Categorie archief: jaarfeesten

WAT VIND JE OP DEZE BLOG?

.

Via onderstaande rubrieken vind je de weg naar meer dan 2200 artikelen.

In het zoekblokje (op deze pagina rechtsboven) een trefwoord ingeven, leidt ook vaak tot artikelen waar het betreffende woord in voorkomt.
Wanneer er meerdere koppen van artikelen worden getoond, is het raadzaam ieder artikel open te maken en onder aan het artikel bij de tag-woorden te kijken of het gezochte woord daar staat.
Wanneer het artikel is geopend, kan je Ctr + F klikken. Er verschijnt dan een zoekvenstertje waarin je het gezochte woord kan intikken. Als dit woord in het artikel aanwezig is, kleurt het op.
.

Ondanks regelmatige controle komt het voor dat bepaalde links niet werken. Waarschuw me s.v.p.     vspedagogie voeg toe apenstaartje gmail punt com
.

RUDOLF STEINER
alle artikelen
wat zegt hij over——
waar vind je Steiner over pedagogie(k) en vrijeschool–
een verkenning van zijn ‘Algemene menskunde’


AARDRIJKSKUNDE
alle artikelen

BESPREKING VAN KINDERBOEKEN
alle auteurs
alle boeken

BORDTEKENEN zie TEKENEN

DIERKUNDE
alle artikelen

GESCHIEDENIS
alle artikelen

GETUIGSCHRIFT
alle artikelen

GODSDIENST zie RELIGIE

GYMNASTIEK
vijfkamp(1)
vijfkamp (2)

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen;

HANDENARBEID
alle artikelen

HEEMKUNDE
alle artikelen

JAARFEESTEN
alle artikelen

KERSTSPELEN
Alle artikelen

KINDERBESPREKING
alle artikelen

KLASSEN alle artikelen:
peuters/kleutersklas 1;  klas 2; klas 3; klas 4; klas 5; klas 6; klas 7;  klas 8;  klas 9: klas 10; klas 11  klas 12

LEERPROBLEMEN
alle artikelen

LEZEN-SCHRIJVEN
alle artikelen

LINKS
Naar andere websites en blogs met vrijeschoolachtergronden; vakken; lesvoorbeelden enz

MEETKUNDE
alle artikelen

MENSKUNDE EN PEDAGOGIE
Alle artikelen

MINERALOGIE
alle artikelen

MUZIEK
Alle artikelen

NATUURKUNDE
alle artikelen

NEDERLANDSE TAAL
alle artikelen

NIET-NEDERLANDSE TALEN
alle artikelen

ONTWIKKELINGSFASEN
alle artikelen

OPSPATTEND GRIND
alle artikelen

OPVOEDINGSVRAGEN
alle artikelen

PLANTKUNDE
alle artikelen

REKENEN
alle artikelen

RELIGIE
Religieus onderwijs
vensteruur

REMEDIAL TEACHING
[1]  [2]

SCHEIKUNDE
klas 7

SCHRIJVEN – LEZEN
alle artikelen

SOCIALE DRIEGELEDING
alle artikelen
hierbij ook: vrijeschool en vrijheid van onderwijs

SPEL
alle artikelen

SPRAAK
spraakoefeningen
spraak/spreektherapie [1]    [2

STERRENKUNDE
Alle artikelen

TEKENEN
zwart/wit [2-1]
over arceren
[2-2]
over arceren met kleur; verschil met zwart/wit
voorbeelden
In klas 6
In klas 7
Bordtekenen [1]
Bordtekenen [2]

VERTELSTOF
alle artikelen

VOEDINGSLEER
7e klas: alle artikelen

VORMTEKENEN
alle artikelen

VRIJESCHOOL
uitgangspunten

de ochtendspreuk [1]      [2]     [3]

bewegen in de klas
In de vrijeschool Den Haag wordt op een bijzondere manier bewogen.

bewegen in de klas
L.L.. Oosterom over: beweging tussen persoon en wereld; kind leert bewegend de wereld kennen; sport

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen
zie ook: sociale driegeleding

vrijeschool en antroposofie – is de vrijeschool een antroposofische school?
alle artikelen

Vanwaar de naam van onze schoolsoort
Maarten Zwakman
over: de naam vrijeschool; hoe geschreven; de naam Waldorf, ontstaan; enkele spellingskwesties toegevoegd

.
EN VERDER:

[1] Burnt out
Aart van der Stel over: waarom raakt iemand ‘burnt out’; je eigen rol en hoe gaan de anderen met je om; binnen-buiten; gezond-ziek

[2] Met vreugde in het nu aanwezig zijn
Joop van Dam
over: ‘anti’- burn-out: aanwijzingen om naar jezelf te kijken en daar kracht uit te putten; de kracht van de ‘terugblik’; het belang van de gemeenschap; hoe wordt de gemeenschap sterker; hoe sta je als tijdgenoot in het heden

[3] Samen sterker
Lisette Thooft over: boek van Annejet Rümke ‘Als een feniks uit de as‘; analyse van burn-out op de vrijeschool; hoe komt dat, wat is er aan te doen; het individu in de sociale context; de grote verwachtingen door het ideaal;

geschiedenis van het Nederlandse onderwijs, een kleine schets

karakteriseren i.p.v. definiëren

lichaamsoriëntatie

(school)gebouw
organische bouw [1]     [2-1]    [2-2]

In de trein
onderwijzer Wilkeshuis over een paar ‘vrijeschoolkinderen’ in de trein
.

VRIJESCHOOL in beeld: bordtekeningen; schilderingen, tekeningen, transparanten enz.
voor klas 1 t/m 7; jaarfeesten; jaartafels

Deze blog wordt/werd bekeken in:

Afghanistan; Albanië; Algerije; Amerikaans-Samoa; Andorra; Angola; Argentinië; Armenië; Aruba; Australië; Azerbeidzjan; Bahama’s; Bahrein; Bangladesh; Belarus; België; Benin; Bolivia; Bosnië en Herzegovina; Brazilië; Brunei; Bulgarije; Burkina Faso; Burundi; Cambodja; Canada; Caribisch Nederland; Chili; China, Congo Kinshasa; Costa Rica; Cuba; Curaçao; Cypres; Denemarken; Dominicaanse Republiek; Duitsland; Ecuador; Egypte; Estland; Ethiopië; Europese Unie; Finland; Filipijnen; Frankrijk; Frans-Guyana; Gambia; Georgië; Gibraltar; Griekenland; Ghana; Guadeloupe; Guatemala; Guyana; Haïti; Honduras; Hongarije; Hongkong; Ierland; IJsland; India: Indonesië; Isle of Man; Israel; Italië; Ivoorkust; Jamaica; Japan; Jemen; Jordanië; Kaapverdië; Kameroen; Kazachstan; Kenia; Kirgizië; Koeweit; Kroatië; Laos; Letland; Libanon; Liberia;  Libië; Liechtenstein; Litouen; Luxemburg; Macedonië; Madagaskar; Maldiven; Maleisië; Mali; Malta; Marokko; Martinique; Mauritius; Mexico; Moldavië; Monaco; Mongolië; Montenegro; Myanmar; Namibië; Nederland; Nepal; Nicaragua; Nieuw-Zeeland; Nigeria; Noorwegen; Oeganda; Oekraïne; Oman; Oostenrijk; Pakistan; Panama; Paraguay; Peru; Polen; Portugal; Puerto Rico; Quatar; Réunion; Roemenië; Rusland; Saoedi-Arabië; Senegal; Servië; Sierra Leone; Singapore; Sint-Maarten; Slovenië; Slowakije; Soedan; Somalië; Spanje; Sri Lanka; Suriname; Syrië; Taiwan; Tanzania; Thailand; Togo; Tsjechië; Trinidad en Tobago; Tunesië; Turkije; Uruguay; Vanuatu; Venezuela; Verenigde Arabische Emiraten; Verenigde Staten; Verenigd Koninkrijk; Vietnam; Zambia; Zuid-Afrika; Zuid-Korea; Zweden; Zwitserland’ (156)

..

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Jan (36)

.

De Sint-Janstijd in het ritme van het jaar

Tim T. M. van Tongeren 21 juni 2021
.

Het feest van Sint-Jan, de naamdag van Johannes de Doper, neemt in verschillende opzichten een bijzondere plaats in op de kalender van antroposofische feesten. Als we letterlijk naar de kalender kijken, lijkt het feest wat eenzaam aan het begin van de zomer. Het sluit niet direct aan bij het rijtje
van voorjaarsfeesten welke elkaar opvolgen vanaf carnaval en het past al helemaal niet op een logische manier in het rijtje van de najaarsfeesten dat met Michaël begint. Als we dieper ingaan op de achtergronden van midzomer en Sint- Jan dan komen we er achter dat het schijnbare alleen staan van het feest niet zo zeer moet worden opgevat als eenzaamheid, maar meer als onafhankelijkheid.
Zowel vanuit een voorchristelijk als een christelijk perspectief markeert het feest een moment van overgang en het kiezen voor een nieuwe individuele koers. Bij nadere bestudering blijkt er wel degelijk een verbinding te zijn met de feesten van het voorjaar en de herfst en dus met verleden en toekomst.
Op de vrijeschool vindt de viering meestal kort voor het begin van de zomervakantie plaats en is daarom vaak eveneens een marker voor een transitie. De overgang komt in verschillende vormen, van schooltijd naar vakantie, van de ene klas naar de andere, van kleuterklas naar onderbouw of van de
basisschool naar de middelbare school.

Johannes de Doper

De naam Sint-Jan komt van Sint-Johannes, en het Sint-Jansfeest markeert de naamdag van Johannes de Doper. De Bijbel verhaalt over de aartsengel Gabriël die de bejaarde priester Zacharias bezoekt en hem meedeelt dat zijn onvruchtbare vrouw, Elizabeth, toch een zoon zal baren. De zoon moet de
naam Johannes dragen. Een dergelijk bezoek van een aartsengel en de aankondiging van een geboorte zullen de meesten van ons voornamelijk kennen uit het kerstverhaal.
Zes maanden na de aankondiging van de zwangerschap aan Zacharias verschijnt de engel Gabriël voor Elizabeths jongere nicht Maria en vertelt haar dat zij moeder zal worden van een zoon genaamd Jezus. Na de geboorte van Johannes op 24 juni zou het exact zes maanden duren voor Jezus geboren werd op 24 december.

Johannes de Doper wordt vaak omschreven als een wegbereider, boeteprediker of ‘de laatste profeet van de Joden’. De aanduiding ‘wegbereider’ geeft aan dat Johannes voorbereidend werk doet. Hij maakt de mensheid klaar voor de komst van Jezus en voor de impuls die Hij zal brengen. Bij de aanduiding ‘boeteprediker’ moet niet direct gedacht worden aan straffen of boete doen, maar aan reflectie, erkenning van fouten, vergeving, goede voornemens en een nieuw begin. Door Johannes aan te duiden als de laatste profeet van de Joden wordt de suggestie gewekt dat er iets tot een einde komt en dat er iets anders en nieuws op stapel staat voor de toekomst. In al deze hoedanigheden staat Johannes dus voor de komst van een verandering of overgang. De kern van deze verandering is de overgang van een oude manier van geloven naar een nieuw manier van geloven en van collectiviteit naar individualiteit.

De oorsprong van het Sint-Jansfeest en de thematiek

De oorsprong van het Sint-Jansfeest moet gezocht worden in de vieringen rondom midzomer in de voorchristelijke periode. De langste dag en kortste nacht van het jaar vallen tegenwoordig op 21 juni en staan dus lijnrecht tegenover de kortste dag en de langste nacht op 21 december. De huidige data voor deze twee astronomische ijkpunten zijn door veranderingen aan de opzet van de kalender met de jaren wat verschoven. Deze verschuiving blijkt uit het feit dat de christelijke feesten welke verbonden zijn aan de langste en kortste dag iets later vallen, namelijk op 24 juni (Sint-Jan) en 24 december (kerstavond).
Naast het markeren van een jaarlijks terugkerend astronomisch ijkpunt had het midzomerfeest waarschijnlijk een belangrijke spirituele significantie. Net zoals evident wordt uit de thematiek rond het Sint-Jansfeest markeerde de midzomerviering in de voorchristelijke periode reeds een belangrijke verandering en overgang. Deze overgang was, net als bij Sint-Jan, verbonden aan het spirituele leven, maar stond in de voorchristelijke periode ook in nauwe verbinding met het aardse ritme van het agrarisch jaar en het welzijn van de gemeenschap.

Het doel van dit artikel is om een beter en meer diepgaand inzicht te krijgen in de thematiek rond het Sint-Jansfeest. Om de christelijke thema’s, die best complex zijn, goed te kunnen begrijpen is het belangrijk om bij het begin te beginnen, in de periode voordat monotheïstische godsdiensten de overhand kregen in Noordwest-Europa. Er wordt achtereenvolgens gekeken naar de verbinding tussen de voorchristelijk mens, de kosmos en de gemeenschap, de thematiek van het agrarisch jaar, de weerspiegeling van deze thematiek in de mens, de voorchristelijke elementen in de huidige Sint-Jansviering, de verbinding van Johannes met het oude geloven en de transitie naar individualiteit.

De verbinding tussen de voorchristelijke mens en de kosmos

Door het grotendeels ontbreken van geschreven bronnen is er zeer weinig bekend over de beleving van bijvoorbeeld spiritualiteit en het denken van mensen in de voorchristelijke periode. Door jarenlang archeologisch onderzoek is er wel meer bekend over het materiele leven en handelen van deze mensen, maar voor daadwerkelijke inleving ontbreekt dus een essentiële schakel.

Een aantal van de bekendste materiele overblijfselen uit de voorchristelijke periode zijn de monumenten van Stonehenge en Avebury in Engeland en Newgrange in Ierland. Deze drie bouwwerken weerspiegelen alle op hun eigen manier een relatie met de werking van zon en maan.
Dit leert ons dat men oog had voor maanstanden, toenemende en afnemende zonuren en de veranderende positie van hemellichamen aan het firmament. Gezien de levensomstandigheden in de voorchristelijke periode, met name voor aanvang van de Romeinse tijd, is dit ook logisch. Men was in eerste instantie afhankelijk van jagen en verzamelen en in de periode daarna van kleinschalige
landbouw. Overleving kon alleen verzekerd worden in geval van een goede oogst, welke op haar beurt weer afhing van kennis van landgebruik, neerslag, zonuren en de seizoen cyclus.

Wat we tegenwoordig niet goed meer begrijpen is de functie van veel van de genoemde prehistorische bouwwerken, maar een spirituele significantie is zeker niet ondenkbaar. Voor het overleven was men dusdanig sterk afhankelijk van de natuur, weersomstandigheden en de veranderende zonnestand dat
het verbinden hieraan van goddelijke krachten slechts een kleine stap moet zijn geweest.
Met onze huidige wetenschappelijke kennis kunnen we bijzondere

meteorologische of astronomische

verschijnselen vaak op een bevredigende
manier duiden. Het zonder deze voorkennis zien van een zonsverduistering kan echter heel beangstigend zijn geweest. Als de zon zou besluiten niet meer terug te komen dan zou immers de dood volgen. Een hevige hagelbui die de oogst verwoestte viel het ene jaar wel en het andere jaar niet. Waarom? Blijkbaar had je iets verkeerd gedaan, iemand kwaad gemaakt en was dit je verdiende loon.
In het kort komt het er dus op neer dat afhankelijkheid om te overleven nauw verbonden was met kosmische bewegingen en verschijnselen. Dit boezemde ontzag in en leidde tot het ontstaan en de verering van verschillende godsbeelden. Onverklaarbare natuurlijke fenomenen leidden tot twijfel aan de juistheid van het eigen handelen en boezemden angst in voor het temperament van goden en godinnen.

Zonder te weten hoe dit alles precies werd beleefd is ook bekend dat er naast goden en godinnen op een meer aards niveau rekening werd gehouden met bovennatuurlijke krachten en entiteiten. Niet alleen goden en godinnen konden zaken als vruchtbaarheid, oogst en persoonlijk welzijn beïnvloeden,
maar ook natuurwezens, voorouders en geesten. Ook dit heeft waarschijnlijk te maken met het willen verklaren van het ongrijpbare. Goden en godinnen zijn in een andere dimensie en blijven wat abstract.
De aanwezigheid van spirituele wezens die weliswaar onzichtbaar, maar toch om ons heen in onze eigen wereld zijn, spreekt meer tot de verbeelding en is daardoor tastbaarder.

Uiteraard wordt er hier een ietwat eenzijdig beeld gepresenteerd. De meningen over het al dan niet werkelijk bestaan van natuurwezens, geesten en dergelijke zijn verdeeld en mogelijk was men in die tijd in staat om ‘helderder’ te zien dan de meeste mensen nu doen. Omdat dit alles niet bekend of niet zeker is, kies ik er echter voor om te blijven bij de zaken die we weten of die binnen ons huidige
referentiekader goed voor te stellen zijn, zonder daarmee andere visies te willen diskwalificeren.

Wat er uit het bovenstaande duidelijk wordt is dat er onder de voorchristelijke mens een sterke spirituele band lijkt te hebben bestaan tussen hemel en aarde. Deze band werd heel letterlijk gereflecteerd in de verbinding tussen het agrarisch ritme en dat van de hemellichamen maar ook meer figuurlijk in de relatie tussen hemelse goden en godinnen enerzijds en aardse natuurwezens anderzijds.

Wanneer men leest over de achtergronden van het Sint-Jansfeest dan wordt deze verbinding vaak aangegeven en menselijk gemaakt met het beeld van de boom. Met de kruin in het kosmische nemen we licht (verlichting, kennis) tot ons en met de wortels in de aarde staan we sterk en nemen wij voedsel/brandstof tot ons. Deze elementen zijn beide nodig om door middel van het proces van leven
een spirituele groei door te maken.

De driehoek tussen goden, aarde en de groepsgeest

Hoewel het beeld van de boom prachtig is, wordt er voorbijgegaan aan een essentieel element, namelijk de collectiviteit of groepsgeest. Niet alleen hebben wij mensen kennis en voeding nodig om spirituele groei door te maken, maar ook een stevige basis om op te bouwen. Deze veilige basis werd in de voorchristelijke periode gevormd door afkomst, collectiviteit en devotie. Hierbij moet worden gedacht aan het individu wat zichzelf identificeert aan de hand van een verbinding met de lokale omgeving, de stam, de familie, het volk of een andere groep. Via de geboorte werd bepaald bij welke groep je hoorde en automatisch werd je onderdeel van zowel een groepsidentiteit als van iets wat misschien het beste kan worden omschreven als een groepsindividualiteit of groepsgeest. De nadruk bij het denken, geloven en het maken van keuzes lag dus niet op individuele wensen, kansen en aspiraties van de mens, maar op de groepsgeest en het gezamenlijke welzijn. Een collectief bewustzijn in plaats van een individueel bewustzijn en een zogenaamde top-down structuur waarbij de groep voor sturing een beroep deed op een leider. Dit kon een stamhoofd zijn, een voorouder, maar ook een godheid.

Zoals eerder gezegd is er vanuit de preshistorie weinig bewijs voor spirituele zaken anders dan enkele archeologische aanknopingspunten. Vanuit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen zijn er echter ook geschreven bronnen die dergelijke systemen en processen belichten. Misschien wel het bekendste geschrift waarin het belang van de voorouders en het collectief naar voren komt is de Bijbel, en dan met name het oude testament. Denk hierbij aan de afstammingslijn van Abraham die veelvuldig genoemd wordt of aan Jozef die voor de volkstelling van Nazareth in Galilea naar Bethlehem in Judea moest, omdat hij afstamde van het geslacht van David, wat oorspronkelijk uit deze stad kwam.

Als we het voorchristelijke geloof willen begrijpen, dan moeten we dus het beeld van de boom nemen en hieraan een essentiële zijtak toevoegen. Wat abstracter kun je uitgaan van een gelijkbenige driehoek die kosmos, aarde en afkomst verbindt. Het harmonieuze samenspel van deze drie elementen is in de huidige tijd soms lastig voor te stellen voor mensen die in noordwest Europa en al
dan niet met een monotheïstische godsdienst zijn opgegroeid. In andere delen van de wereld echter is het veel normaler en nog altijd heel relevant.

Het jaarritme in de natuur

Zoals spiritualiteit en godsbeelden nu verschillen per land of regio, zo verschilden zij vroeger ook. Het is dus niet mogelijk om in zijn algemeenheid over voorchristelijke tradities te spreken. Alleen al in Noordwest-Europa zien we een menging van Keltisch, Germaans en Noords. Deze drie stromingen brachten op regionaal en lokaal niveau ook weer variaties met eigen goden, natuurwezens,
voorouders, tradities en feesten. Omdat de voorchristelijke feesten overal zo verschillende zijn en er geen duidelijke namen bekend zijn uit de tijd is er voor gekozen om in deze tekst de neopaganistische namen te gebruiken welke aan de feesten werden gegeven in de jaren zestig van de twintigste eeuw.

Als we kijken naar het voorchristelijke jaar en de verbondenheid daarvan met het jaarritme van de natuur dan kunnen er in principe twee belangrijkste thema’s onderscheiden worden. Het eerste hoofdthema is vruchtbaarheid en groei, wat samenvalt met de maanden januari tot en met juni. Het tweede hoofdthema is oogst en verval, wat samenvalt met de maanden juli tot en met december. Als we iets gedetailleerder kijken dan zien we dat de twee hoofdthema’s op hun beurt opgedeeld kunnen worden in ieder twee sub thema’s, waardoor feitelijk een verdeling van het jaar ontstaat in vier fases, De vier fases zijn relevant voor de natuur gedurende het agrarisch jaar, maar weerspiegelen ook de stadia van het menszijn in onszelf. Ze kunnen als volgt omschreven worden: opgroeien, geslachtsrijpheid, rijping en aftakeling. Soms wordt een andere bewoording gebruikt, bijvoorbeeld geboorte, vruchtbaarheid, reproductie en sterven.
Vier verschillende fases in het jaar betekent ook vier verschillende overgangsmomenten. In de natuurlijke zin worden deze momenten gemarkeerd door de zonnestand en daardoor de daglengte.
De eerste fase loopt van midwinter tot de lente-evening, de tweede van de lente-evening tot midzomer. Fases drie en vier worden vervolgens gescheiden door de herfstevening. Deze vier belangrijke overgangspunten in het jaar werden in de voorchristelijke periode achtereenvolgens gemarkeerd door Yule, Ostara, Litha en Mabon. Deze feesten worden in de antroposofische kalender weerspiegeld door Kerstmis, Pasen, Sint-Jan en Michaël.

