Tagarchief: St.-Jan

VRIJESCHOOL – Muziek – notenschrift

.

OVER HET NOTENSCHRIFT

Sinds eeuwen viert de Christenheid op 24 juni het feest van de geboorte van Johannes de Doper; in de heiligenverering heeft hij een grote plaats verworven, mede door zijn speciale verbinding en vriendschap met Jezus:

“Van Jezus en Sint Janneke, die speelden met een lammeke”

is een regel uit een liedje dat ik als kind leerde. Behalve vrienden waren ze ook nog familie van elkaar, twee neven die maar een half jaar met elkaar in leeftijd verschilden. Ook in spirituele zin ligt Jezus in het verlengstuk van Johannes: doordat Johannes zijn vriend Jezus doopt, voert hij de mensheid definitief door de poort tussen het Oude en het Nieuwe Verbond.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de Kerk tegenover het Midwinterfeest van Christus’ geboorte het Midzomerfeest van de geboorte van Sint-Jan heeft gesteld, beide feesten bedoeld als aanzet tot een diepe aanhaling om weer vol energie opnieuw te kunnen beginnen.

Er zijn van oudsher veel liturgische teksten aan Joharmes de Doper gewijd. Een van deze teksten is een hymne die speciale aandacht verdient uit muzikaal en cultuur-historisch oogpunt: weinigen zullen beseffen, dat die hymne aan de basis ligt van wat iedereen als kind leert:

het do-re-mi

Omstreeks 795 schreef de monnik Paulus Diaconus in de Benedictijnerabdij van Monte Cassino in Italië, ter ere van Sint- Jan de volgende tekst, zoals gebruikelijk in die tijd, in het Latijn: het is de aanhef van een hymne op Sint- Jan., een smeekbede om met zuiver hart te kunnen zingen:

ut queant laxis
resonare fibris
mira gestorum
famuli tuorum
solve polluti
labii reatum
sancte Ioannes ”

Opdat Uw dienaren met een vrij gemoed Uw wonderdaden kunnen verkondigen: bevrijd hun onzuivere lippen van ongerechtigheid”

Deze tekst werd omstreeks 1025 door de muzikale monnik Guido van Arezzo op muziek gezet, en wel zó, dat ieder vers één toon hoger inzette, De eerste letters van ieder vers werden door de componist gebruikt om deze oplopende
tonen-reeks een naam te geven: ut – re – mi – fa – sol ~ la -(si).

In het boekje ”Verzamelde Liederen’   van de Rudolf Steiner School te Leiden is deze Johanneshymne -tekst en muziek – afgedrukt:

do-re-mi

 

 

 

 
Omdat de inzet met de klinker u als te hard werd ervaren, is ut na enige tijd vervangen door het ons meer vertrouwde do, al heeft ut, zoals bekend, nooit geheel het veld geruimd.

Ogenschijnlijk ontbreekt het aan de toon si, maar me dunkt, dat de initialen van Sancte Ioannes in het laatste vers wel model zullen hebben gestaan, ook al ontbreekt het aan de ter plekke vereiste toonhoogte.

Zo is Johannes de Doper niet alleen voor ons de directe voorloper en vernieuwer op geestelijk gebied, die de natuur en de mens nieuw élan verschaft, maar ook is dankzij hem een muzikale kunstgreep toegepast die heeft geleid tot wat waarschijnlijk voor de mensheid tot het einde der tijden zal blijven bestaan; de namen van de toonladder.

Moge deze eerwaardige Johanneshyme nu, tien eeuwen na dato, afgedaald van zijn oorsprong in de Italiaanse bergen, ook in de lage landen rond Rotterdam weerklinken wanneer binnenkort het vuur van Sint-Jan weer oplaait.

P.W. van der Laan, nadere gegevens onbekend

MUZIEKHISTORISCH NASCHRIFT

De liederen die Guido van Arezzo met zijn leerlingen instudeerde waren gebaseerd op de oude kerktoonladders, waarvan de namen ontleend waren uit het Grieks:

dorisch, frygisch, lydisch, mixolydisch en aeolisch.

Onze bekende majeur – (do-) ladder – met zijn kenmerkende leidtoonwerking naar de slottoon (si – do)- ontstond pas in de nieuwe tijd na 1450.

Guido had deze notennaam “si” dan ook niet nodig. Bij het zingen op notennamen maakte hij gebruik van de drie zogenaamde hexachorden:

do-re-mi-2

 

 

 

 

 

 

Het overgaan van het ene naar een ander hexachord gebeurde door middel van mutatie, zoals het volgende voorbeeld van “Nu syt wellecome” aantoont,

(met gebruikmaking van hexachordum naturale en – molle):

do-re-mi-3

 

 

 

 

 

do-re-mi-4

Th.F.Wolvekamp, nadere gegevens onbekend

mens en muziek
blokfluit spelen
over het aanleren van het notenschrift

Sint-Jan: alle artikelen

 

1114

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (34)

.
Rinke Visser, Jonas 21, 16-06-1978
.

Zomer: tijd van beproeving
.

Buiten is het heerlijk weer. De zon schijnt. In de avonduren zie je men­sen genieten van hun tuin. Overdag worden sportvelden nat gehouden. Je gaat denken aan je vakantie, of hoe het zou zijn als je nu vakantie zou hebben.

Op hetzelfde ogenblik zitten dui­zenden over hun boeken en aanteke­ningen gebogen om zich voor te be­reiden op het examen dat morgen of overmorgen* plaats zal vinden. Een rare tegenstelling eigenlijk, die twee dingen: een zomerzon die je juist naar buiten trekt en de examenstof die je dwingt precies de tegenoverge­stelde beweging te maken. Iemand zei laatst dat het toch volkomen on­gerijmd was om juist in deze tijd van het jaar, in deze hitte, bij dit licht examen te moeten doen. En als je dan dan hoort hoe beroerd het is onder deze omstandigheden een examen af te leggen waar zoveel van af hangt voor de nabije of verdere toekomst: het jaar of een gedeelte daarvan wel of niet over moeten doen, wel of niet kunnen beginnen aan je vervolgoplei­ding, wel of niet aan het werk gaan in je nieuwe baan, wel of niet de promo­tie maken waar je zo hard voor ge­werkt hebt, maar die afhankelijk ge­steld is van ‘het papiertje’. Zou je die examens eigenlijk niet veel beter in de winter kunnen hebben, dan ben je toch het meest geconcentreerd? Daar kun je dan over na gaan denken. Hoe zit dat met het jaarverloop, welke activiteit past eigenlijk in welke tijd? En, waar het hier om gaat: is het waar dat examens beter in de wintertijd passen dan in de zomer? Om te begin­nen kom je erop dat examens een tweeledig karakter hebben, net als deuren: ze geven toegang tot iets, en ze sluiten iets af. Drempels: als je je voeten niet hoog genoeg optilt, ga je tegen de vlakte, met je hoofd binnen, maar met je voeten nog buiten de ka­mer. En om die voeten gaat het juist, als je op weg bent naar iets of iemand. Het tweede wat opvallend is: je zit altijd tegenover één of meer mensen die jou gaan beoordelen naar hun nor­men. Zij kennen de maat waarmee ge­meten moet worden. Als je die twee karakteristieken van examens nader bekijkt, kom je op een paar gedachten die misschien zinnig genoeg zijn om ze hier op te schrijven.

In de eerste plaats dat afsluitende of toegang gevende karakter van exa­mens. Als je daar naar kijkt in verband met het jaarverloop, waar kom je dan op? Wanneer sluit je het jaar eigenlijk af? Daar kan de boekhandel je veel over leren: twee keer per jaar kun je agenda’s kopen. In de winter koop je agenda’s die beginnen met Nieuwjaars­dag en lopen tot 31 december. En in de zomer beginnen ze met de maand augustus en lopen tot en met juli. Dat is toch eigenlijk erg leuk. Twee soor­ten agenda’s, twee soorten jaar, die el­kaar overlappen. Verder is het opval­lend dat die mensen die hun laatste examen hebben afgelegd heel vaak ophouden de agenda’s van het tweede soort aan te schaffen. Of ze dan ook dat tweede soort jaar afschaffen is daarmee natuurlijk nog niet gezegd. Hoe zit dat nu met het begin en einde van die twee soorten jaar? Hoe doen we dat eigenlijk. Oudejaarsdag. Niet de warmste dag van het jaar. Je zit binnen, in verschillende opzichten. De mensen met wie je het oude jaar ‘uitzit’, zijn niet willekeurig, dat zijn meestal intieme relaties, behorend tot je persoonlijke sfeer. Behalve het eten van bolvormig gebak proberen veel mensen vulling aan de avond te geven door zich voor zichzelf bezig te houden met het afgelopen jaar, niet alle in de zin van ‘wat heeft het jaar ons gebracht’, maar ook met de vraag: ‘hoe heb ik het zelf gedaan’. Een soort gewetensvraag. Daar komen dan de wel of niet uitgesproken goede voornemens vandaan. We geven onszelf rekenschap van onze daden, en er is niemand die navraag doet naar de normen die we daarbij aangelegd hebben. Die zijn van jezelf. Daar kan een ander ook niets over zeggen. Examinandi en examinator verenigd binnen één persoon. De uitslag staat bij voorbaat vast: toegelaten tot het nieuwe jaar. Overdoen is er niet bij. Het tweede soort jaar sluit je af met een examen of iets dat daar op lijkt. Je moet aan een ander laten zien wat je kunt. Hij beoordeelt of dat vol­doende is om het volgende jaar te
mogen beginnen. De tijd om voor dat examen te werken ligt juist daar waar de zon nog niet of niet meer hoog aan de hemel staat. Het is de tijd dat je wat meer naar binnen gekeerd bent dan in de zomermaanden. Precies het omgekeerde verhaal dan dat van de krekel en de mier.

Het komt mij voor dat ook zonder examens uit de schoolsfeer die twee soorten van beoordeling hun geldigheid hebben en ook altijd plaats vinden, zij het misschien wat minder duidelijk. Het oordeel van binnen uit, en het oordeel van buiten af. Het oordeel van binnen uit op momenten van naar binnen gekeerd leven, de beoordeling van buiten als we ons voor anderen zichtbaar maken.

Een metamorfose van het Sint-Jansvuur, als vuur van de beproeving.

*inmiddels vinden de examens vroeger in het jaar plaats

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

579-532

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (33)

.
Noor L.Roes, nadere gegevens onbekend
.

Jaarfeesten

Langzamerhand moeten de jaarfeesten een herinneringskarakter krijgenl.’ [1]*
“Een jaarfeest vieren gaat niet vanzelf, het moet worden voorbe­reid.’ [2]

Zijn dit tegenstrijdige uitspraken? Is een herinnering iets wat voorbij is? Wat valt er te vieren aan een herinnering? Alles!

Juist herinneringen die we levend willen houden, worden gevierd. Heel
dicht­bij kunnen we dat vinden: de verjaardag. Door dit elk jaar te vieren, wordt de herinnering aan de geboortedag levend gehouden – en wordt het bewustzijn voor die dag opgeroepen.

Waarvan zijn de jaarfeesten nu de herinnering?

“Vroeger waren het feesten, waarbij de goddelijke wereld zich gaf aan de aardse mensheid, waarbij de mens de gaven van de hemelse  machten rechtstreeks ontving’. [1]

De mensen stonden daar vroeger voor open; er was een vanzelfsprekend gevoel voor de aanwezigheid van geestelijke wezens. Ook beleefde de mensheid in oude tijden de natuur anders dan wij dat tegenwoordig doen: men ging er in mee, liet zich drijven op de stroom van het jaar.

In de huidige tijd zijn wij van de natuur geëmancipeerd, met alle voor- en nadelen die daaraan verbonden zijn.

“Toch kunnen ook wij het jaar nog beleven als een soort levensloop.” [1]

“Maar omdat ons tegenwoordige bewustzijn is veroverd ten koste van het bewustzijn van onze samenhang met de kosmos, kun­nen wij nu beleven dat we vrije mensen zijn met een vrij innerlijk leven, moeten we uit onszelf kruipen – en onze relatie met de kosmos hervinden. We moeten innerlijk weer gaan begrijpen wat de kring­loop van het jaar voor de mens kan betekenen.” [1]

Als Rudolf Steiner over de  jaarfeesten spreekt, gaat het over de vier grote jaarfeesten:

Kerstmis                                                                                              –    midwinter

Pasen                                                                                                    –    voorjaar

Johannesfeest                                                                                   –    zomer

Michaël                                                                                                –    begin van de herfst

Dat wil niet zeggen, dat er geen andere momenten in het jaar zijn, die we kunnen vieren. Dat doen we ook. Denkt u maar aan de optochten die we houden met St.- Maarten en Palmpasen. Maar als we over dé jaarfeesten spreken, wor­den genoemde vier bedoeld.

Het zijn feesten, die oeroud zijn – momenten, die altijd belangrijk zijn geweest in het jaarverloop. Later zijn ze gekerstend en kregen daardoor een ander accent. En in de laatste tijd is het Rudof Steiner geweest, die aan deze feesten een geheel nieuwe dimensie heeft toegevoegd; men zou kunnen zeggen, dat door de inhoud die hij door de antroposofie eraan heeft gegeven, er een metamorfose is opgetreden in het beleven van de jaarfeesten.

Daarbij komt, dat het Michaëlsfeest (29 september) – al staat deze dag al eeuwen in de christelijke heiligenkalender – als feest volkomen nieuw is. En toch herinneringsfeest?

“Omdat de mens in zichzelf het vermogen bezit om tot de diepere betekenis door te dringen, moeten de jaarfeesten herinnerings­feesten zijn, waarbij de mens in zijn ziel grift wat hij innerlijk volbrengen moet.” [1]

De jaarfeesten ‘overkomen’ ons niet.

Het zijn geen vanzelfsprekende gebeurtenissen, waar je vanzelf in meegaat. Ieder feest moet steeds opnieuw door ieder mens gemaakt worden, waar gemaakt worden, werkelijkheid worden.

“We moeten ons innerlijk eigen maken wat vroeger door het natuur­gebeuren tot uitdrukking kwam.” [1]

Anders gezegd: wat vroeger in ‘het natuurgebeuren onmiddellijk tot de mens sprak. Misschien zou je kunnen zeggen, dat wij weer in het ‘boek der natuur’ moeten leren lezen.

Sinds 2000 jaar, sinds het mysterie van Golgotha, betekent dit, dat we de aarde zouden moeten zien als de plek waar Christus verblijf houdt, waardoor ook de natuur ‘doorchristelijkt‘ is.

“De Christus heeft zich na de opstanding met de mensheid verbon­den, hij leeft niet alleen in bovenaardse sferen, hij leeft in de aarde, in de ontwikkelingsstroom der mensheid.” [1]

Christus heeft zich verbonden met de mensheid.

Maar ieder mens zal zelf zijn verhouding moeten vinden tot de Christus. De mens is vrij – hij wordt niet gedwongen.

Het gaat niet vanzelf – hij kan uit eigen vrije wil antwoord  geven op de dood en opstanding van Christus.

En ieder van de jaarfeesten geeft daartoe steeds weer de gelegenheid. Het Michaëlsfeest, het feest van de toekomst, zoals Rudolf Steiner het noemt, is het feest van de innerlijke moed. Met de Michaëlskrachten kunnen we de herfst ingaan, zonder ons mee te laten voeren in de neergang der natuur, maar staande te blijven in het stervensproces, terwijl we het wél meedenken! Levende krachten plaatsen tegenover de doodskrachten; het geestelijke zijn plaats geven tegenover de materie. Dan kan het Kerstfeest beleefd worden als een nieuwe geboorte van het Ik ~ de geest in de menselijke ziel.

Pasen, het feest van de opstanding, waarin we kunnen beleven dat de geest de dood werkelijk overwint. De hele natuur is er het beeld voor, dat uit alles wat leeft, nieuw leven ontstaan kan.

Johannesfeest  in de zomer: de tijd, waarin de aarde zich uitbreidt en de hemel dichterbij komt. Je hebt het gevoel alsmaar te ontvangen. Maar, ter­wijl in oude tijden de mens zich liet ‘meedrijven’ en meevoeren in dit zomerse beleven, moeten we nu beseffen wat we beleven, het bewust maken.

Zo moeten de jaarfeesten ‘herinneringsfeesten‘  zijn; ze hebben hun oorsprong in lang vervlogen tijden, toen de mensheid nog werd geleid door de
mysterie­leraren, die wisten‘ dat de zonnegeest de aarde naderde. De feesten zijn gebleven, maar moeten werkelijk door-christelijkt’ worden, waardoor ze een nieuwe inhoud kunnen krijgen.

“De monumentale uitspraak, die het fundament moet zijn voor alle jaarfeesten, dus ook voor die feesten, die opnieuw inhoud moeten krijgen, luidt: “Doe dit te mijner gedachtenis”.

Daardoor krijgen de jaarfeesten een herinneringskarakter. Zoals alles, wat in de Christusimpuls besloten ligt, levend moet doorwerken, nog vorm moet krijgen en niet slechts mag worden be­schouwd als een historisch gegeven, zo moet ons denk- en gevoelsleven ook van deze gedachte zijn vervuld. We moeten begrijpen dat – hoewel de mens verandert – de jaarfeesten een rol moeten blij­ven spelen in ons leven en dat ook deze feesten een metamorfose moeten ondergaan”.

Bij het vieren van de jaarfeesten op school gaat het – voor de kinderen om de beleving, niet om het weten. Als er verhalen worden verteld, komen daarin, beelden naar voren, die het karakter van het jaarfeest aanduiden; het verhaal hoeft niet noodzakelijkerwijs over het feest te gaan. of over de inhoud ervan. Als volwassenen moeten we ons met de inhoud bezig houden om het feest voor de kinderen beleef baar te maken – misschien hopend, dat ook zij later nog iets kunnen toevoegen aan de beleving die ze er in hun kindertijd aan gehad hebben.

