Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (3)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Ook ‘het jongste kind’ komt eenmaal op school. Wat brengt het mee uit zijn eerste ontwikkengsjaren, wat heeft het al beleefd, doorgemaakt. Hoe vaak ontdek je in de kleuterklas of later niet dat problemen die zich daar voor doen, eigenlijk al veel eerder begonnen. Hier een artikel over een ‘wakker en onrusitig kind van drie maanden.

Op het consultatiebureau

Erg wakker en onrustig

Noor Prent is* als arts werkzaam op het Consultatie Bureau MIRA in Maastricht**. Voor Puur Kind zal zij iedere keer een typisch geval uit haar praktijk belichten. (Wat doet zij bijvoorbeeld als er een moeder met een kind van drie maanden bij haar in de spreekkamer komt, dat volgens haar veel te wakker en te onrustig is?)

Op het consultatiebureau komt Marion met haar zoontje Bart van drie maanden. Kort daarvoor is de wijkverpleegkundige bij haar op huisbezoek geweest om kennis te maken en het dossier in te vullen. Marion vertelde dat haar zwangerschap prettig was verlopen maar dat ze wel steeds bang was geweest: eerst voor de mogelijkheid dat het mis zou gaan met de zwangerschap – ze was namelijk direct na een miskraam weer zwanger geworden – later voor de pijn bij de bevalling. Tijdens haar zwangerschap werkte ze er samen met een kinesiologe (bewegingstherapeute) hard aan om met deze angst te leren omgaan. Begeleid door de vroedvrouw werd Bart vlot geboren volgens de onder-water-methode, hoewel Marion op het eind van de bevalling een aanval van hyperventilatie kreeg. ‘Toch was het een fijne gebeurtenis,’ zegt ze daar nu over. ‘Ik zie ook met meer vertrouwen uit naar een eventuele volgende bevalling.’

Bart 

Vanaf de geboorte is Bart vrijwel de hele dag wakker. Hij huilt veel. Marion stopt met borstvoeding als ze weer gaat werken. Dan gaat Bart een dag per week naar de crèche en twee dagen naar een familielid. Dat is een regeling waarbij Marion zich goed voelt, maar die haar ook vaak een gevoel van stress bezorgt. Want ze is zich ervan bewust dat ze twee taken heeft te vervullen en ze wil beide goed doen, niet half.

Ik bekijk Bart. Hij is heel wakker en erg onrustig. Hij maait met zijn armen en beentjes om zich heen. Als ik hem aankijk, fixeert hij even mijn blik, maar al snel is zijn aandacht weg. Hij huilt. Ik zie dat Bart een kind is dat alle indrukken, alles wat er om hem heen gebeurt, heel sterk in zich opneemt. Ook de strijd van zijn moeder om twee belangrijke taken zo goed mogelijk met elkaar te verenigen, kan aan zijn onrust hebben bijgedragen, evenals haar angst tijdens de zwangerschap, die ondanks Marions inzet voor een deel toch is gebleven.

Angst veroorzaakt een krampachtige spanning in het lichaam, een soort klaar-voor-de-vlucht-situatie. Bij Marion werd die terugtrekkende beweging zichtbaar in de hyperventilatie tijdens haar bevalling. Door de hoge, snelle ademhaling raakt je

(bewustzijn wat los van dat deel van je .ichaam waar op dat moment juist van alles gebeurt. Die terugtrekkende bewegingen, die ook optreden bij hevige schrik of verdriet, neemt het kindje tijdens de zwangerschap en de geboorte waar en ze werken op hem in.

Bakeren

Om Bart een wat groter gevoel van bescherming te geven, adviseerde ik Marion om hem in te bakeren. Dat is het volgens een bepaalde, beproefde manier stevig inwikkelen van de baby voordat hij op zijn rug te slapen wordt gelegd, zowel overdag als ’s nachts. Daardoor ervaart een kind de grens van zijn eigen lijfje. Hij komt in een coconnetje terecht waarbinnen het makkelijker is zichzelf warm te houden en zich veilig te voelen. Hij zal misschien wel even vechten met die stevige, inperkende jas, maar al snel voelt hij zich geborgen. De onwillekeurige bewegingen die zo rusteloos zijn en hem uit zijn slaap houden, krijgen geen kans meer. Hij geeft zich over aan het warme, omhulde gevoel. Het is alsof hij luistert naar het voorbeeld dat het bakeren hem geeft: hierbinnen (in jouw lijfje) woon je, hier moet je het allemaal doen. Hij ontspant zich en komt tot rust. Juist in de slaap wordt er aan het lichaampje gebouwd en wordt alle voeding (aardse maar ook psychische voeding) verteerd en opgenomen. Bakeren klinkt ouderwets. Maar het kan een heel eigentijds antwoord zijn op de behoefte van een baby om zijn grenzen te leren kennen. Bakeren moet echter wel goed gebeuren. In de brochure ‘Gewikkeld in doeken’ staan precieze aanwijzingen hiervoor. Naast inbakeren kunnen gerichte adviezen voor de verzorging, voeding en opvoeding verdere hulp bieden. Opvoeding begint namelijk al in de wieg wanneer de ouder, al luisterend naar de taal die het kind spreekt, aangeeft wat de regels zijn, welk ritme er is. Die duidelijkheid geeft een basis van vertrouwen en zekerheid.

Zelf verder experimenteren

Al tijdens het volgende bezoek aan het consultatiebureau vertelt Marion me dat het veel beter gaat met Bart. Hij slaapt goed, ook overdag en is een stuk rustiger. Twee factoren hebben het goede resultaat ondersteund. Toen Bart na enkele weken begon te protesteren en het erg lastig werd om hem in te bakeren, vond Marion zelf een andere vorm van stevig inpakken die wel voldeed. Daarnaast had een familielid hen erop gewezen dat de baby weinig eigen ruimte kreeg omdat ze bij de minste of geringste kik al naar hem toe gingen en hem oppakten. Marion en haar man realiseerden zich dat ze Bart uit onzekerheid ongewild veel te vaak stoorden en hem geen kans gaven het zelf even uit te zoeken. Nu ze hem wat meer ‘aan zijn lot overlaten’ heeft dat de rust versterkt. Bart is nu vijf maanden oud en een stevige baby die vrolijk lacht en goed contact maakt.

*aan het begin van het artikel in ‘Puur kind’, nr.1 lente 1998

met toestemming van de auteur

**voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1494

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

.

Babymassage

Toen onze* kinderen werden geboren, was babymassage in de verzorging van zuigelingen nog een betrekkelijk onbekend fenomeen. Mijn baby’s hebben die vorm van verzorging dan ook moeten ontberen. Dat me dat met terugwerkende kracht spijt, is geheel de verdienste van Julia Woodfield, auteur van het boek

Babymassage – Wat je zelf kunt doen voor het welzijn van je kind.

Deze spijt ontstaat niet alleen door de foto’s van een verrukkelijke baby – met een ouderwets opgekamd donker kuifje en mollig lijfje – die we gedurende een volledige massagebehandeling kunnen volgen. Want ook al kun je de ‘troost, bemoediging en liefde schenkende handen’ volgen vanaf de eerste aanraking van het buikje tot aan de teentjes, vingertjes, wangetjes en oortjes, het praktisch aanschouwelijke gedeelte neemt in het boek in feite maar betrekkelijk weinig plaats in beslag.

Babymassage is vooral een zorgvuldig opgezet boek over alles wat met het krijgen van kinderen te maken heeft. Julia Woodfield overtuigt doordat ze de deskundigheid van waaruit ze spreekt met een zekere menselijke warmte en wijsheid verbindt. Dat begint al met het gedeelte dat ze wijdt aan de bevalling, of eigenlijk al aan de zwangerschap. Wat Woodfield daarover zegt, is vervuld van diep inzicht in datgene wat er gebeurt vanaf de conceptie tot en met het eerste uur in het leven van een kind.

In het hoofdstuk over de geboorte, beschrijft ze vervolgens verschillende mogelijkheden om pijn tijdens de bevalling te bestrijden met natuurlijke middelen, zoals baden, compressen en natuurlijk ook massage. Want de barende vrouw kan volgens haar enorme troost en energie krijgen van de handen van haar partner of de vroedvrouw.

Na het gedeelte over de behoefte van de zuigeling aan het opbouwen van een emotionele band met de ouder(s) en de essentiële rol die de zintuigen en de huid daarbij spelen, besteedt Woodfield aandacht aan een aantal eigentijdse fysieke en psychische problemen als stress, storingen in de hormoonhuishouding en het immuunsysteem en de mogelijke oorzaken van agressief gedrag. Als Woodfield aan de praktische toepassing van massagetechnieken voor de baby toekomt, benadrukt ze dat een echte goede massage twintig minuten in beslag neemt, maar dat iedere korte behandeling van bijvoorbeeld alleen de voetjes ook al heilzaam werkt. Als we maar niet wachten met masseren tot we er eindelijk tijd voor kunnen inruimen, zo drukt ze ons op het hart, want dan zal het er nooit van komen.

