemeine Menschheitsbildung ist, zu demjenigen, in das die alten Schülern eingeweiht worden, initiiert worden sind.

Es ist durchaus nicht möglich, in einem Vortrag, der ja schon zu lange gedauert hat, mehr zu geben als Richtlinien. In der Literatur werden Sie aber finden, daβ jede Behauptung, die in einem solchen Vortrage getan wird, auf ihre Beweisgründe hin immer wiederum umgewendet worden ist, und daβ es schon so ist, daβ die meisten Einwände, die gemacht  werden, sich der Geistesforscher in der mannigfaltigsten Weise schon selbst gemacht hat.

Das ist dasjenige, was ich sagen wollte über die Berechtig­ung eines solchen Urteils, wie ich es abgegeben habe. Es ist aus den apologetischen Überlieferungen durchaus möglich zu sagen, daβ es so ist, wie ich es an dem einen Beispiel des Aristarch von Samos und der heliozentrischen Weltanschauung auseinandergelegt habe.

VRIJESCHOOL – Vertelstof – sprookjes (2-4/14)

.

In de kleuterklas en de 1e klas van de vrijeschool worden sprookjes verteld. Die werden en worden op allerlei manieren verklaard, uitgelegd.
Ook door de achtergronden van de vrijeschoolpedagogie, het antroposofische mensbeeld, is er een bepaalde taal te lezen tussen de regels van het sprookje.
De beeldentaal.
Om het sprookje te vertellen, is het niet nodig dat je die beeldinhoud kent, maar het kan wel helpen je een stemming mee te geven in wát je nu eigenlijk vertelt. Het gaat om een gevoelsmatige verbinding, niet om een intellectueel uit elkaar rafelen.
Overbodig te zeggen dat ‘de uitleg’ nooit voor de kinderen bedoeld is!

Friedel Lenz heeft met die achtergronden verschillende sprookjes van Grimm gelezen en haar opvattingen zijn weergegeven in haar boek ‘Die Bildsprache der Márchen‘.

De woorden van Friedel Lenz worden hier niet letterlijk vertaald weergegeven, meer de strekking daarvan, die ik met eigen gezichtspunten heb aangevuld.
.

Friedel Lenz, Die Bildsprache der Märchen
.

DE BEELDENTAAL VAN DE SPROOKJES
.

DE GANZENHOEDSTER

Er leefde eens een oude koningin wier gemaal reeds lang geleden gestorven was.

Het sprookje begint met een thema dat vaker voorkomt: een vrouw blijft op aarde alleen achter. Het ‘samen’ op aarde bestaat niet meer, alleen de herinnering leeft. Daarin kan nog de ontmoeting plaatsvinden. Deze is echter van geestelijke aard, ‘van een hogere wereld’ en gescheiden van de ziel van de vrouw.

Zo kun je ook vandaag naar de menselijke ziel kijken. Voor zover we ‘weet’ hebben van een geestelijke wereld, ervaren we eveneens dat we er geen toegang toe krijgen. Slechts met wat gedachten die ons letterlijk iets ‘voor’spiegelen, kunnen we een bepaalde, afgezwakte verbinding leggen.

Dit sprookje duidt daarop. Het wijst op het ‘zilveren’ tijdperk. De maan weerspiegelt in een zilveren licht, het gouden licht van de zon, die op dat ogenblik niet zichtbaar is. 
Had de vroegere mens een nog veel directere verbinding met de geestelijke wereld – in het ‘gouden’ tijdperk – wij moeten het doen met de weerspiegeling. 
Rudolf Steiner zegt over dit gespiegelde denken veel, o.a. in ‘Algemene menskunde‘.

Met andere woorden kunnen we ook zeggen dat de geestelijke wereld zich teruggetrokken heeft. Dat deze verloren is gegaan. Verduisterd voor onze blik.

In de Egyptische mythologie wordt dit verbeeld door de mythe van Osiris. 
‘Osiris, het schouwende oog, de zon in de mens en in de mensheid is gestorven.’ Isis, zijn zuster en gemalin, is alleen achtergebleven en haar priesters noemen zich: ‘zonen van de weduwe’.

In de Germaanse mythologie wordt gesproken over de ‘godenschemering’ als de goden op de dag Ragnarok voor de mensen verdwijnen. 
Baldur die in Breidablik woont – ‘in het grote schouwen’ is dood en Nana treurt als zijn weduwe.

En zij had een mooie dochter. Deze groeide op en werd bestemd voor een koningszoon die in een ver land woonde. Toen de tijd gekomen was, dat zij in het huwelijk zouden treden en het kind op reis moest naar het onbekende land, pakte de oude koningin veel kostbaar huisraad en edelsmeedwerk voor haar in: goud en zilver, bekers en sieraden, kortom alles wat maar tot een koninklijke bruidsschat behoort, want zij had haar kind van harte lief.

De dochter die uit de moeder is geboren, is de nieuwe ziel die uit de oude is voortgekomen. Ze wordt als ‘mooi’ omschreven en bestemd om in de toekomst deel uit te maken van een ‘koninklijke verbinding’, een koningszoon – in de sprookjestaal: een geestelijke verbinding.
Opmerkelijk is dat het huwelijk ‘elders’ plaatsvindt. Ook dat gebeurt in de sprookjes vaker.
Dat duidt altijd op iets nieuws. 
In de oude tijden, in oude leefverbanden, was het niet gebruikelijk om buiten de stam, de groep, de leefgemeenschap te trouwen. 
Ook nu vinden we dit nog. Het is nog niet zolang geleden dat het niet gebruikelijk was ‘buiten je dorp’ te trouwen of met iemand die een ander geloof beleed. De ‘nieuwe Nederlanders’ trouwen lang niet altijd met ‘oude Nederlanders’, maar houden het huwelijk binnen hun eigen groep. ‘Uithuwelijken’ zal nog wel even als een niet-historisch te beschouwen woord in onze taalschat aanwezig blijven….

In de Trojaanse oorlog is de roof van Helena meer dan een vrouwenroof; want het gevolg is dat Troje valt – de stad van de zieners, het centrum van de helderziende priesterwijsheid. De verstandscultuur van de Grieken overwint – in het teken van het paard!

We zien in de verandering van de mensheid een sterker worden van de individualiteit. De mensen worden ‘persoon(lijkheid), gaan niet meer onder in de familie of stam waartoe ze behoren, zelfs het behoren tot een ‘volk’ wordt door steeds grotere groepen niet meer zo sterk gevoeld. De familie-oudste, het stamhoofd, deze woorden boeten steeds meer aan inhoud in. De mensen beslissen zelf: ‘dat maak Ik (zelf) wel uit!’

Goethe omschreef dit zo:

‘Höchstes Glück der Erdenkinder sei nur die Persönlichkeit’ –

‘in zijn persoonlijkheid vinde de mens zijn hoogste geluk’ –
(Goethe, Westsötlicher Divan,)

Het Ik moet worden gevonden en wanneer dit in het beeld van de koningszoon verschijnt, is dit het Ik dat zichzelf beheerst, dat vol in de geest leeft. 
De weg daarheen moet worden afgelegd. 
De mensheid, maar ook de individuele mens heeft daar een lange tijd voor nodig.

