VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (23)

.

SINT-JAN

‘Zij klom en klom de hele dag’

Opnieuw een sprookje met een motief dat aansluit bij een jaarfeest. Deze keer: het Sint-Jansfeest.
Een koningszoon wordt ziek en kan alleen genezen door het eten van een granaatappel. Het meisje Joana vindt de heilzame vrucht en brengt hem naar de zieke prins. Else Tideman zocht het sprookje uit -~en schreef de toelichting.

Er leefden eens een koning en een koningin, die één zoon hadden, van wie ze veel hiel­den. Toen deze zoon twintig jaar was gewor­den werd hij ziek, steeds zieker. Men riep ve­le artsen, ook oude en wijze vrouwen naar het paleis, maar niemand kon de konings­zoon helpen. Tot op een dag een heel oude man kwam, die in de sterren kon lezen. Deze zei tegen de koning: ‘Er is maar één middel om je zoon te genezen: een appel van de gra­naatappelboom. Maar iemand moet hem brengen vóór de koningszoon eenentwintig jaar is; gebeurt dat niet, dan moet hij ster­ven.’ De koning zei: ‘Wat betekent dat: van de granaatappelboom. Is het dan een bijzon­dere?’ ‘Majesteit’, zei de magiër, ‘dat is een boom, die tot aan de hemel groeit. De vruch­ten zijn helemaal in de top. Tot nu toe is het niemand gelukt zo hoog te klimmen, omdat de meeste mensen duizelig worden en vallen’. Toen liet de koning verkondigen dat diegene die een appel van de granaatappelboom zou brengen, zodat zijn zoon gezond werd, het halve koninkrijk zou krijgen en later met zijn zoon samen zou regeren. Toen gingen vele jongelingen op weg, maar de meesten kon­den de granaatappelboom niet vinden. En zij die hem wel vonden, vielen naar beneden, nog vóór ze ook maar de helft van de stam opgeklommen waren.

Zo ging een half jaar voorbij en niemand ge­lukte het de appel te veroveren. De konings­zoon werd steeds zwakker. Nu leefde er in dat rijk een meisje van vijf­tien jaar, Joana heette ze en ze had geen ouders. Joana woonde bij haar grootouders en zorgde voor hen. Toen ze de oproep van de koning hoorde, vroeg ze haar grootvader: ‘Vadertje, wat denk je, is het moeilijk die granaatappelboom te vinden?’ ‘Dochtertje, ik zou je de weg kunnen beschrijven en dan zou het voor jou niet moeilijk zijn hem te vinden. Maar wat wil je? Veel jongelingen zijn er al afgevallen.’ Maar Joana nam zich voor de appel te gaan halen en liet zich daar niet van afbrengen. Dus gaven de grootou­ders ten slotte toe. Grootmoeder bakte een maiskoek en grootvader vulde in de kelder een fles met wijn uit zijn beste vat. Daarna omarmden ze haar en zij ging op weg. Zij ging en ging, steeds in de richting van zonsopgang, zoals haar grootvader gezegd had. Nadat ze tien dagen gelopen had, kwam ze bij een hoge berg, en op die berg zag ze een reusachtige boom staan, waarvan de stam tot in de wolken reikte. Toen Joana de berg wilde beklimmen, zag ze voor een grot een oude bedelaar zitten. Deze zei: ‘Joana, geef mij wat te eten en te drinken, want ik sterf van de honger en kom om van de dorst’. Toen zei het meisje: ‘Wees niet bang, Groot­vadertje, wat ik bij me heb, is genoeg voor twee.’ En ze ging naast hem in het gras zitten en pakte haar mand uit. Daarvóór had ze na­melijk alleen geleefd van vruchten die ze on­derweg vond. Toen ze de maiskoek doorge­sneden had, gaf ze de oude het grootste stuk, schoof hem de wijnfles toe en zei: ‘Drink ge­rust alle wijn, ik ben gewend aan water. De oude liet het zich goed smaken, at de mais­koek en dronk de wijn. En toen ze met eten klaar waren, vroeg hij: ‘Joana, waar ga je heen?’ Zij antwoordde: “Ik heb gehoord, dat de zoon van de koning heel ziek is en dat al­leen een appel van de granaatappelboom hem genezen kan. Daarom ben ik op weg ge­gaan om die appel te halen. En als mijn grootvader alles goed beschreven heeft, moet die boom daar op de berg de granaatappel­boom zijn.’ ‘Ja,’ zei de oude, ‘je grootvader heeft gelijk. Maar heeft hij je ook gezegd, dat allen die geprobeerd hebben de boom te be­klimmen, eraf gevallen zijn?’ Joana ant­woordde: ‘Ja, dat heeft hij gezegd. Maar ik zal me goed vast houden, zodat ik er niet af val’. De oude zei toen: ‘Maar dat is nog niet alles. Je moet weten, dat je bij het klim­men niet naar beneden mag kijken, omdat je dan duizelig wordt en van schrik loslaat. En je moet weten dat de top van de boom hoog boven de wolken is, dichter bij het paradijs dan bij de aarde. Zodra je bij de top geko­men bent, zul je drie twijgen zien: één met citroenen, één met sinaasappelen en één met granaatappelen. Je zult van het klimmen veel dorst hebben, en daarom raad ik je aan: pluk voor jezelf een citroen en een sinaasap­pel en eet en drink daarvan, want dan wordt je dorst gelest. Maar pas op, dat je geen gra­naatappel eet, daarvan zou je zwanger kun­nen worden.’