In de klas proberen we iets van het jaarverloop zichtbaar te maken door de mooie tafel‘ bij het seizoen te laten aansluiten.  Op die manier streven we ernaar, van dag tot dag iets zichtbaar te maken en tot beleving te brengen van het spirituele in de natuur. Steeds weer volgt dan de culminatie in het jaarfeest, dat tegelijk een keerpunt is; na elk jaarfeest begint weer iets nieuws.

Zo beleven we het jaar in grote bogen, van feest naar feest.

 

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten.
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Henk Sweers: Jaarfeesten
Marieke Anschütz: Omgaan met de jaarfeesten

*De verwijzingen zijn niet exact aangegeven!

(1) De vier jaarfeesten”   : blz.   91; 90; 75; 74; 90; 32.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

577-530

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (32)

.
(Martine Leicher, nadere gegevens onbekend)
.

SINT JANSFEEST VIEREN MET KINDEREN

Het Sint-Jansfeest leefde vroeger in de volksgewoonten. Daarvan getuigen de oude verhalen, gedichten en liederen: zie Guido Gezelles voorwoordje bij het Sint- Jansvier’:

“Men maakt hedendaags nog Sint-Jansvier te Kortrijk, te midzomer, op Sint-Jan-Baptistendag: men danst en zingt erbij oude volkslie­deren.” (1894)

Deze feesten zijn verdwenen. Daarom zegt het een kind niet veel, als we over het Sint-Jansfeest spreken, terwijl het bijvoorbeeld met het kerstgebeuren wél diep verbonden is. Hoe innig wordt er niet Jozef en Maria met het Kindje gespeeld in de klas. Het paasfeest is het feest met de paashaas; sommige kinderen tekenen het hele jaar door eitjes in de lucht, in een mandje of tussen het gras.

Kerst en Pasen (ook Sint-Nicolaas, Driekoningen enz.) leven in ons, ook al is het nog maar amper meer. Het kind erft deze verbondenheid over.

Maar hoe is het met het Sint-Jansfeest? Hier valt niets meer te erven. Het is pas als wij als volwassenen ons weer zullen verbinden met het wezen van Sint-Jan, de Doper, dat het kind door het feest zal ‘gegrepen worden.

Eigenlijk leeft een kind zich van nature uit in voorjaarsstemming. Een gezond kind is blij, vrolijk, dartel, beweeglijk in vergelijking met de nuchtere volwassene.
Wat doet de natuur ? De lente wordt zomer, zomerse volheid die zwoel wordt, het eerste onweer breekt los.

De eerste sporen van de herfst worden zichtbaar. Dit is echter niet des kinds: slechts met het wakkere waarnemen wordt de ommekeer in de natuur rond de zomerzonnewende zichtbaar. Alleen, wie met interesse de bomen en struiken gadeslaat, ontdekt de Sint-Jansloten. Zo is het ook voor het begrijpen van de figuur van Sint-Jan de Doper. Slechts wie ernstig probeert de gebeurtenissen op Golgotha rond de tijdswende in zich tot leven te brengen, ontdekt stapvoets iets van het wezen van Sint_Jan.

Eigenlijk is het verborgen. Met veel wilskracht moet men ernaar op zoek gaan.

Door het feest van jongsaf aan met de kinderen te vieren, leggen we al
een kiempje zodat ze later de aankondiger van Christus’ zouden kunnen
herkennen.

Het eerste wat het kind ervaart, is hoe wij over het feest spreken. In onze woorden hoort het onze verbondenheid en in evenredige mate ons enthousiasme voor het feest.

De voorbereidingstijd is even belangrijk als het feest zelf: vreugde­vol wordt ernaar uitgekeken. Een kind dat het feest nog niet meege­maakt heefthoort over het vuur spreken en kan zich dat niet voorstel­len. Dan komt de dag van het feest !

Wat moet het niet beduiden voor een kleuter om s middags een dutje te
moeten doen zodat hij s avonds laat op kan blijven ! Tegen de avond vertrekken met hout voor het vuur en een lekkere picknick. Dan wordt het donker op de weide of in het bos en het grote vuur wordt aangestoken. Voor kleine kinderen is dit soms té overweldigend, zodat ze hun oogjes dichtknijpen en toch even moeten wennen. Het moet zalig zijn om het donker te voelen‘ worden tussen de warme kring van vuur en mens en mens en mens en mens…Warmte en dans en zang verbinden. Dan komt de tijd om tussen vader en moeder over het smeulende vuur heen te springen. Dan stilletjes de wacht houden tot het vuur helemaal uitgaat, terwijl het gezang wat rustiger wordt en de nacht zegent. Helemaal in een deken gerold zachtjes indommelen of wakker blijven tot het gezang wordt overgenomen door de vogels die het eerste zonlicht verwelkomen.

Deze mooie ervaringen kunnen in het sluimerende kinderzieltje
samen­smelten met de naam van Sint-Jan. De eerste kiem tot het begrijpen van de opdracht van Sint-Jan de Doper is dan al in het kind gelegd. Het lang opblijven is daarmee voor één keer wel gerechtvaardigd ! Daarenboven moet het toch onvergetelijk zijn om s nachts naar de sterretjes te mogen kijken in open veld!

Aan kinderen die al wat ouder zijnkunnen we de goed zichtbare planeten en de sterrenbeelden tonen.  De grote zomersterrenbeelden zijn de zwaan, de lier en de arend die zich in de melkweg bevinden, die zachte lichte schijn in de zomerhemel die waar te nemen is met het blote oog. De kroon, de slang en nog vele andere kun je gemakkelijk ontdekken…

.

St.-Janalle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

576-529

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (31)

.
J.v.d.Stok, nadere gegevens onbekend
.

ZOMERFEEST, JOHANNESFEEST

Realiseren we ons, wanneer we het zomerfeest vieren, dat het ook een Johannesfeest is?

Zomerfeest: zolang de zon op en onder gaat en mensen dit kunnen waarnemen, is op het hoogtepunt in de zomer de langste dag gevierd.
Met rituele, ceremoniële handelingen beleefde de mens vanaf de vroegste tijden de keerpunten in het jaar. Midwinterzonnewende – zomerzonnewende – en in het voor-en najaar dag- en nachtevening. Geopend voor de kosmische realiteiten, was de mens in gesprek met leidende goddelijke machten, voelde zich op aarde geleid. Hemel en aarde waren een eenheid, heelheid. Intensief werden de gangen door de seizoenen beleefd, een meeademen met de aardeziel van binnen naar buiten, van winter naar zomer, en van buiten naar binnen, van zomer naar winter.

Nog altijd kunnen wij ieder jaar dit proces mee vervolgen:

Midwinter: de aarde ligt als vaste, fysieke gestalte onder onze voeten. Moeder aarde is een bezield, levend organisme zoals wij mensen. In volle werkzaamheid heeft ze in de zomer de aardeziel totaal uitgeademd, de kosmische realiteiten in zich opgenomen, om vervolgens bij het inademproces de essentie in volle concentratie mee te voeren naar de midwintertijd in het aardelichaam. Om daar totaal ingekeerd, bij zichzelf, een nieuwe lichtgeboorte te voltrekken. Het Christuswezen, meegevoerd in deze adembeweging, impulseert mede vanuit dit ge­boortemoment al het levende en werkzame, tegen de zwaartekracht in, in een nieuwe uitademing naar buiten.

Lente: dan breekt de ijskorst, smelt de sneeuw en in de schijnbaar dode materie wordt het eerste leven zichtbaar.
Water-, sapstromen stuwen omhoog, hiërarchische machten vormen in alle groene kleuren de eerste natuur. De omgeving wordt geschonken, een leven in de etherwereld. Groei. Dan volgt de bloei: bloemen openen zich in alle bonte kleuren voor de bevruchting. Maximaal is de natuur de kosmische zonnewarmte tegemoet gegroeid. Insecten, gedragen op warme luchtstromen, voltrekken vanuit een onbewuste astraliteit de bevruchting.
En dan volgt het vurig opvlammen van het vruchtbeginsel, opdat de heelheid kan ont­staan, de eenheid. Vruchten, zaden worden gevormd, het leven gaat voort.

Zomer: de aardeziel is uitgestroomd, doordringt de macrokosmos, een met de elemen­ten. Hemel en aarde doordringen elkaar. Het macrokosmische Christuswezen omarmt het aardelichaam. Heelheid.

Wij mensen in onze tijd volgen deze gang minder of meer; eerst een raam open, dan een deur naar buiten, voor de eerste zonnestralen, het balkon, de tuin, de vakan­tieplannen, de zomervakantie.
Ook onze ziel ademt uit, we overschrijden grenzen; lichamelijk, we richten ons steeds weer naar buiten, worden zintuigmens, natuur­mens; we verlaten ons huis, overschrijden landsgrenzen, taalgrenzen, gewoonten, en gaan op in de elementen van aarde, water, lucht en vuur. Ieder zoekt, verlangt naar z’n eigen omgeving; bergen, bossen, zee, strand, lucht, wind, zon. We willen die stappen door de seizoenen doen en buiten onszelf komen, zo bewust mogelijk, om deel te worden van de macrokosmos.

Vrije vertaling van de 12e weekspreuk van Rudolf Steiner,
Sint Jansstemming:

De schoonheidsglans der wereld,
dwingt mij om uit zielendiepten
de godskrachten van het persoonlijke leven
vrij te maken voor een wereldvlucht;
Mezelf te verlaten,
slechts in vertrouwen mezelf te zoeken
in wereldlicht en wereldwarmte.

Of samengevat; jezelf verliezen, verlaten, om jezelf te vinden. Wanneer het ons lukt door de seizoenen heen de stappen van opstanding, groei, bloei, bevruchting, te maken, kunnen we opgaan in de elementen, beleven hoe het venster naar de andere wereld openstaat. We kunnen raken aan onze eigen oorspron­kelijkheid, in ons alledaagse menszijn één worden met ons hogere menszijn, dat deel is van het macrokosmische Christuswezen. Héélworden.

Maar de huidige mens is vervreemd van de gang met de natuur. We hebben zelf de leiding van aarde en mensheid in de hand genomen. Scheiding van hemel en aarde trad op, de mens kruisigde zichzelf meer en meer in de materie. We richten de blik niet meer omhoog en leven in het horizontale. Gevolg is, dat dat de gekruisigde mensheid op eigen kracht geen redding meer kan brengen. Daarom incarneerde 2000 jaar geleden een goddelijk wezen op aarde in een fysieke gestalte, om ons vóór te leven hoe we uit de materie weer op kunnen staan, en hoe de weg in een verticale beweging omhoog naar de toekomst gegaan kan worden. Momenten uit dat leven geven de stappen aan op deze weg: de christelijke feesten geven ons naast de gang door de seizoenen, een nieuwe mogelijkheid: met bewustzijn op weg te gaan, om aarde, en mensheid te redden.

Kerstmis:
De fysieke mens Jezus van Nazareth wordt zichtbaar op aarde ge­boren. Een fysieke mensengestalte.

Pasen:
Het Christuswezen overwint de materie, werkt de lichamelijkheid om tot een nieuwe, zichtbare, goddelijke lichamelijkheid.

Hemelvaart:
Het opstandingslichaam, verwijdt zich, breidt zich uit, vult de gehele etherwereld, het gebied van de tussenruimte, het levens­gebied, om daarin werkzaam te worden.

Pinksteren:
Het bewustzijn voor deze werkzaamheid van de heilige (helende) geest is als het waaien van een machtige wind rondom. Dit bewust­zijn van de geestwind deed de harten opvlammen en gaf de mogelijk­heid om vanuit het wezen ervan de waarheid te spreken.

Zomerfeest:
Bevrucht worden door deze werkzaamheid.

Johannesfeest:
In al het levende en werkende rondom is dit de helende kracht die hemel en aarde weer wil verbinden, die de mens tot mensheid wil maken, en de dagelijkse mens zn hogere menszijn wil laten vinden.

Daarmee komen we bij het Johannesfeest.

1. Wie was Johannes de Doper?
2. Wat was zijn boodschap?
3. Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

1.
Johannes 1:6 “Er is een mens geworden van God gezonden, zijn naam is Johannes.”

De taal die Johannes de Evangelist gebruikt wordt door Rudolf Steiner ook wel mys­terietaal genoemd. De naam Johannes, die ‘Ik-drager’ betekent, is dan een soort­naam voor allen die tot nieuw leven gewekt kunnen worden.

Johannes was in de voorchristelijke tijd de laatste profeet die voorbereidend heeft gewerkt voor de komst van Christus.

Mattheus 11:14′ “Want alle profeten en de wet hebben voorbereidend gewerkt tot aan Johannes toe en indien gij het wilt aannemen: hij is Elia, wiens komst men verwacht.”

Elias was de vorige incarnatie van Johannes. Hij was het omvattende, doordringende geestelijke Vaderwezen van Israël, de groepsziel boven het volk. In Johannes de Doper treedt deze grote, sferische geest in een afzonderlijke mens binnen. Johannes was een eerste Ik-mens, Ik-drager. Hij had nog wel de mogelijkheid om met zijn volk de goddelijks stem in de elementen te horen, maar ook in zichzelf. Zo begon de gewetensstem te spreken.

2.
Wat was zijn boodschap?

Johannes had als opdracht om als de laatste profeet de nieuwe weg te betreden, om als beeltenis van God te getuigen van het licht dat in de wereld wilde komen. (1:7)
Hij moest de Ik-geest die nog boven het volk zweefde in de mensen laten afdalen en bewust maken. Hiermee moest hij vanuit het oude wereldprincipe de overgang naar een nieuwe mensheidsgeschiedenis zichtbaar maken. Dat deed hij door middel van de doop. Hierbij werden de mensen zolang ondergedom­peld, dat zij aan de grens van de dood kwamen. Daardoor was een terugblik op het leven mogelijk. Vanuit deze terugblik werkte Johannes aan een nieuwe toekomst.
Markus 1:7   “Na mij komt die machtiger is dan ik. Ik heb u gedoopt met water. Hij zal u dopen met Heilige Geest.”

3.
Wat heeft Johannes met ons zomerfeest te maken?

In het leven van Johannes is het motief: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.”(3:30) Hij, Johannes, die door de tijden heen tot grote hoogte is meegegroeid, moet af­nemen, opdat Hij, die klein geboren is, naar de toekomst tot grote hoogte groeien kan. Johannes was de grootste, oudste mens; groot heeft de schilder, met helder­ziende blik, hem afgebeeld.

Mattheus 11:12. “Onder allen die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opge­staan dan Johannes de Doper, en de kleinste in het rijk der he­melen is groter dan hij.”

Zijn naamdag is 24 juni. Dan is de aarde op z’n grootst, de aardeziel is helemaal uitgeademd. Wij mensen zijn meegegroeid naar deze hoogzomertijd en vieren, opgaand in de elementen, ons zomerfeest. Daarin wakker te blijven, bewust de momenten te beleven, waarin we raken aan ons zeIf, dat is wat Johannes van ons vraagt. Beseffen dat de tijd keert en we met alles wat we in de zomertijd aan ervaringen opdedenons moeten richten op een inkeer naar de midwintertijd, waarin alle zomerse erva­ringen in volste concentratie in onszelf een nieuwe lichtgeboorte tot stand kunnen brengen.

Hij die klein geboren is, moet naar de winter toenaar de toekomst toe, in de mens, in de mensheid, tot grote hoogte groeien.

“Verander uw zinnen, want het hemelrijk is nabij. “

Literatuur:
Rudolf Steiner: De vier jaarfeesten
Rudolf SteinerVoordrachten over het Johannes evangelie
Emil Bock: De jaarfeesten als kringloop door het jaar.
Johannes Hemleben: Evangelist Johannes
Johanson: Johannes, Stufen christlicher Entwicklung
Serge Prokofieff: Ewige Indidividualität
Greiner: Christus-Künden
.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

575-528

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (30)

.

Nadere gegevens onbekend
.

JOHANNES DE DOPER

“Hij moet groeien, ik’ moet afnemen”

Dit was de lijfspreuk van Johannes de Doper, wiens feest we vieren als de zon haar hoogste punt voorbijgegaan is. 24 juni is de geboortedag van Johannes.

20 juni:  het hoogtepunt van de natuur (in de tijd van Johannes viel de zomerzonnewende nog op zijn geboortedag).

De natuur treedt buiten zichzelf. Alles lijkt zo vol. Als mens heb je het gevoel opgenomen te worden in de warmtegloed, waaraan ook de natuur
beant­woordt. Het prille lentegroen is uitgegroeid tot volle blader- en
bloemen­pracht. De vruchten zijn klaar om te rijpen. Ook de mens wil naar buiten. In de Germaanse tijd leefde de mens nog helemaal mee met het ritme van de kosmos. Als dan in de zomer de natuur naar buiten trad, ging de mens met haar mee. De mens raakte ‘buiten zichzelf. In deze tijd kregen de druïden hun goede ingevingen.

Later, en nu nog, werden er grote vuren ontstoken waar de mensen omheen dansten, waar ze doorheen sprongen en waar ze hun vee doorheen joegen. Ze deden dit om bevrijd te zijn van demonen en beschermd te zijn tegen onheil.

Het oerbeeld van de belichaming van de mens die nog helemaal in harmonie leeft met de grote kosmos is wel Johannes de Doper. Zijn geboortedag viel in de tijd van de zomerzonnewende.

Hij maakte zijn groei naar de geboorte door terwijl de zon haar opwaartse cyclus doorliep en terwijl de aarde ook haar groei doormaakte. In de geschiedenis van de mensheid tekenen zich personen af, aan wie wij een overeenkomst met die zomerse extase van de aarde kunnen aflezen: mensen die boven de zuiver menselijke afmetingen uitgroeien tot een boven­menselijke dimensie, zoals de aarde in de zomer boven haar aardse afme­tingen. De laatste van deze mensen was Johannes de Doper.
Veel eerder was er ook al een persoon geweest die dezelfde krachten met zich meedroeg als Johannes. Dat was de profeet Elias. Hun levens vertonen bijzonder veel overeenkomsten.
Wanneer we Johannes op afbeeldingen zien, wordt hij vaak groter afgebeeld dan de normale‘ menselijke gestalte.