Masseren is volgens Woodfield goed voor iedere baby. Degenen echter die in ieder geval veel profijt hebben van regelmatige massage zijn baby’s die niet gedijen, die in het ziekenhuis liggen, die te vroeg of met de keizersnede zijn geboren, die last hebben van buikkrampjes en benauwdheid, of die hyperactief zijn en niet kunnen slapen. Woodfield geeft ook duidelijke richtlijnen met tekeningen voor de heel speciale behandeling van zeer zwakke, te vroeg geboren baby’s en kinderen van verslaafde moeders. Als aanvullende hulp beschrijft ze ook het gebruik van verschillende oliën, waarbij ze de nadruk legt op de toepassing van natuurzuivere plantaardige oliën, zonder extra parfums. Etherische of vluchtige oliën adviseert ze alleen voor bijzondere indicaties en niet voor dagelijks gebruik, omdat deze te sterk zijn voor de baby en het jonge kind.

Woodfield biedt zonder omhaal van woorden een helder, zakelijk inzicht in de werking van de verschillende Bachbloesems en de mogelijkheden die deze therapie biedt bij het oplossen van problemen, met name bij baby’s en kinderen. Woodfield besluit haar boek met een hoofdstuk over de innerlijke ontwikkeling die ouders volgens haar eigenlijk zouden moeten gaan in de opvoeding van hun kinderen. Want kinderen, zo benadrukt ze tot slot, hebben vooral mensen om zich heen nodig die zichzelf hebben gevonden.

*Petra Weeda, Puur kind 1 lente 1998

.

Petra Weedaboeken

Weledavoor de baby

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1503

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15)

.

Kinderen hebben vaak last van slaapproblemen. Kinderpsychiater Dick Hütter† over de oorzaken, de gevolgen en de remedies. De boze droom ontleed.

het spook in de nacht

’s Avonds gaan alle kinderen evenals de bloemen, de dieren en de zon zoet slapen om de volgende ochtend fris en uitgerust weer aan een nieuwe dag te beginnen. Talloze slaapliedjes en verhaaltjes-voor-het-naar-bed-gaan heb- ben deze strekking, maar legioenen ouders verzuchten: ‘Ach, was het maar zo’. Trouwens het feit dat er zoveel slaapliedjes bestaan zou hen al wantrouwig moeten maken of het zoet inslapen wel zo vanzelfsprekend is.

Is het niet eerder zo dat zij bedoeld zijn om het kind te leren ordentelijk in te slapen? Want vanuit zichzelf doet het dat niet, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. En zoals bijna met alles heeft het ene kind meer pedagogische ondersteuning nodig dan het andere. Slapen is niet even ‘gemakkelijk’ als ademen, maar wel even belangrijk. Misschien dat we daarom zo nerveus reageren als ons kind laat inslaapt of ’s nachts regelmatig wakker wordt. Maar dit soort ‘stoornissen’ horen er in zekere zin bij, het is alleen verschrikkelijk belangrijk hoe wij hierop als ouder reageren.

Kijken we naar het (in)slaapgedrag van kinderen in verschillende leeftijdsfases, dan zien we het volgende:

Baby’s zijn in principe geweldige slapers, zelfs zo dat ze zich de eerste maanden absoluut niet storen aan het normale dag- en nachtritme.

Toch blijkt uit onderzoek dat vijfenzeventig procent van alle drie maanden oude baby’s een groot deel van de nacht doorslaapt, onafhankelijk van het voedingsregime en andere prikkels, zoals een natte luier. Als ze één jaar oud zijn, hebben negen van de tien dit ritme zeker te pakken en zijn ze, zoals ze dat in het Engels zeggen, ‘gesettled’. Je zou kunnen zeggen dat dit het moment is waarop ze werkelijk op aarde zijn neergestreken en ze zich voegen naar dit typisch aardse ritme. Maar observatie wees ook uit dat dit niet betekent dat de baby’s niet wakker worden ’s nachts, alleen de reactie daarop van ieder kind is verschillend. De helft draait zich bij wijze van spreken weer om en slaapt verder, de andere helft daarentegen ‘roept’ om zijn ouders, met niet meer redenen dan dat het even wakker is. Deze waarneming kan ons sterken in de overtuiging dat we bij nachtelijk hulpgeroep van de kleine zo min mogelijk toestanden maken. Kijken of er iets storends is kan en even laten zien dat je ‘er nog bent’ ook, maar liefst met zo min mogelijk ingrepen. Niet te veel activiteit, alles in de slaapsfeer houden. Hier kan gewoontevorming de wissel zetten voor vele jaren. Het devies moet eigenlijk zijn, dat dit even wakker worden er nu eenmaal bijhoort, niets bijzonders is en dus ook geen opwinding behoeft van de betrokken partijen.

Niet al te gezellig

Op de peuterleeftijd (van een tot vier jaar) komen er vaak problemen bij het inslapen. Het kind wil geen afscheid nemen van zijn ondernemingslust en activiteiten en het is soms bang om alleen gelaten te worden. In deze leeftijdsfase wordt het zich geleidelijk aan bewust een afzonderlijk wezen te zijn en dat geeft bij alle vreugde ook seperatie-angst: angst om op zichzelf teruggeworpen te worden. De peuterleeftijd is bij uitstek de tijd van de bedrituelen, waarbij ouders zich als ware evenwichtskunstenaars op het slappe koord kunnen beleven tussen hun eigen wens om het niet te lang te laten duren (meestal hebben we haast) en de wens van het kind om allerlei uitbreidingen toe te voegen aan het ritueel. Waardoor ze zich tenslotte gaan voelen als de hofhouding van een nogal grillige kroonprins of prinses.

Het is inderdaad een subtiel evenwicht. Natuurlijk is het goed als je inspeelt op de onlustgevoelens van het naar bed te brengen peutertje, maar houd de regie in eigen handen. Blijf degene die de grenzen trekt, ook al om te voorkomen dat je niet prikkelbaar wordt en je geduld verliest. Want dat laatste verhoogt de kinderlijke seperatie-angst en als ouder val je dan van de regen in de drop. Hier kunnen bovenvermelde slaapliedjes een uitkomst bieden al was het alleen maar om de juiste stemming op te roepen. ‘Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap.’

Tegen het derdejaar kunnen bange dromen de nachtrust gaan verstoren. De moeilijkheid daarbij is dat het jonge kind aan dromen dezelfde realiteitswaarde toekent als aan de gebeurtenissen van overdag. Dus hen vertellen dat het ‘maar een droom is’, stelt het kind nauwelijks gerust. Er zit niets anders op dan de tijd te nemen om de droom te laten ‘vervliegen’, bijvoorbeeld door ze te laten vertellen wat ze allemaal hebben meegemaakt in hun slaap. Het nachtelijk wakker worden zal echter ook zonder dromen blijven voorkomen en het is van groot belang het kind te leren daar zelf mee klaar te komen. Veel kinderen kunnen zichzelf en hun ouders op zo’n moment wijs maken dat het toch om een bange droom ging en zo een ‘gezellig’ momentje in de nacht ensceneren. Je kunt als ouder die behoefte aan onrust of troost natuurlijk niet bot negeren, maar er zijn andere en betere oplossingen te bedenken zoals een klein lichtje in het stopcontact, de kamerdeur op een kier of een extra troeteldier of pop in bed. Soms helpt het om het kind een tijd samen met een broertje of zusje op één kamer te laten slapen. Het horen van de ademhaling van een slaapgenoot geeft vaak voldoende rust en veiligheidsgevoel om zonder hulp weer in te slapen. En ‘vlieg’ je als ouder eens in dat bange droomverhaal, maak het dan niet al te gezellig.

Oudere kleuters en jonge schoolkinderen (ongeveer van vier tot negen jaar) kunnen af en toe nachtmerries hebben, hetgeen eigenlijk hevige angstdromen zijn. Op zich is dit ook niet alarmerend. Het kind kan op die leeftijd waarin het zich steeds meer op de wereld om hem heen gaat richten, gebeurtenissen beleven waar het emotioneel nog niet rijp voor is. De oplossing kan dan een nachtmerrie zijn, wat heel gezond is. Pas wanneer deze regelmatig optreden is het zaak om te onderzoeken of er geen ontwikkelingsconflict bestaat. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat er eisen aan het kind gesteld worden op school waaraan het niet kan voldoen of die mogelijk tegenstrijdig zijn met datgeen wat thuis van hem verlangd wordt. Van zoiets kan een kind vreselijk in verwarring raken.