Ook gaf zij haar een kamenier mee, die mee moest rijden en de bruid aan de bruidegom moest overdragen

Het begin van de Ik-ontwikkeling is in een sprookje ‘naar de bruidegom gaan’. De ziel moet een ontwikkeling doormaken waarbij deze enerzijds zich richt op de geest – het hogere – gericht op het liefhebbende, onegoïstische , het eeuwige;  anderzijds moet deze ook met de aarde verbonden blijven, als ‘lagere ziel’ die de hogere helpend moet dienen – de kamenier.

Dat gaat niet zomaar. Vaak volgt er een crisis en daarover zwijgt het sprookje niet. 
Het aardse, maar noodzakelijke lagere bewustzijn kan egoïstisch worden, trots en op de voorgrond treden.

Die twee kanten van de ziel heeft Goethe ook beschreven:

Zwei Seelen wohnen, ach! In meiner brust,
Die eine will sich von der andern trennen;
Die eine hält, in derber Liebeslust,
Sich an die Welt mit Klammernden Organen;
Die andre hebt gewaltsam sich vom Dust
Zu den Gefilden hoher Ahnen.’
(Faust I, 1112-1117)

Twee zielen, ach! wonen in mijne borst,
De ene wil zich van de and’re scheiden;
De ene, in der zinnen doornenhof,
Tracht ’s werelds heil hartstochtlijk te benaad’ren;
De ander heft onstuimig zich uit ’t stof
Tot de gewesten van zijn vaad’ren.

en elk kreeg een paard voor de reis, maar het paard voor de koningsdochter heette Falada en kon spreken.

Steiner geeft in zijn beschouwingen over de ziel o.a. verschillende gradaties van zielenleven – die ook wel weer in twee grotere verschillen zijn onder te brengen: ze horen of meer bij het fysiek-etherische of meer bij het gemoed/verstand.
In oudere tijden was het verstand nog geen zelfstandige kracht in de mens, dit was veeleer aan het lichaam gebonden.
De Ik-ontwikkeling van de mens en dus ook van de mensheid hangt met de ontwikkeling van het denken samen.
Wanneer deze ontwikkeling rond 2000 voor Chr, begint – Lenz wijst hier op Hammurabi in Chaldea – doet ook het paard zijn intrede. Ergens vanuit de hooglanden k0mend, werd het voor een wilde ezel gehouden; maar men zag ook al snel zijn intelligentie en aanpassingsvermogen. Het wilde paard werd getemd – de Bijbel noemt hier een van de zonen van Kaïn. Dat een mens een dier zo kon beheersen – er meer mee kon dan het draagdier laten zijn, het zijn wil kon opleggen dat het bestuurbaar was en ‘ergens’ naartoe geleid kon worden, was een grote cultuurdaad. 

Maar ook voor het innerlijk geldt zoiets. De mens leerde het vrijer wordende verstand te beteugelen, in dienst te stellen van het Ik, dit te leiden en naar doelen te voeren. En zo werd het paard ook een symbool voor het instinctieve verstand.
Dit verstand spleet met het doorzetten van de Ik-ontwikkeling.

Plato laat in zijn ‘Phaidros’ Socrates zeggen: 

In het begin van deze mythe verdeelde ik de ziel in drie delen: twee paarden en een wagenmenner. Laten wij dat beeld nu vasthouden. Van de paarden, zo zeiden wij, is het ene goed, het andere niet. Maar wij zeiden niet waaruit het goede van het ene en het kwade van het andere bestaat. Dat moeten wij nu doen. Welnu, het paard dat aan de rechterkant loopt, is recht van gestalte, goed gebouwd, heft zijn hoofd fier op, heeft een gewelfde neus, is wit en heeft zwarte ogen. Het weet wat eerbied is en kent ook matigheid en ingetogenheid. De waarheid is hem lief. Het heeft geen zweep nodig maar laat zich alleen leiden door aansporing en gezond verstand. Het andere paard is krom gegroeid, zwaar, slecht gebouwd, zijn nek is kort en dik, het heeft een stompe neus en grauwe bloeddoorlopen ogen, het is donker van kleur en neigt tot overmoed en
losbandigheid. Het is borstelig om de oren en doof, en gehoorzaamt nauwelijks aan zweep en sporen. (Phaidros 253d)

Zo kan je ook de twee paarden in het sprookje zien. Wie Falada zou willen schilderen, moet dat met wit doen. In de Openbaringen van Johannes is bij de opening van het eerste zegel een wit paard betrokken; de berijder is een koning, in het sprookje de koningsdochter.
In de begintijd van de intelligentie is het instinctieve verstand nog op het bovenzinnelijke gericht, daarom de witte kleur. De kracht van de inspiratie is al aanwezig, daarmee kan het spreken. Daartegenover moet het paard van de kamenier donker worden geschilderd, zelfs zwart, zoals bij Plato; want de wilskrachten van de andere verstandskracht richt zich op het aardse duister, op de stof.

Toen het nu tijd was om afscheid te nemen, ging de oude moeder naar haar slaapkamer, nam een mesje en sneed daarmee in haar vinger, zodat het bloedde; daarop hield zij er een wit lapje onder en liet er drie druppels bloed op vallen, gaf het aan haar dochter en sprak: ‘Liefkind, bewaar dit goed, je zult het onderweg nodig hebben.’

Hier hebben we nog te maken met de magie van het bloed. Die werkt drievoudig: in het gevoel als devote overgave, in het denken als helderziend weten, in de wil als handelen vanuit het stambewustzijn. Die macht en kracht zit in haar. De beeldspraak van het sprookje noemt dit gedachteweesfel: linnen. Daarvan wordt de ziel die zich van de verbanden los aan het maken is, een stukje meegegeven: het witte lapje met de bloeddruppels.

Zo namen zij bedroefd afscheid van elkaar; het lapje borg de koningsdochter op haar hart, zij besteeg haar paard en trok weg naar haar bruidegom. Toen zij een uur gereden hadden, kreeg zij een brandende dorst en sprak tot haar kamenier: ‘Stijg af en schep water uit de beek met de beker die je voor mij hebt meegenomen; ik wil graag wat drinken.’ ‘Als u dorst hebt,’ sprak de kamenier, ‘kom dan zelf maar van uw paard af, ga maar bij het water liggen en drink; ik heb geen zin om uw dienstmaagd te zijn.’ Toen steeg de koningsdochter af, omdat zij zo’n dorst had, bukte zich over het water van de beek en dronk en zij mocht niet uit haar gouden beker drinken.

Onderweg krijgt de koningsdochter al snel dorst. Het is het verlangen dat Boeddha de dorst naar het leven noemt, dorst naar beleving, naar nieuwe ervaringen, naar verkwikking en laving van de ziel. Door deze begeerte kan het lagere van de ziel overheersen: de kamenier wordt hoogmoedig en weigert te gehoorzamen. De gouden beker uit de bruidsschat van de moeder, de wijsheidsgave die de ziel begrijpen kan (water scheppen) wordt aan de koningsdochter geweigerd. 

