Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-3/2)

.

Nu, in deze coronatijd, kan een schoolgaand kind dat om wat voor reden een snotneus heeft, gezien worden als een potentiële bedreiging voor de leerkracht.

De ‘snotneusjes’ hoeven dan wel niet getest te worden, dus ‘zijn ze veilig’, maar toch.

Door allerlei tegenstrijdige berichten weet je niet meer wat waar is: heb je bv. wel een snotneus bij corona of heb je dat weer meer bij een andere griep.

Het is bekend dat vooral de kleinere kinderen met de grootste regelmatig ‘verkouden’ zijn, met dan een snotneus tot gevolg.

Ook in onderstaand artikel is sprake van ‘de snotneus’.
.

Stap voor stap sterker
.

De laatste jaren [geschreven 2005] is er in de medische wereld veel te doen over de hygiënehypothese.

Kort gezegd gaat die ervan uit dat in de westerse wereld de toename van allergie bij jonge kinderen te danken is aan een overmaat aan hygiëne.

Zo simpel is het natuurlijk niet, maar feit is wel dat de kleintjes te weinig kans krijgen ziek te worden.

De hygiënehypothese werd voor het eerst geformuleerd door een Britse epidemioloog in 1989. Hij ontdekte dat kinderen die niet of nauwelijks last hadden van allergie, op jonge leeftijd vaker waren blootgesteld aan kleine infecties, dan kinderen die wel allergisch waren. Omgevingsfactoren als leefstijl, voeding, gezinsgrootte, antibioticagebruik, vaccinaties, gering contact met de natuur, bleken voor 70 procent van invloed op het ontwikkelen van allergie, erfelijke aanleg voor slechts 30 procent.

Beter op eigen kracht

Iedere baby die gezond wordt geboren, beschikt over een aangeboren immuniteit. De witte bloedlichaampjes bijvoorbeeld gedragen zich als een soort gezondheidspolitie. Deze bescherming is echter beperkt en faalt bij massale infecties. Veel zekerder in dit opzicht is de immuniteit die het kind zelf opbouwt. Om die reden is het belangrijk dat hij in zijn eerste jaren een aantal infecties doormaakt, zodat hij afweerstoffen kan opbouwen. Met name na een virusinfectie ontwikkelen zich in het bloed bepaalde eiwitten die de weerstand verhogen en hem sterker maken. Kortom, ziek zijn en op eigen kracht beter worden, zorgt voor een stevige en gezonde basis. Natuurlijk kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de koorts echt te hoog is en een antibioticum nodig is. Maar hoeft dit niet, dan zijn er talrijke minder heftige geneesmiddelen die ondersteunend kunnen werken.

Vies en gezond

Omdat kinderen tegenwoordig minder vanzelfsprekend in contact komen met micro-organismen, is het ook ‘moeilijker’ om ziek te worden. Onze huizen zijn schoner, het water is schoner, wij zelf zijn schoner en willen graag dat onze kinderen dat ook zijn, zeker de baby’s. Terug naar vroeger is geen optie.

Gelukkig zijn er mogelijkheden genoeg om aan een gezond portie ‘vuil’ te komen: de zandbak op het stadsplein, de kinderboerderij en het park met van die heerlijke diepe modderplassen. En laten we de crèche niet vergeten. Het klopt natuurlijk dat de gezinnen kleiner zijn dan vroeger en kinderen dus minder gemakkelijk virussen, schimmels en bacteriën op elkaar overdragen. Maar uit onderzoek is ook gebleken dat een baby al aan één dag opvang in de week – op een plek waar minstens vier andere kinderen zijn – genoeg heeft om zijn immuunsysteem te ontwikkelen. En nu maar hopen dat iedere crèche een snotverkouden baby accepteert..

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

2239

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (22)

.
Patricia Wessels m.m.v. Arie Bos, anyroposofisch huisarts, Weleda Puur Kind lente 2004 nr. 13
.

Zonlicht is gezond
.

De zomer brengt veel mensen in een zonnige stemming. Het is net alsof het zonlicht je koestert en oplaadt tegelijk. Je voelt je ontspannen, opgewekt, energiek en levenslustig, en stress krijgt minder vat op je. Alles lijkt gemakkelijker, zorgelozer: je kunt het leven aan en wilt ervan genieten. Zonlicht is essentieel voor al het leven op aarde, sterker nog, zonder de zon had zich nooit leven kunnen ontwikkelen.

Dat de zon in vele opzichten van levensbelang is voor onze vitaliteit is dus niet zo verwonderlijk. Het begint al bij de basis van ons bestaan. Dankzij het licht kunnen wij ademen en eten. Zonder licht geen planten, die ons voorzien van voedsel en zuurstof. Maar zonlicht werkt ook rechtstreeks in op onze lichamelijke en geestelijke vitaliteit. De gemiddelde man produceert in december bijvoorbeeld ‘maar’ 40 miljoen zaadcellen, terwijl hij in juli – wanneer de hormoonklieren door de zon worden geprikkeld – maar liefst 65 miljoen zaadcellen aanmaakt. Leerlingen maken een proefwerk wiskunde beter als ze in een lokaal met veel zonlicht zitten.

En veel werknemers in kantoren met zonwerende ramen krijgen allerhande klachten: van hoofdpijn tot somberheid.

Met het afnemen van het zonlicht in het najaar, nemen bovendien de (najaars)-depressies toe. Opmerkelijk is overigens dat kinderen daar zelden last van hebben.
Zij zijn nog enorm vitaal van zichzelf en dragen de zonnigheid als het ware van binnen met zich mee.
Maar dat betekent niet dat daglicht voor kinderen minder belangrijk zou zijn. In tegendeel: kinderen in de groei hebben zonlicht heel hard nodig. Het onweegbare zonlicht blijkt essentieel voor de opbouw van de zwaarste materie in het lichaam; de botten. De vitamine D, die de huid onder invloed van daglicht kan aanmaken, zorgt er namelijk voor dat je kalk inbouwt in je botten. Alleen al om die reden zouden kinderen dus lekker veel buiten moeten spelen. Zeker in de winter, wanneer de intensiteit van het daglicht minder sterk is. Tot op je oude dag profiteer je van de stabiliteit die je als kind hebt kunnen opbouwen. Want hoe minder daglicht je in je jeugd hebt gehad, hoe eerder je botten ontkalken als je oud bent.

‘Voedend’ licht

Hoe belangrijk daglicht in werk- en leefruimten ook mag zijn voor ons welbevinden, het ‘voedende’ licht krijgen we daarmee niet binnen. Het glas in de ramen houdt een deel van de straling tegen, (de ultraviolette straling). Licht bestaat uit een heleboel frequenties en elke frequentie heeft weer invloed op iets anders. Kunstlicht heeft maar een beperkt aantal frequenties, terwijl daglicht alle frequenties in zich heeft. Daaruit kun je dus halen wat je nodig hebt. De laatste jaren is er een soort hetze ontstaan tegen de blootstelling aan uv-straling, omdat het huidkanker kan veroorzaken. Er wordt bijna nooit bij verteld dat uv-licht ook essentieel is voor de gezondheid en dat we er eerder te weinig dan te veel van krijgen. Nederlanders in het algemeen en kinderen in het bijzonder, zitten namelijk veel te lang binnen. Door een tekort aan zonlicht neemt de kans op een heleboel andere vormen van kanker juist toe, evenals de kans op multiple sclerose en een vorm van diabetes. Een greep uit de vele positieve effecten van uv-licht: het stimuleert het hele immuunsysteem, doodt bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers, verlaagt de bloeddruk, verlaagt de cholesterolspiegel, maakt het hart sterker, waardoor het meer bloed door het lichaam kan pompen en werkt goed tegen allerlei huidaandoeningen.

Tijd krijgen om te wennen

Overigens blijken mensen die het hele jaar op kantoor werken vaker huidkanker te krijgen, dan mensen die veel buiten werken. Huid en ogen zijn heel goed in staat om zichzelf te beschermen, als ze maar de tijd krijgen om te wennen aan de toenemende zon. De huid van iemand die veel buiten is, heeft voldoende pigment kunnen aanmaken, waardoor hij beter kan omgaan met uv-straling.

Als je het grootste deel van het jaar binnen zit, is het dus verstandig om tijdens de vakantie de eerste dagen de hoeveelheid zon op je huid rustig op te bouwen. Baby’s kun je beter helemaal uit de zon houden, omdat hun huid nog dun is,  waardoor ze makkelijk verbranden. De meeste baby’s geven zelf al aan dat ze ook het felle licht in hun ogen onaangenaam vinden. Omdat ze liggen, kijken ze omhoog en krijgen ze het zonlicht niet weerkaatst, maar rechtstreeks in hun ogen.

Voor iedereen geldt: op het heetst van de dag in de zon gaan liggen bakken, is niet gezond. Je geeft jezelf dan een overdosis en dat zal je lichaam je ook laten weten. Om al het goede van het zonlicht te ontvangen hoef je helemaal niet in de volle zon te liggen zweten. Het zit allemaal in het daglicht, dus het is al voldoende om lekker veel buiten te zijn.

.
Weleda’s zonnebrandproducten
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2211

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – opvoedingsvragen (12-5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind herfst 2005 nr. 16
.

Wie niet (meer) horen wil moet voelen

Tijdens elk spreekuur* komt is er wel een ouder die vertelt dat zijn kind in de voorafgaande maanden oorontsteking had. Het is een veelvoorkomende aandoening, maar daarom niet minder de moeite waard om goed mee om te gaan. We kunnen zoeken naar oorzaken, preventie van chronische klachten en behandeling. Ouders vragen vaak steun hierbij.

Op een dag belt de moeder van K van anderhalf jaar en vertelt dat K gisternacht plotseling flinke last van oorpijn had met een koorts van 39,8. Zijn tanden beginnen door te komen, hij heeft een rode wang, zijn ontlasting ruikt zurig en hij snottert een beetje. De huisarts heeft deze ochtend een oorontsteking geconstateerd, met een rood trommelvlies en vocht daarachter. K heeft nog geen antibiotica nodig, pas als de koorts na drie dagen niet gezakt is of als de algehele toestand snel verslechtert. ‘Maar,’ is haar vraag aan mij, ‘kunnen we iets doen om het genezingsproces te ondersteunen?’

Tijd om op te ruimen

Allereerst denk ik dat het belangrijk is als ouders beseffen dat het hele kind oorontsteking heeft en daar ook als zodanig mee bezig is. Het is niet alleen een oor-probleem. Het speelt zich daar wel af, maar betreft zijn hele organisme. Een ontsteking is een poging van het lichaam om een ontspoord evenwicht te herstellen. Dit zal daar gebeuren waar een orgaan of een andere plek het zwakst is. Soms is dat uit de erfelijkheid af te lezen en hebben de ouders zelf veel oorontstekingen doorgemaakt, maar mijn ervaring is dat dit lang niet altijd het geval is.

Bij jonge kinderen heeft de huid en ook de ‘inwendige’ huid (de slijmvliezen van keel, neus, oren, longen en maag-darmkanaal), nog een sterke functie in de uitscheiding van afvalstoffen van de stofwisseling. Daarom is hij bij kinderen ook zo vaak betrokken bij allerlei ontstekingen of allergische verschijnselen. Op latere leeftijd wordt die functie steeds meer overgenomen door de organen.

Om allerlei invloeden van buitenaf de baas te worden heeft ieder mens, en zeker ook een klein kind een sterke algehele weerstand nodig. Vele stressfactoren hebben hierop echter een verzwakkende invloed, zoals bijvoorbeeld een teveel aan indrukken. Het ene kind gaat hier natuurlijk anders mee om dan het andere, maar in zijn algemeenheid kun je wel stellen dat zo’n overdosis moeilijk verteerbaar is. Kinderen moeten veel aanhoren waar ze niet aan toe zijn en waar ze eigenlijk niets mee kunnen, maar ze kunnen moeilijk de hele dag hun handen op hun oren houden. Dit geldt niet alleen voor de klanken, woorden en geluiden, maar ook voor datgene wat ze oppikken van alle gevoelens en onrust om hen heen. Alles wat onverteerd blijft liggen, gaat storen. Een infectie kan de mogelijkheid bieden om opruiming te houden.

