Categorie archief: jaarfeesten

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 2400 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken
leeftijden
over illustraties

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GEZONDHEID – die van de leerkracht
Alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
alle artikelen

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1; klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7; klas 8; klas 9: klas 10; klas 11; klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cyprus; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israël; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouwen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Qatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël (57)

.

Dieuwke Hessels

.

Natuur, uw moederlijk bestaan,
ik draag het in mijn willend wezen
en vuurkracht van mijn willen kan nu mijn geestkracht stalen
waaruit het zelfgevoel geboren wordt
mijzelf in mij te dragen.

Rudolf Steiner, Antroposofische weekspreuken

Na een lange zomertijd, kondigt de herfst zich aan. De
overgangstijd van zomer naar winter, van bloei naar afsterven,
van licht naar donker, van warm naar koud. De bloemen raken
uitgebloeid, bladeren worden geel en verdorren. Dieren gaan
hamsteren en trekken zich terug voor hun winterslaap. De
natuur begint zich duidelijk voor te bereiden op de winter. Zij
wordt stil en komt tot rust.
Aartsengel Michaël wordt gezien als brenger van de
zonnekracht. Hij zorgt voor sterke gewassen en voor een goede
oogst. Voor de mens is hij de helpende hand in strenge winters,
hij geeft kracht om door de winter heen te komen.
Het Michaëlsfeest is dan ook het feest van de moed. Hij
weegt het goed en het kwaad en strijdt met de negatieve
krachten, de ‘draken die vuurspuwen’. Hij staat daarom meestal
afgebeeld met zwaard en weegschaal en soms met een draak.
Michaël staat als symbool voor de omgang met balans tussen
goed en kwaad, ook in onszelf.

In voorchristelijke tijden werd in deze periode het oogstfeest of het begin van de herfst gevierd, waarin men net als op Michaëlsdag de goden dankte voor de goede oogst.
Op een druilerige dag in de laatste week van september vierden wij het Michaëlsfeest.
We vierden het als eerste in een reeks van herfstfeesten.
Die dag stonden we met elkaar stil bij wat het leven ons geschonken heeft en
wat we (misschien) achter ons willen laten. Na een verhaal over de oorsprong van dit feest, werden er vellen papier uitgedeeld met daarop een draak en een blanco deel. Op het blanco deel mocht ieder zijn eigen ‘draak’ tekenen of beschrijven. Iets wat je wilt overwinnen, een eigenschap die er juist meer mag zijn of die je graag achter je zou willen laten. Tijd voor iets nieuws?
Alle draken zijn daarna in de vuurkorf beland en zijn daarmee symbolisch verslagen, zoals Michaël zijn draak versloeg. Daar was moed voor nodig! Meteen warme drank en iets lekkers uit de oogstmand na afloop, zijn we nu écht onderdeel van deze mooie en bijzondere overgangstijd.
Artikel van ”mens en tuin”.

Het Beeld van Michaël door de tijden heen
Alice Woutersen

Michaël is een groot en machtig geestelijk wezen, dat de ontwikkeling van de mensheid begeleidt en behoedt. In dienst van Christus wijst hij de mens de weg naar de vrijheid, zodat de mens zijn Ik in zich kan dragen. Hij is de behoeder van de kosmische intelligentie, en vanuit die functie ziet hij toe op de ontwikkeling van het menselijke denken en begeleidt de ontwikkeling zo, dat de mensen de  mogelijkheid geboden krijgen niet te verharden en te verstarren. 

Wat dat inhoudt is voor ons mensen nauwelijks te bevatten. Wij kunnen hoogstens proberen een klein tipje van de sluier op te lichten en met een paar primitieve penseelstreken een beeld schilderen van de ontwikkelingsweg van de mens en van Michaël. Stamelend in de woorden van alledag zou het als volgt kunnen klinken: 

Heel lang geleden, zo lang dat wij mensen er geen voorstelling van kunnen maken, voelden geestelijke wezens (Goden, God) in zich de behoefte opkomen om bewustzijn te krijgen van iets dat in hen leefde: de Kosmische Liefde.
Nu weten wij mensen heel goed, dat je pas echt bewustzijn over iets kunt   krijgen, als je er afstand toe kunt scheppen, dat wil zeggen: ervan buitenaf   tegenaan kunt kijken.
De Geestelijke wezens besloten dan ook wezens te
scheppen, die ééns vanuit hun eigen innerlijk de Liefde zouden kunnen ontwikkelen. Zij besloten Mensen te scheppen. En alle geestelijke wezens die mee wilden doen, droegen hun steentje bij.
Dit proces duurde heel lang. De
mens leefde onbewust en nog geheel opgaand in de geestelijke wereld. De mens sliep als het ware en was één met de gedachten van God (Adam in het Paradijs). Maar het ogenblik kwam dat de mens moest ontwaken. Je kunt alleen ware en belangeloze liefde ontwikkelen als je vrij kunt zijn en ‘op je eigen benen staat’. De mens moest losgemaakt worden van de hem omringende geestelijke wezens. Een hoog geestelijk wezen nam de taak op zich  ‘tegenstandersmacht’ te worden en uit de kosmische harmonie te stappen. Op deze manier kon hij de  mens lostrekken van de goden, om zo de mogelijkheid te scheppen dat de mens zich tot een vrij wezen kon ontwikkelen. 

Er zijn vele verhalen waarin verteld wordt hoe Satanaël (Lucifer) uit de kosmische harmonie  verdreven wordt. Het is steeds Michaël die Satan (Lucifer) uit de hemel stoot. Vanaf dat moment is  Lucifer ‘tegenstandersmacht’ geworden en kan het werk, beginnen: de mens losmaken uit de  kosmische harmonie. 

In eerste instantie werken Lucifer en de geestelijke machten in zekere zin nog samen. Prachtig wordt  dit beschreven in de Noorse mythologie (Edda) waar Loki/Lucifer de goden nog helpt, maar na verloop van tijd gaat Loki alles in de war sturen en bewerkt ten slotte samen met zijn kinderen (o.a. de Fenriswolf) dat de goden voor de beleving van de mensen verdwijnen. Dan is de mens los van de goden. (‘God is dood’ beleven). Zou de mens werkelijk aan zijn lot overgelaten zijn, dan was het slecht met hem afgelopen. Als weerloos wezen was hij beland in de armen van de tegenstandersmachten. Hij zou geen vrijheid beleven en geen ware liefde kunnen ontwikkelen. 

Maar de geestelijke wereld liet de mensen niet alleen. Een heel hoog geestelijk wezen gaat met de mens mee: Christus noemen wij Hem. Hij is zo begaan met de mens, dat hij besluit in een aards mensenlichaam te incarneren. Op deze manier kan hij het mensenlichaam, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zo doorwerken, dat hij juist die krachten kan ontwikkelen die de mens nodig  heeft om zich te bevrijden uit de omknelling van de tegenstandersmachten. Christus ontwikkelde deze krachten voor alle mensen: sinds het Mysterie van Golgotha draagt ieder mens deze krachten in zich. Deze Christusvonk kunnen wij in onszelf ontwikkelen en laten opvlammen, waardoor we in staat zijn ons doel te verwezenlijken: een vrij mens te worden die vanuit zichzelf de ware liefde ontwikkelt. Of wij deze kans gebruiken? Het is onze vrije keuze. In dienst van Christus werkt Michaël. Hij houdt de  mens steeds in het oog en blijft dicht bij de mensen. Hij wil de mens de mogelijkheden bieden, opdat hij niet verhardt in het dagelijks bestaan. Hij wil voorkomen dat het denken van de mens verstart. Zelf  is hij een en al goedheid en beweeglijkheid. 

Samenvattend: 

Doordat de tegenstandersmachten de mens losmaken van de goden en Christus de mens de nodige krachten schenkt, is de mens met behulp van Michaël in staat zijn vrijheid te ervaren en vanuit die vrijheid te leren denken met zijn hart, en zo uiteindelijk de ware onbaatzuchtige liefde te ontwikkelen. 

In het oude testament wordt duidelijk beschreven hoe de Satan de mens verleidt om te eten van de  vruchten van de Boom der kennis van goed en kwaad. De mens gaat zelf denken en daarmee begint  de afzonderings-val (=zondeval) van de mens. Het werk is begonnen. 

Langzaam maar zeker pellen de tegenmachten de mens los van de goden. Michaël is waakzaam en  behoedt de mens voor verharding. Hij begeleidt de mens.
Pas in de ‘na-Atlantische tijd’ begint de mens echt te denken; dit is dus na de zondvloed (Ark van  Noach), als door de grote watercatastrofe Atlantis ten onder is gegaan. Aangepast aan het  ontwikkelingsniveau van de mens schenkt Michaël beelden (voorbeelden) opdat de mens die deze  beelden in zich opneemt niet verzandt of verstart. De beelden tonen de mens waarnaar hij moet streven om werkelijk een vrij mens te worden. 

In de na-Atlantische tijd onderscheiden wij zeven cultuurperioden van ongeveer 2150 jaar, die elk zijn  verbonden met een sterrenbeeld van de Dierenriem, dat wil zeggen, het lentepunt tijdens de periode  in een bepaald sterrenbeeld staat. 

  1. De Oud Indische cultuurperiode 7227-5067 v.C. Kreeft 
  2. De Oud Perzische cultuurperiode 5067-2907 v.C. Tweelingen 
  3. De Babylonisch/Chaldeïsche/Egyptische cultuurperiode 2907-747 v.C. Stier
  4. De Grieks, Romeinse cultuurperiode 747 v.C.-1413 n.C. Ram 
  5. De Germaans/Angelsaksische cultuurperiode 1413-3573 Vissen 
  6. De Slavische cultuurperiode 3573-5733 Waterman 
  7. De Amerikaanse cultuurperiode 5733-7893 Steenbok 

In de Oud Indische Cultuurperiode leefden de mensen nog niet zo sterk verbonden met hun lichaam  als wij. Je zou beter kunnen zeggen: ze verbonden zich nog nauwelijks met hun fysieke lichaam, maar namen via hun etherlichaam de hen omringende wereld waar. Ze ademden de goddelijke gedachten als het ware in en uit en waren er één mee. De mogelijkheid om met het etherlichaam waar te nemen nam gaandeweg af en de zintuigelijke waarnemingen drongen zich steeds meer op, Dat wat men met de gewone zintuigen begon waar te nemen werd als storend en vijandig ervaren, als Maja (schijn), waarvan men zich beter verre kon houden. En diegene die dit beangstigende, deze ‘draak’, kon  verslaan noemde men Indra. In de Rigveda wordt dat als volgt verteld: 

“Hij die de in het gebergte wonende Sambara in het veertigste jaar opspoorde, die de van kracht  opgezwollen draak overwon, de Demon die daar ter neer lag, Hij, gij-lieden, is Indra.”
De wereld werd nog als heelheid ervaren, in tegenstelling tot de volgende periode.
In de Perzische Cultuurperiode was het niet meer mogelijk in het etherlichaam te leven en waar te nemen. De mens beleeft de wereld meer door zijn astraallichaam en zijn reacties op de waarnemingen. Hij gaat de wereld als tweeheid ervaren: licht-donker, onder-boven. Deze cultuur richt zich in eerste instantie op de buitenwereld en het dagbewustzijn. Achter het tapijt van de zintuiglijke wereld zag men het weven van geestelijke wezens en in samenwerking met deze wezens werden vanuit de mysterieplaatsen granen en dieren veredeld: uit gras werd graan gekweekt. Daar men dus erg naar buiten gericht was en in het dagbewustzijn leefde, kon men Michaël niet zo goed  waarnemen. Michaël kon zich in de voorchristelijke tijd alleen maar via het nachtbewustzijn openbaren. Wel ziet men reeds in deze cultuur het Christuslicht opglanzen. Ormuzd (Ahura Mazda) verschijnt als zonnegeest, omringd door dienaren, als vóór-beeld van Christus met zijn discipelen. Als  duistere macht verschijnt hier Ahriman. Zarathustra is de Grote Leider. 

Verdiepte men zich vanuit deze cultuur in de weg naar binnen, dan ontmoette de ingewijde daar de God Mithras: bemiddelaar tussen aarde- en lichtwereld, die de mens terzijde stond in zijn ontwikkeling. Deze Mithras-mysteriën kwamen pas goed tot ontwikkeling in de derde cultuurperiode, toen de zon in het sterrenbeeld van de Stier stond. De Mithrasdiensten werkten nog lang door, zelfs tot in de Romeinse tijd. Bekend is de afbeelding van Mithras op de stier; ook dit is een vóór-beeld. In die tijd stond de zon in het lentepunt in het sterrenbeeld van de Stier. Nu werken juist de levenskrachten en driften vanuit dit sterrenbeeld in op de aarde. Deze krachten werden in de lente sterk ervaren en het beeld van de stier werd tot beeld van de onbewuste (animale) mens. Deze stier moest overwonnen worden door de denkende mens. (de jongeling op de afbeelding draagt een frygische muts als teken van inwijding en denken) Mithras/Michaël geeft hier het beeld van de hogere mens, die het lagere moet overwinnen als vóór-beeld. 

In de Babylonisch, Chaldeïsch, Egyptische Cultuurperiode begint de mens zelf persoonlijk waar te nemen, is dus niet meer geheel ingebed in de groepswaarneming. Hij begint zijn eigen waarnemingsziel te ontwikkelen. Hierdoor begint de wereld voor de mens enigszins chaotisch te worden. In de Babylonische legende van Marduk wordt verteld hoe Marduk/Michaël de mens helpt orde te scheppen in deze chaos.
De tijd gaat voort; de tegenmachten krijgen steeds meer grip op de mens. Hij ervaart nog steeds zijn goden (geestelijke wezens), maar de beelden worden steeds vager en onduidelijker, of veranderen zelfs. Als dit zo door zou gaan, zou de mens loskomen van de geestelijke wereld en geheel in de armen van de tegenmachten belanden, zonder vrij te worden. 

