Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – advent (16-2)

 

Ook al is de inhoud van de artikelen over advent nog zo sprekend, mogen meekijken hoe het in een vrijeschoolkleuterklas wordt gevierd, brengt je toch nóg dichterbij.

Juf Irma, Vrije School Michaël Bussum, schoolkrant november 2020
.

Advent en kerst 

“Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.

Stil nu, stil nu, het ruist al door de lucht.

Wonder komt heel zachtjes aan.

Kerstkind wil naar binnen gaan.

Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht.”

Dit mooie lied zingen we in de adventstijd en geeft de kern van advent goed weer: stil worden zodat je het wonder van kerst kunt aanschouwen. Advent betekent letterlijk: dat wat komt.  De adventstijd gaat vooraf aan de komst van het licht op aarde, dat we met kerst vieren. Advent is een tijd van hoopvolle verwachting, stilte na de stormen van de herfst. 
De adventstijd begint vier zondagen voor Kerstmis.

In de kleuterklassen zijn alle herfstschatten opgeruimd. Het rood, dat bijvoorbeeld zichtbaar was in de mantel van Sint-Maarten en Sinterklaas, is vervangen voor blauw. Op de seizoenstafel staat in alle rust de lege stal met alleen een mooie steen. Ergens in de klas zie je Maria en Jozef die op weg zijn naar de stal.

De adventstijd in de kleuterklas begint met een adventstuintje op de eerste advent.
Om half negen komen de kleuters in een schemerdonkere klas binnen. Op de grond ligt dennengroen in de vorm van een spiraal, in het midden brandt het licht in de vorm van een grote kaars. Zachtjes klinkt er muziek, een voor een loopt iedere kleuter met zijn kaarsje (gestoken in een appel met een gouden ster) de donkere tuin in en ontsteekt zijn lichtje aan het grote licht en zet het in de tuin. De weg naar buiten wordt letterlijk verlicht en in de klas wordt het steeds lichter. Als alle kaarsjes branden, luisteren we, ondertussen knabbelend aan een sterrenkoekje, naar een verhaal van juf. De adventstijd is begonnen.

In de adventstijd is alles in de klas gericht op de voorbereiding voor het kerstfeest. We doen van alles met de kinderen om deze bijzondere tijd mee te maken: iedere maandag wordt er een nieuwe kaars aangestoken totdat op de laatste zondag voor kerst alle kaarsen op deadventskrans branden. De seizoentafel wordt elke week aangevuld: in de eerste week met stenen, een week later komen er mosjes en plantjes bij, in de derde week verschijnen de dieren en tenslotte de mensen (herders, Maria en Jozef).

Ook maken de kinderen een eigen kerststalletje waarbij we dezelfde weg gaan als op de seizoentafel. Elke week komt er iets bij.

We volgen de ster/engel  op de adventskalender die elke dag verplaatst wordt en dichterbij de stal komt. Jozef en Maria komen elke week een stukje dichterbij het stalletje op de seizoentafel. We luisteren naar het heerlijke verhaal van Maria’s kleine ezel.

We spelen het kerstspelletje in de klas, waarbij de kinderen mogen ervaren om Maria, de engel, een van de herders of een schaapje te zijn. En in de klas ruikt het naar bijenwas: elke dag smelten we de was in de pan, en trekken wekaarsenIedere dag een keer in dopen terwijl we zingen:

…indopen…uithalen…wachten tot alle druppeltjes gevallen zijn.”

 Elke dag wordt de kaars een beetje dikker, en de kinderen genieten ervan om de kaars te zien groeien. Tijdens de kerstviering op de laatste dag voor de vakantie komt de kaars in het kerststukje dat de kinderen maken. Ook is in de laatste week de kerstboom in de klas gekomen en tijdens de kerstviering horen ze het kerstverhaal bij de boom.

Met dit alles hopen  we voor onszelf en de kinderen stilte en verwachting gecreëerd te hebben, stil nu, het ruist al door de lucht. Laat het wonder geboren worden.

Een fijne licht-tijd gewenst!

 

Met dank aan Juf Irma  

 

Het liedje ‘Stil nu’  wordt hier gezongen
Jaartafels
Adventstuin
Adventskrans en adventskalender
Kaarsentrekken
Maria’s kleine ezel

Advent: alle artikelen
Kerstmis: alle artikelen

Kleuters/peuters: alle artikelen

.

2299

 

 

 

 

 

 

 

.

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 1900 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
klas 7

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:
burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

met vreugde in het nu aanwezig zijn
‘anti’- burn-out

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (25)

 

SINT-MAARTEN

Is Hertha’s dag gevierd, is Maria ten hemel gevaren, als de levensgeest die de akkers verlaat – dan wordt er geoogst, op sommige plaatsen nog in het wit, als sacrale dracht, zoals de witte hooischorten op Marken en de witte hooiers-pofbroek en de sint-jakobsdracht in de Usseloër es. Een oogst-mei wordt met de laatste voer hooi of koren meegedragen: een lijsterbestak in Friesland, een paarse distel op de drijvende hooi-oppers op Marken, waar de zgn. hooi-meiden de schuitjes naar de weegschaal varen. Elders wordt ook een oogst-haan meegevoerd, bv. bij de boekweit-oogst, waarbij men zingt:

Koekeloeren haan!
De laatste boekweitkar komt hier al aan!

In Zuid-Limburg wordt de laatste korenschoof versierd met berkentakken die vaantjes en papieren bloemen dragen en de ’martelgaus’ heten. Op Walcheren en Zuid-Beveland wordt een groene wilgentwijg op de hoevepoort gespijkerd ten teken dat de oogst binnen is.

En zo wordt het kale veld achtergelaten in de eerste herfstnevels en het feest van Sint-Joris en de Draak wordt gevierd, met veel geschiet, want de stoffelijke vorm (voorgesteld door de draak der materie) is vernietigd om de geest vrij te laten. De jacht wordt geopend, de slacht begin en de doden worden herdacht op Allerzielen. De dagen korten, en het licht, dat eerst buiten was, laaiend over de gedijende velden, wordt nu binnen ontstoken, in de huizen en in de harten.

In de schemering van de elfde november gaan de kinderen om met hun uitgeholde rapen en bieten, waarin openingen gesneden zijn en waar binnen een vetpotje of kaarsje brandt. De biet bengelt aan een ijzerdraad, aan een draagstok bevestigd, en de kinderen gaan langs de deuren, onder het zingen van het lied:

Sinte Maarten bisschop, komt uit verre landen!
Dat wij hier met lichtjes gaan, is voor ons geen schande!
Hier woont een rijke man, die ons wel wat geven kan!
Geef een appel of een peer!
’k Kom het hele jaar niet weer!

Sint-Maarten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Maarten     jaartafel

.

2277

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Halloween

Halloween komt in de reeks jaarfeesten op de vrijeschool – bij de kleuters  en de basisschool – niet voor. Zoals het feest zich uiterlijk voordoet – met veel ‘dood’ bijv., leent het zich niet zo goed voor kinderen in wie het leven, de groei, de overhand heeft.

Vanuit een andere hygiënische reden is het ook niet aan te bevelen er nóg een feest bij te nemen: eind september vindt het michaëlsfeest plaats en op 11 november komt Sint-Maarten.

Het kan simpelweg te veel zijn.

Wanneer je naar de uiterlijke – vaak de commerciële – kant van Halloween kijkt, blijf je aan de oppervlakte, want ook dit feest heeft veel diepere kenmerken dan we op het eerste gezicht zouden vermoeden.

Tim van Tongeren onderzocht ‘Halloween’ en schreef er een gedegen artikel over dat ik hier met zijn toestemming weergeef.

T. van Tongeren – oktober 2020.

HALLOWEEN

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-1.jpg

“Dat kennen we al!” Hoor ik velen verzuchten. Toch is er veel onbekend, of liever gezegd, onbegrepen wanneer het gaat om dit
voorchristelijke nieuwjaarsfeest dat vandaag de dag vooral in de Angelsaksische landen (Verenigd Koninkrijk, Ierland, USA, Canada,
Nieuw-Zeeland, Australië etc.) gevierd wordt. Het feest vindt plaats op 31 oktober, de vooravond van Allerheiligen.

Herkomst van het feest

Samhain (spreek uit: Soween), de eigenlijke naam van Halloween, was een feest dat gevierd werd in de prehistorie en dat wordt toegeschreven aan de Kelten. De Kelten vormden een volk, met wortels in de huidige Balkan, dat via de Alpenlanden en Frankrijk naar de Kanaalkust en het noorden van Spanje trok. Vanaf de Franse en Spaanse kust maakten zij in de ijzertijd
vermoedelijk de oversteek naar Groot-Brittannië en Ierland. In de Romeinse tijd mixten de Kelten met de Romeinen in Engeland. In Schotland, Ierland en Wales was geen sprake van een Romeinse tijd en duurde de ijzertijd of Keltische periode voort tot de komst van het christendom, na AD 400.

Het is bekend dat het feest in de oudheid uitbundig in Ierland werd gevierd en werd aangeduid met de naam Samhainn. Ook in Schotland was het feest een hoogtijdag en werd het Samhuinn genoemd. Een derde plaats waar het feest prominent aanwezig was op de kalender was op het eiland Man. Hier
stond het feest bekend als Sauin. Voor Engeland is er minder bekend over eventuele vieringen van Samhain, behalve voor de provincie Cornwall in het uiterste zuidwesten. Ook in Wales werd de dag gevierd, zij het in mindere mate dan in Ierland en Schotland. Uit dit geografische beeld blijkt een mogelijk verband tussen een toenemende aanwezigheid en invloed van de Romeinen en een afname van de intensiteit van de Samhain vieringen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-2-1.jpgHet is onduidelijk of het feest van Samhain door de Kelten naar Groot Brittannië en Ierland is gebracht of dat het daar al gevierd werd voor de Kelten voet aan land zetten. Voor beide mogelijkheden is iets te zeggen.
Dat de Kelten het feest meebrachten zou kunnen blijken uit het feit dat soortgelijke feesten bekend zijn uit Bretagne in Frankrijk en regio’s zoals Baskenland en Galicië in Spanje. Deze gebieden worden gezien als de springplank van waar de Kelten naar de eilanden migreerden. Ook zijn er aanwijzingen dat de Gallische (Frans-Keltische) kalender het woord Samonios, vermoedelijk gerelateerd aan Samhain, gebruikte ter aanduiding van de zomermaanden. Het idee dat Samhain al gevierd werd in Groot-Brittannië en Ierland voor aankomst van de Kelten zou kunnen blijken uit het feit dat verschillende prehistorische

(graf)monumenten uit het neolithicum gebouwd zijn in lijn met de zonsopkomst of zonsondergang rond Samhain.

Een bekend voorbeeld hiervan is de Mound of the Hostages (of Dumha na nGiall) op de Hill of Tara aan de Ierse oostkust. Uit deze afstemming blijkt niet direct dat er feest gevierd werd, maar het geeft aan dat er een zekere significantie aan de tijd rond 1 november wordt toegeschreven. Hoewel het tot dusver onmogelijk is gebleken om na te gaan of het feest al dan niet door de Kelten naar Groot-Brittannië en Ierland is gebracht moeten we er rekening mee houden dat in oktober en november op veel plaatsen in de wereld aandacht wordt besteed aan de terugkeer van het donker, het einde van de oogst en de voorouders. Het is dus geen fenomeen wat specifiek is voor de Kelten en het kan maar zo het geval zijn dat zowel in het neolithicum als in de ijzertijd een soortgelijke traditie van vieren of herdenken bestond rondom gelijksoortige thema’s. 

Wat wordt er gevierd?

Zoals alle volkeren uit de prehistorie leefden de Kelten in diepe verbondenheid met de natuur en het jaarwiel. Het Keltisch jaar startte met de aanvang van de donkere periode, waarvan zij het moment plaatsten
rond 1 november, aan het einde van de oogsttijd. Rond deze dag werd dus een soort oud en nieuw gevierd. Het was het moment om de balans op te maken van het jaar dat voorbij was. Figuurlijk, door innerlijk te kijken
wat behouden moest blijven in het leven en wat losgelaten kon worden (dit doen wij nu vaak in de Michaëlstijd) en letterlijk door de staat van de kudde, de oogst en de voorraadkast te beoordelen. Een goede voorraad betekende immers een comfortabele winter terwijl tekorten voor problemen konden zorgen. Het feest van Samhain was een dankzegging voor het land, de oogst en de overvloed en een moment voor het maken van goede voornemens voor het volgende jaar.

Naast de letterlijke en figuurlijke oogst van het voorbije jaar waren ook de voorouders belangrijk. De Keltische samenleving was er eentje van stammen waarbij voorouders, hoewel overleden, nog altijd een belangrijke rol speelden in de maatschappij en het familieleven. De Kelten geloofden dat de barrière tussen de aardse wereld en die van de geesten en natuurwezens dunner was in de periode tussen ongeveer half september en november. Dit zou betekenen dat het gedurende deze periode makkelijker was om contact te maken met overleden dierbaren.
Uiteraard is er geen wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van een dergelijke barrière, laat staan voor het dunner worden ervan. Het feit dat vele mensen hier niet of niet meer in geloven zou te maken kunnen hebben met de beperkingen van onze vijf zintuigen en de mogelijkheid dat een zesde zintuig ooit beter ontwikkeld was. Dat blijft natuurlijk gissen.

Vanuit een 21ste-eeuws perspectief echter kun je je misschien voorstellen dat de herfst de nodige melancholie met zich meebrengt. Het wordt weer donker en koud, de zomer is voorbij, de pracht van de natuur
vergaat en de pessimist denkt terug aan alle gemiste kansen van het afgelopen jaar. Het is juist in dit soort periodes dat wij overleden dierbaren extra missen. Dat we nog eens denken ‘hoe zou papa of oma hiermee omgegaan zijn?’. Dit valt samen met het lage licht, langer wordende schaduwen, storm, regen en vooral veel mistflarden. Alsof de geesten met ons spelen! Het beeld van ‘toenemende spirituele activiteit’ is
op die manier dus zelfs verklaarbaar voor hen die absoluut niet in geesten geloven.
Opvallend is dat ook hier weer geldt dat een feest gerelateerd aan voorouders op veel plaatsen ter wereld rond dezelfde tijd gevierd wordt. Hoewel een spirituele significantie natuurlijk niet uit te sluiten is kan het ook zijn dat de melancholie van het naderende donker en het gevecht met de elementen van de herfst op verschillende plaatsen tot dezelfde soort feesten leiden. Het afsterven van de natuur is een goed moment om ook de doden onder de mensen te gedenken.
Naast viering van de oogst en het opmaken van de balans van het voorbije jaar is dus het herdenken van de voorouders belangrijk. Deze zaken zijn niet los van elkaar te zien. Een voorspoedig nieuw jaar met een goede oogst was immer mede afhankelijk van de goedgestemdheid van de voorouders. Na een goed jaar was het niet meer dan logisch om hen te bedanken voor de goede zorgen.

Hoe wordt het feest gevierd?

Omdat Samhain zo’n veelzijdig feest is bestaan vieringen en rituelen uit vele elementen die regionaal verschillen. Vaak is het niet duidelijk wanneer aspecten hun intrede deden en kan niet worden achterhaald of zij prehistorisch van aard zijn of latere toevoegingen. De viering van feesten is aan evolutie onderhevig. Denk hierbij aan de komst van de kerstboom naar West-Europese huizen in de negentiende eeuw. Hoewel dit toen een ‘nieuwe’ traditie was bestaat het idee dat de kerstboom te herleiden is tot de Germaanse tijd. Schriftelijk bewijs voor een kerstboom stamt in ieder geval al uit het Frankrijk van de dertiende eeuw. Dit voorbeeld geeft aan dat hoewel er zaken veranderen en er nieuwe toevoegingen opduiken, dit niet per se betekent dat deze geen weerspiegeling zijn van originele elementen.
In de gebieden waarover we hier spreken, onder andere Schotland en Ierland, was en is het volksgeloof sterk. Tot ver na de komst van het christendom waren bijgeloof, magie, elfen, kabouters en (bos) geesten evengoed een realiteit als het verkleuren van de bladeren in de herfst. Zeker tot in de negentiende eeuw werd Samhain in rurale gebieden gevierd met rituelen zoals hieronder beschreven en varianten daarop. 

Vreugdevuren en het verdrijven van het duister

Vuur is te vinden als onderdeel van vieringen over de gehele wereld,
ongeacht cultuurgebied of religie. Bij de viering van Samhain speelde
vuur een belangrijke rol. Naast een gezelligheidselement van
samenkomen als gemeenschap rond een vuur kan het ontsteken van
vreugdevuren worden gezien als een ode aan de zonnegod of een
weerspiegeling van de zonnekracht zelf. Het is mogelijk dat het idee
hierachter verband hield met het stimuleren van de zonnekracht of
levenskracht op aarde en het vertragen van de komst van afbraak en
duister, welke gepaard gaan met de winter.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-6.jpg
Het idee bestaat dat gemeenschappen zich verbonden via het licht
van vreugdevuren. Dit gebeurde door middel van het aansteken van
grote vuren op hoge punten in het landschap en het ‘doorgeven’
ervan aan nabijgelegen gemeenschappen. Dit werkt als volgt: Vanaf
de top van heuvels B en C is heuvel A te zien. Een gemeenschap
steekt een vuur aan op de top van heuvel A. Voor gemeenschappen
op de toppen van heuvels B en C is het zien van het vuur op heuvel
A een sein dat ook zij hun brandstapel kunnen ontsteken.
Gemeenschappen op heuvels D en E zien een licht verschijnen op
heuvel C, waarna ook zij hun vuur ontsteken enzovoorts. Op die
manier verspreid het licht zich gaandeweg gedurende de avond over
grote afstanden.