Het meisje dankte de oude hartelijk voor zijn raad en besteeg de berg. Toen ze boven was, vond ze werkelijk de granaatappelboom. Ze keek niet lang hoe zijn doornige stam zich in de wolken verloor, maar wikkelde een doek­je om haar handen, om zich bij het klimmen niet te verwonden, bond haar kleren tot bo­ven de knieën op en begon te klimmen.

Ze klom en klom de hele dag en het werd al donker, toen ze in de wolken kwam. Maar ze klom verder en toen ze boven de wolken uit kwam, was het weer lichter, want daar schijnt altijd de zon. Eindelijk kwam ze helemaal uitgeput bovenaan en haar tong was gezwol­len van de dorst. Ze plukte snel een citroen en een sinaasappel en nadat ze gedronken en gegeten had, plukte ze ook nog enige granaat­appelen en ging toen zitten om wat uit te rusten. Na een tijdje begon ze met de afda­ling. Toen ze beneden de wolken kwam, was het zó donker, dat ze geen hand voor ogen kon zien en ze durfde niet verder te dalen. Ze hield zich vast om de morgen af te wach­ten. Maar ze werd steeds zwakker en dorstiger, ze zou vallen als ze niet iets kon eten of drinken. Toen nam ze een granaatappel en at hem op. En meteen voelde ze zich gesterkt, en ’s morgens, toen het licht genoeg gewor­den was, daalde ze verder naar beneden. Toen ze onder aan de berg kwam, zag ze de oude weer. Hij zei: ‘Dochtertje, ik zie dat je een granaatappel moest eten. Als je in moei­lijkheden komt, kom dan bij mij terug, waar één leeft, kunnen ook meer leven’. Toen ging Joana naar de stad, naar het paleis van de koning. Ondertussen was het met de koningszoon steeds slechter gegaan. Toen de koning hoorde, dat er een meisje was dat de goede granaatappel gevonden had,was hij buiten zichzelf van vreugde en bracht haar zelf naar zijn zoon. Nauwelijks had de ko­ningszoon de granaatappel gegeten of hij voelde zich al veel beter. De koning kuste het meisje van vreugde en zei: ‘Zodra mijn zoon gezond is, zul je met hem trouwen. Dan kunnen jullie samen regeren, als ik er niet meer zal zijn.

Er gingen een paar maanden voorbij en het ging van dag tot dag beter met de konings­zoon. Het meisje merkte echter, dat zij zwanger was, en toen werd ze bang. Ze be­sloot het paleis te verlaten. Ze vulde haar mand met brood, nam een fles wijn mee en ging terug naar de plek, waar ze de oude be­delaar ontmoet had.
‘Dochtertje’, zei de oude, ‘ben je daar weer? Wees niet bang! Jij bent goed voor mij ge­weest, ik zal goed voor jou zijn. Kijk, ik heb een tuin met groenten en vruchten, groot ge­noeg voor een kleine familie’. En toen het kind werd geboren, hielp hij haar en zorgde voor het kind.