Tegenover dit alles staat de koude wintertijd. De natuur heeft zich hele­maal teruggetrokken.
In deze tijd, de tijd van de winterzonnewende, wordt Christus geboren.
Hij maakt zijn groei door terwijl de zon haar neerwaartse cyclus doorloopt.
Christus en Johannes ontmoeten elkaar al zeer vroeg. Beiden zijn nog in de moederschoot. De Bijbel vertelt dat wanneer Maria en Elisabeth elkaar
ontmoeten, het kind opspringt in de schoot van Elisabeth.
Enige tijd later wordt Johannes geboren. Over de jaren daarna wordt niet
meer gesproken.
Als de tijd rijp is, vindt de volgende ontmoeting plaats tussen Johannes en Jezus. Het is dan dertig jaar later.

Johannes die de zomergave bezat, hield deze niet voor zichzelf maar wist deze door de doop over te geven aan de ander. Toch wees hij de mensen steeds op degene die nog moet komen, (ik doop u met water, maar Hij zal u dopen met de heilige geest. Ik ben het niet waard zijn sandalen los te maken).

Johannes bezat de gave van de oude mens, die door de extase buiten zichzelf kon raken.
Tot het moment van de doop in de Jordaan waarop hij het oude offert en het nieuwe laat groeien.
‘Nadat Jezus gedoopt was, steeg hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en zag hij de Geest Gods neerdalen in de gedaante een duif en over zich komen.’ (Mattheüs 3, 13-16).
Jezus van Nazareth die niet meer de godenwereld buiten zich zoekt, maar in zich laat opleven.
Daarom zegt Johannes: ‘Ik (hij die het groeien van nature in zich draagt) moet afnemen opdat hij (die dat principe van natuurlijk groeien niet in zich draagt, het geestelijke groeien wel – Christus Jezus) kan groeien.

.

St.-Janalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

574-527

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Jan (29)


JOHANNES, PROFEET VAN DE INKEER

Sint- Jan betekent buiten feest vieren, rondom een Sint- Jansvuur. Het zou kunnen voldoen aan het droombeeld dat velen hebben van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel, mensen en kinderen met lichte kleren, met bloemen getooid en dansend in wijde kringen. In de praktijk blijkt het vieren van een speels buitenfeest niet altijd gemakkelijk. De magische toverkrachten die van oudsher aan de Sint-Jansnacht worden toegeschreven, worden niet meer als spannende realiteiten ervaren. Het is deze kloof tussen mens en natuur, die – aldus Henk Sweers – zijn afspiegeling vindt in de kloof tussen de aardse mens en zijn geestelijke identiteit.

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint-Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer het andere? Laten we het tweede mijn per­soon en het eerste mijn persoonlijkheid noe­men. Is die buiten mijn persoon staande persoonlijkheid een abstractie of is zij een reali­teit? Voor mijn persoonlijkheid hangt van het antwoord op deze vraag de zin van haar bestaan af. Mijn persoon bestaat zolang mijn lichaam leeft. Maar in hoeverre is dat wat mij tot mens maakt, mijn persoonlijkheid dus, of althans het reflexievermogen op mijzelf, af­hankelijk van mijn persoon. Het omgekeerde is zeker het geval, maar kan mijn persoonlijk­heid ook los van mijn persoon bestaan?

Wat is de vraag die het sterkst opkomt in de hoogzomertijd, nu mijn bewustzijn wordt verdoezeld door zon en zomer, nu ik mij graag overgeef aan de wereld buiten mij en nu mijn persoon genieten wil van natuur en levenslust. Dat was de vraag die Sint-Jan opriep in zijn tijd, toen de aandacht voorna­melijk gericht bleef op het aardse leven en het voortbestaan na de dood ontkend werd of als een diepe, duistere slaap werd be­schouwd. Sint-Jan riep de mensen toe: ‘Be­keert u! Verandert uw gezindheid! Verandert de richting van uw blik! Spoel uw verganke­lijk wezen van u af!’ En hij dompelde het li­chaam van de duizenden, die hem begrepen, onder in het water van de Jordaan, waaruit zij weer oprezen als mensen, die bevrijd wa­ren van de stroom der wereldse beslomme­ringen die de mens benauwt en benart. Mijn mensenwezen beschikt, zolang het op aarde wandelt, in zekere zin over drie werktuigen. Een zintuiglijk waarneembaar lichaam, een geheel van voor mij specifieke, mij opbouwende en in stand houdende le­venskrachten en een iets, dat gevoelens, be­geerten, wensen en verlangens heeft. Dus: een mineraalachtig, fysiek werktuig, een ve­getatief levens-werktuig en een animaal gevoels-werktuig. Die drie zijn één in zoverre zij elkaar doordringen, beïnvloeden en zelfs bewerken. Maar wie hanteert ze? Dat is de persoonlijkheid. Deze is er slechts van afhan­kelijk in zoverre een kunstenaar van zijn ma­teriaal afhankelijk is. Zijn materiaal is tevens zijn beperking. Zolang de persoonlijkheid aan het werk is, identificeert zij zich met haar werktuigen en vormt daarmee een per­soon, waar zij zich achter verbergt en waar­doorheen zij spreekt. Deze persoon is haar werkstuk, haar kunstwerk. Iets wat in de ma­teriële wereld onmogelijk is doet zich hier voor: kunstenaar, werktuigen, materiaal en kunstwerk vormen in zeker opzicht een een­heid. Maar wanneer de persoonlijkheid het werk beschouwt, dan is zij een kunstenaar, die zich van zijn werk tracht te distantiëren en het kritisch probeert te bekijken. Een kunstenaar zonder zelfkritiek is beklagens­waardig, want hij is afhankelijk van het oor­deel van anderen.
Dit moment van kritiek zou je een rustpunt kunnen noemen in de ontwikkelingsstroom van het leven. Zonder zulke momenten is er geen sprake van echt menselijk leven. Zonder zelfbewustzijn en zelfbezinning blijft het le­ven louter zintuiglijk, vegetatief en animaal. Niet het doek, niet de verf maakt het kunst­werk, maar de kunstenaar. Zoals de schilder of de beeldhouwer zich af en toe terug moet trekken om zijn werk in ogenschouw te ne­men, zo moeten er in het mensenleven mo­menten zijn van ommekeer. Bijvoorbeeld ’s avonds voor het inslapen, iedere week op zondag, ieder jaar met Sint-Jan.

Ritme beheerst ons leven, het hele leven van de kosmos. Ritmisch gaat de zon ieder jaar door de zodiak, ritmisch beschrij­ven de planeten en de aarde hun baan, rit­misch wisselen dag en nacht elkaar af. Maar ritmisch klopt ook ons hart en ritmisch ade­men wij in en uit. De klok en het horloge kennen alleen maar maat, een altijd starre herhaling van hetzelfde. Dat noemen wij ‘de tijd’. Maar de werkelijke tijd is het niet. De ware tijd danst! Hij gaat op en neer, hij gaat nu eens sneller, dan weer langzamer. Hij schept de harmonie in alle ontwikkeling. Bij dansen en springen, in iedere ritmische bewe­ging komt steeds een moment van rust, bij­voorbeeld wanneer de voeten weer op de aar­de komen of tijdens de rust tussen uit- en in­ademen in.

Ritme ontstaat daar waar de constante bewe­ging wordt tegengehouden. De aarde ademt in en uit, ieder jaar. Zij ademt uit van Kerst­mis tot Sin- Jan, zij ademt in van Sint-Jan tot Kerstmis. Kerstmis is het ogenblik van rust tussen in- en uitademen, Sint- Jan is dat tussen uit- en inademen. De tijd van uitade­men is min of meer de tijd van zichzelf-verliezen, van opgaan-in-het-werk, van persoons­ontplooiing. De tijd van inademen is de tijd van in-zichzelf-keren, van bezinning op het werk, van het ontwaken van de persoonlijk­heid. Het hoogtepunt van levensactiviteit is de mid-zomerwende. Beide vormen een soort moment van rust. Zoals Kerstmis drie dagen na midwinter komt, zo komt Sint-Jan drie dagen na midzomer. De aarde is opgegaan in een laaiend feest van leven en vruchtbaarheid. Ook de mensen hebben zich overgegeven aan de extase van de zomer, aan de warmte van de zon en het juichen van de natuur. Vlier, rozen en ontel­bare andere bloemen bedwelmen ons met hun geuren. Nu is het toppunt bereikt. Van­af dit hoogtepunt echter beginnen meteen de dagen korter te worden en de nachten te len­gen. Het duister begint zich meester te ma­ken van het licht.

Is dat voor de mens niet een aansporing om tot zichzelf te komen, om zijn leven op aarde eens onder de loep te gaan nemen? Nu begint de tijd van inkeer. Kerstmis en Sint-Jan verdelen de kring van het jaar in twee helften. In de opstijgende lentehelft vieren wij de Christusfeesten en herdenken wij Christus’ geboorte op aarde, zijn openba­re leven onder de mensen, zijn lijden, zijn kruisdood, zijn opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van zijn Heilige Geest, de trooster en de leider van ’s mensen aardeleven. Het is het geboortefeest van Jezus van Nazareth, dat de reeks van deze opstijgende feesten inleidt. Wij weten uit het Lucasevangelie dat Johannes, de zoon van Maria’s nicht Elisabeth, zes maanden vóór Jezus werd ge­boren. Hij was Christus’ voorloper en wegbe­reider. Hij predikte ommekeer der zeden. Is Jezus de brenger van liefde en blijvende vreugde, Johannes is de profeet van de
in­keer. Zijn geboortefeest leidt de tijd in van bezinning. Het afdalen na het opstijgen, het inademen na het uitademen. In de eerste helft van het jaar moeten wij en­thousiast werken aan ons aardse wezen. Dat moeten wij altijd, maar dan vooral. Dat kun­nen wij alleen goed en harmonisch en kunst­zinnig doen dankzij Christus’ komst op aarde. Op het hoogtepunt van het zonnejaar bieden wij onze persoon aan Hem aan.

Met het Sint-Jansfeest vindt er een om­mekeer plaats. Wij beschouwen ons eigen leven en dat van de wereld en gaan de vele tekortkomingen ervan zien. Naarmate onze geest wakkerder wordt en ons inzicht groeit kunnen wij als mens onze medemens­en en heel de aarde meer steunen en helpen. Maar naar diezelfde mate gaat onze persoon­lijkheid niet alleen haar eigen tekortkomin­gen bemerken, maar gaat zij ook steeds meer de talloze fouten zien in de wereld om haar heen: milieuverwoesting, economische crises, gevaren der derde wereld, falen van de demo­cratie, verval van cultuur, heerschappij van goddeloosheid en ongeloof, oorlog en geweld. Waar komt dit alles uit voort? De bovenzin­nelijke wereld wordt ontkend of genegeerd. Planmatig worden de instinctieve, onderbe­wuste, animale driften losgegooid. Zinnelo­ze behoeften worden gekweekt en ‘geïdoliseerd’. De drugs worden een cultus. Terro­risme viert hoogtij. Het besturen van een staat of een gemeenschap wordt steeds moei­lijker. Allemaal de gevolgen van een onver­zadigbare hebzucht en een ongebreideld egoïsme. Immers onze vergankelijke persoon is altijd gericht op zelfbehoud en eigenbelang. Waar het onvergankelijke wezen van onze persoonlijkheid, die ons bewustzijn en gees­telijk inzicht geeft, niet in staat is om de lei­ding te nemen, daar neemt iets anders bezit van onze persoon. Het ‘metanoëite’, dat Jo­hannes de omstanders toeroept (Mat. 3:1) en dat meestal wordt vertaald met ‘bekeert u’ of ‘verandert uw gezindheid’, betekent letter­lijk: ‘Ziet in. Komt tot inzicht’. En dat is het nu precies wat in onze tijd meer dan ooit noodzakelijk wordt: tot inzicht komen.

Laten wij ons na zo’n warme stralende zo­merdag eens bezinnen op die heerlijke natuur om ons heen. De vanzelfsprekende verbinding, die de mens vroeger had met de natuur, die hem de geheimen influisterde van wezens die in zijn omgeving leven, is heden ten dage verdwenen. De kabouters, de elven, de waterwezens, de vuurwezens uit de sprookjes worden niet meer als realiteiten aanvaard. Er is een enorme kloof ontstaan tussen de mens en de natuur. Deze kloof is in zekere zin een afspiegeling van de kloof die er gaapt tussen de persoonlijkheid en haar aardse persoon. Het wordt hoog tijd, dat de mens tot inzicht komt en deze kloof tracht te overbruggen. Denken wij ons deze gedach­te goed in, dan moeten wij tegen onszelf zeg­gen: de mens is niet het enige geestelijke we­zen dat op aarde bestaat. Wij zijn geheel en al omgeven door geestelijke wezens. De vast­heid die de aarde ons biedt om te kunnen gaan en te kunnen staan is niet een dode ma­terieklomp. Ons lichaam bestaat voor het al­lergrootste deel uit water. Water is het ele­ment dat voor ons het leven mogelijk maakt. Het is veel meer dan een chemische vloeistof. Wij bewegen ons door de lucht, wij ademen haar in en uit. Zij is niet slechts een chemisch gas, maar ieder zuchtje, iedere wind­vlaag is de openbaring van geestelijke wezens. En waar komt de energie vandaan die het vuur ons geeft?
Wat is dat alles, als wij verder willen kijken dan onze beperkte zintuigen? Wil de mens niet een zeer treurig lot tegemoet gaan, dat zijn leven verdort en vernietigt, dan zal hij bewust inzicht moeten krijgen van dat wat hem in werkelijkheid omgeeft. Zonder dit inzicht zal de mens niet meer verder kun­nen komen en blijven alle maatregelen tot verbetering van het milieu en van de maat­schappij vruchteloze verplaatsingen van symptomen. ‘Komt tot inzicht!’

Waarom bemerken wij die geestelijke wezens niet? Zij trachten in de ele­menten hun werking uit te oefenen, maar zijn afhankelijk van het werk van hogere we­zens en ook van óns werk. Richten wij ons niet tot hen, negeren wij hen, verwerpen en bespotten wij hen zelfs, dan kunnen zij zich niet wenden tot ons, dan bemerken wij hen niet.
Zoals Sint-Jan ons oproept, zo moeten wij hen oproepen. Hoe doen wij dat? Wij moeten leren, om – zoals Gandhi – de goede aarde te danken, dat zij toch steun geeft aan onze onheilige voeten. Wij moeten niet meer gedachteloos omgaan met ons belangrijkst levensmiddel, het alles verfrissende water. Wij moeten met een zekere vroomheid de weldaden indachtig worden van de lucht, die ons doet leven en spreken en ons de relatie met onze medemensen mogelijk maakt. Wij moeten eerbiedig leren omgaan met het vuur, dat ons de kracht en de moed geeft om ons als mens op aarde te ontwikkelen. Aan onze huidige cultuur mogen en kunnen wij ons niet onttrekken. Het is onze persoonlijke plicht om er met nuchter begrip, bezadigd en zonder vals sentiment mee om te gaan, maar dan wel met een nieuwe wilsinzet, met nieuwe gewaarwordingen, met nieuwe, levende gedachten, wetend dat wij leven om een nieuwe cultuur voor te bereiden. Ons waar­nemen van de natuur kan tot inzicht worden in geestelijke gebieden, als het gedragen wordt door morele gevoelens van eerbied, liefde en dankbaarheid.

Het zijn hoog ontwikkelde geestelijke wezens die werken dóór de natuurwe­zens en die ook de beschermers en helpers zijn van ons, mensen. Zonder geestelijke hulp zouden wij niets goed kunnen verrich­ten, want wij zijn vervreemd van de godde­lijke wereldorde en uitgestoten uit de natuur. Voor onze persoon blijft de geestelijke wereld ver weg en onze persoonlijkheid verlangt er voortdurend naar. De oplossing van dit raad­sel ligt in het feit, dat deze gespletenheid juist de voorwaarde is voor onze vrijheid. De godsvervreemding van ons mens-zijn op aarde is de geboortewee van ons eigen, ware, persoon­lijke mensenwezen. De natuur kan niet an­ders dan handelen volgens de natuurwetten. Het water kan niet bij 37° C bevriezen en de lucht kan niet bij die temperatuur vloeibaar worden. Wij vinden het vanzelfsprekend dat het allemaal zo gaat en beseffen niet, dat wij ons juist daardoor als mens kunnen gedragen. Als mens gedragen wil zeggen tegen de wet in kunnen gaan, om zélf de waarheid te ont­dekken, om zélf te gaan inzien wat goed en wat verkeerd is en zélf in vrijheid te kunnen handelen. Aan de onvrije, nooit ophoudende dienstbaarheid der natuurwezens danken wij onze vrijheid.

Dat de mensheid niet te pletter valt in deze kloof tussen haar en de natuur, tussen per­soonlijkheid en persoon, danken wij aan Christus. Hij sprak tot degenen die in Hem geloofden: ‘Indien gij blijft in mijn Woord, dan zijt gij waarlijk mijn leerlingen en gij zult de waarheid inzien en de waarheid zal u vrij maken’ (Joh. 8:31-32). Daarom voegt Sint-Jan aan zijn oproep: ‘Komt tot inzicht!’ ook de woorden toe: ‘Want het rijk der hemelen (dat wil zeggen: de geestelijke wereld) is dichtbij gekomen’. Want nu is Christus ge­worden de Heer der wereld, ‘waarin de ste­nen rusten, de planten levend groeien, de dieren voelend leven’ binnen de wezens der vier elementen. Nu kan in mijn drievoudige persoon, waarin ik leef en nu voor het Sint-Jansvuur sta, ook steeds meer bevrijdende waarheid worden Paulus’ woord: ‘Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mij’.