Om te zorgen dat de mens wel een vrij wezen kan worden, gaat Christus met de mens mee, incarneert in een mensenlichaam. Dit moet voorbereid worden, en zo wordt het Joodse volk, dat afkomstig is uit Ur in Chaldea, uitverkoren om dit lichaam te ontwikkelen. Om dit proces te begeleiden  wordt Michaël, als ‘aangezicht van Javeh’, de leidende volksgeest (zie bv. het verhaal van Bileam). In  de literatuur zijn vele verhalen over Michaël en het Joodse volk. 

In de vierde na-Atlantische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, gaat de mens naast zelf waarnemen nu ook zelf voelen en denken. Naast de waarnemingsziel wordt nu ook de verstands-/gemoedsziel ontwikkeld. Door de eigen gedachten wordt ook de begeleiding van Michaël duidelijk. De geboorte van de goden-tweeling Apollo en Artemis kondigt als vóór-beeld de ontwikkeling van de  verstands-/gemoedsziel al aan. Zij zijn kinderen van Zeus en Leto (uit het geslacht der Titanen). Hera, de gemalin van Zeus, probeert op allerlei manieren deze ontwikkeling tegen te gaan, maar zelfs de verschrikkelijke draak Typhon kan dit niet verhinderen. Apollo/Michaël doodt de draak, zodat de  ontwikkeling verder kan gaan. Niet voor niets stond in het heiligdom van Apollo in Delphi de Spreuk:  “Ken U Zelf” in hoog aanzien. 

In onze tijd is Michaël tijdgeest; zo ook van 599 tot 245 v.C. dat wil zeggen dat dan zijn werking  duidelijk waarneembaar is. Onder zijn inspirerende invloed maakt de manier van denken een grote stap voorwaarts. 

Voorbeelden hiervan zijn o.a.: Gautama Buddha, Confucius, Pythagoras, Herakleitos, Socrates, Plato  en Aristoteles; maar ook de oudtestamentische profeten en Griekse kunstenaars en toneelschrijvers. Hoewel de mens de verbinding met het goddelijke nog zeer sterk voelde, probeerde men,  geïnspireerd door de geestelijke wereld, gedachten in een vorm of beeld te gieten. De werking van de gedachten van deze filosofen straalt nog door tot in onze tijd. 

In de vierde na-Atlantische periode vindt ook het Mysterie van Golgotha plaats. Jezus Christus overwint de dood en kan daardoor de mens de nodige krachten schenken om zich af te zonderen van de goden (zonder verloren te gaan) en vrij te worden. Vanuit deze vrijheid kan de liefde ontwikkeld worden en kan de mens bewust streven weer in harmonie met de kosmos te leven. Christus vernieuwt de mysteriën, dat wil zeggen: hij opent de weg voor ieder mens om zelf aan de slag te gaan dit hoge doel te verwerkelijken. 

Michaël, die steeds in dienst van Christus gewerkt heeft, kan na het Mysterie van Golgotha de mens ook via het wakkere dagbewustzijn inspireren. Michaël zal de mens nu verder moeten begeleiden in zijn denkproces. Eerst de weg tot in het zuiver natuurwetenschappelijke denken, en dan de bewuste weg naar het weer in harmonie met de kosmos denken. Zijn opdracht is de mens zo te begeleiden, dat de mens vrij wordt maar niet verhardt. De eerste zorg is dat de ziel van de mens (de ‘jonkvrouw’) niet in de macht van de draak komt. De tegenmachten loeren op elke mogelijkheid de mens van zijn doel af te houden. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Sint-Joris met de draak. In de Middeleeuwen wordt het beeld van Michaël met draak, weegschaal, of staf als het ware in de mens  geprent; overal duiken in deze tijd verhalen op hierover. 

En de ontwikkeling gaat verder… 

De vijfde na-Atlantische periode breekt aan: de Europese (Germaans-Angelsaksische) cultuurperiode. De natuurwetenschappen en de techniek komen tot ontwikkeling. Het is de tijd waarin de mens zijn bewustzijnsziel moet gaan ontwikkelen, dat wil zeggen: bewustzijn over de draagwijdte van je daden.  In deze periode kan de mens loskomen van God om daarna uit vrije wil de verbinding met de geestelijke wereld weer bewust te leggen. De mens moet zelf, uit vrije wil, het besluit nemen samen te werken met de geestelijke wereld. 

De Noors-Germaanse mythologie geeft daar een beeld van: Widar, de zoon van Odin (Wodan of Woen) gaat niet ten onder in de Godenondergang. Hij verslaat de Fenriswolf. Een leugenwolf: een  beeld voor datgene wat de waarheid verdraait en ons denken verhardt. Deze Fenriswolf wordt zo overweldigend, dat de Edda schrijft: “De Wolf Fenris trekt met opengesperde muil ten strijde; zijn  bovenkaak reikt tot aan de hemel en zijn onderkaak schuift over de aarde. Vuur laait uit zijn ogen en neusgaten.” Odin trekt ten strijde tegen de Fenriswolf, maar deze verslindt Odin.
En na de dood van Odin …komt Widar naar voren en zet één voet in de onderkaak van de wolf. Aan die voet heeft hij een schoen waarvoor men eeuwenlang gespaard heeft. Die is gemaakt uit de
stukken leer die de mensen uit hun schoenen snijden voor hun tenen en hielen. Daarom moet iemand  die de Asen wil helpen die stukken leer wegwerpen. Met één hand pakt hij de bovenkaak van de wolf  en scheurt zijn muil in tweeën en dat betekent het einde van de wolf. ” 

Wij mensen moeten Widar onze overschotskrachten schenken. Dat zijn dus niet de krachten die wij  gebruiken voor ons karma (schoenen zijn een beeld voor het lot, karma; vgl. de uitdrukking: ik zou niet  graag in zijn schoenen staan), maar juist krachten, zoals enthousiasme en inzet, die wij opdragen aan de geestelijke wereld. Deze overschotskrachten heeft Widar/Michaël heden ten dage nodig om de leugenwolf die rondwaart in o.a. wetenschap en media te lijf te gaan. En alleen wij mensen kunnen hem deze krachten schenken. 

Het beeld dat deze oude mythologie in de harten van de Europese mensen legde, was dus: wij  mensen moeten de Geestelijke wereld helpen het Boze te verslaan. Een prachtig beeld, dat we diep in onze ziel zouden moeten laten inwerken. 

Dit waren allerlei beelden die Michaël de mensheid gaf. Nu komt het erop aan dat de mens zelf het heft in handen gaat nemen. Worstelend op weg naar vrijheid, zoekend naar de Liefde en de bewuste  harmonie met de kosmos. 

Parcival laat ons zo’n weg zien, vele sprookjes vertellen erover. 

Faust toont dat de mens de duivel moet leren kennen en steeds moet streven. De Kleine Prins wijst erop dat je het kind in jezelf niet moet verliezen, want een kind kan onbevangen met zijn hart zien. 

Er zijn nog vele andere beelden. Het belangrijkste is dat we op weg moeten gaan. Op weg naar geestelijke ontwikkeling.
Zonnejaargroep 

Wat is de opdracht van Michaël, door Juul van der Stok 

Michaël wil de weg vrij maken van buiten naar binnen, van het hoofd naar het hart. Michaël wil de mens weer in gesprek brengen met de bovenaardse kosmos en hem weer burger maken van twee werelden.
Als zonnegeest wil Michaël het christendom in haar ware gedaante zichtbaar maken opdat de mensen het mysterie van Christus kunnen opnemen.
Sinds het begin van de zondeval moesten de goden zich steeds verder terugtrekken van de mens die uit het paradijs afdaalde in de duisternis.
Was het aanvankelijk zo dat de
goden hun wijsheid in de mens dachten, gaandeweg werd het kosmische denken mensen-denken.
Vanaf de negende eeuw
was de kosmische intelligentie geheel ter beschikking van de mensen.
Begrippen worden door de mens zelf gevormd en hebben steeds minder een bovenpersoonlijke kosmische oorsprong. In dit individualiseringsproces wordt het denken beperkt en steeds meer gericht op de zintuiglijk waarneembare wereld.
We zien hoe vanaf de vijftiende eeuw in de natuurwetenschap alles vast komt te liggen in maat en getal. Er ontstaat een materialistisch intellectualisme. De mens is tevreden met schaduwbeelden van de geestelijke waarheid die achter de materie verborgen blijft.
Michaël moet zich terughouden en
Ahriman heeft vrij baan om de mens in aardse wetten en bureaucratische netwerken te binden.
Toch moest dit abstracte, van de geestelijke realiteit losgemaakte denken ontstaan opdat de mens ooit een individualiteit zou kunnen worden die zich uit vrije wil tot de geestelijke wereld kan wenden.
Als Michaël in 1879 de heerschappij weer op zich neemt, is het de vraag of het  natuurwetenschappelijke denken, dat zoveel mensen gevormd heeft, weer aan Ahriman ontrukt kan  worden. Of het de mensen vanuit een omgevormd, doorlicht denken mogelijk is de wetenschap van de geestwereld op te nemen en weer in dienst te stellen van de ware doelen van de  wereldontwikkeling. 

Vlak voor zijn dood in 1925 schreef Rudolf Steiner indringend over Michaël: 

‘De mens moet de kracht vinden, licht te brengen in zijn ideeënwereld en die van licht doorstraald te beleven, ook als hij zich in zijn ideeënwereld niet op de verdovende zintuiglijke wereld richt. Door dit beleven van de zelfstandige – en in haar zelfstandigheid van licht doorstraalde – ideeënwereld zal het gevoel ontwaken bij de buitenaardse kosmos te horen. Daaruit zal de basis voor het feest van Michaël ontstaan’. 

In De Filosofie van de vrijheid van Rudolf Steiner, het eerste Michaëlsboek in het nieuwe Michaëlstijdperk, is een weg beschreven waarlangs je tot een begrijpen en ervaren kan komen van hoe je naast een denken met fysieke hersenen,  waarmee je eigen aardegedachten vormt, ook een levend denken hebt. Een  ‘ge-zon-d’ verstand waardoor de hersenen als waarnemingsorgaan bovenaardse gedachten kunnen opnemen en doorgeven naar het hart.
Michaël wil dit proces bevorderen en hoopt dat harten denkorgaan worden en weer gedachten krijgen. Hij wil leven in mensenzielen om de aards geworden kosmische intelligentie om te vormen tot levende mensengedachten.
We mogen hetgeen we in de afgelopen eeuwen met toenemend bewustzijn aan gedachten hebben ontwikkeld echter niet verwerpen, we kunnen deze gedachten doorlichten en ze weer een hart te geven.
Door het mysterie op Golgotha en de gebeurtenissen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren heeft  Christus zich met al het levende en werkende verbonden. Zijn intocht in de mens heeft het individuele Ik, waarvoor het hart de centrale woning vormt, gewekt voor Michaëls werk. We kunnen vermoeden hoe door een nieuw hartedenken een opstanding ontstaat van scheppende oergedachten, die ‘in den  beginne’ één waren met de logos, met Christus zelf. Dit levende denken kan het Christendom zijn ware vorm en werkzaamheid geven. Om deze weg te kunnen gaan is scholing nodig. Rudolf Steiner geeft daarvoor concrete wegen aan in zijn basiswerken en vele voordrachten. Objectieve waarneming speelt op deze weg een belangrijke rol zodat bijvoorbeeld waarheid of mening, waarachtigheid of onwaarachtigheid, werkelijkheid of schijn onderscheiden kunnen worden. Het verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot waarheid en onwaarheid groeit en uit zich meer en meer in vreugde of pijn. 

Hartedenken is een sociaal denken.
We kennen allemaal wel de situatie, dat we na een intensief gesprek
even tijd nodig hebben ’om het te laten bezinken’, ‘het te laten zakken’, ‘om er een nachtje over te kunnen slapen’. Waarom? Omdat het hart mee wil denken en wil luisteren naar onverwachte antwoorden  die in ons innerlijk hoorbaar kunnen worden. Ons handelen verandert: we gaan de dingen dan ‘van harte doen’, ‘vanuit de grond van ons
hart’, ‘omdat ons hart het ons ingeeft’, ‘omdat het ons uit het hart gegrepen is’. Als we daarbij ‘Ik’ zeggen, wijzen we op ons                                Dorothea Smit
hart en niet
op ons hoofd. 

Stappen die de mens op deze weg zet, zijn bouwstenen voor Michaël die een brug wil bouwen tussen hemel en aarde. Van beide kanten kan deze brug bewandeld worden, waardoor er weer gesprek kan ontstaan. De goden kunnen de mensen weer bereiken en nemen dankbaar hun aarde-ervaringen op als leeftocht voor hun eigen verdere ontwikkeling. Zij krijgen daardoor de mogelijkheid het wereldplan verder uit te voeren. De aard en de kwaliteit van ons mensenwerk is van groot belang voor het verdere scheppingswerk.
Michaël wacht op mensendaden en richt zijn blik vooruit op godendoelen.  Het christendom in haar ware vorm leren begrijpen is Michaëls streven.
Zo kunnen wij het Michaëlsfeest als het eerste feest van de nieuwe jaarronde beschouwen. Door de  poort van het Michaëlsfeest krijgen alle christelijke feesten een nieuwe kleur en eigentijdse verdieping.

