Tagarchief: Zwarte Piet

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (47) – Roetveegpiet

.

Je bent een donker getinte inwoner van ons land.
Je ziet de pakjesboot van Sint-Nicolaas een of andere haven binnenvaren.
Je ziet al die Pieten, met hun capriolen.
Jij kan ook goed op een eenwieler rijden.
Jij zou ook wel zo’n Piet willen zijn.
Je solliciteert bij de gemeente Utrecht.
‘Wij willen alleen roetveegpieten’, zegt het sollicitatiecommissielid.
Daar moet je blank voor zijn, anders zie je die roetvegen niet.
Dat begrijp je wel.
Je bent verdrietig.
Je mag niet meedoen door je huidskleur.
Je voelt je buitengesloten om je huidskleur.
Terecht!
Toch heb je geluk dat je in Nederland woont:

Artikel 1 van de Grondwet
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Maar eer dat geluk je hart bereikt……..?

.

P.S
Zou Piet gewoon diep-zwart zijn – zoals past bij de lange traditie die zeer weinig met ‘slavernij’ van doen heeft, dan kon je wél meedoen, want voor jouw gezicht of van een blanke geldt dan gewoon: zwart is zwart.

 

 

 

 

(Ik had dit nog niet gelezen, maar ik ben dus niet de enige die deze discriminatie signaleert):
Sylvain Ephimenco

 

 

Zwartepietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

Zwarte Piet verbleekt

Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
In een artikel in Het Parool wordt de conclusie getrokken: Een vrolijk volksfeest kan en mag niet de bedoeling hebben dat mensen zich gediscrimineerd voelen. Maar om Zwarte Piet als slaaf af te schilderen, is historisch onjuist.

Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
De tegenstanders van Zwarte Piet zijn ervan overtuigd dat Zwarte Piet racistisch is en een symbool van de slavernij.
Maar historisch klopt dat niet: Piet Emmer in Trouw

Ter verdediging van Zwarte Piet
Marcel Bas over de historische Zwarte Piet

Zwarte Piet
Bert van Zantwijk over de historie. Uitgebreid en gedegen onderzoek

.

1375

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (32)

.

opspattend grindWIE ZOET IS KRIJGT LEKKERS……..

Nee, wie stout is NIET de roe.

Die mag al een hele tijd niet meer en de zak ook niet – in ieder geval niet om kindertjes in mee te nemen.

Zo staat dat beschreven in Wikipedia:
‘Tot de jaren tachtig van de 20e eeuw droeg Zwarte Piet een roe en een zak met snoepgoed. Zo moest hij stoute kinderen afschrikken: brave kinderen kregen snoep en cadeautjes, stoute kinderen zouden gestraft worden met de roe of in de zak meegenomen worden naar Spanje. Onder druk van veranderende opvoedkundige inzichten verdween het dreigende element uit het karakter van Piet, tezamen met de roe.’

Als kind waren het voor mij attributen waar toch iets vanuit ging, waar je maar beter niet mee te maken kon krijgen. Ze boezemden mij wel een zeker respect in. Spannend ook wel, al heb ik er nooit van wakker gelegen, hoewel mijn moeder er soms mee dreigde. Bang ervoor ben ik nooit geweest.

Ze pasten en passen voor mij nog altijd bij de symbolische Zwarte Piet.

Ja, een symbolische Zwarte Piet, zoals hij hier bv. beschreven wordt. En in een reactie die daarop volgt.

Vergelijkbaar met de ‘milde huiver’ waarover Steiner het heeft wanneer het gaat om de ontwikkeling van gevoelens bij kinderen na de tandenwisseling en die veelvuldig voorkomt in de verhalenstof van de vrijeschool.

Goed, de attributen zijn verdwenen.

‘Ze waren pedagogisch niet verantwoord’.

In ‘Tijd’ (23-01-2016) de wekelijkse bijlage van het dagblad Trouw vertellen kinderen hoe ze het ervaren om alleen thuis te komen en alleen thuis te zijn, omdat de ouder(s) dan nog werken.

Wat doen die kinderen? Van alles en nog wat, waaronder natuurlijk ook ‘iets’ kijken.