Toen sprak zij: ‘Ach, God,’ en de drie bloeddruppels antwoordden: ‘Als dat uw moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ Maar de koningsbruid was deemoedig, zei niets en besteeg weer haar paard, So reden zij ettelijke mijlen verder, maar het was een warme dag, de zon stak en weldra luid zij weer dorst. Daar zij nu aan stromend water kwamen, zei zij nog eens tegen haar kamenier: ‘Stijg af en geef mij uit mijn gouden beker te drinken,’ want zij was de boze woorden al lang weer vergeten. De kamenier sprak echter nog hoogmoediger: ‘Als u wilt drinken, dan drinkt u maar, ik heb geen zin om uw dienstmaagd te zijn.’ Toen steeg de koningsdochter af om haar hevige dorst te lessen, knielde bij het stromende water, schreide en sprak: ‘Ach, God’ en de bloeddruppels antwoordden wederom: ‘Als dat uw moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ En terwijl zij zo dronk en zich diep voorover boog, viel het lapje met de drie bloeddruppels uit haar keurslijfje en werd door de stroom meegevoerd zonder dat zij het in haar benauwenis merkte. De kamenier echter had toegekeken en was blij dat zij de bruid in haar macht kreeg: want nu deze de bloeddruppels verloren had, was zij zwak en machteloos geworden.

De dag werd warmer en de dorst brandender. Die wilde gelest worden en hoe verder de moeder van haar verwijderd is, hoe zwakker de magische kracht van het bloed wordt. Uiteindelijk stroomt het weg in de stroom van het voorbijgaande leven: familie-erfelijkheid en volkse traditie gelden vanaf nu niet meer.

Toen zij nu haar paard, dat Falada heette, weer wilde bestijgen, zei de kamenier: ‘Op Falada hoor ik te zitten en jij op mijn beest’ en dat moest zij zich laten welgevallen. Toen beval de kamenier haar met bitse woorden haar koninklijke kleren uit te trekken en haar eenvoudige aan te doen en ten slotte moest zij onder de open hemel zweren dat zij er aan het koninklijk hof geen mens iets van zou zeggen; en als zij deze eed niet afgelegd had, zou zij meteen gedood zijn. Maar Falada zag alles en lette goed op.
De kamenier besteeg nu Falada en de echte bruid ging op het slechte paard zitten en zo trokken zij verder tot zij eindelijk het koninklijk slot bereikten. Daar was grote vreugde over hun aankomst en de koningszoon snelde hen tegemoet, tilde de kamenier van het paard en dacht dat zij zijn gemalin was: zij werd de trap opgeleid, maar de echte koningsdochter moest beneden blijven staan.

Nu overheerst het lagere ook het geïnspireerde verstand: de kamenier bestijgt Falada. Ze pakt de koningsdochter de koninklijke kleren af en geeft haar daarvoor slechtere in de plaats: de uitstraling van het zielenkleed wordt zwakker. Uiteindelijk lukt het de valse vrouw de koningszoon te misleiden – zij neemt hem voor zichzelf, d.w.z. ze krijgt wel iets van Ik-kracht, maar op een egoïstische manier. De hogere ziel wordt letterlijk afgezet, onttroond.

De oude koning keek juist uit het raam, en zag haar op het slotplein staan wachten en hij zag ook hoe fijn gebouwd zij was, en hoe teer en hoe mooi: hij ging meteen naar het koninklijk vertrek en vroeg de bruid naar het meisje dat zij bij zich had, en dat daar beneden op het voorplein stond en wie dat eigenlijk was? – ‘Die heb ik onderweg meegenomen als gezelschap; geef die meid wat te doen, zodat zij niet loopt te luieren.’

Vóór het vrij wordende Ik in de mens zichtbaar werd, heerste het oude Zelf – de oude koning. Het oude zelf is niet meer de heerser in het innerlijk, maar het is wakker en attent en volgt de gebeurtenissen.

Maar de oude koning had geen werk voor haar en wist niets anders te zeggen dan: ‘Ik heb nog zo’n jongetje, dat de ganzen hoedt, die kan zij wel helpen.’ De jongen heette Koertje en hem moest de echte bruid nu helpen.
Weldra echter zei de valse bruid tot de jonge koning: ‘Liefste gemaal, ik vraag u vriendelijk mij een genoegen te willen doen.’ Hij antwoordde: ‘Dat wil ik graag.’ – ‘Wel, laat dan de vilder komen en laat dat paard waarop ik hier naar toe ben gereden het hoofd afhakken, omdat het mij onderweg veel last bezorgd heeft.’ Maar in werkelijkheid was zij bang dat het paard zou vertellen, hoe zij met de koningsdochter was omgesprongen. Nu was het zover gekomen dat de trouwe Falada moest sterven; toen kwam het ook de echte koningsdochter ter ore en zij beloofde de vilder in het geheim dat zij hem een geldstuk zou geven, als hij haar een kleine dienst wilde bewijzen. In de stad was een grote donkere poort, waar zij ’s avonds en ’s morgens met de ganzen door moest; zou hij in die donkere poort Falada’s hoofd op willen hangen, zodat zij hem dan dagelijks een paar maal kon zien? De vildersknecht beloofde dit te zullen doen, sloeg het hoofd af en spijkerde het vast onder de donkere poort.
Als zij ’s morgens vroeg met Koertje de ganzen door de poort naar buiten dreef, sprak zij in het voorbijgaan:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

waarop het hoofd antwoordde:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar,
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En dan trok zij stil verder de stad uit en zij dreven de ganzen naar het veld.

De jonkvrouw wordt ganzenhoedster, zij is degene die zich wilskrachtig ‘boven de dorst verheft’. 
De eerste wilsdaad is: gehoorzaam zwijgen en het lot ondergaan. 
Ganzen zijn moeilijk te hoeden: ze lopen voortdurend overal heen, er is steeds chaos. Ze zijn het levende beeld voor verdeeldheid. ‘Hoed je zintuigen’ is een van de belangrijkste kernwoorden in de tijd van ridders en troubadours. Dit sprookje zegt: ‘Word ganzenhoedster’ – houd je zinnen bijeen – verzorg de eenheid, concentratie. Daar hoort ook de zelfbezinning, de zelfbeschouwing bij, vooral ’s morgens en ’s avonds. 
Wanneer we ’s morgens wakker worden is het alsof we door een donkere poort zijn gekomen, de heldere dag in, waarin we alle zintuigen gebruiken, ons aan alle indrukken overgeven. ’s Avonds keren we weer terug, terug in ons zelf, be-zinnen we ons waar het de ziel om gaat, dat deze eens inspiratie kreeg waar ze niets mee kan doen, maar die de herinnering op kan roepen aan het koninklijke dat verloren ging. 
Vele sprookjes gaan over het terugvinden van dit koninklijke.

Dit sprookje ging tot nog toe over de ontwikkeling van het verstand als een weg en deze weg is noodzakelijkerwijs met de ontwikkeling van het denken verbonden. 

Op de weide aangekomen, ging zij zitten en maakte haar haar los, dat van louter goud was. Koertje zag met bewondering, hoe het glansde en wilde er een paar haren uittrekken. Toen sprak zij:

‘Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik het kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

En toen stak er zo’n harde wind op, dat Koertje zijn hoedje heel ver wegwoei en hij het moest nalopen. Toen hij terug kwam, was zij klaar met kammen en kappen en kon hij geen haar meer te pakken krijgen. Toen was Koertje boos en sprak niet met haar; en zo hoedden zij de ganzen tot de avond viel en toen gingen zij naar huis.

Toen zij de volgende morgen weer door de donkere poort gingen, sprak het meisje:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

en Falada antwoordde:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar.
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En buiten ging zij weer op de wei zitten en begon haar haren te kammen en Koertje kwam aanhollen en probeerde ze te grijpen, maar zij sprak snel:

Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik met kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

Toen woei de wind en blies het hoedje van zijn hoofd, ver weg, zodat Koertje er achteraan moest; en toen hij terug kwam, was zij allang klaar met haar haar en hij kon niet één haartje te pakken krijgen; en zo hoedden zij de ganzen tot het avond werd.