“Michaël, Sint-Maarten en Sint-Nicolaas zijn de 3 heiligenfeesten van de herfsttijd. Zij staan alle drie symbool voor innerlijke kwaliteiten die in de mensen kunnen groeien.
Michaël staat voor dankbaarheid, evenwichtigheid en de moed om een zuiver innerlijk te ontwikkelen door de juiste keuzes te maken. Sint-Maarten staat symbool voor de offerbereidheid en Sint-Nicolaas voor het kunnen geven en zelfreflectie.”
Van ” EverydayMommyday” 

Tradities op school en/of voor thuis afkomstig van ” EverydayMommyday” 

=Oogstsoep maken waarbij de kinderen al de groenten zelf mogen snijden.
=Broodzwaardjes of brooddraken bakken.
=Een riddergevecht houden.
=De tafel versieren met vruchten, korenaren en gekleurde bladeren.
=Haal de mooiste zonnebloemen in huis.
=Organiseer een spelletjesdag waar kinderen hun daadkracht, moed en evenwicht op de proef kunnen  stellen. Denk aan een evenwichtsbalk, geblinddoekt parcours, klimmen in een boom, ergens overheen springen, etc..
=Knutsel uit een dennenappel, een stukje draad en rood, oranje, geel crêpepapier mooie vurige zwierezwaaiers om mee rond te draaien. [beschrijving van de wipwapwaaiers staan verderop vermeld]
=Beplak glazen potjes met rood, oranje en gele zijdevloei en gedroogde bladeren. Zo ontstaan de mooiste kleine lichtjes voor in en rondom het huis. 
=In het Duits heten vliegers draken, daarom is het vliegers oplaten een geliefde traditie met het Michaëlsfeest. Je vlieger bedwingen vraagt als kind een hoop moed en kracht.
=Maak een mooie draak van een oude sok {zie “het zonnejaar” website].
=Maak een gevaarlijke draak van kastanjebolsters.
Kook hele maïskolven – heerlijk kluiven aan de kolven met boter, zout en peper. =Eet en verwerk nog alle bramen die te vinden zijn. Maak jam, eet bramen met scones of maak nog lekkere bramentaart. Bramen zijn volgens een oude Ierse legende niet meer te eten na het Michaëlsfeest. Toen de duivel (Lucifer) uit de hemel werd verjaagd, belandde hij in een braamstruik. Hij vervloekte de struik, zodat de bramen vanaf 29 september te bitter zijn om nog te eten. 

Een draak van kastanjebolsters
Bron: ‘Herfstversieringen’, Thomas Berger 


Materiaal

Kastanjebolsters
Cocktailprikkers
Kastanjebladeren
Rode besjes of rozenbottels 

Werkwijze
Zoek een aantal kastanjebolsters uit die nog helemaal dicht zijn. Eén bolster mag al iets opengaan, die gebruiken we voor de bek. Maak de bolsters met prikkers aan elkaar vast.
De afbeelding laat zien wat men verder nog kan doen om de draak er vervaarlijk te laten uitzien.
Het  spreekt vanzelf dat dit slechts een van de vele mogelijkheden is om een bolsterdraak te maken.

Zie ‘Mooie kastanje’ lied opvrijeschoolliederen

Michaëlsdag, een impressie… 

Bij het licht van een lantaarntje, zit ’s morgensvroeg in de kleutergang het appelvrouwtje haar appels te poetsen. Dan gaat de kleuterdeur open en kleuters en ouders komen binnen met in hun handen een mandje gevuld met herfst- en oogstproducten. De kinderen lopen verlegen lachend, of even stilstaand, langs het appelvrouwtje.
Dan komen de kinderen de klas binnen en wordt er voor het “oogstmandje” een plaatsje gezocht bij de “nieuwe” seizoenstafel.
De werktafels staan, gedekt en wel, klaar voor een herfstmaaltijd. De kleuters kijken de klas rond en zien aan het plafond prachtige herfstslingers hangen: “Die is van mij,  die hebben wij gemaakt….” 

Vrolijke en verwachtingsvolle gezichtjes, kinderen in afwachting van wat deze dag nog meer gaat  brengen. 

Alle mandjes staan, alle kleuters zijn binnen: we zingen Michaëls- en herfst liedjes, halen Zonnegroet [de klassenkabouter] uit bed, luisteren naar de vertelseltjes van een aantal kinderen en gaan op bezoek bij het Appelvrouwtje dat nog steeds aan het appeltjes poetsen is.  

De kleuters nemen aandachtig plaats en luisteren naar wat dit vrouwtje te vertellen heeft: over appels en appels plukken, we mogen een liedje voor haar zingen en als beloning krijgen wij een heerlijke, glimmend gepoetste appel mee de klas in: al zingend lopen we terug: 

In iedere kleine appel, 

Herfst, herfst wat heb je te koop….. 

De producten uit de meegebrachte oogstmandjes worden in de tijd die komen gaat zoveel mogelijk verwerkt tot jam, appelmoes, soep, pizza enz. door de kinderen zelf. 

In het oogstmandje zijn volgende eetbare producten gelegd:  

appels, peren, bessen, bramen, noten, pompoen, tomaatjes, courgette, uien, maar ook herfstproducten zoals eikels, kastanjes, oranje lampionnetjes, mooie bladeren enz. om de oogsttafel  mee te versieren. 

Behalve al dat lekkers uit de mandjes wordt er voor de kinderen een oogstbrood gebakken, gevuld  met noten, rozijnen enz. 

In deze tijd van het jaar worden volgende bakersprookjes verteld zoals:
Het huis zonder ramen en  deuren,
Pietertje appelpit,
De knol die niet uit de aarde wilde,
Masjenka en de beer.

29 september Michaëlsdag:
Oogstfeest:  

Wat is de wereld goed voor de kinderen: de seizoenstafel met meegebrachte mandjes van ieder kind, gevuld met voeding als appels, kastanjes, mais, prei enz. , worden  neergezet . 

Op de seizoentafel verder:
bloemen, pompoenen, herfstkettingen [die ook aan het plafond hangen in de

klas]..  Als kleuren: Donkergeel, oranje tinten, donkerbruin en goudgeel onder alle gaven.

 

Recept Brooddraak
• 500 gram bloem of meel (BD) (half bloem, half volkoren meel geeft de beste resultaten.)
• 10 gram zout
• 20 gram gist (bij meel 25 gram gist)
• Ca. 4 dl. water
• Eventueel ’n scheutje olie.

Bereiding
De gist met suiker en warme melk laten wellen.
Zout, en daarna het gistmengsel door het meel roeren.
Het deeg afmaken met het water en de olie.
Enige tijd kneden en daarna 1 uur laten rijzen op een warme plaats.
Ten slotte op een bemeelde plank of tafel de brooddraak vormen met een krent als oog.
Met een mesje vormgeven aan schubben, poten en bek.
Nog eens 15 min. na-rijzen,
Dan de voorverwarmde oven in, waar de draak zich kan opblazen.
Oven op no. 5 of 240° C. Baktijd 30 minuten.

Hoe ziet de brooddraak eruit?
Er zijn twee mogelijkheden:
1. In plat-reliëf (voor brooddeeg eigenlijk de beste manier).
2. In hoogstand, dus zittend rechtop (alsof je met klei bezig bent).
Bij meer kinderen zou je ieder kind zijn eigen draak kunnen laten
vormen! 

De herfst is het verzamelseizoen bij uitstek. Als de herfsttafel klaar is, spinnenwebben en eikelpoppetjes gemaakt, de pannetjes van het kinderkeukentje vol zitten  

met kastanjesoep en eikeltjesprut, dan is het tijd om eens een herfstslinger samen te maken.

In het artikel volgt nu ‘Het verhaal van de jongen met de vlieger’.
Dat staat op deze blog: Michaëlverhalen [10-5]

Vrouwtje Appelwang

“Lief klein vrouwtje Appelwang,
Waar kom jij vandaan?”
“Eerst hing ik boven in de boom,
Toen kwam Jan de Wind eraan.
Hij rukte en trok en duwde,
Ik zwaaide heen en weer.
Totdat, totdat mijn steeltje brak,
En ik viel op de aarde neer”…

In het artikel staat hier het liedje ‘In ied’re kleine appel’


Joris en de draak 

Heel lang geleden leefde er in een groot, diep meer een afschuwelijke draak. Meestal lag hij overdag op de bodem van het meer te slapen. En alleen dan durfden de mensen uit de stad naar het meer om water te halen. Maar soms kon de draak overdag niet slapen en dan kwam hij op klaarlichte dag uit het meer. De mensen bleven dan het liefst zo ver mogelijk uit de buurt van de draak. De draak was zo  groot, dat zijn brede staart de hele oever van het meer bedekte. Hij had scherpe tanden en enge groene ogen. Op mooie namiddag kwam een jongetje dat buiten de stadspoort had gespeeld heel  hard de stad binnen hollen. “De draak is uit het meer!” riep hij, “Hij loopt richting de stad”. De  poortwachters sloten direct met een grote klap de zware houten deuren van de stadspoort en alle  mensen barricadeerden vlug de deuren en ramen van hun huizen. 

Het werd avond, de mensen hoorden de draak aankomen over de weg naar de stad. Zijn brede staart schuurde over de keien en de grond trilde. Toen de draak bij de stadspoort stond en hij ontdekte dat deze dicht was, blies hij woedend vlammen uit zijn neusgaten. Enkele ogenblikken later stond de stadspoort in vuur en vlam. Het duurde dan ook niet lang voordat de stadspoort tot de grond toe was afgebrand. De draak liep langzaam door de stad en gluurde door de dichte ramen naar binnen. De  vrouwen en kinderen begonnen angstig te gillen en de mannen waren zo bang dat ze zich verstopten. “De draak heeft vast honger,” fluisterden de mensen tegen elkaar. “Hij is op zoek naar eten.” Een paar  mensen die niet meer op tijd bij hun huizen hadden kunnen komen, stonden angstig tegen de muren van werkplaatsen gedrukt. Maar de draak deed geen enkele moeite om hen te pakken. Hij brulde één  keer heel hard en blies weer vuur uit zijn neusgaten. Toen keerde hij om en liep terug naar het meer.

De volgende morgen liet de koning de verstandigste man van het land bij zich komen, zijn naam was Balder. “Weet u waar de draak naar op zoek is?” vroeg de koning. “De draak is op zoek naar het  mooiste meisje van de stad,” zei Balder. “En als hij haar gevonden heeft, zal hij haar opeten.” De  koning schrok heel erg. Want hij wist dat het mooiste meisje van de stad zijn eigen dochter, prinses Elin, was. “Ik kan haar toch niet laten opeten door de draak,” dacht de koning wanhopig.
De volgende  nacht kwam de draak weer naar de stad. En nu zette hij een rij huizen in brand. En na zijn  angstaanjagende ronde vertrok hij weer naar het meer. De mensen gingen de volgende dag naar het  paleis van de koning. “U moet uw dochter aan de draak geven,” zeiden ze. “Anders zal hij de hele stand afbranden.” De koning wist dat er niets anders op zat dan de prinses aan de draak te geven. En zo werd de ongelukkige prinses buiten de stad vastgebonden aan een paal. 

Later op de dag kwam de draak weer uit het meer. Hij zag de prinses al vanuit de verte staan en liep langzaam haar richting uit.
Maar op datzelfde moment kwam er een ridder te paard aanrijden. De ridder stopte bij het meer en liet zijn paard drinken. Het was ridder Joris en hij was de dapperste man van het land. Toen zijn paard genoeg had gedronken reed hij verder richting stad. En daar zag hij de draak, die inmiddels vlak bij de prinses was. De prinses beefde van angst. Ze kon de hete adem van 
het afschuwelijke beest op haar gezicht voelen. De ridder spoorde zijn paard aan en reed in  razendsnelle galop naar de draak. “Stop!” schreeuwde hij. “Ik ben Joris, de dapperste ridder van het  land. Je zult de prinses niet krijgen, voordat je met mij hebt gevochten.”
De draak draaide zich  woedend om. Hij blies vuur uit zijn neusgaten, maar het harnas van ridder Joris beschermde hem tegen de vlammen. Joris liet het vizier van zijn helm zakken en stormde met zijn lans gericht op de  draak af. Maar de draak beet de lans doormidden. Hij greep Joris beet met zijn grote klauwen en trok hem van zijn paard. Toen pakte Joris zijn bijl. Hij sloeg ermee naar de plaats waar hij dacht dat het hart van de draak zou zitten. Maar de draak had geen hart en de bijl brak in wel twintig stukken. Daarna gaf de draak Joris zo’n klap met zijn staart dat hij languit op de grond viel. Joris krabbelde  overeind, gaf niet op en trok vol moed zijn zwaard. Hij stormde op de draak af en stak het zwaard  recht in de buik van de draak. Het afschuwelijke monster brulde van woede en pijn en viel toen met een klap achterover. Zijn grote klauwen staken in de lucht. Joris trok zijn snel zwaard uit de buik van de draak. Hij hief het opnieuw omhoog en sloeg met één klap de kop van het afschuwelijke monster af. De draak was dood.
Toen de mensen begrepen dat de draak dood was, kwamen ze nog  nasidderend van angst hun huizen uit. De poortwachters die vanaf de stadsmuren het gevecht  hadden gevolgd, klapten en juichten van blijdschap.
Joris bevrijdde de prinses en hand in hand liepen ze naar het paleis.
Wat was de koning gelukkig toen hij zijn dochter terugzag. “Je hebt het leven van  mijn dochter gered,” zei hij tegen Joris. “Je mag wensen wat je wil.” Joris hoefde daar niet lang over na te denken. “Ik wil graag met uw dochter trouwen,” zei hij tegen de koning. En al de volgende dag trouwde Joris, de dapperste ridder van het land, met prinses Elin, het mooiste meisje van de stad.

Dan volgt het liedje ‘Langs een groen molentje’.