Op de viering van de kortste dag, (Yule –Kerstmis), wordt het licht wedergeboren en breekt de lichte helft van het jaar aan. Deze periode van zes maanden staat dus in het teken van vruchtbaarheid en groei en worden ook wel de periode van uitademing van de aarde energie genoemd. Het wedergeboren licht groeit gedurende zes maanden naar een hoogtepunt en bewerkstelligt daarbij verschillende dingen. In eerste instantie werkt het licht wekkend (Imbolc – Maria Lichtmis) en naarmate het aan kracht wint stimuleert het vroege groei en vruchtbaarheid (Ostara – Pasen).

Rond Beltane (Hemelvaart/Pinksteren) bereikt deze vruchtbaarheid een hoogtepunt en groeit de zonnekracht nog een klein beetje verder naar zijn maximale energieniveau.
Wanneer dit niveau bereikt is (Midzomer – Litha – Sint-Jan), vindt een kentering plaats en begint het licht af te nemen. De dagen worden korter en de energiesterkte neemt af. Net als Yule/Kerstmis is Litha/Sint-Jan dus een belangrijk overgangsfeest. In dit geval switchen we van de lichte naar de donkere helft van het jaar en van uitademen naar inademen. Het thema vruchtbaarheid en groei wordt vervangen door oogst en afname.

Zoals bekend zijn de overgangen rond midwinter en midzomer niet abrupt. Kosmisch gezien worden zij omgeven door een korte periode van een aantal dagen waarbij er nauwelijks afname of toename van het licht plaatsvindt. Solstitium is een ander woord voor zonnewende en komt van de Latijnse woorden sol (zon) en sistere (stoppen of blijven staan). Vanuit een aards perspectief is de overgang gevoelsmatig zelfs nog veel geleidelijker dan in werkelijkheid. De eerste echte kenmerken van het toenemende licht en de groeiende levenskracht na Yule – Kerstmis merken we bijvoorbeeld pas rond Imbolc – Maria Lichtmis, ruim een maand later.
Hetzelfde geldt voor de kenmerken van het afnemende licht en de terugtrekkende levenskracht welke voor het eerst zichtbaar worden rond Lughnasadh op 1 augustus. Dit feest kondigt de eerste oogst aan en heeft geen directe tegenhanger in de antroposofische feestkalender. In de katholiek-christelijke kalender wordt het feest van Lughnasadh min of meer weerspiegeld door Maria-Hemelvaart op 15 augustus. Deze datum markeert het zes weken punt na Sint-Jan, is de afsluiter van de warmste periode van het jaar en vanaf dat moment beginnen veel vruchten en bessen te rijpen.
Deze rijping komt tot een hoogtepunt rond Mabon – Michaël, wanneer ook de eerste signalen van verval in de natuur zich beginnen af te tekenen. Het verval komt vervolgens tot een hoogtepunt in de dood, welke samenvalt met de laatste oogst tijdens Samhain – Sint-Maarten. Kort daarna begint de adventstijd welke ons in alle rust voorbereid op het begin van een nieuwe cyclus.

Het natuurlijk ritme in onszelf

De natuurlijke cyclus welke zich gedurende een jaar buiten voltrekt, wordt direct en op verschillende manieren gereflecteerd in de mens. Eerder werd er op een grote schaal al een verband gelegd tussen de onderverdeling van het jaar in vier fases en de relevantie daarvan gedurende de levensloop van de mens, namelijk opgroeien, geslachtsrijpheid, rijping en aftakeling. Op een heel kleine schaal zou je deze thema’s ook in een dag uit het mensenleven kunnen herkennen, namelijk opstaan, werken, relaxen/verwerken en gaan slapen.

Buiten de hele grote en de hele kleine cycli maakt de mens ook gedurende een jaar een vergelijkbare reis door de vier fases. De midwinterperiode is zowel in de natuur als in de mens een tijd van relatieve rust. Gedurende de eerste zes maanden van het jaar, de periode van uitademing, gaat de mens van binnen naar buiten. Na een lange donkere winter gaan we vaker de natuur in, zitten we steeds wat vaker in de tuin en wordt het buiten zijn aangenamer. Onze actieradius
vergroot zich als het ware, op eenzelfde wijze als de aarde-energie gedurende deze periode uitzet.
Door het toenemende zonlicht wordt groeikracht in de natuur gestimuleerd en ook in ons mensen. We zijn actief in het voorjaar en geïnspireerd om onze plannen en wensen uit te voeren. Een andere manier om dit uit te drukken is door te zeggen ‘we krijgen de geest’. Dit proces van verwijding van onze energie wordt weerspiegeld door de antroposofische jaarfeesten tussen Kerstmis en Sint- Jan.
We volgen de groei van het menselijk bewustzijn in verschillende stappen, beginnende bij de geboorte van het lichtbewustzijn met Kerstmis. Vervolgens passeren we achtereenvolgens het wekken van het bewustzijn in ons mensen (Maria Lichtmis), de toepassing van het bewustzijn om onze levensmissie te verwezenlijken en de ontvangst van de kracht die daarvoor nodig is (Pasen), het
verbinden van onze daden met- en het aanschouwen van de uitwerking er van in een groter wereldverband (Hemelvaartsdag) en de ontvangst van het hogere bewustzijn om op onze daden te kunnen reflecteren (Pinksteren).

In de periode tussen Pinksteren en Sint-Jan groeit het bewustzijn naar zijn maximale omvang. Hierin spiegelt het de energie van de aarde welke nu zo ver is uitgezet dat je zou kunnen zeggen dat rond Sint-Jan hemel en aarde elkaar raken en samensmelten. Ook in planten en bomen is de energie nu op zijn hoogtepunt. Alles is groen, fris en nog niet ten prooi gevallen aan de verschroeiende hitte van de zomer. Onze actieradius is nu ook letterlijk op z’n grootst. De zomervakantie breekt aan en we reizen af naar mooie plekken elders in het land of zelfs daarbuiten.

Door het vakantiegevoel vergeten we de dagelijkse beslommeringen die we door de komst van het hogere bewustzijn met Pinksteren juist vaak extra zwaar voelden rond eind mei en begin juni. Hoewel het natuurlijk heerlijk is om de beslommeringen even te vergeten schuilt hierin ook een gevaar. Het is namelijk goed mogelijk dat, wanneer de zomerse extase te lang duurt, we de rode draad van het hogere plan van ons leven vergeten. Mocht dit gebeuren, dan kan het resulteren in de beroemde ‘Midsummer madness’ welke door Shakespeare vereeuwigd werd in zijn komedie de Midzomernachtsdroom.

Vanaf Sint-Jan worden de dagen korter en begint het aardse proces van inademing. Langzaam wordt de energie teruggetrokken en dat is na een tijdje ook merkbaar in onszelf. Na de zomerse extase van eind juni en juli wordt het terugtrekkingsproces in augustus evident wanneer we langzaam uit de
zomerse roes ontwaken en ons weer bewust worden van het levenspad dat we volgen. Het is gedurende de maanden augustus en september dat we deze rode draad door ons levens soms heel sterk voelen. Na aanvankelijk misschien de draad kwijt te zijn geraakt, lijkt het alsof het samensmelten van aardse en hemelse energie ervoor gezorgd heeft dat we weer even een inkijkje kregen in het plan dat achter ons leven schuil gaat en we herinnerd werden aan essentiële dingen die we gedurende de loop van het jaar vergeten waren. Dit moment van herinneren valt samen met de periode van de eerste oogst in de natuur en beide geven ons een prille beloning voor het werk in de eerste helft van het jaar.
Het hernieuwde zicht op ons levenspad kan prettig zijn en sturend werken, maar kan ook confronterend zijn. Dit laatste is het geval als blijkt dat gestelde doelen niet gehaald zijn en grote wensen niet vervuld. De maand september wordt doorgaans gekenmerkt door reflectie en het maken van goede voornemens. Wat heb ik het afgelopen jaar goed en minder goed gedaan? Hoe ga ik dit het
komende jaar anders en beter doen? De periode van reflectie komt tot een hoogtepunt rond Michaël en het resultaat ervan spiegelt de tweede en doorgaans rijkste oogst die de natuur ons rond dezelfde periode biedt. Hoe goed of slecht die oogst is, fysiek en spiritueel, hangt dus grotendeels af van ons handelen in de eerste helft van het jaar.

Naast het aanbreken van een periode van spirituele reflectie gedurende de vroege herfst begint ook langzaam het proces van naar binnen gaan. We keren terug van vakantie, gaan weer naar school of aan het werk, pakken de draad van sport en hobby weer op. De aarde-energie wordt teruggetrokken en dit wordt langzaamaan gereflecteerd in de vallende blaadjes in de periode tussen Michaël en Sint-Maarten. Ook wij mensen maken het binnen weer gezellig. De tuinstoelen en barbecues gaan de schuur in en worden verruild voor een dekentje op de bank en de openhaard.
Met Sint-Maarten brengen we het licht symbolisch naar binnen in de aarde door een kaarsje aan te steken in een biet of knol. Waar we met Michaël een begin hebben gemaakt met de reflectie op onze individualiteit en eigen keuzen zien we met Sint-Maarten hoe deze keuzes anderen beïnvloeden. We realiseren ons dat we voor een ander klaar moeten staan en als goed mens moeten leven om de
transitie naar groei en ontwikkeling te kunnen maken. Sint-Nicolaas verbeeldt eenzelfde soort thematiek, maar laat ook zien dat goed gedrag beloond zal worden wanneer het mensen-ik zo puur mogelijk is. Vervolmaking van de puurheid van onze intenties als individu vindt plaats gedurende advent. In deze afwachtingsperiode van de geboorte van het licht en het bewustzijn komen we het diepste tot onszelf. Klaar om aan een nieuw cyclus te beginnen.

Lucifer en Sint-Jan

Wie zich enigszins in de antroposofie heeft ingelezen kent het principe van balans in het leven tussen de invloeden van Lucifer en Ahriman. Luciferische
invloeden zijn licht en brengen je als het ware buiten jezelf en in een staat van extase, dicht bij het spirituele. Ahrimanische invloeden zijn zwaar en gericht op zelfzucht en materialisme. Beide krachten zijn nodig om een balans te bereiken waarin wij mensen goed gedijen en spirituele vooruitgang kunnen boeken. Te veel van iedere kracht werkt negatief of zelfs destructief.
Bij het lezen van deze kenmerken van de Ahrimanische en Luciferische krachten wordt de link met de jaarcyclus misschien al duidelijk. Tijdens de periode van Sint-Jan zijn we als mens in de wolken. De lucht is dun, vluchtig en zindert in de zomerzon. We zijn buiten onszelf, in extase en kunnen soms vergeten waar het in ons leven om draait. Dit is de hoogtijperiode van Lucifer. Tijdens de periode rond Kerstmis is het omgekeerde aan de hand. We zijn diep in ons eigen binnenste gekropen en focussen op onze individualiteit. De reflecties van de herfst maken ons soms onzeker of boos en geven ons een zwaar gemoed. We zijn binnen en missen wat er om ons heen gebeurt. We focussen op onze ‘ik’ in een veilig afgebakende wereld. De winter is de tijd van Ahriman.
Wanneer deze negatieve en potentieel destructieve uitersten zo duidelijk zichtbaar zijn rond midzomer en midwinter dan betekent dat een staat van balans in het voorjaar en in de herfst, rond de feesten van Pasen en Michaël. Dit klopt ook wanneer men kijkt naar een van de thema’s rond Pasen, namelijk het bezit nemen van de kracht en het bewustzijn om onze levenstaak uit te voeren.
Met andere woorden, rond Pasen zijn de omstandigheden het gunstigst om het plan tot uitvoer te brengen waarmee we incarneerden en om te doen wat we als mens moeten doen ten einde spirituele vooruitgang te boeken. Voor Michaël geldt dit ook omdat rond die tijd een staat bereikt is waarin de voor- en nadelen van ons handelen afgewogen kunnen worden en er dus inzicht is in de beste manier om onze levenstaak voort te zetten.

Sporen van het voorchristelijke in de viering van midzomer en Sint-Jan

Zoals eerder aangegeven is er heel weinig bekend over de wijze waarop het
midzomerfeest gevierd werd door onze voorouders. Zoals het geval is bij de meeste voorchristelijke feesten zal het element vuur ongetwijfeld een rol gespeeld hebben. Uit landen zoals Ierland en Duitsland is bekend dat vreugdevuren vaak op hoge punten in het landschap werden ontstoken. Het is mogelijk dat de naam ‘Litha’ een oud Germaans woord voor berghelling is, hoewel er ook weleens wordt geduid op de mogelijke verwijzing van de naam naar het woord ‘licht’. Aan het maken van vuren op hoge plaatsen wordt soms de uitleg verbonden dat mensen op die manier dichter bij de goden zouden zijn. Het is echter twijfelachtig of dit waar is. De vieringen van zonnewendes en eveningen
waren hoogtijdagen waarbij verschillende groepen onderling contact maakten. Door het vuur op een hoog punt in het landschap te ontsteken is het in de wijde omtrek zichtbaar. Op deze manier wordt via de verschillende vreugdevuren een verbinding gecreëerd tussen naburige groepen in een bepaald gebied.

In nagenoeg alle landen waar er vandaag de dag nog aandacht wordt besteed aan de viering van midzomer speelt vuur een belangrijke rol. De meeste moderne vieringen worden gehouden op de avond van 21 juni, maar soms wordt ook 23 of 24 juni gekozen. De midzomertijd is daarmee een periode en niet per se een vast moment. In Ierland wordt midzomernacht ook wel bonfire night genoemd, of wel de nacht van de vreugdevuren. Er zijn vuren door het hele land, er is vuurwerk, eten, drinken en volop Keltische muziek. In Oostenrijk vindt jaarlijks een parade van schepen op de Donau plaats en wordt er vuurwerk afgestoken vanaf de bergtoppen. In Noorwegen worden grote vreugdevuren gebouwd en vinden schijnhuwelijken plaats. Deze symboliek van het huwelijk doet ons
antroposofen denken aan de Pinksterbruid- en bruidegom die geassocieerd worden met de vruchtbaarheidsfeesten van het voorjaar. In Denemarken is de viering van midzomer sterk beïnvloed door de Vikingen en zijn niet de heuvels maar juist de kustgebieden in trek. Je vindt de vreugdevuren vaak op stranden en langs meren. Een soortgelijke connectie tussen de midzomerviering en de zee
zien we in Spanje waar ook vreugdevuren en vuurwerkshows op de stranden plaatsvinden. Het is mogelijk dat dit in het veelal katholieke Spanje verband houdt met de feestdag van Johannes de Doper. Het vuur staat voor de zon en midzomer en het water staat voor de doop.

Op de vrijeschool is het Sint-Jansfeest vaak een uitbundige bijeenkomst vol muziek, zang en dans. De hoofden worden versierd met bloemenkransen en indien nog toegestaan wordt er een vreugdevuur aangelegd. Traditiegetrouw wordt het Sint-Jansvuur met fakkels aangestoken door de kinderen uit de hoogste klassen. Zij kunnen op deze lange avond de verantwoordelijkheid aan om voor het vuur te zorgen en de veiligheid te bewaken. Tegen het einde van de avond, wanneer de vlammen niet hoog meer zijn, kan er over het vuur gesprongen worden. Buiten de vrijeschooltraditie in Nederland en elders in Europa zien we dit gebruik ook nog terug bij de midzomervieringen in Letland en Estland.
De traditie van het springen over vuur gaat mogelijk terug naar de voorchristelijke periode. Er wordt aangenomen dat aan vuur een reinigende werking werd toegeschreven die negatieve energieën of kwade geesten verdreef. Tevens werkte het vuur beschermend. Kwade entiteiten die geassocieerd werden met de naderende donkere helft van het jaar werden door het vuurritueel op afstand gehouden. Om dezelfde reden werd ook vee in deze tijd van het jaar tussen twee vuren doorgeleid. Naast reiniging zou dit tevens de vruchtbaarheid voor het volgende jaar bevorderen.

Binnen de vrijeschooltraditie worden er ook verbindende krachten toegeschreven aan het Sint-Jansvuur. Door eroverheen te springen word je als het ware opgetild door de warm lucht en op die manier dichter bij het goddelijke gebracht. Samen springen met een geliefde of vriend zorgt dat de springers één worden. Dit versterkt de band die vervolgens beter bestand is tegen de turbulente herfstperiode.
Het springen over vuur kan tevens gezien worden als een rite de passage. Het
markeert een verandering, een nieuw begin. Dit is uiteraard letterlijk zo, want we springen de tweede helft van het zonnejaar in terwijl de zon zelf over zijn hoogtepunt springt, maar ook figuurlijk, een sprong van het ene schooljaar in het andere bijvoorbeeld.

Bij de midzomerviering in Finland, maar vooral in Zweden speelt de meiboom een belangrijke rol. Wij noemen de meiboom naar de maand mei omdat hij in Nederland en ook bijvoorbeeld in Groot-Brittannië verbonden is aan de vruchtbaarheidsfeesten van het voorjaar. In Zweden wordt de meiboom midsommarstång genoemd en vormt het epicentrum van de festiviteiten. De meiboom wordt liggend versierd met groen en linten waarna hij rechtop gezet wordt en het feest kan beginnen. Er volgt een avond en nacht vol eten en drinken, dans, bloemenkransen, gezellig samenzijn en het vinden van een geliefde.

Van de midzomernacht wordt wel gezegd dat er een magische energie vanuit gaat welke de natuur doordringt. Het is dus bij uitstek de nacht om kruiden en medicinale planten te plukken, waaronder het sintjanskruid. Het dragen van bloemenkransen en de traditie van het versieren van de meiboom met groen zijn hier mogelijk ten dele van afgeleid. In Denemarken was het eens gebruikelijk om tijdens midzomer (Sankt Hans) vlierbloesem te bakken in boter en aan kinderen te serveren. Door de magische krachten in de vlier rond deze tijd van het jaar zouden zij een jaar lang geen koorts krijgen.

Uit dit beknopte overzicht van de viering van het midzomerfeest op verschillende plaatsen in Europa blijkt dat er verscheidene thema’s centraal staan. In de eerste plaats is dit de overgang, onder andere gesymboliseerd door het springen over vuur. In de tweede plaats is er de viering van vruchtbaarheid, liefde en verbondenheid, onder andere weerspiegeld in de schijnhuwelijken in Noorwegen, de paringsdansen rond de meiboom in Zweden en Finland en de samensmelting die optreedt wanneer er samen met een geliefde over het vuur gesprongen wordt. Op vrijescholen in Nederland en een aantal omringende landen past dit thema meer bij Pinksteren, wat nogmaals benadrukt dat bepaalde tradities en gebruiken op nationale of regionale schaal verschillend kunnen zijn. Een derde thema is de maximale energie, gesymboliseerd door de zonnekracht en weerspiegeld in de vele vuren. De relevantie van de energie in de natuur zien we ook terug in het idee van de magische krachten die verborgen liggen in de midzomernacht en in de uitbundigheid waarmee het midzomerfeest vaak gevierd wordt. Tot slot is er het thema van de reiniging. Het vuur heeft een reinigend effect en zo gaan we compleet gezuiverd de nieuwe fase van het jaar in. In de christelijke traditie is deze purificatie terug te vinden in het ritueel van de doop en dus eveneens gelinkt aan midzomer en de feestdag van Johannes de Doper.

De Johannesindividualiteit en de oude manier van geloven

Zoals het geval is voor veel hoofdpersonen uit de Bijbel gaat de tekst over de persoon, in dit geval Johannes, maar staat deze persoon eigenlijk symbool voor iets groters. Dit ‘groters’ duidt vaak op een invloed of een kracht die doorwerkt in verschillende incarnaties en/of vanuit de kosmos. In het geval van Johannes de Doper spreken we van de Johannesindividualiteit. Rudolf Steiner stelt dat de Johannesindividualiteit slecht te herkennen is in specifieke incarnaties. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot de individualiteit van de aardsengel Michaël welke we duidelijk zien in ridder Joris. Rudolf Steiner noemt de Johannesindividualiteit ook wel de oer-Adam, wat betekent dat hij aan de basis zou staan van de gehele mensheid en ieder persoon dus een klein beetje van de individualiteit in zich heeft. Volgens Steiner is de Johannesindividualiteit ook te zien in het geestelijke wezen Elia welke een leidende rol speelt voor het Joodse volk.

De verschillende stadia van de Johannesindividualiteit zijn belangrijk omdat ze verwijzen naar de oude manier van geloven. Wanneer we terugdenken aan de voorchristelijke mens en de driehoek tussen hemel, aarde en groepsgeest wordt duidelijk dat de Johannesindividualiteit symbool staat voor de collectiviteit en de top-down manier van geloven. De Johannesindividualiteit als oer-Adam staat aan de basis van de levenskracht van de gehele mensheid. Het wordt daardoor een ‘persoonlijkheid’ die op een voetstuk staat. De groep, in dit geval de mensheid, kijkt omhoog naar hem in afwachting van verlichting en leiderschap. In het geval van de Johannesindividualiteit als de Eliakracht geldt min of meer hetzelfde. Het Joodse volk kijkt collectief omhoog en ontvangt als groep sturing vanuit de geestelijke wereld.

De naam Johannes

De aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper werd vergezeld van een aanwijzing over de te kiezen naam. Dit was niet voor niets en de naam Johannes heeft dan ook een symbolische betekenis, namelijk ‘de door God
begenadigde’. Johannes was dus door God uitverkoren voor een belangrijke taak. Een andere betekenis van de naam die soms genoemd wordt is Jo-(Jod)-Hannes, ofwel drager van het ‘ik’ of drager van de individualiteit. Hoewel het niet helemaal duidelijk is waar deze betekenis precies van afgeleid is kan wel worden gesteld dat hij zeer tekenend is voor de taak van Johannes de Doper. De betekenis ‘drager van het ik’ geeft een staat aan waarin je jezelf bewust bent geworden van je eigen individualiteit als mens. Dit staat dus in contrast met de collectiviteit of groepsidentiteit die we zien in de voorchristelijke periode. Namen die van Johannes of Johanna zijn afgeleid, zoals Hannes, Hans, Hanna en Anna missen het ‘Jo’ element en zijn dus als potentiële dragers nog op weg om de eigen individualiteit te vinden of te ontdekken. Dit is de reden waarom karakters met degelijke namen vaak opduiken in sprookjes en daarin zonder het te beseffen een reis ondernemen van het ene stadium van zijn naar het andere. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Hans uit Hans en Grietje.

Jezus als brenger van het individuele bewustzijn

Wie mijn stuk over Hemelvaartsdag heeft gelezen weet dat het leven van Jezus er op gericht was om God weer dichter bij de mens te brengen en de verbinding tussen mens en kosmos te helen en tastbaarder te maken. De bewerkstelliging hiervan geschiedde in verschillende stappen die gedurende de eerste helft van het jaar op diverse momenten gevierd en herdacht worden. Met carnaval dragen we allemaal een vermomming en een masker. Dit symboliseert het feit dat wij onze eigen ‘ik’ of individualiteit niet kennen. We leven het aardse bestaan wat slechts een klein onderdeel is van wie wij werkelijk zijn. Ons wezen, in spirituele zin, is tijdens het aardse leven aan ons oog onttrokken.