Twee vriendjes hebben het erover. Ze zijn nu wat ouder en blikken terug:

,Het belangrijkste leerpunt is dat je weet hoe je je moet vermaken, zeggen de twee. Beetje gamen, beetje tv-kijken en af en toe een boek of Duckie lezen. “Niet te veel beeldscherm, want op een gegeven moment wordt dat echt vervelend”, vindt Roué. Intussen voelen ze zich ook meer relaxed, terwijl ze de eerste jaren soms last hadden van hun goed ontwikkelde fantasie. Eise deed vaak de voordeur van binnenuit op slot, om potentieel moorddadige inbrekers te weren. Inspiratiebronnen waren de bloederige actiefilms die hij als achtjarige bij vriendjes te zien kreeg. “Zoals Deep Blood, een gruwelijke film waarbij iemand een lans in zijn gezicht krijgt.” Roué knikt: “Er was ook een scène waarbij een vrouw met een schep in haar gezicht wordt gestoken.” Nog steeds moet Roué weleens slikken: “Soms kom ik al zappend langs een bloederige actiefilm waarin iemand wordt onthoofd. Dan ben ik vijf minuten bang, daarna gaat het wel weer. En als ik thuiskom in een leeg huis vind ik het soms eng om de deur open te doen.”

 

Over Zwarte Piet:
Opspattend grind

Op Sint-Nicolaas alle artikelen: 30

 

nicolaas-3

 

1144

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Zwarte Piet krijgt de zwartepiet (30-3/2)

.

Toen ik nog een basisschoolleerling was – een lagereschoolkind zoals je toen heette – hadden wij een meisje in de klas dat stonk, dat zeiden wij.
Ze stonk naar vis. Zo simpel beleefden we dat.
Zij was de dochter van een vishandelaar die uiteraard vis verkocht en ook bakte.
Vis- en baklucht trekken – nog steeds – in je kleren en je haar. En in vergelijking met nu, waren er niet veel middelen om dat tegen te gaan. Ook de bouw van winkel en woonhuis waren zo, dat de visgeur overal steeds aanwezig was. Dus ook om en aan het dochtertje.
En ja, ze werd ermee gepest. Heel erg is dat natuurlijk. Ik weet niet of ik het ook deed, maar als het zo is: mijn welgemeende excuses!

Tegenstanders van Zwarte Piet brachten vorig jaar bij Pauw in dat hun kinderen – met donkerder huidskleur – gepest werden met Zwarte Piet. En dat hij dus diende te verdwijnen.

De kinderombudsvrouw had daar een aantal weken geleden ook wel oren naar: omdat er kinderen mee gepest worden, dient de aanleiding voor de pesterij te verdwijnen.

De aanleiding voor de pesterij was voor het dochtertje van de vishandelaar het beroep van haar vader en vooral de viswinkel. Zouden die er niet zijn geweest: ze was er niet mee gepest.

Zou de ombudsvrouw – na haar klachten te hebben aangehoord – nu ook van mening zijn dat haar vader maar een ander beroep moet kiezen annex de viswinkel opdoeken?

Wat een vreemde gedachtegang, terwijl het toch zo simpel is: de pester moet worden aangepakt!
In vrijwel alle gevallen wordt bij pesten ook daadwerkelijk de pester aangesproken, maar bij Zwarte Piet….????

Zoals vrijwel iedereen in de zwartepietendiscussie: ook de ombudsvrouw laat zich inpakken door het ‘racisme- en discriminatiespook’.

In deel 1 van ‘Zwarte Piet als zwartepiet’ wordt duidelijk gemaakt dat ‘Zwarte Piet = racisme’ historisch gezien niet opgaat.

Wanneer je de verschillende opvattingen, gezichtspunten, verwachtingen van allerlei (willekeurige) mensen bekijkt, is het opmerkelijk hoe als vaststaand feit o.a.’racisme’ en ‘slavernij’ onlosmakelijk met Zwarte Piet worden verbonden.

“Bij ons krijgen alle Pieten een ander kleurtje dan zwart”, zegt Miriam Heijster, directeur van de Kleine Reus, een witte school in Amsterdam. “We hebben het er hier op school over gehad, en de leerlingen uit groepen 7 en 8 maakten zelf al een koppeling tussen Zwarte Piet en de slavernij. Dat vond ik knap voor kinderen van twaalf jaar oud. En de conclusie was dat we ande­re mensen kwetsen met Zwarte Piet, dus waarom zouden we daarmee door­gaan?

De juf vindt het knap, maar ze lijkt niet erg op de hoogte van de slavernij die in verband wordt gebracht met Zwarte Piet. Ze trekt een conclusie op basis van een zwak, zo niet verkeerd uitgangspunt.

Het is ook niet zo eenvoudig en je zou – alvorens tot conclusies te komen die grote gevolgen kunnen hebben, je eerst eens grondig moeten verdiepen in hoe het dan in werkelijkheid is of was.