Haren groeien, hebben een bepaalde kleur en structuur en zeggen daarmee wel iet over de drager ervan. Wanneer er in sprookjes over ‘haar’ en ‘kammen’ wordt gesproken, gaat het altijd over een ‘innerlijk’ hoofd’ – dat is het hoofd dat we niet mogen verliezen! Het denken moet verzorgd w0rden. Er kan wijsheid zijn – gouden haren – de koningsdochter heeft het meegekregen, maar het moet wel verzorgd worden. Als erfelijkheid werkt het niet, er moet mee gedacht worden. Dat betekent het ‘kammen’. De naïeve wil, het tevreden zijn met zichzelf, moet onder controle blijven, hoewel deze op een traditionele manier de zintuigen hoedt, maar ook door zijn naïviteit zich snel schrander en bezonnen vindt en er trots op is dat hij alles in ‘het koppetje’ heeft.
Het jongetje heet – in de vertaling – Koertje. Het Duits heeft ‘Kürdchen’; de gebroeders Grimm voegden ‘Konrädchen’ – ‘Koenraadje’ toe, met als grondwoord ‘Kuonrad’, ‘Konrad’, iemand die ‘koene’ raad geeft. Het is de wat bekrompen wil die graag snel wil ‘schitteren’ – met een paar gouden haren – waarmee hij een  storende invloed heeft op de concentratie. 

In oudere tijden bestond er een magie van het woord waarover de sagen nog spreken. De mens kon het weer bezweren: de wind gehoorzaamde. 
Marco Polo ervoer zoiets aan het hof van Kubilai Khan in de 13e eeuw, waar priesters wind en regen beheersten. 
Koningen beschikten ook vaak over magische kracht. Dat alles ging in de stroom van de ontwikkeling verloren.

In dit sprookje gebeurt het als een innerlijk iets – het Bijbelwoord zegt: ‘De geest waait waarheen hij wil.’
Denkend kan de ziel de geest gebieden te waaien waarheen zij het wil en de waanwijsheid verdrijven.
In rust worden de gedachten op drieërlei wijze tot eenheid geordend: vlechten gaat met drie strengen, denken, voelen, willen zijn actief.
Het Duits heeft ‘geflochten’, (gevlochten), ‘geschnatzt’, ‘Schnatz’ is een oud woord voor ‘Schmuck’ (versiering, opsmuk), een haarkroontje op het hoofd,  ‘aufgesatzt’ – wat je verworven hebt, onthouden.

Maar toen zij ’s avonds thuisgekomen waren, ging Koertje naar de oude koning en zei: ‘Met dat meisje wil ik niet langer de ganzen hoeden.’ – ‘Waarom niet?’ vroeg de oude koning. – ‘Ach, zij plaagt mij de hele dag.’ Toen beval de oude koning hem te vertellen wat er dan tussen hen beiden voorviel. Toen zei Koertje: ‘Als wij ’s morgens met de troep ganzen door de donkere poort gaan, dan hangt daar de kop van zo’n peerd aan de muur en daar zegt zij tegen:

‘Ach Falada, hoe hangt ge daar.’

en dan antwoordt dat hoofd:

‘Ach koningsbruid, hoe gaat ge daar,
Als dat uw moeder weten zou,
Van smart haar harte breken zou.’

En zo vertelde Koertje verder wat er op de ganzenweide gebeurde en hoe hij daar in de wind achter zijn hoedje moest aanhollen.
De oude koning beval hem de volgende dag weer de ganzen naar buiten te drijven en zodra het ochtend was, ging hij zelf achter de donkere poort staan en hoorde daar hoe zij met het hoofd van Falada sprak. Daarop ging hij haar ook achterna naar buiten en verborg zich achter een struik op de wei. Daar zag hij weldra met eigen ogen hoe de ganzenhoedster en de ganzenjongen de troep de wei opdreven en hoe zij na een poosje ging zitten en haar haren, die stralend glansden, los vlocht. Meteen sprak zij weer:

‘Waaie, waaie windje
Pak Koertje z’n hoedje
Jaag hem er achteraan,
Tot ik met kammen, vlechten
En kappen heb gedaan.’

Daar kwam een windstoot die Koertje zijn hoedje meenam, zodat hij ver moest hollen en het meisje kamde en vlocht haar lokken stilletjes verder. En dat alles zag de oude koning. Daarop ging hij onopgemerkt terug

Wanneer de ziel (de koningsdochter) zo aan zichzelf werkt, wordt dat voor de gewone wil (Koertje) tot een ondraaglijke toestand. Hij heeft tot op heden ‘de ganzen gehoed’, nu moet de koning maar beslissen: hij wil het niet langer.
De oude koning – het oude Zelf – blijft wakker nu de koningszoon zich heeft laten inpalmen door de valse bruid. De oude koning neemt waar wat er gebeurt en begrijpt het.

en toen ’s avonds de ganzenhoedster thuis kwam, nam hij haar terzijde en vroeg waarom ze dit alles zo deed? – ‘Dat mag ik u niet zeggen en ik mag ook aan niemand mijn leed klagen, want dat heb ik onder de open hemel gezworen, omdat ik anders om het leven gebracht zou zijn.’ Hij trachtte haar over te halen en liet haar niet met rust, maar hij kon niets uit haar krijgen. Toen sprak hij: ‘Als je mij niets wilt zeggen, klaag dan die ijzeren kachel daar je leed,’ en hij ging weg. Toen kroop zij in de ijzeren kachel, begon te jammeren en te schreien, stortte haar hart uit en sprak: ‘Daar zit ik nu, door de hele wereld verlaten, hoewel ik toch een koningsdochter ben. Een valse kamenier heeft mij met geweld gedwongen mijn koninklijke gewaden af te leggen en heeft mijn plaats bij mijn bruidegom ingenomen en ik moet als ganzenhoedster nederige diensten verrichten. Als dat mijn moeder weten zou, van smart haar harte breken zou.’ De oude koning stond echter bij de opening van de kachelpijp te luisteren en hoorde wat zij sprak. Toen kwam hij weer binnen en beval haar uit de kachel te komen. Toen werden haar koninklijke kleren aangetrokken en het was een wonder zo mooi als zij was.

De kachel, de oven speelt ook nu nog in dromen een belangrijke rol, net zoals in de sprookjes. Mensen die een hartaanval hebben gehad, vertellen er soms over. Het hart is toch de bron van warmte in het huis van het lichaam zoals de kachel in het woonhuis. En ook op een hoger niveau hebben we het over de warmte van de liefde, ook over een bekoelde liefde, het gedoofde vuur van de liefde. 
Het ijzer heeft ook een relatie tot de warmte in ons, d.m.v. het warme bloed dat direct in verbinding staat met ons Ik. En het bloed speelt weer zo’n belangrijke rol bij het hart! 
In het hart moet de koninklijke ziel weten wie ze werkelijk is. Dat verlangt de koning van haar te weten. Alleen wie zichzelf weet te vinden, wordt persoonlijkheid. Nu wordt de weg vrijgemaakt voor het koningszoon-Ik. Dit moet zich allemaal in het hart afspelen, want de verstandsontwikkeling – de weg te paard – en de ontwikkeling van het denken –  de gouden haren verzorgen – kunnen in eenzijdigheid ontaarden. Hier moet het hart als kennisorgaan helpen. 
De jonkvrouw wordt met koninklijke waardigheid gekleed en haar wordt recht gedaan.