Op Goede Vrijdag sterft Jezus aan het kruis. Dit is een fysieke dood. Het masker wordt afgezet en de
ware Jezus, de Christus, wordt zichtbaar wanneer hij vanuit het aardse niveau het spirituele niveau bereikt. Alvorens dit te kunnen doen wordt gezegd dat Jezus na de kruisiging afdaalt in de diepste en donkerste gelederen van de hel om daar het licht te brengen. Dit is een metafoor die wij als mens op onszelf kunnen betrekken. Ieder mens heeft goed en kwaad in zich. Vaak echter hebben we er moeite mee om het kwaad in onszelf te onderkennen terwijl we trots zijn op het goede en dat graag willen laten zien. Je ware aard ligt in het midden, op de balans van goed en kwaad. Als je deze ware ik wilt leren kennen zul je dus eerst, naast de goede kanten ook de kwade kanten van jezelf moeten onderzoeken en begrijpen. In andere woorden, om het goede te begrijpen moet je ook het kwade kennen. Door het exploreren van goed en kwaad in onszelf ontstaat ruimte tussen de twee polen waarin ons ware spirituele zelf zich kan manifesteren.
Eenzelfde beeld is toepasbaar op Jezus gedurende Goede Vrijdag en Pasen. Hij sterft zijn fysieke dood aan het kruis, daalt af in de hel en leert zijn ware aard kennen. Door deze gebeurtenis kan hij door de dood heen overgaan van een fysiek naar een spiritueel leven. Om deze ervaring met de mensheid te delen keert Jezus, nu Christus, terug op Paaszondag in een tijdelijk opstandingslichaam.

In de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart is Christus op
aarde in zijn opstandingslichaam en onderwijst hij de apostelen. Op Hemelvaartsdag voegt Christus zich bij de hemelse vader in de kosmische laag en tijdens dit proces strekt zijn etherkracht zich dusdanig uit dat het alles en
iedereen op aarde omvat of binnendringt. Doordat wij tijdens Hemelvaart deze universele groeikracht hebben ontvangen kan de verbinding tussen de mensheid en God hersteld worden. Omdat de Christuskracht ons bewustzijn voor het goddelijke heeft heropend wordt het voor de mens mogelijk om met Pinksteren de heilige geest te ontvangen en hiervan doordrongen te raken. Deze goddelijke energie is een hoger bewustzijn en stelt ons in staat om de eigen individualiteit te ontdekken en weerspiegeld te zien in het goddelijke. In een voordracht uit 1908 beschrijft Rudolf Steiner dat we vanaf Pinksteren kunnen ervaren dat het eigen ik en de goddelijke vader één zijn.

Deze ervaring luidde een nieuw tijdperk in waarin we het goddelijke ook in onszelf konden zoeken en vinden in plaats van enkel in de kosmos. De mens moest niet langer naar boven kijken in afwachting van goddelijke sturing of begeleiding, maar deze hulp juist zoeken in het innerlijk weten van de eigen individualiteit. Het was als het ware de wekking van de intuïtie, van een innerlijke drijvende kracht waarop vertrouwd kon worden. Van top-down spiritualiteit ging men naar bottom-up spiritualiteit. In plaats van wachten op een teken van hogerhand kon vanuit het individu actief contact worden gezocht met het goddelijke in tijden van nood en verwarring door bijvoorbeeld gebed of meditatie.
Door het toegenomen belang van de individualiteit werd het collectief steeds minder belangrijk. Oude verbanden zoals de stammen en familielijnen waren door het individuele vertrouwen minder noodzakelijk en verdwenen op den duur grotendeels in de westerse wereld. Uiteraard was dit een lang proces wat in Noordwest-Europa tot in de middeleeuwen duurde.

De rol van Johannes de Doper

Voorafgaand aan de grote overgang van het oude naar het nieuwe geloven die Jezus zou bewerkstelligen was het noodzakelijk dat het volk op de nieuwe tijd werd voorbereid. Dit was de taak van Johannes en zijn middel om hiervoor zorg te dragen was de doop. Johannes doopte mensen in de rivier de Jordaan en dat ging er minder zachtzinnig aan toe dan het dopen wat we gewend zijn van de
meeste hedendaagse kerkelijke stromingen.
De doop bestond uit volledige onderdompeling en er wordt wel gezegd dat de dopeling dusdanig lang
onderwater gehouden werd dat er een bijna-doodervaring ontstond. Tijdens dit proces ontvouwde zich voor de dopeling een terugblik op het aardse leven en dus het verleden. Door het overgangsritueel van de doop werd er gewezen op de toekomst die anders zou zijn dan het leven uit de voorchristelijke periode.
Uiteraard moet ook deze beschrijving van het doopsproces met enig voorbehoud benaderd worden omdat geen bewijs voor handen is. In ieder geval is het duidelijk dat de doop staat voor een overgang of transformatie. Naast een ‘rite de passage’ is de doop ook een reinigingsritueel. De dopeling wordt ontdaan van het oude en het ‘ik’ wordt gezuiverd voor de ontvangst van de christuskracht of Heilige Geest.

Midzomer en Sint Jan verbonden

Wanneer we de grote lijnen van de voorchristelijke midzomertradities naast de christelijke sintjanstradities leggen is het thema ‘overgang en verandering’ in beide evident. Aan de basis staat de letterlijke overgang van de lichte naar de donkere helft van het jaar, de zichtbare zonnewende die het natuurlijke ritme sterk beïnvloed. In het agrarisch jaar uit de voorchristelijke periode brengt de
zomerzonnewende een overgang van de periode van vruchtbaarheid en groei naar de periode van oogst en afsterving. In ons mensen is dit de verandering van uitbundigheid naar inkeer, van groeien naar aftakelen, van actie naar reflectie. In relatie tot Sint-Jan zien we dit prachtig terug. De periode tot Sint-Jan staat garant voor levensenergie en groei als individu door het steeds sterker wordende licht van Jezus in onszelf. Op weg naar individualiteit volgen we als mensheid
dit leidend licht. Na Sint-Jan is Jezus niet fysiek meer aanwezig om ons te leiden maar moeten we vertrouwen op onze eigen individualiteit en op het innerlijke licht wat ons met Pinksteren geschonken werd. We zien dit proces terug in de jaarfeesten. Voor Sint-Jan staan alle feesten in het teken van Jezus, licht en de spirituele ontwikkeling van de mensheid als een groep. Na Sint-Jan staan alle jaarfeesten in het teken van onszelf, het naderende donker en de ontwikkeling van het individu door reflectie en purificatie van onze intenties en levensstijl.
In de voorchristelijke traditie bracht het vuur ons de reiniging die nodig was om te reflecteren op het voorbije groeiseizoen en om op een pure manier met de goden en natuurwezens in contact te treden om zo voorspoed af te smeken voor het komende jaar. In de sintjanstraditie wordt de reiniging verzorgd door het ritueel van de doop. Door de purificatie zijn we in staat om het goddelijke in ons te ontvangen en te herkennen en hiermee vol goede moed de donkere helft van het jaar in te gaan. In pure eerlijkheid kunnen we zo reflecteren, onszelf verbeteren als mens en waardig worden om Jezus en het licht weer tegemoet te treden in de kerstnacht.
Het thema liefde, vruchtbaarheid en verbondenheid komt in de voorchristelijke periode in de eerste plaats naar voren door de saamhorigheid die past bij de viering van midzomer. Door het maken van vuren op hoge plaatsen wordt een verbinding gemaakt tussen verschillende groepen. Het dansen rond vuren en meibomen brengt mensen tot elkaar en in sommige gevallen wordt tijdens deze feestavond actief gezocht naar een levenspartner. Door over het vuur te springen met een geliefd persoon smeed je een nog sterkere verbondenheid die bestand is tegen een stootje. In de christelijke traditie van Sint-Jan uit de verbondenheid zich duidelijk in het begin van een vernieuwde en versterkte connectie tussen god en individu, tussen hemel en aarde. Johannes maakt het mogelijk dat de afstandelijke verbinding tussen een groep en een abstracte kosmische kracht overgaat in een persoonlijke relatie tussen het individu op aarde en Christus of God in zichzelf. Een kracht die liefdevol begeleidend zou moeten zijn in plaats van dwingend sturend.

Tot slot is er het thema van de maximale energie welke de wereld in een goudgele gloed hult wanneer de aardse energie zo ver is uitgezet dat aarde en kosmos samensmelten. In de voorchristelijke periode wordt de maximale energie herkent in alle bomen en planten die rond midzomer tot de hemel rijken. In de
midzomernacht worden aan planten magische krachten toegeschreven en in sommige tradities ook aan dieren, natuurwezens of entiteiten. De zonnewarmte en energie wordt inzichtelijk gemaakt door middel van de vele vuren en de extase waarin er feest wordt gevierd. De energetische lading kan eenvoudig midzomerzotheid veroorzaken en hierop moeten wij mensen ons bedacht zijn. In de Christelijke sintjanstraditie komen hemel en aarde ook samen op het moment dat de Heilige Geest over de mensheid wordt uitgestort. In de Bijbel wordt er
gesproken over vlammen die branden op de hoofden van de apostelen. Deze metafoor staat in verbinding met de vuursymboliek van midzomer en verbeeldt de sterke energie die past bij deze gebeurtenis. Het goddelijke wordt in de mens gewekt en dus worden aarde en hemel onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoewel dit dus al met Pinksteren gebeurt, is het enkel mogelijk door het werk
van Johannes en daarmee is hij, samen met de Christus, de verpersoonlijking van die verbindende energie. Doordat we nu op onze innerlijke intuïtie en godskracht kunnen vertrouwen zou het makkelijker moet worden om tijdens de midzomerextase de rode draad van ons leven niet te verliezen. Aan ons mensen de taak om deze sterke innerlijke energetische stroom gaande te houden op weg naar individuele groei en persoonlijke reflectie onder aanmoediging van de heiligen van de herfst.

Een warme en stralende Sint Jan en zonnewende gewenst!

© T. T. M. van Tongeren, 2021.
Niets uit deze tekst mag worden vermenigvuldigd, verspreidt of openbaargemaakt zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Vraag voorafgaand aan plaatsing op blogs, websites, sociale media e.d. ook altijd om toestemming

Met toestemming van de auteur geplaatst, waarvoor dank.

Het sprookje van Hans en Grietje

Sint-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2446

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Pinksteren (30)

.
Een kleine terugblik op de folklore van Pinksteren.

Mellie Uyldert over verborgen wijsheid van oude rijmen
.

DE PINKSTERBRUID

Verscheen de levensgeest in het voorjaar bij voorkeur als paas-haan of paas-haas, in de zomer treffen wij hem vaker in een vrouwelijke gestalte aan, o.m. als de Pinksterbruid of de Pinksterblom. Waarschijnlijk hangt dit samen met de gestalte van Moeder Aarde als de Germaanse godin Irtha of Hertha, wier feest nog lang gevierd is in haar heiligdom in de duinen bij Kraantje Lek (bij Haarlem), op de tweede maandag in augustus: Hertha’s Dag, wat verbasterd is tot Hartjesdag – waarop nog altijd vuurtjes gestookt worden door de jeugd in de Amsterdamse Jordaan! Gebruiken blijven, al wisselen hun interpretaties mét de verandering in het menselijk denken!

De Pinksterbruid was waarschijnlijk oorspronkelijk een meikoningin die op de eerste mei werd rondgedragen, nadat aan de vooravond allerlei gebruiken hadden plaatsgevonden, zoals het planten van de bloeiende tak voor het raam van de alderliefste, en het rechtspreken door de opgeschoten jongens, die de op het erf van onbeminde dorpelingen aangetroffen bezittingen op een grote hoop onder de dorpslinde op de brink neergooiden, waar de getroffenen dan maar moesten komen zoeken!

Op de zaterdag voor Pinksteren, de z.g.. Luilak, gaat de jeugd er al vroeg op uit om te dauwtrappen, eertijds een plechtige ommegang op blote voeten door de bedauwde velden in de vroegte, om alle kwade stoffen aan de aardbodem kwijt te raken, als voorjaarsreiniging en – heiliging. Nu is dat meestal ontaard in een belletje-trekken bij de langer slapende volwassenen, waarbij de kinderen een enorm lawaai maken door het slaan op metalen voorwerpen, onder het roepen van: Luilak!

Daarna pleegt men in Haarlem naar de bloemenmarkt te gaan en daar een plant te kopen ter ere van de lente, en dat is waarschijnlijk overgebleven van het vroeg naar de wei gaan en daar bloemen plukken om de pinksterkrans te maken, zoals dat nu nog op Terschelling gebeurt. De meisjes plukken daar veel varens en wollegras, meidoorntakken, boterbloemen en harlekijnorchis, wat op hoepels gebonden wordt tot kransen en nog meer versierd met gekleurde eierschalen en knipsels. Met deze pinksterkransen trekt men de boeren tegemoet als zij van het melken terugkomen, en in ruil voor zo’n krans, die de boer om de hals gehangen wordt, geeft hij dan een emmertje verse melk. Aan de pinksterpaal worden tenslotte de kransen opgehangen.

In vele plaatsen moet dan ’s avonds het pinkstervuur worden gestookt en om aan brandstof daarvoor te komen, loopt de jeugd het dorp door met een mooi versierd meisje, dat als pinksterbruid boven op een plank staat te pronken, terwijl de jongens die plank op de schouders torsen, al zingend:

Hier is onze fiere pinksterblom,
en ik zou haar zo graag eens wezen:
met haar mooie kransen op het hoofd,
en met haar rinkelende bellen!
Recht is recht, krom is krom,
zeg, blief je nog iets te geven voor de
fiere pinksterblom?
Want de fiere pinksterblom moet vóórt!

Boer, ik vraag jou voor de laatste maal:
heb je soms nog takkebossen?
In het duister stoken wij een vuur,
dat fikt en vlamt en dat knettert!
Vuur en vlam! Rook en smook!
Zeg, danst misschien je mooie Trineke
deze avond ook
met de fiere pinksterblom in ’t rond?

Bij elke boerderij wordt dit lied gezongen, waarop de bewoners wat brandstof afstaan, die op de handkar geladen wordt, welke door de achterhoede van de stoet wordt voortgeduwd.

Op de pinksteravond brandt dan het pinkstervuur, waar omheen gedanst wordt, en overheen gesprongen ’om het hele jaar niet ziek te worden’. De pinksterblom rinkelt met de belllen aan polsen en enkels en schudt de versierde haren – het kan een meisje of een jongen zijn – zwaait met de arm en stampt met de voet: de levensgeest die het heil brengt!

.
Pinksteren en Hemelvaart: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

2415

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Maria-Lichtmis (4)

.

Maria-Lichtmis
.

Maria-Lichtmis – het feest waarmee we de Grote Advent, ook wel de lichtjesfeesten, afsluiten.
De benaming is afkomstig uit de Katholieke kerk, bij deze mis hield iedere kerkganger een kaars vast. De gehele mis is gewijd aan Maria. Maria-Lichtmis is het feest van Moeder Aarde. Ze geeft vruchtbaarheid, verzorging, omhulling, draagkracht, warmte. In alle culturen werd de aardegodin aanbeden. De grote moeder Freya bij de Germanen, Demeter bij de Grieken, Ceres bij de Romeinen. Zoals alle feesten heeft ook dit feest een voor-christelijke oorsprong. In dit feest vallen Moeder Aarde en Maria samen.                                                                  

Zes weken voor kerstmis zijn we met een klein lichtje begonnen op 11 november. De warmte van de zomerzon was bewaard in de donkere aardeknol. Het was een herinnering aan de zon en tegelijk een verwachting van het licht dat komt. De kerstnacht bracht het eerste nieuwe sterrenlicht. En op driekoningen waren de dertien sterrennachten voorbij. Nu is de sterrenkracht de aarde ingetrokken. Moeder Aarde heeft het in zich opgenomen. De grond draagt het hemellicht en brengt straks nieuwe vruchten voort. De aarde gaat nu laten zien wat de hemel heeft geschonken.

De dagen worden langer, we hebben geen kaarslicht meer nodig. De kaarsrestjes en stompjes die we de afgelopen tijd hebben opgespaard worden in de aarde tussen de plantjes gezet en opgebrand.
We smelten bijenwas in halve walnootdoppen met een lontje en laten die brandend drijven in een schaal met water. Zolang de kaarsjes branden zingen we liedjes die we gezongen hebben tijdens de gehele lichtperiode, dus van Sint-Maarten tot nu.

Op school wordt dit feest voornamelijk door de kleuterklassen gevierd. De kaarsjes worden aangestoken en het licht wordt naar de aarde buiten gebracht. De kinderen zingen samen en zo wordt de Grote Advent afgesloten.

Het is een feest dat klein gevierd wordt. In de avond kun je thuis ook de laatste kaars stompjes branden, de liedjes zingen en samen een lekkere pannenkoek eten.

Bron: Vrijeschool Amersfoort

.

Maria-Lichtmis: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle jaarfeesten

.

2350

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat op deze blog staat

 

VRIJESCHOOL – Verhalen na Driekoningen

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.
Bij Kerstmis: alle verhalen vind je meer van deze legenden
.

DE ROOS VAN JERICHO
.

Een plant, die nooit sterft ! Een wonder der natuur – honderden jaren levend zonder water en grond. In extreme hitte en kou. Deze merkwaardige plant kan men zo vaak men wil laten bloeien en weer laten indrogen. Zonder tuin en zonder grond, zowel binnen als buiten. Wie haar voor het eerst ziet, houdt het niet voor mogelijk, dat uit deze ogenschijnlijk levenloze knol binnen enkele minuten een groen gewas kan ontstaan. Om de roos van Jericho tot bloei te brengen, overgiet men haar met koud, warm, heet, of zelfs kokend water, dat normaal gesproken elk plantaardig leven zou vernietigen. Dan beleeft u een bijna onvoorstelbaar wonder der natuur. Er komt nieuw leven in de ogenschijnlijk levenloze bladeren. De afzonderlijke twijgen openen zich, meer en meer, en na enkele uren is de roos prachtig vol en groen geworden. Dan neemt men de roos uit het water, legt haar op een bord en geeft haar elke dag vers water. De roos van Jericho mag maar 8 dagen vochtig blijven en moet dan op een droge en warme plaats gelegd worden. Na ± 2 dagen is de roos weer helemaal ingedroogd, zodat men dit wonderlijke schouwspel steeds weer kan herhalen.’ (Een meer botanische beschrijving van de plant)

Uit Palestina

Deze roos in dit verhaal bloeit in het rood.

Eindelijk! Eindelijk! Eindelijk! De oneindige woestijn lag achter de vluchtende Maria. Voor haar gelukkige ogen strekte zich het gezegende land Egypte uit waarnaar ze zo verlangd had. Het lag daar als een bloemrijk tapijt waardoorheen de Nijl zich kronkelde als een zilveren lint. Haar hart maakte zeven vrolijke sprongetjes en het vergat alle nood en alle moeite van de zware tijd. Door gevoelens van dank overspoeld, knielde Maria neer waar ze stond, in het gloeiende zand dat in die ellendige dagen aan de zoom van haar kleed gevreten had en haar voetzolen tot bloedens toe verwond. Ze dankte de hemel voor de onmetelijke bijstand waarmee hij haar en het Kind tot hier toe had geleid. Maar toen ze na in dank verzonken te zijn geweest, weer ging staan, zag ze het stukje aarde dat haar knieën beroerd hadden: het was met mooie, tere roosjes bedekt, die als purperrode bloeddruppels in het dorre woestijnzand oplichtten. En toen de heilige Moeder omkeek naar de verte waaruit ze in een moeilijke tocht gekomen was, zag ze die weg als was het een rode, slingerende band. Op alle plaatsen waar haar vluchtende voeten, de waaiende zoom van haar kleed de aarde hadden aangeraakt, waren rode rozenbloesems uitgelopen en op de randen van de sierlijke voetafdruk die de smalle voet van de Godsmoeder in het zand had achtergelaten, hadden de kleine goud-rode plukjes zich als in kleine bloembedjes verzameld. En die rode band liep tot in de verte waar de vlucht was begonnen.

Wanneer pelgrims naar het Heilige Land trekken, is de woestijnroos het enig levende waar hun oog op rusten kan en die met haar geur de reiziger verkwikt. Op geen andere plek in de wereld kan deze wonderbloem groeien. De behoedzame hand van de vrome pelgrim neemt ze als een heilig voorwerp mee terug naar het Avondland als prachtig aandenken. En in alle kloosterschatten ter wereld bevinden zich zulke woestijnrozen zoals de pelgrims ze noemden. 

Door een wonder ontstaan verbergt de roos van Maria nog een wonder. Elk jaar in de kersttijd opent ze, zonder dat ze wortelt, haar goudrode hart en groeit en bloeit maar door tot de kerstnacht waarin ze haar diep rode glans bereikt. Ze kan nog zo dor worden, oud, verdroogd, ze gaat nooit ten gronde, want een zweem van de onsterfelijkheid heeft haar leven gezegend. Zelfs rozen die duizend jaar oud zijn, bloeien in de heilige nacht weer op. En de mensen laten zich door haar de toekomst voorspellen. Een bloem die je toelacht voorspelt een goed jaar van geluk en voorspoed. 

Tussen de opgeluchte herinnering aan moeite en het verlangen naar vredig geluk is eens de roos van de Godsmoeder tot bloei gekomen. Terwijl de smartelijke en vreugdevolle gedachten de harde lijdensweg van de vlucht terug vervolgden en het verlangen naar eindelijk rust en vrede zich vooruit haastten, bloeide de levende roos uit het dorre woestijnzand op: niets anders dan een symbool van het leven dat een gaan is door de woestijn tussen herinnering en verlangen. En steeds zal ook in deze dorre streek een feestdag zijn, een Heilige Nacht waarin zelfs de meest verdorde roos kan opbloeien als een levend rood hart. 

.
Hier zie je hoe de plant zich ontwikkelt

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2329

VRIJESCHOOL Jaarfeesten – Kerstmis (37)

.

Frank de Fremery

.

JOZEF
.

Voorafgaande aan het eigenlijke kerstgebeuren, de geboorte van bet Kindeke Jezus in de stal te Bethlehem, wordt in het Lucas Evangelie 1-1-4- verhaald, hoe Jozef met zijn jonge vrouw Maria opging vanuit Nazareth om in Bethlehem beschreven te worden.

Deze administratieve formaliteit lijkt voor ons, die aan zoveel gangen naar bureaus van openbare diensten gewend geraakt zijn, een niet zeer belangrijk feit, slechts een eenvoudige episode ter inleiding van het eigenlijke verhaal. Het is echter niet een zo onbelangrijke gebeurtenis, wanneer men het beschouwt in het kader van het tijdperk waarin het vermeld wordt: toen Quirinus stadhouder was over Syrië, d.w.z. toen het Romeinse gezag zich in Palestina had gevestigd.
Dit gezag onderscheidde zich zeer bijzonder van het gezag, dat voordien in Palestina geheerst had. Vroeger -was het steeds een priesterlijk gezag geweest, een theocratie, evenals in de omringende landen waren de koningen zelf altijd van priesterlijke bloede en veelal vervulden zij hoge functies bij de godsdienstige plechtigheden van die landen.

