Tagarchief: gezondheid-ziekte

VRIJESCHOOL – Gezondheid en ziekte

.

onverklaarbaar?

Er komt een patiënt met symptomen die je niet kunt thuisbrengen of bij wie de testen geen afwijkingen laten zien, maar toch heb je het gevoel dat er iets mis is. Maar wat? Is het iets lichamelijks dat nader onderzoek vraagt of worden de symptomen alleen maar beleefd door de patiënt, zonder lichamelijke oorzaak? Wanneer ook nader onderzoek, bij een specialist bijvoorbeeld, niets aan het licht brengt, was tot voor kort de conclusie: ‘Er is niks aan de hand. U moet ermee leren leven’. Niet ziek dus, maar gezond. Inmiddels heeft deze situatie de naam SOLK gekregen, somatisch onverklaarbare lichamelijk klachten. En kan daardoor, nu er een naam voor is, als toestand serieus worden genomen. Er zijn zelfs speciale ’SOLK-poliklinieken’ opgericht.

Het bestaan van lichamelijke klachten die niet lichamelijk zijn werpt een interessante vraag op: wanneer is iets eigenlijk een ziekte? En wanneer ben je gezond? Er kan iets in het lichaam niet in orde zijn zonder dat je er iets van merkt. Dan zul je niet zeggen dat je ziek bent. Zelfs als het gaat om een zich ontwikkelende kwaadaardige tumor. Pas wanneer deze, al of niet toevallig, wordt ontdekt, verschijnt die dreigend in het bewustzijn en zul je jezelf als ziek definiëren. En anders doe je dat pas wanneer je er wel iets van merkt. Je bent dus pas ziek wanneer een ziekte als gevoel of kennis in je bewustzijn terecht komt. Zoals je alleen honger hebt wanneer je honger voelt. Dus of een klacht nu lichamelijk verklaard of onverklaard is, maakt in principe niets uit voor de last die je ervan hebt. Ziek ben je wanneer je jezelf beleeft als ziek. Er zijn mensen met lichamelijke handicaps die zichzelf absoluut niet als ziek ervaren en er zijn mensen bij wie geen lichamelijke afwijkingen kunnen worden gevonden die zich wel ziek voelen. Zijn de laatsten nu ‘eigenlijk niet ziek’? Wanneer je ziek definieert als ‘bewustzijn van ziekte’, zijn ze dat wel degelijk en verdienen ze terecht de aandacht van de medische wereld. Een inzicht dat nu schoorvoetend doordringt.
Maar is dat ziektegevoel wel een statisch gegeven? Of het idee dat je gezond bent? Iedereen kan bij zichzelf nagaan dat dat lang niet altijd het geval is. Gehandicapt voel je je alleen wanneer je iets wilt waarbij je handicap in de weg staat. En veel ziekten ‘gaan vanzelf over’. Oftewel die overwin je op eigen kracht. En dat gezondmakende gevecht geeft juist een ziektegevoel, bijvoorbeeld in de vorm van koorts. Dat laatste is dus eigenlijk juist een bewijs van gezondheid. Sinds 1948 heeft de WHO een definitie van gezondheid die als volgt luidt: ‘een toestand van compleet welbevinden op fysiek, mentaal en sociaal niveau, en niet alleen de afwezigheid van ziekte en gebrek’. Een statisch ideaalbeeld dat voor de wereldbevolking nagestreefd zou moeten worden. Maar onhaalbaar en vooral, gezien het bovenstaande, onrealistisch. Het werd tijd dat er een andere definitie kwam en dat is nu gebeurd. Machteld Huber, huisarts en onderzoekster bij het Louis Bolk Instituut, is onlangs gepromoveerd tot doctor in de geneeskunde op een nieuwe dynamische definitie van gezondheid als: ‘het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de lichamelijke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. En dat is een definitie die hoop geeft dat een toestand die als ziekte wordt beleefd niet onoverkomelijk hoeft te zijn.
.

Arie Bos, gepensioneerd antroposofisch huisarts in Stroom, winter 2015

.

 

VRIJESCHOOL – Met vreugde in het nu aanwezig zijn

.

Met vreugde in het nu aanwezig zijn

Individueel
Wat zijn de momenten, waar je als individueel mens in de actualiteit staat, waar je in het nu present bent?
We kijken naar drie mogelijkheden.

1. Dat gebeurt ten eerste in de zo genoemde “onbedoeld gelukte handelingen”. Een voorbeeld: een jonge leraar moet een koor gaan leiden. Maar hij is doodmoe, omdat zijn nog jonge baby de afgelopen nacht enkele malen heeft “gezongen”. Hij staat voor de kinderen en vraagt zich af. hoe krijg ik met zo weinig energie dat koorzingen voor elkaar? En dan besluit hij: ik ga gewoon naar ze luisteren en daarvan genieten. Ze zingen en dan is het stil, wel een halve minuut. En dan zegt hij “wat mooi!” . Daarna zingen de kinderen de sterren van de hemel, want ze luisteren nu zelf ook naar elkaar.

De spontane reactie op een levenssituatie (met name als je wil op de proef gesteld wordt en je niet uit routine kunt handelen) is een kort moment van “bij de tijd” geweest zijn. Je schiep even actualiteit. Wanneer je zo’n gebeurtenis middels de terugblik “oogst”, geeft dat je enerzijds een blije energie. Anderzijds geeft het een richtlijn voor de toekomst, want je kunt er meestal een algemeen inzicht uit winnen. Het in het bewustzijn brengen van deze Ik-activiteit werkt gezondmakend.

Het nu staat tussen verleden en toekomst in. Het verleden is klaar, het is aards geworden en heeft zijn vorm gekregen. De toekomst ligt nog open, staat bij wijze van spreken nog in de sterren. In de hemel liggen de mogelijkheden voor het handelen klaar en op een gegeven moment dient er een keus gemaakt te worden. Er is een mooi Engels gezegde:

Yesterday is history,
Tomorrow is a mystery,
Today is a gift,
That’ s why we call it present.

Dat wil zeggen, je moet datgene wat als mogelijkheid aangeboden wordt wel in ontvangst nemen. Je moet aanwezig zijn.

2. Er is een tweede mogelijkheid om dicht bij het moment te komen, waar mogelijkheden die in de geestelijke wereld klaar liggen, in de aardse situatie gerealiseerd worden. Dat ligt in de terugblik op het “wonder” , zoals het beschreven is in de voordracht “Was tut der Engel in unserem Astralleib?”1

Het gaat daar om het scheppen van het negatief: wat is er allemaal niet gebeurd. Het wonder, dat wat wél gebeurde, is het positief dat tevoorschijn komt tussen alle andere (niet werkelijk geworden) mogelijkheden. Uit de verschillende mogelijkheden werd er één gerealiseerd. Het blijkt, dat je elke dag wel een wonder kunt ontdekken. Als je dat eenmaal ervaren hebt, kijk je uit naar wat er de volgende dag zal gebeuren. Je raakt meer present.

3. Een derde mogelijkheid om actualiteit te ervaren is te vinden in het je terugherinneren van de top-ervaringen in je leven. De momenten waar je van top tot teen present was en beleefde: nu ben ik helemaal aanwezig en ben ik het meest mezelf.

Het lot brengt situaties, waar je (in de terugblik) kunt zien, wat het is waar je voor warm loopt, waar je eigenlijk voor gekomen bent op aarde.

In de zeventigerjaren lieten mensen, als protest tegen de kruisraketten die vanuit Amerika in Nederland geplaatst werden, zich aan de hekken rond de opslagplaatsen van die raketten vastketenen. Drie dagen en nachten lang brachten ze dan in barre omstandigheden door. En toch waren ze met vreugde present.

Vreugde is hier niet bedoeld als uitgelatenheid, maar als het beleven van een nieuwe energie en het overwinnen van de aardse zwaarte. Topervaringen zijn de momenten, waar iets nieuws in je begint.

Het gaat in alle bovengenoemde handelingen om de terugblik. De terugblik is bij uitstek een oefening van het Ik, van de individuele mens. De terugblik, die zoekt naar het wezenlijke dat in de afgelopen dag heeft plaatsgevonden, is voorbereiding voor de daarop volgende nacht.

In elke nacht vindt op een ander niveau opnieuw een terugblik op de dag plaats. En de vragen, die overdag je bezighielden, werken door. De mens is dan in een andere situatie, zijn hogere wezen wordt vergezeld door de individuele engel, die bij hem hoort. Door dat samenzijn schijnt licht op wat zich heeft afgespeeld en op de gestelde vragen. De engel verheldert de lotsgebeurtenissen en laat als het ware de mogelijkheden voor de toekomst zien. Wat op deze manier als gesprek tussen de mens en zijn engel in de nacht heeft plaatsgevonden kan bij het ontwaken niet in het gewone dagbewustzijn meegenomen worden, maar het kan zich wel bemerkbaar maken. Het werkt door in die laag van onze ziel, die eigenlijk altijd in de nacht gehuld is: in onze wil. In het denken zijn we wakker, het voelen heeft altijd de bewustzijnskwaliteit van het dromen. En als we willen, duiken we in het doen onder en verliezen het wakkere bewustzijn. Pas na afloop kunnen we waarnemen of het goed was wat we deden.
Maar de slapende wil kan als wilsintentie zich toch uiten, vooral wanneer er in de nacht iets heeft plaatsgevonden. Dan maakt de engel zich overdag bemerkbaar.

