Tagarchief: Parcival

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parzival (5)

.

PARZIVAL, MIDDELEEUWS GEDICHT MET MODERNE STREKKING

Wolfram von Eschenbach schreef rond 1200 Parzival, een ridderverhaal, dat zich afspeelt rond het hof van koning Arthur.
Peter de Beer stelt zich de vraag of de Parzival past in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen. Ook sprak hij met professor Lievegoed over het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens.

De middeleeuwen staan al geruime tijd sterk in de belangstelling en de geschiedschrijving van deze periode, al dan niet in geromantiseerde vorm, trekt een breed publiek. Namen als George Duby, Umberto Eco, Barbara Tuchman en Johan Huizinga zijn algemeen bekend. De historische romans geven van de middeleeuwen zowel een spectaculair beeld als een ideaalbeeld. Maar hoewel de populaire schrijvers boeiend kunnen vertellen, kan (kunst-)geschiedenis ook droog zijn. De belangstelling is waarschijnlijk eerder gelegen in het gangbare ideaalbeeld van de middeleeuwen. De middeleeuwse maatschappij wordt vaak voorgesteld als een duidelijk gestructureerde, stabiele samenleving, waarin mensen hun plaats kennen en weten wat en hoe zij moeten denken. De samenlevingsverbanden zijn klein, de natuur is dichtbij en er is nog ruimte voor hartstocht. Dat dit beeld niet helemaal overeenkomt met de werkelijkheid van toen, is niet belangrijk. Het schept de mogelijkheid de huidige maatschappij te ontvluchten. Deze is immers, technisch-mechanisch, geordend volgens onduidelijke structuren en regelingen. Bovenal zijn mensen hun richtsnoer, dat vroeger vooral was gelegen in het geloof, kwijtgeraakt. Waarden en normen liggen niet meer vast en het gezag van de overheid en de wet is niet meer onaantastbaar. Anders dan de middeleeuwen is men nu vrij te denken wat men wil, maar het blijkt allerminst eenvoudig te zijn, op grond van eigen ideeën, een individueel standpunt te bepalen en daarnaar te handelen. Door te lezen over de middeleeuwen kan de moderne mens even terugkeren naar een tijd waarin de individuele verantwoordelijkheid nog niet zo zwaar woog. Bovendien kan hij of zij het huidige sociale rechtvaardigheidsgevoel botvieren op misstanden in de middeleeuwen, zonder vervolgens tot actie te hoeven overgaan.

Ridderschap
Onlangs* is bij uitgeverij Vrij Geestesleven de Nederlandse prozavertaling verschenen van Wolfram von Eschenbachs Parzival. [1]

Het verhaal begint met de beschrijving van de avonturen, zowel in het oosten als in het westen, van de vader van Parzival, Gahmuret. Diens weduwe, Herzeloyde voedt Parzival op in de bossen om te voorkomen dat ook hij ridder wordt en in de strijd zal sneuvelen. Parzival besluit echter toch ridder te worden en in dienst te treden van koning Arthur, wat hem na vele avonturen lukt. Daarvóór is hij door Gurnemanz onderwezen in het ridderschap en gehuwd met koningin Condwiramurs. Hij is in de graalburcht van de zieke koning Anfortas geweest, waar hij de vraag die de koning van zijn lijden kan verlossen, niet heeft gesteld. Omdat hem dit naderhand wordt verweten, gaat hij op zoek naar de graal. Na door Trevrizent te zijn onderwezen in het geesteliike, innerlijke leven, vindt hij die uiteindelijk.

Het verhaal van Parzival wordt in het boek afgewisseld met de avonturen van Gawan, de beste ridder van de Ronde Tafel. Deze gaat op avontuur uit om zich te zuiveren van de beschuldiging een lage, laffe moord te hebben gepleegd. Hij vertrekt, tegelijk met Parzival, van het hof en beleeft drie grote avonturen die hij tot een goed einde brengt.
Ten slotte handelt de roman nog over de jongste zoon van Parzival, Loherangrin.

Koning Arthur
Wolfram heeft dit boek geschreven tussen 1200 en 1210. Het past in de ‘matière de Bretagne’, waarbij het hof van Arthur als context dient. De literatuurhistorici zijn het er niet over eens of Arthur een historische persoonlijkheid is geweest. Als hij heeft bestaan, dan heeft hij geleefd op de grens van de vijfde en de zesde eeuw. Maar hij is ofwel een door de Kelten verzonnen heldenfiguur, die het volk in benauwde tijden eens zal redden, ofwel een historische aanvoerder, aan wie de volksvertellingen een mythisch karakter hebben verleend. Historische bronnen maken wel melding van zo’n legendarische aanvoerder. Slechts enkele daarvan geven zijn naam: Arthur. Pas in het historische epos Historia regum Brittanniae (± 1137) van Geoffrey van Monmouth wordt het hele levensverhaal van Arthur verteld. Dit boek kende een grote populariteit en is door Wace vertaald in de volkstaal. Diens navolgers gebruikten de gegevens slechts als achtergrond voor hun eigen stof, waarin steeds meer fantastische elementen slopen. Een van hen is Chrétien de Troyes. De geschiedenis van Arthur is voor hem slechts een vindplaats van literaire thema’s, zoals de liefde en het hoofse gedrag. Het hof is daarmee tijdloos geworden. Eén van Chrétiens romans is Perceval ou le conté du graal. Deze heeft zeker als basis gediend voor Wolframs Parzival. De Parzival kan worden beschouwd als het hoogtepunt in de graaloverlevering.

Tot 1200 zijn de Arthurromans geschreven in de versvorm. In de dertiende eeuw wordt, althans in Frankrijk, het proza de normale vorm. Behalve door erop te wijzen dat er een lezend publiek was ontstaan, wordt dit verklaard aan de hand van het verschil in toegeschreven waarheidsgehalte. Verzen zouden een leugenachtige inhoud hebben, terwijl proza werd beschouwd als een waarmerk van de historische betrouwbaarheid van het geschrevene. In die tijd ontstond weer de behoefte de stof in te passen in een ‘historisch’ relaas. Het is onwaarschijnlijk dat ook in het dertiende-eeuwse Duitsland de versvorm werd vervangen door de prozavorm. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan is het mogelijk dat Wolfram in verband met de diepere, esoterische betekenis van zijn Parzival met opzet in rijm heeft geschreven.

Dit taalkundige uitstapje brengt mij op de zojuist verschenen vertaling, de eerste volledige die in het Nederlands is verschenen. De vertaler, Leonard Beuger, heeft — naar zijn zeggen — getracht zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven zonder concessies aan de inhoud te doen. De Parzival levert voor iedere vertaler of hertaler grote moei;ijkheden op. Het uitgangspunt van deze vertaler is prijzenswaardig. Behoudens enige inconsequenties heeft hij zich hieraan gehouden, en met succes. Een nadeel van zijn werkwijze is dat een deel van de vertaal- en interpretatieproblemen wordt afgeschoven op de lezer. Specifieke, middeleeuwse uitdrukkingen en begrippen waarvan de betekenis soms van de context afhankelijk is, worden nu met een modern Nederlands ‘equivalent’ vertaald. Hoewel zijn keuze van de ‘equivalenten’ (bijvoorbeeld trouw voor ‘triuwe’) meestal niet slecht is, moet de lezer zelfde nuances aanbrengen of invoelen. Dit geldt ook voor woorden die niet precies te vertalen zijn. Hier en bij vele beeldspraken en zinswendingen geeft de vertaler geen interpretatie (bijvoorbeeld bij liebe en minne = liefde en minne). Het voordeel is, dat de lezer voor zichzelf de schoonheid, de inhoud en de stijl van het werk kan (leren) bepalen en waarderen. Hoewel Beuger bij de keuze van zijn woorden en uitdrukkingen, die soms onnodig ouderwets of ingewikkeld zijn, niet altijd even gelukkig is geweest, heeft hij een uitstekende, goed leesbare vertaling afgeleverd, die de beeldende kracht en de bizarre, soms duistere stijl van het origineel vaak dicht benadert. De aantekeningen zijn overeenkomstig zijn uitgangspunt sober, dat wil zeggen bijna alleen encyclopedisch, maar verhelderend. Het staat buiten kijf, dat Wolframs Parzival een bijzonder kunstwerk is. Deze nieuwe vertaling doet daar alle recht aan: de lezer kan in de eigen taal genieten van de literaire procedés die Wolfram hanteert en die in een moderne roman niet zouden misstaan, van het beeldende taalgebruik, het gevoel voor nuances, de humor, de sublieme compositie en de contrasten tussen de stof en het commentaar daarop van de verteller.

Dubbele bodem
Past de Parzival in de huidige belangstelling voor de middeleeuwen? Het boek biedt zonder twijfel sensatie. Het is immers een spannend ridderverhaal met sprookjesachtige en gewelddadige elementen. Liefde, trouw en eer spelen een grote rol De betekenis van de religie en de familie is voor de moderne lezer acceptabel. Het hoofse gedrag en de riddercode geven aan de waarden en normen een duidelijke inhoud. Bovendien is het een literair werk uit de middeleeuwen, waardoor een nieuwe dimensie wordt toegevoegd aan een
bestaande belangstelling. In deze opzichten heeft het werk betekenis voor de moderne lezer. Een modern aandoend aspect is de ontwikkeling van de romanfiguren, waardoor het boek een extra waarde, een dubbele bodem krijgt. Wolfram heeft verscheidene ‘dubbele bodems’ ingebouwd. Ergenlijk kan men beter spreken van een ‘drie- of meervoudige gelaagdheid’ want de roman laat zich op veel niveaus lezen. Eén daarvan heb ik al genoemd: een spannend ridderverhaal.

In een gesprek met professor Lievegoed, die zich al sinds het eind van de jaren twintig met de Paizival bezighoudt, komt een tweede niveau aan de orde, namelijk het beeld dat de Parzival geeft van de ontwikkelingsweg van de mens. Hieronder heb ik getracht de opvattingen van Lievegoed zo goed mogelijk weer te geven.

Lievegoed meent dat de Parzival historische gebeurtenissen beschrijft uit de negende eeuw, toen pas een einde was gekomen aan de regering van Karel de Grote. Natuurlijk stammen het  taalgebruik, de gewoontes en het verhaal over Gahmuret uit de dertiende eeuw. In de dertiende eeuw was de verhouding oost-west echter heel anders dan in de negende eeuw, zodat een historische inleiding noodzakelijk was. Bovendien was de betekenis van de roman, zeker met betrekking tot de Ronde Tafelridders en de graal, ketterij. Daar rond 1200 de inquisitie zeer actief was, moest Wolfram in beelden en imaginaties schrijven, zodat de achterliggende ideeën slechts door ingewijden konden worden begrepen. Maar, zo meent Lievegoed, uit de beschrijving van de constellatie der planeten is te berekenen wanneer het verhaal zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Een mondelinge overlevering van 400 jaar is volgens hem geen   uitzondering. Pas wanneer een verhaal verloren dreigt te gaan, wordt het opgetekend. Arthur is niet de naam van een persoon, maar de naam voor een functie, namelijk die van koning van de Kelten.

Lievegoed vindt dat het boek deel moet gaan uitmaken van onze cultuur. De eerste reden hiervoor is dar Wolfram elementen uit een bestaande materie op een geheel eigen wijze heeft samengevoegd en enkele nieuwe elementen daaraan heeft toegevoegd. Inhoud en compositie zijn daardoor verrassend, nieuw rn goed op elkaar afgestemd. Hij doelt vooral op de ontwikkelingen van Gawan en Parzival. De tweede reden is, dat de Parzival een voorbode was van een toen toekomstige cultuur met een voorspellende waarde, zoals de Odyssee dat op een ander niveau is geweest.

Voorbode
Lievegoed begint meteen te vertellen over het belang van de Odyssee. In de ontwikkelingsfase waarin de mens zich bevond tot de tijd waarin Homerus schreef, beleefde hij de wereld op een bepaalde manier. Hij kon alleen primair reageren op wat hij waarnam: de reactie was spontaan, zintuiglijk en gericht op de waargenomen werkelijkheid. Concrete gebeurtenissen en personen, en zijn reacties daarop, kon hij zich achteraf wel voor de geest halen, maar met abstracte denkbeelden ging dat moeilijker. Tot in de tijd der Pythagoreeërs (zesde eeuw voor Christus) gold het zich voorstellen van een driehoek als een topprestatie in het abstracte denken. In een nog eerdere ontwikkelingsfase van de mens was hij niet eens in staat zich gebeurtenissen te herinneren.