Zo was bv. de farao tevens hoge priester in Egypte, de Assyrische en Chaldeeuwse vorsten waren priesters, de Perzische koningen vervulden geestelijke functies. Tot aan de opkomst van het Romeinse rijk waren de landen van de wereld onderworpen aan een geestelijk gezag. Het Romeinse rijk berustte daarentegen op wereldlijk gezag.
De Hommen voelde zich niet geleid door en onderworpen aan geestelijke krachten die zijn aardse leven bepaalden, maar hij had het leven als mens in eigen hand genomen, hij maakte zelf de wetten die zijn leven regelden, hij was geheel aardeburger geworden. De overgang van de mensheid van de geest-verbondenheid van de oudheid tot de aarde-zelfbewustheid van de nieuwe tijd, wordt uitgebeeld in de gang van Jozef en Maria van het centrum van de Esseërkolonie in Nazareth, waar het leven op geestelijke grondslag gebaseerd was, naar Bethlehem, om te voldoen aan een bevel van een wereldlijk gezag, dat op aards geweld was gebaseerd.

Door deze inleiding wordt dus door het evangelie vastgelegd, dat de geboorte van het Kindeke Jezus plaatsvond op het tijdstip in de mensheidsontwikkeling waar de mens ten volle zijn weg uit de geestelijke wereld in de stoffelijke wereld had afgelegd en zich had losgemaakt van de directe leiding van de geestelijke machten in zijn aards bestaan. Het tijdstip van de volledige vermaterialisering van de mens was bereikt en de tijd brak aan waarin een nieuwe impuls in de mensheidontwikkeling gebracht moet worden om hem vanuit zijn eigen innerlijk en in zijn volle bewustzijn tot herinnering van het verband met de geestelijke wereld, tot de Vader, terug te voeren. Deze impuls, waardoor de mens van godsdienst tot religie zou komen, op aarde te brengen, was de taak die de Christus-Jezus kwam vervullen.

Jozef wordt in de verhalen gewoonlijk als een zeer eenvoudig man voorgesteld, een kleine timmerman. Als zodanig leefde hij in de Esseërkolonie te Nazareth. De Esseërs waren een geestelijke orde, die in grote eenvoud leefden. De familie van Jozef was echter van zeer hoge afkomst, zoals duidelijk blijkt uit de afstammingstabellen die de evangeliën nadrukkelijk mededelen.
Het Mattheus Evangelie opent met deze reeks in Matth. 1-1-17, welke begint bij Abraham, Isaac en Jacob en over David en Salomo in 42 stappen tot Jezus voert. Het Lucas Evangelie vermeldt de afstammingsreeks in Lucas 111-23-33, beginnende bij God en lopende over Adam, Noach, Abraham, Isaac, Jacob, David, Nathan in 77 stappen tot Jezus. De ene reeks, de Salomonische, omvat vele namen van koningen, die over Israël heersten zolang dit land zijn onafhankelijkheid behield; de andere reeks, de Nathanische, noemt namen van belangrijke figuren uit de Hebreeuwse priesterwereld. De koningen uit de eerste reeks waren wijzen, die beschikten over de mysterie-wijsheid van de oudheid, de priesters uit de tweede reeks kenden de geestelijke leiding die de levensloop van het Joodse volk bepaalde.

Zo gezien is Jozef de drager van de hoogste geestelijke goederen, die het Joodse volk bezat en die het van geslacht op geslacht overgedragen, aangevuld en gezuiverd had. Deze overdracht berustte in hoge mate op eigenschappen, die van vader op zoon overgaan, dus op erfelijkheid. Daarom hechtte het Joodse volk grote waarde aan de zuiverheid van het bloed, want voor hen was het besef ”Ik en de Vader Abraham zijn één” een levend begrip, dat de hoogste waarde van hun geestelijke invloed uitdrukte, immers het voerde hen tot de diepste oorsprong van hun eigen wezen terug.

In Jozef werken dus de krachten van het verleden, die, zoals bij alle gebeurtenissen, de basis gevormd hebben voor het nieuwe gebeuren dat zal gaan plaatsvinden en dat een metamorfose is van hetgeen in het verleden gevormd was. Jozef is de drager van de krachten die het kerstgebeuren voorbereid hebben. Jozef is een oud man, zijn persoon hangt samen met het verleden, oudheid, in tegenstelling tot Maria in wier wezen de toekomstkrachten liggen; zij is jong.

De Essers bereikten door hun levenswijze en hun geestelijke oefeningen een bewustwording van de verbondenheid van het individu in de rij van de geslachten. Zij waren geen losse takken, maar twijgen aan de boom van het geslacht.

Door de kennis die Jozef verkregen had in Esseër-kringen wist hij, dat de Geest die zich als Jahve aan Abraham geopenbaard had, in de loop van 42 generaties een mens, waarin het bloed zuiver gehouden was, zou kunnen doordringen en zich daardoor als mens op aarde zou kunnen openbaren. Dat de tijd van de

komst van de Messias nabij was. was aan de Esseërs bekend, want hun grote leraar, Jeshu ben Pandira, had er op gewezen hoe de rij van 42 generaties sinds Abraham zijn voltooiing naderde, terwijl het bloed in de Esseër- kringen door de bijzondere levenswijze van deze sekte, zeer zuiver gehouden was, zodat te verwachten was dat de Messias in die kringen geboren zou worden.

Later is het de hogere wijsheid van Jozef, hem in droomgezichten geopenbaard, die hem, volgens Mattheus II-I3-15, Maria en haar Kind deed wegvoeren naar Egypte om te ontsnappen aan de woede van Herodes en waardoor het jonge Jezuskind kon opgroeien het land der farao’s, het land van de oude wijsheid van Thot hetgeen voor de vorming van Jezus van het grootste belang geweest, zoals later bij de terugkeer in de Tempel te Jeruzalem bleek.

Ook nadien, toen Jozef met Maria en het Eind Jezus zich te Nazareth vestigden, moet de invloed van Jozef op de verdere ontwikkeling van de knaap Jezus in de Esseër-kringen groot geweest zijn en zal hij daaraan de leiding gegeven hebben, die nodig was voor de voorbereiding van Jezus als drager van de Christus op aarde..

 

Meister Bertram (ca 1345-1414) Rust tijdens de vlucht Hamburger Kunsthalle

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2326

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-10)

.
Vanaf 7 jr. Voorleestijd 28 min.


D. Udo de Haes

De ongelukkige waskaars

In de la van een oud kabinetje werd eens een mooie glanzende waskaars gelegd. Hij was van echte bijenwas gemaakt en daardoor rook hij naar honing en was zo half en half doorzichtig, zoals men dat tegenwoordig haast niet meer ziet. Maar de mooie waskaars kwam hier terecht tussen een hoop oude rommel en waardeloze lorren, die al jaren lang in de la hadden gelegen en die daardoor eigenlijk niet veel bijzonders te vertellen hadden.

Daar was bijvoorbeeld een mager oud vouwbeen dat nooit meer gebruikt werd, een rondachtig stenen voorwerp, dat diende om papieren onder zich te bewaren, een onafgemaakt breiwerkje, waar men niet meer aan dacht, een oude pennenbak met enige penhouders erin, die opzij waren gelegd toen de mensen vulpennen kregen, een paar versleten stoflappen, die men vergeten had weg te gooien en nog enkele meer van zulke dingen.

De waskaars kwam hier als een nieuweling bij en hoewel hij dat zelf natuurlijk niet wist, was hij door de mensen net pas gemaakt. Hij voelde echter wel, dat hij de enige jonge ziel was tussen al deze oudgedienden. Vandaar ook dat het een hele opschudding teweeg bracht toen hij binnen kwam. De pennenbak, de papierbewaarder en het vouwbeen knepen alle drie tegelijk hun neus dicht en spotten en mopperden met elkaar over die rare lucht die daar in de la kwam. Zij konden zich namelijk niets anders meer herinneren dan het muffe luchtje waarin zij zelf al sinds onheuglijke tijden gelegen hadden en alles wat anders rook, vonden zij niet zoals het hoorde. Een enkele keer hadden zij al eens iets te ruiken gekregen, dat zij niet in de haak vonden, zoals bijvoorbeeld een stukje nieuw leer of iets dat van vers hout gemaakt was, maar dat was nog niets, vergeleken bij de zoete honinggeur van deze vreemdeling, die de hele la verontreinigde! Die was gewoonweg niet om uit te houden! Bovendien was dat nog niet het enige! Dat nieuwe ding was daar binnengekomen met een pronkende glans, die de ogen van de oude luidjes eenvoudig verblindde. Nu, daar kon men over denken zoals men wilde, maar voor bejaarde dingen, die wisten hoe men zich te gedragen had, was dat een onhebbelijkheid, die alle perken te buiten ging!

Zo werd dus de jonge lichte waskaars niet bijzonder vriendelijk ontvangen en alle la-bewoners deden even bits en terughoudend tegen hem. Twee dingen alleen deden anders; dat waren een doosje lucifers en een kandelaar. Die waren namelijk de enigen in dit tehuis die wel eens in de buitenwereld kwamen en die wisten, dat daar nog wel wat anders te beleven viel! Zij lagen echter aan de andere kant van de la en daarom konden zij helaas toch niet met de waskaars omgaan. Maar uit de verte hoorde het jonge ding het lucifersdoosje wel eens iets vertellen van „daarbuiten”. Dan meende hij zo iets op te vangen van „licht” dat je zelf in de duisternis kunt maken, van „vuur” dat je in anderen kunt doen ontbranden en van dergelijke wonderlijke dingen meer, die in die grote wereld schenen te gebeuren. Maar het leek wel of er behalve de kandelaar eigenlijk niemand hiernaar luisterde. Ach hoe graag zou de waskaars zijn plaats geruild hebben met een van die onverschillige oude stamgasten die daar bij het lucifersdoosje lagen! Maar van plaats te verwisselen behoorde in de la tot de meest onbetamelijke dingen. Waar je lag daar bleef je liggen en daar viel niet aan te tornen!

Zo lag de jonge onervaren nieuweling hier eenzaam en ongelukkig tussen al die grommende en brommende oude lui en daar zijn glans nergens op hen weerspiegelde en evenals zijn geur overal afgekeurd en bespot werd, begon hij te geloven, dat het werkelijk hele slechte dingen waren, die hij bezat en dat het eigenlijk vreselijk was, dat hij ze om zich heen verspreidde. Daarom probeerde hij voortaan, ze maar zo veel mogelijk bij zich te houden.
Helaas hielp dat niet veel, want hij kon ze toch niet verstoppen en hoe meer hij zijn best deed om net zo dof te zijn en net zo muf te ruiken als de andere dingen, des te meer werd hij bespot en uitgelachen. Ach, er was wel niemand in de la, die zichzelf zo slecht vond en die zich zó ongelukkig voelde als de jonge waskaars!

Eens op een dag was er een grote opschudding in de la. Er had namelijk zo iets als een aardbeving plaats! Waarschijnlijk was er een grote hond tegen het kastje gesprongen, of misschien had iemand het een beetje onvoorzichtig verschoven. Dat was voor de wezens daarbuiten niet veel bijzonders, maar voor de bewoners van de la was dat een aardbeving! Zij werden heen en weer geslingerd en door elkaar geschud en kregen tenslotte een heel andere ligging. Beduusd keken ze rond, toen ze van de eerste schrik bekomen waren . . . Ach, wat zag er alles nu anders uit! Het leek wel een andere wereld! Wat eerst ver af was, was nu dicht bij en waar men zich vroeger zowat aan stootte, was nu onbereikbaar ver geworden. Wat een moeite om nu opnieuw te weten te komen, wat gewoon of wat niet gewoon was en wat goed of slecht gevonden moest worden! Maar daar de duisternis en de muffe lucht dezelfde waren gebleven en daar alle wezens na de schok weer even stil kwamen te liggen als voorheen, waren de nieuwe regels toch weer gauw gevonden. En ziet, het bleek al spoedig, dat die eigenlijk precies dezelfde waren als de oude en dat er niets veranderd was in de wereld van de la. Vóór alles waren alle oude dingen het erover eens, dat de waskaars met zijn glans en zijn geur na de aardbeving even onmogelijk was gebleven als tevoren. Ja, het was nu zelfs nóg erger met hem geworden, want hij glansde meer dan hij ooit had gedaan.

En . . . zij hadden gelijk! Want wat was er gebeurd?

De waskaars was door de schok naar de voorkant van de la geworpen, waar er een kier zat tussen de planken en daar was hij juist voor komen te liggen. Door deze kier kwam een beetje daglicht naar binnen en dat drong in de waskaars. Zo kwam het, dat zijn glans nog was toegenomen.

Foei, foei, wat een verblindend licht en wat een schande in de ogen van die oude lieden!

Maar … de waskaars kon door de kleine kier naar buiten gluren.

En wat zag hij daar? Een heel nieuwe wereld! Een wereld van licht!

En in die lichte wereld waren vreemde wezens; wezens die er heel anders uitzagen dan alle dingen in de la. Zij lagen niet stil, zoals dit onder de deftige la-bewoners de gewoonte was, maar bewogen zich voort op twee lange steunsels die onderaan zaten. Iets hoger aan hun lijf hadden zij twee kleinere uitsteeksels, waarmee zij allerlei konden aanpakken en doen. Het leek zelfs wel, of zij met die uitsteeksels andere dingen konden maken! Dat scheen de waskaars een wonder toe! Zoiets gebeurde in de la nooit! Maar hij zag nog meer: Boven op hun lichaam droegen die wezens een grote bal met allemaal deuken en hobbels en ook met twee spiegeltjes erin. Of waren dat lichtjes? Dat was niet goed te zien, want soms spiegelden zij en soms straalden ze net als de sterren.

Kijk! deze wezens glansden dus wél!, dacht de kaars bij zichzelf. En het scheen wel of zij het ook helemaal niet slecht vonden om te glanzen! Zou hij misschien met hen verwant zijn? Hij voelde zich in elk geval erg tot hen aangetrokken. Maar wat zouden het toch voor wezens zijn? Zouden dit misschien die ,,mensen” zijn, waar in de la wel eens van verteld werd? Er werd erg verschillend over hen gesproken.

De oude voorwerpen konden zich nauwelijks meer iets van de mensen herinneren. Vroeger waren ze wel met hen omgegaan, maar dat was al zo ontzettend lang geleden en tegenwoordig vonden ze hen alleen maar vervelend.

Dat was geen wonder, want die „mensen” waren de enige wezens die telkens hun rust verstoorden. Dat deden zij namelijk door de la open te schuiven, waarbij er een akelig fel licht naar binnen viel en waarbij het gezelschap in de la telkens geheel in de war werd gebracht. Want al was ’t dan nog niet zo’n „aardbeving” als van daareven, toch werd er dan gerommeld en gestommeld, geduwd en gestoten en duurde het een heel lange tijd, voordat de rust was teruggekeerd. Zo werd er over het algemeen niet erg gunstig over die „mensen” geoordeeld. De enigen, die wat goeds van hen wisten te vertellen en die zich min of meer bevriend met hen schenen te voelen, waren weer dezelfde makkers die zich daar nog altijd aan de andere kant van de la bevonden: de kandelaar en het lucifersdoosje. Bij het lucifersdoosje was daar nog een persoonlijke reden voor, want dat licht in de duisternis, waar het van verteld had, kon het namelijk zélf maken. Maar … de mensen moesten hem daarbij helpen. Zonder hen kon hij het niet klaarspelen. De kandelaar echter voelde zich vooral dankbaar, omdat hij alle feesten van de mensen bij mocht wonen en omdat hij hierbij een zeer verantwoordelijke persoonlijkheid was. Daardoor was het ook te begrijpen, dat hij steeds glom van plezier als de la open ging.

Nadat nu de waskaars al deze aardige en minder aardige dingen had horen vertellen, was het niet te verwonderen, dat hij popelde van nieuwsgierigheid om van die mens-wezens meer te weten te komen. Het allerliefst zou hij eens een tijdje in hun wereld willen zijn en zelf beleven of het allemaal waar was, wat er van hen verteld werd. Zouden zij werkelijk alles wat er in iemand was licht kunnen laten geven? Het lucifersdoosje had dat immers zelf verteld! En als zij dat deden, zouden zij dan zijn glans misschien ook niet zo erg slecht vinden?. . . Maar ach, hij was er natuurlijk niet goed genoeg voor om bij hen te zijn. Kijk, daar waren vele dingen om die mensen heen, die precies leken op de oude gezellen in de la. De waskaars zag duidelijk personages, die net zo mager waren als het vouwbeen; anderen waren even dik en zwaarlijvig als de papierbewaarder en weer anderen schenen net zo hol te zijn als het pennenbakje. Maar deze dingen dienden de mensen zeker en dat zou hij vast niet kunnen. Daarom mocht hij natuurlijk niet bij die mensenwezens komen!

Deze droevige gedachte vervulde de waskaars lange tijd . . . Totdat er op een goede dag iets bijzonders gebeurde.

De jonge kaars gluurde als gewoonlijk door het kiertje naar buiten en hij zag de mensen in een grote kring bijeen zitten. Zij waren zoals altijd in de weer met hun bovenste uitsteeksels en het scheen of zij ditmaal bezig waren samen iets te maken. Maar wat zij maakten scheen iets heel merkwaardigs te worden. Midden in de kring op de grond lag er namelijk een hoge stapel takken en groen; „dennengroen” noemden de mensen dat en daaruit vlochten zij een groot rond ding dat zij „krans” noemden. Al vlechtende spraken zij over de winter die voor de deur stond en over een feest dat zij in het begin van de winter wilden vieren. Dat scheen wel een heel bijzonder feest te zijn, want bij alle mensen, de groten en de kleinen, begonnen de spiegeltjes sterker te glanzen wanneer er over dit feest gesproken werd. Eindelijk begon het donker te worden en het werd steeds moeilijker om iets te zien van wat daarbuiten gebeurde. Toen zei een van de mensen: „Laten we onze waskaars eens halen!”. . . En de anderen vielen hem dadelijk bij: „Ja, ja . . . !”

Wat had dat te betekenen? Zou de kaars deze woorden goed verstaan hebben?Waarom moest hij er bij komen? En waarom moest dat juist nu gebeuren, nu er tóch niets meer te zien viel? Ach, hij begreep het al! Omdat hij toch voor niets deugde, wilden de mensen hem maar weggooien! … Nu dan was het dus met zijn leven gedaan!

Het volgende ogenblik kwam er weer een hevige schok. De la werd opengeschoven en een laatste restje daglicht viel naar binnen. De waskaars die met angstige spanning lag te wachten, voelde dat hij opgepakt en meegenomen werd. Waar zou hij terecht komen? Op een hoop afval? Of zou hij misschien begraven worden? Hij bereidde zich op de ergste dingen voor, maar hij had hiertoe niet lang tijd, want het volgende ogenblik voelde hij, dat hij met zijn voeten ergens op neer werd gezet. ,,Dat is de bodem van de kuil!” dacht hij, terwijl het angstzweet hem uitbrak .. . Zonder het zelf te willen en zonder het ook eigenlijk te durven sloeg hij toch even een blik naar beneden . . .

Wat zag hij daar?

O welk een heerlijke geruststelling! Welk een vreugde! Dat had hij niet durven dromen, dat hij daar op stond! Het was niemand anders dan die goede vriendelijke kandelaar, die hem op de schouders droeg! Hoe verdwenen nu plotseling alle angsten als sneeuw voor de zon! De kandelaar was immers zo dikwijls bij de mensen geweest en hij had er nooit anders dan goeds van verteld. Op zijn schouders kon het niet anders dan veilig zijn! Maar zie, daar was er nóg een, die meegekomen was en toen de waskaars hem zag, kende zijn vreugde geen grenzen. Die derde was niemand meer of minder dan het lucifersdoosje! Nu was het de kaars of het helder licht werd in zijn hart!

Maar intussen was het overal om hem heen donker geworden . .. Daar nam een van de mensen het lucifersdoosje op, maakte enkele wonderlijke bewegingen en . . . een lichtje straalde in het rond! Het was dus werkelijk waar: De mensen konden licht maken uit wat iemand daar binnen in zich droeg en zij vonden het goed als iemand zo straalde!

Maar wat gebeurde er nu? Daar kwam de mens die het lichtje had gemaakt bij hem en raakte er de pluim van zijn mutsje mee aan … O wonder! Daar straalde hij met zo’n zelfde lichtje in het rond!

O, nog nooit in zijn leven had de waskaars zich zo gelukkig gevoeld! Hij straalde en straalde maar en verlichtte alle mensen in de kamer! Nu zag hij het. Het was niet omdat hij nergens goed voor was, dat hij eerst niet bij de mensen mocht komen; neen, zij hadden hem juist voor de duisternis bewaard, om die te doorlichten! – Kijk, daar waren de spiegeltjes die hij boven in de mensen ontdekt had ook weer!

Maar wat zag hij daar nu in? Hij zag in alle spiegeltjes een vlammetje wapperen! En onder dat vlammetje zag hij iets lichts. Wat mocht dat zijn? Hij had het gevoel dat dat met hem te maken had, maar hij kon het niet herkennen.

Op een gegeven ogenblik begon het vlammetje dat hij droeg, te flakkeren en . . . daar begonnen de lichtjes in alle spiegeltjes van de mensen óók de flakkeren! Nu begreep de waskaars wat dat was. „Zie”, zei hij, „het is mijn licht dat uit al deze mensen straalt en dat witte daaronder is mijn lijf!”

O welk een heerlijke gedachte! En hoe voelde de waskaars zich hier nu thuis in deze wereld! Werkelijk, dat had hij nooit kunnen dromen: Niemand anders dan hij was hier immers de bron van al het licht en de mensen deden niets anders dan zijn glans weer verder stralen! Steeds gelukkiger voelde zich de waskaars en . . . steeds hoger begon hij van zichzelf te denken …

Totdat hij plotseling een vreselijke ontdekking deed!

In zijn verheerlijkte gevoelens had hij zich in het geheel niet afgevraagd, hoe het zijn vriend, de kandelaar ging die hem zo welwillend op de schouders droeg. Dat viel hem plotseling te binnen en hij gluurde weer eens even naar omlaag. Maar wat hij nu zag was zó verschrikkelijk dat hij van ontsteltenis bijna omlaag was getuimeld.

Wat was dat?

Wel dat was niets meer of niets minder dan dat er een groot stuk van zijn eigen lichaam af was!