Ondertussen was de koningszoon treurig, want hij was van Joana gaan houden en hij miste haar erg. De koning probeerde hem te troosten: ‘Waarom wil je nu dat éne meisje. Het hele land is vol schone meisjes.’ Maar de koningszoon was daarmee niet tevreden en wilde geen ander meisje aankijken. En na een poos zei hij: ‘Vader, ik wil de wereld in trek­ken om te zien, of ik het meisje, dat mij het leven gered heeft, kan vinden. En als ik haar niet vinden kan, dan wil ik in een klooster gaan tot het einde van mijn leven.’ De ko­ning zei: ‘Als je beslist vindt, dat je dat doen moet, mijn zoon, ga dan maar. Maar beloof me, dat je met haar terug komt als je haar ge­vonden hebt.’ De koningszoon beloofde het. Hij zadelde zijn paard en reed weg. Hij reed niet minder dan zes jaar door ver­schillende koninkrijken en doorstond vele avonturen. Hij zag veel meisjes, koninginnen en bedelaressen, maar hij vergat zijn redster niet, zijn verlangen naar haar werd steeds groter.
Tegen het einde van het zesde jaar gebeurde het, dat hij op een avond langs een huis reed, waarin hij mensen hoorde schreien. Hij hield zijn paard in, steeg af, klopte op de deur en riep: ‘Waarom schreit men hier? Is hier ie­mand gestorven?’ Toen kwam een pope met zijn vrouw naar buiten. Hij zei: ‘Neen reizi­ger, hier schreit men niet om een dode, maar om een geroofde. Drie dagen geleden is hier een troep Turken voorbij gekomen, zij roof­den onze zoon van zeven jaar.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zal hen narijden en zien, of ik jullie zoon terug kan krijgen.’ Hij besteeg weer zijn paard en reed dag en nacht. Maar het duurde bijna twintig dagen, tot hij bij de grote stad van de Turken kwam. Daar vroeg hij, waar jonge slaven gebracht werden en wanneer de eerste marktdag was.
Toen de dag aanbrak waarop men de gevangenen verkocht, nam hij al het geld dat hij nog had mee en ging naar de slavenmarkt.
Hij zag al gauw wie de zoon van de pope moest zijn. Zodra hij aan de beurt kwam, zei de koningszoon dat hij hem wilde kopen. Maar er was nog een ander, die méér geld bood dan de koningszoon had. Deze vroeg nog even te wachten. Hij haalde zijn mooie paard en verkocht het voor veel geld. toen kon hij de zoon van de pope kopen. Hij kocht kleren voor het kind en liet hem uitrusten.
Daarna gingen ze op weg.
Het was een lange tocht, soms moest de koningszoon het kind op zijn schouders zetten, omdat het te moe was om te lopen. Wat waren de pope en zijn vrouw gelukkig, toen ze hun zoon terug zagen. De pope zei ´Goede man, hoe kunnen we je danken. Wij zijn arme mensen en kunnen je niets geven.’ Toen zei de koningszoon: ‘Ik zoek een meisje, dat mij het leven gered heeft. Hebben jullie van haar gehoord?’
En hij beschreef hun precies, hoe zij er uitzag. ‘Ja, zo’n meisje heb ik eens gezien. Maar eigenlijk was het geen meisje, het was een jonge vrouw. Ze kwam samen met een oude man, om haar zoontje te laten dopen. Dat is vele jaren geleden, maar ik her­inner het me goed, omdat dit jonge meisje en de oude man zo’n vreemd paar waren. En het meisje zei grootvadertje tegen hem. Toen vroeg de koningszoon: ‘En met welke naam is het kind gedoopt?’ ‘Dat weet ik niet meer’, zei de pope, ‘maar ik kan het in mijn boek nakijken.’ En hij haalde zijn boek, bla­derde erin en zei: ‘Demetrius heet het kind.’ ‘Dat is mijn naam!’ riep de koningszoon. ‘Weet je waar het kind en de moeder wo­nen?’ De pope zei het hem zo goed mogelijk. Toen nam de koningszoon afscheid en liep naar de plek aan de voet van de berg, waar Joana met de oude en haar zoon woonde. Toen Joana hem aan zag komen, verstopte zij zich in de tuin, want ze was bang dat de koningszoon boos zou zijn. Maar hij omarm­de het kind en de oude man en riep: ‘Einde­lijk heb ik jullie gevonden! Demetrius, haal vlug je moeder.’ Het kind liep weg en haalde zijn moeder. En toen gingen ze samen naar de pope en nadat ze hem de hele geschiede­nis verteld hadden, trouwde hij hen. Toen stuurde de koningszoon boden naar huis en liet een koets komen. Daarmee reden ze met z’n allen naar het paleis. Wat een vreugde was er in de hele stad!