Alle jaarfeesten op een rijtje – Antroposofisch Leven
Het Zonnejaar
Draaidraakje – Antroposofie en het Kind (antroposofiekind.nl)
29 september – Het Michaëlsfeest, door Hans Stolp (nieuwetijdskind.com)
Waarom vieren we het hele jaar feesten? – (everydaymommyday.com)

Boeken:
Het hele jaar feesten
Leven met het jaar
Het jaar rond
Door het jaar heen
Van winterdans tot zomerkrans
Boekjes van Hennie de Gans -Wiggermans

Liane Collet Herbois

Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven
slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en
schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles
wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders
dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.

Rainer Maria Rilke

Hans Stolp 

“Over de weegschaal en de pest… 

Overigens wordt Michaël niet alleen afgebeeld met de draak onder zijn voeten, we komen hem op afbeeldingen regelmatig ook tegen met een weegschaal in de hand. De weegschaal is natuurlijk het attribuut van vrouwe Justitia en dus van de rechtspraak en symboliseert daarmee ons geweten. Het beeld van de weegschaal vraagt van ons, in onszelf af te wegen wat juist is, en wat niet juist is; wat respectvol is en wat kwetsend is; wat waar is, en wat niet waar is. Ook met dit beeld wil Michaël ons leiden van de sfeer van ons ego naar de sfeer van ons hoger zelf, ofwel van onze innerlijke Christus. In het verleden werd wel gezegd: vind je het moeilijk om écht, vanuit je hart, mee te leven met een ander, roep dan Michaël aan, en hij zal je helpen om te groeien in de kracht van het ware meeleven.
Hetzelfde geldt voor het beoefenen van geduld: heb je daar moeite mee, vraag dan Michaël om hulp.  Zo hebben de mensen door de eeuwen heen intensief met Michaël geleefd: hij was voor hen werkelijkheid, en zij leefden net zo onbevangen met hem, zoals je met vrienden en vriendinnen samenleeft. Daarom zie je nog overal afbeeldingen van hem, en niet alleen in boeken of op iconen: zo vinden we hem in Amersfoort bijvoorbeeld meer dan levensgroot afgebeeld op de zijgevel van de Michaëlschool. En daarom wordt er ook in vele legenden over hem verteld. 

Van paus Gregorius de Grote (een bijzondere paus, met een groot, natuurlijk gezag) wordt bijvoorbeeld verteld dat hij tijdens een pestepidemie de aartsengel Michaël zag, vliegend in de lucht. Daarbij mocht paus Gregorius echter ook zien, hoe Michaël op een gegeven moment zijn vlammende zwaard in de schede stak. Op dat moment was de pestepidemie meteen voorbij! In deze legende zien  we, hoe Michaël ons redt van de ondergang. Alweer: een typerend beeld voor wat de aartsengel  Michaël ook in deze tijd komt doen! 

Overigens, Michaël is niet alleen een aartsengel die in het Jodendom, het Christendom en de Islam  vereerd wordt. Ook in andere religies wordt hij vereerd, zij het onder andere namen. In Babylonië  werd hij bijvoorbeeld Mardoek genoemd, in Griekenland Apollo, in Egypte Anubis en in de Rigveda  (de oude heilige Indische boeken) wordt hij Indra genoemd. We hebben in Michaël dus te maken met  een groot geestelijk wezen dat in de meeste religies gekend en vereerd werd en wordt! “ 

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2723

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – op andere sites (56)

.

michaël op andere sites

.

Op ‘Every day mommyday veel over  Michaël.
Bijv. gezongen Michaëlsliederen

Op ‘Vrije Opvoeding
Enkele achtergronden en recept van brooddraak

Op Tineke’s doehoek
Achtergronden, knutsels, spelletjes, vliegeren en meer

Op ‘Odin
Herfstbeschouwing en bespiegeling over o.a. ‘moed’.

Op ‘Natuurwijze
Beschouwing over ‘moed’

Op ‘Kinderopvang De geheime tuin
Achtergronden; wat kun je in de verschillende klassen doen.

Op ‘Catharijneverhalen’
Pelgrimstekens van de Aartsengel Michaël.

Op ‘Antroposofisch leven
Achtergronden; wat kun je met jonge en oudere kinderen doen.

Op ‘Antroposofie en het kind
Beschouwing, achtergrond, tekeningen.

Op ‘Pagan ouderschap
Een lange lijst boeken voor kinderen.

 

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2722

 

VRIJESCHOOL – Michaël (55)

.
Thomas Meyer, Weledaberichten nr. 163 sept. 1994
.

HET KWADE ALS BEWUSTZIJNSVRAAG

.

Een Michaëlsmotief in het oude Indië

.

Michaël, de overwinnaar van de draak, verschijnt in de geschiedenis van de mensheid onder uiteenlopende namen bij bijna alle culturen op aarde. Bij de oude Indiërs bijvoorbeeld als de oppergod Indra (die ook de heerser was over het luchtelement).

Uit het (bekende) beeld van Michaël die de draak doodt, wordt duidelijk dat het de speciale opgave van Michaël is om het kwade in de wereld te bestrijden. Tegenwoordig moet deze strijd vooral met het wapen van het inzicht gevoerd worden.

De hedendaagse mens zal de machten van het kwade alleen kunnen beheersen, wanneer hij zich een duidelijk inzicht in het kwade eigen maakt. Hoe actueel deze opgave ook is, toch vinden we haar al beschreven en opgelost in de vertelling van Nala en Damayanti – een vertelling die, net als de bekendere Bhagavad Gita, in het grote epos van de Mahabharata is ingevoegd.

Nala, de koning van het rijk der Nishaden, is op een dag niet zo oplettend bij het uitvoeren van een gebeds- en wasritueel. Door de poort van deze kleine onoplettendheid glipt Kali, de demon van het dobbelspel, bij hem binnen en neemt bezit van hem. Nala verspeelt al spoedig zijn kroon, zijn rijk en zijn aanzien, en bijna zijn geliefde Damayanti. Leed, waanbeelden en scheiding van vrouw en kinderen zijn het gevolg. Zonder herkend te worden en onder een andere naam, vervoegt Nala zich ten slotte aan het hof van een vreemde koning. Nala leert hem de koetsierskunst en in ruil daarvoor schenkt de koning hem zijn wonderbaarlijke kennis der getallen. Wie deze kunst beheerst kan bij voorbeeld in één oogopslag zien hoeveel bladeren of vruchten eraan een boom zitten.
Op het moment dat Nala deze kunst beheerst, verliest Kali, de demon van de dobbelcijfers, onmiddellijk al zijn macht over hem. Het gelijke wordt door het gelijke uitgedreven: de werkzaamheid van de getallen door de kennis van de getallen.
“En toen hij de kunst der getallen op deze wijze beheerste” zo meldt ons deze vertelling, “verliet de kwade dobbelgeest Kali zijn lichaam, voortdurend gif spuwend.
Toen week uit Nala het betoverende vuur van Kali.”

Nala hervindt zijn gemalin en wordt weer in zijn oude waardigheid als koning hersteld. En opnieuw rust de zegen van Indra, de oppergod, op het paar.

Zo wijst dit Oud-Indische Michaëlsgedicht ons al op het feit dat elke strijd tegen het kwade van deze tijd, als een strijd om het inzicht moet worden gevoerd. Dat alleen een overwinning van het inzicht een ware overwinning over het kwade kan brengen.

.

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

.

2721

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-15)

.

Duitse legende

.

Michael en de twijfelende kluizenaar
.

 

Een kluizenaar werd door twijfels aan de rechtvaardigheid van God, overvallen en hij wilde erop uitgaan om die rechtvaardigheid te zoeken.
Hij liet zijn hut en het stille bos achter zich en begaf zich op weg.
Toen kwam er een jongeman bij hem lopen, en ze reisden samen.

Tegen de tijd dat het nacht werd, kwamen ze bij een slot waar ze vriendelijk werden ontvangen.
Toen ze ‘s morgens verder liepen, haalde de jongeman een beker te voorschijn die hij in het slot had gestolen.

De tweede nacht brachten ze door bij een gierigaard. ’s Morgens bij het afscheid gaf de jongeman hem de beker ten geschenke.

Ze liepen het dorp door en de jongeman — van wie de kluizenaar inmiddels bang begon te worden — ging een armoedig huis binnen en eiste te drinken. Nauwelijks hadden ze het dorp achter zich gelaten of het huis ging in vlammen op en brandde af.

Vervolgens haastten ze zich naar het gebergte. Uit een eenzame hut klonk gejammer en geweeklaag. Ze zagen treurende ouders bij een ziek kind zitten. Meteen bereidde de jongeman een drank, gaf die aan het kind, en dat stierf ogenblikkelijk.
Toen schrok de kluizenaar en hij aarzelde of hij de verdachte jongeman nog wel verder zou volgen. Die had echter de vader van het kind als gids aangenomen.
Maar de kluizenaar werd door woede overmand toen hij zag dat die ontzettende reisgenoot de gids van de eerste de beste brug in de afgrond stortte.

De jongeman ontkwam aan zijn toorn en veranderde in de aartsengel Michaël.

‘Je hebt,’ zo zei hij, ‘geprobeerd achter de rechtvaardigheid van God te komen, en je hebt er nu iets van gezien.
De beker die ik die goede man ontstal was vergiftigd, en de gierigaard zal er het loon voor zijn zonden in vinden.
De arme mensen van wie ik het huis aanstak, zullen het weer opbouwen en in het puin zullen ze een schat vinden.
Het kind dat ik van de aarde wegnam, zou zijn opgegroeid als een misdadiger en zondaar, want zijn vader, die ik in de afgrond stootte, was een moordenaar en een rover.

Zo is voor God soms rechtvaardig wat in de ogen van een mens onrechtvaardig lijkt.’

Toen ging de kluizenaar terug naar zijn kluis en was van al zijn twijfels genezen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2720

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-14)

.
Bulgaarse vertelling.

 

De boer en de aartsengel Michael

.
Er was eens een arme boer. Hij had zich met een meisje verloofd en wilde trouwen, maar ze hadden geen getuige. Daarom ging hij op pad, vastbesloten om daar  alleen maar een eerlijk mens voor te kiezen.
Toen ontmoette hij Christus en deze groette hem met de woorden: ‘God moge u bijstaan!’
‘God zal ons genadig zijn,’ antwoordde de boer op die groet.
‘Waar ga je heen?’ vroeg Christus.
‘Ik ben op zoek naar een verstandig iemand als getuige voor mijn bruiloft.’
‘O, wil je mij niet nemen?’

‘Wie ben je dan, en wat doet je?’ vroeg de boer.
‘Ik ben Christus.’
‘Christus, nee, die wil ik niet. Als Zoon van God ben je zelf een God geworden en net zo onrechtvaardig als hij. Aan de een schenk je rijkdom, de ander slechts honger. Hoe kan iemand iets goeds willen als hij zoveel onrecht toelaat? En juist daarom wil ik je niet als getuige,’ zei de boer en ging zijns weegs.

Het duurde niet lang of hij kwam de heilige Petrus tegen. Ook deze groette hem en vroeg hem waar hij heen wilde. Toen vertelde de boer dat hij op zoek was naar een getuige bij zijn huwelijk, waarop ook Petrus zich als zodanig aanbood. Maar nauwelijks wist de boer wie hij was tegengekomen of hij antwoordde: ‘Nee, u wil ik niet, heilige Petrus. Per slot bent u het die de sleutel tot het paradijs bewaart. De een laat u binnen, de ander niet. Vindt u dat soms rechtvaardig?’

Uiteindelijk ontmoette hij de aartsengel Michael, die hem groette: ‘Moge God u bijstaan, broeder!’
‘U evenzeer,’ antwoordde de boer en zei: ‘Ik zoek een getuige voor mijn bruiloft, maar ik wil daar alleen maar een rechtschapen mens voor nemen.’
‘Neem mij.’
‘Wie ben jij dan?’ vroeg de boer en bekeek de aartsengel indringend van top tot teen.
‘Ken je mij niet? Ik ben de aartsengel Michaël.’
‘Aha, hij die de zielen van de mensen komt halen. Ja, u bent voor mij de juiste, u zal ik nemen, want u bezoekt ieder mens en neemt zijn ziel.’

Zo werd de aartsengel Michaël getuige bij het huwelijk van de arme boer.
Na het trouwfeest zei de aartsengel tot de bruidegom: ‘Je hebt mij gekozen en mij daarmee eer bewezen. Daarom zal ik je als dank dit flesje water schenken. Het zal je rijk maken, zodat je voortaan niet arm meer hoeft te zijn.’
‘Hoe zou ik door een waterflesje rijk kunnen worden?’ vroeg de boer verwonderd.
‘Met dit flesje kun je genezen. Zodra je een zieke met een paar druppels besprenkelt, zal die beter worden en je daarvoor belonen. Zo zal je een beroemde arts worden en een vermogen verwerven.’

De boer kon eenvoudigweg niet geloven dat een paar waterdruppeltjes genoeg zouden zijn om zieken weer gezond te maken, en dus vroeg hij de aartsengel nog een keer: ‘Hoe kan dat water elke ziekte genezen?’
‘O, dat is heel eenvoudig. Als je er een zieke eenmaal mee hebt besprenkeld, kom ik zijn ziel gewoon nog niet halen. Hij zal blijven leven en beter worden.’

Na deze woorden nam de aartsengel afscheid en vertrok.
De boer genas alle mogelijke ziekten zoals de aartsengel het hem had gezegd. Al gauw deed het verhaal van zijn geneeskrachtige gaven in heel het land de ronde, en het duurde niet lang of de arme boer was een vermogend man geworden.

