Categorie archief: voedingsleer

VRIJESCHOOL – 7e klas – Menskunde – voedingsleer (2)

.

Over voedings- en gezondheidsleer In de zevende klas

Een van de doelen van het biologie—onderwijs op de vrijeschool is dat het kind ontdekt dat alles wat in de dierenwereld in het groot te vinden is, in de mens in het klein geconcentreerd aanwezig is. De werking van de maag bijvoorbeeld wordt het meest indrukwekkend geïllustreerd door de maag van een koe.[1]

Deze ontdekking zou ” een groots moment” in het kinderleven kunnen zijn. Van de zevende tot en met de tiende klas komt in elke biologieperiode een bepaald menskundig orgaansysteem of stelsel aan bod. [2]

Voedings en gezondheidsleer
In de eerste lagereschooljaren is het kind zich nog niet bewust van zijn lichaam, zoals pubers en volwassenen. Tegelijk heeft het, als het tenminste niet verwend is, net als de dieren nog een gezond “instinct” voor wat goede voeding voor hem is en wat niet. Wanneer de puberteit naderbij komt, gaan andere dingen in plaats van het natuurlijke gevoel een rol spelen in verband met de voeding: overdreven eigen voorkeuren, reclame, groepsgedrag. Wat tot nu toe door het instinct op een goede wijze werd geregeld, dreigt nu in een sfeer van egoïsme te komen. Daarom kunnen in de zevende klas, nog net op de valreep, de natuurlijke voedings- en gezondheidsinstincten worden aangesproken. In een later stadium zouden de kinderen door de gezondheidsleer te sterk op zichzelf gericht worden.

Leg nu de klas drie voedingsmiddelen voor: één substantie die in hoofdzaak uit zetmeel of suiker bestaat, één die in hoofdzaak vet is en één die voor het grootste deel eiwit bevat. Natuurlijk kennen de kinderen deze voedingsmiddelen, maar ze weten nog niet dat het functioneren van het menselijk organisme voornamelijk afhankelijk is van deze drie stoffen. Hiervan uitgaande komt men tot de
“geheimen” van de voedingsleer. Eiwitten, zouten, koolhydraten en vetten: zonder deze stoffen kan de mens niet leven. Welke betekenis heeft nu elk van deze stoffen voor onze gezondheid?

Het eiwit is verbonden met de oorsprong van het leven.
In het Finse epos Kalevala [3] ontstaat de wereld uit een ei en een Oud-Indische sage vertelt dat Brahma, de vader aller wezens, hemel en aarde uit bet Wereldei vormt.
Voor het menselijke of dierlijke embryo ontstaat, is er in het ei al eiwit aanwezig. Uit bet eiwit moet alles aan het lichaam gevormd worden. Is het lichaam eenmaal gevormd, dan nog is er voortdurend eiwit nodig dat in granen, groenten, melkprodukten en uiteraard in eieren te vinden is.

Zout is een buitengewoon belangrijk voedingsmiddel. Niet alleen omdat het de smaak van het voedsel pittiger maakt, maar ook vanwege de werking op het denkvermogen. Zonder een minerale basis kunnen de hersenen hun werk niet verrichten, mist de geest het aangrijpingspunt. Het zout wordt door de mond, maag en darmen uiterst fijn opgelost en heeft via de vloeistofcirculatie invloed op de hersenen. Wanneer het zout in maag of darmen blijft steken en niet bij de voorste hersenen kan komen, heeft dit geestelijke “dofheid” tot gevolg, het vermogen om scherp te denken ontbreekt dan. Wanneer we het over zouten hebben, bedoelen we niet alleen het keukenzout dat we tijdens het koken toevoegen, maar ook de zouten die van nature in de voedingsmiddelen aanwezig zijn.