O welk een afschuwelijk beleven! – Als het zo doorging, zou hij binnen korte tijd er helemaal niet meer zijn!

De waskaars knetterde en knisterde van angst en zijn vlammetje ging uit. . .

Dat gaf even een verwarring onder de mensen, maar na enig gestommel hadden zij iets anders te voorschijn gehaald en al gauw zag de kaars een nieuw lichtje branden. Het ding dat dat lichtje droeg kende hij niet, maar hij hoorde zo iets zeggen als ,,lamp” en ,,olie” en een andere mens zei: „Jammer dat de waskaars het niet meer doet!” Toen werd hij in de la teruggelegd.

Gelukkig voor hem kwam hij op hetzelfde plaatsje terecht, waar hij het laatst gelegen had, zodat hij opnieuw door de kier naar buiten kon kijken. Anders had hij het daarbinnen zeker niet kunnen uithouden, want nu werd hij dubbel gehoond en bespot. En ach, deze bespottingen troffen hem nog veel dieper dan vroeger, want nu voelde hij dat hij ze verdiende. Waren zijn hoogste wensen zojuist niet vervuld en had hij zelf niet alles bedorven? Maar hoe had hij ook kunnen weten, dat er zo’n een offer van hem verlangd werd? Wie had hem kunnen zeggen, dat hij om zijn geluk te bereiken, zijn eigen leven moest afstaan? Neen, tot dit offer was hij niet in staat!

„Wel”, . . . hoorde hij een honende stem in de la zeggen, „heb je daar bij de mensen willen glanzen met je licht? Dat is je zeker niet gelukt hè? En ben je nu afgedankt? Ja, ja, nu zitten wij weer met je opgescheept! Gelukkig maar, dat je tenminste een beetje kleiner bent geworden! Misschien dat je daardoor iets beter te verdragen bent!”. . . En meer van dergelijke hatelijkheden kreeg hij te slikken.

De waskaars hoorde geduldig al deze opmerkingen aan en tuurde stil naar buiten. Het was immers alles waar, wat die oude lui daar in de la zeiden! Maar wat moest hij beginnen? Hoe kon hij nu zijn eigen aard veranderen? Neen, wat daarbuiten van hem verlangd werd, zou hij nooit kunnen volbrengen! Dus bleef er niets anders over, dan eeuwig hier in de duisternis te liggen en alle bespottingen te doorstaan.

Zwijgend tuurde hij naar buiten.

Daar zag hij het andere lichtje dat de mensen hadden aangestoken en hij zag, hoe ze verder werkten aan de grote groene krans. Ook vele andere mooie dingen maakten zij: voorwerpen die zij verzilverden of verguldden . . . en alles was bestemd voor dat feest waar zij voortdurend over spraken. Nu zag de waskaars ook, welk lichtje op dit ogenblik uit de spiegeltjes van de mensen blonk. Dat was het vlammetje van die lamp! . . . Maar hoe zou het de lamp zelf daarbij vergaan? Zou hij ook zijn lichaam er bij moeten verliezen? Neen, hij scheen er helemaal niet kleiner van te worden . . . Maar kijk, in z’n buik zat er toch iets dat steeds minder werd! Dat moest hij zeker weggeven om te kunnen stralen in de wereld?. . .

De lamp scheen het met plezier te doen. Maar . . . wat die lamp weggaf, had hij van de mensen gekregen! De waskaars had zelf gezien, dat het in zijn buik gegoten werd! Zo iets kon je gemakkelijk afstaan, vooral als je misschien telkens nieuw kreeg. Maar hij, de waskaars, moest om te stralen zichzelf weggeven! Dat was nog heel wat anders!

Stil tuurde en tuurde hij door de kier.

Eindelijk scheen de krans klaar te zijn en de waskaars hoorde hoe een van de grote mensen tegen de kleineren zei: „kinders kom nu eens om mij heen, ik zal jullie eens wat vertellen!”

Nu kwamen alle kleine mensen om die ene grote heen en hij vertelde: „Toen de Lieve God de eerste mensen schiep, waren zij nog zo rein en goed, dat zij overal om zich heen een heldere glans verspreidden. Maar helaas kon het zo niet blijven. Zij werden tot boze dingen verleid en nu was het met hun glans gedaan! Geen sprankeltje licht verspreidden zij meer en ook hun nakomelingen keken duister om zich heen. Dat ging zo duizenden jaren voort, totdat een kind geboren werd, dat hen uit de duisternis verlossen kon. Dit kind was het Godskind. Dat had de glans die van de mensen geweken was, opgevangen en bewaard en toen het op aarde geboren werd, bracht het tezamen met zijn eigen licht, de verloren glans terug. Die legde het de mensen in het hart. Maar zó diep legde het dat licht, dat het van buiten niet te zien was. En zo ligt de glans van het Godskind nu in ieder mensenhart verborgen, zonder dat iemand het ziet.”

,,En kan die glans dan nooit naar buiten stralen?”, vroeg een van de kinderen.

,Ja, telkens als iemand zich iets van het Godskind herinnert, begint die glans een klein beetje naar buiten te komen.”

,,Maar hoe kan iemand zich iets van het Godskind herinneren?” vroeg nu een ander kind.

,,Door een beetje van zichzelf te vergeten,” antwoordde de grote mens, terwijl hij dromend voor zich uitstaarde en het wel leek, of hij zelf niet precies wist wat hij gezegd had.

,,Ja maar,” vroegen nu alle kinderen tegelijk: „wie kan nu zichzelf vergeten?”

„Ja dat is waar,” beaamde de grote mens, die uit zijn overpeinzingen ontwaakte. „Dat kan natuurlijk niemand. Maar ik geloof toch, dat we er allemaal wel iets van kunnen leren. En in elk geval zijn er wezens die ons daarbij helpen doordat zij ons vertonen, hoe je werkelijk kunt stralen door jezelf te vergeten.”

„Wat zijn dat dan voor . . .”

Verder luisterde de waskaars niet. Hij had zijn besluit genomen.

Hij rolde en wentelde, zonder zich iets te bekommeren om de regels in de la, net zo lang tot hij vlak bij de kandelaar en het lucifersdoosje kwam te liggen. Toen wachtte hij geduldig af wat er gebeuren zou. De volgende dag, toen weer alle mensen en kinderen verzameld waren om de krans, hoorde hij een van de groteren zeggen: „Kom, nu steken we weer een lampje aan en gaan bij de krans zingen!”

Toen werd de la opengeschoven en een van de mensen greep naar het lucifersdoosje. Maar nu gebeurde het, wat de waskaars had gehoopt. De mens die het lucifersdoosje opnam, zei: „Kijk, daar ligt de kaars ook! Laten we het nog eens met hem proberen. Het licht van een waskaars is toch verreweg het mooiste!”

Toen werd de kaars uit de la genomen en op de groene krans gezet en de kinderen kwamen in een kring er omheen staan. De grote mens stak hem opnieuw aan en toen hij zijn licht in het rond liet stralen, zongen de kinderen met heldere stemmen:

Daar is een kindeke geboren op aard . . .

Opnieuw zag de waskaars hoe zijn eigen vlammetje weerkaatste in de spiegeltjes van de kinderen. Maar hij zag ook, dat er uit hun gezichten een nog veel grotere glans begon te blinken. Nu begreep hij, welk groot licht dit was en hij begreep ook, dat hij uit alle kleine vlammetjes uitverkoren was om mee te mogen helpen, dat veel grotere licht in de kinderen wakker te maken. Toen bedacht hij zich geen ogenblik meer en hij straalde en straalde, totdat het laatste restje van zijn lichaam was opgebrand.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2324

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-9)

.

Vanaf 7jr. Voorleestijd 35 min.
.

Leo Tolstoi

.

Waar liefde is daar is ook God

Er leefde ergens in een stad een schoenmaker, die Martyn Awdeitsch heette. Hij woonde in een kelderkamer met één raam, dat uitkeek op de straat. Door dat raam kon je de mensen voorbij zien komen. Eigenlijk zag je alleen maar de voeten, maar Martyn Awdeitsch herkende alle mensen aan hun schoenen. Hij woonde daar al lang, en er waren er dus heel wat die hij kende. Haast alle schoenen in de buurt waren een- of tweemaal door zijn handen gegaan. Hele rissen had hij opgeknapt, of van zolen en hakken voorzien en hij had ook de nodige nieuwe laarzenschachten aangezet. Vaak keek hij onder het werken door uit het raam. Hij had het druk, omdat hij behoorlijk werk leverde, niet te veel vroeg en zich altijd aan zijn afspraken hield. Kon hij de schoenen binnen de verlangde tijd klaar krijgen, dan nam hij de opdracht aan, zo niet, dan zei hij het van te voren, want hij wilde niemand teleurstellen. Zodoende wist iedereen wie Awdeitsch was, en hij zat geen ogenblik zonder werk.

Awdeitsch was zijn hele leven een goed mens geweest. Toen hij oud begon te worden ging hij nog meer aan zijn ziel en aan God denken.

Martyn had toen hij nog als gezel bij een baas werkte zijn vrouw al verloren. Hij was toen met een jongetje van drie achter gebleven. Ze hadden nog meer kinderen gehad, maar die waren allemaal heel jong gestorven. Eerst wilde Martyn het ventje naar het dorp bij zijn zuster brengen, maar toen was hij met het kind begaan en dacht: “Mijn Kapitoschka kon het in een vreemde omgeving weleens heel moeilijk krijgen; ik houd hem toch maar liever bij me.”

Awdeitsch ging bij zijn baas weg en betrok met zijn zoontje een woning. Maar hij had geen geluk met zijn kinderen. Nauwelijks was de jongen op een leeftijd gekomen dat hij zijn vader kon helpen en deze het leven verlichten, of hij werd ziek en moest het bed houden. Een week lang had hij zware koorts, toen stierf hij. Martyn bracht zijn jongen naar het kerkhof en was zo wanhopig dat hij begon te morren en tegen God in opstand kwam. Hij werd zo door zijn verdriet overmand, dat hij God meer dan eens bad om ook hem te laten sterven, en Hem verweet dat Hij niet hem zelf, maar zijn enige zoon en oogappel tot zich had genomen. Ook ging hij niet langer naar de kerk.

Op een dag, kort na Pinksteren, kwam er een boer bij Awdeitsch op bezoek. Het was een grijsaard die al acht jaar aan het zwerven was. Awdeitsch raakte met hem in gesprek en begon zijn nood te klagen: “Ik heb geen zin meer om verder te leven en ging net zo lief dood. Ik bid God alleen nog maar om me te laten sterven. Ik heb niets meer te verwachten.” Maar de grijsaard antwoordde hem: “Je redeneert niet goed, Martyn, wij kunnen over Gods daden niet oordelen. De wereld wordt niet door ons verstand, maar door het inzicht van God geregeerd. God besloot dat je zoon moest sterven, maar dat jij moet blijven leven. Dus moet dat wel beter zijn. Maar als jij wanhoopt, dan komt dat doordat je alleen voor je genoegen wilt leven.”
“En waar moet ik dan voor leven?” vroeg Martyn. De grijsaard antwoordde: “Men moet leven om wille van God, Martyn. Hij heeft je het leven geschonken, dus moet je ook alleen voor Hem leven. Maar als je eenmaal leeft voor Hem, zul je niet meer treurig zijn, en alles zal je gemakkelijk schijnen.”
Martyn zweeg even, en zei toen: “Hoe kun je dan voor God leven?”
De grijsaard antwoordde: “Hoe je voor God moet leven heeft Christus ons geleerd. Kun je lezen? Koop dan het evangelie, en je zult ontdekken hoe je voor God kunt leven. Daarin staat alles geschreven.”

Zijn woorden schoten wortel in het hart van Awdeitsch, en nog die zelfde dag kocht hij een nieuw testament, met grote letters gedrukt, en begon te lezen.
Eerst nam Awdeitsch zich voor om alleen op de feestdagen te lezen, maar zodra hij met lezen begon werd het hem zo licht om het hart, dat hij er van toen af aan dag in dag uit in las. Soms was hij er zozeer in verdiept, dat de olie in de lamp geheel opraakte. Hij kon zich eenvoudig niet van het boek losmaken.
Zo las Awdeitsch dan iedere avond in het evangelie, en hoe langer hij erin las, hoe beter hij begon te begrijpen wat God van hem verlangde en hoe je voor God leven moest, en het werd hem steeds lichter om het hart. Voordien was het vaak gebeurd dat hij zuchtend en steunend naar bed ging, en al maar aan zijn zoontje dacht, nu sprak hij steeds vaker: “Geloofd zijt Gij, o Heer! Uw wil geschiede!”

Allengs veranderde Awdeitsch zijn hele levenswijze.
Vroeger ging hij op de feestdagen naar de herberg om thee te drinken, maar de brandewijn versmaadde hij ook niet. Had hij samen met een goede bekende gegeten en gedronken, dan verliet hij de herberg weliswaar niet zwaar dronken, maar toch lichtelijk beneveld, en kletste allerlei onzin, riep sommige voorbijgangers aan en schold andere uit, maar nu was dat allemaal afgelopen. Zijn leven werd rustig en vol vreugde, ’s Morgens zette hij zich aan zijn werk, en was de dagtaak volbracht, dan nam hij zijn lampje van de haak, zette het op tafel, haalde het boek van de plank, sloeg het open en begon te lezen. En hoe langer hij las, hoe beter hij begon te begrijpen, en dan werd het hem steeds blijder te moede.
Op een keer las Martyn tot diep in de nacht door. Hij las in het evangelie van Lucas, en was gekomen tot hoofdstuk 6, en daarvan het vers: – Zo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; en neemt iemand uw mantel af, laat hem dan ook het hemd. Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo. –
En verder las hij de verzen waarin de Heer zegt:
– Wat noemt gij mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het bouwen van een huis diep gegraven heeft en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen het huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond in en het huis werd één grote bouwval. –

Toen Awdeitsch deze woorden had gelezen, was hij blij gestemd. Hij zette zijn bril af, legde die op het boek, steunde zijn hoofd op zijn hand en verzonk in gepeins. Hij begon zijn leven te toetsen aan wat hij zoëven had gelezen: “Hoe is eigenlijk mijn huis gebouwd, op een rots of op zand? Is het op een rots, dan is het goed. Als ik zo met mij zelf alleen ben, dan doe ik wel in alles naar Gods gebod: zoek ik verstrooiing dan maak ik me onverhoeds toch ergens aan schuldig. Ik wil dus mijn uiterste best doen. Moge God mij helpen.”

Zo dacht Awdeitsch en wilde al gaan slapen, maar hij kon er niet goed toe komen het boek opzij te leggen, en zo begon hij toch aan het zevende hoofdstuk. Hij las het verhaal van de hoofdman, van de zoon der weduwe, van het antwoord dat Christus Johannes de Dopers discipelen gaf, en kwam bij het gedeelte waar verteld wordt hoe de rijke Farizeeër Christus bij zich thuis nodigde; en verder las hij nog hoe de zondares de voeten van de Heer waste met haar tranen, en hoe Hij haar zonden vergaf. Dan kwam hij aan het vierenveertigste vers en hij las:

– En Hij wendde zich tot de vrouw en sprak tot Simon: “Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnen gekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd.” Awdeitsch las deze verzen en dacht na over de woorden: … Hij heeft Hem geen water voor zijn voeten en geen kus gegeven, noch zijn hoofd met olie gezalfd.

Weer zette Awdeitsch zijn bril af, legde hem op het boek en ging zitten nadenken. “Hij leek op mij, deze Farizeeër, en dacht alleen aan zichzelf; als iemand alleen maar thee gaat drinken en het warm en gezellig heeft, en het komt niet bij hem op aan de gast te denken – want dat was het, hij zorgde alleen maar voor zichzelf, maar niet voor de gast. Maar Wie was die gast? De Heer zelf. Als Hij bij mij was gekomen, zou ik dan ook zo gehandeld hebben?”
Awdeitsch leunde met het hoofd op beide handen en merkte niet, dat hij in slaap sukkelde.

“Martyn,” hoorde hij opeens iemand aan zijn oor fluisteren. Martyn schrok op uit zijn slaap: – “Wie is daar?” Hij keerde zich om naar de deur, maar kon daar niemand ontdekken. Weer sliep hij in, maar eensklaps hoorde hij heel duidelijk de woorden: “Hoor je mij, Martyn? Kijk morgen door het venster uit op de straat. Ik kom.”
Martyn werd wakker, stond op van zijn stoel en wreef zich de ogen uit. Hij wist het zelf niet: had hij deze woorden in zijn droom gehoord of terwijl hij wakker was? Hij deed de lamp uit en ging naar bed.
De volgende morgen stond Awdeitsch al voor het begon te dagen op, zei zijn morgengebed, maakte de kachel aan, zette pap en koolsoep op, wakkerde de samowar aan, deed zijn voorschoot voor en ging voor het raam zitten werken. Hij zat daar te werken en telkens moest hij weer denken aan wat hem de vorige dag was overkomen. Hij wist niet wat hij ervan denken moest: nu eens hield hij het voor een zinsbegoocheling, dan weer scheen het hem toe, dat hij die stem werkelijk gehoord had.
“Nu ja, alles is mogelijk,” dacht hij.
Martyn zat voor het raam maar werken deed hij eigenlijk niet. Hij zat meer uit het raam te kijken. Ging er iemand voorbij van wie hij de laarzen niet kende, dan boog hij zich voorover en probeerde het gezicht van de voorbijganger te zien. Eerst ging de portier op zijn nieuwe viltpantoflels voorbij, toen de waterdrager, en daarna verscheen een oudgediende, die al onder Nikolaas I uit de dienst was ontslagen, met oude vilten laarzen aan en een schop in zijn handen, voor het venster.
Aan die laarzen herkende Awdeitsch hem. De oude man heette Stepanytsch en woonde bij de buurman van Awdeitsch, een koopman, die de oude soldaat uit medelijden onderdak verschafte, in ruil waarvoor deze allerlei klusjes moest opknappen voor de portier. Stepanytsch begon voor Awdeitsch’ raam sneeuw te ruimen, en Awdeitsch keek naar hem omhoog, en hervatte toen zijn werk maar weer.
“De oude dag heeft me wel erg onnozel gemaakt,” dacht Awdeitsch en moest een beetje glimlachen om zichzelf. “Daar heb je Stepanytsch, die sneeuw komt scheppen, en ik denk dat het Christus is die bij me op bezoek komt. Die oude kop van me wil niet zo best meer.” Hij deed nog tien steken, maar toen moest hij toch weer uit het raam kijken. Daar zag hij hoe Stepanytsch de schop tegen de muur had gezet, en in de zon stond uit te rusten.
Hij was oud en gebrekkig en zo te zien eigenlijk niet sterk genoeg meer om sneeuw te ruimen. Toen dacht Awdeitsch: “Zou ik hem een glas thee aanbieden? De samowar zingt al.”
Awdeitsch stak de naald in het leer, stond op, plaatste de samowar op tafel, zette thee en tikte op de ruit. Stepanytsch draaide zich om en kwam naar het raam.
“Kom toch binnen in de warmte,” zei hij. “Je bent geloof ik koud tot op het merg, is ’t niet?”

“De Heer sta ons bij, o, wat doen me de botten pijn,” antwoordde Stepanytsch. Hij kwam binnen, schudde de sneeuw van zijn jas, veegde zijn voeten, om de vloer niet vuil te maken. Hij kon haast niet meer op zijn benen staan.

“Doe geen moeite, ik maak de boel straks wel schoon. Kom, ga hier maar zitten,” zei Awdeitsch, “en drink een glas thee.”

Awdeitsch schonk twee glazen in, schoof zijn gast er eentje toe, goot uit het andere een scheut in zijn schoteltje en begon te blazen. Stepanytsch dronk zijn glas leeg, draaide het om, legde de rest van de suikerklont, waar hij een stukje had afgebeten, erop, en bedankte. Maar je kon best zien dat hij nog wel wat gelust had.

“Toe drink nog een glas,” zei Awdeitsch, en schonk voor zichzelf en zijn gast thee in. Hij dronk zijn thee, maar keek ondertussen telkens weer op straat.

“Verwacht je iemand?” vroeg de gast.

“Of ik iemand verwacht. Ik schaam me bijna om te zeggen wie ik verwacht. Ik wacht en ik wacht eigenlijk ook weer niet; er is een woord in mijn hoofd blijven hangen en dat wil me niet meer uit de zin. Of het een droom is geweest of iets anders, weet ik eigenlijk zelf niet. Zie je, vrindje, ik heb gisteren in het evangelie gelezen over Vadertje Christus, hoe Hij hier op aarde wandelde en veel smart heeft ondergaan. Daar heb je zeker wel van gehoord, niet?”

“Ervan gehoord heb ik wel,” antwoordde Stepanytsch, “maar ik heb geen opvoeding gehad en ik kan zelfs niet lezen.”

“Nu dan, ik heb gelezen hoe Hij op aarde wandelde en hoe Hij bij die Farizeeër kwam, die hem niet op een behoorlijke manier ontving. Terwijl ik dat zo zat te lezen dacht ik: hoe kon hij Vadertje Christus nu niet op een behoorlijke manier tegemoet treden! Als ik het geweest was, of iemand anders, ik had niet geweten wat ik doen moest om Hem goed te ontvangen. Zo zat ik bij mezelf te denken, en toen ben ik in slaap gevallen. En toen ik in slaap was gevallen, toen hoorde ik ineens, hoe iemand me bij mijn naam riep. Ik word wakker, en ik hoor een stem die me als het ware toefluistert: ‘Verwacht mij, morgen kom ik.’ Dat heeft zich twee keer herhaald. En van toen af aan, dat kun je geloven of niet, wil het me niet meer uit de zin. Ik loop mezelf uit te schelden, maar toch wacht ik op Hem.”

Stepanytsch schudde het hoofd en antwoordde niet, maar dronk zijn glas thee leeg en draaide het om; doch Awdeitsch zette het weer overeind en schonk opnieuw in.

“Drink op en laat het je goed gaan!” – Ik denk, dat toen Hij op aarde wandelde, er niemand was op wie Hij neerkeek, en dat Hij meest met eenvoudige mensen verkeerde. Mensen zoals jij en ik, en zijn discipelen wierf Hij ook onder het werkende volk, dat even zondig was als wij. Wie zich verhoogt, zei Hij, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, die zal verhoogd worden. Gij noemt mij Here, zei Hij, maar Ik zal u de voeten wassen. Wie de eerste wil zijn, sprak Hij, die zal aller dienaar zijn. Want zalig, zei Hij, zijn de armen, de nederigen en de zachtmoedigen.”

Stepanytsch had helemaal zijn thee vergeten. Stepanytsch was oud en licht geroerd. Hij zat daar te luisteren, en een paar tranen liepen over zijn gezicht.

“Kom, drink toch,” zei Awdeitsch.

Maar Stepanytsch sloeg een kruis, bedankte, schoof zijn glas opzij en stond op. “Ik dank je, Martyn Awdeitsch,” zei hij, “je hebt me als een gast ontvangen en mijn lichaam en ziel verkwikt.”