Na enige tijd kwam hij op het idee om zijn huwelijksgetuige van toen, als gast uit te nodigen.
De aartsengel kwam en later vroeg hij de man voor een tegenbezoek. De boer was daar blij mee en zocht de aartsengel op. Zijn gastheer leidde hem eerst door een paleis dat op dat van de tsaar leek, daarna door een nog mooier — alle wanden waren van goud en edelstenen.
Ten slotte kwamen ze in een grote ruimte die volstond met brandende kaarsen. Het waren heel grote kaarsen, en zoals ze daar bij elkaar stonden was het net een bos. Sommige waren zo hoog als populieren, waarschijnlijk net aangestoken, andere daarentegen waren al half opgebrand en van weer andere was er nog slechts een gloeiend stompje over.
Heel verbaasd over wat hij zag, vroeg de man aan de aartsengel Michael: ‘Wat hebben al die kaarsen te betekenen? Waarom zijn sommige helemaal nieuw, terwijl andere half en weer andere helemaal opgebrand zijn?’
De aartsengel antwoordde: ‘De hoge kaarsen zijn van de kinderen die pas geborenen zijn.
De half opgebrande horen bij de mensen die de helft van hun leven hebben bereikt.
Die bijna zijn opgebrand zijn van de mensen van wie leven spoedig ten einde is. Zodra er een dooft, haal ik de ziel van de mens weg aan wie die kaars toebehoorde.’ ‘Zegt u mij alstublieft, welke kaars van mij is,’ vroeg de man benauwd.

Toen wees de aartsengel op een kaarsstompje dat weldra voor het laatst zou opflakkeren.
Geschrokken wilde hij nu ook de kaars van zijn eigen kind zien, dat pas onlangs was geboren. Maar die was hoog als een populier, er was nauwelijks iets van opgebrand.
‘Wat een groot verschil met de mijne,’ dacht de boer en vroeg: ‘
Beste aartsengel, kunt u op de een of andere manier mijn kaars ruilen voor die van mijn kind? Geef hem de mijne en mij gewoon die van hem.’ 

‘Waarom heb jij ooit een rechtvaardig mens als huwelijksgetuige willen hebben, als je zelf zo onrechtvaardig bent?’ vroeg de aartsengel Michael nijdig en vervolgde toen:
‘Jij wil de kaars van je eigen kind, dat net geboren is, en je wil hem jouw kaars daarvoor in de plaats geven? Moet die pasgeborene dan nu al sterven, alleen omdat jij, die al zo lang leeft, nog langer kan leven?’

Boos joeg de aartsengel Michael de boer zijn rijk uit en slechts enkele dagen later kwam hij zijn ziel halen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2718

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/2)

.
Albanees sprookje
.

Lucifer verwondt Michaël aan zijn voet
.

De wereld was vierduizend jaar lang verduisterd geweest. Dat kwam omdat Lucifer de zon opgesloten had.
Toen besloot de goede God boven in de hemel om Lucifer met hulp van de heilige Michaël een poets te bakken, om Lucifer de zon weer te ontfutselen.

De heilige Michaël en ook Lucifer waren in die tijd herders. Beiden hadden de gewoonte de eigen kudde te hoeden op een grazige weide. De heilige Michaël kwam Lucifer tegen en hij zei tegen hem: ‘Zullen we niet eens een bad nemen in dat water daar? Voor ons lijf is het toch heel verkwikkend om rond deze tijd te baden.’
Maar Satan doorzag Michaëls list en zei tegen hem: ‘Ik weet best waar je op uit bent! Houd je maar rustig! Onder het mom van een bad wil je mij de zon afhandig maken. Als je me in naam van de hoogste God kan zweren dat je de zon niet van mij af zal pakken, zullen we gaan baden!’
De heilige Michaël antwoordde: ‘Wees zo goed even te wachten, dan ga ik God hierboven vragen of ik dat mag of niet!’

De heilige Michaël sloeg zijn vleugels uit in de richting van de hemel, kwam daar vliegensvlug aan, ging voor God staan en sprak tot hem: ‘Geeft u mij toestemming om in uw naam een eed af te leggen waarbij ik zweer dat ik de zon niet van Lucifer zal afpakken? Op een andere manier krijgen we het niet voor elkaar! Want hij is een oude vos en had de streek die ik hem wilde leveren meteen door. Als u, Majesteit, mij nu toestaat die eed af te leggen, dan hoop ik geluk te hebben en mijn taak te kunnen volbrengen.’

De goede God antwoordde: ‘Je mag het. Maar zacht, zonder dat hij het hoort, moet je eraan toevoegen: “Geloofd zij de Gezegende”.’

Toen vloog de heilige weer omlaag. Bij Lucifer gekomen zei hij tegen hem: ‘Heb je nog bedacht of we al dan niet in het water zullen gaan?’ Lucifer zei: ‘Zoals ik al heb gezegd. Zweer je me in naam van de hoogste God dat je de zon niet van me af zal pakken, dan neem ik met het grootste genoegen een bad!’
‘Zo waar ik God de Vader wil zien,’ zwoer daarop de heilige Michaël, ‘ik zal je hem niet ontfutselen. Wees maar niet achterdochtig, zet die gedachte maar uit je hoofd!’
Terwijl hij die eed aflegde in naam van de Allerhoogste, zei hij zoals God hem had opgedragen: ‘Geloofd zij de Gezegende!’

Nu liepen ze samen naar de rivier, kleedden zich uit om zich in het water te gaan baden.
Lucifer was het eerst klaar en sprong — plons! — in het water. De heilige Michaël volgde hem, trok toen een spriet uit van het moerasgras dat daar aan de oever groeide en zei tegen Satan:
‘Wie van ons zou de dikste hals hebben, jij of ik?’
En Satan antwoordde hem: ‘Ik!’
Daarop zei de Michaël: ‘Dat is niet waar! De mijne is het dikst!’
‘Dat kan niet waar zijn!’ zei de ander. ‘Heb jij dan geen ogen in je hoofd om te kunnen zien hoe dik mijn hals is!’
‘Laten we dat dan maar eens meten!’ zei de heilige Michaël.
En hij de nam de halm rietgras en legde die om Lucifers hals alsof hij die wilde meten. Maar op hetzelfde ogenblik veranderde de halm in een ketting. Nu maakte Michaël zich licht en vloog op de oever af, waar Lucifers zon in een bosje was verstopt. Hij tilde de zon en steeg ermee omhoog.

Satan spande zich in om de zware keten die hij om zijn hals droeg te verbreken. Pas na langdurige moeite lukte dat. Intussen had de heilige Michaël al een voorsprong opgebouwd. Maar nu zette Satan de achtervolging in. De heilige Michaël was al in de hemelse sferen aangekomen. Hij had zijn doel echter nog niet helemaal bereikt en de drempel van het paradijs nog niet betreden, toen Lucifer hem had ingehaald. Die klemde zich vast aan zijn hiel en rukte de heilige een stuk uit zijn voet.

Maar niettemin kwam Michaël als winnaar uit die wedstrijdvlucht te voorschijn. Hij ging voor de Heer staan en zei tegen hem: ‘Ik heb hem de zon afhandig gemaakt! Maar wat koop ik ervoor? Hij heeft me zeer zwaar aan mijn voet verwond. En ik geloof niet dat ik het nog lang maak!’
‘Maak je daar nu maar geen zorgen over,’ zei de Almachtige, ‘want ik zal je genezen.
Maar ik bepaal hierbij wel, dat ieder mens met die verminking ter wereld zal komen!’

Sindsdien hebben alle mensen, als ze tenminste geen platvoeten hebben, een holte in hun voetzool.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2717

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-13/1)

.
Servisch sprookje
.

De roof van de zon
.

Toen de demonen van God waren afgevallen en naar de aarde waren gevlucht, hadden ze ook de zon meegenomen, en de leider van de duivels had hem aan een lans gestoken en droeg hem op zijn schouder.
De aarde beklaagde zich bij God dat de zon haar nog helemaal zou verbranden. God zond de aartsengel Michaël. Hij moest de zon hoe dan ook van de duivel afpakken.
De heilige aartsengel daalde af naar de aarde en knoopte vriendschap aan met de leider van de duivels. Maar deze was op zijn hoede, want hij had meteen in de gaten waar het om begonnen was.

Op een keer gingen ze samen op aarde wandelen en ze kwamen bij de zee. Ze besloten om te gaan baden, en de duivel stootte de lans met de zon in de aarde. Nadat ze een poosje in het water waren geweest, zei de heilige aartsengel: ‘Laten we nu gaan duiken en zien wie het diepste komt.’
De duivel stemde daarmee in en de heilige Michaël dook onder en kwam weer boven met zeezand tussen zijn tanden.
Daarna moest de duivel duiken.
Maar omdat hij bang was dat de aartsengel hem in die tussentijd de zon afhandig zou maken, trof hij maatregelen. Hij spuugde op de aarde en uit zijn speeksel ontstond een ekster, die de zon voor hem moest bewaken tot hij had gedoken en met zijn tanden zeezand had gehaald uit de diepte.
Zodra de duivel echter in het water verdween, maakte de heilige Michaël met de hand een kruisteken en meteen daarna werd de zee bedekt met een metersdikke ijslaag. Toen greep hij snel de zon en vluchtte ermee naar God.

De ekster echter, kraste uit alle macht en toen de duivel dat  hoorde, vermoedde hij ook al wat er aan de hand was. Hij keerde zo vlug mogelijk om. Maar toen hij boven kwam vond hij de zee dichtgevroren en hij begreep dat hij er niet uit kon. Vlug keerde hij weer terug naar de zeebodem, nam een geweldige steen en brak daarmee door het ijs en zette de jacht op de slimme aartsengel in.

De heilige Michaël stond al met één voet in de hemel, toen de duivel hem bereikte. Hij greep hem nog net bij de andere voet en rukte met zijn klauwen een groot stuk vlees uit de voetzool. Met die wond kwam de heilige Michaël bij God en overhandigde hem de zon. Jammerend klaagde hij hem zijn nood en zei: ‘Wat moet ik nu, nu ik zo verminkt ben?’
Toen antwoordde de Heer: ‘Wees kalm en niet boos. Van nu af aan zullen alle mensen net als u geen vlakke voetzool meer hebben.’

En zoals God het had bevolen, gebeurde het en zo is het gebleven, zodat we niet zullen vergeten dat de heilige aartsengel Michaël onze aarde voor verbranden heeft behoed en dat hij de zon naar de hemel teruggebracht heeft.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2716

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-12)

.
Bulgaarse legende van de Bogomielen
.

Michaël en het kwaad

.

Michaël en het kwaad

 

Satanaël zag dat God de Heer door alle engelen werd vereerd en geprezen en afgunst maakte zich van hem meester: hij moest en zou aan God gelijk worden. In zijn trots dacht hij: ‘Ik zal mijn troon in de hemel op de wolken zetten en de gelijke van de Almachtige worden.’
God de Heer echter kende zijn gedachten en hij wilde Satanaël met zijn arglistige volgelingen doen neer storten uit de hemelen.

God zond de aartsengel Michaël naar Satanaël.
Michaël ging naar hem toe. Maar Satanaël schroeide de aartsengel Michaël met zijn vuur.
Michaël keerde naar God terug en sprak: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt opgedragen, maar Satanaël heeft mij met vuur geschroeid.’
Toen verhief God de Heer Michaël in een hogere waardigheid en Michaël, die tot dan toe Miche heette, werd Michaël genoemd.
Satanaël echter heette van toen af aan alleen nog maar Satan.

En God de Heer gaf de aartsengel Michaël de opdracht Satanaël met Gods scepter zijn schouder te slaan en hem met zijn boze scharen te doen neerstorten uit de hemel.
Nu stuurde God de Heer Michaël opnieuw naar Satanaël, maar het lukte Michaël niet de troon van Satan te naderen, en opnieuw werd hij geschroeid.
Michaël echter vermande zich, sloeg met al zijn kracht de scepter naar Satan en deze stortte daardoor neer in de diepte, samen met zijn getrouwen.
Drie dagen en drie nachten vlogen zij door de luchten, als regendruppels, en op de derde dag kwamen de engelen in de hemel samen en Michaël werd door God gekozen tot aanvoerder van de hemelse heerscharen.

De poorten van de hemel werden gesloten, de gevallen engelen echter bleven buiten. Sommigen bleven aan de bergen hangen, sommigen stortten in de afgrond, anderen bleven in de luchten, weer anderen kwamen op aarde neer en verleidden daar de mensen, ieder op zijn beste manier.

En daar zijn ze nu nog steeds.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2714

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-11)

.

Heinz Müller, Erziehungskunst, 24e jrg. 10 1960

.

Michaëlslegende
.

Er was eens een man, die had in zijn leven veel gewerkt en was er oud en wijs bij geworden; want al wat hij had gedaan was gebeurd met liefde voor zijn werk en om de mensen te helpen. Daarom kon hij niet alleen met een vroom hart veel schoons op aarde zien en beleven. Hij had de gave veroverd om ook dan nog te kunnen zien en luisteren als andere mensen, door slaap bevangen en zonder dat ze er iets van weten, ’s nachts door hun engel naar hun hemelse vaderland worden gebracht.

