Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen

.
Ingrid Gouda Quint in gesprek met Monique Wortelboer, Weleda Puur Kind, herfst 2006, nr. 18
.

Opvoeden is meebewegen op de stroom
.

Kinderen hebben andere behoeften dan volwassenen, en daardoor een ander tempo. Zitten zij net lekker te spelen, wil jij aan tafel. Moet jij de deur uit voor ue boodschappen, treuzelen zij met hun jas. Hoe grijp je daarbij in en hoe voed je hen spelenderwijs op? Monique Wortelboer, zelf moeder van vijf kinderen, pleit voor go with the flow.

Iedere ouder weet het: kinderen opvoeden vergt geduld. Doe maar eens een poging een kleuter mee te nemen naar de supermarkt als hij net lekker bezig is een hut te bouwen. Probeer die kleuter weer uit die supermarkt te krijgen als hij daar trots met een klein winkelwagentje rondstapt. En probeer de ontbijtboel af te ruimen omdat je nu écht naar je werk moet en hij naar het kinderdagverblijf, terwijl diezelfde kleuter net heeft ontdekt dat je rozijnen uit een krentenbol kunt peuteren. Je wilt dat je kind naar jou luistert, maar het heeft er soms alle schijn van dat je kind uitgerekend op de momenten dat het juist moet, niet gehoorzaamt.

Monique Wortelboer studeerde wijsbegeerte en Franse taal- en letterkunde, gaf jarenlang les aan een middelbare school, zette vijf kinderen op de wereld en schreef een paar jaar geleden het boek Huishouden, de zorg voor het leven. Een praktijkdeskundige dus met een aansprekende visie op het opvoeden van kinderen, die haar adviezen verhelderend kan toelichten.

Afdwingen leidt tot dwarsliggen

‘Probeer je bij kinderen iets af te dwingen, dan is dat vrijwel zeker tot mislukken gedoemd,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Dat komt niet doordat kinderen zo nodig dwars moeten liggen, maar doordat volwassenen vaak niet weten en zien wat er in een kind omgaat. De ideale situatie is dat je de dagelijkse dingen laat gebeuren zonder dat de kinderen het in de gaten hebben. Het geheim daarvan is dat je die dagelijkse dingen niet direct benoemt. Zeg niet: “Nu moet je opstaan, want we gaan ontbijten”, maar zorg ervoor dat het patroon rond het opstaan voor je kind herkenbaar is.’

’s Ochtends vroeg hoort je kind het geluid van de douche, het hoort een deur en er zijn de vertrouwde geluiden vanuit de keuken. Het patroon kan zijn dat je daarna naar zijn kamer gaat, de gordijnen openschuift en op de rand van zijn bed gaat zitten. Welk patroon je ook hebt, die vaste handelingen gedurende de ochtend laten je kind weten dat het tijd is om uit zijn bed te komen en dat hij hierna gaat eten. ‘Dat vaste ritme is essentieel,’ legt Monique uit. ‘Een telkens terugkerende vorm geeft houvast. Als je een gezond ritme in de dagelijkse handelingen weet te krijgen, geef je je kind daarmee houvast en herkenningspunten en gaat het opvoeden bijna vanzelf.’

Veilig houvast

Tegenwoordig gebeurt er veel op impulsen van tijd: nu dit, gauw even dat, niet vergeten zus en dan nog snel even zo. ‘Telkens impulsief doen wat in je opkomt, is funest voor een gezond ritme,’ stelt Monique Wortelboer. ‘Ik pleit absoluut niet voor een starre tijdsindeling, maar ik ben wel voorstander van een duideliik herkenbaar ritme in de week. Eten en slapen zijn basisgegevens die al automatisch zorgen voor een kader, maar er zijn meer herkenningspunten aan te brengen waar je kind een veilig houvast aan heeft. Stel dat je drie dagen per week werkt, zorg dan dat die dagen duidelijk herkenbaar zijn door dezelfde oppas, of hetzelfde ritueel voordat je hem naar het kinderdagverblijf brengt. Op de dagen dat je thuis bent, breng je een duidelijk ritme aan door simpele handelingen als bijvoorbeeld eendjes voeren na het boodschappen doen, of strijken als je kind uit zijn bedje komt. Zit dat ritme goed, dan beweegt een kind als vanzelf mee op die stroom.’