Hetzelfde geldt voor de zogenaamde ‘Pavor Nocturnus’, een verschijnsel dat voor de betrokkenen nogal verontrustend is, maar in een normale ontwikkelingsgang zo nu en dan kan voorkomen. Het beeld is dat in het begin van de slaap het kind met een schreeuw wakker wordt en men het vervolgens rechtop zittend in bed aantreft met angstig-opengesperde ogen, trillend, zwetend, met versnelde adem en hartslag. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar, onrustig en lijkt soms dingen te zien die er niet zijn. Na enkele minuten zakt de aanval, het kind zelf herinnert zich er dan niets meer van en gaat gemakkelijk weer verder slapen. Terwijl de ouders in zo’n geval nog enige tijd nodig hebben om te bekomen van de schrik.

Pubertijd

Pavor Nocturnus is evenals slaapwandelen te zien als een toestand waarin slapen en waken in zekere zin gelijktijdig optreden. Niet elkaar aflossen maar op een verschillende manier in elkaar overlopen. Oorzakelijk is er meestal sprake van een rijpingsachterstand die zich in de loop van de tijd spontaan herstelt, doch die het kind gevoeliger maakt voor psychische belasting zoals bijvoorbeeld oververmoeidheid. Hoe angstaanjagend ook, over zo’n enkele aanval hoeft niemand zich ongerust te maken. Herhalen de aanvallen zich echter, dan wijst dat op ‘onderliggende’ problemen en moet er hulp ingeroepen worden.

Zijn de kinderen eenmaal goed in de schoolleeftijd aangeland, dan zijn het normaliter goede slapers geworden, hoewel je blijft houden dat er momenten zullen zijn dat ze langer wakker liggen dan gewenst. Pas in de puberteit komen er bij een normale ontwikkelingsgang vaak weer wat problemen met in-en doorslapen.

Al de bovenstaande slaapperikelen van de baby tot de puber zijn misschien voor het kind zelf en de ouders vervelend, maar omdat ze niet wijzen op een ernstige onderliggende ontwikkelingsproblematiek en ook het gezond functioneren van het kind niet nadelig hoeven te beïnvloeden, noem ik ze normaal. Met rustig, vriendelijk en vooral zakelijk optreden is het beslist mogelijk de zaak op te lossen. En wat vaak over het hoofd wordt gezien: er bestaan ‘langslapers’ en ‘kortslapers’, al vanaf jonge leeftijd. Stop je een kortslaper te lang in zijn bed, dan kan het niet anders of hij ligt een poos wakker. Men spreekt eigenlijk pas van ernstige slaapstoornissen als de kinderen overdag duidelijk niet uitgerust zijn, dus slaperig, vermoeid, prikkelbaar en ongeconcentreerd zijn. Net als bij volwassenen is er een groot verschil tussen klachten over slapeloosheid en werkelijke slaapstoornissen. Observatie heeft aangetoond dat klagende ‘slapelozen’ vaak vele uren doorslapen en dat omgekeerd mensen die niet klagen soms tijden lang in bed liggen zonder te slapen, en bovendien overdag goed fit zijn. Bij kinderen komt daar nog bij dat men ook van ernstige problemen moet spreken als de ouders uitgeput raken en het gezinsleven min of meer ontwricht dreigt te worden. Wat men dan bij onderzoek voor oorzaken van deze noodsituatie kan vinden, is in feite te gevarieerd om uitputtend op te sommen.

In het algemeen kan men zeggen dat het vaak gaat om kinderen met een enigszins extreme constitutie of een ontwikkelingshandicap, die daardoor belemmerd worden ‘autonoom’ te worden, of wel zich een zekere zelfredzaamheid eigen te maken zoals dat normaal is op hun leeftijd. Of het gaat om een opvoedingsklimaat dat onvoldoende voorwaarden biedt om het kind te leren slapen, zoals te weinig structuur of te weinig leermomenten om zijn eigen problemen op te lossen, of te veel spanningen en gejaagdheid.

Het kan de thuissituatie zijn, maar evengoed de school en soms is het derde milieu de storende factor, dat wil zeggen de kinderen in hun omgeving. Misschien wordt het wel doorlopend geplaagd door een ander kind of heeft het een dominerend vriendje. Ook ontdekt men soms een acuut psychotrauma, ontstaan door een bedreiging of een angstige situatie waarin het kind verzeild is geraakt. Vaak zonder daar thuis over te reppen. Belangrijk lijkt me de ervaring dat onschuldige slaapproblemen bij een foutieve aanpak in hardnekkige slaapstoornissen kunnen overgaan. Als goede gewoonten een heilzame werking in de opvoeding kunnen hebben, is het te begrijpen dat foute gewoonten eveneens een groot effect kunnen hebben.

En dat is dan ook de weg waarlangs onaangename voorvalletjes uitgroeien tot ware rampen. Is men in zo’n extreme situatie beland, dan zal men met deskundige hulp en veel inzet van de ouders tot een gewoontevorming moeten komen die het probleem weer tot hanteerbare proporties terugbrengt om een eventueel medische of orthopedagogische therapie een kans van slagen te bieden.

Informatieverwerking

Slapen is gezond, zegt men. Maar wat is slapen eigenlijk, wat gebeurt er precies? De gegevens uit wetenschappelijke onderzoeken geven ons iets meer inzicht. Met een Electro-encefalogramonderzoek (eeg) kan men de elektromagnetische spanningsvelden bestuderen die ontstaan tijdens de fysiologische activiteiten van de hersenen. Die ‘velden’ veranderen, naar gelang de situatie en de leeftijdsfase van een mens. Dus ook bij waken en slapen verschillen ze. Een normale achturige nachtslaap blijkt in golven te verlopen van één à twee uur met een wisselende slaapdiepte. Als ik de slaap in een beeld vat: Het is een schip dat met de ziel als lading in de nachtwereld vaart en enkele malen per nacht in een ritmische golfbeweging de kust van het dagleven weer aanloopt, zonder echt de haven binnen te komen. Bij een lichtere slaapdiepte versnelt de ademhaling en de hartslag en treden er bewegingen op van het gelaat en de ledematen. Ook blijkt dat de slaper met zijn gesloten oogleden snelle oogbewegingen te maken. Men noemt dit de ‘REM-fase’ van de slaap (Rapid Eye Movement). Het interessante is nu dat het eeg op zo’n moment een activiteit registreert die deels bij het waakbewustzijn hoort. Als men de slaper in zo’n fase wakker maakt, herinnert hij zich zijn dromen het beste.

Naar aanleiding van de observaties bij de EEG-onderzoeken vermoedt men dat de diepe slaap het lichamelijke herstel en regulatie dient, terwijl de REM-fase de functie heeft van ‘informatieverwerking’. Deze constatering, namelijk dat de slaap een tweeledige functie heeft, komt overeen met de gegevens uit geesteswetenschappelijk onderzoek.

Van Rudolf Steiner weten we dat die nachtwereld de geestelijke wereld is, waaruit de ziel bij de geboorte van de mens op aarde is neergedaald. Dat die ziel daar ieder etmaal weer in terugkeert en in die nachtwereld de ervaringen – opgedaan in de dagwereld – verwerkt, is daarom zo belangrijk omdat de mens daardoor nieuwe kracht opdoet om weer in het aardse bewustzijn te ontwaken. Ons lichaam herstelt ondertussen in de nacht van de afbrekende invloed die ons bewustijn overdag op de levensprocessen heeft uitgeoefend. De slaap heeft dus kennelijk twee functies: één voor de ziel en één voor het lichaam!

Rondspoken

Er bestaat een duidelijke samenhang tussen ‘goed slapen’ en ‘je prettig voelen’. Zo kun je – zeker tegenwoordig – omgekeerd een verband constateren tussen het optreden van nervositeit en slaapproblemen.

Er is een interessant onderzoek van een huisarts uit Geldrop waaruit (eigenlijk tegen verwachting) bleek dat vijftig jaar geleden* de mensen niet beter sliepen dan nu. Ze gingen er echter anders mee om, ze bleven er rustig onder. Over zichzelf schrijft de huisarts: ‘Als kind lag ik veel wakker in bed en maakte van de wolken landen, dieren, gekke koppen. Zo beleefde ik door het dakraam kijkend de gekste avonturen en construeerde ik mijn wereld en mijn fantasie, mogelijk het belangrijkste dat wij als mensen hebben’. Uit deze zinnen komt een duidelijke beeld te voorschijn van een kind dat nog in staat was om zichzelf, vrij van de opgedane dagindrukken, dromend in de eigen ziel te beleven.

