Categorie archief: niet-nederlandse talen

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.
Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

.
VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

U vindt via onderstaande rubrieken de weg naar meer dan 1750 artikelen

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8         (rest volgt – via zoekbalk vind je ook de andere klassen: 9 t/m 11)   klas 11

KERSTSPELEN
Alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
via de blog van Madelief Weideveld

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

 

EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets


karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

 

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Advertenties

VRIJESCHOOL – Niet-Nederlandse talen* – klas 2 of 3 – Frans

.

In veel vrijescholen worden in de klassen 1 en 2 Engels en/of Duits gegeven. Met Frans wordt meestal in klas 3 begonnen.
In Duitsland ligt dat iets anders, want hier is Duits geen andere taal zoals bij ons; vandaar dat er in de meeste vrijescholen in de 1e klas al met Frans wordt gestart.

Onderstaand artikel gaat over een opvoering in klas 2 ‘Reintje de vos’. In Nedeerland zou je dat zeker ook in klas 3 kunnen doen.

Jessica Gube, Erziehungskunst, maart 2019
.

WIE WAS REINTJE DE VOS?
uIT DE FRANSE LES IN DE TWEEDE KLAS

Samenhangen beleven is een motief dat voor de vrijeschoolpedagogie wezenlijk is. Met de verhalen over de slimme vos kunnen deze én tussen de vakken als ook tussen de culturen gevormd worden.

De tweede klas voert met zijn klassenleerkracht een toneelstukje op dat in het hoofdonderwijs ingestudeerd werd – Reintje de Vos voor de rechtbank aan het hof van de leeuw, de koning der dieren.
Opgewekt en met verve spelen de kinderen de scènes met de listige vos die steeds weer iedereen voor de gek houdt en ook in de neteligste situaties zijn kop uit de galg weet te houden.

Fabels en legenden vormen de vertelstof van het hoofdonderwijs in de tweede klas. Terwijl de heiligenlegenden vertellen over hoe de mens de blik naar boven wendt, over het zoeken naar de hemelse wereld, gaat het bij de fabels over de vele karaktereigenschappen en de zwaktes van de mens die zich hullen in het dierlijke kleed. Enthousiast geworden door het hoofdonderwijs, is er een heel goede voedingsbodem gelegd om aan te knopen bij de lessen in de niet-Nederlandse talen.

Meer omvattende motieven maken samenhangend leren mogelijk

In de niet-Nederlandse taalles kun je in de tweede klas de wereld van de dieren op velerlei manieren gebruiken. Ook de poëtische vorm ontbreekt daarbij niet. Met name in het Frans kom je bijna meteen bij de fabels van Jean de La Fontaine (1621-1695) uit en bij de ‘Roman de Renart’, in het Nederlands ‘verhalen van Reintje de Vos’. Zowel La Fontaine als Reintje behoren tot de klassiekers van het Franse cultuurgoed. In Frankrijk is er nauwelijks een jong mens te vinden die als scholier niet eens een keer een van de fabels van La Fontaine uit het hoofd leerde. Na tientallen jaren worden ze meest nog zomaar als uit het niets verteld.
‘Le corbeau et le renard’, de vos en de raaf die ruzie maken om een stuk kaas, dat de vos uiteindelijk door een list te pakken krijgt, is zondermeer een klassieker.

Het is niet moeilijk om voor Frans in de tweede klas een keus te maken. Met een grote tekening die de beginsituatie verbeeldt, heb je in de les al een kader gemaakt waarbij je niets hoeft uit te leggen; je vertelt het verhaal, de woordenschat is aanschouwelijk. ‘Ah, die kennen we, dat is natuurlijk Reintje de Vos’, de kinderen vinden dat fijn. Met grappige gebaren die het duidelijker maken en karakteristieke accenten worden de twee dieren gesproken met steeds terugkerende verzen en dat wordt iedere dag herhaald. Tegelijkertijd met dit speelse uit het hoofd leren, spreken we voor en na het verhaal vrij in losse zinnen. We beschrijven met een eenvoudige woordenschat de tekening en stellen vele vragen in het Frans die bij de fabel aangeknoopt kunnen worden: wie bevindt zich waar, wie eet graag kaas, wie eet het op, wie lacht wie uit, wie wordt boos, wie is arm enz. De kinderen beleven plezier aan de listige vos en hebben meelij met de arme raaf die natuurlijk wel zelf de schuld is van zijn ellende.