Levende situaties 

Toch hoef je maar om je heen te kijken om te weten dat het ook grandioos mis kan gaan. Menig ouder kent het moment van bijna niet te onderdrukken ongeduld als je kind in de gang bij de kapstok staat te teuten, terwijl jij al veel te laat bent voor je werk. Meesleuren dat kind, of toch maar meegaan op de stroom, die doorgaans stukken trager is dan dat van de jachtige volwassene?
‘Kleine kinderen varen niet alleen mee op de stroom, ze zijn ook afhankelijk van de dingen die zij om zich heen zien,’ zegt Monique Wortelboer. ‘Zij kunnen zich niet, zoals een volwassene, een beeld vormen van dat wat gaat komen. Kinderen hebben levende situaties nodig. Als je tegen een klein kind zegt dat je samen naar buiten gaat en dat hij daarom zijn jasje aan moet trekken, zal dat weinig effect hebben. Maar als hij jou kan nabootsen, verandert dat de situatie. Als jij je eigen jas aantrekt, hem een beetje helpt met de zijne en intussen rustig uitlegt dat
je samen naar buiten gaat, voelt je kind zich verbonden met jouw beweging en daarin gaat hij vanzelf mee. Even afgezien van tweejarige kinderen, die nu eenmaal op hun leeftijd de koppigheidsfase doormaken, is het de kunst een kind af te leiden en hem mee te laten bewegen op de stroom die jij hem aanbiedt. Verzin een liedje. Dat heeft een ritme en een stroming waardoor kinderen vanzelf mee gaan bewegen. Bedenk maar iets, geeft niet wat: “Hé, pak je jasje en hier is je dasje, en pak ook je schoen, dan gaan we het samen doen”. Zoiets.’

Ook slapengaan is in veel gezinnen met jonge kinderen een dagelijks terugkerend probleem. Monique Wortelboer is ervan overtuigd dat ook hier het geheim is te vinden in een dagelijks terugkerend ritueel met een bijbehorende vertrouwde onderstroom van herkenningspunten. ‘Zeg niet: “Zo, nu ga je naar bed”, maar zorg voor een vast ritme en een vaste volgorde. Begin met wassen, tanden poetsen, verhaaltje voorlezen en een liedje zingen en roep bij die handelingen beelden op die jouw kind aanspreken. Als jullie een poes hebben, kun je het erover hebben dat ook de poes gaat slapen, dat hij al lekker in z’n mandje ligt en dat de poes ook gaat dromen.’

Neem spelen serieus

Hoewel het in de ogen van menig volwassene ‘maar’ spelen is, is spelen voor een kind totale levensernst. Het is zijn vorm van werk. ‘Kijk naar het spel van je kind zoals je kijkt naar je eigen werk’, raadt Monique Wortelboer dan ook aan, ‘en respecteer het als zodanig. Dat betekent dat je ook de overgang van zijn spel naar rust moet eerbiedigen.’
Net zo min als jij het zou pikken als een collega jouw rapporten en verslagen op je bureautafel bijeen zou vegen met de woorden “Zo, nu gaan we samen lunchen”, pikt een kind het niet als jij de duplo waarmee hij speelt in een krat stopt, en zegt: “Zo, nu gaan we naar oma”.