De Odyssee is de voorbode van het einde van die ontwikkelingsfase. De mens betreedt hier de volgende trede op de psychische ontwikkelingsladder, en wel in de persoon van Odysseus. Na tien jaar oorlog waren de Grieken de strijd moe. Odysseus bedenkt echter een list. Met behulp van het paard van Troje wordt de overwinning behaald. Niet de overwinning, maar de list is een teken van de nieuwe ontwikkelingen. De voorafgaande fase was, zoals Lievegoed het noemt, die der gewaarwordingsziel, de nieuwe is die der verstandsziel. De bewoners van Troje doorzien de list niet. Even zijn ze wantrouwend, maar ze beoordelen het paard slechts op het uiterlijk: groot en onschuldig. Odysseus is de eerste die zijn verstand op deze wijze creatief gebruikt. Daardoor is ook een list of leugen mogelijk geworden. Men gaat inzien dat de werkelijkheid zich anders aan de mens kan voordoen dan zij in feite is. De beschrijving van de overgang van gewaarwordingsziel naar verstandsziel heeft de Odyssee tot een tijdloos boek gemaakt. Het vormt een mijlpaal in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens. Door de eeuwen heen is het gewaardeerd en het is een deel geworden van onze cultuur.

De nieuwe ontwikkelingsfase, waarin de verstandszielemens heerst, loopt volgens Lievegoed door tot de vijftiende eeuw. De Parzival is een voorbode van de daaropvolgende ontwikkelingsfase, die der bewustzijnsziel, en is zijn tijd dus driehonderd jaar vooruit. Tussen 1200 en 1500 is de verstandszielemens op zijn hoogtepunt. Wat houdt de eigen manier van denken en doen in die fase precies in? Men reageert niet meer spontaan en primair, maar ontwikkelt het abstracte denken. Onder invloed van de Arabieren, die de klassieken kennen en bewerken, krijgt het intellect meer aandacht. De werkelijkheid wordt niet meer als zodanig beschouwd, maar via voorstellingen erover. Men stelt dogma’s tegenover elkaar en discussieert daarover, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘disputatio’, waarbij de opponenten van rol wisselen. Men probeert uit te vinden wat waar is, wat juist en wat fout is. Argumenteren is van groot belang, maar men mag de heersende dogma’s, die immers waar zijn, niet afvallen. Dus in het denken is men niet vrij. Non-conformisten worden gestraft. Vanaf 1200 teistert de inquisitie vooral Frankrijk. Het is ook de tijd van de grote verstandszielemensen als Albertus Magnus en Thomas van Aquino.

Zoals gezegd, kondigt de Parzival een nieuwe ontwikkelingsfase aan, die van de bewustzijnszielemens.

Biografie
Ieder individu, zo zegt Lievegoed, maakt in zijn biografie de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid door. Oudere fases dan die waarin iemand zich in een bepaalde tijd bevindt, worden als het ware eigenschappen die ontwikkeld kunnen worden. Daarom is het bijvoorbeeld mogelijk een kind tot op zeker niveau waarnemen en abstract denken te leren. Hij licht dit aan de hand van het volgende toe:

Gawan is vanaf zijn vierde jaar aan het hof van Artus, de Duitse benaming voor Arthur, die de broer is van zijn moeder, en krijgt daar een goede opvoeding. Hij is dé vertegenwoordiger en exponent van de cultuur van dat moment: de modelridder. Hij weet precies hoe hij zich moet gedragen en wat hij moet denken, hij weet met vrouwen om te gaan en is erudiet. Met de riddercode kan Gawan de werkelijkheid aan. Hij denkt en handelt altijd volgens het hoofse ideaal. Hij wordt echter van een lage moord beschuldigd. Dit is een nieuwe ervaring voor Gawan, het begin van een veranderingsproces. Uiteraard wil hij in een duel zijn gelijk bewijzen. Op weg daarnaartoe komt hij langs een belegerde burcht. Wegens zijn belofte het duel aan te gaan en zijn naam van blaam te zuiveren, houdt hij zich afzijdig van de strijd. De oudste dochter van de koning bespot hem en twijfelt aan zijn stand: ridder of koopman. Voor het eerst twijfelt iemand aan zijn maatschappelijke status, maar tegelijk stelt iemand anders, namelijk de jongste, twaalfjarige dochter Obilotte, alle vertrouwen in hem als
persoon en vraagt hem in haar naam te strijden. Gawan wijkt van zijn gedragscode af. Daarmee helpt hij weliswaar een vrouw, of liever gezegd een jong meisje van ongeveer twaalf jaar, in nood, maar hij doet dat ook voor zichzelf. Als hij de strijd in zijn voordeel en dat van de burcht heeft afgesloten, is hij edelmoedig tegenover de oudste dochter. Op het aanzoek van Obilotte gaat hij niet in: zij is nog veel te jong. Hij trekt verder en bereikt een andere burcht, waar hij uitstekend wordt ontvangen. Antikonie houdt hem aangenaam gezelschap. De burchtbewoners herkennen in hem de vermeende moordenaar van hun koning, de vader van Antikonie. In strijd met het gastrecht vallen ze hem aan. Hij en Antikonie verschansen zich in haar hoogste torenkamer en verdedigen zich met behulp van een schaakbord en -stukken. Net op tijd wordt hij ontzet. Ter compensatie voor het uitstellen van het duel moet hij de graal zoeken. Het aanzoek van Antikonie wijst hij af, omdat hij nog verder moet. Onderweg ontmoet hij Orgeluse, voor wie hij onmiddellijk in vuur en vlam staat. Zij
behandelt hem lomp, scheldt hem uit en bespot hem. Bovendien geeft ze hem steeds weer zware opdrachten, waarbij hij telkenmale bijna zijn leven verliest. Pas als hij de vierhonderd jonkvrouwen uit het ‘Schastel Merveile’ heeft bevrijd en een krans heeft bemachtigd, houdt Orgeluse op hen te beproeven. Ze bekent dan, dat ze doodsangsten heeft uitgestaan, maar dat ze hem de beproevingen moest opleggen. Gawan moest zijn ziele-ontwikkeling doormaken door ontmoetingen.

In het eerste avontuur wordt de gewaarwordingsziel in kinderlijke vorm uitgebeeld. Obilotte heeft meteen vertrouwen in Gawan. Zij vertegenwoordigt de gewaarwordingsziel. De liefde is kinderlijk en rein. In het tweede avontuur wordt de verstandsziel uitgebeeld. De hoogste kamer in de toren is op te vatten als de sfeer van het denkende hoofd. Een vrouw met een schaakspel is het beeld bij uitstek van de verstandsziel. In dit avontuur is er bovendien sprake van verraad. Gawan wijst Antikonie, die ongeveer dertig jaar zal zijn, af omdat hij verder moet. Hij begint te zien en te begrijpen. In het derde avontuur staan de beproevingen en de slechte behandeling centraal. Steeds weer moet Gawan zich met moed en tegenwoordigheid van geest redden uit levensgevaarlijke situaties. Orgeluse is een vrouw van rond de veertig jaar. Uit liefde voor haar houdt hij vol. Hij zet zich niet in als ridder, maar als Gawan. Hij beziet de werkelijkheid niet vanuit zijn ridderscode. Hij neemt zelf een standpunt in tegenover de code en zijn gedrag. Hii gooit als het ware zijn ‘ik’ in de strijd.
Daarmee is het wezen van de bewustzijnszielemens aangegeven. Deze neemt zelf een standpunt in en neemt een beslissing. Hij wordt geplaatst voor situaties die hij wellicht niet overziet, maar waar hij handelend mee om moet gaan. Moed en tegenwoordigheid van geest zijn nodig om die situaties aan te kunnen. Twijfel aan dogma’s en ideeën is daartoe een voorwaarde. (Het tweede woord van de proloog is ‘zwïfel’ (twijfel)! Een proloog neemt in de middeleeuwen een belangrijke plaats in in een boek.) De bewustzijnszielemens vergelijkt niet meer ideeën met elkaar, maar neemt zelf stelling tegenover die ideeën. De mens brengt zichzelf in de discussie in en draagt de verantwoordelijkheid daarvoor. De leeftijden komen ongeveer overeen met de overgangen in de moderne mens van de ene fase naar de andere, zo stelt Lievegoed.

Verschillende wegen
Gawan en Parzival gaan ieder een eigen ontwikkelingsweg. Gawan volgt de uiterlijke weg, de weg naar buiten. Hij ontwikkelt zich in het sociale leven, aan de ontmoetingen met vrouwen. Twijfel aan zijn persoon ervaart hij als kwetsend. Wanneer hij met Orgeluse is gehuwd, laat hij de zieleproblemen achter zich. Hij heeft in de beproevingen die hem door Orgeluse werden opgelegd,
bewustzijnszielekrachten veroverd. Hij eindigt zijn ontwikkeling waar Parzival is begonnen. Gawan heeft de Graal niet echt gezocht.

Parzival, die overal is geweest waar Gawan komt, heeft niets met de avonturen van Gawan te maken. Die behoren niet tot zijn ontwikkelingsweg. Na zijn wereldlijke opvoeding door Gurnemanz is hij op de hoogte van de cultuur van zijn tijd. Hij kan als wereldlijk ridder Conwiramurs redden. Maar innerlijk is hij nog ontwetend. Zijn tweede opvoeding krijgt hij op een andere manier: de graalweg. De graalburcht ligt verborgen in een bos waarin iedereen verdwaalt. Alleen diegenen die rijp zijn om de graal te beleven, kunnen hem vinden. Parzival komt ’s avonds bij de burcht en vertrekt ’s morgens. Hij beleeft die nacht het graalavontuur. De hele graalburcht is een nachtbeleven. Is het droom of werkelijkheid? De graalburcht, een objectieve innerlijke beleving. Parzival gaat die innerlijke weg, de weg van de geest. Hij ontwikkelt zich van dwaas tot ingewijde, niet aan de ontmoetingen in het sociale leven, maar aan innerlijke probleemstellingen: wat is het wezen van de graal? Wat betekent het dat Anfortas ziek is? Enzovoort.
Lievegoed bewondert Wolfram omdat deze de twee geschetste ontwikkelingslijnen in een uitgekiende compositie heeft uitgebeeld. Het resultaat hiervan is, dat duidelijk wordt dat Gawan en Parzival twee gelijktijdig optredende aspecten van één ontwikkelingsweg zijn, namelijk het ziels- en het geestesaspect. Gawan en Parzival vertrekken tegelijk van het hof, ze zijn praktisch op hetzelfde moment bij verschillende burchten. Ze komen tenslotte weer samen: buiten het hof, als onbekenden. Ze strijden. Wanneer Parzival dreigt te winnen, waarschuwt een schildknaap Gawan. Parzival maakt zich ook bekend. Ze staken de strijd en verzoenen zich uiteraard. ‘Ik heb miizélf verslagen’, zo zegt Parzival dan. En Gawan zegt: ‘Jouw hand heeft ons beiden verslagen.’

Wat mij niet helemaal duidelijk is geworden tijdens het gesprek is de verhouding tussen de ontwikkelingsfasen en het soort problemen waarmee men te maken krijgt. Volgen zij elkaar in de individuele, moderne mens op, overeenkomstig de genoemde leeftijden? En: kent iedere fase haar eigen problemen of loopt het onderscheid ziele- en geestesproblemen niet parallel aan de ontwikkelingsweg? Wellicht worden geestesproblemen in de verstandszielefase of in de vroege bewustzijns-zielefase ‘vertaald’ als zieleproblemen. Een dertigjarige denkt aan stress te lijden omdat hij ruzie heeft met zijn vrouw, maar in werkelijkheid twijfelt hij aan de zin van zijn bestaan. Voor een antwoord op deze vragen verwees Lievegoed me naar zijn boek De levensloop van de mens.

Het is volgens Lievegoed eigen aan de bewustzijnszielemens zich met morele zaken bezig te houden. Niet: is iets juist of fout, maar wat is het Goede of het Slechte. Daarin schuilt de basis voor de eigen verantwoordelijkheid. Dergelijke vragen worden tegenwoordig gesteld, bijvoorbeeld in de euthanasiekwestie. Deze stap, namelijk die van persoonlijke stellingname tot morele standpuntbepaling, kan in de Parzival mijns inziens niet los worden gezien van het graalmotief Parzival staat twee keer voor de keuze: Artus of Anfortas, uiterlijk of innerlijk. De eerste keer kiest Parzival (onbewust) voor het uiterlijk, namelijk voor Artus. Deze misstap maakt hii later goed door toch de graalweg te volgen. dit betekent dat het niet eigen is aan de bewustzijnszielemens om zich moreel in dogmata op te stellen (zo hoort het), maar wel om via een persoonlijke stellingname uiteindelijk, als hij zich ook innerlijk en ethisch ontwikkelt, op morele vragen uit te komen (hoort het wel zo?).