Alles is door de jaren heen in een versnelling geraakt. Ook de zintuigen worden vaker en heftiger aangesproken, waardoor het kind teveel indrukken opdoet om ze voldoende te kunnen verwerken. Wat staat er niet allemaal op het programma op een ‘kinderdag’: de school met de verkeersdrukte onderweg, sport en spel en buitenschoolse lessen en clubjes, baantjes om het zakgeld aan te vullen, televisie, feestjes. Het is of het zijn voedsel haastig door moet slikken zonder te kauwen en te proeven. Dat gaat bij sommige kinderen wel wat zwaar op de maag liggen. Zij krijgen zo de kans niet meer om de indrukken te verteren, ze ‘klaar’ te maken voor de slaap.

Een goede pedagogie en didactiek moet erop gericht zijn om het kind op de juiste manier te leren slapen.[1] De betekenis daarvan kunnen wij gaan inzien wanneer we de blik niet eenzijdig op het lichaam blijven richten maar gaan beseffen wat de ziel aan een gezonde slaap doormaakt. Indrukken die een kind verwerkt heeft, zich ‘eigen’ heeft gemaakt, worden door het verblijven van de ziel in de geestelijke wereld tijdens de slaap, omgevormd tot vermogens, tot zielekrachten. Dat kan niet gebeuren met half-verteerde indrukken, die blijven hoogstens in dromen rondspoken (hetgeen overigens eveneens een poging is om hen te verwerken). Om te bevorderen dat niet alleen het lichaam maar ook de ziel door de slaap nieuwe krachten opdoet, is het dus van belang het kind indrukken aan te bieden, die bij hem passen. Die het niet alleen met zijn verstand maar ook met zijn gemoed kan beleven, waar het met zijn eigen fantasie en creativiteit iets eigens aan kan toevoegen. In onze haastige, intellectuele en technische cultuur is dit niet meer een vanzelfsprekende zaak en vandaar dat we als opvoeders zulke indrukken bewust moeten aanreiken. Natuurlijk, zullen we dan eerst voor onszelf moeten gaan ontdekken waar deze te vinden zijn.

Dick Hütter, Jonas 6, *10-11-1989.
.

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

.

meer over ‘slaap’

opvoedingsvragen: alle artikelen

leerproblemen: alle artikelen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1489

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-2)

.

Koesteren door liedjes zingen

Er is waarschijnlijk maar weinig wat je baby zo’n gevoel van vertrouwen en ontspanning kan geven als de klank van je stem wanneer je voor hem zingt. Er bestaan goede boeken met versjes voor ieder moment van de dag. Maar een even grote bijdrage levert het plezier dat je kunt beleven aan de eindeloze herhaling van de heel eenvoudige liedjes die je zelf voor je baby maakt. Het zijn vaak juist die liedjes die het slaapritueel tot het meest intieme en rustgevende moment van de dag maken voor jou en je kind.

Een pas geboren kind is totaal afhankelijk van wat wij hem aanbieden. Alles wat er op hem afkomt aan licht, kleuren, geuren en vooral sfeer, zuigt hij met zijn hele lijfje op. Naast voeding en hygiëne is warmte, zowel fysieke als menselijke warmte, onmisbaar voor de gezondheid van een baby. Een prachtige manier om je baby te laten merken hoe welkom hij is, is voor hem te zingen. Zachtjes zingen of neuriën is koestering van de bovenste plank. Het geeft niets of je vals zing of dat je denkt niet muzikaal te zijn. Je kunt, terwijl je bij hem in de buurt bent, rustig je eigen lievelingsliedjes zingen of gewoon datgene wat er in je opkomt als je in een goed humeur bent.

Lang geleden kenden de mensen minder tonen dan nu. De muziek van toen klonk in de pentatonische stemming, dat wil zeggen met een toonladdertje van vijf noten. Wanneer je er, zoals in de antroposofische pedagogie, van uit gaat dat een kind in zijn ontwikkeling globaal dezelfde stappen doormaakt als de mensheid in zijn geheel, dan kun je in de eerste jaren extra aandacht besteden aan het zingen van liedjes met de vijf tonen d, e, g, a en b. Liedjes in deze kwintenstemming staan in het boekje De Gouden Poort van Beatrijs Gradenwitz en Petra Rosenberg. Eind mei 1998 komt er een dubbel-cd uit met dezelfde liedjes. Ze worden gezongen door een mannen- en vrouwenstem en begeleid door lier (een soort kleine harp), fluit of piano. De cd’s zijn bedoeld om ouders en leerkrachten meer bekend te maken met deze eenvoudige pentatonische liedjes.

Het kan voor allebei heerlijk zijn om je kind in je armen te wiegen terwijl je een melodietje zingt of neuriet met maar heel weinig noten erin. Je verzint er dan zelf woorden op rijm bij, bijvoorbeeld met de naam van je kind erin, en herhaalt
die telkens weer opnieuw. Herhaling blijkt vaak heel heilzaam voor een kind te zijn, zolang het zingen je zelf tenminste niet verveelt. Want zing je met lange tanden (voor zover dat althans kan), dan bereik je het tegendeel van wat je wilt.

Het kan soms verleidelijk zijn om een cd met ‘babymuziek’ op te zetten. Uit onderzoek is echter gebleken dat een klein kind daaruit slechts onherkenbare klanken oppikt die eigenlijk alleen maar zijn rust verstoren. Een kind moet kennelijk eerst levende muziek en echte instrumenten hebben gehoord. Pas daarna kan het uit het voor hem chaotische lawaai uit een luidspreker muziek herkennen en ervan leren genieten. De meeste achtergrondmuziek kost het jonge kind dan ook onnodige energie.

Kinderen van een maand of drie kun je al zien stralen als ze een gezongen melodie herkennen. Om eindeloos te herhalen kun je terecht bij de tachtig slaapliedjes uit verschillende landen die zijn samengebracht in het recent verschenen boekje Als je gaat slapen zal ik zingen van Mathilde Polee en Petra Rosenberg. Op elke bladzijde staat een wiege- of slaapliedje (ook in heel eenvoudig te volgen notenschrift) en een verrukkelijke illustratie van Veronica Nahmias.

Bij de liedjes die niet van Nederlandse oorsprong zijn, is onder de vertaling de oorspronkelijke tekst afgedrukt. Zo is er uit Indonesië het bekende ‘Nina Bobo’, uit Suriname ‘Doi Doi’ en uit Marokko ‘Slaap mijn juweeltje’, waarbij een vader in de pap roert terwijl hij zijn kindje op de arm wiegt. Deze liedjes inspireren tot deuntjes tijdens het verschonen en tot een heel eigen traditie voor het slapen gaan. Als dat ritueel iedere dag terugkeert kan het naar bed brengen van je kind zo ook voor jou een rustpunt worden.

Al kost het in het begin misschien wat moeite, het loont om er alle tijd en aandacht voor te nemen. Jij kiest de melodieën en de woorden die je het meest aanspreken. Op het laatst kun je bijvoorbeeld neuriënd de kinderkamer uitgaan of juist afsluiten met een mooie spreuk.
In het boek Spreuken, gedichten en liedjes voor kinderen staan spreuken die je voor baby’s (zelfs al voor de geboorte) en jonge kinderen kunt zeggen en die direct aansluiten bij de natuurlijke religiositeit van het kind.

Probeer overdag ook eens tussen de bedrijven door met je baby op de arm door de kamer te lopen. Bij iets moois kun je blijven staan en gewoonweg vertellen hoe prachtig je de vormen en kleuren vindt. Je eerste verhaaltje!

Natuurlijk begrijpt een baby de woorden niet letterlijk, maar de intentie waarmee ze worden uitgesproken, bijvoorbeeld bewondering, neemt hij heel goed waar. Bovendien zijn dit soort kleine verhaaltjes van onschatbare waarde voor de taalontwikkeling van je kind.
.

Amalia Baracs, Weleda Puur kind nr 1, lente 1998

.

Polee/Rosenberg: Als je gaat slapen zal ik zingen

Gradenwitz/Rosenberg: De gouden poort

Spreuken, gedichtjes en liedjes voor kinderen

Verder nog

.

ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1433

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (2)

.

Het ontwikkelingsgestoorde kind

De verlammende werking van sentimenteel medelijden

Ontwikkelingsstoornissen kunnen in aard en ernst zeer grote verschillen tonen. In twee voorgaande artikelen schreef de kinderpsychiater Dick Hütter over de ervaringen die je kunt opdoen in de ontmoeting met kinderen waarbij lichte stoornissen zijn opgetreden: de zogenaamde MBD- en heilpedagogische kinderen.
Dit artikel gaat ook over kinderen met ernstigere ontwikkelingsstoornissen, over de verwarring die zij vaak bij ons teweeg brengen maar ook over de spiegel die ze ons voorhouden.
Ik begrijp dat mensen die niet het geluk hebben met deze kinderen samen te zijn hen beklagen en hun lot een gesel des levens vinden’.