Om een brug te slaan tussen spel en bijvoorbeeld ‘aan tafel gaan’ of ‘jas aantrekken en vertrekken’, kun je je kind helpen. ‘Overval je kind niet, maar laat merken dat er andere bezigheden aankomen’, zegt Monique. ‘Vroeger was het afdoen van het schort een duidelijk teken van de moeder dat het werk er in de keuken opzat, maar niemand draagt tegenwoordig nog zo’n ding. Zoek het daarom in andere herkenningspunten.’ Als het bijna etenstijd is, kun je vast beginnen met tafeldekken of een kaarsje aansteken. Je kunt ook weer gebruik maken van een liedje. Snel zal het allemaal niet gaan, maar bedenk maar dat de jaren dat je op deze manier gedwongen onthaast, zijn te tellen op de vingers van nauwelijks twee handen. Jaren die later mooi en van onschatbare waarde blijken te zijn. 

Monique Wortelboer: boeken

Spel: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-7)

.

Al jaren geleden was er aandacht voor agressie en de invloed van bepaalde tv-programma’s.

Niemand weet precies hoe het ‘echt’ zit, maar de samenhang zomaar ter zijde schuiven, is een andere kant.

Regelmatig vind je stukjes in de kracht waarijn melding wordt gemaakt van geweld, vaak in combinatie met de ‘beeldende’ media: tv, clips, games e.d.
.

 

Dr.Jan Verhulst, ED 04-06-1997
.

Televisiegeweld slecht voor jeugd

Is het slecht als kinderen naar geweld op de tv kijken?
AI jaren ruziën psychologen, pedagogen en agogen over het antwoord op deze vraag. Over het algemeen gaat men in de discussies over dit onderwerp uit van drie verschillende hypothesen.

Allereerst is er de zogenoemde reductiehypothese. Voorstanders van deze opinie gaan ervan uit dat het kijken naar geweld de neiging om zelf gewelddadig te handelen doet afnemen.

Volgens de tweede hypothese (de stimulatiehypothese) werkt het kijken naar geweld, gewelddadig gedrag juist in de hand.

De derde hypothese, ten slotte, gaat ervan uit dat het helemaal niets uitmaakt of een kind al dan niet naar gewelddadige films kijkt.

De hoogleraar pedagogiek Tom van der Voort heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de effecten van het kijken naar geweld op de tv bij kinderen. In zijn boek ,De invloed van televisiegeweld’ (uitg. Swets en Zeitlinger) zet hij alle resultaten op de rij.

Om met de belangrijkste conclusie te beginnen: het kan wel degelijk kwaad als kinderen regelmatig naar gewelddadige films en/of tv-series kijken. Dat is dus niet zo best. Zeker niet als je in aanmerking neemt dat de dramaproducties voor kinderen gemiddeld meer geweld bevatten dan die voor volwassenen. Van der Voort laat er dan ook geen twijfel over bestaan dat de stimulatie-hypothese wel degelijk het meest plausibel is. Hoe, en de mate waarin het kijken naar geweld bij kinderen agressie opwekt is een complexe zaak. Dat hangt ondermeer af van de persoonlijkheidskenmerken van het kind en van de omgeving waarin het opgroeit. Want, zo stelt Van der Voort: televisiegeweld is slechts een van de factoren die agressief gedrag bij kinderen in de hand werken.

Kijken naar geweld op de tv werkt bij kinderen agressief gedrag in de hand omdat ze vaak zien dat geweld lonend is (de sterkste wint). Ook leren ze via tv allerlei vormen van geweld kennen, waar ze voorheen nog niet bij hadden stilgestaan. Kinderen worden door tv-geweld dus op verkeerde ideeën gebracht. Ook is het onderzoek gebleken dat kinderen door het veelvuldig zien van geweld hun angst en remmingen voor agressief gedrag verliezen. En dan gaat het vooral over de relatief mildere vormen van agressief gedrag, zoals pesten, plagen, vechten en slaan.