Henk Sweers, ‘Jonas’ nr. 22, 21 juni 1985

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

207-196

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Wat maakt de mens tot mens en onder­scheidt hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer

hem van andere levende we­zens? Dat hij bewustzijn heeft van zichzelf. Ik ben mij bewust, dat ik hier op dit moment naar een groot Sint Jansvuur sta te kijken. In deze laatste zin is tweemaal sprake van ‘ik’. Het ene ik is zich van het andere ik bewust. Dat kan niet een en hetzelfde ‘ik’ zijn, want om je van iets bewust te kunnen worden moet je er afstand van nemen, moet je er als het ware buiten staan. Het eerste ik is niet aan mijn persoontje gebonden, dat ergens op aarde is geboren en opgegroeid en hier nu staat te kijken naar een vuur. Het tweede ik is identiek met mijn persoon, die een naam heeft en die tegen zichzelf ‘ik’ zegt. Wanneer bedoel ik met ‘ik’ het eerste ik en wanneer
 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St- Jan (28)

.

TROMMELTJES VOL KRUIDEN EN BLOEMEN

Ik vind het moeilijk om iets over Sint-Jan te schrijven. De reden daarvan is, dat Sint- Jan bij uitstek een féést is. Daar bedoel ik het volgende mee: als kind vond ik feesten een verschrikking, verplicht gezellig doen tussen rokende en drinkende mensen en gro­te kinderen, met op de achtergrond aanhou­dend vlotte muziek. Een feestdag was nog weer anders; dat waren de meer traditioneel bepaalde dagen zoals Kerstmis en Pasen die eigenlijk geen andere aanleiding tot vieren hadden dan dat je dat nu eenmaal deed als je kinderen had. Is het een wonder dat ik me als kind voornamelijk interesseerde voor wat er te eten was en voor eventuele cadeaus? Iemand die in de sociale omgang onhandig is, gaat als vanzelf een droomwereldje opbou­wen en daarin had ik wel degelijk een beeld van Het Feest: een glooiend grasveld aan een bosrand, een stralend blauwe hemel. Mensen en kinderen in lichte kleren met bloemen
ge­tooid dansend in wijde kringen. Een pick­nick met brood en vruchten bij een kamp­vuur. Wat is dit beeld anders dan Sint-Jans­dag?

De traditie van het feestvieren, met Kerstmis als innerlijk en Sint-Jan als uiterlijk hoogte­punt, is een van mijn blije ontdekkingen ge­weest van het vrijeschoolonderwijs. Mijn kinderen vieren feesten zoals ik daar als kind naar verlangd heb. Maar op dit punt doemen mijn problemen met het schrijven van dit stukje op en ik zie het ook bij anderen: wat is het moeilijk om zelf écht feest te vieren! Heerlijk is het om toe te kijken hoe de kin­deren zich vermaken onder leiding van een juffie of meneer die gezegend is met dat zeld­zame gevoel voor feestvieren. De meeste ou­ders blijven op afstand en zie je zelden echt meedoen. Ernstige feesten zijn makkelijker om te vieren, lijkt het. Komt het doordat met name bij Sint-Jan het feesten zo dicht bij spelen komt? Ik beken dat dat voor mij waarschijnlijk zo is, spelen en vooral meespe­len vind ik moeilijk en tot voor kort uitge­sproken vervelend. Laat mij maar rustig in een hoekje zitten toekijken, eventueel hier en daar een pleister plakken en een sapje aan­reiken, ik geniet wel van de anderen.
En toch. ‘Komt en laat ons dansen zingen, komt en laat ons vrolijk zijn.’                  

Met Kerstmis hebben we geprobeerd onze ziel af te stemmen op het ontvangen van het midwinter wonder. Dat riep een stille dank­bare blijdschap op. Nu, midzomer is het tijd voor een uitbundige, niet minder dankbare blijdschap.

De natuur schenkt zich ’s zomers aan ons; met Sint-Jan kunnen wij onszelf aan elkaar schenken in het samenspelen. Niet zo over­vloedig als de aarde dat kan. Wij moeten voorzichtig omspringen met het beetje levensvreugde dat we hebben. Levensernst lijken we makkelijker te kunnen delen.
Met Pasen schonken we elkaar eieren en wensten elkaar daarmee de zegen van de goeden toe. Zijn zij ons niet gunstig geweest? Het is weer goed toeven buiten. We hoeven geen boom de kamer in te slepen om Sint-Jan te vieren, we kunnen nu bij de natuur op bezoek! In noordelijke landen als Rusland en Scandi­navië deed men dat vroeger letterlijk. De Sint-Jansvuren werden om een versierde pijn­boom aangelegd en men danste rondom dit Johannismanneke tot de vlammen zo laag werden dat erover gesprongen kon worden. Meestal was het dan al zo laat geworden dat het tijd werd op huis aan te gaan. Net als de Heilige Nacht is de nacht van Sint-Jan vol wonderen, maar alleen voor de sterken! Wie geen zuivere ziel heeft loopt een grote kans door heksen en boze geesten van het rechte pad gelokt te worden. Wie echter moed én geloof bezit kan in de Sint-Jansnacht kruiden plukken die wonderlijke krachten bezitten en lang verborgen schatten opgraven. Als re­gen en onweer hem tenminste niet vroegtijdig naar huis hebben doen vluchten, want onweer hoort net zo bij Sint-Jan als sneeuw bij Kerstmis. De Sint-Jansfeesten die ik heb meegemaakt vielen er niet echt door in het water. Wie niet ‘gedoopt’ wilde worden, vluchtte even onder een afdakje met een mandje kersen om even later weer dapper mee te doen. Zomers onweer is heel indruk­wekkend maar trekt snel voorbij. Wie zich wel had laten natregenen (vooral de kinde­ren) droogde snel op bij het bakken van de stokbroden in het vuur.

Ik kan het gewoon niet laten om de kinderen bij een feest een passend kleinigheidje te ge­ven. Iets wat weinig werk geeft, een écht va­kantiecadeautje, is een botaniseertrommel­tje. Wij brachten er vroeger bloemetjes in thuis. Mijn zoon stopt enge torren, waar hij een voorliefde voor heeft, in zijn blik. Hij kreeg een echte voor zijn verjaardag. Voor mijn dochtertje maakte ik een botaniseer­trommel van een oude voorraadbus. Neem een bus met een goed sluitende deksel en boor in de bodem wat ventilatiegaten, eventueel langs de lijnen van de voorletter van uw kind. Boor er vervolgens één in de deksel en twee in de lange zijden van de bus. Schuur de bramen weg. Trek een lang koord door de deksel door de twee gaten en leg knopen in de uiteinden. Zo kan de deksel niet wegraken en kan het trommeltje om de nek gedragen worden.

Nicole karrèr, ‘Jonas’ nr.22, 21 juni 1985)
.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

 

206-195

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (27)

.

IN DE ST.-JANSNACHT SPELEN DE GEESTEN HUN SPEL

Heksen – waan en werkelijkheid

Het sint-janskruid, dat in de nacht van 24 juni haar sterkste werking heeft, gold vanouds als een probaat middel tegen duivelse invloeden, met name hekserij.

Wat zijn heksen, en waar kwam de grote angst vandaan die in de 16e eeuw uitmondde in grootscheepse heksenverbrandingen? Om begrip te krijgen voor het ver­schijnsel heks, keek Henk Sweers terug tot in de oud-Germaanse tijd en vooruit tot in onze tijd.

Het heksengeloof vertoont trekken die el­ders worden verteld van verschillende soor­ten demonische gestalten: zielenvoorstellingen komen voor de dag in het geloof dat heksen (op een bezemsteel) door de lucht kunnen vliegen, en dat zij zich in een of andere dier­lijke gedaante (vooral graag als kat, maar ook als wezel, vogel, spin of insect) vertonen. Zij vieren nachtelijke feesten en dansen evenals dodengeesten, elfen, dwergen en trollen. Het geloof in heksen, dat aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld en later in de heksen­processen toch werd aanvaard, gaat terug tot in de heidense tijd.

Tún-rithr
Uit alle delen van de oud-Germaanse wereld hebben wij berichten over personen die to­verkunst bezaten. In de eerste Merseburger toverspreuk heten deze ‘idisi’. Volgens de Germaanse beschouwingswijze waren vooral vrouwen met bepaalde geestelijke gaven be­genadigd.
In andere klassieke bronnen klinkt vele ma­len een zekere vrees door voor Germaanse vrouwen, die zelfs deelnamen aan de strijd en door hun profetische gaven een grote in­vloed uitoefenden. Bij de Broekterers genoot Weleda een goddelijke verering. Tacitus noemt een zekere ‘Alb-rund‘(Albrund). Haar naam wijst al op een ‘geheim weten’. Bij de Semnonen was een zieneres ‘Ganna’ wier naam ook op helderziendheid en heiligheid wijst. Op een Griekse ostracon (stemschelp) uit circa 200 v. Chr. staat ‘Baloborg de sibylle der Se(m)nonen’. Baloborg kan zo iets als ‘Stafdraagster’ betekenen.
Een der belangrijkste Eddaliederen heet: Volospa. Dat wil zeggen De schouw van de Wolwa. J. de Vries duidt deze naam ook als ‘Stafdraagster’. Uit vele teksten blijkt dat deze leidinggevende vrouwelijke ingewijden, deze zieneressen, een grote verering genoten. Het meest verheven lied wordt een Wolwa in de mond gelegd. Op IJsland vindt men nog Volvaleithi (Wolwagraven) die door de be­volking nog altijd met een zekere schroom worden bezien.
Toch kende men in de oud-Germaanse tijd ook reeds Seithkona of wel tovervrouwen, die boosaardig waren. De Edda zegt dat men de tún-rithr (tuinrijd(st)ers) die door de lucht vliegen, kan dwingen hun tovergedaante op te geven. Het blijkt dat ook mannen de helderziendheid, die toen grotendeels nog atavistisch was, bezaten en ten kwade, dat wil zeggen ten eigen bate gebruikten. Om hun kwade invloed, die zij zelfs nog na hun dood konden uitoefenen, zoveel mogelijk te voorkomen, werden tovervrouwen en -man­nen verbrand, want daardoor wordt de op­lossing van het vormingskrachtenlichaam versneld. De as werd in zee uitgestrooid! Toch was ook dit niet altijd afdoende, want de Edda verhaalt dat de Asen de reuzin Gullveig (Gouddrank) met speren staken en drie maal verbrandden in de hel van Har (de Ho­ge), maar dat zij drie maal werd herboren. Men moet dit verhaal van de Wolwa echter veel meer als een beeld zien voor wat er zich in de geesteswereld afspeelde. Gullveig ver­oorzaakt namelijk de strijd tussen Asen en Wanen, tussen lagere en hogere goden. Het was ook geen mens maar een reuzin. En die kun je niet verbranden. Toch kunnen wij uit deze passage afleiden dat het verbranden van boze tovermannen en – vrouwen reeds in die tijd een normaal verschijnsel was.

Vestaalse maagden
Ook bij de Grieken en Romeinen waren hei­lige, helderziende mensen, voornamelijk vrouwen, zoals de Pythia, de opperpriesteres in Apollo’s heiligdom te Delphi, en de Griek­se en Romeinse Sibyllen. Het hoogtepunt in het strenge jaarritme, waaraan de heilige vrouwen, Sibyllen en Ves­taalse maagden onderworpen waren, was het eind van de Floralia.
Flora, de godin van de lente en de planten, kreeg in 283 v. Chr. de 28ste april officieel als haar feestdag toebedeeld. Reeds in 173 v. Chr. duurde haar feest zes dagen. Van een tamelijk landelijk feest werd het, waarschijnlijk onder invloed van de Griekse Bachanaliën, tot een losbandig festijn vol ontucht, waarbij naakte hoeren erotische dansen opvoerden. Deze orgieën eindigden op de laatste dag van april. Op 1 mei vonden de plechtigheden plaats rond de Bona Dea (de Goede Godin); deze werden geleid door de Vestaalse maagden. Het schijnt dat Flora, de vrouw van Faunus, de Romeinse vruchtbaarheidsgod, vrijwel identiek is met Demeter, de ‘God­moeder’, ook Tellus-Mater (Moeder Aarde) of Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. Nu begon de feestdag voor de prostituees reeds op 23 april. De Vinolia (wijnfeesten) begonnen op die dag en duurden tot 1 mei. Zij overlapten dus gedeeltelijk de Floralia. Dit 1 mei-feest is samengesmolten met de lentefeesten der Germanen. Deze dag (1 mei) was aan Walburgis gewijd, een andere naam voor Freia. Wal-burgis bete­kent ‘beschermster der strijders’. Volgens de ‘ overlevering was Sint Walburgis, aan wie onder andere de grote kerk in Zutphen is gewijd, omstreeks 778 abdis van het klooster Heidenheim bij Eichstätt. Op een of andere wijze, waarschijnlijk via haar naam, werd Freia-Walburgis, door Sint-Walburgis vervan­gen, maar zij bleef de beschermster der to­verkunsten. In de Sint-Walpurgisnacht, die aan haar feestdag vooraf ging, hielden de tovervrouwen hun bijeenkomsten op heilige plaatsen.
Omdat een feest altijd begint op de voor­avond van de feestdag bij zonsondergang, zijn de voornachten altijd heilig geweest. Sint-Nicolaasavond (Sint-Nicolaasfeest is op 6 december!), kerstnacht, Driekoningen­avond, paasnacht, pinksternacht (Luilak!) en Sint -ansnacht.

Ook in de Sint-Jansnacht drijven, evenals in de Walpurgisnacht, de geesten hun spel. Ook de Sint -Jansnacht is één van de geheimzinni­ge tovernachten. Dan snijdt men de wichel­roede, dan plukt men het sint-janskruid, maar dan durft ook geen schipper uit te va­ren. Het sint-janskruid, ook Jaag-de-duivel genoemd, heeft het vermogen boze geesten te verdrijven. De koningin der toverkruiden echter, de Mandragora, die bij ons Al-ruin of ook Heksenkruid heet, bloeit in de Heilige Kerstnacht!

Heksenwaan
Het weten van geestelijke krachten en mach­ten die de normale ontwikkeling tegenwer­ken en zodoende het kwaad veroorzaken, is er altijd geweest. In de Atlantische periode en ook nog na de ondergang van Atlantis was de mens van nature helderziend, maar hij be­leefde de geestelijke wereld nog in een soort slaaptoestand. Naarmate hij overdag bewuster ging leven (en ’s nachts onbewuster) ver­loor hij dit helderziend vermogen. Toch bleef dit bij sommigen nog lang behouden, al waren er natuurlijk steeds minder lieden, die een mediamieke gave bezaten. Omdat een vrouw over het algemeen minder diep incarneert dan een man en dus kosmischer blijft, waren het steeds meer vrouwen dan mannen die helderziend waren op deze atavistische manier.
Nu kan men deze gaven aanwenden om an­deren te helpen, maar naarmate de menselij­ke ontwikkeling steeds meer in de richting van de ontwikkeling der individuele persoon­lijkheid ging, werd ook het gevaar steeds gro­ter dat deze gaven ten eigen bate werden aangewend. Het is duidelijk dat zij dan ver­derfelijk werken. Dit gebeurde al in de Ger­maanse tijd, maar sinds de 15e eeuw, het be­gin van ons huidige cultuurtijdperk, werden mediamieke personen die zich bewust met toverkunst en ‘zwarte kunst’ bezighielden steeds meer een gevaar. Dit te meer, omdat zij temidden van een be­volking leefden, die voor het allergrootste deel nog maar weinig denk-bewust was en nog vol bijgeloof. Dit bijgeloof kunnen wij beschouwen als een laatste, verworden herin­nering aan de vroegere helderziendheid. Uit deze samenloop van omstandigheden zijn de heksenwaan en de heksenvervolging te verklaren, die in de 16e en de 17e eeuw schrikbarende vormen aannamen. Het woord ‘heks’ duikt in de 15e eeuw als ‘haxa’ het eerst op in Zwitserland en ver­breidt zich snel over Duitsland (Hexe) tot in het Deens, het Fries en het Nederlands. Een ‘heks’ is dan een vrouw (zelden een man) die in contact kan treden met boze machten en daarvan bepaalde krachten kan ontvangen, waarmee zij (of hij) mensen en dieren beto­vert of schade berokkent.

Vleermuizenbloed
Uit het voorafgaande wordt duidelijk waar­om dit geloof aan personen met buitengewo­ne vermogens in de gehele wereld sinds de al­leroudste tijden voorkomt. Maar gebrekkige geestelijke kennis en een geesteswetenschap die nog onvoldoende ontwikkeld was, deden in de rooms-katholieke kerk evenals in de protestantse kerken, die beide de werk­zaamheid der abnormale geesten (die men satans of duivels noemde), bleven zien, een angst voor heksen en
duivelskunsten ont­staan, die alle redelijk bewustzijn maar al te vaak verduisterde. De gebrekkige rechtspraak deed dit angstgevoel tot vervolgingen, zelfs massale verbrandingen ontaarden. Het is opmerkelijk, dat men in Nederland over het algemeen veel nuchterder bleef dan elders. Hiervan getuigt onder andere de Heksenwaag te Oudewater. Volgens het zeer vaak herdrukte boek ‘Malleus maleficarum’ (Heksenhamer), geschreven door de Duitse dominicanen Institoris en Sprenger, dat om­streeks 1478 voor het eerst verscheen en dat enorm veel ellende heeft veroorzaakt, waren heksen onder andere te herkennen aan het feit, dat de aardse zwaartekracht geen in­vloed meer op hen had zodat zij zonder ge­wicht waren. Wat was er eenvoudiger, zei men in Nederland, dan iemand die van hek­serij beschuldigd werd, te wegen? Had zij een, voor haar lengte en omvang, normaal ge­wicht, dan was het geen heks! Het bovengenoemde boek bevatte nog meer baarlijke onzin. Zo merkte de duivel zijn vol­gelingen, volgens deze heren, met een teken op het lichaam, het stigma diabolica, dat voor buitenstaanders herkenbaar was aan de gevoelloosheid ervan. Zo meende men ook, dat een heks, na zich met een bepaalde zalf te hebben ingewreven, op een bezemsteel door de lucht kon vliegen. Die bezemsteel zal wel een decadent overblijfsel zijn van de Wolwa-staf uit de oudheid. Nu zijn er verschillende recepten voor hek­senzalf, die dat vliegen mogelijk zou maken, bewaard gebleven. Zij bevatten behalve een aantal magische elementen, zoals bloed van vleermuizen en vet van pasgeboren bokken, aconitum (monnikskap), belladonna (nacht­schade) en sap van de amanita, vooral van de amanita muscaria, de mooie paddestoel met witte plakjes op de rode hoed, die vanwege het heksengebruik dan ook vliegenzwam heet. Het zijn allemaal planten die giftige en roesverwekkende eigenschappen bezitten. Peuckert, hoogleraar in de heemkunde te Göttingen, beschrijft hoe hij samen met een vriend de proef op de som nam. Zij smeer­den het gehele lichaam met de volgens re­cept bereide heksenzalf in. Zij geraakten in een droomtoestand, waarin zij het gevoel hadden, dat ze vlogen, wilde feesten mee­maakten en zich overgaven aan seksuele uit­spattingen. Het door-de-lucht-vliegen van heksen blijkt dus een zielenvoorstelling te zijn.

