Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Ritme (3-24)

.

Dr.Georg Unger, Weledaberichten nr. 82. juli 1969
.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCH TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping.
Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk.
In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier b.v. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot.

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, n.l. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt ten slotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigcwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter net stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, b.v. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijds-ziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, b.v. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie wordt b.v. om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de z.g. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet.
„Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar leven schenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct.

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die b.v. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuiglijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen – meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritmealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Met vreugde in het nu aanwezig zijn

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2530

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – media (19-12/1)

.

Freek Zwanenburg, Antroposofisch Magazine nr. 5 2017
.

MEDIAWIJSHEID

Ik bezoek regelmatig vrije basisscholen voor lezingen en brainstormsessies over mediawijsheid. Hier signaleer ik een groeiend gevoel van urgentie en verantwoordelijkheid om een krachtige, holistische visie en beleid ten aanzien van iot en media te ontwikkelen. Leraren en ouders denken samen na over vragen als: Welke houding ten opzichte van media willen wij overbrengen? Welke relevante digitale vaardigheden willen wij aan kinderen meegeven? En hoe kunnen wij iet en media op kunstzinnige en morele wijze integreren in hetvrijeschoolonderwijs?

Vanuit de antroposofie bezien vormen technologie en media een grote uitdaging voor de moderne mens. Er zijn fantastische mogelijkheden, maar op verkeerde wijze ingezet kan het gebruik ervan tot fysieke problemen, verslaving, verlies van vitaliteit, eenzaamheid en materialisme leiden. Tot een verstarring van het denken, voelen en willen. Voor een gezonde ontwikkeling zou een kind juist bezig moeten zijn met kunst, met de natuur, met levendige verhalen en daadwerkelijke contacten.

Moeten we daarom bang zijn voor iets, het enkel als slecht zien? Nee. Het is juist ook de antroposofie die oproept om met een heldere geest en gebalanceerd gevoelsleven naar deze hedendaagse uitdagingen te kijken. Sluit je niet af van het moderne bestaan vanwege de mogelijk schadelijke elementen ervan, zei Steiner. We leven niet voor niks in deze tijd, juist de moderne uitdagingen bieden ons de mogelijkheid om als mensheid verder te groeien.

Dit is ook voor vrijescholen een belangrijke inspiratie. Kijk zo genuanceerd en objectief mogelijk naar de mogelijkheden en beperkingen van moderne technologie en media en baseer daarop je pedagogische en didactische keuzes. Focus niet te veel op de negatieve effecten, maar kijk ook naar de mogelijke meerwaarde. Zo kunnen vrijescholen kinderen ‘mediawijsheid’ meegeven: ‘het vermogen om digitale media in te zetten als gereedschap voor persoonlijke ontwikkeling en eigen welzijn, en dat van anderen’ Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Een sporadische inzet van het digibord ter verrijking van de les. Reken- of taalsoftware om naar niveau te kunnen differentiëren. Filmopnames maken en die integreren in het eindtoneelstuk. Een klassengesprek over hoe met elkaar om te gaan op WhatsApp. Media creatief en sociaal leren inzetten, gezond en kritisch. Dat is de potentie van mediawijsheid op de vrijeschool.

Onze kinderen groeien op in een complexe wereld waarin het dagelijkse leven meer en meer bepaald wordt door technologie en digitale media. Nu zijn het vooral smartphones en tablets met internet, maar over tien jaar zijn dat waarschijnlijk robots, ingebouwde chips, nano-technologie en immense virtuele en ‘augmented’ werkelijkheden. Het ontwikkelen van een gezonde en bewuste omgang met deze digitale gereedschappen is misschien wel een van onze meest urgente opvoedtaken in deze tijd. Hoe leren wij kinderen om niet slaaf, maar baas te worden van de moderne technologie?

Freek Zwanenberg werkt bij Bureau Jeugd & Media en is gespecialiseerd in de mediapedagogiek in het vrijeschoolonderwijs. Hij geeft medialessen op scholen, verzorgt lezingen op ouderavonden en is samen met Justine Pardoen auteur van het Handboek Mediawijsheid (hier in PDF te lezen).

.

Voor meer over media: opvoedingsvragen onder nr. 19-12

.

2411

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.
Annelon Geluk, Motief 196, okt. 2015*

 

adhd

Ook gevoel en wil vragen aandacht

CONCENTRATIEPROBLEMEN

Een groeiend aantal kinderen is snel afgeleid en heeft moeite om de aandacht vast te houden. Bij veel van hen wordt tegenwoordig de diagnose AD(H)D vastgesteld. Vanuit een antroposofische visie heeft het ‘ik’ dan onvoldoende grip, waardoor er te weinig sturing, zelfbewustzijn en zelfcontrole is. De informatiemaatschappij van vandaag en de eenzijdige nadruk op cognitie in het onderwijs, maakt volgens Annelon Geluk dat het denken, voelen en willen uit balans raakt.

Bij kindertherapeuten en -coaches komen veel hulpvragen binnen op het gebied van het denken. Dit ligt volgens mij mede aan onze snelle informatiemaatschappij, waarin we heel regelmatig voor een kort moment uit onze aandacht worden getrokken. Hierna duurt het een paar minuten voor je weer op je hoogste niveau van concentratie bent. Op deze manier duurt het veel langer voor je een taak af hebt.

En in het onderwijs heerst een grote waardering voor de cognitie. Het liefst ziet de minister kleuters al Cito-toetsen maken. Dit is een benadering die niet goed past bij de ontwikkeling van kinderen. Een kleuter speelt en bootst de wereld om zich heen na in het vrije spel. Pas na de kleuterklas is een kind toe aan het leren en al het denkwerk wat hierbij hoort. Ook is niet ieder kind in staat de strakke leerlijn te volgen in bijvoorbeeld rekenen of schrijven. Het huidige onderwijs vraagt veel van de denkkracht van een kind. Naast deze denkkracht heeft een kind ook het gevoel en de wil die aandacht vragen.

Rust en regelmaat

Het komt in het reguliere veld veel voor dat behandeling van AD(H)D enkel mogelijk is als er medicatie wordt gebruikt. Ritalin wordt het meest voorgeschreven, een medicijn met methylfenidaat, met als doel dat een kind meer rust krijgt. Bij de cognitieve gedragstherapie leert het kind om het gedrag te veranderen.

De aanpak die volgens mij goed helpt, is het bieden van rust en regelmaat. Jij moet de sturing geven die een kind niet aan zichzelf kan geven. Het helpt dus om ritme en regelmaat in te bouwen in het dagelijks leven. Daarnaast is de rust heel belangrijk, omdat dit kinderen laat ontspannen en tot zichzelf komen. Vanuit de ontspanning is het weer mogelijk om goed de aandacht te richten.

Therapie

Sommige kinderen komen terecht bij een kindertherapeut of kindercoach. Zij helpen kinderen met diverse hulpvragen. Antroposofische therapieën zijn erop gericht om kinderen weer in balans te brengen. Bij de lichaamsgerichte therapieën, zoals uitwendige therapie, bakeren en ritmische massages, kan een kind zijn grens beter beleven en beter bij zichzelf blijven. Onze huid is de fysieke uitdrukking van deze grens. Euritmie helpt ook bij het vinden van de balans tussen binnen en buiten.

Met behulp van de antroposofie worden muziektherapie, spelbegeleiding, verhalentherapie en kunstzinnige therapie toegepast. Bij kunstzinnige therapie kan een kind door middel van tekenoefeningen leren om controle te krijgen over het bewegen. Antroposofische en homeopathische geneesmiddelen ondersteunen kinderen in hun ontwikkeling. Het kan een kind helpen om zijn evenwicht te vinden.

In de beeldende kunstzinnige therapie kunnen kinderen innerlijk in beweging komen. In de kunstzinnige therapie schilder ik volgens de nat-in-nat techniek met kinderen om het gevoel aan te spreken. Boetseren en speksteen bewerken doe ik om de wil en de vormkracht aan te spreken. Het werkt heel ontspannend om met je handen bezig te zijn. Door het aanspreken van de tastzin kan een kind zich ontspannen. Dit kan op vele manieren, zoals spelen met zand, boetseren en deeg kneden. Een kind wordt zich bewust van de grens van zijn huid. Kinderen met concentratieproblemen kunnen hierdoor tot rust en tot zichzelf komen.

Hulpmiddelen en oefeningen

Bij kinderen met concentratieproblemen is de afwisseling tussen inspanning en ontspanning iets wat je als leerkracht steeds in gedachten kunt houden. Als kinderen ingespannen hebben gewerkt, dan moeten ze zich daarna even ontspannen door te bewegen. Dit hoeft maar een paar minuten te duren en kan van alles zijn, bijvoorbeeld een klapspelletje of stampoefening. Kinderen met concentratieproblemen hebben vaak moeite om stil te blijven zitten. Er zijn speciale wiebelkussens waarbij een slechte zithouding wordt gecorrigeerd, zodat rugklachten worden voorkomen. En ook tijd kan voor kinderen heel abstract zijn. Een digitale klok is abstracter dan een analoge klok, omdat kinderen de tijd plotseling zien veranderen in plaats van de secondewijzer gelijkmatig langs de cijferplaat zien lopen. Een zandloper is concreet wat betreft het aangeven van een hoeveelheid tijd. Als een taak binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden, dan kun je een kind de zandloper om laten draaien. Met de zandloper heeft een kind goed zicht op hoeveel tijd er is voor een taak.

Een prikkelarme ruimte zorgt ervoor dat een kind minder snel wordt afgeleid. Speelgoed in afgesloten bakken bewaren, een lichte tint verf op de muur en weinig decoratie helpt om een rustige omgeving te creëren. Structuur kun je op vele manieren bieden, bijvoorbeeld door een duidelijke dagindeling met vaste gewoontes. Structuurkaarten helpen om de dag overzichtelijk te maken. Maak samen met de kinderen een aantal kaarten waarop activiteiten afgebeeld zijn die regelmatig plaatsvinden, als opstaan, eten, school, thuis. Met de kinderen kun je de inhoud van de dag bespreken en de kaarten in de juiste volgorde leggen. Gebruik er niet teveel, want dan wordt het onoverzichtelijk. Kinderen weten wat ze kunnen verwachten van de dag en voelen houvast door de structuur die de kaarten bieden. Ontspanningsoefeningen, zoals ademhalingsoefeningen, brengen kinderen meer tot zichzelf. Door de rust die een oefening teweeg brengt, kunnen kinderen vanuit deze innerlijke rust waarnemen. Oefeningen die de tastzin aanspreken zijn gericht op het ervaren van de grens en het verschil tussen binnen en buiten. Bij het spelen met klei, bijenwas of schelpenzand ervaart een kind de grens van zijn huid en dit kan heel rustgevend werken. Vormtekenen helpt bij het sturen van de beweging en versterkt het concentratievermogen.