Ook de ouders spelen een belangrijke rol, omdat hun reactie op het getoonde geweld doorslaggevend kan zijn. Als ze vrolijk mee gaan zitten vechten en aan hun kinderen laten merken dat ze al dat geweld prachtig vinden, dan is de kans groot dat hun kinderen opgroeien tot nietsontziende, gevoelsarme vechtersbazen, zonder enige moraal. En dat is nog niet alles: de kans is ook nog aanwezig (vooral bij onzekere en labiele kinderen) dat het zien van geweld aanleiding geeft tot nachtmerries, angsten en slaapstoornissen.

Redenen genoeg dus om eindelijk maar eens een punt te zetten achter deze al zolang lopende discussie. Kinderen moeten gewoon niet kijken naar agressieve en/of gewelddadige films en tv-series: ze worden er zeker niet beter van, alleen maar slechter.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1989

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Verkouden

.
Pieter HA Witvliet
.

Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

De relatie vrijeschool en Weleda is een indirecte: beide zijn ontstaan door het in praktijk brengen van gezichtspunten van Rudolf Steiner.

Een vrijeschool zal nooit uit eigener beweging zelfzorgmiddelen en/of medicijnen aanbevelen: dat kan alleen in samenwerking met een antroposofisch arts en/of de ouders.

Het gemeenschappelijke zou gevonden kunnen worden in het belangrijke aspect van de gezondheid van het kind, in geestelijk en lichamelijk opzicht.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Maar ook de verkoudheden, verstopte neuzen en pijnlijke kelen in het najaar en de winter konden ter verlichting rekenen op een paar geweldige Weledapoducten.

Daarom, als een soort eerbetoon en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat:

Griep

Heeft je kind last van griep of verkoudheid, geef hem dan drie keer  per dag Kinfludo korrels. Dit natuurlijke middel met als hoofdbestanddeel monnikskap onderdrukt de koorts niet, maar ondersteunt het natuurlijke genezingsproces. Zo kan je kind een griep of verkoudheid zelf overwinnen, en zijn immuunsysteem wordt hierdoor sterker.

Uitgebreide informatie

Verstopte neus

Wanneer je kind verkouden is, zorg dan in de eerste plaats voor voldoende warmte. Om zijn verstopte neus weer vrij te maken, kun je ’s ochtends en ’s avonds een beetje neuscrème onder of rond de neusgaten aanbrengen. De crème bevat etherische oliën van pepermunt, eucalyptus en tijm die de vochtproductie verminderen en de lichaamseigen afweer ondersteunen.

meer informatie

meer informatie

Hoest

Of het nu gaat om een droge prikkelhoest of een hoest met veel slijm, hoestelixer kalmeert en verzacht waardoor je kind meer rust heeft en ’s avonds beter inslaapt. Het elixer bestaat uit een rijke compositie van tijm, anijs, zonnedauw, malrove, braakwortel, bitterzoet en heemst. Deze planten verzachten ontstoken en geprikkelde slijmvliezen en werken ontkrampend en slijmoplossend op de bovenste luchtwegen zonder de natuurlijke hoestprikkel te onderdrukken.

Meer informatie

Vrij ademhalen

Bij een verkoudheid helpt Rhinodoron bij de afvoer van slijm uit de neus. De neusspray bestaat uit water met natuurlijke zouten en Aloë vera die het gevoelige neusslijmvlies van je kind bevochtigen, reinigen en verzorgen. Je kind kan weer door zijn neus ademen.

Meer informatie

.

Weleda Puur Kind, herfst 2004 nr. 14
.

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1919

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)


.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

.

Mr.R.M.H.Houwink in ‘De Vacature’, maand?  1976

Enige opmerkinger over het TV-kijken door onvolwassenen

Eer wij nader ingaan op bovenstaand onderwerp moeten wij vaststellen, dat helaas een toenemend aantal naar hun leeftijd volwassenen, psychisch – maar in het bijzonder emotioneel – de volwassenheid niet hebben bereikt.

Het is duidelijk, dat hierdoor het gevaar van de tv als accumulator van het agressieve driftleven aanzienlijk is toegenomen.