“Je moet maar gauw terugkomen, ik ben blij je te gast te hebben,” antwoordde Awdeitsch.

Stepanytsch ging heen, en Awdeitsch goot de rest van de thee uit de samowar in zijn glas, dronk het uit, ruimde de theeboel op en ging weer voor het raam zitten – om hakken te maken. Maar weer keek hij telkens het raam uit, want hij wachtte op Christus en dacht al maar aan Hem en zijn daden, en menig woord van Christus wilde hem niet uit de zin.

Toen gingen er twee soldaten voorbij; de een droeg een paar dienstlaarzen, de ander had zijn eigen laarzen aan; toen kwam de kastelein van naastaan voorbij, in mooie gummilaarzen, en daarna de bakker met een mand. Die waren allemaal voorbij, en toen kwam er een vrouw, met wollen kousen aan en gewone schoenen. Ze liep het raam voorbij en bleef toen tegen de muur staan. Awdeitsch keek uit zijn raam en zag dat het een vreemde vrouw was, met armoedige kleren aan en ze droeg een kind op haar arm. Ze leunde zo tegen de muur dat haar rug naar de wind gekeerd was, en wikkelde het kind in, maar ze had niets waarmee ze het behoorlijk kon toedekken. Ze droeg zomerkleren, maar ook die waren zeer gebrekkig. Zelfs door het dubbele raam heen kon Awdeitsch horen hoe het kind huilde en de vrouw het vergeefs toesprak.
Daar stond Awdeitsch op en riep luid:

“Beste vrouw, hoor eens even!”
De vrouw hoorde een stem en keerde zich om.
“Wat sta je daar toch met je kind in de kou? Kom toch in mijn kamer, daar is het warm, daar kun je veel beter wachten.”

De vrouw was erg verbaasd. Ze zag een oude man met een voorschoot en met een bril op zijn neus, die haar bij zich riep. Ze volgde hem. Ze gingen het trapje af en traden de kamer binnen. De oude man bracht de vrouw bij zijn bed. “Ga hier zitten, dichter bij de kachel – hier kun je goed warm worden en je kindje voeden.”

“Ik heb geen melk in mijn borsten, sinds vanmorgen heb ik niets meer gegeten,” zei de vrouw, maar legde niettemin het kind aan de borst. Awdeitsch schudde het hoofd, ging naar de tafel toe, haalde brood te voorschijn en een kom, maakte de ovenklep open en goot koolsoep in de kom. Toen haalde hij de pot met brij voor de dag, maar de brij was nog niet klaar, daarom zette hij alleen de koolsoep op tafel. Toen pakte hij het brood, haalde een handdoek van het rekje en legde die op de tafel.

“Ga maar aan tafel, jonge vrouw,” zei hij, “en eet, dan ga ik zo lang bij de kleine zitten. Ik heb vroeger ook kinderen gehad, dus ik weet hoe je er op passen moet.”
De vrouw sloeg een kruis, zette zich aan de tafel en begon te eten. Hij probeerde, om het kind te vermaken, met zijn lippen te klappen maar dat lukte niet erg, want hij had geen tanden meer. Het kind huilde maar door. Toen bedacht Awdeitsch wat anders. Hij bewoog zijn vinger voor het gezichtje van het kind heen en weer, bracht hem naar de mond van de kleine en trok dan hem meteen weer terug. Hij stopte zijn vinger niet in de mond, omdat die met pek besmeurd was en helemaal zwart. Het kind staarde naar de vinger en werd stil; toen begon het te lachen. Dat vond Awdeitsch leuk. De vrouw zat inmiddels te eten, en vertelde wie zij was, en waar ze vandaan kwam.

“Ik ben een soldatenvrouw, mijn man hebben ze acht maanden geleden heel ver weg gestuurd, en ik heb geen bericht meer van hem gehad. Ik had een betrekking als keukenmeid gehad, en daar ben ik toen heen gegaan. Maar met het kind wilden ze me niet hebben, en nu ben ik al drie maanden zonder betrekking. Alles wat ik had heb ik opgemaakt, ik wilde me als min verhuren, maar niemand wilde me nemen. Ze zeggen dat ik te mager ben. Ik ben zopas bij een koopmansvrouw geweest, die een vrouw uit ons dorp in huis heeft, en daar hadden ze me een betrekking beloofd. Ik dacht dat ik daar meteen beginnen kon, maar nu zeiden ze, dat ik pas over een week hoefde te komen. Het was een heel eind van mij vandaan, en ik ben doodmoe geworden van het lopen en ook mijn lieve kleine is er heel slecht aan toe. God zij geloofd en gedankt dat mijn kostjuffrouw een christenvrouw is, nog medelijden heeft, en ons bij zich laat wonen. Anders wist ik helemaal niet hoe ik verder moest leven.”

Awdeitsch zuchtte en zei: “Je hebt zeker geen warme kleding?”

“Hoe zou ik aan warme kleding moeten komen, goede man, gisteren heb ik mijn laatste omslagdoek voor twintig kopeken beleend.”
De vrouw ging naar het bed toe en nam het kind op, maar Awdeitsch kwam overeind, liep naar de muur en na wat gestommel kwam hij terug met een oude borstrok. “Neem dit maar, ’t is wel een oude, maar je kunt het kind erin wikkelen.” De vrouw keek naar de borstrok en toen naar de oude man en begon te schreien. Awdeitsch wendde zich af; hij kroop onder het bed, haalde een kleine kist te voorschijn, zocht daar iets in en ging weer tegenover de vrouw zitten. De vrouw zei: “Christus moge je helpen, grootvadertje.
Hij moet het ook wel geweest zijn die me voor jouw venster heeft gebracht. Het kind was anders zeker bevroren. Toen ik van huis wegging was het vrij warm, maar nu vriest het buiten verschrikkelijk hard. En God heeft je ingegeven dat je uit het raam moest kijken, om je over een ongelukkige te ontfermen.” Bij deze woorden glimlachte Awdeitsch en zei: “Heel juist. Hij heeft het mij ingegeven. Niet voor niets heb ik uit het raam gekeken.”

Hierop vertelde Martyn de soldatenvrouw van zijn droom en van de stem die hem voor vandaag Gods verschijning had aangekondigd. “Alles is mogelijk,” antwoordde de vrouw, stond op, deed de borstrok om bij wijze van omslagdoek en wikkelde het kind erin. “Neem dit, om Christus’ wil,” zei Awdeitsch, overhandigde haar een twintigkopekenstuk en zei dat ze daarmee de doek moest inlossen. De vrouw sloeg een kruis, Awdeitsch deed hetzelfde en begeleidde haar naar buiten.

De vrouw was weg. Awdeitsch at de koolsoep op, ruimde de tafel af en zette zich weer aan de arbeid. Onder het werk dacht hij niettemin voortdurend aan het venster, iedere keer als de ruit verduisterd werd keek hij op om te zien wie er langs ging. Er kwamen veel vreemden en bekenden voorbij, maar geen enkele bijzondere persoonlijkheid.

Daar zag Awdeitsch, hoe recht tegenover zijn raam een oude koopvrouw bleef staan, die een mand met appels droeg. Er zaten niet veel appels in de mand, de vrouw had ze zeker bijna allemaal al verkocht. Op haar schouder had zij echter een zak met houtspaanders. Die had ze zeker bij een bouwterrein verzameld en nu ging ze naar huis. Maar de zak drukte wel erg zwaar op haar schouder. Ze wilde hem op de andere schouder doen, zette hem op de grond en de appelmand op een schamppaal en begon de zak met spaanders te schudden. Ondertussen dook plotseling een jongen met een gescheurde pet op, greep een appel en wilde ermee vandoor gaan, maar de oude vrouw had het gemerkt, draaide zich om en greep het ventje bij zijn arm. De jongen begon van zich af te slaan en wilde zich bevrijden, maar het ouwetje had hem met twee handen beet, sloeg hem zijn pet van het hoofd en pakte hem bij zijn haren. De jongen schreeuwde en de vrouw schold. Awdeitsch had nauwelijks tijd om de naald in het leer te steken, hij gooide hem daarom op de grond en liep zo snel hij kon de trap op, zodat hij zelfs struikelde en zijn bril verloor. Zo kwam hij de straat op gehold; het oude mens rukte de jongen aan zijn haar, schold hem hevig uit en dreigde hem aan een agent te geven. De jongen sloeg om zich heen en ontkende dat hij iets ergs had gedaan:

“Ik heb niks gepakt,” betuigde hij, “waarom moet je me dan slaan, laat me toch los!”
Awdeitsch stond aan allebei te trekken en te plukken om ze van elkaar te scheiden, pakte de jongen bij de hand en zei:
“Laat nou los, grootmoedertje, vergeef het hem toch!”

“Ik zal het hem zo vergeven dat hij het tot het volgende pak slaag niet meer vergeet! Ik zal die schoft aan de politie overgeven!”

Nu begon Awdeitsch de oude vrouw gemoedelijk toe te spreken: “Laat hem toch lopen, grootmoedertje, hij zal het heus niet meer doen. Laat hem vrij om Christus’ wil!”
De vrouw liet de jongen vrij, hij wilde weglopen, maar Awdeitsch hield hem vast.
“Je moet grootmoedertje eerst om vergeving vragen. En doe het niet weer. Ik heb gezien dat je de appel weggepakt hebt.”

De jongen barstte in tranen uit en begon de oude vrouw vergiffenis te vragen.
“Zo is het goed. En hier heb je een appel.”

Awdeitsch nam een appel uit de mand en stak hem de jongen toe.-“Ik zal hem betalen, grootmoedertje, ”zei hij daarbij tot de oude vrouw.

“Je verwent die lummel,” zei de oude. “Hij moest er zo van langs krijgen dat hij het een weeklang voelt.”

“Och grootmoedertje!” zei Awdeitsch, “dat denken wij misschien, maar naar Gods gebod is het heel anders. Als hij al slaag verdient om een appel, wat verdienen wij dan wel, want wij zijn toch veel grotere zondaars.”

De oude vrouw verstomde.
En Awdeitsch vertelde de oude vrouw de geschiedenis van de Heer die zijn knecht een grote schuld kwijtschold, waarop deze heenging en zijn eigen schuldenaren begon aan te manen. De oude koopvrouw hoorde de geschiedenis aan en ook de jongen bleef staan luisteren. “God heeft ons opgedragen de anderen te vergeven,” zei Awdeitsch, “anders zullen wij ook niet vergeven worden.”

De vrouw schudde het hoofd en zuchtte. “Dat is wel zo,” zei ze, “maar de jeugd is veel te brutaal geworden.”

“Dan moeten wij ouderen hen juist beter voorgaan,” antwoordde Awdeitsch.

“Dat zeg ik ook,” antwoordde de vrouw. “Ik heb zelf zeven kinderen gehad, maar ik heb alleen een dochter overgehouden.”

En zij begon te vertellen waar ze woonde, hoe ze bij de dochter in huis was en hoeveel kleinkinderen ze had. “Ik ben helemaal niet sterk meer, maar ik blijf werken. Mijn kleinkinderen verdragen mij, ze zijn ook erg aardig; niemand doet tegen mij zoals jij. De kleine Aksjutka is niet bij me weg te slaan; ’t is de hele tijd: grootmoedertje, aller-, allerliefste grootmoedertje …” De oude vrouw was helemaal ontroerd.
“Zo zijn kinderen nu eenmaal. Nou, laat hem dan maar lopen,” voegde zij eraan toe, met een blik op de jongen.

De oude vrouw wilde de zak weer op haar rug laden, maar nu sprong de jongen toe en zei: “Laat mij hem dragen, grootmoedertje, ik moet toch dezelfde kan uit.”
Het mensje schudde het hoofd en tilde de zak op de jongen zijn rug. Zo liepen ze samen de straat uit. Het vrouwtje had zelfs vergeten Awdeitsch geld voor de appel te vragen. Awdeitsch stond de twee na te kijken en hoorde hoe druk ze met elkaar praatten.

Toen keerde hij terug naar zijn kamer, vond in het voorbijgaan op de trap zijn bril, die niet eens gebroken was, raapte de naald op en zette zich opnieuw aan het werk. Hij werkte nog een poos door, maar toen wilde het niet meer vlotten, omdat het al donker was geworden en hij zag zelfs de lantaarnopsteker al langs komen, om de lantaarns aan te steken. “Ik zal wel licht moeten maken,” dacht hij. Hij stak de lamp aan, hing hem aan de haak en ging weer aan de slag. Hij repareerde nog één laars, draaide hem om en om en bekeek hem nauwgezet – het was goed werk.
Awdeitsch legde zijn gereedschap bij elkaar, ruimde het afval op, borg de borstels en de naalden weg, zette de lamp op tafel, en nam het evangelie van de boekenplank. Hij wilde het boek op dezelfde plaats openslaan waar hij de vorige dag een stukje marokijn erin had gestoken bij wijze van bladwijzer, maar toevallig sloeg hij het op een andere plaats op. Terwijl hij het boek opensloeg schoot hem alweer het gebeurde van de vorige avond te binnen. Nauwelijks kwam de gedachte in hem op, of het leek of vlak bij hem iemand bewoog, of er iemand met een heel lichte tred achter hem langs ging. Awdeitsch keerde zich om, en het scheen hem toe of er verscheidene mensen in de donkere hoek van de kamer stonden, maar hij kon ze niet goed onderscheiden. Daar fluisterde een stem hem in het oor:

“Martyn, Martyn, heb je mij dan niet herkend?”
“Wie?” zei Martyn.
“Mij,” zei de stem.
“Ik ben het.”
En uit de donkere hoek kwam Stepanytsch te voorschijn, glimlachte, veranderde in een wolkje en verdween…
“En dit ben ik,” sprak een andere stem.
En uit de donkere hoek trad de vrouw met het kind naar voren. Zij glimlachte, ook het kind lachte, en toen verdwenen zij.
“En hier ben ik,” zei een derde stem, en daar stonden het oude vrouwtje en de jongen met de appel, en allebei glimlachten zij en verdwenen eveneens.

Awdeitsch voelde zijn hart zwellen van vreugde. Hij sloeg een kruis, zette zijn bril op en begon in het evangelie te lezen, daar waar hij het tevoren toevallig had opengeslagen. En bovenaan de bladzijde las hij de woorden: “Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest. ..”

Onderaan dezelfde bladzijde las Awdeitsch:

“… in zoverre gij dit aan één van dezer minsten hebt gedaan, hebt gij het ook aan Mij gedaan.” (Mattheüs 25).
En toen begreep Awdeitsch, dat de droom geen bedrog was geweest, maar dat de Heer hem deze dag werkelijk had bezocht en dat hij Hem in zijn huis had ontvangen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2323


VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-8)

.

Vanaf 12 jr. Voorleestijd 20 min.

.

Lichte sneeuwval, windstil weer

.

Toen hij de kerk uitkwam leek het of het klokgelui werd gesmoord in een gordijn van watten. De sneeuw viel in dichte, warrelende vlokken. Een jonge hond dolde uitgelaten heen en weer, kinderen lachten om een slee, hij hoorde de stemmen van de mensen die afscheid namen van de dominee: prettige feestdagen, vrolijk kerstfeest – wat je dan zoal zegt. Zelf had hij geen afscheid genomen, de dominee was geen vriend van hem. (Wie eigenlijk wel?) Door de sluier van sneeuw drong flauw het maanlicht, een waterig schijnsel; de contouren van de dorpsstraat, waarin de spaarzame lantarens door dansende vlokken omgeven waren, vielen nauwelijks te onderscheiden, de huizen aan het eind waren van hieruit niet te zien.
Hij had erop gerekend, op zijn leeftijd kon je dat verwachten, dat de gang naar huis terug hem moeilijk zou vallen, maar hij was toch gekomen.
De stemmen kwamen dichterbij, hij trok zijn das wat dichter om zijn hals, greep zijn wandelstok stevig beet en begaf zich op weg. De sneeuw lag al tamelijk dik, zoveel was er in jaren niet gevallen. Hij moest lang in de kerk hebben gezeten, maar het had hem toch niet lang geleken, hoewel de dominee even lang van stof was geweest als anders en weer te veel literatuur en kunstgeschiedenis in zijn preek had ingelast. Dat had hem jaar en dag het kerkbezoek tegen gemaakt, en ook de uitvallen nu en dan tegen het katholicisme, die hij blijkbaar niet achterwege kon laten. Als je lang in romaanse landen had gewoond, kon je dat moeilijk verdragen. Geen slechte prediker, de dominee, maar een ijveraar, je zou bijna zeggen, een beetje een fanaticus. Waarom was hij dan deze keer toch gegaan? Om de kerstboodschap, om de oude koralen, om zijn kindergeloof te horen bevestigen of om de kerstbomen en de oude boerenkribben met hun houtsneewerk te zien? Maar de kerk stond daar niet vanwege de dominee, en wie was hij, zo’n oude, eenzame, door ervaringen geteisterde man, dat hij over hem zou mogen oordelen?
Hij had te hard gelopen, om maar van de mensen weg te komen, met wie hij geen enkele band had, en ook niet hebben wilde. Ze mochten hem gerust voor zonderling en ouwe gek uitschelden.
Hij moest even stil blijven staan om adem te scheppen. Zijn leeftijd deed zich weer eens voelen. De kou kroop in zijn benen omhoog, zijn handen begonnen gevoelloos te worden, altijd vergat hij wat: hij had zijn overschoenen aan moeten doen.

De stemmen waren nu niet meer te horen, hij was de dorpsstraat uit, waar nu achter stijf dichtgetrokken gordijnen de kaarsen werden aangestoken; het vertrouwde voetpad naar de bosrand waar zijn huis tegenaan stond, was nog maar net te onderscheiden. Het buitenlicht brandde, maar de haard zou wel uit zijn gegaan, en hij had vergeten de tuindeur op slot te doen. Hij had geen kerstboom, met kaarsjes om aan te steken. Hij zou niet weten voor wie. Wat was het stil, geen zuchtje wind, en de sneeuw bleef zachtjes vallen. De sneeuw moest begonnen zijn te vallen toen hij al in de kerk zat. De eerste sneeuw van het jaar, stipt zoals het behoorde, een witte Kerstmis waar hij als kind altijd naar verlangd had. Het was nu niet ver meer. Hij bleef staan en glimlachte voor zich heen. Hij moest ineens denken aan de sirene, die midden onder de preek was gaan loeien, juist toen de dominee al te pathetisch werd, ongenadig door de welgekozen woorden heen scheurend, de sirene van de gevangenis in het moerasgebied achter het bos. Er was er weer een ontsnapt, en zo waarschuwden ze de omgeving, terwijl ze probeerden hem weer te vangen. Een zeer moderne strafinrichting, ook de behoefte aan modern lawaai scheen daarbij te horen, een beter alarmsysteem hadden ze blijkbaar niet weten te verzinnen. In het dorp waren ze er al aan gewend om te worden overvallen door de wisselend aanzwellende en afnemende huiltonen van de sirene te worden opgeschrikt, maar waarom juist op kerstavond, midden onder de nachtdienst? Aan de andere kant was het heel goed verklaarbaar dat de drang naar de vrijheid een gevangene juist nu te machtig werd, en misschien was ook de kans om te ontsnappen gunstiger dan anders. Het mocht de uitbreker aanvankelijk al gelukt zijn een voorsprong te krijgen, ver zou hij in deze sneeuw niet komen, tenzij de wachters hem in deze nacht voorlopig maar lieten gaan. Maar wat ging het hém aan, moest hij daarbij stilstaan? Hij zou de boodschap van het evangelie nog eens nalezen, besloot hij, als hij tenminste niet te moe was, nu meteen, voor die weer verbleekte. Hij ging verder, maar bleef nog eenmaal staan, en ditmaal glimlachte hij niet. Nu wist hij waarom hij naar de kerk was gegaan. De vrede van God, die alle verstand te boven gaat… Om deze zegen te horen uitspreken, deze troostrijke woorden, in hun eenvoud vol geheimenis, had hij de bezwaarlijke tocht ondernomen.
Ook het licht in de hal had hij aangelaten, hij was niet meer gewend om zo laat uit te gaan. Terwijl hij met klamme vingers zijn schoenen uittrok, overwoog hij of hij niet meteen een warme kruik in zijn bed zou leggen.
De deur van de bibliotheek stond op een kier – zo haastig was hij, in een plotselinge opwelling, weggegaan. Hij hoorde daarbinnen een haardvuur knapperen en voelde hoe de warmte hem tegemoet drong. Waar had hij ook weer zijn pantoffels? Hij deed de deur wijd open, maar na een paar passen stond hij stil – met zijn natte sokken maakte hij vieze voeten op het kleed.

Op de stoel bij de haard zat een voorovergebogen gestalte, een lange jas losjes omgeslagen, die met een haardijzer in het vuur pookte. Als hij nu iets riep zou de man hevig schrikken – dat was het eerste wat hij dacht. Na een afgemeten zwijgen zei hij daarom, met zijn gewone, gearticuleerde stem: “Goedenavond, hoe bent u hier zo binnengekomen?’ ’
“Neemt u me niet kwalijk.” De man sprak zachtjes, hij scheen niet geschrokken, zelfs niet verrast, alsof hij deze ontmoeting wel had verwacht. “Ik zag licht branden. Uw tuindeur stond zo uitnodigend open, en dan opeens al die sneeuw. Ik wilde graag even in de warmte zitten. Ik ga zo dadelijk weer weg.”

Zou hij al het licht aandoen? Hij draaide alleen de schemerlamp aan. De onbekende bezoeker stond op en keerde zich langzaam naar hem toe. De jas had hij nu tot de hals toegeknoopt. Het was een ouderwets model dat hem tot aan de voeten reikte, die in grove laarzen staken. Hij was lang en tenger, en hield het hoofd enigszins gebogen. Zijn gelaat toonde sporen van dodelijke vermoeidheid, de kin was verstrakt, de ogen waren te groot in het lijkbleke masker. Zijn houding was vrij van verlegenheid meer als van iemand die hoffelijk luistert dan van iemand, die betrapt is. Ook hij leek een man op leeftijd, hoewel toch zeker tien jaar jonger dan hijzelf, en zoals hij daar stond, in de lichtkring van de lamp, met een mengeling van gelatenheid en innerlijk verzet, maakte hij een afgeleefde, uitgeputte indruk.

“Ik verlang ook een beetje warmte. Gaat u rustig zitten, maar in de andere stoel graag, ik ben aan deze gewend.” Hij maakte een uitnodigend gebaar. De warmte deed hem opleven. Iets anders wist hij zo gauw niet te verzinnen. Niet overhaasten. Eerst maar eens zien hoe het liep. Hij keek de indringer aan. “Zit die jas niet te warm, hij is zo onmogelijk lang. Zou u hem niet liever uittrekken?”