Sint Jan

Hoe verschillend gaan mensen uit dit sprook­je op weg naar de granaatappelboom! Van de jongelingen wordt alleen gezegd, dat ze gaan, nadat ze gehoord hebben dat het halve rijk als beloning gegeven wordt. Dit motief werkt blijkbaar niet goed. Ze vinden de boom niet, of ze vallen eraf. Joana’s motief is: ‘Ik ben op weg gegaan om de appel te halen die de koningszoon genezen kan’. Zij is onbaatzuchtiger dan de jongelingen. Zij heeft een inner­lijke zekerheid, weet haar grootouders te overtuigen, heeft overleg – ze gebruikt onder­weg geen koek en wijn – en ze heeft liefde­volle aandacht voor de bedelaar, waardoor ze ongevraagd raad krijgt. Ze wordt niet duizelig, want ze houdt haar doel goed in het oog. Zo bereikt ze door de wolken heen de top, die ‘dichter bij het paradijs is dan bij de aarde’. En daar kan ze haar vruchten plukken.
Tegen de zomer wordt de natuur steeds uit­bundiger. Het zaad in de aarde is opgekomen, aangetrokken door licht en zon, groeit het en bloeit in steeds groter veelvuldigheid. De mens wordt er innerlijk door meegenomen, hij opent al zijn zintuigen om dat schone en bloeiende in te drinken. Hoger en hoger
ver­heft zijn genietende ziel zich met de natuur mee, hij wordt als het ware uit zichzelf ge­trokken en wil ook niet anders. Als hij om­kijkt naar de aarde wordt hij duizelig. Dan valt hij uit de boom. Hij komt innerlijk niet verder dan hoog-zomer. Maar Joana klimt met grote inspanning verder tot ze boven de wolken komt in de buurt van het paradijs. En daar vindt ze de vruchten waar het haar om te doen is.
Het bijzondere van Sint-Jan, het feest van  Johannes de Doper, is dat het niet valt op 21 juni – de datum van de zonnewende, de langste dag van het jaar – maar een paar da­gen daarna. Je zou kunnen zeggen: die paar dagen worden in het sprookje uitgedrukt door ‘het werd al donker, toen ze in de wol­ken kwam’. De uitbundige zomerbloei heeft zijn hoogtepunt gehad, de zonnewende heeft zich voltrokken. Vlak na die ommekeer, na die ‘wolken’ is daar de top van de granaatap­pelboom met zijn vruchten.
Johannes de Doper predikt: ‘Brengt dan vruchten voort, die uit de ommekeer rijpen’ en ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’, als hij op Christus wijst.
Hij wijst daarmee op de ontwikkelingsmogelijkheden, die na de om­mekeer komen.
En zo draagt Joana niet al­leen de genezende vruchten langs de stam naar beneden, maar beleeft zij zelf de dorst die door deze vruchten kan worden gelaafd en waardoor een nieuwe ontwikkeling kan worden ingezet.
In het beeld van het sprook­je is dit het kind dat door het eten van de vrucht in haar verwekt wordt. De koningszoon geneest inderdaad van de granaatappel, maar Joana voorziet dat het kind dat zij verwacht, niet zonder meer wel­kom zal zijn. Zij trekt weg en de konings­zoon moet een lange, lange tocht vol beproe­vingen maken eer hij haar terug vindt. Dan wordt hij door het kind met haar verenigd. En daarmee reikt het sprookje over het sintjansmotief heen tot ver in de daarop volgen­de perioden.

 Else Tideman, ‘Jonas’ nr 21, 11 juni 1982

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

199-189

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

Een Reactie op “VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (23)

  1. Pingback: VRIJESCHOOL – JAARFEESTEN -St. Jan -alle artikelen | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s