De onbedoeld gelukte handeling kun je beschouwen als een korte dialoog met de engel. Het wonder is een gelukte en wel bedoelde handeling van de engel zelf! En in de topervaringen ben je (door je engel begeleid) in levenssituaties terecht gekomen, waar je je realiseren kon: hiervoor ben ik eigenlijk op aarde gekomen. Hier wordt duidelijk wat ik belangrijk vind en wat ik eigenlijk wil.

Als je dag en nacht met elkaar kunt verbinden, dan ben je actueel. Je probeert in gesprek te komen en te blijven met je engel.

In het nu present zijn met een groep
Kun je als gemeenschap (een levens- of werkgemeenschap zoals een school, een therapeuticum, een boerderij, een heilpedagogisch instituut of een opleidingsinstituut) ook actueel en bij de tijd zijn? Kun je er waakzaam voor zijn, of je de dingen doet, die nu door deze gemeenschap mogelijk zijn? En kun je daarmee voorkomen, dat je bezigheden ontplooit, die twintig jaar geleden met recht gedaan werden, maar die nu niet meer passend of zelfs
ontwikkelingsremmend zijn? En kun je de valkuil vermijden, dat je activiteiten onderneemt die nog niet aan de orde zijn en waar de tijd misschien over twintig jaar rijp voor is?

Een gemeenschap kan de doorgangspoort zijn voor impulsen, die boven de individuele vermogens uitgaan en die door wezens gedragen worden, die het persoonlijke overstijgen. Het persoonlijke, individuele, is verbonden met de wereld van de engelen. Bij gemeenschappen kunnen hogere wezens werken. Aartsengelen kunnen zich met groepen verbinden. Als mensen zich samen voor iets inzetten, gezamenlijk als het ware een kring of een schaal voor een hoger doel vormen, dan kan een wezen uit de rangorde van de aartsengelen helpen, dat de mensen steeds nader tot elkaar komen. Hij zorgt voor de verbinding en de communicatie tussen de mensen

Hoe kan een gemeenschap actueel zijn?
Weer kun je zeggen: door als groep met vreugde in het nu aanwezig te zijn. Ik wil enkele voorwaarden beschrijven, die naar mijn ervaring belangrijk zijn.

Om te beginnen moet er leven in de brouwerij zijn, het moet zoemen op de werkvloer. En als er dan ook nog duidelijke ritmen zijn (een gezamenlijke dagopening, bepaalde dagen in de week, die een speciale telkens terugkomende kleur hebben, jaarfeesten enz.), tijdsvormen waarop je rekenen kunt, dan is er een levend organisme. In antroposofische terminologie: de gemeenschap heeft dan een gezond etherlichaam, waarin een hoger geestelijk wezen wonen kan.

Maar een gemeenschap heeft ook een ziel, een astraallichaam. Door het astraallichaam kun je de wereld waarnemen. De ontvankelijkheid van de ziel van een gemeenschap wordt bepaald door het vermogen van de leden van deze groep om met elkaar te communiceren. In een gemeenschap die open wil zijn voor impulsen van “boven” is het belangrijk dat het waamemingsorgaan voor deze impulsen niet door “ruis” gestoord wordt. Dat wil zeggen: je moet niet verhard geworden zijn ten opzichte van elkaar of allergisch, waardoor je ophoudt te communiceren. Als men zich doof opstelt ten opzichte van elkaar zal het gezamenlijke gehoororgaan voor dat wat de gemeenschap zou kunnen inspireren ook op bepaalde plekken verstopt zijn en niet in staat om waar te nemen wat van buiten naar binnen wil komen.
Vaak is het vruchtbaar om samen waar te nemen. Dat kan in de natuur zijn: de kleur van een edelsteen of de geur van planten of het geluid of de beweging van dieren. En dan elkaar vertellen, wat je opgevallen is. Bij een zo onbevangen mogelijke waarneming blijken de indrukken van de diverse deelnemers met elkaar samen te klinken of elkaar aan te vullen. Je merkt dat je samen tot een completere ervaring komt en dat je verrijkt wordt doordat de ander er is. Dit soort waamemingsoefening verfrist en harmoniseert niet alleen de ziel van de enkeling, ook de ziel van de gemeenschap wordt er bewegelijker en ontvankelijker door.

Verwarmend en bezielend is het samen kijken naar kunst. Soms kan een vraagstelling een gezamenlijke zoekrichting geven. Bij Van Gogh bijv.: wat is bij portretten (de vroedvrouw, de postbode, de vrouw uit Arles) rondom de hoofden waar te nemen? Of bij Nolde: wat doen de kleuren? Na afloop van het kijken en het elkaar opmerkzaam maken is ieder afzonderlijk in een andere lichamelijke en innerlijke toestand gekomen. Men voelt zich in beide gebieden gevoed. Maar ook is er in de gemeenschap iets nieuws ontstaan. Als het gelukt is om objectief in het verwoorden van wat je ziet te zijn en je zo veel mogelijk je mening hebt teruggehouden, dan heb je een gezamenlijk werk gedaan. En zonder dat je er veel erg in had heb je ook de ander in zijn innerlijke bewegingen waargenomen.

Het waarnemen op zich is een ‘jonge’ bezigheid. Een klein kind is er goed in. Het zit nog niet met oordelen zich zelf in de weg. Als het met natuur- of kunstwaameming lukt om uit de oordeelssfeer weg te blijven dan wordt iedereen weer jong. Dan is er geen verschil meer tussen de academicus en de praktisch werkende, tussen jong en oud, tussen man en vrouw. Dan begint iedereen weer opnieuw, wordt als het ware weer opnieuw geboren. Dat houdt in dat je open bent voor wat er op jou en de gemeenschap toe komt. Je oefent samen de onbevangenheid.

Nog een stap verder in het harmoniseren en verrijken van de ziel van een gemeenschap wordt gezet, wanneer een vorm van intervisie wordt gepraktiseerd, waar men zijn zorgen, problemen en mislukte handelingen met elkaar deelt. Het elkaar vertellen van de onbedoelde gelukkige (of gelukte) handelingen wekt vreugde en geeft vitaliteit. Het de ander deelgenoot maken van je spanningen, je verdriet, je mislukkingen heeft een heel andere werking. In de eerste plaats brengt iemand daarmee tot uitdrukking, dat hij beseft, dat je alleen in ontwikkeling komt door de ontmoeting met andere mensen. Dat het een illusie is te denken dat je alles alleen op kunt knappen. Wanneer je jezelf ter discussie durft te stellen in een groep geef je daarmee tevens te kennen, dat je het vertrouwen hebt, dat de mensen van die groep zorgvuldig en kuis met je probleem om zullen gaan. Dat ze niet je integriteit in twijfel trekken. De veiligheid in een groep wordt gewaarborgd wanneer er inclusiviteit heerst, dat wil zeggen: dat jouw probleem op het moment dat je het inbrengt het probleem van iedereen in de groep wordt. Dat is het samen oefenen van de positiviteit.

Alles wat tot nu toe beschreven is heeft betrekking op het onderlinge verkeer, het horizontale element. Een gemeenschap behoeft echter ook het verticale element, dat wat als doelstelling (als missie) alle mensen verenigt. Een gemeenschap kan nooit om der wille van de gemeenschap bestaan. Er moet zo te zeggen een ster boven de gemeenschap staan Deze missie is het Ik van de gemeenschap.

Net zoals het individuele Ik zich telkens moet vernieuwen, in ontwikkeling moet blijven, zo moet ook de gemeenschap zich regelmatig op haar missie bezinnen. De missie moet met de actualiteit te maken hebben.

Eén van de manieren waarop een werkgemeenschap het licht brandende kan houden, is het doen van een onderzoek samen. Dat kan een eenvoudig thema zijn, het gaat er om goede vraagstellingen te vinden. Lang geleden heb ik in mijn praktijk voor me zelf het thema gehad: kan ik aan de handdruk van de binnenkomende patiënt voelen, hoe het met hem of haar gaat? Later kwam in het lerarencollege van de school, waar ik schoolarts was iets soortgelijks aan de orde: wat kun je aan het handen geven van de kinderen merken? Elke week stelden we een nieuwe vraag, waar alle leraren dan een hele week waarnemend aan werkten. Na een week herkenden we verschillende kwaliteiten: slap/krachtig, droog/nat, warm/koud, voor in de hand/achter, kort of lang vasthouden. Volgende vraag: wat verandert er in de loop van de kleuterklas tot eind bovenbouw? Is er een verandering tussen de handdruk ’s ochtends en bij het weggaan? En heb je daar invloed op? Zes weken lang heeft het college telkens met een andere vraag geleefd en is iedereen benieuwd geweest wat de ander gevonden had en is de ontmoeting met de kinderen anders geweest. De gemeenschap is er door versterkt en iedereen is frisser, vitaler geworden. Tenslotte was er een nieuw inzicht gewonnen, dat aan anderen overdraagbaar was.

Een gemeenschap die zich niet aldoor vernieuwt door gezamenlijk nieuwe dingen te vinden, sterft. De mensen van het begin van de 21e eeuw zijn niet meer zo vitaal als de mensen het 50 jaar geleden waren. Toen konden velen nog 24 uur per dag en als het moest 7 dagen per week beschikbaar zijn. Thans is vrijwel iedereen door haast, door de vele shockerende gebeurtenissen, door een verstoord milieu, ongezonder geworden. Daarom is wat vroeger kon nu niet meer mogelijk. En het moet ook niet meer. Maar door het samen onderzoek doen kun je de individuele vitaliteit weer verhogen. Het is aan de tijd om als gemeenschap actief in ontwikkeling te zijn door initiatief te nemen in het verfrissen en vernieuwen van je gezichtspunten.