In Trouw van 20-96-2013 schreef historicus Piet Emmer een artikel n.a.v. de afschaffing van de slavernij – 150 jaar geleden.

SLAVERNIJ IS GEEN EXCUUS

Wie ‘slavernij’ wil aanvoeren als motief tegen Zwarte Piet, kan dat op feitelijke gronden – volgens dit artikel niet.

Op grond van die feiten zegt historicus Emmer:

Het herdenken van de afschaffing van de slavernij zien sommige Caribische Nederlanders niet alleen als een stap naar een rechtvaardiger samenleving, maar vooral als een gelegenheid om de rest van Nederland erop te wijzen dat de gevolgen van de slavernij nog steeds niet voorbij zijn. Wat er maar fout kan gaan, wordt aan dat slavernijverleden toegeschreven: racisme, discriminatie, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, echtelijke ontrouw, criminaliteit, slechte schoolprestaties, hoge bloeddruk en nog veel meer. 

Hij toont aan dat er voor dergelijke argumentaties historisch gezien feitelijk geen basis is.
En dat het geen ‘mededogen meer zal opleveren, laat staan maatschappelijke of financiële credits.’

Dat laatste klopt niet, wanneer je naar de rpaktijk van alle dag kijkt. Er is heel veel mededogen – en dat is m.i. niet verkeerd. En er zijn – juist waar het om Zwarte Piet gaat – steeds meer ‘maatschappelijke credits’.
Het sinterklaasjournaal, gemeenten waar Sint zijn intocht houdt, supermarkten en vooral scholen waar traditiegetrouw Sinterklaas het meest aanwezig is: mededogen en credits veranderen het aanzien van Zwarte Piet, omdat slavernij en discriminatie steeds meer onlosmakelijk verbonden worden gedacht met Zwarte Piet: de zwartepietenlobby!

“Het moet een feest van iedere Nederlander kunnen zijn’, zei minister Asscher, erop doelend dat kenmerken van slavernij en discriminaite niet kunnen.

De discussie is er over het algemeen een van hoogoplopende gevoelens; gevoelens die er op grond van de historische feiten niet zouden moeten zijn. Maar dat is nu juist het kenmerk van gevoel: dat het zich in eerste instantie onttrekt aan de ratio en dat je met rationele gedachten geen contact krijgt met mensen die sterk in hun gevoelens leven, ook wat Zwarte Piet betreft.
Ook de voorstanders reageren vaak vanuit hun gevoel. En dus is er de patstelling.
En daaromheen worden oplossingen bedacht: jij houdt niet van geel? Ik niet van blauw! Dan doen we ze toch bij elkaar: allebei tevreden met groen!

Mijn Zwarte Piet heeft niets te maken met het verleden: slavernij en discriminatie. Mijn Zwarte Piet is niet alleen zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt, maar juist omdat hij de ‘yang’ is; de tegenpool van ‘yin’. Samen een eenheid, een hogere werkelijkheid – een beeld daarvan. Sint is niet wit omdat hij een blanke is. Sint is de lichtkant, hij is de heilige. Piet is niet zwart omdat hij een neger is en dus dom. Hij is niet de heilige – zoals weinigen van ons – hij is vrolijk en guitig tegenover de ernst en waardigheid van de Sint – daarmee is Piet niet onwaardig. Ze vormen een eenheid, zoals het etmaal van dag en nacht.
Mijn Piet is geen regenboogpiet of oranje, omdat ons koningshuis dat is en de shirtjes van het Nederlands elftal; mijn Piet is niet rood of welke kleur dan ook, behalve gitzwart. Mijn Piet is geen ‘leut’, maar een te achten figuur in de twee-eenheid die hij met Sint vormt.
Mijn Piet is een symbolisch figuur. Die symboliek kun je niet vinden zonder een bepaalde spiritualiteit.
Bij supermarkten, gemeenten en journaals hoef je die in deze tijd niet te verwachten.
Op de scholen zie je die ook niet, wanneer je de verschillende opvattingen van de juffen en meesters leest.

Ja, dan blijven de vrijescholen over: die zouden nog een spirituele basis kunnen geven aan Zwarte Piet.

Maar of dat ervan komt? 