De koolhydraten verschaffen het lichaam kracht. Allerlei misvormingen treden op wanneer wij koolhydraten moeten missen. Wanneer er helemaal geen koolhydraten bij de hersenen komen, wordt de mens zo zwak, dat hij zijn lichaam niet meer overeind kan houden en in elkaar zakt.
Zou je koolhydraten de beeldhouwers van onze lichamelijke gestalte noemen, dan behoren de vetten tot de materialen waarmee deze werken. Wanneer wij wakker zijn, wordt het vet voortdurend verbruikt, maar wanneer wij slapen, wordt het opgeslagen en vormt het een beschermende laag onder de huid die ons op temperatuur houdt. Vetten ontwikkelen warmte in ons organisme. Wanneer we een tekort aan vetten hebben, ontrekt het organisme de warmte die het nodig heeft aan de organen zelf, zodat ziektes het gevolg kunnen zijn, Wie zoveel vet eet als hij verbruikt, leeft gezond. Wie echter veel vet eet en weinig beweegt, wordt dik. Uiteraard mag de voedings- en gezondheidsleer zich niet tot de biologielessen beperken. Ook bij vakken als natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde en geschiedenis gaat men in op vragen over de voeding en de gezondheid.

Een periode voedings-en gezondheidsleer in de zevende klas
De periode bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte die elkaar om de dag afwisselen. Tijdens het praktische gedeelte krijgen de kinderen kookles.

Eerst over de theorie:
Hoewel de leerstof waarmee de lerares begint, erg moeilijk is voor een zevende klas, wil zij het toch proberen. Voor zij begint te vertellen, vraagt zij de kinderen alleen goed te luisteren en geen aantekeningen te maken.
Je zou de plant [4] kunnen vergelijken met de mens. Niet met de bloem omhoog gericht, zoals je zou verwachten, maar juist omgekeerd. De wortel komt dan overeen met het hoofd, het blad met de borst en de bloem of vrucht met de stofwisselings- en voortplantingsorganen en de ledematen. Een tekening op het bord laat deze hoogst eigenaardige vergelijking zien.

voedingsleer 1

We zullen nu dieper op elk der delen ingaan.
Ritme [4] is het kenmerk van de bladeren van de plant: de afwisselende ademhaling van dag en nacht. Bij de mens is het ritme niet alleen in de ademhaling te vinden, maar ook in de hartslag. Ook rangschikking van de bladeren is te vergelijken met de ritmische opbouw van de borstkas.

Na het inspannende luisteren verdienen de kinderen even een adempauze. Zij zoeken voorbeelden voor stengel- en bladgroenten: spinazie, sla, andijvie, kool, tuinkers, rabarber, prei, asperges, raapsteeltjes en witlof- Zij vinden het geen gek idee dat deze groenten het hart en de longen ondersteunen.

De wortelen van een plant tasten in de aarde af waar zouten en mineralen in het water zijn opgelost. Je zou kunnen zeggen dat ze net als ons hoofd zintuigorganen hebben waarmee ze kunnen waarnemen. De wortelprocessen worden bepaald door het zoutachtige, de processen in het zenuw- zintuigstelsel van de mens gaan ook gepaard met zoutprocessen. Er zijn niet alleen overeenkomsten, maar ook tegenstellingen tussen plantenwortel en mensenhoofd. Bij de wortel wordt het dode in het levende opgenomen; de wortel is het meest vitale deel van de plant. Wie ooit geraniums in een donker hoekje heeft laten overwinteren en in de zomer hun glorieuze bloei heeft meegemaakt, zal weinig moeite hebben dit te beamen. Hersenbeschadigingen daarentegen zijn ongeneeslijk: de zenuwen hebben weinig regeneratievermogen en levenskracht.

Met veel aandacht, maar met soms gefronste voorhoofden van het denken, hebben de kinderen geluisterd. Ze zijn blij als ze weer bij het dagelijkse terug zijn. Wortelgewassen stimuleren het denken. Terwijl zij naar voorbeelden zoeken, zijn de grapjes over wortelen eten (als je veel wortelen eet, hoef je niet meer naar school!) niet van de lucht.
Zij noemen: worteltjes, winterpeen, radijs, rode bieten, uien, aardappels, schorseneren en mierikswortel.