 

Er bestaan veel ontwikkelingsstoornissen die alle zowel in aard als ernst grote verschillen tonen. In grote trekken kan men  onderscheiden: stoornissen in de verstandelijke ontwikkeling die kunnen leiden tot diverse graden van zwakzinnigheid; stoornissen in de emotionele ontwikkeling en rijping en vele vormen van contactstoornissen, terwijl meestal mengvormen optreden.

Of een kind vanuit thuis (ambulant) of beter vanuit een op het kind afgestemd leefmilieu (residentieel) geholpen kan worden, hangt van vele factoren af en is steeds een afwegen van de individuele situatie.

Voor de residentiële hulpverlening zijn in de loop der tijden een grote verscheidenheid van voorzieningen gesticht zoals zwakzinnigeninrichtingen, debieleninternaten, orthopedagogische instituten, kinderpsychiatrische klinieken en dus ook antroposofisch-heilpedagogische instituten. Deze bonte verscheidenheid hangt samen met de geschiedenis van de zorg voor het ontwikkelingsgestoorde kind. Deze begint namelijk aan het einde van de achttiende eeuw in de belangstelling van de menswetenschappen te geraken. Dan verschijnen de eerste publikaties van pedagogen, artsen en psychologen.

Deze tijd is historisch bezien zeer interessant. Het is de tijd van de Franse Revolutie, van de onafhankelijkheidsstrijd van de Verenigde Staten van Amerika en van een algemeen verzet tegen de absolute monarchie in Europa. Men kan gerust aannemen, dat dit alles uiting is van een belangrijke verandering in het bewustzijn der volkeren. Met een intense toewijding en interesse houden van die tijd af een groeiend aantal mensen zich bezig met het raadsel, dat deze kinderen ons opgeven. Deze ontwikkeling, die zich vanuit Europa geleidelijk aan over de gehele wereld uitbreidde, is zowel voor het ontwikkelingsgestoorde kind als voor de algehele cultuur van een niet te onderschatten betekenis. Het kind krijgt – voordien ongekende – mogelijkheden om ondanks zijn beperkingen een eigen ontwikkelingsweg te gaan en hierdoor een menswaardig bestaan te leiden; de betrokkenen rond het kind krijgen een unieke kans om door hun zorg voor het kind en hun intensieve samenzijn met het kind aan de oplossing van een raadsel te gaan werken, dat ver uitreikt boven de betekenis van een goede hulp aan het kind. Ik bedoel, dat het ontwikkelingsgestoorde kind een sterk appél doet aan de mensen om hem heen om ook op hun eigen ontwikkeling terug te kijken, om een extra stuk zelfkennis te bedrijven, ja, om zich uiteindelijk bewust te worden van het raadsel mens.

Iedere vermeerdering van kennis en inzicht begint met een gevoel van verbazing en verwondering over hetgeen men gewaar wordt. Over hetgeen men normaal en vanzelfsprekend vindt, denkt men niet na. Dat betekent, dat men zijn kennis over het vanzelfsprekende nimmer uitbreidt. Helaas vindt men zijn eigen zijn en de wereld waarin men zich bevindt zo vanzelfsprekend, dat men hierdoor een grote hindernis bouwt om zijn zelfkennis te ontwikkelen en ook tot een dieper inzicht van de wereld te komen. De hulp, die het ontwikkelingsgestoorde kind kan bieden, veronachtzaamt men.

Verwarring
Een ontmoeting met zo’n kind is namelijk nooit vanzelfsprekend. Vooral in het begin brengt het steeds een gevoel van verwarring teweeg. Men voelt zich onzeker, niet op zijn gemak. De ontmoeting verloopt zo geheel anders dan wat men gewoon was. Het kind antwoordt onbegrijpelijk of in het geheel niet. Het vlucht angstig uit het contact of trekt er zich hooghartig uit terug. Ofwel het probeert je uit, voert je zonder omhaal tot aan je grenzen of het liefst er overheen. Ofwel het slingert zich als een liaan om je heen, zodat jij het bent, die zich met schrik uit de ontmoeting moet bevrijden.
Na zo’n eerste ontmoeting kunnen er verschillende dingen gebeuren. Door de verwarring in jezelf en de min of meer onprettige gevoelens, die dit oproept, kan je deze kinderen voortaan op een afstand houden. Als maatschappelijke neerslag van deze reactie, ziet men dat internaten op een veilige afstand van steden en dorpen gebouwd worden, met als motief, dat de natuur zo goed is voor deze kinderen (wat ook zo is), maar vaak ook met het verborgen motief, dat zo de ontmoetingen met deze kinderen in de maatschappij beperkt en geregeld kunnen worden. Ofwel er gebeurt iets anders na zo’n verwarrende confrontatie met een ontwikkelingsgestoord kind. Zijn onverwacht gedrag vergelijkt men met het vertrouwde gedrag van zihzelf en andere kinderen en medemensen en men trekt daar de op zichzelf juiste conclusie uit: dit kind heeft een afwijking.
Deze conclusie kan men snel bevestigd krijgen. Het kind kan meestal veel minder dan zijn leeftijdsgenootjes. Het kan niet meekom. Het kan niet gewoon meedoen in onze sociale inrichtingen als gezin, school, op visite gaan, uitstapjes maken en vakantie houden. Doordat je het kind tevens dit alles zo graag zou gunnen, ontstaat er een gevoel van machteloosheid in jezelf. En ook een gevoel van medelijden. De combinatie van die twee gevoeIens maakt dat het medelijden in eerste aanleg passief is. Ik bedoel met passieve gevoelens die gevoelens, die niet tot wilsimpulsen leiden, doch in het gevoelsgebied zelf blijven ronddraaien.
Gevoelens die niet tot wilsimpulsen leiden worden na zekere tijd sentimenteel. Wordt medelijden sentimenteel, dan wordt het kind tot beklagenswaardig slachtoffer. Om te weten te komen wat het effect is van medelijden dat in dit stadium blijft steken, zou je bij jezelf te rade kunnen gaan. Stel, je bent
bent behept met een euvel of er is je iets overkomen dat je leed berokkent. Je vindt in je omgeving mensen, die je beklagen. Ontegenzeggelijk geeft dit een tijdlang troost en verzachting van je leed Maar als de mensen je steeds als een beklagenswaardig persoon blijven behandelen, ga je je steeds hulpelozer voelen en onmachtig om ooit nog iets met je situatie te doen. Het sentimentele medelijden gaat knagen aan je zelfgevoel, aan je gevoel van eigenwaarde en verlamt ten slotte de mogelijkhedcn om jezelf die niet door het onheil
getroffen zijn.
Deze negatieve en onbedoelde werking van het sentimentele medelijden wordt veroorzaakt omdat het niet doortrokken wordt door een doordenken van het probleem, waarop het zich richt. Zodoende gaat het een te onbewust leven leiden. Onze tijd eist van ons. dat we bewuster met onszelf omgaan dan in vroeger tijden. Doen we dit niet, dan gaan gevoelens, die zich aan ons bewustzijn onttrekken een eigen leven leiden en ze slaan een weg in naar de ontpersoonlijking waarbij ze geleidelijk aan ontaarden en ontmenselijken.
Zo kan men wellicht inzien, dat medelijden waar men geen raad mee weet en dat men niet als een uitdaging neemt om zich bewuster met het betreffende leed uiteen te zetten, in zijn werking voert tot een voorstelling van het menszijn in graden van volwaardigheid en afvoert van de voorsteling van de universele gelijkwaardigheid van alle mensen op aarde.
De maatschappelijke neerslag van deze deels onbewuste voorstellingen zie ik in de sterke neiging om ons aller gedrag te normaliseren. Zo is in het op zich juiste streven naar een billijker inkomstenverdeling Jan Modaal op het toneel verschenen als homo economicus. Daar is op zichzelf niets tegen, als hij maar niet de in maatschappelijk-politieke voorstelling bij alle plannen en strevingen een rol gaat spelen alsof hij het belangrijkste deel van de mens is. Helaas ben ik daar in het geheel niet gerust over. Jan Modaal treedt op als behoefte-mens, als prestatie-mens, als zieke mens en als mens die voor zichzelf ontwikkelingsmogelijkheden zoekt.

Als onze ontwikkelingsgestoorde kinderen volwassen worden, zijn ze meestal veel moeilijker dan wijzelf in dit Jan Modaal-maatschappelijk patroon in te passen. Lukt dit niet dan treft de maatschappij wel voorzieningen voor hen, maar rekent tegelijk de extra kosten hiervoor. We blijven hardnekkig veronderstellen dat een zoveel mogelijk Jan Modaal-leven voor deze mensen het allerbeste is en de meeste kansen op levensgeluk biedt en maatschappelijk tevens het goedkoopste is. Het ontgaat ons waarschijnlijk dat deze vooronderstelling gebaseerd is op een onbewust superioriteitsgevoel en een daarvan afgeleid geloof, dat ons huidige maatschappijbestel de beste voorwaarden voor een menswaardig leven biedt.