Inzicht
Lievegoed ziet in de Parzival een aanwijzing voor de moderne mens. De Parzival geeft geen eenduidige oplossingen, maar kan inzicht geven in de problematiek van de moderne mens. Gewelddaden, zoals de moord op de directeur van Renault, worden gepleegd om sociaal iets te bereiken. Als de moderne mens, de mens van de twintigste en eenentwintigste eeuw, niet een moreel standpunt zal nastreven dan zullen wij een strijd van allen tegen allen krijgen. Wij moeten leren het goede te doen vanuit een persoonlijk inzicht.

Ieder, zo zegt Lievegoed, heeft een lotsbestemming en is in het bezit van mogelijkheden of talenten. Ieder heeft de taak deze talenten als uitgangspunten te ontwikkelen. Indien men niet overeenkomstig zijn talenten handelt, dan raakt de lotsbestemming gefrustreerd, het ‘karma’ raakt in de war, men is ziek. Dit is Anfortas overkomen. Hij was voorbestemd graalkoning te worden, iemand die anderen te allen tijde onzelfzuchtig moet helpen. Eén keer kwam hij een vrouw, Orgeluse, niet onzelfzuchtig te hulp, maar uit begeerte. Hij raakte gewond aan zijn genitaalstreek. De ziekte treft hem in het kwetsbare deel van zijn persoonlijkheid. De Parzival leert dat een ander een zieke kan helpen. Niet via de bekende geneeswijzen, maar door het stellen van een vraag die een nieuw proces op gang kan brengen. Niet het antwoord, maar de vraag is het belangrijkste. Zij is de sleutel tot genezing, want zij getuigt van het juiste inzicht in de problematiek. De vraag was: ‘Oom, waz wir-ret dir?’, wat is er met jou, is jouw karma in de war? Parzival doorziet dat Anfortas niet gewoon ziek is, maar zijn geestelijke taak tekort heeft gedaan. In de moderne tijd is van ieder van ons het karma in de war. Allemaal hebben we het gevoel dat we niet datgene doen wat we zouden moeten kunnen. We leven beneden onze standaard. Pas als men tot een dergelijk inzicht is gekomen bij zichzelf, kan men werkelijk een eigen standpunt innemen en verantwoordelijkheid dragen voor het handelen dat daarop is gebaseerd. Dan pas is men een echte bewustzienszielemens: bevrijd van het eigen karma. Men heeft dan zoveel inzicht in het eigen kunnen en functioneren, dat men echte keuzes kan maken. Het proces van het herkennen van zowel de eigen problemen als de eigen mogelijkheden kan dus door een ander door middel van een vraag in werking worden gezet. Wellicht ook door een boek: de Parzival.

Kwaad en goed
Lievegoed heeft in zijn praktijk onder meer dit boek gebruikt als een hulpmiddel bij therapieën die zijn gericht op geestesproblemen. De beelden uit de Parzival kunnen duidelijk maken dat men een specifieke geestesproblematiek doormaakt en kunnen bovendien bij dragen aan de verheldering daarvan. Meer in het algemeen kan men zeggen dat beelden objectiverend werken, wat een van de redenen is dat ook psychologen als Jung en Assagioli er in hun praktijk gebruik van maakten. Afgezien van de rijkdom aan beelden die de Parzival bezit, kan het boek bij dragen aan het inzicht dat iedereen, vroeg of laat, dezelfde ontwikkeling doormaakt en moet doormaken.

Verder illustreert de Parzival dat uit het kwade het goede kan voortkomen. Lievegoed citeert in dit verband een middeleeuwse spreuk: ‘Es ist das königliche Recht des Bösen, dass es immer das Gute gebirt’. In de verstandszielefase mocht men geen verkeerde gedachte hebben. De brandstapel kon het gevolg zijn. Vandaar de strijd om definities van de feiten. Nu mag men wel andere gedachten hebben dan alleen de gangbare. Het gaat nu om andere dingen, om morele zaken. Als je verkeerd heb gehandeld, dan is dat nog goed te maken. Parzival bijvoorbeeld, behandelt Ieschute, wanneer hij haar voor het eerst ziet, niet erg ridderlijk, eigenlijk onheus. Haar echtgenoot, Orilus, komt later thuis, vertrouwt haar en haar relaas van de gebeurtenissen niet en behandelt haar slecht. Bij de tweede ontmoeting is Orilus ook aanwezig. Parzival verslaat hem en stuurt hem naar het hof van Arthur. Zonder de eerste wandaad en het goedmaken daarvan zou Orilus nooit tot het hof van Arthur, het culturele centrum van de wereld, zijn toegelaten. Je kunt alleen het goede doen als je kwadc kent. Zo is de graalweg het beeld voor de ontwakende nachtmens. In de middeleeuwen was het verschil tussen de dag- en nachtwereld veel kleiner, de nachtwereld was net zo reëel als onze dagwereld. Onze nachtwereld is: wat heb ik vannach gedroomd. Maar het nachtleven is geen subjectieve flauwekul. Het moet wakker worden in de
bewustzijnszielemens. Wij mogen niet meer slaper ons nachtbewustzijn moet zo worden, dat we daarin een stuk van onze ontwikkeling kunnen gaan.

Dit brengt mij weer bij de oorspronkelijke vraagstelling: past de Parzival in de huidige belangstellingssfeer? Het lijkt mij van wel. Hij biedt een vluchtweg, maar hij kan de eventuele vluchteling wellicht ook weer in de huidige tijd terugbrengen.
Lievegoed vindt dat het boek een cultuurvormende taak heeft: het geeft een dieper inzicht in de centrale problemen van deze tijd.

Het moge duidelijk zijn dat het boek zoveel mooie en diepe beelden bevat dat iedereen er wel iets van zijn gading in kan vinden.
Laffrée, Beuger en de schrijver van het heldere en informatieve voorwoord, professor Van der Lee, zeggen het respectievelijk als volgt: ‘De vertelling zelf is een graalschaal: onuitputtelijk stromen daaruit ideeën ei inspiraties. Daarom is zij (…) van alle tijden’; ‘Deze hele vertaling is erop gericht de lezer zélf het boek, schoon en duister als het is, te laten ontdekken’ en ‘Om de plaats van Wolframs Parzival in de geschiedenis van de westerse cultuur te bepalen is tot op heden nog niet gelukt. (…) Men heeft hem wel een voorloper van Luther genoemd, vergeleken met de Faust-figuur van Goethe. Maar zulks kan het poly-interpretabele werk van de dichter meer schaden dan baten, het doet deze hoofse-ridderroman onrecht (_).’

Peter de Beer, Jonas *10, 09-01-1987

[1] L.Beuger ‘Parzival’

 

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1045

 

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (4)

.

De drie bloeddruppels in de sneeuw

Reeds eeuwen lang hebben de beelden uit het Parcivalepos de mensen geboeid. Eén speciaal beeld, dat van de bloeddruppels in de sneeuw, heeft ook schilders meermalen geïnspireerd. Geïmponeerd door de wijze waarop dit deel van het verhaal uitgewerkt is, heb ik mij afgevraagd wat zich in dit beeld onthult.

Op het ogenblik dat Parcival de Graalsburcht onvoorbereid voor het eerst betreedt, heeft hij al een heel aantal avonturen achter zich. Hij heeft zijn moeder verlaten, bij wie hij zijn jeugd doorgebracht heeft, hij heeft kennis gemaakt met het raadsel van de dood en kennis gemaakt met de ridders van het hof van Koning Arthur. Hij is daarop de wereld ingetrokken met zijn oude paard en zijn ongevaarlijke houten speer, omdat zijn moeder hem immers beschermen wilde voor ernstige avonturen. Hij raakt al spoedig in moeilijkheden verwikkeld, waarvan de eerste is de ontmoeting met Jeschute in de tent. Hij vindt hier een slapende jonkvrouw. Zijn moeder had hem verteld dat men van een jonkvrouw proberen moest een ring te ontvangen en haar daarvoor een kus moest geven. Hij trekt dus voorzichtig een ring van haar vinger, geeft haar een zoen en sluipt ongemerkt weg. Als de jonkvrouw daardoor ontwaakt, is zij zeer onthutst over hetgeen haar gebeurd is. Als haar man Orilus thuiskomt gelooft hij van haar hele verhaal niets en denkt dat zij hem ontrouw geweest is. Dit kleine avontuur is later van groot belang, zoals we zullen zien. We zouden het zo kunnen karakteriseren dat Parcival hier onschuldig schuldig is. Hij bedoelt het goed, maar richt toch onheil aan.

Daarna komt hij aan bij het hof van Koning Arthur, hij vecht met Ither, de rode ridder, die hij met meer geluk dan wijsheid doodt door zijn houten lansje door een oogspleet van het harnas naar binnen te steken en Ither zo de schedel te doorboren. Vervolgens begint zijn leertijd bij Gurnemanz, in welke tijd hij ook voor het eerst Kondwiramur, zijn toekomstige geliefde, zijn ‘minne’ ontmoet. Al deze dingen zijn hier kort weergegeven in de veronderstelling dat ze min of meer bekend zijn.

Tenslotte komt hij op zekere avond in de Graalsburcht, die zeer onverwachts voor hem opdoemt in een hoog gebergte. Hij ziet hoe zijn oom Amfortas binnengedragen wordt op een rustbed, omdat hij verwond is, hij ziet de bloedende lans die eveneens binnengedragen wordt. Daarna wordt de Graal zelf binnengedragen, tal van jonkvrouwen en ridders komen binnen, scharen zich om de Graal, hij maakt het hele ceremonieel mee, ziet hoe allen door de Graal gespijzigd worden, doch begrijpt er niets van. Dat hij niet vraagt wat dit alles betekent, is de bekende vraag die men wel de Parcivalvraag pleegt te noemen, dat wil zeggen, een vraag waar iets van afhangt, dat niet zal gebeuren als zij niet gesteld wordt.

Al deze dingen moet ik, zoals gezegd, als bekend veronderstellen. Als Koning Amfortas en de lans weggedragen worden, als alle jonkvrouwen en ridders de zaal verlaten hebben, als de Graal weggedragen is, wordt hij naar zijn eigen kamer geleid waar hij een onrustige nacht doorbrengt. In de vroege ochtend wordt hij wakker, hij vindt zijn wapenuitrusting naast zijn bed, hij kleedt zich aan, gaat naar de binnenplaats, ziet geen mens, doch wel dat zijn paard gezadeld klaar staat; hij stijgt op zijn paard, rijdt de slotbrug weer over die onmiddellijk daarna omhoog klapt, hij hoort nog een verwijtend woord dat hem nageroepen wordt, hij voelt ook heel duidelijk dat hij iets verzuimd heeft, maar hij weet eenvoudig niet wat.

Bij alle verhalen over Parcival moeten we goed begrijpen dat van zijn kant uit hij geen fout gemaakt heeft. Hij had geleerd dat het onbeleefd is om vragen te stellen; dat is een van de dingen die altijd aangehaald worden om hem te verontschuldigen. Het hele verhaal krijgt echter nog een ander aspect wanneer wij het volgende in ogenschouw gaan nemen.

Als Parcival verder rijdt, ziet hij aan de kant van de weg een jonkvrouw zitten met een dode ridder, Schionatulander, op haar schoot, die zij beweent; het is Sigune. Zij kent Parcival, spreekt hem aan, spreekt over haar eigen verwantschap met hem, zij vertelt hem over zijn moeder, enz. De hoofdzaak is dat wij het beeld, de jonkvrouw met de dode ridder op haar schoot, goed in onze herinnering moeten inprenten. Het betekent namelijk een keerpunt in Parcivals leven. Wanneer hij verder trekt komt hij Orilus en Jeschute weer tegen. Omdat Orilus nog steeds gelooft dat zijn vrouw hem ontrouw geweest is, mag zij niet naast doch slechts achter hem rijden, gehuld in bedelkleren, een beeld van schande.