Verschillende stressfactoren

Een andere mogelijke oorzaak voor een verlaagde weerstand is dat een vaccinatie slecht is verwerkt. Als er omstreeks de vijftiende dag na de prik een infectie optreedt en je weet dat er geen andere stressfactoren aanwezig zijn, kun je ervan uitgaan dat de prik een impact heeft gehad op de weerstand, waardoor zwakke plekken kunnen opspelen.

Wacht dan in elk geval met de volgende prik tot de harmonie hersteld lijkt te zijn. Het evenwicht kan ook zijn verstoord door kouvatten, bijvoorbeeld in de zomertijd, wanneer kleine kinderen te lang in het water zijn gebleven en daardoor te veel zijn afgekoeld. Of door voor op de fiets te zitten zonder petje of een scherm ervoor.

Daarnaast spelen nog andere factoren een rol, zoals het tanden krijgen, trauma’s in het gezin, acute schrik, ongeluk, verdriet en rouw, een broertje of zusje erbij. Het verliezen van het veilige nestgevoel door het wegvallen van een ouder of door een langdurige ziekte, kan ingrijpend werken. En iedereen kan zich het effect voorstellen van meerdere stressfactoren die zich opstapelen.

Gezonde koorts

We moeten het probleem dus van verschillende kanten benaderen, maar ik beperk me hier tot de medische kant. In het geval van acute oorontsteking, zoals bij K, zijn er een paar dingen die we nader kunnen bekijken. Het kind heeft koorts: 39,8. Mijn advies is om deze koorts niet direct te onderdrukken, maar te begeleiden, omdat koorts gezondmakend kan werken. Het immuunsysteem krijgt juist door een hoge temperatuur de kans een soort opruiming te houden en disharmonieën om te werken. Gebeurt dit, dan zal het kind meestal sterker uit de strijd te voorschijn komen.
Soms is de koorts echter te heftig of wordt de ouder bang. Dan is het mogelijk de hoge koorts in korte tijd een halve graad te laten dalen door bijvoorbeeld citroensokken aan de voeten te doen.** Zorg wel dat zijn voetjes warm zijn. Als zo’n compres onvoldoende werkt of als de ouder het niet vertrouwt, kan in overleg met de arts een paracetamol worden gegeven. Bedenk daarbij wel dat dit middel de symptomen maskeert, dus dat je slechter kunt zien hoe het werkelijk gesteld is met de zieke.

Is de weerstand tijdelijk verlaagd, bijvoorbeeld door het proces van tanden krijgen, dan kunnen we deze ondersteunen met een paar zelfzorgmiddelen zoals Kinfludo (Weleda) of EBT complex (VSM) en extra vitamine C. De oorontsteking zelf kun je begeleiden door warme Lavendelolie in zijn oor te druppelen of Johannesolie. Deze etherische oliën werken bacterieremmend. Een ouderwets maar zeer doeltreffend (en helaas sterk ruikend) hulpmiddel is een uienkompres***.
Ui remt namelijk de pijn en de zwelling. En zorg voor een goede doorluchting van het middenoor door de neus open te houden. Smeer hiervoor regelmatig een beetje Neuscrème (Weleda) onder de neus.

Vergeet niet te zingen Bij een chronische oorontsteking moet de behandeling specifiek worden afgestemd op onderliggende verzwakkende factoren en de algehele gesteldheid van het kind. Blijkbaar ontbeert het de kracht om actief en acuut af te rekenen met de ontstekingshaard. In elk geval is het goed te stoppen of te minderen met melkproducten (bij kinderen ouder dan één jaar). Geef nooit meer dan 300 cc per dag. Geef alleen de zure melkproducten, zoals biogarde, kwark en liever van de geit dan van de koe. Het eiwit van geitenmelk is namelijk lichter verteerbaar dan dat van koeienmelk.
Om het verteringsproces positief te ondersteunen kun je vóór de maaltijd bittermiddelen geven, zoals Amara Eetlustdruppels (Weleda.) En gebruik zo mogelijk in alle warme maaltijdgerechten ten minste één vers kruid, want tuinkruiden kunnen de verteringsorganen stimuleren en enthousiasmeren, waardoor de hele stofwisseling beter gaat functioneren.

Tot slot nog een gouden tip: ga met uw kind zingen. Zingen doet alle luchtwegen én het oor trillen en in beweging komen en dat werkt gezondmakend, ook bij chronische oorontstekingen.

**Om de koorts iets te laten dalen: citroensokjes:

Neem een halve citroen en pers hem uit. Doe er een kwart kopje warm water bij en doop daar een paar katoenen sokjes in. Wring ze uit, trek ze het kind aan en doe er nog een wollen sok overheen zodat het warm blijft. Vijftien minuten laten zitten, dan uitdoen. Eventueel na een uur herhalen.

***Bij acute oorontsteking: uiencompres

Dit kompres maak je van een dikke schijf ui. Hak hem in kleine stukjes, vouw die in een doekje en leg dat over het oor.
Houd het op zijn plaats met een mutsje of doek, in elk geval langer dan 15 minuten. Het mag tijdens het slapen blijven zitten. Je kunt het zo nodig vaker herhalen: drie dagen lang, drie keer per dag, nadat de eerste symptomen optraden.

Over de Amara Weleda; Antroposana

*voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

.

2204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-4)

.

Inenten is een onderwerp dat telkens weer tot (hevige) discussies leidt, vooral als je er genuanceerd over denkt, dus, wanneer wél of wanneer niet. 
Hoe je denkt over opvoeding, over de ontwikkeling van een kind, speelt daarbij een rol. 
Kennelijk zijn  (veel?) vrijeschoolouders terughoudender met ‘prikken’, waardoor we regelmatig kunnen lezen dat er op vrijescholen meer kinderen niet ingeënt zijn tegen bijv. de mazelen, dan op niet-vrijescholen.
Dat wordt snel verward met ‘dat de vrijeschool tegen vaccineren’  is.* 
‘School’ is een leeg begrip. Er werken mensen die een opvatting hebben over opvoeding en meestal – vooral als ze zelf kinderen hebben – over inenten. Maar als institutie – de mensen samen – bestaat er geen opvatting over inenten die van deze mensen – ‘school’ – een ‘must’ is voor de ouders.
De beslissing over het vaccineren ligt helemaal bij de ouders – daarover hebben anderen – ‘school’ – niets te zeggen.
Je kan elkaar wel vertellen over je gezichtspunten.
Dat gebeurt ook op deze blog.
Wat hier over inenten wordt geschreven is niet DE mening van de vrijeschool – zoals gezegd: die is er niet en mocht die er wél zijn, dan is dat m.i. niet terecht.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 2005, nr.15
.

HET NIEUWE OPVOEDEN: INTUÏTIE ÉN BEWUSTWORDING

Weinig discussies overleven zo goed de veranderende tijden ais die rond het wel of niet inenten tegen kinderziektes. Terwijl de ( overheid tegen steeds meer ziektes laat inenten, is er een vaste kern van weigeraars tegen een of meer van de prikken. Hoe kun je als ouder je weg vinden in de stortvloed van argumenten voor en tegen?

De voors en tegens in de inentingsdiscussie zijn eigenlijk in al de jaren hetzelfde gebleven: de overheid wil geen zieke kinderen om sociaal-economische redenen en wil zoveel mogelijk ziektes de wereld uit helpen en de tegenstanders, de ‘kritische prikkers’, zien allerlei gevaren van het inbrengen van entstof, hebben religieuze bezwaren of vinden dat ziek zijn voor hun kinderen een bepaalde betekenis heeft.

Tot op zekere hoogte behoor ik zelf tot de laatste groep. Volgens mij kan het geen kwaad wanneer een gezond kind waterpokken of de bof krijgt en ik zie ook niet veel bezwaar in het doormaken van rode hond. Maar polio of hersenvliesontsteking wens ik niemand toe, evenmin als een infectie met de haemophylus influenzabacterie (HIB). Die ziektes berokkenen veel schade bij een relatief groot deel van de groep kinderen die daarmee besmet raakt. Het lijkt me dan ook goed dat we kinderen niet blootstellen aan relatief veel voorkomende en veel schade toebrengende ziektes.

Het probleem is echter wel dat je je kind door inenten steeds minder gelegenheid geeft om ziek te zijn. Is dat erg? Het antwoord op die vraag hangt mede af van je visie op de opvoeding van je kind. Wat is het doel van de opvoeding en wat gebeurt er met een kind als hij ziek is? Zijn er inzichten die een uitweg bieden uit een botsing tussen verschillende opvattingen?

Het prettige aan ziek zijn

Als je kind ziek is, al dan niet door een kinderziekte, heeft het koorts waardoor alle levensprocessen in het lichaam sneller gaan. Hij zweet, heeft diarree of een natte hoest. Hij wordt als het ware ‘opgelost’.

Eten lukt vaak niet, drinken meestal nog wel, en dat is maar goed ook, want zeker bij heel kleine kinderen ligt uitdroging altijd op de loer. Hij heeft nergens zin in, behalve in op de bank liggen. Je kunt dus zeggen dat alle normale activiteiten tijdelijk stoppen.

Bij veel kinderziektes speelt de huid een belangrijke rol: aan het soort vlekjes of bultjes kun je de ziekte herkennen. Zonder al te diep op de functie van de huid in te gaan kun je zeggen dat de huid voor een mens heel belangrijk is. Hij vormt de afscheiding van de buitenwereld en biedt ook de mogelijkheid om via de tast contact te maken met de buitenwereld. Je kunt de wereld buitensluiten, je kunt je eigen warmte binnenhouden of je kunt invloeden van buitenaf zoals tastervaringen, warmte en eventueel zelfs geneesmiddelen (pleisters!) toelaten.

Er is ‘iets’ in het menselijk lichaam dat daarin stuurt en tot keuzes komt. Dat ‘iets’ kun je op lichamelijk niveau weerstand, op psychisch niveau assertiviteit en op persoonlijk niveau individualiteit noemen.

Al die woorden drukken uit dat je in staat bent om je in de wereld staande te houden en zo met je omgeving om te gaan, dat je er in elk geval niet minder maar het liefst beter van wordt, in die zin dat groei en ontwikkeling mogelijk zijn. En het prettige van ziek zijn is, dat je er weerstand aan over houdt.

Een kind komt met een nagenoeg leeg afweersysteem ter wereld en vult dat met kennis hoe ziektes af te weren door de binnendringende ziektekiemen te leren kennen, onschadelijk te maken en te onthouden hoe het dat gedaan heeft. Zo ontstaat het immuunsysteem. Het probleem is echter dat bij sommige ziektes de prijs die je voor die kennis moet betalen hoog kan zijn. Zo geeft polio relatief veel complicaties en zo’n ziekte kan dan uit de vaart worden genomen door het kind immuniteit te geven door inenten. Het krijgt dan als het ware kennis en instrumenten aangeboden zonder dat het daar zelf enige moeite voor hoeft te doen. Dat is in de opvoeding normaal: je leert een kind ook veilig de straat over te steken of van een hete koffiepot af te blijven zonder hem eerst een mogelijk gevaarlijke eigen ervaring op te laten doen.

Van voeden naar opvoeden

Eigenlijk zijn al je pedagogische acties erop gericht je kind wegwijs en weerbaar te maken. Je voedt op tot zelfstandigheid waar weerstand de lichamelijke uiting van is. In de eerste jaren van zijn leven gaat het vooral om zijn lichamelijke ontwikkeling en later steeds meer om zijn psychische en sociale groei. Je kunt dus zeggen dat je van voeden gaandeweg overgaat op opvoeden om te eindigen in voorzichtig en vooral onzichtbaar begeleiden.

In de ‘voedingsfase’ is alles nog gericht op de lichamelijke zelfstandigheid, dus op het ontwikkelen van weerstand. Uitgerekend de kinderziektes hielpen ouders daarbij, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Kinderziektes laten doormaken was een onbewuste manier van opvoeden. Ouders wisten intuïtief dat het ergens goed voor was.