De bloem en de vrucht van de plant komen op drie gebieden overeen met ons stofwisselingstelsel: de omzetting van stoffen ( zetmeel in suiker ), de afscheidingsprocessen en de voortplanting. Dit zijn warmteprocessen.
Ter illustratie: bij buikpijn helpen warme compressen.

Behalve alle gewone vruchten noemen de kinderen ook die vruchten, die meer als groenten worden gegeten: komkommers, tomaten, doperwten, paprika’s en bonen. De vruchten stimuleren de lever; de bloesem ondersteunt de nieren en de zweetvorming in de huid. Keukenkruiden brengen de stofwisselingsorganen op gang.
Wanneer de lerares de kinderen de volgende dag vraagt wat ze hebben onthouden van dit verhaal, blijken ze er samen wel uit te komen ( ieder vertelt wat hij nog weet ), maar niet alleen. Om ze behulpzaam te zijn, maakt de lerares een schema op het bord waarin zij weer de drie delen naast elkaar zet en schrijft daarin de trefwoorden die de kinderen noemen. Nu hebben zij een kapstok waaraan zij een logisch verhaal kunnen hangen. De meeste geven aan dat ze het nu wel snappen, maar zij krijgen pas een dag later de opdracht om een verslag te schrijven. Bij het nalezen van de teksten blijkt, dat iedereen deze ingewikkelde vergelijking heeft begrepen.

Elk van de plantendelen wordt ondersteund door de aarde, het water, de lucht (licht) of vuur (warmte). De aarde ondersteunt de wortels, het water de bladeren – bij gebrek aan water gaan de bladeren slap hangen – , het licht de bloemen – kijk maar naar de madeliefjes, die gaan open wanneer de zon opkomt en sluiten zich bij zonsondergang – en de warmte helpt bij de rijping van de vrucht.

De kinderen moeten vier tekeningen maken waarin zij proberen de verhouding tussen elk van de elementen en de plantendelen met behulp van kleurgebruik te laten zien. Onder elke tekening schrijven zij een verduidelijkende tekst.
Het is jammer dat de tekening niet in kleur kon worden afgedrukt.

voedingsleer 2

Hoe gaat de boer met de vier elementen om? We zoeken het antwoord op deze vraag in theorie in de biologisch-dynamische landbouwmethode. Voor de praktijk gaan de kinderen meteen na deze periode op werkweek naar een biologisch-dynamische boerderij waar zij zullen helpen de stallen uit te mesten, te hooien en te wieden.
De boer is voortdurend bezig voorwaarden te scheppen om de grond levend te houden. Hij gebruikt daarvoor organische mest. Plantenafval, onkruid, gras en keukenafval worden het hele jaar door op de composthoop gegooid. In het najaar brengt de boer de compost naar zijn land en hij ploegt de aarde. Gedurende de winter kan de aarde hier nieuwe krachten uit putten. De afgestorven planten moeten met behulp van schimmels en bacteriën weer bodemsubstanties worden. Door regenwormen worden deze stoffen, zand en klei opgenomen en deze componenten samengevoegd. Onder toevoeging van kalk en slijm wordt het geheel als “stabiele humus” uitgescheiden. Deze humus is een eiwitrijke substantie die een lichte vorm van leven in zich heeft. De organische mest zorgt ervoor dat de regenworm zich optimaal ontwikkelt. Torren en wormen woelen de aarde om en maken deze luchtig. Wanneer sneeuw en ijs verdwenen zijn, staat de boer te popelen om aan het werk te gaan: de grond moet voorbereid worden om het zaad zo goed mogelijk in zich op te nemen. Voor het zaaien spuit de boer koemestpreparaat over de aarde, hij ploegt en hij spit. Het koemestpreparaat ondersteunt de ontwikkeling van het zaad en de plant in de aarde. In het voorjaar is behalve de aarde vooral de vochtvoorziening voor de plant van belang. In de zomer moet de boer ervoor zorgen dat er genoeg lucht in de aarde kan komen en dat voldoende vocht wordt vastgehouden. Hij schoffelt de aarde en hij wiedt het onkruid. Wanneer het groen zijn hoogste punt bereikt, gaan de bloemknoppen onder invloed van het licht open. De kleur van de plant verandert van donkergroen naar lichtgroen naar geel. De warmte van de zon laat tenslotte de vrucht rijpen.
De boer strooit nu een kiezelpreparaat over zijn land dat de afronding van het rijpingsproces ondersteunt. Door het bergkristal wordt de lichtwerking voor honderd procent benut.