Grenservaringen
Een derde mogelijkheid na de boven beschreven verwarrende ontmoeting is dat men zich de eigen onmacht in het medelijden bewust maakt en hieruit de wilsimpuls laat ontstaan om naar eigen vermogens en omstandigheden meer van deze kinderen te weten te komen en te gaan begrijpen. Dan wordt het medelijden actief. Letterlijk gaat men lief en leed met deze kinderen delen en gaandeweg wordt het eigen hulpvermogen hierdoor groter.
Uit mijn werk in de heilpedagogische instituten kan ik u vertellen welke ervaringen de medewerkers opdoen. Maar uit gesprekken met mensen uit de andere bovengenoemde instellingen weet ik, dat ook deze dezelfde ervaringen hebben. Zelfs bij de zwaarst gestoorde kinderen treden er momenten op, nadat men met geduld en volharding gezocht heeft naar de juiste wegen en handgrepen, waarop men de beleving heeft van een ontmoeting met een medemens, die men in zijn innerlijk wezen herkent als geheel identiek en gelijk aan zichzelf.
Zoals men in iedere ontmoeting van betekenis zowel de ander leert kennen alsook in de ander tegelijk zichzelf als in een spiegel ontmoet, zo is het ook in die ontmoetingsmomenten met de kinderen. De momenten dat een diepgestoord kind in het contact plots antwoord geeft, al dan niet in woorden of in andere uitingen en men dwars door alle uiterlijkheden heen zijns gelijke ontmoet, kan men beslist tot de grenservaringen rekenen. Er zoals alle grenservaringen tillen deze je evenbnoren je alledaagse bewustzijn uit en laten je een evidentie beleven van een wezenlijker en universeler zijn dan de persoonsgebonden werkelijkheid, waarin je gewoonlijk leeft.
Maar ook los van deze momenten kan het samen leven en werken met deze kinderen tot vele onverwachte ervaringen leiden. Hoe meer je in de gemeenschapsvorming en in je omgang met hen aan hun noden en behoeften tegemoet komt, hoe meer je hen begrijpt en hun problematiek doorziet, hoe meer hun onbeschadigd zijn als mensen-kind op de voorgrond treedt en hun sociale gedrag gaat bepalen. Dan kunnen vermogens tevoorschijn komen, die men hen terecht benijden kan, zoals overgave, zuiverheid van aanvoelen en vaak ook een diepe religiositeit. Hoe kunnen ze genieten van de jaarfeesten en andere festijnen.

Ik begrijp dat mensen die niet het geluk hebben met deze kinderen samen te zijn, hen beklagen en hun lot een gesel des levens vinden. Ik begrijp dat medici intensief naar de vele oorzaken van ontwikkelingsstoornissen zoeken en voor de erfelijke oorzaken onderzoekingsmethoden ontwikkelen om tijdens de zwangerschap reeds afwijkingen vast te stellen. Ik begrijp ook dat ze daarmee aanstaande ouders in de gelegenheid willen stellen een keuze te doen om een ontwikkelingsgestoord kind al dan niet geboren te laten worden.

Maar ik maak me ongerust dat zoveel mensen zich over het probleem van de ontwikkelingsgestoorde kinderen uitspreken, van wie ik merk, dat ze hen niet kennen. En ik word nog ongeruster als ik stemmen verneem, die beweren, dat iedere zwangere vrouw mét een verhoogd risico een ontwikkelingsgestoord kind ter wereld te brengen, maatschappelijk verplicht zou zijn om zich te laten onderzoeken en bij positieve uitslag de zwangerschap te laten afbreken, omdat ze anders de gemeenschap ontoelaatbaar met de financiële gevolgen van een levenslange verzorging van het kind opscheept. Dan wordt Jan Modaal van homo economicus tot homo ethicus bevorderd.

Goede bedoelingen worden zo wel tot heel kwalijke praktijken. Ik vrees dat men dan wel zeer vele ouders in een onduldzame gewetensnood brengt. Ik vind trouwens toch dat de ouders van ontwikkelingsgestoorde kinderen onvoldoende herkend en begrepen worden in hun bijzonder zware en verantwoordelijke rol, die ze in het leven van hun kind moeten vervullen. Deze ouders lijden vaak nog meer dan hun kinderen door het geringschattende medelijden in de maatschappij, vaak nog gepaard gaand met een verholen oordeel over wat ze van hun ouderrol terecht brengen. En dit dan gespeend van ieder inzicht in de moeilijkheden van de ouderrol van een ontwikkelingsgestoord kind.

Als men dan bedenkt hoe deze kinderen door hun feilloos reageren op hun omgeving ons kunnen helpen om ons te bezinnen op de wezenlijke aspecten van ons menszijn; hoe ze ons wakker kunnen schudden voor vele absurde maatschappelijke vanzelfsprekendheden, waar we aan gewend zijn geraakt; hoe ze ons aan hen af laten lezen hoe we hun leef- en, leer- en werkgemeenschap in moeten richten en hoe deze dan elementen bevat, die onze maatschappij zeer wel zou kunnen gebruiken om humaner en gezonder te worden: als men dit alles bedenkt, zou men misschien tot de conclusie kunnen komen, dat we hen node kunnen missen en dat ze van grote betekenis zijn voor de culturele ontwikkeling van ons allen.

.

Dick Hütter, nadere gegevens onbekend

.

leerproblemenalle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1255

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (1)

.
Er zijn altijd wel kinderen geweest die in hun ontwikkeling problemen ondervonden. Moeilijkheden die we bij een normaal verlopende ontwikkeling niet zagen. Maar wat is een ‘normale’ ontwikkeling.

De problemen kregen ook speciale namen. In het onderstaande artikel dat al weer wat ouder is, is sprake van MBD-kinderen, een term die je nu al weer niet veel meer hoort.
Maar wat de problemen betreft: die zijn er ook vandaag nog.

Het MBD ~ kind 
Uitdaging tot warme strengheid

De kinderpsychiater Dick Hütter schreef een artikel over MBD-kinderen: ‘Soms zijn ze fantastisch, dan weer tijden hopeloos’, Het MBD-kind: een bron van onrust. Het wiebelt op zijn stoel, valt er af en gooit opvallend veel ondersteboven. Het MBD-kind: slechte concentratie, gebrek aan aanpassingsvermogen.

Het MBD-kind is een typisch modern kind, tot in de naamgeving van zijn ontwikkelingsproblematiek toe: een afkorting van een Engelstalige omschrijving van de vermoedelijke organische oorzaak van de stoornis. Minimal Brain Dysfunction – ofwel kleinere ontregelde hersenwerking. In strikte zin kan men eerst van de medische diagnose MBD spreken als men met het Electro-Encephalo-Gram (EEG) de diagnose kan bevestigen en als men van andere oorzaken, zoals een achterblijven van de verstandelijke ontwikkeling, zintuigdefecten of evidente neurologische afwijkingen kan uitsluiten. Ook in het psychologisch onderzoek kunnen karakteristieke onvermogens bij deze kinderen aan het licht komen. Maar het MBD-kind is tevens een kind van deze tijd in die zin, dat dit syndroom volgens de meeste onderzoekers in de laatste tien jaar duidelijk is toegenomen.
Ik kan in het bestek van dit artikel niet uitputtend op de behandeling ingaan en wil me beperken tot een beschrijving en enige grondgedachten over waarom het MBD-kind wellicht nog meer zo’n ‘modern’ kind is. We kunnen de problemen, die een MBD-kind heeft en geeft op een aantal gebieden tegenkomen.

Ten eerste komen we problemen tegen op het gebied van de bewegingen, van de motoriek. Het kind is vaak overbeweeglijk en zijn bewegingen zijn ‘slordig’. In de fijnere motoriek is het onhandig en vaak ook achter bij zijn kalenderleeftijd. In de grovere motoriek, bij lopen, rennen, klimmen, heeft het er meestal niet zoveel last van en bovendien is het kind buiten in de natuur vaak in zijn element. Binnenshuis is het kind door zijn bewegingsdrang veelal een bron van onrust en van vele ongelukjes. Het gooit van alles om, het wiebelt op zijn stoel of valt eraf en toe af en het loopt opvallend veel ondersteboven, waaruit blijkt dat het zijn grove motoriek toch ook onvoldoende beheerst.