Heel vaak vormt dit soort activiteiten de sluitpost in de planning (en ook in de financiële begroting). Eerst moeten allerlei verplichtingen, administratieve taken, controles enz., voor de overheid verricht worden. Dodelijk vermoeiend! Maar je kunt dezelfde taken ook verbinden met een eigen vraag (in de observatie bijv. van het unieke van elk kind of in het je herinneren van wat je zelf hebt gedaan in de onbedoelde gelukte handelingen) en dan geeft hetzelfde werk (maar met een extra gezichtspunt gedaan) energie! Het extra vreet niet kracht, maar het geeft kracht.

Hoe kun je met vreugde als tijdgenoot present zijn?
Om deze laatste stap te doen vertel ik kort de inhoud van een artikel, dat ruim 15 jaar geleden in het weekblad van de Nederlandse artsen Medisch Contact verscheen. Prof. Marco de Vries, patholoog-anatoom schrijft over enkele wondergenezingen die hij in zijn archief heeft gevonden.2

Een vrouw, 64 jaar, ligt in een verpleegtehuis. Veertien jaar tevoren heeft ze een operatie aan de borst ondergaan wegens carcinoom, nu heeft ze een sterk vergrote lever vol metastasen, elke twee weken moet vocht uit de buik worden afgetapt, ze is volgens iedereen aan haar laatste levensweken bezig. Op een dag zit ze op de rand van haar bed als haar man op bezoek komt en zegt: ik wil naar huis terug, hier ga ik alleen maar dood. De zuster die de man op de gang was tegengekomen had gezegd: “Uw vrouw is niet meer zo aardig en meegaand als vroeger.” Ook de man merkte een houdingsverandering en zei: “Zo was ze niet opgevoed.” De man ging op de wens en het besluit van de vrouw in en zorgde dat er hulp thuis kwam, zodat ze het samen aankonden. De patiënt mocht voor de buikpuncties (elke twee weken) in het verpleegtehuis terugkomen. Ze kwam eerst na drie weken terug, toen na zes weken en daarna helemaal niet meer. Het verslag werd 10 jaar later geschreven, de lever was in grootte teruggegaan er was geen ascites meer en de vrouw was gezond.

Wat was er bij deze uitzonderlijke genezing gebeurd?

In de eerste plaats was de vrouw autonoom geworden. Ze had gezegd: hier zal ik doodgaan, maar ik doe het anders. Ik doe niet aan de gebruikelijke statistiek mee, ik ga mijn eigen weg. Ze maakte van een gesloten systeem, waar uitsluitend naar voorspelbaarheid op het biochemische vlak werd gekeken, een open systeem waar haar zingeving en wil naar de toekomst een rol speelden. Doordat ze met het Ik intensief present was, veranderde het ziekteverloop. Maar er gebeurde nog iets anders en daarom vooral vertel ik dit verhaal.

Haar man zei “ja” op haar besluit en maakte deze nieuwe instap voor haar mogelijk. Hij stond garant voor de ontwikkeling van de ander.

Deze publicatie deed 15 jaar geleden in de medische wereld nogal wat stof opwaaien. Thans is het idee, dat iemand door zijn innerlijke instelling het verloop van ziekte kan beïnvloeden. al veel meer vertrouwd geworden, (al is het bovengenoemde voorbeeld een uitzondering). Het is een nieuwe mogelijkheid, die pas in de twintigste eeuw bewust is geworden en nog maar sinds kort concreet in de praktijk gebracht wordt.

Het autonoom worden hoort bij het individualiseringsproces, dat een belangrijke rol speelt in het huidige maatschappelijke leven. Iedereen moet in de gelegenheid zijn om zichzelf te ontwikkelen.

Nóg nieuwer is het streven garant te willen staan voor de ontwikkeling van iemand anders. Dat berust op een nieuw besef: dat de mensen in hun ontwikkeling afhankelijk zijn van elkaar. Een ander mens helpt mee aan jouw ontwikkeling. Je kunt het niet alleen. Maar ook omgekeerd: je kunt meewerken aan de ontwikkeling van andere mensen. Je kunt je daarvoor ïnzetten (zoals de echtgenoot van de zieke vrouw uit het verpleegtehuis dat deed). Je kunt daarvoor ruimte maken. Uiterlijk, maar vooral ook innerlijk.

Het voorbeeld, dat me daarbij altijd weer in herinnering komt is Nelson Mandela, die bij het verlaten van de gevangenis (na 26 jaar) zei: ” Ik heb mijn bewakers vergeven”.
Vergeven is een vorm van geven. Mandela, die een nieuwe levensfase inging, maakte zo ruimte voor de mensen die hem aldoor bewaakt hadden, dat ze ook een nieuwe ontwikkeling konden beginnen. Door hen te vergeven.

Het vergeven is een nieuw principe, een jong vermogen in de mensheid. Vroeger – en ook thans nog heel vaak – was het “oog om oog tand om tand”. Dat was het voorchristelijke maatschappelijke principe. Sinds het begin van het Christendom is het principe van de vergeving mogelijk. Anders gezegd: het een ander lief te kunnen hebben als je zelf.

Nog anders gezegd: de ontwikkeling van een ander net zo belangrijk te vinden als je eigen ontwikkeling.

Daarmee hangt samen, dat in de twintigste eeuw ook een nieuw bewustzijn is ontstaan over de werkzaamheid van het lot. Over karma en reïncarnatie.

Vroeger bestond het bewustzijn van reïncarnatie vooral in het Oosten. Het hindoeïstische kastensysteem was alleen te verdragen als je de tijdelijkheid ervan in één incarnatie kon zien. In het boeddhisme kende men de reïncarnatie als het rad van de wedergeboorte en hoopte dat dit spoedig zou eindigen en men in het Nirwana zou komen. Weg van de aarde. Eindigen van het karma.

Maar sinds de negentiende eeuw al kwam er een ommekeer, met name in het Westen. Henri Ford was overtuigd van de werkelijkheid van de reïncarnatie. Hij verlangde naar ervaringen, waardoor hij zich kon ontwikkelen. Dat konden alleen aarde-ervaringen zijn, waar weerstanden overwonnen dienden te worden. Daarvoor was één leven niet genoeg. Wat zich ontwikkelt is het Ik, dat reïncarneert. Maar het heeft het karma op aarde als uitdaging nodig.

Deze nieuwe instelling tot het lot leidde tot nieuwe inzichten in de twintigste eeuw. Rudolf Steiner bracht een uitbreiding van de gezichtspunten over het karma, omdat hij waarnam, dat de mens in de twintigste eeuw tot nieuwe daden in staat was.

Het karma heeft niet alleen het aspect van het verleden – vorige aardelevens, die ons een bepaalde constitutie bezorgen, die ons vermogens maar ook onvermogens geven, gebeurtenissen die het lot arrangeert maar het heeft ook met de toekomst te maken. In de wijze waarop we met de lotsgegevens omgaan, scheppen we nieuw karma. Het karma uit het verleden noemt Steiner het maankarma, het overkomt ons. In het scheppen van het nieuwe karma, door Steiner het zonnekarma genoemd, is de zon opgegaan.

We zien de wereld om ons heen in vrijheid. Maankarma en zonnekarma zijn niet los van elkaar. Het verleden en de toekomst ontmoeten elkaar in het snijpunt van het nu. En daar speelt zich het lot in het bewustzijn af. We kunnen de situatie die we aantreffen als kans, als iets wat ons wordt aangeboden, waarnemen. Onze constitutie, onze al dan niet begaafdheden, maar ook de gebeurtenissen die op ons toekomen, kunnen we als mogelijkheden, als opstap beschouwen.

“Today is a gift, that’s why we call it present”.

Het gaat niet alleen om het aflossen van een schuld van vroeger of het aanvullen van een tekort (om het afrekenen met het verleden), maar de mogelijkheid bestaat om nieuwe kiemen te leggen, om iets nieuws, iets extra’s te scheppen.

Dat is mogelijk geworden door twee feiten. Rudolf Steiner heeft die twee gegevens waargenomen. Hij heeft het niet uitgevonden of bedacht, maar gezien, dat er nieuwe potenties waren in de mensheid.

Het eerste gegeven is, dat het bewustzijn van alle mensen is gegroeid. Het Ik is in functie getreden en kan creatief handelen. Niet alleen bij enkelingen, bij iedereen en mondiaal. De bewustzijnszon van de individuele mens is gaan schijnen. Dat is de vrucht van het individualiseringsproces.

Het tweede feit is dat er in de mensheidsge schiedenis veranderingen zijn opgetreden. Het tijdperk van Mozes met de stenen tafelen met de tien geboden en het principe “oog om oog en tand om tand” is afgelopen. Het heeft plaats gemaakt voor de komst van Christus, die het principe van het vergeven bracht en die voor het mensen-Ik nieuwe mogelijkheden heeft geschapen. Het met Christuskracht vervulde Ik wordt wakker voor zijn medemens. Het individualisme moest bereikt worden. Het hoort bij deze tijd. Het krijgt zijn zinvolle vervolg in het “Heb uw naaste lief als u zelf”.

Door de Christuskracht kan de individuele mens er naar streven zich met steeds meer mensen te verbinden. Veel hangt er van af, hoe men vanuit de eigen kern handelt. Of men voor zichzelf daden verricht of probeert deel te zijn van een groter geheel. Men kan zijn handelen in dienst stellen van een gemeenschap, en die kan steeds groter worden. Eerst de eigen groep, dan het instituut, dan de heilpedagogische beweging als zodanig.