Wanneer de kinderen een dag later deze leerstof hebben teruggehaald, krijgen zij de keuze uit twee opdrachten: het verhaal schriftelijk verwoorden of in een reeks kleine tekeningen het werk van de boer, de weersinvloeden en de verschillende groeistadia te laten zien.

voedingsleer 3

Kort komt ook de gangbare landbouwmethode aan de orde. Veel boeren analyseren welke voedingsstoffen een plant nodig heeft en hoeveel er in de bodem zit. Zij voegen dan die elementen toe die ontbreken, bijvoorbeeld fosfor, kalium of magnesium. De plant krijgt dan in één keer net zoveel kunstmest toegediend als hij voor zijn hele ontwikkeling nodig heeft. Daardoor schiet de plant vooral in de beginfase erg uit. De boer kan dan wel een groter aantal kilogrammen oogsten, maar met vooral “lente”-kwaliteit, dus met veel vocht. Het gewas heeft weinig tijd gehad om af te rijpen, waardoor de smaak, die juist door licht en warmte verstrekt wordt, minder is. Afgerijpte producten bederven ook minder snel dan de producten die midden in hun ontwikkeling geoogst worden. Een “voordeel” van kunstmest is dat dit het werk minder arbeidsintensief maakt.

Van de planten keert de klas weer terug naar het menselijk lichaam Op het bord staat een grote kleurige tekening van het spijsverteringskanaal
De kleuren van de organen hebben betrekking op de mate van activiteit, het zijn dus niet de natuurlijke kleuren.

Ernstig luisteren de kinderen naar de weg die ons voedsel moet gaan. Zij zijn nieuwsgierig naar het binnenste van hun lichaam. Sommige vinden dit pas echt leren.

De laatste theoriedag nemen de kinderen verpakkingen van pudding, snoepjes, chocoladekoeken, margarine en dergelijke mee naar school om een klein onderzoekje te doen naar moderne toevoegingen zoals conserveringsmiddelen, emulgeerstoffen, stabilisatoren en smaak—, reuk- en kleurstoffen.
Op verzoek van de scheikundelerares werd niet ingegaan op eiwitten, koolhydraten en vetten omdat deze lichaamssubstanties van de plant later ruimschoots in de scheikundeles aan bod zouden komen.

De dagen waarop de kinderen kookten waren zonder uitzondering de hoogtepunten van deze periode. Van te voren hebben zij zelf vaste groepjes van vier gevormd. De conciërge installeerde met behulp van een paar leerlingen acht gastoestellen in het handwerklokaal, zodat elke groep twee gaspitten tot zijn beschikking kreeg. De kinderen leerden specifieke gerechten koken van enkele Europese volkeren waarover ze in de aardrijkskundeperiode geleerd hadden: Russische bietensoep, Griekse salade met geitenkaas en olijven, Italiaanse spaghetti, Zweeds smorgasbord en ook luchtige kwarktoetjes en een stevig Zwitsers müsli-ontbijt.