Vers en beeld aan het eigen lijf ervaren – het in scène zetten

De kinderen beleven er veel plezier aan als ze het verhaal kunnen spelen. De raaf, in het zwart, met een lap stof als vleugels en een grote snavel van geel karton, krijgt als kaas een grote gele spons onder z’n kin geklemd. Hij zit op een ‘boom’, een trapje met een groen kleed en kijkt van boven naar beneden naar de in het rood geklede vos die tussen de bomen door sluipt – de rest van de klas, in het groen, zijn de ‘bomen’. Dat is het al, meer is niet nodig om de fantasie van de kinderen en van de dichter in het juiste licht te zetten. 
Alles krachtig spreken! Naar de figuren wijzen wanneer die aan de beurt zijn! Niet wegdromen! Het wordt in koor gesproken, nog niet individueel. Iedereen moet alles kennen. Dat is geen geringe opdracht. Ook wanneer de fabel maar drie minuten duurt, vereist dit al een hele serie oefeningen.

Drie weken later:

Bij de opvoering op het toneel merken de kinderen hoe het publiek op het juiste ogenblik lacht en de kinderen zijn trots en gelukkig. Een groot applaus is de beloning voor het oefenen. 
De beelden die innerlijk blijven, zijn gestolde ervaringen, een voldane werkelijkheid. Dat is het gevoel bij een levendige taalcultuur en dat nu wil juist het vroege niet-Nederlandse taalonderwijs op de vrijeschool mogelijk maken.

Van doen naar begrijpen

Ook zonder uitleg of dwarsverbanden kan de spiegel van de menselijke karaktereigenschappen- en zwakte in de dierverhalen een invoelend begrijpen, een aanvoelen van een moraal bij de kinderen oproepen dat ontstaat door het beleven tijdens het doen. 
Het in sociaal verband leren als mensen samen, met alle karakterfacetten die zich daar voordoen, is ook voor het klassenleven een concrete ervaring. Verhalen van het ‘menselijk drama’ in diervorm leveren kunstzinnige beelden die niet uitgelegd hoeven te worden. 
Het cognitieve begrijpen van woorden, zinswendingen en manieren van uitdrukken in het Frans in het kader van een niet-Nederlandse taal leren is een verdere stap, meer op het leervlak dat in de les eerst via de herhaling, dan via de overdracht geoefend wordt dat de basisregel ‘via het doen en beleven tot begrijpen komen’ als pedagogisch uitgangspunt van de onderbouw verduidelijkt. 

‘Reinaert’ – een veel verklaarde verschijning in vele gedaantes

Wie was dit Reintje, deze ‘Reinaert’ eigenlijk? Bij deze vraag blijkt eens te meer hoe wonderbaarlijk de wereld in elkaar zit en ons cultuurgoed uit vele landen komt.
De eerste sporen van de verhalen over ‘Reinaert’ (overigens uit het Middelhoogduits ‘Reinhard’ of ook wel ; Reginhard’ dat met de eerste lettergreep ‘raad’ en met de tweede hard, sterk, helder betekent en in een afgeleide vorm als eigennaam naar Frankrijk kwam) stammen uit het noorden van Frankrijk, waar ze tussen 1040 en 1170 eerst in Lotharingen, daarna nog iets noordelijker opduiken, in hoge mate anoniem, tot wel in 25 verschillende handschriften. Ieder handschrift vertelt nieuwe episoden die als loten, vertakkingen van het eerste verhaal de tijd overleven. Vanuit Frankrijk sprong Reintje over de taalgrenzen, kwam in het Nederlandse en in 1498 in een handschrift uit Lúbeck ook in het Duits terecht om vandaar uit te zwermen naar Scandinavië om tenslotte verbreiding over heel Europa te vinden. 
Met het aflopen van de middeleeuwen raakte Reinaert wat in vergetelheid, werd echter door de gebroeders Grimm, vooral door Jacob Grimm, weer in het daglicht geplaatst en zelfs in de 20e en 21e eeuw duikt hij steeds weer op, 1915 als opera ‘Le renard’ van Igor Stravinski, als theaterstuk in 1987 in het Hamburger Schauspielhaus of als kinderboek in 1962 door Janosch en als kinderanimatiefilm

De vos op zich duikt in de vertellingen van de mensen overal op waar hij in de natuur thuis is, dus in Eurazië, Noord-Amerika en in het Middellandse Zeegebied. 
Dieren als boodschapper van het menselijke karakter kun je vanuit het Avondland via Rome (Phaedrus) en Griekenland (Aesopus) tot in het Morgenland tot in India (Panchatantra) vinden.

En ten slotte: het Oudfranse woord voor vos (goupil) werd na het bekend worden van de ‘Roman de Renart’ die zich al gauw in een ongekende populariteit mocht verheugen, zo sterk naar de achteergrond gedrukt, dat uiteindelijk Renart van een eigennaam de betekenis ‘vos’ kreeg. Ook nu nog is vos in het Frans ‘renard’

Dat weten de kinderen van een tweede klas natuurlijk niet. Maar ze beleven wel de diepe waarheid van de volkswijsheid in het beeld en in het kunszinnige doen. En wie weet? Misschien was er ergens, werkelijk een onverschrokken en slim iemand van adel die Renart heette, de niet bang was voor hel of hemel en zoveel indruk maakte dat hij tijd en ruimte overleefde?