Nu leven we in een tijd waarin iedereen ‘zijn eigen ding wil doen’ en zelf wel uitmaakt hoe hij zijn kinderen opvoedt. En dat is ook goed, want het komt de individualiteit van het kind ten goede als hij wordt benaderd als een uniek wezen. De tijden dat elke pedagogische ingreep werd getoetst aan Spock of een andere opvoedkundige icoon is voorbij. Opvoeden staat of valt bij het maken van eigen keuzes en dat geldt ook voor het inenten. Om het heel ongenuanceerd te zeggen: het maakt voor je kind misschien niet eens zo heel veel uit of hij wel of niet wordt ingeënt, maar wel of jij daarin een bewuste keuze hebt gemaakt. Kinderziektes waren normaal in een tijd waarin nog niet zo bewust werd omgegaan met opvoeding. Ik sluit niet uit dat er, met het toenemen van bewustzijn over de rol die je als ouder in het opgroeien van je kind wilt innemen, steeds minder behoefte is aan ‘onbewuste pedagogie’ i.c. aan kinderziektes. Kinderziekte als hulpje bij het opvoeden heeft misschien wel afgedaan. Maar wanneer het onbewuste opvoeden plaats maakt voor eigen keuzes in de opvoeding, ontstaat daarmee wel de uitdaging om dat wat kinderziektes eertijds deden, bewust na te bootsen of een nieuwe vorm te geven.

In bad

Het koortsende lijfje van een ziek kind kun je het beste vergelijken met een potje dat op het vuur staat te koken, waarbij de inhoud van de pot veranderingen ondergaat. Koortsende ziektes spreken de wil (tot verandering) van het kind aan. Al groeiend is hij enorm in beweging en verandering en hij verdraagt daarbij geen stagnatie.

Stagnaties worden zo snel mogelijk onschadelijk gemaakt. Het organisme wordt door de ziekte aan de kook gebracht om de vaart er weer in te krijgen. Maar bij het nieuwe opvoeden zonder kinderziektes moet je zelf signaleren dat er sprake is van een stagnatie, dat je kind duidelijk ‘ergens tegenaan hangt’. En je zal ook zelf moeten bedenken hoe je hem weer in beweging kunt krijgen.

Het gaat dan uiteraard niet om het letterlijk nabootsen van de kinderziekte – dat kan eenvoudigweg niet eens – maar om het zoeken naar een manier om de intenties van de ziekte te benaderen. Wat wilde of deed een ziekte en hoe bied je dat in een nieuwe vorm aan? Een voorbeeld van zo’n nieuwe manier is het zogenaamde voedingsbad, waarbij een kwakkelend kind een reeks baden krijgt waarbij melk, ei, honig en citroen worden gebruikt. Al deze substanties werken op een bepaald facet van het organisme en oefenen een vitaliserende werking uit. Interessant genoeg zie je halverwege de reeks baden een soort crisis optreden: het kind wordt nog miezeriger dan het al was. Het is goed om van tevoren te weten dat dit een gewenst effect is. Het is een verschijnsel dat sterk doet denken aan de crisis die je vroeger bij een sterk koortsende ziekte als longontsteking zag. Kwam je er door dan bleef je leven en hoorde je bij de sterken. Dat komt dankzij antibiotica uiteraard niet meer vaak voor, maar door het voedingsbad kan je kind zonder gevaar nog wel iets dergelijks doormaken. Door het bad kan het kind iets in zichzelf in beweging brengen en veranderen.

Het wiel uitvinden

Zoals het voedingsbad, afgekeken van de natuurlijke manier van ziek zijn, een bewust voltrokken pedagogische ingreep is, zo moet er nog meer te bedenken zijn. Maar hoe ‘bedenk’ je een bijna tot in het lichamelijke toe ingrijpende opvoedkundige maatregel? Van louter bedenken kan natuurlijk geen sprake zijn. Je moet er op komen. Het moet ontstaan, als een intuïtie. Die intuïties komen pas als je je bewust met de unieke individualiteit van je kind bezig houdt. Kinderziektes, daar wijst ook de besmettelijkheid op, waren groepsziektes die door de kinderen aan elkaar werden doorgegeven. In het nieuwe opvoeden, dat zich minder baseert op overgeleverde inzichten en meer op door ouders zelf gegenereerde intuïties, is minder plaats voor gezamenlijkheid. Voor elk kind moet het wiel opnieuw worden uitgevonden. Tot op zekere hoogte natuurlijk, want het is niet zo dat elke ouder zelf op het idee van bijvoorbeeld het voedingsbad hoeft te komen. Er is niets op tegen om je door anderen te laten inspireren, want er zijn in het kinderleven nog steeds veel problemen die elk kind zo ongeveer hetzelfde doormaakt.

Mediteer over je kind

Om je kind zo goed te leren kennen dat je voor zijn groeiproblemen zelf oplossingen kunt vinden, moet je je grondig in hem verdiepen. Net zo lang en net zo diep tot de oplossing ontstaat. Zo’n intensief inlevingsproces kun je rustig een meditatie noemen. Probeer over je kind te mediteren.

In zijn boek Over verdrietige, angstige en onrustige kinderen beschrijft Henning Koehler een heel hanteerbare vorm van meditatief bezig zijn met je kind. Hij raadt aan om je voor het naar bed gaan een moment innerlijk met hem bezig te houden, zijn probleem voor je neer te zetten en een vraag te formuleren die je meeneemt in je slaap. De kans bestaat dat er de volgende morgen of in de loop van een aantal morgens een antwoord bij je opkomt. Mogelijk biedt deze manier ook een houvast om tot de goede beslissing inzake het vaccineren van jouw kind te komen, dan je op sleeptouw te laten nemen door overtuigde voor- of tegenstanders. Trouwens, je kind omhullen met je meditatieve aandacht is misschien ook wel een soort inenten. Niet met fysieke entstof, maar met een heel andere substantie: eerbied voor het unieke van elk kind.

* [69]

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2199

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (7)

.

Toen de vrijeschool in Stuttgart in 1919 haar deuren opende, waren er onder de leerlingen ook kinderen die zich op de een of andere manier niet zo ontwikkelden als andere. We zijn geneigd te spreken van ‘niet normaal’ zich ontwikkelen, waarbij we dan een norm ‘normaal’ hanteren. Dat is vaak een soort ‘doorsnee’: eenzelfde patroon dat jij bij de meeste kinderen ziet. Sommige kinderen passen niet in dit patroon: ze liggen ‘achter’ of ‘voor’. Aan dit ‘voor’ is lange tijd geen aandacht besteed, nog maar sinds kort is de term ‘hoog-begaafd’ gangbaar. Het ‘niet-mee-kunnen-komen’ is al veel eerder gesignaleerd en voor die kinderen werden op zeker ogenblik zelfs aparte scholen opgericht.

Er is op het gebied van de orthopedagogie veel ontwikkeld en ook op de vrijescholen deden de ‘remedial-teachers’ hun intree. Omdat er op dit gebied nog veel te ontwikkelen viel, kon het niet anders of veel van de ‘wetenschappelijke’ orthopedagogie kwam zo ook de vrijescholen binnen. Om van daaruit met de menskunde van de vrijeschool te werken, valt nog niet mee en veel ondersteuning aan de kinderen kwam aanvankelijk vaak niet verder dan op intellectueel niveau ‘bijles’ geven. 

De eerste vrijeschool kende ze ook en het bleek al snel dat ze beter af waren in een aparte groep – toen de ‘hulpklas’ genoemd. 
Het onderwijs dat ze kregen moest nog helemaal ontwikkeld worden. Steiner heeft er wel aanwijzingen voor gegeven, die nog terug te vinden zijn in de verslagen van de vergaderingen die hij met de leerkrachten belegde.

Een groter gebied van therapeutische aanwijzingen kon worden gevonden in Steiners voordrachtenreeks over de ‘heilpedagogie’*. GA 317,  vertaald.
Elisabeth Baumann was in 1926, een jaar na de dood van Steiner, in Stuttgart de heileuritmiste die met de kinderen een speciale oefenweg bewandelde. Ze schrijft daar in 1925 al over. 
Ook op de 1e vrijeschool in Nederland, in Den Haag, was er, toen ik er in 1970 begon, een bepaalde vorm van hulp aan kinderen die dat nodig hadden. Ik herinner me nog dat onze lieve collega Eli van Dunné op gezette tijden kinderen uit de klas kwam halen waarmee apart werd geoefend.

Elisabeth Baumnann, Mitteilungenblatt nr. 7, 1925
.

THERAPEUTISCHE EURITMIE IN DE HULPKLAS

In de hulpklas van de vrijeschool heb je het meest te maken met kinderen waarvan het voorstellingsvermogen en het gedachteleven nog zwak ontwikkeld zijn; ze zijn nog als het kind van vóór de tandenwisseling: meer levend in gevoels- en wilsimpulsen. Bij hen is het nodig ze langzaam bij de leerstof te betrekken en daarbij moet je aan hun gevoel en wil appelleren, dat is heel belangrijk. Dat moet helpen om wat nog ongevormd is, te vormen; wat er te veel is, af te remmen en te wekken wat er latent aanwezig is. Met voorstelling en gedachten bereik je hier weinig tot niets. Een kind kan mechanisch twintig keer een woord spellen, maar het schrijft het toch fout.
Wanneer je echter zegt: ‘Spreek het woord niet uit maar zeg het eens met je handen en zet aan het begin een stevig stap omdat daar een grote, belangrijke letter staat, dan wordt binnen korte tijd het woord goed gespeld én geschreven. Als het kind bij iedere klank een beeldende beweging uitvoert en beleeft en dan geen willekeurig gezochte beweging bij de klank, maar een die genomen is uit de euritmische bewegingen die afgelezen zijn aan hoe de de spraakorganen de klank vormen, worden in het wezen van het kind krachten aangeboord die het voorstellingsleven vanuit een beeld vormgeven; wat uit de abstracte schrijftaal die voor zo’n kind nog dor en droog voor z’n neus staat, een klankentaal oproept die door de bewegingen leeft.
Natuurlijk kan dit niet in één keer bereikt worden. Bij deze kinderen komt alles op herhaling aan. Daarom wordt er iedere dag na het hoofdonderwijs in de hulpklas euritmie gedaan, wat voor de andere klassen niet aan te raden is, want dan zou langzaamaan het enthousiasme en de spankracht verdwijnen. In de hulpklas is dat niet het geval. Deze kinderen houden des te meer van de euritmie naarmate ze meer mogen herhalen, want de meeste leven nog helemaal in het ogenblik en vanuit de omgeving. Zij krijgen nooit een slechte zin van veel herhalen, iedere keer wordt door hun wilskracht het voorstellingsleven aangesproken. Ze herhalen ook niet steeds droog hetzelfde, iedere keer is er wel weer een nieuwe nuance die een nieuwe verbazing uitlokt en het spannend maakt. Dat moet de leerkracht goed in de gaten hebben.

Een kind dat weinig openheid vertoont en de dingen moeilijk opneemt, kan met een verbazingwekkende innerlijkheid erbij zijn, een euritmische oefening doen en daarna een levendigheid vertonen die anders bij hem ontbreekt. Wanneer het de leerkracht dan lukt dit ‘open-zijn’, de interesse op de leerstof te richten, dan kan hij, als hij het goed aanpakt, in een korte tijd meer bereiken, dan door dagenlang praten. Het kind heeft door de euritmische activiteit die fysiologisch sterk kan werken, pas de kracht in zich gewekt die hij nodig heeft om wat van buiten naar hem toekomt, op te kunnen nemen, te kunnen leren.
Je moet er wel erg voor waken dat er in het kind een gevoel kan ontstaan als: deze oefeningen en bewegingen moeten iets opleveren. Puur om wat er gedaan wordt, om het plezier daarin, moet het kind euritmie doen en de leerkracht bereikt ook het meest als hij tijdens het oefenen met een innerlijke kunstzinnige zin werkt aan de beeldende krachten van de beweging, invoelend hoe daaruit gezondmakende krachten stromen die niet door inspanning op het gebied van doelmatigheid en schema’s ontkracht mogen worden.