In onze vijfde na-Atlantische cultuurperiode, die omstreeks 1417 begint, begonnen langza­merhand de puur materialistische voorstel­lingen de overhand te krijgen. De heksen zelf wisten niet meer of zij lichamelijk gevlogen hadden of alleen maar in hun verbeelding en voor de meeste mensen in hun omgeving werd alleen het lichamelijk vliegen een reali­teit.

Goed én kwaad
Nu, in de 20e eeuw, gebruikt men andere, nog veel gevaarlijker middelen die nog ingrij­pender zijn dan heksenzalf, om een ‘heksen­sabbat’ te bereiken. Die vluchten van nu, die trips, hebben desastreuze gevolgen voor het individu en voor de samenleving, erger dan drie eeuwen geleden. Er zijn nog steeds hek­sen, vrouwen én mannen, al noemen wij ze anders.

Hoe kunnen wij deze hedendaagse heksen begrijpen? Dat kunnen wij alleen als wij de moed hebben om in onszelf de heks te zoe­ken. Een gedeeltelijk verbond met de duivel moet ieder mens sluiten wil hij niet geheel aan het kwaad ten prooi vallen. Immers, dank zij het kwaad kan het goede bestaan. Wat is kwaad? Alles wat stil blijft staan in ontwikkeling, bij de harmonische ontwikke­ling achterblijft of eraan vooruitloopt. Maar als alles en iedereen zich tegelijk volkomen harmonisch zou ontwikkelen, dan was er geen onderscheid meer, dan was het goede tegelijk met het kwade verdwenen. Dan was er geen criterium meer. Het hoge bestaat dank zij het lage, en omgekeerd. Zonder duis­ternis was er geen licht. Duisternis is het ont­breken van het goede. En het goede is, vol­gens de prachtige definitie van Thomas van Aquino: ‘Dat, waar alles naar streeft.’ Plus maal plus blijft plus. Dat weten we uit de algebra. Maar er is niet alleen plus. Er is ook min, in de wereld en in onszelf. Het ongelouterde deel van onszelf uit dit leven en uit vorige levens dragen wij met ons mee. Dat kunnen wij niet ontlopen, al proberen wij het weg te stoppen. Wij moeten er mee leven en het vereffenen. Maar min maal plus of plus maal min wordt altijd min! De enige mogelijkheid om een negatief getal positief te maken is: het te vermenigvuldigen met een negatief getal. Hoe is dat te begrij­pen? Moet je dan een duivel worden? Nee, je moet vermenigvuldigen! Wij bidden: leid ons niet (negatief) in verzoeking (negatief). Een getal is een resultaat, of het nu positief of negatief is. In de geestelijke wereld komt het aan op het doen.

Om de duivel te overwinnen moeten wij in de materie duiken en een verbond met hem sluiten. Dat doen wij al, wanneer wij op aar­de komen. En wij zullen het tijdens ons le­ven vele malen moeten doen. Waar het om gaat is de mate van bewustzijn waarmee wij dat doen. Hoe minder het kwaad herkend wordt, des te gevaarlijker wordt het. Wij hebben allen zowel het kwade als het goede in ons. Wij hebben Sneeuwwitje in ons, maar ook de boze koningin. Wij kunnen allen een priester of priesteres worden, maar ook een heks.

Kundrie
Wij leven in een Michaëlische tijd, waarin de strijd tegen de abnormale geesten een hoog­tepunt bereikt. Wel is de tijd, waarin het ma­terialisme hoogtij vierde, voorbij. Miljoenen zoeken naar het contact met de geestelijke wereld. Maar is ons streven naar de geest in dienst gesteld van onze medemens of is het op eigen voordeel gericht? Het is een strijd op leven en dood om de heks in ons te over­winnen.

Met meiboom en meitak begon het oeroude feest van het ontwakende leven, van de over­winning op de dood. Het mysterie van Golgotha, Christus’ dood en opstanding, maakte dit feest tot een doodsoverwinning, die voor ieder mens mogelijk is. Een andere weg dan die van Christus om de aardedood, de dood van de materie, te ontvluchten, en ongedeerd de geestelijke wereld te bereiken, is er niet. Meiboom en meitak zijn tot een Christus­symbool geworden in de palmpaasstok. Deze moet de Wolwa-staf en de heksenbezem ver­vangen.

Vroeger werd de mens die open stond voor de geestelijke wereld, maar daar eigen voor­deel uit probeerde te halen, als heks buiten de samenleving geplaatst. Nu, in deze tijd van groeiend ik-bewustzijn heeft iedere zoe­ker naar de geest een ontmoeting met zich­zelf. Het ongelouterde deel van zijn wezen, wat de mens niet gezien of verdrongen heeft, de heks, komt tevoorschijn. De heks is niet meer alleen temidden van ons, ze is ook in ons.

Het prototype van deze heks is Kundrie uit Wolfram von Eschenbachs Parcival. Parcival is opgenomen in de kring der edelste ridders.
Als een engelachtig wezen komt hij hen voor Maar dan komt Kundrie-de-heks op hem af. Zij ziet er afstotelijk en dierlijk uit, al kent zij ook vele talen en beheerst zij vele weten­schappen. Zij klaagt Parcival aan en ver­vloekt hem om zijn verstokt gemoed, waar­door hij zweeg in de Graalsburcht en de vraag niet stelde die de visserkoning uit zijn lijden, dat hij door Kundries schuld moest ondergaan, zou hebben verlost. Parcivals heiligheid blijkt een drogbeeld. Men kan de moeilijke treden van het materiële aardse le­ven niet overslaan. Alle uiterlijke successen en eerbetoon in de wereld blijken uiteinde­lijk waardeloos.
‘Kundrie bracht’, zo zingt de dichter, ‘zo onvriendelijk en toch zo trouw, aan de held Parcival diepe smart.’ Parcival zelf zegt: ‘Een streng oordeel is over mij uitgesproken. Het zou zinloos zijn mij hier nog te willen recht­vaardigen.’ Pas in de Graalsburcht, in de Christusburcht, worden zowel Parcival als Kundrie verlost.

De christelijke ontwikkelingsweg is deze: dat wij trachten goed en kwaad zó bij elkaar te brengen, dat wij de richting, waarin onze ontwikkeling moet gaan niet uit het oog verliezen.                                                                 

Met Sint-Jan heeft de aarde zich overgegeven aan de kosmos. Ook de mens gaat dan op in de levensvolheid der natuur. Alle levensfees­ten, wanneer de dag langer is geworden dan de nacht, vinden hun hoogtepunt op het moment van de zomerzonnewende, als de Christuszon haar hoogtepunt bereikt. Maar op datzelfde ogenblik worden de dagen korter. Dan begint de mens, die zich met Moeder Aarde heeft overgegeven aan de geestelijke wereld, tot zichzelf te komen. Dan begint hij te beseffen, dat hij al het oude moet afleggen dat de leugenwolf der oude helderziendheid voor hem verderfelijk is geworden, dat de draak van de “zelfzucht hem van alle kanten belaagt en dat hij zelf uit eigen vrije kracht, met Christus’ hulp, de weg naar de geestelijke wereld terug moet vinden. Dan begint hij te begrijpen, dat de heks in onszelf overwonnen moet worden en wij als Wolwa, als Wala, ernaar moeten streven ‘met helende handen te gaan door het leven’, zoals de Edda zegt.

De heks is bezeten, de priester(es) geïnspi­reerd. Aan de zondares werden al haar vele zonden vergeven, omdat zij veel echte liefde gaf. (Luc. 7:47). Verscheen de opgestane Christus niet het eerst aan Maria van Magdala van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had? (Marc. 16:9). Dit ligt allemaal besloten in het woord van Johannes de Doper, wiens geboorte wij in de Sint -Jansnacht vieren: ‘Christus moet groeien in mij, ik moet afne­men.’

Henk Sweers, ‘Jonas”nr.  22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

205-194

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan – alle artikelen

.

Tussen Sint (met hoofdletter) en Jan komt een koppelteken.  Wanneer Sint wordt afgekort tot St volgt een punt en het koppelteken: St.-     In samenstellingen die niet met het feest hebben te maken, verdwijnen de hoofdletters: sint-janskruid.

1. Het jaarfeest van St.-Jan
Paul Veltman over: Johannes de Doper; doop in de Jordaan; twee aspecten van St.-Jan;
naar welke ‘verander uw zin’ moet het gaan

2. St.-Jan’s feest
Yvonne Hummel over: het verdwijnen van de verbondenheid met het goddelijke; Johannes de Doper, zomer, vuur wordt offervuur

3. St.-Jansfeest vieren
Martine over: feesten zonder kinderen; kinderen in de zomer; inkeer

4. ‘De bijl aan de wortel’
Jacobus Knijpenga over: verband christelijke feesten en natuur; tegenstelling Kerst en St.- Jan; wie is Johannes de Doper; boom als beeld; ontwikkeling vanuit eigen kracht

5. Knutsels en bakken
Tineke Geus
over: Stokbrood boven vuur;
Over: graskrans; ketting van madeliefjes en paardenbloem; met schelpjes; met gedroogde bloempjes;
Els Boekelaar over:grasbol; graspoppen; scheepjes van schors; zomerfee;
Tineke Geus, Annet Schukking over: bloemenhoed; bloemenkoekjes en taart; vlierpannenkoeken;
Over: grasbol; graspopje; racebootje van hout; kersenpitten bewaren om er een warmtekruik van te maken; vlierbloesemlimonade; vlierbloesempannenkoeken; zonnewijzer van tak en steentjes;

6. Sint-Jan, een feest in de buitenlucht
Marieke Anschütz over: zomer; tegenstelling kerst en St.-Jan; wat is feest; midzomer-midwinter; Johannes de Doper; tot inkeer komen; Franciscus; St.-Joris, vertelstof klas 2

7. Sint.-Jan: keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: opvoeding: ritmisch proces; ademhaling; zomer – winter; St.-Jan ommekeer in het jaar; Johannes de Doper; kies je ogenblikken van rust (inkeer)

8. St.-Jan
Map de Voogd over: zomer-winter; Kerst-St.-Jan; zomerwende; Johannes de Doper; de ommekeer in ons

 9. Het feest van St.-Jan
Henk Sweers over: vóór-christelijk bij de Germanen; in folklore; Johannes de Doper; tegenstelling Kerst en St.-Jan; op Terschelling; ‘naar Oostland willen wij rijden’; extase bij de vroegere feesten;

10. Sint -Jansfeest vieren
Els Boekelaar over: hoe vier je het eigenlijk; zoektocht naar persoonlijke verhouding tot dit feest

11. Zomertijd – rijpingstijd
Marieke Anschütz over: Johannes de doper; Isenheimer altaar, zomer

12. Oude gebruiken houden hardnekkig stand
H.van Iperen over: folklore in Nederland; heksen; sintjanstros, sintjanskruid

13. Keerpunt in het jaar
Marieke Anschütz over: zomer; Johannes de Doper, Jonannes uit de Apocalypse, Saulus-Paulus

14. Vuur
C.J.Verhage over: het vuur; scheikundige benadering; fenomenologische benadering;

15. St.-Jan Midzomer
C.W. over: natuur; keerpunt in de zomer; keerpunt in jezelf; bezinning

16.Vuur
Elsabe Barfod over: ervaring van een St.-Jansavond; (kamp)vuur

17. Vogelschieten
Elsabe Barfod over: vogelschieten, een Duitse St.-Janstraditie; duif

18. St.-Jans vier
Gedicht Guido Gezelle

19. St.-Janshymne
Ontstaan van do-re-mi

20. Vuur
Esther Buekers over: de 4 elementen buiten en binnen ons; vuur; Prometheus

21. St.-Jan
Hedie ter Stege over:  hoe vind je toegang tot dit feest; bewuster beleven

22. Sint -Jan, midden in de zomertijd
Tinke Geus en Marieke Anschütz over: zomer, natuur, Johannes de Doper, echte bloemen, verhouding tot St.-Jansfeest

23. Sint -Jan, ‘zij klom hoger en hoger’
Else Tideman over: een sprookje met een sintsjansmotief (geen titel)

24. St.-Jan
Over:  kringspel  ‘de zevensprong’

25. St.-Jan, een feest in het teken van het offervuur
Maarten Udo de Haes over: spiegelingen in het jaar: winter-zomer; Johannes de Doper, seizoenen, vierledige mens; gedicht C.F.Meyer ‘Das heilige Feuer’; gedicht Marsman ‘Phoenix’;

26. De levensboom
Willemijn Visser ’t Hoofd over: St.-Jan; natuur; levensboom in verschillende culturen; Edda; knipwerk van  papier

27. In de Sint -Jansnacht spelen de geesten hun spel
Henk Sweers over: wijze vrouwen bij Germanen, Grieken, Romeinen, in Edda; heksen (-gebruiken,-vervolging); goed en kwaad; Parceval, Kundrie

28. Trommeltjes vol kruiden en bloemen
Nicole Karrèr als ouder over: St.-Jan; zomer- en winterzonnewende; zomer in de natuur. Feestende kinderen

29. Het vieren van de jaarfeesten
Annemieke Zwart over: Johannes, profeet van de inkeer: Ik; persoon en persoonlijkheid; Johannes de doper; inkeer, ommekeer, inzicht; geestelijke wezens

30. Johannes de Doper
Onbekend over: zomertypering; Johannes de Doper; Jezus en Johannes;

31Zomerfeest -Johannesfeest
J. v.d. Stok over: zomerfeest vroeger; winterfeest vroeger;  de christelijke jaarfeesten; natuur door de jaargetijden; Johannes de doper; (artikel geheel gebaseerd op antroposofische gezichtspunten)

32.St. -Jansfeest vieren met kinderen
Martine Leicher over: de natuur in de zomer, door het jaar heen; jaarfeesten met kinderen – het Sint- Jansfeest.

33.Jaarfeesten
Noor Roes over; de verschillende jaarfeesten: als herinnering; als toekomst;                             
34.Zomer, tijd van beproeving|
Rinke Visser over: Examens in de zomer? Karakteristiek van een schooljaar en een kalenderjaar; (het artikel is geen ‘echt’ Sint.-Jansartikel)

35. St.-Jan: keerpunt in de tijd
Over de spiraal

 

204-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (26)

.

DE LEVENSBOOM

Knipsels voor bijzondere gebeurtenissen

Zonnewende, 21 juni, midzomer­nacht. Het licht wil maar niet wijken, niemand gaat naar bed. Als het weer mee zit, blijven we allemaal laat bui­ten. De kamperfoelie geurt, de rozen­struiken zijn zwaar van de bloemen, de bomen staan dik in het groen en keren hun jongste loten naar ons toe. Het kon niet op sinds de lente. In weer en wind zijn alle planten onstui­mig gegroeid en uitgebot, maar nu heeft de zon dan toch haar hoogte­punt bereikt, en daarmee de groei­kracht ook.
Dan komt Sint-Jan, het feest van de omme­keer, van de wending. We vieren het hoogte­punt, de overvloed die ons gegeven werd. Maar we vieren het in het licht van de rijpingstijd die komen gaat. De planten vormen hun zaden, zetten het licht om in levens­kracht voor het volgende jaar. Wij nemen een pauze, adempauze, gaan met vakantie en be­raden ons intussen op wat we daarna zullen gaan doen. Het licht van buiten slaan we op in onszelf om het als zoeklicht in de donkere maanden te kunnen gebruiken. Sint-Jan is een natuurfeest bij uitstek. Waar­om? Allereerst omdat het een midzomerfeest is en wij al het bloeiende om ons heen ge­woon niet uit de viering weg kunnen denken. Verder heeft Johannes de Doper zelf ook een duidelijke verwijzing naar de natuur ge­geven toen hij zei: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. Het oude waarop we ver­trouwden is aangevreten, we moeten een nieuwe, eigen weg zoeken. Dat Johannes het boommotief kiest voor de­ze boodschap is allerminst verwonderlijk. Met zijn kruin in de hemel reikt hij naar het licht dat hij nodig heeft om te leven, tegelij­kertijd is hij stevig geworteld in moeder Aar­de waar hij zijn voedsel vandaan haalt. Beide zijn nodig voor de groei, ook voor de geeste­lijke groei van een mens. Als in de wortels wordt gehakt, wordt de ontwikkeling be­dreigd, moeten we naar iets anders gaan uit­kijken.

De boom komt als levensboom of kosmische boom in de mythologie van vele culturen voor. Hij dringt door tot de drie sferen van de hemel, de aarde en de onderwereld en weerspiegelt daarmee de kosmos. Hij is on­derhevig aan de wetten van de organische ontwikkeling, zoals de wisseling der seizoe­nen en wordt beleefd als de microkosmos, die de macht van het heilige belichaamt. Door zijn jaarlijkse ‘dood’ en ‘wedergeboor­te’ verbeeldt een boom de voortdurende rege­neratie van alle leven.