“Huisvredebreuk,” zei de man. “Op zijn allerminst huisvredebreuk. Wat een woord!” Hij scheen ergens over na te denken. “Als ik die jas nou uittrek – ik heb hem in de hal gevonden, en ik dank u wel dat ik hem van u heb mogen lenen” – hier viel hij zichzelf in de rede – “wat een frasen.”
Zo vaardig met de tong als hij scheen te zijn, bracht hij de zin niet tot een einde. Hoewel hij het haardijzer nog losjes in de hand hield – een gevaarlijk wapen, als je er even bij nadacht – ging er niets dreigends van hem uit. De jas maakte hem tot een groteske figuur.

“U hebt het vuur hoog genoeg opgepookt, dus u kunt dat haardijzer nu wel weghangen. En gaat u toch zitten.” De man legde het haardijzer weg, gehoorzaam en een beetje in de war gebracht, maar hij bleef wel staan. Je moest hem blijkbaar de tijd gunnen. “Ik krijg nog maar zelden bezoek. U hebt me een verrassing bezorgd die ik jaren niet meer gekend heb. Ik vind het heel interessant, zo lang u me niets doet tenminste.” Nu hij in zijn eigen stoel zat kwam het er gemakkelijk uit. Ze waren nu dicht tot elkaar gekomen.

Langzaam liet de man zich in de andere stoel zakken. “Bedankt, heel erg bedankt,” sprak hij hortend, “’t Is hier zo – zo vredig. En waar zou ik ook heen moeten in die sneeuw. U staat niet gauw perplex, maar als ik deze jas uittrok, zou u toch vreemd opkijken.” Hij streek met een ironisch gebaar over de lange rij knopen.

“Omdat er dan een gestreept gevangenispak te voorschijn komt?”

De man kwam overeind, wilde opstaan, een schrikreactie, maar hij liet zich onmiddellijk weer terugvallen. “U weet het dus,” klonk het toonloos. “Ik had het kunnen verwachten. Weet de politie al waar ik ben? Komen ze me halen? Jammer. Ik had gehoopt dat ik tenminste nog tot in de stad zou weten te komen.”

“Dus u bent die uitbreker voor wie midden onder de preek de sirene ging. ’t Lag voor de hand. Maak je geen zorgen, hier komt niemand, en ik ben niet van plan je bij de politie aan te geven. Tenminste, vannacht niet. In deze nacht zou dat voor mijn gevoel eenvoudig niet passen. Nog afgezien van de moeite. Ik heb geen telefoon en ik denk er niet aan om nog eens door de sneeuw te gaan baggeren.”

“En u bent niet bang? Ik zou u bijvoorbeeld . . .”

“U zou van alles kunnen. Maar u zult niets doen. Ik heb dadelijk gezien dat u niet het type bent van een – hoe zal ik zeggen? – een gevaarlijke bruut.”

Nu stond de armzalige kerel op en trok met ongeduldige, rukkerige bewegingen de jas uit. In zijn gevangenisplunje zag hij eruit als een clown, maar het groteske patroon gaf hem tegelijk iets van de bittere ernst van een arme struikrover, het wanhopige van alle echte grappenmakers. “Wat ben ik dan wel?” vroeg hij.

“U zult wel zeggen: een onschuldig veroordeelde.”

“U hebt gelijk. Dat zeggen ze bijna allemaal. Maar ik ben werkelijk onschuldig. U kunt me geloven.”

“Vanavond is juist mijn kindergeloof in de kerstboodschap weer bevestigd, dus ik zou wel in de stemming moeten zijn om het van u aan te nemen. Maar het spijt me wel, de bijzonderheden interesseren me hoegenaamd niet. Ik ben een oude schrijver.

“Die boeken, zijn die allemaal van u?” De man in de gevangeniskledij liet zijn blik over de vele boekenplanken gaan. “Ik heb daarstraks de titels gelezen. U moet heel beroemd zijn. Ik wist niet, ik lees niet zoveel bellettrie, dat ik juist in het huis van… (hij noemde de naam) mijn toevlucht moest zoeken. Maar dat zijn alweer frasen. Neem me niet kwalijk.” Zijn voorgewende zelfverzekerdheid scheen hem geheel in de steek te laten. Hij liet zich weer op zijn stoel vallen.

“Maak toch niet telkens verontschuldigingen. Vroeger ben ik beroemd geweest. Ik ben nu vergeten. Sinds acht jaar heb ik geen boek meer geschreven. Sedert mijn vrouw gestorven is. Vorig jaar is mijn kat doodgegaan. Er zijn te veel geschiedenissen door mij heen gegaan, waar of bedacht. Ik wil er niet meer horen. Alleen nog de hele grote, de weinige die blijven. Uw geschiedenis hoort daar, vrees ik, niet bij.”

“U hebt gelijk. Helaas. Mijn geschiedenis is alledaags en triest en vreselijk banaal. Maar in elk geval is het een ware geschiedenis. Ik kan er wat van leren, u niet.” Hij zocht naar woorden, en voegde er zachtjes aan toe: “U bent een wijze oude man, en dat u niets vraagt bewijst hoe goed u bent.”

“Hoe nu?” Hij had dat laatste niet verstaan, en bemerkte dat het haardvuur begon uit te gaan. Hij vermande zich.

“Ik zal u een nuchter voorstel doen. U trekt een pak van mij aan, dat u zo ongeveer past. Ondertussen zet ik koffie. Ik zal u zeggen hoe u in de stad kunt komen. U moet niet naar het station gaan, daar zoeken ze zeker. Er is een bushalte hier dichtbij.”

“U riskeert een vervolging wegens strafbare hulpverlening.”

“Daar kan ik me in deze nacht niet om bekreunen. En voor ik er anders over denk zal ik u het adres geven van een goede advocaat, die iets aan mij verplicht is, met een briefje of hij u helpen wil. Die gekke jas kunt u wel houden. Ik heb hem al jaren niet meer gedragen en hij hangt daar toch maar voor niets.”

“Waarom doet u dit allemaal? Ik dring uw huis binnen, u kent me niet eens.”

“Ik wil u helemaal niet kennen. Dat is het juist. En, goed dat ik er aan denk, het belangrijkste moeten we nog regelen: u moet wat geld hebben. Laten we een gentleman’s agreement sluiten: u kunt het me bij gelegenheid terugbetalen. Als u geluk hebt. Als u onschuldig bent.”

“Maar ik verzeker u …”

“Verzeker me maar niets. Als u mij uw levensgeschiedenis en alle bijzonderheden van het proces vertelt, hoe waar ze ook mogen zijn, dan zeg ik u nogmaals, dat ik niet de minste lust heb om er naar te luisteren. Ik deug niet voor biechtvader. De belangstelling voor het persoonlijk lot van anderen is mij helemaal vreemd. Wat zou ik van u kunnen leren, dat ik niet al lang wist? Bovendien ben ik moe, heel erg moe, en ik laat mijn geregelde leven niet graag in de war brengen.”

“Ik begrijp het. Ik zal u mijn geschiedenis en mijn persoonlijke moeilijkheden besparen. Ik heb ook niet het minste recht iets van u te vragen. Ik sta overal buiten.”

“Wat moet dat betekenen? Ik haat alle zelfbeklag. Ik wil alleen zuiver praktisch iets voor u doen, en u moet niet vragen waarom. Ik doe het eerlijk gezegd ook om op een fatsoenlijke manier van u af te komen.”

“Goed dan, goed dan,” zei de vreemde gast. Hij stond op, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. “De sneeuw is opgehouden,” zei hij langzaam. “De maan schijnt. Het is tamelijk helder. Ik geloof dat ik maar gaan moet.”

Onderaan de trap wachtte hij hem op. Het pak zat hem een beetje ruim, maar het maakte hem heel anders. Hij zag eruit als iemand uit de stad, als een heer. Hij legde een bundeltje kleren op een dekenkist en zei: “Ik heb een nieuw mens aangetrokken. Gooi dit hier maar in het vuur.”

“Ik heb een schetskaartje gemaakt van de weg door het bos. Daar zullen ze nu niet zoeken. Wacht hier bij het ziekenhuis op de eerste bus. U zult misschien lang moeten wachten, maar u hebt al zoveel geriskeerd, dat kan er ook nog wel bij.”

“En als ik nog wat langer hier blijf? Ik weet dat het veel gevraagd is, maar . ..”

“De gastvrijheid, volgens de ouderwetse opvattingen tenminste, zou vergen dat ik het goed vond, maar blijf toch maar liever niet. Ik ben een oude man en werkelijk heel erg moe. En als het straks dag is geworden denk ik er misschien anders over.”

De onbekende haalde zijn schouders op. Was hij bang geworden? Zonder een woord stak hij het kaartje in zijn zak, nam de brief en het bankbiljet en dronk haastig zijn koffie op. “Ja,” zei hij toen, “het is beter zo. Laat ik hopen dat ik bij die advocaat kom en dat ik mijn vrouw spreek, dat is het belangrijkste.”

Bij de deur draaide hij zich om en stak verlegen zijn hand uit. “U loopt nog aldoor op uw sokken.” Hij schudde misprijzend het hoofd, maar hij glimlachte niet. Zijn gezicht droeg weer een gespannen en gefolterde uitdrukking. “Wat moet ik verder nog zeggen. Ik dank u. Van ganser harte. En toch vraag ik: waarom doet u dat voor mij?”

“Dat vraag ik mezelf ook af. Weet ik het?

God behoede u,” zei hij op gesprekstoon, helemaal niet plechtig, en toen, meer tot zichzelf dan tot de gedaante in de vormeloze jas, die eenzaam het besneeuwde pad op ging: “Misschien omdat er iets is dat alle verstand te boven gaat.”

De sterren flonkerden, het bos stond donker tegen de lucht: het zou hem beschutten. Vlug sloot hij de deur. Een lange, onderdrukte geeuw deed hem schudden. Hij hoorde nu toch heus in bed. Waar zijn toch mijn pantoffels? Nou, ik ga ze nu echt niet meer zoeken, besloot hij.

.

Waarschijnlijk van Hans Bütow

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2322

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-7)

.

Kerstverhaal, vanaf 7 jr.
Voorleestijd: ca 23 minuten

.

De dieren van Bethlehem

.

Jozef nam zijn fluit, bracht hem aan de mond en begon te spelen. Het werd hoog tijd, vond hij, dat Maria ging rusten, want. het was geen kleinigheid een kind ter wereld te brengen, en dan nog wel als het tijd is om te slapen. Hij zou iets spelen, bedacht hij, waardoor ze de een na de ander in slaap zouden vallen – eerst de moeder, dan het kindje, en ten slotte de dieren in de stal, die ook wel een onrustige nacht achter de rug moesten hebben, want het gebeurt niet vaak dat dieren bij de geboorte van een mens kunnen toekijken. Zouden ze begrepen hebben, vroeg hij zich af, wat er met de vrouw aan de hand was? Ze hadden haar nog nooit eerder horen schreien.

Eerst klonk de fluit zo vredig en rustgevend dat Jozef er zelf slaap van kreeg. De kerstnacht daarbuiten was zo ijzig koud dat de wanden van de stal er van kraakten en de sterren aan de hemel er van fonkelden. Voor de deur van een geriefelijk, met stro gedekt buurhuis stond een hondje met een natte neus hevig te janken. Maar hij was de eerste die de honingzoete fluittonen in slaap deden vallen. Bij Maria duurde het trouwens ook niet lang. Zodra de hond zich stil hield en zijn gelijkmatig, vredig ademen verried dat hij het niet meer koud had, draaide zij zich om naar de wand en sluimerde in. Haar lieve gezicht begon in de slaap te blozen, de rode lippen glansden vochtig en op de kleine hand, die zij onder haar wang had geschoven, glinsterde van louter ijver en tevredenheid een zweetdruppeltje. Maria hijgde zelfs een beetje van uitputting, en zij strekte haar benen onder de deken, om eindelijk de pijn der weeën te vergeten; als na welgedane arbeid sliep zij in. Zodra Jozef dit bemerkte vielen ook zijn ogen dicht, de fluit gleed uit zijn handen en zoals het een vader past, strekte hij zich uit op het stro en begon te snurken.

Het kind lag echter nog wakker en glimlachte. Waarom zou het zich ook haasten om te gaan slapen, terwijl het nog maar pas voor het eerst de wereld had aanschouwd en nu met ogen, oren en neus moest kennis nemen van wat voor hem reeds een gelukzalige zekerheid was. Maar het zei geen woord, om Jozef, die voor de kribbe lag, niet wakker te maken, en tuurde met licht gebalde vuistjes roerloos naar de grauwe balken van de zoldering, die glad en glanzend werden van de adem der dieren. En doordat het zo koud was, werd zijn eigen lichte adem zichtbaar boven zijn mond, zodat hij die ook kon leren kennen op zijn eerste levensdag. Want – zie toch – nauwelijks waren de vader en moeder ingeslapen, daar begon het in de stal reeds merkbaar kouder te worden.

De os schudde bezorgd zijn kop. “Het is koud,” zei hij, “het kind zal nog kou vatten.” De ezel hief zijn kop op, die hij tot aan de grond had laten hangen, zo moe was hij van alle nieuwe ervaringen, en zoog met veel gerucht de lucht op door zijn fluwelige neusgaten. “Zachtjes,” bromde de os mismoedig, “je zult hem nog wakker maken.” “Hij slaapt niet eens,” mompelde de ezel. Dat wist de os ook wel, want hij wendde zijn ogen geen ogenblik van de kribbe af, waarin het kind met stralende ogen onbeweeglijk neerlag, en slechts af en toe, als er een vlieg voorbijvloog, beefden zijn vuistjes, die er als twee kleine knopjes uitzagen. Ja, de os zou dat niet geweten hebben, hij wist nog heel wat meer. “Ik weet dat hij niet slaapt,” antwoordde hij, “maar hou je toch maar stil, want daarom kun je hem nog wel wakker maken. Wat moeten we nou doen dat hij geen kou vat?” “Zullen we zijn moeder wekken?” vroeg de ezel. “Nee,” antwoordde de os beslist, want hij hield evenveel van Maria als van het kind. “Zij moet rusten, want ze heeft de hele avond gehuild.” “Wat dan wel?” vroeg de ezel, die nog altijd heel moe was en die daardoor niets kon bedenken.

Het werd steeds kouder, door het kleine stalraam drong het licht van de maan en tintte de achterdelen van de os en de ezel zilver. Maria werd in haar slaap al maar lichter, Jozef al maar plomper. Onder de jonggeborene begon het stro te geuren als hooi.

De os schaamde zich, het stond hem tegen vindingrijker te zijn dan anderen, maar ditmaal mocht hij niet verzwijgen dat hij een verstandige raad te geven had, die anderen, slimmer dan hij, ter harte konden nemen. Hij wendde zijn kop af van schaamte. “We moeten vlak bij hem gaan staan,” zei hij, “om hem met onze onwaardige lichamen te warmen. Mocht hij jouw lucht niet kunnen verdragen dan kun je een beetje van de kribbe af gaan staan.” “Ja goed,” viel de ezel hem bij, “jij gaat rechts van hem staan en vangt de kou die van rechts komt op, en ik ga aan de linkerkant staan, en als de kou daar vandaan komt, bijt ik en trap ik hem dat hij dood neervalt.”
Ze gingen aan weerskanten van de kribbe staan, en de os maakte zich in zijn ijver helemaal krom, zodat ook de voetjes van het kind een beetje beschut waren. Maar de ezel moest eventjes weg. Hij stootte met zijn kop de staldeur open, draafde het erf op, en deed daar wat hij zo nodig doen moest.
Toen hij terugkwam zag hij tot zijn stomme verbazing dat de os het kind zwaar snuivend met zijn machtige adem stond te warmen, zó vanzelfsprekend als moest hij een kalfje verzorgen. “Wat een vermetel dier,” dacht de ezel, en er kwam een beetje jaloersheid in hem op, het eerste lage gevoelen in Bethlehem sinds de geboorte van het kind; geen wonder dat het raam wat besloeg en het in de stal een beetje donkerder werd. “Wat hem nu toch allemaal invalt,” verbaasde zich de ezel, terwijl hij in de deuropening bleef staan, “anders is hij zo onnozel, dat hij stilhoudt als ik een strohalm op zijn pad leg, en zie nu eens wat er voor geweldige ideeën bij hem opkomen.”
De os kon hem gelukkig niet zien, want die stond van de deur afgewend met onblusbare ijver de pasgeborene te warmen. Het kind keek hem met zijn grote, glanzende ogen stil aan, en was zo tevreden dat zijn vuistjes zelfs opengingen, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Toen de ezel bij de kribbe kwam, ademde de os op de voetjes van het kindje. Op elk voetje viermaal. Het gekwetste hart van de ezel raakte weer verzoend. “Kijk nou,” dacht hij bij zichzelf, “hij is toch dommer dan ik. Hij kan nog niet eens tot vijf tellen.”
“Waarom blaas je maar viermaal op elke voet?” vroeg hij fluisterend, opdat het kind het niet horen zou, want hij wilde de os niet beschaamd maken. “Ik blaas zoveel keer als het teentjes heeft,” antwoordde deze.
Het hart van de ezel vulde zich met medelijden. “Blaas nog maar eens, het heeft nog een teentje.” Maar dat vijfde teentje was zo klein dat de os het pas ontdekte nu hij wat nauwkeuriger keek. Vlug ademde hij er nog twee keer op, om het verzuim te herstellen.
De ezel ging zó naast de kribbe staan dat hij met zijn staart de vliegen kon verjagen, die van de os, of van hemzelf, op het kind wilden overwippen. Een diepe stilte heerste in de stal, waarin alleen het vergenoegde snuiven van de os en het suizen van de ezelstaart te horen waren. Jozef en Maria sliepen zo vol overgave, dat zij als het ware in de nacht opgingen.

Toch maakte de os zich ongerust of de ezel zich wel naar behoren gedroeg. Gaf het wel pas dat hij het kind zijn achtereind toekeerde? Maar kom – dacht hij weldra – de ezel zou toch wel weten wat hij deed.

Beide dieren dachten zo ingespannen na, dat de stal daardoor al gauw weer warmer werd. De ezel had al zoveel moed gevat, dat hij het stro onder het roze kinderlijfje een beetje begon te ordenen; met zijn tanden trok hij onder de bipsjes wat samengeklitte halmen weg, en eenmaal raakte hij daarbij met zijn neus bijna een voetje van het kind aan. Toen hij zijn kop beschaamd terugtrok, sprak het kind hem aan. Niet dat het echt praatte, want het kon alleen nog maar glimlachen en huilen; maar de dieren verstonden toch alles wat het zei. Ze hielden ook dadelijk op met het waaieren en warmen – zó ontdaan waren ze, dat de hoog opgeheven staart van de ezel plotseling tot een vaan der nederigheid verstarde en de adem voor de open bek van de os als een kluwen bleef staan.

Wat het kind zei klonk echter zo vriendelijk, zo vrolijk en geduldig, dat beide dieren weldra weer tot zichzelf kwamen.
“Waarom adem je zo op me?” vroeg het kind aan de os. Het moest een hele tijd vergeefs op antwoord wachten, want de os was wel niet bepaald bang, maar hij kon vooreerst zijn bek, die van schrik open was blijven staan, niet dichtdoen. “En jij, waarom wapper je zo met je staart?” vroeg het kind na een poos aan de ezel. Deze was weliswaar wat handiger, maar hij kon toch ook niet antwoorden, zo bonsde zijn hart van vreugde en trots. Hij wendde zijn grote, onbehouwen kop af, om niet in de kribbe te kwijlen van louter ontroering. “Nu?” vroeg het kind na een poosje. De os streek voorzichtig met zijn hoef over het pas opgeschudde stro in de kribbe en wenkte nauw merkbaar met zijn horens.
“Antwoord jij eerst,” fluisterde hij de ezel toe. “Waarom?” vroeg deze. “Jij bent slimmer,” zei de os. “Maar jij bent sterker,” meende de ezel.
Daar dachten ze een poos over na, en zoals dat gaat maakten ze in hun onnozelheid de grond voor hun voeten nat met hun speeksel. In hun hart werden ze een beetje kwaad op zichzelf, dat ze iets gedaan hadden waarvoor het kind ze ter verantwoording kon roepen, en omdat ze, toen ze dat eenmaal gedaan hadden, geen antwoord wisten te geven.
Misschien was het niet goed, dacht de os bij zichzelf, misschien hadden wij het niet moeten verwarmen. Wat oneerbiedig, dat we geen antwoord geven, dacht de ezel, zou je dat ooit weer goed kunnen maken?
“Waarom geef je nog steeds geen antwoord?” fluisterde hij de os toe.
“En jij dan?” zei deze beschaamd.
“Hij heeft jou het eerst gevraagd,” zei de ezel zacht, maar beslist, “dan moet jij ook eerst antwoorden.”
“Maar ik heb vier magen,” verdedigde zich de os, “en daardoor duurt het bij mij langer voor ik de vraag van het kind verteerd heb.”
Maar nu werd de ezel boos; het was duidelijk dat zijn metgezel het pad der waarheid en der rechtvaardigheid verlaten had. Zijn lange, behaarde oren werden stijf van opwinding. “Ezel die je bent!” beet hij de os toe.
Deze hief van verrassing zijn kop zo schielijk op, dat hij bijna met zijn horens aan de kribbe bleef haken. “Wat?” vroeg hij verbluft, “Ik een ezel? Jij bent de ezel!”
Maar ze zetten de ruzie niet verder voort, want doordat ze voortdurend met één oog het kind in de gaten hielden, bemerkten ze dat het stilletjes, maar toch zo stralend glimlachte, alsof het hun wilde uitlachen. Kijk eens, dachten ze allebei met een jubelend hart, het is toch niet boos op mij – en misschien ook niet op mijn vriend.
De os kreeg opeens zijn spraak terug.
“Ik adem op je,” zei hij, “opdat je net zo sterk zult worden als ik. En opdat je net zo lekker zult gaan ruiken als ik,” voegde hij er verwaand aan toe. “En ik,” viel de ezel hem in de rede, omdat hij bang werd dat de os hem niet aan het woord zou laten komen, “en ik waaier met mijn staart om de vliegen weg te jagen, die van de neus van mijn vrind af op jou willen gaan zitten.”
“Ik adem op je,” ging de os voort, “om je warm te maken. Neem me niet kwalijk dat ik maar viermaal op je voetjes heb geademd, maar dat ene teentje is zo klein dat ik het niet gezien had.” “En ik,” zei de ezel, “joeg de vliegen die van de neus van mijn vrind af naar jou toe vlogen weg, omdat ze schadelijk zijn voor de gezondheid, en omdat ze iemand lelijke, venijnige woorden in het oor fluisteren. Maar het kan best zijn,” voegde hij er eerbiedig aan toe, “dat ze zich bij jouw oren een beetje matigen. Zouden jouw oren nog groter worden?” vroeg hij nieuwsgierig. Het kind zweeg alsof het op een antwoord zon. Het ene zwijgen was grijs en vol vragen, het andere goudkleurig en vol vertrouwen.
Buiten voor de staldeur zat een muisje op zijn achterpootjes in het schijnsel van de sterren, met zijn snuitje naar de deur gekeerd; het was of het de zwijgende velden vertegenwoordigde.
Boven de schuur aan de andere kant van het erf steeg vanaf de horizon een blauwe ster aan de hemel omhoog en bewoog zich langzaam en doelbewust naar Bethlehem.