Een jonge loot aan de euritmie hangt nauw samen met de euritmie in de hulpklas en heeft wel het meest bijgedragen aan de gunstige resultaten. Het is het oneindig rijke gebied van de therapeutische euritmie. Dr. Rudolf Steiner sprak er in het voorjaar van 1921 in Dornach bij de gelegenheid van een cursus voor artsen en geneeskundestudenten voor het eerst over en vulde dat later nog aan.
Op de vrijeschool werd drie jaar geleden begonnen met deze vorm van euritmie. Meestal ging het om situaties waarbij wij persoonlijke aanwijzingen kregen van Dr. Steiner, andere ontstonden door het samenwerken van de arts en de leerkracht nadat deze een diagnose hadden gesteld.
Therapeutische euritmie kan je niet zomaar gebruiken. Je moet je goed kunnen inleven in wat de betreffende vraagt. De bron is toch uit liefde willen werken en alleen daarmee kan je het toepassen en ermee verdergaan. Ze vraagt een intensief kunnen luisteren en waarnemen. Zoals de arts luistert naar het hart en de ademhaling, zo moet de euritmietherapeut luisteren naar wat uit het organisme spreekt; naar wat er in het hoofd-zenuwsysteem boven, of het stofwisselingssysteem onder werkzaam is en hij moet leren invoelen hoe hier de euritmische beweging orde kan scheppen en gezondmakend kan ingrijpen. Ook hier kunnen we van Rudolf Steiner leren om bij een behandeling naar het hele wezen van het kind te kijken, nooit bij een enkel symptoom te blijven stilstaan, maar de stoornis op te sporen tegen de achtergrond van het hele wezen en dan een therapeutische oplossing te zoeken.
In zijn pedagogie opent hij de leraren de ogen voor hoe de geest enerzijds in het lichamelijke doorwerkt en hoe anderzijds het lichamelijke van invloed is op het geestelijke.
Veel van de therapeutisch-euritmische bewegingen zijn, uiterlijk bekeken, tamelijk eenvoudig. De therapeutische werking zit niet in de gecompliceerdheid, maar in de intensivering naar de wilskant.
De euritmie op zich berust wat de kern betreft op de spraak. Ze is een metamorfose van de spraakklanken, alleen alles wat daarmee gedachtematig, voorstellingsmatig verbonden kan zijn, wordt min of meer uitgeschakeld en daar tegenover komt naast de inleving, het wilskarakter van de spraak naar voren, veranderd in menselijke bewegingen. De euritmist leeft helemaal in de kunstzinnige vormgeving van de spraak; hij geeft zich over aan de dynamische processen van de klanken, van het metrum. Maar hij verliest zich niet in een enkele klank, maar probeert de innerlijke klankmelodie van de zinnen kunstzinnig tot een geheel te vormen.
Het is niet zo dat de euritmische beweging gespecialiseerd zou moeten worden tot een therapeutische. Hier gaat het om het sterker maken van een enkele klank, dat is belangrijk. Die wordt min of meer door de mens opgenomen, de mens moet de bewegingstendens van de klank bewust tot in de spieren, in de botten van het lichaam voelen. Hier pas zit de therapeutische werking.
Bij volwassenen stoot je wellicht vaak op remmingen, het kind daarentegen neemt liefdevol de klank in zijn organisme op, aanvaardt de therapeutische werking. Daarom werkt het vaak zo verrassend.
Het beste bewijs voor de gezondmakende werking van de therapeutische euritmie zijn de kinderen zelf. Er is geen gebod of dwang nodig, iedere dag komen de kinderen welwillend oefenen, ja ze zijn zelfs verdrietig dat ze ook zondag niet kunnen. Ze voelen allemaal wel dat hen hier niets opgelegd wordt, maar dat ze iets wezenlijks geboden wordt, zoals ze de lucht en het zonlicht ervaren. Dat ervaart degene die de oefeningen met de kinderen doet misschien nog wel het sterkst door dagelijks de uitwerking te zien. Hieruit kan hij voor zijn werk weer het enthousiasme en de liefde putten.

.

Steviger in je huisje met euritmietherapie

Rudolf Steiner over euritmie

Remedial teaching [1]   [2]

 Leerproblemenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2169

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-4-1)

.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, lente 2006 nr. 17
.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand…

Veel baby’s hebben last van huidproblemen, van een beetje naar heel erg. Noor Prent kijkt als consultatiebureauarts* met een antroposofische blik niet alleen naar de huid, maar naar de baby in zijn geheel. Om uiteindelijk een advies te kunnen geven waar het kind van groeit en bloeit.

E van vier maanden doet het prima.
Zij krijgt borstvoeding en groeit goed. Moeder is de laatste maand weer aan het werk, er is een prima oppas en iedereen is gelukkig met de situatie. Als er meer drukte in huis is, merken beide ouders wel op dat E hier een paar uur later op reageert met huiduitslag. Ze is heel open en vriendelijk. Ieders gemoedstoestand spiegelt ze direct, ook die van mij bij het onderzoek. Zij wil betrokken worden in het gezinsleven en moppert als ze wordt weggelegd. De volwassenen om haar heen hebben moeite om haar ritme te geven en haar even te laten mopperen. Zo krijgt ze teveel mee.

Verschillende signalen

Je zou de babyhuid kunnen zien als een spiegel die weergeeft wat er binnenin het lichaam gebeurt. Voor iedereen die met kleine kinderen werkt in de gezondheidszorg is de huid dan ook een machtig orgaan om te onderzoeken en veel informatie te verkrijgen. Zo is eczeem een gevolg van de constitutionele aanleg van het kind, zowel op fysiek als op psychisch vlak. En bijna altijd is er sprake van een minder sterk ontwikkeld vermogen de eigen grenzen te behouden.

Nu komt een baby in eerste instantie op de wereld om die te verkennen en niet om grenzen te trekken. Daar moet je hem dus bij helpen. Gaat het een beetje mis, zoals bij E, dan doen rust en regelmaat vaak wonderen en verdwijnt de uitslag snel. Bij andere kinderen is soms meer nodig, zoals bijvoorbeeld bij J.

J wordt geboren als tweede kind in het gezin. Bij het bezoek op het consultatiebureau valt op dat zijn huidje dun is en bijna doorschijnend, met weinig onderhuids vet en weinig vocht in de onderhuidse laag. Na het uitkleden is zijn huid ook snel koud. Hij heeft een gezichtje waarin neus, ogen en mond, relatief dicht bij elkaar staan. Zijn achterhoofdsschedel is vrij groot, de ledematen lijken te lang voor zijn leeftijd en ze ogen wat magertjes. De voetjes van J zijn altijd koud, wat je hem ook aantrekt. Hij heeft last van krampjes en schrikt snel van allerlei indrukken. Er is nog geen vast dagritme en hij is veel wakker.
Bij dit kindje is er nog geen sprake van huidproblemen, maar de opbouw van zijn huid vertelt al wel een verhaal en alles aan hem bevestigt dat: J heeft extra warmte nodig. Voor hem moeten we zorgen voor een goede begrenzing: laagjes kleding van wol en elke dag een verwarmende olie op de huid. Ook een mutsje, om de uitstraling van warmte via de hoofdhuid te beperken, is goed voor hem, want de warmte die hij heeft kan beter worden benut voor de inwendige processen. Maar er is nog meer mogelijk.

Een plant als voorbeeld

In de antroposofische geneeskunde maakt men dankbaar gebruik van de geneeskrachtige werking van inwrijvingen, massage, kompressen, baden en zalven, al naar gelang op basis van een plant of een metaal. De huid is een toegangspoort voor de harmoniserende en therapeuthische werking van natuurlijke middelen.
Voor de eczeemplekjes bij E, kies ik een plant die sterk gevormd is en ook een hoog kiezelgehalte heeft, bijvoorbeeld de Equisetum arvense (Heermoes). Voeg je deze als extract of sterke thee toe aan het badwater, dan reageert de huid door eerst voorzichtig de essentie af te tasten van de geneeskrachtige plantensubstanties, om vervolgens krachten te mobiliseren die deze in het lichaam zelf nabootsen.
Je zou het ook zo kunnen zeggen: het organisme wordt opgeroepen om het krachtige ‘kiezelgebaar’ van de plant over te nemen, zodat er meer structuur in de huid ontstaat.

In het geval van J zou ik kiezen voor het Sint-Janskruid, een verwarmende plant met een sterke ritmische opbouw. Het liefst in de vorm van olie, omdat die toepassing extra ons warmteorganisme aanspreekt. Een eetlepel olie in een klein flesje halfvol aanvullen met warm water: flink schudden en toevoegen aan het bad. Natuurlijk zijn er nog veel meer voorbeelden te geven, maar bij ieder jong kind spreekt de huid een belangrijke taal. Een taal die meer vertelt dan we wel denken: over de aanleg, het temperament, de gevoeligheid van het lichaam, maar ook over de ziel en over de mens die in die huid woont, hoe klein ook. Het is niet een taal die gemakkelijk is te ontcijferen, maar door je baby goed te observeren en met advies van een arts, kom je een heel eind. 

.

*voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.
2155

.

VRIJESCHOOL- Ontwikkelingsproblemen (6)

.
Als die o zo belangrijke motoriek zich moeizaam ontwikkelt

Marjolein Wolf in Weleda Puur Kind, lente 2004 nr. 13
.

Alles wat leeft is doortrokken van beweging en ritme. Kinderen gaan zich vanaf de geboorte steeds genuanceerder bewegen en uitdrukken. Eerst leren ze rechtop staan en lopen, dan spreken en denken, hoewel deze ontwikkeling voor ieder kind net iets anders kan verlopen. Voor sommige kinderen is het zelfs fijn als je ze er een handje bij helpt. Dat kan met euritmietherapie, een wat zwaar klinkende term voor een speelse vorm om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren.

Ik ben een muisje met hele kleine snorhaartjes

Zo maak je motoriek sappig en leuk!

‘De pannenkoek rolt en de pannenkoek rolt.’ De euritmietherapeut  huppelt samen met K van zes in het rond. Ze spelen dat ze pannenkoeken zijn en zingen er het pannenkoekenlied bij. Ze springen en maken draaiende bewegingen met hun armen om het rollen van de pannenkoek na te doen. Tot ze iets tegenkomen op hun pad: een koe. Plotseling zijn ze allebei een koe. Met weidse armgebaren geven ze aan hoe dik de buik van de koe is. De koe zegt dat hij best trek heeft in een heerlijke pannenkoek. Zonder moeite verplaatsen de therapeut en K zich weer in de pannenkoek. Ze kruisen hun armen voor hun borst en maken de koe duidelijk dat zij niet van plan zijn hem als lekker hapje te dienen. ‘Nee!’ klinkt het uit twee monden. Dan rollen ze samen verder. Het volgende wat zij op hun pad tegenkomen is een paardje. Ook het paardje zou best een pannenkoek lusten. K kruist opnieuw zelfverzekerd haar armpjes voor de borst: ‘Nee!’ Bij het verder rollen komen ze allerlei andere dieren tegen. Poes Piedewiet bijvoorbeeld. Pannenkoek K geeft duidelijk aan zich ook door hem niet te laten opeten. De dieren die het pad van de pannenkoeken kruisen worden steeds kleiner. Op het laatst komt er een klein muisje naar hen toe. Met hun vingertjes bij hun mond geven therapeut en K aan hoe klein de snorhaartjes van het muisje zijn. Hoe schattig het diertje ook is, de pannenkoeken zijn niet voor hem bestemd. Want daar komen de stampende kindertjes aan. En ja, dan moet de denkbeeldige pannenkoek er toch echt aan geloven. Therapeut en K maken allebei kauwbewegingen en van de pannenkoek wordt daarna niets meer vernomen.

Het is onnodig aan K te vragen of ze het spelletje leuk vindt. Zelden een pannenkoek gezien die zo straalt van trots en plezier. Het is moeilijk voor te stellen dat K ooit bij de therapeut binnenkwam als een introvert en gespannen kindje. “K komt bij mij vanaf haar tweede,” vertelt de therapeut na afloop van de sessie. “Toen ze hier kwam zat haar motoriek helemaal op slot. Het eerste half jaar heb ik haar alleen maar ritmisch gewiegd. Ik maakte cirkelende bewegingen met haar lijfje in mijn armen. In het begin was haar lichaam helemaal verkrampt. Maar op een zeker moment ontspande ze zich langzaam en begonnen haar beentjes mee te gaan in de beweging.”

Apetrots!