Een kookles
Wanner de kinderen het lokaal binnenkomen, zetten zij hun tas op de tafel en halen er allerlei keukengerei uit: een pan, een snijplank, een aardappelschilmesje, een rasp een koekenpan, een soepkom en een lepel. Een enkeling heeft ook een theedoek en een tafellaken meegebracht. Op het bord staat het recept van Russische bietensoep. De doos met boodschappen, die al op een tafel staat, wordt aan diverse nieuwsgierige blikken onderworpen. Als de les begint, worden er eerst kranten uitgedeeld. Hierin moeten straks de schillen komen. De uien, de wortelen, de bieten, de tomaten, de kool en de bouillonblokjes worden onder de groepjes verdeeld. De kruiden moeten de kinderen tijdens het koken zelf pakken.
In de meeste groepen slaat iedereen tegelijk aan het schillen en snijden. In een groep heeft slechts één jongen een plankje en een mes meegebracht, zodat de anderen toekijken hoe hij uien snijdt. Hij is niet zo handig, dus hij krijgt heel wat commentaar en ” goede raad ” te verduren. Wanneer hij klaar is met zijn uien, mag een ander laten zien hoe hij schillen kan. Zo wordt het werk toch eerlijk verdeeld, al gaat het erg langzaam. De koekenpannen gaan op het vuur en even later stijgt de uiengeur op. Niet alleen het lokaal, maar het hele schoolgebouw wordt in dampen gehuld. Het is een en al bedrijvigheid rondom de pannen. Kletterende deksels op de granieten vloer veroorzaken nu en dan een lawaai van jewelste. De pollepels staan niet stil, natuurlijk moet er steeds geproefd worden: een schepje zout erbij, een beetje peper, nog wat havervlokken toevoegen. Terwijl de een in de soep staat te roeren, houdt de ander nauwlettend de gaspit in de gaten en draait het gas op alle standen tussen hoog en laag, de derde loopt luidkeels naar de tomatenpuree te zoeken en de vierde ruimt alvast de rommel op om de tafel te kunnen dekken. Hoewel het pas kwart voor tien is, eten de meeste kinderen hun soep met smaak. Een enkeling vindt het “niet te eten”, maar uit solidariteit met de groep eet hij toch mee. Wanneer de pannen leeg op de tafel staan, is het tijd voor de afwas en de schoonmaak.
Per groep hebben de kinderen taken afgesproken. Rondom enkele grote wasteilen met sop – er is slechts één gootsteentje in het lokaal – staan kinderen met afwas op hun beurt te wachten. Anderen vegen de verdwaalde schillen van de grond. Hoewel de ramen wagenwijd openstaan om de luchtjes te verdrijven, komt de handwerklerares na de pauze haar lokaal binnen met opgetrokken neus.

Het koude buffet
De kinderen hadden gevraagd of zij een keer een eigen recept mochten koken. Afgesproken werd dat de laatste kookles Smörgasbord zou worden gemaakt. Iedere groep kreeg hetzelfde bedrag tot zijn beschikking en moest daarmee zijn eigen boodschappen betalen.
Die ochtend komt een van de jongens op school met achterop zijn bagagedrager een sinaasappelkistje vol met groenten.
Uit zijn tas haalt hij het dikke kookboek, waarmee hij al een paar dagen de andere groepsleden probeerde over te halen om een Amerikaanse selderijsalade te maken. Uiteindelijk is hem dat gelukt. Tijdens de les neemt hij, die anders zo verlegen is, de leiding op zich. Een groepje meisjes is naar de Albert Cuypmarkt gegaan en heeft daar allerlei soorten fruit gekocht. Twee jongens zijn te rade gegaan bij de visboer en rollen die ochtend een krant open waarin twee vette makrelen liggen te glanzen. Wanneer de schotels aanlokkelijk zijn opgemaakt, worden ze zorgvuldig verspreid op een lange tafel. De kinderen staan er watertandend omheen. “Kunnen we beginnen?”, roept een meisje ongeduldig. Zij gaat alvast haar bord pakken. Even later staan de kinderen net als bij echt smörgasbord met hun borden in dt rij om van elke schotel een schep te nemen. Het menu bestaat uit: gevulde eieren, Amerkaanse salade, vruchtensalade in meloen, gevulde tomaten, makreelsalade en augurkensalade. Spontaan worden recepten uitgewisseld.

Tijdens de werkweek zullen alle kinderen een goed verzorgde maaltijd voor elkaar kunner klaarmaken.