De ombudsvrouw wil graag reacties van de kinderen.
Deze vond ik op straat voor een basisschool:

Sint Nicolaas

 

 

30-1.Zwarte Pietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

30-2 Zwarte Piet verbleekt

30-3/1 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet

 

Sint-Nicolaas (en Zwarte Piet): alle artikelen

 

1124

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (22)

 

DRIEKONINGEN

De winter is de tijd van abstractie. De bomen zijn kaal, onbekleed is de natuur en naakt tonen zich haar patronen. Naar hun silhouet kan men het wezen der bomen nu goed onderscheiden!
Zo gaat nu ook de mens nadenken, zijn ervaringsbeelden afpellen om er de les uit te trekken en dan het beeld op te ruimen, lezend, denkend en tezamen sprekend, bij lampschijnsel in het besloten huis, ontdekt men de achtergronden der feiten, de zin van het gebeuren.
De kinderen doen spelletjes die overblijfselen zijn van heilige handelingen der volwassenen in een ver verleden. Dansen en optochten  die het wezen van een seizoen uitbeelden.
Op elf november vierden zij Sint – Maarten, gingen in optocht door het dorp, elk met een uitgeholde mangelwortel, waarin venstertjes waren uitgesneden, en een lichtje binnenin. Wat stelde dat voor?
Het lichaam waar het licht van de geest door uitschijnt!
Een ander maal spelen zij Jan Huygen. Eén kind staat middenin; de andere, in een kring er om heen dansend en zingend:
.
Jan Huygen in de ton mrt een hoepeltje erom
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen!
.
De kring, die de ton vormde, waar Jan Huygen in zat, wordt op die laatste regel verbroken en de kinderen, als de duigen, tuimelen gierend van de pret over de grond.
De ton is de levensvorm, die in het najaar ontbonden wordt. Maar J.H., het geestelijk wezen, dat zich van de stoffelijke belichaming bediende, dat is gebleven en komt nu des te duidelijker uit!
De kersttijd wordt besloten met het feest van Driekoningen, op 6 jan. Na de 12 heilige nachten van 24 december tot 5 jan. is dit de dertiende dag, waarop men voor’t eerst weer bonen mag eten. Daarom zit in het Driekoningenbrood een heilige boon verstopt.

De kersttijd is immers de tijd waarin de levensgeest neerdaalt in de stof met een nieuwe uitstorting van zonnekracht voor de mensen. Hij grijpt aan in de bonen, de zaden de bollen in alle kiemen die verborgen zijn in de moederschoot der aarde. Het is de heilige tijd der conceptie. Nu hebben de kiemen de heilige zonnekrachten ontvangen en kunnen gaan groeien. Zo verborgen als zij in de aarde, ligt de heilige boon in het driekoningenbrood.

Een Oudhollands kinderspel op driekoningenavond is ‘het kaarsje aan de deur”.
De kinderen dansen in een kring om een brandend kaarsje. Drie van hen zijn verkleed als de drie koningen, waarvan één, de Zwarte Melkert*, een zwarte Jood uit Abessinië was. Daarom heeft het kind dat koning Melchior voorstelt, zijn gezicht roetzwart gemaakt. Dan zingen zij onder het dansen:
.
Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met ’n lichtje aan de deur,
hoezee!
.
Op de laatste regel laten zij elkaar los en rollen over de grond. Evenals in J.H. wordt de stoffelijke vorm ontbonden en wordt de heilige geestelijke kern zichtbaar.
De zwarte Melchior werd later Zwarte Piet. In het Friese dorp Grouw wordt op 6 jan., dus op driekoningen, het feest gevierd van Zwarte Piet, zonder Sinterklaas. (In dit artikel is sprake van in februari)
Elk van de driekoningen beeldt een deel van de mens uit.
Zwart is de kleur van stof. Het is de rouwkleur in die materialistische landen, waar men staart op het stoffelijk overschot en zijn vergankelijkheid. Terwijl toch juist de geestvonk door het afvallen van het stoffelijk kleed bevrijd is! De zwarte koning Melchior beeldt het stoffelijk lichaam van de mens uit. Hij bracht de bittere mirre mee: een kostbare medicijn, die als tonicum en antisepticum het stoffelijk lichaam versterkt. Koning Caspar bracht het goud mee, dat behoort bij het hart en het gevoel, het astraal lichaam van de mens, dat, als het rein is gevoelens bergt, zuiver als goud. En koning Balthasar voerde de wierook mee, Weih-rauch gewijde rook van het hars van de boom olibanum. De wolken wierookgeur behoren tot het luchtelement, zij stijgen ten hemel zoals de gedachten die zich tot God verheffen. De wierook beeldt het verheven denken uit, het mentaal lichaam van de mens.
Wilsdaad, gevoel en verstand: dat zijn de drie koningen in de mens, die zijn karakter tezamen binden. Als een vat, waarin het wezen, de geestvonk, besloten is en wonen mag.
De drie koningen brachten hun gaven mee voor de godszoon. De drie lichamen of vermogens van de mens zijn er voor het geestlicht van binnen. Opdat het ze heilige en er doorheen schijne naar buiten.
In de heilige wintertijd zien wij het onverhulde licht zelf. Opdat wij het kennen en later zullen herkennen, ook door de bekleedsels heen.
.
Ieder mens draagt het licht.