“We waren apetrots!” vult K’s moeder aan. “We hadden al veel meegemaakt met K. Ze werd zeven weken te vroeg geboren. Niet lang na haar geboorte kreeg ze problemen, Ze wilde niet eten en groeide nauwelijks. Daarom kreeg ze sondevoeding. Ook op andere gebieden stagneerde haar ontwikkeling. Mijn man en ik bezochten allerlei artsen, specialisten en therapeuten met haar. Ze hadden allemaal hun mening over het gebied waarin ze gespecialiseerd waren. Ze vergeleken K vaak met leeftijdgenoten en legden haar langs de meetlat van de “normale ^ ontwikkeling”. Maar wat heb je aan zo’n meetlat? Wij vroegen ons af wie K nu echt was. Zo kwamen we op doorverwijzing van de huisarts bij het therapeuticum terecht, waar K zowel fysiotherapie als euritmie kreeg.” De therapeut legt uit dat zij als euritmietherapeut vaak nauw samenwerkt met een fysiotherapeut. De twee vakgebieden vullen elkaar aan. “Terwijl fysiotherapie een ingang zoekt in de ontwikkeling via de tastzin en massage, stimuleert de euritmie het leven, de stromende bewegingen in het lichaam. De antroposofie gaat ervan uit dat in het menselijk lichaam verschillende soorten krachten werkzaam zijn. Er zijn krachten die uit de aarde komen: dat is waar de fysiotherapie mee werkt. De heileuritmie werkt met de zogenaamde “vormkrachten” die uit de hemel komen. Om dit te begrijpen kun je het menselijk lichaam met een beukennootje vergelijken. In zo’n klein nootje zit een hele beuk besloten. Er zal nooit een eik uit groeien. Zo is het met een kinderlijfje ook. Bij de geboorte ligt de hele individuele ontwikkeling erin besloten. Die ontwikkeling is heel persoonlijk. Daarom kun je mensen bijvoorbeeld ook herkennen aan hun manier van lopen. De wijze waarop iemand zich beweegt is even persoonlijk als diens handschrift.”
Euritmie stimuleert de vormkrachten, zodat de individuele ontwikkeling ook werkelijk gaat plaatsvinden. In het geval van K stagneerde deze ontwikkeling omdat zij in haar jonge leventje al veel vervelende ervaringen had gehad. Er was telkens in haar geprikt voor de sondevoeding, slangen erin en eruit. De therapeut: “Dan krijg je als kleintje de indruk dat je lijfje niet echt een fijne plek is om in te wonen. Met de euritmietherapie laten we haar ervaren dat de aardse wereld ook heel mooi kan zijn. We spiegelen haar de aangename kant van het leven. Daarmee nodigen we haar uit om lekkerder in haar lijfje te komen. Hoever we komen zien we wel. Ze hoeft nergens aan te voldoen. We accepteren haar zoals ze is.”

Fysieke en psychische klachten

De therapeut krijgt op haar praktijk kinderen met uiteenlopende problemen. Zij helpt kinderen die slecht eten of slapen, bij wie de motorische ontwikkeling stagneert, maar ook kinderen die bedplassen, erg verlegen of juist buitensporig druk zijn. Fysieke en psychische problemen liggen bij kleine kinderen vaak dicht bij elkaar. Euritmie heeft voor de uiteenlopende klachten verschillende technieken. De therapeut legt uit hoe ze er met euritmie toe heeft bijgedragen dat K op een zeker moment is gaan eten. “We hebben spelletjes gedaan waarbij K met haar hele lijfje de beweging van de spijsvertering nabootste. Eten is iets uit de buitenwereld tot je nemen. Het is een beweging van buiten naar binnen.”
De therapeut gaat samen met K in een treintjeshouding zitten. Tuf tuf, doet het treintje. Als het bij een halte stopt, doen de therapeut en K hun armen wijd, alsof ze hun deuren openen voor mogelijke passagiers. Nadat er iemand is ingestapt geven vier armen aan dat de deuren weer dicht gaan. K en de therapeut tuffen verder, om even later weer met open armen een buitenstaander binnen te laten. “Je opent en je neemt terug,” verklaart de therapeut. “Zo maak je je lichaam vertrouwd met de natuurlijke bewegingen van de stofwisseling. De spijsvertering wordt wakkerder.’ ‘Op soortgelijke wijze hebben we de spraakontwikkeling van K gestimuleerd. Ook het praten kwam bij haar relatief langzaam op gang. Als je gaat praten moet je gezicht een steeds fijnere motoriek gaan ontwikkelen. Bij het pannenkoekenspel komen wij steeds kleinere dieren tegen. Bij de koe maken we grote bewegingen om zijn dikke buik aan te geven. Het muisje heeft daarentegen een heel klein mondje, waarbij we met heel kleine bewegingen van onze vingers het praten aangeven. De dieren hebben ook allemaal verschillende uitdrukkingen. Zo maak je de motoriek van het gezicht sappig en leuk. We hebben het pannenkoekenspel eindeloos herhaald om dit steeds te oefenen.” Eindeloos herhaald of niet, als het aan K ligt mag het pannenkoekenspel nog wel even doorgaan. Moeilijke woorden als spraakontwikkeling en euritmietherapie zeggen haar niets. De therapeut? Dat is gewoon die lieve mevrouw die elke week leuke spelletjes met haar doet!

.

Meer info: Nederlandse vereniging voor euritmie therapie

Ontwikkelingsproblemen – onder opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2131

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsstoornissen (5)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2002 nr.10
.

ADHD

A’s vader lijdt aan ADHD. Nog voor zijn geboorte vragen zijn ouders op het consultatiebureau om begeleiding bij de verzorging en opvoeding van de baby op komst. Dit om ADHD-gedrag te voorkomen of zo nodig in een vroeg stadium te kunnen opvangen.

Steeds vaker horen ouders van drukke, ongeconcentreerde en ongestructureerde kinderen dat hun kind lijdt aan ADHD.

Vaak wordt dan gekozen voor behandeling met Ritalin of andere onrust onderdrukkende medicijnen. ADHD-kinderen zijn kwetsbaar en vaak moeilijk, maar hebben meestal ook bijzondere begaafdheden. Door hen met Ritalin te behandelen, wordt niet alleen hun moeilijke gedrag onderdrukt, maar ook hun bijzondere en sterke kant. Daardoor wordt het moeilijker te ontdekken wie hij is en wat hij jou te vertellen heeft. Hoe dan ook vraagt het van ouders veel moed en wijsheid een kind met ADHD op te voeden. Het is zinvol daar medische en vooral opvoedkundige ondersteuning bij te vragen.

Erfelijk

De ouders van A realiseren zich al voor de geboorte van hun eerste baby dat ze die hulp wilden zoeken. Bij de vader is recent de ‘diagnose’ ADHD gesteld. Tot nu toe wordt ervan uitgegaan dat ADHD voor 80 procent erfelijk is en bovendien veel vaker voorkomt bij jongens dan bij meisjes. A’s ouders vroegen om te helpen bij het in een vroeg stadium voorkomen of begeleiden van ADHD-gedrag bij hun kind. Dat hield in dat er vanaf de geboorte veel aandacht zou zijn voor een ritmische dagindeling en een rustige omgeving met zo min mogelijk invloeden die overprikkeling kunnen veroorzaken, zoals radio- of tv-geluid, veel bezoek, meenemen naar de supermarkt enzovoort. Over de box zou de eerste tijd een roze doek worden gehangen om invloeden uit de omgeving wat te filteren. Bovendien zou de borstvoeding goed worden begeleid, omdat een baby zich door borstvoeding vaak diep ontspant, wat een harmoniserende invloed heeft. De vertering en darmfunctie is dan beter en juist de verteringsorganen hebben een belangrijke rol bij ADHD-gedrag.

Babymassage

A blijkt inderdaad een onrustige baby te zijn met veel darmkrampjes. Hij maait flink met armen en benen, ook in zijn slaap. Het inbakeren heeft succes, maar na een week of drie worden de ouders er zelf nerveus van en gaat het averechts werken. In plaats daarvan raad ik babymassage aan. Zachte inwrijving helpt een baby de grenzen van zijn lijfje te ervaren en het geeft bovendien een harmonische verdeling van de lichaamswarmte. Om dat weldadige gevoel te versterken, adviseer ik om hem na de inwrijving van het hele lijfje met Calendula Babyolie een mutsje op te doen en hem in de winter een wollen hemd en uaillot te laten dragen.

Na zeven weken kan A de overstap op biologische flesvoeding redelijk goed aan. Omdat recent onderzoek (Orthofolia, mei 2002) uitwijst dat er een belangrijke relatie is tussen onrustig gedrag en allergie of intolerantie voor bepaalde voedingsmiddelen, laten we een kinesiologe de voeding uittesten. A blijkt geen voedingsallergie te hebben, hij verteert de voeding goed.

Verder heeft ervaring uitgewezen dat vaccinaties bij kinderen een aanwezige, maar nog niet manifeste aanleg naar boven kunnen halen. Daarom besluiten de ouders de inentingen op een later moment en niet allemaal tegelijk te geven. Zo kunnen we A leren kennen in zijn aanleg, zijn ontwikkeling en zijn reacties op zijn omgeving zonder eventuele verstorende invloed van de vaccinaties. Het  voordeel van uitstel is ook dat we het effect van de gekozen aanpak goed kunnen beoordelen.

Hysterisch wakker worden

A ontwikkelt zich zeer snel. Met vier maanden rolt hij om en terug, ruim zes maanden oud staat hij op handen en voeten en gaat hij zelf zitten. Bij negen maanden wordt hij ’s nachts vaak hysterisch wakker en is dan niet meer stil te krijgen. We vermoeden dat dit te maken heeft met zijn snelle en heftige motorische ontwikkeling. Alleen een flesvoeding kan dan uitkomst bieden. Gelukkig slaapt hij overdag nog veel om alle indrukken te verwerken. Met dertien maanden is A een zeer ondernemend ventje dat stevig los loopt, nieuwsgierig en onderzoekend is en al de eerste woordjes spreekt. Hij vindt het prima om in de box te zitten. Ook blijkt hij zich goed te kunnen concentreren op nieuwe dingen en straalt dan rust uit. Wel is hij nog steeds supersnel en begrijpt hij meer dan bij zijn leeftijd past.
Voor A’s ouders was het organiseren van een ritmische dagindeling, waarin ze zichzelf en A beperkingen moesten opleggen, een intensief proces met veel vallen en opstaan.

Geneesmiddel

Wanneer een ADHD-kind wat ouder is, is onrustig gedrag minder makkelijk te voorkomen, op te lossen of om te buigen.
Maar ook dan zijn regelmaat, rust en ritme en een omgeving waarin het kind zo min mogelijk wordt geprikkeld basisvoorwaarden.

Onderzoek naar mogelijke voedingsallergie of mogelijk andere verstorende factoren, het laten ervaren van de eigen lichaamsgrenzen door inwrijving met olie, duidelijkheid in de opvoeding, een passende schoolsituatie en het goede voorbeeld van ouders die zelf ook worstelen met chaos, maar die het toch lukt om zichzelf grenzen te stellen, zijn belangrijke hulpmiddelen in de therapie.

Een mild geneesmiddel dat zijn waarde voor mij heeft bewezen bij de harmonisering van ADHD-gedrag is Weleda’s Aurum/Hyoscyamus, dat alleen op doktersrecept te krijgen is. Dit is een geneesmiddel dat een kind als het ware tot in zijn organisme voordoet hoe je rust kunt brengen in het proces van indrukken opnemen en ze weer uiten in gedrag, daden en gevoelens. Die rust is absoluut nodig voor het goed ‘verteren’ van indrukken. Bovendien helpt het middel als je kind angstig is.

Natuurlijk zal een aanleg voor ADHD niet verdwijnen. Maar jij en je kind kunnen wel leren omgaan met die aanleg, zodat hij zich niet zal laten leven door zijn onrust, maar die zelf een plek geeft in zijn leven.»

.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.

2097

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-9)

.
In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd. Maar ook recent werd er toch opnieuw weer op gewezen.

Eindovens Dagblad, 13-01-1998
.

Opzwepend geweld op Televisie meest schAdelijk voor kinDeren

Ouders kunnen wel denken dat ze altijd weten of hun kind bang wordt van bepaalde enge tv-rogramma’s, in de praktijk zitten ze er vaak naast. Televisie boezemt kleine kinderen veel vaker angst in dan hun opvoeders denken, zo blijkt uit onderzoek dat pedagoge en docent Patti Valkenburg voor haar promotie in de pedagogiek uitvoerde.

‘Vierkante ogen’ heet de populaire versie van haar studie en het kijken naar geweldsscènes komt daaruit naar voren als een bezigheid die niet voor niets door velen als een gevaar voor de geestelijke kindergezondheid wordt beschouwd.

Valkenburg vroeg bijvoorbeeld kinderen in twee leeftijdsgroepen wat ze doen als ze zichzelf willen geruststellen. Zowel bij de jongste groep (7-8 jaar) als bij de oudste (11-12 jr) was de favoriete houding: ’tegen mezelf zeggen dat het programma wel goed afloopt’. De jongste groep kroop eerder tegen vader en moeder aan dan de oudere, maar die groep zei eerder: ’het bloed is toch maar ketchup’. Wanneer kinderen vertelden bang te zijn geweest van iets op tv, bleek maar 39 procent van hun eigen ouders daarvan op de hoogte te zijn.