.
*Laten we voortaan spreken over ‘niet-Nederlandse talen’ i.p.v. ‘vreemde’ taal: een taal is niet vreemd, maar anders.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

De vos en de raaf: spelletje

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

1805
.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (63)

.

In het dagblad Trouw van 12 februari 2019 stond een artikel: ‘Kleuter profiteert amper van Engelse les‘.

Uit onderzoek is gebleken dat het geven van Engels aan kleuuters niet veel effect sorteert.

Als vrijeschoolleerkracht denk je dan direct: ‘En hoe zit het dan met de 1e klas en daarna. 
Zou het geven van een niet-Nederlandse taal in die laagste leerjaren dan zinloos zijn?’

‘Of deugt de methode niet?’ – denk je als vrijeschoolleerkracht onmiddellijk daarna.

Een antwoord staat de krant van 14 februari:
Vroeg Engels leren kan zeker wel zinnig zijn’

De schrijver van dit stukje, Rolf Clason, is leraar Frans en hij refereert aan een een onderzoek van Schouten-van Parreren/Hoekstra.

Die hameren op het belang van vakdidactiek en de gebruikte methode.
De vuistregel: tien keer luisteren, één keer nazeggen – lezen en schrijven komen later.

Of wel – dit is de vrijeschoolmethode, waarbij het ‘één keer nazeggen’ rustig vervangen kan worden door tien keer en waarbij vooral moet worden aangevuld met ‘doen’: niet alléén nazeggen: ‘I’m standing, I’m sitting‘, maar daadwerkelijk opstaan en gaan zitten, enz.

De vraag is dus niet op welke leeftijd, maar hóé je het aanpakt, aldus Clason

Hij geeft nog een mooie levenservaring mee:

Toen mijn zoon geboren was, zei ik: “Bonjour mon grand, tu as fait bon voyage? On t’a attendu longtemps.” De arts keek verschrikt en zei: “Dat verstaat hij niet, mijnheer.” Vanaf dat ogenblik heb ik altijd Frans tegen hem gesproken. En zie: bij zijn vmbo-examen haalde hij een 9 voor Frans, tegen een 6 of 7 voor andere talen. De nadruk op luisteren en spreken doet wel de behoefte groeien aan (near-)native speakers. Deze zijn zowel in basis- als in voortgezet onderwijs onvoldoende beschikbaar. Het streven zou moeten zijn: een (near-)native speaker in elke taalsectie, met als speciale opdracht bijscholing van collega’s. Ik kom nu regelmatig zeer slecht Engels tegen bij leraren in het basisonderwijs. 

Daar heeft Clason wel een punt.

Ook – nee juist – op de vrijescholen zouden alleen mensen met een perfecte uitspraak en gedegen talenkennis die niet-Nederlandse talen  in de laagste klassen moeten geven. 

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

.

Opspattend grind [1]
.

Opspattend grind: alle artikelen

.

1765

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – Engels (1-2)

.

Erica von Baravaller, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 1e jrg. nr. 1, okt. 1927

.

UIT DE ENGELSE LES IN DE EERSTE KLAS
.

Rudolf Steiner nam in het leerplan dat hij voor de vrijeschool ontwierp al vanaf de 1e klas twee niet-Duitse talen op: Engels en Frans, samen 6 uur per week. Hij zei erbij meteen bij deze talen met de kinderen te gaan spreken, zonder de moedertaal als brug te gebruiken.
Zelfs een volwassene luistert geïnteresseerd wanneer die in de trein medepassagiers hoort die in een andere taal met elkaar praten; al vóór je een woord begripsmatig kan verstaan, gaat de belangstelling naar de klanken die op je inwerken. Dat is in nog hogere mate ook het geval bij het kind, zeker in de 1e klas.
Hieronder wil ik* aan de hand van een paar voorbeelden uit de Engelse les die ik in de eerste schooljaren in de 1e klas heb gegeven.
Ik begon als Engelse, zonder ook maar één woord Duits te beheersen. Ik was nog niet in staat in het Duits tegen de kinderen te zeggen: ‘Ga zitten, of wees stil’ en ik kwam dus niet in de verleiding het Engels via het Duits te introduceren.

Ik begon niet zonder zorg, want het is makkelijker in Engeland een klas in alle vakken les te geven, dan tegenover dertig Duitse kinderen van zes, zeven jaar te staan en ze iedere keer een uur lang te interesseren, zonder ook maar een woord van hun moedertaal te kunnen gebruiken.
Er wordt in de 1e klas ook nog niet geschreven en gelezen, zodat het steeds op het directe mondelinge contact met de klas aankomt.