Bewegend leren 

Een kind heeft van nature een bewegingsbehoefte die in het onderwijs vaak te weinig aandacht krijgt. Ik zie dat op de vrijescholen hier steeds meer aandacht voor komt. [1] Op diverse scholen vinden experimenten plaats met bewegend leren. Hierbij is er een combinatie tussen bewegen en leren, om kinderen de stof eigen te maken op een manier die bij de ontwikkeling aansluit. Het doel is om te leren, en bewegen is hierbij een hulpmiddel. Dat zou nog eens de nieuwe manier van lesgeven kunnen worden waarmee een hoop concentratieproblemen voorkomen worden! 

Annelon Geluk is kunstzinnig therapeute (beeldend) en heeft een eigen praktijk in Den Haag: Kunst & Geluk. Ze heeft haar opleiding genoten aan Hogeschool Leiden, Kunstzinnige Therapie Beeldend. 
*(Deze informatie is misschien niet actueel meer)

[1] Opmerking Pieter HA Witvliet:
Als de waarneming van mevrouw Geluk juist is, zou dit betekenen dat de vrijescholen NU pas het belang van ‘beweging’ zouden gaan inzien. En dat zou betekenen dat er dus al geruime tijd te weinig beweging in dit onderwijs zou zijn, terwijl het belang van (kunstzinnige) beweging  altijd een pijler van de vrijeschooldidactiek is geweest. Een nieuwe tendens is wel ‘de beweeglijke klas‘.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

Zintuigen: waaronder de tastzin: alle artikelen

 

2402

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (2-2)

Hester Anschütz, Weleda Puur Kind, lente 2006 nr. 17

ZO KLEIN EN DAN AL OPVOEDEN?

Kinderen zijn van nature enthousiast, ze willen alles onderzoeken, van alles doen en het liefst nu meteen. Kinderen zijn met recht grenzeloos in hun wens de wereld om hen heen te verkennen: eerst met hun huid en dan met hoofd, hart en handjes.

Het is aan de ouders dit ‘onstuimige’ gedrag in juiste banen te leiden.

Dat heet opvoeden. Een basiselement hiervan is het stellen van grenzen en volgens pedagogen kun je daar het beste zo vroeg mogelijk mee beginnen. Een handvol tips.

Opvoedkundige theorieën veranderen met de tijd. Was het tot voor kort mode om vooral toe te geven aan de wensen en grillen van de kleine, nu lijkt het besef door te dringen dat ‘ja’ zeggen om van het gezeur af te zijn, niet zo’n goed idee is. Misschien geeft het op de korte termijn rust, maar een goede kans dat je op de lange termijn met kinderen zit die niet luisteren en doen waar ze zin in hebben. Vanaf dat moment ben je als ouder veroordeeld tot het spelen van politieman om nog enigszins iets gedaan te krijgen. En draai dat maar eens terug. Zo’n situatie wordt door niemand gewenst, ook niet door je kind dat om gezond op te groeien grenzen nodig heeft. En de oplossing om te voorkomen dat het uit de hand loopt, is dan ook vooral vroeg te beginnen met het duidelijk stellen van die grenzen: nog voor je kind één jaar is.

Kersverse ouders denken bij het stellen van grenzen aan kinderen al snel dat ze constant ‘nee’ moeten zeggen bij alles, maar dat hoeft niet zo te zijn. Belangrijk is vooral de manier waarop je grenzen stelt. Vaak kun je een grens spelenderwijs duidelijk maken, bijna zonder dat het kind het merkt. Zeker als je hier al op jonge leeftijd mee begint, want ‘jong geleerd, is oud gedaan’ en die wijsheid gaat nog altijd op. Bovendien zul je merken dat het je minder energie kost dan alsmaar verbieden en je humeur en dat van je kind varen er wel bij.

Geef je grens aan

Een voorbeeld: je baby zit in zijn stoel ( met zijn bordje voor zich. Hoe vaak gaat dan niet vrolijk dat handje met een pets door het bord? Als ouder kun je op verschillende manieren reageren: Sommigen schieten in de lach en zeggen goedmoedig ‘ach, dat maakt niet uit, dat is zo weer opgeruimd’, maar er zijn er natuurlijk ook die boos roepen ‘nee, dat mag niet’. En dan is er een kleine, waarschijnlijk al meer ervaren groep ouders die duidelijk ‘nee’ zegt en tegelijkertijd rustig het bordje buiten het bereik van zijn grijpgrage handjes zet.

De eerste twee reacties zijn niet zozeer verkeerd, volgens opvoeddeskundigen, maar de laatste heeft de voorkeur. Daar reageer je niet alleen meteen op het ongewenste gedrag, maar geef je ook duidelijk een grens aan. Daarbij doe je dat op een prettige manier die past bij de leeftijd van het kind. Een jong kind kan nog niet echt begrijpen wat wel en niet mag en hoe hij hieraan moet gehoorzamen. Een belangrijk pluspunt van deze manier van reageren is bovendien dat je als ouder kalm blijft, want reageer je boos, dan denkt het kind misschien: ‘Hé, dat is een nieuw geluid, wat is dat precies?’ en haalt zijn hand nog eens door het bord. Want iets onbekends, dat is meestal het onderzoeken waard.

En wat het in de lach schieten betreft: dat gaat bijna vanzelf de eerste keer. maar hoe klein je kindje ook is, hij neemt onmiddellijk de kwaliteit van je reactie waar. En lachen betekent ‘goed zo!’, dus doet hij het nog een keer. Hét goede moment voor de andere aanpak.

Nog een voorbeeld. Je hebt je baby op je arm en uit olijke nieuwsgierigheid grijpt hij stevig je mooie halsketting.
Forceer je met bruut geweld zijn knuistje open? Zeg je op steeds luidere toon ‘niet doen’ of leid je hem af met een speelgoedje, waar hij beide handjes voor nodig heeft om het aan te pakken? Ook hierbij geldt: geen van genoemde manier van reageren is verkeerd, maar lukt het je op de laatste manier te reageren, dan houd je de sfeer gezellig, zonder je humeur én je energie te verliezen. Terwijl je tegelijkertijd je kind heel duidelijk maakt waar de grens ligt van ongewenst gedrag.

Zo houd je het vol

Opvoeden lijkt van de buitenkant zo gemakkelijk en dat kan het ook zijn, als je er met je aandacht bij bent. Een goed idee is misschien om ’s avonds, als het rustig is, even de momenten van interactie tussen jou en je kind, de revue te laten passeren. Zo word je je soms bewust van dingen die in de hectiek aan je voorbij zijn gegaan.

En als je grenzen wilt leren aan je kind, spelenderwijs of anderszins, dan gelden daarbij ook enkele basisregels. Wees bijvoorbeeld consequent, ook bij heel jonge kinderen. Veel ouders laten het ongewenste gedrag van hun kindje, juist in de eerste levensjaren, soms zo’n beetje gaan. Af en toe wat te schipperen, lijkt niet zo erg en is snel gedaan, zeker als je moe thuis komt na dag hard werken en ’s nachts door een huilend kind wordt gewekt. ‘Maar als je niet op jonge leeftijd al tactisch begint met het aangeven van grenzen, loop je grote kans dat je kind tegen de tijd dat hij drie, vier jaar wordt, van geen grenzen meer wil weten. Dan helpt zelfs geen ‘stil plekje’ meer voor een time-out, waar de Supernanny van de tv hevig mee schermt. Daar blijft je kind dan gewoon niet meer zitten. Kortom, er zit maar één ding op: zelf een Supernanny worden.»

.

Opvoedingsvragenalle artikelen 

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2290

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-11)

.

Hester Anschütz in Motief nr 186, 2914

MET EEN BEETJE GODENHULP
.

Noem het mediabehang. Kinderen groeien tegenwoordig op in een wereld vol informatietechnologie. Dagelijks zijn ze omringd door televisiebeelden, computeranimaties en internetinformatie, terwijl een constante geluidsstroom golft uit radio’s en mp3-spelers. Diverse deskundigen waarschuwen voor de negatieve gevolgen voor kinderen, lichamelijk en psychologisch, van deze overdaad. Maar hoe vind je als opvoeder de juiste maat?

Twee dagen voor zijn dood schreef Rudolf Steiner een tekst (Wieviel Technik eträgt der Mensch? Zie bronnen) over de gevaren van wat hij de Unternatur van machines en techniek noemde. Steiner zag in zijn tijd het wereldwijde gebruik van machines toenemen en waarschuwde voor de gevaren ervan voor de menselijke levensinhoud. Volgens hem zou de mens zelf innerlijk tegenwicht moeten bieden aan de invloed die van machines uitgaat. Hiertoe zou de mens even hoog in de geestelijke wereld moeten opstijgen als hij door het contact met de ‘onder de natuur liggende’ kunstmatige wereld van de techniek afdaalde. Techniek en machines helemaal uit de weg gaan, betitelde hij als ‘spirituele lafheid’; dat was zeker niet de oplossing. Maar ieder mens zou wel de eigen ziel moeten sterken, je ziel moet krachtig genoeg zijn om het in een wereld vol apparaten en machines uit te kunnen houden en ondanks alle techniek nog in contact kunnen komen met de geestelijke wereld. Dat is waarom het karma van de wereld vraagt, aldus Steiner. Want het doel van een mensenleven is dat onze onsterfelijke ziel haar weg vindt naar de spirituele wereld en het materiële in de wereld helpt te vergeestelijken.

Mechanische kunst

In bovengenoemde tekst spreekt Steiner over de groeiende invloed van de techniek tijdens zijn leven. Denk aan bijvoorbeeld treinen, maar ook aan fabrieksmachines, die steeds meer menselijke arbeid vervingen. Destijds was nog geen sprake van computers, televisie of internet, wel van grammofoonmuziek en die zag Steiner als een andersoortige machine. ‘De mensheid dwingt hier de kunst in het mechanische,’ aldus Steiner. Mocht de mens voor deze vorm van mechaniseren interesse krijgen, dan was hij niet meer te helpen, meende de filosoof. ‘Dan zullen de goden de mens te hulp moeten komen.’

Hopelijk zijn de goden zo goed ons als mensheid bij te staan, want de gemechaniseerde kunst is inmiddels deel van ons dagelijkse leven geworden. Er is amper nog iemand te vinden die geen gebruik maakt van tv, computer en internet.