De begeleidende rol van de ouders is heel belangrijk. Ze moeten nooit zeggen: Pak ’m, of Goed Zo, als de held iemand op het gezicht mept. Want, zegt de pedagoge, kinderen kunnen niet relativeren. Opvoeders doen er beter aan uit te leggen wat er gebeurt in het verhaal.

De term ‘gelukkig geweld’ staat voor het soort televisiegeweld waarin de pijnlijke of tragische gevolgen voor de slachtoffers worden weggelaten. Wanneer kinderen wel zien dat een slachtoffer op de televisie pijn lijdt, wordt hun gevoel van medelijden opgeroepen en worden ze herinnerd aan hun culturele norm, dat het verkeerd is om anderen pijn te doen. De agressie van kinderen neemt af wanneer ze de gevolgen van de daden van hun superhelden zien.

De tv-serie Power Rangers moet zo ongeveer het slechtste zijn van wat we in Nederland aan onze jeugd voorschotelen, zo blijkt uit de analyse van Valkenburg. De serie is nog wel voor kinderen gemaakt ook. Terwijl het verhaal allerlei geweldkenmerken telt die agressief gedrag stimuleren. Elke aflevering bevat ongeveer 140 gewelddadige acties terwijl de gevolgen van het geweld onzichtbaar blijven. Dat wordt bovendien als gerechtvaardigd afgeschilderd. De Power Rangers trappen erop los, maar de slachtoffers raken nooit gewond en voelen nooit pijn. Het programma is het populairst bij kinderen tussen 6 en 8 jaar, de leeftijdsgroep die het gevoeligst is voor de effecten van televisiegeweld. Opzwepende geweldscènes zijn minstens het ergste wat de televisiemakers aan kleine kinderen kunnen voorschotelen, door de combinatie actie en harde muziek. ’Miami Vice’ is daarvan een voorbeeld. Bij kleine kinderen maakt het niet uit of het verhaal realistisch is of niet, want zij kennen het verschil tussen realiteit en fantasie nog niet.

Patti Valkenburg haalt een getuige uit een ietwat onverwachte hoek. Dick Wolf, maker van series als Miami Vice en Law and Order liet zijn kinderen toen ze acht en vijf jaar waren, nooit naar een van zijn producten kijken.
Wolf: „Mijn kinderen mogen ook niet naar tekenfilms kijken op zaterdagochtend….”

Patti Valkenburg: Vierkante ogen.

Zie bv. opspattend grind

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2046

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-6)

.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2001 nr.8
.

verwennen en ontwennnen

Ouders zijn vaak bang dat opa en oma de kleinkinderen te veel verwennen. Maar verwenning ontstaat niet door die ene keer per maand dat opa en oma met een tas vol lekkers en cadeautjes op bezoek komen. Verwennen is een sluipend proces.
En ook ‘ontwennen’ kost tijd.

De moeder van W van twee vindt haar dochtertje verwend: ‘Ze zeurt de hele dag en zet mij en haar zusjes aan het rennen. Eigenlijk heb ik het verwennen wel zien aankomen. W is gewend in huis allerlei dingen aan te wijzen en dan luid ‘die… die… die…’ te roepen. Dan moeten we allemaal komen kijken en als ze vervolgens niet meteen krijgt wat ze wil, zet ze het op zo’n dwingend krijsen dat iedereen meestal braaf geeft wat ze hebben wil. Dat is nu moeilijk terug te draaien. Mijn man vindt haar gedrag zo lastig dat hij direct doet wat ze vraagt of afstand van haar neemt en haar negeert. En dan moet ik uiteindelijk weer ingrijpen.’ Nu de omgeving W’s dwingelandij niet langer pikt, realiseert haar moeder zich dat het moment is gekomen dat ze echt moet gaan ingrijpen. Maar het is lastig de ingeslepen patronen waardoor het verwende gedrag is ontstaan terug te brengen tot normale proporties en daarin consequent te zijn.

In de watten leggen 

Wat is verwennen eigenlijk? Verwennen is te veel geven: te veel met de ander meegaan in zijn wensen. Vaak gebeurt dit uit zorgzaamheid of tederheid. Maar een verwend kind raakt er zo aan gewend dat anderen zijn problemen voor hem oplossen, dat hij niet leert zich er zelf voor in te zetten. Verwennen kun je ook omschrijven als ‘in de watten leggen’. Je geeft de ander niet de kans te leren omgaan met grenzen. Want in zachte watten voel je geen grenzen. Dat maakt passief en uiteindelijk ook angstig. Als je iemand verwent, neem je dus iets over van wat die ander eigenlijk zou moeten doen. Dat is natuurlijk niet altijd verkeerd. Er is niets op tegen dat je iemand die herstelt van een ziekte een poosje makkelijk verteerbare voeding geeft, zodat zijn spijsvertering niet zo hard hoeft te werken. Maar er gaat wel degelijk iets verkeerd als je een kind van twee jaar nog steeds voedt met gemalen prakjes. Die vormen geen enkele uitdaging voor zijn kauwspieren, waardoor hij gemakkelijker eetstoornissen kan ontwikkelen.

De scheidslijn tussen verzorgen en verwennen is niet altijd makkelijk te vinden. Verwen je een kind door hem warm te kleden? Niet zolang je hem ook de kans geeft in de confrontatie met regen en kou zijn warmte-organisatie te ontwikkelen. Maar je verwent een kind wel als je hem altijd overal lekker warm houdt. Zijn spieren worden verwend als je ze niet aan het werk zet en je verwent zijn lever als je hem te veel kant-en-klare suikers aanbiedt. Verwend gedrag is eigenlijk een ultieme vorm van hulpeloosheid. Een verwend mens weet zelf geen oplossingen te vinden voor allerhande dagelijkse problemen. Een verwend kind kan zich niet aanpassen, want dat heeft hij niet geleerd.

Verwennen is anti-opvoeden

Wanneer je als ouder bang bent je kinderen te verwennen, kun je wel eens in het andere uiterste vervallen. Opvoeden wordt dan drillen en afharden. Dan zal zijn warmte-organisatie inderdaad niet verwend raken, maar wel afgestompt. Want als je een kind consequent te koud kleedt, zal hij niet het intens behaaglijke gevoel leren kennen van het je tot in elke vezel van je lichaam warm voelen. Laat je hem consequent huilen omdat je hem niet wilt verwennen, dan kan het gebeuren dat hij afleert door huilen te vertellen dat er iets met hem aan de hand is. Dan kan het heel zoet lijken, maar innerlijk is het lam geslagen en heeft het opgegeven iets van zichzelf te laten zien. Net als verwennen is afharden een vorm van anti-opvoeding.

Bij verwennen spelen zoveel factoren een rol dat het onmogelijk is een recept te geven voor een niet-verwennende opvoeding. Wat bij het ene kind verwenning oplevert, is voor de ander juist de aandacht die hij nodig heeft om zich goed te ontwikkelen. Een heel atletisch kind hoeft niet gestimuleerd te worden een flinke wandeling te maken. Maar een rustig, in zichzelf gekeerd kind zul je zo nu en dan uit zijn wereldje moeten halen, opdat hij meedoet aan een gezamenlijke activiteit. De spijsvertering van een allergisch kind is over het algemeen gebaat bij hypo-allergene voeding, maar toch zul je hem af en toe ook eens moeten uitdagen met een hapje waar hij zich wat meer voor moet inspannen. Verwennen maakt lui, en luiheid wekt irritatie op. Het verwende kind zelf snapt niets van de irritatie die hij in zijn omgeving oproept. Voor hem is het immers gewoonte dat hij op zijn wenken wordt bediend.

Ontwennen

Het ontwennen van een verwend kind vraagt tijd. Gaandeweg zal de moeder van W de ingesleten gewoontes die van W een dwingeland maakten moeten zien te vervangen door zinvolle gewoontes. Gewoontes zijn nodig om een stevige basis te geven aan het dagelijkse leefpatroon. Daarbij horen ook de grenzen die een kind in de opvoeding moet tegenkomen om zichzelf te leren kennen. Het doet er eigenlijk niet zo toe welke grenzen dat zijn. Het is wel van belang dat de gekozen lijn consequent wordt aangehouden. Beter één duidelijke grens dan veel vage grenzen. Binnen die grens kan een kind op ontdekkingstocht gaan. Daar hoort bij dat hij tegen de grens oploopt, eraan gaat peuteren en onderzoekt hoe lang die grens het uithoudt overeind te blijven als hij er tegenaan schopt. En als dat te veel gejengel en gehuil oplevert, dan verwen je je kind echt niet als je hem helpt zijn aandacht op iets anders te richten. 

.
voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2037

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-8)

.
In deze rubriek ‘opvoedingsvragen nr. 19’ gaat het om de invloed van tv op kinderen.
Ik krijg de indruk dat we er weinig bij stilstaan.
Jaren geleden hoorde je meer over ‘tv en agressie’ enz.
Uit dat verleden staan op deze blog verschillende artikelen.

Maar niet alleen uit die oude artikelen blijkt dat er negatieve invloed kan zijn.
Van veel recnter datum is bv. dit of dit

Op 08-01-2020  stond in Trouw dit bericht:

Sommige films zijn tóch te eng voor twaalfjarigen

Kijkwijzer maakt de leeftijdscategorieën voor films, series en tv-programma’s nog preciezer, de leeftijden 14 en 18 worden toegevoegd.

Heftige geweldfilms, heftige porno: tot nog toe werden ze geschikt geacht voor 16 jaar en ouder. Maar vanaf deze week is er ook een Kijkwijzer voor 18-plus. Zestienjarigen zijn nog erg beïnvloedbaar, zegt het Nicam, het instituut achter de Kijkwijzer. Bij hen kunnen extreme beelden leiden tot agressie of verhoogde tolerantie van geweld tegen vrouwen.

Tot kort werkte de Kijkwijzer met de vijf adviezen ‘alle leeftijden’, 6,9,12 en 16 jaar. Daar komen er nu twee bij: die voor 18 jaar en eentje voor 14 jaar. Die laatste grens geldt vooral voor films waarin de personages seks hebben terwijl ze dronken of onder invloed van drugs zijn, zonder dat wordt getoond welke negatieve gevolgen die combinatie kan hebben. Al bestaande films en series krijgen geen nieuwe leeftijdslabels, programma’s die vanaf deze week verschijnen wel.

Ook enge scènes hebben een grote impact op opgroeiende kinderen. De sciencefictionfilm ‘The Maze Runner’ uit 2014 zou het label 14+ krijgen als het dit jaar zou verschijnen. Zes jaar geleden zei de Kijkwijzer dat de film geschikt was voor tieners vanaf 12 jaar. The Maze Runner gaat over een tiener met geheugenverlies die wakker wordt in een bewegend doolhof waar reusachtige insecten wonen. Samen met een groep andere tieners moet hij uit het labyrint ontsnappen.

“De film speelt zich af in een totaal andere wereld en dat stelt kinderen gerust bij enge scènes. Ze weten dat wat ze zien, niet echt kan gebeuren”, zegt Tiffany van Stormbroek van de Kijkwijzer. Uit onderzoek blijkt dat kinderen het verschil tussen echt en nep wel zien, maar ze vergeten tijdens het verwerken van de beelden dat het monster niet bestaat.

De Kijkwijzer is alleen een richtlijn en die kunnen ouders en kinderen gewoon naast zich neerleggen. Toch blijkt dat ouders én tieners er prijs op stellen, zegt Van Stormbroek. Ook omdat ze gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Zo blijkt uit diverse studies:

= dat kinderen die te jong aan geweld op tv worden blootgesteld ongevoeliger kunnen worden voor geweld,

= het mogelijk sneller zelf gaan gebruiken

=er angstiger door kunnen worden.

Ouders kunnen zelf het beste inschatten hoeveel geweld hun kinderen aankunnen. De specifiekere adviezen maken het alleen makkelijker om een beslissing te nemen.”