We kennen uit sprookjes ook de boom die redding brengt in een hopeloze situatie en waarvan de vrucht met moeite kan worden veroverd. Een tak moet geplukt of dient ter bescherming tegen boze machten. Uit de cul­tuur van de Indianenstam Sioux is het ver­haal bekend van de medicijnman en ziener Zwarte Eland die, toen hij negen jaar oud was, een visioen had waarin hij werd meege­nomen naar het middelpunt van de wereld. Daar ontmoet hij het centrum van de schep­ping, de voorvaderen die ‘alle wezens op aar­de met wortels, benen en vleugels hebben ge­maakt’. Zij verschijnen aan hem als oude mannen, ‘oud als de bergen’, als de sterren en als de paarden van de vier windstreken. Van hen krijgt hij een boog, het kruid van macht en verstand, een vredespijp en een tak van de levensboom. Het was een bloeiende tak die leefde en aan de uiteinden nieuwe lo­ten gaf. Aan deze loten kwamen vele blaad­jes die ritselden en in het loof begonnen de vogels te zingen. ‘Deze zal in het middelpunt van de kring van de natie staan’, zei de voor­vader. ‘Een stok om mee te wandelen en een hart voor het volk en door jouw krachten zul je hem tot bloei doen komen.’
In de Edda wordt door een zieneres de le­vensboom Yggdrasil beschreven: ‘Ik ken de negen werelden, negen sferen die  bedekt worden door de wereldboom. De boom die geplant is in wijsheid en die wortelt in de schoot der aarde. Ik ken een esp die Yggdra­sil heet. Die grote boom is nat van wit water. Daaruit stijgt de dauw die in de dalen valt. Hij groeit eeuwig groen naast de bron van Urd’. Bij de voet van de boom ontspringt de bron van de herinnering. Terwijl drie schikgodinnen de wortels dag en nacht water geven wordt er door de reuzenslang Nidhuggur voortdurend aan geknabbeld. De levensboom als wereldas, als Axis Mundi die middenin het universum staat, het stille punt waar alle schepping vanuit gaat wordt uitgebeeld in de Boeddhistische stoepa’s. De ene kant is bevestigd aan de poolster of de zon als vast punt waar de andere hemellichamen omheen draaien. Vanuit dat punt gaat hij dwars door de verschillende niveaus van het zijn tot in de onderwereld. Onder deze kosmische boom kreeg prins Sidhartha, toekomstige Boeddha, zijn verlichting. In het Nieuwe Testament beschrijft Johannes de Evangelist de levensboom die aan het einde der tijden in het midden van de hemelse stad Jeruzalem zal staan. ‘En de Engel toon­de mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Middenop haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het ge­boomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte des levens zijn tot genezing der volkeren.’ [Openbaring v Joh.22]
De bloeiende amandelboom stond model voor de levensboom zoals die in de joodse traditie werd uitgebeeld. Mozes kreeg de op­dracht naar haar voorbeeld de zevenarmige kandelaar, de Menorah, te maken. Deze boom van licht omvatte de zeven bekende planeten zon (schoonheid), Venus (pracht), Mars (vastheid), Mercurius (grondvest), maan (koninkrijk), Saturnus (oordeel) en Jupiter (liefde).
De Menorah werd vaak uit papier geknipt en tezamen met andere symbolische knipsels opgehangen aan de oostmuur van het huis, de muur die naar Jeruzalem wees, en die ook de richting aangaf waarin men zich voor ge­bed opstelde.

st,jan levensboom 2
Joods knipwerk stoelt op een oude traditie. Al in de veertiende eeuw leefde in Spanje een zekere Rabbi Shem Tov ben Yitzhak ben Ardotiel die een verhandeling schreef, of lie­ver, knipte. Sindsdien is knipwerk bekend uit alle joodse centra, dat wat betreft vorm en onderwerp opvallend veel overeenkomst vertoont.

st. jan levensboom

De levensboom vormt erin een vast motief, naast de Davidsster en de Kroon. He­breeuwse letters verwijzen naar teksten uit de Talmoed. Het is niet onwaarschijnlijk dat gevluchte Portugese joden uiteindelijk de knipkunst in Nederland overbrachten. De meeste knipsels hier werden ter gelegen­heid van een gebeurtenis gemaakt, die bij­zondere betekenis had voor het gezin of de familie zoals een geboorte of een bruiloft. In de loop van de zeventiende eeuw ontwikkel­de zich de knipkunst in Nederland tot een ware volkskunst waarvan in verschillende musea nog de resultaten te bewonderen zijn. Voor diegenen die het knippen weer willen oppakken, bijvoorbeeld om een levensboom te knippen geef ik hier een paar praktische richtlijnen. Ze zijn ontleend aan het boekje Leer knippende zien van I.G. Kerp-Schlesinger (Cantecleer, De Büt 1977).

st,jan levensboom 4

–  Neem zwart, mat papier, ongeveer zo dik als het papier van een schoolschrift.   Sitspapier is door het lichteffect minder geschikt.

–  Als schaar wordt een rechte, slanke schaar gebruikt, die ook voor knipwerk gereser­veerd moet worden, er mag namelijk geen enkele onregelmatigheid op de bladen ko­men. De schaar moet soepel lopen.
–  Houd wat behangerslijm bij de hand in ge­val er iets teveel is weggeknipt. Er kan aan de achterkant van het knipwerk een stukje wor­den bijgeplakt om de fout te herstellen.
–  Het knippen begint waar de bladen van de schaar elkaar kruisen. Sluit de schaar niet zover dat de spitse punten elkaar raken. Dan komen er hapjes in de lijn die geknipt wordt.
–  Een knipper begint onderaan zijn werkstuk. De hand met de schaar verandert nauwelijks van richting, maar het papier wordt steeds gedraaid. De ene hand duwt dus langzaam de bladen van de schaar tegen elkaar terwijl de andere vlug het papier heen en weer be­weegt.
–  Bij een vouwknipsel (een papier wordt doormidden gevouwen en langs de vouwlijn dubbel geknipt) kunnen met potlood hulp­lijnen worden getrokken evenwijdig aan de vouwlijn die het gemakkelijk maken de fi­guren even groot te maken.
–  Symmetrie speelt in veel knipwerk een gro­te rol vandaar dat vele knipsels als vouwknipsels gemaakt worden waardoor je vanzelf de linker- en rechterkant van het papier hetzelf­de bewerkt. Begin met de middelste vorm en knip de buitenlijn van je figuur. Met nieuwe vouwlijnen kun je binnen iedere helft weer nieuwe symmetrie inknippen. Daarin is het belangrijk dat er een goede verhouding ont­staat tussen uitgeknipte en uitgespaarde vlak­ken. Je een voorstelling vormen van de fi­guur die je wegknipt kan daarbij een grote steun zijn.

st.jan levensboom 20005
–  Wil je uit een vorm een binnenvorm weg­knippen, houd dan even je vinger achter het papier zodat het niet uitscheurt.
–  Door een en dezelfde figuur gelijktijdig uit verschillende op elkaar liggende vellen papier te knippen heb je materiaal voor samenge­stelde composities die je later in kunt voe­gen.
– Tenslotte: eerst oefenen met eenvoudige vormen, een hartje, een denneboom, een vlinder.

Wie weet, als het erg hard regent op Sint-Jan, dan knippen we onze eigen levensboom uit in zwart papier!

 Willemijn Visser ’t Hooft, ‘Jonas’ 22, 22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

203-193

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (5)

.

KNUTSELS

Zie vooral: Tineke’s doehoek

brood in het vuur
In de donkere tijd van het jaar sprongen we over de kaarsjes (in een turf gestoken) in de kelder. In de midzomertijd dansen en zingen we om het vuur buiten.
Vuur kun je maken met een loep, waarin je de zon laat schijnen op een hoopje droog gras. Op elk vuurtje buiten kun je stokbrood bakken. Maak eerst deeg:

=500 gr. meel
=20 gr. gist
=wat honing
=2 dl. water

Laat het deeg een uur rijzen, zoek in die tijd stokken en schil van de punt de bast af. Het deeg nog even doorkneden en om de punt van de stok doen. Te slap deeg rolt van de stok!
Dan houden we het broodje boven het vuur, steeds draaien, anders wordt het deeg ongelijk gaar. Lichtbruin en droog uitzien, betekent dat het klaar is, het is dan aan de stok gerezen en dat is heel spannend! Het gat kun je vullen met jam, kwark met honing of kaas.

(Tineke Geus, in . Jonas’ nr.21, 12 juni 1981}

met, uit de natuur
Een krans van mooie bladeren: dakpansgewijs – vastzetten met kleine stokjes;
=Graskrans: bosjes gras met garen aan elkaar binden;

=Graskrans: 3 bosjes gras (halmen, bloemen, enz) en vlecht deze; telkens wanneer een bosje bijna op is, weer een bosje erbij doen, omwikkelen met dun draad of een lange grashalm.
=Ketting van paardenbloemstelen: een schakel: boveneind steel in ondereind steken;
=Kransje van madeliefjes: eerste madeliefje neerleggen met kopje naar links; 2e madeliefje ook, met bloempje naast 1e bloempje; bloempje van het 2e om steeltje van het 1e draaien en tussen steeltje 1e en eigen steeltje vastzetten, enz;
=Krans van bloeiende paardenbloemen: steel van de 1e, door steel van de 2e enz.
=Zoek op het strand de mooie schelpjes in zachte pasteltinten en lijm ze op bv. luciferdoosjes, closetrolletjes of op karton;
=droog madeliefjes en andere kleine bloemetjes in een telefoonboek en lijm ze op correspondentiekaarten. Zo heb je gezellige ansichtkaarten in voorraad.

(bron onbekend)

zomerfee
 maken van zijdevloei, bloe­men om haar heen; als mobile, of op een ‘jaargetijdentafel’, of midden op tafel bij een feestelijke maaltijd.

grasbol
van een hele of halve aardap­pel: gaatjes met stopnaald prikken – allerlei bloeiende grassen erin – hangend (hele aardappel) of staand (de halve).

buiten eten
Kersen!

poppen van gras
Bundel gras dubbel buigen, kleine bundel (als armen) er kruislings op vastbinden zodat hoofd -armen – rok ontstaan.

veel zangspelletjes doen
met jonge kinderen.

scheepjes van schors
voor in het water.

schelpjes
op een met gekleurd papier beplakte grote lucifersdoos plakken, (met velpon).

inmaak
voor de winter maken.

pannenkoeken met vlierbloesems
erin bakken .(zie onder)

vlierbloesemsap
maken.

vuur stoken
(als dat is toegestaan).

tafereel maken in huis
op een apart tafeltje met veel bloemen, grassen, (edel) stenen.

( Els Boekelaar , ‘Jonas’ nr.21 van 16 juni 1978)

bloemenhoed
Naai bloemen en bladeren met groen garen op een (oude) zonnehoed. Is de bol stuk, versier dan de overgebleven rand, dat staat prachtig met het hoofdhaar eroverheen ge­drapeerd!

st,jan

bloemenkoekjes en taart
(Wie anti-suiker is zit fout met deze koekjes, dan maar madeliefjes op de rauwkostsalade). Elke willekeurige taartbodem kan gebruikt worden, maar er moet een opstaande rand langs zijn. Verder geldt hetzelfde recept als wat hieronder volgt voor de bloemenkoekjes. Voor een taart uiteraard meer bloemen ge­bruiken.

Voor de koekjes (circa 15 stuks):
3 eiwitten,
2 ons witte basterdsuiker,
1 ons meel,
vanil­lesuiker,
(eventueel melk, als het beslag te dik is).

Eiwitten stijfslaan, met suiker tot gladde massa roeren. Voeg daarbij meel en vanille. Het deeg moet net vloeibaar zijn. Dan in kleine hoopjes op de bakplaat leggen.
Oven­stand 4 gebruiken, in 5 a 10 minuten heel lichtbruin laten worden en meteen vormen als ze uit de oven komen (indeuken eigen­lijk).
Zet ze op kleurige papieren rondjes. Bloemen: hortensia, primula, boterbloem, madelief.

suikerstroop
1 pond suiker met 1 glaasje water in een pan verwarmen. Als een druppel van dit mengsel meteen stolt als je deze op een bord laat vallen is het goed. Doe wat van dit mengsel in het koekje, leg er een bloeme­tje op en dek het af met nog wat suiker­stroop.

vlierpannenkoeken
Vlierbloemetjes door pannenkoekbeslag roe­ren, dunne stengeltjes kunnen er ook bij en dan pannenkoekjes van bakken. Heel feeste­lijk is dat als het op een buitenvuurtje kan met een simpel stenen muurtje eromheen en daarop een metalen roostertje om de pan op te zetten.

Van buiten naar binnen: gekleurd zijdevloei, wit papieren kantkleedje, deegbakje met bloemen in suikerstroop:

st,jan2

 ( Tinke Geus en Annet Schukking ‘Jonas’ 21 van 10 juni 1983)

graspopje
Materiaal: een bosje gras

Gebruik een deel van het gras voor de armen. Door het bosje af te te binden ontstaan de handjes. Een langer bosje gras gaat nu om het eerste heen waarna we weer met een dunne grashalm het hoofd, de taille en de benen afbinden.

St.Jan graspopje

zonnewijzer
Materiaal:
een rechte, dunne tak; steentjes

Snij een spitse punt aan de tak en steek hem onder een hoek van 45 graden in de grond, zodat het uiteinde naar het noorden wijst.
Naarmate de tijd verstrijkt, wandelt de schaduw van de stok als de wijzer van de klok over de grond. Met behulp van een horloge kunnen we een steentje of een takje op de plaats leggen waar de schaduw ieder heel en eventueel half uur staat.

racebootje
Materiaal:
figuurzaag
mes
3 elastiekjes
een stukje hout. ca 7×15 cm
een stukje multiplex. 2×4 cm

Zaag een punt aan de voorkant van het stukje hout en zaag er aan de achterkant een rechthoek uit van ongeveer 5 cm lang en 4 cm breed. Maak in de beide uitsteek­sels van de achterkant een inkeping, waarin een elastiekje past. Een zelfde inkeping maakt u in het stukje multiplex, maar dan in het midden. Wikkel een elastiekje stevig om het multiplex heen, zodat het niet los kan gaan zitten. Zowel links als rechts St.Jan racebootjemaakt u aan dit elastiekje een ander elas­tiekje vast. U kunt nu de ‘propeller’ met de beide elastiekjes vasthaken in de inkepin­gen van de achterkant. Door te draaien spant u het elastiek. Zodra u de boot in het water zet en hem loslaat, zal de propeller gaan draaien.

een ‘kruik’van kersenpitten
Materiaal:
1 kg droge kersenpitten
lapjes katoen van 30x30cm

Nog steeds worden de pitten van kersen door Zwitserse boeren als een soort kruik gebruikt. Kersenpitten kunnen namelijk de warmte lang vasthouden. In de koude wintermaanden legde men zakjes met kersenpitten op de grote kachel die de hele kamer verwarmde. Voor het slapen gaan werden ze in de bedden gelegd, want de meeste slaapkamers waren onverwarmd.

De kersentijd duurt over het algemeen niet zo lang en we zijn ook lang niet altijd in de gelegenheid om veel kersen te eten. Bewaar de pitten echter en was ze goed schoon. We kunnen ook onze vrienden en familieleden vragen de kersenpitten voor ons te bewaren. Voor de kruik worden de kersenpitten even­tueel even in kokend water gelegd, zodat er geen vruchtvlees meer aanzit. Als ze goed gedroogd zijn vullen we het zakje en naaien de opening dicht. Bij gebrek aan een kachel zullen we het vaak met de radiator van de centrale verwarming moeten doen.

grasbol
Grassen van gelijke lengte prikken we in een aardappel. Er ontstaat een prachtige zomerse grasbol die lang blijft hangen, doordat het gras het vocht uit de aardappel opneemt. De aardappel droogt slechts langzaam uit.

johannikoeken
Pluk mooie vlierbloesems en schudt de beestjes eruit op een schone doek. Van 4 ons  bloem, 1 ons suiker, 5 eieren, zout en melk een dik beslag maken. Zonnebloemolie verhitten. Nu neemt men 1 bloesem, doopt deze tot het steeltje in het beslag en dan in de hete frituur goud-geel bakken. Bestrooien met poedersuiker en warm serveren.

vlierbloesemlimonade
Zoek mooie bloeiende schermen, 
ongeveer 1kilo. Stop ze  in een grote emmer. Maak een suikerstroop door 4 kilo suiker te verhitten met 4 tot 5 liter water. Gooi dit kokend heet over de bloesem en laat het onder af en toe roeren tenminste 24 uur staan.
Los 70 gram citroenzuur op en roer dit erdoor.
Zeven en in goed sluitende, schone flessen doen.
Zo krijgt u siroop, die nog met water verdund moet worden.

appelmoes
Ook van onrijpe valappels kan een lekkere appelmoes worden gemaakt.
circa 1 kg valappels klein snijden,
in ¼ l water gaar koken samen met
300-400 gr. vijgen zonder steel en de onderstaande kruiden:
steranijs,
1 theelepel venkel,
½ theelepel korian­der,
1 vanillestokje,
1 kaneelstokje,
1 gesneden gem­berwortel,
citroenschilletje.

Door de pureezeef draaien (fijne schijf) en nog eens zoeten met naar keuze wat Demeter suikerbietenstroop, honing of appeldiksap.
Als er grote hoeveelheden valappels moeten worden verwerkt kan men bij wijze van wintervoorraad de appelmoes ook wecken.
Zij vormt een goede aanvulling bij graangerechten met melk, bij vlokken en als broodbeleg en taartvulling.
.

(bron: schoolkrant vrijeschool Uden)
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

202-192

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

..

 

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (25)

.


SINT-JAN

Een feest in het teken van het offervuur

Het Sint-Jansfeest – de naamdag van Johannes de Doper – staat in het teken van warmte, van vuur. Op vele plaat­sen in Nederland werd en wordt nog steeds op 24 juni een Sint-Jansvuur ontstoken.