Toch menen we, dat de jeugd het meest te lijden heeft van de vele tv-programma’s, die op de beeldbuis komen en waarin het geweld domineert.

Misschien is het goed, vooraf een onderscheid te maken tussen de prepuberale en de puberale onvolwassenen.

De eerste groep mist als zodanig elk redelijk onderscheidingsvermogen ten aanzien van de reële of gefingeerde gewelddadigheden, die op het scherm verschijnen.
Hoe jonger zij zijn des te ontvankelijker zijn zij voor de angstgevoelens, die deze schrikbeelden bij hen opwekken. En men weet, dat verschijnselen van agressie op latere leeftijd terug te voeren zijn tot in het onderbewuste weggedoken kinderangsten.

In dit verband dient terloops gewezen te worden op het verschil in werking van voor kinderen bestemde televisieverhalen tussen vier- en zevenjarigen.

De grote angstogen van vierjarigen zijn mij bijgebleven tegenover de pretogen van zevenjarigen bij het kijken naar dezelfde uitzending!

Globaal betekent dit, dat in de prepuberale fase angstgevoelens bij het tv-kijken overwegen, ook bij de meeste voor die leeftijd bestemde uitzendingen, omdat de makers zich niet hebben kunnen inleven in de verbanden, die het jonge kind legt tussen de diverse figuren en gebeurtenissen en daarbij ten behoeve van het kind niet corrigerend kunnen optreden.
Zoals dat in het gezin of op de kleuterschool wél mogelijk is; waar een groot aantal dreigende misverstanden, eer zij zich hebben vastgezet in de kinderziel, uit de weg kunnen worden geruimd.
Dit uiteraard alleen door attente en „verstandige” ouderen. Men denke aan o.a.: de dood, Sinterklaas, (nog altijd !) de ooievaar.

Maar als de ouders deze televisie-uitzendingen niet óók zien of in hun gezin niet díe sfeer hebben weten te creëren, die ook de jongste kinderen gelegenheid geeft, om onbevangen met hun vragen voor de dag te komen, dan is de kans groot, dat deze jonge kinderen „hun” conclusies uit het aanschouwde trekken en dat zullen uiteraard meestal verkeerde conclusies zijn, omdat zij niet over de noodzakelijke ervaringskennis beschikken, die hen in staat stelt, verbeelding en werkelijkheid te onderscheiden.

Voor de zevenjarigen en ouderen geldt over het algemeen, dat zij tot de puberteit vooral behoefte hebben aan „werkelijkheid”, d.w.z. aan ontmoetingen met de wereld, waarin zij leven.
Het oeverloos vragend „waarom” heeft plaats gemaakt voor het doen van eigen ontdekkingen en daarbij behoort, via film en tv, ook de wereld van het geweld.

De imitatie-drang van het kind, waaraan het voor zijn ontwikkeling zoveel te danken heeft, kan helaas pathologische vormen aannemen.

Dat gebeurt overal daar, waar geen gezond en normaal gedragspatroon in het gezin is (wordt) opgebouwd en de ouders hetzij uit onwetendheid, onverschilligheid, of door een verkeerd begrepen autoritaire opvoeding het kind loslaten in een vorm- en normloze ruimte, die dan zijn „levensruimte” wordt (of heet).

Overal, waar het kind in deze woestijn terecht komt, zal het als reactie op de leegte, waarin het zich bevindt tot dwangmatig handelen komen en zo is de kans groot, dat de imitatie-drang verandert in imitatie-dwang.

Een afschuwelijk voorbeeld hiervan speelde zich af, ongeveer twee maanden geleden, in het plaatsje Kevelaer, een vermaard bedevaartsoord in West-Duitsland.