Wat later komt hij op een grote besneeuwde vlakte, waarbij hij een roofvogel in de lucht ontdekt, die een gans met zich meesleurt die weliswaar weet te ontkomen, doch verwond is, zodat drie bloeddruppels op de sneeuw vallen. Als Parcival deze drie bloeddruppels ziet raakt hij helemaal in trance. Hij zit op zijn paard, staart naar het bloed op de sneeuw en vergeet alles wat om hem heen gebeurt.
Dicht in de buurt is het hof van Koning Arthur gelegen. Er zijn ridders die in de omgeving rondrijden, één van hen ontdekt Parcival, die hij kent. Hij spreekt hem aan en vermaant hem mee te gaan naar Koning Arthur, doch Parcival reageert helemaal niet. Enigszins verbaasd probeert de ridder thans Parcival min of meer uitdagend te benaderen door een soort van gevechtshouding aan te nemen. Daardoor ontwaakt Parcival een ogenblik uit zijn droomachtige toestand, hij neemt zijn lans, rent op de ander in, stoot hem uit het zadel en gaat weer naar zijn oude plaats terug, starend naar de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Om de geschiedenis niet te lang te maken is het voldoende om te zeggen dat het een andere ridder net zo vergaat, die zelfs nog ongelukkiger komt te vallen zodat hij een been en een arm breekt. Men zou kunnen zeggen dat de verontwaardiging onder de ridders van Koning Arthur steeds groter wordt, terwijl Parcival zich van alles niets aantrekt en slechts onafgebroken geheel verzonken blijft in het beeld van het bloed op de sneeuw.

Tenslotte verschijnt zijn vriend Gawan ten tonele. Hij kent Parcival goed, begrijpt wat er aan de hand is, neemt zijn mantel en bedekt daarmee de bloeddruppels. Nu pas kan Parcival ontwaken uit deze quasi hypnotische toestand, waarna hij met Gawan meegaat naar het hof van Koning Arthur.

Wat is de diepere achtergrond van deze scène met de drie bloeddruppels? Wolfram von Eschenbach geeft zelf een antwoord; hij zegt dat Parcival door deze bloeddruppels herinnerd wordt aan de blos op de koon van zijn geliefde. Hij wordt om zo te zeggen herinnerd aan zijn ‘minne’, dat wil zeggen het ideaal waarvoor hij ten strijde trekt. Ook Chréstien de Troyes geeft een soortgelijke verklaring.

Ik heb nooit helemaal begrepen hoe men bij het zien van bloed aan de kleur van de blos op iemands wangen kan denken, doch aan de andere kant komt dit beeld meer voor. Immers, bij het sprookje van Sneeuwwitje horen we ook dat haar moeder, toen zij voor het venster zat te naaien, zich in de vinger prikte en dat drie bloeddruppels op de sneeuw vielen. Bij de aanblik daarvan zegt de moeder dat ze hoopt een kind te krijgen met een huid zo wit als sneeuw en zo rood als bloed. In zoverre dekken deze twee verhalen elkaar. Doch er zijn nog meer voorbeelden van bloeddruppels die een andere taal spreken. Zo bijvoorbeeld de Ganzenhoedster, waar bloeddruppels op een wit zakdoekje gedruppeld worden door een moeder, die dit aan haar dochter meegeeft en erbij zegt: ‘bewaar het goed, je zult het op reis nodig hebben’.

Een derde voorbeeld van hetzelfde beeld is gegeven in het sprookje van ‘De drie oude mannetjes in het bos’. De overige inhoud daarvan is voor ons niet van belang. We hoeven slechts te vermelden hoe een jong meisje, in een papieren jurkje en slechts een korst brood als proviand door haar boze stiefmoeder midden in de winter, als alles besneeuwd is, het bos ingestuurd wordt om aardbeien te zoeken. Als ze bij een klein huisje komt ziet ze drie oude mannetjes uit het raam kijken, die haar vragen wat ze daar komt zoeken. ‘Ik moet van mijn moeder aardbeien zoeken in het bos’, zegt ze. ‘Maar kind’, antwoorden de drie mannetjes, ‘je kunt in de sneeuw toch geen aardbeien vinden!’. ‘Nee, dat weet ik, maar ik durf niet zonder thuis te komen’. Ze wordt daarop binnengelaten, ze mag zich warmen bij het vuur en de mannetjes vragen haar of ze iets van haar brood kunnen krijgen omdat ze honger hebben, waarop het meisje vanzelfsprekend haar brood met hen deelt. Hierop vraagt er een of ze hun nog een dienst zou willen bewijzen, waartoe ze graag bereid is. Ze geven haar een bezem en verzoeker haar de sneeuw voor de achterdeur weg te vegen. Als ze dat doet komen er van onder de sneeuw prachtige aardbeien te voorschijn.

De verdere geschiedenis hoeft, zoals reeds gezegd, niet vermeld te worden. Het gaat erom dat wij duidelijk hetzelfde beeld weer tegenkomen, een beeld dat ons onmiddellijk herinnert aan het bloed op de sneeuw.

Wij kunnen ons nu weer afvragen: wat kan dit beeld ons vertellen? Hiertoe moet men een aantal indrukken samennemen: Parcival komt uit de Graalsburcht met de vraag in zich wat dit alles te betekenen heeft. Hij ziet eerst Sigune met Schionatulander op haar schoot, dan Orilus en Jeschute. Pas daarna wordt hij geconfronteerd met het mysterie van de drie bloeddruppels in de sneeuw.

Parcival staat gefascineerd naar het bloed te kijken, zo zegt men. Ik meen echter dat er nog een andere opvatting mogelijk is, die geheel nieuwe gedachten in ons kan opwekken. Wij zouden ons kunnen vragen: waar kijkt Parcival naar? Als wij dan vanzelfsprekend zeggen: naar het bloed, meen ik dat hier een eenzijdigheid dreigt. Zeker, hij ziet dat bloed, doch ik zou willen opmerken dat bloed voor Parcival niets bijzonders is. Hij heeft veel gevechten geleverd, veel mensen gedood; bloedige avonturen zijn hem overbekend. Ik ga nu zo ver door te zeggen dat Parcival in werkelijkheid niet naar het bloed kijkt. Hij kijkt naar de sneeuw, hij is verbijsterd door het licht! Om welk licht gaat het hier? – Juist dit ligt uitgedrukt in de opeenvolging der besproken beelden.

Orilus en Jeschute, een beeld van een onschuldige schuld, een beeld van de zondeval tengevolge van een verleiding waar de mens nog niet tegen bestand was.
Rudolf Steiner gebruikte eens de uitdrukking: ‘Von Anderen erschuldete Selbstheit Schuld’ om de zondeval te karakteriseren, wijzende op de bijzondere verhouding tussen mens en Lucifer. – Eerder had Parcival Sigune en Schionatulander ontmoet, waarin wij het beeld der ‘Piëta’, Maria met de Christus op haar schoot, kunnen herkennen. Michelangelo heeft dit in zijn plastiek – in de Sint Pieters Kerk in Rome — wel onnavolgbaar schoon uitgebeeld.

Daarna krijgen wij de scène met de bloeddruppels, waarvan ik zei dat het licht hetgene is wat Parcival zo fascineert. Voor mij betekent dit niets anders dan dat Parcival voor het eerst gewaar wordt dat het bloed veranderd is, dat wil zeggen dat het bloed niet meer het bloed is wat wij kennen uit de begrippen: bloedig, bloedwraak, bloedschande, enzovoort. Het bloed is veranderd sinds het Mysterie van Golgotha en op het ogenblik dat Parcival de bloeddruppels in de sneeuw ziet wordt hij er zich voor het eerst van bewust dat dit gebeuren een totale omwenteling betekent in de menselijke evolutie. Wat er gebeurd is op Golgotha is een ‘tegengebaar’ ten opzichte van de zondeval. Vandaar de opeenvolging van de beelden: Sigune-Schionatulander en Orilus-Jeschute.

Men zou nu zeggen dat het begrijpelijk wordt dat Parcival niet vraagt naar de dingen die hij in de Graalsburcht ziet. De verwonde Amfortas, de bloedende lans, het zijn alle beelden die hem volstrekt geen verwondering inboezemen, zij behoren tot zijn dagelijkse ervaring. – Van de Graal kan gezegd worden dat hij daar inderdaad niets van kent of begrijpt, doch wij hebben reeds gezien dat vragen daarnaar voor hem een ongepastheid geweest zou zijn. Van een werkelijke achtergrond bevroedt hij nog niets.

Is het niet wonderbaarlijk dat zich direct daarna de hele reeks gebeurtenissen afwikkelt die tot het dramatische hoogtepunt van het gebeuren op het sneeuwveld leiden?

Doch het wordt nog onthullender wanneer wij de sprookjesachtige beelden die daarna besproken zijn nog eens duidelijk beschouwen. Bloeddruppels in de sneeuw bij Parcival drukken uit dat iets nieuws, een lichtkracht zich met het bloed verbonden heeft. Dezelfde bloeddruppels in het verhaal van Sneeuwwitje worden in verband gebracht met een toekomstige geboorte in de mens. De bloeddruppels op het witte lapje in het sprookje van de Ganzenhoedster betekenen een hulp in de nood waarin de mens dreigt te gaan verkeren. Het rode op het witte in het sprookje van de Drie Mannetjes wijst op een eigenschap van goedheid en bescheidenheid die in de mens leeft.

Zo ontstaat langzamerhand een geheel, een geheel waarbij meer en meer naar voren komt wat zich in de loop der tijden met de menselijke ontwikkeling met ieder mens verbonden heeft, wat in ieder mens te vinden is als een nieuw begin, als een keerpunt in zijn verhouding tot de geestelijke wereld. Het beeld van Sigune met Schionatulander richt de geest van Parcival op het gebeuren op Golgotha, op het moment in de aarde-ontwikkeling waar het Christuswezen zich met de mensheid, dit wil zeggen ook met ieder mens op aarde, verbond. Sindsdien is het bloed veranderd.

In het bloed hebben we met een wonderbaarlijke substantie te maken. In Goethe’s ‘Faust’ zegt Mephistofeles, op het ogenblik dat Faust het verdrag van hem met zijn bloed zal ondertekenen: ‘Blut ist ein ganz besonderer Saft’. Mephistofeles maakt hiermede om zo te zeggen aanspraak op het bloed. De besproken beelden uit het Parcivalepos onthullen dat voor iemand wiens aandacht daarvoor gewekt is, een nieuw element — zij het voorlopig nog verborgen – in het bloed leeft.

Pas wanneer de mensheid zich bewust gaat worden van wat er in dit bloed veranderd is door het Mysterie van Golgotha, kan zij de weg ‘omhoog’ weer terug vinden.
Rudolf Steiner heeft hierover een aantal voordrachten gehouden die samengevat zijn onder de titel: ‘Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes’.*) Het is hier niet mogelijk daar verder op in te gaan, doch het komt er op neer dat het rode bloed de uitdrukking is van de menselijke begeerten en hartstochten, zoals ook in de meditatie van het Rozenkruis in ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ **beschreven wordt. Door de komst van de Christus verschijnt ‘licht in de duisternis’, wordt het bloed doordrongen met een nieuwe impuls, die het begin van een opstanding betekent. De indruk die Parcival heeft van het sneeuwveld en het bloed kan ook op deze manier gezien worden.
.

L. F. C. Mees, in een mededelingenblad van de antroposofische ver. in Nederland, jaartal onbekend (maart 1981?)

.

*GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes. Hannover 1911/12.
**GA 13
vertaald

.

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

 

1038

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-3)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 3

Parcival kan zijn weg alleen gaan als Gawan hem innerlijk begeleidt en alles doormaakt in de sfeer van het boze, wat aan Parcival bespaard wordt.

Laster en beproeving
Gawan maakt een wonderlijke ontwikkelingsweg door. Hij ontmoet eerst een gewonde ridder met zijn vriendin. Hij leert de vriendin hoe ze het bloed uit zijn vergiftigde wonde moet zuigen en gaat dan verder om de aanvaller te zoeken. Die zal hij ook vinden maar eerst ziet hij nu een krijgshaftige edelvrouw onder een boom zitten en ‘tegen minne is Gawan een weerloos man’. Hij biedt haar zijn diensten aan, die ze spottend afwijst. Maar als hij graag wil kan hij haar paard gaan halen uit een nabije boomgaard. In de boomgaard wordt Gawan gewaarschuwd voor deze vrouw maar hij gaat met het paard toch naar haar toe. Ze staat hem toe met haar mee te gaan, maar hij moet voorop rijden. Onderweg ziet hij een kruid waarvan de wortel de gewonde ridder genezen kan. Hij graaft die uit en de vrouw spot: ach mijn ridder is slechts een dokter. Gawan verdraagt dit en als ze nu de gewonde ridder opnieuw ontmoeten, legt hij hem de wortel op de wonde. Op haar verzoek helpt hij de vriendin op het paard en van die
gelegenheid maakt de gewonde man gebruik om snel op Gawans paard te springen. Terwijl ze samen wegrijden roept hij: weet je wie ik ben, Gawan? Ik ben Urjan. Urjan was een ridder, die door Arthur ter dood veroordeeld was en door voorspraak van Gawan dat gewijzigd kreeg in vier weken met de honden uit de hondebak eten. In hun gesprek valt een merkwaardig woord:

‘Wie een ander het leven redde, die zal dat door die ander nooit vergeven worden! ’

We zijn in een wereld beland waar de allerlaagste instinkten werken. Ook dat moet de graalzoeker leren kennen.
Sinds enige tijd rijdt met hen mee een dwerg, Malcreatuur. Hij is de dienaar van de hertogin en een broer van Kundrie. Hij beledigt Gawan en Gawan tuchtigt hem maar verwondt zijn handen aan het glasharde haar van de dwerg. De hertogin spot: eerst leek je een ridder, toen een dokter en nu ben je zelfs een voetknecht geworden. Hij neemt dan het kreupele rijdier van de dwerg.