Maar hulp van de goden of niet, het is goed ons bewust te zijn van de uitwerking en invloed van alle moderne media op de mens. Antroposofisch gezien is het grote gevaar van al deze kunstmatige beelden dat een mens in het ergste geval echte zintuiglijke ervaringen en het contact met de reële wereld verliest. Door bijvoorbeeld onder te duiken in een virtuele, digitale wereld die alleen online bestaat, kom je niet meer met echte kunstzinnige uitingen in aanraking, zelfs niet meer met echte mensen. Uiteindelijk bestaat het gevaar dat je ziel niet meer in staat is contact met de geestelijke wereld te krijgen. Steiner noemt kunst en natuur als dé wegen om in contact te komen met het geestelijke en goddelijke op aarde.

Opvoeden

Als je dit gevaar serieus neemt, heb je de eerste stap gezet om het niet te verliezen van de beeldschermen. Je bewust zijn van de werking van tv- en computergebruik op je ziel zal er al toe leiden datje niet te lang voor een beeldscherm blijft hangen en bewust tijd vrij maakt om je ziel te voeden met kunstzinnige ervaringen. Een wandeling door het bos, schilderen, tekenen, naar een museum gaan, een goed gesprek voeren – allemaal echte zintuigelijke en kunstzinnige ervaringen.

Als opvoeder neem je waar wat je voor jezelf hebt geleerd en voed je kinderen vanuit deze wijsheid op. Voor opvoeding in het mediagebruik geldt hetzelfde als voor de andere aspecten van het leven. Geen enkele ouder stuurt zijn kinderen zomaar onvoorbereid de straat op, de grote stad in. Je vertelt hen wat ze daar kunnen verwachten, wat leuk is en wat niet, wat wel mag en wat niet. En in het begin blijf je een beetje in de buurt. Ditzelfde zou voor het gebruik van tv, computer en internet moeten gelden.

Verdiep je als ouders dus in wat tv en internet zijn en wat ze met kinderen doen. Vorm je eigen mening erover en voed hen er dan in op. Laat je ook niets wijsmaken door diverse deskundigen die in computers het nieuwe heil voor het onderwijs zien. Een kind mist niets essentieels als het tot zijn achtste jaar geen tv of computer ziet. Denk maar aan de huidige generatie ouders, die er tijdens hun kinderjaren ook niet mee werd overvoerd en zich er nu toch prima mee redt. Vervolgens zouden kinderen vanaf een bepaalde leeftijd de gewenste vaardigheden moeten leren, zodat ze zich met en op computers en internet kunnen redden. Dat vraagt niet veel tijd. Vanaf groep vier hebben ze de kneepjes snel genoeg onder de knie.

Concrete tips

Praktische informatie over op welke leeftijd je een kind hoe lang zou moeten laten tv-kijken is in diverse boeken te vinden (zie ook kader), concrete hulp om je computer veilig te maken voor kinderen staat bijvoorbeeld op www.mijnkindonline.nl.

De bescherming van kinderen op internet gaat met name over het misbruik van persoonlijke gegevens, waar kinderen zich niet bewust van zijn. Daarnaast loert er een groot gevaar op het gebied van de lichamelijke gezondheid. Het lange stilzitten achter een beeldscherm kan tot allerlei ernstige lichamelijke en psychische klachten leiden – van verlies van verbeeldingskracht tot het minder in staat zijn emoties bij anderen te lezen en depressies aan toe. Menig wetenschappelijk onderzoek (zie bronnen) heeft dit bevestigd.

Ziel sterken

Opvoeden in mediagebruik vraagt behoorlijk wat energie van ouders. Dat komt vooral ook doordat de huidige generatie ouders in de eigen jeugd niet zoveel op mediagebied kreeg aangeboden als hun kinderen tegenwoordig. Ouders moeten daarom het wiel vaak zelf uitvinden en dat kost moeite en is niet altijd gemakkelijk. Rudolf Steiner zei niet voor niets dat de mens de hulp en genade van de goden nodig zou hebben als het over het omgaan met machines en techniek gaat. Misschien is het daarom juist belangrijk dat we ons bewust zijn van deze ‘onderwereld’ en eraan werken dat we het niet van de techniek gaan verliezen. We komen al een eind door te proberen om door contact met de natuur en kunst, door echte zintuigelijke ervaringen, onze ziel te sterken. Want als deze krachtig genoeg is en blijft om de zuigende aantrekkingskracht van media en techniek, met alle kunstmatige, valse en onechte beelden die erbij horen, te weerstaan, kun je altijd weer in contact komen met de geestelijke wereld.

Bronnen

Edmond Schoorel, Beeldschermbeelden 

Heinz Buddemeier, Wieviel Technik erträgt der Mensch? Die Aktualität der Überlegungen Rudolf Steiners zur Unternatur, in: Mitteilungen aus der anthroposophischen Arbeit in Deutschland. Uitgeverij Michaeli, 2007, nr. 241:

Hester Anschütz, Internet is als een geopende snoep-trommel, in tijdschrift Seizoener, 2009;

Justine Pardoen en Remco Pijpers, Mijn kind online. Hoe begeleid je je kind op internet? SWP, 2005; Maurits in ’t Veld en Edmond Schoorel, Kind, beeld s> scherm. Gids voor ouders

Rainier Patzlaff, De bevroren blik. Uitgeverij Kamerling, 2005.

YaldaT. Uhls, Fivedaysat outdooreducation camp without sereens improves preteen skills with nonverbal emotion cues, in: Computers in Human Behavior, Volume 39, October 2014, Pages 387-392, http://www.sciencedi-rect.com/science/article/pii/S0747563214003227.

Noor Landsmeer e.a., Kind en beeldscherm: een te hecht koppel, in: Medisch Contact, Nr. 21-22 mei 2014,, p. 1038-1041, http://medischcontact.artsen-net.nl/archief-6/tijdschriftartikel/144532/kind-en-beeldscherm-een-te-hecht-koppel.htm.

Van den Eijnden, R. J. J. M., Vermulst, A. A., van Rooij, T., & Meerkerk, G.J. Monitor Internet en jongeren: Pesten op Internet en het psychosociale welbevinden van jongeren. IVO, Rotterdam, 2008.

Valkenburg, P. M., & van der Voort, T. H. A. (1992). De invloed van televisie op fantasiespel: Een onderzoeks-overzicht. Kind en Adolescent, 13,119-132.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

2285

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-3/2)

.

Nu, in deze coronatijd, kan een schoolgaand kind dat om wat voor reden een snotneus heeft, gezien worden als een potentiële bedreiging voor de leerkracht.

De ‘snotneusjes’ hoeven dan wel niet getest te worden, dus ‘zijn ze veilig’, maar toch.

Door allerlei tegenstrijdige berichten weet je niet meer wat waar is: heb je bv. wel een snotneus bij corona of heb je dat weer meer bij een andere griep.

Het is bekend dat vooral de kleinere kinderen met de grootste regelmatig ‘verkouden’ zijn, met dan een snotneus tot gevolg.

Ook in onderstaand artikel is sprake van ‘de snotneus’.
.

Stap voor stap sterker
.

De laatste jaren [geschreven 2005] is er in de medische wereld veel te doen over de hygiënehypothese.

Kort gezegd gaat die ervan uit dat in de westerse wereld de toename van allergie bij jonge kinderen te danken is aan een overmaat aan hygiëne.

Zo simpel is het natuurlijk niet, maar feit is wel dat de kleintjes te weinig kans krijgen ziek te worden.

De hygiënehypothese werd voor het eerst geformuleerd door een Britse epidemioloog in 1989. Hij ontdekte dat kinderen die niet of nauwelijks last hadden van allergie, op jonge leeftijd vaker waren blootgesteld aan kleine infecties, dan kinderen die wel allergisch waren. Omgevingsfactoren als leefstijl, voeding, gezinsgrootte, antibioticagebruik, vaccinaties, gering contact met de natuur, bleken voor 70 procent van invloed op het ontwikkelen van allergie, erfelijke aanleg voor slechts 30 procent.

Beter op eigen kracht

Iedere baby die gezond wordt geboren, beschikt over een aangeboren immuniteit. De witte bloedlichaampjes bijvoorbeeld gedragen zich als een soort gezondheidspolitie. Deze bescherming is echter beperkt en faalt bij massale infecties. Veel zekerder in dit opzicht is de immuniteit die het kind zelf opbouwt. Om die reden is het belangrijk dat hij in zijn eerste jaren een aantal infecties doormaakt, zodat hij afweerstoffen kan opbouwen. Met name na een virusinfectie ontwikkelen zich in het bloed bepaalde eiwitten die de weerstand verhogen en hem sterker maken. Kortom, ziek zijn en op eigen kracht beter worden, zorgt voor een stevige en gezonde basis. Natuurlijk kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de koorts echt te hoog is en een antibioticum nodig is. Maar hoeft dit niet, dan zijn er talrijke minder heftige geneesmiddelen die ondersteunend kunnen werken.

Vies en gezond

Omdat kinderen tegenwoordig minder vanzelfsprekend in contact komen met micro-organismen, is het ook ‘moeilijker’ om ziek te worden. Onze huizen zijn schoner, het water is schoner, wij zelf zijn schoner en willen graag dat onze kinderen dat ook zijn, zeker de baby’s. Terug naar vroeger is geen optie.

Gelukkig zijn er mogelijkheden genoeg om aan een gezond portie ‘vuil’ te komen: de zandbak op het stadsplein, de kinderboerderij en het park met van die heerlijke diepe modderplassen. En laten we de crèche niet vergeten. Het klopt natuurlijk dat de gezinnen kleiner zijn dan vroeger en kinderen dus minder gemakkelijk virussen, schimmels en bacteriën op elkaar overdragen. Maar uit onderzoek is ook gebleken dat een baby al aan één dag opvang in de week – op een plek waar minstens vier andere kinderen zijn – genoeg heeft om zijn immuunsysteem te ontwikkelen. En nu maar hopen dat iedere crèche een snotverkouden baby accepteert..

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

2239

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (22)

.
Patricia Wessels m.m.v. Arie Bos, anyroposofisch huisarts, Weleda Puur Kind lente 2004 nr. 13
.

Zonlicht is gezond
.

De zomer brengt veel mensen in een zonnige stemming. Het is net alsof het zonlicht je koestert en oplaadt tegelijk. Je voelt je ontspannen, opgewekt, energiek en levenslustig, en stress krijgt minder vat op je. Alles lijkt gemakkelijker, zorgelozer: je kunt het leven aan en wilt ervan genieten. Zonlicht is essentieel voor al het leven op aarde, sterker nog, zonder de zon had zich nooit leven kunnen ontwikkelen.