Twee meisjes van dertien en veertien jaar vermoordden er in koelen bloede, zoals dat heet, een jongetje van zeven. Bij het onderzoek bleek, dat zij tot hun daad gekomen waren door het zien van een groot aantal misdaadfilms. Vóór de moord zagen zij nog „Une partie de plaisir” van Claude Chabrol.
Tot groot plezier van de jongste trapte daarbij de hoofdpersoon de schedel in van zijn gescheiden vrouw.

Natuurlijk hebben wij hier te maken met een exces, terwijl de oudste van het tweetal bovendien geestelijk niet volwaardig bleek te zijn; hoewel juist de jongste als initiatiefneemster optrad!

Maar dit exces wijst naar het groot gevaar, dat bijna geheel onze opgroeiende jeugd via de overdaad aan z.g. „harde” tv-films bedreigt.

Deze films spelen in op de sluimerende agressieve gevoelens van emotioneel verwaarloosde jeugd; waarbij men niet vergeten mag, dat verwenning een van de ergste vormen van verwaarlozing is.

Het toenemend aantal kinderen, dat opgroeit in een milieu, waarin zij lichamelijk en geestelijk tekortkomen, veroorzaakt als het ware een stuwing van agressiviteit, die gemakkelijk exploderen kan, vooral wanneer twee of meer van deze kinderen elkaar vinden (vergelijk de destijds gerucht makende Baarnse moordzaak).

Ook later, veel later kan een dergelijke, gestuwde agressiviteit tot explosie komen. Zij verklaart ten dele de toeneming van geweld over de gehele wereld.

Onze scholen zouden zich daarover zorgen moeten maken en – het is héél véél gevraagd! – zich medeverantwoordelijk voelen voor het trieste lot van zovele jongeren, die niet leven kunnen in de verlatenheid van hun wereld en die als ze de leeftijd van dertig jaar hebben bereikt, alles hebben meegemaakt, wat zich aan hen opgedrongen heeft, van diverse soorten drugs tot diverse soorten sexuele experimenten toe.
En die dan leeggeroofd achterblijven met zichzelf in situaties, die voor velen hunner feitelijk niet meer leefbaar zijn.

Nu het gezin als primair opvoedingsmilieu steeds meer faalt – daarvan mogen wij de ouders zeker niet alleen en niet in de eerste plaats de schuld geven) -, dient de school als tweede opvoedingsmilieu steeds meer in functie te treden en zich niet langer uitsluitend vast te leggen op haar onderwijzende taak.

De consequentie hiervan is: individuele begeleiding van het kind, dus kleinere klassen; een verzwaring van de taak van hen die onderwijs geven, méér geld nodig voor minder éclatante prestaties.

Daartegenover is maar één alternatief, dat dreigend naderbij komt: staatsscholen, gebaseerd op een onveranderlijke ideologische basis, waarbij het met onze geestelijke vrijheid is gedaan. Linkse of rechtse partijdiscipline.

Het lijkt sommigen een uitkomst, die moe zijn geworden van het ongrijpbare, chaotische leven, waarin wij onze kinderen zien opgroeien, zonder persoonlijke idealen en zonder enig persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.

De tv met haar sterk commerciële inslag, waarbij hoofdzakelijk gelet wordt op wat het doet bij een zo groot mogelijk aantal kijkers, volgt rustig haar harde lijn van simpele of meer geraffineerde geweldplegingen, die de volwassenen ondergaan als een soort van bevrijdende voldoening van de in hen sluimerende sadistische neigingen, doch die maar zelden bij psychisch normalen tot navolging zullen prikkelen en als zodanig als „onschuldig” gelden.
Daartegenover staat het kwalijke effect, dat deze misdaadfilms en bepaalde reportages hebben op de talrijke onevenwichtige jongeren, die aan wat zij op het scherm zien de vrijheid tot imitatie ontlenen.
Wie vele malen op de beeldbuis heeft gezien, hoe iemand in elkaar geslagen wordt, heeft een drie glazen bier genoeg om hetzelfde te doen, wanneer men zich van elke verantwoordelijkheid voor het leven van een ander heeft ontdaan.
Het is volstrekt onnodig, dat men zijn slachtoffer kent, ofschoon z.g. „wraak-acties” aan de orde van de dag zijn.
Een lichte alcoholroes is voldoende, om het laatste vleugje „cultuur” weg te blazen. En het onbeperkt machtsbesef van het moment bevredigt – voor dat moment! – lange, donkere jaren van onbegrip en lichamelijke en geestelijke verwaarlozing, samen te vatten als onherbergzame liefdeloosheid.
De vensterloze agressiviteit drijft ontelbare jongeren in de fuik der criminaliteit, voorzover zij niet aan ongelimiteerd druggebruik ten gronde gaan.