Uit een brochure van de Geert Grooteschool, Amsterdam, blz. 88 t/m  97, nadere gegevens ontbreken

.

voetnoten van mij:

[1] Het rund
[
2] Of dit in 2016 nog mogelijk is i.v.m. inspectie-eisen?
[3] Kalevala
[4] De plant
[5] Ritme

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 7e klas: sterrenkunde; tekenen  (arceren)

1048

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – 7e klas – Menskunde – voedingsleer (1)

.

Mens en voeding: periode uit de 7e klas

Eén van de periodes die in een zevende klas wordt gegeven is de combinatie menskunde – voedingsleer.
Het is in het kader van de vrijeschoolpedagogiek een logisch vervolg op de periodes uit de 4e, 5e en 6e klas, nl. dier- en plantkunde en mineralogie.

In de 7e klas komt dan de mens aan de orde en ook hier is het evenals in de lagere klassen de bedoeling het kind in de aanbieding van de leerstof in zijn denken, gevoels~ en wilsleven aan te spreken. Vandaar dat er niet wordt uitgegaan van het “doodse” element, de botten, het geraamte met de bekende vragen die wij als volwassenen uit onze biologieles wel herinneren: ‘Wat is het doel van het geraamte? Het geraamte dient ter versteviging van ons lichaam, het geraamte dient als aanhechtingsplaatsen voor- pezen en spieren….. enz.”

Uiteraard kunnen dergelijke zaken wel aan de orde komen, maar dan toch wel meer met betrekking tot bepaalde processen die zich in ons lichaam afspelen. Vandaar dat er – ik meen dat dit typerend is voor het gehele vrijeschoolonderwijs – veel meer van kwaliteiten dan van kwantiteiten wordt uitgegaan.

Bij het 12/13-jarige kind gaat het verstandelijke leven een steeds grotere plaats innemen. De drang om bepaalde processen te willen ontdekken ontwaakt. Dit speelt dan ook in de behandeling van de menskunde duidelijk een rol. Het gevoelsleven van het kind speelt, hier echter nog steeds heel duidelijk op in, (op een manier van: “Wat doet deze kennis met mij”, kan het kind bepaalde processen die zich in de menskunde, dus ook – en misschien wel juist – in zich zelf voordoen, trachten te verwerken.

Vandaar ook dut het element – voedingsleer – in het kader van de menskunde zo’n buitengewone invloed kan hebben op het gevoel van kwaliteit, dat de kinderen zich juist op deze leeftijd kunnen ontwikkelen.

Vanaf de eerste dag in deze periode proberen we het “mens-zdjn” zoveel
mogelijk op onszelf te betrekken. Een eenvoudige vraag als “Hoe blijven wij als mens in leven” is nl. lang zo eenvoudig niet, als op het eerste gezicht misschien wel lijkt, ja, een klassengesprek kan zelfs een filosofisch tintje krijgen, naarmate je je meer met dat “mens-zijn” bezig houdt. Natuurlijk komt men in zo’n gesprek al snel op begrippen als voeding en ademhaling. In de loop van deze periode zullen deze begrippen dan ook uitvoerig behandeld worden.

Boeiend was het ook om gezamenlijk in de klas te zoeken naar eigenschappen of kwaliteiten, die wij als typisch menselijk zouden kunnen betitelen. Al gauw werd het duidelijk dat de mens door middel van zijn zintuigen de buitenwereld in zich kan opnemen en daar binnen in zijn “Ik” iets mee kan doen, vooral als het vermogen on te leren hierop inspeelt.

Behalve de “aardevoeding” (het voedsel dat via de mond tot ons komt) werd m deze periode eveneens het begrip “kosmische voeding” geïntroduceerd. Het is namelijk die veelheid van indrukken, zoals die via onze zintuigen tot ons komt (bijv. ogen, gehoor, reuk, tastzin e.d.) die voor de mens onontbeerlijk is en die voor hem eveneens een soort voedsel vormt dat, als dit niet zou plaatsvinden, het typisch menselijke van dit wezen niet tot stand zou laten komen.