Dat de zon in vele opzichten van levensbelang is voor onze vitaliteit is dus niet zo verwonderlijk. Het begint al bij de basis van ons bestaan. Dankzij het licht kunnen wij ademen en eten. Zonder licht geen planten, die ons voorzien van voedsel en zuurstof. Maar zonlicht werkt ook rechtstreeks in op onze lichamelijke en geestelijke vitaliteit. De gemiddelde man produceert in december bijvoorbeeld ‘maar’ 40 miljoen zaadcellen, terwijl hij in juli – wanneer de hormoonklieren door de zon worden geprikkeld – maar liefst 65 miljoen zaadcellen aanmaakt. Leerlingen maken een proefwerk wiskunde beter als ze in een lokaal met veel zonlicht zitten.

En veel werknemers in kantoren met zonwerende ramen krijgen allerhande klachten: van hoofdpijn tot somberheid.

Met het afnemen van het zonlicht in het najaar, nemen bovendien de (najaars)-depressies toe. Opmerkelijk is overigens dat kinderen daar zelden last van hebben.
Zij zijn nog enorm vitaal van zichzelf en dragen de zonnigheid als het ware van binnen met zich mee.
Maar dat betekent niet dat daglicht voor kinderen minder belangrijk zou zijn. In tegendeel: kinderen in de groei hebben zonlicht heel hard nodig. Het onweegbare zonlicht blijkt essentieel voor de opbouw van de zwaarste materie in het lichaam; de botten. De vitamine D, die de huid onder invloed van daglicht kan aanmaken, zorgt er namelijk voor dat je kalk inbouwt in je botten. Alleen al om die reden zouden kinderen dus lekker veel buiten moeten spelen. Zeker in de winter, wanneer de intensiteit van het daglicht minder sterk is. Tot op je oude dag profiteer je van de stabiliteit die je als kind hebt kunnen opbouwen. Want hoe minder daglicht je in je jeugd hebt gehad, hoe eerder je botten ontkalken als je oud bent.

‘Voedend’ licht

Hoe belangrijk daglicht in werk- en leefruimten ook mag zijn voor ons welbevinden, het ‘voedende’ licht krijgen we daarmee niet binnen. Het glas in de ramen houdt een deel van de straling tegen, (de ultraviolette straling). Licht bestaat uit een heleboel frequenties en elke frequentie heeft weer invloed op iets anders. Kunstlicht heeft maar een beperkt aantal frequenties, terwijl daglicht alle frequenties in zich heeft. Daaruit kun je dus halen wat je nodig hebt. De laatste jaren is er een soort hetze ontstaan tegen de blootstelling aan uv-straling, omdat het huidkanker kan veroorzaken. Er wordt bijna nooit bij verteld dat uv-licht ook essentieel is voor de gezondheid en dat we er eerder te weinig dan te veel van krijgen. Nederlanders in het algemeen en kinderen in het bijzonder, zitten namelijk veel te lang binnen. Door een tekort aan zonlicht neemt de kans op een heleboel andere vormen van kanker juist toe, evenals de kans op multiple sclerose en een vorm van diabetes. Een greep uit de vele positieve effecten van uv-licht: het stimuleert het hele immuunsysteem, doodt bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers, verlaagt de bloeddruk, verlaagt de cholesterolspiegel, maakt het hart sterker, waardoor het meer bloed door het lichaam kan pompen en werkt goed tegen allerlei huidaandoeningen.

Tijd krijgen om te wennen

Overigens blijken mensen die het hele jaar op kantoor werken vaker huidkanker te krijgen, dan mensen die veel buiten werken. Huid en ogen zijn heel goed in staat om zichzelf te beschermen, als ze maar de tijd krijgen om te wennen aan de toenemende zon. De huid van iemand die veel buiten is, heeft voldoende pigment kunnen aanmaken, waardoor hij beter kan omgaan met uv-straling.

Als je het grootste deel van het jaar binnen zit, is het dus verstandig om tijdens de vakantie de eerste dagen de hoeveelheid zon op je huid rustig op te bouwen. Baby’s kun je beter helemaal uit de zon houden, omdat hun huid nog dun is,  waardoor ze makkelijk verbranden. De meeste baby’s geven zelf al aan dat ze ook het felle licht in hun ogen onaangenaam vinden. Omdat ze liggen, kijken ze omhoog en krijgen ze het zonlicht niet weerkaatst, maar rechtstreeks in hun ogen.

Voor iedereen geldt: op het heetst van de dag in de zon gaan liggen bakken, is niet gezond. Je geeft jezelf dan een overdosis en dat zal je lichaam je ook laten weten. Om al het goede van het zonlicht te ontvangen hoef je helemaal niet in de volle zon te liggen zweten. Het zit allemaal in het daglicht, dus het is al voldoende om lekker veel buiten te zijn.

.
Weleda’s zonnebrandproducten
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2211

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – opvoedingsvragen (12-5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind herfst 2005 nr. 16
.

Wie niet (meer) horen wil moet voelen

Tijdens elk spreekuur* komt is er wel een ouder die vertelt dat zijn kind in de voorafgaande maanden oorontsteking had. Het is een veelvoorkomende aandoening, maar daarom niet minder de moeite waard om goed mee om te gaan. We kunnen zoeken naar oorzaken, preventie van chronische klachten en behandeling. Ouders vragen vaak steun hierbij.

Op een dag belt de moeder van K van anderhalf jaar en vertelt dat K gisternacht plotseling flinke last van oorpijn had met een koorts van 39,8. Zijn tanden beginnen door te komen, hij heeft een rode wang, zijn ontlasting ruikt zurig en hij snottert een beetje. De huisarts heeft deze ochtend een oorontsteking geconstateerd, met een rood trommelvlies en vocht daarachter. K heeft nog geen antibiotica nodig, pas als de koorts na drie dagen niet gezakt is of als de algehele toestand snel verslechtert. ‘Maar,’ is haar vraag aan mij, ‘kunnen we iets doen om het genezingsproces te ondersteunen?’

Tijd om op te ruimen

Allereerst denk ik dat het belangrijk is als ouders beseffen dat het hele kind oorontsteking heeft en daar ook als zodanig mee bezig is. Het is niet alleen een oor-probleem. Het speelt zich daar wel af, maar betreft zijn hele organisme. Een ontsteking is een poging van het lichaam om een ontspoord evenwicht te herstellen. Dit zal daar gebeuren waar een orgaan of een andere plek het zwakst is. Soms is dat uit de erfelijkheid af te lezen en hebben de ouders zelf veel oorontstekingen doorgemaakt, maar mijn ervaring is dat dit lang niet altijd het geval is.

Bij jonge kinderen heeft de huid en ook de ‘inwendige’ huid (de slijmvliezen van keel, neus, oren, longen en maag-darmkanaal), nog een sterke functie in de uitscheiding van afvalstoffen van de stofwisseling. Daarom is hij bij kinderen ook zo vaak betrokken bij allerlei ontstekingen of allergische verschijnselen. Op latere leeftijd wordt die functie steeds meer overgenomen door de organen.

Om allerlei invloeden van buitenaf de baas te worden heeft ieder mens, en zeker ook een klein kind een sterke algehele weerstand nodig. Vele stressfactoren hebben hierop echter een verzwakkende invloed, zoals bijvoorbeeld een teveel aan indrukken. Het ene kind gaat hier natuurlijk anders mee om dan het andere, maar in zijn algemeenheid kun je wel stellen dat zo’n overdosis moeilijk verteerbaar is. Kinderen moeten veel aanhoren waar ze niet aan toe zijn en waar ze eigenlijk niets mee kunnen, maar ze kunnen moeilijk de hele dag hun handen op hun oren houden. Dit geldt niet alleen voor de klanken, woorden en geluiden, maar ook voor datgene wat ze oppikken van alle gevoelens en onrust om hen heen. Alles wat onverteerd blijft liggen, gaat storen. Een infectie kan de mogelijkheid bieden om opruiming te houden.

Verschillende stressfactoren

Een andere mogelijke oorzaak voor een verlaagde weerstand is dat een vaccinatie slecht is verwerkt. Als er omstreeks de vijftiende dag na de prik een infectie optreedt en je weet dat er geen andere stressfactoren aanwezig zijn, kun je ervan uitgaan dat de prik een impact heeft gehad op de weerstand, waardoor zwakke plekken kunnen opspelen.

Wacht dan in elk geval met de volgende prik tot de harmonie hersteld lijkt te zijn. Het evenwicht kan ook zijn verstoord door kouvatten, bijvoorbeeld in de zomertijd, wanneer kleine kinderen te lang in het water zijn gebleven en daardoor te veel zijn afgekoeld. Of door voor op de fiets te zitten zonder petje of een scherm ervoor.

Daarnaast spelen nog andere factoren een rol, zoals het tanden krijgen, trauma’s in het gezin, acute schrik, ongeluk, verdriet en rouw, een broertje of zusje erbij. Het verliezen van het veilige nestgevoel door het wegvallen van een ouder of door een langdurige ziekte, kan ingrijpend werken. En iedereen kan zich het effect voorstellen van meerdere stressfactoren die zich opstapelen.

Gezonde koorts

We moeten het probleem dus van verschillende kanten benaderen, maar ik beperk me hier tot de medische kant. In het geval van acute oorontsteking, zoals bij K, zijn er een paar dingen die we nader kunnen bekijken. Het kind heeft koorts: 39,8. Mijn advies is om deze koorts niet direct te onderdrukken, maar te begeleiden, omdat koorts gezondmakend kan werken. Het immuunsysteem krijgt juist door een hoge temperatuur de kans een soort opruiming te houden en disharmonieën om te werken. Gebeurt dit, dan zal het kind meestal sterker uit de strijd te voorschijn komen.
Soms is de koorts echter te heftig of wordt de ouder bang. Dan is het mogelijk de hoge koorts in korte tijd een halve graad te laten dalen door bijvoorbeeld citroensokken aan de voeten te doen.** Zorg wel dat zijn voetjes warm zijn. Als zo’n compres onvoldoende werkt of als de ouder het niet vertrouwt, kan in overleg met de arts een paracetamol worden gegeven. Bedenk daarbij wel dat dit middel de symptomen maskeert, dus dat je slechter kunt zien hoe het werkelijk gesteld is met de zieke.

Is de weerstand tijdelijk verlaagd, bijvoorbeeld door het proces van tanden krijgen, dan kunnen we deze ondersteunen met een paar zelfzorgmiddelen zoals Kinfludo (Weleda) of EBT complex (VSM) en extra vitamine C. De oorontsteking zelf kun je begeleiden door warme Lavendelolie in zijn oor te druppelen of Johannesolie. Deze etherische oliën werken bacterieremmend. Een ouderwets maar zeer doeltreffend (en helaas sterk ruikend) hulpmiddel is een uienkompres***.
Ui remt namelijk de pijn en de zwelling. En zorg voor een goede doorluchting van het middenoor door de neus open te houden. Smeer hiervoor regelmatig een beetje Neuscrème (Weleda) onder de neus.