Ook wordt het duidelijker hoe Kijkwijzeradviezen tot stand komen en waarom een specifieke film of serie deze aanbeveling krijgt. Het soort geweld dat te zien is, krijgt een uitgebreidere toelichting op de website van de Kijkwijzer. Zo kunnen kijkers opzoeken of zelfmoord of dierengeweld voorkomt in een bepaalde film. Momenteel is deze informatie alleen beschikbaar voor nieuwe bioscoopfilms, straks ook voor tv-programma’s, dvd’s en streamingsdiensten als NPO Start.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

2027

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen

.
Ingrid Gouda Quint in gesprek met Monique Wortelboer, Weleda Puur Kind, herfst 2006, nr. 18
.

Opvoeden is meebewegen op de stroom
.

Kinderen hebben andere behoeften dan volwassenen, en daardoor een ander tempo. Zitten zij net lekker te spelen, wil jij aan tafel. Moet jij de deur uit voor ue boodschappen, treuzelen zij met hun jas. Hoe grijp je daarbij in en hoe voed je hen spelenderwijs op? Monique Wortelboer, zelf moeder van vijf kinderen, pleit voor go with the flow.

Iedere ouder weet het: kinderen opvoeden vergt geduld. Doe maar eens een poging een kleuter mee te nemen naar de supermarkt als hij net lekker bezig is een hut te bouwen. Probeer die kleuter weer uit die supermarkt te krijgen als hij daar trots met een klein winkelwagentje rondstapt. En probeer de ontbijtboel af te ruimen omdat je nu écht naar je werk moet en hij naar het kinderdagverblijf, terwijl diezelfde kleuter net heeft ontdekt dat je rozijnen uit een krentenbol kunt peuteren. Je wilt dat je kind naar jou luistert, maar het heeft er soms alle schijn van dat je kind uitgerekend op de momenten dat het juist moet, niet gehoorzaamt.

Monique Wortelboer studeerde wijsbegeerte en Franse taal- en letterkunde, gaf jarenlang les aan een middelbare school, zette vijf kinderen op de wereld en schreef een paar jaar geleden het boek Huishouden, de zorg voor het leven. Een praktijkdeskundige dus met een aansprekende visie op het opvoeden van kinderen, die haar adviezen verhelderend kan toelichten.

Afdwingen leidt tot dwarsliggen

‘Probeer je bij kinderen iets af te dwingen, dan is dat vrijwel zeker tot mislukken gedoemd,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Dat komt niet doordat kinderen zo nodig dwars moeten liggen, maar doordat volwassenen vaak niet weten en zien wat er in een kind omgaat. De ideale situatie is dat je de dagelijkse dingen laat gebeuren zonder dat de kinderen het in de gaten hebben. Het geheim daarvan is dat je die dagelijkse dingen niet direct benoemt. Zeg niet: “Nu moet je opstaan, want we gaan ontbijten”, maar zorg ervoor dat het patroon rond het opstaan voor je kind herkenbaar is.’

’s Ochtends vroeg hoort je kind het geluid van de douche, het hoort een deur en er zijn de vertrouwde geluiden vanuit de keuken. Het patroon kan zijn dat je daarna naar zijn kamer gaat, de gordijnen openschuift en op de rand van zijn bed gaat zitten. Welk patroon je ook hebt, die vaste handelingen gedurende de ochtend laten je kind weten dat het tijd is om uit zijn bed te komen en dat hij hierna gaat eten. ‘Dat vaste ritme is essentieel,’ legt Monique uit. ‘Een telkens terugkerende vorm geeft houvast. Als je een gezond ritme in de dagelijkse handelingen weet te krijgen, geef je je kind daarmee houvast en herkenningspunten en gaat het opvoeden bijna vanzelf.’

Veilig houvast

Tegenwoordig gebeurt er veel op impulsen van tijd: nu dit, gauw even dat, niet vergeten zus en dan nog snel even zo. ‘Telkens impulsief doen wat in je opkomt, is funest voor een gezond ritme,’ stelt Monique Wortelboer. ‘Ik pleit absoluut niet voor een starre tijdsindeling, maar ik ben wel voorstander van een duideliik herkenbaar ritme in de week. Eten en slapen zijn basisgegevens die al automatisch zorgen voor een kader, maar er zijn meer herkenningspunten aan te brengen waar je kind een veilig houvast aan heeft. Stel dat je drie dagen per week werkt, zorg dan dat die dagen duidelijk herkenbaar zijn door dezelfde oppas, of hetzelfde ritueel voordat je hem naar het kinderdagverblijf brengt. Op de dagen dat je thuis bent, breng je een duidelijk ritme aan door simpele handelingen als bijvoorbeeld eendjes voeren na het boodschappen doen, of strijken als je kind uit zijn bedje komt. Zit dat ritme goed, dan beweegt een kind als vanzelf mee op die stroom.’

Levende situaties 

Toch hoef je maar om je heen te kijken om te weten dat het ook grandioos mis kan gaan. Menig ouder kent het moment van bijna niet te onderdrukken ongeduld als je kind in de gang bij de kapstok staat te teuten, terwijl jij al veel te laat bent voor je werk. Meesleuren dat kind, of toch maar meegaan op de stroom, die doorgaans stukken trager is dan dat van de jachtige volwassene?
‘Kleine kinderen varen niet alleen mee op de stroom, ze zijn ook afhankelijk van de dingen die zij om zich heen zien,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Zij kunnen zich niet, zoals een volwassene, een beeld vormen van dat wat gaat komen. Kinderen hebben levende situaties nodig. Als je tegen een klein kind zegt dat je samen naar buiten gaat en dat hij daarom zijn jasje aan moet trekken, zal dat weinig effect hebben. Maar als hij jou kan nabootsen, verandert dat de situatie. Als jij je eigen jas aantrekt, hem een beetje helpt met de zijne en intussen rustig uitlegt dat
je samen naar buiten gaat, voelt je kind zich verbonden met jouw beweging en daarin gaat hij vanzelf mee. Even afgezien van tweejarige kinderen, die nu eenmaal op hun leeftijd de koppigheidsfase doormaken, is het de kunst een kind af te leiden en hem mee te laten bewegen op de stroom die jij hem aanbiedt. Verzin een liedje. Dat heeft een ritme en een stroming waardoor kinderen vanzelf mee gaan bewegen. Bedenk maar iets, geeft niet wat: “Hé, pak je jasje en hier is je dasje, en pak ook je schoen, dan gaan we het samen doen”. Zoiets.’

Ook slapengaan is in veel gezinnen met jonge kinderen een dagelijks terugkerend probleem. Monique Wortelboer is ervan overtuigd dat ook hier het geheim is te vinden in een dagelijks terugkerend ritueel met een bijbehorende vertrouwde onderstroom van herkenningspunten. ‘Zeg niet: “Zo, nu ga je naar bed”, maar zorg voor een vast ritme en een vaste volgorde. Begin met wassen, tanden poetsen, verhaaltje voorlezen en een liedje zingen en roep bij die handelingen beelden op die jouw kind aanspreken. Als jullie een poes hebben, kun je het erover hebben dat ook de poes gaat slapen, dat hij al lekker in z’n mandje ligt en dat de poes ook gaat dromen.’

Neem spelen serieus

Hoewel het in de ogen van menig volwassene ‘maar’ spelen is, is spelen voor een kind totale levensernst. Het is zijn vorm van werk. ‘Kijk naar het spel van je kind zoals je kijkt naar je eigen werk’, raadt Monique Wortelboer dan ook aan, ‘en respecteer het als zodanig. Dat betekent dat je ook de overgang van zijn spel naar rust moet eerbiedigen.’
Net zo min als jij het zou pikken als een collega jouw rapporten en verslagen op je bureautafel bijeen zou vegen met de woorden “Zo, nu gaan we samen lunchen”, pikt een kind het niet als jij de duplo waarmee hij speelt in een krat stopt, en zegt: “Zo, nu gaan we naar oma”.

Om een brug te slaan tussen spel en bijvoorbeeld ‘aan tafel gaan’ of ‘jas aantrekken en vertrekken’, kun je je kind helpen. ‘Overval je kind niet, maar laat merken dat er andere bezigheden aankomen’, zegt Monique. ‘Vroeger was het afdoen van het schort een duidelijk teken van de moeder dat het werk er in de keuken opzat, maar niemand draagt tegenwoordig nog zo’n ding. Zoek het daarom in andere herkenningspunten.’ Als het bijna etenstijd is, kun je vast beginnen met tafeldekken of een kaarsje aansteken. Je kunt ook weer gebruik maken van een liedje. Snel zal het allemaal niet gaan, maar bedenk maar dat de jaren dat je op deze manier gedwongen onthaast, zijn te tellen op de vingers van nauwelijks twee handen. Jaren die later mooi en van onschatbare waarde blijken te zijn. 

Monique Wortelboer: boeken

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-7)

.

Al jaren geleden was er aandacht voor agressie en de invloed van bepaalde tv-programma’s.

Niemand weet precies hoe het ‘echt’ zit, maar de samenhang zomaar ter zijde schuiven, is een andere kant.

Regelmatig vind je stukjes in de kracht waarijn melding wordt gemaakt van geweld, vaak in combinatie met de ‘beeldende’ media: tv, clips, games e.d.
.

 

Dr.Jan Verhulst, ED 04-06-1997
.

Televisiegeweld slecht voor jeugd

Is het slecht als kinderen naar geweld op de tv kijken?
AI jaren ruziën psychologen, pedagogen en agogen over het antwoord op deze vraag. Over het algemeen gaat men in de discussies over dit onderwerp uit van drie verschillende hypothesen.

Allereerst is er de zogenoemde reductiehypothese. Voorstanders van deze opinie gaan ervan uit dat het kijken naar geweld de neiging om zelf gewelddadig te handelen doet afnemen.

Volgens de tweede hypothese (de stimulatiehypothese) werkt het kijken naar geweld, gewelddadig gedrag juist in de hand.

De derde hypothese, ten slotte, gaat ervan uit dat het helemaal niets uitmaakt of een kind al dan niet naar gewelddadige films kijkt.

De hoogleraar pedagogiek Tom van der Voort heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de effecten van het kijken naar geweld op de tv bij kinderen. In zijn boek ,De invloed van televisiegeweld’ (uitg. Swets en Zeitlinger) zet hij alle resultaten op de rij.

Om met de belangrijkste conclusie te beginnen: het kan wel degelijk kwaad als kinderen regelmatig naar gewelddadige films en/of tv-series kijken. Dat is dus niet zo best. Zeker niet als je in aanmerking neemt dat de dramaproducties voor kinderen gemiddeld meer geweld bevatten dan die voor volwassenen. Van der Voort laat er dan ook geen twijfel over bestaan dat de stimulatie-hypothese wel degelijk het meest plausibel is. Hoe, en de mate waarin het kijken naar geweld bij kinderen agressie opwekt is een complexe zaak. Dat hangt ondermeer af van de persoonlijkheidskenmerken van het kind en van de omgeving waarin het opgroeit. Want, zo stelt Van der Voort: televisiegeweld is slechts een van de factoren die agressief gedrag bij kinderen in de hand werken.

Kijken naar geweld op de tv werkt bij kinderen agressief gedrag in de hand omdat ze vaak zien dat geweld lonend is (de sterkste wint). Ook leren ze via tv allerlei vormen van geweld kennen, waar ze voorheen nog niet bij hadden stilgestaan. Kinderen worden door tv-geweld dus op verkeerde ideeën gebracht. Ook is het onderzoek gebleken dat kinderen door het veelvuldig zien van geweld hun angst en remmingen voor agressief gedrag verliezen. En dan gaat het vooral over de relatief mildere vormen van agressief gedrag, zoals pesten, plagen, vechten en slaan.

Ook de ouders spelen een belangrijke rol, omdat hun reactie op het getoonde geweld doorslaggevend kan zijn. Als ze vrolijk mee gaan zitten vechten en aan hun kinderen laten merken dat ze al dat geweld prachtig vinden, dan is de kans groot dat hun kinderen opgroeien tot nietsontziende, gevoelsarme vechtersbazen, zonder enige moraal. En dat is nog niet alles: de kans is ook nog aanwezig (vooral bij onzekere en labiele kinderen) dat het zien van geweld aanleiding geeft tot nachtmerries, angsten en slaapstoornissen.

Redenen genoeg dus om eindelijk maar eens een punt te zetten achter deze al zolang lopende discussie. Kinderen moeten gewoon niet kijken naar agressieve en/of gewelddadige films en tv-series: ze worden er zeker niet beter van, alleen maar slechter.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1989

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Verkouden

.
Pieter HA Witvliet
.

Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

De relatie vrijeschool en Weleda is een indirecte: beide zijn ontstaan door het in praktijk brengen van gezichtspunten van Rudolf Steiner.