Hoewel het verleidelijk is om hier een heel betoog over deze kosmische en aardse voeding op te zetten, zou ik omwille van de ruimte in dit verhand willen verwijzen naar het boekje van H.Hoogewerff “Voeding en Voedingsgewassen.” [1]

Hierna zijn wij in de zevende klas vrij uitvoerig ingegaan op de stofwisseling. De weg van het voedsel en van de lucht, de organen met betrekking tot die stofwisseling, de harmonische processen van ademhaling en bloedsomloop, de betekenis van de huid voor ons lichaam.

Steeds weer kwam nadrukkelijk de vraag naar voren.” Wat voor invloed heeft de voeding op ons lichamelijk en geestelijk welzijn? Een vraag waar je je erg theoretisch, maar ook erg praktisch mee kunt bezighouden. Vooral met kinderen is de laatste methode de meest werkbare.

Tijdens dit deel van de periode kregen de kinderen uitvoerig praktisch onderricht van mevr. C.Heppener, die niet zo heel lang geleden nog de scepter zwaaide in het vegetarisch eethuisje Sattvika in Naarden, maar momenteel voedingscursussen aan volwassenen geeft. Het was eigenlijk steeds een ‘heel knus’ geheel, acht kinderen die ’s morgens in alle vroegte in de prachtige bossen van het Theosofisch Centrum liepen te zoeken naar brandnetels om er even later soep van te maken.

Een ander moment zitten ze bij elkaar. Zo luisteren hoe uiteengezet wordt hoe de seizoenen van het jaar zo hun eigen specifieke werking op de natuur hebben, zodat de sapstroom vermindert en vermeerdert. Verbanden worden gelegd tussen deze menskunde/voedingsperiode en de sterrenkundeperiode, die zij hiervoor hadden. [2]

Voor sommige kinderen is het wel even wennen. Zaken als “wat de boer niet kent…” moeten soms wel overwonnen worden. Het is een hele gewaarwording als je verwacht dat “dit toch wel niets zal worden” en dat het uiteindelijk toch heel lekker blijkt te zijn! Ook in de gesprekken aan tafel wordt hier uitvoerig bij stil gestaan. De tendens is toch duidelijk voelbaar na een paar dagen: ook de wat gereserveerdere kinderen worden steeds enthousiaster. Aanvankelijk is er misschien nog even het “vreemde”, wat echter al snel plaats maakt voor het “lekkere”, het “leuke” en het “zelf doen” en gevolgd zelfs door “het bezig zijn met gezond voedsel”. Zelf heb ik deze periode uiterst vruchtbaar gevonden, te meer omdat wellicht enkele vooroordelen (gek, vies) ten aanzien van wat wij in deze periode hebben leren kennen als “goed voedsel”, weggenomen konden worden, terwij] van deze kinderen verwacht mag worden, dat zij daarnaast ook wat kritischer zijn geworden ten aanzien van het “voedsel”, dat ons vaak via de massamedia wordt opgedrongen.

Bijzonder leuk was dat een aantal kinderen, die thuis nog nooit gekookt hadden, enkele van de dingen die zij tijdens deze kleine “cursus” leerden ook daadwerkelijk thuis in praktijk brachten. Het feit dat zoiets dan ook nog lekker werd gevonden was dan natuurlijk een geweldige stimulans. Een logisch vervolg op deze periode zal plaats vinden in de week van 25 juni a.s. .De zevende klas zal dan samen met de zesde een werkkamp hebben op het bedrijf van Loverendale in Zeeland, bekend vanwege het brood uit de reformwinkels.

Ongetwijfeld zullen we in een van de volgende “maandberichten” op dit kamp
terugkonen.

F.H.v.d. Hoek, nadere gegevens ontbreken

[1] H.Hoogewerff: Voeding en voedingsgewassen
[
2] Sterrenkundeperiode

7e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 7e klas: sterrenkunde; tekenen  (arceren)

 

1043

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.