In dit artikel wordt een verbinding ge­legd tussen dit vuurelement en de vie­ring van het geboortefeest van Johan­nes de Doper.

Het christelijke jaar is in twee grote helften verdeeld. Het eerste deel, van december tot mei of juni, omvat de drie ‘winterfeesten’ (advent, Kerstmis en Driekoningen) en de vier ‘lentefeesten’ (lijdenstijd, Pasen, Hemel­vaart en Pinksteren). Het tweede deel is in traditionele zin de ‘feestloze’ helft van het jaar, waar de zondagen na Pinksteren slechts geteld worden tot de volgende advent, zon­der dat ze een speciaal eigen feestkarakter hebben.

Door moderne geesteswetenschappelijke in­zichten, die in de antroposofie bestudeerd kunnen worden, als ook door de christelijke eredienst, zoals deze in vernieuwde vorm in de gemeenten van de Christengemeenschap gevierd wordt, is in deze eeuw een indruk­wekkende dimensie aan deze tweede helft van het christelijke jaar toegevoegd. De ‘hei­ligendagen’ 24 juni en 29 september zijn na­melijk van gedenkdagen van Johannes de Do­per respectievelijk de aartsengel Michaël uit­gegroeid tot ‘volwaardige’ feestgetijden, die in gewicht naast of tegenover de van oudsher ‘bekende’ feesten staan. Vanuit de genoemde tweedeling ontstaat dan ook een viervoudige opbouw van het christe­lijke jaar, dat – overeenkomstig de natuurlij­ke vierheid van de seizoenen – als een groot kruisteken winter en zomer, herfst en lente met elkaar verbindt (zie de eerste aflevering van deze serie van jaarfeestenbijlagen, Jonas 2,jrg. 14). De polariteit van zomer-en win­terfeest is zelfs opvallend nauwkeurig aflees­baar aan de datum: tegenover de kerstnacht van 24 op 25 december staat de dag van Sint-Jan op 24 juni: de innerlijke verbondenheid tussen Jezus en Johannes komt in hun beider geboortedagen tot uitdrukking. Hiermee staat in natuurlijke samenhang, hoe de aan­kondigingen van beide geboorten eveneens tegenover elkaar staan: aan de aanstaande va­der van Johannes (Zacharias) in de herfst; aan de aanstaande moeder van Jezus in de lente.

St.Jan kruis seizoenen

De verbondenheid tussen Johannes en Jezus wordt overigens op intieme wijze in het Lukasevangelie beschreven, wanneer Maria -kort na de aankondiging van de geboorte van Jezus Elizabet opzoekt, die dan dus in de zesde maand is. ‘En toen Elizabet de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot. Een heilige geest vervulde Elizabet, zij hief aan met machtige stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Gezegend de vrucht van uw schoot! Hoe word ik zo geëerd, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Zie, toen mijn oor het geluid van uw groet ver­nam, sprong het kind in mijn schoot van blijdschap op…’

Zo staan de beide verwekkingen tegenover elkaar, Pasen met de Michaëlstijd verbin­dend; en de beide geboortes, Kerstmis en de tijd van Sint-Jan met elkaar verbindend. Een groot kruis verdeelt de ‘ring van het jaar’ in vier gedeeltes. Zoals deze vierheid – althans in de gematigde zones van de aarde – onder andere in de afwisseling van de seizoenen zijn natuurlijke uitdrukking vindt, zo wordt deze vierheid volgens christelijke traditie, die door geesteswetenschappelijke onderzoeking wordt bevestigd, eveneens vanuit de boven­zintuiglijke wereld gemarkeerd. Vier aarts­engelen verbinden zich achtereenvolgens met deze feestgetijden, ieder zijn eigen kenmer­kende gaven en krachten schenkend.

Uriël
In een vorig artikel (Jonas 17, jrg. 14) werd beschreven, hoe de aartsengel Rafaël met zijn genezende krachten (wat zijn naam al zegt) zich met de Paastijd verbindt. De aartsengel Uriël komt vervolgens in de tijd van onze zomer ‘op de voorgrond’ en geldt als genius van het feest van Johannes de Doper. Het Hebreeuwse woord ‘ur’ of ‘or’ (hetgeen ‘licht’ betekent) geeft een wezenlijk kenmerk van deze tijd. Het is een licht van goddelijke oorsprong (Uriël wil zeggen God is licht, of het licht van God), dat uit schep­pende offerkracht voortgekomen is, respec­tievelijk voortkomt en dus ook warm is. Dit licht heeft deze eigenschap (namelijk dat het warm is) met het zonlicht gemeen, aangezien het voortkomt uit een vuur, een onvoorstel­baar machtige offervlam.
De Sint -Janstijd staat in het teken van het vuur, en daarmee in het teken van-warmte, licht en offer. Vanuit die achtergrond is het begrijpelijk, waarom het gebruik zich heeft ontwikkeld in deze tijd van het jaar vuren aan te leggen en te ontsteken. De natuur geeft al veel licht en warmte, vooral in zeer noordelijk gelegen landen. De weinige duis­ternis en de koelte van de korte nachten wor­den dan ook nog verdreven door het oplaai­ende vuur. Een gebruik overigens, dat door menigeen als (te) extatisch wordt beleefd en voor traditioneel-christelijk ingestelde men­sen ook wel zeer ‘heidens’ aandoet.

Goddelijke vonk
Geheel los van de vraag of we in deze uiter­lijke vorm dit gebruik al of niet kunnen of willen volgen, lijkt het in ieder geval zinvol om nader op het element van het vuur in te gaan.

Wanneer we de mens viervoudig opgebouwd denken, herkennen we daarin zonder veel moeite of dwang de vierheid van de ‘klassie­ke’ elementen aarde, water, lucht en vuur. Het stoffelijke en daarmee ook sterfelijke li­chaam is het aarde-element aan de mens, ter­wijl het hele organisme dat tegen deze doodskrachten in leven aan het lichaam geeft wordt gekenmerkt door stromende beweging als van water. Het vloeibare element en in het bijzonder het water, is voorwaarde voor leven. Het leven, dat als zodanig een stro­mend, pulserend karakter heeft, verbindt zich met dat element, dat diezelfde eigen­schappen bezit.

Naast dit levensorganisme, dat in de antropo­sofische geesteswetenschap het etherlichaam wordt genoemd, heeft de mens ook het zoge­naamde astraallichaam, waar ‘bewegingen van de ziel’ zoals sympathie en antipathie, angst en hartstocht zich afspelen. Bewegingen, waarbij de ‘adem plotseling kan stokken’, of waar het ‘stormachtig’ toegaat vertonen overeenkomst met het element van de lucht. Tenslotte draagt de mens het vierde element, namelijk dat van de warmte in zich, waarin bij uitstek datgene thuishoort, wat de mens is (in tegenstelling tot wat hij heeft), name­lijk zijn individualiteit, ook wel zijn ‘godde­lijke vonk’ genoemd, hetgeen ook op het ele­ment van het vuur duidt! In het verband van ons onderwerp is het ove­rigens boeiend te ontdekken, hoe wij deze vier elementen ook weer terug vinden in het kararakter van de seizoenen: hoe in de winter door de koude het verstarrende element van de aarde de overhand heeft; hoe met het op gang komen van alle sapstromen in de lente het levenselement van het water de hoofdrol speelt; in de herfst voert in wind en storm het element van de lucht duidelijk de boven­toon, terwijl tenslotte in de zomer bij uitstek de warmte om zo te zeggen dominant is. Om nu terug te komen op het onderwerp van het vuur, zijnde het element, waarin het eigenlijke wezen van de mens, zijn ik, thuis­hoort, wil ik een paar dichters aan het woord laten, die dat tot uitdrukking brengen.
C.F. Meyer heeft zich in het gedicht ‘Das heilige Feuer’ laten inspireren in die zin, dat hij de consequentie beschrijft, die het onbe­waakt laten uitgaan van het heilige vuur in de mens met zich meebrengt, namelijk het ‘levend begraven te worden’, met andere woorden een – in letterlijke zin – ‘ondergang’ van zijn existentie. In dit gedicht büjkt ook, dat deze vlam voortdurend bewaakt en ver­zorgd moet worden, zodat er een bestendige warmte ontstaat, en niet een onrustig flakke­rende fakkel die het ene ogenblik dreigt uit te gaan en het volgende moment hoog en heet oplaait.

In uiterlijke zin komt dit zelfs ook in onze lichaamstemperatuur tot uitdrukking. Pas in een uiterst evenwichtige en bestendige warmte kan het mensenwezen leven en wer­ken. Ik verlies mezelf wanneer ik hetzij koelbloedig of, omgekeerd, heethoofdig ben. Zowel wanneer iets mij totaal ‘Siberisch koud’ laat, als ook integendeel, wanneer ik heetgebakerd van woede kook, ‘ben ik mij­zelf niet meer’, ben ik niet helemaal aanwe­zig.

Offervuur
In het onderstaande gedicht van Marsman komt het element van het offer tot uitdruk­king, zoals we dat kennen uit het mythologi­sche beeld van de vogel Phoenix. Vanuit het verterende vuur, waar oude waarden en veel­al dierbare schatten in worden opgeofferd, ontstaan nieuwe mogelijkheden, nieuwe
di­mensies. Vaak moet het oude door een doodsproces om geheel nieuw, gereinigd en gemetamorfoseerd daaruit op te staan. Zo is dit mythologische beeld ook in zekere zin een profetie, een ‘voor-beeld’ van de alles-vernieuwende daad van Christus, het sterven, de dood en de overwinning van de dood, de verrijzenis. Hijzelf drukt het uit in de woor­den tot zijn discipelen: ‘Vuur ben ik komen werpen op de aarde en wat wil ik anders dan dat het reeds ontbrandt! Ik onderga een doop, waarmee ik gedoopt wordt; en hoe wordt mijn wezen geperst, tot het volbracht is! -‘ (Lucas 12)

PHOENIX

Vlam in mij, laai weer op;
hart in mij, heb geduld,
verdubbel het vertrouwen –
vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen
de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;
o, wiek nu op uit de verbrande takken
en laat den moed en uwe vaart niet zakken;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

H. Marsman

Hiermee komen wij weer te spreken over die­gene, wiens naam met het zomerfeest ver­bonden is, Johannes de Doper. Diegene na­melijk die deze doop, waarvan Jezus spreekt, voorbereidt, inleidt en voltrekt. Het optre­den van Johannes de Doper staat in het te­ken van een offervuur. Religieuze waarden, spirituele rijkdommen van het Oude Ver­bond, waarvan Johannes in vele opzichten een vertegenwoordiger is, moeten worden opgegeven respectievelijk moeten worden ge­metamorfoseerd om voor de nieuwe impuls plaats te maken. De allesbeheersende oude waarden worden tot bescheiden, dragende en voorbereidende elementen voor het ‘nieuwe verbond’. ‘Hij moet groeien, ik moet afne­men’, zijn dan ook de karakteristieke woor­den van de grote, tot ver over de grenzen be­kende en vereerde leider, die zich in alle be­scheidenheid terugtrekt nadat hij op de on­bekende Jezus heeft gewezen, die ‘niet met water zal dopen, maar met heilige geest en met vuur’.

Hoe groot de persoonlijkheid van Johannes is, en daarmee evenredig het offer dat hij brengt, blijkt onder andere uit de wijze, waarop Jezus over hem spreekt: ‘…een die meer dan een profeet is!’

Hij is het van wie de Schrift zegt: ‘Zie ik zend mijn engel voor uw aangezicht uit, hij zal de weg voor u banen. Ja zo is het, ik zeg u: onder allen, die uit vrouwen geboren zijn, is geen grotere opgestaan dan Johannes de Do­per; en de kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij. Van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Rijk der hemelen bestormd en bestormers nemen het in bezit. Want alle profeten en de wet heb­ben voorbereidend gewerkt tot Johannes toe. En – indien gij het wilt aannemen – hij is Elia wiens komst men verwacht.’
Johannes wordt beschreven als staande tus­sen twee werelden, namelijk die van de men­sen en die van de engelen. Dat maakt het ook begrijpelijk waarom juist hij de wegbe­reider is van diegene, die door zijn offerdaad op Golgotha hemel en aarde met elkaar ver­bindt.

Johanneïsch gebaar
Ook in ander opzicht staat Johannes tussen twee werelden in, hij is namelijk degene, die in het Oude Testament – weliswaar daar na­tuurlijk met de naam Elia – als laatste ge­noemd wordt, namelijk aan het einde van het laatste hoofdstuk van het laatste boek (Maleachi). Hij wordt daar als de toekom­stige wegbereider van de Messias beschreven. Vervolgens speelt hij aan het begin van het Nieuwe Testament (met name in het eerste boek – Mattheus) een belangrijke rol, waar bovengenoemde profetie in vervulling gaat. De individualiteit van Elia-Johannes ver­bindt dus de beide werelden van Oude en Nieuwe Testament met elkaar. Dit brengt ons van een andere kant op de­zelfde eigenschap van Johannes de Doper, die we al noemden, namelijk dat zijn groot­heid juist ligt in zijn bereidheid deze groot­heid op te offeren. Wegbereiden, plaats ma­kend, ruimte scheppend voor andere, nieuwe waarden, die door de meeste van zijn tijdge­noten niet als zodanig kunnen worden on­derkend. Het is een eigenschap, die – in ons eigen leven vertaald – uiterst moeilijk ontwik­keld kan worden en nog veel moeilijker in praktijk te brengen is. Het wijzen op de an­der (het bij uitstek ‘Johanneïsche gebaar’) valt me gemakkelijk wanneer ik mezelf daar­bij buiten schot kan houden, een schuld kan ontduiken, of een gevaar kan ontwijken. Het wijzen op de ander, zodat daardoor naar de betreffende meer waardering en eerbied wordt aangedragen, of dat daardoor meer aandacht wordt besteed aan hetgeen hij of zij te zeggen of te brengen heeft, valt over het algemeen een stuk zwaarder!
‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’ is een houding die niet alleen weinig in praktijk wordt gebracht, naar zelfs veelal wordt gezien als zwakte, als slapheid.

Maar, aanknopend aan een uitspraak van Friedrich Rittelmeyer: ‘Selbstlos ist nicht ichlos’ (onzelfzuchtigheid is niet gelijk te stellen met ik-zwakte), kunnen we wellicht zelfs zeggen: onzelfzuchtigheid is een wezen­lijk kenmerk van ik-kracht.

Maarten  Udo de Haes,’Jonas’ 22,22 juni 1984

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

201-191

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (24)

.


SINT-JAN, MEER DAN EEN GEZELLIGE PICKNICK EB SPELLETJES

Vorig jaar introduceerden wij het grote zevensprong / kringspel op het St.- Jansfeest waarin de ele­menten water lucht en vuur zichtbaar worden.

Er is een opbouw naar het aansteken van het vuur toe door de zesde klas. Alle klassen dragen daar hun steentje aan bij.

Alle begin is moeilijk, het spel duurde wat lang. Sommige handelingen waren niet zichtbaar, teksten niet verstaanbaar.

Dit jaar gaan we proberen het voor iedereen goed beleefbaar te laten zijn. Bij de evaluatie was er n.l. genoeg enthousiasme voor de achtergrondgedachte van dit kringspel.

Hier volgt een uitleg voor een ieder die daarin geïnteresseerd is.

Door aan het zingen en dansen structuur te geven, kunnen we ons op een vrolijke manier met de die­pere betekenis van het St.-Jansfeest verbinden.

De zevensprong is een oude sacrale dans. Een cyclus van leven en sterven en van het leven in het sterven terugvinden.

Een dans van in-en uitwikkeling en van einde en hernieuwd begin.

De dans wordt 7 x herhaald en steeds afgesloten met een gebaar waardoor we ons over 7 sprongen verdeeld in elkaar rollen, om vervolgens weer recht op te springen na elke sprong. ( weer springle­vend worden! ) Na elke sprong beelden we vervolgens op 7 verschillende manieren ( spel,dans, gedicht of lied) een aspect of ontwikkelingsfase van de mens of mensheid uit. In de eerste 4 sprongen gaan we in op de 4 elementen van de natuur en proberen we vanuit het bewustzijn van het kind om te gaan met de aarde, het water, de lucht en het vuur.
In de laatste 3 sprongen liggen de kiemen voor de toekomst besloten. Na de ontwikkeling van het ik, kan de mens werken aan het geestzelf, de levengeest en de geestmens.

le sprong:
Aarde, materie -> oudste kleuters verbinden zich met de aarde. Ze leggen klei rond een uitgegraven plek in de aarde. De kuil in de grond symboliseert een schaal die leven voortbrengt en ontvangt. Daarbij zingen we een lied over de aarde.

2e sprong :
Water, etherwereld ->  eerste klas verbindt zich met het vloeibaar stromend element van beweeglijk water, drager van levenskrachten, onzelfzuchtig, neemt vorm van omgeving aan. De eerste klas vult de schaal met water onder het zingen van een waterlied.

3e sprong :
Lucht, astrale wereld -> de tweede klas verbindt zich met lucht; licht en vluchtig, stijgt op door warmte, zij voelen zich als vogels in de wolken. Zij blazen bellen, wij zingen een vogellied.

4e sprong :
Vuur, ik, de derde klas verbindt zich met het vuur, de warmte door het eenheidsbeleven met de natuur symboliseert ook enthousiasme voor iets wat we horen, uitbeelden of improviseren. Het Keltische gedicht ” ik ben ” wordt gedeclameerd rondom de lemniscaat waarin de vuur- en waterplek zijn gemaakt. Er worden 7 waxinelichtjes in het water gelegd.

5e sprong :
Het geestzelf.->  De vierde klas verbindt zich met de innerlijke zon. Het ik moet verinnerlijken. Het uiterlijke vuur(warmte) moet innerlijk vuur worden, gehanteerd in moed, eerbied en dankbaarheid.
Daarvoor moet de mens door een nulpunt heen. Van groot weer klein worden. Dan kan de mens tot de ervaring van een innerlijke zon komen door liefde. In het water worden waxinelichtjes aangestoken.