Wij menen, dat de televisie voor een niet onbelangrijk deel schuld draagt aan deze onttakeling van de jeugd en te weinig rekening houdt met de gevolgen van de amusementsprogramma’s, die zij biedt en waarbij het geweld maar al te vaak op de voorgrond staat. Overigens willen wij met nadruk vaststellen, dat naar haar oorsprong de jeugdproblematiek weliswaar heel eenvoudig ligt, maar dat de gecompliceerdheid van haar uitwerking en aanpak zo moeilijk is, dat het onjuist en in hoge mate onbillijk zou zijn aan welke afzonderlijke instanties ook de schuld te geven.

Wij hebben hier te maken met een maatschappelijk probleem van de eerste orde, dat ons allen aangaat en dat alleen zo goed mogelijk kan worden opgelost door samenwerking van alle betrokken instanties. En helaas is het zo ver nog lang niet.

Maar omdat de school als tweede opvoedingsmilieu, en ook door haar relatie met de ouders, hier een belangrijke taak heeft, meenden wij er goed aan te doen een van de actuele knelpunten van deze zaak naar voren te brengen.

‘) Vgl. Dostojewsky: „Chacun de nous est coupable devant tous, pour tous et pour tout.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1911

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (21-1)

.
Joyce Honing wn Petra Weeda, Weleda Puur Kind, herst 2004, nr. 4

.

Straffen: soms heeft je kind het gewoon nodig

Straffen is niet het makkelijkste stuk van de opvoeding. Toch kan het corrigeren van gedrag bijdragen aan het vertrouwen van een kind in zichzelf en in zijn omgeving. Met name bij kinderen die zich om welke reden dan ook niet veilig hebben kunnen hechten, kan dat van groot belang zijn. Voorwaarde is wel dat je correctie direct aansluit bij het signaal dat je kind geeft.

R is een stevige baby met bolle wangetjes en een perzikhuidje. Zijn helderblauwe ogen kijken dromerig de wereld in. Met drie maanden gaat hij naar de crèche. Als zijn moeder ’s morgens afscheid van hem neemt, lacht Remco naar haar, kijkt dan naar de leidster, lacht ook haar toe en zijn moeder kan in alle gemoedsrust vertrekken. R huilt zelden. Als hij slaapt, ligt hij tevreden op zijn rug met zijn handjes naast zijn oren. Als hij wakker is, wacht hij rustig tot hij wordt opgehaald. R is zo’n makkelijk ventje dat je moet oppassen hem niet te vergeten.

Eenzame agressie

Een paar jaar later zie ik R terug in de peuterklas. Nog dezelfde stevige bouw, blauwe ogen en blond haar, maar toch herken ik hem maar met moeite.
Als zijn moeder afscheid van hem neemt, reageert hij nauwelijks. Met hangende schouders staat hij voor het raam naar buiten te kijken zonder dat hij echt kijkt. Plotseling draait hij zich om en loopt lukraak ergens naar toe. Als hij merkt dat daar niets is, loopt hij even doelloos weer een andere kant op, zijn bewegingen als verloren in de ruimte. Ook op het speelplein loopt hij richtingloos rond, zijn armen slap langs zijn lijfje. Hij kijkt hoe E en A stoeien om de schommel. Met een uitdrukkingsloos toetje, als een soort spons, neemt hij het tafereel op. Als E de schommel heeft bemachtigd, loopt R naar haar toe en begint hard aan de schommel te rukken. E loopt krijsend weg. R gaat op de schommel zitten maar glijdt er meteen weer af. Het gaat hem niet om de schommel. Hij doet alleen na wat hij E zag doen, maar zonder innerlijke betrokkenheid, zonder plezier, zonder er wat dan ook aan te beleven. Als zijn moeder hem komt halen, geeft hij geen enkel teken van vreugde.