De oude koning riep zijn zoon bij zich en onthulde dat hij de valse bruid had, die maar een kamenier was, maar dat de echte hier stond en dat was de gewezen ganzenhoedster. De jonge koning was zielsgelukkig toen hij haar schoonheid en deugd zag en er werd een grote maaltijd aangericht, waarvoor alle hovelingen en goede vrienden werden uitgenodigd. Aan het hoofd van de tafel zat de bruidegom met de koningsdochter aan zijn ene en de kamenier aan zijn andere zijde, maar de kamenier was verblind en herkende de andere niet meer in haar stralende tooi. Toen zij nu gegeten en gedronken hadden en welgemoed waren, gaf de oude koning de kamenier een raadsel op: wat heeft iemand verdiend die haar heer zo en zo bedrogen heeft, en hij vertelde daarop het hele verhaal en vroeg: ‘Welk vonnis heeft zo iemand verdiend?’ Daarop sprak de valse bruid: ‘Zo iemand verdient niet beter dan spiernaakt uitgekleed en in een vat gestopt te worden, dat van binnen met scherpe spijkers is beslagen: en dan moeten er twee witte paarden voor gespannen worden, die haar door de straten moeten slepen tot zij dood is.’ –

Tussen de ware en de valse bruid staat de bruidegom nu als een wezenlijk beeld voor ons. Nu moet er beslist worden. 
Het principe van de vrijheid geldt ook voor de hoogmoedige, zelfzuchtige kracht (de kamenier) en zij is geroepen de waarheid te spreken. Maar ze is niet meer in staat het goede in zijn glans en glorie te herkennen en spreekt zelf het oordeel uit.
‘Spiernaakt’ betekent: alle omhulling en uitstraling van de ziel verliezen; ‘in een vat met spijkers gestopt worden’ betekent: heel klein worden en alles lijden wat als pijn de ander is aangedaan.
Er moeten twee witte paarden komen om ‘haar door de straten te trekken’. Falada is in zekere zin opnieuw verschenen en het paard van de kamenier – de tot dan toe op de donkere aardse stoffelijkheid gerichte verstandskracht – is gemetamorfoseerd en krijgt het licht voor de spirituele kracht. Deze dubbele nieuwe spirituele kracht doodt alle laagheid en egoïsme. De ziel is nu door een denkende geest vervuld, het Ik geheel bezield en nu kan de koninklijke bruiloft worden gevierd.

‘Dat ben jij,’ sprak de oude koning, ‘je hebt je eigen oordeel geveld en zo zal het met je gaan.’ En toen dit vonnis voltrokken was, trad de jonge koning in het huwelijk met zijn echte bruid en beiden regeerden hun rijk in vrede en gelukzaligheid.

Bij boerderijen in Neder-Saksen zie je soms aan de gevel twee balken met uitgesneden witte paardenhoofden. De grote liefde van onze voorouders voor paarden als reden daarvoor op te voeren, is niet genoeg. 
Het huis van het lichaam was nauw verbonden met het huis waarin men woonde, getuige de uitdrukkingen waarin huis en lichaam synoniem zijn, Het voorhoofd komt overeen met de voorgevel. Daar moet het spirituele verstand de boventoon voeren, lager en hoger verstand overeenkomen en zich kruisen. Beide zijn nodig om goed ‘behuisd’ te kunnen zijn en met innerlijke waarachtigheid te leven en te werken. 

Afbeeldingsresultaat voor de ganzenhoedster

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2366

/

./

./

./

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Rekenraadsel (nieuw)

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.
Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Deze opgave is nogal abstract opgesteld:

Plaats de getallen op de grijze vlakken zodanig in de driehoeken A t/m F dat de waarde daarvan gelijk is aan het gemiddelde van de driehoeken waarmee ze een zijde gemeenschappelijk hebben. 1 getal is alvast ingevuld.

Het is belangrijk dat leerlingen zo’n som kunnen lezen, kunnen ‘vertalen’ naar een hanteerbare manier om het vraagstuk op te lossen.

De ‘grijze’ vlakken zijn de donkere vlakken. Daar staat links beneden 64. Die is terechtgekomen in vak B. Zo moeten alle getallen in de donkere vlakken op de lichtere terechtkomen.
Er is een voorwaarde. Het getal – hier 64 – moet een gemiddelde zijn van de getallen die in de driehoeken staan waaraan B grenst. Hier dus A en C en een driehoek met het getal 97. 
Een gemiddelde betekent dat je moet kunnen delen. Dan kan je daarvóór ook vermenigvuldigen. En wel 3 x 64 = 192. Dat is dus het gemiddelde van 97 + A + C.    A + C zijn dan samen 192 – 97 = 95. Op de grijze punten moeten zich 2 getallen bevinden die samen 95 zijn. Dat zijn 53 en 42. Maar welke komt in A en welke in C. Door dat uit te proberen met bovenstaande ‘sleutel’ kun je ze allemaal vinden.

Oplossing later:

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

.

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Vind het verborgen woord

[16]

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat? 

OUW                                               K…T                                   AN…

ST…ORD                                           …DIER                                BELE…UK

LO…RUG                                           ACTE…                              LI…OEL

 

Oplossing later

 

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (318)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

 

318
De mens moet opnieuw het kosmische vinden, dan zal hij zichzelf vinden.

Der Mensch muß wiederum das Außerirdische finden, dann wird er sich selbst finden.
GA 209/29  
Niet vertaald

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

 

 

 

 

 

 

 

/

VRIJESCHOOL – Breinbreker

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.
Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’.

Oplossing:

Het is snel duidelijk dar er verschillen zijn in de hals van de giraffe en de bladeren van de palm.
Bij de hals val op dat er telkens 2 in een rij gelijk zijn: de linker en de rechter.
Dus de gezochte hals is dan 2 of 3.
Bij de palmbomen is steeds 2 en 3 gelijk.
Dan moeten we nummer 3 hebben.

Alle breinbrekers

Alle rekenraadsels

Alle taalraadsels

Alle ‘gewone’ raadsels

/

VRIJESCHOOL – Spel en speelgoed (5-5)

.
SPEL EN SPEELGOED
.

Er was Rudolf Steiner veel aan gelegen dat het jonge kind op een verantwoorde manier zijn fantasie kan ontwikkelen.

Concreet schreef hij daar al over in 1907. De tekst is later als een boekwerkje uitgegeven:De opvoeding van het kind‘.:

‘ Zeer goed zijn ook prentenboeken, waarin de figuren door touwtjes onderaan bewogen kunnen wor­den, zodat het kind zelf het dode beeld schijnbaar tot leven wekt.’
Meer over spel uit dit werk.

En inGezondmakend onderwijs zegt hij:

Het speelgoed moet indien mogelijk aan de fantasie vrije speelruimte laten. En omdat het verstand, het intellect niet fantasie is, is het in elkaar zetten van allerlei dingen niet bepaald iets wat de bijzondere geaardheid van de kinderlijke fantasie op deze leeftijd ten goede komt.
Iets wat zijn gevoel van innerlijke levendigheid aanwakkert is altijd beter. Een plaatjesboek bijvoorbeeld, dat uitgeknipte, niet lelijke, maar smaakvol geschilderde figuren heeft, waaraan je van onder met draadjes kunt trekken zodat zij complete handelingen uitvoeren, elkaar liefkozen en ruzie maken, en het kind daardoor hele toneelstukken in zichzelf kan oproepen uit alles wat het daar ziet, dat is een buitengewoon goed speelmiddel voor een kind.’
Meer over spel in dit werk.