Tenslotte kan men zijn werk in dienst stellen van een tijdperk. Dan is de groep voor wie men werkt zo groot geworden als de mensheid. Dan kan de inspiratie van een nog hoger wezen dan een aartsengel komen. De tijdgeest kan werkzaam worden.

Door te leven met de vragen van de tijd creëer je een nieuw netwerk. Je legt verbindingen met andere mensen in de wereld- Dat net is geweven uit nieuwe draden. En die nieuwe draden zijn geweven uit het besef, dat het sociale leven op karmawetten berust. Maar het is een karmarealiteit, die geen gesloten systeem meer is, maar een open systeem is geworden. De individuele mens kan er initiatieven in nemen en de andere mens kan daarop ingaan door er ruimte voor te maken of er aan mee te doen.

Je kunt met vreugde als tijdgenoot in het nu present zijn door vanuit het nieuwe bewustzijn voor het karma te werken. Dat is in het algemene leven van betekenis, maar het is ook mogelijk in de diverse sectoren van het leven, in de pedagogie, in de geneeskunde en zeker in de heilpedagogie.

Je kunt je altijd afvragen bij de kinderen waarmee je werkt en die problemen hebben: hoe kan ik dit leven vanuit het karma begrijpen? Wat is het kind van plan, wat is de bedoeling van zijn hogere wezen om zich met deze handicap te willen uiteenzetten? Dat is een vraag, die vooral naar de toekomst is gericht. Welke krachten worden in deze stuwing, die door de belemmering wordt veroorzaakt, gewekt? Eventueel zullen die krachten pas in een volgend leven gebruikt kunnen worden. En in die zin is het werken met de karmagedachte het werken met de krachten van de hoop op de toekomst.

Samenvattend: wanneer je in de individuele terugblik zoekt naar de onbedoeld gelukte handelingen, wanneer je als gemeenschap door onderzoek je telkens vernieuwt, en wanneer je als tijdgenoot door het nieuwe venster van het karmabewustzijn naar het leven probeert te kijken, dan kun je met vreugde in het heden present zijn. Daarmee ontstaat de mogelijkheid, dat een verbinding gelegd wordt met de individuele engel, met een wezen uit de aartsengelenwereld en tenslotte met de tijdgeest.

Joop van Dam,  arts (nadere gegevens onbekend

Voordracht 09-10-1918
Vertaald

Prof. Dr. MJ.de Vries, “Crisis en transformatie, lessen van wonderbaarlijke patiënten”, Medisch Contact. 13 juni 1986.

burn-out

889

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/8)

RITME DRAAGT HET LEVEN

Pas in de laatste decennia* worden ritmische verschijnselen systematisch onderzocht. Tegenwoordig wordt het ritme als
zelf­standige factor, die intensief op bijna alle biologische processen inwerkt, algemeen erkend en er bestaat zelfs een omvangrijke li­teratuur over.

Het duidelijkst zijn ritmische processen in astronomisch verband te bestuderen: daar openbaart zich zonder meer het wezen van het ritme. Het gaat om de doorlopende herhaling van iets dat echter nooit precies hetzelfde blijft. Bij een planeet bijvoorbeeld is de omloop nooit precies dezelfde als de vorige, de verhoudingen variëren steeds en toch voltrekt het geheel zich soepel in volmaakte harmonie.
Kepler heeft deze hogere wetmatigheden onderkend en zijn voornaamste werk ‘Harmonices Mundi’ genoemd.
In de kosmos vindt nooit een herhaling van hetzelfde plaats, dat zou men ‘maat’ moeten noemen, terwijl ‘ritme’ is: herhaling van een motief dat nooit ten volle aan zichzelf gelijk blijft.
‘Maat herhaalt, ritme hernieuwt (L. Klages). Maat is de voortdurende herhaling van hetzelfde, ritme het doorlopend modificeren van een be­paald gegeven. In een ritmisch proces heerst daardoor harmonie die mogelijkheden tot nieuwe ontwikkeling openlaat, terwijl bij maat weliswaar (door herhaling van hetzelfde) grotere ‘exactheid’ ontstaat, maar tege­lijkertijd verstarren en vastleggen: een proces wordt bevroren in een toestand die zichzelf gelijk blijft en wordt daarin gefixeerd. Maat leidt tot isolatie uit een bepaald verband, tot het volgen van eigen wetten, terwijl ritme in harmonie is met alles wat leeft. Maat is ge­storven ritme. Daardoor werkt maat ver­moeiend, werkelijk ritme bezielend. En daarom hoort maat bij een mechanisch, ritme bij een levend systeem.
Op elk levensgebied is een afspiegeling van het kosmische ritme te vinden. Ritme zelf is – zoals warmte – half geestelijk: het is weliswaar stoffelijk  waarneem­baar, maar naar zijn wezen is het immateri­eel, waardoor het een bovenzinnelijk principe kan dragen. Ritmische processen zijn noch in de natuur, noch in de mens iets stoffelijks. Men zou ze half-geestelijk kunnen noemen. Het stoffelijke als zodanig gaat op in het ritmische gebeuren’. ‘Het ritme heeft door de geest in de materie wortel gescho­ten; de mens draagt het ritme in zich als er­fenis van zijn geestelijke afstamming’.
Intussen bestrijkt het samengaan van biologisch-organische en kosmische ritmen een zeer groot gebied van onderzoek.
Tot voor kort werd het afhankelijk-zijn van de maan in het  voortplantingsritme van vele lagere dieren niet au sérieux genomen, terwijl daar tegenwoordig niet meer aan getwijfeld wordt.

De kosmisch-planetarische invloeden op de plantengroei zijn weliswaar onweerlegbaar bewezen, maar daar is veel minder van bekend.
Voor de mens ligt het anders, door­dat de totale zowel als de individuele
ont­wikkeling ritmisch verloopt. Daarbij gaat het om tijdsgolven van zeer lange en om tijdsgolven van korte duur. Aan de eerste groep wordt tegenwoordig weinig aandacht besteed.

Het langste kosmische interval is het plato­nische wereldjaar (de tijd waarin de richting van de aardas de dierenriem doorloopt) van gemiddeld 25.920 jaar. Rudolf Steiner heeft er op gewezen dat dit getal in de levensloop van de mens ook weerspiegeld wordt: een volwassen mens in rust doet gemiddeld 18 ademhalingen in de minuut, dat is in een uur 1080 en in 24 uur 24 x 1080 is 25.920 adem­halingen. Gaat men bij de mens uit van een gemiddelde levensduur van 71 jaar en van een jaar van 365 dagen, dan blijkt dat de mens gemiddeld 365 x 71 is 25.915 dagen leeft. In deze tijd beleeft hij dus het slaap-waak-ritme evenveel keren als in een et­maal het ademritme. Deze samenhang is geenszins alleen uiterlijk maar stemt overeen met het incarnatieproces: in iedere in-ademing is een incarnatie-tendens aanwezig, zoals iedere uitademing met een excarnatie overeenkomt. En zo is het wakkerworden ’s morgens een incarnatieproces, het inslapen een uittreden van het Ik uit het lichaam.
Er bestaat dus een inner­lijke verwantschap tussen het ademhalings­ritme en het slaap-waak ritme: het incarnatieproces, dat wil zeggen de verhouding van de mens tot de aarde drukt zich in beide uit. De mens is een afspiegeling van het kos­misch gebeuren; als microkosmos draagt hij de wetten van de macrokosmos in zich.
De kortere ritmen zijn makkelijker te her­kennen: de menstruatiecyclus van 28 dagen is zonder meer een maanritme, zoals über­haupt de voortplanting met de maan samen­hangt. Op het – ten dele zelfs buitengewoon ‘betrouwbare’ verband tussen voortplanting en maanritme bij lagere dieren werd al eer­der gewezen. Het menstruatieritme loop echter niet meer synchroon met de maancyclus. Er voltrekt zich een verinnerlijking en daarmee een loskomen van het kosmische systeem: het verschijnsel vertoont nog wel zijn oorsprong en zijn karakter, maar het is zelfstandig geworden en is niet meer direct afhankelijk.

Het ritme dat zonder twijfel het beste waargenomen kan worden en dat dan ook tot nu toe het meest bestudeerd is gewor­den, is het zogenaamde circadiane ritme, de periode van 24 uur. Het daglicht werkt onder normale omstandigheden o.a. als ‘tijd­wijzer’ (Aschoff), zodat het endogene (van binnen uit veroorzaakte) ritme en het dagritme streng gecoördineerd zijn. Ook hier heeft de mens echter een eigen ritme van ca. 24 uur, dat bijvoorbeeld bij doorlopende verlichting of bij doorlopende duisternis au­tonoom ‘doorloopt’. De mens is dus in hoge mate aan het zonneritme gebonden, maar aan het maanritme heeft hij zich enigszins onttrokken.