Vergeet niet te zingen Bij een chronische oorontsteking moet de behandeling specifiek worden afgestemd op onderliggende verzwakkende factoren en de algehele gesteldheid van het kind. Blijkbaar ontbeert het de kracht om actief en acuut af te rekenen met de ontstekingshaard. In elk geval is het goed te stoppen of te minderen met melkproducten (bij kinderen ouder dan één jaar). Geef nooit meer dan 300 cc per dag. Geef alleen de zure melkproducten, zoals biogarde, kwark en liever van de geit dan van de koe. Het eiwit van geitenmelk is namelijk lichter verteerbaar dan dat van koeienmelk.
Om het verteringsproces positief te ondersteunen kun je vóór de maaltijd bittermiddelen geven, zoals Amara Eetlustdruppels (Weleda.) En gebruik zo mogelijk in alle warme maaltijdgerechten ten minste één vers kruid, want tuinkruiden kunnen de verteringsorganen stimuleren en enthousiasmeren, waardoor de hele stofwisseling beter gaat functioneren.

Tot slot nog een gouden tip: ga met uw kind zingen. Zingen doet alle luchtwegen én het oor trillen en in beweging komen en dat werkt gezondmakend, ook bij chronische oorontstekingen.

**Om de koorts iets te laten dalen: citroensokjes:

Neem een halve citroen en pers hem uit. Doe er een kwart kopje warm water bij en doop daar een paar katoenen sokjes in. Wring ze uit, trek ze het kind aan en doe er nog een wollen sok overheen zodat het warm blijft. Vijftien minuten laten zitten, dan uitdoen. Eventueel na een uur herhalen.

***Bij acute oorontsteking: uiencompres

Dit kompres maak je van een dikke schijf ui. Hak hem in kleine stukjes, vouw die in een doekje en leg dat over het oor.
Houd het op zijn plaats met een mutsje of doek, in elk geval langer dan 15 minuten. Het mag tijdens het slapen blijven zitten. Je kunt het zo nodig vaker herhalen: drie dagen lang, drie keer per dag, nadat de eerste symptomen optraden.

Over de Amara Weleda; Antroposana

*voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

.

2204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-4)

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’  is.* 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

* [69]

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2199

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (7)

.

Toen de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opende, waren er onder de leerlingen ook kinderen die zich op de een of andere manier niet zo ontwikkelden als andere. We zijn geneigd te spreken van ‘niet normaal’ zich ontwikkelen, waarbij we dan een norm ‘normaal’ hanteren. Dat is vaak een soort ‘doorsnee’: eenzelfde patroon dat jij bij de meeste kinderen ziet. Sommige kinderen passen niet in dit patroon: ze liggen ‘achter’ of ‘voor’. Aan dit ‘voor’ is lange tijd geen aandacht besteed, nog maar sinds kort is de term ‘hoog-begaafd’ gangbaar. Het ‘niet-mee-kunnen-komen’ is al veel eerder gesignaleerd en voor die kinderen werden op zeker ogenblik zelfs aparte scholen opgericht.

Er is op het gebied van de orthopedagogie veel ontwikkeld en ook op de vrijescholen deden de ‘remedial-teachers’ hun intree. Omdat er op dit gebied nog veel te ontwikkelen viel, kon het niet anders of veel van de ‘wetenschappelijke’ orthopedagogie kwam zo ook de vrijescholen binnen. Om van daaruit met de menskunde van de vrijeschool te werken, valt nog niet mee en veel ondersteuning aan de kinderen kwam aanvankelijk vaak niet verder dan op intellectueel niveau ‘bijles’ geven. 

De eerste vrijeschool kende ze ook en het bleek al snel dat ze beter af waren in een aparte groep – toen de ‘hulpklas’ genoemd. 
Het onderwijs dat ze kregen moest nog helemaal ontwikkeld worden. Steiner heeft er wel aanwijzingen voor gegeven, die nog terug te vinden zijn in de verslagen van de vergaderingen die hij met de leerkrachten belegde.

Een groter gebied van therapeutische aanwijzingen kon worden gevonden in Steiners voordrachtenreeks over de ‘heilpedagogie’*. GA 317,  vertaald.
Elisabeth Baumann was in 1926, een jaar na de dood van Steiner, in Stuttgart de heileuritmiste die met de kinderen een speciale oefenweg bewandelde. Ze schrijft daar in 1925 al over. 
Ook op de 1e vrijeschool in Nederland, in Den Haag, was er, toen ik er in 1970 begon, een bepaalde vorm van hulp aan kinderen die dat nodig hadden. Ik herinner me nog dat onze lieve collega Eli van Dunné op gezette tijden kinderen uit de klas kwam halen waarmee apart werd geoefend.

Elisabeth Baumnann, Mitteilungenblatt nr. 7, 1925
.

THERAPEUTISCHE EURITMIE IN DE HULPKLAS

In de hulpklas van de vrijeschool heb je het meest te maken met kinderen waarvan het voorstellingsvermogen en het gedachteleven nog zwak ontwikkeld zijn; ze zijn nog als het kind van vóór de tandenwisseling: meer levend in gevoels- en wilsimpulsen. Bij hen is het nodig ze langzaam bij de leerstof te betrekken en daarbij moet je aan hun gevoel en wil appelleren, dat is heel belangrijk. Dat moet helpen om wat nog ongevormd is, te vormen; wat er te veel is, af te remmen en te wekken wat er latent aanwezig is. Met voorstelling en gedachten bereik je hier weinig tot niets. Een kind kan mechanisch twintig keer een woord spellen, maar het schrijft het toch fout.
Wanneer je echter zegt: ‘Spreek het woord niet uit maar zeg het eens met je handen en zet aan het begin een stevig stap omdat daar een grote, belangrijke letter staat, dan wordt binnen korte tijd het woord goed gespeld én geschreven. Als het kind bij iedere klank een beeldende beweging uitvoert en beleeft en dan geen willekeurig gezochte beweging bij de klank, maar een die genomen is uit de euritmische bewegingen die afgelezen zijn aan hoe de de spraakorganen de klank vormen, worden in het wezen van het kind krachten aangeboord die het voorstellingsleven vanuit een beeld vormgeven; wat uit de abstracte schrijftaal die voor zo’n kind nog dor en droog voor z’n neus staat, een klankentaal oproept die door de bewegingen leeft.
Natuurlijk kan dit niet in één keer bereikt worden. Bij deze kinderen komt alles op herhaling aan. Daarom wordt er iedere dag na het hoofdonderwijs in de hulpklas euritmie gedaan, wat voor de andere klassen niet aan te raden is, want dan zou langzaamaan het enthousiasme en de spankracht verdwijnen. In de hulpklas is dat niet het geval. Deze kinderen houden des te meer van de euritmie naarmate ze meer mogen herhalen, want de meeste leven nog helemaal in het ogenblik en vanuit de omgeving. Zij krijgen nooit een slechte zin van veel herhalen, iedere keer wordt door hun wilskracht het voorstellingsleven aangesproken. Ze herhalen ook niet steeds droog hetzelfde, iedere keer is er wel weer een nieuwe nuance die een nieuwe verbazing uitlokt en het spannend maakt. Dat moet de leerkracht goed in de gaten hebben.

Een kind dat weinig openheid vertoont en de dingen moeilijk opneemt, kan met een verbazingwekkende innerlijkheid erbij zijn, een euritmische oefening doen en daarna een levendigheid vertonen die anders bij hem ontbreekt. Wanneer het de leerkracht dan lukt dit ‘open-zijn’, de interesse op de leerstof te richten, dan kan hij, als hij het goed aanpakt, in een korte tijd meer bereiken, dan door dagenlang praten. Het kind heeft door de euritmische activiteit die fysiologisch sterk kan werken, pas de kracht in zich gewekt die hij nodig heeft om wat van buiten naar hem toekomt, op te kunnen nemen, te kunnen leren.
Je moet er wel erg voor waken dat er in het kind een gevoel kan ontstaan als: deze oefeningen en bewegingen moeten iets opleveren. Puur om wat er gedaan wordt, om het plezier daarin, moet het kind euritmie doen en de leerkracht bereikt ook het meest als hij tijdens het oefenen met een innerlijke kunstzinnige zin werkt aan de beeldende krachten van de beweging, invoelend hoe daaruit gezondmakende krachten stromen die niet door inspanning op het gebied van doelmatigheid en schema’s ontkracht mogen worden.

Een jonge loot aan de euritmie hangt nauw samen met de euritmie in de hulpklas en heeft wel het meest bijgedragen aan de gunstige resultaten. Het is het oneindig rijke gebied van de therapeutische euritmie. Dr. Rudolf Steiner sprak er in het voorjaar van 1921 in Dornach bij de gelegenheid van een cursus voor artsen en geneeskundestudenten voor het eerst over en vulde dat later nog aan.
Op de vrijeschool werd drie jaar geleden begonnen met deze vorm van euritmie. Meestal ging het om situaties waarbij wij persoonlijke aanwijzingen kregen van Dr. Steiner, andere ontstonden door het samenwerken van de arts en de leerkracht nadat deze een diagnose hadden gesteld.
Therapeutische euritmie kan je niet zomaar gebruiken. Je moet je goed kunnen inleven in wat de betreffende vraagt. De bron is toch uit liefde willen werken en alleen daarmee kan je het toepassen en ermee verdergaan. Ze vraagt een intensief kunnen luisteren en waarnemen. Zoals de arts luistert naar het hart en de ademhaling, zo moet de euritmietherapeut luisteren naar wat uit het organisme spreekt; naar wat er in het hoofd-zenuwsysteem boven, of het stofwisselingssysteem onder werkzaam is en hij moet leren invoelen hoe hier de euritmische beweging orde kan scheppen en gezondmakend kan ingrijpen. Ook hier kunnen we van Rudolf Steiner leren om bij een behandeling naar het hele wezen van het kind te kijken, nooit bij een enkel symptoom te blijven stilstaan, maar de stoornis op te sporen tegen de achtergrond van het hele wezen en dan een therapeutische oplossing te zoeken.
In zijn pedagogie opent hij de leraren de ogen voor hoe de geest enerzijds in het lichamelijke doorwerkt en hoe anderzijds het lichamelijke van invloed is op het geestelijke.
Veel van de therapeutisch-euritmische bewegingen zijn, uiterlijk bekeken, tamelijk eenvoudig. De therapeutische werking zit niet in de gecompliceerdheid, maar in de intensivering naar de wilskant.
De euritmie op zich berust wat de kern betreft op de spraak. Ze is een metamorfose van de spraakklanken, alleen alles wat daarmee gedachtematig, voorstellingsmatig verbonden kan zijn, wordt min of meer uitgeschakeld en daar tegenover komt naast de inleving, het wilskarakter van de spraak naar voren, veranderd in menselijke bewegingen. De euritmist leeft helemaal in de kunstzinnige vormgeving van de spraak; hij geeft zich over aan de dynamische processen van de klanken, van het metrum. Maar hij verliest zich niet in een enkele klank, maar probeert de innerlijke klankmelodie van de zinnen kunstzinnig tot een geheel te vormen.
Het is niet zo dat de euritmische beweging gespecialiseerd zou moeten worden tot een therapeutische. Hier gaat het om het sterker maken van een enkele klank, dat is belangrijk. Die wordt min of meer door de mens opgenomen, de mens moet de bewegingstendens van de klank bewust tot in de spieren, in de botten van het lichaam voelen. Hier pas zit de therapeutische werking.
Bij volwassenen stoot je wellicht vaak op remmingen, het kind daarentegen neemt liefdevol de klank in zijn organisme op, aanvaardt de therapeutische werking. Daarom werkt het vaak zo verrassend.
Het beste bewijs voor de gezondmakende werking van de therapeutische euritmie zijn de kinderen zelf. Er is geen gebod of dwang nodig, iedere dag komen de kinderen welwillend oefenen, ja ze zijn zelfs verdrietig dat ze ook zondag niet kunnen. Ze voelen allemaal wel dat hen hier niets opgelegd wordt, maar dat ze iets wezenlijks geboden wordt, zoals ze de lucht en het zonlicht ervaren. Dat ervaart degene die de oefeningen met de kinderen doet misschien nog wel het sterkst door dagelijks de uitwerking te zien. Hieruit kan hij voor zijn werk weer het enthousiasme en de liefde putten.