Het tweede gebied waarop MBD zich uit, is dat van de concentratie. Het richten van de aandacht gedurende enige tijd blijkt van deze kinderen een veel grotere krachtsinspanning te vergen dan van hun leeftijdsgenoten. Bij nauwkeuriger observatie blijken deze kinderen gelijktijdige zintuigindrukken niet te kunnen selecteren; ze nemen van alles door elkaar waar, zonder bepaalde indrukken voldoende helder te krijgen om er de juiste begrippen mee te verbinden.
Ik heb eens een bespreking op de band opgenomen om geen aantekeningen te hoeven maken. Bij het afdraaien van de band bleek mijn microfoon zowel de sprekers als het gerinkel van de roerende lepeltjes in de koffiekopjes, het verkeersgedruis op straat, als pratende mensen in de gang te hebben opgenomen. Ik kreeg een indruk van ongeselecteerde opvang van geluiden en meer begrip voor het MBD-kind, dat behalve via zijn oren nog door veel andere zintuigen prikkels opvangt, zonder voldoende in staat te zijn met zijn hersenorgaan de noodzakelijke afstemming op de wezenlijke indrukkeh tot stand te brengen.

Het derde gebied waarop MBD zich uiten kan is het emotionele evenwicht. De kinderen worden vaak beschreven als kwetsbaar, prikkelbaar, snel gefrustreerd. Nu zou dit best een gevolg van de eerder genoemde handicap kunnen zijn. Om het na te voelen moet u zich maar eens voorstellen dat, terwijl u bezig bent een draad in een naald te steken, er ettelijke mensen tegelijk tegen u spreken, er een geur zich aan u opdringt alsof er iets staat aan te branden en u plots een vreselijke jeuk aan uw neus krijgt. De kans is groot dat uw emotionele stabiliteit op zo’n moment ook niet optimaal is en u de draad niet in de naald krijgt.

Een vierde aspekt van de MBD-problematiek is de gebrekkige duiding van vele zintuigindrukken. Het kind ziet en hoort wel goed, maar neemt toch niet goed waar en herkent zodoende vormen en klanken minder goed. Geen wonder dat lezen, schrijven en rekenen vaardigheden betekenen, die met heel veel moeite aangeleerd moeten worden. Allerlei functies blijken in ontwikkeling achter te lopen zoals de ooghandcoördinatie, de ruimtelijke oriëntatie, de voorgrond- achtergrond-onderscheiding, het afstandsgevoel en het daarvan afgeleide getalbegrip. Ook hebben ze geen exacte voorstelling van de ruimtelijke samenhang en bouw van het eigen lichaam, (het lichaamsschema).

Ten vijfde speelt MBD het kind parten in de aanpassingsvaardigheid aan de omgeving en aan de situatie. De MBD-kinderen blijken ondanks hun grote uiterlijke beweeglijkheid innerlijk niet soepel om te schakelen bij veranderingen in de omgeving. Verder hebben ze grote moeite zich aan de spelregels van hun leefgemeenschap te houden. Het is of ze die steeds vergeten. Ze zijn wat je noemt hardleers. Je kan hun eindeloos vertellen hoe je het hebben wil.
Nu is de kinderleeftijd eigenlijk een aaneenschakeling van aanpassingen aan de verwachtingen van de omgeving, die sterk met het stijgen van de leeftijd mee om hoog gaan. Als men dit vergelijkt met het gelijk blijven van de verwachtingen en eisen van de maatschappij als men eenmaal volwassen is, dan kan men ook begrijpen dat MBD op volwassen leeftijd aanzienlijk minder problemen geeft dan tijdens de kinderjaren.
Nu komt daarbij dat een kind uiteraard sterk afhankelijk is van zijn biologische ontwikkeling, die geleidelijk ophoudt, te beginnen met de intellectuele biologische ontwikkeling die ongeveer met zestien jaar stopt, terwijl de eerder genoemde functies (waar een MBD-kind problemen mee heeft) zich nog iets langer ontwikkelen tot dat de kinderen in de twintig zijn. Beginnend met de puberteit ziet men daarenboven dat het IK meer kracht krijgt over lichaam en ziel, waardoor de ontwikkeling een meer persoonlijke kwaliteit begint te krijgen. Hoewel de MBD-problematiek, die in de lichamelijkheid, in het biologisch-organische zetelt, dus blijft bestaan, krijgt de mens dan meer mogelijkheden om deze te compenseren en zich er onafhankelijker van te maken.
Natuurlijk treden er spanningen op in het leven van een MBD-kind, die een ander kind niet heeft. Het versaagt in vele situaties, waarbij noch het kind zelf noch de omgeving vaak begrijpt hoe dit mogelijk is. Men ziet dan ook, dat deze kinderen onzeker worden en een groot gebrek aan zelfvertrouwen krijgen, wat de problemen weer veel erger maakt dan met de ernst van de afwijking overeenkomt. Het kind gaat secundaire gedragsstoornissen tonen die samenhangen met zijn overige geaardheid en die kunnen variëren van dwarsliggen tot zich terugtrekken, van zich eeuwig verongelijkt voelen, tot bravouregedrag. Men moet zich goed realiseren dat het kind vaak niet alleen thuis in conflict komt met de huisregels doch op school meestal niet mee kan komen ondanks zijn pienterheid en in het vrije spel ook de grootste moeite heeft om de spelregels van zijn speelgenoten op te volgen. Vooral als deze tijdens het spel gewijzigd worden, wat bij jonge kinderen nogal eens gebeurt. Het MBD-kind mist de informatie, interpreteert deze niet goed en schakelt niet om met als resultaat dat het voor stommeling of valse speler wordt uitgescholden.
Als men het MBD-syndroom zo overziet met:
– de bewegingsdrang en gebrekkige motorische beheersing
– de problematiek om de aandacht te richten en de zintuigindrukken te selecteren op belangrijkheid
– de geringe mogelijkheid om teleurstellingen en tegenslagen emotioneel te verwerken
– de onnauwkeurigheid van de waarneming
– het geringe aanpassingsvermogen aan de omgeving
dan dringt zich een vergelijking op met de bewegingsonrust, waarbij de mensen die er aan deelnemen met een minimum aan eigen beweging, zich van hot naar her lijken te verplaatsen. De lawine van geluids- en gezichtsprikkels, die de media over de wereld uitstoten, vooral in de vorm van aehtergrondmuziek en een non-stop-tv-uitzending, hebben een merkwaardige ongeselecteerde
informatie-karakteristiek. De welvaartstaatideologie knaagt aan een ieders frustratietolerantie. En in het algemeen is iedere regelmaat in het dagelijks leven sterk afgenomen. Vaste patronen en een ritme in de bezigheden die aan de menselijke maat zijn aangepast, zijn ver te zoeken. Het leven is meer een hollen en stilstaan geworden en van het menselijk aanpassingsvermogen wordt dan ook vaak ‘bovenmenselijk’ veel gevraagd.

De kinderen moeten volop aan dit leven deelnemen. In treinen, auto’s en schoolbusjes leggen veel kinderen de schoolweg af, thuis hebben de gezinsleden vaak ieder een zo verschillend dagprogramma dat het zelfs een heksentoer wordt om de maaltijden rustig met elkaar en op vaste tijden te nuttigen.

In wezen mist ons moderne leven een achtergrond, een stramien, waarop alle dingen hun vaste plaats hebben en daarmee hun herkenbaarheid krijgen. En dat is nu juist de basis van iedere hulp aan het MBD-kind. Regelmaat, structuur in ruimte en tijd, grote duidelijkheid in wat van hem verlangd wordt, niet teveel afwijkingen en uitzonderingen van de regels, overzichtelijke en enkelvoudige leerprocessen, korte maar vaak herhaalde oefeningen, het voorkómen van tegenstrijdigheden is voor het MBD-kind van het grootste belang.

Het is niet eenvoudig om een MBD-kind op te voeden. Want men moet zo te zeggen tegen de stroom van het moderne leven inroeien, zoals uit bovenstaande opsomming blijkt. En dan, het zijn vaak zulke wisselvallige kinderen. Soms zijn ze fantastisch goed in gedrag en prestaties en dan weer tijden hopeloos.

Het is of men de vader van Dik Trom zijn klassieke woorden hoort spreken: Het is een bijzonder kind en dat is ’ie’. Maar Diks vader had het nog makkelijk, daar hij zijn bijzondere zoontje in een rustig buitenleven met een overzichtelijke structuur en arm aan ongewenste prikkels en invloeden in een duidelijk ritme op kon voeden.

Voor ons is het echter een uitdaging en een opgave om voor ons MBD-kind een milieu te scheppen waarin het gedijen kan, en daar zelf in op te treden als een duidelijke, houvastgevende autoriteit met behoud van alle warmte en tederheid die men voor het kind voelt. Een oefening in ‘warme strengheid’. Misschien kan men dan ervaren dat het MBD-kind door zijn handicap ons wakker kan schudden voor de abnormaliteiten, die we geleidelijk aan in onze cultuurwereld hebben toegelaten en die we ‘normaal’ zijn gaan vinden omdat we er aan gewend zijn geraakt. Door enigszins te proberen ons aan te passen aan de behoeften van het MBD-kind en niet alle aanpassing van hem te verwachten, zou hij ons wel eens aan kunnen sporen om een begin te maken met ons aller huidige maatschappelijk leven weer wat hygiënischer te gaan vormen. Wie weet, behoedt het MBD-kind ons er voor, als we zijn boodschap zo begrijpen, om straks met zijn allen een MBD-gedrag te krijgen zonder de specifieke oorzaken, die bij het kind aan dit gedrag ten grondslag liggen.