“Waarom verwarm je mij?” vroeg het kind aan de os. “Waarvoor geef je mij je kracht?”

Als het niet hoogst oneerbiedig was geweest had de os zijn schouders opgehaald. Hoe kon je op die vraag nu antwoord geven? Als er al een antwoord was, dan was dat even zwaarwichtig, en dan zag het er van kop tot staart precies eender uit als de os zelf. Maar hoe zou hij met zijn kleine beetje hersenen voor zo’n groot antwoord de juiste woorden kunnen vinden? “Nu?” vroeg het kind. “Waarom?” De os durfde zich nauwelijks te verroeren.
“Waarom jaag je de vliegen van mijn gezicht weg?” vroeg het kind aan de ezel, en sloot even de ogen, zodat de dieren naar hartenlust hun schouders konden ophalen.

Maar nu stond ook de ezel stokstijf stil, en hij waagde het zelfs niet even met zijn huid te trekken, want ook zijn antwoord zou zo groot moeten zijn, dat er in zijn kop geen plaats voor was.

“Nu?” vroeg het kind geduldig.

Uit een donkere hoek achter in de stal klonk zacht een klaaglijk blaten; het was zo kroezig, zo doorschijnend, zo zilverhelder als een heel klein schapenwolkje dat onder de maan langs voorbij zweeft. Het kind glimlachte weer. Het kleine zwarte lammetje, dat tot nu toe in het donker verborgen was geweest en nu door zijn stemmetje zichtbaar werd, stelde zijn hartje gerust, het was nauwelijks groter dan het kindje zelf. Als het kind uit de krib had gekund, dan was het zeker naar het lammetje toe getrippeld.
“Moeten we het nog eens doen?” vroegen de os en de ezel gedienstig, in stilte hopend dat het kind zijn vragen zou vergeten. De os likte van louter geestdrift met zijn brede tong een beetje aan de teentjes van het kind; het merkt het misschien niet eens, hoopte hij.
Maar het kleine, zwarte, alleen door zijn stem zichtbaar geworden lammetje was alweer verdwenen; het was zo zwak dat het alleen maar het kind had kunnen helpen, als het eerst zichzelf had geholpen. De ezel keek tersluiks achter zich, maar toen zijn blik de hoek van de stal bereikte, was het lammetje nergens meer – slechts een weinigje zurige reuk van wol hing nog in de lucht als een klein, kroezig schapenwolkje. En omdat de ezel wist dat hij het antwoord tenslotte niet langer kon uitstellen, liet hij zich naast de kribbe op de knieën neer.
Aan de andere kant van de kribbe knielde nu ook de os. Het viel hem niet moeilijk, hoewel zijn rechterknie een beetje kapot was; hij verdeelde zijn gewicht zo, dat het wat meer op de kant van het hart rustte. Hij legde de kop op de met stro bedekte grond, alleen zijn grote, schuchtere horens reikten tot aan de rand van de kribbe. En het kind begreep, dat dit het antwoord van de dieren was, en zijn hart werd zwaar, voor het eerst sinds hij op de wereld was. Maar hij zei geen woord, en de knielende dieren konden gelukkig zijn gezicht niet zien, waarover heel even de donkere schaduw van de dood voorbij streek. Het had ook niets meer geholpen of het iets gezegd had, want rondom de kribbe maakte alles zich nu op om hem te dienen, en achter de gedweeë dieren zonk de ganse wereld op de knieën. Het kind wist, dat allen die men liefheeft en daardoor dient, moeten sterven, en omdat het nog maar een paar uur op de wereld was, kreeg het medelijden met zichzelf en begon te schreien. Maar dat kon niemand merken, want na een minuutje glimlachte het alweer en wreef met beide knuistjes de tranen weg die in zijn ooghoeken blonken. Alleen Maria zuchtte diep, in haar slaap, en streek eenmaal met haar hand langzaam over haar verhitte, moederlijke gezichtje.

Doch daarbuiten maakte de harde wereld zich reeds vaardig om te dienen. Met veel gerucht en keelgeschraap stonden in de buurt de herders op, om te gepaster tijd als eersten de jonggeborene te begroeten. De meesten hadden zelfs ter ere van de gelegenheid hun handen gewassen, en toen bonden ze de honden vast, spuugden eens flink in de handen – zoals dat hoort als je iets belangrijks gaat ondernemen – en haalden hun mooiste herdersstaf te voorschijn.

De drie koningen slikten al stevig stof op de weg die zij regelrecht en zonder aarzelen gingen, in de richting die de blauw fonkelende ster hun wees.

.

Waarschijnlijk van Tibor Déry

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2321

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/23)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.
Uit Sicilië
.


De herderslegende


Ach, ach, ach – het Kindje Jezus in het wiegje bibberde van kou en trilde als een klein naakt vogeltje in het nest. Zelfs Moeder Maria had geen warme handen en ze stopte haar ijskoude vingers in haar armholtes. Toen sloeg Vader Jozef snel zijn stijf bevroren mantel met de kap om en ging naar buiten om ergens een warm vuurtje te halen. Toen hij buiten voor de stal in de felle vrieskou stond en rondkeek, zag hij nergens licht, nergens een brandend vuurtje. Alleen de grote, wonderlijke ster stond boven hem aan de hemel en straalde zo prachtig, maar gaf nog geen beetje warmte. Maar hij móest een vuurtje hebben, dat móest beslist!
‘Misschien vind ik buiten op het veld bij de herders een waakvuur,’ dacht de heilige Jozef en liep verder over het veld. En warempel – daar lichtte in de nacht een rode gloed op. Er zaten drie herders bij hun schaapskooi rond het vuur en speelden tijdens hun nachtwake een dobbelspel. Een hond die de meest waakse was en ook het snelst van alle waakhonden beet, had alle schapen die hij bewaken moest, goed in de gaten. Hij liet geen enkel levend wezen dichterbij komen, of het nu een dier of een mens was en met zijn scherpe tanden greep hij die vast als ze ongevraagd binnen de omheining kwamen.
Nu was Jozef bij de schaapskooi aangekomen en deed het hek open en ging binnen. Maar kijk – de hond liep op hem af, gromde niet, blafte niet, beet niet, maar heette de late vreemdeling welkom door met zijn staart te kwispelen. De schaapherders waren niet weinig verbaasd en vroegen zich af wat het beest bezielde, dat het zo anders deed. Maar Jozef kwam dichterbij en een van de herders riep wat hij wilde. ‘Geef me een beetje vuur, lieve vrienden; mijn kind dat niet veel ouder is dan de tijd die ik naar jullie toeliep, bevriest anders in deze strenge winterkou!’- ‘Als het anders niets is dan wat vuur’, zei de hoofdherder, ‘neem dan maar wat!’ ‘Maar, eh, oude man’, zei een andere, ‘waarin wil je die gloed dan meenemen, waar moeten we die in doen?’
Maar Jozef trok zijn jas uit en draaide de kap binnenstebuiten zodat die op een puntzak leek en zei: ‘Hierin!’ Toen begonnen de drie herders te lachen dat het klonk en ze dachten natuurlijk dat Jozef met zo’n vuurpan dan niet zo ver zou komen. ‘Dat is mijn zorg en het komt wel goed,’ antwoordde Jozef, ‘geef me maar snel een beetje vuur!’
‘Nu, goed dan, als je niet anders wil, dan maar in je kap!’ lachten alle drie en haalden het brandende hout uit de vuurhoop en lieten het in de kap vallen die Jozef omhoog hield. ‘Goede reis’, riepen ze hem lachend na, toen hij met veel dank wegging.
En toen de heilige Jozef wegliep, keken ze hem verbaasd na, want de gloed bleef in de kap gewoon hetzelfde. ‘Wel-nog-aan-toe!’ riepen ze en nu liep de hond met de vreemdeling mee en wreef zijn snuit tegen Joze
fs benen waarmee hij grote stappen nam. Roepen en fluiten hielp niets. Dat was toch wel al te merkwaardig: ‘Dit is niet gewoon!’ zeiden ze en sprongen overeind om nieuwsgierig achter de oude man aan te lopen. Maar die was door zijn haastige gang al een stuk verder op het veld en droeg zijn vuur met zekerheid naar huis.
Toen daalde er een wonderbaarlijke sterrenregen uit de hemel op het veld neer, midden onder de lopende herders. En in een lichtend schijnsel stond een zilverkleurige engel voor hen. Die sprak tegen de verbaasde herders die stil waren blijven staan: ‘Herders, haast je en loop! Ik breng jullie de meest vreugdevolle boodschap. Ga naar de stal – jullie vuur is al vooruitgegaan. Daar vinden jullie een voerbak en op wat stro een kind en zijn hemelse moeder en de vader die je nu volgt. Aanbid het en zing een loflied, want dit Kind is Gods zoon die de wereld verwacht en die het geluk en de vrede van het hart is. Bid en jubel ‘Halleluja!’
En, o. godswonder, de engel die zo wonderlijk was verschenen, was weer van de aardbodem verdwenen. Boven de stal glansde echter het licht van de ster, helder en groot als een nachtelijke zon.
De herders stonden nog als aan de grond genageld. Nu echter brachten ze hun stijve benen weer in beweging en met grote passen liepen ze over het veld naar de stal. En elk keek onder het lopen in zijn herderstas of er niet nog iets in zat wat ze aan het hemelse kind zouden kunnen geven. En een vond nog een homp kaas die helemaal vers was; de tweede vond een duif in zijn tas en de derde een konijn. Zo kwamen ze bij de stal en vonden het allemaal zo als de engel had gezegd. En de heilige Jozef knielde bij de kribbe en blies in het warme oplaaiende vuurtje dat hij in zijn kap had gehaald. 
.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2320

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/22)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

Over de ‘kerstroos’ bestaan verschillende verhalen. 
Onderstaand verhaal gaat niet over ‘die’ kerstroos, maar over witte en rozerode.
.
Uit Frankrijk

.

DE ROZEN MET KERST
.
Tussen os en ezel lag het Jezuskind in de stal op zijn bedje van schamel stro. Maria in haar blauwe kleed hield de wacht bij de kribbe en droomde weg in haar gelukzaligheid. Jozef had zijn ruwe, bruine handen gevouwen en bad met murmelende lippen. De os loeide: ‘Moe, moe, wat een heerlijke dag!’ En de ezel riep: ‘Hoe mooi is dit kind, i-aaaa!’
Het werd nacht. Buiten stormde het, het sneeuwde en het vroor. Soms hing er een dichte vlokkensluier voor de grote ster die hoog aan de hemel stond; maar het licht was zo krachtig dat hij alles met zijn felle schijnsel overgoot en hij dompelde de stal met daarin het grote geheim in een stralende glans.

Uit het verre Morgenland waren de drie heilige koningen weggereden, In kostbare brokaten kleding, gehuld in zwaar fluweel, opgesierd met de kostbaarste edelstenen. Ze knielden bij het Kind dat met grote open ogen en wijde armpjes in de kribbe lag en zij brachten hem goud om hem daarmee te eren als de hoogste koning; ze schonken hem wierook dat een wonderbaarlijke geur verspreidde en opsteeg om in hem de God te erkennen en ze legden de mirre bij hem die alles geneest, voor de Heiland en Mensenzoon.

En uit hun schaapskooien waren de herders van het veld gekomen en schonken een lammetje en een bokje, een duif en een koeienhoorn waaruit je kon drinken en één bracht een herdersfluit mee en Ysambert, de oude, had een echte kalender gemaakt van hout die de dagen en de maanden aangaf. En Aloris haalde een rammelaar uit zijn herderstas die hij zelf uit hout had gesneden en die deed ‘klip-klap’ en het Jezuskind lachte en greep naar het vrolijke ding.

Achter de grote herders stond schuchter en een beetje bang een klein herdersmeisje gehuld in versleten lompen. Met een nieuwsgierige blik ging ze op haar tenen staan, zodat ze met haar blauwe ogen, ook iets kon zien. Maar de brede schouders van de mannen maakten dat bijna onmogelijk en daarom keek ze dan maar door de benen van de mannen heen. Wat ze toen zag, was voor het kind een grote belevenis en toen ze het Kind met het gouden hart in de kribbe zag liggen, had ze dat het liefst aan haar borst gedrukt, tegen haar hart en in haar armen gewiegd en de mooiste geschenken voor Hem meegenomen. Maar ze had niets om te geven, een kerkrat zou nog meer hebben kunnen schenken dan het arme kind. Haar handen, ruw van het aardappelen rooien en rijshout zoeken, waren leeg, helemaal leeg. Toen begon ze bittere tranen te huilen omdat ze zo arm was.

Hoog op zijn wolkentroon gezeten, zag de engel Gabriël het meisje met haar verdriet en hij daalde naar de aarde neer, kwam ongemerkt de armzalige stal binnen en vroeg naar het verdriet van het kind. “Ach, ik zou net als de anderen het kindje in de wieg een geschenkje willen brengen, maar ik heb niets.’ Wat zou je dan willen geven?’, vroeg de zachte engelenstem. ‘De herders en de koningen hebben het Kindje Jezus alles al gebracht wat je je maar kan bedenken.’ ‘Zijn ze dan echt niets vergeten’, vroeg de engel verder, ‘denk eens na!’ Dat hoefde het herdersmeisje niet lang te doen: ‘O, als ik Hem eens rozen zou kunnen brengen, witte en rode! Het Kind heeft helemaal geen bloemen gekregen en het is toch de eerste dag dat hij geboren is. Maar ach, het is hartje winter en de lente met de bloemen is nog ver weg.’
Toen nam de engel het meisje bij de hand. Ze gingen naar buiten, naar de besneeuwde velden en om hen heen scheen een sterk lichtschijnsel. De engel tikte met zijn engelenstaf op de aarde en toen gebeurde er een mooi wonder: overal bloeiden er bloemen op, prachtige wilde rozen. Uit zilverwitte kelken waarvan de blaadjes teder waren als het fijnste albast, lichtten de gele meeldraden als een gouden sterretje op als het beeld van het stralende teken dat aan de hemel boven het sneeuwveld stond. Het meisje verzamelde de kerstrozen in haar schortje en ging de stal binnen en ze schudde de bloemenzegen over het kribje en het Kind uit, zodat het leek of alles bloeide. En toen mocht het meisje, wat ze zo innig gewenst had, het goddelijke Kind in haar armen wiegen en aan haar hart drukken en het goddelijke Kind drukte zijn lipjes op een paar bloemen die rozerood werden, net als Zijn lipjes. 

En sinds die tijd zijn er met Kerstmis feestelijke rozen, witte en rozerode kerstrozen. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

 

2316

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/21)

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.


.
Uit Roemenië

.

De sprinkhaan*
.

De dieren in de stal van Bethlehem hadden honger en riepen luid om voer. Dat sneed Maria, de goede moeder, door de ziel en zij was bij al haar noden ook bezorgd om de klagende dieren. Uit alle hoeken en gaten van de stal verzamelde ze de verstrooide halmen, maar het was nauwelijks een handjevol dat ze voor de dieren bij elkaar sprokkelde. Toen liep ze, terwijl ze haar Kindje toevertrouwde aan de dieren, naar buiten, naar een boer en vroeg hem met vriendelijke woorden om wat hooi voor de trouwe dieren in de stal. Maar de man wees de smekende vrouw bars terug: hij had zelfs nauwelijks genoeg in zijn schuur, want maaien liet hij liever aan anderen over, de zomer is te mooi om op het veld te gaan staan met een kromme rug en maar zweten.
Hoe moeder Maria ook smeekte, het hielp geen zier: de man kruiste zijn armen achter z’n rug en schudde zijn hoofd: ‘Bedelvolk krijgt niks!’

Maar nu trokken donkere wolken over het gezicht van de lieve vrouw, bij al haar zorgen en noden kwam nu ook de teleurstelling. Hard waren haar woorden in haar boosheid: ‘Wie voor de armen en bedelaars niets over heeft en ook nog een luilak is die niet wil werken, krijgt zijn verdiende loon. Je hele leven lang zal je gras moeten maaien, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, halm voor halm, zonder dat je er zelf wat aan hebt!’ En terwijl de man nog spottend lachte en zei: ‘Wel, wel, wel! Dat denk je maar! Och, och, ha, ha! werd Maria’s woord al bewaarheid: de man schrompelde langzaam ineen, droeg plotseling groene kleren, werd kleiner en kleiner, armen en vingers werden zo dun als een graat en zijn benen ellenlang en daar sprong hij al als een groene sprinkhaan met zijn poten als stelten weg om nu de hele lieve dag lang de grashalmen een voor een af te knagen. En als hij eens een dor hoopje bij elkaar heeft, dan komen de mollen en de vogels en de mieren, die nemen het mee of de wind verwaait het, alle zonder hem te bedanken.
De groene sprinkhaan echter staat daar maar en jammert en moppert, zwaait met die lange poten en heeft het nakijken, hoe hij ook mopperend ratelt, raspt en tsjirpt.
.

*In het Duits staat hier ‘Heupferd’, dat niet alleen ‘sprinkhaan’ betekent, maar ook ‘stommeling’.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2314

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/20)

 

 

.

Er bestaan bij vele volken legenden over het kindje Jezus. Vaak gebeuren er wonderen. Of er wordt in verteld hoe een plant of een dier aan de bijzondere eigenschap komt die wij ervan kennen.

.

Uit Duitland

.

HET GLIMWORMPJE
.


Boven in het gebinte van de stal waarin het Kindje Jezus in het kribbetje lag, zat een heel klein kevertje en dat keek heel verwonderd naar wat er in de stal gebeurde.
Het keek ook eens met één oog door een gat in het dak en toen zag het vol verbazing de grote ster aan de hemel staan. En met zijn andere oog keek het door een kier in de planken en zo kon het uitkijken over de verre velden en toen zag het hoe een engel de herders op het veld de blijde boodschap bracht en met zijn oortjes, ook al zijn die piepklein, hoorde hij wat voor wonderbaarlijke boodschap de engel bracht. 
Toen besloot het kevertje net zo te doen als de engel en het ging alle dieren in het bos de boodschap brengen van het wonder dat zich in de wereld voltrokken had.
Het vloog eerst naar de lichtende engel op het veld en wilde van hem precies horen wat hij moest vertellen.
Eerst zag de engel het kleine helpertje niet eens, maar hoorde een zacht zoemende vraag. Met plezier sprak de engel hem de tekst voor en toen het vol ijver wilde vertrekken, voelde de engel in zijn gouden haar dat een lichtgevend schijnsel uitstraalde en nam er een klein vonkje uit en plaatste dat op de rug van het kevertje, precies tussen de vleugeltjes, zodat het net een fonkelend diamantje leek. 
Toen vloog het weg en het liet zijn lantaarntje telkens oplichten en vloog van struik naar struik en van bloem tot bloem, van boom naar boom en wekte de vogels en de kevers, de libellen en de vlinders, de grote dieren, de kikkers in de plas en ook de wormen die nieuwsgierig uit de aarde omhoog keken. Ze waren alle zeer verbaasd toen ze dat vliegende lichtje zagen en ze dachten wel dat het een kevertje moest zijn dat nu met een lichtje in het donker rondvloog. En alle dieren in het bos en op de heide hoorden de blijde boodschap van het hemelse kind.

Toen het kevertje de hele ronde had gedaan, vloog het als een bewegend hemelslichtje, helemaal niet moe, terug naar de stal waar de moeder in een donkere hoek bij haar kindje de wacht hield en het bleef er de hele stille nacht trouw met haar lichtje bij zitten. Ze deed het pas uit toen de morgenschemering de dag aankondigde. 
Het kevertje mag vanaf die dag glimwormpje heten.

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

.

2312

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Kerstmis (14-5/19)

.

Uit Stiermarken

.

DE SPREKENDE DIEREN

.

Zo snel als de gedachte zijn vlucht neemt, bereikte de boodschap van de blijde gebeurtenis in de stal in Bethlehem de dieren die veel slimmer zijn en veel meer bijzonders kunnen horen dan wij, geleerde mensen.
Weldra wisten alle schepsels het die op het veld of in de bossen leven of die rond het huis of de boerderij wonen. En allemaal maakten ze het geluid dat bij hen hoort: gekakel, gesnater, gemiauw, geblaf, gemekker, geblaat en nog veel meer, zoveel vreugde werd er geuit en luid en opgewonden vertelden ze elkaar over de grote gebeurtenis. ‘Heb je het al gehoord, buurvrouw…?’ En: ‘Beste vriend, wat daar toch allemaal gebeurd is!’ ‘Wie weet het nog niet, wie heeft het nog niet vernomen?’
De haan sloeg om middernacht plotseling met zijn vleugels, strekte zich zover mogelijk uit en riep: ‘Kukeleku, Jezus is er nu!’ En de hond die anders zo waaks was en het eerder had moeten weten, vroeg gelijk: ‘Wa, wa, wa, waar?’ De geiten echter wisten het precies en mekkerden belerend naar hem: ‘In Bèèèthlèèm. in Bèèèthlèèm!’ En een lammetje voegde eraan toe: ‘Ik wil erhèèèn, erhèèèn, erhèèèn!’ En de ezel die zich een beetje verslapen had, geeuwde: ‘I-aaa; i-aaa!’ 
Maar de kip die wel wist wat er moest gebeuren, rekte haar hals en ging op weg en ze riep alle dieren en kakelde: ‘We gaan er meteen op af, kom mee, kom mee!’ En toen riepen ze het allemaal naar elkaar en toen wist de hele wereld dat Jezus was geboren. 
Alleen de slak kwam te laat: dat is nu eenmaal een zeer bedachtzaam en langzaam wezen. Maar die zou toch ook niet zoveel hebben kunnen zeggen, dus was het ook niet zo erg dat ze te laat kwam.

De sprekende dieren kregen als dank en ter herinnering de gave om elkaar op het middernachtelijk uur van Kerstmis te kunnen verstaan en te kunnen spreken als de mensen.
En wie dat niet geloven wil, moet in de kerstnacht zijn oren maar eens spitsen, want precies om twaalf uur kan je de dieren horen spreken. En menigeen heeft op dit tijdstip al dingen gehoord waarvan hij denkt dat hij zijn oren niet kan geloven. 

.

Zie ook: Immanuël – Jakob Streit, waarin deze legende in kortere vorm is opgenomen.

.

Kerstmisalle verhalen

Kerstmisalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

Vrijeschool in beeldKerstmis              jaartafel

 

2311

.