Vreugdevuren als bescherming tegen het kwaad

Een ander aspect van het vreugdevuur houdt verband met de goede voornemens voor het nieuwe jaar. Het vuur werkt reinigend en vernietigt ongewenste invloeden. Vanuit de Schotse Hooglanden is bekend dat met name jongeren vuren ontstaken waar om de beurt iemand naast ging liggen aan de zijde waar de wind heen blies. Op die manier waaide de rook van het vuur, waaraan reinigende krachten werden toegeschreven over deze persoon heen. Andere aanwezigen renden door de rook en sprongen over de liggende persoon heen waarna van beurt gewisseld werd. Een variant hierop is het ontsteken van twee vuren waar mens en vee tussendoor konden lopen. Ook aan een dergelijk ritueel werden reinigende en beschermende krachten toegeschreven evenals aan het verbranden van
botten van geslacht vee. Onderdelen van dergelijke rituelen klinken ons bekend in de oren, ook al zullen wij ze met name verbinden met vruchtbaarheidsrituelen of de viering van Sint-Jan.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-7.jpgVanuit Schotland en Ierland zijn verder rituelenbekend waarbij mensen brandende stukken turf of fakkels meenamen van het
gemeenschappelijk vuur en hiermee rond hun huis of akker liepen, in dezelfde richting als de
boog van de zon. Er wordt beweerd dat deze traditie ten grondslag ligt aan het lopen van verlichte optochten gedurende deze tijd van het jaar, bijvoorbeeld de lampionoptocht rond Sint-Maarten. Ook aan dit ritueel werd het afsmeken van voorspoed en het afwijzen van kwade invloeden verbonden, evenals aan het mee naar huis nemen en thuis uitstrooien van as afkomstig van het gemeenschappelijke vuur.
Vuur maken zonder moderne middelen was lastig. Zeker in vochtige omstandigheden was dit het geval. Haarden in huizen werden daarom zo veel mogelijk gaande gehouden gedurende het jaar voor verwarming en voedselbereiding. Op de avond van Samhain echter was het tijd om het vuur te reinigen. De huisvuren in het dorp werden aan het begin van de avond gedoofd en later opnieuw ontstoken met een fakkel van het gemeenschappelijke vuur. Nieuw vuur betekende frisse krachten om het kwaad op afstand te houden en het feit dat alle huisvuren aangestoken werden van één moedervuur speelde een verbindende rol in de gemeenschap.
Hoewel brandstapels later werden gebouwd van wat er maar voor handen was wordt gedacht dat in vroeger tijden alleen bepaalde houtsoorten werden gebruikt. Waarschijnlijk was het toekennen van bepaalde krachten aan deze soorten hiervoor de reden. De manier waarop het vuur ontstoken werd was ook van belang. Vanuit Schotland is de traditie bekend van het ‘force fire’, waarbij het vuur door frictie ontstoken moest worden.
Hierbij kan worden gedacht aan het draaien van een
stokje tussen de handen. Vuur dat op deze manier was aangestoken werd
gezien als een krachtige bescherming tegen zwarte magie en, in latere
eeuwen, tegen de pest en infectieziekten onder het vee.

Waarzeggerij

Zoals in antroposofische kringen soms lood wordt gegoten op oudejaarsavond ten einde een blik in de toekomst te werpen zo is waarzeggerij als volksvermaak ook verbonden aan Samhain. Om de
toekomst te voorspellen en het lot voor het komende jaar te duiden werden verschillende activiteiten gebruikt. Een bekend ritueel is het maken van een persoonlijke cirkel van steentjes rondom jezelf.
Vaak werd dit gedaan met verschillende mensen rondom een vreugdevuur. De volgende morgen werd gekeken of de steentjes nog op exact dezelfde plaats lagen. Was er iets veranderd aan jouw cirkel dan betekende dat foute boel. Je zou het einde van het nieuwe jaar niet halen!
Rituelen zoals dit zijn bekend uit Schotland, Noord-Wales en de Franse
regio Bretagne. Soms werden de stenen ook in het vuur gelegd. Waren ze de
volgende dag gebroken door de hitte? Dan zag het nieuwe jaar er slecht voor je uit.
In de Keltische mythologie worden appels en hazelnoten verbonden aan
waarzeggerij. Appels staan hierbij symbool voor de geestwereld en
onsterfelijkheid terwijl hazelnoten in verband worden gebracht met goddelijke wijsheid. Het gebruik van zowel appels als hazelnoten is
terug te zien in Samhain gerelateerde spelletjes en waarzeggerij. Het zogenaamde apple bobbing of apple ducking is tot op de dag van vandaag een vast element van de wereldwijde Halloween viering.
Tijdens Samhain bestond dit gebruik ook al. Appels werden in een teil water gelegd en bleven drijven doordat ze lichter zijn dan water. Met de handen op de rug gebonden probeerden zowel volwassenen als kinderen een appel te pakken te krijgen met de mond. Lukte het om een appel uit het water te halen dan was geluk verzekerd voor het nieuwe jaar. Een variant op de bak met water is een appel aan stokje of touwtje, hangende van het plafond. Het touwtje werd rondgeslingerd en wie de appel
het eerste te pakken had was de gelukkige.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-10.jpg

Iedereen is benieuwd naar hoe het hem/haar in de liefde zal vergaan. Ten
einde dat te weten te komen werd een appel in één keer geschild, zonder de schil te verbreken. De schil werd vervolgens over de schouder gegooid waarna werd gekeken of de schil op de grond een letter
vormde. Zo ja, dan was dit de eerste letter van de naam van je toekomstige partner. Had je een geliefde op het oog maar wilde je weten of een relatie levensvatbaar zou zijn? Dan legde je twee hazelnoten, eentje voor jezelf en eentje voor de beoogde partner nabij de haard. Roosterden de hazelnoten rustig gaar dan zat het met die relatie wel goed. Sprong een van de noten
weg door de hitte dan kon je het wel vergeten met de beoogde partner.
Er zijn nog veel meer voorbeelden te geven van dergelijke spelletjes en rituelen. Het verstoppen van spullen in brood of cake (voor ons bekend van Driekoningen) werd bijvoorbeeld gebruikt om een voorspelling te doen. Vond je de munt? Dan wachtte je welvaart. Vond je een ring? Dan zou het
huwelijk weleens kunnen volgen in het komende jaar. Ook werd er droge zoute cake gebakken die in drie happen opgegeten diende te worden. Ging je daarna slapen, dan zou een dorstige droom volgen. Degene die jou in de droom water aanbood zou je toekomstige levenspartner worden. Hetzelfde idee van het aflezen van de toekomst aan de vorm van het gestolde lood, zoals bekend in de antroposofie, werd toegepast met eiwit in water tijdens Samhain. De vorm van het gestolde eiwit gaf hierbij aan hoeveel kinderen je zou krijgen.
Tot slotzijn er overleveringen bekend van vooral kinderen die kraaien opjoegen. De richting waarin zij wegvlogen en de aantallen kraaien konden voor verschillende zaken voorspellend zijn, zoals voor het aantal toekomstige kinderen. Er wordt gedacht dat hier het Engelse rijmpje rondom het zien van verschillende aantallen eksters vandaan komt:


One for sorrow,
Two for joy,
Three for a girl,
Four for a boy,
Five for silver,
Six for gold,
Seven for a secret,
Never to be told.


Elementwezens, bosgeesten en de voorouders

Keltisch volksgeloof zit vol met referenties naar elementwezens, elfen, bosgeesten en dergelijken.
Deze wezens worden in de Keltische talen vaak aangeduid als één groep met (een variant op) de term ‘Aos sí’. Vaak wordt hierbij gedacht dat deze wezens rechtstreeks afstammen van de natuurgoden uit de prehistorische voorchristelijke periode. De extra dunne barrière tussen onze wereld en ‘de andere wereld’ tijdens Samhain betekende dat Aos sí onze wereld veel makkelijker konden bezoeken. Omdat aan deze wezens en bosgeesten grote krachten werden toegeschreven was het belangrijk om hen te eren en tevreden te houden. Alleen op die manier kon voorkomen worden dat mens of vee tijdens de koude wintermaanden zouden sterven of dat ander ongeluk over de familie of gemeenschap zou worden afgeroepen. Ten einde Aos sí gunstig te stemmen werd drinken en voedsel bij de voordeur geplaatst of werd een klein deel van de oogst als een offer op de velden achtergelaten. Op de Schotse eilanden, waar de verbinding met het water extra groot is werd ook aan de zeewezens gedacht. Zo werd er in de Hebriden bijvoorbeeld bier in het water uitgegoten na een
ritueel van dankzegging.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-11.jpg

Hoewel men waardering had voor de Aos sí speelde er ook een angst. Niet alle elfen en geesten van het land waren immers goedaardig. Sommige Aos sí werden verantwoordelijk gehouden voor het aankondigen van de dood en het veroorzaken van ziekte en ander leed. Veel kleiner dagelijks leed, zoals zuur geworden melk werd ook vaak aan hen toegeschreven. Tijdens de tijd van de extra dunne barrière was voorzichtigheid geboden. Men zorgde ervoor niet te ver bij het eigen huis of land vandaan te gaan en moerasgebieden werden gemeden. Ook bleef je gedurende de Samhaintijd
verre van portalen naar de andere wereld zoals hunebedden, steencirkels,
grafheuvels en heksenkringen. Wanneer men toch het donker in moest werd de kleding binnenstebuiten gedragen als een primitieve vermomming en werd ijzer en zout op het lichaam gedragen als afweer van kwade krachten.

Zoals eerder beschreven was de periode rond Samhain het moment om de overleden voorouders te gedenken en te eren. Velen gingen ervan uit dat de geesten eens per jaar voor een nacht ‘naar huis’ kwamen om daar in de watten gelegd te worden. Om de overleden voorouders te verwelkomen werd voor hen gedekt aan de dinertafel en werden de beste stoelen rond het haardvuur vrijgehouden. De dunnere barrière tussen de verschillende werelden wordt vaak aangemerkt als de reden waarom geesten juist in de tijd rond Samhain ‘naar huis’ terugkeren. Andere overleveringen spreken juist niet van die andere wereld maar van geesten die leven in de bossen en op de velden. Wanneer de bomen kaal zijn en er een gure wind over de velden waait is het logisch dat de voorouders de warmte van de haarden in de huizen opzoeken. Net zoals in het geval van de Aos sí lag ook hier weer gevaar op de loer. Dankbare voorouders bezochten jouw huis en brachten voorspoed voor het nieuwe jaar. Overgegane familieleden die nog een rekening te vereffenen hadden echter, konden het huishouden veel leed en narigheid bezorgen.

Bedelen, verkleden en grappenmakerij

De periode rondom het nieuwjaarsfeest was er een van solidariteit en vrijgevigheid. Dit zagen we eerder al in het aanbieden van voedsel aan voorouders en het maken van offers aan de Aos sí. Uit de vroegste
overleveringen van het Samhain-feest wordt duidelijk dat de armen en zij voor wie de jaarlijkse oogst tegenviel dankbaar gebruik maakten van dit moment. Zij gingen van deur tot deur en bedelden om voedsel. Op deze manier kon de voorraadkast voor hen ook aangevuld worden ter voorbereiding op de winter. De beter bedeelden gaven gul opdat zij geloofden dat dezenbarmhartige daad voorspoed zou brengen voor het
nieuwe jaar. Wanneer wij dit lezen is de stap naar het feest van Sint- Maarten slechts een hele kleine.

Hoewel de traditie van het langs de deuren gaan sterk was, was hij onderhevig aan verandering. In latere eeuwen ging men nog altijd van deur tot deur, maar nu verkleed als een van de Aos sí. Het idee hierachter was er mogelijk een van schaamte. Met de verkleedkleren was het immers makkelijker voor de bedelaar om zijn of haar identiteit niet prijs te
hoeven geven. Ook werd gedacht dat het verkleden als Aos sí je kon behoeden voor hun nare kanten. Immers, de Aos sí leverde soms streken aan mensen, maar niet aan wezens binnen hun eigen kringen. Voor het bedelen zelf had het verkleden nog een ander nut. Hoewel de gever wist dat de bedelaar niet echt tot de Aos sí behoorde was het lastiger om het geven van een gift te weigeren. Je wist immers maar nooit… zeker niet wanneer de bedelaar beweerde offers op te halen in naam van de Aos sí zelf.
De stap van het verkleden als Aos sí naar het uithalen van grappen en grollen die met hen in verband werden gebracht was een kleine. Dit gebeurde dan ook veelvuldig en heeft vermoedelijk geleid tot de
latere traditie van ‘trick or treat’ die hoort bij Halloween.

De traditie van het verkleden hield stand, maar werd uitgebreid met het zingen van liederen of het reciteren van poëzie en gebeden in ruil voor een gift. Hiermee kwam er een eind aan het tijdperk dat enkel minderbedeelden uit noodzaak langs de deuren moesten maar werd het meer een algemeen volksgebruik waar (vooral jonge) mensen van alle rangen en standen aan mee deden.
In het zuiden van Ierland werd een stokpaard meegedragen tijdens deze ommegangen langs huizen en boerderijen. In veel gevallen ging het
om een echte paardenschedel welke was versierd. De schedel werd op een stok gedragen door een persoon die verder geheel schuilging onder een laken. De groep mannen die werden aangevoerd door deze Láir Bhán (witte merrie) bliezen op koehoorns tijdens de ommegang. Aangezien het witte paard werd gezien als een voorteken van de dood moest dit een
angstaanjagend geheel zijn geweest. Het blazen van de horens is overigens een vrij bekend gebruik in Groot-Brittannië en op het Europese
vasteland. De traditie echter vindt vaak plaats inmrelatie tot de Midwinterviering.

Het gebruik van de ommegangen in vermomming nam op iedere plaats verschillende vormen aan. Er is bekend dat in sommige gebieden jongens zichzelf verkleden als meisje en omgekeerd. Elders werden maskers gedragen of werden gezichten geschminkt of ingesmeerd met roet en as van het vreugdevuur.

Van een knol met een lichtje naar de Jack-o’-Lantern

De knol, biet of winterpeen met een lichtje wordt door
antroposofen in verband gebracht met de viering van Sint-
Maarten, terwijl bij Halloween voornamelijk gedacht wordt aan
pompoenen. De pompoen is echter een veel latere toevoeging
die tijdens de viering van Samhain nog niet in beeld was. Waarom
knollen en dergelijke groenten werden gebruikt is niet precies
bekend. Het voor de hand liggende antwoord echter is dat
deze veelvuldig voor handen waren en goed bruikbaar. Het
kleine lichtje in de duisternis, gevormd door een kaarsje in een
knol, zou volgens sommige verhalen te herleiden zijn naar de dwaallichten die soms werden waargenomen in de veen- en moerasgebieden van Schotland en Ierland. Het volgen van deze dwaallichten, veroorzaakt door de Aos sí, was gevaarlijk. Het was immers onduidelijk waar je heen geleid zou worden en of er nog wel een weg terug zou zijn… Een andere verklaring voor de dwaallichten wordt verderop beschreven in het
verhaal van Jack o’Lantern.

Knollen werden uitgehold en voorzien van een ingekerfde versiering. Vaak ging het hierbij om gezichten die meestal een angstaanjagend karakter hadden. Overleveringen leren dat de lantarens op deze manier werden versierd om de Aos sí uit te beelden. Voor de lantarens zijn twee manieren van.gebruik bekend en het is onduidelijk of het hier gaat om regionale verschillen of dat beide manieren naast elkaar werden toegepast. Enerzijds werden de lantarens meegenomen op de rondgangen van huis naar huis om de bedelaars van verlichting te voorzien. De lantarens droegen
zo ook bij aan de act van het nabootsen van de Aos sí.
Anderzijds is bekend dat de lantarens bij de voordeuren van huizen werden geplaatst of in vensterbanken ten einde het kwade af te schrikken.

De traditie van de gekerfde lantaren is bekend uit zowel Ierland als Schotland. In Engeland echter doet deze traditie pas zeer laat, in de negentiende eeuw, zijn intreden. In Engeland staat de lantaren
gemaakt van een knol bekend als een Jack-o’-Lantern. Deze naamgeving is afkomstig van een Iers volksverhaal wat vele varianten kent. Hierbij een veel voorkomende interpretatie van het verhaal:

Een dief genaamd Jack had zojuist een buit gemaakt in een klein dorpje. Helaas was hij betrapt tijdens zijn misdaad en was nu op de vlucht voor een groepje dorpelingen door wie hij achternagezeten werd. Tijdens zijn vlucht kwam Jack de Duivel tegen die hem zei dat zijn tijd gekomen was, het was tijd om te sterven. Jack, die nog niet dood wilde, stelde aan Satan voor om hem te helpen een kwaadaardige streek met de dorpelingen uit te halen in ruil voor zijn leven. De Duivel was geïnteresseerd en vroeg Jack om zijn plan uit de
doeken te doen. De Duivel zou in een zilveren munt veranderen waarmee Jack de boze dorpelingen zou betalen voor de gestolen goederen. Over een aantal dagen zou de Duivel terug veranderen en zou de munt dus ineens verdwenen zijn! Dit zou leiden tot een gevecht onder de christelijke dorpelingen over wie de munt gestolen had. De Duivel ging akkoord met Jacks plan, veranderde in een zilveren munt en sprong in Jacks portemonnee. Tot zijn grote schrik
vond de Duivel een zilveren kruisje in hetzelfde vakje van de portemonnee. Jack, ondertussen ritste vliegensvlug de beurs stevig dicht. De Duivel schreeuwde om hulp maar was gevangen, samen met het
kruis wat ervoor zorgde dat hij zijn machten en krachten kwijt was. Vervolgens deed Jack de
paniekerige Duivel opnieuw een voorstel. Jack zou de Duivel vrijlaten als hij beloofde zijn ziel nooit te komen halen.

Vele jaren later overleed Jack, zoals dat gebeurt bij alles wat leeft. Hij had in zonden geleefd en kon dus niet in de hemel terecht. De Duivel echter had beloofd zijn ziel nooit te komen halen en daarvoor was er ook in de hel voor Jack geen plaats. Dit resulteerde in het feit dat Jack nergens had om heen te gaan. Hij zou tot in het einde der tijden door de donkere nacht moeten dwalen.
Hij vroeg aan de duivel hoe hij kon weten waarheen te gaan.
Hij had immers geen licht om zijn weg te wijzen. Plagend gooide de Duivel hem een gloeiend kooltje toe om zijn pad te verlichten. Jack holde een knolletje uit en stopte het kooltje er in. Met zijn lantaren in de hand begon hij aan zijn eeuwig durende wandeling, op zoek naar een laatste rustplaats voor zijn ziel. Hij kwam bekend te staan als Jack met de lantaren (Jack of the Lantern), of Jack o’Lantern. Als je op een gure donkere herfstnacht door de Ierse veengebieden rijdt kun jehem nog altijd zien, als een dwaallichtje in de duisternis
.