6e sprong :
De levensgeest.->
De vijfde klas verbindt zich met de innerlijke levensenergie. De vijfde klas geeft stokken door, dit symboliseert het dragen, doorgeven en delen van energie en levenskrachten. In het hout zijn zonne-energie en warmte opgeslagen. Door het doorgeven springt de levensgeest over! ( creatief, beweeglijk gedacht!) Hierbij wordt een lied gezongen en daarna wor­den de stokken bij de houtstapel gevoegd.

7e sprong :
De geestmens. ->   De zesde klas verbindt zich met de vreugde door innerlijk en uiterlijk beleefd vuur, enthousiasme. Blijheid voor en in de geest waardoor de aarde en wijzelf gelouterd wor­den.

7  zesdeklassers steken de fakkels aan aan de brandende waxine lichtjes. Daarna gaan zij op verschil­lende punten in de lemniscaat staan. De overige zesdeklassers komen hun fakkel aansteken . Wan­neer iedereen vuur heeft, lopen de kinderen de lemniscaat en zingen : hoor je ’t zingen van het vuur.

Nu dansen we allemaal om het vuur, niet in extase maar vanuit een zelfbewust enthousiasme.

St.Jan lemniscaat

In de lemniscaat ( liggende 8) willen wij geen kinderen laten spelen / lopen. Wilt u daar als ouders a.u.b. ook allemaal op toezien.

Het is heel vervelend voor ons om daar steeds kinderen uit te moeten sturen. Balspelletjes dan ook graag niet in de buurt van deze lemniscaat spelen!

Het St.-Jansfeest kan voor iedereen heel gezellig zijn wanneer alle ouders toezicht op hun eigen kin­deren houden.

(bron: vrijeschool Uden)

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

200-190

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (23)

.

SINT-JAN

‘Zij klom en klom de hele dag’

Opnieuw een sprookje met een motief dat aansluit bij een jaarfeest. Deze keer: het Sint-Jansfeest.
Een koningszoon wordt ziek en kan alleen genezen door het eten van een granaatappel. Het meisje Joana vindt de heilzame vrucht en brengt hem naar de zieke prins. Else Tideman zocht het sprookje uit -~en schreef de toelichting.

Er leefden eens een koning en een koningin, die één zoon hadden, van wie ze veel hiel­den. Toen deze zoon twintig jaar was gewor­den werd hij ziek, steeds zieker. Men riep ve­le artsen, ook oude en wijze vrouwen naar het paleis, maar niemand kon de konings­zoon helpen. Tot op een dag een heel oude man kwam, die in de sterren kon lezen. Deze zei tegen de koning: ‘Er is maar één middel om je zoon te genezen: een appel van de gra­naatappelboom. Maar iemand moet hem brengen vóór de koningszoon eenentwintig jaar is; gebeurt dat niet, dan moet hij ster­ven.’ De koning zei: ‘Wat betekent dat: van de granaatappelboom. Is het dan een bijzon­dere?’ ‘Majesteit’, zei de magiër, ‘dat is een boom, die tot aan de hemel groeit. De vruch­ten zijn helemaal in de top. Tot nu toe is het niemand gelukt zo hoog te klimmen, omdat de meeste mensen duizelig worden en vallen’. Toen liet de koning verkondigen dat diegene die een appel van de granaatappelboom zou brengen, zodat zijn zoon gezond werd, het halve koninkrijk zou krijgen en later met zijn zoon samen zou regeren. Toen gingen vele jongelingen op weg, maar de meesten kon­den de granaatappelboom niet vinden. En zij die hem wel vonden, vielen naar beneden, nog vóór ze ook maar de helft van de stam opgeklommen waren.

Zo ging een half jaar voorbij en niemand ge­lukte het de appel te veroveren. De konings­zoon werd steeds zwakker. Nu leefde er in dat rijk een meisje van vijf­tien jaar, Joana heette ze en ze had geen ouders. Joana woonde bij haar grootouders en zorgde voor hen. Toen ze de oproep van de koning hoorde, vroeg ze haar grootvader: ‘Vadertje, wat denk je, is het moeilijk die granaatappelboom te vinden?’ ‘Dochtertje, ik zou je de weg kunnen beschrijven en dan zou het voor jou niet moeilijk zijn hem te vinden. Maar wat wil je? Veel jongelingen zijn er al afgevallen.’ Maar Joana nam zich voor de appel te gaan halen en liet zich daar niet van afbrengen. Dus gaven de grootou­ders ten slotte toe. Grootmoeder bakte een maiskoek en grootvader vulde in de kelder een fles met wijn uit zijn beste vat. Daarna omarmden ze haar en zij ging op weg. Zij ging en ging, steeds in de richting van zonsopgang, zoals haar grootvader gezegd had. Nadat ze tien dagen gelopen had, kwam ze bij een hoge berg, en op die berg zag ze een reusachtige boom staan, waarvan de stam tot in de wolken reikte. Toen Joana de berg wilde beklimmen, zag ze voor een grot een oude bedelaar zitten. Deze zei: ‘Joana, geef mij wat te eten en te drinken, want ik sterf van de honger en kom om van de dorst’. Toen zei het meisje: ‘Wees niet bang, Groot­vadertje, wat ik bij me heb, is genoeg voor twee.’ En ze ging naast hem in het gras zitten en pakte haar mand uit. Daarvóór had ze na­melijk alleen geleefd van vruchten die ze on­derweg vond. Toen ze de maiskoek doorge­sneden had, gaf ze de oude het grootste stuk, schoof hem de wijnfles toe en zei: ‘Drink ge­rust alle wijn, ik ben gewend aan water. De oude liet het zich goed smaken, at de mais­koek en dronk de wijn. En toen ze met eten klaar waren, vroeg hij: ‘Joana, waar ga je heen?’ Zij antwoordde: “Ik heb gehoord, dat de zoon van de koning heel ziek is en dat al­leen een appel van de granaatappelboom hem genezen kan. Daarom ben ik op weg ge­gaan om die appel te halen. En als mijn grootvader alles goed beschreven heeft, moet die boom daar op de berg de granaatappel­boom zijn.’ ‘Ja,’ zei de oude, ‘je grootvader heeft gelijk. Maar heeft hij je ook gezegd, dat allen die geprobeerd hebben de boom te be­klimmen, eraf gevallen zijn?’ Joana ant­woordde: ‘Ja, dat heeft hij gezegd. Maar ik zal me goed vast houden, zodat ik er niet af val’. De oude zei toen: ‘Maar dat is nog niet alles. Je moet weten, dat je bij het klim­men niet naar beneden mag kijken, omdat je dan duizelig wordt en van schrik loslaat. En je moet weten dat de top van de boom hoog boven de wolken is, dichter bij het paradijs dan bij de aarde. Zodra je bij de top geko­men bent, zul je drie twijgen zien: één met citroenen, één met sinaasappelen en één met granaatappelen. Je zult van het klimmen veel dorst hebben, en daarom raad ik je aan: pluk voor jezelf een citroen en een sinaasap­pel en eet en drink daarvan, want dan wordt je dorst gelest. Maar pas op, dat je geen gra­naatappel eet, daarvan zou je zwanger kun­nen worden.’

Het meisje dankte de oude hartelijk voor zijn raad en besteeg de berg. Toen ze boven was, vond ze werkelijk de granaatappelboom. Ze keek niet lang hoe zijn doornige stam zich in de wolken verloor, maar wikkelde een doek­je om haar handen, om zich bij het klimmen niet te verwonden, bond haar kleren tot bo­ven de knieën op en begon te klimmen.

Ze klom en klom de hele dag en het werd al donker, toen ze in de wolken kwam. Maar ze klom verder en toen ze boven de wolken uit kwam, was het weer lichter, want daar schijnt altijd de zon. Eindelijk kwam ze helemaal uitgeput bovenaan en haar tong was gezwol­len van de dorst. Ze plukte snel een citroen en een sinaasappel en nadat ze gedronken en gegeten had, plukte ze ook nog enige granaat­appelen en ging toen zitten om wat uit te rusten. Na een tijdje begon ze met de afda­ling. Toen ze beneden de wolken kwam, was het zó donker, dat ze geen hand voor ogen kon zien en ze durfde niet verder te dalen. Ze hield zich vast om de morgen af te wach­ten. Maar ze werd steeds zwakker en dorstiger, ze zou vallen als ze niet iets kon eten of drinken. Toen nam ze een granaatappel en at hem op. En meteen voelde ze zich gesterkt, en ’s morgens, toen het licht genoeg gewor­den was, daalde ze verder naar beneden. Toen ze onder aan de berg kwam, zag ze de oude weer. Hij zei: ‘Dochtertje, ik zie dat je een granaatappel moest eten. Als je in moei­lijkheden komt, kom dan bij mij terug, waar één leeft, kunnen ook meer leven’. Toen ging Joana naar de stad, naar het paleis van de koning. Ondertussen was het met de koningszoon steeds slechter gegaan. Toen de koning hoorde, dat er een meisje was dat de goede granaatappel gevonden had,was hij buiten zichzelf van vreugde en bracht haar zelf naar zijn zoon. Nauwelijks had de ko­ningszoon de granaatappel gegeten of hij voelde zich al veel beter. De koning kuste het meisje van vreugde en zei: ‘Zodra mijn zoon gezond is, zul je met hem trouwen. Dan kunnen jullie samen regeren, als ik er niet meer zal zijn.

Er gingen een paar maanden voorbij en het ging van dag tot dag beter met de konings­zoon. Het meisje merkte echter, dat zij zwanger was, en toen werd ze bang. Ze be­sloot het paleis te verlaten. Ze vulde haar mand met brood, nam een fles wijn mee en ging terug naar de plek, waar ze de oude be­delaar ontmoet had.
‘Dochtertje’, zei de oude, ‘ben je daar weer? Wees niet bang! Jij bent goed voor mij ge­weest, ik zal goed voor jou zijn. Kijk, ik heb een tuin met groenten en vruchten, groot ge­noeg voor een kleine familie’. En toen het kind werd geboren, hielp hij haar en zorgde voor het kind.

Ondertussen was de koningszoon treurig, want hij was van Joana gaan houden en hij miste haar erg. De koning probeerde hem te troosten: ‘Waarom wil je nu dat éne meisje. Het hele land is vol schone meisjes.’ Maar de koningszoon was daarmee niet tevreden en wilde geen ander meisje aankijken. En na een poos zei hij: ‘Vader, ik wil de wereld in trek­ken om te zien, of ik het meisje, dat mij het leven gered heeft, kan vinden. En als ik haar niet vinden kan, dan wil ik in een klooster gaan tot het einde van mijn leven.’ De ko­ning zei: ‘Als je beslist vindt, dat je dat doen moet, mijn zoon, ga dan maar. Maar beloof me, dat je met haar terug komt als je haar ge­vonden hebt.’ De koningszoon beloofde het. Hij zadelde zijn paard en reed weg. Hij reed niet minder dan zes jaar door ver­schillende koninkrijken en doorstond vele avonturen. Hij zag veel meisjes, koninginnen en bedelaressen, maar hij vergat zijn redster niet, zijn verlangen naar haar werd steeds groter.
Tegen het einde van het zesde jaar gebeurde het, dat hij op een avond langs een huis reed, waarin hij mensen hoorde schreien. Hij hield zijn paard in, steeg af, klopte op de deur en riep: ‘Waarom schreit men hier? Is hier ie­mand gestorven?’ Toen kwam een pope met zijn vrouw naar buiten. Hij zei: ‘Neen reizi­ger, hier schreit men niet om een dode, maar om een geroofde. Drie dagen geleden is hier een troep Turken voorbij gekomen, zij roof­den onze zoon van zeven jaar.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zal hen narijden en zien, of ik jullie zoon terug kan krijgen.’ Hij besteeg weer zijn paard en reed dag en nacht. Maar het duurde bijna twintig dagen, tot hij bij de grote stad van de Turken kwam. Daar vroeg hij, waar jonge slaven gebracht werden en wanneer de eerste marktdag was.
Toen de dag aanbrak waarop men de gevangenen verkocht, nam hij al het geld dat hij nog had mee en ging naar de slavenmarkt.
Hij zag al gauw wie de zoon van de pope moest zijn. Zodra hij aan de beurt kwam, zei de koningszoon dat hij hem wilde kopen. Maar er was nog een ander, die méér geld bood dan de koningszoon had. Deze vroeg nog even te wachten. Hij haalde zijn mooie paard en verkocht het voor veel geld. toen kon hij de zoon van de pope kopen. Hij kocht kleren voor het kind en liet hem uitrusten.
Daarna gingen ze op weg.
Het was een lange tocht, soms moest de koningszoon het kind op zijn schouders zetten, omdat het te moe was om te lopen. Wat waren de pope en zijn vrouw gelukkig, toen ze hun zoon terug zagen. De pope zei ´Goede man, hoe kunnen we je danken. Wij zijn arme mensen en kunnen je niets geven.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zoek een meisje, dat mij het leven gered heeft. Hebben jullie van haar gehoord?’
En hij beschreef hun precies, hoe zij er uitzag. ‘Ja, zo’n meisje heb ik eens gezien. Maar eigenlijk was het geen meisje, het was een jonge vrouw. Ze kwam samen met een oude man, om haar zoontje te laten dopen. Dat is vele jaren geleden, maar ik her­inner het me goed, omdat dit jonge meisje en de oude man zo’n vreemd paar waren. En het meisje zei grootvadertje tegen hem. Toen vroeg de koningszoon: ‘En met welke naam is het kind gedoopt?’ ‘Dat weet ik niet meer’, zei de pope, ‘maar ik kan het in mijn boek nakijken.’ En hij haalde zijn boek, bla­derde erin en zei: ‘Demetrius heet het kind.’ ‘Dat is mijn naam!’ riep de koningszoon. ‘Weet je waar het kind en de moeder wo­nen?’ De pope zei het hem zo goed mogelijk. Toen nam de koningszoon afscheid en liep naar de plek aan de voet van de berg, waar Joana met de oude en haar zoon woonde. Toen Joana hem aan zag komen, verstopte zij zich in de tuin, want ze was bang dat de koningszoon boos zou zijn. Maar hij omarm­de het kind en de oude man en riep: ‘Einde­lijk heb ik jullie gevonden! Demetrius, haal vlug je moeder.’ Het kind liep weg en haalde zijn moeder. En toen gingen ze samen naar de pope en nadat ze hem de hele geschiede­nis verteld hadden, trouwde hij hen. Toen stuurde de koningszoon boden naar huis en liet een koets komen. Daarmee reden ze met z’n allen naar het paleis. Wat een vreugde was er in de hele stad!

Sint Jan

Hoe verschillend gaan mensen uit dit sprook­je op weg naar de granaatappelboom! Van de jongelingen wordt alleen gezegd, dat ze gaan, nadat ze gehoord hebben dat het halve rijk als beloning gegeven wordt. Dit motief werkt blijkbaar niet goed. Ze vinden de boom niet, of ze vallen eraf. Joana’s motief is: ‘Ik ben op weg gegaan om de appel te halen die de koningszoon genezen kan’. Zij is onbaatzuchtiger dan de jongelingen. Zij heeft een inner­lijke zekerheid, weet haar grootouders te overtuigen, heeft overleg – ze gebruikt onder­weg geen koek en wijn – en ze heeft liefde­volle aandacht voor de bedelaar, waardoor ze ongevraagd raad krijgt. Ze wordt niet duizelig, want ze houdt haar doel goed in het oog. Zo bereikt ze door de wolken heen de top, die ‘dichter bij het paradijs is dan bij de aarde’. En daar kan ze haar vruchten plukken.
Tegen de zomer wordt de natuur steeds uit­bundiger. Het zaad in de aarde is opgekomen, aangetrokken door licht en zon, groeit het en bloeit in steeds groter veelvuldigheid. De mens wordt er innerlijk door meegenomen, hij opent al zijn zintuigen om dat schone en bloeiende in te drinken. Hoger en hoger
ver­heft zijn genietende ziel zich met de natuur mee, hij wordt als het ware uit zichzelf ge­trokken en wil ook niet anders. Als hij om­kijkt naar de aarde wordt hij duizelig. Dan valt hij uit de boom. Hij komt innerlijk niet verder dan hoog-zomer. Maar Joana klimt met grote inspanning verder tot ze boven de wolken komt in de buurt van het paradijs. En daar vindt ze de vruchten waar het haar om te doen is.
Het bijzondere van Sint-Jan, het feest van  Johannes de Doper, is dat het niet valt op 21 juni – de datum van de zonnewende, de langste dag van het jaar – maar een paar da­gen daarna. Je zou kunnen zeggen: die paar dagen worden in het sprookje uitgedrukt door ‘het werd al donker, toen ze in de wol­ken kwam’. De uitbundige zomerbloei heeft zijn hoogtepunt gehad, de zonnewende heeft zich voltrokken. Vlak na die ommekeer, na die ‘wolken’ is daar de top van de granaatap­pelboom met zijn vruchten.
Johannes de Doper predikt: ‘Brengt dan vruchten voort, die uit de ommekeer rijpen’ en ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’, als hij op Christus wijst.
Hij wijst daarmee op de ontwikkelingsmogelijkheden, die na de om­mekeer komen.
En zo draagt Joana niet al­leen de genezende vruchten langs de stam naar beneden, maar beleeft zij zelf de dorst die door deze vruchten kan worden gelaafd en waardoor een nieuwe ontwikkeling kan worden ingezet.
In het beeld van het sprook­je is dit het kind dat door het eten van de vrucht in haar verwekt wordt. De koningszoon geneest inderdaad van de granaatappel, maar Joana voorziet dat het kind dat zij verwacht, niet zonder meer wel­kom zal zijn. Zij trekt weg en de konings­zoon moet een lange, lange tocht vol beproe­vingen maken eer hij haar terug vindt. Dan wordt hij door het kind met haar verenigd. En daarmee reikt het sprookje over het sintjansmotief heen tot ver in de daarop volgen­de perioden.

 Else Tideman, ‘Jonas’ nr 21, 11 juni 1982

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

199-189

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.