Eens wandelde hij zo aan de zijde van zijn engel naar lichte hoogten. Toen kwamen ze bij een gouden poort; die was gesloten. Zijn engel deed een paar stappen achteruit en zei: ‘Wacht nog even, dan zal de poort voor u worden geopend!’ En werkelijk, even later weerklonk er een geweldige galm als van vele bazuinen, en daarmee vermengde zich een rollende donder. Toen ging de poort open en een helder schijnsel, als stralend van goud en zilver, verblindde eerst wie er in keek. Al gauw echter zag de oude man een machtige engelvorst voor zich; diens gewaad glansde alsof het uit de stralen van zon en maan was geweven; in zijn handen droeg hij een schaal van puur goud. De man nu vroeg zijn engel: ‘Wie is het die we hier zien?’ — ‘Dit is Michaël, die de draak overwon en die nu voor Gods aanschijn staat als heerser van onze tijd,’ zo luidde het antwoord. Terwijl de oude man eerbiedig om zich heen keek, zag hij: daar kwamen met verheugde blik veel engelen aan. Ze gingen voor Michaël staan en ieder van hen droeg in zijn handen een gave, die overhandigden ze aan Michaël. De aartsengel nam elk geschenk in zijn rechterhand en bekeek het met veel genoegen. Toen legde hij het ene na het andere in zijn gouden schaal.

De engel echter die bij de oude man stond zag diens vragende blik en zei: ‘U ziet nu, hoe blijgezind de engelen hun aanvoerder en leidende tijdgeest die gaven overhandigen. Het zijn de vruchten van de daden en het leed van al die mensen die zich door licht denken, warm voelen, krachtig willen hebben ingespannen om Michaëls trouwe vrienden en medestrijders op aarde te zijn. Wat Michaël in zijn schaal verzamelt, dat verandert hij in sieraad en harnas tegelijk voor de mensen op aarde van wie de geschenken afkomstig zijn. Zo geeft hij de zielen van zijn getrouwen veredeld terug wat aan hun inspanningen ontspruit, en hun geestgedaante wordt steeds meer omstraald door de glans en de kracht en de moed van de scharen die Michaël dienen. Bij zijn veranderend werk echter vallen er gouden korrels af als geesteszaden. Die werpt hij, ziet u maar, met een brede zwaai op aarde.’

Toen nu de grijsaard, het wijzend gebaar van zijn engel volgend, zijn blik naar de aarde liet zweven, zag en begreep hij wat daar gebeurde. Als lichtende sterren zag hij de geesteszaden naar de aarde vliegen, en de glans van het stralende goud werd weerspiegeld door alle boomkruinen en het hele woud. Met iedere nieuwe zaadworp zonk de glans van de herfst dieper in de wouden.

Toen de grijsaard zijn blik weer opsloeg naar de hemelse hoogten, zag hij net hoe er een tweede schare engelen voor Michaël kwam staan, niet zo vol vreugde als de eerste, eerder wat aarzelend. Maar zij allen droegen in hun handen de een of andere kleine gave voor Michaël. Voordat nu de eerste van hen zijn geschenk overhandigde sprak hij tot de vorst van de engelen: ‘Veel is het niet, wat wij in uw handen kunnen leggen; maar toch zijn wij blij dat wij niet geheel zonder gaven hoeven te komen. Vaak vergaten de mensen, van wie wij de behoeders zijn en die nauwelijks vermoeden dat we ook hun metgezellen zijn, de juiste wegen te bewandelen en liefdevolle daden te volbrengen. Zo vrezen wij haast uw toorn, o Michaël, en hopen op uw genade.’

Michaël echter aanvaardde het weinige dat ze te bieden hadden met grote ernst en sprak toen: ‘Ook al waren de aan uw zorg toevertrouwden slechts in kleinigheden trouw, toch hebben ze zich nog niet van ons losgemaakt. Behoedt de kiemen van het goede in hun zielen, dat ze leren ook in het grote trouw te zijn; want vreugde heerst er in ons rijk over ieder die de juiste weg nog vindt!’

Verbaasd zagen de engelen van de tweede groep, dat Michaël hun uit zijn schaal veel grotere geschenken in ruil gaf dan ze hadden verwacht, en met nieuwe hoop en nieuwe moed wilden ze zich net weer op weg begeven naar de hunnen.

Toen naderde er met aarzelende schreden een derde groep engelen. Deze sloegen de blik neer toen ze voor Michaëls aangezicht kwamen, en nu stonden ze daar met lege handen. Een kwam er uit de schare naar voren en vroeg de
drakendwinger: ‘Bevrijd ons ongelukkigen van onze taak! Hoe moeten we ons tegenover u waarmaken, daar de zielen van hen die wij moeten beschermen verstokt zijn en bot? Wij komen met lege handen, vol schaamte en schuchterheid bij u.’
In Michaëls gelaat braken vlammen uit, en rollend als de donder weerklonk zijn antwoord: ‘Ik kan u niet van uw post terugroepen. Gaat naar de mensen, want de draak is onder hen met zijn verderf zaaiende scharen! Niet langer in de hoge hemel is hun vaderland. Met het zwaard zullen ze uittrekken voor de broederstrijd tegen elkaar, en nood en vertwijfeling zal het lot zijn van hen die nu nog behagen vinden in de blinde duizeling van de lust en de verzadigde traagheid van het hart. Alle verschrikkingen en noden van de ondergang zijn de vruchten van verblinde zelfzucht en eigenliefde. Gij echter, waakt over hen die aan het rechtvaardige gericht zijn vervallen! In de laaiende brand van de vernietiging, als de beschadigingen van de ziel, als uitgegloeide slakken, van hen afvallen, zoekt dan in hen de al bijna uitgedoofde vonken van hun goddelijk wezen, ontsteekt die tot nieuwe gloed en redt wat nog maar waard is te redden!’

Toen jubelden alle engelenkoren die Michaël omringden. Hij echter wierp wederom zijn geesteszaad uit over de aarde. En de toekijkende oude man, voor wiens zienersblik zich dat alles had vertoond, wist plotseling in zijn hart:

Wie onder de mensen het geestelijk goud behoedt en liefdevol koestert, hem wordt het hart tot een gouden schaal waarin de leermeester van de mensenliefde graag iets van zijn oneindige schat zal neerleggen.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2713

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-10)

Hans Treichler, schoolkrant, gegevens ontbreken.

.

Hoe de drakenboom ontstond

.

Op een ver eiland, omspoeld door de branding van de grote zee, rezen zwarte toppen op naar de hemel. Godvruchtige mensen bewoonden het eiland. — Van tijd tot tijd borrelde en kookte het in het binnenste van de bergen. De bergkoepels scheurden open en vuur en rook slingerden eruit te voorschijn. Stenen en aarde wervelden door de lucht. Een gloeiende massa rolde de hellingen af. Dan vluchtten de mensen hun hutten uit om hun leven te redden. ‘De demonen zijn weer aan het werk,’ fluisterden ze en baden tot de storm voorbij was.

Op een nacht gebeurde het dat de hoogste van de bergen met een verschrikkelijke kracht zijn vurige massa’s uitspuwde. Er golfde een vreemd geruis door de lucht dat tienvoudig van de bergen weergalmde. Grote vrees greep de mensen aan. Ze wierpen zich op de aarde neer en hieven smekend hun armen ten hemel. Toen ontwaarden ze in de luchten boven zich een draak met slangachtige vleugels, die snuivend over hen heen daverde. Door het geraas van de elementen klonk een dreigende stem: ‘Ik ben hier de heerser! Mijn vuur zal u tot de hemel verheffen als gij mij volgt. Zo niet, dan zal het u en uw eiland tot slakken verbranden.’ Daarmee verdween het monster in de muil van de rokende berg. Als verlamd staarden de mensen omhoog, tot eindelijk hun tongen loskwamen: ‘Laten we hem volgen, anders zal hij ons vernietigen!’ ‘Maar beloofde hij ons niet de hemel?’ Ze waren het onderling niet eens en begonnen te twisten.

Toen nam de oudste en meest wijze onder hen het woord: ‘Hij is een vijand van de hemel, we mogen niet voor hem buigen!’ — ‘Maar wat moeten we doen?’, zo vroegen de mensen in hun nood. Toen antwoordde de wijze: ‘Ik zal mij in de eenzaamheid terugtrekken en mij aan de hemel toevertrouwen. Wacht tot ik terugkom.’

Diezelfde nacht liep hij het verlaten strand op en neer, waar de zee zich oneindig ver voor hem uitstrekte. De hemel vol sterren welfde als een koepel over hem heen als een sterrenmantel die hem beschermend omhulde. De wijze knielde neer, en zijn ziel verhief zich tot de hemelse machten. ‘De draak uit de vuurbergen is over ons gekomen. Hij wil tweedracht zaaien en ons eiland in vuur verstikken.’ Zo sprak hij en luisterde in de fonkelende nacht. Toen weerklonk er uit de sterrenhoogten een stem: ‘Eens heb ik zelf in de hemel met de draak gevochten en hem ter aarde doen neerstorten. Nu wil ik voor u mijn zwaard ten tweeden male heffen. Blijft trouw aan uzelf en aan de hemel!’ In de ochtendschemering aanschouwde de oude man een heldere straal aan het firmament, die de vorm van een bliksemend zwaard aannam. In zijn glans welfde zich een vleugelpaar dat hemel en zee omspande. Rust vervulde de ziel van de wijze: hij wist dat de aartsengel Michaël zich aan hem had geopenbaard.

Toen de zon hoog aan de hemel stond kwam hij de kring van de achtergeblevenen binnen en verkondigde hun het woord van Michaël.

De volgende dag in alle vroegte barstten alle bergen nogmaals met onheilspellende kracht uit. Het hele eiland beefde en de zee kwam razend in beroering. Als een vuurstorm daverde de draak door de lucht alsof hij hemel en aarde wilde verbranden. De wijze en zijn schare knielden neer en wachtten de hulp van de engel af.

Toen spleet plots de hemel boven hen vaneen. In gouden licht zagen ze de lichtende gedaante van de heilige Michaël. In zijn rechterhand hield hij zijn zwaard dat in de opgaande zon glansde. Hij hief het wapen en liet het neersuizen op de draak. De vijand kromde zich onder het harde staal en herkende zijn bedwinger. In het laaiende vuur stortte hij op de steenachtige bodem. Nog eenmaal richtte hij zich op, toen verbrandde hij in zijn eigen vlammen. Gloeiende as drong door de gapende barsten omlaag de aarde in. Beschermend hield de aartsengel zijn zwaard over het eiland en zijn bewoners. Rust verbreidde zich — de zee lag als een spiegel. Bevrijd keerden de mensen naar hun bergen terug. Nieuwe levensmoed doorstroomde hun zielen.

Vele jaren gingen voorbij. Sinds het monster door de kracht van Michaël was overwonnen was er geen beroering meer in de bergen. Op de plek echter waar de gloeiende as van de ten val gebrachte draak in de aarde was verzonken groeide een wonderlijk gewas. Elke dag werd het groter en krachtiger, totdat het zich tot een vreemde boom ontvouwde. Voor de verbaasde blik van de mensen braken uit de doorgroefde stam machtig de takken te voorschijn. Als slangen slingerden ze uiteen en omhoog. Een machtige welving vormend, als de rug van een reusachtig dier, breidde het gewas zich uit, alles overschaduwend. Aan de uiteinden van de slangentakken vormden zich in dichte bundels lange, zwaardvormige bladeren. Als de talrijke schubben van een drakenlijf staarden ze omhoog. Ernstig keken de mensen op naar het merkwaardige geheel en gaven het de naam ‘drakenboom’. En toen ze van tijd tot tijd een vreemde hars uit de groeven van de stam zagen stromen, dachten ze aan het bloed van de gedode draak. Daarom noemden ze de boom ook bloedboom. — Als de storm door de machtige welving voer, sloegen de bladeren hard tegen elkaar. En in de stam scheurden de spleten knarsend vaneen. Dan meenden de mensen in de lucht een gesis en geweeklaag te horen, en van schrik vervuld liepen ze hun hutten uit. Vragend keken ze op naar de hemel. Daar verscheen Michaël hun aan het grijze firmament in zijn stralengloed. Bedaard stak hij zijn zwaard uit naar de klagende drakenboom en op slag verstomden de geluiden. De storm ging liggen, en de zon brak door de duisternis. De zielen van de mensen echter ontvingen het kracht schenkende licht van hun engel.

Sinds die tijd komen er op het eiland steeds meer drakenbomen, en ze bereiken een hoge leeftijd. De mensen echter zijn er van gaan houden: ze weten dat Sint- Michaël over hen waakt.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2712

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-9)

.
Sprookje uit Servië
.

Michaël en de zoon van de rijke man

.
Er was eens een man, die landerijen, dorpen en wouden bezat, kortom, hij was bijna zo rijk als de tsaar.
Deze man had één zoon en die groeide op van kind tot jongeman.
Op een dag echter, werd hij onrustig en kon hij het thuis niet langer uithouden. Zijn vader zag dit. Zijn zoon kwam naar hem toe en vroeg vriendelijk toestemming hem de wijde wereld in te laten trekken.  Zijn vader vond het goed en gaf zijn zoon rijkelijk van de goudstukken en deze pakte zijn ransel en trok eropuit, de wijde wereld in. En zo liep hij lange tijd, gewoon zijn neus achterna, zonder een bepaald doel. Het werd middag, de avond begon te vallen, maar nog altijd wist de jongeman niet waarheen zijn weg hem zou brengen. Het was al bijna helemaal donker toen er plotseling een eerzame grijsaard voor hem stond:  ‘Ik groet u in Gods naam’, zei de oude. ‘Waar voert de weg u heen? ‘Ik trek de wijde wereld in,’ gaf de jongeman ten antwoord. ‘Maar waar moet je de nacht doorbrengen, het is immers al donker?’ vroeg de oude man. ‘Waar ik de nacht zal doorbrengen, dat weet ik niet, maar de zachte bosgrond als bed is goed genoeg en de sterren zullen mijn nachtlichtjes zijn,’ zei de jongeman, en hij liep verder naast de oude man. ‘Welnu, als dat zo is weet ik iets beters,’ antwoordde de grijsaard hem. ‘Loop het bos maar uit en als je weer in het open veld komt, zal je  iets van het pad af al snel een huis ontwaren. Ga daar heen en vraag onderdak voor de nacht.’
De jongeman wilde de oude man voor zijn goede raad bedanken, maar toen hij zich naar hem toekeerde, was deze verdwenen.