Dick Hütter, Jonas 14-05-1982

.

leerproblemen: alle artikelen

opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1254

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoeding: jongens

.

Kinderen goed waarnemen is een pijler van het vrijeschoolonderwijs. Een schat aan gezichtspunten staat de leerkracht ten dienste.
Toch is iedere nieuwe bijdrage het waard om bestudeerd te worden en getoetst in de praktijk. Herken je aspecten. Dat kan je blik op het wezen van een kind weer verruimen en verdiepen.

Jongens zullen altijd regels overtreden

zegt Angela Crott. Ze nam honderd jaar opvoedingsliteratuur door.

Jongens halen lagere cijfers dan meisjes, haken eerder af op school en hebben vaker adhd. Verontrustend? Welnee, vindt Angela Crott, die honderd jaar opvoedingsliteratuur doorploegde. “Jongens zijn nu eenmaal jongens. Maar het onderwijs zou wel beter op jongens kunnen inspelen.”

De titel van je boek is ‘Jongens zijn ‘t.
Van Pietje Bell tot probleemgeval’.

Dus zeg het maar: welke van de twee is het?

“Volgens mij in elk geval géén probleemgeval. Maar zo worden jongens in de loop der tijd wel steeds vaker gezien, blijkt uit de opvoedingsliteratuur die ik voor mijn proefschrift heb doorgenomen.”

Vroeger werden ze meer gezien als Pietje Bell?

“Zeker. In de jaren dertig wordt in opvoedingsboeken gesteld dat ‘volgzaamheid en bravigheid’ nu eenmaal geen eigenschappen van jongens zijn. Jongens willen grenzen overschrijden en streken uithalen.”

En daar had niemand problemen mee?

“Nou, rond 1930 werden de eerste Medisch Opvoedkundige Bureaus opgericht. Ouders met jongens die heel druk en ongehoorzaam zijn – dat noemden we toen ‘zenuwachtigheid’ – beginnen de weg naar die bureaus te vinden. Rond die tijd zie je in opvoedkundige literatuur ook het woord ‘moeilijkheden’ in de titel verschijnen als het over jongens gaat. Jongensgedrag begint dus een beetje als een probleem te worden gezien, maar veel stelt het nog niet voor.”

Grote omslag

En dat veranderde?

“De grote omslag kwam in de jaren zeventig, met de opkomst van de emancipatie. Er verschijnen rond die tijd ook geen boeken meer die specifiek over het opvoeden van jongens gaan. Er verschijnen alleen boeken waarin jongens- en meisjesgedrag met elkaar wordt vergeleken. En waarin veel wordt geschreven over één specifieke eigenschap van jongens: agressie.”

Ah, en die eigenschap is een probleem natuurlijk

“Ja, want dat moet worden afgeleerd. In die agressie zit immers hoogmoed en baldadigheid besloten. Baldadigheid is niet goed, en hoogmoed mag helemaal niet meer: een jongen moet vooral niet denken dat hij meer is dan een meisje.”

Tja, wij mannen gaan al meer dan tweeduizend jaar voor onze beurt

“De heersende mening was dat vrouwen worden onderdrukt, en dat moest maar eens afgelopen zijn. Dan kón ook, volgens de nurture-theorie die toen in zwang kwam – de theorie dat gedrag vooral een kwestie is van opvoeding. Jongens en meisjes zijn hetzelfde, op een miniem lichamelijk verschil na, dus kunnen ze ook leren zich hetzelfde te gedragen.”

Oké…

“Jongens moesten hun haantjesgedrag afleren en meisjes hun verlegenheid. Er werden ook emancipatiewerkers ingezet, die sekseneutraal gedrag moesten bevorderen. Ouders, grootouders en leraren moesten zich realiseren dat ze jongens specifiek jongensgedrag aanleren. Als dat zou veranderen, kwam alles goed en zou er een vredelievende maatschappij ontstaan.”

Jongens moesten met poppen gaan spelen. meisjes met auto’s

“Ik geloofde daar toen zelf ook in. Ik dacht: ik ga eens even mijn schouders onder de emancipatie zetten, en heb poppen gekocht voor mijn twee zoons. Maar die bleken auto’s toch interessanter te vinden. Toen begon ik in te zien dat er een grote nature-component in hun gedrag zit: Pietje Bell-gedrag is voor een groot deel aangeboren.”

Lawaai maken

Tot zover de idealistische jaren zeventig. En wat zegt de opvoedingsliteratuur van nu over jongens?

“Het debat over nature en nurture woedt nog steeds. En in het onderwijs wordt steeds vaker de vraag gesteld of juffen wel kunnen omgaan met typisch jongensgedrag. Van dat gedrag had ik trouwens zelf ook last toen ik ging lesgeven.”

Vertel!

“Tussen 1975 en 1980 heb ik voor de klas gestaan. En dat jongens zó druk zijn, van hun stoel vallen niet luisteren en lawaai maken, dat hadden ze me op de pedagogische academie niet verteld.”

Daarom ben je ook gestopt?

“Eerlijk gezegd was dat wel een van de redenen. Want er zaten een paar exemplaren bij…”

Je begreep die jongens niet?

“Inderdaad. Als je zelf geen jongen bent geweest, weet je niet hoe leuk het is om een ruitje in te gooien, om dingen te doen die niet mogen. Daar ben je als meisje veel te gehoorzaam voor.”

Wat kunnen juffen doen om beter met jongens om te gaan?

“Opvoedkundigen zijn heel goed in het geven van adviezen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat je jongens om het kwartier even moet laten bewegen. Maar hoe moet je dat doen? Je kunt ze moeilijk elk kwartier een rondje door de klas laten rennen.”

In je boek geef je een paar tips die wél uitvoerbaar zijn

“In de eerste plaats: structuur bieden. . Gewoon zeggen wat wel mag en wat niet mag. En niet teveel praten, want dat vinden jongens al snel gezeur. Verder moet je met jongens vooral dingen doen, dingen beleven. Jongens houden ook erg van stoeien en aanraken, dat is hún manier van communicatie. En humor is heel belangrijk. Als je jongens op een humoristische manier benadert, zijn ze best bereid om even gehoorzaam te zijn.”

Stoer

Je pleit ook voor korter onderwijs

“De leerplicht zou verlaagd moeten worden tot 15 jaar. In allerlei
opvoedingsboeken, tussen begin vorige eeuw en nu, komt steeds terug dat jongens rond 15 jaar de brui aan school geven. Maar omdat ze tot hun achttiende in het onderwijs moeten blijven zitten, ontstaan er problemen. Ze worden ongemotiveerd, stromen af of vallen uit.”

Eh, maar dan? Op je vijftiende aan het werk, zonder diploma?

“Ik pleit voor het herinvoeren van de ambachtsschool. Er zijn nu eenmaal jongens die graag willen aanpakken, die graag dingen willen doen. En die dan graag snel aan het werk willen, om wat te betekenen in het leven. Zo van: kijk mij, ik ben geweldig. En dat zijn ze toch ook? Maar goed, verlaging van de leerplicht is geen populaire boodschap. Er stelde laatst nog iemand voor om de leerplicht te verhogen tot 23 jaar. Als je nog meer boze jongens wilt hebben, moet je dat vooral doen.”

Over omstreden boodschappen gesproken: je pleit ook voor gescheiden onder wijs aan jongens en meisjes

“Zeker. Want jongens hebben niets tegen meisjes, maar ze willen er ook niet mee concurreren – omdat ze dat vaak verliezen. In gemengde klassen gaan jongens zelfs onderling concurreren om dan maar het laagste cijfer te halen. Een 1 is heel erg stoer: een ‘paal’. De stoerste jongen haalt ‘zoveel palen dat je er een snelweg mee kunt aanleggen’. Uit Amerikaans en Engel onderzoek blijkt dat jongens in gescheiden onderwijs veel beter gaan presteren.”

En gaan ze zich ook beter gedragen?

“Ha, nee, dat niet. Jóngens zullen altijd dt schoolregels blijven overtreden. Ze willen uitdagen, de boel opschudden en kijken wat er dan gebeurt. Jongens blijven nu eenmaal jongens. Maar laten we eens ophouden met dat als probleem te zien.”

Interview: Rob Voorwinden, in Onderwijsblad Aob, 11 mei 2013

.

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1231

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.