.

Steviger in je huisje met euritmietherapie

Rudolf Steiner over euritmie

Remedial teaching [1]   [2]

 Leerproblemenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2169

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-4-1)

.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, lente 2006 nr. 17
.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…

Veel baby’s hebben last van huidproblemen, van een beetje naar heel erg. Noor Prent kijkt als consultatiebureauarts* met een antroposofische blik niet alleen naar de huid, maar naar de baby in zijn geheel. Om uiteindelijk een advies te kunnen geven waar het kind van groeit en bloeit.

E van vier maanden doet het prima.
Zij krijgt borstvoeding en groeit goed. Moeder is de laatste maand weer aan het werk, er is een prima oppas en iedereen is gelukkig met de situatie. Als er meer drukte in huis is, merken beide ouders wel op dat E hier een paar uur later op reageert met huiduitslag. Ze is heel open en vriendelijk. Ieders gemoedstoestand spiegelt ze direct, ook die van mij bij het onderzoek. Zij wil betrokken worden in het gezinsleven en moppert als ze wordt weggelegd. De volwassenen om haar heen hebben moeite om haar ritme te geven en haar even te laten mopperen. Zo krijgt ze teveel mee.

Verschillende signalen

Je zou de babyhuid kunnen zien als een spiegel die weergeeft wat er binnenin het lichaam gebeurt. Voor iedereen die met kleine kinderen werkt in de gezondheidszorg is de huid dan ook een machtig orgaan om te onderzoeken en veel informatie te verkrijgen. Zo is eczeem een gevolg van de constitutionele aanleg van het kind, zowel op fysiek als op psychisch vlak. En bijna altijd is er sprake van een minder sterk ontwikkeld vermogen de eigen grenzen te behouden.

Nu komt een baby in eerste instantie op de wereld om die te verkennen en niet om grenzen te trekken. Daar moet je hem dus bij helpen. Gaat het een beetje mis, zoals bij E, dan doen rust en regelmaat vaak wonderen en verdwijnt de uitslag snel. Bij andere kinderen is soms meer nodig, zoals bijvoorbeeld bij J.

J wordt geboren als tweede kind in het gezin. Bij het bezoek op het consultatiebureau valt op dat zijn huidje dun is en bijna doorschijnend, met weinig onderhuids vet en weinig vocht in de onderhuidse laag. Na het uitkleden is zijn huid ook snel koud. Hij heeft een gezichtje waarin neus, ogen en mond, relatief dicht bij elkaar staan. Zijn achterhoofdsschedel is vrij groot, de ledematen lijken te lang voor zijn leeftijd en ze ogen wat magertjes. De voetjes van J zijn altijd koud, wat je hem ook aantrekt. Hij heeft last van krampjes en schrikt snel van allerlei indrukken. Er is nog geen vast dagritme en hij is veel wakker.
Bij dit kindje is er nog geen sprake van huidproblemen, maar de opbouw van zijn huid vertelt al wel een verhaal en alles aan hem bevestigt dat: J heeft extra warmte nodig. Voor hem moeten we zorgen voor een goede begrenzing: laagjes kleding van wol en elke dag een verwarmende olie op de huid. Ook een mutsje, om de uitstraling van warmte via de hoofdhuid te beperken, is goed voor hem, want de warmte die hij heeft kan beter worden benut voor de inwendige processen. Maar er is nog meer mogelijk.

Een plant als voorbeeld

In de antroposofische geneeskunde maakt men dankbaar gebruik van de geneeskrachtige werking van inwrijvingen, massage, kompressen, baden en zalven, al naar gelang op basis van een plant of een metaal. De huid is een toegangspoort voor de harmoniserende en therapeuthische werking van natuurlijke middelen.
Voor de eczeemplekjes bij E, kies ik een plant die sterk gevormd is en ook een hoog kiezelgehalte heeft, bijvoorbeeld de Equisetum arvense (Heermoes). Voeg je deze als extract of sterke thee toe aan het badwater, dan reageert de huid door eerst voorzichtig de essentie af te tasten van de geneeskrachtige plantensubstanties, om vervolgens krachten te mobiliseren die deze in het lichaam zelf nabootsen.
Je zou het ook zo kunnen zeggen: het organisme wordt opgeroepen om het krachtige ‘kiezelgebaar’ van de plant over te nemen, zodat er meer structuur in de huid ontstaat.

In het geval van J zou ik kiezen voor het Sint-Janskruid, een verwarmende plant met een sterke ritmische opbouw. Het liefst in de vorm van olie, omdat die toepassing extra ons warmteorganisme aanspreekt. Een eetlepel olie in een klein flesje halfvol aanvullen met warm water: flink schudden en toevoegen aan het bad. Natuurlijk zijn er nog veel meer voorbeelden te geven, maar bij ieder jong kind spreekt de huid een belangrijke taal. Een taal die meer vertelt dan we wel denken: over de aanleg, het temperament, de gevoeligheid van het lichaam, maar ook over de ziel en over de mens die in die huid woont, hoe klein ook. Het is niet een taal die gemakkelijk is te ontcijferen, maar door je baby goed te observeren en met advies van een arts, kom je een heel eind. 

.

*voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.
2155

.

VRIJESCHOOL- Ontwikkelingsproblemen (6)

.
Als die o zo belangrijke motoriek zich moeizaam ontwikkelt

Marjolein Wolf in Weleda Puur Kind, lente 2004 nr. 13
.

Alles wat leeft is doortrokken van beweging en ritme. Kinderen gaan zich vanaf de geboorte steeds genuanceerder bewegen en uitdrukken. Eerst leren ze rechtop staan en lopen, dan spreken en denken, hoewel deze ontwikkeling voor ieder kind net iets anders kan verlopen. Voor sommige kinderen is het zelfs fijn als je ze er een handje bij helpt. Dat kan met euritmietherapie, een wat zwaar klinkende term voor een speelse vorm om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren.

Ik ben een muisje met hele kleine snorhaartjes

Zo maak je motoriek sappig en leuk!

‘De pannenkoek rolt en de pannenkoek rolt.’ De euritmietherapeut  huppelt samen met K van zes in het rond. Ze spelen dat ze pannenkoeken zijn en zingen er het pannenkoekenlied bij. Ze springen en maken draaiende bewegingen met hun armen om het rollen van de pannenkoek na te doen. Tot ze iets tegenkomen op hun pad: een koe. Plotseling zijn ze allebei een koe. Met weidse armgebaren geven ze aan hoe dik de buik van de koe is. De koe zegt dat hij best trek heeft in een heerlijke pannenkoek. Zonder moeite verplaatsen de therapeut en K zich weer in de pannenkoek. Ze kruisen hun armen voor hun borst en maken de koe duidelijk dat zij niet van plan zijn hem als lekker hapje te dienen. ‘Nee!’ klinkt het uit twee monden. Dan rollen ze samen verder. Het volgende wat zij op hun pad tegenkomen is een paardje. Ook het paardje zou best een pannenkoek lusten. K kruist opnieuw zelfverzekerd haar armpjes voor de borst: ‘Nee!’ Bij het verder rollen komen ze allerlei andere dieren tegen. Poes Piedewiet bijvoorbeeld. Pannenkoek K geeft duidelijk aan zich ook door hem niet te laten opeten. De dieren die het pad van de pannenkoeken kruisen worden steeds kleiner. Op het laatst komt er een klein muisje naar hen toe. Met hun vingertjes bij hun mond geven therapeut en K aan hoe klein de snorhaartjes van het muisje zijn. Hoe schattig het diertje ook is, de pannenkoeken zijn niet voor hem bestemd. Want daar komen de stampende kindertjes aan. En ja, dan moet de denkbeeldige pannenkoek er toch echt aan geloven. Therapeut en K maken allebei kauwbewegingen en van de pannenkoek wordt daarna niets meer vernomen.

Het is onnodig aan K te vragen of ze het spelletje leuk vindt. Zelden een pannenkoek gezien die zo straalt van trots en plezier. Het is moeilijk voor te stellen dat K ooit bij de therapeut binnenkwam als een introvert en gespannen kindje. “K komt bij mij vanaf haar tweede,” vertelt de therapeut na afloop van de sessie. “Toen ze hier kwam zat haar motoriek helemaal op slot. Het eerste half jaar heb ik haar alleen maar ritmisch gewiegd. Ik maakte cirkelende bewegingen met haar lijfje in mijn armen. In het begin was haar lichaam helemaal verkrampt. Maar op een zeker moment ontspande ze zich langzaam en begonnen haar beentjes mee te gaan in de beweging.”

Apetrots!