Een voorchristelijk feest gekerstend


Na een flink aantal pagina’s is het woord Halloween nog maar zeer mondjesmaat gevallen, en dat terwijl dit stuk daarover zou gaan. Het is tijd om daar verandering in te brengen.
Met de komst van het christendom naar het vasteland van Europa, Groot-Brittannië en Ierland brak er een periode van verandering aan die op vele vlakken zijn weerslag had en niet in het minste op volksgebruiken en feesten. In het jaar AD 609 werd in Ierland Allerheiligen ingevoerd. Deze dag, die ook gevierd werd op andere plekken in Europa stond op de kalender voor 13 mei. Pas zo’n tweehonderd jaar later, in AD 835 werd de datum van Allerheiligen op voorspraak van Lodewijk de Vrome en Paus Gregorius IV verplaatst van 13 mei naar 1 november in het Karolingische rijk (hieronder vielen Frankrijk, België, Luxemburg, de zuidelijke helft van Nederland en delen van Duitsland). Historische bronnen uit zowel Engeland als Duitsland echter maken al melding van een viering van Allerheiligen op 1 november aan het begin van de zevende eeuw. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat Engeland de datum van de
voorchristelijke Samhainviering overneemt van Ierland, Wales en Schotland als de datum voor het christelijke Allerheiligen.
Deze gewoonte wordt vervolgens door Engelse missionarissen naar Duitsland geëxporteerd. Een andere verklaring is dat de viering van Allerzielen op 1 november in Duitsland startte, geïnspireerd op een
voorchristelijk feest van de Germanen. Met de migratie van de Angelen en de Saksen naar Engeland zou de significante datum daar beland en
vervolgens gekerstend kunnen zijn, onafhankelijk van Samhain.
Hoe het ook zij, het lijkt er op dat de officiële aanpassing van de datum door Paus Gregorius IV slechts een formaliteit was om de regels aan te passen aan de geldende gewoontes.
Pas na het jaar AD 1000 werd 2 november door de Katholieke kerk gemaakt tot Allerzielen. De toevoeging van dit feest maakte van de Allerheiligenperiode een drie daags fenomeen wat begon op 31 oktober met Allerheiligenavond, gevolgd door Allerheiligen op 1 november en Allerzielen op 2 november. Allerheiligen wordt in het Engels nu vaak ‘All Saints Day’ genoemd. Een wat oudere benaming is echter ‘All Hallows Day’. De Allerheiligenavond wordt dan ‘All Hallows Eve’. Dit laatste,
mogelijk onder de invloed van de uitspraak van Samhain als Soween, is in de loop der tijd verbasterd tot Halloween
.

Na de Middeleeuwen

Na de kerstening van Samhain in de vroege Middeleeuwen beleven vele tradities die verbonden waren aan het voorchristelijke feest bewaard. Zoals we eerder hebben kunnen lezen bestonden deze tradities door de eeuwen heen naast vreugdevuren en waarzeggerij uit ommegangen, bedelen, het maken van lantarens en het uithalen van grappen en grollen. Het bedelen van deur tot deur, wat vaak gerekend wordt tot een van de oudste tradities van het Samhainfeest bleef belangrijk. Nog altijd was er veel armoede en was het bedelen echt noodzakelijk. Daarnaast werden het langs de deuren gaan met een lantaarn, zingen, bangmakerij en grappen steeds vaker een leuk tijdverdrijf voor kinderen.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is halloween-21.jpg

Zielenkoekjes werden een lekkernij die geassocieerd werd met Halloween. Deze ronde platte koekjes die vaak nootmuskaat, kaneel, gember, rozijnen en krenten bevatten werden versierd met een kruis. De koekjes dienden in het begin als een aalmoes voor de armen en representeerden de zielen van de overledenen. Met het verstrijken van de eeuwen werden de koekjes steeds vaker een lekkernij voor kinderen. Een traditioneel lied dat hoort bij de traditie van het bedelen om soul cakes gaat als volgt:

(REFREIN)
A soul! a soul! a soul-cake!
Please good Missis, a soul-cake!
An apple, a pear, a plum, or a cherry,
Any good thing to make us all merry.
One for Peter, two for Paul
Three for Him who made us all.

(COUPLET 1)
God bless the master of this house,
The mistress also,
And all the little children
That round your table grow.
Likewise young men and maidens,
Your cattle and your store
And all that dwells within your gates,
We wish you ten times more.

(REFREIN)

(COUPLET 2)
Down into the cellar,
And see what you can find,
If the barrels are not empty,
We hope you will prove kind.
We hope you will prove kind,
With your apples and strong beer,
And we’ll come no more a-souling
Till this time next year.


(REFREIN)

(COUPLET 3)
The lanes are very dirty,
My shoes are very thin,
I’ve got a little pocket
To put a penny in.
If you haven’t got a penny,
A ha’penny will do;
If you haven’t got a ha’penny,
It’s God bless you.

Toen tussen 1845 en 1849 de grote hongersnood en het beleid van de Engelse overheerser meer dan een miljoen dodelijke slachtoffers in Ierland maakten besloten nog eens een miljoen Ieren een beter leven te gaan
zoeken in Australië of Noord-Amerika. Naar de nieuwe wereld namen zij bepaalde gewoontes mee waaronder de viering van Halloween.
Gedurende de twintigste eeuw en daarna werd Halloween met name in de Verenigde Staten een steeds commerciëlere aangelegenheid. De komst van horrorfilms en steeds schokkender digitaal beeldgebruik maakten het feest steeds extremer. Dood en verderf, skeletten, kettingzagen en afgehakte ledenmaten zijn niet ongewoon. Veel hiervan is terug te zien in de merchandise die in de Verenigde Staten, vele andere landen en ook steeds vaker in Nederland te koop is. Het langs de deuren gaan en het uithalen van
grappen is gebleven, maar de plagerijen zijn met de tijd vervelender van aard geworden. Weiger je de deur open te doen op de avond van Halloween dan zijn een paar eieren tegen de ramen niet
ongewoon meer.

Hier in Engeland waar wij wonen hebben heel veel kinderen ieder jaar
veel plezier van het feest van Halloween. Er is hier weinig te merken van bovenstaande excessen die toch vooral met de viering in de Verenigde
Staten geassocieerd worden. Kinderen gaan langs de deuren en maken je soms op een ludieke manier aan het schrikken. Ze zingen ook en zijn vaak
juist op een originele manier verkleed.
De pompoen met lichtje is een gegeven en dient voornamelijk als een
uitnodiging. We zetten hem op het tuinmuurtje of in de vensterbank om aan te geven dat ‘bedelaars’ bij ons welkom zijn. Van het vruchtvlees maken we een heerlijke pompoensoep. De kinderen krijgen snoepjes, maar ook
mandarijntjes. Heb je geen pompoen buiten of in het raam? Dan wordt er bij jou niet aangebeld en worden er ook geen nare grappen uitgehaald. Het is dan duidelijk dat je niet meedoet.
Het organiseren van de Halloweenoptochten begint in ons dorp al aan het begin van september. Zodra het eerste blaadje valt begint het te kriebelen! De organisatie brengt straten en buurten samen en er wordt overlegd over de vormgeving van het feest. Daarmee is het voor velen een zeer sociale
aangelegenheid die mensen uit hun isolement haalt tijdens deze melancholische periode van de naderende winter

Voor velen in het Verenigd Koninkrijk is Halloween het begin van de
feestdagen. Het wordt op de voet gevolgd door Vreugdevurennacht op 5
november (Bonfire night of Fireworks night) en de start van het kerstseizoen.
Het beeld dat geschetst wordt door de toename van commercialisering en
excessen is dat van een vervelend en gewelddadig horrorfeest wat er
voornamelijk is om de inkomsten van winkels te dienen. Helaas is dit beeld
erg hardnekkig, vooral ook onder antroposofen en hen die houden van
het op de vrijeschool traditionele feest van Sint-Maarten. Met deze beschrijving van het authentieke karakter van het Halloween feest hoop ik daar een ander licht op te laten schijnen.


Zoals te lezen viel blijkt uit de historische gegevens niets van de commercie en de horror. Het ‘enge’ element van het feest ging niet over afgehakte ledenmaten, kettingzagen en dolende geesten, maar over het nabootsen van de natuurwezens waarvoor men bewondering had maar ook een beetje bang was. Dit element van het feest is niet los te zien van de volkscultuur in Ierland en Schotland die doordrongen is van kleine volkjes, bijgeloof en tradities die voortkomen uit het voorchristelijke en het katholicisme. De natuurwezens spelen ook in het antroposofisch wereldbeeld een rol en zouden daarom niet zo moeilijk voor te stellen moeten zijn.
Wanneer jij het niet voedt is er dus geen horrorelement te bespeuren in de viering en het gedachtegoed van Halloween. Er blijft onschuldig volksvermaak en bijgeloof met intrigerende tradities over.
Het horroraspect is er alleen als we blindelings de commercie, pretparken en films volgen. Hierin heb je als ouder, leerkracht en antroposoof een keuze. Het is belangrijk om kinderen kennis te laten maken met (de historie van) verschillende culturen en daar is Halloween uitermate geschikt voor. Net zoals bij het Sinterklaasfeest gekozen kan worden om elementen als Zwarte Piet weg te laten kan er ook bij Halloween gekozen worden de verzonnen horrorkant niet in het voetlicht te stellen.

Buiten het ‘enge’ element is Halloween een feest van dankzegging voor de gaven van Moeder Aarde en van voorbereiding op het nieuwe jaar. Ook dit is voor antroposofen een kleine stap aangezien wij exact hetzelfde doen tijdens de Michaëlstijd. Tevens markeert Halloween de viering van de laatste oogst, het terugtrekken van de levenskracht en het afnemen van het
licht. Allemaal elementen die voor antroposofen en vrijescholers heel goed te begrijpen zijn door de thema’s van vieringen als Sint-Maarten en de
andere lichtfeesten.
Vrijgevigheid, zorgen voor elkaar en naar elkaar omkijken staan centraal bij Halloween omdat het van oudsher het moment was om elkaar de winter door te helpen. Deze thema’s van barmhartigheid en belangeloos
schenken staan centraal tijdens onze vieringen van Sint-Maarten en Sint- Nikolaas. Daarnaast zijn deze deugden in de huidige maatschappij belangrijker dan ooit.
Tot slot nog het element van het gedenken van de doden. Wat is er mooier dan het beeld van gastvrijheid dat het feest van Halloween oproept? Het even weer verwelkomen van dierbare voorouders in ons huis. Even nog die kans elkaar weer te ontmoeten en te verwennen met een goede maaltijd en een warm haardvuur. Wie zou dat niet wensen? Het beeld geeft de sterke boodschap dat angst voor geesten niet nodig is en dat de horrorfilms het niet hebben begrepen. Liefhebbende familieleden zijn er altijd om je te beschermen en te dragen waar nodig. Nodig ze uit, omarm ze en
maak er samen een mooi feest van!

Halloween is een breed volksfeest dat in zijn originele vorm de vrijescholer
aan zou moeten spreken. Het is een smeltkroes van voorchristelijke en
christelijke elementen die binnen antroposofische kringen ook bestaan
maar uitgesmeerd worden over meerdere feesten. Het feest is er niet
een die ter vervanging van Sint-Maarten zou moeten dienen.
Daarvoor is Halloween te breed. Het feest is echter een goede inleiding tot
de sentimenten van het herfstseizoen en is dus bruikbaar ongeacht de achtergrond van de vierder.
Het is goed om te beseffen dat het feest van Sint-Maarten, maar ook zovele andere vrijeschoolse vieringen zulke oude en diepe wortels hebben. Zonder Samhain of Halloween is het immers zeer onwaarschijnlijk dat wij ooit zoiets als Sint-Maarten zouden hebben gevierd.


Oíche Shamhna Shona duit!
Happy Halloween!

.

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten jaartafels

.

2273

.

VRIJESCHOOL – Michaël (53)

.

Hendrik Jan Bakker, vrijeschool-faceboekgroep, 20-09-2020

29 september vieren we het Sint-Michaëlsfeest

Michaël is een geestelijk wezen (aartsengel) dat ons begeleidt in ons menswordingsproces. Het Michaëlsfeest wordt gevierd aan het begin van de herfst, wanneer de zon zich terugtrekt en wij kracht moeten verzamelen voor de donkere dagen. Op deze dag danken we voor de oogst die ons in de winter zal voeden en bereiden we ons ook innerlijk voor op het donkere jaargetijde en de geboorte van het licht in ons innerlijk. Michaël overwon de duivel en leert ons moedig te zijn. Wat Michaël deed in de hemel, spiegelt zich in het verhaal van ridder Joris op aarde. Hij temde de draak en bevrijdde de prinses.

Terwijl we met Kerst en Pasen gebeurtenissen uit het verleden herdenken, is Michaël een toekomstfeest. De vorm ligt nog niet vast, want we weten niet wat de toekomst ons zal brengen. We leren onze kinderen door moed en vertrouwen in zichzelf hun angsten overwinnen. Dat is wat ridder Sint-Joris moest doen om de draak te temmen: moed opbrengen om zijn angst voor de dood te overwinnen door te vertrouwen op eigen kracht en leiding vanuit een hogere wereld. Dat is wat wij onze kinderen met dit feest op een eigentijdse manier willen bijbrengen.

.

Michaël– alle artikelen

Verhaal van Sint-Joris

VRIJESCHOOL in beeldMichaël

.

2241

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Michaël (52)

.

Wij associëren Michaël vaak met de katholieke kerk, maar in 1726 bijv. schreef Bach een cantate (nr. 19) ‘Es erhub sich ein Streit’ – er ontstond een strijdvoor Michaelistag (Sint Michiel, 29 september), de feestdag van de aartsengel Michael, die Luther op de liturgische kalender handhaafde wegens zijn grote populariteit in Duitsland, en die in Leipzig het begin van de najaarsbeurs (Michaelismesse) inluidde.
Michaelistag was één van de grote feesten, van de orde van Kerstmis en Pasen, waarop de cantor met groot materieel placht uit te rukken, terwijl er veel Messegasten in de stad waren. [1]

Rudolf Steiner belichtte de aartsengel Michaël van vele kanten. Het zijn voor velen van ons moeilijke, soms niet zo toegankelijke gezichtspunten. 
En het ligt voor de hand dat anderen dan proberen te verduidelijken. Dat deed ook Walter Johannes Stein die o.a. leraar was aan de 1e vrijeschool te Stuttgart toen Steiner daar de leiding had. Stein schreef kort na de dood van Steiner een artikel in ‘Das Goetheanum’ [2]:

MICHAËLTIJD

De mens is niet alleen door dagen, maanden en jaren in de ritmen van de kosmos ingeschakeld. Er zijn veel grotere kosmische ritmen, die in de ontwikkeling van de mensheid een rol spelen. Een daarvan is bv. de verschuiving van het lentepunt, dat zich in 25920 jaar eenmaal door de gehele dierenriem verplaatst. Dit is het grote Platonische jaar. – De aarde krijgt nieuwe impulsen uit de kosmos, telkens wanneer de zon in de lente uit een ander sterrenbeeld de aarde toeschijnt. En de mensheid als geheel, in zoverre zij aarde-mensheid is, maakt dat mee. Zo ontstaan de opeenvolgende cultuurperioden, die als het ware de maanden voorstellen van het kosmische jaar. Maar terwijl in het gewone jaar de Stier-maand op de Ram-maand volgt, volgt de Ram-cultuur op de Stier-cultuur. De richting is dus omgekeerd.

Nog in een ander ritme is de mens ingeschakeld, dat we de kosmische week zouden kunnen noemen. Het zijn de zeven opeenvolgende perioden, waarin telkens een van die aartsengelen ‘regeert’, die als tijdgeest werkzaam zijn en die aan een bepaald tijdperk het karakter geven van de planeet, die ze vertegenwoordigen. Maar ook hier is de planetenopeenvolging omgekeerd van die van de weekdagen. De Maan-aartsengelperiode gaat vooraf aan die van de zon, de Saturnus-‘dag’ volgt op de Zonne-‘dag’. De opeenvolging is dus als volgt:

Orifiel – Saturnus
Anael – Venus
Zachariel – Jupiter
Rafael – Mercurius
Samael – Mars
Gabriel – Maan
Michael – Zon

Een dergelijke aartsengelperiode duurt 3541/3 jaar. Ook dit is een kosmisch getal, het is het aantal dagen van een zgn. maanjaar.

Johannes Trithemius, Abt van Sponheim (1462-1516) spreekt over deze aartsengel-perioden. Wanneer men probeert zijn boek: ‘De septem intelligentiis’ (over de zeven planeten-intelligentie’s) te lezen, dan krijgt men de indruk: hier is de studie van de zeven vrije kunsten tot hun kosmische oorsprong teruggevoerd.

Het is wijsheid, die verloren is gegaan, totdat Rudolf Steiner in een nieuwe vorm weer over de aartsengelperioden gesproken heeft. En hij maakt het ook mogelijk, te begrijpen, waarom Trithemius van Sponheim en ook Agrippa van Nettesheim over ‘Intelligentie’s’ spraken, wanneer zij de planetenaartsengelen bedoelden. Om zich hierover een enigszins bruikbare voorstelling te vormen heeft men het meest aan de derde band van de karmavoordrachten, de ‘Karmische Zusammenhange der Anthroposophischen Bewegung’. [3]
Dr. Steiner zegt daar (8 Aug.):
Kosmische Intelligenz sind die gegenseitigen Verhaltungs-Massregeln der höheren Hierarchien.
Intelligentie, dat zijn de wederzijdse gedragsregels van de hogere hiërarchieën.
Wat zij doen, hoe zij met elkaar omgaan, hoe zij zich tot elkaar verhouden, dat is kosmische intelligentie.

Het is dus datgene, wat aan de kosmische harmonie ten grondslag ligt. Michael is de eigenlijke beheerder van de kosmische intelligentie, maar het is tenslotte toch zo, dat die kosmische intelligentie gespecificeerd is in Zonne-intelligentie en de verschillend genuanceerde planeten-intelligenties; ja, er bestaat zelfs een soort tegenstelling tussen de zonne-intelligentie en die van de andere planeten. Zo is het dan ook begrijpelijk, dat een periode, waarin de zonne-aartsengel Michael de impulserende tijdgeest is, sterk in conflict kan komen met datgene, wat als denkgewoontes en geestelijke inzichten tot ontwikkeling gekomen is in de voorafgaande Gabriel-Maanperiode.

Rudolf Steiner geeft evenals Trithemius en Agrippa von Nettesheim het jaar 1879 aan als het begin van de Michaelsperiode, waarin we nu leven. Dat Rudolf Steiner de maand november daarvoor aangeeft en de beide anderen oktober, hangt daarmee samen, dat de laatsten de datum berekenden volgens de aan hen bekende ritmen, terwijl Rudolf Steiner het historische gebeuren geestelijk af kon lezen. Dit Michaeltijdperk zal duren tot 2234.

Wat zijn de meest typerende kenmerken van een Michaelstijdperk?

We kunnen ons daarvan een voorstelling maken door het historische beeld van het vorige Michaeltijdperk, dat duurde van 601 – 247 v. Chr. Het is de tijd van de grote Griekse denkers, kunstenaars en dichters. Van Thales en Heraklitos, van Pythagoras, Plato en Aristoteles, van Aeschilos, Sophokles en Euripides, van de hele wonderbaarlijke Griekse beeldhouwkunst. Maar het is ook de tijd van de profeten Jesaia, Jeremia en Daniël, van Gautama Buddha, van Lao Tse en Confusius, Kyros, de stralend-lichte koning der Perzen voert zijn gesprekken met Zarathas, in wie het Ik van Zarathustra woonde. Maar het is ook de tijd, waarin oude rijken vernietigd, nieuwe gevormd worden, die dan spoedig weer te gronde gaan. Tien van de twaalf stammen van Israël worden vernietigd, maar het enorme rijk van de veroveraars wordt verpletterd door de Babyloniërs, deze wederom onderworpen door de Perzen. De geweldige vloedgolf van de Perzen echter breekt aan de weerstand van het kleine volk der Grieken. En Alexander verovert in weinige jaren de bestaande machtige rijken en doordringt ze met datgene, wat het jonge Europa als geestelijk element ontwikkeld heeft.