In ‘Opvoeding en onderwijs gaat het over beweegbaar speelgoed in een andere vorm.|
Meer over spel in dit werk.

Steiner heeft het dus over prentenboeken met beweegbare figuurtjes.
Maar in het verlengde daarvan kun je de beweegbare (wand)platen zien.
Bij Christofoor werd uitgegeven: ‘Beweegbare wandplaten‘.

En nu heeft kunstenares Janine Polling een in mijn ogen heel mooie wandplaat gemaakt:

Janine Polling maakte o.a. ook: Beweegbare kabouters 1

Ook hier zijn beweegbare wandplaten te koop.

.

Spel en speelgoed: alle artikelen

Rudolf Steiner over spel: alle artikelen

.

2356

.

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Nederlandse taal – woordallerlei (102)

.

(Voor: vanaf klas 6)

Er zijn altijd wel gelegenheden om in je klas iets interessants te vertellen, of wat misschien minder interessant is, toch interessant(er) te maken.

Dat kan bv. te maken hebben met ‘de actualiteit’.

Zo’n belangrijk onderwerp is deze tijd de ‘anderhalve meter samenleving’. 
Een eerste vraag zou al kunnen zijn: hoe schrijf je zo’n woord eigenlijk. 

De gouden regel is vrijwel altijd: 1 ding = 1 woord. En ook hier: je schrijft: anderhalvemetersamenleving.

Onze spelling ziet er heel vaak niet consequent uit, al is voor de schrijfwijze altijd wel een uitleg te vinden. Maar voor leerlingen is het niet makkelijk om alles uit elkaar te houden en te onthouden. (En ook voor volwassenen niet)

Anderhalve meter schrijf je niet aan elkaar. Schrijf je cijfers, 1,5, dan is ook de afkorting van meter  m  daar los van en bij die afkorting staat geen punt, zoals bijvoorbeeld wél bij bv. (Laat je de punt daar weg: bv  dan bedoel je een ‘besloten vennootschap’ – dat schrijf je niet met hoofdletters: BV  want dat staat voor bekende Vlaming).

Boeiend is ook vaak hoe woorden zijn ontstaan, waar ze vandaan komen.

.

Hoeveel keer zoveel is tien keer meer?

Is tien keer meer hetzelfde als tien keer zoveel?
Hoe duur is iets dat drie keer duurder is dan iets anders?
Sommige taalgebruikers redeneren dat ‘een keer meer’ een keer en vervolgens nog een keer is, dus in totaal twee keer. Vanaf dat startpunt zou ‘twee keer meer’ volgens hen driemaal zoveel zijn, en ‘drie keer meer’ vier keer zoveel, enzovoorts.

Nu we ons met rekenkunst in plaats van taalkunde bezighouden, kunnen we deze redenering ook toepassen op ‘… zoveel’. Ook ‘één keer zoveel’ kan namelijk duiden op een verdubbeling. Misschien wel omdat ‘een keer’ synoniem is met ‘eens’, dat zowel eenmaal als tweemaal (‘eens zoveel’) betekent. Toch zal niemand de mogelijke verdubbeling van ‘een keer zoveel’ of ‘eens zoveel’ meetellen als hij verder telt: twee keer zoveel is het dubbele, driemaal zoveel het drievoudige.

Taal is geen algebra en ook geen rekenkunde. In de praktijk gaan taalgebruikers ervan uit dat tien keer meer net als tien keer zoveel het tienvoudige is, en dat iets wat drie keer duurder of drie keer zo duur wordt met drie vermenigvuldigd wordt. Beide type constructies – met zoveel en met meer – betekenen hetzelfde en zijn correct, al is er in schrijftaal wel een lichte voorkeur voor de combinatie met zoveel.
Dan de vraag of combinaties als tien keer meer/minder nieuwlichterij zijn. Nee, ‘duizendmaal meer’ en vergelijkbare combi’s tref je al in de 17de eeuw aan. Wel wijzen
frequentiegegevens erop dat combinaties als ‘twee, drie, tien keer meer/minder’ de laatste decennia meer ingeburgerd zijn geraakt.

.

Nederlandse taalwoordallerlei

Nederlandse taalspelling

Nederlandse taalalle artikelen 

Wat op deze blog staat.

VRIJESCHOOL – Taalraadsel (nieuw)

.

Zo tegen de leeftijd van ruwweg 12 jaar begint in de meeste kinderen het nieuwe vermogen te rijpen om te kunnen denken in een ‘oorzaak – gevolg’- verband.

Er is een bepaald abstraherend vermogen voor nodig dat een mens ‘van nature’ ontwikkelt en als dat er dan is, kun je het gebruiken en dan kun je het ook inzetten om problemen op te lossen. Door met die problemen bezig te zijn, is daar soms plotseling het ‘aha-beleven’

Vind het verborgen woord

[15]

Per KOLOM  van drie woorden ontbreekt in ieder woord dezelfde combinatie van drie letters.

De ontbrekende combinaties van de 3 kolommen vormen achter elkaar gelezen een woord. Welk woord is dat?

AT…T                                                      S…PEI                                                   …REE

FRI…                                                      TAM…                                                    KR…

PRO…T                                                  ,,,BOER                                                   AG…E

 

Oplossing:

De 1e kolom mist de letters:  TES     attest, frites, protest
De 2e: TAM  stampei, tamtam, tamboer
De 3e: ENT  entree, krent, agent

De letters vormen samen het woord: TES TAM ENT = TESTAMENT

 

Alle taalraadsels

Alle rekenraadsels

Alle breinbrekers

Alle ‘gewone’ raadsels

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Burn-out (3)

.

Lisette Thooft in Motief 190 mrt 2015
.

SAMEN STERKER
.

Burn out op de vrijeschool

Afgebrand raken als docent is in het onderwijs een belangrijk topic.
Vrijeschoolleerkrachten lijken hier sterk vatbaar voor, je wordt immers gevoed door je idealen, omhuld en gedragen. Kunnen zij zichzelf voldoende begrenzen? Is er wel genoeg kennis over burn-out in huis, krijgen leraren wel voldoende steun van collega’s? Een verkenning van de problematiek.

Over de burn-out problemen op vrijescholen vindt de nodige discussie plaats. Ruwweg lijken er twee kampen te zijn. Het ene kamp vindt datje als vrijeschooldocent bij uitstek verantwoordelijk bent voor je eigen vitaliteitshuishouding en dat je niet moet aankomen met klachten over gebrek aan ondersteuning of structuur. Dat is slachtoffergedrag, een bewustzijnsziel onwaardig. Het andere kamp vindt dat de vrijeschoolorganisatie tekortschiet in ondersteuning van docenten. Dat er beter voor leerlingen wordt gezorgd dan voor leerkrachten. En dat de roep om een gestructureerde aanpak niet langer genegeerd mag worden.