Enige tijd later ontmoeten ze de ridder die voor de hertogin strijdt, Lischois Giwellius. De strijd is onvermijdelijk en Gawan overwint Lischois. Weer doet zich iets merkwaardigs voor: het kasteel Logrois dat aan Orgeluse behoort, is omgeven door een stroom, waarover een veerman overzet. De veerman komt nu en eist van Gawan het paard waarop Lischois reed, want zo is de zede hier: winst wordt verlies. Gawan constateerde tot zijn verwondering dat Lischois op zijn eigen (Gawans! ) paard reed en hij wil dus niet anders dan zijn eigendom terug. In het land van Klingsor echter gelden andere wetten dan die van het wakkere bewustzijn. Het is de spiegelwereld van de tegenstandersmachten van de mens: het boze lijkt goed en het goede doet zich als het boze voor. Op de weg naar de Ik-wording moet deze onzekerheid worden doorgemaakt.

Gawan mag bij de veerman overnachten en als hij de volgende morgen naar de burcht omhoog ziet, ziet hij vele vrouwengezichten voor de vensters. Hij vraagt de dochter van de veerman, Bene, uit, maar die begint te huilen. Als de veerman zelf gevraagd wordt, wil hij ook eerst niet antwoorden, maar tenslotte vertelt hij hoe daar vierhonderd vrouwen en vier koninginnen gevangen worden gehouden door Klingsor en dat degene die het avontuur op het lit merveille, het wondcrbed, kan doorstaan, de vrouwen verlossen kan. Maar hij raadt hem af dit te proberen.

Gawan is dus kennelijk op Chatel Merveil, het kasteel waarvan Kundrie sprak toen ze Parcival bij Arthur wegjoeg. In een later stadium zal hem worden verteld hoe het alles in elkaar zit. Eerst moet hij nu het avontuur op het wonderbed doorstaan. Als hij het kasteel betreedt, komt hij in een zaal waarvan de bodem bestaat uit edelstenen, die zo zijn gevoegd dat de vloer spiegelglad is. Hij springt op het bed dat op vier wielen van robijn heen en weer rolt en, zodra hij erop ligt, regent een hagel van stenen en pijlen op hem neer, geworpen en geschoten door vijfhonderd steenwerpers en vijfhonderd boogschutters. Hij loopt vele wonden op ondanks het harde schild dat de veerman hem gegeven heeft. Als dit alles ophoudt, treedt een reusachtige man binnen met een knots. Als die ziet dat Gawan nog leeft, laat hij een wilde leeuw op hem los. Gawan overwint ook de leeuw door hem te doden maar valt dan bewusteloos op het dier neer.

Eén der koninginnen, die alles heeft waargenomen, komt nu binnen om zijn wonden te verzorgen. Het is de oude koningin Arnive, de moeder van koning Arthur. Zij helpt hem met een zalf die Kundrie haar heeft gebracht en die ook de pijnen van Amfortas verzacht. Weer vinden we hier de samenhang met de graalsstroming, maar ook met de Arthurstroming. Ze komen steeds dichter bij elkaar. Ook Parcival was een dag voor Gawan bij de veerman maar hij versmaadde de tocht naar de burcht nadat hij wel Lischois Giwellius overwonnen had. Ook hier weer het beeld dat Gawan de gevaren van het boze doormaakt als plaatsvervanger voor Parcival.

Wat is er met deze avonturen aan de hand? We verkeren nog steeds in de wereld waar alles omgekeerd is. Het is de wereld van de levenskrachten, die zich wild chaotisch kunnen uiten en ook de basis van de fantasie zijn. Wilde vitaliteit is het waarin Klingsor zijn macht kan uitoefenen.

Opheldering
Gawan kan de slaap niet vatten door de gedachten aan Orgeluse, de hertogin van Logrois. Hij staat vroeg op en onderzoekt de burcht. Alles is nu zijn eigendom. Hij ziet in een bovenzaal een zuil, die de gehele omgeving weerspiegelt. Daar ziet hij Orgeluse naderen met weer een andere ridder, een Turk. Hij beschouwt dit als een uitdaging, wat het ook is. Hij steekt ook deze ridder neer, maar Orgeluse blijft hem honen. Ze belooft hem echter minne als hij voor haar een krans haalt van de boom, die door Gramoflanz wordt behoed.

Gawan maakt zich op weg en moet nu te paard over een gevaarlijke stroom springen. Hij redt het bijna maar het paard blijft nog juist haken en valt terug in de wilde stroom. Gawan zelf kon de oever bereiken en geleidt nu zijn paard naar een plaats waar het de oever bestijgen kan. Hier plukt hij een krans van de boom en als hij dat gedaan heeft verschijnt koning Gramoflanz ongewapend. Hij is niet gewend met slechts één ridder tegelijk te strijden, hij strijdt alleen met twee tegelijk. Hij zegt echter één uitzondering te willen maken, n.l. voor de zoon van koning Lot van Noorwegen omdat Lot zijn vader (die van Gramoflanz) zou hebben gedood. Als Gawan zich bekend maakt als de zoon van koning Lot spreken ze een tweekamp af op het veld van Joflanze in het bijzijn van het hof van Arthur. Tegelijk bekent Gramoflanz aan Gawan zijn liefde voor één van de koninginnen op Chatel merveil, Itonje, de dochter van Lot, Gawans zuster. Eens heeft Gramoflanz de echtgenoot van Orgeluse, Cidegast verslagen en sindsdien staat zij hem naar het leven. Orgeluse verandert nu van houding en bekent Gawan dat ze hem alleen maar op de proef heeft willen stellen. Gawan, de licht ontvlambare, moet tonen de verleidingen van het gebied van Klingsor te kunnen doormaken als overwinnaar. Dan komt hem de krans der deugden toe, die Gramoflanz behoedt. Ook valt hem dan de liefde van Orgeluse ten deel, die door Parcival was versmaad.

Gawan zendt nu een bode naar koning Arthur om hem uit te nodigen voor de tweekamp. De bode krijgt de opdracht tegenover iedereen te zwijgen over wie Gawan is en ook aan Arthur niet mee te delen dat Gawan heer is van Chatel merveil. Arnive tracht tevergeefs de schildknaap uit te horen en weet nog steeds niet wie hun bevrijder is.

Wie is Klingsor?
Gawan laat zich door Arnive vertellen wie Klingsor is. Hij was oorspronkelijk een hertog van Capua in Campanië en een neef van de tovenaar Virgilius in Napels. Hij beminde een vrouw van een ander en deze castreerde hem toen hij hem met zijn vrouw in bed verraste. Uit wraak leerde Klingsor de toverkunst en kreeg van de vader van Gramoflanz het gebied geschonken waarin hij dan Chatel merveil kon bouwen. Klingsor haat man en vrouw, ‘vooral wanneer ze goed en edel zijn’. Hij probeert ze een strik te spannen zodat hij ze in zijn macht krijgt. ‘Ook beheerst hij met geweld, alle geesten die men kent tussen aarde en firmament, of ze boos zijn dan wel goed, tenzij God ze behoedt’. Zo vertelt Arnive over Klingsor. Hij is de macht die er plezier in heeft de mens ten val te brengen als zich ergens een zwakheid toont. Deze wereld behoort nu aan Gawan. Hij kent de verleidingen en kan daardoor dit rijk ten goede wenden. Hier komt duidelijk een zeer bepaalde stroming in het christendom tot uiting, die zijn grootste historische openbaring vond in het Manicheïsme, waar het er om ging het boze door liefde in het goede te metamorfoseren.
De dichter Christiaan Morgenstern drukt het zo uit: Freunde, liebt dat Böse gut!

Parcivals terugkeer
Gawan verzamelt nu alle groepen op het veld van Joflanze: het leger van Arthur, de ridders van Klingsor, de manschap van Orgeluse. Gramoflanz wordt uitgenodigd tot de tweekamp.
Gawan rijdt in de vroege morgen uit en ontmoet een ridder, die een krans van de boom der deugden draagt. Hij houdt hem voor Gramoflanz en begint de strijd. Als hij bijna het onderspit moet delven komt Gramoflanz begeleid door de ridders van Gawan. De boden roepen zijn naam en de andere ridder werpt zijn wapens weg en maakt zich bekend als Parcival. Hij jammert dat opnieuw het onheil hem vervolgt en zegt: ‘Mijn eigen geluk heb ik bestreden, voor mijzelf de nederlaag geleden’. Gawan keert dit om en zegt: ‘Jezelf heb je overwonnen’. Zo nabij zijn de beide helden elkaar, dat ze als het ware verwisselbaar zijn, ze zijn één. Parcival is dan ook bereid voor Gawan met Gramoflanz te strijden, daar Gawan uitgeput is. Maar Gramoflanz weigert, hoewel Parcival immers ook een krans van zijn boom heeft geroofd. Ook Gawan weigert echter. Parcival wordt nu in de kring van de tafelronde opgenomen en als nu ook Itonje ervaart dat er gestreden moet worden tussen haar geliefde en haar broer, smeekt ze Arthur om bijstand. Arthur weet een verzoening tot stand te brengen en des avonds vindt een reeks bruiloften plaats: Gramoflanz en Itonje, Lischois met de andere zuster van Gawan, Kundrie (niet de bode van de graal), Arnive met de Turk en Orgeluse met Gawan.

Is dit het normale, ietwat platte ‘eind goed al goed’? De bruiloft is in de middeleeuwen altijd ook symbool van de verbinding van de ziel met de hogere wereld. Gawan en Parcival hebben elkaar gevonden en daarom kunnen de bruiloften plaatsvinden. Maar het is het einde niet. Parcival is onbevredigd. Hij rijdt weg. Het symbool is niet genoeg. Er moet nog meer gebeuren.

De ontmoeting van twee werelden
Als Parcival uitgereden is ontmoet hij een heidense ridder. De strijd ontbrandt en Parcival gaat door de knieën. De kracht van de ander wordt gesterkt doordat 
strijdkreet zijn geliefde aanroept: Sekundille. Parcival vertrouwde op God maar denkt nu ook aan Kondwiramur en heft de strijdkreet ‘Belrapeire’ aan. Hij weet de ander op de knieën te krijgen maar dan breekt zijn zwaard. De ander maakt daar grootmoedig geen gebruik van en is zelfs bereid als eerste zijn naam te noemen: Feirefisz, de Anschewein (heerser over Anschauwe). Parcival zegt verontwaardigd: Heer verzin iets anders, want de Anschewein ben ik. Na enig geharrewar ontdekken ze dat ze halfbroers zijn. Feirefisz is zwart en wit als een zebra. Hier komt het oermotief van het begin terug: zwart en wit tesamen. Niet het licht alleen maar ook de duisternis. Toch is dat niet de eindoplossing, zoals we nog zullen zien. Maar wel moet hier zich oost en west met elkaar verbinden, of liever ze zijn verbonden maar ze moeten deze verbondenheid inzien en waar maken.

De terugkeer op de graalsburcht
Ook Feirefisz wordt nu in de tafelronde opgenomen. De tafelronde wordt nu verrijkt met wereldwijdheid en de vereniging der tegenstellingen.

Nu verschijnt Kundrie, de bode van de graal, opnieuw en ze verkondigt dat de vloek over Parcival en de tafelronde is opgeheven. Parcival wordt tot de graal geroepen en hij mag één andere ridder meenemen. Hij kiest niet Gawan (die heeft andere taken) maar Feirefisz.