“We waren apetrots!” vult K’s moeder aan. “We hadden al veel meegemaakt met K. Ze werd zeven weken te vroeg geboren. Niet lang na haar geboorte kreeg ze problemen, Ze wilde niet eten en groeide nauwelijks. Daarom kreeg ze sondevoeding. Ook op andere gebieden stagneerde haar ontwikkeling. Mijn man en ik bezochten allerlei artsen, specialisten en therapeuten met haar. Ze hadden allemaal hun mening over het gebied waarin ze gespecialiseerd waren. Ze vergeleken K vaak met leeftijdgenoten en legden haar langs de meetlat van de “normale ^ ontwikkeling”. Maar wat heb je aan zo’n meetlat? Wij vroegen ons af wie K nu echt was. Zo kwamen we op doorverwijzing van de huisarts bij het therapeuticum terecht, waar K zowel fysiotherapie als euritmie kreeg.” De therapeut legt uit dat zij als euritmietherapeut vaak nauw samenwerkt met een fysiotherapeut. De twee vakgebieden vullen elkaar aan. “Terwijl fysiotherapie een ingang zoekt in de ontwikkeling via de tastzin en massage, stimuleert de euritmie het leven, de stromende bewegingen in het lichaam. De antroposofie gaat ervan uit dat in het menselijk lichaam verschillende soorten krachten werkzaam zijn. Er zijn krachten die uit de aarde komen: dat is waar de fysiotherapie mee werkt. De heileuritmie werkt met de zogenaamde “vormkrachten” die uit de hemel komen. Om dit te begrijpen kun je het menselijk lichaam met een beukennootje vergelijken. In zo’n klein nootje zit een hele beuk besloten. Er zal nooit een eik uit groeien. Zo is het met een kinderlijfje ook. Bij de geboorte ligt de hele individuele ontwikkeling erin besloten. Die ontwikkeling is heel persoonlijk. Daarom kun je mensen bijvoorbeeld ook herkennen aan hun manier van lopen. De wijze waarop iemand zich beweegt is even persoonlijk als diens handschrift.”
Euritmie stimuleert de vormkrachten, zodat de individuele ontwikkeling ook werkelijk gaat plaatsvinden. In het geval van K stagneerde deze ontwikkeling omdat zij in haar jonge leventje al veel vervelende ervaringen had gehad. Er was telkens in haar geprikt voor de sondevoeding, slangen erin en eruit. De therapeut: “Dan krijg je als kleintje de indruk dat je lijfje niet echt een fijne plek is om in te wonen. Met de euritmietherapie laten we haar ervaren dat de aardse wereld ook heel mooi kan zijn. We spiegelen haar de aangename kant van het leven. Daarmee nodigen we haar uit om lekkerder in haar lijfje te komen. Hoever we komen zien we wel. Ze hoeft nergens aan te voldoen. We accepteren haar zoals ze is.”

Fysieke en psychische klachten

De therapeut krijgt op haar praktijk kinderen met uiteenlopende problemen. Zij helpt kinderen die slecht eten of slapen, bij wie de motorische ontwikkeling stagneert, maar ook kinderen die bedplassen, erg verlegen of juist buitensporig druk zijn. Fysieke en psychische problemen liggen bij kleine kinderen vaak dicht bij elkaar. Euritmie heeft voor de uiteenlopende klachten verschillende technieken. De therapeut legt uit hoe ze er met euritmie toe heeft bijgedragen dat K op een zeker moment is gaan eten. “We hebben spelletjes gedaan waarbij K met haar hele lijfje de beweging van de spijsvertering nabootste. Eten is iets uit de buitenwereld tot je nemen. Het is een beweging van buiten naar binnen.”
De therapeut gaat samen met K in een treintjeshouding zitten. Tuf tuf, doet het treintje. Als het bij een halte stopt, doen de therapeut en K hun armen wijd, alsof ze hun deuren openen voor mogelijke passagiers. Nadat er iemand is ingestapt geven vier armen aan dat de deuren weer dicht gaan. K en de therapeut tuffen verder, om even later weer met open armen een buitenstaander binnen te laten. “Je opent en je neemt terug,” verklaart de therapeut. “Zo maak je je lichaam vertrouwd met de natuurlijke bewegingen van de stofwisseling. De spijsvertering wordt wakkerder.’ ‘Op soortgelijke wijze hebben we de spraakontwikkeling van K gestimuleerd. Ook het praten kwam bij haar relatief langzaam op gang. Als je gaat praten moet je gezicht een steeds fijnere motoriek gaan ontwikkelen. Bij het pannenkoekenspel komen wij steeds kleinere dieren tegen. Bij de koe maken we grote bewegingen om zijn dikke buik aan te geven. Het muisje heeft daarentegen een heel klein mondje, waarbij we met heel kleine bewegingen van onze vingers het praten aangeven. De dieren hebben ook allemaal verschillende uitdrukkingen. Zo maak je de motoriek van het gezicht sappig en leuk. We hebben het pannenkoekenspel eindeloos herhaald om dit steeds te oefenen.” Eindeloos herhaald of niet, als het aan K ligt mag het pannenkoekenspel nog wel even doorgaan. Moeilijke woorden als spraakontwikkeling en euritmietherapie zeggen haar niets. De therapeut? Dat is gewoon die lieve mevrouw die elke week leuke spelletjes met haar doet!

.

Meer info: Nederlandse vereniging voor euritmie therapie

Ontwikkelingsproblemen – onder opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2131

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsstoornissen (5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2002 nr.10
.

ADHD

A’s vader lijdt aan ADHD. Nog voor zijn geboorte vragen zijn ouders op het consultatiebureau om begeleiding bij de verzorging en opvoeding van de baby op komst. Dit om ADHD-gedrag te voorkomen of zo nodig in een vroeg stadium te kunnen opvangen.

Steeds vaker horen ouders van drukke, ongeconcentreerde en ongestructureerde kinderen dat hun kind lijdt aan ADHD.

Vaak wordt dan gekozen voor behandeling met Ritalin of andere onrust onderdrukkende medicijnen. ADHD-kinderen zijn kwetsbaar en vaak moeilijk, maar hebben meestal ook bijzondere begaafdheden. Door hen met Ritalin te behandelen, wordt niet alleen hun moeilijke gedrag onderdrukt, maar ook hun bijzondere en sterke kant. Daardoor wordt het moeilijker te ontdekken wie hij is en wat hij jou te vertellen heeft. Hoe dan ook vraagt het van ouders veel moed en wijsheid een kind met ADHD op te voeden. Het is zinvol daar medische en vooral opvoedkundige ondersteuning bij te vragen.

Erfelijk

De ouders van A realiseren zich al voor de geboorte van hun eerste baby dat ze die hulp wilden zoeken. Bij de vader is recent de ‘diagnose’ ADHD gesteld. Tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat ADHD voor 80 procent erfelijk is en bovendien veel vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. A’s ouders vroegen om te helpen bij het in een vroeg stadium voorkomen of begeleiden van ADHD-gedrag bij hun kind. Dat hield in dat er vanaf de geboorte veel aandacht zou zijn voor een ritmische dagindeling en een rustige omgeving met zo min mogelijk invloeden die overprikkeling kunnen veroorzaken, zoals radio- of tv-geluid, veel bezoek, meenemen naar de supermarkt enzovoort. Over de box zou de eerste tijd een roze doek worden gehangen om invloeden uit de omgeving wat te filteren. Bovendien zou de borstvoeding goed worden begeleid, omdat een baby zich door borstvoeding vaak diep ontspant, wat een harmoniserende invloed heeft. De vertering en darmfunctie is dan beter en juist de verteringsorganen hebben een belangrijke rol bij ADHD-gedrag.

Babymassage

A blijkt inderdaad een onrustige baby te zijn met veel darmkrampjes. Hij maait flink met armen en benen, ook in zijn slaap. Het inbakeren heeft succes, maar na een week of drie worden de ouders er zelf nerveus van en gaat het averechts werken. In plaats daarvan raad ik babymassage aan. Zachte inwrijving helpt een baby de grenzen van zijn lijfje te ervaren en het geeft bovendien een harmonische verdeling van de lichaamswarmte. Om dat weldadige gevoel te versterken, adviseer ik om hem na de inwrijving van het hele lijfje met Calendula Babyolie een mutsje op te doen en hem in de winter een wollen hemd en uaillot te laten dragen.

Na zeven weken kan A de overstap op biologische flesvoeding redelijk goed aan. Omdat recent onderzoek (Orthofolia, mei 2002) uitwijst dat er een belangrijke relatie is tussen onrustig gedrag en allergie of intolerantie voor bepaalde voedingsmiddelen, laten we een kinesiologe de voeding uittesten. A blijkt geen voedingsallergie te hebben, hij verteert de voeding goed.

Verder heeft ervaring uitgewezen dat vaccinaties bij kinderen een aanwezige, maar nog niet manifeste aanleg naar boven kunnen halen. Daarom besluiten de ouders de inentingen op een later moment en niet allemaal tegelijk te geven. Zo kunnen we A leren kennen in zijn aanleg, zijn ontwikkeling en zijn reacties op zijn omgeving zonder eventuele verstorende invloed van de vaccinaties. Het  voordeel van uitstel is ook dat we het effect van de gekozen aanpak goed kunnen beoordelen.

Hysterisch wakker worden

A ontwikkelt zich zeer snel. Met vier maanden rolt hij om en terug, ruim zes maanden oud staat hij op handen en voeten en gaat hij zelf zitten. Bij negen maanden wordt hij ’s nachts vaak hysterisch wakker en is dan niet meer stil te krijgen. We vermoeden dat dit te maken heeft met zijn snelle en heftige motorische ontwikkeling. Alleen een flesvoeding kan dan uitkomst bieden. Gelukkig slaapt hij overdag nog veel om alle indrukken te verwerken. Met dertien maanden is A een zeer ondernemend ventje dat stevig los loopt, nieuwsgierig en onderzoekend is en al de eerste woordjes spreekt. Hij vindt het prima om in de box te zitten. Ook blijkt hij zich goed te kunnen concentreren op nieuwe dingen en straalt dan rust uit. Wel is hij nog steeds supersnel en begrijpt hij meer dan bij zijn leeftijd past.
Voor A’s ouders was het organiseren van een ritmische dagindeling, waarin ze zichzelf en A beperkingen moesten opleggen, een intensief proces met veel vallen en opstaan.

Geneesmiddel

Wanneer een ADHD-kind wat ouder is, is onrustig gedrag minder makkelijk te voorkomen, op te lossen of om te buigen.
Maar ook dan zijn regelmaat, rust en ritme en een omgeving waarin het kind zo min mogelijk wordt geprikkeld basisvoorwaarden.

Onderzoek naar mogelijke voedingsallergie of mogelijk andere verstorende factoren, het laten ervaren van de eigen lichaamsgrenzen door inwrijving met olie, duidelijkheid in de opvoeding, een passende schoolsituatie en het goede voorbeeld van ouders die zelf ook worstelen met chaos, maar die het toch lukt om zichzelf grenzen te stellen, zijn belangrijke hulpmiddelen in de therapie.