Na een week research dreigt mijn opdracht zelf een veenbrand te worden. Iedereen die ik spreek, kent weer een paar andere mensen die ik zéker moet spreken. Namen, telefoonnummers en emailadressen stromen mijn mailbox binnen. En heb ik dat boek al gelezen? O nee, maar dan toch wel een cursus. En er moeten cijfers zijn, waar weet niemand, maar die moet ik natuurlijk wel boven tafel krijgen. Ik houd mijn hoofd koel en ik trek mijn grens. Dit is een voorlopige, onvolmaakte en schetsmatige verkenning van het onderwerp.

Spagaat

Wat is het verschil tussen burn-out raken in het reguliere onderwijs en het vrijeschoolonderwijs?
“Ik denk dat het nog moeilijker is om jezelf te begrenzen op een vrijeschool,” zegt Tessa Krop, voormalig vrijeschooldocent. “Mensen lopen leeg vanuit hun toewijding. Een ideaal is oneindig, onbegrensd. Je wilt de jaarfeesten goed vorm geven en mooie bordtekeningen maken. En je wilt mooie verhalen vertellen, en schilderen – je hebt toch die cursus gedaan om de verhaalstof kunstzinnig te verwerken? Als je daar niets mee doet, voldoe je niet aan de innerlijke beelden! En je wilt toch echt wel twee bijenwasknutsels laten maken, de kinderen moeten leren breien dus als de handwerkjuf ziek is, zorg jij dat ze leren breien. En de euritmist wil graag dat je bij zijn lessen aanwezig bent en de eindmusical is toch ook heel belangrijk. Maar daarbij moet je óók de Cito-toets voorbereiden en het Leerlingvolgsysteem op orde houden en alles doen wat de inspectie van je vraagt. Daar zit een spagaat.”

Ont-ikkend

Vrijeschoolleraren hebben het nog moeilijker met de wet- en regelgeving van nu dan reguliere, stelt Annejet Rümke, antroposofisch arts en auteur van Als een fenix uit de as, een boek over burn-out [1]. “We zijn tegenwoordig zo bezig met toetsen en protocollen. Dat is ont-ikkend en dat leidt bij vrijeschooldocenten tot extra frustratie. Als je idealen met voeten getreden worden, is dat zwaar.” De vrijeschoolleraar geeft les vanuit zijn ik, legt ze uit, waardoor het astraallichaam van de kinderen wordt opgevoed. Hij dient zijn zielenkrachten goed te beheren, zodat het etherlichaam de kinderen kan gedijen. “Steiner noemt dit de pedagogische hoofdwet. De leraar werkt met zijn ik op het astraallichaamvanhet kind en met zijn astraallichaam op het etherlichaam van het kind. Vanuit die gedachte is het ook heel erg voor de kinderen dat zoveel leerkrachten burn-out raken, waarbij hun ik de grip verliest, hun astraallichaam verbitterd raakt en hun etherlichaam uitgeput en opgebrand. Er is dus zeker reden hieraan iets  doen, ook voor de gezondheid van de kinderen.”

HOOGGEVOELIG….

Rümke stelt vast dat burn-out sowieso eerder voorkomt bij perfectionisten, bevlogen en idealistische professionals: die raken eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”

“Je hangt een beetje uit jezelf,” noemt Jet Nijhuis het, inmiddels gepensioneerd en volgens eigen zeggen zonder reserve-energie uit het vrijeschoolonderwijs gekomen. “Je zit altijd aan de sympathiekant. Dat moet ook wel, anders vang je de signalen van de kinderen niet op. Maar dan krijg je bijvoorbeeld te maken met problematische kinderen en lastige ouders en er is niemand die tegen die ouders zegt: ‘Nu is het klaar, ben je nou helemaal gek…!’ Niemand die even in de antipathie gaat zitten. Dat gebeurt in het reguliere onderwijs eerder. Nee, wij gaan nog eens drie uur lang met zo’n ouder zitten praten. Alleen al het eindeloze e-mailverkeer tussen ouders en leerkrachten is dodelijk vermoeiend.”

MAAR NIET KWETSBAAR

Kwetsbaarheid tonen, toegeven dat iets niet lukt, lijkt ook extra moeilijk in deze omgeving. “Als je je bijzonder voelt, is dat leuk,” zegt Krop, “maar het kan je ook nekken. Want je moet altijd maar bijzonder zijn. We hebben allemaal wel onze mindere kanten, maar relativeren, erom lachen met een gezonde dosis zelfspot is er niet bij.”

Hooggevoelige mensen zouden juist eerder aan de bel moeten trekken en hulp vragen als ze die nodig hebben. Maar: “Er ligt een taboe op iets niet goed kunnen of het niet volhouden,” verklaart Frouke Beekman, ook als een vrijeschooldocent overspannen raakt. “De houding is: je mag in je handjes knijpen dat je in zo’n fijne omgeving kunt werken! De andere kant daarvan is dat er ook heel veel gevraagd wordt. Je moet alles kunnen, terwijl het natuurlijk toch zo is dat de één goed is in planning en de ander niet. De één kan prima ruzietjes op het schoolplein oplossen, een ander kost dat enorm veel energie. Als je durft opengooien dat ieder zijn kwaliteiten heeft en niet meer verwacht dat je alles perfect moet kunnen, wordt het gezonder en kan de lat wat omlaag.” De antroposofie is een gesloten wereldje, vindt Beekman. Als je laat merken dat je kritiek hebt op de gang van zaken, snap je het nog niet goed, of dan hoor je er niet bij. “Er zijn altijd mensen in een team die zeer overtuigd zijn van hun antroposofische gelijk en een stempel drukken op de hele sfeer: zo moet het, want zo hebben we het altijd gedaan en zo heeft Steiner het bedoeld. Terwijl ik zelf als vrijeschoolkind juist geleerd had alles te onderzoeken en van verschillende kanten te bekijken’.

GEBREK AAN STEUN

“Van de directeur van een vrijeschool kreeg ik de vraag voorgelegd hoe komt het dat wij zo’n hoog ziekteverzuim hebben?” zegt Ramses van Hees, bedrijfsarts en consultatief antroposofisch arts. “Mijn antwoord was dat vrijescholen een bepaald type mensen
aantrekken: idealistisch, begaan, zoekend, vaak hooggevoelig – maar de infrastructuur om speciaal deze mensen te begeleiden is er niet.”
“Ik ben niet begeleid,” beaamt Nijhuis. “En ik zag het bij anderen ook. Van mensen die heel hard werken wordt snel gedacht dat ze het zelf wel afkunnen. Of er is wel inhoudelijke begeleiding, niet in de zin van: let je een beetje op jezelf? Zorg voor elkaar is er nauwelijks. En daar begint het mee. Als je waarneemt dat een collega het niet redt: kaart het aan, kijk hoe je kunt ondersteunen. Er zou veel meer intervisie en supervisie moeten zijn.”