Op de graalsburcht aangekomen, vraagt Parcival aan Amfortas: ‘Oom, wat scheelt eraan? ’ En terstond wordt Amfortas gezond en jeugdig. Parcival wordt nu tot koning van de graal gekroond. Er komt een bode die meldt dat Kondwiramur met haar twee zoons onderweg is en reeds dichtbij. Parcival trekt haar tegemoet maar gaat eerst nog bij Trevrizent langs en vindt dan zijn vrouw na vijf jaar terug met een tweeling, Kardeis en Loherangrin. Kardeis wordt gekroond tot koning van de wereldlijke rijken van Parcival en Kondwiramur, terwijl Loherangrin tot opvolger van Parcival als graalkoning is bestemd.

Op de weg naar Monsalvatsch bezoekt Parcival nog de kluis van Sigune. Deze is nu gestorven. Haar taak als begeleider van Parcival op de kritieke momenten van zijn leven, telkens als hij een stap verder moest in zijn bewustzijnsontwikkeling, is nu voorbij.

Als de graal wordt binnengedragen op de burcht, ziet Feirefisz wel de draagster van de graal, Repanse de Schoie. Maar hij ziet niet de graal zelf. Hij vat een diepe liefde voor Repanse op en is bereid zich om harentwil te laten dopen. De graal zelf kan hij niet zien omdat hij niet gedoopt is. De graal is alleen te zien voor de voorbereide mensen. Maar hij heeft liefde voor wat op aarde zichtbaar is als de draagster van het hogere leven.
Als hij de volgende morgen wordt gedoopt, trouwt hij met Repanse, nadat hij ook de graal kon zien. Ze trekken naar Indiê waar hij het Christendom verbreidt. Ze krijgen ean zoon, die de naam priesterkoning Johames zal krijgen.

Nu eerst is alles voltooid. De eenheid der tegenstellingen is niet voldoende uit zichzelf. Ze moet doordrongen worden door de krachten van de graal, die de Christus op aarde vertegenwoordigt. De graal verbindt de tegenstellingen zo dat ze vruchtbaar kunnen worden. De zoon heet priesterkoning. Verbonden wordt de verhouding tot de geest (de priester) en het beheren van de uiterlijke wereld (de koning). Zijn naam is de naam van hem, die als enige de Christuskracht geheel in zich kon opnemen. Dit is echter een nieuw thema, dat hier slechts kan worden aangeduid.

J.Knijpenga, Jonas 18, 06-05-1977
.

Literatuur:
Wolfram von Eschenbach, Parcival, bew. door M. de Vries (Vrij geestesleven).
F.C.J. Los, Parcivals graaltocht (uitverkocht).
R. Meyer, Der Gral und seine Hüter (Urachhaus).
W.J. Stein, Weltgeschichte im Lichte des heiligen Gral (Stuttgart-Wien 1928).

 

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [2]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

1033

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 11e klas – Parcival (3-2)

.

EEN MIDDELEEUWS EPOS ALS BEGELEIDER OP EEN BEWUSTZIJNSWEG 2

Na het eerste stadium van de ‘tumbheit’ begint voor Parcival nu spoedig het stadium van de twijfel, de ‘zwifel’. Hij is nu niet naïef meer, maar toch laat hij zijn paard de vrije teugel, d.w.z. hij vertrouwt op zijn instinctieve intelligentie om hem de weg te wijzen. Er is nog nergens een bewuste beslissing. Na een lange rit bereikt hij een woud, waar hij een klein meer ziet. Twee vissers zitten daar in een boot. De één is rijk gekleed en op zijn vraag naar een onderdak antwoordt deze visser: dertig mijl hier in de omtrek is geen huis te vinden. Als ge wilt, zal ik echter graag uw gastheer zijn. Volg deze weg tot een zijweg en pas op dat ge die niet mist! Dan zult ge aan een burcht komen en men zal u welkom heten als ge zegt dat de visser u gestuurd heeft. Parcival vindt deze burcht en maakt er vele onbegrijpelijke dingen mee.

De gevolgen van een niet gestelde vraag
Hem wordt een plaats aangewezen in een grote zaal naast de visserkoning, die op een soort rustbed half ligt, half zit en kennelijk grote pijn lijdt. Er wordt een bloedende speer rondgedragen en iedereen, vooral de visserkoning, krimpt ineen. Daarna komen er vierentwintig jonkvrouwen binnen. Hun koningin, Repanse de Schoie, draagt de graal, die voeding geeft aan alle vierhonderd ridders die aanwezig zijn. Deze koningin, zuster van de visserkoning Amfortas, heeft ook reeds een mantel aan Parcival geschonken. De koning zelf schenkt hem een zeer bijzonder zwaard en duidt heel voorzichtig zijn lijden aan. Parcival vraagt niets, zoals hij van Gurnemanz heeft geleerd. Hij kan nog niet tot innerlijke zelfstandigheid komen.

De volgende morgen na een onrustige nacht, ziet hij niemand. Zijn paard staat aangebonden klaar op het voorplein. Hij ziet sporen van paardevoeten en besluit de ridders te gaan zoeken. Als zijn paard nog nauwelijks de achterbenen van de brug heeft wordt deze opgetrokken en een stem roept: ‘Gans, waarom heb je niets gevraagd?’

Het spoor gaat verloren in het struikgewas en Parcival hoort nu een klagende stem van een vrouw. Hij gaat erop af en vindt daar Sigune met haar dode vriend in haar schoot. Zij herkennen elkaar na enige tijd en Sigune vraagt of hij op de graalsburcht is geweest en de en de vraag heeft gesteld. Parcival zegt dat hii niets heeft gevraagd. Sigune scheldt hem uit voor een onmenselijk monster en wil niets meer met hem te maken hebben.

De graalskoning was ziek door een wonde aan het schaambeen, waarvan hij verlost kon worden als de naam van zijn opvolger op de graal verscheen. Maar deze opvolger moest dan wel de vraag stellen naar het leed van zijn gastheer zonder dat iemand hem daarop attent zou maken en ook moest die vraag meteen de eerste avond worden gesteld. Hier komt de volle geesteswakkerheid aan de orde die een zoeker naar hogere werelden moet hebben. Eigen initiatief is heilig. Hulp mag hem niet gegeven worden. Hij moet de tekenen zelf kunnen verstaan en op het juiste moment kunnen handelen.

Langzame bewustwording
Dit alles roept Sigune in hem wakker maar hij wordt nog niet helemaal bewust van wat hij heeft verzuimd. Hij besluit het weer goed te maken zonder te beseffen hoe lang de weg daartoe zal zijn. Eerst ontmoet hij nu nog een stuk vroegere schuld. Hij ziet een vrouw in lompen gehuld op een slecht paard rijden achter een zwarte ridder. Als hij haar aanspreekt waarschuwt ze hem dat haar echtgenoot hem doden zal. Hij herkent dan Jeschute, die hij in het ongeluk heeft gestort, want haar echtgenoot, Orilus de Lalander, kon niet anders denken dan dat ze hem ontrouw was geweest en liet haar als straf in lompen achter zich aanrijden. Parcival strijdt met Orilus, overwint hem en bezweert nu in een kluis in de nabijheid met de hand op een relikwie de onschuld van Jeschute. Hij neemt in een soort zinsverbijstering, waarin hij verkeert door al het gebeurde, een speer mee, de bonte speer van Taurian. Hij heeft iets goed gemaakt van zijn schuld en iets meer bewustzijn is in hem ontwaakt, maar hij blijft nog dromen. Sigune heeft hem hier belangrijk geholpen. Zij komt nog een keer terug in zijn leven om hem weer over een drempel heen te helpen.

Voorlopig vervolgt hij zijn weg weer door zich aan zijn paard over te geven. Het is vroeg in het voorjaar en het heeft gesneeuwd. In de vroege morgen wordt een gans door een valk verwond en enkele druppels bloed vallen in de sneeuw. Nog steeds in labiele toestand wordt Parcival hierdoor bedwelmd, want hij denkt nu aan Kondwiramurs mooie lichaam. In de nabijheid is het kamp van koning Arthur en de tafelronde is op zoek naar Parcival om hem in te lijven.

Arthur had zijn ridders laten zweren niet te strijden zonder zijn verlof. Nu ziet een schildknaap de rode ridder met opgeheven lans en hij slaat alarm. Segramors biedt aan met deze uitdagende ridder de strijd op nemen. Hij rijdt uit maar wordt smadelijk verslagen. Evenzo vergaat het Key. Dan rijdt Gawan uit, zonder wapens. Hij kent de macht van de liefde en hij begrijpt wat aan de hand is. Hij neemt een doekje en bedekt de drie bloeddruppels. Onmiddelijk komt Parcival tot bewustzijn. Gawan brengt hem nu bij Arthur.
Deze ontmoeting van Gawan met Parcival is beslissend voor de verdere ontwikkeling. Van nu af aan is hun lot steeds dichter met elkaar verweven.
De tafelronde viert feest omdat Parcival aangekomen. Maar Parcivals weg gaat niet naar Arthur, althans nu nog niet. Voor hem is een andere weg bestemd, maar zijn weg wordt van nu af verbonden met die van de tafelronde in de gestalte van Gawan.

Wakkerheid en twijfel
Er nadert een wonderlijke gestalte, Kundrie de la Sorziere. Ze wordt geschilderd als een lelijk schepsel met een hondeneus, slagtanden als een everzwijn, oren als een beer. Ze verkondigt aan de tafelronde dat deze een onwaardige in haar midden heeft opgenomen en vervloekt Parcival erger dan Sigune deed, omdat hij zijn taak bij de graal niet heeft begrepen. ‘Wee Montsalvatsch, dat uw leed niet werd opgeheven.’
Tevens vermeldt ze dat er nog steeds gewacht wordt op een ridder die Chatel Merveil, waar vier koningen en vierhonderd vrouwen gevangen worden gehouden door Klingschor, gaat bevrijden.
Als de ridderschap nog niet bekomen is van deze gebeurtenis nadert reeds een ander.
Deze keer een ridder, een vorst uit Askalon, Kingrimursel. Hij beschuldigt Gawan dat deze op laffe wijze koning Kingrisin heeft vermoord. Als hij zich onschuldig acht, moet hij dat bewijzen in een tweekamp, waarvoor hij zich binnen veertig dagen moet melden in Schampfanzun bij koning Vergulacht, de zoon van de vermoorde vorst.

Zo scheiden Parcival en Gawan beide van het hof van koning Arthur, de één om de graal te gaan zoeken, de ander om zijn onschuld te bewijzen. Maar hun wegen zullen steeds weer samenkomen zonder dat ze dat zoeken.

De twee-eenheid Gawan en Parcival
Gawan moet nu vele avonturen doormaken 
die alle een merkwaardig tintje hebben. Hij komt steeds in aanraking met het boze. Eerst ontmoet hij een jonge koning, die door strijd een huwelijk wil afdwingen met de dochter van zijn opvoeder en leenman. Gawan neemt de strijd op voor de leenman, omdat diens jongste dochter, een kind nog, Obilot, hem daarom smeekt. Maar als de strijd achter de rug is, blijkt Parcival aan de andere kant gestreden te hebben. Parcival aan de zijde van het onrecht?
Een merkwaardig raadsel treedt hier voor ons op. We moeten het voorlopig laten staan.
Gawan vervolgt zijn weg naar Schampfanzun en als hij daar in de buurt komt, ziet hij een jachtgezelschap in het moeras verdwaald. Hij helpt en blijkt zijn tegenstander, Vergulacht, uit het moeras geholpen te hebben. Vergulacht wil echter de jacht voortzetten en zendt hem naar Schampfanzun, waar zijn zuster, Antikonie, Gawan zal ontvangen. Vergulacht en zijn zuster zijn uit een elfengeslacht, een beetje licht. De licht ontvlambare Gawan wordt verliefd op Antikonie en juist als deze op zijn handtastelijkheden wil ingaan, komt een ridder binnen die alarm slaat, dat de moordenaar van zijn vorst nu ook diens dochter wil verkrachten. Antikonie sleept Gawan mee in een toren, waar zij zich met schaakstukken en een schaakbord als projectielen en schild verdedigen tegen de aanval van Vergulacht en de zijnen. De strijd wordt beëindigd door Kingrimursel, die aan Gawan een vrijgeleide heeft beloofd.
Gawan heeft het merkwaardige lot steeds voor iets te worden uitgemaakt wat toch niet helemaal zo is. Als hij in het vorige avontuur onder aan de burcht staat, zegt Obie, de oudste dochter van de burchtheer (om wie de strijd begonnen is) dat hij een marskramer is.
Hier bij Antikonie was het Antikonie zelf die er op inging.
Wat is er met Gawan? Waarom deze verdachtmakingen (hij heeft ook Kingrisin niet gedood)? Hij heeft toch een zekere binding met het boze. Gawan moet een zieleweg gaan. Parcival gaat de weg van een geestelijke ontwikkeling. In deze zin zijn Parcival en Gawan één. Gawan moet op zijn zieleweg alle verleidingen ontmoeten, die Parcival bespaard blijven, maar Parcival moet een veel zwaardere weg gaan.