Een vrijeschool zal nooit uit eigener beweging zelfzorgmiddelen en/of medicijnen aanbevelen: dat kan alleen in samenwerking met een antroposofisch arts en/of de ouders.

Het gemeenschappelijke zou gevonden kunnen worden in het belangrijke aspect van de gezondheid van het kind, in geestelijk en lichamelijk opzicht.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Maar ook de verkoudheden, verstopte neuzen en pijnlijke kelen in het najaar en de winter konden ter verlichting rekenen op een paar geweldige Weledapoducten.

Daarom, als een soort eerbetoon en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat:

Griep

Heeft je kind last van griep of verkoudheid, geef hem dan drie keer  per dag Kinfludo korrels. Dit natuurlijke middel met als hoofdbestanddeel monnikskap onderdrukt de koorts niet, maar ondersteunt het natuurlijke genezingsproces. Zo kan je kind een griep of verkoudheid zelf overwinnen, en zijn immuunsysteem wordt hierdoor sterker.

Uitgebreide informatie

Verstopte neus

Wanneer je kind verkouden is, zorg dan in de eerste plaats voor voldoende warmte. Om zijn verstopte neus weer vrij te maken, kun je ’s ochtends en ’s avonds een beetje neuscrème onder of rond de neusgaten aanbrengen. De crème bevat etherische oliën van pepermunt, eucalyptus en tijm die de vochtproductie verminderen en de lichaamseigen afweer ondersteunen.

meer informatie

meer informatie

Hoest

Of het nu gaat om een droge prikkelhoest of een hoest met veel slijm, hoestelixer kalmeert en verzacht waardoor je kind meer rust heeft en ’s avonds beter inslaapt. Het elixer bestaat uit een rijke compositie van tijm, anijs, zonnedauw, malrove, braakwortel, bitterzoet en heemst. Deze planten verzachten ontstoken en geprikkelde slijmvliezen en werken ontkrampend en slijmoplossend op de bovenste luchtwegen zonder de natuurlijke hoestprikkel te onderdrukken.

Meer informatie

Vrij ademhalen

Bij een verkoudheid helpt Rhinodoron bij de afvoer van slijm uit de neus. De neusspray bestaat uit water met natuurlijke zouten en Aloë vera die het gevoelige neusslijmvlies van je kind bevochtigen, reinigen en verzorgen. Je kind kan weer door zijn neus ademen.

Meer informatie

.

Weleda Puur Kind, herfst 2004 nr. 14
.

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1919

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)


.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

.

Mr.R.M.H.Houwink in ‘De Vacature’, maand?  1976

Enige opmerkinger over het TV-kijken door onvolwassenen

Eer wij nader ingaan op bovenstaand onderwerp moeten wij vaststellen, dat helaas een toenemend aantal naar hun leeftijd volwassenen, psychisch – maar in het bijzonder emotioneel – de volwassenheid niet hebben bereikt.

Het is duidelijk, dat hierdoor het gevaar van de tv als accumulator van het agressieve driftleven aanzienlijk is toegenomen.

Toch menen we, dat de jeugd het meest te lijden heeft van de vele tv-programma’s, die op de beeldbuis komen en waarin het geweld domineert.

Misschien is het goed, vooraf een onderscheid te maken tussen de prepuberale en de puberale onvolwassenen.

De eerste groep mist als zodanig elk redelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van de reële of gefingeerde gewelddadigheden, die op het scherm verschijnen.
Hoe jonger zij zijn des te ontvankelijker zijn zij voor de angstgevoelens, die deze schrikbeelden bij hen opwekken. En men weet, dat verschijnselen van agressie op latere leeftijd terug te voeren zijn tot in het onderbewuste weggedoken kinderangsten.

In dit verband dient terloops gewezen te worden op het verschil in werking van voor kinderen bestemde televisieverhalen tussen vier- en zevenjarigen.

De grote angstogen van vierjarigen zijn mij bijgebleven tegenover de pretogen van zevenjarigen bij het kijken naar dezelfde uitzending!

Globaal betekent dit, dat in de prepuberale fase angstgevoelens bij het tv-kijken overwegen, ook bij de meeste voor die leeftijd bestemde uitzendingen, omdat de makers zich niet hebben kunnen inleven in de verbanden, die het jonge kind legt tussen de diverse figuren en gebeurtenissen en daarbij ten behoeve van het kind niet corrigerend kunnen optreden.
Zoals dat in het gezin of op de kleuterschool wél mogelijk is; waar een groot aantal dreigende misverstanden, eer zij zich hebben vastgezet in de kinderziel, uit de weg kunnen worden geruimd.
Dit uiteraard alleen door attente en „verstandige” ouderen. Men denke aan o.a.: de dood, Sinterklaas, (nog altijd !) de ooievaar.

Maar als de ouders deze televisie-uitzendingen niet óók zien of in hun gezin niet díe sfeer hebben weten te creëren, die ook de jongste kinderen gelegenheid geeft, om onbevangen met hun vragen voor de dag te komen, dan is de kans groot, dat deze jonge kinderen „hun” conclusies uit het aanschouwde trekken en dat zullen uiteraard meestal verkeerde conclusies zijn, omdat zij niet over de noodzakelijke ervaringskennis beschikken, die hen in staat stelt, verbeelding en werkelijkheid te onderscheiden.

Voor de zevenjarigen en ouderen geldt over het algemeen, dat zij tot de puberteit vooral behoefte hebben aan „werkelijkheid”, d.w.z. aan ontmoetingen met de wereld, waarin zij leven.
Het oeverloos vragend „waarom” heeft plaats gemaakt voor het doen van eigen ontdekkingen en daarbij behoort, via film en tv, ook de wereld van het geweld.

De imitatie-drang van het kind, waaraan het voor zijn ontwikkeling zoveel te danken heeft, kan helaas pathologische vormen aannemen.

Dat gebeurt overal daar, waar geen gezond en normaal gedragspatroon in het gezin is (wordt) opgebouwd en de ouders hetzij uit onwetendheid, onverschilligheid, of door een verkeerd begrepen autoritaire opvoeding het kind loslaten in een vorm- en normloze ruimte, die dan zijn „levensruimte” wordt (of heet).

Overal, waar het kind in deze woestijn terecht komt, zal het als reactie op de leegte, waarin het zich bevindt tot dwangmatig handelen komen en zo is de kans groot, dat de imitatie-drang verandert in imitatie-dwang.

Een afschuwelijk voorbeeld hiervan speelde zich af, ongeveer twee maanden geleden, in het plaatsje Kevelaer, een vermaard bedevaartsoord in West-Duitsland.

Twee meisjes van dertien en veertien jaar vermoordden er in koelen bloede, zoals dat heet, een jongetje van zeven. Bij het onderzoek bleek, dat zij tot hun daad gekomen waren door het zien van een groot aantal misdaadfilms. Vóór de moord zagen zij nog „Une partie de plaisir” van Claude Chabrol.
Tot groot plezier van de jongste trapte daarbij de hoofdpersoon de schedel in van zijn gescheiden vrouw.

Natuurlijk hebben wij hier te maken met een exces, terwijl de oudste van het tweetal bovendien geestelijk niet volwaardig bleek te zijn; hoewel juist de jongste als initiatiefneemster optrad!

Maar dit exces wijst naar het groot gevaar, dat bijna geheel onze opgroeiende jeugd via de overdaad aan z.g. „harde” tv-films bedreigt.

Deze films spelen in op de sluimerende agressieve gevoelens van emotioneel verwaarloosde jeugd; waarbij men niet vergeten mag, dat verwenning een van de ergste vormen van verwaarlozing is.

Het toenemend aantal kinderen, dat opgroeit in een milieu, waarin zij lichamelijk en geestelijk tekortkomen, veroorzaakt als het ware een stuwing van agressiviteit, die gemakkelijk exploderen kan, vooral wanneer twee of meer van deze kinderen elkaar vinden (vergelijk de destijds gerucht makende Baarnse moordzaak).

Ook later, veel later kan een dergelijke, gestuwde agressiviteit tot explosie komen. Zij verklaart ten dele de toeneming van geweld over de gehele wereld.

Onze scholen zouden zich daarover zorgen moeten maken en – het is héél véél gevraagd! – zich medeverantwoordelijk voelen voor het trieste lot van zovele jongeren, die niet leven kunnen in de verlatenheid van hun wereld en die als ze de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt, alles hebben meegemaakt, wat zich aan hen opgedrongen heeft, van diverse soorten drugs tot diverse soorten sexuele experimenten toe.
En die dan leeggeroofd achterblijven met zichzelf in situaties, die voor velen hunner feitelijk niet meer leefbaar zijn.

Nu het gezin als primair opvoedingsmilieu steeds meer faalt – daarvan mogen wij de ouders zeker niet alleen en niet in de eerste plaats de schuld geven) -, dient de school als tweede opvoedingsmilieu steeds meer in functie te treden en zich niet langer uitsluitend vast te leggen op haar onderwijzende taak.

De consequentie hiervan is: individuele begeleiding van het kind, dus kleinere klassen; een verzwaring van de taak van hen die onderwijs geven, méér geld nodig voor minder éclatante prestaties.

Daartegenover is maar één alternatief, dat dreigend naderbij komt: staatsscholen, gebaseerd op een onveranderlijke ideologische basis, waarbij het met onze geestelijke vrijheid is gedaan. Linkse of rechtse partijdiscipline.

Het lijkt sommigen een uitkomst, die moe zijn geworden van het ongrijpbare, chaotische leven, waarin wij onze kinderen zien opgroeien, zonder persoonlijke idealen en zonder enig persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.

De tv met haar sterk commerciële inslag, waarbij hoofdzakelijk gelet wordt op wat het doet bij een zo groot mogelijk aantal kijkers, volgt rustig haar harde lijn van simpele of meer geraffineerde geweldplegingen, die de volwassenen ondergaan als een soort van bevrijdende voldoening van de in hen sluimerende sadistische neigingen, doch die maar zelden bij psychisch normalen tot navolging zullen prikkelen en als zodanig als „onschuldig” gelden.
Daartegenover staat het kwalijke effect, dat deze misdaadfilms en bepaalde reportages hebben op de talrijke onevenwichtige jongeren, die aan wat zij op het scherm zien de vrijheid tot imitatie ontlenen.
Wie vele malen op de beeldbuis heeft gezien, hoe iemand in elkaar geslagen wordt, heeft een drie glazen bier genoeg om hetzelfde te doen, wanneer men zich van elke verantwoordelijkheid voor het leven van een ander heeft ontdaan.
Het is volstrekt onnodig, dat men zijn slachtoffer kent, ofschoon z.g. „wraak-acties” aan de orde van de dag zijn.
Een lichte alcoholroes is voldoende, om het laatste vleugje „cultuur” weg te blazen. En het onbeperkt machtsbesef van het moment bevredigt – voor dat moment! – lange, donkere jaren van onbegrip en lichamelijke en geestelijke verwaarlozing, samen te vatten als onherbergzame liefdeloosheid.
De vensterloze agressiviteit drijft ontelbare jongeren in de fuik der criminaliteit, voorzover zij niet aan ongelimiteerd druggebruik ten gronde gaan.

Wij menen, dat de televisie voor een niet onbelangrijk deel schuld draagt aan deze onttakeling van de jeugd en te weinig rekening houdt met de gevolgen van de amusementsprogramma’s, die zij biedt en waarbij het geweld maar al te vaak op de voorgrond staat. Overigens willen wij met nadruk vaststellen, dat naar haar oorsprong de jeugdproblematiek weliswaar heel eenvoudig ligt, maar dat de gecompliceerdheid van haar uitwerking en aanpak zo moeilijk is, dat het onjuist en in hoge mate onbillijk zou zijn aan welke afzonderlijke instanties ook de schuld te geven.

Wij hebben hier te maken met een maatschappelijk probleem van de eerste orde, dat ons allen aangaat en dat alleen zo goed mogelijk kan worden opgelost door samenwerking van alle betrokken instanties. En helaas is het zo ver nog lang niet.

Maar omdat de school als tweede opvoedingsmilieu, en ook door haar relatie met de ouders, hier een belangrijke taak heeft, meenden wij er goed aan te doen een van de actuele knelpunten van deze zaak naar voren te brengen.

‘) Vgl. Dostojewsky: „Chacun de nous est coupable devant tous, pour tous et pour tout.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.