Hier treedt nu reeds een wezenlijk verschil tussen mens en dier aan de dag, want juist de lagere dieren vertonen nog duidelijk de
af­hankelijkheid van de maan, terwijl de mens dit ritme verinnerlijkt en zelfstandig heeft gemaakt. Daardoor is hij vrij geworden van het kosmische oerbeeld, wat men moet zien als een schrede vooruit in de ontwikkeling. Een zeker verband moet echter wel bewaard blijven, want als de mens zich volledig ten opzichte van de kosmos zou isoleren, zou hij zich ook voor de krachten van het leven af­sluiten. De ‘Levensboom’ moet onaangetast blijven, moet in hoge mate aan individueel ingrijpen worden onttrokken, terwijl de ‘Boom der Kennis’ door de mens kan wor­den benaderd. Vandaar dat lichamelijke pro­cessen in sterke mate in een natuurlijk ritme moeten verlopen, terwijl de mens vanuit zijn Ik onritmisch kan leven en vrijwillig de harmonie van zijn organisme kan doorbre­ken, waarmee hij het dan ‘verstoort’.
Tot op zekere hoogte is dit ook nodig. Hoe meer de menselijke levensomstandigheden naar het geestelijke gingen tenderen des te meer moesten de lichamelijke processen hun orde­ning prijsgeven.

De mens handelt vanuit zijn Ik en probeert met min of meer succes zijn zielenroerselen te beheersen, maar hij kan niet direct, dat wil zeggen wilsmatig, op zijn levensfuncties in­werken. Die verlopen dan ook ‘vanzelf’ met de wijsheid en de wetmatigheid die zij mee­gekregen hebben.

Bij alle functies die dichter bij het bewust­zijn liggen – zoals het ritme van slapen en waken – kan het natuurlijke verloop zonder meer worden verbroken. De ‘dieperliggende’ biologische ritmes echter – zoals dat van de lever – kunnen niet bewust worden beïn­vloed, zij zijn niet omkeerbaar door middel van een andere levenswijze: de natuurlijke fase is bestendig.
Sedert onheuglijke tijden heeft men ervaren dat de slaap vóór
midder­nacht de meest gezonde is; tegenwoordig worden op dit gebied ook waarnemingen ge­daan bij arbeiders die in ploegen werken. Het voorgaande kan op deze laatste voorbeelden een verhelderend licht laten vallen. Daar de regeneratie altijd uitgaat van het ether- of levenslichaam, en bij de mens de ritmische processen aan een regulatiesysteem zijn on­derworpen, is hij in staat om jarenlang nega­tieve invloeden op te heffen. Überhaupt is men pas de laatste decennia opmerkzaam ge­worden op de invloed van het onritmische of zelfs a-ritmische leven dat de huidige beschaving met zich meebrengt, zoals
bij­voorbeeld in sterke mate bij nachtarbeid het geval is. In de toekomst zal zeker meer aan­dacht moeten worden geschonken aan de be­tekenis van gestoorde ritmen, vooral met betrekking tot het ontstaan van chronische ziekten.

Iedere vorm van onritmisch leven, dus ook ordeloos denken, voelen en willen, stoort het innerlijke ritme en daarmee de gezondheid. De mens heeft zich dus  geëmancipeerd van de gegeven innerlijke orde, waarin hij oorspronkelijk als het ware ingebed was. Daar­mee heeft hij deze orde geschonden, maar zijn vrijheid bevochten. ‘Onze tijd wordt bij uitstek gekarakteriseerd door het feit dat het oude – uiterlijke – ritme verloren is gegaan en dat nog geen nieuw innerlijk ritme is ge­vonden. Wij zijn aan de natuur ontgroeid en nog niet in de geest ‘ingegroeid’.
De mens moest, om zijn vrijheid te veroveren, het oor­spronkelijke ritme loslaten. Maar in zich­zelf moet hij weer de wetten vinden, waar­naar ‘het uurwerk’ (zijn astrale lichaam) ge­regeld kan worden. In het huidige tijdperk heeft hij geen innerlijk denkpatroon, geen in­nerlijk gedachtenritme, en de mensheid zou volkomen in verval geraken, als zij zich niet een innerlijk ritme eigen zou maken’.
In vrijheid een innerlijke orde op hoger niveau te scheppen is een opgave voor deze tijd; deze opgave is niet te volbrengen zonder in­zicht in de verhouding van de mens tot de kosmos en tot de geestelijke wereld.

Onbewust voltrekt zich deze verbinding in de slaap: het organisme wordt ‘aan zichzelf overgelaten’. Het is in de slaap niet langer onderworpen aan de impulsen van het Ik zo­als dat bij wakker bewustzijn het geval is. Tijdens de slaap zijn veel wijzere impulsen en machten aan het werk, die het menselijk or­ganisme weer opbouwen, dat wil zeggen re­genereren: ’s nachts voltrekt zich het herstel­len van de orde, de genezing. Overdag echter wordt – uitgaande van het Ik – deze orde voortdurend verstoord. Tot op zekere hoogte is dit nodig, maar het mag niet leiden tot verwoesting. Wanneer namelijk de natuurlij­ke ritmen voor een of andere prestatie worden gebruikt, voert dit zelfs tot een ver­hoging van die prestatie. Dit nu is het geheim van ‘het juiste ogenblik’, waarvoor men nog in het oude Griekenland het begrip kairos had. Modern uitgedrukt zou men kunnen zeggen, dat handelen en werken van de mens met biologische en kosmische ritmen zou­den moeten overeenstemmen. Dit zou niet alleen een ontlasten, een verlichten ten ge­volge hebben, maar ook een economischer gang van zaken en een meer harmonische levenswijze.

In zeer oude tijden bijvoorbeeld werd vanuit een zekere oer-wijsheid het weekritme ge­schapen als afspiegeling van het zevenvoudig planetarisch beeld en werden de kosmisch georiënteerde jaarfeesten vastgesteld. Hoewel het jaar-, maand-, en dagritme bij de mens niet is te overzien en bijna ieder orgaan tot in onderdelen van een seconde een min meer typerend ritme heeft, kan men toch het ritmisch proces het duidelijkst beleven in ademhaling en hartslag. Er werd reeds eerder op gewezen, dat de mens zich onafhankelijk heeft gemaakt van het kosmische maanritme en zijn eigen maanritme zelfstandig heeft doen worden. Dit was mogelijk doordat hij hiervoor een or­ganisme bezit: het ritmische systeem. Dit systeem heeft een zekere eigen wetmatig­heid, zodat de ritmen een zelfstandig ver­loop kunnen hebben en niet beslist van een ‘tijdwijzer’ afhankelijk zijn. Door middel van het ritmische systeem slaagt het organisme erin de ontregeling van het biologische pro­ces, die door inspanning, onritmische le­venswijze enz. is ontstaan, weer te ordenen. Daarmee is de voorwaarde voor de vereiste harmonie gegeven – en ook de mogelijkheid tot genezing.

Ook al is het verloop van bijna alle levens­processen ritmisch, toch zijn er organen, die hun ritme duidelijk demonstreren: lon­gen en hart zijn de typische representanten van het ritmische systeem. Hoewel ook hier afhankelijkheid van uiterlijke omstan­digheden kan voorkomen (gevoeligheid voor het weer bij astmalijders, hartbezwaren bij weersverandering enz.), zijn deze orgaanfuncties meer naar binnen georiënteerd en op elkaar afgestemd. Het ritmische sys­teem staat in zoverre tussen zenuw-zintuig­systeem en stofwisselingssysteem in, dat het afwisselend voor beide impulsen openstaat. De samentrekkende dynamiek, die de ten­dens van het zenuwstelsel karakteriseert, kan men terugvinden in het inademen en in de systole; de uitzettende dynamiek van de stofwisseling in het uitademen, respectievelijk de diastole. Longen en hart richten zich dus afwisselend op het zenuw-zintuig-stelsel en op het stof­wisselingsstelsel. Dit proces voltrekt zich echter bepaald niet passief; met het wisse­lend waarnemen van deze impulsen is een reactie verbonden, dus een actief antwoord in de zin van uitbalanceren en aanpassen aan wat vereist wordt. Zowel van het zenuw-zin­tuigstelsel als van het stofwisselingsstelsel gaan ziekmakende tendensen uit (namelijk sclerose en ontsteking). Deze worden door het ritmisch systeem waargenomen en actief beheerst, getemperd, d.w.z. in principe genezen.

Hier ligt de diepe betekenis van de zin: ‘Ritme draagt het Leven’. Daarom ook is het ritmisch systeem drager van de gezond­heid.
Van het ritmisch systeem gaan de ge­nezende krachten uit; Rudolf Steiner noemt het gehele ritmische systeem een arts. Drager van de gezondheid dus, terwijl van de beide andere systemen ziekmakende tendensen uitgaan.
Niet alleen vanwege de ligging, maar ook vanwege de activiteit staat het ademritme dichter bij het zenuw-zintuigstelsel, en de polsslag dichter bij het stofwisselingssys­teem. Daardoor is de verhouding tussen pols­slag en adem bij uitstek een indicatie ten opzichte van het herkennen van de
gezond­heidstoestand, respectievelijk van de ziekte-aanleg van de mens, een verschijnsel dat in­tussen door Hildebrandt nauwkeurig is bestudeerd.

Er is hier sprake van een geordend verband, een ‘ritmische ordening van functies’, een ‘ritmisch systeem’. Het gaat daarbij om een endogene factor, die verband houdt met de menselijke structuur voor zover die in de tijd tot uiting komt. Het leven van de mens in de tijd echter, zijn ‘tijds-gestalte’ zou men kun­nen zeggen, is uitdrukking van het levens-of etherlichaam.
Maar hierdoor alleen komt het ritme niet tot stand.

Hoe ontstaat ritme?
Als wind over water waait ontstaan er gol­ven, die alle kenmerken van ritme verto­nen; iedere golf lijkt in hoge mate op de an­dere, maar is er nooit helemaal aan gelijk. Hetzelfde fenomeen doet zich voor als water over zand stroomt, ook hier een zichtbaar geworden ritme.