.

(De Kaarsvlam, 27-01-1973)

.

*In het Oberuferer driekoningenspel heten de koningen Melchior (rood gekleed; goud), Balthasar (blauw gekleed; wierook), de donker kleurige Caspar, groen gekleed: mirre).

.

Driekoningen: alle artikelen

.

 

926

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Nicolaas en Zwarte Piet (30-1)

WAT DOEN DE VRIJESCHOLEN?

Afgelopen zondag wandelde ik ergens en vond dit blaadje, beschermd door een plastic hoesje. En hoewel het vocht al bezig was er een mooie nat-in-natschildering van te maken, was de tekst goed leesbaar:

Sint Nicolaas

En dan was daar op het journaal die mevrouw uit Hellevoetsluis die strijdvaardig in de camera keek en vol overtuiging zei, dat Piet zo bleef als hij altijd was.

Ik hoef niet meer mee te beslissen of de Zwarte Piet die de vrijeschool bezoekt, er anders moet gaan uitzien en zo ja, hoe dan.

Mijn antwoord is duidelijk: geen verandering. Piet moet gewoon zwart blijven.

Sta ik dan niet open voor de ‘discriminatie-slavernij kritiek’?

Ik beleef Piet niet als een ‘geknechte’ slaaf of als een ‘zwarte’ die het vuile werk moet doen. Kortom, bij mij leeft geen enkel discriminatoir gevoel.

Ach, ik zou best bepaalde, voor de tegenstanders te overduidelijke kenmerken willen verzachten: geen dikke rode lippen en/of kroeshaar of opzichtige oorbellen.

Maar zwart moet hij blijven: of hij nou historisch een Moor was of niet en of we nu steeds minder schoorstenen hebben waar hij doorheen kruipt, voor mij is hij veel meer een symbool, samen met de witte Sint. Ik zeg expres niet ‘blanke’ Sint, want het gaat niet om de huidskleur als rassenkenmerk.

Zoals we het traditionele trouwkostuum hebben: een witte jurk en een zwart pak. Het is een twee-eenheid. Waarom zou het pak zich gediscrimineerd moeten voelen? Of de mindere van de witte trouwjapon? Dat aanpassen zou tot grijs leiden en de taal heeft het in dit opzicht niet zo op grijs: het is vlees noch vis.

Wit en zwart: ze horen bij elkaar. Sterker: ze kunnen niet zonder elkaar. Wat zou Sint zijn zonder Piet. En Piet dom?  ‘Alles ziet die slimme Piet, zich vergissen kan hij niet!”. Het is een twee-eenheid en daarmee alleen al overstijgen ze het ‘discriminatie-niveau’.

Hij is de rechterhand van Sinterklaas.

(Ik weet het: dit roept maar zo een nieuwe discussie in het leven: wat is de rechterhand meer dan de linker, huh?) Maar vanuit de taal dan maar weer, als metafoor.

Een ander kleurtje geven is voor sommigen de oplossing. Voor mij dus niet. Je verlaat daarmee de prachtige symboolwaarde van die hogere eenheid wit/zwart.

Als ik die laatste zou vergelijken met humor, echte, ware humor, dan is de gekleurde Piet voor mij niets meer dan ‘leut’.

Dan wordt het Sint-Nicolaasfeest iets in de trant van ‘agge mèr leut heit’. Hodsikidee!

In de reeks artikelen over Sinterklaas die op deze blog zijn verzameld, wordt op o.a. deze even ingegaan op de wit-zwartsymboliek.

Ik heb de kinderen van het tekenblaadje niet kunnen vragen naar hun waarom, maar ik ben het roerend met hen eens:

Sint Nicolaas

 

‘Mooi zijn de regenboogpiet en de kleurenpiet, vind je ook niet?’
‘Ja….ja…eh, maar als ze gaan douchen zijn ze gelukkig weer zwart!’

kleuter over kleurenpiet

(Trouw ‘opgetekend gesprek’ 03-10-2015)

 

Vind je ook dat Piet zwart moet blijven?

http://www.zwartepiet2014.nl/

657

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.