In het eerste uur, voor de taalles begon, moest er voor de kinderen een passende aansluiting worden gevonden.
Ik vroeg de klassenleerkracht om de kinderen te vertellen hoe alles verandert, wanneer je steeds verder van huis gaat naar een ander land; niet alleen de omgeving wordt anders, ook de mensen en zelfs hun taal waarmee ze tegen elkaar spreken. De klassenleerkracht vroeg toen aan de kinderen of zij al wel van andere talen hadden gehoord. Het eerste antwoord had nog niet meteen het gewenste resultaat, want een kleine jongen meldde zich en zei; ‘Hoog-Duits’.
Dus moesten de kinderen hun gedachten nog verder inspannen en ze kregen te horen, hoe je over de zee moet varen tot je in een land komt waar alle mensen Engels met elkaar spreken. Groot was de verbazing toen de klassenleerkracht besloot met te zeggen dat uit dit verre land een lerares was gekomen die nu met hen zou praten als die mensen daar, ver over zee.

Nu begon ik meteen tegen de kinderen te praten en herhaalde in het Engels wat de leerkracht in het Duits tegen hen had gezegd; ze hoefden alleen maar naar het verschil in klanken te luisteren.

Een van de eerste oefeningetjes die ik dan in de volgende uren met de kinderen ging doen, bestonden uit verschillende lichaamsbewegingen. Ik liet ze hun armen omhoog bewegen en weer omlaag, bij elkaar brengen en openen enz. en deed met hen het volgende versje dat ze met de bewegingen zongen:

Open close them
Open close them
Give a little clap

Open close them.
Open close them
Lay them in your lapl
…….. enz

Van het kind zelf ging ik dan naar zijn naaste omgeving en verder weg en probeerde het over die dingen te hebben waar voor het kind een natuurlijke interesse heeft: brood, dat het mee naar school neemt, geeft aanleiding om over de bakker en het bakken van brood te spreken.

Dan komt tot besluit weer een klein liedje:

Pat-a-cake, pat-a-cake, baker·s man,
Bake me a cake as fast as you can.
Prick it, and roll it, and mark it with ” T”
And bake in the oven for baby and me!

Toen ik eraan begon om de verschillende kledingstukken en hun kleuren te behandelen en de kinderen de verschillende woorden blijvend wilde aanleren, vond ik het niet goed om ze die woorden alleen maar controlerend te laten herhalen. Ik deed het wel, maar aan de hand van een verhaaltje dat in een verschillende vorm steeds dezelfde dingen herhaalde, wat de kindern dan met plezier oppakten en zo kwamen ze bij het begin van een gesprekje.

Er was eens een klein jongetje in een warm land dat voor zijn verjaardag allemaal nieuwe dingen kreeg. De lieve moeder maakte een klein rood jasje voor hem, dan een blauw broekje en zijn lieve vader gaf hem een mooi nieuw groen parasolletje en een paar kleine schoenen. De kleine jongen klapte van plezier in zijn handen, trok eerst het rode jasje aan, dan het blauwe broekje, nam zijn parasol en trok zijn schoenen aan en ging wandelen. Hij was nog maar net onderweg of hij kwam een tijger tegen die hem op wilde vreten. De jongen smeekte om zijn leven en zei: ‘Tijger, eet mij niet op, ik geef je in ruil mijn rode jasje.’ De tijger nam het jasje en verdween. Na een poosje kwam de jongen een andere tijger tegen die hem wilde opvreten. De jongen smeekte weer om zijn leven en zei: (hier begonnen de kinderen al zelfstandig verder te gaan en te zeggen, wat hij aan de tijger gaf). Dat ging zo verder tot het jongetje niets meer aan had en zich achter een boom verstopte. Nu zag hij dat alle tijgers bij elkaar kwamen, elke met zijn eigen buit, (de kinderen begonnen weer en zeiden wat iedere tijger had: de ene een rood jasje, de andere de blauwe broek, enz. Maar nu kregen de tijgers ruzie, legden hun buit neer onder de boom en begonnen te vechten en elkaar achter na te zitten. Uiteindelijk sloop de jongen tevoorschijn, pakte eerst weer het rode jasje, zijn blauwe broek enz. en liep snel naar huis terug. Nu vertelde hij het hele verhaal nog aan zijn moeder.

Op dezelfde manier kon ik later de verschillende zintuigen, ogen en zien, oren en horen, neus en ruiken aan de hand van het sprookje van Roodkapje doen. Meteen begrpen de kinderen wat er bedoeld werd, toen bijv. in het Engels het stukje verteld was hoe Roodkapje voor het bed van haar grootmoeder staat waarin de verklede wolf ligt en dat Roodkapje dan tegen hem zegt: ‘O, grootmoeder, wat heb je grote ogen.’ ‘Dat is om beter te kunnen zien’……. O, grootmoeder, wat heb je grote oren.’ ‘Dat is om beter te kunnen horen’…….

Veel succesvolle uren heb ik ook te danken aan uiterlijke omstandigheden. Op een keer moest de les in een ander lokaal worden gegeven. Dat maakt op de kinderen wel indruk.
Met belangstelling kijken ze naar de andere ramen, de andere kleur van de banken, de andere muurplaten en ze zouden zeker veel minder aandacht gehad hebben voor wat ik mij had voorgenomen te gaan doen. De omstandigheden gaven mij echter de gelegenheid op een bepaalde manier als herhaling op alles in te gaan wat we in de eigen klas allang gedaan hadden: ramen, banken, platen. Daar deden de kinderen met alle plezier aan mee.

Een andere keer werd het tijdens de les steeds donkerder en er brak een donderbui los. Die trok natuurlijk hevig de aandacht van de kinderen. Ik ging over tot het praten over onweer en besloot met een klein rijm dat op zo’n mooie manier in klank de weersverschijnselen uitdrukt:

I hear thunderl
I hear thunderl
Hark! don’t you?
Hark! don’t you?
Pitter-pat-ter rain drops.
Pitter-pat-ter rain drops.
I’m wet throughl
All wet throughl

Een bijzonder welkome gelegenheid voor het onderwijs is het steeds, wanneer een kind jarig is. Dan zeggen de kinderen altijd dat ze hun mooie kleren aan hebben en ze vertellen welke cadeautjes ze gekregen hebben, die ze dan vaak meenemen naar school. Daar mengen de kinderen zich levendig in en ze willen graag vertellen wat zij voor hun laatste verjaardag hebben gekregen. Dan is het vaak mogelijk de kinderen woorden te laten horen, die anders nauwelijks te verduidelijken zouden zijn zonder de moedertaal te gebruiken.

Hoe meer het lukt om bij alles wat er in een klas gebeurt, een stukje onderwijs aan te knopen, des te meer je de natuurlijke gang van zaken volgt die in iedere klas levendig aanwezig is, des te meer hoort wat er geleerd wordt bij het volle leven van de kinderen en draagt daardoor bij hun liefde voor wat je doen moet te versterken.
.

.

Het Duits heeft ‘Fremdspracher’, in het Nederlands ‘vreemde talen’. Ik pleit voor ‘andere talen’ of  ‘niet-Nederlandse talen’, omdat het woord ‘vreemd’ in eerste instantie door kinderen toch opgevat wordt als ‘raar’, ‘niet-van-ons’.

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 1e klas

.

1718

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – Engels

.

‘OPEN THEM AND CLOSE THEM’

Uit de eerste Engelse les

Vol verwachting staan de eerste-klassers bij de deur van het klaslokaal, om door mij, hun lerares Engels, een voor een te worden begroet.

‘Good morning’, ieder individueel kind neemt al bij de eerste begroeting de nieuwe, nog anders klinkende taal in zich op. Vol spanning gaan de jongens en meisjes hun klas binnen, die in die paar weken nadat de school is begonnen, al hun thuis is geworden.
Nu zal er, na een paar weken waarbij uitsluitend de klassenleerkracht het onderwijs gaf, weer iets anders komen: les in andere talen.

Als de kinderen zitten, hoef ik maar ‘stand up, please’ met mijn handen te ondersteunen en daar staan ze al. We hebben elkaar meteen begrepen. De spanning stijgt en nu wordt de groet: ‘Good morning, boys and girls. My name is Mrs. Schulz’. vrolijk beantwoord met ‘Good morning, Mrs. Schulz.
Sommige kinderen gaan onbevangen op de Engelse taal in, andere daarentegen staan zich met open mond nog wat te verbazen.

Nu begin ik met het gedichtje:

God made the sun
and God made the tree.
God made the mountains
and God made me.

I thank you, oh God,
for the sun and the tree,
for making the mountains
and for making me.

Aansluitend een tweede gedichtje*

The earth is firm beneath my feet.
The sun shines bright above.
And here I stand
so straight and strong,
all things to know and love.

De meisjes en jongens staan nu nog sprakeloos voor me en nemen met al hun zintuigen die nieuwe taal in zich op. Ze ademen de taal a.h.w. in.
Maar er moet ook uitgeademd kunnen worden en dat doen de kinderen graag bij de nu volgende rijmen die ze tot actief bewegen aansporen: ze klappen in de handen, stampen met de voeten, met de vingers wordt geknipt:

‘Clap your hands!’- ‘Stamp your feet!’- ‘O, strap your fingers!’-;
‘Show me your arms, your fingers, your eyes….

Het ligt voor de hand om met het eigen lichaam te beginnen: met de verschillende delen. Er ontstaan geen begripsroblemen, wanneer alles getoond en voorgedaan wordt.

I have ten little fingers,
I have ten little toes,
I have two eyes,
I have two ears, and just one nose.

Two eyes to see with,
two ears to hear with,
a mouth to speak with,
a mouth to eat with,
two hands to work with,
two hands to pray with.

Two little eyes
to look around,
two little ears
to hear each sound.
One little nose
that smells what’s sweet,
one little mouth
that likes to eat.

Clap, clap, clap hands,
one, two, three,
put your hands upon
your knee.
Lift them high
to touch the sky,
clap, clap hands
away they fly.

De armen worden omhooggestoken, handen, vingers enz. getoond, niets is de kinderen ontgaan – en ze hebben niet één keer hun moedertaal hoeven te gebruiken.

Ook dit rijm wordt begeleid door de bewegingen van de handen:

Open them and close them
and lift them in the air.
Open them and close them,
and put them on your hair

Open them and close them
and give a little clap.
Open them and close them
and put them on your lap.

‘Open them and close them’ – zoals de handen zich openen, openen de kinderen zich voor wat anders is; zoals de handen zich sluiten, zo sluit het wat het gehoord heeft als een schat in zich op – als een schat die hem toebehoort, die echter weer getoond wordt wanneer de versjes weer uitgesproken worden.
Wanneer het lukt om deze bewegingen van openen en sluiten in het leren mee te laten doen, dan wordt het overbrengen van een andere taal een buitengewoon levendige en gezonde aangelegenheid. Niet de aanhoudende overgave aan de indrukken die van buiten komen, is gezond, noch een te sterk in zich afzonderen. Pas de ritmische afwisseling tussen opnemen en innerlijk verwerken, opnieuw tevoorschijn laten komen en dieper eigen te laten maken, doet het meevoelen en het begrip rijpen.

Na de verschillende versjes is de ruimte gevuld met de klank van de nieuwe taal. De jongens en meisjes staan nu helemaal open voor de anders klinkende klanken en ze lachen hard wanneer ik ze verschillende keren achter elkaar oproep: ‘Stand up!’ – ‘sit down!’.
Het moge duidelijk zijn hoe graag de kinderen een taal leren, wanneer ze erbij mogen bewegen.

»Andy, Mandy, sugar candy,
out goes he (she).«

»One, two, three, four,
Mary at the cottage door,
five, six, seven, eight,
eating cherries off a plate.«

Vijf kinderen staan na de ‘counting-out-rhymes’, de aftelversjes, voor de klas: in spanning wachtend op wat komen gaat.
Mijn ‘golden ring’ helpt echter meteen: we spelen: ‘Ring, you must wander’ en zo worden de kinderen weer een beetje vertrouwder met de Engelse taal.
Het spel gaat zoals het Duitse ‘Ringlein, ringlein, du muss wandern’, maar wij hoeven het Duits niet één keer te hulp te roepen.

‘Have you got the ring?’, ‘yes, I have.’ ‘No, I haven’t.’

Hier wordt een begin gemaakt met kleine gesprekjes. Door het spel vaker te spelen, worden de kinderen zekerder en dat is voor het eerste leren van een andere taal absoluut noodzakelijk. Wanneer de kinderen zich zeker voelen, dan zijn ze veel beter in staat de taal zich echt eigen te maken.

Wanneer nu een paar kinderen voor de klas wat gedaan hebben, moeten armen en benen weer een beetje in beweging komen.

Met het rijm:

Head and shoulders,
knees and toes,
head and shoulders,
knees and toes,

eyes and ears,
and mouth and nose,
head and shoulders,
knees and toes.

gaan we weer naar de lichaamsdelen terug. Stimulerend werken hier de meest verschillende variaties: meer herhalingen van de enkele zinnen, snel, langzaam, met diepe of met hoge stem gesproken.

Het eerste Engelse vingerspelletje:

Two little dicky birds
sitting on a wall.
One named Peter,
the other Paul.

Fly away, Peter,
fly away, Paul, c
ome back, Peter,
come back, Paul.

spreekt heel erg aan en waar het erbij hoort, vliegen beide duimen omhoog.

Ook het volgende liedje moet het van de vingerbewegingen hebben:

Tommy Thumb, Tommy Thumb,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Peter Pointer, Peter Pointer,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Ruby Ring, Ruby Ring,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Baby Small, Baby Small,
where are you?
Here I am, here I am,
how do you do?

Moeiteloos doen de kinderen het na en ze hebben veel plezier wanneer de pink, ‘baby small’, aan de beurt is. Van hoe de kinderen meedoen en wat ze op kunnen nemen hangt het af of ik meteen al in het eerste uur een andere variant van dit liedje ga doen.**

»Where is thumbkin,
where is thumbkin?«
»Here I am,
here I am!«
»How are you this morning?«
»Very well, I thank you.«
»Run away, run away!«

»Where is pointer?«

»Where is middleman?«

»Where ist ringman?«

»Where is pinky?«

Na het zingen, tellen we onze tien vingers: One, two, three, four, five, six, seven, eight, nine, ten….
Als leerkracht voel je of je dit twee of meer keren kan herhalen. Juist na het tellen, merk je bij de kinderen enige trots: nu kunnen wij al op z’n Engels getallen zeggen. En veel kinderen zullen thuis deze nieuwe verworvenheid willen laten horen.

Mijn bal en springtouw die in de laagste klassen steeds met me meegaan, komen nu uit mijn tas tevoorschijn.

We gooien de bal naar elkaar over: ‘One, two, three, four…’en dát springt het kind met het touw: ‘One, two…’. We kunnen hier verder tellen – dat kunnen de kinderen weldra ook.

Bij de op elkaar aansluitende opdrachten: ‘Go to the door. Open the door. Close the door. Go to the window. Open the window. Close the window’, wil iedere eerste-klasser wel aan de beurt komen.

Wanneer de kinderen weer lekker hebben kunnen bewegen, spreken we de versjes nog een keer die met het lichaam te maken hebben en we sluiten af met een van de gedichtjes:

‘The earth is firm beneath my feet’ en ‘God made the sun’.

Thank you for the world so sweet,
thank you for the food we eat,
thank you for the birds that sing,
thank you God for everything.

Op mijn ‘good bye, boys and girls’ antwoorden de eerste-klassers na de Engelse les: Good bye, Mrs Schulz.’

Het ‘open them and close them’, het zich openstellen en in zich opnemen is voor de eerste-klasser echt van belang. Nog altijd hebben de kinderen het vermogen na te bootsen, met het vermogen zo open te staan voor de wereld dat ze de waargenomen handelingen innerlijk en uiterlijk nadoen. Het is verbazingwekkend en voor volwassenen benijdenswaardig hoe snel kleinere kinderen door luisteren en naspreken een taal leren. In de loop van de eerste klas neemt dit vermogen wat af ten gunste van nieuwe geestelijke krachten. Daarom is het een eenmalige kans met het onderwijs in andere talen meteen in de eerste klas te beginnen en dat op die speels-nabootsende manier, die we geschetst hebben. Het wordt vaker door vrijeschoolleerkrachten opgemerkt en betreurd dat de nabootsingskracht bij veel eerste-klassers van nu minder sterk gevormd is dan vroeger. Dit is echter geen reden om de methode te veranderen. Als deze krachten maar opgeroepen worden en actief mogen zijn, worden ze levendiger en sterker.

‘Open them and close them’ – dit motief heeft niet alleen een bijzondere betekenis van dag tot dag, maar ook in samenhang tot de grotere schoolfasen. De taalschat die de kinderen in de lagere klassen zich luisternd en nabootsend eigen maken, wordt in klas vier weer opgheaald en dient als basis voor het leren schrijven en lezen en om de grammatica te begrijpen. Zo wordt het lezen weer een nieuw kennismaken met oude bekenden, het grammaticale werk om op een ander niveau het gewonnen goed te leren kennen. Ook in de andere vakken is dit de ontwikkelingsweg: eerst levend opnemen, dan er kennend in doordringen.

.

*In het Duits staat hier ‘Spruch’. In wezen hebben we hier aan het begin van de les te maken met een stemmig gedichtje, waarmee ook afgesloten kan worden.

**uiteraard zal iedere leerkracht moeite doen om erachter te komen, hoeveel hij de kinderen aan kan bieden en kan laten doen.

.

Christl Schultz, Erziehungskunst jrg. 58, 9-1994

.

Niet-Nederlandse talen: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas

.

1564

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Engels – hogere klassen

.

Er kunnen allerlei redenen zijn om met een (hogere) klas eens iets op te voeren voor een lagere. Voor de laatste is het goed om te zien wat ze later allemaal geleerd hebben en kunnen; voor de hogere klas is het soms goed – wanneer het bijv. sociaal in zo’n klas wat moeilijker gaat, om gezamenlijk aan iets te werken, waarbij veel moet worden samengewerkt: kleding, achtergrondattributen, in tweetallen repeteren enz.

Hier volgt een origineel ( dus niet vertaald) spelletje voor de lagere klassen, waarmee je het natuurlijk ook kunt proberen op te voeren. Halfverwege klas 2, bijv. – het hangt er natuurlijk vanaf hoe ‘ver’ je klas is.

SLEEPING BEAUTY    A Play for the First Grade

This little fairy tale play was written by Mrs. Birdsall who is a pioneer in Waldorf School education and one of the first teachers of our school. At present* she is the librarian at the Kimberton Farms School. Sleeping Beauty has been used several times by first-grade teachers successfully. It is being given by Miss Paulsen’s first grade in the 25th Anniversary Assembly.

Scene I — In A Garden

Enter Queen:
Oh, would I had a daughter fair
With eyes of blue and golden hair.

Enter Frog:
Your wish, dear Queen,
shall be fulfilled,
For so, in truth,
the gods have willed.
A daughter shall be born to you
With golden hair and eyes of blue.

Frog hops off stage, and happy Queen exits skipping.

Scene II — In Palace Hall

King and Queen enter, followed by nurse with baby and all the fairies.

King:
Dear friends, we come together here
To give our thanks and make good cheer.
A daughter, beautiful to see
Has come to bless my Queen and me.

Queen:
Come fairies all, and wish your best
In order that my child be blest.

Fairies come forward to give their gifts.

First fairy:
Dear babe, I give you beauty rare
As roses in the summer air.

Second:
And I bring wisdom,

Third:
goodness too,
Let us bestow, dear babe, on you.

Fourth:
And I bring grace: where ’er she treads
The flowers scarce will bend their heads.

Fifth:
I give you health. Grow straight and strong
And walk your pathway with a song.

Sixth:
May riches also be your part.

Seventh:
And may you have a loving heart.

Eighth:
May truth attend you on your way,

Ninth:
And happiness be yours each day.

Tenth
May you have many, many friends,

Eleventh:
And peace be yours till your life ends.

Bad Fairy enters:
My gift is very quickly told,
For when the child’s fifteen years old,
A spindle shall her finger prick.
The princess shall fall dead so quick
Not all your gifts can help her then.
She ne’er shall live or breathe again. (Exit)

Good Fairy
Alas! I cannot quite undo
This cruel wish that’s come to you.
She shall not die, so spare your tears,
She shall but sleep one hundred years.                           (All exit)

Scene III — The Tower

Old woman:
Spin, spin the princess doom,
The princess comes, so soon, so soon.

Princess enters:
I wonder what is in this room.
I think I’ll see.

Old woman:
Come in, my dear.

Princess:
Good day, little mother.

Old woman:
Good day, fair child.

Princess: What do you do with this soft, white stuff?

Old woman:
Spinning, fair child, to get thread enough.

Princess:
And what is this thing spinning round so gay?

Old woman:
A spindle; my dear.

Princess:
Then teil me, pray,
If I may not hold it, mother dear?

Old woman:
Surely you may and have no fear.

Princess pricks finger, falls on couch. Old woman leaves with an evil laugh.

Scene IV — Before Hedge of Thorns

Hedge:
The hedge of thorns are we,
As you can plainly see.
One hundred years have passed.
The prince comes, at last!

Prince gallops in:
The hedge of thorns I do not fear.
I vow I’ll wake the princess dear.

(strikes hedge which falls apart).

Ah, what vision rare is this!
*Tis she! I’ll wake her with a kiss.
Sleeping Beauty, rise.
Open now thine eyes!

Princess:
Ah, my prince,
I dreamed of you!

Both:
And now our dream has all come true!

King and Queen enter and kiss the princess. Grand procession of all characters follows.

Virginia F. Birdsall, datum onbekend
THE RUDOLF STEINER SCHOOL ASSOCIATION 15 East 79tb Street, New York 21, N. Y.
President: Frances Walling Treasurer: Anne Barnes
Vice President: Margaret C. Wesson Editor: Christy Barnes
Secretary: Ellen Kitchen and Virginia E. Paulsen
Membership in the Association, including the quarterly Bulletin, is $2.00 per year. Singles copies of the Bulletin, 25c each.
.

 

1227

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Engels – verschillende klassen

.

Bij de (kunstzinnige) opbouw van een les kun je deze een vast begin en een vast einde geven met een lied, een gedicht, een spreuk, een vers, zodat de les een terugkerende kop en staart heeft. Dat hoeft niet het hele jaar hetzelfde te zijn. Je kunt bijv. met de siezoenen wisselen.

Hier volgen een paar voorbeelden:

Alfabetische volgorde van de eerste regel

7]Bless the faling of the rain
4]Brave and true I will be
10] Day is over, night has come
3]For the seed of love within us
2]Good morning dear earth
5]May the sun shine upon you
6]The light of the world
8]The morning has ended
1]We are truthful and helpful
9]When I woke up this morning

Soms is de Engelse les de les vóór de middagpauze. Dan moet je ook met de kinderen eten.

Hier een paar tafelspreuken

14]Blessings on the blossoms
12]Earth we thank you for this food
13]Earth who gives to us this food
15]For sun and rain
11] For the golden corn

 

1

engels-spreuk-2

2

engels-spreuk-1

3]

engels-spreuk-3
4

engels-spreuk-4
5
engels-spreuk-7

6

engels-spreuk-8

7
engels-spreuk-98

engels-spreuk-12

9

engels-spreuk-13

10
engels-spreuk-16

11

engels-spreuk-17

12

engels-spreuk-15

13

engels-spreuk-11

14

engels-spreuk-10

15

engels-spreuk-5

Niet-Nederlandse talen, w.o. Engels: alle artikelen

1188

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.