Dit fenomeen kan men eindeloos op de meest verschillende gebieden waarnemen. De strijkstok die de snaren aanstrijkt veroor­zaakt trillingen evenals de luchtstroom van de adem in een fluit die een luchtkolom in trilling brengt.

Aan al deze verschijnselen ligt ten grondslag dat iets dat in beweging is, in relatie treedt tot iets dat in rust (of betrekkelijk in rust) is. Hierdoor wordt een toestand van labiliteit geschapen die de mogelijkheid opent tot het inwerken van bepaalde krachten. Golven en tonen zijn plastisch en kunnen daardoor een kracht van hogere orde dragen. In de mens ontstaat door samenwerken van zenuw-zin­tuig- en stofwisseling-ledematenstelsel het ritme. Hun dynamiek is verschillend. Tegenover het relatief in rust verkerende
ze­nuwstelsel staat het stofwisseling-ledematen­stelsel dat voortdurend in beweging is. De bewegingen van deze beiden verhouden zich tot elkaar als 1:4. Het ritmische systeem met als voornaamste organen longen en hart, staat daar actief tussenin, men zou kunnen zeggen: als bemiddelaar.
Plato heeft iets aan­gevoeld van het ingeschakeld-zijn van het hart in de polariteit van zenuw-zintuig en stofwisselingsysteem, toen hij het
karakteri­seerde als bron van het bloed, als wachter ze­telend in het midden, tussen hoofd- en be­geertecentrum.

Het samenspel van longen en hart drukt ener­zijds de overwegende tendens van een van beide systemen uit; anderzijds begint van hieruit een nieuwe ordening. In deze gedachtengang kan men de functie van het ritmisch systeem zien als het verlenen van indicatie en genezing beide. Hij maakt het de mens mogelijk om vanuit een min of meer ongeordend psychisch beleven tot een nieu­we evenwichtstoestand te komen.

(Otto Wolf, arts. Jonas 6 18-11-1977)

 

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over gezondmakend onderwijs (1)

Op een weblog van een maniakale criticaster is , zonder mijn toestemming – de integrale tekst van dit artikel overgenomen onder ‘Vrije School, pedagogisch-didactische achtergronden van Pieter Witvliet’.
Ik heb dus niets met die blog van doen en ook niet met de eventueel gemanipuleerde tekst.

.

De klein gedrukte tekst is het Duits van Steiner – de vertaling is van mij en volgt daar steeds op – in zwart. De tekst in blauw is van mij.

Rudolf Steiner heeft in verschillende pedagogische voordrachten gesproken over ‘gezondmakend’ onderwijs. Omdat er in het Duits sprake is van o.a. ‘heilen’ zijn er vertalingen gebruikt als ‘helend’ opvoeden en ‘genezend’ opvoeden. Wat bedoelde Steiner met dit ‘helende, genezende, gezondmakende’.

‘Vorerst möchte ich Sie aber darauf aufmerksam machen, daß ja unsere ganze Waldorfschul-Pädagogik einen therapeutischen Charak­ter trägt. Die ganze Unterrichts- und Erziehungsmethode selbst ist ja daraufhin orientiert, gesundend auf das Kind zu wirken. Das heißt, wenn man die pädagogische Kunst so einrichtet, daß in jeder Zeit der kindlichen Menschheitsentwicklung das Richtige getan wird, dann ist in der Erziehungskunst, in der pädagogischen Behandlung der Kinder etwas Gesundendes.’

Ik zou u er allereerst op willen wijzen dat al onze vrijeschoolpedagogie een therapeutisch karakter draagt. Heel de onderwijs- en opvoedingsmethode zelf is er op gericht dat deze een gezondmakende (gesundend) invloed op het kind heeft. Dat betekent wanneer je de pedagogische kunst zo vormgeeft dat op ieder ogenblik in de ontwikkeling van de menswording van het kind het juiste wordt gedaan, dat dan  in de opvoedkunst, in het pedagogisch omgaan met de kinderen iets gezondmakends zit. [1]

Steiner zegt hier ‘al het onderwijs’. Dat houdt in dat dit voor alle kinderen geldt. Kinderen leven o.a. in beweging, ritme, fantasie enz. Deze aspecten in je onderwijs verwerken, geeft iets levends, iets stimulerends in de levenskrachten van de opgroeiende kinderen. Tegelijkertijd gaat het Steiner ook om het individuele kind – hoe gedijt dat. Daarover zegt hij:

Dazu ist es notwendig, daß man eine Möglichkeit sich aneignet, aufmerksam zu sein, wie die Kinder sich äußern, so daß die Äußerung dann für einen gewissermaßen die Offenbarung wird, was man mit dem Kinde zu tun hat, um es völlig harmonisch gesund zu bekommen.

Daarvoor is het noodzakelijk dat je mogelijkheden vindt, erop te letten hoe de kinderen zich uiten, zodat dit uiten dan een soort uitdrukking wordt voor wat je met het kind moet doen om het helemaal harmonisch gezond te maken.’[1]

Hier gebruikt Steiner het woord ‘harmonisch’, later ook ‘evenwicht’ ;zonder deze begrippen mis je de essentie van het ‘helen’ en ‘genezen’. Zonder deze sleutelwoorden ligt een volledig verkeerd interpreteren van ‘helen’ en ‘genezen’ op de loer en komen sommigen tot de meest belachelijke conclusies, dat de vrijeschool de kinderen  ‘ziek’ vindt – ze moeten immers worden ‘genezen’.

Normaal, ziek, gezond
Wanneer de term ‘normaal’ wordt gebruikt, gaat het om ‘evenwicht’. Bij gezond- of ziekzijn eveneens. Wat het precies is, is niet zo eenvoudig te omschrijven. Er is een bepaalde ‘bandbreedte’ – die ook nog eens sterk van de persoonlijkheid en de persoonlijke omstandigheden afhangt. Wanneer de ene mens zich ‘niet lekker’ voelt, spreekt de ander van  ‘voel me ziek’. Aan de andere kant kun je je heel lekker in je vel voelen zitten. Zo kun je ingetogen leven en zeer uitbundig. Wanneer je over deze aspecten langer nadenkt, zul je steeds vinden, dat ‘normaal’ iets is dat begrensd wordt naar 2 kanten – ga je die grens over, dan komt ‘abnormaal’ dichterbij – ook gezondheid heeft een grens; ga je die over, dan ben je ‘minder gezond’ – totdat je bij ‘echt ziek’ terechtkomt.
Ieder mens, waar verder ‘niets mis’ mee is, balanceert tussen de uitersten van het ‘normale’; tussen de uitersten van  het ‘gezonde’. En iedere dag opnieuw. Wij bevinden ons steeds in een ‘wankelbaar evenwicht’. In een ‘kwetsbare harmonie’, zou een andere uitdrukking kunnen zijn.

Man betrachtet ja heute Gesundheit und Krankheit eigentlich als zwei Gegensätze. Der Mensch ist entweder gesund oder krank. Aber so ist überhaupt die Sache gar nicht, ihrer Realität, ihrer Wirklichkeit nach gedacht. So ist es gar nicht. Gesundheit und Krankheit stehen nicht etwa einander polar entgegen, sondern das Gegenteil der Krankheit ist etwas ganz anderes als die Gesundheit

Tegenwoordig beschouwt men gezondheid en ziekte eigenlijk als tegenovergesteld. De mens is òf gezond, òf hij is ziek. Maar dat is geen gedachte die overeenstemt met de realiteit. Zo is het helemaal niet. Gezondheid en ziekte staan niet polair tegenover elkaar; het tegendeel echter van ziekte is iets heel anders dan gezondheid. [2]

Nehmen Sie die Sache selbst sprachlich. Wenn Sie das Verbum bilden von krank, so haben Sie kränken; kränken: Schmerz bereiten. Nehmen Sie ein Zeitwort, das das polarische Gegenteil bedeuten würde, so hätten Sie:Lust bereiten. Und zwischen diesen zwei Extremen, zwischen dem Kranksein und Lustvollsein, muß der Mensch das Gleichgewicht halten. Das ist die Gesundheit. Der Mensch hat nicht die polarischen Gegen­sätze Krankheit und Gesundheit, sondern Krankheit und einen ganz anderen polarischen Gegensatz, und die Gesundheit ist der Gleichge­wichtszustand, den wir uns fortwährend organisch bemühen müssen zu erhalten. Wir pendeln gewissermaßen hin und her zwischen Kranksein und innerlich Lustvollsein, organisch lustvoll sein. Das Gesundsein ist der Gleichgewichtszustand zwischen den beiden Polaritäten. Das ist die Realität.

Bekijk de zaak eens vanuit de taal. Wanneer je een werkwoord maakt van (Duits) krank’, dan krijg je kränken; (‘pijn berokkenen. Dit zit in ons woord ‘krenken’.)  Neem een werkwoord dat daar polair aan is, dan krijg je lust (zoals in ‘het is mijn lust en mijn leven!) En tussen deze twee extremen, tussen dit ‘kranksein’ en het ‘lustvolle’ moet de mens het evenwicht bewaren. Dat is gezondheid. De mens heeft niet de tegenstelling ziekte en gezondheid, maar ziekte en een heel andere polariteit, en gezondheid is het evenwicht waarvoor wij steeds moeite moeten doen om dit organisch* te bewaren. In zekere zin pendelen we heen en weer tussen ziekzijn en innerlijk ‘organisch* lustvoll (goed in je vel.) Gezondheid is het evenwicht tussen beide polariteiten. Dat is de realiteit.[3]

*Organisch heb ik hier gewoon overgenomen. Vanuit de grotere context blijkt dat dit letterlijk genomen moet worden – vanuit een orgaan.