Maar bij al dat tumult leeft in de mensenzielen de Messiasgedachte – niet alleen bij de profeten van het Oude Testament. In de Zend Avesta, die in die tijd geschreven wordt, wordt de geboorte van het Zonnewezen verkondigd, de grote Heiland, ‘tot in de beenderen’; Lao Tse zoekt naar het Tao, het oerwoord, de Logos. En in Plato’s Republiek wordt het lijden en de kruisdood geprofeteerd van een goddelijk wezen, dat geheel rechtvaardigheid is en dat alleen in staat zal zijn de mensheid te redden. Dezelfde karakteristiek vinden we terug in het Michaelstijdperk, dat in 1879 begonnen is.

De grondvesten van de oude wereld zijn grondig aan het wankelen gebracht. Wat is er over van het Rijk van Bismarck, wat van het Britse Imperium? Zo snel zijn de grote verschuivingen opgetreden, dat het gerechtvaardigd is zich af te vragen, wat er over 100 jaar over zal zijn van de kolossale rijken, die nu de wereld beheersen.

In een Michaelperiode komt de onderste steen boven te liggen.

We kunnen de ruïnes, die telkens weer om ons heen ontstaan, weer opbouwen. Maar het heeft alleen zin, dat te doen, wanneer we ons vertrouwd maken met de gedachte, dat ook wat we nu bouwen, spoedig weer een puinhoop zal zijn. En dat het niet zo belangrijk is, als dat gebeurt, want dat het erom gaat, dat we geestelijke gebouwen optrekken, die voort blijven bestaan, ook wanneer de uiterlijke aardse omhulling wegvalt. – Nog altijd zijn er mensen, die denken, ‘dat het nog wel weer eens zo goed zal worden als vroeger’.

Wie deze tijd werkelijk beleven wil, moet er zich rekenschap van geven, dat geen enkele zekerheid van de voorafgaande Gabriel-periode kan blijven voortbestaan: niet de zekerheid van de materiële welvaart, niet die van het geborgen zijn in het gezin, de familie, niet vooral de zekerheid van het berekenbare. Alles, wat het maan-orgaan in de mens, de hersens, gedacht heeft over de wereld van het berekenbare, de hele natuurwetenschap, die de mensen het gevoel gegeven heeft, zeker te staan op een aarde, die men kende en beheerste, zal blijken een gebouw te zijn, dat tegen de stormen van een Michaelstijdperk niet bestand is en het zal instorten in de eeuwen, die voor ons liggen.

Het is zeker geen gemakkelijk lot, in een Michaelstijdperk geïncarneerd te zijn, maar wie begint te begrijpen, waarom het in deze tijd gaat, kan het beleven als een geschenk, de afbraak van het oude en de opbouw van het nieuwe mee te mogen maken. Ook in ander opzicht kondigt dit Michaelstijdperk zich aan zoals het voorafgaande. – Plato en Aristoteles, Daniël en Buddha, ze waren boden van Michael, die zijn heel bijzondere vorm van intelligentie op aarde voor de mensen toegankelijk moest maken. Tot op onze tijd zijn we geestelijk gevoed geweest door wat zij gedacht en verkondigd hebben. –
Aan het begin van het nieuwe Michaelstijdperk trad Rudolf Steiner op, de grote ingewijde, die door zijn eerste grote werk de ‘Filosofie van de vrijheid’ [3] het menselijk denken de weg wees naar een nieuwe vorm van denken, die het aan het maanorgaan gebonden denken moet overwinnen.

Steeds meer werd zijn werk de reine Michael-boodschap. In de Michael-Imaginatie (5 okt. 1923), in de Michaelsbrieven, die hij vanaf zijn ziekbed tot ons richtte, in de spreuk van zijn laatste voordracht, staat Michael voor ons als de geestelijke inspirator, wiens ernstige blik ons vermaant de hoge vlucht van het reine denken doelbewust na te streven.

Maar Rudolf Steiner heeft over vele grote individualiteiten gesproken, die in de komende tijden wederom op aarde geïncarneerd zullen worden. Zodat we zeker kunnen zijn, dat steeds meer van hen als boden van de tijdgeest Michael onder de mensen werkzaam zullen zijn.

En ook de derde karaktertrek van het vorige Michael-tijdperk kunnen we nu terugvinden: de Messiasgedachte, de Christusverkondiging. Om ons heen zien we die Messiasgedachte tot uitdrukking komen in alle mogelijke sekten en verenigingen, waarvoor we misschien niet veel sympathie hebben. Maar het is toch het verlangen, ja, de gewisheid van het nieuwe Christusgebeuren, dat echter te vaag is en daarom in zijn uitdrukking onbevredigend!

Duizenden welmenende mensenzielen sluiten zich aan bij de Jehova-getuigen of de Morele Herbewapening (1955!) en vele andere mensengroepen die geen bevrediging meer vinden in het dogmatische – vooral het protestantse christendom, dat in de Gabriel-periode ontstaan is, omdat half bewust in hen de overtuiging leeft, dat een nieuwe Christusopenbaring gaat komen.

Zoals het vorige Michael-tijdperk de komst van de Christus op aarde aankondigde en voorbereidde, zo brengt dit Michael-tijdperk het verschijnen van de Christus in etherische gestalte.
Rudolf Steiner heeft ons over deze nieuwe Christusopenbaring gesproken.

Steeds talrijker worden de mensen, die hem aanschouwd hebben.

Michael is de Christus-bode, de strijder voor Christus bij uitnemendheid. Hij heeft dit als opgave op zich genomen in een oerver verleden, gedurende de Zonnetoestand der aarde. Daar maakte Michael als aartsengel zijn mensheidstrap door, zijn ik-ontwikkeling. En zo maakte hij bewust mee, hoe op de oude Zon het nieuw ontstane licht sommige zonnewezens tot hoogmoed verleidde, tot een alleen nog maar licht-wezen willen zijn, dat met de duisternis niets te maken wilde hebben. Aan de andere kant balde duisternis zich samen en er ontstonden duisternis-wezens, die geen kosmisch licht uitstralen konden. – Tussen licht en duisternis echter het evenwicht tot stand brengend, was daar het hoogste zonnewezen, het Christuswezen. -En zoals wij nu als ik-bewuste mensen kiezen kunnen, welke weg we gaan willen, zo koos toen Michael de weg van de Christus als zijn bode en strijder, als een mee-bewaarder van het evenwicht tussen te veel licht en te veel duisternis. – Aan dat gebeuren worden we herinnerd, wanneer we Michael voorgesteld zien met de weegschaal.

En zo innig verwant is Michael in zijn wezen met de Christus, dat hij Hem zijn aartsengel-gestalte ter beschikking stelde, toen de Christus, in de Atlantische tijd, helend in de ontwikkeling van de mensheid ingreep, zoals later Jezus van Nazareth zijn stoffelijk lichaam offerde voor het gebeuren in Palestina. (Zie: ‘Die vier Christusopfer’.)

Is dus Michael de regent van een bepaald tijdperk, dan is het kenmerk van die tijd de strijd tussen licht en duisternis.

Dan wordt al datgene afgebroken, wat de mens bindt aan de krachten van de duisternis, aan de materie. Wie niet huis en hof opgeven kan om de Christus te volgen, kan de opgave van een Michaeltijdperk niet vervullen. Niet in de zin van de armoede der middeleeuwse monniken. Maar in het ‘intelligente’ hanteren van het aardse in de vorm, waarin het ons ter beschikking gesteld wordt. Als een instrument, waarmee we het geestelijk dienen kunnen. Dit geldt voor landen en volken, maar ook voor de enkele mens. Want Michael grijpt diep in het persoonlijke karma, in ziekte en tegenslagen. Daarom tracht Ahriman de ziekte uit de weg te ruimen, wil ieder beschermen voor de gevolgen van tegenslagen en rampen.

Hoezeer ook dit Michaelstijdperk in zijn uiterlijke verschijning te vergelijken is met datgene, dat voor 2480 jaar begon, innerlijk heeft het een heel eigen karakter. – Het vorige eindigde 247 voor Christus. In het daarop volgend Orifiel-tijdperk had het Mysterie van Golgotha plaats. In de daarop volgende eeuwen heeft de mensheid getracht, zich met dit gebeuren te verbinden. Het is als het ware een zware kosmische werkweek geweest. Iedere ‘dag’ heeft een nieuwe begripsnuance gebracht. En het is interessant, na te gaan, welke nuance het christendom aannam gedurende het regentschap van een bepaalde aartsengel. – Maar nu is het wederom ‘Zondag’. Nu wordt er niet alleen een nieuwe impuls gegeven, er wordt als het ware rekenschap gevraagd van datgene, wat de mensen in de bijna 20 eeuwen gedaan hebben met dat, wat door het Mysterie van Golgotha aan de aarde geschonken werd. En de nieuwe impuls, die Michael geeft, is deze: nu is de tijd gekomen, met de volle kracht van de kosmische intelligentie, zoals Michael die de mensen schenkt, het Mysterie van Golgotha te begrijpen. Niet alleen meer in de Christus te geloven, hem te denken en te begrijpen.

En wanneer nu in de Michaeltijd het beeld voor ons staat van de drakendoder Michael, wiens zwaard gesmeed is uit het kosmische ijzer, dat zich aan ons in de lichtende sterrenregens geopenbaard heeft, dan beseffen we, dat dit beeld ons de eigenlijke impuls geeft voor de tijd waarin we nu leven. Dan begrijpen we ook, dat we nog leren moeten, het Michaels-feest werkelijk te vieren. En vanuit het Michaels-feest zullen we de andere jaarfeesten zo gestalte kunnen geven, als het voor onze tijd nodig is.

In het Gabriel-tijdperk, dat van 1525 tot 1879 duurde, was het kerstfeest het feest, van waaruit eigenlijk het jaar beleefd werd. Want Gabriel is de aartsengel van de geboorte. En het kerstfeest is nu veelal tot traditie geworden, een verburgerlijkt familiefeest, wanneer het niet door de geesteswetenschap, door het licht van de Michael-impuls, nieuwe vorm en inhoud krijgt.

Michael heeft de kosmische intelligentie, die hij beheerde ter beschikking van de mensheid gesteld in een tijdperk, waarin hij niet zelf als tijdgeest werkzaam was. Daarom kon Ahriman er zich van meester maken. Maar Michael heeft in een bovenzinnelijke ‘school’ de mensenzielen voorbereid, die op aarde die intelligentie wederom aan Ahriman ontrukken moeten. Nu hijzelf regent van de tijd geworden is, is die strijd begonnen. Mensenzielen zijn op aarde, komen op aarde, die voor die strijd door Michael zelf zijn voorbereid. En in dit jaargetijde staat zijn lichtend beeld voor ons, zeer nabij, dringend vermanend door zijn ernstige blik, dat we aan deze strijd actief deelnemen. Omdat, wanneer de kosmische intelligentie niet door de mens zelf aan Ahriman ontrukt wordt en in dienst van de Christus gesteld wordt, de gehele mensheid in de afgrond moet storten, waaruit de draak steeds weer zich opheft, wanneer het zwaard van Michael hem niet terugstoot. Wij, de mensen op aarde, moeten dat Michaelszwaard hanteren.

Elisabeth Mulder, vertaling, mededelingen Antroposofische Vereniging, jrg. 31 nr.10 1976

.

[1] Bron
[2] Das Goetheanum, 4 okt. 1925
[3] Karmaonderzoek 4
[4] Filosofie van de vrijheid

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël           jaartafel

.

2235

.

VRIJESCHOOL – IJsheiligen

.

In de jaren 1960 en later gaf uitgeverij Thieme in Zutphen een blad uit voor onderwijzend Nederland: ‘De vacature’. Uiteraard stonden daar veel vacatures in, maar ook allerlei interessante artikelen. Op deze blog zijn daar nog een aantal van terug te vinden.
Nu vinden we veel informatie op Wikipedia, maar toen was het fijn om al dat interessants bij de hand te hebben, om bijv. er in de klas wat mee te kunnen doen.
Deze dagen zijn het ‘de ijsheiligen’. Toevallig is het aan het weer wel te merken: met zo’n 11 graden is het veel te koud voor de tijd van het jaar.

.

J.C.Alders in ‘De vacature’, nadere gegevens onbekend
.

DE IJSHEILIGEN

De dag van 12 mei is de herdenkingsdag van Pancratius, de 13e mei is de dag van Servatius, bisschop van Tongeren, die op 13 mei in Maastricht overleed. Het jaar is niet bekend, zowel 384 als 403 worden genoemd. En 14 mei is de dag van Bonifacius, welke omstreeks 200 leefde (en dus niet verwisseld kan worden met de Bonifacius, welke in 755 bij Dokkum vermoord werd).

Soms wordt ook 11 mei, de dag van Mamertus, erbij gerekend. Deze Mamertus, bisschop van Vienne (Frankrijk), stelde tegen het jaar 500 processies in ter bescherming van de akkers tegen nachtvorst en het Concilie van Orléans van 511 schreef dit voor voor geheel Gallië.

Het was niets anders dan het „christelijk” maken van een oud Germaans gebruik de winterdemonen door ommegangen te verjagen, want de winterdemonen zouden de nachtvorst veroorzaken.

Men riep bij die ommegangen Nerthus, ook Hertha, Herke, vrouw Wod en Freke, geheten aan. Nerthus was de godin van de oogst.

Ploeg en egge waren haar gewijd. Vrouw Wod komt van „vrouw van Wodan” en Freke van Frigga of Freya. In een heilig bosje stond haar wagen en meermalen in de loop van het jaar voerde men die wagen, getrokken door koeien (symbool van de vruchtbaarheid) door het land, een beeld van de godin meevoerende. Waar zij verscheen, mocht niet gevochten worden en werden feesten gevierd. Men vierde dan de heilige bruiloft van godin Nerthus met de priesters en de godin werd vertegenwoordigd door jonge meisjes. Het was dus een soort sacrale prostitutie, die we ook kennen van de Grieken door de hetaeren en van de Joden. Deze kenden de godsdienstige prostitutie, waarbij mannen en vrouwen zich in dienst van de godheid aan ontucht prijsgeven. In de Statenvertaling heten zij „hoeren” en „schandjongens”, wat eigenlijk „gewijden” moet zijn (Deut. 23 : 17, 1 Kon. 14 : 24, 2 Kon. 23:7.)

Bij terugkeer werden de wagen en het beeld van Nerthus in een meer gewassen en de slaven die de reiniging uitvoerden werden als mensenoffers aan de godin gedood.

Mogelijk staat het wassen van het beeld in verband met de heilige bruiloft van de godin, want werd het water uit een heilige bron of meer als vruchtbaar makend voor de vrouwen beschouwd, die de plaatsvervangsters van de godin waren.
De wagen stond in een heilig bosje, want de Germanen kenden geen tempels en de Romeinen verwonderden zich daarover, gewend als zij waren aan tempels. Ook kenden de Germanen geen beelden van goden. Wat men gevonden heeft, waren ruwe palen met alleen een aanduiding van een gelaat en geslachtskenmerken. De goden zaten volgens de Germanen niet in een hemel, maar woonden op Aarde in bomen, bronnen, bergen, wolken en vooral in moerassen.
In de moerassen offerde men aan de goden veldvruchten, dieren, mensen (vandaar de vele veenlijken) en wapens. De priesters „spraken” met de goden onder een eik (zoals de door Bonifacius gevelde Donar-eik), onder een rots, een menhir, binnen een kring stenen.

Wikipedia

Meer folklore bij: jaarfeesten: alle artikelen

.

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

2123

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1 april

.

Er zijn veel anekdotes in omloop over de oorsprong van ‘1 april‘. 
Dit artikel stond in het onderwijsblad ‘De Vacature’. Datum onbekend, ergens in de jaren 1970.

.

1 april de dwaaste dag van het jaar

De eerste april staat aangetekend als de dag, waarop de meest malle gevallen geoorloofd zijn, waarop het geoorloofd is elkaar voor de gek te houden. Deze gewoonte grijpt tot diep in de verlopen eeuwen terug.

Lang, voordat de ‘ijzeren hertog’ de befaamde ’bril’ (Den Briel) verloor, was de april-fopperij reeds in zwang. Men heeft allerlei verklaringen aan de hand gedaan aangaande het ontstaan van de ’poissons d’avril’ of de aprilgekken. Sommigen zochten de oorsprong in het feit, dat Christus in deze maand tussen Pilatus en Herodes heen en weer werd gezonden. De Fransen hierin ’dat een prins van Lorraine door Lodewijk XIll op het kasteel van Nancy zou gevangen gehouden zijn en een middel zou hebben gevonden om de wachters te bedriegen en te ontvluchten op de eerste april door de vlakbij stromende rivier al zwemmend over te steken. De inwoners van Lorraine, hiermee bekend geworden, zeiden, dat men de Fransen een vis in bewaring had gegeven’.

Deze dag worden meestal personen, die niet tot de slimste behoren, uitgezonden om onmogelijke boodschappen te doen. Of men zendt ze op de laatste dag van het jaar naar de markt, omdat daar iemand te zien is met zoveel neuzen als er (nog) dagen in het jaar zijn. Of op de voorlaatste dag van het jaar is iemand te zien met zoveel ogen, als er (nog) dagen in het jaar zijn.

Legende

We lazen in verband hiermede de volgende legende.

Het slot te Loosduinen werd in de derde eeuw bewoond door graaf Hennenberg, gehuwd met een dochter van Floris IV, zuster van Willem, Rooms koning. Deze Margaretha stond bekend als een trotse, hardvochtige vrouw. Eens klopt een bedelares, die een tweeling op de arm draagt, bij haar aan om een aalmoes. De gravin overstelpt haar met verwijten. Het is schandelijk en onbeschaamd, dat een vrouw, die met bedelen de kost moet verdienen, aan een tweeling het leven schenkt. De bedelares vervloekt daarop de hardvochtige edelvrouw en voorspelt haar, dat ze zoveel kinderen zal krijgen, als er dagen in het jaar zijn, maar, dat deze haar door de dood ontnomen zullen worden tot straf voor haar gevoelloosheid. 

Volgens de legende is deze voorspelling uitgekomen. Op Goede Vrijdag van het jaar 1276 schonk de gravin het leven aan zoveel kinderen als er dagen in het jaar waren. Deze zaak is minder wonderbaarlijk, wanneer men weet, dat oudtijds met Pasen het jaar begon en de geschiedenis hierop neerkomt, dat de gravin op dc bewuste Goede Vrijdag twee kinderen werden geboren. Beide stierven. Hieraan herinnert nog het rijmpje:

’Doe si uten werelt bleve,
Ment jaer duysent 200 en 76 screve,
Opten goeden Fridach ten neghen ure,
Haer siel magh in ewigheyt duyren.’

De Engelsen spreken van de eerste april:

’On the first day of April
Hunt the gowk another mile’,

dus: zend de gek nog een mijl verder.

APRILMOPPEN

De marmolo

Volgens Drijvers beschouwing geeft Salvatore di Gracomo, de Napolitaanse dichter, als oorzaak van de ’pesse d’aprile’  het volgende aan:

In het begin van het jaar 1631 kwam een zekere graaf Montezey te Napels. Deze hield heel veel van vis, vooral van de marmolo, die men maar tot half maart kon vangen.
Op de spijslijst plaatste hij voor zijn maaltijd op de eerste april deze vis. De kok geraakte er zeer door in verlegenheid, omdat deze vissoort niet meer te krijgen was. Daarom bootste hij hem na in deeg en beschilderde hij hem met de kleuren van de marmolo. De graaf vermaakte zich met deze grap en prees de lekkere aprilvis.

Hofnar Kölling

De aprilmoppen werden dus niet alleen getapt bij de groep van ’kleyne luyden’, maar ook in de weelderige zalen van de groten der aarde. Zo vinden we een aprilgrap opgetekend van de machtige Bourgondische hertog Filips de Goede uit bet jaar 1566. De graaf droeg op 31 maart van dit jaar zijn hofnar op een originele aprilgrap uit te denken, die, wanneer ze succes zou oogsten, beloond zou worden met een muts vol goudstukken. Wanneer de nar daartoe niet in staat zou zijn, zou hij onthoofd worden. Men kan zich voorstellen dat de hofnar zich niet in de prettigste stemming bevond, omdat hij wist dat de vorsten nu niet bepaald zo heel zuinig waren met menselevens.

De hovelingen misschien wel enigszins begaan met het lot van de arme Kölling, vulden meer dan rijkelijk diens beker met geestrijk vocht, zodat de zot weldra, volmaakt dronken, in slaap zonk. Hoe ontsteld was hij, toen hij eerst de volgende dag, dus 1 april, door de bode van de vorst werd gewekt en deze hem erop wees, dat hij de ‘inslaande’ aprilmop vergeten was. Het vonnis moést dan ook dadelijk worden uitgevoerd. De beul wachtte… Bevend over al zijn leden, knielde Kölling neer en legde het geblinddoekte hoofd op het blok. Toen volgde de genadeslag, doch met… een worst, in plaats van met een bijl.

Toch was de ontsteltenis, die deze handeling teweegbracht groot, want de nar rolde, als dood, van het schavot. Ook de graaf, die de terechtstelling bijwoonde, was ontdaan. Zuchtend en hoofdschuddend, knielde hij neer bij het naar hij meende, ontzielde lichaam van de nar, uitroepend: Wel driemaal vulde ik zijn muts, als de nar maar weer in ’t leven terugkeerde!’
Terstond sprong de doodgewaande zot op, trok zijn muts van het hoofd en hield deze glimlachend de vorst voor, zeggend: ’lk hield me maar dood, ’t was slechts een aprilgrap!’

Meer folklore onderaab bij:

jaarfeesten: alle artikelen

.

2072

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Palmpasen (10)

.

Loïs Eijgenraam, Vrije Opvoedkunst, nr. 1/2/ 2013
.

Palmpasen en Pasen vieren

Ouders die de jaarfeesten in hun gezin willen vieren, geven vaak aan het paasfeest een ‘lastig’ feest te vinden. Dood, opstanding… Hoe geef ik dit vorm met mijn kinderen als ik het feest zelf al niet kan begrijpen? leder jaar op de Academie voor Ouders is dit feest een onderwerp van gesprek. In dit artikel gaan we in op het palmpaasfeest en paasfeest.

Dit jaar (2013) vierden we op 24 maart palmzondag. De zondag voor Pasen is het palmzondag. Palmzondag herinnert ons aan Christus, die, gereden op een ezeltje, in Jeruzalem kwam.

In Jeruzalem vierden de mensen op die dag het joodse paschafeest. De mensen dachten dat nu eindelijk hun redder, hun koning daar was… Ze hadden immers over de wonderen gehoord, over genezingen, over redding en hoop. Ze spreidden mantels uit op de grond, trokken takken van de palmbomen en legden deze op de grond, en verwelkomden zo vreugdevol en hoopvol hun koning. Echter, Christus wilde niet een aardse koning zijn maar een koning die heerst zonder recht op land, status, eer.

Hij wilde een Koning zijn die de mensen de weg naar binnen toe wijst, de weg naar het warme hart. Een hart dat klopt vanuit een evenwichtige binnenwereld staande tussen de uitersten van het leven.

Al eeuwenlang, ongeveer vanaf de zevende eeuw, vieren mensen de palmzondag met palmprocessies. Waarschijnlijk is dit feest zo populair geworden omdat het aansloot bij een oeroude, heidense traditie om in de lente takken in het veld en de akker te steken als beeld van vruchtbaarheid voor het nieuwe oogstseizoen dat komen ging. De takken die bij de processie werden meegedragen, waren eerst in de kerk gewijd om zo dit heidens ritueel te kerstenen. Later ging men deze takken versieren met linten, vruchten, eieren en brooddeegfiguren. Net als bij het Sint-Maartenfeest is ook dit feest in de loop der tijden een kinderfeest geworden en lopen nu op vele plekken in het land op palmzondag, of op de vrijdag ervoor, kinderen zingend met hun palmpaasstok door het land. Zondag, de eerste dag van de week, de dag waarop men kan rusten van de werkweek die achter ons ligt en men zich kan voorbereiden op het nieuwe dat komen wil. De dag van de zon, de gouden Zon die iedere dag trouw de mensen warmte, kracht en licht schenkt.

In kindertekeningen is het beeld van de zon als alom aanwezig beeld te zien: bijna alle kleuters tekenen een zon boven aan hun tekenblad. Een eerste mensfiguur in de kindertekening lijkt vaak op een zonnetje.

Palmpaasstok

Kijken we naar de palmpaasstok waar de kinderen mee lopen dan zien we vele oude tradities zichtbaar worden: er zijn streken in Nederland waar met een enkele stok wordt gelopen, een kruisstok, een stok met vele dwarstakken. Vaak wordt er gekozen om jonge kinderen een stok te geven zonder een kruismotief. Dit vanuit de gedachte dat een jong kind nog niet zo verbonden is met het beeld van het kruis dat lijden uitdrukt. Echter, dit is geen wet van Meden en Perzen. Aan ouders op de Academie voor Ouders vraag ik altijd om zelf goed te kijken: wat neem je waar aan je kind? Waar kan je zelf een verbinding mee maken? Wat je als opvoeder innerlijk kunt voelen, dat voelen de kinderen en dan is het goed.

De stok wordt meestal versierd met kleuren-crêpepapier: rood en wit of kleuren groen en lichte lentetinten. Een cirkel van karton of pitriet, versierd met geel papier of een gouden zon, straalt als een zon vanaf de palmpaasstok de wereld in. Een ketting met gedroogd fruit hangt aan de stok. Aan de ketting zitten vruchten, gedroogd en bewaard uit het vorige oogstjaar, kiemdragend in het heden en beloftevol wachtend op de tijd dat het zaad in de akker weer tot vrucht kan worden. Hoewel… de vruchten aan de palmpaastakken verdwijnen meestal in de monden van de kinderen om daar vruchtbaar ander werk te verrichten en niet in de aardegrond. Aan het ei hangt soms een gehaakt netje met een uitgeblazen ei erin. Haken van een paasnetje voor eitjes aan de palmpaasstok:

1 —Haak 6 lossen.
2 —Haak een halve vaste in de eerste losse. Je hebt nu een ring.
3 —Haak 15 stokjes in de ring.
4 —Haak tussen elk stokje een stokje en een losse.
5 —Haak tussen elk stokje een stokje en twee lossen.
6 —Haak tussen elk stokje een stokje en drie lossen.
7 —Haak weer een stokje en drie lossen in elk gaatje, maar doe dit twee keer in het derde, zesde, negende, twaalfde en vijftiende gaatje, je hebt nu 20 stokjes met steeds 3 lossen.
8 —Haak continu door tot je zakje lang genoeg is. Ik heb ongeveer 17 rondes gehaakt, minder kan ook voor een kleiner zakje. Maak dan een schulprandje door in elk gaatje te haken: 1 vaste, 1 stokje, 1 dubbel stokje, 1 stokje en een vaste.

Ook worden er uitgeblazen eieren met een touwtje aan de stok gehangen. Het ei als beeld van de kiemkracht, van het nieuwe leven dat aan de palmpaasstok de wereld in gedragen mag worden.
Boven in de top prijkt een haantje en soms een zwaantje. Een zwaantje als beeld van de zuivere schone ziel van de mens. Het haantje als beeld van de oproep: mens wordt wakker, het is dag. Mens sta op! Niet alleen een opstaan aan het begin van de nieuwe dag maar ook een opstaan in onszelf. Ga je weg rechtop met de ik-kracht die de haan oproept. Een haantje moet wel gevoed worden, anders gaat hij dood. Het ik van de mens vraagt ook om voeding, anders verpieteren we innerlijk.

Zo wordt de palmpaasstok meer dan een tak die je als kind de wereld in draagt. Het wordt tot beeld van een tak van de levensboom waar ook jij mee verbonden bent.

Na zeven dagen is het Pasen. Voor jonge kinderen een feest waarin zij mogen beleven dat er overal in de wereld iets voor jou verstopt kan zijn, een geschenk met kiemkracht, nieuw leven. Als je goed zoekt kan je dit vinden in de ‘tuin van het leven’.

Jonge kinderen, in de leeftijd tot ongeveer 7-8 jaar, hebben veelal een andere verhouding tot leven en dood dan oudere kinderen en volwassenen. Daar waar volwassenen diep verdriet hebben en stil zijn, kunnen kinderen naast de kist van een gestorvene spelen, spelletjes doen, er bij weglopen en buiten gaan spelen om daarna het spel weer te hervatten. Jonge kinderen kunnen de aanwezigheid van een gestorvene nog voelen en erover vertellen. Vanaf ongeveer 9 jaar komt een kind anders tegenover de wereld en zichzelf te staan. Het realiseert zich dan dat iemand echt niet meer terugkomt als deze gestorven is. Ook je lieve konijn dat dood is gegaan, is niet te vervangen door een ander lief konijntje… uiteraard spelen hier temperamentverschillen in mee en gaat ieder kind daar anders mee om.

Op vrijescholen wordt vanaf klas 4, als de kinderen 9 jaar zijn geweest, het paasverhaal vertelt. Het sterven en de opstanding van Christus, Hemelvaart en Pinksteren worden verteld zonder ‘een kleur van emotie of sentiment of gekleurd vanuit een kerkelijke beleving of vormgeving’. Dit, opdat de kinderen later in vrijheid zelf op zoek mogen gaan naar wat Pasen hen te zeggen heeft.

Verhaal: ‘Het haasje in de maan’

“In een van zijn vele voorgaande levens, werd de toekomstige Boeddha geboren in het dierenrijk als haas. Wonend op zijn rustige plekje in het bos had de haas vriendschap gesloten met een otter, een aap en een jakhals. Zowel de haas als zijn drie vrienden hadden een hoge staat van bewustzijn bereikt. Het was op één van de vastendagen dat het haasje zei: ‘Wij moeten geen voedsel tot ons nemen. Maar als iemand ons vraagt om voedsel, dan moeten we geven wat we hebben.’

Diezelfde dag ving de otter een grote vis, de jakhals had een stuk vlees gevonden en de aap had in een mangoboom prachtige vruchten geplukt. Alleen de haas zat in zijn hol te piekeren. Hij had enkel hard gras dat niemand verder lustte. Dus besloot hij zijn eigen lichaam te geven als iemand daarom vroeg.

Op dat moment zat Indra (de god van mededogen) op zijn goddelijke troon, en weende om zoveel mededogen van de haas. Hij besloot de haas op de proef te stellen. Indra veranderde zichzelf in een Brahmaan en ging naar de otter om voedsel te vragen. Zonder aarzeling gaf de otter zijn mooie vis weg. Toen de Brahmaan bij de jakhals en de aap om voedsel vroeg, gaven ook zij hun vlees en fruit weg. Tot slot ging de Brahmaan naar de haas en zei: ‘Beste haas, heb jij wellicht enig voedsel over voor mij?’ De haas was buitengewoon blij een ander blij te kunnen maken. ‘Verzamel wat hout om een vuur te maken en vertel me wanneer het goed brandt.’
Indra deed wat de haas gezegd had, en toen het vuur goed brandde sprong de haas, de toekomstige Boeddha, in het vuur. Een groot gevoel van gelukzaligheid vulde zijn hart. Groot was echter zijn verbazing toen hij bemerkte dat het vuur helemaal niet heet was. ‘Wat heeft dit te betekenen, waarom verbrand ik niet?’ vroeg de haas aan de Brahmaan. Toen vertelde Indra wie hij werkelijk was en dat hij de edelmoedigheid en mededogen van de haas op de proef wilde stellen. ‘Dat had niet gehoeven,’ reageerde het haasje, ‘wie mij ook op de proef zou stellen, niemand zou mij erop kunnen betrappen dat ik iets met tegenzin zou geven, zelfs niet als het om mijn eigen lichaam ging.’
Indra was verbaasd van zoveel wijsheid. Hij pakte een berg en kneep die uit, en met het sap tekende Indra een haasje op de maan. Hetzelfde haasje is nu nog steeds te zien.

Toen keerde Indra terug naar de hemel en het haasje keerde ongedeerd terug naar zijn plek in het bos…

.
*Met toestemming van de auteur Loïs Eijgenraam

Boeken van de auteur

Website Loïs Eijgenraam

School voor antroposofische kinderopvang

Palmpasen en Pasenalle artikelen
.
VRIJESCHOOL in beeldPalmpasen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

..

VRIJESCHOOL – Vrijdag de dertiende

.
J.H. Kruisinga, de Vacature 05-10-1978
.

Bijgeloof rond vrijdag de dertiende…

Vrijdag 13 februari 1976 werd in een drukke Londense straat een ladder tegen een gevel gezet en met een verdekt opgestelde televisie-camera observeerde men de voorbijgangers. Liepen ze onder de ladder door en kruisten zij daarbij de vingers? Of maakten ze liever een kleine omweg? Negenennegentig procent liep om de ladder heen. Ook ging men met een televisiecamera naar de hoek van Hyde-Park, waar de straatredenaars het publiek hun opvattingen wilden opdringen. Aan elk hunner werd gevraagd wat hij van vrijdag de dertiende dacht. Een vrouw antwoordde: „Ik ben communiste, wij geloven niet in bijgeloof”.

Anderen toonden zich onwillig zo maar hun naam bekend te maken. Vooral bij primitieve volkeren heerst het bijgeloof dat hij, die uw naam weet, daarmee tevens macht over u krijgt. De Mau-Mau-leden zwoeren bij hun intrede hun naam af en leefden onder bijnamen. Zo is er meer:
„Een spin in de morgen brengt verdriet en zorgen”.
Blaas driemaal in uw kous eer u ze aantrekt, dat behoedt u voor ongelukken.
Droog bij het wassen eerst uw handen af, dat voorkomt tandpijn.
Stap vooral niet met „uw verkeerde been” – dat is het linker – uit bed.
Morst u zout, werp dan vlug een beetje daarvan over uw linkerschouder, dan komt alles nog in orde. Vroeger was zout erg schaars. Zout morsen was dus inderdaad een ongeluk.

Ook nu leeft veel bijgeloof voort

Ziet u ’s middags een spin, dan boft u:
„Een spin in de middag, brengt geluk vóór de derde dag.”
Komt u ’s avonds moe thuis en het beestje is nog niet verdwenen, dan is uw dag toch nog goed:
„Een spin in de avond brengt verkwikking en lafenis.”

U hebt een zwarte kat ontmoetop uw weg? Velen beschouwen dit als een ramp. Dit idee is al heel oud en afkomstig uit de tijd dat men nog aan heksen geloofde. Deze dames kozen als vermomming de gedaante van een zwarte kat.

Steek nooit drie sigaretten met één lucifer aan; er zal iets verschrikkelijks gebeuren. Dit bijgeloof schijnt te herinneren aan een episode uit de Boerenoorlog. De Engelsen hadden de gewoonte, om als ze meenden niet door de Boeren te worden gezien, ’s nachts te roken. Brandde de lucifer zo lang dat drie rokers er van profiteerden dan hadden de Boerenscherpschutters ook tijd voor een welgericht schot.

Het is niet verwonderlijk, dat het juist een Engelse geestelijke is, die alle bijgeloof bestrijdt, Rev. Balleine heeft onlangs op vrijdag de dertiende een betoog gehouden om zijn landgenoten te genezen. Zijn remedie was: „Doe vooral alles, wat het bijgeloof u verbiedt. Loop onder ladders door, ga gerust met z’n dertienen aan tafel zitten, mors zout en noem voluit uw naam.”

Hij gaf de oorsprong van bepaalde bijgelovigheden.
Op de eerste afbeelding van de kruisiging kwam een tegen een kruis leunende ladder voor en onder die laddér zat de duivel, knarsetandend. Daardoor zou het bijgeloof ontstaan zijn, dat het gebied onder de ladder duivelsterrein was.

Dertien is het ongeluksnummer omdat het laatste avondmaal dertien personen verenigde. Met Judas wordt het verbod van zout morsen in verband gebracht: hij zou dat gedaan hebben gedurende dat avondmaal.
Volgens deze predikant wordt de vrijdag als ongeluksdag beschouwd omdat de kruisiging op die dag geschiedde. Aanvankelijk nam men die dag in acht in vroom herdenken; later werd deze zelfde opgelegde onthouding voor anderen, die er de zin niet van begrepen, tot een verbod en aan dat verbod ging men een geheimzinnige betekenis toeschrijven.

Is alles toeval?

Inmiddels zitten de bangen nog steeds met het geval 13. Men zegt dat het zo berucht werd omdat het volgt op het in de magie, tijdrekening en de sterrenkunde zo gewichtige getal 12. Iets dergelijks gebeurde met de cijfers, volgend op 100 en 1000. Denkt u maar aan de 101 saluutschoten en de 1001 nacht.

De angst voor de 13 speelt velen parten.
De Italiaanse dichter Gabriele d’Annuzio was een van hen. Op vrijdag de 13 december 1907 kreeg hij een ernstig ongeluk nadat hij 13 brieven ’s morgens had ontvangen, voor een rit met een huurrijtuig (no. 13!) 13 lire moest betalen en aan tafel zat met 13 personen. Deze bijgelovige dichter schreef het jaar 1913 dan ook altijd als 1912 plus 1. 

De Franse dichter Egmond Rostand (een naam van dertien letters) dacht er anders over: 13 bracht hem juist geluk. En de directeur van het theather Ambigu Louis Bochard gaf bij voorkeur eerste voorstellingen op de dertiende van de maand: zijn stukken werden een succes als de dertiende bovendien op vrijdag viel. De angst voor dit merkwaardige bedrijf. Er bestaat te Parijs een agentschap, dat gasten „verhuurt” bij gemis aan een veertiende persoon.

In Engeland, Frankrijk, Zwitserland, Italië en verschillende Duitse plaatsen laat men vaak het huisnummer 13 vervallen. Zo ontbreekt dit nummer in een groot aantal Londense straten, o.a. in Housditch, in Charles Street bij Berdely Square, waar in sombere huizen aristocraten en miljonairs wonen.

Nu zijn er gelukkig ook lieden, die van dit gedoe niets moeten hebben. Zij stichtten clubs van dertien leden. U vindt ze te Londen, Parijs en New York. De Parijse „Club van dertien” komt slechts bijeen in een binnen Parijs’ dertiende arrondissement gelegen restaurant, dat het huisnummer 13 draagt!

In de VS heeft 13 niet de noodlottige betekenis, dat dit cijfer voor Europa schijnt te hebben. Op 13 oktober 1492 werd Amerika ontdekt; de eerste Amerikaanse vlag telde dertien strepen en dertien sterren. Het Amerikaanse devies „E pluribus unum” (van velen een) bestaat uit dertien letters: de adelaar boven het wapen houdt in de ene poot een olijftak van dertien bladeren en dertien bliksemen in de andere. Elke vleugel bestaat uit dertien veren en elke bliksem uit even zovele stralen. Erger kan het al niet!

Beheerst door 13

Victor Hugo begaf zich op 13 februari 1871 van Parijs naar Bordeaux om deel te nemen aan de Nationale vergadering. Zijn salonrijtuig telde toen dertien reizigers; te Bordeaux logeerde hij in een huis met het nummer dertien. Toen hij deze aantekeningen uit zijn dagboek een maand later nog eens doorlas, kwam men hem juist vertellen, dat zijn zoon Charles was overleden.

Het leven van Richard Wagner werd beheerst door het getal dertien. Zijn naam bestaat uit dertien letters: zijn geboortejaar was 1813 en hij stierf op 13 februari 1883. Hij heeft 13 opera’s en muziekdrama’s geschreven. In 1822 (deze vier cijfers opgeteld geven de som van 13) kwam hij op de kruisschool te Dresden. In 1831 (opgeteld 13) werd hij aan de universiteit te Leipzig ingeschreven. In 1840 (opgeteld 13) componeerde hij de „Faust-ouverture” en voltooide hij „Rienzi”. De 13de september 1841 beëindigde hij het compositie-ontwerp van „Der Fliegende Holländer.” Op 13 juli 1843 begon hij aan de compositie van „Tanhäuser” en de 13de april 1845 was de partituur gereed. Op 13 mei 1849 kwam Wagner op zijn vlucht uit Dresden bij Liszt in Weimar, op welke datum het begin van de grote vriendschap tussen de beide meesters valt. Op 13 oktober 1856 kwam Liszt Wagner in ballingschap te Zürich bezoeken; de 13de maart 1861 vond de gedenkwaardige eerste uitvoering van Tanhäuser te Parijs plaats.

Op 13 mei 1871 begon Wagner te Triebschen met de uitgave van zijn „Gesammelte Schriften”. Op 13 augustus 1876 gaf het Festspielhaus te Bayreuth zijn eerste voorstelling, die tevens het begin was van de eerste complete uitvoering van de „Ring der Nibelungen”. Op 13 januari 1882 was de partituur van „Parsifal” voltooid: 13 maanden later stierf Wagner te Venetië, nadat hij 13 jaar met Cosima, Liszt’s dochter (en eerste vrouw van Hans Bülow) gehuwd was geweest en 13 jaar in verbanning leefde.

Richard Wagner was 13 jaar toen zijn vader stierf. De „Siegfried-idylle” is voor een 13-stemmig orkest. In 1930 (opgeteld 13) stierf eerst Cosima en enige maanden later stierf Siegfried Wagner. Deze laatste heeft, evenals zijn vader, 13 opera’s gecomponeerd en zijn oudste zoon was bij het overlijden van Siegfried eveneens 13 jaar oud… Men kan in deze merkwaardige samenloop van omstandigheden naar diepere oorzaken zoeken. Richard Wagner deed dit zelf nimmer en men kan moeilijk zeggen, dat het hem in zijn leven erg tegenliep.

Deze week valt de vrijdag ook op de dertiende en de meeste van onze lezers zullen er niet heet of koud onder worden. Of toch wel? . .. .,  .

0-0-0

Paul Spapens, ED 13-08-2004
.

Vrijdag de dertiende. Oeioei! De vrijdag was de dag van Freya, godin van liefde en vruchtbaarheid. De vrijdag was daarom van oorsprong een geluksdag, zelfs de gelukkigste dag van de week. Wie echt de Zilvervloot binnen wilde zien lopen, moest op vrijdag trouwen of op vrijdag geboren worden – dat waren ware zondagskinderen. Vanuit christelijk oogpunt werd de vrijdag als lijdensdag van Christus de meest ongelukkige dag van de week. Het was niet raadzaam op deze dag te reizen, van baan te veranderen of wat dan ook te ondernemen. Valt deze ongeluksdag op de dertiende dan zijn de rapen helemaal gaar omdat dertien ongeluksgetal bij uitstek is. Ook dit kan vanuit de christelijke traditie worden geduid: bij het Laatste Avondmaal waren dertien personen aanwezig. Een van hen was een verrader. De Babyloniërs waren al bang voor dertien omdat de dertiende maand bij hen schrikkelmaand was.

0-0-0

Het getal 17 brengt in Italia ongeluk. Het is niet helemaal duidelijk waarom dit zo is. Een verklaring luidt dat het te maken heeft met de schrijfwijze in Romeinse cijfers. 17 wordt met deze cijfers namelijk als xvii geschreven. In de middeleeuwen, toen Italiaanse volkeren voornamelijk dialect spraken en er veel analfabetisme was, verwarden ze xvii en vixi. Het laatste betekent in het Latijn ‘ik heb geleefd’, en werd veel op graven van overledenen geschreven. Vandaar dus dat het getal 17 in Italia met de dood wordt geassocieerd, en dus vermeden moet worden.
Dat verklaart ook meteen waarom de Renault 17 in Italia R177 heet, en waarom de vliegtuigen van Alitalia geen stoelnummer 17 hebben. Het bijgeloof gaat soms zelfs zo ver dat in sommige straten huisnummer 17 wordt overgeslagen. Nummer 16 wordt dan gevolgd door 16a en daarna komt 18. Zo omzeil je het ongeluk!

0-0-0

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldJaarfeesten – alle beelden

2062

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (1-2)

.

Peter v.d Linden*, schoolblad vrijeschool Den Haag, nadere gegevens onbekend
.

MASKERS
.

Het is wel eens interessant om je af te vragen hoe mensen ertoe gekomen zijn zichzelf achter een masker te verbergen, of laten wij zeggen: om een masker te gaan dragen.
In het dagelijks leven komen wij er al gauw toe bij allerlei gelegenheden onszelf achter een masker te verbergen. Dat zijn dan onzichtbare maskers. Deels zijn wellicht de maskers die wij op het toneel dragen diezelfde maskers maar dan alleen zichtbaar geworden. Bijvoorbeeld in “Macbeth” van Ionesco worden in de voorstelling die “De Appel” ** ervan geeft maskers gedragen die allemaal op elkaar lijken.
Een soort vogelachtige doodskoppen.

De emoties zijn niet zichtbaar in het masker, maar ze leven er als het ware achter. Ik denk dat je als toeschouwer voortdurend geneigd bent je nieuwsgierig af te vragen wat er onder, achter dat masker zit. Wel, er onder zit er wéér een en daar onder nóg een. Ook bij de machthebbers van onze tijd, pardon, niet van alle machthebers, vraag je je vaak af waar het masker ophoudt, in dit geval het
onmenselijke masker, en de menselijkheid begint.
Is het niet opvallend hoe weinig uitdrukking veel van die, laten wij zeggen, heersers, op hun gezicht hebben. De uitdrukking dié er is, is bij hen allen angstig gelijkvormig.

Maskers zijn al oeroud. Heel lang geleden is er een tijd geweest dat de mensen nog wisten hoe goden eruit zagen, hoe duivels eruit zagen. Wat voor “gezichten” ze hadden . “Toneelspelers” uit die dagen zullen wel gedacht hebben: “Ik kan veel, maar zulke gezichten kan ik niet trekken. Dat is veel te moeilijk” en zij gingen aan het werk met veren, hout, kralen, schelpen enz. en maakten de “gezichten” van hun goden en duivels en die zetten zij op en begonnen te dansen en te spelen. Misschien maakte de priester die maskers wel voor hen en na de voorstelling gingen alle maskers terug naar het heiligdom. Ten slotte kun je het gezicht van een god niet zomaar in een “kleedkamer” laten slingeren. Bu nog wordt er gezegd dat het laten liggen van een masker op de grond ongeluk brengt. Heel dikke boeken zijn er over maskers geschreven. Ik weet er niet zo heel veel van, maar ik heb wel veel met maskers gespeeld en heb ze kortgeleden nog gemaakt voor “De Chinesche nachtegaal” dat “De Appel”‘ samen met de “Geschiedenis van de soldaat” speelt.

Ik kan zeggen dat het spelen met een masker geheimzinnig en fascinerend is. Het masker dwingt je je lichaam op een geheel andere manier te gebruiken. Als het goed is gaat er zowel voor het publiek als voor de spelers een betoverende werking vanuit. Tegelijkertijd is het masker – zoals Eric Vos zegt- een tegenstander voor de speler, het dwingt je om bijvoorbeeld je gezichtsuitdrukking naar je benen te verplaatsen. Alleen al daarom is het goed voor een toneelspeler om met een masker gespeeld te hebben. Er zijn er genoeg die goed “bekken” kunnen trekken maar met hun armen en benen geen raad weten.

Zoals er goden en duivelsmaskers waren, zo ontstonden er maskers die de passies en hebbelijkheden en onhebbelijkheden van de mensen zichtbaar maakten. Duidelijke voorbeelden daarvan vinden we bv. in de maskers van de Comedia del Arte.
Een man die hebzuchtig was en overal zijn neus in wilde steken, had ook een wanstaltig grote neus. De Knecht die door zijn meester onderdrukt en uitgebuit werd (zoals men pleegt te zeggen) droeg een zwart masker met een dikke wipneus en een aanzet tot horentjes op zijn voorhoofd. Ook daarover is het nodige geschreven. Ikzelf heb het knechtenmasker gedragen o.a. in de Knecht van twee meesters van Goldoni). Dat masker laat je a.h.w. vanzelf bewegingen maken die van beneden naar boven gaan.
Het heeft iets dierlijks» Iets van een kat. Hij duikt iedere keer uit de aarde op en wil iets van de hemel proeven, maar dat mislukt steeds. Maar door dat onophoudelijk proberen is hij slim geworden. Hij gilt het uit van plezier als het hem is gelukt een klap of trap van zijn meester te ontlopen, maar direct daarop krijgt hij alweer een mep die hij niet zag aankomen en hij tuimelt verder over het toneel tot groot vermaak van het publiek dat zit te kijken naar iets dat in ieder van hen óók vertegenwoordigd is.
Dat laatste proberen wij als “De Appel” een beetje te verwezenlijken; niet alleen gebeurtenissen spelen die buiten ons plaatsgrijpen en waar je min of meer geïnteresseerd naar kunt kijken, maar ook zaken die zich in ieder van ons afspelen, waar ieder van ons sterk bij betrokken is.

Dit waren zomaar een paar losse gedachten over “maskers”. Er zou natuurlijk nog veel meer over te zeggen zijn. Wie weet, misschien een volgende keer.
.
*Peter van der Linden
**Toneelgezelschap De Appel.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld

.

2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (36)

.
W.F.Veltman* in Vrije Opvoedkunst**, nr. 7/8 2012
.

kerstmis en de engelen
.

Ik geloof niet dat er veel mensen zijn – waarschijnlijk niet één – die op kerstavond de geboorteverhalen uit twee evangeliën: van Lucas en van Mattheüs, voorlezen in de familiekring, of voor zichzelf alleen. Schilders hebben door de eeuwen heen wel degelijk een combinatie van de twee overleveringen uitgebeeld. Ook de beroemde Vlaamse schrijver Felix Timmermans doet dit in zijn vertelling Het Kindeke Jezus in Vlaanderen. Alhoewel, we zien nooit de herders en de koningen gezamenlijk geknield liggen voor de kribbe in de stal te Bethlehem.

Verschillen

Als de twee verhalen in de schilderkunst niet worden gecombineerd, vallen enkele markante verschillen in het oog.

In de voorstelling volgens welke de herders bij het Kind komen (Lucas 2, 1-20), ligt het pasgeboren baby’tje in de kribbe, of ook wel op een bos stro op de grond. Het kind dat de koningen komen bezoeken en vereren (Matth. 2, 9-12), is afgebeeld op de schoot van de moeder – dus al iets ouder. Dat is, voor zover ik kan nagaan, een vaste traditie geweest.

Als we deze twee geboorteverhalen na elkaar lezen en daarna vergelijken, dan zien we enorme verschillen die niet zijn toe te schrijven aan verschillende tijdstippen van het bezoek en de aanbidding. Ook wat ervóór en erna is gebeurd, de voorgeschiedenis en het vervolg, dat is allemaal totaal verschillend.

Waarom geen verklaring?

Hoe is het toch mogelijk dat de verklaring van die verschillen in de loop van de tijd niet duidelijk naar voren is gebracht? Wilde de kerk dat niet? En zo ja, waarom niet? Mochten de gelovigen van Rome de Bijbel zelf niet lezen, omdat dan wellicht lastige vragen gesteld konden worden? Dat was zeker het punt niet. De kerk hanteerde dit als geheimhouding zoals in de oude mysteriën de inhoud van hun leringen ook niet vrij naar buiten mocht komen. Evenwel, de Bijbel werd in de loop van de tijd door hervormers vertaald uit het Latijn in verschillende landstalen, en de protestanten konden de evangeliën lezen, en niet alleen de zogenaamd ‘hogeropgeleiden’ maar ook de eenvoudige mensen zoals een molenaarsvrouw, moeder van Rembrandt. Alleen: een verklaring van de in het oog springende verschillen in de geboorteverhalen kwam met de Hervorming evenmin tevoorschijn.

Twee kinderen

Toch mogen we niet voorbijgaan aan het feit dat juist bij de schilders een mogelijke verklaring van de twee verschillende geboorteverhalen is te vinden. Er bestaat namelijk een niet gering aantal afbeeldingen, uit de Renaissancetijd vooral, waarop twee Jezuskinderen zijn te zien, soms zelfs samen met een derde jongetje dat overduidelijk door een bepaald attribuut dat het draagt, Johannes de Doper is.

Dat het in werkelijkheid om twee Jezuskinderen en twee ouderparen gaat, is ook duidelijk door passages uit de zogenoemde Dode Zeerollen, teksten van de Essenen (een soort kloostergemeenschappen in Palestina en Egypte uit de tijd rond het begin van onze jaartelling), ontdekt in het midden van de twintigste eeuw in grotten aan de oever van de Dode Zee. In deze teksten wordt gesproken over twee Messiasfiguren, één uit de koninklijke lijn en de andere uit een priesterlijke lijn, zoals de evangelisten Mattheüs en Lucas eigenlijk ook in hun twee verschillende stambomen van Jezus hebben overgeleverd.

De koninklijke lijn bij Mattheüs vangt aan met de Davidszoon Salomo. Het kind uit die lijn zou dus het Salomonische Jezuskind genoemd kunnen worden. De andere lijn uit het Lucasevangelie, vangt aan met Nathan[1], eveneens een Davidszoon met dezelfde moeder als Salomo: Bathseba. Deze Nathan was een priesterlijke figuur; van hem is verder niets bekend. Het kind uit die lijn zou je het Nathanische Jezuskind kunnen noemen.

Het is Dr. Rudolf Steiner die als eerste in het begin van de twintigste eeuw in zijn voordrachten over de evangeliën het raadsel van de verschillen in de geboorteverhalen op uitvoerige en duidelijke wijze bespreekt en oplost.

Engelen

Ik wil nu echter over een ander element in deze ‘boodschappen’ betreffende de geboorte van Jezus Christus spreken, waarop meestal niet zozeer de nadruk wordt gelegd, omdat de Europese cultuur sinds de zeventiende eeuw de engelenwereld de rug heeft toegekeerd, maar welk element van de allergrootste betekenis is om met de allerdiepste eerbied de boodschap van Kerstmis te benaderen.

In beide berichten wordt over engelen gesproken. De engel die aan Maria in het Lucasevangelie de geboorte aankondigt – alleen door Lucas verteld, bij Mattheüs is daarvan geen sprake – en de engel die Jozef ervan weerhoudt Maria – een andere Maria dan de door Lucas genoemde – te verlaten, toen hem was gebleken dat zij zwanger was “eer zij samengekomen waren”. Deze geschiedenis waarmee Mattheüs’ vertelling begint, slaat dus niet op de timmerman uit Nazareth waar Lucas over spreekt, maar op een reeds wat oudere Jozef, woonachtig in Bethlehem, die door een wijzing van God gehuwd was – eigenlijk verloofd – met een nog zeer jonge vrouw, een meisje nog, dat eveneens uit het Davidsgeslacht stamde.[2] Zij wordt ook Maria genoemd, maar de evangelist Johannes, die door Christus vanaf het kruis op Golgotha tot behoeder van deze vrouw wordt geroepen, vermeldt haar naam niet. Hij noemt haar slechts ‘de Moeder van Jezus’. Was haar werkelijke naam wellicht ook een toegedekt geheim?

Ontvangenis

Het is duidelijk dat de beide ouderparen in beide gevallen zich van geen bevruchtingsdaad bewust zijn geweest en in beide gevallen heeft de engel dit op markante wijze aangeduid. Hij [3] spreekt namelijk tot de oude man Jozef en tot de eveneens nog heel jonge vrouw van de timmerman over een bevruchting door de Heilige Geest. Deze zogenoemde ‘onbevlekte ontvangenis’ is oorspronkelijk door de gelovigen als een goddelijk wonder aangenomen. Natuurlijk zijn dienaangaande later twijfels ontstaan, wanneer vele mensen niet meer aan godswonderen kunnen en willen geloven. In het begin van de Europese beschaving werden echter alle ‘welgeboren’ kinderen uit een bepaalde cultuurstroom (Germaanse mysteriën in Noord-Europa) in een slaaptoestand van de beide ouders verwekt. Herinneringen daaraan vinden we in het Oudnederlandse woord ‘bijslaap’ voor paring. Dit nog in heiligheid voltrokken gebeuren werd door priesters geleid. Het vrijwaarde de aldus naar de aarde indalende mensenziel van een te sterke door zinnelijke lust geleide incarnatie. Hoe dit oude gebruik in de joodse tempelgeheimen is gekomen, weten we niet. Bij Steiner heb ik daaromtrent niets gevonden, hoewel hij dit gebruik in verband met Jezus’ geboorte wel vermeldt en zegt dat deze onbewuste paring ‘geboren uit de Heilige Geest’ werd genoemd.

Het Heiland-wezen

In het geboorteverhaal volgens Mattheüs wordt verder niets over engelen gezegd. Een hemelse ster heeft de koningen naar Bethlehem geleid. Dat wijst op een uitzonderlijke individualiteit die in dit kind op aarde komt. Welke individualiteit is dat? Het antwoord op deze vraag vinden we in het heilige boek van het oude Iran, de zogenoemde ‘Zend Avesta’. Deze Avesta spreekt over de wederkomst van de grote, wijze leider van de Iraanse godsdienst, Zarathoestra, als toekomstige Heiland – een redder, een genezer – maar ook over een hoger wezen dat op deze Heiland zal nederdalen. Dit is een duidelijke profetische verwijzing naar de Jordaandoop waarbij de Christusgeest, in de Avesta aangeduid met de woorden: “de uit de Vader in eeuwigheid geboren”, indaalt in het Jezuskind dat een volwassen man van dertig jaar is geworden.

Ik geef hier de in het Nederlands vertaalde tekst van de bedoelde plaats in de Avesta (Yasht 19):

De machtige, de koninklijke
beloftedragende zonne-ether-aura
de godgeschapene [eigenlijk: “uit de Vader in eeuwigheid geboren”]
vereren wij in het gebed,

die over zat gaan op de zegenrijkste der heilanden
en op de anderen, zijn apostelen,
die de wereld voorwaarts zal brengen,
die overwinnen zal ouderdom en dood, ontbinding en verval,
die haar brengen zal tot eeuwig leven,
tot eeuwig gedijen, tot vrije wil,
als de doden weer worden gewekt,
als de levende overwinnaar van de dood komt,
en door zijn wil de wereld wordt vernieuwd, [4]

Deze indrukwekkende tekst, eeuwen vóór de komst van Christus op aarde genoteerd in het Nabije Oosten, is een van de belangwekkendste voorchristelijke benaderingen van het Christusmysterie.

Nu komen natuurlijk in verband met het voorafgaande de klemmende vragen: bij de Jordaandoop werd door Johannes de Doper toch slechts één Jezus gedoopt? Welke van de twee was dat, en waar was de andere Jezus dan?

De Twee in Eén

Ik heb heel lang geleden in het Brits Museum te Londen een ‘ansichtkaart’ gekocht met de afbeelding van de Jordaandoop op een zesde eeuws geïllustreerd handschrift. Daar is Jezus in het rivierwater te zien als een dubbele figuur, als een Siamese tweeling. In de daarbij behorende tekst is geen verklaring van deze merkwaardige dubbele figuur te vinden. Men wist in die vroege tijden blijkbaar nog iets van het geheim van twee-in-één. De één-wording van de twee kinderen is in het evangelie van Lucas wel aangeduid, maar tegelijkertijd verborgen. Het zijn echter schilders die meer van dit geheim wisten en het op een bepaalde manier tot uitdrukking brachten. Het meest vermeldenswaardig in deze samenhang is een schilderij van Borgognone: ‘Disputa con i dottori’. Het hing vroeger in de sacristie van de oude Basilica di San Ambrogio te Milaan. Ik heb het daar in 1958 nog gezien. Daar is het na de restauratie niet teruggebracht, doch in een museum gehangen.

De twaalfjarige

Lucas vermeldt in zijn evangelie (2, 41 ev.) dat Jezus op twaalfjarige leeftijd met zijn ouders uit Nazareth naar Jeruzalem reist om het paasfeest te vieren. Maar als de timmerman en zijn vrouw naar huis willen keren, is het kind verdwenen. Ze zoeken hem gedurende drie dagen en vinden hem tenslotte in de Tempel in gesprek met schriftgeleerden die ten hoogste verbaasd zijn over de wijsheid en kennis van deze twaalfjarige. Zijn ouders zullen daarover zeer zeker ook uitermate verbaasd zijn geweest, maar ze beknorren hem alleen een beetje over zijn driedaagse onvindbaarheid en keren heel blij dat hij is teruggevonden met hem naar huis. Dit kind was voordien – alle overleveringen betreffende hem stemmen daarin overeen – één en al liefelijkheid, vol liefde en erbarmen voor mens en dier, doch zonder enig blijk van weten, van kennis, van enige vertrouwdheid met aardse dingen. Nu was hij totaal veranderd, een overrijpe geest sprak nu uit de jongen, van wie de evangelist aan het slot van zijn hoofdstuk schrijft: “En in Jezus groeide de wijsheid en rijpte het karakter en zijn gestalte was schoon voor God en mensen” (vert. Ogilvie, priester van De Christengemeenschap).

Op het schilderij van Borgognone zien we een in het rood gekleed, stralend kind, zittend op een soort verhoogde troon, omringd door mannen, eerbiedwaardige en wijze geleerden, terwijl een ander kind links op de voorgrond wegloopt naar zijn moeder en vader. Dit kind is niet stralend, maar ziet er zwak uit met een gebaar van de rechterhand op zijn hart en met de linkerhand een gebaar van weggaan, van verlaten.Dit kind was oorspronkelijk nog in blauw gewaad gekleed om het verdwijnende, het afzien-van in de kleur duidelijk tot uitdrukking te brengen. Zo heb ik het schilderij nog gezien, maar met de restauratie is ook het verdwijnende kind met een rood gewaad bekleed. Daardoor is gesuggereerd dat het hetzelfde kind is als de op de troon zetelende jongen. In de Middeleeuwen schilderde men immers vaak om het verloop van een gebeuren aan te geven de handelende of anderszins centrale figuur op hetzelfde tafereel meer dan eenmaal.

Is dit hier onwetendheid, of is dit op kerkelijk gezag geschied?

Men had het schilderij al vóór de restauratie van de San Ambrogio weggehaald, omdat voortdurend bepaalde toeristen er zo dringend naar vroegen. Dat waren antroposofen. Wat wisten die? Het geestelijkwetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner over het hier afgebeelde gebeuren deelt ons mee wat Lucas niet in het evangelie onthult.
Het andere kind, de Salomonische Jezus, was met Pasen ook met zijn familie uit Nazareth naar Jeruzalem gegaan. Hoe waren deze mensen in Nazareth gekomen? Vader en moeder van deze jongen waren onmiddellijk na het bezoek van de drie koningen op aandringen van een engel met hun kindje uit Bethlehem gevlucht, want Herodes wilde dit kind, de ware koning van Judea naar hij van de Wijzen uit het Oosten had vernomen, vermoorden om zijn eigen onterechte koningschap – hij was zelfs niet eens 0 van joodse afkomst! – niet te verliezen.

Deze ‘vlucht naar Egypte’ is een beroemd motief uit het Mattheüsevangelie, ook vele malen in kunstwerken vereeuwigd. De gevluchten verbleven twee jaar in de heilige Egyptische zonnestad Heliopolis, totdat ze hadden vernomen dat Herodes gestorven was. Ze keerden terug, doch niet naar Bethlehem, maar naar het ver daarvan gelegen Nazareth in Galilea, waar zij tezamen kwamen met de timmerman Jozef met zijn vrouw en kind, eveneens ‘Jezus’ geheten. In Nazareth was ook een belangrijke vestiging van de Essenen!

Eén-wording

Tijdens de drie dagen dat het Nathanische kind voor zijn ouders onvindbaar was, heeft zich tussen de twee Jezuskinderen, die elkaar dus al vele jaren kenden en innig bevriend met elkaar waren, een bijzondere gebeurtenis afgespeeld. Het ‘ik’ van de Salomonische Jezus was, zoals we hebben gehoord, het machtige, wijze ‘Ik’ van de ingewijde leraar Zarathoestra. Dit Ik-wezen verliet lichaam en ziel van de Salomonische Jezus en doordrong het lichaam en de ziel van het Nathanische kind, waardoor de verbazingwekkende verandering in het drie dagen ‘zoekgeraakte’ kind zich voltrok. Het Salomonische kind offerde zich aan het andere kind, opdat er kon geschieden wat geschieden moest: het machtige, kosmisch-aardse offer van Golgotha.

Zonder menselijk ‘ik’ kon dit Salomonische kind natuurlijk niet voortleven; hij stierf kort daarna.

Moest dit Zarathoestra-lk dan bij de andere jongen eerst een ‘ik’ uitdrijven om voor zich zelf plaats te maken? Neen, dat hoefde niet, want dit kind had geen menselijk ‘ik’ in normale zin. Het had een ik-aanleg, maar die was niet ontwikkeld, want het had geen aardse incarnaties gehad; het had geen karma, het was het volkomen onschuldige, onbezoedelde, in zekere zin goddelijk te noemen oorsprongswezen van de mens.

De grote christelijke leraar Origenes, later als ‘ketter’ door de kerk miskend, was wetend omtrent dit Kind en hij noemde het de ‘anima candida’, de reine ziel, het hogere wezen van de eerste mens, Adam.

Engelen in het Lucasevangelie

Het mag wellicht duidelijk zijn dat de ‘Nathanische Jezus’ wiens geboorte Lucas beschrijft, een geheel ander wezen was dan de ‘Salomonische Jezus’ uit het Mattheüsevangelie. Dat zien we al direct bij de verkondiging aan Maria, maar ook aan het grote verschil ten aanzien van de andere Maria, moeder van de ‘Salomonische Jezus’. De geschiedenis van deze Maria is niet in de Bijbel te vinden, maar er bestaat een apocrief evangelie (en als schrijver daarvan wordt ook Mattheüs genoemd), waarin de geboorte en lotgevallen van haar zijn beschreven. Dit prachtige verhaal over de ouders Joachim en Anna, Maria’s geboorte en haar opgroeien in de Tempel, haar verloving met Jozef door de goddelijke wijzing, dat alles was in de Middeleeuwen bijzonder geliefd en vele malen in fresco’s en beeldhouwwerken afgebeeld.

De Maria van het Lucas-evangelie geniet wel dezelfde verering, maar haar herkomst is niet bekend. Zij is plotseling aanwezig na de uitvoerige beschrijving van de ouders en van de geboorte van Johannes de Doper (Lucas 1). Maria is er als verloofde van de timmerman uit Nazareth en we weten niets van haar behalve het bezoek van de engel die haar groet en de geboorte aankondigt van haar zoon (Lucas 1). Hoewel ze daardoor hevig ontroerd is en in zekere zin bevangen, is het alsof ze toch vertrouwd is met zo’n bovennatuurlijke bezoeker. De engel zegt wel: “Wees niet bevreesd,” maar er is eigenlijk geen sprake van vrees bij haar, slechts ontroering en verwondering over wat haar wordt verkondigd. Zij is ‘de dienstmaagd des Heren’ en zij zegt simpelweg: “mij geschiede naar uw woord”. Het lijkt alsof zij zelf tot het engelrijk behoort.

Bij het daarop volgende bezoek aan haar nicht Elizabeth spreekt ze dan die eenvoudige maar toch zo verheven woorden uit van de lofzang, welke later als ‘magnificat’ zo vele malen in de Europese muziek is vereeuwigd.

Bij de verkondiging aan de herders ’s nachts op het veld is in zekere zin ook die ‘god-nabijheid’. Want wanneer de engel tot hen komt in de slaap, komt hij niet alleen: de Heerlijkheid des Heren omscheen hen en zij werden bevangen door grote vrees. Deze ‘Heerlijkheid des Heren’ (Ogilvie vertaalt het Griekse ‘doxa’ dat er staat met ‘het Openbaringslicht van de Heer[1]), is er niet bij de andere engelverschijningen. Vervolgens openbaren zich aan de herders alle scharen van de engelen, dus de totaliteit van de gehele hiërarchische goddelijke wereld, welke de engel presenteert met de woorden: “Heden is voor u geboren de Heilbrenger, het is Christus de Heer…” Deze heirscharen zingen over dit openbaringslicht van de Heer. De Latijnse vertaling van deze woorden luidt “Gloria in excelsis Deo”, wat in de Nederlandse Statenvertaling werd: “Ere zij God in den hoge…” Ogilvie vertaalt wederom: “Geopenbaard zij God in hemelhoogten”, want wat staat daar weer in het Grieks? Weer dat geheimzinnige woord ‘doxa’. Zoek je dit woord op in het woordenboek, dan vind je daar een overstelpende veelheid van betekenissen; ik zal ze niet allemaal opnoemen, maar als je beseft wat de herders beleven, begrijp je hun ‘grote vrees’. Zij hebben in hun slaap de geweldige, onvoorstelbaar verheven licht-ervaring van Christus die als ‘uit de Vader in alle eeuwigheid geboren’ de alheid van de hemelse hiërarchieën in zijn wezen samenvat.

Het is duidelijk dat Lucas in zijn geestelijke schouwing dit hoge wezen ten nauwste met Jezus verbonden ziet. Na dertig jaar is deze ‘geboorte’ door de Jordaandoop pas geestelijk en lichamelijk volledig voltrokken.

Het kerkelijk dogma dat het concilie van Ephesos (431) heeft vastgesteld dat Maria, de moeder van het Nathanische kind, de moeder Gods is, berust dus op een vergissing: zij is de moeder van de reine zondeloze mens die mede door het offer van het Salomonische kind het dienende ‘instrument’ wilde zijn voor de werkelijke mens-wording van God, van de Logos of Godszoon die door zijn wederopstanding uit de dood de door de Avesta en door de Bijbel als de grote Verlosser en Brenger van Vrijheid wordt beschreven.

Kerstmis mogen we niet in een nieuwe zin vieren als we de doop in de Jordaan (6 januari) daarbij niet mee betrekken en als we niet een nieuwe weg tot de goddelijk-geestelijke wereld willen betreden. 

Noten

• Zie voor literatuurlijst en afbeeldingen ook: De twee Jezuskinderen, door Loek Dullaart, ABC Wegwijzer 5.

1 Deze Nathan is niet de Nathan uit het Oude Testament die David berispt.
2 Zie het apocrieve Mattheüs-evangelie.
3 Dit is zonder twijfel Gabriël die ook in het Lucasevangelie wordt genoemd.
4 Deze vertaling is naar de Duitse vertaling van Herman Beek.

Meer over dit onderwerp: De twee kerstkinderen en hier

In dit artikel worden de verschillen omtrent de twee Jezuskinderen door de wetenschap opgemerkt: Kerstverhaal is te mooi om waar te zijn

Kerstmis: alle artikelen

*W.F.Veltman

**VRIJE OPVOEDKUNST

.

1987

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (6-2)

.

In het boek ‘Das Jahr der Heiligen’ staat voor elke dag van het jaar een legende en/of een beschrijving van een heilige aan wie deze dag is gewijd.

Voor 24 december zijn dit Adam en Eva. 
De 24e december, aan de vooravond van Kerstmis, heet Adam en Evadag.

‘Het heiige kerstfeest en Adam en Eva’

Op 24 december gedenkt de kerk de stamouders van het geslacht mens, Adam en Eva.
Adam is een Hebreeuwse naam en betekent ‘de uit de aarde geborene, de aardemens’, d.w.z. van roodachtige aarde gemaakte mens’.

Volgens de leer van de Vaderen werden Adam en Eva van de zonde verlost door de verlossingsdaad van Christus die voor alle mensen geldt en zij kregen een plaats in de christelijke heiligenkalender, niet zonder diepere betekenis, aan de vooravond van Kerstmis.

Adam en Eva hebben de zonde in de wereld gebracht, Christus, de tweede Adam, heeft die weggenomen.
Adam is de stamvader van het door zonde verdorven mensengeslacht, Christus de stamvader van de mens die door zijn verzoeningsdood gereinigd en geheiligd werd.
Adam en Eva hebben door hun zonden de hemelpoort voor hun nageslacht gesloten, Christus heeft deze weer geopend. 
Adam en Christus staan terecht bij elkaar.

Na de verdrijving uit het Paradijs bereikten de stamouders, zoals de Bijbel bericht, een zeer hoge leeftijd: Adam zou 930 jaar op aarde hebben geleefd. Hij werd op de Kruisweg begraven en wel zoals de legendetraditie verhaalt, op de plaats waar duizenden jaren later het kruis van de Heiland opgericht werd. 
Dat is vaak weergegeven op oude afbeeldingen.
Aan Adam had zich het woord voltrokken: ‘stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren’ (Gen.3:19). Christus hief dit oordeel weer op door zijn verlossingsdaad, want hij sprak: ‘Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, (Ef. 5:14), ‘Door toedoen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus. (Rom. 5-17)
Door Adam het onheil, door Christus het heil.

Ook Adam en Eva zijn beschermheiligen: om bekende redenen: die van de tuinlieden en kleermakers. 

Adam en Evs maken ook deel uit van de rij heiligen die aan de koning van de heiligen, Gods zoon in de kribbe, hun gaven wijden. Op de 24e december wordt het feest van de geboorte van de Heer, het mensworden van God, ingeluid.

Op 24 december viert de kerk de kerstnachtwake, de nachtmis die plaatsvindt vóór de grote feesten van Kerstmis, Pinksteren, Hemelvaart e.a..;
sinds de 14 eeuw is deze verplaatst naar de morgen van de 24e – als voorfeest. Het wachten op de verlosser dat in de voorafgaande adventstijd iedere dag sterker werd, bereikt daarmee het hoogtepunt. De gedachte die vandaag nog verwachting inhoudt, gaat morgen, de 25e december, in vervulling en veroorzaakt grote vreugde voor de komst van de Heer.

De echte geboortedag van Christus is onbekend. De geboorte om middernacht in Bethelem in Judea staat vast op het jaar 5 vóór de christelijke jaartelling. Het kerstfeest werd in Rome op z’n laatst nog gevierd op 25 december 336, misschien ook nog meteen na het Concilie van Nicea (325). Vanuit Rome begon het kerstfeest zijn zegetocht in de wereld en kwam in de 4e eeuw nog voor in de Oriënt waar tot dan toe de geboorte van de Heer op 6 januari op Driekoningen werd gevierd, wat in de kerk van het Oosten vandaag nog het geval is. 
De Roomse kerk koos 25 december voor het geboortefeest van Jezus Christus, omdat ze daarmee de heidense Mitrascultus en het op dezelfde dag gevierde ‘sol invictus’ – onoverwonnen zon – verdrong door de geboorte van Christus, de ‘zon van de gerechtigheid’. 
Natuurlijk hangt de keuze van dit tijdstip ook met het weer stijgen van de zon samen die na 21 december – de laagste stand – weer de weg omhoog gaat. 
Zo lag het voor de hand dat toen al de christenen dit natuurverschijnsel als gelijkenis voor de geboorte van die mens ervoeren die het ‘ware licht van de wereld’ is. 
Een verwijzing hiernaar zit in de derde kerstmis waarbij het Johannesevangelie wordt gelezen: ‘In het begin was het woord…(Joh.1:14)
De Heilige Avond is voor de christenen het meest intieme van alle feesten; de kerstnacht verbindt alle mensen van goede wil en vrede en liefde, haar licht wakkert de hoop aan. De kerk viert dit in de nachtmis. 
In de ochtendschemering van de 25e december viert ze dan [1965]’- Duits  het Hirtenamt en later op de dag nog een ‘Festmesse’.
Onderwerp van het kerstmisgeheim is de geboorte van de zoon van God die mens is geworden uit een maagdelijke moeder in de stal van Bethlehem.
Daarin wordt alle genade en alle heil gevonden die we in het tegenwoordige leven ontvangen en in een toekomstige leven op hopen.

Kerstmis is het feest van de liefde en de komst van God naar ons mensen. ‘Zo lief had God de wereld dat hij zijn enige zoon gaf…'(Joh. 3:16)
Naast de goddelijke zoon staat Maria, zijn moeder, die hem het leven schonk. Nasst Maria verschijnen in verschillende losse feesten de heiligen als getuigen van de daarin volbrachte verlossing en als leermeesters voor ons die voorbereid moeten worden op de verlossing die door de tweede wederkomst van Christus volbracht wordt.

.

Kerstmis (6-1): Adam en Evadag

Kerstmis: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Kerstmis

.

1986

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (35)

.
Hans ter Beek schreef een reeks van 3 artikelen over de jaarfeesten onder de titel ‘de negen feesten van het jaar’.
In onderstaand artikel geeft hij zijn mening over Kerstmis, Driekoningen. 

Deel 1 en deel 3 staan eveneens op deze blog

.
De negen feesten van het jaar 

Kerstmis – Driekoningen – Pasen

De negen feesten van het jaar hebben we, toen we over Michaël, St.-Maarten en Sinterklaas schreven, ingedeeld in 3 groepen van 3 feesten, waarbij de eerste groep de feesten van het LICHAAM, de tweede groep de feesten van de ZIEL en de derde groep de feesten van de GEEST werden genoemd,

1e groep: Michael – St.-Maarten – Sinterklaas: LICHAAM

2e groep: Kerstmis – Driekoningen – Pasen: ZIEL

3e groep: Hemelvaart – Pinksteren – St.-Jan: GEEST

In de negen feesten herkennen we het mensenwezen in zijn drieledigheid van lichaam, ziel en geest.

Sinds het Concilie van Constantinopel in 869 na Chr. had de Kerk het onderscheid tussen ziel en geest ontkend en rekende nog met een tweeledig mensbeeld naar lichaam en ziel of geest. In de antroposofie wordt het drieledig mensbeeld weer in ere hersteld.

Om deze 3 gebieden te leren onderscheiden beschrijft Rudolf Steiner in zijn boek THEOSOFIE hoe men op een zomerse dag kan genieten van een bloemenwei: kleuren, geuren, warmte enz. Dit is het ’lichamelijke’. Als men ’s avonds thuis is, of zelfs maanden later nog, dan heeft men de herinnering eraan, die weer dezelfde of soortgelijke gevoelens oproept: dat is het ’ziele-aspect’. Het ‘geestelijke aspect’ is, dat men, zonder ooit op die weide geweest te zijn, kan weten dat het daar op een zomerse dag een en al kleur en bloemengeur kan zijn.

De feesten van het lichaam hebben nog sterk die fysieke kant van de ontmoeting. Michaël: de ontmoeting van het denken, St.-Maarten: de ontmoeting van het voelen en Sinterklaas: de ontmoeting van het willen. Daarover heb ik in Branding nr. 2 van okt/nov. 1989 al geschreven. [deel 1]

Nu kijken we naar de feesten van de ZIEL. Kerstmis is het feest van de geboorte: het is een en al zielestemming, het mooist te beleven als in het Kerstspel de Geboorte plaats vindt. Jozef heeft half slapend nog wat gemompeld over wat hij de volgende dag van plan is en wendt zich af van Maria. Achter Maria verschijnt de Engel met de Ster, Maria heft haar handen omhoog en ontvangt aldus het Kind. Daarna het wiegen van Jozef en Maria, en aan het eind van het Herderspel ook nog eens het wiegen van de herders.

Hoe nemen we dit beeld op? Toch in zijn ’duur’: dit beeld moet duren. Ieder kind en volwassene wordt er even stil en ontroerd van, wil het even vasthouden, maar kan er fysiek niet bij zijn. In de Middeleeuwen stond het kribje met Jozef en Maria voor de kerk, en de hele stad en streek stroomde ernaar toe, en raakte even de kribbe aan. Die aanraking gaf de mens weer nieuwe kracht en moed. De moderne mens heeft genoeg aan de afbeelding, zowel in het Kerstspel als op de jaarfeestentafel.

Het is in beide gevallen de GEWAARWORDINGSZIEL, waarin opnieuw een heel stuk ’willen’ aanwezig is, die hier wordt ingeschakeld. We hebben een kerstboom in huis, we ruiken het sparregroen, we hebben lichtjes in de boom (tegenwoordig vooral elektrische kerstlampjes omdat dat niet zo gevaarlijk is als echte kaarsjes, maar meteen zijn we er niet meer zo bewust bij betrokken), we hebben een kerststal. Het kost in een gezin best wat moeite om die kerstboom lang in de huiskamer te hebben. Het is een tijdelijke gast, die nogal wat ruimte inneemt, die een centrale plaats vraagt, ook in het dagelijkse gezinsleven. En hoe langer hij staat, hoe meer naalden hij verliest. Toch zou de kerstboom pas moeten worden binnen gezet op Kerstavond (24 dec.) en binnen moeten blijven tot en met Driekoningenavond (6 jan.). Dat zijn 12 dagen en 13 nachten.

Driekoningen is het feest van de Verschijning. We zien in het Driekoningenspel geen kribbe; Maria draagt het kind in haar armen. Op schilderijen zit het Kind altijd bij Maria op schoot. Er is toch een duidelijk onderscheid merkbaar tussen Kerstmis en Driekoningen. Het is net of het Kind al wat laat zien van wat hij is. Opmerkelijk is ook dat de Doop in de Jordaan door Johannes de Doper ook op Driekoningen valt. Op dat moment begint het optreden van Jesus als Christus, dus als de op aarde geboren Zoon van God.

Driekoningen werd altijd gevierd met een optocht van 3 kinderen (als koningen verkleed) die met verlichte sterren langs de huizen trokken om wat geld of lekkers op te halen. In het gezin werd een Driekoningenbrood gebakken, met daarin 2 witte bonen en 1 bruine. Wie een stuk brood met een boon had was dan koning (om niet 3 maar 1 koning te hoeven hebben kan natuurlijk volstaan worden met 1 boon). Ook de foekepot werd veel gebruikt: een opgeblazen varkensblaas, waarin een rietje of een ander dun stokje gestoken was, dat zo’n doedelzakachtig geluid voortbracht wanneer het heen en weer werd bewogen.

De Driekoningentijd duurt tot Maria Lichtmis, dat is 2 februari. Driekoningen is het feest van de VERSTANDS- en GEMOEDSZIEL. Dat is dat deel van onze ziel, dat in de mensheidsgeschiedenis voor het eerst onthuld werd in de tijd van de Grieken en Romeinen, dus ook in de tijd waarin de geboorte, het leven en sterven van Christus viel. Zoals bij de GEWAARWORDINGSZIEL er een stuk ’willen’ in de ziel zit, is het bij de VERSTANDS- en GEMOEDSZIEL juist weer het ‘voelen’. Voelen is teruggehouden wil; willen is juist uitgevoerd gevoel {de kinderen van de 5e en 6e klas maken die fase opnieuw door, in de bovenbouw denken we dan vooral aan de 10e klas. Terwijl de GEWAARWORDINGSZIEL juist in de 9e klas nog eens wordt beleefd en op de onderbouw vooral in de 4e klas).

Wat bij Driekoningen zo opvalt is, dat er zoveel gereisd wordt: Eerst de koningen, geleid door een ster; na de aanbidding weten ze één ding zeker: ze moeten niet meer langs koning Herodes gaan.

Koning Herodes zendt zijn soldaten vanuit Jerusalem naar Betlehem:

‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert ende vierdusend manschap mit haor gheweer, ende gaot heen overt geberregt mit spoed, end’ alle knegtkens cleijn anbringhen doet.’

Josef en Maria zijn inmiddels naar Egypte gevlucht. Palmpasen en Goede Vrijdag. Daarover zal ik het nu nog niet hebben. Ik hoop dat we allen een goede kersttijd en een waardig driekoningenfeest hebben.

.

Kerstmis: alle artikelen

Driekoningen: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: jaarfeesten

.

1984

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (34)

.
Steiner riep de leerkrachten op zich grondig te verdiepen in alles waarmee ze bezig zijn. Dat geldt zeker ook voor de jaarfeesten. 
Over Kerstmis zijn op deze blog veel artikelen verschenen die tot verdieping kunnen leiden. Daar horen ook artikelen bij die weer een andere kant laten zien, zoals deze:

Cas van Houtert, ED 23-12-1999
.

kerstverhaal is te mooi om waar te zijn

Het is onwaarschijnlijk dat Christus in Bethlehem is geboren. Het is zeker niet waar dat zijn geboorte het begin van onze jaartelling markeert; Christus is niet tweeduizend jaar geleden, maar enige jaren daarvóór of daarna geboren. De zogenaamde ‘onnozele kinderen’ zijn niet echt door de wrede koning Herodes afgeslacht. Er was dus ook geen ‘vlucht naar Egypte’ nodig.

Dat is allemaal geen nieuws, althans niet voor degenen die enigszins thuis zijn in de min of meer wetenschappelijke literatuur over Christus. Het is al meer dan twee eeuwen geleden dat de publicatie van de roemruchte Wolffenbütler Fragmente (1781) van Reimarus een begin maakte met de grote opruiming. Gezaghebbende wetenschappers als Lessing, Schweitzer, Strauss, Bultman en vele, vele anderen hebben sindsdien effectieve methoden ontwikkeld om in de wereld van de Bijbel het kaf van het koren te scheiden. In onze tijd is er bijna geen deskundige meer te vinden die de mooie verhalen van weleer onderschrijft.

De goegemeente daarentegen laat zich niet van de wijs brengen en zet zich elk jaar hartje winter massaal rond de kribbe. Om een traan weg te pinken, samen met het knoestige, aanvankelijk door een hemels gezang uit het veld geslagen, maar door de Engel des Heren zelve gerustgestelde en vervolgens diep ontroerde herderspubliek. Het blijft een hartverwarmend gebeuren. En dat laten wij ons niet door kale wetenschappers ontstelen. Dat zij er in zijn geslaagd ons te beroven van het wondermooie scheppingsverhaal is al erg genoeg.

Jaartelling

Op bevel van paus Johannes de Eerste ontwierp de chronoloog Dionysius Exiguus in 526 een nieuwe jaartelling, waarin niet langer de geboorte van keizer Diocletianus maar die van Jezus Christus het scharnierpunt was. Sindsdien deelt het grootste deel der mensheid de geschiedenis in in een periode vóór en na Christus. Maar Dionysius raakte enigszins in zijn berekeningen verstrikt, met als gevolg dat hij verkeerd uitkwam. Jezus blijkt nu, naar gelang het Evangelie van Matteüs danwel van Lucas als leidraad wordt gekozen, zes jaar voor of zeven jaar na Christus geboren te zijn. Matteüs meldt dat Jezus te Bethlehem ter wereld kwam, minstens twee jaar voor de dood van Herodes. Deze wrede koning immers liet alle te Bethlehem geboren jongetjes van 0 tot 2 jaar vermoorden om zich aldus van de potentiële koningszoon te ontdoen. Volgens de historici Flavius Josephus en Strabo echter stierf Herodes vier jaar voor het begin van onze jaartelling. Op dat moment was de aan zijn zwaard ontkomen Jezus al minstens twee jaar oud.

Lucas daarentegen meldt dat Jezus geboren werd in de dagen dat Augustus een volkstelling hield die door de Syrische landvoogd Quirinus werd uitgevoerd. Die volkstelling is inderdaad gehouden, zij het vermoedelijk alleen in Judea. Maar zij vond plaats in de winter van het zesde op het zevende jaar na Christus. Tussen beide geboortedata gaapt een kloof van minstens dertien jaar. Hetgeen natuurlijk ook consequenties heeft voor de leeftijd waarop Christus gestorven is. Op grond van historische bronnen gaan de geleerden er doorgaans vanuit dat Jezus in het jaar 30 ter dood is gebracht. Afhankelijk van de keuze voor Matteüs of Lucas is Jezus 35 of 23 jaar oud geworden.

Schijn tegen

Matteüs en Lucas noemen eendrachtig Bethlehem als geboorteplaats maar hebben op zijn minst de schijn tegen. Het is onwaarschijnlijk dat de Romeinse overheid, die aan de handhaving van rust en orde in het bezette Israël de handen meer dan vol had, geneigd was de onrustige onderdanen in het kader van een volkstelling van hot naar haar te sturen. Waarschijnlijk hebben de Evangelisten de geboorte in Bethlehem, de stad van David, gesitueerd om het volle gewicht van een aantal oudtestamentische voorspellingen te kunnen benutten. Beiden was er veel aan gelegen Jezus in beeld te brengen als afstammeling van David. De opvatting dat het de beloofde Messias betrof, volgde dan als het ware vanzelf.

In dit licht is het begrijpelijk dat Matteüs als stamhouder van het Huis van David de bescheiden timmerman Jozef aanwijst, ‘de man van Maria, uit wie Jezus geboren is’. Minder logisch is vervolgens de uiteenzetting dat Jozef aan Jezus’ geboorte part noch deel heeft gehad. Zijn verloofde was weliswaar zwanger, maar dat was, zoals hem officieel door een engel werd meegedeeld, het werk van de heilige Geest geweest. Weg relatie met David dus. Overigens was de tussenkomst van God om de geboorte van een baanbrekende figuur te bewerkstellen, in de bijbelse geschiedenis bepaald geen novum. Verschillende grote Bijbelfiguren werden uit een onvruchtbare vrouw geboren. Heeft de twijfel over de houdbaarheid van het ene mooie verhaal eenmaal toegeslagen, dan valt ook het andere om. Matteüs vertelt dat magiërs uit het Oosten – in Iran wijst men nog met gepaste trots hun woonplaats aan – een veelbelovende ster volgden en, naïef als zij waren, bij Herodes aanklopten voor informatie over het adres van ’de nieuwe koningszoon’. Waarna Herodes ‘zeer verschrikt raakte en heel Jeruzalem (?) met hem’. Het gevolg zou dan de ijzingwekkende moord op de jonggeborenen van Bethlehem zijn geweest. Ook verzonnen, zeggen de geleerden. Want de al genoemde Flavius Jozefus, die als een trouw boekhouder de gruweldaden van koning Herodes noteerde, heeft aan de slachtpartij geen woord gewijd. Ook hier hebben ’de volksmond’ en de Evangelist gemene zaak gemaakt om aansluiting te krijgen bij vertrouwde profetieën uit het Oude Testament. Ook de legendarische ‘Vlucht naar Egypte’ verdwijnt nu naar het rijk der fabelen. Ook hier was de associatie met het Oude Testament (de verlossing uit de slavernij) iets te verleidelijk. Terwijl ook het feit dat Matteüs zijn Evangelie in Egypte het licht deed zien – hij verbleef in de boezem van de brave gemeente van Alexandrië – zijn inspiratie zal hebben beïnvloed.

Jeugd

Over de jeugd van Jezus is weinig bekend. En niet alles wat ‘bekend’ is, kan als ‘echt gebeurd’ worden gekenmerkt. Vrijwel zeker is bijvoorbeeld dat Jezus niet is opgegroeid in Nazareth maar in het nabijgelegen Kafarnaüm. Nazaret was, zo is uit opgravingen gebleken, een achterlijk gat zonder synagoge. Terwijl Jezus toch goed onderwezen was. De verwijzing naar Nazareth is waarschijnlijk het gevolg van de toevoeging ’de Nazarener’ die Marcus hanteert. Maar ’Nazarener’ (of ’Nazorener’) stond niet voor Nazareth maar voor een Joods-religieuze beweging die tot strenge ascese verplichtte en tot verregaande trouw aan de Joodse wet. Het is niet uitgesloten dat Jezus enige tijd de leider van deze beweging is geweest. Zijn neef Johannes, die doopte in de Jordaan, zou hem daarin zijn voorgegaan.

Niet in Nazareth maar in het veel grotere Kafarnaüm is Jezus opgegroeid-Daar had hij,  Marcus zegt dat meer dan, eens, zijn huis en kwam hij na zijn omzwervingen ’thuis’. Daar had hij ook zijn opleiding tot timmerman genoten – mogelijk op een scheepswerf – en ontving hij goed onderricht in de synagoge. De traditie wil dat Jezus opgroeide in een mooi en hecht gezin  met een zorgzame vader en een zachte, lieve moeder, maar de werkelijkheid zou wel eens anders geweest kunnen zijn. De Tilburgse filosoof Charles Vergeer maakt aannemelijk dat het gezin onderhevig was aan de spanningen die bij het verzet tegen een onderdrukker horen. Niet voor niets was Jezus (de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jesjua of Jehoshua) genoemd naar Jozua, de held die het Beloofde Land op de heidenen veroverde. Ook de vier (!) broers van Jezus droegen strijdbare namen, ontleend aan succesvolle aartsvaders en opstandige Makkabeeën: Jakobus, Jozef, Judas en Simon. Hun moeder die Mirjam (’de opstandige’) heette, was de volle nicht van Elisabeth, die in Johannes een geboren religieuze en politieke rebel had voortgebracht.
Jezus had overigens ook nog zusters, maar die worden nergens met name genoemd. Zij waren in de cultuur van het oude Israël niet in tel, hetgeen in het christendom tot op de dag van vandaag zijn sporen nalaat.

De veronderstelling dat in het gezin van Jozef en Maria alles koek en ei is geweest, wordt teniet gedaan door de berichtgeving van Marcus. Hij meldt dat de hele familie een kijkje kwam nemen toen Jezus in de buurt met zijn onderricht bezig was. Maria en de jongens probeerden zijn aandacht te trekken, maar vergeefs. Hij negeerde het bezoek volledig, afgezien van de slagvaardig in zijn preek verwerkte steek onder water: Mijn familie, dat zijn de mensen die mijn roeping serieus nemen. Eerder waren zijn familieleden hem al eens achterna gegaan ’om hem in bedwang te houden, aangezien ze van mening waren dat hij zichzelf niet was.’
Geen support dus, maar wederzijdse ergernis en zelfs een poging hem kalt te stellen.
.
Kerstmis: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

1982

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.