Een mild geneesmiddel dat zijn waarde voor mij heeft bewezen bij de harmonisering van ADHD-gedrag is Weleda’s Aurum/Hyoscyamus, dat alleen op doktersrecept te krijgen is. Dit is een geneesmiddel dat een kind als het ware tot in zijn organisme voordoet hoe je rust kunt brengen in het proces van indrukken opnemen en ze weer uiten in gedrag, daden en gevoelens. Die rust is absoluut nodig voor het goed ‘verteren’ van indrukken. Bovendien helpt het middel als je kind angstig is.

Natuurlijk zal een aanleg voor ADHD niet verdwijnen. Maar jij en je kind kunnen wel leren omgaan met die aanleg, zodat hij zich niet zal laten leven door zijn onrust, maar die zelf een plek geeft in zijn leven.»

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.

2097

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-9)

.
In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd. Maar ook recent werd er toch opnieuw weer op gewezen.

Eindovens Dagblad, 13-01-1998
.

Opzwepend geweld op Televisie meest schAdelijk voor kinDeren

Ouders kunnen wel denken dat ze altijd weten of hun kind bang wordt van bepaalde enge tv-rogramma’s, in de praktijk zitten ze er vaak naast. Televisie boezemt kleine kinderen veel vaker angst in dan hun opvoeders denken, zo blijkt uit onderzoek dat pedagoge en docent Patti Valkenburg voor haar promotie in de pedagogiek uitvoerde.

‘Vierkante ogen’ heet de populaire versie van haar studie en het kijken naar geweldsscènes komt daaruit naar voren als een bezigheid die niet voor niets door velen als een gevaar voor de geestelijke kindergezondheid wordt beschouwd.

Valkenburg vroeg bijvoorbeeld kinderen in twee leeftijdsgroepen wat ze doen als ze zichzelf willen geruststellen. Zowel bij de jongste groep (7-8 jaar) als bij de oudste (11-12 jr) was de favoriete houding: ’tegen mezelf zeggen dat het programma wel goed afloopt’. De jongste groep kroop eerder tegen vader en moeder aan dan de oudere, maar die groep zei eerder: ’het bloed is toch maar ketchup’. Wanneer kinderen vertelden bang te zijn geweest van iets op tv, bleek maar 39 procent van hun eigen ouders daarvan op de hoogte te zijn.

De begeleidende rol van de ouders is heel belangrijk. Ze moeten nooit zeggen: Pak ’m, of Goed Zo, als de held iemand op het gezicht mept. Want, zegt de pedagoge, kinderen kunnen niet relativeren. Opvoeders doen er beter aan uit te leggen wat er gebeurt in het verhaal.

De term ‘gelukkig geweld’ staat voor het soort televisiegeweld waarin de pijnlijke of tragische gevolgen voor de slachtoffers worden weggelaten. Wanneer kinderen wel zien dat een slachtoffer op de televisie pijn lijdt, wordt hun gevoel van medelijden opgeroepen en worden ze herinnerd aan hun culturele norm, dat het verkeerd is om anderen pijn te doen. De agressie van kinderen neemt af wanneer ze de gevolgen van de daden van hun superhelden zien.

De tv-serie Power Rangers moet zo ongeveer het slechtste zijn van wat we in Nederland aan onze jeugd voorschotelen, zo blijkt uit de analyse van Valkenburg. De serie is nog wel voor kinderen gemaakt ook. Terwijl het verhaal allerlei geweldkenmerken telt die agressief gedrag stimuleren. Elke aflevering bevat ongeveer 140 gewelddadige acties terwijl de gevolgen van het geweld onzichtbaar blijven. Dat wordt bovendien als gerechtvaardigd afgeschilderd. De Power Rangers trappen erop los, maar de slachtoffers raken nooit gewond en voelen nooit pijn. Het programma is het populairst bij kinderen tussen 6 en 8 jaar, de leeftijdsgroep die het gevoeligst is voor de effecten van televisiegeweld. Opzwepende geweldscènes zijn minstens het ergste wat de televisiemakers aan kleine kinderen kunnen voorschotelen, door de combinatie actie en harde muziek. ’Miami Vice’ is daarvan een voorbeeld. Bij kleine kinderen maakt het niet uit of het verhaal realistisch is of niet, want zij kennen het verschil tussen realiteit en fantasie nog niet.

Patti Valkenburg haalt een getuige uit een ietwat onverwachte hoek. Dick Wolf, maker van series als Miami Vice en Law and Order liet zijn kinderen toen ze acht en vijf jaar waren, nooit naar een van zijn producten kijken.
Wolf: „Mijn kinderen mogen ook niet naar tekenfilms kijken op zaterdagochtend….”

Patti Valkenburg: Vierkante ogen.

Zie bv. opspattend grind

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2046

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-6)

.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2001 nr.8
.

verwennen en ontwennnen

Ouders zijn vaak bang dat opa en oma de kleinkinderen te veel verwennen. Maar verwenning ontstaat niet door die ene keer per maand dat opa en oma met een tas vol lekkers en cadeautjes op bezoek komen. Verwennen is een sluipend proces.
En ook ‘ontwennen’ kost tijd.

De moeder van W van twee vindt haar dochtertje verwend: ‘Ze zeurt de hele dag en zet mij en haar zusjes aan het rennen. Eigenlijk heb ik het verwennen wel zien aankomen. W is gewend in huis allerlei dingen aan te wijzen en dan luid ‘die… die… die…’ te roepen. Dan moeten we allemaal komen kijken en als ze vervolgens niet meteen krijgt wat ze wil, zet ze het op zo’n dwingend krijsen dat iedereen meestal braaf geeft wat ze hebben wil. Dat is nu moeilijk terug te draaien. Mijn man vindt haar gedrag zo lastig dat hij direct doet wat ze vraagt of afstand van haar neemt en haar negeert. En dan moet ik uiteindelijk weer ingrijpen.’ Nu de omgeving W’s dwingelandij niet langer pikt, realiseert haar moeder zich dat het moment is gekomen dat ze echt moet gaan ingrijpen. Maar het is lastig de ingeslepen patronen waardoor het verwende gedrag is ontstaan terug te brengen tot normale proporties en daarin consequent te zijn.

In de watten leggen 

Wat is verwennen eigenlijk? Verwennen is te veel geven: te veel met de ander meegaan in zijn wensen. Vaak gebeurt dit uit zorgzaamheid of tederheid. Maar een verwend kind raakt er zo aan gewend dat anderen zijn problemen voor hem oplossen, dat hij niet leert zich er zelf voor in te zetten. Verwennen kun je ook omschrijven als ‘in de watten leggen’. Je geeft de ander niet de kans te leren omgaan met grenzen. Want in zachte watten voel je geen grenzen. Dat maakt passief en uiteindelijk ook angstig. Als je iemand verwent, neem je dus iets over van wat die ander eigenlijk zou moeten doen. Dat is natuurlijk niet altijd verkeerd. Er is niets op tegen dat je iemand die herstelt van een ziekte een poosje makkelijk verteerbare voeding geeft, zodat zijn spijsvertering niet zo hard hoeft te werken. Maar er gaat wel degelijk iets verkeerd als je een kind van twee jaar nog steeds voedt met gemalen prakjes. Die vormen geen enkele uitdaging voor zijn kauwspieren, waardoor hij gemakkelijker eetstoornissen kan ontwikkelen.

De scheidslijn tussen verzorgen en verwennen is niet altijd makkelijk te vinden. Verwen je een kind door hem warm te kleden? Niet zolang je hem ook de kans geeft in de confrontatie met regen en kou zijn warmte-organisatie te ontwikkelen. Maar je verwent een kind wel als je hem altijd overal lekker warm houdt. Zijn spieren worden verwend als je ze niet aan het werk zet en je verwent zijn lever als je hem te veel kant-en-klare suikers aanbiedt. Verwend gedrag is eigenlijk een ultieme vorm van hulpeloosheid. Een verwend mens weet zelf geen oplossingen te vinden voor allerhande dagelijkse problemen. Een verwend kind kan zich niet aanpassen, want dat heeft hij niet geleerd.

Verwennen is anti-opvoeden

Wanneer je als ouder bang bent je kinderen te verwennen, kun je wel eens in het andere uiterste vervallen. Opvoeden wordt dan drillen en afharden. Dan zal zijn warmte-organisatie inderdaad niet verwend raken, maar wel afgestompt. Want als je een kind consequent te koud kleedt, zal hij niet het intens behaaglijke gevoel leren kennen van het je tot in elke vezel van je lichaam warm voelen. Laat je hem consequent huilen omdat je hem niet wilt verwennen, dan kan het gebeuren dat hij afleert door huilen te vertellen dat er iets met hem aan de hand is. Dan kan het heel zoet lijken, maar innerlijk is het lam geslagen en heeft het opgegeven iets van zichzelf te laten zien. Net als verwennen is afharden een vorm van anti-opvoeding.

Bij verwennen spelen zoveel factoren een rol dat het onmogelijk is een recept te geven voor een niet-verwennende opvoeding. Wat bij het ene kind verwenning oplevert, is voor de ander juist de aandacht die hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. Een heel atletisch kind hoeft niet gestimuleerd te worden een flinke wandeling te maken. Maar een rustig, in zichzelf gekeerd kind zul je zo nu en dan uit zijn wereldje moeten halen, opdat hij meedoet aan een gezamenlijke activiteit. De spijsvertering van een allergisch kind is over het algemeen gebaat bij hypo-allergene voeding, maar toch zul je hem af en toe ook eens moeten uitdagen met een hapje waar hij zich wat meer voor moet inspannen. Verwennen maakt lui, en luiheid wekt irritatie op. Het verwende kind zelf snapt niets van de irritatie die hij in zijn omgeving oproept. Voor hem is het immers gewoonte dat hij op zijn wenken wordt bediend.

Ontwennen

Het ontwennen van een verwend kind vraagt tijd. Gaandeweg zal de moeder van W de ingesleten gewoontes die van W een dwingeland maakten moeten zien te vervangen door zinvolle gewoontes. Gewoontes zijn nodig om een stevige basis te geven aan het dagelijkse leefpatroon. Daarbij horen ook de grenzen die een kind in de opvoeding moet tegenkomen om zichzelf te leren kennen. Het doet er eigenlijk niet zo toe welke grenzen dat zijn. Het is wel van belang dat de gekozen lijn consequent wordt aangehouden. Beter één duidelijke grens dan veel vage grenzen. Binnen die grens kan een kind op ontdekkingstocht gaan. Daar hoort bij dat hij tegen de grens oploopt, eraan gaat peuteren en onderzoekt hoe lang die grens het uithoudt overeind te blijven als hij er tegenaan schopt. En als dat te veel gejengel en gehuil oplevert, dan verwen je je kind echt niet als je hem helpt zijn aandacht op iets anders te richten. 

.
voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2037

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.