Die Krankheit hat eine Polarität, die eigentlich darinnen liegt, daß das einzelne Organ gewissermaßen aufgesogen wird vom Gesamtorga­nismus und zu seiner besonderen Wollust, zu seiner besonderen inneren Befriedigung beiträgt. Ein, ich möchte sagen, Überlust-Erlebnis ist eigentlich der polarische Gegensatz der Krankheit,

De ziekte heeft een polariteit die er eigenlijk uit bestaat, dat het orgaan op zich in zekere zin door het totale organisme wordt opgezogen en tot een bijzonder lustgevoel, tot een bijzondere innerlijke tevredenheid bijdraagt. Een, ik zou willen zeggen – bovenmatige lustbeleving is de eigenlijke tegenstelling van ziekte. [3]

Ik vind dit een interessant gezichtspunt. Ik denk dat ik niet de enige ben die gezondheid beleeft als een ‘midden’ met aan de randen naar de ene kant dat het slechter tot slecht met je gaat – lichamelijk, maar ook in je stemmingen – en heel goed tot opperbest. Je mankeert niets, je voelt je gezond, je hebt overal zin in; of je bent een dag niet vooruit te branden; en zou ‘hemelhoog juichend tot dodelijk bedroefd’ niet ook die randen aangeven? Een bijkomstig interessant detail is nog dat ‘ziekte’ etymologisch teruggaat naar ‘zuigen’ (Middelnederlands sûken, Oudengels sûcan)

Gezondheidstoestand van het kind

‘Es ist für den Lehrer und Erzieher eben in hohem Grade wichtig, daß er den Gesundheitszustand des Kindes in einem gewissen Sinne voraussieht und prophylaktisch wirken kann.

Het is voor de leerkracht en opvoeder nu juist in hoge mate belangrijk dat hij de gezondheidstoestand van het kind in zekere zin in een vooruitziende blik heeft en profylactisch kan werken. [4]

Wanneer we gezondheid dan opvatten als een evenwichtstoestand, dan is de vraag wat je als pedagoog voor dit evenwicht kunt doen en als we bv. het vierledige mensbeeld als uitgangspunt nemen, spitst die vraag zich toe: wat kun je voor het lichamelijk evenwicht doen, voor de levenskrachten, voor de ziel en voor het Ik.

[1] GA 300b blz. 257
[2] GA 304 blz. 75
[3] GA 304 blz.76
[4] GA 300b blz 261  .

deel 2

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – Ritme (3/7)

Het ware element van het midden

Neiging tot ziekte wordt overwonnen

Het woord ritme roept in de mens verschillende voorstellingen op. Bij de
mu­sicus zullen deze anders zijn dan bij de technicus, bij de huisvrouw anders dan bij de dokter. Een gesprek over dit onderwerp eindigt dan ook vaak met de vaststelling: „het leven is tegenwoordig* zó onritmisch”.
Ritme, harmonie en gezondheid zijn begrippen, die dicht bij elkaar liggen. Een ritmische gang, het juiste ritme van bezigheid en rust, van waken en sla­pen gelden als uitdrukking van de gezondheid.
Wanneer we ons hierin verder verdiepen, zullen we langzamerhand het ritme overal in ontdekken: in de loop van de sterren aan de hemel, in het verloop van de dag, in het natuurproces – in het hele menselijke leven. Hoe meer we van de kosmos en de natuur over­stappen naar het werkelijke mensenrijk, des te meer zullen we moeten vast­stellen, dat dit element gaat ontbreken.

Hierbij wordt een principiële opmerking noodzakelijk. Wij mensen van deze tijd moeten ons steeds sterker bewust worden van onze algemene en
persoon­lijke levenssituaties, alsook van onze gewoonten. Een leven dat slechts in­stinctief de gewone banen volgt, wordt steeds minder bevredigend.
We kun­nen daaruit de conclusie trekken, dat ook het element „ritme” opnieuw door ons wakende dagbewustzijn veroverd moet worden. En daarbij kan dan een zekere vreugde aan de ontdekkingen die we maken beleefd worden: de bit­tere ernst van de huidige situatie, van de zozeer onritmische toestanden van ons leven. Als we daarover nadenken, zullen we bijna dagelijks iets nieuws kunnen vinden. Aan planten, dieren, gebruiksvoorwerpen en vele andere
din­gen zullen we ritmische vormen of processen onderkennen.
Wie denkt er b.v. aan, dat bij het gebruikelijk weven van stoffen een ritmische bezigheid vol­trokken wordt en dat het weefsel, wanneer het klaar is, een vermenging van schering en inslag is, die ook weer heel verschillend gehanteerd kan worden.
Misschien zijn we op zekere dag verrukt over de harmonische vorm van kla­verzuring, met zijn hartvormige drieklank, of over het blad van een
bosaardbei.
Wie zich interesseert voor menskunde, zal het ritme van de wervelkolom of van de borstkas bewonderen.
De natuurliefhebber kijkt naar de wolken­vormen, de meander van het natuurlijk verloop van een rivier, de jaarringen aan boomstammen, ieder die belangstelling heeft voor dergelijke vragen over het bestaan zal tenslotte tot zijn verbazing leren inzien, dat men daarbij een zeer veelomvattend levenselement ontmoet.

Daarmee komen we op ons oor­spronkelijke thema terug met de vraag: hoe ontstaat ritme en wat is de bete­kenis daarvan?

Nadat we onze blikken vooral naar buiten hebben gewend, richten we onze aandacht nu naar binnen. We ontdekken ons denkende bewustzijn als „waar­nemingsorgaan” voor het rijk der ideeën. Hier kan de door Rudolf Steiner uit­gesproken idee van de drieledigheid van het menselijke organisme een licht werpen op het thema zoals dat tot nu toe is behandeld.

Deze idee laat aan de lichamelijke organisatie van de mens zien, hoe daarin drie krachtprincipes werken, die de grondslag leggen voor het inwerken van denken, voelen en willen als de functies van de menselijke ziel en geest. Om­dat dit thema in de Weleda Berichten reeds vaak werd behandeld, zij hier volstaan met het volgende schema:

ritme

We kunnen het ritme zien als een evenwicht scheppend principe in de mens en de natuur, maar daar bovenuit brengt het nog een „Steigerung” tot stand. De polariteiten beweging en rust, uitzetten en samentrekken of in het ziele-gebied sympathie en antipathie kunnen klaarblijkelijk alleen maar tot uitersten leiden.
Onze ziel voelt een soort van uitzichtloosheid, wanneer ze zich voor­stelt dat beweging of ook rust steeds maar zouden culmineren. Op het zielengebied zou dezelfde situatie ontstaan met betrekking tot sympathie en anti­pathie. Waar zouden ze tenslotte toe moeten leiden dan tot een uiteinde­lijke oplossing of tot vernietiging? Of wanneer we dit aflezen aan het mense­lijke organisme: het eenzijdig werken van het zenuwzintuigstelsel zou tot een volledige verharding van de vorm en verstarring en het eenzijdig werkende stofwisselings-ledematenstelsel tot oplossing van het menselijke organisme moeten leiden, ware het niet, dat tussen deze beiden het ritmische stelsel met het hart en de longen onophoudelijk genezend werkzaam is.

Het ware element van het midden
Het ritme blijkt dan ook niet alleen een evenwicht scheppende,
harmoniseren­de factor te zijn, maar een genezend proces, dat als een „openbaar geheim” (Goethe) de ontwikkeling van mens en wereld doortrekt. Het overwint zelfs de in de polariteiten als mogelijkheid liggende neigingen tot ziekte, die — zoals we zagen— alleen maar tot verstarring, oplossing of vernietiging kunnen leiden en die de mens in de wereld voortdurend bedreigen.

Ritme is het ware element van het midden, dat steeds bereid is te overwin­nen, te harmoniseren en om te vormen. De mens die naar inzicht streeft ziet daarin een centrale kracht, die hem zijn menselijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar die ook als zichtbaar en tegelijk verborgen element in de hele natuur en de kosmos werkzaam is. De geboorte van een dergelijk idee in de menselijke ziel kan ervaren worden als een beleven van licht, juist in een tijd, waarin het jaarritme ons voert naar het Kerstgebeuren.

(Dr. J.Kaufmann, Weledaberichten nr.88, *dec. 1970)

 

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/6)

mensenwereld

ritmen in en buiten de mens

Het meest opmerkelijke ritme in de natuur is wel het ritme van dag en nacht. Met het op­gaan van de zon ontwaakt ook de natuur; in het voorjaar horen we bijvoorbeeld het veelstemmige concert van de vogels. De mens en de meeste hogere dieren ontwaken, bloemen gaan open voor het zonlicht. ’s Avonds verstomt langzamerhand het lawaai van overdag. Veel bloemen gaan dicht. Mens en dier gaan slapen.

Uiteraard kan de mens zich tot op zekere hoogte tegen dit ritme verzetten. Bepaalde lichamelijke functies zoals bij­voorbeeld de vorming van menselijk zet­meel -glycogeen- in de lever bereiken hun hoogtepunt in de tweede helft van de nacht. De plasma-cortisolspiegel (hormoon van de bijnierschors) bereikt zijn hoogtepunt tussen 6.00 en 9.00 uur. Wanneer het slaap-ritme verandert, verschuiven ook deze ritmen.