Hij liep door en kwam ook werkelijk van het bos in het open veld en weldra zag hij  het huis al dat hem was aangeduid. Hij volgde de raad van de grijsaard op en klopte aan de deur en vroeg onderdak voor de nacht. Hij werd heel vriendelijk verwelkomd en kreeg te eten en te drinken en er werd hem een plaatsje aangewezen om te slapen. In een hoek zag hij een bed waarin een zieke lag bij wie een kaars brandde.
Midden in de nacht verscheen daar plotseling dezelfde grijsaard die de jongeman het huis had gewezen. Hij liep op de zieke af, nam zijn ziel mee en verdween weer. Omdat alleen de jongeman het bed van de zieke kon zien, was er verder niemand die de grijsaard had opgemerkt.

’s Morgens stond de jongeman vroeg op, bedankte de mensen en nam afscheid en ging zijns weegs. Hij liep maar en hij liep, steeds opgewekt zijn neus achterna, over heuvels en door dalen.
Maar nauwelijks was het avond geworden of daar stond de grijsaard plotseling weer voor hem die hem zijn eerste nachtelijk onderkomen had gewezen.
De oude man groette de jongeman in Gods naam en vroeg: ‘Waar ben je op weg naartoe?’ ‘Ik trek de wijde wereld in,’ zei deze hem.

‘Maar waar moet je vannacht dan slapen, het al donker is geworden?’ vroeg de oude man. ‘Varens en mos zijn als slaapplaats goed genoeg voor en de wind in de bomen zal mij wel in slaap zingen,’ antwoordde de jongeman. ‘Dat is prachtig,’ zei de oude man toen, ‘maar toch geef ik je de raad om onderdak voor de nacht te zoeken in het huisje aan de overkant van dit dal.’
De jongeman wilde de oude man bedanken, draaide zich om, maar deze was al verdwenen.
De jongeman vervolgde zijn weg, doorkruiste het dal en zag daar ook werkelijk het huis staan. Hij klopte aan, vroeg onderdak voor de nacht, en de mensen lieten hem vriendelijk binnen.

Toen de rust was neergedaald, zag de jongeman ook hier vanuit zijn slaapplaats een bed met een doodzieke erin en een kaars daarbij. Midden in de nacht werd de zieke overvallen door de pijn van de dood en toen verscheen de grijsaard weer, nam de ziel mee en verdween. Er was niemand die de grijsaard had gezien, behalve de jongeman.

Nauwelijks was het ochtend of de jongeman bedankte de mensen, nam afscheid en ging verder. Weer liep en liep en liep hij door bossen en velden; het werd middag en de zon zakte weer langzaam naar de horizon. Toen wad het avond. Nu kwam hij de grijsaard voor de derde keer tegen. Weer groette hij de jongeman hartelijk in Gods naam en vroeg hem ook ditmaal waarheen hij wilde gaan.
‘Ik trek door de wijde wereld,’ antwoordde de jongeman hem, ‘en vannacht ga ik op het zachte gras van de weide slapen, en de beek daarbij zijn slaaplied zingen.’
‘Toch is het beter als je in het huisje achteraan deze wei overnacht,’ raadde de oude man hem aan en hij had dat nog niet gezegd of hij was ook al verdwenen.

De jongeman vond de goede raad van de grijsaard ter harte, ging naar het aangeduide huisje, klopte aan en werd ook hier vriendelijk binnen gelaten en onthaald.
Verbaasd ontwaarde de jongeman vanuit zijn slaapplaats weer een zieke en een kaars naast het bed. En voor de derde keer verscheen midden in de nacht de grijsaard, nam de ziel van de stervende mee en verdween.

De volgende ochtend bedankte de jongeman, nam afscheid van de vriendelijke mensen en ging verder.
Hij had nog niet lang gelopen toen de oude man weer naast hem verscheen, hem in Gods naam goedendag wenste en met hem meeliep. Een tijdlang liepen ze zo, toen wendde de jongeman zich tot de oude man en zei: ‘Wilt u mij zeggen, eerwaarde, u bent nu driemaal aan mij verschenen en u hebt mij telkens aan een slaapplaats geholpen. En driemaal vond ik in het huis een zieke en steeds kwam u midden in de nacht om de ziel van de zieke mee te nemen. Graag zou ik weten wie u bent.’

‘Ik ben de aartsengel Michaël, die de zielen meeneemt.’

‘En zal u ook eens mijn ziel meenemen?’ vroeg de jongeman. ‘Zoals ik de zielen van de zieken heb meegenomen, zo zal ik ook uw ziel meenemen,’ antwoordde Michaël hem. ‘Maar wanneer zal dat zijn?’ vroeg de jongeman daarop. ‘In de nacht nadat je getrouwd bent, dan neem ik uw ziel!’ zei de oude en toen  verdween hij.

Vol verbazing bleef de jongeman staan en dacht na over wat hij zojuist had gehoord. De wijde wereld bekoorde hem nu niet langer en hij besloot naar huis terug te keren. En’, zo dacht hij verder, ‘dan zal ik trouwen, ook als ik daarmee bewust de dood op mij neem — ja, als de heilige Michaël mijn ziel neemt ben ik daartoe bereid.

Hij sloeg de terugweg in en toen hij weer bij zijn ouders was aangekomen zei hij meteen tegen hen dat hij nu thuis wilde blijven en trouwen. Daar waren zijn ouders heel blij mee en ze vroegen hun zoon welk meisje zijn bruid zou worden. ‘Gaat u maar,’ zei hij tegen zijn moeder, ‘naar het kleine huisje aan het eind van het dorp. Daar woont een kruier en die heeft een dochter. Vraag haar hand, want ik houd van geen ander zo veel als van haar.’ Maar bij zichzelf dacht hij stilletjes: ‘Als ik nu toch na de bruiloft moet sterven, dan zijn dit meisje en haar ouders tenminste uit de zorgen.’

De ouders waren zeer verbaasd over zijn keus van hun jongen. Ze probeerden hem met veel praten op andere gedachten te brengen: de kruiersdochter immers was arm en kon nauwelijks iets anders haar eigendom noemen dan haar ziel, dat was toch geen huwelijk voor iemand van zijn stand?

Maar wat ze ook zeiden, de jongeman liet zich niet op andere gedachten brengen, hij herhaalde slechts dat hij dit meisje wilde en geen ander.

Nu was het zo dat de jongen het meisje eigenlijk niet eens kende, maar hij had zich voorgenomen iets voor haar te doen — na zijn dood zou ze haar geluk vinden.

Toen de ouders zagen dat hun zoon niet op andere gedachten was te brengen, stond zijn moeder uiteindelijk op, begaf zich naar het huis van de kruier en vroeg de hand van diens dochter voor haar zoon. De kruier en zijn vrouw waren meer dan verbaasd toen de moeder van de jongeman haar verzoek naar voren bracht en dachten in hun hart vermoedelijk dat het allemaal maar een grap was. Maar toen ze merkten dat de moeder het ernstig bedoelde vroegen ze aan hun dochter of deze wel met de rijke jongeman wilde trouwen. Van schrik en schaamte werd het meisje helemaal rood, ze kon geen woord uitbrengen en liep de deur uit. Haar ouders echter riepen haar achterna: ‘Wees gelukkig! Gods zegen zal op deze verbintenis rusten!’

In blijde stemming keerde de moeder van de jongen naar huis terug en vertelde dat ze alles  had geregeld zoals hij het wilde.

Zo werd de hand van het kruiersmeisje gevraagd en nadat ook het huwelijkspand aan haar was overhandigd, maakte de jongeman aanstalten om zijn voornemen in de daad om te zetten. Aan zijn vader vroeg hij driehonderd goudstukken en toen ging hij weg en kocht van het geld een huis voor zijn schoonouders en richtte het zo goed mogelijk in met al wat er nodig was. Toen alles tot zijn tevredenheid was geregeld, vroeg hij zijn vader nog eens driehonderd goudstukken om voor zijn bruid van een passende uitzet aan te schaffen. En hij kocht alles wat tot de uitzet behoorde, en ook nog sieraden voor bij haar jurken, halskettingen en linten, zijden kapjes en gouden smeedwerk, alsof hij een tsarina naar het altaar zou brengen.

Zo verstreek de tijd, en de dag van de bruiloft brak aan. Voor de jongen was het een schitterend huwelijksfeest en er kwamen heel veel gasten en allen  werden rijkelijk onthaald, zoals dat nu eenmaal gebeurt als er een rijke jongeling trouwt.

Toen werd het avond en bracht het jonge paar werd naar het bruidsvertrek geleid. Zodra echter de deuren achter hen waren gesloten, vroeg de jongeman zijn bruid te gaan slapen, hijzelf wilde nog opblijven en in de Heilige Schrift lezen. Ze ging in bed liggen en sliep in. De bruidegom echter bad tot God en las in de Bijbel.

Om middernacht ging de deur open en de aartsengel Michaël kwam in de gedaante van de grijsaard het bruidsvertrek binnen, groette hem in Gods naam en zei: ‘Jongeman, waar ben je?’ De bruidegom draaide zich om, groette eveneens in Gods naam en antwoordde  ‘Hier ben ik en ik weet dat u gekomen bent om mijn ziel mee te nemen. Weet dan dat ik gereed ben.’

Michaël antwoordde hem daarop: ‘Ik ben gekomen zoals ik had beloofd, maar hoor, de almachtige God heeft bevolen je nog veertig jaar in leven te laten, want je hebt een grote daad volbracht: bewust nam je de dood op je om zo het arme meisje en haar ouders gelukkig te maken!’

Zo sprak de heilige aartsengel Michaël en verdween. De jongeman echter legde zich gelukkig te slapen en in liefde leefde hij verder.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

.

2711

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-8)

.
Normandische sage (uit een schoolkrant, nadere gegevens onbekend)
.

De aartsengel Michaël en de duivel

.

De bouw van het slot
.

De aartsengel Michaël en de duivel waren ooit buren. Op een winteravond raakten ze aan het twisten: de duivel beweerde dat zijn macht oneindig groot was, Michaël echter zei dat God alleen almachtig was.
‘Nu goed dan!’ zei de duivel. ‘Roep jij Gods hulp in en bouw een slot, ik zal een ander bouwen en dan zullen we zien welk het mooiste is.’

Michaël nam de uitdaging aan. Meteen zond de duivel een leger dienaren uit om in de hele wereld grote blokken graniet te zoeken. Ze gingen terstond aan het werk en bouwden een reusachtig slot op een bergeiland in zee, te midden van loeiende stormen.

Satan was enthousiast. Maar de aartsengel bouwde op het strand een schitterend lichtpaleis van ijskristallen, dat stelde met zijn glans de sombere granieten berg in de schaduw. Ondanks zijn hoogmoed moest Satan toegeven dat hij was overwonnen. Groot was zijn schaamte. De vertwijfeling maakte hem jaloers, de kwellingen van de afgunst hielden hem uit de slaap. Ten slotte hield hij het niet meer uit, en hij vroeg de aartsengel of deze zijn paleis niet voor de granieten berg wilde ruilen; Michaël stemde daarmee in. Toen het zomer werd smolt het ijsslot van de duivel in de brandende zon; het slot van de aartsengel echter staat er nog altijd: het is de Mont Saint-Michel.

De weddenschap

Satan moest nu in een eenvoudige strooien hut op het strand wonen; maar hij bezat vruchtbare velden, goed bevloeide weiden en heuvelhellingen met hoge bomen begroeid, en daartussen groenende dalen. Michaël daarentegen had rondom zijn burcht slechts drijfzand, en had hij niet gebeden, dan zou hij meer dan eens zijn verhongerd. Na verscheidene jaren te hebben gevast had de heilige Michaël genoeg van dit leven. Hij zocht de duivel op en zei tegen hem: ‘Beste duivel, ik doe je een voorstel: vertrouw mij je land toe, ik zal het naar beste kunnen bebouwen en dan delen we de oogst. Akkoord?’ De duivel, die een grote luilak was, accepteerde het aanbod. Michaël vervolgde: ‘Daar ik niet wil dat je je over mij te beklagen hebt, mag jij kiezen wat je het liefste hebt: de oogst die onder de aarde is, of die erboven staat?’
De duivel riep uit: ‘Ik neem wat boven de aarde groeit!’ — ‘Akkoord!’ zei de heilige.

Zes maanden later zag je alom in het uitgestrekte land van de duivel slechts knollen, wortelen en uien. De duivel kreeg niets, klaagde hevig en wilde het contract ontbinden. Maar Michaël had plezier gekregen in de akkerbouw.
‘Om je schadeloos te stellen,’ zei hij tegen de duivel, ‘bied ik je dit jaar alles aan wat onder de aarde groeit.’ — ‘Akkoord!’ antwoordde de ander vol blijdschap.

Het volgende jaar groeide overal tarwe, haver, gerst en prachtige klaver. Satan kreeg weer niets en werd rood van woede. Toen hij zijn klauwen tegen Michaël ophief gaf deze hem een geweldige trap in zijn heup. Satan viel neer op de rots van Mortain, waar nog altijd de onuitwisbare sporen te zien zijn van de horens aan zijn voorhoofd en de nagels aan zijn tenen. Vernederd, hinkend en voor de rest van zijn leven verminkt stond hij weer op. Hij zag in de verte de fatale berg en begreep dat hij met een sterker iemand te maken had; daarom begaf hij zich naar vreemde landen en stond hij zijn velden, zijn weiden, zijn heuvelhellingen en zijn dalen af aan de aartsengel.