Het blijkt nu dat de strijd tussen Gawan en Vergulacht niet kan plaatsvinden omdat Gawan moe is. Men zit aan tafel en Vergulacht vertelt hoe hij een ridder, die hem verslagen heeft moest beloven de graal te zoeken of zijn diensten aan te bieden aan de koningin van Belrapeire. Weer Parcival op de achtergrond en nu wordt overeengekomen dat Gawan in plaats van de tweekamp met Vergulacht nu het zoeken van de graal van hem zal overnemen.

Zo gaan nu Parcival en Gawan op weg naar hetzelfde doel. Vaak lijken hun avonturen op elkaar, maar Gawan zal niet de graalsburcht vinden maar het luciferische toverkasteel van de zwarte magiër Klingschor.

Het innerlijke keerpunt
Intussen dwaalt Parcival rond, zich van dag noch tijd bewust. Hij wanhoopt aan God, de twijfel heeft zijn dieptepunt bereikt. Hij ontmoet een oude ridder, die hem verwijt op deze dag rond te dolen in volle wapenrusting. Als Parcival zegt niet te weten welke dag het is, openbaart de ridder hem dat het de sterfdag van Christus is en de wijze oude man bedenkt hoe zwaar het leed van een mens moet zijn die zo rondzwerft zonder weet van de heilige tijden.
Hij raadt hem aan naar een oude kluizenaar te gaan, die hem helpen kan. Maar Parcival gelooft daar niet in en rijdt verder. Dan komt hij opnieuw bij Sigune, die nu een kluis bewoont waar zij bidt bij het graf van Schionatulander. Zij zegt hem nu vergeven te hebben en deelt hem mee dat Kundrie haar elke vrijdagavond voedsel brengt. Ze is er zo juist geweest en als hij de sporen van haar muildier volgt, zal hij bij de graalsburcht komen. Maar Parcival raakt het spoor bijster en komt nu toch bij de kluizenaar.

In lange gesprekken bekent nu Parcival dat hij bij de graal is geweest. De kluizenaar, Trevrizent vermoedt het omdat Parcival op een graalspaard rijdt. Hij heeft namelijk voor hij de oude ridder op goede vrijdag ontmoette strijd geleverd met een graalsridder (hij was er dus weer in de buurt) en diens paard veroverd nadat het zijne in de afgrond was gestort.
Het gesprek is een levensbiecht van Parcival en de oude Trevrizent, die een broer is van Amfortas brengt hem nu tot een zo vol bewustzijn dat hij rijp wordt om de graal terug te kunnen vinden. Trevrizent vertelt hem alles over de graal.
Eens viel een steen uit de kroon van Lucifer toen die uit de hemel verdreven werd. Uit deze steen is de graal gemaakt, die nu aan het geslacht van Titurel is toevertrouwd om heilsdrager voor de aarde te zijn.
Een wet voor de graalkoningen is dat ze slechts die vrouw mogen trouwen, die door de graal voor hen bestemd is. Daartegen heeft Amfortas gezondigd en zo heeft hij zijn dodelijke wonde opgelopen. Hij kan echter niet sterven zolang bij de graal ziet. Eens verscheen de naam van zijn opvolger op de graal en alle hoop was op Parcival gevestigd toen hij er kwam. Maar Parcival faalde en alle leed dat hij door moest maken, moest hem rijp maken voor zijn taak, die hij nu mag gaan vervullen.

Parcival komt door eigen daden telkens in de juiste omgeving waar hij dan geholpen wordt.

J.Knijpenga, Jonas 17 22-04-1977

 

L.Beuger ‘Parzival’

Een middeleeuws epos als begeleider op een bewustzijnsweg [1]   [3]

11e klas – Parcival  -impressie van een periode

11e klas – Parzival – impressie van een periode

11e klas – Parcival

11e klas – Parcival: over de 3 bloeddruppels in de sneeuw

Vrije Opvoedkunst:

De mens in ontwikkeling tussen omgeving en wereld: Parcival
W.A. Mees (Wijnand)
Juli 1974

Parsifal
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1941

De beteekenis der Parzivalsage voor onzen tijd
Mr. A.C. Henny (Arnold)
Maart 1937

Afbeeldingen op Wikipedia

 

1032

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (27)

.

IN DE ST.-JANSNACHT SPELEN DE GEESTEN HUN SPEL

Heksen – waan en werkelijkheid

Het sint-janskruid, dat in de nacht van 24 juni haar sterkste werking heeft, gold vanouds als een probaat middel tegen duivelse invloeden, met name hekserij.

Wat zijn heksen, en waar kwam de grote angst vandaan die in de 16e eeuw uitmondde in grootscheepse heksenverbrandingen? Om begrip te krijgen voor het ver­schijnsel heks, keek Henk Sweers terug tot in de oud-Germaanse tijd en vooruit tot in onze tijd.

Het heksengeloof vertoont trekken die el­ders worden verteld van verschillende soor­ten demonische gestalten: zielenvoorstellingen komen voor de dag in het geloof dat heksen (op een bezemsteel) door de lucht kunnen vliegen, en dat zij zich in een of andere dier­lijke gedaante (vooral graag als kat, maar ook als wezel, vogel, spin of insect) vertonen. Zij vieren nachtelijke feesten en dansen evenals dodengeesten, elfen, dwergen en trollen. Het geloof in heksen, dat aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld en later in de heksen­processen toch werd aanvaard, gaat terug tot in de heidense tijd.

Tún-rithr
Uit alle delen van de oud-Germaanse wereld hebben wij berichten over personen die to­verkunst bezaten. In de eerste Merseburger toverspreuk heten deze ‘idisi’. Volgens de Germaanse beschouwingswijze waren vooral vrouwen met bepaalde geestelijke gaven be­genadigd.
In andere klassieke bronnen klinkt vele ma­len een zekere vrees door voor Germaanse vrouwen, die zelfs deelnamen aan de strijd en door hun profetische gaven een grote in­vloed uitoefenden. Bij de Broekterers genoot Weleda een goddelijke verering. Tacitus noemt een zekere ‘Alb-rund‘(Albrund). Haar naam wijst al op een ‘geheim weten’. Bij de Semnonen was een zieneres ‘Ganna’ wier naam ook op helderziendheid en heiligheid wijst. Op een Griekse ostracon (stemschelp) uit circa 200 v. Chr. staat ‘Baloborg de sibylle der Se(m)nonen’. Baloborg kan zo iets als ‘Stafdraagster’ betekenen.
Een der belangrijkste Eddaliederen heet: Volospa. Dat wil zeggen De schouw van de Wolwa. J. de Vries duidt deze naam ook als ‘Stafdraagster’. Uit vele teksten blijkt dat deze leidinggevende vrouwelijke ingewijden, deze zieneressen, een grote verering genoten. Het meest verheven lied wordt een Wolwa in de mond gelegd. Op IJsland vindt men nog Volvaleithi (Wolwagraven) die door de be­volking nog altijd met een zekere schroom worden bezien.
Toch kende men in de oud-Germaanse tijd ook reeds Seithkona of wel tovervrouwen, die boosaardig waren. De Edda zegt dat men de tún-rithr (tuinrijd(st)ers) die door de lucht vliegen, kan dwingen hun tovergedaante op te geven. Het blijkt dat ook mannen de helderziendheid, die toen grotendeels nog atavistisch was, bezaten en ten kwade, dat wil zeggen ten eigen bate gebruikten. Om hun kwade invloed, die zij zelfs nog na hun dood konden uitoefenen, zoveel mogelijk te voorkomen, werden tovervrouwen en -man­nen verbrand, want daardoor wordt de op­lossing van het vormingskrachtenlichaam versneld. De as werd in zee uitgestrooid! Toch was ook dit niet altijd afdoende, want de Edda verhaalt dat de Asen de reuzin Gullveig (Gouddrank) met speren staken en drie maal verbrandden in de hel van Har (de Ho­ge), maar dat zij drie maal werd herboren. Men moet dit verhaal van de Wolwa echter veel meer als een beeld zien voor wat er zich in de geesteswereld afspeelde. Gullveig ver­oorzaakt namelijk de strijd tussen Asen en Wanen, tussen lagere en hogere goden. Het was ook geen mens maar een reuzin. En die kun je niet verbranden. Toch kunnen wij uit deze passage afleiden dat het verbranden van boze tovermannen en – vrouwen reeds in die tijd een normaal verschijnsel was.

Vestaalse maagden
Ook bij de Grieken en Romeinen waren hei­lige, helderziende mensen, voornamelijk vrouwen, zoals de Pythia, de opperpriesteres in Apollo’s heiligdom te Delphi, en de Griek­se en Romeinse Sibyllen. Het hoogtepunt in het strenge jaarritme, waaraan de heilige vrouwen, Sibyllen en Ves­taalse maagden onderworpen waren, was het eind van de Floralia.
Flora, de godin van de lente en de planten, kreeg in 283 v. Chr. de 28ste april officieel als haar feestdag toebedeeld. Reeds in 173 v. Chr. duurde haar feest zes dagen. Van een tamelijk landelijk feest werd het, waarschijnlijk onder invloed van de Griekse Bachanaliën, tot een losbandig festijn vol ontucht, waarbij naakte hoeren erotische dansen opvoerden. Deze orgieën eindigden op de laatste dag van april. Op 1 mei vonden de plechtigheden plaats rond de Bona Dea (de Goede Godin); deze werden geleid door de Vestaalse maagden. Het schijnt dat Flora, de vrouw van Faunus, de Romeinse vruchtbaarheidsgod, vrijwel identiek is met Demeter, de ‘God­moeder’, ook Tellus-Mater (Moeder Aarde) of Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. Nu begon de feestdag voor de prostituees reeds op 23 april. De Vinolia (wijnfeesten) begonnen op die dag en duurden tot 1 mei. Zij overlapten dus gedeeltelijk de Floralia. Dit 1 mei-feest is samengesmolten met de lentefeesten der Germanen. Deze dag (1 mei) was aan Walburgis gewijd, een andere naam voor Freia. Wal-burgis bete­kent ‘beschermster der strijders’. Volgens de ‘ overlevering was Sint Walburgis, aan wie onder andere de grote kerk in Zutphen is gewijd, omstreeks 778 abdis van het klooster Heidenheim bij Eichstätt. Op een of andere wijze, waarschijnlijk via haar naam, werd Freia-Walburgis, door Sint-Walburgis vervan­gen, maar zij bleef de beschermster der to­verkunsten. In de Sint-Walpurgisnacht, die aan haar feestdag vooraf ging, hielden de tovervrouwen hun bijeenkomsten op heilige plaatsen.
Omdat een feest altijd begint op de voor­avond van de feestdag bij zonsondergang, zijn de voornachten altijd heilig geweest. Sint-Nicolaasavond (Sint-Nicolaasfeest is op 6 december!), kerstnacht, Driekoningen­avond, paasnacht, pinksternacht (Luilak!) en Sint -ansnacht.

Ook in de Sint-Jansnacht drijven, evenals in de Walpurgisnacht, de geesten hun spel. Ook de Sint -Jansnacht is één van de geheimzinni­ge tovernachten. Dan snijdt men de wichel­roede, dan plukt men het sint-janskruid, maar dan durft ook geen schipper uit te va­ren. Het sint-janskruid, ook Jaag-de-duivel genoemd, heeft het vermogen boze geesten te verdrijven. De koningin der toverkruiden echter, de Mandragora, die bij ons Al-ruin of ook Heksenkruid heet, bloeit in de Heilige Kerstnacht!