Naast dit dagritme, dat met de loop van de zon samenhangt, kennen we nog het zeven-dagen ritme van de week.
In de oud­heid werd dit ritme in verband gebracht met de krachten van de schepping. (De schep­ping in zeven dagen volgens het Oude Testament).
Ook nu nog kunnen we ervaren dat het herstel na een verwonding of een acute ziekte een ritme van zeven dagen doorloopt. Dat wil zeggen bij genezing, die niet wordt beïnvloed door een behandeling met medicamenten, treden bijvoorbeeld pijn en zwellingen in de omgeving van de verwonding in ritmische volgorde elke ze­ven dagen in steeds zwakkere vorm op, tot de genezing volledig is.
De regeneratiepro­cessen die uitdrukking zijn van een eigen krachtenveld, dat we levenslichaam kun­nen noemen, volgen het ritme van zeven dagen. Een ander ritme hangt samen met de omloop van de maan om de aarde.

Het duurt 28 dagen voor de maan alle stadia van nieuwe maan naar volle maan en weer nieuwe maan heeft doorlopen. Zulke maan-ritmen hebben duidelijk in de dierenwereld nog een directe betekenis; voor de mens is dit alleen nog het geval met betrekking tot de maanperiode in de cyclus van de vrouw  en in de embryonale ontwikkeling die 280 dagen, dus tien maal 28 dagen, duurt.

Het qua grootte daaropvolgende ritme is het jaarverloop waar we onze leeftijd aan afmeten. Voor de lichamelijke en psychisch-geestelijke ontwikkeling van de mens is het ritme van zeven jaar van groot belang. In de eerste zeven jaar komt het fysieke lichaam tot een zekere rijpheid. Met het wisselen van de tanden, dat rond het zevende jaar behoort te beginnen, is het kind schoolrijp.
Met veertien jaar komt de geslachtsrijp­heid; dit is ook weer een belangrijke stap met betrekking tot de psychische ontwikkeling van de kinderjaren naar de puberteit en adolescentie. Het eigenlijke volwassen wor­den, de rijpheid om eigen verantwoordelijk­heid te kunnen dragen, volgt met eenen­twintig jaar. Daarmee houden de perioden van zeven jaar niet op, maar krijgen meer het karakter van een psychische rijping. Het grootste onderscheid tussen mens en dier ligt in het feit dat het dier met de geslachtsrijpheid het hoogtepunt in zijn aardse bestaan bereikt terwijl het hoogte­punt bij de mens, door zijn geestelijk latere rijpheid, pas bij het vijfendertigste jaar ligt. Daarmee zijn de grotere ritmen die mens en kosmos verbinden, beschreven. Nu zijn er echter bij de mens nog ritmen die korter zijn dan het dag-nacht ritme, bijvoorbeeld het ritme van de ademhaling. Ook dit ritme staat in verband met de kosmos: bij achttien ademhalingen per minuutademt de mens binnen 24 uur 25920 maal in en uit. Dat aantal is gelijk aan het aantal jaren dat de zon nodig heeft om éénmaal door de hele dierenriem aan de sterrenhemel te gaan.

Het ritme van de ademhaling
Elke inademing heeft iets van geboren wor­den; elke uitademing iets van sterven in zich.
Onze eerste ademtocht begint met de inademing; de laatste eindigt met de uit­ademing. Vier maal sneller dan het ritme van de ademhaling gaat het ritme van de polsslag waarin -net zoals bij het ritme van de ademhaling- iets van het wezen van de mens als burger van beide werelden tot uit­drukking komt.

Een nog sneller ritme is het zogenaamde alfa-ritme van de hersenen. Het gaat hier om elektrische spontane schommelingen die ook gedurende de diepe slaap nog aanwezig zijn en rond de 10 per seconde liggen.

Bij de innerlijke zorg voor het ritme komt het aan op de momenten van bezinning die men in het verloop van een dag inbouwt; bijvoorbeeld een gebed of een spreuk voor het eten of een terugblik aan het eind van de dag. Een kunstzinnige activiteit, die in de dagelijks noodzakelijke bezigheden wordt opgenomen, kan een verloren ge­gaan ritme in de leefwijze weer herstellen. Vaak zijn slechts enkele momenten van ver­wondering daarvoor al voldoende. Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg voor de gezondheid. In de uiterlijke leefwijze moet er veel waarde worden gehecht aan lichaamsbeweging, maar ook aan regel­maat in de maaltijden, goed kauwen bij het eten en het juiste evenwicht tussen waken en slapen, rust en beweging.

Het wezenlijke van het ritme kunnen we slechts begrijpen, wanneer we de polari­teiten kennen waaraan het zijn bestaan te danken heeft.
Bij de plant zijn dat de aardse en de kosmische krachten, bij het dier bo­vendien de krachten van aantrekken en af­stoten bij vreugde en smart, krachten die zich in het zielengebied uiten. De mens be­schikt bovendien nog over de instrumenten van de bewuste geest, die bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de polariteit van waar­nemen en denken.

Een gezond ritme zal altijd een evenwicht tussen de polariteiten bewerkstelligen. Dat gaat echter -althans bij de mens- niet vanzelf omdat krachten van binnen en van buiten dit gezonde evenwicht voortdurend
ver­storen.

Laten we het meest fundamentele ritme van de mens bekijken: de ademhaling, waaraan weer alle andere ritmen gekoppeld zijn. De ademhaling stokt bij een shock, bij onver­wachte ervaringen (hoe vaak niet bij een enkele autorit door de stad?), wordt opper­vlakkiger bij slechte, benauwde lucht of bij gebrek aan beweging, wordt ingehouden bij opwinding en ontspant en wordt rustiger bij het beleven van een kunstwerk.

Zorg besteden aan het ritme
Aandacht voor het ritme is tegelijkertijd zorg besteden aan de gezondheid. Het gaat er immers om door het juiste ritme voortdurend een evenwicht te vinden tussen de ziek­makende polen. De ene ziekmakende pool hangt samen met het dagbewustzijn. Dit ontstaat op basis van afbraakprocessen. De ontbrekende mogelijkheid van de ganglioncellen van de hersenen om zich te herstellen en zich te vermeerderen is daar­van een uitdrukking. De andere ziekma­kende pool hangt samen met het slaap-bewustzijn en dit hangt op zijn beurt weer samen met de de opbouw- en regeneratie­krachten van ons stofwisselingssysteem. In het dagbewustzijn beleeft elk mens zich­zelf als middelpunt. De krachten van de persoonlijkheid overwegen en snoeren de mens van zijn omgeving, van de kosmos af. In de slaap wordt het hogere wezen van de mens één met de omgeving maar het weet daar – uitzonderingen daargelaten – niets van. We zijn ons niet meer bewust van onze omgeving en van onszelf.
In de egocentrische tendens van de ‘dag­mens’ en in het ‘zich verliezen’ als ‘nacht­mens’ kunnen we twee ziekelijke tendensen zien, die door het ritme van waken en slapen in evenwicht gebracht moeten worden.
In elke inademing leeft een beetje de tendens van de dagmens, in elke uitademing die van de nachtmens. De astmaticus, de hypertonicus -met te hoge bloeddruk- en de preascleroticus (in de voorfase van arteriosclerose) leeft te sterk in het inademingspro­ces. Om het evenwicht te hervinden heeft hij alles nodig wat de uitademing stimuleert:

voldoende slaap, pauzes die het hectisch dagverloop onderbreken en gelegenheid voor kunstzinnige activiteiten, terwijl de pa­tiënt met een te lage bloeddruk daaren­tegen vaak juist de zelfbeleving nodig heeft zoals die bijvoorbeeld in de sport, of in een krachtmeting met de elementen wordt op­geroepen. Hiermee zijn de basisideeën ge­geven en deze kunnen voor ieder tot een zinvolle invulling van het eigen leven leiden.

(Olaf Titze, arts; Weledaberichten nr.154, sept. 1991)

VRIJESCHOOL – Burn out

.

Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.

Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven

Het burnt out-syndroom bij leerkrachten

Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel sim­pel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.

Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraars­vergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen- kan men niet nakomen.

Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te wor­den, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?

Binnen en buiten
Een mens functioneert tussen twee uiter­sten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnen­wereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtin­gen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- ­en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee.
In dit verband heeft ‘bui­ten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’
‘Binnen’ uit zich in de plotse­linge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interes­ses, liefdes of je toekomstverwachting.

Gezondheid
Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij ver­leden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen?
Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belang­rijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en bui­ten met elkaar te verzoenen en gezond­heid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voor­waarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waar­nemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waar­neming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft ener­gie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze som­men met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.

Energie
Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moe­ten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan.
Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezond­heidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegeverga­dering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeen­schappelijks in. Dat uit zich ook in het­geen er in de collegevergadering bespro­ken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel).
Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communi­ceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenverga­dering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.

Vertrouwen
Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien.
Een essentiële voorwaarde voor vertrou­wen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.

Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijk­heid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen inner­lijke ontwikke­ling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toela­ten noemen we interesse. Zonder inte­resse is het niet mogelijk om een helpen­de rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroor­delen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die schei­den, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leer­krachten zichzelf en elkaar gezond hou­den. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegen­krachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.

 Aart van der Stel, huisarts,  in “Jonas’, nr. onbekend
.

anti burn out:   met vreugde in het nu aanwezig zijn

 

144-138

 

 

 

 

 

 

 

 

.