De zeis

In vroeger tijd sneden de mensen in Hédé hun gras met kleermakersscharen en dat was een heel werk. De duivel alleen, die van tijd tot tijd die streek bezocht om stenen te halen voor de bouw van Mont Saint-Michel, had een werktuig waarmee hij het gras in heel korte tijd kon maaien. Daarvan bediende hij zich echter alleen ‘s nachts en hij weigerde het uit te lenen. Op een dag beloofde Satan aan een van zijn vrienden, een gemeen sujet, dat hij de volgende nacht zijn gras zou maaien. De heilige Michaël hoorde daarvan en stak ijzeren eggetanden in de wei. Toen verstopte hij zich in een oude holle eik, alleen zijn hoofd stak tussen het gebladerte uit. Tegen middernacht zag hij hoe de duivel de snede van zijn werktuig met een hamertje haarde en het vervolgens aan het uiteinde van een lange stok bevestigde. Daarop wette hij het, en al gauw viel het gras in lange zwaden. Toen het werktuig op de eerste eggetand stuitte werd het schaardig. Satan vloekte als een echte duivel, maar ging door met maaien. Bij de tweede eggetand brak het, en de duivel zei bij zichzelf: ‘Zo, nu is me toch mijn zeis gebroken, ik moet ermee naar de smidse.’ En vloekend ging hij op weg naar het plaatsje Dingé.

De volgende morgen informeerde Michaël bij de smid naar het werktuig. ‘Ja,’ antwoordde de smid, ‘het was een werktuig zoals ik er nog nooit een had gezien.’ ‘Goed, voor mij moet je er net zo een maken, en dan zal ik je ook vertellen waar het voor dient.’ De smid smeedde dus voor hem net zo’n werktuig als hij bij de duivel had gezien, en Michaël legde hem vervolgens het gebruik van de zeis uit. Maar hij deed niet als de duivel, maar gaf de zeis door en bracht alle mensen het gebruik ervan bij.

Toen Satan dit tot zijn woede merkte, dacht hij meteen dat de heilige Michaël hem had bespied. Dus ging hij naar hem toe en daagde hem woedend uit tot een duel.
‘Mij best,’ antwoordde de engel, ‘maar ik wil nergens duelleren dan in een bakoven.’ ‘Waar je maar wilt.’ — En ze begaven zich naar het dichtstbijzijnde dorp. Onderweg vond Michaël een houten paaltje van het soort dat boerinnen gebruiken om hennep en vlas te braken voor ze die hekelen.

Bij de bakoven aangekomen pakte de duivel de schiet-schop en glipte de oven in, Michaël volgde hem. Terwijl de duivel nog aan de lange stang trok, timmerde Michaël hem uit alle macht op zijn hoofd. ‘Genade, genade!’ schreeuwde Satan, ‘je vermoordt me!’ ‘Ik zal je laten leven,’ antwoordde Michaël, ‘maar alleen als je het land verlaat en nooit meer terugkomt.’

Dat kwamen ze overeen, en sindsdien heeft men in de omgeving van Hédé de duivel nooit meer gezien.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

2711

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-7)

.
Uit Ierland
.

Hoe de muis en de kat werden geschapen
.

Lang geleden, toen Lucifer en zijn scharen uit de hemel werden verdreven, werd Lucifer overmand door een grote haat tegen heel het mensengeslacht. Steeds weer trachtte hij de mensen te benadelen en hij had al allerlei ongedierte geschapen om de mensen te kwellen.

Op een dag dacht hij na over de kwellingen die hij al allemaal had verzonnen: slangen, muggen, wespen, vliegen, schorpioenen en veel ander ongedierte. In zijn kwaadaardigheid kwam Lucifer op de gedachte dat al die kwellingen wel het lichaam van de mens aantastten, maar niet wat hij het meest nodig heeft: voedsel en kleding. Nu wilde hij een dier scheppen dat die twee dingen zou vernielen. Het moest klein en vlug zijn, en daar de mens ’s nachts sliep, kon het dier het best zo worden gevormd dat het zijn taak in het duister kon verrichten. Maar voedsel en kleding bestonden voor een deel ook uit dingen met vaste bolsters en harde basten, of van huiden en taaie stoffen. Daarom, zo bedacht de Boze verder, moest het nieuwe dier wel scherpe tanden krijgen, die vlug ook door harde omhulsels heen konden knagen. En toen hij al die gedachten samenvoegde ontstonden in zijn hoofd de muis en de rat, en dadelijk gaf hij er vorm aan. Muizen en ratten nu vermenigvuldigen zich snel en al gauw klaagden de mensen dat ze de scharen niet meer de baas konden.

De aartsengel Michaël hoorde deze klacht en hij overpeinsde hoe hij de mensen hierin kon bijstaan. Lang dacht hij erover na en tenslotte zag hij als enige mogelijkheid, op zijn beurt een dier te scheppen dat voortaan de vijand zou zijn van muizen en ratten. Tegelijk echter moest het de mens vriend-

schappelijk gezind zijn. En, zo overdacht de heilige Michaël verder, het dier moest even soepel en vlug zijn als de muizen en ratten, daarbij sterk en taai, met klauwen die plotseling te voorschijn kwamen en even snel weer konden worden ingetrokken. Om te kunnen toebijten en vasthouden had het scherpe, spitse tanden nodig en het moest kunnen springen en klimmen. Daar nu de muizen en ratten vooral ’s nachts op pad waren, moest het dier dat Michaël wilde scheppen zowel overdag als ’s nachts kunnen zien.

Dit alles bedacht de heilige Michaël, en toen het beeld van het nieuwe dier hem helder voor ogen stond gaf hij er vorm aan, en zo ontstond de kat. Als een bliksemflits schoot ze onverhoeds in de schare muizen en ratten, waarvan er heel wat het loodje legden. De vlugste onder hen echter kropen gauw weg in donkere gaten en greppels, waar de kat ze niet kon vinden. En sindsdien durven de knagende muizen en ratten, om niet door de kat te worden gesnapt, slechts heel voorzichtig te voorschijn te komen.

De kat echter woont bij de mensen voor de warme kachel, geeft kopjes en spint als ze tevreden is, maar ze kan ook onverhoeds haar met klauwen bewapende poten bliksemsnel uitslaan als ze hardhandig wordt behandeld. Ze is aanhankelijk, maar niet trouw zoals de hond, en ’s nachts onderneemt ze haar strooptochten, vrij, trots en ongebonden.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen

.

2710

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Michaël – verhalen (10-6)

.
Een Koptische legende uit het ‘Boek van de inzegening’ 14, 37)
.

Hoe Michaël in zijn ambt werd benoemd

.

In den beginne schiep de Vadergod door zijn kracht de hemel, het geweldige, oneindige firmament. Toen dat geschied was schiep hij de aeonen en vervolgens de engel die Saklithaboth werd genoemd, dat is ‘hij die de hemel en de aarde opschrikt’. En de Vader plaatste hem boven alle engelen en engel-heerscharen en zij allen gehoorzaamden hem. Als tweede engel werd Michaël geschapen, na hem Gabriël, Rafaël en alle andere engelen in grote scharen.

Zeven engelen werden aangewezen om Saklithaboth, de eerstgeschapene, als hun leider te dienen, en zij zongen hymnen ter ere van de heilige Triniteit.

Van het begin af aan had de Triniteit Saklithaboth met grote hoogmoed begiftigd en zo regeerde hij over de engel-scharen hoogmoedig en trots, maar zeer kundig.

Toen kwam het uur dat de Vadergod de mens schiep. Hij vormde hem naar zijn beeld en zette hem in het paradijs — in de tuin der engelen en der hemelse schepselen.

Toen de mens geschapen was, gaf de Vader aan de Zoon-god de blik vrij op de toekomstige ontwikkeling van het mensengeslacht. En de Zoon schouwde in grote kosmische beelden de daden van de mensen en hoe ze in de loop der tijden zonde na zonde op hun schouders laadden. Hij zag ook de bestraffing der zonden en hoe meer hij zag, des te groter werd zijn medelijden, tot hij tenslotte de Vader smeekte hem voor een daad van verlossing naar de toekomstige aarde te zenden zodra de tijd daarvoor gekomen zou zijn, opdat hij de mensen van hun zonden zou kunnen verlossen.

De Vader was zeer verheugd toen hij de wil om de mensen te verlossen bij de Zoon gewaar werd en hij beloofde hem dat hij zijn wens zou vervullen. Daarmee nam hij de toekomstbeelden voor de blik van de Zoon weg en het grote werk van de schepping kon worden voortgezet.

Aan de mens in het paradijs gaf God de naam Adam. Deze naam hadden de hoge aartsengelen Michaël, Gabriël, Rafaël en Uriël in de vier windstreken gevonden en gezamenlijk samengevoegd. Toen schiep de Vader een metgezellin voor de mens, en tezamen leefde het paar in de tuin van het paradijs en zelfs de engelen verheugden zich over hun schoonheid en roem.

Nu kwam de dag dat de Vader Adam bij zich riep en deze gaf antwoord, kwam en knielde neer, aanbad hem en smeekte om zijn zegen. Toen de mens zo in verering knielend de zegen van de Allerhoogste afsmeekte waren de engelen allen in een wijde kring om hem verzameld, en geen van hen ontbrak. En het koor der engelen bekrachtigde het gebed van de mens door een krachtig ‘Amen’.

De Vader riep nu de aartsengelen, engelen, cherubijnen en serafijnen, de vierentwintig oudsten en het gehele leger van de hemel op om Adam, die zijn gelijkenis en beeld was, te aanbidden. Vanuit de hemel daalde een zoete geur op het lichaam van Adam neer en de engelkoren riepen: ‘Gezegend zijn wij, want wij zijn waardig om u te zien, o beeld van onze koning — Amen!’

Alle engelen traden nu een voor een voor Adam en betuigden hem hun eerbied. Toen nu de engel die als eerste geschapen was aan de beurt kwam, weigerde hij Adam te aanbidden De Vader wendde zich tot hem en riep hem nogmaals op zijn schepping te aanbidden. Hoogmoedig weigerde Saklithaboth ten tweeden male. Verblind als hij was sprak hij tot de Vader: ‘Klein is de mens vergeleken bij mij, want ik werd vóór hem geschapen en ik ben groter dan alle engelen en de eerste onder hen.’

Ten derden male beval de Vader de hoogmoedige, Adam te aanbidden, en hij sprak tot hem, de eerstgeschapene: ‘Weet, Saklithaboth, dat je halsstarrigheid niet onbestraft kan blijven als je mijn gebod niet opvolgt. Je zult de kwade gevolgen van je daden ondervinden — je roept je eigen vernietiging over je af.’

Doch opnieuw weigerde de eerstgeschapene.

Toen zag de Vadergod dat het kwaad geschied was, want talrijke engelen werden door de weigering van Saklithaboth verleid en weigerden eveneens.

De Vader verkondigde toen voor alle engelen, dat Saklithaboth met deze weigering al zijn rechten verspeeld had — hij zou voortaan niet meer de eerstgeschapene heten, maar Saklam, de strijdzuchtige, of Mastema, de Boze. Daarop gaf hij een cherubijn opdracht, Saklam een vleugel af te slaan en hem op de aarde te werpen. Geen van de engelen was echter sterk genoeg om de Boze te bestrijden, behalve Michaël.

De engelen die samen met Saklam geweigerd hadden werden demonen, die uit de atmosfeer tevoorschijn breken en in de harten der mensen slechte gedachten opwekken.

Godvader echter zat op zijn troon en treurde en met hem weenden alle engelen.

Dit alles geschiedde op de 11e Athôr op het 11e uur van de dag, ten tijde van de zonsondergang.

Op de ochtend van de 12e Athór (8 november) verzamelden alle engelen zich rond de troon van de Vader. Nu werd Michaël, de als tweede geschapene, in plaats van de eerstgeschapene in zijn ambt benoemd. De gehele waardigheid en alle roem van Mastema werden hem gegeven. Zijn hoofd werd getooid met de diadeem van licht, zijn handen omvatten de staf van de waarheid en de oprechtheid en zijn voeten werden gestoken in de schoenen van de vrede. Zo werd op deze bijzondere dag Michaël de Vorst van het Licht.

En terwijl de serafijnen juichten en de cherubijnen zongen blies Michaël op de bazuin van het leven. Alle engelen kwamen en aanbaden de Lichtvorst, de eerste der engelen, de aartsengel Michaël die op de hoogste troon was gezet, terwijl de wierook van hun verering de licht-aeonen vulde. En niemand onttrok zich aan deze aanbidding.

Groot was de vreugde van de Vader, van de Zoon en van de Geest en alle hemelen verheugden zich en vierden feest.

Michaël, de goede engel, werd benoemd tot beschermer en helper van het komende geslacht van de mensen, van allen die na Adam zouden komen; Michaël werd diegene die te allen tijde de smeekbeden van de mensen voor Gods troon kon dragen. En de Vader verhief hem op de lichtwagen, opdat hij de toekomstige aarde, en op haar de tweeënzeventig landen waarover hij zal heersen, kan bezoeken. En het zal zijn taak zijn, de mensen orde en licht te brengen en hun gebeden voor God te brengen.

Zo werd Michaël, de Lichtvorst, de grote aartsengel en eerste onder de engelen in zijn ambt benoemd en hij stond aan Gods troon, steeds indachtig de geboden van de Hoogste. En de hemelen jubelden over zijn glans.

.

Michaëlalle verhalen

Boeken over Michaël en de herfsttijd

Michaëlalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldMichaël (bordtekeningen e.d.)  jaartafel, (ook herfst)

Michaëlsliederen.

 

2709

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.