MEER SOPHIA, MINDER MICHAEL

Van Hees vindt dat de hele antroposofie een patriarchaal tintje heeft meegekregen van Steiner. “Het monomane branden voor een ideaal, er dag en nacht voor strijden, is een extreem mannelijke eigenschap, weet ik uit eigen ondervinding. Je zou er ook zwanger van kunnen zijn, het laten wortelen in de aarde. Je netwerk verzorgen, anderen ondersteunen, knuffelen masseren: dat zijn meer vrouwelijke kwaliteiten.” Het heeft te maken met mysteriestromingen, legt hij uit, en de vraag of je in de bewustzijnsstroom staat of in de aardeomvormingsstroom. “De scholingsweg die Steiner heeft ontwikkeld, is sterk gekleurd door zijn mysteriestroming, op het bewustzijn gericht. Hij heeft de vrouwelijke kwaliteiten veel minder geleefd. Om het boud te formuleren: hij is zelf overleden aan een burn-out. En symboliseert het afbranden van het eerste Goetheanum niet het afbranden van het fysieke lichaam?”
Het afwijzen van de vrouwelijke kwaliteiten en het verheerlijken van de scholingsweg van Steiner ziet hij als probleem van veel antroposofen. “Als we deze schijntegenstelling niet in ons bewustzijn oplossen, wordt het karma. En dat kan burn-out zijn.” 

eerder teleurgesteld. Daarnaast trekt een idealistisch beroep meer hoog-sensitieve persoonlijkheden aan: “Die nemen meer dan gemiddeld waar van wat onder de oppervlakte speelt,” zegt ze. “En ze hebben doorgaans niet geleerd daarmee om te gaan. Juist binnen de antroposofie zouden hiervoor trainingen moeten komen. Er is een verwachting dat je de hele tijd beschikbaar bent. Je wordt geacht altijd mee te vergaderen, altijd compassie op te brengen.”

====

Een laag ziekteverzuim en geen burn-out

In mijn optiek is dit artikel wat negatief van toon en polariserend (twee kampen en vrijeschool versus regulier). Ik kan de redenering wel volgen: idealisten die dit soort onderwijs zoeken, perfectionisten, hoog gevoeligheid, slechte begrenzing en dergelijke. Dat leerkrachten vanuit hun ik-kracht werken volgens de antroposofen, geldt echter ook voor de leerkrachten van reguliere scholen zou ik denken, alleen die benoemen het niet zo. Als ik het bij mij op de scholen bekijk en concreet vertaal: wij hebben een laag ziekteverzuim en geen burn-out. Als er iemand om die reden uitvalt, is dit meestal een gevolg van de combinatie problemen thuis en de zware baan in het onderwijs. Dan is steun nodig: een team dat elkaar ziet en ingrijpt als het iemand teveel wordt. En een duidelijke organisatie en leiding die hierop stuurt die aandacht geeft. Ook is een hygiënische omgang met elkaar van belang: goed feedback geven, respect hebben voor elkaar en elkaars verschillen. En regelmatig opdoen van inspiratie door uitwisseling van kennis en ervaringen, met elkaar en andere scholen bijvoorbeeld. Dat is nodig om in balans te blijven. Helemaal in een vrijeschool, omdat hier inderdaad persoonlijke waarden zich kunnen vermengen met de taak die je hebt als leerkracht. Dat kan de kracht zijn van het onderwijs, maar ook de kwetsbaarheid.

Marin van Wijnen, directeur Zeister Vrije School

Structuur biedt houvast

Mooi om hier in Motief aandacht aan te geven. De trend is wel dat vrijescholen steeds beter scoren. De vrijescholen maken juist op dit moment een slag van het steunen op ik-krachten naar het steunen op wij-krachten. Daarbij biedt structuur dus juist houvast. Gezond in je werk staan is gezond met je eigen tijd om gaan. Samen met collega’s verantwoordelijkheid dragen. Je gezien weten door collega’s en je directeur. En als team realistisch zijn in wat je kunt bieden. Signaleren, ondersteunen en ingrijpen voor het te laat is. Niet aanmodderen. Functionerings-en beoordelingsgesprekken voeren. Allemaal heel vanzelfsprekend en het werkt! In 2011 hadden onze 7 scholen gezamenlijk nog 12 procent ziekteverzuim. In 2014 is dat gedaald naar 3,75 procent. Gemiddeld is het ziekteverzuim in het onderwijs in Nederland 6,7 procent.

Jeroen Gommers,
bestuurder Samenwerkende Vrijescholen Zuid-Holland

Aandacht voor vitaliteit

Is het probleem echt zoveel groter in vrijescholen dan op andere scholen? Zijn daar cijfers over of is het slechts een gevoel? De toenemende regel- en administratieve druk wordt als één van de oorzaken genoemd. Echter in de jaren vóór de regeldruk raakten ook aardig wat vrijeschoolleerkrachten burn-out, misschien wel meer dan nu. En is het echt zo dat idealisten gevoeliger voor burn-out zijn dan anderen? Trekken idealistische beroepen écht meer HSP-ers aan? En de scholingsweg zou niet iets voor vrouwen zijn? Er zijn zeer veel manieren om die weg te volgen. Aan de andere kant herken ik ook veel van wat de schrijfster optekent. Ons onderwijs vraagt veel van leerkrachten, het is belangrijk dat directeuren aandacht hebben voor de vitaliteit van hun medewerkers (overigens zie ik relatief meer directeuren dan leerkrachten in burn-out raken). Ik zie ook dat leerkrachten elkaar niet bepaald helpen om wegen te vinden om met dit vraagstuk om te gaan. Er zijn veel mores over wat je als vrijeschoolleerkracht hoort te doen. Als je vitaal in je werk wilt staan, draait naar mijn mening alles om de volgende elementen: de stevigheid om jezelf en anderen te begrenzen, de drive om plezier, zingeving en flexibiliteit in je werk te organiseren en ten slotte een gezond lichaam en gezonde thuissituatie.

Wim den Blanken, directeur vrijeschool De Kleine Johannes in Deventer

[1]

Herstellen en voorkomen van Burn-out. Als een fenix uit de as, geschreven door Annejet Rümke, verschijnt in nieuwe druk bij uitgeverij Christofoor, waarschijnlijk in mei, onder de titel Burn-out. (dit is 2021 niet bij Christofoor te vinden, phaw)

Op deze blog meerdere artikelen over burtnout:

[1] Burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

[2Met vreugde in het nu aanwezig zijn
Joop van Dam
 over: ‘anti’- burn-out: aanwijzingen om naar jezelf te kijken en daar kracht uit te putten; de kracht van de ‘terugblik’; het belang van de gemeenschap; hoe wordt de gemeenschap sterker; hoe sta je als tijdgenoot in het heden

 

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

2352

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – wegwijzer (317)

.

In het geschreven werk van Rudolf Steiner, maar ook in zijn opgetekende voordrachten vind ik vaak uitspraken, die – enigszins los van hun verband – op zich een inhoud hebben waarover je lang kan nadenken. Een tijdlang zo’n zin regelmatig op je laten inwerken, kan tot gevolg hebben dat deze zin je in een bepaalde situatie plotseling invalt en dan een antwoord of een richting blijkt te geven voor waarmee je op dat ogenblik bezig bent.
Ze wijzen je een weg; misschien ‘de’ weg; en ze wijzen je weg van het alledaagse. of geven je juist daarop een andere kijk,

‘wegwijzers’ dus

 

317
De mens met zijn hele ontwikkeling bestaat niet om wille van hem zelf; hij is er als uitdrukking van de geest, van de omvattende wereld van het goddelijk-geestelijke, hij is de uitdrukking van de wereld-goddelijkheid, van de wereldgeest.

Dieser Mensch mit seiner gesamten Entwicklung ist nicht um seiner selbst willen da, er ist da zur Offenbarung des Geistes, der ganzen Welt des Göttlich-Geistigen, er ist eine Offenbarung der Weltengottheit, des Weltengeistes.
GA 128/12     
Niet vertaald

.

Rudolf Steineralle wegwijzers

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat