Categorie archief: jaarfeesten

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 2400 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDENARBEID
a
lle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPLAN
alle artikelen

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
kAlle artikelen

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

Advertentie

VRIJESCHOOL – Actueel – carnaval

.

carnaval: alle artikelen

carnaval krijgt geen hoofdletter; ook in samenstellingen niet.

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (39)

.

Lien Troost in ‘De schoolbel’, vrijeschoolkrant Bussum. dec. 2022

.

DE  SIXTIJNSE  MADONNA  VAN  RAFAEL

.

In de kleuterklassen van de vrijeschool hangt over het algemeen een plaat van dit schilderij. Ook voor de peuterklassen en kinderdagverblijven is dit een mooi beeld..
Rudolf Steiner gaf 100 jaar geleden al aan dat dit schilderij, vergeleken met andere Madonna-schilderijen uit de Renaissance, een aparte plaats inneemt, en gaf aan om een  afbeelding van dit schilderij in de klassen en groepen, voor het kind tot en met 7 jaar  op te hangen.
Meestal kijkt de Madonna naar het kind of is naar binnen gericht, maar op dit schilderij kijkt ze vooruit!
En het Kind ook!
En ze loopt, ze loopt door wolken heen naar de aarde en brengt haar Kind, het Christuskind, naar de Aardse sferen.
Waar komt ze vandaan?  En hoe gaat ze ?
Het is Maria, en ze komt uit de Sterrenwereld en gaat via de planetensferen naar de aarde.
Hoe kan je dat zien?

  • Bij haar voeten zie je dat de wolken een beetje weg zijn en dat haar gewaad  wat opwaait, ze loopt op de MAAN.
  • De beweeglijke plooien van het gewaad, en de esculaapvorm van het kinderlichaam en de rechte gestalte laten de kwaliteit van MERCURIUS zien.
  • Het moederlijk omhullende gebaar van Maria, die haar kind draagt, is een VENUS-kwaliteit.
  • Het geheel van moeder en kind, het samengaan, is de ZON-kwaliteit, in het bijzonder de hartvorm die je kan zien, (omgekeerd), in de sluier, haar linker arm, rechter arm en het been van het kind, en beider hoofden.
  • In het lopen, doelgericht, van Maria, en ook in de blik van haar, en het Kind, voorwaarts gericht, de toeschouwer aankijkend, is de MARS-kwaliteit te zien.
  • Achter Maria en het kind zijn kinderhoofdjes zichtbaar, de ongeborenen, die nog wachten om naar de aarde te komen. Het zichtbaar worden daarvan is een JUPITER-kwaliteit.
  • En dan het gordijn, dat opgetrokken is. De SATURNUS-kwaliteit: dat verbeeldt  de scheiding van de wereld van ruimte en tijd en de geestelijke wereld.

 
Tot en met Saturnus worden de planeten zichtbaar doordat de Zon ze beschijnt. De verdere planeten vallen daar niet onder, zij hebben weer andere kwaliteiten.
 
Dit beeld wordt de Kerstimaginatie genoemd. Ieder jaar kan je in je ziel beleven hoe Maria met het kind naar de aarde komt. Bewust! Toekomstgericht!
Het is tevens de geboorte van het licht dat weer terugkeert. Een wending der tijden. In het jaarverloop, maar kan dat ook zijn in de ontwikkeling van de mens, in jezelf, en op de aarde.
Je kan vermoeden dat er achter de fysiek zichtbare planeten een wereld van krachten, werkingen, kwaliteiten verborgen is.
De ander figuren: Sixtus, Barbara en de engeltjes, zijn er later, niet door Rafaël, bijgeschilderd.

Bron: antroposofisch arts: Joost Laceulle, en een
arbeidersvoordracht van Rudolf Steiner: 23-11-1924.*

Zie ook: De mantel van de Madonna

*Er bestaat geen arbeidersvoordracht van 23-11-1924.
De arbeidersvoordracht die bedoeld kan zijn, is die van 13-02-1924 (GA 352)
Niet vertaald

.

Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuter-kleuterklas

.

2804

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (17-2)

.
Bron: ED, 19-12-2018
.

Stille nacht
.

Stille Nacht is het meest vertaalde en gezongen kerstlied ter wereld.  In Salzburgerland, Oostenrijk, klonk het voor het eerst in een kleine dorpskerk op kerstavond 1818.

Joseph Mohr is de schrijver en hij schreef het gedicht, de tekst van het latere lied, in 1816. Mohr leefde in een Europa dat na de Napoleontische oorlogen in puin lag. Armoede en hongersnood heersten. Mohr, 24 jaar, hulppriester, zette zich in voor broederschap en verbondenheid. Hij wilde de mensen moed inspreken.

We gaan terug naar april 1815, kort voor de slag bij Waterloo.
Op het eiland Sumbawa, toen nog Nederlands-Indië, was een vulkaan uitgebarsten, de zwaarste tot dan toe ooit gemeten. Daarom kende Europa in 1816 geen zomer. De asregen die de Tambora uitspuwde, verspreidde zich over grote delen van de aarde. Drie jaar lang werd het weer erdoor beïnvloed. Het bleef donker en koud, het regende voortdurend.
Het waren sombere tijden: Mislukte oogsten, verwarring en onzekerheid.

Mohr woonde toen nog in Mariapfarr. Daar schreef hij die zes eenvoudige coupletten. Er wordt wel gedacht dat het als een wiegenlied voor de pasgeboren Jezus was bedoeld.
Toch is er niet zoveel bekend over het verdere ontstaan van het lied. 
Maar het veroverde wel de wereld.

Nadat Joseph Mohr (1792-1848)  in 1818 in Oberndorf  hulppriester werd, vond  hij dat hij de regels wel op muziek kon laten zetten. Hij vroeg het aan onderwijzer, koster en organist Franz Gruber (1787-1863), die 4 kilometer verder in Arnsdorf woonde.
De school staat er nog, mét de werkkamer en het bureau waaraan Gruber werkte en waaraan hij die muziek schreef die onsterfelijk werd.

Op 24 december 1818 zou het voor het eerst ten gehore worden gebracht.

Het verhaal doet de ronde dat Joseph Mohr kort voor die dag ontdekte dat het orgel van de Sankt Nikola Kirche in Oberndorf niet goed werkte. Een muis had een van de balgen aangevreten. (Dat verhaal wordt nu weer naar het rijk van de verzinsels verbannen).
In ieder geval: Mohr vroeg Gruber de partituur te herschrijven voor gitaar. Hij liet reparateur Karl Mauracher uit Fügen in Tirol (60 kilometer verderop) komen, maar die kreeg de schade niet op tijd hersteld. Bij de kerststal hoorde hij het lied van Mohr en Gruber en was diep onder de indruk. Gitaarspel in een kerk. dat had nog nooit iemand meegemaakt. (Er wordt aan getwijfeld of hij er echt was, die dag, het kan ook bij een andere uitvoering zijn geweest, in 1819, bijv.)
Mohr zong de eerste stem, Gruber bas, beiden speelden gitaar.
Aanvankelijk was het lied alleen bedoeld voor na de mis op kerstavond. Vaststaat dat de kerkgangers direct onder de indruk waren.
Wel is waar is dat Karl Mauracher de partituur meenam naar Fügen in het Tiroler Zillertal en zo kwam het ook bij de boerenfamilie Rainer. De vier broers en een zus reisden rond om op lokale podia lollige Tiroler liedjes ten gehore te brengen. In 1822 traden ze op voor de Russische tsaar Alexander I en de Oostenrijkse keizer Franz I die in Tirol op doorreis waren. De groep wilde natuurlijk de Tiroler liederen zingen, maar ze sloten af met het ingetogen Stille nacht. En dát vonden de vorsten nu juist zo mooi en ontroerend.
De Rainergroep reisde na 1824 steeds vaker naar het buitenland: Duitsland, Zweden, Engeland, en vanaf 1838 zelfs naar de Verenigde Staten. Viel hun optreden rond de Kerst, dan besloten ze hun optreden met Stille nacht. Dat werd overal zeer op prijs gesteld. 

Er was nog een zanggroep uit Tirol reisde en die reisde zelfs naar Rusland en zo werd ook daar het lied bekend. Het gevolg van dit alles was trouwens dat de wereld tot ver in de 20ste eeuw Stille nacht voor een Tiroler gezang hield. Joseph Mohr en Franz Gruber bleven anoniem.

Er zijn verschillende Stille Nacht Musea, ook een in wintersportoord Wagrain, de plaats waar Joseph Mohr na zijn Oberndorf-periode een school stichtte en waar hij ook begraven ligt. Aan het eind van zijn leven was hem bekend dat zijn lied elders in de wereld werd uitgevoerd, maar wat het toen al teweegbracht kon hij niet weten.

Op een wand is de eerste regel te zien in de driehonderd talen en dialecten waarin de tekst is vertaald. In twee eeuwen groeide de betekenis van dit lied. Sinds 2011 is het Unesco Werelderfgoed. In 1914 zongen Britse, Duitse en Franse soldaten bij een spontane wapenstilstand op kerstavond vanuit hun loopgraven samen Stille nacht. Het blijkt meer dan muziek, meer dan een kerstlied. Het is een wereldwijd symbool van verbroedering en vrede.

stillenacht.com

.

Kerstalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldKerstmis     jaartafel

.

2795

.

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Sinterklaas (32)

.

Dieuwke Hessels, november 2022

.

sinterklaas
.

Vanaf half november

stijgt uit Nederland de geur op van speculaas, pepernoten, chocolademelk en
mandarijntjes.
Die kruidige, zoete geur roept meteen levendige herinneringen op aan de
warmte van het Sinterklaasfeest, aan het mysterie van schoentje zetten en
de opwinding van pakjesavond. Aan het begin van de adventstijd is
Sinterklaas een feest voor kleine en grote kinderen, dat veel mensen nog
steeds recht uit het hart kunnen vieren.
Net als elk land kennen ook wij in Nederland tradities waar we niet meer bij
stilstaan. Soms zien we pas door de ogen van een vreemdeling het ongewone
ervan. Wat is er gewoner – vinden wij – dan dat een jarig kind een traktatie
meebrengt voor zijn klasgenootjes? Maar de Duitser Herbert Hahn, die enige
tijd op een Nederlandse vrijeschool werkte, moest hier erg aan wennen: een
jarige die ‘geschenkjes uitdeelt’ (trakteert)! En daarvoor worden dan
vanzelfsprekend alle lessen onderbroken, ook al geeft dat onrust! Vanuit die
ervaring stond hij er dan weer niet van te kijken dat het Sinterklaasfeest hét
grote feest van Nederland is. Oók een verjaardag waarbij de jarige
geschenken uitdeelt. En óók een feest dat een stukje onrust brengt in een
tijd die eigenlijk om stilte vraagt. Want 5 december valt meestal in de eerste,
soms in de tweede week van de adventsperiode, de stille tijd die aan
Kerstmis voorafgaat. Hoe valt dat te rijmen?

Schenkende heiligen

In de adventstijd verwachten we de geboorte van het kerstkind dat zichzelf weggaf aan de mensen. In die tijd lijkt zich overal een schenkende kracht te openbaren. Sint-Nicolaas is namelijk in de zes weken voor Kerstmis niet de
enige die geschenken brengt. De rij van schenkende heiligen wordt geopend door Sint-Maarten (11 november) die zijn halve mantel weggeeft.
De heilige Elisabeth (19 november) en de Zweedse Sint-Lucia (13 december) schenken brood aan de armen. In veel landen komt het kerstkind zelf met geschenken en in Zuid-Europa en Rusland laten de drie koningen op weg naar het kerstkind een geschenk achter in de sok van alle kinderen.
Sint-Nicolaas voegt zich moeiteloos in deze rij schenkende heiligen. In Nederland blijft zijn feest echter niet beperkt tot één dag, maar neemt
het de hele periode van half november tot pakjesavond in beslag.

Onrust tijdens advent

Bovendien komt Sint-Nicolaas niet alleen. Hij wordt vergezeld door een luidruchtig, kleurrijk en vrolijk volkje van helpende Pieten. In het rumoer van de Pieten hoor je het loeien van de novemberwind: als buiten de herfststormen
de aarde schoonvegen, halen de Pieten de bezem door ons innerlijk. Het is hun taak om ons bewust te maken van onze tekortkomingen. Naast het licht van Sint-Nicolaas was Zwarte Piet aanvankelijk een duistere, angstaanjagende
schaduwfiguur, maar in die gedaante verdween hij al gauw. Dat hij zo kleurig en beweeglijk werd, heeft volgens mij alles te maken met het feit dat wij in de loop van de tijd geleerd hebben om zelf de bezem te hanteren. Wij zijn steeds beter in staat naar onszelf te kijken, en al durven we onze schaduw misschien nog niet recht in de ogen te zien, we doen wel steeds vaker een dappere poging. Misschien dat daardoor het kostuum van Piet al decennialang alle kleuren van de regenboog vertoont. En tegenwoordig staan de laatste resten van zijn zwarte uiterlijk – zijn handen en gezicht – ook op het punt van kleur te veranderen. Piet is een louterende kracht die alles wat in ons schaduwachtig is, transparant wil maken voor het licht. Ook Sint-Nicolaas zelf moedigt dit element van loutering aan: op pakjesavond mogen anderen ons op onze tekortkomingen wijzen. Met mildheid en humor, dat wel. Maar het effect is toch dat we onszelf even zien door de ogen van een ander.

Het kind in de mens

De stilte van de adventsperiode is vol verwachting. We verwachten de geboorte van het goddelijk kind. Een zuivere, hemelse kracht daalt in de gedaante van een kind naar de mensen af om op de schoongeveegde aarde én in de gelouterde mensenziel zijn plek te vinden. Sint-Nicolaas is de beschermer van het kind in de mens, daarom valt zijn feest in de advent. Dit ‘kind in de mens’ is geen wezentje dat volgens de voorstellingen van een volwassene opgevoed moet worden. Met dit kind worden alle mogelijkheden bedoeld die we uit een geestelijke wereld hebben meegebracht om op aarde onszelf te kunnen worden. In de vroege middeleeuwen, voordat het huidige sinterklaasfeest bestond, werd Sint-Nicolaas al afgebeeld op doopvonten. Als een engel bracht hij het kind uit de hemel naar de aarde en zorgde hij ervoor dat het door de doop toch met de hemel verbonden bleef.
Ook legenden laten zien dat Sint-Nicolaas het kind in de mens beschermt. Zo wekte Sint-Nicolaas drie studenten tot leven die het argeloze slachtoffer waren geworden van een herbergier die hen vermoordde en inpekelde. En drie zusjes aan wie hij elk een beurs met gouden munten schonk, hoefden zich niet te prostitueren. Met hulp van Sint- Nicolaas hoefden deze drie ‘zusjes’ – net als de ‘studenten’ een beeld voor drie jonge zielenkrachten – hun zuiverheid en onschuld niet te verliezen.
De geschenken van Sint-Nicolaas zijn bedoeld voor het kind in ons. Ze zijn bedoeld om ons te helpen ons lot te aanvaarden, met alle mogelijkheden en beperkingen. Daarom legt Sint-Nicolaas zijn geschenken in onze schoenen.
Schoenen staan immers voor ons persoonlijk levenslot. Als we zeggen: Ik zou niet graag in jouw schoenen staan, dan bedoelen we dat we het lot van die ander niet willen overnemen. Dat kan natuurlijk ook niet, maar Sinterklaas laat
zien dat je een ander wel kunt bijstaan.

De Claesmannen

Elk kind weet dat Sint-Nicolaas geen gewoon mens is, maar een mysterie. Als volwassene kun je Sinterklaas beleven als een geheimzinnige kracht die zich via mensen kan manifesteren. Die kracht helpt ons niet alleen om kritisch naar
onszelf te kijken, het kind in ons te beschermen, en ons leven te leven – die kracht doet meer.
Toen de burgers in de late middeleeuwen zich in gilden verenigden, koos elk gilde een afgezant. De afgezanten van alle gilden vormden een stadsraad die opkwam voor de belangen van de burgers tegenover die van de adel. Als patroonheilige koos deze stadsraad niemand minder dan Sint-Nicolaas. Daarom werden de leden van de raad ook wel ‘Claesmannen’ genoemd. Als schutspatroon van de mensen die opkwamen voor de rechten en vrijheid van de individuele mens staat Sint-Nicolaas aan de wieg van een samenleving waarin voor iedereen een plek is en mensen niet alleen aan hun eigen belangen denken.
Ook onze tijd zou weleens Claesmannen- en vrouwen nodig kunnen hebben die het iedereen mogelijk maken zijn eigen plek in de samenleving te vinden. Met hulp van Sint-Nicolaas kun je jezelf door de ogen van de ander in een nieuw licht zien, wat een heel verhelderend geschenk kan zijn. En wil je in de geest van Sint-Nicolaas anderen iets schenken, dan vraagt dat liefdevolle aandacht. Alleen dan kun je je zo in iemand anders verplaatsen dat je begrijpt wat hij nodig heeft. De Claeskracht die zich op de ander oriënteert, beperkt zich niet tot de sinterklaastijd of de adventstijd. Die werkt in ieder mens die zich op welk moment dan ook wil inzetten voor mensen en hun mogelijkheden.

Tekst: Tineke Croese Dit artikel is verschenen in Antroposofie Magazin december 2016


.

.

Daniël Udo de Haes heeft ooit een verhaal geschreven om het Sinterklaasfeest en het kerstfeest met elkaar te verbinden. Hierin het beeld van Maria die kinderen onder haar warme mantel meeneemt naar de aarde en die de mensenkinderen die terug willen keren naar de geestelijke wereld, onder haar kleed mee terugneemt:

Sinterklaas en de sterrenkinderen

“Eens reed Sint-Nicolaas over de wolken van Spanje naar Holland. Daarboven in de hemel ontmoette hij Maria, die het Kerstkind in haar armen droeg. Zij vertelde aan Sint-Nicolaas dat zij het Kind juist weer voor een poosje naar de aarde wilde brengen. Daar mocht het dan weer met de kinderen spelen.

Toen kwamen dadelijk van alle kanten de sterren naderbij en vroegen of ze mee
mochten gaan.
Dat mag, zei Maria, als de Maan jullie de weg wil wijzen want jullie passen niet allemaal onder mijn warme mantel.
Dat hoorde Sint-Nicolaas en hij reed op zijn paard snel naar de maan: Goedenavond Maan! Goedenavond Sint-Nicolaas, zei de Maan. Maan, wil je de sterrenkinderen die met Maria mee naar de aarde willen de weg wijzen? Natuurlijk, zei de Maan, als de Zon dan overdag wil helpen…
Sint-Nicolaas reed naar de Zon. Zon, wilt u Maria helpen om de sterrenkinderen de weg naar de aarde te wijzen, de Maan helpt in de nacht, kunt u overdag helpen?.
Wat willen de sterrenkinderen op de aarde doen Sint-Nicolaas? De sterrenkinderen willen spelen met het Kerstkind en de aardekinderen. Ik help graag mee, zei de Zon.
Toen kwam de Zon naast Maria staan en de Maan aan de andere kant. Maria nam vele sterrenkinderen onder haar mantel en de sterrenkinderen zagen de glans van het Kerstkind dat Maria op haar arm droeg. De Zon liet zijn stralen
lichten op het pad dat Maria ging…

Sint-Nicolaas reed ondertussen op zijn paard met rasse schreden vooruit over de wolken en kwam als eerste op de aarde aan.
Daar aangekomen vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen dat het Kerstkind weldra op aarde zou komen. Sint-Nicolaas gaf de kinderen speelgoed zodat zij straks met het Kerstkind konden spelen. Toen Maria met het Kind op aarde aankwam, sprongen vele sterrenkinderen van haar schoot en waren mensenkinderen geworden. Ze speelden samen.
Na een poosje keerde Maria terug naar de Hemel en vele mensenkinderen mochten met haar mee om daar dicht bij de Zon, Maan en Sterren te zijn…”

Op de dag van zijn verjaardag, komt Sinterklaas, op zijn
paard, samen met een paar Pieten in het stadspark op
een afgesproken plek.
Sint blijft op zijn paard, rustig op afstand, paard kan
geaaid worden, Pieten delen lekkers uit, kinderen
zingen voor hem, eerst komen de kleuters en als zij
alweer onderweg terug zijn komen afzonderlijk klassen
1,2,3 en 4 even na elkaar naar deze bijzondere
ontmoeting.
Later op de dag komt Sinterklaas naar school, niet in de klassen, maar op het plein met zijn paard, de Pieten gaan de klassen rond om in iedere klas cadeautjes te brengen..

ook een mooie kaart…..
wat een beelden…
blauwe hemelse
rode aardse
ezeltje die lasten draagt voor de mens
Sinterklaas op de grens van binnen-buiten
geven en ontvangen
het kinderlijke goede
de goede Sint
het roodborstje: duidt op lente na een sombere winter
de kat: eigengereid en solitair bestaan, tolereert anderen als het daar zin in heeft.

Het heerlijk avondje is gekomen…
Juul van der Stok

De discussie over wel of niet Sint en Piet in levende lijve in huis ontvangen zal altijd blijven. Mijn ervaring is, dat hun verschijning op afstand, bij de intocht of kort op school, genoeg is.
Het beleven van Piet, waarvan het kind ‘s avond net de veer van de muts langs de dakrand zag bewegen, of het stille luisteren in bed naar de paardenvoetjes over het dak, werkt sterker dan de banket etende goedheiligman in vaders stoel.
Sint Nicolaas leeft voort in de wolkenwereld boven de daken, nog altijd. Voorlopig zien we om ons heen vooral veel Zwarte Pieten en zijn er maar enkele onder ons, die de moed hebben zich te verkleden als Sint-Nicolaas, om éven de échte te zijn.
Laten we het gesprek meer en meer voeren vanuit de gedachte van Sinterklaas als beeld van ons hoger Ik, dat ‘neerdaalt’ om ieder jaar weer zichtbaar en beleefbaar te worden.
Bij ons thuis stond de grote wasmand op de slaapkamer van mijn ouders en daar
mochten wij als grote kinderen onze eigen pakjes in doen. Bij het binnengaan van die kamer, het zien van al die pakjes, was voor mij de spanning gebroken. Ik zocht naar mijn naam op de pakjes en had daar de verdere avond last van. ’Pakjesavond’, dat was het niet voor mij.
Later wilde ik dat voor mijn kinderen anders doen.
• Hoe kan je de spanning tot het einde toe vasthouden?
• Hoe kun je kinderen helpen, dat oogjes niet gaan tellen en de hebzucht niet zoekt naar de eigen naam op de pakjes?
• Hoe kan ook aandacht voor de anderen opgebracht worden?

Ik zocht naar (spel)vormen, waarin deze vragen beantwoord werden. Hier enkele voorbeelden:
Er staat een grote stoomboot voor de deur. Binnengeloodst vaart hij rond in de kring en mag iedereen om beurten iets uit het ruim pakken en uitdelen.
“Piet brengt dit jaar alleen voor jullie samen één dobbelsteen”!
Het aantal gegooide ogen – of zelf gekozen symbolen, bijvoorbeeld kleuren, Sinterklaas, Zwarte Piet, de schimmel, enzovoort) – verwees naar in de kartonnen dobbelsteen verstopte opdrachten, zoals: zoek op zolder, zing een lied,
presenteer iets lekkers.

Er zit een grote Piet op de stoep met in zijn hand een roe, waarin
appeltjes van oranje en noten hangen, voorzien van namen en
opdrachten. In het begeleidende schrijven zegt Piet blij te zijn
binnengelaten te worden, omdat er nog heel wat appeltjes te schillen
zijn en noten te kraken.
Er wordt een grote rol papier door het raam naar binnen gestoken.
Uitgerold op tafel zien we een (ganzenbordachtige) weg door de vier
seizoenen getekend. In de twaalf maanden zijn de belangrijke
gebeurtenissen van het afgelopen jaar gemarkeerd. Mensenfiguurtjes
op damstenen moeten zich volgens het begeleidende dichtwerk door
het jaar heen bewegen om een en ander nog eens in de herinnering op te roepen alvorens het nieuwe jaar tegemoet te gaan.
Een zeiltocht rond het IJsselmeer, waarin veel doorstaan en geleerd werd, was aanleiding voor een vaarspel. Nieuwe slaapzakken vormden het woelige water en de kustlijnen. Met kleine notendopbootjes voeren we opnieuw van haven tot haven, waardoor die heerlijke vakantie herleefde en ieders hoogte- en dieptepunten passend gehonoreerd werden.
We maakten ook de weg door het jaar zichtbaar in surpriseachtige vormen om individuele ontwikkelingen te kunnen memoreren en stimuleren.

• Winter: ijsbaan met schaatsers, sleetjes, skiërs, koning Winter, sneeuwpoppen.
• Voorjaar: bloeiende natuur, Paashaas, schoonmaak, tuinwerkzaamheden.
• Zomer: vakantielandschap, reizigers, zwemmers, zeilers.
• Herfst: oogsten, weegschaal, vliegeren, schoolgang, nieuwe lessen.
Deze uitbeeldingen stonden vaak een heel jaar op de kinderkamers.
Na een muzikaal actief jaar vonden we voor de deur ons huisorkest, ieder met zijn eigen instrument, musicerend in de kring. Op ieders lessenaar een muziekboekje, waaruit ieder om beurten een bladzijde mocht omslaan om zijn
‘eigen lied’ ten gehore te brengen, ‘een toontje lager’ te zingen, ‘meer op de ander af te stemmen’, gewoon minder vals te spelen, of juist de succesnummers nog eens te laten horen.
Op een lange zeezeiltocht naar het hoge noorden leerden de jongste twee vissen. Op de grond maakten we van blauw gekreukeld cellofaanpapier een waterpartij omsloten door keien. Op een basalten pier twee vissers met hengels voorzien van een magneetje. Tussen de golven glinsterde het zeebanket in alle bekende soorten, voorzien van een opdracht en met een ijzertje tussen de kaken. Bedreven vissend moest bij laag- en hoogtij, met wind mee en tegen, ‘een en ander nog eens boven water komen’.
Zo staat in de verschillende spelvormen het op weg zijn centraal, verdwijnen de discussies over verlanglijstjes en komen kinderen weer tot de verwachtingsvolle vraag: ,,Hoe zal het vanavond gaan?”
Naast de individuele weg werd ook de gezamenlijke weg zichtbaar, wat een welkome verdieping betekende van het Sinterklaasfeest. Het leverde intieme momenten op, waarnaar je het verdere jaar soms erg kunt verlangen.
We zaten op zo’n avond rond iets moois, terwijl we ook actief bezig waren door in en rond het huis naar een pakje te moeten zoeken, wat voor jonge kinderen heel spannend was.
Toen de kinderen zelf mee gingen doen, verstopten ze zelf in huis hun cadeautjes en gaven voor het grote plan naam en plaats door aan degene, die de contacten met Piet onderhield. En wat genieten we nu bij onze kleinkinderen, die
vol spanning het moment afwachten, waarop ‘het’ gaat beginnen.
Veel succes!

Sinterklaastijd in de kleuterklas

Een heerlijke tijd, na advent meestal, de verkleedkleren tevoorschijn halen, inclusief gouden boek, en goudkleurige staf…..cadeautjes inpakken, mooie tekeningen voor Sinterklaas maken, Sinterklaas spelen compleet met boot en
lichten uit, alle kinderen slapen, cadeautjes brengen, pepernoten bakken… en zingen zingen en zingen…..
Rode wangen, slecht slapen , volledige overgave in het spel aan het jaarlijkse sinterklaasfeest.
Wensenlijstje maken, pepernotenbakken, in stilte luisteren naar een verhaal of oplettend kijken naar een prentenboek….

Vijf Pieten

Een handgebarenspelletje

Sinterklaas kwam over zee,
En zijn Pieten nam hij mee,
Het zijn er vast meer dan tien
Maar deze vijf zijn hier te zien. (5 vingers)
De dikste draagt de zware zak,
De tweede loopt op zijn gemak
De derde, kijk hem toch eens springen
Piet vier gaat zo een liedje zingen.
De kleinste staat te bibberen,
‘Brrrr, wat koud in Nederland,’ roept Pietje vijf,
‘Brrrr, ik denk echt niet dat ik blijf’.
Dan geeft Sint Piet warme chocola (wijsvinger reikt naar pink)
En kijk, hij danst alweer van tralalala. (pink)
Rita Veenman

Banketbakkersspelletje
Uit de DoeHoek van Diny Kiers:

Meedoen

Een rustgevend spel is het banketbakkersspel. Doordat de jongere kinderen ook een taak hebben, voelen ze zich betrokken bij het hele gebeuren op pakjesavond. Ze vinden het fijn om op deze manier mee te doen.
Het ruikt lekker en het rollen is een kalmerende bezigheid vooral als je het versje erbij zingt of zegt. Bovendien schenken de kinderen, net als Sint en Piet, ook iets aan anderen, waardoor het accent minder sterk op het krijgen van de eigen cadeautjes komt te liggen.
In een brief van Piet wordt alles duidelijk uitgelegd. De Bakpiet zou het fijn vinden als er iets lekkers uitgedeeld kan worden deze avond. Maar tja, hij heeft het ook zo vreselijk druk.
Hij denkt dat …(Thomas) hem goed kan helpen door voor alle mensen in de huiskamer een mooie marsepeinen bonbon te maken. Mmmm, dat wordt smullen!

Nu alleen nog een beetje versiering er zachtjes bovenop drukken…en het is klaar om weg te geven.

Nog leuker is het als je er een compleet mini banketbakkerspakket van maakt.
Een bakkerskistje
Nodig
• Theekist of bijvoorbeeld een tekendoos
• Lapjes dunne katoen van ongeveer 20 bij 15
centimeter
• Koord of lint
• Voor de uiteinden hiervan eventueel dikke kralen
• Klein lepeltje, mesje en vorkje
• Houten lepeltje, garde
• Kleurige theedoek
• 175 cm keperband

Beschilder het kistje met bijvoorbeeld aquarelverf. Maar blank is ook mooi.
• Plak er een mooi etiket van stevig papier op, met de naam van het kind (Zie tekening),
• Je zou eventueel het bovenstaande etiket kunnen
uitprinten en gebruiken.
• Het is ook mooi om de doos te versieren met restjes
stof.
• Je hebt in een ommezien een drietal zakjes genaaid met
een tunneltje erin en een koordje of lint erdoor waar
een beetje van de lekkere versiering in gaat.
• In plaats hiervan zijn een aantal kleine mini jampotjes of
andere kleine, goed sluitende, doosjes ook geschikt.
• Doe er wat minikeukenspullen bij en een klein geknipt
werkdoekje. Dan ziet het er echt aantrekkelijk uit.

Tip
Wat keukenspeelspulletjes, zo bij elkaar geraapt, mooi verzorgd in
een kistje of koffertje met eigen naam erop heeft iets magisch voor kinderen. Heel geschikt ook, om op een verjaardag cadeau te geven.

Naaien

Het banketbakkersschort

• Dit is zo gemaakt van een theedoek.
• Knip het borststuk zoals op de tekening is
aangegeven.
• Werk de gebogen lijnen af met een zoompje, een
bandje, of eenvoudig met een zigzagsteek.
• Neem tussen 40 en 50 cm voor de strikbanden.
• Naai er een zoompje in en stik ze aan het schort.
• De zak kan uit een zijstuk geknipt worden.
• Deze kun je met een zigzagsteek of met een bandje
op de schort naaien.
Een heerlijk Sinterklaasavondje!
Diny

Schoencadeautjes

1. Minischatkisje
2. Bijenwas
3. Gouden/Zilveren/
regenboogpotlood
4. Punnikklosje
5. IJzeren rietje
6. Pepernoten/Koekjesmix om zelf te bakken
7. Geode om zelf te barsten
8. Knikkers
9. Mooie pen
10. Bijzonder papier
11. Stickertjes
12. Kralensetje
13. Peperkoekhuisje
14. Edelsteen
15. Tolletje    
16. Jojo
17. Gummetje
18. Puntenslijper
19. Iets lekkers (chocolaatje, pepernoten, mandarijntje, etc.)
20. Mini potloodjes
21. Pixi boekje
22. Plantenzaadjes
23. Sterrenstickertjes voor in de hemel boven de jaartafel of gewoon op het raam
24. Brief van de Sint
25. Kaarsje (om te versieren)
26. Haarspeldje of mooi elastiekje
27. Tips met dingen die je voor een ander kan doen, zoals een boodschapje doen, een lied zingen, koekjes
bakken, eten langs brengen, de stoep vegen, een verhaal voorlezen, samen een spelletje spelen, enz.
28. Leuke doe-dingen voor de familie (zie hieronder de advent-ideetjes)
29. Een rol inpakpapier en plakband, uren speelplezier gegarandeerd
30. Een waardebon voor een immaterieel cadeau (kijk hier voor een lijstje met tips)
31. Een (antroposofische) adventskalender
32. Sokken

Je kan ook elke keer dat het kind de schoen mag zetten een onderdeel van een groter cadeau in de schoen stoppen.

Denk aan:

1. Onderdelen van Grimms poppetjes
2. Ostheimer speelgoed
3. Knutselopdracht met materiaal en stappenplan
4. Stukjes van een knikker– of treinbaan
5. Krijtjes van Stockmar
6. Kleurtjes klei of bijenwas
7. Etui met elke keer iets voor erin        

Bovenstaand en onderstaand artikel komen van evrydaymommyday.com

Een magisch Sinterklaasfeest

Wie kent dat gevoel van dat je door de straat loopt en je het idee hebt dat je net een veer en een kleurige pet de hoek om zag flitsen? Of wie sloop er vroeger, net als ik in de nacht zijn bed uit om door de gordijnen te gluren of je misschien Sinterklaas op het dak zou zien?
Voor mij als kind was Sinterklaas gehuld in magische nevelen. Zoals de Duitse Nikolaus onzichtbaar blijft, maar altijd een spoor van fairy dust achter zich laat, zo betoverend en ontastbaar was de Sint ook voor mij in mijn kindertijd.

Sinterklaas, een leugen?

In ons gezin is Sinterklaas, net als Sint-Maarten of Maria en Jozef, een verhaal. Het verhaal van een man die anderen wil helpen. Hij deelt zijn rijkdommen met hen die het nodig hebben, want kunnen geven maakt blij.
Wij blijven weg van grote Sinterklaasevents, kruipen niet bij Sint op schoot, kijken niet het Sinterklaasjournaal met stressige cliffhangers en praten niet over wat Piet zal doen als je niet braaf bent geweest.
We kijken Sinterklaasboeken, zingen Sinterklaasliedjes, bakken pepernoten zodat ons huis geurt van de speculaaskruiden, knutselen Sinterknutsels en geven vragen over de Sint gewoon terug…. „Wat denk jij?“
Als standaard cadeau krijgen de kinderen iets voor de verkleedklerenkist, want ook zij kunnen Sint, Piet, ridder of dokter zijn.
Ik vertel geen leugens maar laat mijn kinderen in de magie geloven omdat ze erin willen geloven. Net als dat er dwergjes mogen rondlopen in het bos en hun geliefde pop ook daadwerkelijk getroost moet worden als ze gevallen is.
Voor kleine kinderen bestaat er nog een dromerige wereld die ergens tussen de werkelijkheid en de fantasie zweeft.
Leer kinderen niet te geloven in de Sint, maar verklaar ze ook niet intellectueel de wereld uit angst om te liegen.
Op een dag wordt elk kind wakker en komen de vragen. En opeens komt het besef hoe het zit en is het tijd een ingewijde te worden in de raadselen rondom de Sint. (Lees onderaan mijn verhaaltip).

Sinterklaas anno 2019

Opvallend van tegenwoordig vind ik hoe reëel en tastbaar de Sint voor kinderen is geworden. Sint komt via het Sinterklaasjournaal tot op de poriën scherp de huiskamer binnen. Sint is niet in vraagtekens gehuld, maar we leven vol emotie mee met alle ervaringen en tegenslagen op zijn tocht naar Nederland.
In Nederland gekomen staat een stuiterende kinderzee te wachten op de Sint. Luid schallen de liedjes door de boxen om tegen de spreekkoren van de voor- en tegenstanders van Zwarte Piet op te komen.
Politie en ME teams begeleiden de Sint terwijl mijn kinderen zich afvragen waarom iedereen Zwarte Piet roept, terwijl ik hen juist net heb geleerd over de roetveegpiet. En: „Waarom, mama is er zoveel politie? Waarom
schreeuwen die mensen zo, het lijkt wel of ze boos zijn?“

Sinterklaasgekte

Na de intocht van de Sint begint de tijd van opwinding pas echt. Dagelijks mogen de schoenen gezet worden, elk weekend vinden er Sinterklaasevenementen plaats, elk kind kan wel een paar keer Sint en Piet live ontmoeten (“Hé
mam! Die baard is heel anders dan die van Sint op TV!”), de grote speelgoedwinkels kunnen hun Dagobert Duck geluk niet op en op 5 december komen de grootste zakken vol met cadeaus de huizen binnen om opengescheurd te worden op zoek naar de iPhone die bovenaan het verlanglijstje stond.
Vier weken lang slaan de kinderhartjes in razend tempo, draaien wij ouders op hoge toeren om aan de verwachtingen van de Sint te kunnen voldoen en zijn we allemaal weer blij als de rust op 6 december is weergekeerd…voor even…
Wat was ook alweer het idee van het Sinterklaasfeest?
Sinterklaas is heilig verklaard omdat hij mensen in nood hielp. Wij gedenken Sinterklaas door te delen en door het zo moedig te zijn onszelf in de spiegel te durven bekijken. Lees mijn Sinterklaasblog over de achtergronden van Sint en
Piet. Naar mijn bescheiden mening gaan we met de huidige ietwat consumentistische, more is more trend een beetje voorbij aan het idee van dankbaarheid, verwonderende vreugde en geheimzinnigheid.

Pietendiscussie

Weet je dat we het eigenlijk zo met elkaar eens zijn! We willen een fijn feest voor ieder kind. Als dat je vertrekpunt is, dan houd je niet vast aan dat wat was, maar dan zoek je samen naar iets wat iedereen blij maakt; dát is delen en dát is jezelf in de spiegel durven kijken.
Het is een feit: sinds het leven van de Heilige Nicolaas in de 13e eeuw, is het feest talloze keren aan de veranderende tijd en het samenstromen van culturele invloeden onderhevig geweest. Waarom dan nu zo krampachtig vasthouden
aan iets, wat voor kinderen niet van het geringste belang is?
Kunnen we afspreken de discussie over die goede Piet niet meer voor de ogen van kinderen te voeren?
Ik ben vol vertrouwen; er zal wat tijd overheen gaan, maar het uiterlijk van Piet gaat veranderen! Bij ons in ieder geval op de jaartafel mooie roetveegpieten in alle huidskleuren die onze aarde rijk is. Mee eens?
Less is more
Ik kies voor de magische, kleine, warme familiaire versie van het Sinterklaasfeest. Wij bekijken de Sint alleen bij de intocht. We zingen, we lezen, we bakken en delen uit aan onze dierbaren. Schoentjes zetten is een feest en kan
prima 1x per week. En als je niet gewend bent dat altijd alle wensen in vervulling gaan, dan zie je zelfs nog de grote dankbaarheid in de ogen van die kleine snoetjes als ze een een heerlijk mandarijntje en een handje vol pepernoten vinden.
Geniet van een Sinterklaasavond waarbij de harten kloppen van verwachting, geniet van de warmte bij de open haard en de gezelligheid, lach, zing, smikkel en deel. En ben dankbaar voor alle materiële en immateriële geschenken, want dankbaarheid is de herinnering van het hart.
Een heerlijke Sinterklaastijd gewenst!
Wie was eigenlijk Sinterklaas, hoe zit het met die Pietjes? Inspiratie nodig welke liedjes je nieuw kan leren en welke boeken mooi zijn voor deze tijd? Lees het in mijn Sinterklaasblog.
Wil je meer lezen over hoe je een jaartafel kan maken,
Youtube: Ik zing Sinterklaas liedjes zodat je bij interesse mee kan zingen en ze zo nieuwe liedjes kan leren. Succes!
Bij Waldorf Inspiration vind je inspiratie voor de jaartafel. Kijk op Facebook, Instagram of Pinterest.

Een adventssprookje

Daniël Udo de Haes

Een klein meisje zette eens haar schoentje onder de schoorsteen, want
over een paar dagen zou het Sinterklaasavond zijn. Ze wist niet wat ze wel verlangen zou om er in te krijgen en daar dacht ze zelfs helemaal niet aan.
Ze dacht alleen aan Sint-Nicolaas zelf, van wie haar ouders haar zoveel
hadden verteld en van wie al haar dromen en gedachten vervuld waren.
Ze dacht niet anders dan aan de oude bisschop, die op zijn schimmel
daarboven over de daken reed en die door de schoorsteen in de huizen
kwam, om zijn gaven aan de kinderen te brengen. Die wereld van de daken
was voor het meisje al halverwege de hemel, en uit die hoge wereld zou
Sint-Nicolaas komen.
Maar ook aan het paard moest worden gedacht en de moeder van het
meisje had haar een flink stuk brood gegeven om in haar schoentje te
leggen, zodat de schimmel iets om te eten zou vinden. Daarna haalde het
meisje zelf nog een bakje met water dat ze ernaast zette, zodat het paard ook drinken kon als het dorst had. Toen dit alles klaar was, zong ze met haar vader en moeder een paar mooie Sint-Nicolaasliedjes bij de schoorsteen, en vol van
haar heerlijke verwachtingen werd zij naar bed gebracht.
Nu droomde zij nog veel meer van Sint Nicolaas, dan zij de hele dag al had gedaan. Zij droomde dat de heilige door de schoorsteen in de kamer kwam en toen hij zag, hoe goed het meisje voor zijn paard had gezorgd, legde hij een
hart van suiker in haar schoentje. Toen ging hij met zijn schimmel weer omhoog.
Maar het meisje droomde verder. Ze droomde zo mooi, dat al dromende haar eigen hart openging. Het ging even wijd open als zij haar schoentje had opengezet. En zie, daar ging haar droom uit haar hart omhoog. Hij ging mee met
Sint-Nicolaas op zijn schimmel over de daken en… toen naar de hemel.
Heel, heel hoog ging het in de hemel. En daar, hoog boven de wolken, tussen de zon en de maan, daar zagen zij een jonge vrouw in een blauwe mantel, die langzaam liep over de sterren en die een heel jong kindje in de armen droeg.
Dat was Moeder Maria, die het kerstkindje droeg, waarmee ze in de naderende kersttijd weer op aarde wilde komen.
En toen Maria Sint-Nicolaas aan zag komen, met de droom van het meisje bij zich op zijn schimmel, keek zij omlaag,
en daar zag zij het meisje zelf in haar bedje liggen slapen. En toen Maria zag hoe wijd het hart van het meisje naar de hemel openstond, nam zij iets van het morgenrood uit het hart van haar kindje en vroeg Sint-Nicolaas dit te willen
leggen in het hart van het meisje daar beneden. Sint-Nicolaas nam deze hartengave van het kerstkind dankbaar voor het meisje aan en keerde toen met haar droom terug naar de aarde.
De volgende morgen, toen Sint-Nicolaas alweer in Spanje was en de droom in het meisje was teruggekeerd, ontwaakte zij.
Vol spanning ging zij naar beneden.
Hoe zou het bij de schoorsteen zijn?
Zie, het kommetje was leeggedronken en het brood in haar schoentje was verdwenen. In plaats daarvan lag er een hart van suiker in. Het was dus echt waar, dat Sint-Nicolaas gekomen was…
Maar daar was nog iets wonderlijks, dat het meisje eerst nog niet had gezien. Het hart van suiker glansde… Het lichtte met een glans, die het meisje nog nooit eerder aan suikergoed had gezien. Het hart verspreidde een licht van
rode rozen, zoals men dat soms kan zien als de zon opgaat. Het meisje riep haar vader en moeder en toonde vol blijdschap het lichtende geschenk. Haar ouders vonden het hart prachtig, maar de glans konden zij niet zien. Het meisje verzekerde hun, dat het hart werkelijk glansde, maar zij wist niet, dat deze glans het morgenrood was dat in haar eigen hart lag en dat Sint Nicolaas daar voor Maria uit het hart van het Christuskind in had mogen leggen.
Sinds die nacht gebeurde het vaak dat het meisje iets om zich heen zag glanzen als het morgenrood, en dat andere mensen die glans niet konden zien.

Wie is het wichtelmannetje?

Antroposofisch leven, Naomi Rowaan

Graag vertel ik jullie over een oude traditie die voor mij erg waardevol is, het is de traditie van het wichtelmannetje.

Wie is het wichtelmannetje?
Het wichtelmannetje, ook wel tomte genoemd, is een wezen uit de oorspronkelijke Scandinavische folklore. We kunnen het wichtelmannetje zien als een soort kleine huisgeest, een kabouter die
je nauwelijks ziet of hoort. Het wichtelmannetje wordt vaak afgebeeld als een klein mannetje met een muts en een hele lange grijze baard.

Goede huisgeest

Het wichtelmannetje is een goedaardige huisgeest, die staat voor naastenliefde, warmte en gezelligheid. Het is in de Scandinavische landen traditie om op Sint -Maartensdag (11 november) lootjes te trekken, zoals wij dat wel doen met Sint-Nicolaas. Op elk lootje staat een naam van een van de gezinsleden. Voor degene die jij hebt getrokken ga je de komende tijd stiekem wichtelen, alsof je zelf een
klein wichtelmannetje bent.

Wat is wichtelen?

Wichtelen bestaat uit verschillende dingen. Met name kunnen we denken aan het opknappen van kleine klusjes in en om het huis, zoals een paar boodschappen, het bed opmaken of afhalen of de was ophangen en de planten water geven. Ook is wichtelen het geven van kleine attenties, kleine cadeautjes, verstopt onder iemands kussen of in een schoen of sok. Zelfgemaakte cadeautjes zijn natuurlijk helemaal leuk, maar dat hoeft niet. Wichtelen kan ook heel
goed in de klas op school. Pas met kerstmis vertel je voor wie jij het wichtelmannetje was.

Grappige traditie

Deze traditie is heel leuk om te doen, het brengt mensen dichter bij elkaar en het verrassingselement is ontzettend grappig en zal geheid voor blije gezichten en een goed humeur zorgen. Iets wat we wel kunnen gebruiken in de donkere tijd tussen Sint-Maarten en Kerst.
Zonder lootjes kan het ook.
Er is ook nog een andere manier om te wichtelen, zonder lootjes. Hiervoor gebruik je een zelfgemaakt wichtelmannetje, gemaakt van vilt en kastanjes bijvoorbeeld. Dit wichtelmannetje kun je achterlaten op de plek waar je gewichteld hebt, zoals op een stapel pas gevouwen wasgoed. Degene die het wichtelmannetje vindt, mag dan wichtelen voor iemand anders, en laat daar het wichtelmannetje weer achter, en zo ga je door. Deze manier is wat
anoniemer en verrassender dan de andere.

nog wat knutselplezier gevonden!

.

Sint-Nikolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint- Nicolaas       jaartafels

.

2785

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (1-3)

.

*Deze legende werd met toestemming van de uitgever overgenomen uit: A. Remizov, Nikola de Barmhartige, Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist 1986, in Jonas 7, 28-11-1986

.

NIKOLA ALS BORG

1

Op het hoogste punt van een steilte stond het gro­te huis van de rijke boer Antip. Antip was gierig en schraapzuchtig; hij hield veel van geld en gaf nooit iemand een cent, al zou die vlak vóór zijn huis van honger omkomen. Wel gaf hij geld ter leen als men hem een pand gaf, maar hij leende nooit geld op de belofte, het geleende af te werken.

In hetzelfde dorp woonde de boer Sergej. Hij is zijn leven lang arm geweest, maar nu was de nood zo hoog, dat hij en de zijnen door de hongerdood bedreigd werden.
Hij piekerde er aldoor over, hoe een uitweg uit die vreselijke toestand te vinden. Eens zei hij tegen zijn vrouw:
‘Weet je wat, Marja, ik ga naar Antip.’ ‘Je bent een domme man, je weet toch, dat hij zon­der pand niemand iets geeft.’
‘Mij zal hij wel lenen. Ik heb iets bedacht.’
En hij verliet zijn hut.                                 

Sergej kwam bij de rijke man en zei tegen hem: ‘Antip, vadertje, heb medelijden, wij sterven van honger.’
Het spijt me, broeder, maar je weet, dat ik nooit ie­mand geld leen.’
‘En als ik je een borg breng?’
‘Dat hangt er van af. Wie is je borg?’
‘Nikola. Ik heb op mijn heiligenplank een beeld van Nikola staan. Dat zal mijn borgtocht zijn.’
Antip streek over zijn baard. Het was een moeilijk geval, hij kon niet zonder meer weigeren: Antip was een vrome man, hij was belezen in de Schrift.
‘Weet je wat, kom tegen de avond, ik zal er over na­denken.’
‘Goed, ik zal het doen,’  zei Sergej. En hij verliet het huis van Antip.
Sergej keerde naar huis terug: nu zullen zij geld hebben, zij zullen niet van hon­ger omkomen, hij zal zijn zaken weer in orde bren­gen.

‘Antip heeft mij niet geweigerd, hij is bereid op mijn voorstel in te gaan; ik moet vanavond bij hem komen!’ — zei Sergej tegen zijn vrouw opgewekt.
Wat heb je hem dan gezegd?’ ‘Ik heb Nikola als borg opgegeven.’
‘Grote God, wat heb je nou gedaan!’
‘Wat ben je toch dom, vrouw; als er iemand is, die alles ziet en alles weet, dan is dat toch zeker Nikola: hij zal nooit iemand in de steek laten.’
Toen het avond werd haalde Sergej het beeld van Nikola van de plank. Daarna zei hij tegen zijn vrouw: ‘Marja, kleed je warm aan en volg mij. Je gaat bij het huis van Antip dicht bij het raam staan en je luistert goed naar alles, wat er zal gebeuren. Als je mij hoort zeggen: ‘Vadertje Nikola de Wonderdoener, wees mijn borg!’, dan moet je buiten, met een lage mannenstem antwoorden: ‘Ik ben borg’ of iets dergelijks.’
Marja deed haar warme doek om en liep achter haar man; zij had angst en klappertandde.
‘Waarom ben je zo bang! Er is toch geen reden voor. Ik heb je gezegd, dat Nikola alles ziet, alles weet, dat hij nooit iemand in de steek laat!’ Zo gingen zij verder.
Sergej met het beeld van Nikola liep voorop. Ach­ter hem liep Marja.

2

Het was donker op straat. Het sneeuwde eerst zacht, daarna werd het een echte sneeuwjacht.
Zij kwamen bij de steilte. Marja bleef buiten staan, Sergej ging met de icoon van Nikola het huis van Antip binnen.
‘Ik ben gekomen, zoals wij afgesproken hebben.’
‘En heb je je borg bij je?’
Sergej zette het beeld op het heiligenbeelden­plankje neer.
Op dat ogenblik kwam de vrouw van Antip bin­nen.
Sergej bekruiste zich en bad: ‘Vadertje Nikola de Wonderdoener, wees mijn
borg!’

Antip stond op en keek naar de icoon: zou de Heilige werkelijk verklaren borg te zijn?’
‘Ik ben borg!’ hoorden zij plotseling een stem. Iemand had het met een zachte stem gezegd, maar zo duidelijk, dat iedereen het horen kon: en Sergej, en Antip, en de vrouw van Antip, ‘Vrouw, heb je het gehoord?’ ‘Ik heb het gehoord.’
‘En heb je veel geld nodig, Sergej?’ ‘Ja, veel, – zei Sergej; hij voelde zich niet meer zo zeker van zijn zaak: de stem klonk anders dan die van Marja, — veel: honderd roebel!’
‘Geef hem tweehonderd,’ — zei de vrouw van An­tip. Antip opende zijn kist en haalde twee bankjes van honderd.
‘Voor hoelang leen je het geld? Wanneer krijg ik het terug?’
‘Tot Nieuwjaar,’ — zei Sergej.
Hij nam het geld en verliet het huis.

Buiten was het pikdonker. De sneeuwjacht nam steeds toe. ‘Kom naar huis, Masja ‘(1),  zei Sergej met zachte stem tegen zijn vrouw. Marja liep te klappertanden.
De volgende dag hebben zij allerlei dingen ge­kocht – als je geld hebt, kun je van alles krijgen! Zij kochten suiker, grutterswaren van alle soorten, meel en ook brandhout en dachten: wat zal nu het vuur in de oven vrolijk branden! Het leven in het huis van Sergej werd nu aange­naam als nooit tevoren.

3

De tijd vloog voorbij. Het werd Kerstmis, Nieuw­jaar naderde:
Sergej moest zijn schuld betalen, maar hij had geen geld. Sergej had gehoopt, dat hij met het ge­leende geld zijn zaken in orde zou brengen, dat hij wat zou verdienen, dat hij het geld op de een of andere wijze wel zou vinden, — maar hoe kan ie­mand die zo arm is als hij aan zulk een geweldig bedrag komen?

Het waren immers tweehonderd roebel!

Het werd Nieuwjaar — Sergej bracht het geld niet.
Antip wachtte nog een dag, daarna nog een dag, maar vergeefs. Het verdroot hem erg: hij had zulk een vertrouwen in het geval en nu blijkt het, dat het bedrog was!
De derde dag nam Antip het beeld van Nikola en droeg het naar de markt. De gehele dag had hij over de markt rondgelopen, het beeld te koop aan­geboden — niemand wilde het beeld kopen. Antip werd wrevelig en verweet Nikola aldoor: ‘Wat is dat nou: ge hebt persoonlijk gesproken, ge hebt verklaard borg te zijn voor die zwerver en nu blijkt alles bedrog te zijn geweest!’ Hij wilde geen geld meer hebben, het kon hem niet meer schelen, dat hij zulk een verlies had gele­den, als hij maar tot bedaren kon komen: te bedenken, dat hij er zó ingelopen was!
Laat in de avond keerde Antip naar huis terug, met het beeld in zijn handen, en was vervuld van zijn bittere gedachten.
Onderweg ontmoette hij een oud mannetje.
‘Waar gaat ge naar toe, mijn zoon?’
‘Ik wil een heiligenbeeld verkopen’ — zei Antip; hij had die woorden in de loop van de dag reeds zo veel keer herhaald.
‘Wat wil je er voor hebben?’
‘Het kan mij niet schelen. Je kunt het zonder geld krijgen.’
De oude man nam de icoon, haalde uit zijn zak twee bankjes van honderd roebel en gaf ze aan An­tip.
‘Ga met god, mijn zoon.’
Op weg naar huis moest Antip de bevroren rivier oversteken. Het was reeds volkomen donker — hij hield de twee bankbiljetten stevig in zijn vuist ge­klemd.
Bij de oever was het ijs met sneeuw bedekt. Het was erg glibberig; Antip gleed uit en ging op het ijs zitten – doch toen hij weer wilde opstaan, lukte het hem met.
Hij probeerde het zus en zo — het hielp niet.
Toen begon hij om hulp te roepen. Hij riep zo hard, dat van alle kanten mensen kwa­men aansnellen: men herkende de stem van de rij­ke man; zij tilden hem op en droegen hem naar zijn huis.
Van af die tijd kon Antip niet meer lopen, al zijn geld kon hem niet meer helpen. Sindsdien bracht hij zijn dagen zittend door.

(1) Masja is een verkleinvorm van Marja, dus: Rie)

.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2780

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (1-4)

.
Uit ‘Nikola de Barmhartige’ uit schoolkrant – nadere gegevens ontbreken
.

HET VUUR VAN NIKOLA
.

De Heilige Nikola heeft veel over Gods wereld rondgezworven.
Hij heeft veel landen bezocht, de gehele wereld doorgetrokken, er waren slechts drie dorpen overgebleven.
Hij ging het eerste dorp binnen. De kinderen omringden hem. „Een Taljaan, — riepen zij luidkeels, — een Taljaan is gekomen! Dadelijk gaat hij op z’n orgel spelen!” De mannen en vrouwen snelden uit de huizen, omringden hem. „Zeg, oudje, waar is je draaiorgel? Speel ons een vrolijk moppie, dan zullen we effe hopsen!” — riepen zij en hinnikten als hengsten, die lang op een plaats hadden gestaan.
Het gedrag van die mannen en vrouwen ergerde Nikola, hij begaf zich naar het tweede dorp.

Daar was het al niet beter: niemand wilde hem binnenlaten! En het begon al donker te worden. In één huis zeiden zij, bang te zijn: hij zou duivels bij zich kunnen hebben.
In een ander huis: misschien is hij een dief.
In het derde huis: hij zal wel een verklede landloper zijn!
Toen Nikola bij het vierde huis kwam — pakte de boer een zwaar stuk hout en keek hem dreigend aan. Toen begaf Nikola zich naar het derde dorp.

Hij liep door het dorp — en van alle kanten wezen zij met de vingers naar hem.
Hij kwam bij een huis en vroeg verlof om te mogen overnachten. „Heb je wel een kruisje om?”
„Ja.”
„Sla eens een kruis!”
Nikola deed het.
Zeg maar op: „De Here verrijze!”
Nikola deed het.
„Zeg nu het „Credo” op.”
Hij zei het „Credo” op.
„En ken je het gebed „verdrijf de boze van mij”?
De oude man was dat gebed vergeten,.
„Neen, — zei de baas, — ga maar heen. Het „Credo” heb je niet al te goed opgezegd en nu blijkt het, dat je „verdrijf” in het geheel niet kent. Je hoeft mij niet te smeken. Je kent de gebeden niet behoorlijk, ik houd niet van mensen, die hun gebeden niet op hun duimpje kennen.”

En intussen was het volkomen nacht geworden. Het werd pikdonker Hij moest op de tast zijn weg verder zoeken.

De wind huilde.

Nikola kwam bij het laatste huis. Daar woonde een eenzame, ongetrouwde man. Hij ontving de late bezoeker vriendelijk, spreidde hooi voor hem als legerstede uit, gaf hem een pelsjas om zich toe te dekken.

Zij gingen beiden slapen.

Vroeg in de ochtend werd de eenzame boer wakker. Hij stond op en ging naar de dorsvloer, rogge dorsen. Nikola stond ook op en ging met hem mee om hem bij zijn werk te helpen, om hem op deze wijze voor zijn gastvrijheid te belonen.
Zij stonden lange tijd te werken. Zij zwaaiden met de vlegels en werden er moe van.
Toen zei Nikola: „Weet je wat, beste man, volg maar mijn raad op. Ik doe het anders.’
Nikola nam een lucifer en stak de brand in de schoven.
In één oogwenk stonden de schoven in lichtelaaie; zij brandden — het was een blank vuur — maar verbrandden niet: elk strohalmpje ging naast het andere liggen, elke graankorrel naast de andere.

Het heeft geen uur geduurd of alle schoven waren op deze wijze gedorst,— het graan was blank, zuiver, groot, je hoefde het niet te wannen
De heilige man nam afscheid van zijn gastheer en zette zijn reis voort.

De volgende dag vertelde de eenzame boer zijn buren van zijn gast — die vreemde oude man, hoe hij het graan dorste.
„Laat ons ook proberen het graan op deze wijze te dorsen!” — besloten de andere boeren.
En zij staken de brand in hun schoven — de opgestapelde schoven flakkerden, daarna sprong de brand op de huizen over.

Het heeft niet lang geduurd of van het gehele dorp alleen afgebrande palen overbleven.

.

Sint-Nicolaas: alle verhalen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2778

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhalen

.

SINTERKLAASVERHALEN

.

Op de site ‘Beleven.org’ staan momenteel de volgende verhalen:

Op de site ‘Genezend opvoeden‘ staan deze verhalen:
Daarop staan ook achtergronden over Sint en Piet

Nicolaas en de dochters van de koopman
Nikola en het graan

==

[1-1] Nikola de barmhartige, A Remizov
Jonas over: bij het verschijnen van dit boek.

Nikola de barmhartige:
Sint Nicolaas in Rusland (Inleiding van de vertaler) voorwoord.

[1-2Sint-Nicolaas de wonderdoener
[1-3] Nikola als borg

[1-4] Het vuur van Nikola
De heilige Nicolaas is nergens welkom, behalve bij vriendelijke boer. Zijn oogst komt op wonderbaarlijke manier van het land. Dat heeft grote gevolgen voor ongastvrijen.

[2 Sint-Nicolaas en Maria
Dan Udo de Haes 
(het verhaal begint half in het artikel)

[3] De wonderlijke graanvermeerdering
Legende: Sint-Nicolaas deelt graan uit; de voorraad vermindert niet.

Sinterklaas (32)
Een verhaal over Sint in de adventstijd

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas – verhaal (3)

.
Bron onbekend
.

SINT-NICOLAASLEGENDE
.

In Myra, de stad waar de heilige Nicolaas bisschop was, heerste hongersnood. Toen bijna al het voedsel op was, hoorde Nicolaas dat er in de haven een schip volgeladen met tarwe was binnengevaren.   Nicolaas ging naar de kade waar het schip was afgemeerd en vroeg de scheepslieden of ze hem 100 maten tarwe wilden geven om de uitgehongerde mensen te redden. De scheepslieden wilden echter niets geven, omdat het graan in Alexandrië gewogen was en zij die afgewogen hoeveelheid graan naar de korenschuren van de keizer moesten brengen. Toen zei de heilige Nicolaas: ‘Doe wat ik U zeg en ik zweer U bij het woord van God dat er bij het nawegen geen korrel gemist zal worden.’
De scheepslieden volgden zijn gebod op en toen zij bij de graanwegers van de keizer kwamen, was in het schip precies zoveel graan als er in Alexandrië hadden ingeladen. Ze vertelden iedereen wat er gebeurd was en prezen God en zijn knecht. Intussen deelde de heilige Nicolaas het koren uit, iedereen kreeg zoveel als hij nodig had. En van het weinige graan dat hij van de scheepslieden gekre­gen had, kon hij, de hele stad voeden.

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

2776

.

.

VRIJESCHOOL – Algemene menskunde – voordracht 1 [1-7-2/2-2]

.

Zwarte tekst: Mellie Uyldert; in blauw: phaw

.
levenskracht
.

In haar boek ‘Verborgen wijsheid van oude rijmen‘ wijdt de schrijfster, Mellie Uyldert, een hoofdstuk aan de levensgeest.

Wie zich in de antroposofie verdiept, komt dit begrip ook bij Rudolf Steiner tegen. Hij beschrijft deze als een van de geestelijke ontwikkelingsfasen die de mens kan bereiken, wanneer hij zijn etherlijf, zijn levenskrachtenlichaam omwerkt, schoolt.
Het is niet mijn bedoeling het verschil of de overkomst tussen Steiners visie en die van Uyldert op te zoeken. De laatste legt steeds verbanden met folkloristische gebruiken: feesten, bijv. en uiteraard: de oude kinderspelen, rijmpjes en versjes.
Uyldert noemt bij wat ze beschrijft, de levensgeest ook levenskracht.

Zij ziet deze over de hele wereld aanwezig: bij het ritueel in het oerwoud, bij midwintergebruiken in bergdorpen van oud Europa en in de oogstgebruiken van de boeren.
Zij zegt dat de wetenschap deze levensgeest vegetatiedemon noemt. Die term vind je op Google nauwelijks. Ik vond wel een artikel, waarin ook iets staat over ‘de haan ‘ die Uyldert verderop noemt. De geboorte en het sterven ervan zou bij alle oude volken gevierd worden en wij komen deze tegen in volksgebruiken en kinderspelen.

In elke godsdienst zou de levensgeest zich manifesteren als bijv. de gods-zoon of de zonneheld, de gedaante van de kracht, die de Schepper van hemel en aarde uitzendt om zijn schepping te onderhouden, als levenskracht voor plant, dier en mens!

‘In de landen dicht bij de evenaar is die kracht altijd door aanwezig, laat de bomen het hele jaar door bladeren, bloemen en vruchten dragen en wordt in zijn overvloed uitgebeeld in goden met vele armen, godinnen met vele borsten, in hun uitbundige liefdesvermaken en in een fallus-verering, die bij ons, wat afgezwakt, optreedt in de vorm van gedenknaalden.’

In onze gematigde streken, is het de levensgeest die het komen en gaan van de seizoenen veroorzaakt! De levenskracht daalt in de materie af, brengt er het leven in. 
Wanneer we dit zo lezen, denk je al snel aan wat Steiner over het etherlijf zegt en hoe dit bijv. in het kind zich steeds sterker ontwikkelt, in de eerste zeven jaar de stoffelijkheid van het kind doordringend. 
De levenskracht van de aarde neemt in de lente in kracht toe, neemt steeds méér en uitbundiger vormen aan, tot zijn grootste manifestatie op de langste dag van het jaar –om daarna als kracht af te nemen en geleidelijk de levensvormen te verlaten, waarbij hij zich samentrekt in de kleinste vormen: het zaad, dat zich verbergt onder de grond; op de kortste dag heeft de levensgeest zich opgerold in het binnenste van de aarde.’

Bij Steiner komen we dit thema tegen als o.a. het ‘in slaap raken en wakker worden van de aarde.’
Een blik op folklore en volksfeesten leert ons dat het ritme van verschijnen en verdwijnen voor de eenvoudig levende mens die zoveel meer met de natuur verbonden was dan wij nu, letterlijk van levensbelang was. Je ziet aan alles dat de mens vanuit die verbondenheid, van de vroegste af, verering, dankbaarheid e.d. tot uitdrukking wilde brengen en daarvoor riep het vormen in leven, rituelen, heilige handelingen, die juist op die keer- en knooppunten van dat ritme, uitgevoerd worden. Dat ‘van en voor de natuur’ wordt later, als dat directe meebeleven steeds meer verloren gaat, een traditie, waarmee het een deel van de cultuur wordt.
Die vaste punten van het jaar werden ‘aparte’ dagen, dus anders dan de gewone dagen: heilige dagen, de ‘holy days’ (waarvan het woord holiday (= vakantie) komt. Feestdagen, feestnamen, zoals we dat nu nog steeds hebben bij kerst-feest, paas-feest, enz.  Ook op de vrijescholen spreken we over Michaëlsfeest, Sint-Jansfeest enz.
Feesttijden waren/zijn: ‘de langste en de kortste dag van het jaar en daar tussenin de evenwichtspunten: voorjaars- en najaars-dag-en-nacht-evening (21 maart en 21 sept.), als de dag en de nacht even lang zijn’.
Waar vier seizoenen aangetroffen worden, drukte men die seizoenen uit door bijv. het rad met vier spaken, dat horizontaal werd opgehangen, met vier kaarsen.
Wij moeten hier denken aan de ‘adventskrans’ of een jaar- of kerstkrans.

‘Midwinter’ is zeker in Overijssel nog een begrip en volgens Uyldert begon daarmee de nieuwe jaarronde: op de kortste dag, 21 december, als de winter begint. Dan is volgens haar ‘de levensgeest, de  j a a r g o d  op ons noordelijk halfrond het verst weg getrokken uit de materie. Hij heeft zijn jaarreis voltooid en is naar zijn vader: de scheppende zonnegod, terug gegaan (het binnenste der aarde is analoog met het binnenste van het zonnestelsel).’

In vele artikelen op deze blog die over de jaarfeesten gaan, wordt de natuur beschreven waarin zo’n jaarfeest valt. Mens en natuur waren veel sterker met elkaar verbonden dan nu.
In de winter overheersen de doodskrachten: veel bomen en struiken zijn kaal; restanten van bloeiende planten staan er vergaan bij; de zon – de brenger van het leven – schijnt zwak en zendt maar weinig licht en warmte naar de aarde. Alsof de duisternis een wolf is waartegen zij niet op kan! Voor de mens kon dit honger en kou betekenen: godverlatenheid bijna. Maar dan keert de zon terug! In de materie komt weer leven, er is hoop en….dankbaarheid. 
De stadsmens met zijn kunstlicht en kunstwarmte en geconserveerd voedsel kan dat nauwelijks meer aanvoelen. Maar het blijft een groots gebeuren: die terugkeer van licht en kracht, die genadige uitzending van een nieuwe godszoon, een nieuwe jaargod, door de vaderlijke schepper! Van de oudste tijden af heeft de mens in zijn vreugde en dankbaarheid dat gebeuren gevierd als een feest, het grootste feest van het jaar!’

Dan is er sprake van ‘de moedernacht’, waarin de levensgeest in zijn nieuwe jaargedaante geboren werd.’
Ook Steiner sprak over de 12 heilige nachten, in samenhang met het ‘Droomlied van Olaf Ästeson‘. Ook Uyldert noemt ze als deel van de j o e l-tijd die zij laat duren van 5 december tot 6 januari: van Sinterklaas tot Driekoningen, werd en wordt feest gevierd met zingen en dansen, met rijkelijk eten en drinken in versierde woningen, waar ook de verlovingen plaatsvinden, en dat alles vol zinnebeelden van levenskracht (rood), vruchtbaarheid (de marsepeinen varkentjes en de nieuwjaarsvarkentjes), licht (de kaarsen en de kerstboom), van de jaarronde (krans en kromstaf) en van de liefde (harten), die zich wegschenkt, zoals de geest zich wegschenkt aan de materie.’

Als het oude jaar ten einde loopt en het nieuwe zich aandient zien we in de symboliek de oude man, de grijsaard met baard en zeis en de nieuwe als een baby.

De jaargod werd in Noord- en Midden-Europa O e i  genoemd. Hij was de zoon van alvader Odin, ook Wodan genoemd, die op zijn witte paard Sleipnir door de lucht reed. Ook Oei reed door de lucht en wierp door de rookgaten van de boerenhuizen – de oeigaten – zaad, vol van belofte, daar zouden de latere pepernoten aan doen herinneren.
Oei had meerdere namen: Nöth, of Tyr en zijn gezicht was zwart. Hij vertelde zijn vader wat hij door het ‘oeigat’ had gezien.
Wat onze sinterklaasachtergronden betreft, is interessant dat Wodan later ‘Kunne Klaas’ genoemd wordt. Hier zien we een verband tussen Sinterklaas en Zwarte Piet (en dit is opnieuw een aanwijzing dat Zwarte Piet niets met ‘racisme’ te maken heeft.
Oei werd later ook Tyl genoemd en deze
leefde voort in de volksverbeelding als Tyl Uylenspiegel, wiens moeder Anne heette! De zonnegod en de maangodin brengen samen de jaargod van de aarde voort!’
Uyldert noemt met name dat Tyl op een koord in de lucht danst, in het water valt en op de vaste wal kruipt. Ze ziet daarin de levensgeest die door de ‘sfeer van de geest (lucht), van de ziel (water en van het lichaam (aarde) bij de mensen en in de planten- en dierenwereld komt om er met zijn wonderbaarlijke kracht alle levensverschijnselen te wekken!

Tijl of Tyl zou dus de midwintergedaante van de levensgeest zijn, die het ene jaar scheidt van het andere. Uyldert noemt nu het wapen van de Vlaamse familie Tyl waarin twee tegen elkaar aan staande halve cirkels te zien zijn die door een pijl worden gescheiden, het oeroude teken voor de jaarwisseling, dat ook voortleeft in de Engelse term Xmas (de geschreven vorm van de X bestaat uit twee halve cirkels).

Steiner beschrijft dat de ontwikkelingsgang van de mensheid een ontwikkelingsgang van het bewustzijn is. Bij het ‘vroege’ bewustzijn hoort het leven ‘in of met (ver)beeld(en). In de loop van deze ontwikkeling gaat dat vermogen verloren, zoals ook het bewustzijn van het kleine kind dat vrijwel alles gelooft, metamorfoseert naar het bewustzijn van de kritische, zich afvragende volwassene.
Ook Uyldert noemt dit verschijnsel dat bij haar tot gevolg heeft dat bijv. ‘de
traditionele gestalte van vader Klaas zich vermengt met die van een historische persoon: de heilige Nicolaas, bisschop van Myra.’
De vurige levenskracht is gebleven in zijn tabberd. Ook de Kerstman, Father Christmas, le Père Noël, de Weihnachtsmann – allen dragen de rode mantel. ‘Zij zijn dezelfde figuur!
De Vader en de Zoon zouden bij ons geworden zijn tot Sint en Piet. Dat Piet een roe bij zich heeft – van berkentakken! – is niet om te straffen, maar om op jonge mensen de levenskracht over te brengen door ze met die roe aan te raken. Hij is ook een ‘verbinder’ want hij brengt de harde koeken met suikerklontjes mee: de  hijlikmaker geheten, dat is: huwelijksmaker, want nu worden de verlovingen immers gevierd!’

Het is begrijpelijk dat Mellie Uyldert de levensgeest – wij zouden eerder zeggen ‘de levenskrachten’ ziet in de plantaardige natuur, in zaden, bollen enz. Daar bevindt zich die onzichtbare kracht die in staat is uit een beukennootje een reusachtige beuk te laten ontstaan. Vanaf dat de zonnewarmte weer sterker wordt, komt het groeiproces op gang. Uyldert verbindt de openbaring van die kracht aan het Driekoningenfeest, m.n. aan het brood met de boon – zij noemt hem ‘de heilige boon’, de eerste boon die gegeten mag worden na Moedernacht.

In vele streken – en dat niet alleen in Nederland – zijn tradities bewaard gebleven die weliswaar gedurende de jaren veranderingen hebben ondergaan, maar er is altijd wel een kern te ontdekken van een bepaalde symboliek. Uyldert noemt bijv. de ‘erwtenbeer’ een uitbeelding van de levensgeest zoals hij huist in een bepaald gewas! In de carnavalsoptochten verschijnt hij in allerlei gedaanten.

Wanneer je via een zoekmachine op zoek gaat, kom je van alles tegen wat Uyldert in haar artikel ook beschrijft. zoals: ‘de erwtenbeer‘.

In Selma Lagerlöfs verhaal ‘Voddenlars zoekt het kerstkindje’ wordt gezegd dat het stro van de laatste korenschoof, die niet gedorst is, als joel-traktatie voor de vogels buiten wordt gezet. Uyldert: Het wordt februari en maart en de boer gaat ploegen en zaaien. Nu schakelt hij de oude gedaante van de levensgeest aan de nieuwe: men heeft nl. in Scandinavië van dat stro waarin de levensgeest zich, als in zijn laatste schuilplaats, heet teruggetrokken te hebben, een diervorm gemaakt, een bok van stro, de zgn. joelbok, die gedurende de joeltijd in de huiskamer heeft gestaan: de levensgeest mocht alles meevieren! Nu trekt men die strooien bok uit elkaar en begraaft dit stro op de vier hoeken van de akker, alvorens men gaat zaaien. De levensgeest is weer op het veld en kan zijn intrek gaan nemen in het ontkiemende graan!
We komen dan de naam Al tegen, i.p.v. Oei, ‘
de stemming van het lichtere seizoen ‘.
Steeds uitbundiger botten de planten uit: de levenskracht vertoont zich in het frisse groen! Bij dit nieuwe voelde men a.h.w. de drang tot vernieuwing: alles weer fris: schoonmaak, reiniging, ook van het lichaam (de vastentijd!) In oude tijden deed men dat plechtig, om de levensgeest dankbaar op te nemen in het gereinigde lichaam: zwijgend dronk men te middernacht, bij een bron, de verse berkenmede. En de mensen trokken naar de woudheilige, waar de priester over het hoofd van een onvruchtbare vrouw een verse graszode wierp, om haar aldus de kracht van de levensgeest mede te delen.’

Uyldert spreekt over de ‘enclosure‘. Ze vertelt dat op dit afgebakende veld zich geen mens mocht vertonen, ‘omdat daar de levensgeest woonde, die, met zijn ontzaglijke kracht, gevaarlijk was om door een gewoon mens te worden aangezien!’
We kennen nog gebruiken bij oude volken waarbij een man a.h.w. ‘bezeten’ is – door de levensgeest – en hij danst, gemaskerd en onherkenbaar uitgedost – voor het volk, als een manifestatie van de godszoon.’
O.a. totemdieren zouden door de levensgeest in bescherming worden genomen: ze mochten nooit gedood, ze werden als heilig beschouwd en je ziet ze terug als beschermers van een stam of familie, afgebeeld op een familiewapen.

Uyldert brengt de geit i.v.m. ‘wijsheid’, de god van de wijsheid zou bij de oude Grieken in de geit hebben geleefd. Later werd hij de menselijke gestalte van Pallas Athena die weleens met een geit wordt afgebeeld. ‘De oude wijze geit’ brengt Uyldert in verband met de priesters die in de tempel heilige geiten hielden.

Bij ons zou het de haan zijn waarin de levensgeest graag zijn intrek nam. Dat hij ’s morgens als eerst op de opkomende zon reageert, komt volgens haar omdat de haan een over-elektrisch dier is en daardoor de eerste elektrische trillingen die de zon in de atmosfeer zendt, opvangt. Zijn jubelend gekraai is een uiting van zijn elektrisch overschot. 

‘De priester hoedde op het afgesloten veld de heilige haan, die in de overlevering éénpotig genoemd wordt, omdat al wat tot de hogere sfeer van de eenheid behoort (daar waar geen geslacht is en geen goed-en-kwaad) als eenbenig wordt voorgesteld. Een overblijfsel uit de tijd van zulke haanheiligdommen is het versje:

Moeder, wat naai je daar?
Vaders hemd.
Waar is vader?
In de tuin.
Mag ik er even heengaan?
Nee, want er is een haan met één poot,
als je hem jaagt, dan gaat hij dood.
Moeder, de klokken luiden!
Wat heeft dat te beduiden?
Ach, hij is dood, de haan met één poot!

Was een heilig dier dood, dan werd het door de priesters opgegeten. Zo kon het dat een dier dat men zag als de laatste woning van de levensgeest bij het oogstmaal werd opgegeten: bijv. een os of een zwijn. Daarbij zou men zijn kracht in zich opnemen: een heilig maal.
In andere streken zijn het weer andere dieren, in de tropen bijv, een tijger of een leeuw.
Uyldert noem daarbij ook eten van mensen: de edele organen verkregen door het koppensnellen.
Niet alles werd opgegeten. Een deel werd bewaard en ingezouten. Brak het voorjaar aan dan werd dit deel plechtig opgegeten door de zaaiers voordat zij naar de akkers gingen.

Aan het begin van het nieuwe landbouwjaar werd de levensgeest rondgedragen door velden en akkers en weiden ‘om het gewas en het vee zijn kracht mee te delen.
Dat zou de veldgang verklaren, waarbij men een graanschoof of een roede van berkentakken of een brood met zich meedroeg.
De kerk zou deze veldgang later tot processie hebben gemaakt.
Er moet een diepe dankbaarheid voor de levensgeest hebben bestaan in het besef dat deze het is die met zijn levenskracht in het graan woont. Men zong liederen en richtte versierde bomen op: de levensboom met de jaarkrans. Deze traditie is er op sommige plaatsen nog, m.n. met Pasen en Pinksteren, o.a. in Denekamp: paasstaak, En niet te vergeten: de meiboom. ‘In de nacht voor één mei zetten de jongemannen een bloeiende tak onder het raam van hun liefste: zij bieden haar hun levenskracht aan!
Daaraan herinnert het liedje:

Schoon lieveken, waar waardet gij, den eersten meiennacht?
Dat gij mij genen meie bracht?’

Uyldert verklaart in verband hiermee het ontstaan van het kinderspel ‘zakdoekje leggen’

‘Ook werd (bijvoorbeeld op de paasweide bij Arnhem) door de jongemannen een ritueel spel gedaan, waarbij zij een kring vormen als ’enclosure’, waarbij echter de levensgeest of zijn priester achter de jongens om gaat en hem met een graszode of berkentak aanraakt, om hun zijn kracht mee te delen. Degene die aldus is opgeladen loopt de priester achterna, maar als hij niet tijdig de lading terug kan geven door aanraking, moet hij de priester opvolgen. Dit spel, in ietwat gewijzigde vorm, met een zakdoek in plaats van een graszode, spelen onze kinderen nog altijd als ‘Zakdoekje leggen’!

Die levenskracht wordt door alle priesters over de hele wereld – zij noemt de Dalai lama en de paus, uitgedeeld wanneer zij de zegen geven,eventueel met een kwast!’
Het zou om dezelfde kracht gaan als die ‘de opperpriester overbrengt op de vorst bij de kroning of zalving! De kroon zelf beeldt de instroming van gouden zonnekracht door de kruin van de vorst, uit.’

Bij de kroning ontvingen de Europese vorsten een bepaalde geneeskracht die zij door handoplegging door konden geven. Het volk – dat was hun taak – moest kracht en voorspoed ontvangen. Wanneer er hongersnood, oorlog of ander onheil – epidemieën – over het volk kwam, was dat te wijten aan de vorst. Een Deense koning, Knut, die de voorspoed niet kon doorgeven, werd omgebracht.
Uyldert ziet deze handoplegging terugkomen in spelletjes als ‘de tik’.
Dat velen alleen een gekroonde of gezalfde vorst als leider willen en niet een president, zou hier zijn oorsprong vinden.

Op de vrijescholen waar Palmpasen wordt gevierd, prijkt de broodhaan op de palmpaasstok en kan worden gezien als het heilige dier en drager van de kracht van de levensgeest.
Wat ‘zakdoekje leggen’ betreft, komt hij in Vlaanderen voor als ‘de kok’, le cocq

‘Ei kok een ei, de kok zal leggen . . .’

In Vlaanderen brengt de levensgeest als haan eieren rond. Bij ons doet de paashaas dat. In oude godsdiensten zou dit dier een sterk verband hebben met de maan, al bij de oude Egyptenaren.,want het is de maankracht vooral, die, in samenwerking met de kracht van de zon, in het voorjaar de planten doet ontkiemen en uitbotten en de eieren laat leggen, immers de maankracht bouwt de stoffelijke lichamen op naar het etherisch patroon van de erfmassa.’

Pasen is een oeroud feest, historisch de uittocht van het joodse volk uit Egypte,  maar het tijdstip in het jaar waarop dit valt, is in het ritme van het jaar iets speciaals: Pasen wordt gevierd op de eerste zondag na de eerste volle maan na de voorjaars-dag-en-nacht-evening op 21 maart: ‘de dag van de zon, verenigd met de gloriedag van de maan, tezamen het dichtst bij dat punt liggend, waarop er evenwicht is tussen excarnatie en incarnatie, tussen abstractie en concretie, en waarna de concretie en de incarnatie gaan toenemen en de overhand krijgen tot aan de langste dag!’

‘Bij vele volken wordt de geboorte van de godszoon eerst nu gevierd, met Pasen, en de opstanding uit het graf is ermee analoog, want nu komt de plant bóven de grond uit, nadat op midwinter het zaad was gaan kiemen. In dat eerste kwartaal was de abstractie nog groter dan de concretie en bleef het leven nog in het verborgene. In Italiaanse dorpjes wordt op Goede Vrijdag een kruisbeeld naar een spelonk gedragen, dat op paaszondag met gejubel daar vandaan wordt gehaald, want, zo zegt de eenvoudige bevolking: als Christus niet opstaat, hebben wij van ’t jaar geen brood! Deze mensen begrijpen nog de wezenlijke betekenis van Christus als levensgeest, aanwezig in het brood, dat daarom zélf en in wézen heilig is! Zo zagen het ook de Manichaeërs in de derde eeuw van onze jaartelling, die spraken van ’Jezus patibilis’: de in de materie lijdende levensgeest, die zich ’s zomers aan de mensheid wegschenkt om haar te voeden!’

Mellie Uyldert heeft veel verteld over de oude kinderspelen. How frequent die nog in kleuterklassen worden gespeeld, weet ik niet, behalve dan dat ze op vrijescholen nog altijd gebruikt worden, mede om deze bewust of onbewust aanwezig kennis over de levensgeest.

‘De levensgeest gaat om, en doet dit nog in zo menig van ritueel tot kinderspel geworden oud dansje, zoals bij de Springer in het Veld:

’k Moet dwalen, ’k moet dwalen,
langs bergen en door dalen –
daar kwam een kleine springer in het veld,
hij zwaaide met zijn arm, hij stampte met zijn voet –
Kom, wij willen dansen gaan, dansen gaan,
en de anderen moeten blijven staan.

De levensgeest – hier de springer – geeft zijn levenskracht aan iemand die uitverkoren is en met hem moet dansen.

Bij Jan Huygen zit de levensgeest in de ton (moeten we daarbij denken aan het stamlid in de ‘enclosure’? (Zie boven). De levensgeest is zo sterk dat de dansers ten slotte ‘verlamd door zijn sterke uitstraling’ op de grond vallen.

De levensgeest verdeelt zich nu in vele gedaanten, voor elk gewas en elke diersoort één, zou men kunnen zeggen. In de rogge woont hij als de roggewolf, in de boekweit als de koekeloeren-haan, enzovoort. Als op midzomer, de langste dag, de laatste veldgang is gehouden, is ook de laatste uitdeling van levenskracht zichtbaar in het zgn. sint-janslot; het laatste uitlopen van een boomblad. Dan duurt het niet lang meer of de oogst begint, en bij het maaien van het graan meent het boerenvolk, dat het de levensgeest nu verjaagt uit zijn woning in ’t gewas, zodat hij moet vluchten in de laatste schoof op het land! Daarom wordt die met linten versierd en in triomf op de laatste kar mee naar huis gereden en in ere gehouden! – In het dierenrijk, met name bij het vee, wordt de oogsthaan of de oogstos gedood en genuttigd, met dank aan de levensgeest!

Niet alleen wordt de levensgeest gezien als mannelijk, hij! komt ook voor in een vrouwelijke gedaante. Uyldert ziet haar in de gestalte van Irhta of Hertha aanwezig, in Moeder Aarde. Deze is dan weer de bruid van de hemelse levensgeest, van de zon. De godszoon is dan het kind van beide.
Ze verschijnt ook in de Pinksterbruid, de Pinksterblom, zij is mooi versierd met een kroon, ze wordt rondgedragen en aan het eind van de dag geëerd met een vuur: het pinkstervuur of midzomervuur. De bloeiende aarde, gevierd op de dag  ‘die het toppunt van levensmanifestatie in vormenovervloed is, het hoogtepunt der concretie, die na deze dag gaat afnemen, om bij de najaars-dag-en-nacht-evening aan de abstractie gelijk te zijn geworden.

Uyldert ziet in Sint-Joris of Sint-Michaël de gedaante die rond 21 september de levensgeest heeft aangenomen. De draak wordt verslagen: de geest verlaat de materie die daardoor sterft. 
De vrouwelijke vorm van de levensgeest is al ten hemel gevaren (Maria Hemelvaart op 15 augustus) ennu zien wij nog in allerlei landen een stervensritueel vieren. Rond de Middellandse Zee, waar men in het voorjaar ter ere van de wedergeboorte van de jonge Adonis of Attis of Thammuz feestvierde met mandjes met jonge slaplantjes, worden nu vrouwenfeesten gehouden, zoals de oud-Griekse Thesmophoria, waarbij varkentjes (vruchtbaarheidssymbool en totemdier) in een ravijn worden geworpen. Persephone moet nu de aardoppervlakte verlaten en in de onderwereld afdalen voor 4 maanden. Een overblijfsel van zo’n vrouwenritueel vinden wij nog in het kinderspel van Kleine Anna, die ter dood gebracht moet worden:

Kleine Anna zat laatst op enen steen,
daar zat zij zo te wenen!
Daar kwam de boze jagersman,
die hakte haar het hoofdje af –
nu gaan wij haar begraven!

Nu de mens, in een nieuwe cultuurfase, weer iets gaat beseffen van dit ritme van de natuur, dat ons allen voedt en draagt, en van de levensgeest, wonend in alle levende wezens, verschijnen haar moderne gedaanten: de bloemenkoningin, kersenkoningin, heidekoningin, enzovoort!

Ofschoon nog meest onbewust, begint het besef door te dringen, dat alle godsdienst een uitdrukking is van dat wat werkelijk alles: natuur en mens, beweegt en doet leven; van die kracht, die alle levensvormen verschijnen doet en verdwijnen om ze in steeds fijner vorm te herscheppen, de kracht van de éne levensgeest, onder talloze namen bekend en bejubeld, de kracht waaruit wij allen leven, bewegen en zijn!’

.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde voordracht 1: alle artikelen

Rudolf Steiner: Algemene menskunde: alle artikelen

Ritme, waaronder ritmen in de natuur: alle artikelen

Jaarfeesten, waaronder Michaël, Pasen, Pinksteren: alle artikelen

.

2763

.

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen uit Oberufer – Driekoningenspel– alle artikelen

.

Inleiding
Pieter HA Witvliet over: hoe allerlei aanwijzingen hier terecht zijn gekomen

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-09-1979
over de spelen; uit Steiners ‘dramatische cursus’; uit Müller “Spuren auf dem Weg”; over het ‘dialect’, muziek, op het toneel: links/rechts; voor/achter; achtergrond van bepaalde scènes uit alle 3 de spelen; belichting’/schmink
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen  regisseursbijeenkomst 08-11-1979
Waarschijnlijk Willem Veltman over: mysteriespel; plaats boom; bank schriftgeleerden; plaats Eva in de company; dramatische gebaren en bijbehorende spraak; episch, lyrisch, dramatisch; voorbeelden bij figuren uit de 3 spelen.
Die over het Paradijsspel gaan, zijn bruin gekleurd. (Herdersspel: paars, Driekoningenspel: rood)

Algemene aanwijzingen uit de bijeenkomst van 08-09-1979 in chronologische volgorde.

Regie-aanwijzingen uit ‘Weihnachtspiele aus altem Volkstum’
Vergeleken met regie-aanwijzingen van de vrijeschool Den Haag uit de jaren 1970

[4-1 deel 1: van proloog engel t/m koning Kaspar (aanschouwen ster)

[4-2] deel 2: van ommegang 1 t/m ommegang 2 (‘drie koningen tyen’)

[4-3] deel 3 – GT blz. 6 beginnend met ‘Ter tyt Herodis regiment’ t/m ‘met onsen vreuchdensanck’ blz. 13

[4-4deel 4 –  GT blz. 13 beginnend met ‘Verlaet o heer’ t/m blz. 17 Maria: ‘van hier en tot het veer Egyptenlant

[4-5] deel 5 – GT blz. 17 beginnend met het opruimen van krukje en geschenken door page, het plaatsen van de troon van Herodes door duivel t/m einde

ACHTERGRONDEN


Voor algemene achtergronden over de Kerstspelen:
Kerstspelen alle artikelen

.Rudolf Steinertoespraken bij de Kerstspelen
Over ‘Driekoningen‘:
[I] blz. 14    26 december 1915
[XV] blz. 89  27 december 1923
[XVII] blz. 97  31 december 1923 

Gattercompas
Klaus Hünig over: ‘gattercompas’, ‘der heemlen gloria’ en ‘consamaneren’; vrschillende tekstvergelijkingen; afbeeldingen.

Kerstspelen – Driekoningenspel
Magchiel Matthijsen
over: de Drie Koningen; goud, wierook, mirre; denken, voelen, willlen

Een alternatief Driekoningenspel
Jesse Mulder en Pieter Witvliet over: ervaringen bij het kijken naar een ‘modern’ Driekoningenspel; (Mulder: Als je iets bestaands vernieuwt, dan moet je het wezenlijke van dat bestaande wel meenemen. Anders is het geen vernieuwing maar eerder een vervanging.’; het persoonlijk-subjectieve i.p.v. de boven-persoonlijke beelden.

Herders en Koningen in het Kerstspel uit Oberufer
Erica Schulz over: de spelen in het algemeen; de tegenstelling herders-koningen; de tegenstelling in hun geschenken; denken, voelen, willen; de koningen in het sprookje van Goethe.
.

Jaarfeesten Driekoningen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Driekoningen       jaartafels

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten alle artikelen

Tineke’s Doehoek: Driekoningen

.

2754

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (27)

.
Nadere gegevens ontbreken nog
.

sint-maarten

.

Het feest van Sint-Maarten is geen gekerstend heidens gebruik, al werden er heidense gebruiken mee verbonden: de feestdag vond zijn oorsprong uit de kerk.

De heilige Martinus, bisschop van Tours (circa 316-400), bracht aan Gallië de zegeningen van christendom, cultuur en beschaving. Niet hieraan echter dankt deze heilige zijn grote roem, maar aan een daad van christelijke barmhartigheid, in zijn jeugd bedreven.

Als jong krijgsman zag hij te Amiens een halfnaakte bedelaar. Zonder zich te bedenken trok Martinus zijn zwaard, sneed zijn mantel doormidden en reikte de helft aan de bedelaar. Al zijn afbeeldingen stellen deze daad voor.

Toen de Franken in de 5e eeuw hun bekeringstochten buiten Gallië uitstrekten, verschenen zij ook in ons land als vreemde veroveraars uit het zuiden. Te Utrecht stichtten zij een kerkje, dat zij wijdden aan de patroon van Gallië. Dit Sint-Maartenskerkje was de eerste kerk, die in Noord-Nederland verrees. Meermalen drongen de toenmalige heidense bewoners van ons land, de Friezen, weinig gezind de heerschappij en de leer van de Franken te aanvaarden, tot in Utrecht door en verwoestten de kerk. Toen de Angelsaksische geloofsprediker Willebrord in 690 naar deze streken kwam om het bekeringswerk voort te zetten, vond hij het voormalige rijkskerkje nog in puin; hij herbouwde het als kerk van de openbare eredienst. Na zijn verheffing tot aartsbisschop vestigde Willebrord zich te Utrecht (696): hierdoor werd het Sint-Maartenskerkje de bisschopskerk, de kathedraal, Sint-Maarten de patroon van het bisdom Utrecht, dat omstreeks 800 het grootste deel van ons land omvatte. De stad Groningen, steunpunt van het bisdom Utrecht in het noorden, is nog altijd befaamd om zijn Martinitoren.

Aan Sint-Maarten zijn de oudste kerken in ons land gewijd, het eerst in Limburg, waar zij alle aan of bij de Maas liggen, de stroom waarlangs de Frankische beschaving ons land binnentrok. Ook nog lang na Willebrord kozen onze kerken bij voorkeur Sint-Maarten tot patroon.

Zijn beide feestdagen, 11 november, zijn sterfdag, en 4 juli, Sint-Maartens translatie, de dag van de overbrenging van zijn sarcofaag naar de basiliek van Tours, werden vooral te Utrecht, in de kathedraal als in de stad, met grote luister gevierd. Aan de herdenking van ‘de milde Marten’ dankten de schoolkinderen een vrije dag, de armen een broodbedeling, waartoe het klokgelui hen samenriep – gebruiken die ook buiten Utrecht bestonden, ’s Avonds was de stad feestelijk verlicht, op de stoepen stonden brandende fakkels, op de stadspleinen danste men om de vuren. Dan vierde men ‘schuddekorfsdag’: boven het vuur hing een mand, volgens de overlevering gevuld met appels, kastanjes, noten, amandelen en mispels. Doch op 4 juli, eveneens schuddekorfsdag genoemd, zal de inhoud toch wel enigszins anders zijn geweest. Of had 4 juli met 11 november alleen de benaming gemeen? Telkens werd de korf geschud en de kinderen grabbelden naar de geroosterde vruchten. Onafgebroken zongen zij daarbij het liedje, dat nog in Noord- en Zuid-Nederland wordt gezongen:

Stookt vier, maakt vier,
Sinte Maarten komt hier

Ook op gemeentewapens komt Sint-Maarten voor. Zo in Sint-Maarten (Noord-Holland) en Maartensdijk (Utrecht)


Opmerkelijk genoeg treedt Sint-Maarten hier niet op als weldoener, maar als de bedelaar, die smeekt om bedekking en verwarming. Zó komt hij trouwens in alle Sint-Maartensliedjes voor.

Met zijn blote armen,
Hij zoude hem geerne warmen.

Het oud-Germaanse herfstvuur heet nu Sint-Maartensvuur, dat men op het einde van de 18e eeuw nog op straat brandde, blijkens een afbeelding in Jac. Buys’ ‘de twaalf maanden met voorstellingen uit het stadsleven, 1771-1773.

Dit was niet het enige volksgebruik dat op Sint-Maarten werd vastgesteld. Het feit dat de voornaamste feestdag van de heilige viel in het einde van het jaar, maakte 11 november tot een Nieuwjaarsdag voor de boeren. Op Sint-Maarten betaalden zij hun pacht, huurden zij hun nieuwe dienstvolk in en vierden zij feest, want de voorwaarde voor het feest, de voorraad, was aanwezig. In de slachtmaand werd 11 november nu de slachtdag bij uitnemendheid, mogelijk omdat de boeren ervan houden hun werk op vaste dagen te stellen. Het liedje zinspeelt erop:

Sintre Maarten heeft ’n koe,
Die moet naar de slager toe.

Allerlei oogstgebruiken werden nu op Sint-Maarten geconcentreerd.

Ook de schuddekorf was waarschijnlijk een dankoffer voor de oogst.
Zo rolde men in de Eifel en in het Rijndal op Sint-Maarten met stro omwonden korven brandend en wel van de bergen af. Mogelijk waren deze oorspronkelijk gevuld met vruchten van de herfst.

Onze ganzen, in november slachtrijp, werden nu ter ere van de heilige genuttigd en Sint-Maartensganzen geheten. Waarschijnlijk was de gans een oud dankoffer voor de oogst: de Romeinen wijdden en offerden haar aan Mars. Mogelijk heeft het Romeinse leger hier te lande dit ganzenoffer ingevoerd of doen toenemen, terwijl de verwantschap van de namen Mars en Martinus, d.i. man van Mars, de overdracht op de laatste in de hand heeft gewerkt. De gans was toentertijd een profetische vogel.
Na de maaltijd profeteerde men uit zijn borstbeen de winter: de bruine kleur kondigde een strenge, de witte een zachte winter aan.

In november waren de druiven geperst en werd de most tot wijn. Door het uitspreken van de formule

Marlijn, Marlijn,
’t Avond most en morgen wijn

meende men deze verandering te bespoedigen. Zo werd Sint-Maarten ook de patroon van de wijnbouwers.
Op zijn feestdag opende men de nieuwe vaten, dronk men de nieuwe wijn. Hoe uitgelaten men dan feest vierde, toont het doek Sint-Maartenskermis van de Antwerpse schilder Peter Balten (1525-1598) in het Museum te Antwerpen waarop een brooddronken menigte zich aan een groot wijnvat laaft. Op de voorgrond ziet men een stuk of wat armen of bedelaars en ook links op de achtergrond, waar zij zich aan het Sint-Maartensvuur warmen.

De zestiende-eeuwse schilders plachten de bedelaars niet alleen arm, maar ook gebrekkig en hinkend met een kruk voor te stellen, en de krukken op het vaandel dat boven het wijnvat wappert, zijn waarschijnlijk een symbool voor de bedelaar. Rechts snijdt Sint-Maarten te paard zijn mantel door om de helft aan de arme te reiken. De bodem van het wijnvat is geschilderd in wit en rood, welke kleuren misschien teruggaan op Sint-Maartens rode met wit gevoerde mantel.

Nergens in ons land leeft de heilige zo in het hart van de bevolking voort als in Limburg. Nergens zijn de Sint-Maartensvuren, die men ook in oostelijk Brabant en hier en daar in Noord-Holland en Friesland (tussen Sneek en Irnsum) aantreft, zo talrijk als in Limburg. Zijn zij in Zuid-Limburg verdwenen, in Noord- en Midden-Limburg wisten zij zich te handhaven: zowel op het platteland als in de tuinen der buitenwijken kan men ze daar zien branden. Voor deze vuren beginnen de jongens al veertien dagen tevoren rommel bij elkaar te ‘trossen’ onder het zingen van

Vandaag is ’t Sintermerte,
Morgen Sinterkrökke,
Doa komen die gooie herten,
Die hadde so ger ein stökske,
Ein houtje of ein turfke,
Sintermertens körfke.
Hout, hout, turf en hout,
’s Winters is het koud.

De bijeengebrachte voorraad wordt bewaakt: men tracht die elkaar afhandig te maken.
Bij het opbouwen van de troshoop zet men bonenstaken tegen elkaar en vult de ruimte daartussen aan met het brandbare materiaal. De fantastische aanblik van het ontstoken vuur wordt nog verhoogd doordat grote brandende wagenwielen daar bij tientallen omheen schijnen te cirkelen. Zij zijn afkomstig van gloeiende kooltjes, die met wat turf, hars en echte wierook in een bus zijn besloten, die vol gaatjes is geprikt en in snelle beweging aan een ijzeren hengsel in de rondte wordt geslingerd.

Dit is de wierookspot, waarvoor gewoonlijk een stroop- of beschuitbus wordt gebruikt, maar die soms ook van koper is; in Vlaanderen kregen vroeger de kinderen van de gegoeden behalve koperen wel zilveren wierookspotten. Reeds weken voor Sint-Maarten oefenen de Limburgse jongens zich na schooltijd in dit slingeren (in Venlo ‘wirke’ genoemd) en trekken daarvoor in groepjes naar buiten. Tegen de donkere avondhemel kan men dan de wentelende vuurcirkels zich zien aftekenen, terwijl de lucht dik en zwaar is van turfwalm. Dit ‘wieroken’ zal wel teruggaan op een oud zuiveringsgebruik van de velden.

Trekt in Roermond een Sint-Maarten zonder baard mee in de stoet (met ‘Sinterkrökke’ = de Romeinse soldaat van voorheen, die zich in een klooster onderweg even omgekleed heeft), nergens in Limburg openbaart zich de liefde voor Sint-Maarten zo krachtig als te Venlo, wanneer dit het feest van zijn beschermheilige viert: de jeugd loopt al acht tot veertien dagen tevoren langs de straten zijn liedje te zingen! De bewoners gooien dan iets uit het raam: Sint-Maarten geeft dat. Hier wordt op de feestdag zelf gewoonlijk nog een optocht met lampions gehouden, al ziet men in alle straten ook kleine troepjes van kinderen lopen, die hun lampion aan familie en kennissen gaan tonen.
Soms werd te Venlo op de avond van 10 november Sinter-Merte, gezeten in een open rijtuig en gevolgd door duizenden kinderen, plechtig ingehaald. Eén enkele maal heeft op het Mgr. Nolensplein een groot vuur gebrand, doch dit ging uit van de Venlose verkenners.
Te Venlo was Sint-Maarten tevens een groot huiselijk feest. Kwamen de kinderen van hun rondgang met lampions door de stad thuis, dan werd de tafel terzijde gezet, een brandende kaars op de grond geplaatst en allen, kinderen, ouders en dienstpersoneel, dansen hand aan hand daarom heen en zingen onafgebroken:

Sintermertes veugelke
Haet ein ro’èd keugelke,
Haet ein blauw stertje,
Hoepsa Sintermerte.

Onder het zingen werd er eensklaps van achter de deur gestrooid, ofwel Sint-Maarten zelf trad binnen, al of niet gevolgd door Zwarte Piet, die een zak torste. De kinderen moesten voor de heilige dansen of hun gebed opzeggen, daarna begon Zwarte Piet te strooien en men grabbelde naar de appels, kastanjes en noten. Geschenken werden niet gegeven, dit gebeurt alleen met Sint-Nikolaas.

Was Sint-Maarten weer vertrokken, dan kwam het feestgerecht ter tafel, de ‘k’rneelkes’, kleine, vet gesmeerde en rijkelijk met basterdsuiker en kaneel bestrooide krentenbroodjes, die in het wafelijzer werden gebakken.

Het Sint-Maartensvogeltje, waarvan het liedje zingt, kan doelen op de bonte specht met rode vederkuif, bij de Romeinen, evenals de gans, een profetische, aan Mars gewijde vogel, en door de overeenkomst van naam wellicht van Mars op Martinus overgedragen. Het tweede hierboven vermelde liedje noemt een onbekend heilige:

Vandaag is ’t Sinter Merte,
Morgen Sinter Krukke.

Wie was Sinter Krukke? Wat meer licht verschaft wellicht het Noordhollandse

Vandaag is ’t Sinte Marten
En morgen is ’t de kruk.

Nog duidelijker is de Mechelse redactie ‘oep (op) de kruk’: de kruk is in Zuid-Nederland de draagbaar. Tot de oorlog van 1914 werd te Mechelen een kleine jongen, versierd met kleurige papieren kazuifel en mijter, op een ruw draagberrietje door vier jongens over straat rondgedragen. Zijn staf was een pollepel, waarin hij de giften aannam, die werden geborgen in een korf, welke aan de kruk hing te bengelen. Dit ronddragen gebeurde alleen op de zondag na 11 november, niet op de dag zelf. Het liedje kondigde dus aan dat de bedelaartjes de daarop volgende zondag zouden terugkomen. Die zondag na de feestdag heet in Vlaanderen ‘Grote Sinte Merten’, zoals ook de tweede zondag van vastenavond grote vastenavond en de tweede kermiszondag daar grote kermis heet (aldus Catharina van de Graft). Wij voor ons verkiezen de meest eenvoudige verklaring: in onbedorven versies (die er nauwelijks zijn) is Sinter Krukken de bedelaar, die immers op krukken loopt.

In Noord-Nederland trekt Sint-Maarten alleen nog op Terschelling rond. Doch hij heeft er afstand gedaan van zijn bisschopsattributen en gaat, heel eigenaardig, in het wit, versierd met herfstbloemen; aan zijn hals bengelt het centenzakje (Jaap Kunst, Terschellinger Volksleven). Zelf zamelt de heilige de giften in en de begeleidende kinderen zingen een liedje met het slot:

Voor een oortje, voor een duit,
Zó gaat Sinte Marten uit.

Ook het slot van een ander, elders gezongen, Sint-Maartensliedje wijst op dit rondvoeren van de bisschop:

Met honderdduizend lichtjes aan,
Daar komt Sinte Maarten aan.

Kinderomgangen zijn nabootsingen van omgangen van volwassenen. Boerengilden plachten hun geliefde patroon Sint-Maarten te paard het dorp rond te leiden uit dankbaarheid dat hij een jaar lang het vee tegen ziekte en het gewas tegen ongedierte had beschermd. De deelnemers zamelden daarbij geld en levensmiddelen in. De oudste vermelding van een kinderomgang op Sint-Maarten brengt Thomas Naogeorgius (Kirchmair) in zijn Latijns hekeldicht Regnum papisticum, in 1553 te Bazel verschenen. Hij beschrijft daar hoe de kloosterscholieren op Sint-Maarten met hun meester voor de huizen gingen zingen en met een ganzenboutje werden beloond. Zij zullen geestelijke liederen hebben gezongen, die gaandeweg, toen de meester niet meer meetrok, wereldlijk zijn geworden. Verschillende Sint-Maartensliedjes bewaren herinneringen aan vroegere gebruiken. Het zingen van

Kip, kap, kogel,
Sinte Martens vogel

doet vermoeden dat in de ommegang de bonte specht werd voorgesteld, die dan Sint-Maarten zal hebben vertegenwoordigd (‘kogel’ uit ‘kovel’ = kapmantel (van kloosterlingen)). Mogelijk is ook de koe meegevoerd, waarvan het liedje gewaagt:

Sintre Maarten heeft een koe,
Die moet naar de slager toe.

In verband hiermee is opmerkelijk dat hier en daar in Noord-Holland, Groningen en Drenthe de kinderen zich verkleden. Te Roden doen zij dit als oude mensen, liefst met ouderwetse kleren, ook wel als bedelaars. Op Terschelling verkleden de meisjes zich soms. Hier en op Ameland werden ook wel maskers gedragen.

Gezamenlijke optochten zijn een zeldzaamheid geworden; alleen op enkele dorpen van Groningen (Zandeweer, Noordbroek, Zuidbroek, Uiterburen) komen ze nog voor. Doch bij deze optochten en omgangen benoorden de Moerdijk is de herinnering aan Sint-Maarten zelf geheel verdwenen: ‘Sundermeerten, dat is een lanteern’, zeggen Groninger kinderen.
Tevens is het verschil tussen katholiek en protestant vervallen; evenals bij de palmpaas nemen beide gezindten gelijkelijk deel aan de pret van de omgangen, welke door ons hele land worden gehouden, behalve in Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht.

Een alleraardigst schouwspel bood in de avond zo’n grote kinderoptocht, waarbij het kaarslicht fantastisch scheen door de uitgeholde wand van grote peen, kalebas, komkommer, mangelwortel en suikerbiet. Vader of moeder hadden daarin met een scherp mes figuren gekerfd: molens, huizen, kerken, poppetjes, sterren, een halve maan, soms ook de initialen van de gelukkige bezitter.

Te Roderwolde kregen de kinderen van de beurtschipper een scheepje uitgesneden, die van de mulder een molen. De bovenhelft van de wortel werd er eerst afgenomen, het kaarsje op de benedenhelft er weer op bevestigd en klaar was het‘ sundermeertentuutje’, de ‘kipkapkogel’, waarbij oorspronkelijk de stengel van een boerenkool (‘mous-stommel’) wel tot handvat diende.

De mooie Nederlandse volkskunst van uitgesneden wortels ziet men nu weinig meer. Men verving ze door houten kistjes en blikken trommeltjes met ingesneden figuren; ook zet men het kaarsje wel in een uitgeholde aardappel met een papieren kapje erover. Nu koopt men meestal lampions, ja, bij gebrek aan deze doen stal- en fietslantarens dienst; zelfs kwam in de laatste tijd voor dat jongens hun zaklantarens af en toe aanknipten.

De kinderen lopen thans in kleine groepjes en lang niet ieder kind heeft een lantarentje. Soms beginnen ze dadelijk na schooltijd te lopen en als het donker wordt, gaan de kaarsjes aan. Of zij wachten tot de schemering valt en dan komen eerst de kleine kinderen met hun lichtjes op straat en dat is wel het aardigst om te zien. Daarna verschijnt de oudere jeugd, wie het meer om de centen is te doen en die het Sint-Maartensliedje vaak maar afraffelt en graag tot kattenkwaad vervalt. In elk huis welkom, gaan zij vrijmoedig in de gang staan en beginnen te zingen nog voordat de bewoners verschijnen. Gewoonlijk dragen zij een zakje op de borst voor de appels, peren, koekjes en centen die ze krijgen. In de huizen ligt dit alles in ruime voorraad voor hen gereed. Bij de thuiskomst gaan de centen in de spaarpot, het lekkers wordt in de trommel geborgen. Juist het ‘zelf oplopen’ van de giften, de onderlinge wedijver wie het meeste zal beuren, mét de grote pret ’s avonds buiten met een lichtje te lopen, makende Sint-Maartens viering tot een kinderfeest bij uitnemendheid, meer dan Sint-Nikolaas- of Kerstfeest.

Daarom is in het algemeen de leiding te betreuren die plaatselijke verenigingen alsook onderwijzers bij deze ommegang verlenen: zij ontneemt het kinderlijke aan het kindervermaak. Deze leiding gaat zelfs zo ver, dat onderwijzers onze oude eerwaardige Sint-Maartensliederen, van hoogst antieke vorm en inhoud, met zoveel bijzonderheden betreffende de Sint-Maartensgebruiken en hun achtergronden, trachten te verdringen door vriendelijk gerijm als:

Sint Maarten was een brave man;
Hij wou alle mensen Het beste wel wensen;
Wie houdt daar niet van?

Of ook dit stukje Duits ‘kunstlied’:

Ik loop met mijn lantaren,
Lantaren loopt met mij,
Daarboven stralen de sterren,
Daaronder stralen wij.
Mijn licht gaat uit,
Ik ga naar huis,
Rabiemel, rabamel, raboem.

Of al even ethisch:

Lampionnetje, lampionnetje,
Schijn maar in de donkere nacht,
Want de sterretjes, want de sterretje
Houden trouw de wacht.

Hoeveel liever horen wij onze jongens en meisjes het karakteristieke Sint-Maartenslied aanheffen met zijn oude kettingrijmen en primitieve zangwijs:

Sinter, Sinter Maarten,
De kalvers dragen staarten,
De koeien dragen horens,
De kerken dragen torens,
De torens dragen klokken,
De meisjes dragen rokken,
De jongens dragen broeken,
Oude wijven schorteldoeken.

Eigenaardig is dat de Hoornse jeugd dit versje zingt in augustus. Op de vierde maandag van augustus begint te Hoorn de Sint-Maartensviering, die enkele dagen duurt. Dan lopen troepjes verklede kinderen met lampions en ook dragen zij langs de huizen hun tafeltjes, versierd met papieren knipsels en bestrooid met zand, waarop een kaarsje staat te branden. Wordt de deur geopend, dan tonen zij hun tafeltje en zingen hun liedje. Sinds de jeugdraad van de Hoornse Gemeenschap de zaak ter hand nam, worden de tafeltjes (in 1960 meer dan 200) en de verkleedgroepen (in 1960 166) door een jury beoordeeld, terwijl het geheel met een optocht wordt besloten. Aldus S. J. van der Molen in Levend Volksleven, Een eigentijdse volkskunde van Nederland (Assen 1961), dat veel aandacht besteedt aan nieuwe ontwikkelingen en verschijnselen.

Hoe interessant echte ‘folkloristica’ in elkaar kunnen zitten mag blijken aan de hand van een Sint-Maartensrijm te Zandvoort, waar het feest nu vrijwel ter ziele is. De voornaamste attractie vormden de Sint-Maartensvuren, vooral afgestoken in het Brederodeduin, waarvoor het materiaal gestolen moest zijn. Vanwege dit stelen en nog meer het brandgevaar en bovendien het vechten tussen Noordbuurters en Zuidbuurters (die elkaars vuren voortijdig wilden ontsteken), heeft de overheid er een eind aan gemaakt. Zulke vuren waren er ook omstreeks 1850 te Vogelenzang, blijkens De Navorscher, I, blz. 31. In Volkskunde, jrg. 1899, blz. 219 bericht P. Gertenbach over het gebruik. Hij heeft het over ‘vuren’ in het meervoud en wijst voorts op het stelen van de brandstof (wat bijvoorbeeld ook in Limburg voorkomt). Het door Gertenbach genoteerde rijm, gezongen tijdens de ommetocht door het dorp, hoorden wij nog omstreeks 1970 aldus:

Mense, pas op je mande!
We zelle ze gaen verbrande
In de Pikker ze del,
-Verstaen je me wel?
Dan zei je ris zien,
Over ’n uurtje misschien,
Hoe ’t brande zel!
– Suntere Maerte, wat is ’t koud!
Geef me ’n turrefie of ’n hout,
Geef me ’n hallif vaatje,
Dan ben je m’n beste maatje!
– Geef me ’n appel of ’n peer,
Dan kom ik ’t hele jaer niet weer!

Gert Helmer, die in Volkskunde, jrg. 1957,blz. 1-21, over ‘Het Sintmaartenslied in Nederland’ heeft geschreven, zag deze voor de helft unieke Zandvoortse lezing over het hoofd. Regel 8-11 zijn algemeen bekend, vooral in Noord-Holland, regel 12 en 13 zijn nog bekender; maar de zeven beginregels, met het overige zestal (waarin beleefd gevraagd wordt) enigszins in tegenspraak, zal men niet licht elders ontmoeten. Men waardere de minzame waarschuwing vanwege onze dievende heerschappen, wier diefstallen (die meteen schoon schip maken, denk aan Oudejaarsgebruiken) op overoude inzichten berusten (vgl. K. ter Laan, Folkloristisch Woordenboek, blz. 392). Verkwikkelijk is de dialectische kleur en het kernachtige ‘toponiem’ (ook: Pikkelse del), dat op een nu vergeten bijnaam kan berusten.

Hoezeer Sint-Maarten leeft, ja, zich nog uitbreidt en nieuwe elementen verkrijgt, mag blijken uit een onderzoek van mijn hand, [Dr.T. de Haan) gepubliceerd in het Jaarboek 1974 van de vereniging ‘Haerlem’. Olijke kinderen combinerende traditionele ‘appel of een peer’ zonder blikken of blozen met ‘Sintermaartie(!), wat is het koud, Ik lijk wel een diepvriesbout’! Ook het kolderieke van een kindertekenfïlm kan men ontmoeten:

Sinte Maarten had een muis,
Die lag in het ziekenhuis;
Met zijn rode petje
Lag hij in zijn bedje.

Dit zijn geen vervalverschijnselen, maar creatieve elementen die bewijzen hoe levend Sint-Maarten is in een stad als Haarlem, die ligt op de rand van het Sint-Maartengebied.

.

Sint-Maartenalle artikelen

Vrijeschool in beeldSint-Maarten     jaartafel

.

 

2950

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (26)

.

Dieuwke Hessels oktober 2022

.

Een Sint-Maartenspel voor kleuters.
Het hier volgende Sint-Maartenspel leent zich goed voor toneel-, tafel-, of schaduwspel. Te vinden op: Tineke’s Doehoek

Lantarenlied:
‘Ik loop hier met mijn lantaren’

Ik loop hier met mijn lantaren,
Lantaren loopt er met mij.
Daarboven stralen de sterren,
Beneden stralen wij.
Mijn licht is klein, maar helder rein
rabimmel rabammel rabom.
Blijf aan mijn licht, blijf aan mijn licht,
rabimmel rabammel rabom.*

Er was eens een meisje dat met haar lantarentje door de straten liep. Het lichtje
scheen heel mooi en helder en het meisje was er heel blij mee.

Lantarenlied herhalen.

Maar toen kwam opeens de wind met veel geraas en geblaas en blies het lichtje uit. “Ach”, riep het meisje, “Wie laat mijn lantarentje weer schijnen?”
Maar hoe ze ook om zich heen keek, er was niemand.

Daar komt een egel.

Wat ritselt daar tussen de bladeren en trippelt er door het gras?
Wie haast zich zo snel, een stekelige gezel?
“Ach lieve egel”, riep het meisje, “de wind heeft mijn licht uitgeblazen, wie kan mijn lantarentje weer laten schijnen?”
“Oh meisje, helpen kan ik niet, Vraag ’t maar als je iemand anders ziet.
Ik kan hier niet blijven, ‘k moet snel naar huis:
Mijn kindertjes wachten op mij daar thuis.”

Melodie 1:

Het meisje loopt verder.

Daar komt een beer aan.

Wie is dat, die er zo gromt en zo bromt? Het is Bram de Beer, die daar nu aankomt.
“O lieve beer, de wind heeft mijn licht uitgeblazen, weet jij niet wie het weer kan laten schijnen?” De beer schudt langzaam zijn dikke ruige kop.
“Och meisje, helpen kan ik niet, Vraag ’t maar als je iemand anders ziet.
Ik ben zo moe, moet rustig slapen nu, bromm, bromm!”

Daar komt een vos aan.

Wat ritselt zo zachtjes, wie sluipt door het gras?
Een sluw listig vosje, met snuffelende snuit.
Hij zegt tegen het meisje:
“Wat moet jij in ’t bos? Ga gauw terug naar huis! ‘k Wil sluipen en loeren, Jij verjaagt me mijn muis!”
Toen ging het meisje huilend op een steen zitten. “Wil er dan niemand mij helpen?”

Dat hoorden de sterren en zij spraken: “Vraag het aan moeder Zon! Moeder Zon kan het je vertellen.”
Toen vatte het meisje nieuwe moed en ging verder.
Ten slotte kwam ze aan bij een klein huisje. Binnen zat een oude vrouw te spinnen op haar spinnenwiel. Het meisje opende de deur en vroeg: “Weet u misschien de weg naar de zon en wilt u misschien met mij meegaan?” –
“Ik moet vlijtig het wieletje draaien en spinnen, dunne fijne draadjes spinnen. Maar rust wat uit bij mij, je hebt nog een lange weg te gaan.”
Het meisje stapte naar binnen en ging zitten.
Toen het meisje uitgerust was nam zij haar lantarentje op en ging verder.
En weer kwam zij bij een huisje. Daarbinnen zat de oude schoenmaker en beklopte zijn schoenen met zijn hamertje.
“Goede dag, lieve schoenmaker, weet u misschien de weg naar de zon en wilt u misschien met mij meegaan?” –
“Ach, nee”, zei de schoenmaker, “ik moet nog veel schoenen oplappen. Maar rust wat uit bij mij, je hebt nog een lange weg te gaan.”
Toen het meisje was uitgerust, nam ze haar lantarentje weer op en ging verder. Ten slotte zag ze in de verte een hoge berg. “Daarboven zal de zon wel wonen”, dacht ze bij zichzelf en zo snel als een ree ging zij verder.
Ze kwam een klein kindje tegen, dat met een bal speelde. “Kom met mij mee”, riep het meisje, “we gaan naar moeder zon!” Maar het kind wilde liever spelen en huppelde met zijn bal over de weide.
Daarom ging het meisje alleen verder op haar weg, zij klom hoger en hoger de berg op. Maar ook daarboven vond zij de zon niet. “Hier ga ik wachten tot de zon komt”, dacht het meisje, en ging op de grond zitten. En omdat ze zo moe
was van de lange tocht gingen haar ogen dicht en viel ze in slaap.
Maar de zon had het meisje allang gezien. En toen het avond werd, boog zij zich naar beneden en stak haar lantarentje aan.
…Toen werd het meisje wakker. “Oh, mijn lantarentje schijnt weer”, riep zij, en sprong op, en ging blij op weg.
Daar kwam ze het kind weer tegen: “Ik ben mijn bal kwijtgeraakt en kan hem nergens meer vinden”.
“Ik zal je bijlichten”, zei het meisje.
“Daar ligt hij!”, riep het kind en huppelde zingend weg. Maar het meisje liep verder door het dal, tot ze bij het huis van de schoenmaker kwam. De schoenmaker zat treurig in zijn kamertje. “Mijn vuur is uitgegaan. Nu zijn mijn
handen stijf van de kou, en ik kan de schoenen niet meer repareren.”
“Ik zal uw vuur weer aansteken”, zei het meisje. Toen verwarmde de schoenmaker zijn handen en kon weer vlijtig kloppen en naaien.
Het meisje ging langzaam verder door het bos. Zij kwam bij de hut van de oude vrouw. Het was donker in haar kamertje. “Mijn licht is opgebrand”, zei de oude vrouw, “nu kan ik al ’n hele tijd niet meer spinnen.”
“Ik zal voor u een nieuw licht aansteken”, zei het meisje vrolijk. Toen pakte de oude vrouw weer haar spinnenwiel, en vlijtig draaide ze het wiel, en spon en spon een heel fijne draad.
Zo kwam het meisje ten slotte op een open veld, en alle dieren werden wakker door het heldere schijnsel van het lantarentje.
Het vosje snuffelde en knipperde met zijn ogen in het licht. Bram de beer gromde en bromde, hij kroop nog dieper in zijn winterhol.
De egel kwam nieuwsgierig naderbij trippelen: “Wat is dat voor een grote glimworm?”
Het meisje ging nu vrolijk terug naar huis, terwijl ze haar lied zong:
‘Ik loop hier met mijn lantaren…’

Halloween en Sint-Maarten
Christja Mees-Henny

Halloween is nog niet zo lang ‘in’ in ons land. Het Halloween-gespook is uit Engeland en Amerika overgewaaid en de ‘aanloop’ naar Halloween kunnen we al weken vóór 31 oktober volgen via winkeletalages, in restaurants, tijdens
kinderpartijtjes en de aankondiging van bloedige griezelfilms op tv. En natuurlijk kunnen we ons via internet uitputtend nader informeren.
“Het is toch net zo’n soort feest als Sint-Maarten”, hoorde ik laatst iemand zeggen, “ook met al die uitgeholde pompoenen en lichtjes erin, alleen veel spannender!”
Gaat Halloween ons Sint-Maartenfeest beconcurreren? Wat is het verschil tussen deze twee feesten?
De naam Halloween is afgeleid van Hallow-e-én (All Hallows Eve), dat betekent: de avond vóór Allerheiligen. Het feest van Allerheiligen is op 1 november, dat van Allerzielen op 2 november. Op Allerzielen gedenken we de gestorvenen, op Allerheiligen gedenken we in het bijzonder de gestorven heiligen.
In onze tijd, wordt er, behalve dan in de kerk, niet meer zo vanzelfsprekend bij deze twee laatste feesten stilgestaan, bij Halloween merkwaardig genoeg wel, en steeds meer.
Hoe kunnen we dit begrijpen?

La dance macabre (La Chaise Dieu)
Het samen leven met de gestorvenen, de geliefde doden herdenken, speciaal op Allerzielen, met verse bloemen op het graf, en het ophalen van liefdevolle herinneringen, is altijd een heel intiem beleven geweest. Er zijn nog plaatsen
waar de familie op die dag op de begraafplaats bijeenkomt om samen met de gestorvenen een maaltijd te vieren.
In de Middeleeuwen had men nog een relatie met de dood en voor mensen met een helderziende gave was dat een realiteit.
In Chaise-Dieu, (Haute Loire in Frankrijk) in de basiliek St. Robert, wordt dit beleven tot uitdrukking gebracht in een prachtig fresco uit 1640 dat zich 26 meter lang, en 2 meter hoog over de lengte van een hele muur uitstrekt: “La
Dance Macabre.” Hier is te zien hoe de mensheid, van hoog tot laag (van pummel tot keizer) de dans met de dood uitvoert (zie afbeelding). De dood wordt afgebeeld als een skelet, maar óók als een mens door spieren bewogen.
Als we weten dat Rudolf Steiner in een voordracht (opgenomen in GA 141) zegt dat het lot van de mens in het spierensysteem is ingeweven, dan wil dit fresco eigenlijk zeggen: de mens danst gedurende zijn hele leven met de dood, maar óók met zijn eigen lot (karma).
Het met volle eerbied geloven in een ander leven na de dood is door het materialisme echter meer en meer verduisterd geraakt, hoewel er door de publicaties over bijna dood ervaringen e.d. wel scheuren in deze
bewustzijnsverduistering komen.
De geheimzinnigheid en de angst voor het onbekende blijven echter bestaan als het griezelen over misschien wel oude inwijdingsbeelden die decadente vormen hebben aangenomen. Die voor velen ongeloofwaardige geestelijke wereld vertoont zich dan als ‘gespook’.
Een paar jaar geleden liep ik op een avond in Yorkshire in Engeland. Ik wandelde door het stadje. De straatverlichting was uit en ik vond het er eng donker en obscuur. Plotseling verscheen er een groep verklede figuren, met
olielampjes in de hand, uitgedost met puntmutsen, maskers, wijde vleermuismantels en met lichtgevende geraamtes op het lijf geschilderd. Een verteller met hoge hoed op en toverstaf in de hand verzamelde een gehoor om zich heen en stond midden op straat griezelverhalen te vertellen. Langzaam drong het tot mij door dat hier Halloween gevierd werd.
Ik had die dag al gehoord dat de kinderen zich die avond zouden verkleden, maar ook de volwassenen waren hier duidelijk in hun rol.
Hoewel er een ‘uitgeholde pompoen rage’ om dit feest is ontstaan, pompoenen ingekerfd met grijnzende gezichten waar ook licht in brandt, heeft dit feest toch nog een andere achtergrond dan het Sint-Maartenfeest, waarbij ook het
licht in de lantaren essentieel is.
Als we dit weten, kunnen we op deze beide feesten een andere kijk krijgen.
In deze (schorpioen)tijd van het jaar is de sluier tussen de spirituele en de materiële wereld heel dun.
Halloween is een gebeuren van grens- en van drempelervaringen. Geen énkele Heilige is heilig geworden zonder de confrontatie met het boze, zonder de confrontatie met verleidingen, angsten, twijfels, haat, ziekte en de dood.
De afbeelding op de altaarschildering van Grünewald in Colmar, van de verzoekingen van de Heilige Antonius, liegt er niet om. Kommer en kwel, dat moet de mens met grote idealen en geestelijke kracht doormaken vóór hij (zij) als Heilige genezend kan werken.
In het Russische sprookje De schone Wasselissa en de pop moet Wasselissa van haar stiefmoeder het vuur gaan halen bij Baba Yaga in het donkere bos. Na veel angstige belevingen waarin Wasselisa haar grote moed toonde, draagt zij het verkregen vuur ten slotte in een schedel naar huis, en kan zij haar boze stiefmoeder en zusters verjagen.
Halloween is het beleven van drempelervaringen, het feest van St.-Maarten eert een heilige persoonlijkheid die deze drempelervaring doorstaan heeft.
Misschien is het een teken van onze bijna apocalyptische tijd dat we juist nú zo gefascineerd zijn door vleermuizen, skeletten, doodshoofden, heksen, spinnenwebben, duivels, monsters en spookgeschiedenissen waarmee het
verjaarspartijtje van onze ‘kids’ ‘cool’ met dode bloemen en zwarte linten wordt aangekleed.
Des te belangrijker is het om het licht in onze eigen lantaarn brandende te houden.
Zijn de lantarens die op deze twee feesten rondgedragen worden wel gelijk? Maakt het uit wát voor een lantaren je hebt?
Misschien is de lantaren die als uitgeholde knol, biet of wortel uit de donkere aarde (het gebied van het onbewuste) opgegraven is, mét een lichtje erin, op een subtiele manier toch wel heel anders dan de uitgeholde, bóven de grond groeiende zonnige oranje pompoen die van zichzelf al door het licht gevormd is.
Zo is er ook een subtiel verschil tussen de gaven van de Herfsttijd, de oogst van appels, peren en noten die in de St.-Maartenliedjes worden bezongen en die bij dit feest horen, en de overdadige zakken met snoep, die in plaats daarvan helaas zo vaak worden uitgedeeld en meestal de proviand van het Halloweenfeest vormen.
In vele soorten lantarens wordt licht, romantisch kaarslicht, (maar ook wel praktisch licht uit een batterijtje) rondgedragen, maar niet alleen in knollen en pompoenen: denk eens aan de ontelbare variatie van fantastische papieren lantarens!
Dat is ook nog mensenwerk waar het licht in rondgedragen wordt.
Na de intensieve bewerking van dierenhuid tot perkament, zoals in de middeleeuwen, is de modernere methode van papier maken uit vodden en afval niet minder intensief, en daarbij komt dan nog de verwerking tot lantaren door de onuitputtelijke menselijke fantasie en creativiteit die op zichzelf al bewustzijnslicht vertegenwoordigt.
Licht, waarmee wij ook de vraag kunnen beschijnen: willen wij onze kinderen zo vroeg al confronteren met enge decadente inwijdingsmotieven?

decadente inwijdingsmotieven?
Willen kinderen zélf graag wennen aan het griezelen omdat zij Halloween zo
spannend vinden – of is het de economie, die er iets in ziet dit feest te promoten?
Steek je licht maar op!

Sint-Maarten. (Martinus van Tours)

St.-Maarten was Romeins soldaat. Hij is bekend geworden door het feit dat hij de helft van zijn mantel schonk aan een bedelaar die hij op zijn pad tegenkwam. Zo zie je hem op afbeeldingen; op zijn paard en met zijn zwaard zijn mantel in tweeën snijden. De bedelaar ligt op zijn knieën kleumend te wachten.
Waar wachtte de bedelaar op?
Op een halve soldatenmantel of om iets anders?
Op die vraag kom ik zo terug.
De legende vertelt ons ook dat Maarten (toen nog geen Sint) hierom hevig werd bespot door zijn medesoldaten. Het liet hem koud.
`Nachts kreeg hij een visioen: Hij zag Christus bekleed met zijn halve soldatenmantel.
Hij heeft direct daarna zijn dienst in het leger opgezegd en werd priester. Een zeer vroom en ijverig priester. Zo vroom en ijverig dat de paus hem tot bisschop wilde benoemen.
Maarten wilde dat niet, hij voelde zich onwaardig voor zo’n ambt. Hij vluchtte en verstopte zich in een ganzenhok.
Maar de ganzen verraadden hem met hun gesnater. Hij werd gevonden en naar Tours gevoerd, waar hij tot bisschop werd gewijd. (In Duitsland en Frankrijk en andere delen van Europa eet men om dit feit te herdenken met Sint-Maarten gebraden gans.)
Zo werd hij bisschop en dat betekende dat hij een bisdom onder zijn hoede had. In materiële zin moest hij zorgen voor de vele mensen die daartoe behoorden. De meeste bisschoppen deden dat goed, zij hadden landerijen waar boeren werkten en die zij goed betaalden. In Nederland bijvoorbeeld ontstond het gezegde: “Onder de kromstaf is het goed leven.”
Maar ook in spirituele zin moesten zij over hen waken en dat zal ook niet altijd meegevallen zijn in die toch wel ruwe tijden. Zij waren wat men noemt zielzorgers.
Na zijn dood werd hij heilig verklaard en werd Sint-Maarten.
Ik kom nu terug op die halve mantel en de vraag: “Waar wachtte die bedelaar op? Wachtte hij soms ook soms op aandacht en meegevoel?
Als je het zo bekijkt zin er tegenwoordig heel veel “bedelaars”.
Sint-Maarten is de beschermheilige van alle mensen die zorgdragen voor anderen. Daar behoren mensen in veel beroepen toe.
Sint-Maarten is de patroon van alle verzorgers, leraren, verplegers, artsen en ga zo maar door. En niet te vergeten “mantel”zorgers.
De mensen die zo’n beroep uitoefenen kunnen daarbij veel (te veel) van hun levenskrachten wegschenken.
Een uitgeputte verzorger, die dus te veel van zijn levenskrachten heeft weggeschonken, werkt niet goed op de fysieke gezondheid van zijn pupil. Kinderen die een opvoeder hebben die lekker in zijn vel zit, hebben meer
kans levenslustige en blijere kinderen te zijn.
Alle reden dus om te zorgen niet uitgeput te raken. Schenk dus niet je hele mantel, die een symbool is voor het levenskrachten complex.
Technisch gesproken: laat je batterij niet helemaal leeglopen, want dan is het moeilijk, zo niet onmogelijk, om hem weer op te laden.
Als dat bij een mens gebeurt, noemt men dat een burn-out. Dan moet je uit de roulatie en heeft niemand wat aan je. Hoe kun je nu verhinderen dat je burnt- out raakt?
Enkele suggesties: dingen die u allemaal weet maar die je niet genoeg kunt horen:
Wees wakker, hou jezelf in de gaten. Dan voel je uitputting aankomen. Wat je dan kan doen om de batterij weer op te laden is natuurlijk heel verschillend voor iedereen.
Voor de één is het een wandeling, of lekker joggen, voor de ander een stukje pianospelen of een andere kunstzinnige activiteit. Je voelt zelf heel goed waar je van opknapt en waar je van afknapt. Hele mooie momenten in je werk kunnen je ook een enorme push geven.
Wat je graag zou willen doen is niet altijd het beste op zo’n moment. Als je heel moe bent wil je soms maar het liefst lekker onderuit zakken. Maar rust helpt lang niet altijd.
Zeer belangrijk is dat je het tijdig in de gaten hebt en dan iets in je leven verandert.
Doe als Sint-Maarten: geeft niet meer dan de helft van je “mantel”, dan kan je lichtje blijven branden.

In het artikel staan hier enkele liedjes. Ik verwijs door naar ‘vrijeschoolliederen’.

Elf november     Hoog aan de hemel     Lampionnetje      Lampionnerij
Ik loop hier met mijn lantaar    Martijn, Martijn     Sinte-Maartensavond (tekstvariant)   Stergeflonker   Zon en maan en sterre     Als ’t zonlicht gaat verdwijnen

Sint-Maarten reed door weer en wind

De Mantel van Sint-Maarten
Christja Mees-Henny

Schutzmantelmadonna, fresco 15e -eeuws, Wetzwil ob Herrliberg

De bekendste gebeurtenis uit het leven van Sint-Maarten is wel de legende dat hij op een koude winterdag bij de poort van Amiens zijn mantel doorsneed om deze met een bedelaar te delen.
Na de droom waarin die nacht Christus aan hem verscheen, gehuld in de halve mantel die Maarten de bedelaar schonk, besloot Maarten zich te laten dopen en uit het keizerlijke Romeinse leger te treden. Als ridder van Christus wilde hij voortaan door het leven gaan.
In het Romeinse leger was het in die tijd gebruikelijk dat de soldaten zelf
een groot deel van hun uitrusting moesten bekostigen. Maarten schonk de
bedelaar werkelijk een deel van zichzelf.
Afgezien van de historische toedracht ligt er misschien ook een van kracht
vervulde symboliek in dit verhaal besloten.
Vele eeuwenlang zijn mensen geboeid geweest door het voorbeeld van
deze daad van Maarten. Vele kunstenaars hebben zich erdoor laten
inspireren. In kerken, kathedralen en musea in heel Europa zijn hier vele voorbeelden van te vinden.
Op de meeste afbeeldingen is de mantel van Maarten rood; de kleur van het bloed en van de hartewarmte.
Wat is de functie van een mantel? Een mantel omhult. (De mantel der liefde kan onze fouten ’omhullen’).

Maria Im Rosenhag, Martin Schongauer, 15e eeuw, Colmar 

Op vele afbeeldingen zien we hoe Maria het Jezuskind onder haar mantel draagt.
Vaak draagt zij een blauwe mantel, met een rood onderkleed. Er zijn afbeeldingen waarop te zien is hoe Maria haar beschermende mantel over de mensen heen spreidt om ze tegen zichtbare en onzichtbare vijanden te beschermen.
In Rusland wordt het feest van de eerste sneeuw, Maria Schützmantel, op 14 oktober gevierd. Het is er een belangrijk feest omdat Maria Sofia (Sofia is de alwijsheid van God) het bewustzijn van ons kosmisch menszijn vertegenwoordigt.
Zij is de omhulling van Christus en toont de mensen een toekomstige ontwikkeling:
het vermogen om vanuit het geestzelf te leven. Dat wil hier zeggen: leven vanuit de geest en voelen dat Ik en de wereld één zijn onder een kosmische sneeuwmantel.
Het leven van Sint-Maarten laat zien dat zijn ziel, evenals de ziel van Maria, de
Christuskracht omhulde. Daarom was hij heilig. Vanuit de kosmische liefdeskracht genas hij zieken, deed doden opstaan en dreef duivels uit.
Het wegschenken van deze ’liefdesmantel’ heeft het vermogen te helen. De helft van de mantel is door de kracht van de liefde tóch weer een hele mantel. Liefde wordt nooit minder als zij weggeschonken wordt; steeds meer verwarmt en doorzielt zij de mensen; steeds vult zij zichzelf weer aan.
Om het kleed van Christus werd, zoals in de Bijbel wordt verteld, gedobbeld onder het kruis. Dat kleed was in één geheel geweven, het was ondeelbaar.
Christus verscheen in de nacht aan Maarten en maakte duidelijk: “wat ge aan de minste mijner broeders hebt gedaan, hebt ge aan mij gedaan.”
Maarten schonk zijn mantel aan een bedelaar. Zijn wij niet allen mensen, bedelend
om de geest?
Als ik probeer om geen kritiek te hebben maar met verwondering en verbazing de ander waarneem… draag ik bij aan het spinnen van de draden voor de omhulling van Christus.
Als ik probeer met medelijden en liefde om te gaan met een hulpbehoeftige mens… dan draag ik bij aan het weven van de omhulling van Christus.
Als ik probeer te luisteren naar de stem van mijn geweten en daar naar handel… draag ik bij aan het samenstellen en naaien van de omhulling van Christus.
Als ik de poepbroek van mijn kleinkind verschoon, de vloer dweil, mijn huis verzorg… doe ik hetzelfde.
Zo simpel is dat. “Small is beautiful.”

Werkbeschrijving Pompoenlampion – St.-Maarten

Benodigdheden van jezelf:
Een set gutsjes
Een handdoek om op te werken
Appelboor of lepel om hard vruchtvlees eruit te scheppen
Aardappelschilmesje om de kartels in de pompoen te snijden
Benodigdheden:
Pompoen (tip: zoek voor jonge kinderen een klein pompoentje uit, die
zijn minder zwaar te dragen de hele avond)
Waxinelichtje
IJzerdraad
Touw
Door je kind gemaakte handvat (van wc-papierrolletje)
Werkwijze:
Snijdt het bovenste kapje eraf, recht of getand. (Dat laatste zorgt voor dat het kapje er niet zo snel afglijdt).
Haal de pitjes uit de pompoen.
Schraap daarna het –harde- vruchtvlees er met een lepel uit. Ook bij het kapje. De wand moet zo ongeveer 0,5 tot 1 cm. dik blijven. Het moet zo dun zijn dat als je straks een figuur op de pompoen tekent, dit oplicht als er een waxinelichtje in brandt.
Maak de bodem vlak zodat het waxinelichtje niet gaat glijden. Je kunt ook in het midden een uitholling maken ter grootte van het waxinelichtje, of het waxinelichtje stutten met tandenstokertjes.
Maak met de appelboor 3 luchtgaten in het dekseltje, zo blijft het kaarsje zuurstof houden.
Geen appelboorgaten in de pompoen zelf want dan kan de wind het lichtje gemakkelijk uitblazen.
Maak met een gutsje 1 klein gaatje in het deksel en 1 klein gaatje in de pompoen en verbindt beiden met elkaar door een ijzerdraadje. Zo kan je in het donker het deksel weer gemakkelijk op de pompoen zetten.
Maak met een gutsje 2 kleine gaatjes in de pompoen ongeveer 1cm onder de rand.
Doe door beide gaatjes een ijzerdraadje dat je rond buigt.
Bevestig hieraan het touw waar het handvat aan geregen is. Het touw moet dus niet in de pompoen komen want dat kan mogelijk verbranden. Het touw moet ook niet te lang wat een compacte lampion is beter draagbaar.
Maak met je gutsjes een mooie afbeelding op de buitenkant van de pompoen. Zon, maan en sterren of St.-Maarten en de bedelaar……. Of een kindje met een lantaarn!
Als je de lantaarn nog een dag moet bewaren kan je hem het beste in een bak water een paar uur onderdompelen, zo blijft het hard. Of wikkel de pompoen in een natte theedoek.
Neem tijdens de optocht een paar extra waxinelichtjes en een aansteker mee!
Veel plezier!

“Sint-Maarten: de tweede heilige in de reeks van drie heiligenfeesten (Sint-Joris, Sint-Maarten en Sint-Nikolaas) die in de herfsttijd voorbij komen, voordat het kerstkindje/licht geboren wordt.
Op veel interculturele initiatieven van de Waldorfschool wordt in deze tijd soms gekozen voor andere lichtjesfeesten zoals bijvoorbeeld Divali, het geestenfeest of Día de Muertos.
En toch vormen deze heiligenfeesten, met weliswaar een christelijke basis – maar
toch met zeer universeel menselijke waarden, een mooie drie-eenheid die past bij het antroposofisch gedachtegoed.
Daar waar Michaël ons aanmoedigt vol moed onze wilskracht te tonen en goede daden te verrichten, zo spreekt Sint-Maarten ons hart aan. Maarten staat met zijn goede daad symbool voor mededogen en naastenliefde.
Sint-Nicolaas spreekt weer een heel andere kwaliteit in ons mensen aan. Met zijn wijsheid en kennis over de mensheid roept Sinterklaas ons op ons eigen bewustzijn te vergroten. Durf jezelf in de spiegel aan te kijken zodat je een beter mens kan worden?
Zo vertegenwoordigen de drie heiligenfeesten samen drie kwaliteiten van onze menselijke ziel: ons denken, voelen en willen.
Op 11 november vieren we Sint-Maarten; de feestdag met als motief goedheid, de offerbereidheid en deemoed. Sint-Maarten is het eerste lichtfeest van de donkere tijd in het jaar.

Vanaf nu kunnen de kaarsjes weer aan

Waar in oorsprong rond deze tijd van het jaar slechts de armen van deur tot deur gingen om te vragen naar zielenbrood, is Sint-Maarten sinds de laatste eeuw een kinderfeest geworden.
Op vrijescholen en in sommige delen van Nederland lopen kinderen al zingend door de straten in de hoop op fruit of een snoepje.
In ons gezin horen bij dit feest mooie zelfgemaakte lampionnen, waarmee de kinderen in het donker zingend lopen.
Wij eten op de avond van 11 november in het donker met het kaarslicht van onze lantaarns.
We bakken Sint-Maartens broodmaantjes die we met elkaar delen en ik vertel voor het slapengaan een verhaal over offerbereidheid en het zorgen voor anderen.”
Geschreven door Eveline Clignett: Waldorf inspiration.

Lantaren, lantaren, zon en maan en sterren,
brandt op mijn licht, brandt o p mijn licht,
maar niet mijn lieve lantaren..

Op “Antroposofie en het kind” vind je een tutorial over het vouwen van een sterlantaren.

Op diezelfde site vind je ook onderstaand artikel van Marion Vreugdenhil:

De boog van sint Maarten naar Maria Lichtmis

De periode van het jaar waarin wij nu zijn, is voornamelijk in de natuur er een van een neergaande lijn; de sappen in de bomen trekken naar binnen en de bladeren sterven af. Ook wij keren ons naar binnen (letterlijk in onze huizen en
figuurlijk in ons innerlijk), naar de stilte toe.
Tegelijkertijd is onze innerlijke beweging een opgaande lijn; van binnen worden wij lichter.
Dit is het antwoord op de afstervende natuurkrachten: wij ontsteken het licht in onszelf.
De lichtfeesten in de komende periode helpen ons daarbij.
Het eerste lichtfeest Sint-Maarten is ook het eerste feest van de mantelheiligen (Sint-Maarten, Sint-Nicolaas, De drie Koningen en Maria).
Het is ook een donkere periode. De dagen worden korter en de nachten langer.
Maar tijdens de kerstdagen, van 24 december tot 6 januari, staat de tijd even stil. De dag- en nachtlengte nemen even niet toe of af. Alsof alles stil staat rond het wonder van Christus’ geboorte. Daarna worden de dagen weer langer en de nachten korter.
Bij de komende feesten, waarvan de eerste 40 dagen voor Kerstmis begint (St.-Maarten, Advent en St. -Nicolaas ) komen de volgende punten steeds terug: het oude wordt vervangen door het nieuwe en er is/komen stilte en licht.
Daarna zijn er weer lichtfeesten (Driekoningen en Maria Lichtmis) om het 40 dagen na Kerstmis af te sluiten.
Er wordt dus een boog gemaakt van 80 dagen met Kerstmis als hoogtepunt.
Bij de Germanen begon op 1 november een nieuwe periode. Het was de overgang van de herfst naar de winter. Het sterven en de dood leveren contact op met de wereld van de Gestorvenen of onderwereld. De nacht ervoor kwamen alle kwade geesten en donkere dingen naar boven. Met veel lawaai en afschrikwekkende pompoenhoofden werden ze weggejaagd: Halloween. In onze streken vier(d)en we geen Halloween, maar ook bij ons is er dat contact met de gestorvenen. Op 1 en 2 november vieren we Allerheiligen en Allerzielen.
Vanaf de Middeleeuwen werd niet alleen het jaar rond 1 november afgesloten met een oogstfeest, maar ook de pacht en het loon werden betaald en de
jaarcontracten werden wel of niet verlengd.
De Gedenkdag van Sint-Maarten op 11 november, die al vanaf de vijfde eeuw werd gevierd, bleef eeuwenlang een belangrijk oogstfeest. Dit Christelijk feest nam de plaats in van het Germaanse oogstfeest van 1 november.
Vroeger was Sint-Maarten het begin van de advent. Dat is op een gegeven moment verschoven naar 1 december.
Het verhaal gaat dat een bedelaar ridder Maarten smeekt hem iets te geven. Tegen zijn gewoonte in {Maarten was enigszins een losbol} geeft hij de helft van zijn mantel. ‘s Nachts verschijnt God in een droom om hem te bedanken. Vervolgens verandert het leven van Maarten. Hij stapt uit het Romeinse leger, wordt christen, doet goede werken en wordt ten slotte in 371 bisschop.
Bij het Sint-Maartenfeest zien we drie thema’s.
1 Het schenken en ontvangen
2 Het mogen ontmoeten van God
3 Keuze voor een omslagpunt

Ad 1. Het gaat erom dat we waarachtig zijn en iets van ons overschot (mantel) schenken. Om iets te geven, moeten we iets hebben. Zorg dus dat er iets te geven is. Door de vraag van de bedelaar kan Maarten verder met zijn leven.
Stel als ontvanger de ander een vraag, zodat hij/zij kan veranderen. Wees een schenker en sta toe om een ontvanger te zijn. Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Ook omdat we net als Maarten niet alles moet geven, maar nog iets voor
onszelf moet overhouden.

Ad 2. Door iets aan iemand te geven spreken we hartenkrachten aan. Daarnaast worden we waargenomen door God. Hij is er dan bij en wij kunnen Hem ontmoeten. Dat gebeurt in ons hart.

Ad. 3 We kunnen ons leven veranderen, het anders doen. Die keuze hebben we, meerdere keren per jaar. Aanhaken op zo’n veranderingsmoment maakt het makkelijker. Maarten heeft net als Joris een zwaard, maar zijn zwaard is
anders. Hij gebruikt zijn zwaard om de gave klaar te maken, zodat hij iets weg kan geven. Maarten laat ons zien dat we iets kunnen doen met het lichtje (of het goddelijke) binnen in ons.

Hoe vieren we Sint-Maarten op school? Er worden die dag knollen uitgehold. De knolgewassen en wortelen worden voor de vorst uit de aarde gehaald. Zij horen bij het donker (en horen er meer bij dan de pompoenen). Door ze uit te hollen kunnen we er een lichtje in laten schijnen; wij maken licht in het donker.
Op 11 november gaan de kleuters en lagere klassen ‘s avonds in het donker naar buiten met hun lantaarntje. Ze gaan met hun klas door het parkje, bij
hutjes van oudere kinderen en langs de huizen voor gaven en zingen er liedjes bij.
Juf verzamelt het lekkers als appels, mandarijnen en noten in een mand. Bij binnenkomst in de klas is er vaak warme chocolademelk en wordt het
lekkers uit de mand uitgedeeld. Een gedeelte wordt bewaard voor in de klas.
In de natuur zien we de herfstbladeren, paddenstoelen en de sterren zijn aan de hemel langer zichtbaar. Naar buiten gaan is voor kinderen nu een feest. Veel klassen maken dan ook een herfstwandeling met juf, maar ouders vaak ook.
Deze periode is er één waar (in de klas, maar misschien ook thuis) veel geknutseld wordt: transparanten, glazen potten beplakken (met waxinelichtjes), bladerknutsels, kaarsen trekken en sterren vouwen. Verder wordt er veel
gezongen en horen ze verhalen van Sint-Maarten, het knolletje en Vrouw Holle.
Voor volwassenen is het een goede periode om op te ruimen, schoon te maken en lekker te koken.
Ruimte maken voor advent en kerst.
Appeltaarten, stoofpotten en pompoensoep, het smaakt in de herfst allemaal net even lekkerder. Als afsluiting mijn recept van pompoensoep, [zie de site van Antroposofie en het kind] die hoe kan het ook anders, bij ons altijd gegeten wordt op 11 november.”

Sint-Maarten: Een mooie Meppeler traditie

Het eerste feest van het schooljaar voor kinderen en ouders om samen aanwezig te zijn wordt in een kort moment neergezet in het stadspark als een schouwspel van Sint-Maarten en de bedelaar.
Van tevoren komen alle kinderen naar school, in het schemerdonker…
Kleuters komen in een klas die slechts weinig verlicht is, hun pompoenlantarentjes staan in de kring al klaar om, na een korte begroeting, te worden aangestoken… daarna gaan de kleuters naar buiten, waar hun ouders al wachten.
Al zingend, ouders hebben een kleine liedbundel gekregen in de week voorafgaande aan het feest, gaan kinderen en ouders, in een lange stoet op weg naar een afgesproken plaats in het park. Alle kinderen [voor] en ouders [achter
hun kind] staan in een grote kring achter glazen lichtpotjes en zingen met elkaar.
Tot het moment dat het stil wordt, heel stil. …..
Dan zien de kinderen de bedelaar, met een lantaren, de grote kring langzaam
binnenlopen en horen ze in de verte het paard van Sint-Maarten.
Het paard met ridder Maarten rijdt de kring binnen. In de kring deelt Sint-Maarten zijn mantel met de bedelaar. Maarten stapt weer op en rijdt nog langs de lichtjeskring en dan de kring uit, hij rijdt door het park: het hoefgeluid van het paard is nog een tijdje te horen.
Na het schouwspel vertrekt ieder weer naar school, onderweg wordt nog wat lekkers uitgedeeld.
Een mooi feest waaraan alle kinderen van school betrokken zijn: hetzij in de optocht, hetzij met het uitdelen of met het verzorgen van de lichtjes in het park.
Op de vieringsdag is er voor de klassen 1/6 in de grote zaal van school een opmaat waarna er voor kleuterouders gelegenheid is om een pompoen-lantaarn te maken aldaar. In de hele school worden die ochtend pompoenen uitgehold waarbij de kinderen van de hogere klassen de kinderen van de klassen 1,2,3 helpen.

Sint-Maarten spelen we in de kleuterklas ook uit.
In het schemerdonker van de ochtend, als de kinderen aangekomen en begroet zijn, de klassenkabouter wakker is gemaakt, liedjes zijn gezongen en vertelseltjes gedaan, dan wordt de kring zo gemaakt dat we het spelletje kunnen gaan spelen. Kindje van de dag mag zeggen welke rol hij wil [bedelaar of Sint-Maarten] of als dat nog te spannend voelt wie het dan mag worden.
Samen helpen we de spelers met de attributen en het klaarzetten.
De bedelaar neemt plaats in de kring, Sint-Maarten, met deelbare mantel om en
met [stok]paard en zwaard, rijdt rond de kring terwijl het lied gezongen wordt [Sint-Maarten, Sint-Maarten, Sint-Maarten reed door weer en wind [te vinden op www.vrijeschoolliederen]

Na het schoolfeest gaan de kinderen langs de deuren, al zingend, met hun ouders, door de straten van menig stad of dorp. Niet alleen kinderen van vrijescholen, [bijna] alle kinderen komen aan de deur. Huizen zien er uitnodigend uit, door de lichtjes die branden bij de deuren.
Vaak wordt er gezongen “Sint-Maarten de koeien hebben staarten” of “Sinte-Maarten mikmak”, veel verder komen ze niet in het algemeen, het liedje” ik wandel al met mijn lantaren” doet ook opmars.
In hun handen hebben ze behalve een lampion ook een [vaak] plastic tas, die als ze naar huis gaan, goed gevuld is met lekkernijen: gezonde en minder gezonde.
[Bedoeld om de komende koude periode door te komen, verwarmd te worden door het lekkers en goeds, tot Sint-Nicolaas komt]
Maar ook kleine presentjes. Hierbij een lijstje van mogelijkheden:
Zakje popcorn
Fruit -mandarijntjes zijn misschien een beetje standaard, maar worden al snel leuk wanneer je er een gezichtje op tekent of misschien zelfs een heel lijfje eraan knutselt, van bijvoorbeeld een pakje drinken ingepakt in een leuk papiertje, of met satéprikkers en suikervrije dropjes.
Rozijntjes in een doosje of zakje [met een strikje].
Nootjes-een handje ongezouten noten in een zakje, ook een zakje gedroogd fruit is prima!
Suikervrije lolly’s
Speelgoed-men hoeft natuurlijk niet iets eetbaars uit te delen. Kleine cadeautjes zijn ook een leuke afwisseling!
Stickers, pennen, leuke gummetjes edelsteentje etc.

Sint-Maarten: 11 november

Sint Maarten was een ridder, die de helft van zijn warme mantel aan een bedelaar gaf. Hij is door deze daad van menslievendheid het symbool geworden van offerbereidheid en goedheid. Je hart wordt aangesproken als je Sint-Maarten viert. Maar ook is Sint-Maarten een lichtfeest, dat Kerstmis voorbereidt. De kinderen die op 11 november met hun lantarens van uitgeholde knollen langs de deuren gaan, combineren de beide aspecten van dit feest.



en bladzijde 8 uit Seizoentafelboekje van deze auteur.

*Ook bestaat de tekst: ‘mijn licht is aan, ik ga vooraan
Mijn licht is uit, ik ga naar huis.

.

Sint-Maartenalle artikelen

Vrijeschool in beeldSint-Maarten     jaartafel

.

2748

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (57)

.

Dieuwke Hessels

.

Natuur, uw moederlijk bestaan,
ik draag het in mijn willend wezen
en vuurkracht van mijn willen kan nu mijn geestkracht stalen
waaruit het zelfgevoel geboren wordt
mijzelf in mij te dragen.

Rudolf Steiner, Antroposofische weekspreuken

Na een lange zomertijd, kondigt de herfst zich aan. De
overgangstijd van zomer naar winter, van bloei naar afsterven,
van licht naar donker, van warm naar koud. De bloemen raken
uitgebloeid, bladeren worden geel en verdorren. Dieren gaan
hamsteren en trekken zich terug voor hun winterslaap. De
natuur begint zich duidelijk voor te bereiden op de winter. Zij
wordt stil en komt tot rust.
Aartsengel Michaël wordt gezien als brenger van de
zonnekracht. Hij zorgt voor sterke gewassen en voor een goede
oogst. Voor de mens is hij de helpende hand in strenge winters,
hij geeft kracht om door de winter heen te komen.
Het Michaëlsfeest is dan ook het feest van de moed. Hij
weegt het goed en het kwaad en strijdt met de negatieve
krachten, de ‘draken die vuurspuwen’. Hij staat daarom meestal
afgebeeld met zwaard en weegschaal en soms met een draak.
Michaël staat als symbool voor de omgang met balans tussen
goed en kwaad, ook in onszelf.

In voorchristelijke tijden werd in deze periode het oogstfeest of het begin van de herfst gevierd, waarin men net als op Michaëlsdag de goden dankte voor de goede oogst.
Op een druilerige dag in de laatste week van september vierden wij het Michaëlsfeest.
We vierden het als eerste in een reeks van herfstfeesten.
Die dag stonden we met elkaar stil bij wat het leven ons geschonken heeft en
wat we (misschien) achter ons willen laten. Na een verhaal over de oorsprong van dit feest, werden er vellen papier uitgedeeld met daarop een draak en een blanco deel. Op het blanco deel mocht ieder zijn eigen ‘draak’ tekenen of beschrijven. Iets wat je wilt overwinnen, een eigenschap die er juist meer mag zijn of die je graag achter je zou willen laten. Tijd voor iets nieuws?
Alle draken zijn daarna in de vuurkorf beland en zijn daarmee symbolisch verslagen, zoals Michaël zijn draak versloeg. Daar was moed voor nodig! Meteen warme drank en iets lekkers uit de oogstmand na afloop, zijn we nu écht onderdeel van deze mooie en bijzondere overgangstijd.
Artikel van ”mens en tuin”.

Het Beeld van Michaël door de tijden heen
Alice Woutersen

Michaël is een groot en machtig geestelijk wezen, dat de ontwikkeling van de mensheid begeleidt en behoedt. In dienst van Christus wijst hij de mens de weg naar de vrijheid, zodat de mens zijn Ik in zich kan dragen. Hij is de behoeder van de kosmische intelligentie, en vanuit die functie ziet hij toe op de ontwikkeling van het menselijke denken en begeleidt de ontwikkeling zo, dat de mensen de  mogelijkheid geboden krijgen niet te verharden en te verstarren. 

Wat dat inhoudt is voor ons mensen nauwelijks te bevatten. Wij kunnen hoogstens proberen een klein tipje van de sluier op te lichten en met een paar primitieve penseelstreken een beeld schilderen van de ontwikkelingsweg van de mens en van Michaël. Stamelend in de woorden van alledag zou het als volgt kunnen klinken: 

Heel lang geleden, zo lang dat wij mensen er geen voorstelling van kunnen maken, voelden geestelijke wezens (Goden, God) in zich de behoefte opkomen om bewustzijn te krijgen van iets dat in hen leefde: de Kosmische Liefde.
Nu weten wij mensen heel goed, dat je pas echt bewustzijn over iets kunt   krijgen, als je er afstand toe kunt scheppen, dat wil zeggen: ervan buitenaf   tegenaan kunt kijken.
De Geestelijke wezens besloten dan ook wezens te
scheppen, die ééns vanuit hun eigen innerlijk de Liefde zouden kunnen ontwikkelen. Zij besloten Mensen te scheppen. En alle geestelijke wezens die mee wilden doen, droegen hun steentje bij.
Dit proces duurde heel lang. De
mens leefde onbewust en nog geheel opgaand in de geestelijke wereld. De mens sliep als het ware en was één met de gedachten van God (Adam in het Paradijs). Maar het ogenblik kwam dat de mens moest ontwaken. Je kunt alleen ware en belangeloze liefde ontwikkelen als je vrij kunt zijn en ‘op je eigen benen staat’. De mens moest losgemaakt worden van de hem omringende geestelijke wezens. Een hoog geestelijk wezen nam de taak op zich  ‘tegenstandersmacht’ te worden en uit de kosmische harmonie te stappen. Op deze manier kon hij de  mens lostrekken van de goden, om zo de mogelijkheid te scheppen dat de mens zich tot een vrij wezen kon ontwikkelen. 

Er zijn vele verhalen waarin verteld wordt hoe Satanaël (Lucifer) uit de kosmische harmonie  verdreven wordt. Het is steeds Michaël die Satan (Lucifer) uit de hemel stoot. Vanaf dat moment is  Lucifer ‘tegenstandersmacht’ geworden en kan het werk, beginnen: de mens losmaken uit de  kosmische harmonie. 

In eerste instantie werken Lucifer en de geestelijke machten in zekere zin nog samen. Prachtig wordt  dit beschreven in de Noorse mythologie (Edda) waar Loki/Lucifer de goden nog helpt, maar na verloop van tijd gaat Loki alles in de war sturen en bewerkt ten slotte samen met zijn kinderen (o.a. de Fenriswolf) dat de goden voor de beleving van de mensen verdwijnen. Dan is de mens los van de goden. (‘God is dood’ beleven). Zou de mens werkelijk aan zijn lot overgelaten zijn, dan was het slecht met hem afgelopen. Als weerloos wezen was hij beland in de armen van de tegenstandersmachten. Hij zou geen vrijheid beleven en geen ware liefde kunnen ontwikkelen. 

Maar de geestelijke wereld liet de mensen niet alleen. Een heel hoog geestelijk wezen gaat met de mens mee: Christus noemen wij Hem. Hij is zo begaan met de mens, dat hij besluit in een aards mensenlichaam te incarneren. Op deze manier kan hij het mensenlichaam, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zo doorwerken, dat hij juist die krachten kan ontwikkelen die de mens nodig  heeft om zich te bevrijden uit de omknelling van de tegenstandersmachten. Christus ontwikkelde deze krachten voor alle mensen: sinds het Mysterie van Golgotha draagt ieder mens deze krachten in zich. Deze Christusvonk kunnen wij in onszelf ontwikkelen en laten opvlammen, waardoor we in staat zijn ons doel te verwezenlijken: een vrij mens te worden die vanuit zichzelf de ware liefde ontwikkelt. Of wij deze kans gebruiken? Het is onze vrije keuze. In dienst van Christus werkt Michaël. Hij houdt de  mens steeds in het oog en blijft dicht bij de mensen. Hij wil de mens de mogelijkheden bieden, opdat hij niet verhardt in het dagelijks bestaan. Hij wil voorkomen dat het denken van de mens verstart. Zelf  is hij een en al goedheid en beweeglijkheid. 

Samenvattend: 

Doordat de tegenstandersmachten de mens losmaken van de goden en Christus de mens de nodige krachten schenkt, is de mens met behulp van Michaël in staat zijn vrijheid te ervaren en vanuit die vrijheid te leren denken met zijn hart, en zo uiteindelijk de ware onbaatzuchtige liefde te ontwikkelen. 

In het oude testament wordt duidelijk beschreven hoe de Satan de mens verleidt om te eten van de  vruchten van de Boom der kennis van goed en kwaad. De mens gaat zelf denken en daarmee begint  de afzonderings-val (=zondeval) van de mens. Het werk is begonnen. 

Langzaam maar zeker pellen de tegenmachten de mens los van de goden. Michaël is waakzaam en  behoedt de mens voor verharding. Hij begeleidt de mens.
Pas in de ‘na-Atlantische tijd’ begint de mens echt te denken; dit is dus na de zondvloed (Ark van  Noach), als door de grote watercatastrofe Atlantis ten onder is gegaan. Aangepast aan het  ontwikkelingsniveau van de mens schenkt Michaël beelden (voorbeelden) opdat de mens die deze  beelden in zich opneemt niet verzandt of verstart. De beelden tonen de mens waarnaar hij moet streven om werkelijk een vrij mens te worden. 

In de na-Atlantische tijd onderscheiden wij zeven cultuurperioden van ongeveer 2150 jaar, die elk zijn  verbonden met een sterrenbeeld van de Dierenriem, dat wil zeggen, het lentepunt tijdens de periode  in een bepaald sterrenbeeld staat. 

  1. De Oud Indische cultuurperiode 7227-5067 v.C. Kreeft 
  2. De Oud Perzische cultuurperiode 5067-2907 v.C. Tweelingen 
  3. De Babylonisch/Chaldeïsche/Egyptische cultuurperiode 2907-747 v.C. Stier
  4. De Grieks, Romeinse cultuurperiode 747 v.C.-1413 n.C. Ram 
  5. De Germaans/Angelsaksische cultuurperiode 1413-3573 Vissen 
  6. De Slavische cultuurperiode 3573-5733 Waterman 
  7. De Amerikaanse cultuurperiode 5733-7893 Steenbok 

In de Oud Indische Cultuurperiode leefden de mensen nog niet zo sterk verbonden met hun lichaam  als wij. Je zou beter kunnen zeggen: ze verbonden zich nog nauwelijks met hun fysieke lichaam, maar namen via hun etherlichaam de hen omringende wereld waar. Ze ademden de goddelijke gedachten als het ware in en uit en waren er één mee. De mogelijkheid om met het etherlichaam waar te nemen nam gaandeweg af en de zintuigelijke waarnemingen drongen zich steeds meer op, Dat wat men met de gewone zintuigen begon waar te nemen werd als storend en vijandig ervaren, als Maja (schijn), waarvan men zich beter verre kon houden. En diegene die dit beangstigende, deze ‘draak’, kon  verslaan noemde men Indra. In de Rigveda wordt dat als volgt verteld: 

“Hij die de in het gebergte wonende Sambara in het veertigste jaar opspoorde, die de van kracht  opgezwollen draak overwon, de Demon die daar ter neer lag, Hij, gij-lieden, is Indra.”
De wereld werd nog als heelheid ervaren, in tegenstelling tot de volgende periode.
In de Perzische Cultuurperiode was het niet meer mogelijk in het etherlichaam te leven en waar te nemen. De mens beleeft de wereld meer door zijn astraallichaam en zijn reacties op de waarnemingen. Hij gaat de wereld als tweeheid ervaren: licht-donker, onder-boven. Deze cultuur richt zich in eerste instantie op de buitenwereld en het dagbewustzijn. Achter het tapijt van de zintuiglijke wereld zag men het weven van geestelijke wezens en in samenwerking met deze wezens werden vanuit de mysterieplaatsen granen en dieren veredeld: uit gras werd graan gekweekt. Daar men dus erg naar buiten gericht was en in het dagbewustzijn leefde, kon men Michaël niet zo goed  waarnemen. Michaël kon zich in de voorchristelijke tijd alleen maar via het nachtbewustzijn openbaren. Wel ziet men reeds in deze cultuur het Christuslicht opglanzen. Ormuzd (Ahura Mazda) verschijnt als zonnegeest, omringd door dienaren, als vóór-beeld van Christus met zijn discipelen. Als  duistere macht verschijnt hier Ahriman. Zarathustra is de Grote Leider. 

Verdiepte men zich vanuit deze cultuur in de weg naar binnen, dan ontmoette de ingewijde daar de God Mithras: bemiddelaar tussen aarde- en lichtwereld, die de mens terzijde stond in zijn ontwikkeling. Deze Mithras-mysteriën kwamen pas goed tot ontwikkeling in de derde cultuurperiode, toen de zon in het sterrenbeeld van de Stier stond. De Mithrasdiensten werkten nog lang door, zelfs tot in de Romeinse tijd. Bekend is de afbeelding van Mithras op de stier; ook dit is een vóór-beeld. In die tijd stond de zon in het lentepunt in het sterrenbeeld van de Stier. Nu werken juist de levenskrachten en driften vanuit dit sterrenbeeld in op de aarde. Deze krachten werden in de lente sterk ervaren en het beeld van de stier werd tot beeld van de onbewuste (animale) mens. Deze stier moest overwonnen worden door de denkende mens. (de jongeling op de afbeelding draagt een frygische muts als teken van inwijding en denken) Mithras/Michaël geeft hier het beeld van de hogere mens, die het lagere moet overwinnen als vóór-beeld. 

In de Babylonisch, Chaldeïsch, Egyptische Cultuurperiode begint de mens zelf persoonlijk waar te nemen, is dus niet meer geheel ingebed in de groepswaarneming. Hij begint zijn eigen waarnemingsziel te ontwikkelen. Hierdoor begint de wereld voor de mens enigszins chaotisch te worden. In de Babylonische legende van Marduk wordt verteld hoe Marduk/Michaël de mens helpt orde te scheppen in deze chaos.
De tijd gaat voort; de tegenmachten krijgen steeds meer grip op de mens. Hij ervaart nog steeds zijn goden (geestelijke wezens), maar de beelden worden steeds vager en onduidelijker, of veranderen zelfs. Als dit zo door zou gaan, zou de mens loskomen van de geestelijke wereld en geheel in de armen van de tegenmachten belanden, zonder vrij te worden. 

Om te zorgen dat de mens wel een vrij wezen kan worden, gaat Christus met de mens mee, incarneert in een mensenlichaam. Dit moet voorbereid worden, en zo wordt het Joodse volk, dat afkomstig is uit Ur in Chaldea, uitverkoren om dit lichaam te ontwikkelen. Om dit proces te begeleiden  wordt Michaël, als ‘aangezicht van Javeh’, de leidende volksgeest (zie bv. het verhaal van Bileam). In  de literatuur zijn vele verhalen over Michaël en het Joodse volk. 

In de vierde na-Atlantische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, gaat de mens naast zelf waarnemen nu ook zelf voelen en denken. Naast de waarnemingsziel wordt nu ook de verstands-/gemoedsziel ontwikkeld. Door de eigen gedachten wordt ook de begeleiding van Michaël duidelijk. De geboorte van de goden-tweeling Apollo en Artemis kondigt als vóór-beeld de ontwikkeling van de  verstands-/gemoedsziel al aan. Zij zijn kinderen van Zeus en Leto (uit het geslacht der Titanen). Hera, de gemalin van Zeus, probeert op allerlei manieren deze ontwikkeling tegen te gaan, maar zelfs de verschrikkelijke draak Typhon kan dit niet verhinderen. Apollo/Michaël doodt de draak, zodat de  ontwikkeling verder kan gaan. Niet voor niets stond in het heiligdom van Apollo in Delphi de Spreuk:  “Ken U Zelf” in hoog aanzien. 

In onze tijd is Michaël tijdgeest; zo ook van 599 tot 245 v.C. dat wil zeggen dat dan zijn werking  duidelijk waarneembaar is. Onder zijn inspirerende invloed maakt de manier van denken een grote stap voorwaarts. 

Voorbeelden hiervan zijn o.a.: Gautama Buddha, Confucius, Pythagoras, Herakleitos, Socrates, Plato  en Aristoteles; maar ook de oudtestamentische profeten en Griekse kunstenaars en toneelschrijvers. Hoewel de mens de verbinding met het goddelijke nog zeer sterk voelde, probeerde men,  geïnspireerd door de geestelijke wereld, gedachten in een vorm of beeld te gieten. De werking van de gedachten van deze filosofen straalt nog door tot in onze tijd. 

In de vierde na-Atlantische periode vindt ook het Mysterie van Golgotha plaats. Jezus Christus overwint de dood en kan daardoor de mens de nodige krachten schenken om zich af te zonderen van de goden (zonder verloren te gaan) en vrij te worden. Vanuit deze vrijheid kan de liefde ontwikkeld worden en kan de mens bewust streven weer in harmonie met de kosmos te leven. Christus vernieuwt de mysteriën, dat wil zeggen: hij opent de weg voor ieder mens om zelf aan de slag te gaan dit hoge doel te verwerkelijken. 

Michaël, die steeds in dienst van Christus gewerkt heeft, kan na het Mysterie van Golgotha de mens ook via het wakkere dagbewustzijn inspireren. Michaël zal de mens nu verder moeten begeleiden in zijn denkproces. Eerst de weg tot in het zuiver natuurwetenschappelijke denken, en dan de bewuste weg naar het weer in harmonie met de kosmos denken. Zijn opdracht is de mens zo te begeleiden, dat de mens vrij wordt maar niet verhardt. De eerste zorg is dat de ziel van de mens (de ‘jonkvrouw’) niet in de macht van de draak komt. De tegenmachten loeren op elke mogelijkheid de mens van zijn doel af te houden. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Sint-Joris met de draak. In de Middeleeuwen wordt het beeld van Michaël met draak, weegschaal, of staf als het ware in de mens  geprent; overal duiken in deze tijd verhalen op hierover. 

En de ontwikkeling gaat verder… 

De vijfde na-Atlantische periode breekt aan: de Europese (Germaans-Angelsaksische) cultuurperiode. De natuurwetenschappen en de techniek komen tot ontwikkeling. Het is de tijd waarin de mens zijn bewustzijnsziel moet gaan ontwikkelen, dat wil zeggen: bewustzijn over de draagwijdte van je daden.  In deze periode kan de mens loskomen van God om daarna uit vrije wil de verbinding met de geestelijke wereld weer bewust te leggen. De mens moet zelf, uit vrije wil, het besluit nemen samen te werken met de geestelijke wereld. 

De Noors-Germaanse mythologie geeft daar een beeld van: Widar, de zoon van Odin (Wodan of Woen) gaat niet ten onder in de Godenondergang. Hij verslaat de Fenriswolf. Een leugenwolf: een  beeld voor datgene wat de waarheid verdraait en ons denken verhardt. Deze Fenriswolf wordt zo overweldigend, dat de Edda schrijft: “De Wolf Fenris trekt met opengesperde muil ten strijde; zijn  bovenkaak reikt tot aan de hemel en zijn onderkaak schuift over de aarde. Vuur laait uit zijn ogen en neusgaten.” Odin trekt ten strijde tegen de Fenriswolf, maar deze verslindt Odin.
En na de dood van Odin …komt Widar naar voren en zet één voet in de onderkaak van de wolf. Aan die voet heeft hij een schoen waarvoor men eeuwenlang gespaard heeft. Die is gemaakt uit de
stukken leer die de mensen uit hun schoenen snijden voor hun tenen en hielen. Daarom moet iemand  die de Asen wil helpen die stukken leer wegwerpen. Met één hand pakt hij de bovenkaak van de wolf  en scheurt zijn muil in tweeën en dat betekent het einde van de wolf. ” 

Wij mensen moeten Widar onze overschotskrachten schenken. Dat zijn dus niet de krachten die wij  gebruiken voor ons karma (schoenen zijn een beeld voor het lot, karma; vgl. de uitdrukking: ik zou niet  graag in zijn schoenen staan), maar juist krachten, zoals enthousiasme en inzet, die wij opdragen aan de geestelijke wereld. Deze overschotskrachten heeft Widar/Michaël heden ten dage nodig om de leugenwolf die rondwaart in o.a. wetenschap en media te lijf te gaan. En alleen wij mensen kunnen hem deze krachten schenken. 

Het beeld dat deze oude mythologie in de harten van de Europese mensen legde, was dus: wij  mensen moeten de Geestelijke wereld helpen het Boze te verslaan. Een prachtig beeld, dat we diep in onze ziel zouden moeten laten inwerken. 

Dit waren allerlei beelden die Michaël de mensheid gaf. Nu komt het erop aan dat de mens zelf het heft in handen gaat nemen. Worstelend op weg naar vrijheid, zoekend naar de Liefde en de bewuste  harmonie met de kosmos. 

Parcival laat ons zo’n weg zien, vele sprookjes vertellen erover. 

Faust toont dat de mens de duivel moet leren kennen en steeds moet streven. De Kleine Prins wijst erop dat je het kind in jezelf niet moet verliezen, want een kind kan onbevangen met zijn hart zien. 

Er zijn nog vele andere beelden. Het belangrijkste is dat we op weg moeten gaan. Op weg naar geestelijke ontwikkeling.
Zonnejaargroep 

Wat is de opdracht van Michaël, door Juul van der Stok 

Michaël wil de weg vrij maken van buiten naar binnen, van het hoofd naar het hart. Michaël wil de mens weer in gesprek brengen met de bovenaardse kosmos en hem weer burger maken van twee werelden.
Als zonnegeest wil Michaël het christendom in haar ware gedaante zichtbaar maken opdat de mensen het mysterie van Christus kunnen opnemen.
Sinds het begin van de zondeval moesten de goden zich steeds verder terugtrekken van de mens die uit het paradijs afdaalde in de duisternis.
Was het aanvankelijk zo dat de
goden hun wijsheid in de mens dachten, gaandeweg werd het kosmische denken mensen-denken.
Vanaf de negende eeuw
was de kosmische intelligentie geheel ter beschikking van de mensen.
Begrippen worden door de mens zelf gevormd en hebben steeds minder een bovenpersoonlijke kosmische oorsprong. In dit individualiseringsproces wordt het denken beperkt en steeds meer gericht op de zintuiglijk waarneembare wereld.
We zien hoe vanaf de vijftiende eeuw in de natuurwetenschap alles vast komt te liggen in maat en getal. Er ontstaat een materialistisch intellectualisme. De mens is tevreden met schaduwbeelden van de geestelijke waarheid die achter de materie verborgen blijft.
Michaël moet zich terughouden en
Ahriman heeft vrij baan om de mens in aardse wetten en bureaucratische netwerken te binden.
Toch moest dit abstracte, van de geestelijke realiteit losgemaakte denken ontstaan opdat de mens ooit een individualiteit zou kunnen worden die zich uit vrije wil tot de geestelijke wereld kan wenden.
Als Michaël in 1879 de heerschappij weer op zich neemt, is het de vraag of het  natuurwetenschappelijke denken, dat zoveel mensen gevormd heeft, weer aan Ahriman ontrukt kan  worden. Of het de mensen vanuit een omgevormd, doorlicht denken mogelijk is de wetenschap van de geestwereld op te nemen en weer in dienst te stellen van de ware doelen van de  wereldontwikkeling. 

Vlak voor zijn dood in 1925 schreef Rudolf Steiner indringend over Michaël: 

‘De mens moet de kracht vinden, licht te brengen in zijn ideeënwereld en die van licht doorstraald te beleven, ook als hij zich in zijn ideeënwereld niet op de verdovende zintuiglijke wereld richt. Door dit beleven van de zelfstandige – en in haar zelfstandigheid van licht doorstraalde – ideeënwereld zal het gevoel ontwaken bij de buitenaardse kosmos te horen. Daaruit zal de basis voor het feest van Michaël ontstaan’. 

In De Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, het eerste Michaëlsboek in het nieuwe Michaëlstijdperk, is een weg beschreven waarlangs je tot een begrijpen en ervaren kan komen van hoe je naast een denken met fysieke hersenen,  waarmee je eigen aardegedachten vormt, ook een levend denken hebt. Een  ‘ge-zon-d’ verstand waardoor de hersenen als waarnemingsorgaan bovenaardse gedachten kunnen opnemen en doorgeven naar het hart.
Michaël wil dit proces bevorderen en hoopt dat harten denkorgaan worden en weer gedachten krijgen. Hij wil leven in mensenzielen om de aards geworden kosmische intelligentie om te vormen tot levende mensengedachten.
We mogen hetgeen we in de afgelopen eeuwen met toenemend bewustzijn aan gedachten hebben ontwikkeld echter niet verwerpen, we kunnen deze gedachten doorlichten en ze weer een hart te geven.
Door het mysterie op Golgotha en de gebeurtenissen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren heeft  Christus zich met al het levende en werkende verbonden. Zijn intocht in de mens heeft het individuele Ik, waarvoor het hart de centrale woning vormt, gewekt voor Michaëls werk. We kunnen vermoeden hoe door een nieuw hartedenken een opstanding ontstaat van scheppende oergedachten, die ‘in den  beginne’ één waren met de logos, met Christus zelf. Dit levende denken kan het Christendom zijn ware vorm en werkzaamheid geven. Om deze weg te kunnen gaan is scholing nodig. Rudolf Steiner geeft daarvoor concrete wegen aan in zijn basiswerken en vele voordrachten. Objectieve waarneming speelt op deze weg een belangrijke rol zodat bijvoorbeeld waarheid of mening, waarachtigheid of onwaarachtigheid, werkelijkheid of schijn onderscheiden kunnen worden. Het verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot waarheid en onwaarheid groeit en uit zich meer en meer in vreugde of pijn. 

Hartedenken is een sociaal denken.
We kennen allemaal wel de situatie, dat we na een intensief gesprek
even tijd nodig hebben ’om het te laten bezinken’, ‘het te laten zakken’, ‘om er een nachtje over te kunnen slapen’. Waarom? Omdat het hart mee wil denken en wil luisteren naar onverwachte antwoorden  die in ons innerlijk hoorbaar kunnen worden. Ons handelen verandert: we gaan de dingen dan ‘van harte doen’, ‘vanuit de grond van ons
hart’, ‘omdat ons hart het ons ingeeft’, ‘omdat het ons uit het hart gegrepen is’. Als we daarbij ‘Ik’ zeggen, wijzen we op ons                                Dorothea Smit
hart en niet
op ons hoofd. 

Stappen die de mens op deze weg zet, zijn bouwstenen voor Michaël die een brug wil bouwen tussen hemel en aarde. Van beide kanten kan deze brug bewandeld worden, waardoor er weer gesprek kan ontstaan. De goden kunnen de mensen weer bereiken en nemen dankbaar hun aarde-ervaringen op als leeftocht voor hun eigen verdere ontwikkeling. Zij krijgen daardoor de mogelijkheid het wereldplan verder uit te voeren. De aard en de kwaliteit van ons mensenwerk is van groot belang voor het verdere scheppingswerk.
Michaël wacht op mensendaden en richt zijn blik vooruit op godendoelen.  Het christendom in haar ware vorm leren begrijpen is Michaëls streven.
Zo kunnen wij het Michaëlsfeest als het eerste feest van de nieuwe jaarronde beschouwen. Door de  poort van het Michaëlsfeest krijgen alle christelijke feesten een nieuwe kleur en eigentijdse verdieping.

“Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas zijn de 3 heiligenfeesten van de herfsttijd. Zij staan alle drie symbool voor innerlijke kwaliteiten die in de mensen kunnen groeien.
Michaël staat voor dankbaarheid, evenwichtigheid en de moed om een zuiver innerlijk te ontwikkelen door de juiste keuzes te maken. Sint-Maarten staat symbool voor de offerbereidheid en Sint-Nicolaas voor het kunnen geven en zelfreflectie.”
Van ” EverydayMommyday” 

Tradities op school en/of voor thuis afkomstig van ” EverydayMommyday” 

=Oogstsoep maken waarbij de kinderen al de groenten zelf mogen snijden.
=Broodzwaardjes of brooddraken bakken.
=Een riddergevecht houden.
=De tafel versieren met vruchten, korenaren en gekleurde bladeren.
=Haal de mooiste zonnebloemen in huis.
=Organiseer een spelletjesdag waar kinderen hun daadkracht, moed en evenwicht op de proef kunnen  stellen. Denk aan een evenwichtsbalk, geblinddoekt parcours, klimmen in een boom, ergens overheen springen, etc..
=Knutsel uit een dennenappel, een stukje draad en rood, oranje, geel crêpepapier mooie vurige zwierezwaaiers om mee rond te draaien. [beschrijving van de wipwapwaaiers staan verderop vermeld]
=Beplak glazen potjes met rood, oranje en gele zijdevloei en gedroogde bladeren. Zo ontstaan de mooiste kleine lichtjes voor in en rondom het huis. 
=In het Duits heten vliegers draken, daarom is het vliegers oplaten een geliefde traditie met het Michaëlsfeest. Je vlieger bedwingen vraagt als kind een hoop moed en kracht.
=Maak een mooie draak van een oude sok {zie “het zonnejaar” website].
=Maak een gevaarlijke draak van kastanjebolsters.
Kook hele maïskolven – heerlijk kluiven aan de kolven met boter, zout en peper. =Eet en verwerk nog alle bramen die te vinden zijn. Maak jam, eet bramen met scones of maak nog lekkere bramentaart. Bramen zijn volgens een oude Ierse legende niet meer te eten na het Michaëlsfeest. Toen de duivel (Lucifer) uit de hemel werd verjaagd, belandde hij in een braamstruik. Hij vervloekte de struik, zodat de bramen vanaf 29 september te bitter zijn om nog te eten. 

Een draak van kastanjebolsters
Bron: ‘Herfstversieringen’, Thomas Berger 


Materiaal

Kastanjebolsters
Cocktailprikkers
Kastanjebladeren
Rode besjes of rozenbottels 

Werkwijze
Zoek een aantal kastanjebolsters uit die nog helemaal dicht zijn. Eén bolster mag al iets opengaan, die gebruiken we voor de bek. Maak de bolsters met prikkers aan elkaar vast.
De afbeelding laat zien wat men verder nog kan doen om de draak er vervaarlijk te laten uitzien.
Het  spreekt vanzelf dat dit slechts een van de vele mogelijkheden is om een bolsterdraak te maken.

Zie ‘Mooie kastanje’ lied opvrijeschoolliederen

Michaëlsdag, een impressie… 

Bij het licht van een lantaarntje, zit ’s morgensvroeg in de kleutergang het appelvrouwtje haar appels te poetsen. Dan gaat de kleuterdeur open en kleuters en ouders komen binnen met in hun handen een mandje gevuld met herfst- en oogstproducten. De kinderen lopen verlegen lachend, of even stilstaand, langs het appelvrouwtje.
Dan komen de kinderen de klas binnen en wordt er voor het “oogstmandje” een plaatsje gezocht bij de “nieuwe” seizoenstafel.
De werktafels staan, gedekt en wel, klaar voor een herfstmaaltijd. De kleuters kijken de klas rond en zien aan het plafond prachtige herfstslingers hangen: “Die is van mij,  die hebben wij gemaakt….” 

Vrolijke en verwachtingsvolle gezichtjes, kinderen in afwachting van wat deze dag nog meer gaat  brengen. 

Alle mandjes staan, alle kleuters zijn binnen: we zingen Michaëls- en herfst liedjes, halen Zonnegroet [de klassenkabouter] uit bed, luisteren naar de vertelseltjes van een aantal kinderen en gaan op bezoek bij het Appelvrouwtje dat nog steeds aan het appeltjes poetsen is.  

De kleuters nemen aandachtig plaats en luisteren naar wat dit vrouwtje te vertellen heeft: over appels en appels plukken, we mogen een liedje voor haar zingen en als beloning krijgen wij een heerlijke, glimmend gepoetste appel mee de klas in: al zingend lopen we terug: 

In iedere kleine appel, 

Herfst, herfst wat heb je te koop….. 

De producten uit de meegebrachte oogstmandjes worden in de tijd die komen gaat zoveel mogelijk verwerkt tot jam, appelmoes, soep, pizza enz. door de kinderen zelf. 

In het oogstmandje zijn volgende eetbare producten gelegd:  

appels, peren, bessen, bramen, noten, pompoen, tomaatjes, courgette, uien, maar ook herfstproducten zoals eikels, kastanjes, oranje lampionnetjes, mooie bladeren enz. om de oogsttafel  mee te versieren. 

Behalve al dat lekkers uit de mandjes wordt er voor de kinderen een oogstbrood gebakken, gevuld  met noten, rozijnen enz. 

In deze tijd van het jaar worden volgende bakersprookjes verteld zoals:
Het huis zonder ramen en  deuren,
Pietertje appelpit,
De knol die niet uit de aarde wilde,
Masjenka en de beer.

29 september Michaëlsdag:
Oogstfeest:  

Wat is de wereld goed voor de kinderen: de seizoenstafel met meegebrachte mandjes van ieder kind, gevuld met voeding als appels, kastanjes, mais, prei enz. , worden  neergezet . 

Op de seizoentafel verder:
bloemen, pompoenen, herfstkettingen [die ook aan het plafond hangen in de

klas]..  Als kleuren: Donkergeel, oranje tinten, donkerbruin en goudgeel onder alle gaven.

 

Recept Brooddraak
• 500 gram bloem of meel (BD) (half bloem, half volkoren meel geeft de beste resultaten.)
• 10 gram zout
• 20 gram gist (bij meel 25 gram gist)
• Ca. 4 dl. water
• Eventueel ’n scheutje olie.

Bereiding
De gist met suiker en warme melk laten wellen.
Zout, en daarna het gistmengsel door het meel roeren.
Het deeg afmaken met het water en de olie.
Enige tijd kneden en daarna 1 uur laten rijzen op een warme plaats.
Ten slotte op een bemeelde plank of tafel de brooddraak vormen met een krent als oog.
Met een mesje vormgeven aan schubben, poten en bek.
Nog eens 15 min. na-rijzen,
Dan de voorverwarmde oven in, waar de draak zich kan opblazen.
Oven op no. 5 of 240° C. Baktijd 30 minuten.

Hoe ziet de brooddraak eruit?
Er zijn twee mogelijkheden:
1. In plat-reliëf (voor brooddeeg eigenlijk de beste manier).
2. In hoogstand, dus zittend rechtop (alsof je met klei bezig bent).
Bij meer kinderen zou je ieder kind zijn eigen draak kunnen laten
vormen! 

De herfst is het verzamelseizoen bij uitstek. Als de herfsttafel klaar is, spinnenwebben en eikelpoppetjes gemaakt, de pannetjes van het kinderkeukentje vol zitten  

met kastanjesoep en eikeltjesprut, dan is het tijd om eens een herfstslinger samen te maken.

In het artikel volgt nu ‘Het verhaal van de jongen met de vlieger’.
Dat staat op deze blog: Michaëlverhalen [10-5]

Vrouwtje Appelwang

“Lief klein vrouwtje Appelwang,
Waar kom jij vandaan?”
“Eerst hing ik boven in de boom,
Toen kwam Jan de Wind eraan.
Hij rukte en trok en duwde,
Ik zwaaide heen en weer.
Totdat, totdat mijn steeltje brak,
En ik viel op de aarde neer”…

In het artikel staat hier het liedje ‘In ied’re kleine appel’


Joris en de draak 

Heel lang geleden leefde er in een groot, diep meer een afschuwelijke draak. Meestal lag hij overdag op de bodem van het meer te slapen. En alleen dan durfden de mensen uit de stad naar het meer om water te halen. Maar soms kon de draak overdag niet slapen en dan kwam hij op klaarlichte dag uit het meer. De mensen bleven dan het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van de draak. De draak was zo  groot, dat zijn brede staart de hele oever van het meer bedekte. Hij had scherpe tanden en enge groene ogen. Op mooie namiddag kwam een jongetje dat buiten de stadspoort had gespeeld heel  hard de stad binnen hollen. “De draak is uit het meer!” riep hij, “Hij loopt richting de stad”. De  poortwachters sloten direct met een grote klap de zware houten deuren van de stadspoort en alle  mensen barricadeerden vlug de deuren en ramen van hun huizen. 

Het werd avond, de mensen hoorden de draak aankomen over de weg naar de stad. Zijn brede staart schuurde over de keien en de grond trilde. Toen de draak bij de stadspoort stond en hij ontdekte dat deze dicht was, blies hij woedend vlammen uit zijn neusgaten. Enkele ogenblikken later stond de stadspoort in vuur en vlam. Het duurde dan ook niet lang voordat de stadspoort tot de grond toe was afgebrand. De draak liep langzaam door de stad en gluurde door de dichte ramen naar binnen. De  vrouwen en kinderen begonnen angstig te gillen en de mannen waren zo bang dat ze zich verstopten. “De draak heeft vast honger,” fluisterden de mensen tegen elkaar. “Hij is op zoek naar eten.” Een paar  mensen die niet meer op tijd bij hun huizen hadden kunnen komen, stonden angstig tegen de muren van werkplaatsen gedrukt. Maar de draak deed geen enkele moeite om hen te pakken. Hij brulde één  keer heel hard en blies weer vuur uit zijn neusgaten. Toen keerde hij om en liep terug naar het meer.

De volgende morgen liet de koning de verstandigste man van het land bij zich komen, zijn naam was Balder. “Weet u waar de draak naar op zoek is?” vroeg de koning. “De draak is op zoek naar het  mooiste meisje van de stad,” zei Balder. “En als hij haar gevonden heeft, zal hij haar opeten.” De  koning schrok heel erg. Want hij wist dat het mooiste meisje van de stad zijn eigen dochter, prinses Elin, was. “Ik kan haar toch niet laten opeten door de draak,” dacht de koning wanhopig.
De volgende  nacht kwam de draak weer naar de stad. En nu zette hij een rij huizen in brand. En na zijn  angstaanjagende ronde vertrok hij weer naar het meer. De mensen gingen de volgende dag naar het  paleis van de koning. “U moet uw dochter aan de draak geven,” zeiden ze. “Anders zal hij de hele stand afbranden.” De koning wist dat er niets anders op zat dan de prinses aan de draak te geven. En zo werd de ongelukkige prinses buiten de stad vastgebonden aan een paal. 

Later op de dag kwam de draak weer uit het meer. Hij zag de prinses al vanuit de verte staan en liep langzaam haar richting uit.
Maar op datzelfde moment kwam er een ridder te paard aanrijden. De ridder stopte bij het meer en liet zijn paard drinken. Het was ridder Joris en hij was de dapperste man van het land. Toen zijn paard genoeg had gedronken reed hij verder richting stad. En daar zag hij de draak, die inmiddels vlak bij de prinses was. De prinses beefde van angst. Ze kon de hete adem van 
het afschuwelijke beest op haar gezicht voelen. De ridder spoorde zijn paard aan en reed in  razendsnelle galop naar de draak. “Stop!” schreeuwde hij. “Ik ben Joris, de dapperste ridder van het  land. Je zult de prinses niet krijgen, voordat je met mij hebt gevochten.”
De draak draaide zich  woedend om. Hij blies vuur uit zijn neusgaten, maar het harnas van ridder Joris beschermde hem tegen de vlammen. Joris liet het vizier van zijn helm zakken en stormde met zijn lans gericht op de  draak af. Maar de draak beet de lans doormidden. Hij greep Joris beet met zijn grote klauwen en trok hem van zijn paard. Toen pakte Joris zijn bijl. Hij sloeg ermee naar de plaats waar hij dacht dat het hart van de draak zou zitten. Maar de draak had geen hart en de bijl brak in wel twintig stukken. Daarna gaf de draak Joris zo’n klap met zijn staart dat hij languit op de grond viel. Joris krabbelde  overeind, gaf niet op en trok vol moed zijn zwaard. Hij stormde op de draak af en stak het zwaard  recht in de buik van de draak. Het afschuwelijke monster brulde van woede en pijn en viel toen met een klap achterover. Zijn grote klauwen staken in de lucht. Joris trok zijn snel zwaard uit de buik van de draak. Hij hief het opnieuw omhoog en sloeg met één klap de kop van het afschuwelijke monster af. De draak was dood.
Toen de mensen begrepen dat de draak dood was, kwamen ze nog  nasidderend van angst hun huizen uit. De poortwachters die vanaf de stadsmuren het gevecht  hadden gevolgd, klapten en juichten van blijdschap.
Joris bevrijdde de prinses en hand in hand liepen ze naar het paleis.
Wat was de koning gelukkig toen hij zijn dochter terugzag. “Je hebt het leven van  mijn dochter gered,” zei hij tegen Joris. “Je mag wensen wat je wil.” Joris hoefde daar niet lang over na te denken. “Ik wil graag met uw dochter trouwen,” zei hij tegen de koning. En al de volgende dag trouwde Joris, de dapperste ridder van het land, met prinses Elin, het mooiste meisje van de stad.

Dan volgt het liedje ‘Langs een groen molentje’.

Alle jaarfeesten op een rijtje – Antroposofisch Leven
Het Zonnejaar
Draaidraakje – Antroposofie en het Kind (antroposofiekind.nl)
29 september – Het Michaëlsfeest, door Hans Stolp (nieuwetijdskind.com)
Waarom vieren we het hele jaar feesten? – (everydaymommyday.com)

Boeken:
Het hele jaar feesten
Leven met het jaar
Het jaar rond
Door het jaar heen
Van winterdans tot zomerkrans
Boekjes van Hennie de Gans -Wiggermans

Liane Collet Herbois

Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven
slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en
schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles
wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders
dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.

Rainer Maria Rilke

Hans Stolp 

“Over de weegschaal en de pest… 

Overigens wordt Michaël niet alleen afgebeeld met de draak onder zijn voeten, we komen hem op afbeeldingen regelmatig ook tegen met een weegschaal in de hand. De weegschaal is natuurlijk het attribuut van vrouwe Justitia en dus van de rechtspraak en symboliseert daarmee ons geweten. Het beeld van de weegschaal vraagt van ons, in onszelf af te wegen wat juist is, en wat niet juist is; wat respectvol is en wat kwetsend is; wat waar is, en wat niet waar is. Ook met dit beeld wil Michaël ons leiden van de sfeer van ons ego naar de sfeer van ons hoger zelf, ofwel van onze innerlijke Christus. In het verleden werd wel gezegd: vind je het moeilijk om écht, vanuit je hart, mee te leven met een ander, roep dan Michaël aan, en hij zal je helpen om te groeien in de kracht van het ware meeleven.
Hetzelfde geldt voor het beoefenen van geduld: heb je daar moeite mee, vraag dan Michaël om hulp.  Zo hebben de mensen door de eeuwen heen intensief met Michaël geleefd: hij was voor hen werkelijkheid, en zij leefden net zo onbevangen met hem, zoals je met vrienden en vriendinnen samenleeft. Daarom zie je nog overal afbeeldingen van hem, en niet alleen in boeken of op iconen: zo vinden we hem in Amersfoort bijvoorbeeld meer dan levensgroot afgebeeld op de zijgevel van de Michaëlschool. En daarom wordt er ook in vele legenden over hem verteld. 

Van paus Gregorius de Grote (een bijzondere paus, met een groot, natuurlijk gezag) wordt bijvoorbeeld verteld dat hij tijdens een pestepidemie de aartsengel Michaël zag, vliegend in de lucht. Daarbij mocht paus Gregorius echter ook zien, hoe Michaël op een gegeven moment zijn vlammende zwaard in de schede stak. Op dat moment was de pestepidemie meteen voorbij! In deze legende zien  we, hoe Michaël ons redt van de ondergang. Alweer: een typerend beeld voor wat de aartsengel  Michaël ook in deze tijd komt doen! 

Overigens, Michaël is niet alleen een aartsengel die in het Jodendom, het Christendom en de Islam  vereerd wordt. Ook in andere religies wordt hij vereerd, zij het onder andere namen. In Babylonië  werd hij bijvoorbeeld Mardoek genoemd, in Griekenland Apollo, in Egypte Anubis en in de Rigveda  (de oude heilige Indische boeken) wordt hij Indra genoemd. We hebben in Michaël dus te maken met  een groot geestelijk wezen dat in de meeste religies gekend en vereerd werd en wordt! “ 

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2723

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – op andere sites (56)

.

michaël op andere sites

.

Op ‘Every day mommyday veel over  Michaël.
Bijv. gezongen Michaëlsliederen

Op ‘Vrije Opvoeding
Enkele achtergronden en recept van brooddraak

Op Tineke’s doehoek
Achtergronden, knutsels, spelletjes, vliegeren en meer

Op ‘Odin
Herfstbeschouwing en bespiegeling over o.a. ‘moed’.

Op ‘Natuurwijze
Beschouwing over ‘moed’

Op ‘Kinderopvang De geheime tuin
Achtergronden; wat kun je in de verschillende klassen doen.

Op ‘Catharijneverhalen’
Pelgrimstekens van de Aartsengel Michaël.

Op ‘Antroposofisch leven
Achtergronden; wat kun je met jonge en oudere kinderen doen.

Op ‘Antroposofie en het kind
Beschouwing, achtergrond, tekeningen.

Op ‘Pagan ouderschap
Een lange lijst boeken voor kinderen.

 

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2722