Heksenwaan
Het weten van geestelijke krachten en mach­ten die de normale ontwikkeling tegenwer­ken en zodoende het kwaad veroorzaken, is er altijd geweest. In de Atlantische periode en ook nog na de ondergang van Atlantis was de mens van nature helderziend, maar hij be­leefde de geestelijke wereld nog in een soort slaaptoestand. Naarmate hij overdag bewuster ging leven (en ’s nachts onbewuster) ver­loor hij dit helderziend vermogen. Toch bleef dit bij sommigen nog lang behouden, al waren er natuurlijk steeds minder lieden, die een mediamieke gave bezaten. Omdat een vrouw over het algemeen minder diep incarneert dan een man en dus kosmischer blijft, waren het steeds meer vrouwen dan mannen die helderziend waren op deze atavistische manier.
Nu kan men deze gaven aanwenden om an­deren te helpen, maar naarmate de menselij­ke ontwikkeling steeds meer in de richting van de ontwikkeling der individuele persoon­lijkheid ging, werd ook het gevaar steeds gro­ter dat deze gaven ten eigen bate werden aangewend. Het is duidelijk dat zij dan ver­derfelijk werken. Dit gebeurde al in de Ger­maanse tijd, maar sinds de 15e eeuw, het be­gin van ons huidige cultuurtijdperk, werden mediamieke personen die zich bewust met toverkunst en ‘zwarte kunst’ bezighielden steeds meer een gevaar. Dit te meer, omdat zij temidden van een be­volking leefden, die voor het allergrootste deel nog maar weinig denk-bewust was en nog vol bijgeloof. Dit bijgeloof kunnen wij beschouwen als een laatste, verworden herin­nering aan de vroegere helderziendheid. Uit deze samenloop van omstandigheden zijn de heksenwaan en de heksenvervolging te verklaren, die in de 16e en de 17e eeuw schrikbarende vormen aannamen. Het woord ‘heks’ duikt in de 15e eeuw als ‘haxa’ het eerst op in Zwitserland en ver­breidt zich snel over Duitsland (Hexe) tot in het Deens, het Fries en het Nederlands. Een ‘heks’ is dan een vrouw (zelden een man) die in contact kan treden met boze machten en daarvan bepaalde krachten kan ontvangen, waarmee zij (of hij) mensen en dieren beto­vert of schade berokkent.

Vleermuizenbloed
Uit het voorafgaande wordt duidelijk waar­om dit geloof aan personen met buitengewo­ne vermogens in de gehele wereld sinds de al­leroudste tijden voorkomt. Maar gebrekkige geestelijke kennis en een geesteswetenschap die nog onvoldoende ontwikkeld was, deden in de rooms-katholieke kerk evenals in de protestantse kerken, die beide de werk­zaamheid der abnormale geesten (die men satans of duivels noemde), bleven zien, een angst voor heksen en
duivelskunsten ont­staan, die alle redelijk bewustzijn maar al te vaak verduisterde. De gebrekkige rechtspraak deed dit angstgevoel tot vervolgingen, zelfs massale verbrandingen ontaarden. Het is opmerkelijk, dat men in Nederland over het algemeen veel nuchterder bleef dan elders. Hiervan getuigt onder andere de Heksenwaag te Oudewater. Volgens het zeer vaak herdrukte boek ‘Malleus maleficarum’ (Heksenhamer), geschreven door de Duitse dominicanen Institoris en Sprenger, dat om­streeks 1478 voor het eerst verscheen en dat enorm veel ellende heeft veroorzaakt, waren heksen onder andere te herkennen aan het feit, dat de aardse zwaartekracht geen in­vloed meer op hen had zodat zij zonder ge­wicht waren. Wat was er eenvoudiger, zei men in Nederland, dan iemand die van hek­serij beschuldigd werd, te wegen? Had zij een, voor haar lengte en omvang, normaal ge­wicht, dan was het geen heks! Het bovengenoemde boek bevatte nog meer baarlijke onzin. Zo merkte de duivel zijn vol­gelingen, volgens deze heren, met een teken op het lichaam, het stigma diabolica, dat voor buitenstaanders herkenbaar was aan de gevoelloosheid ervan. Zo meende men ook, dat een heks, na zich met een bepaalde zalf te hebben ingewreven, op een bezemsteel door de lucht kon vliegen. Die bezemsteel zal wel een decadent overblijfsel zijn van de Wolwa-staf uit de oudheid. Nu zijn er verschillende recepten voor hek­senzalf, die dat vliegen mogelijk zou maken, bewaard gebleven. Zij bevatten behalve een aantal magische elementen, zoals bloed van vleermuizen en vet van pasgeboren bokken, aconitum (monnikskap), belladonna (nacht­schade) en sap van de amanita, vooral van de amanita muscaria, de mooie paddestoel met witte plakjes op de rode hoed, die vanwege het heksengebruik dan ook vliegenzwam heet. Het zijn allemaal planten die giftige en roesverwekkende eigenschappen bezitten. Peuckert, hoogleraar in de heemkunde te Göttingen, beschrijft hoe hij samen met een vriend de proef op de som nam. Zij smeer­den het gehele lichaam met de volgens re­cept bereide heksenzalf in. Zij geraakten in een droomtoestand, waarin zij het gevoel hadden, dat ze vlogen, wilde feesten mee­maakten en zich overgaven aan seksuele uit­spattingen. Het door-de-lucht-vliegen van heksen blijkt dus een zielenvoorstelling te zijn.

In onze vijfde na-Atlantische cultuurperiode, die omstreeks 1417 begint, begonnen langza­merhand de puur materialistische voorstel­lingen de overhand te krijgen. De heksen zelf wisten niet meer of zij lichamelijk gevlogen hadden of alleen maar in hun verbeelding en voor de meeste mensen in hun omgeving werd alleen het lichamelijk vliegen een reali­teit.

Goed én kwaad
Nu, in de 20e eeuw, gebruikt men andere, nog veel gevaarlijker middelen die nog ingrij­pender zijn dan heksenzalf, om een ‘heksen­sabbat’ te bereiken. Die vluchten van nu, die trips, hebben desastreuze gevolgen voor het individu en voor de samenleving, erger dan drie eeuwen geleden. Er zijn nog steeds hek­sen, vrouwen én mannen, al noemen wij ze anders.

Hoe kunnen wij deze hedendaagse heksen begrijpen? Dat kunnen wij alleen als wij de moed hebben om in onszelf de heks te zoe­ken. Een gedeeltelijk verbond met de duivel moet ieder mens sluiten wil hij niet geheel aan het kwaad ten prooi vallen. Immers, dank zij het kwaad kan het goede bestaan. Wat is kwaad? Alles wat stil blijft staan in ontwikkeling, bij de harmonische ontwikke­ling achterblijft of eraan vooruitloopt. Maar als alles en iedereen zich tegelijk volkomen harmonisch zou ontwikkelen, dan was er geen onderscheid meer, dan was het goede tegelijk met het kwade verdwenen. Dan was er geen criterium meer. Het hoge bestaat dank zij het lage, en omgekeerd. Zonder duis­ternis was er geen licht. Duisternis is het ont­breken van het goede. En het goede is, vol­gens de prachtige definitie van Thomas van Aquino: ‘Dat, waar alles naar streeft.’ Plus maal plus blijft plus. Dat weten we uit de algebra. Maar er is niet alleen plus. Er is ook min, in de wereld en in onszelf. Het ongelouterde deel van onszelf uit dit leven en uit vorige levens dragen wij met ons mee. Dat kunnen wij niet ontlopen, al proberen wij het weg te stoppen. Wij moeten er mee leven en het vereffenen. Maar min maal plus of plus maal min wordt altijd min! De enige mogelijkheid om een negatief getal positief te maken is: het te vermenigvuldigen met een negatief getal. Hoe is dat te begrij­pen? Moet je dan een duivel worden? Nee, je moet vermenigvuldigen! Wij bidden: leid ons niet (negatief) in verzoeking (negatief). Een getal is een resultaat, of het nu positief of negatief is. In de geestelijke wereld komt het aan op het doen.

Om de duivel te overwinnen moeten wij in de materie duiken en een verbond met hem sluiten. Dat doen wij al, wanneer wij op aar­de komen. En wij zullen het tijdens ons le­ven vele malen moeten doen. Waar het om gaat is de mate van bewustzijn waarmee wij dat doen. Hoe minder het kwaad herkend wordt, des te gevaarlijker wordt het. Wij hebben allen zowel het kwade als het goede in ons. Wij hebben Sneeuwwitje in ons, maar ook de boze koningin. Wij kunnen allen een priester of priesteres worden, maar ook een heks.

Kundrie
Wij leven in een Michaëlische tijd, waarin de strijd tegen de abnormale geesten een hoog­tepunt bereikt. Wel is de tijd, waarin het ma­terialisme hoogtij vierde, voorbij. Miljoenen zoeken naar het contact met de geestelijke wereld. Maar is ons streven naar de geest in dienst gesteld van onze medemens of is het op eigen voordeel gericht? Het is een strijd op leven en dood om de heks in ons te over­winnen.

Met meiboom en meitak begon het oeroude feest van het ontwakende leven, van de over­winning op de dood. Het mysterie van Golgotha, Christus’ dood en opstanding, maakte dit feest tot een doodsoverwinning, die voor ieder mens mogelijk is. Een andere weg dan die van Christus om de aardedood, de dood van de materie, te ontvluchten, en ongedeerd de geestelijke wereld te bereiken, is er niet. Meiboom en meitak zijn tot een Christus­symbool geworden in de palmpaasstok. Deze moet de Wolwa-staf en de heksenbezem ver­vangen.

Vroeger werd de mens die open stond voor de geestelijke wereld, maar daar eigen voor­deel uit probeerde te halen, als heks buiten de samenleving geplaatst. Nu, in deze tijd van groeiend ik-bewustzijn heeft iedere zoe­ker naar de geest een ontmoeting met zich­zelf. Het ongelouterde deel van zijn wezen, wat de mens niet gezien of verdrongen heeft, de heks, komt tevoorschijn. De heks is niet meer alleen temidden van ons, ze is ook in ons.

Het prototype van deze heks is Kundrie uit Wolfram von Eschenbachs Parcival. Parcival is opgenomen in de kring der edelste ridders.
Als een engelachtig wezen komt hij hen voor Maar dan komt Kundrie-de-heks op hem af. Zij ziet er afstotelijk en dierlijk uit, al kent zij ook vele talen en beheerst zij vele weten­schappen. Zij klaagt Parcival aan en ver­vloekt hem om zijn verstokt gemoed, waar­door hij zweeg in de Graalsburcht en de vraag niet stelde die de visserkoning uit zijn lijden, dat hij door Kundries schuld moest ondergaan, zou hebben verlost. Parcivals heiligheid blijkt een drogbeeld. Men kan de moeilijke treden van het materiële aardse le­ven niet overslaan. Alle uiterlijke successen en eerbetoon in de wereld blijken uiteinde­lijk waardeloos.
‘Kundrie bracht’, zo zingt de dichter, ‘zo onvriendelijk en toch zo trouw, aan de held Parcival diepe smart.’ Parcival zelf zegt: ‘Een streng oordeel is over mij uitgesproken. Het zou zinloos zijn mij hier nog te willen recht­vaardigen.’ Pas in de Graalsburcht, in de Christusburcht, worden zowel Parcival als Kundrie verlost.

De christelijke ontwikkelingsweg is deze: dat wij trachten goed en kwaad zó bij elkaar te brengen, dat wij de richting, waarin onze ontwikkeling moet gaan niet uit het oog verliezen.                                                                 

Met Sint-Jan heeft de aarde zich overgegeven aan de kosmos. Ook de mens gaat dan op in de levensvolheid der natuur. Alle levensfees­ten, wanneer de dag langer is geworden dan de nacht, vinden hun hoogtepunt op het moment van de zomerzonnewende, als de Christuszon haar hoogtepunt bereikt. Maar op datzelfde ogenblik worden de dagen korter. Dan begint de mens, die zich met Moeder Aarde heeft overgegeven aan de geestelijke wereld, tot zichzelf te komen. Dan begint hij te beseffen, dat hij al het oude moet afleggen dat de leugenwolf der oude helderziendheid voor hem verderfelijk is geworden, dat de draak van de “zelfzucht hem van alle kanten belaagt en dat hij zelf uit eigen vrije kracht, met Christus’ hulp, de weg naar de geestelijke wereld terug moet vinden. Dan begint hij te begrijpen, dat de heks in onszelf overwonnen moet worden en wij als Wolwa, als Wala, ernaar moeten streven ‘met helende handen te gaan door het leven’, zoals de Edda zegt.

De heks is bezeten, de priester(es) geïnspi­reerd. Aan de zondares werden al haar vele zonden vergeven, omdat zij veel echte liefde gaf. (Luc. 7:47). Verscheen de opgestane Christus niet het eerst aan Maria van Magdala van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had? (Marc. 16:9). Dit ligt allemaal besloten in het woord van Johannes de Doper, wiens geboorte wij in de Sint -Jansnacht vieren: ‘Christus moet groeien in mij, ik moet afne­men.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.  22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

205-194

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­