Na een paar weken begin ik iets van een diep verborgen wanhoop in R’s bewegingen te ontdekken. Als hij S in het vuur van haar spel achteloos de poppendekentjes over haar schouder ziet gooien om ze daarna weer op te pakken en de pop er lekker mee toe te dekken, loopt hij ook naar het poppenbed en begint de dekentjes rond te gooien. Even later gooit hij een blokje onverschillig van zich af. Er sluimert een eenzaam soort agressie in hem die niet op een ander maar op zichzelf is gericht. Alsof hij zeggen wil: ik loop nu al drie jaar rond in de wereld maar ik begrijp nog steeds niet wat ik ermee aanmoet.

Dagelijkse dingen

R heeft een enorme behoefte aan veiligheid. Maar hij is onzeker over de wereld om hem heen en weet er op geen enkele manier een relatie mee aan te gaan. Met zijn vermijdende gehechtheidsgedrag zegt hij eigenlijk: help me om de wereld te vinden en me daar veiliger in te voelen. Zelf heeft hij geen idee hoe dat moet, dus je zult hem bij de hand moeten nemen om dat samen met hem te doen. Betrek hem zoveel mogelijk bij allerlei dagelijkse karweitjes. Benoem alles voor hem: We gaan samen boodschappen doen, de tuinspullen opruimen en daarna een boterham eten. Je vertrouwde stem geeft de dingen zin en betekenis. R heeft snel het gevoel te ‘zwemmen’ in een voor hem grenzeloze ruimte. Leer hem geleidelijk met ruimte om te gaan door deze eerst zoveel mogelijk te beperkten totdat hij de grenzen ervan heeft beleefd.
Omdat R’s gedrag zo onduidelijk en ontwijkend is, ben je geneigd hem voortdurend te ontzien. Dat is voor hem funest. Hij heeft milde maar duidelijke correctie nodig om de betekenis van de dingen om hem heen te begrijpen. Als dat niet gebeurt, zal hij eenzamer en onzekerder worden en onderhuids zal de agressie groeien. Maak hem duidelijk dat dekentjes er zijn om de pop mee toe te dekken en dat een weggeslingerd blokje een ander kind kan bezeren. Wees niet kinderachtig in de eisen die je aan hem stelt. Als hij zelf zijn boterham moet smeren, neem dan geen genoegen met half werk. Het zal hem uiteindelijk meer vertrouwen geven in zijn eigen handelen.

Krabben en bijten

Ook A van vier vertoont signalen van onveiligheid. Bij haar hebben ze meer het karakter van de ambivalente hechting. Ze heeft een tenger, beweeglijk lijfje, een boos gezichtje en donkere ogen die nauwelijks zichtbaar zijn onder de omlaag getrokken wenkbrauwen.
Op school klampt ze zich iedere morgen woedend aan haar moeder vast en krijst ze haar keel rood. Die voelt zich daar onhandig en onzeker over en verdwijnt meestal zo snel en geruisloos mogelijk. A blijft boos achter. Boos op de juf, op het speelgoed dat ze afwijst, op de boterham die ze niet wil eten. Ze is onaanspreekbaar, loopt als een dolle kat in de klas rond en richt haar ongenoegen op de kinderen om haar heen door ze te krabben, te bijten of te slaan. Ook haar moeder bestookt ze met boze agressie als die haar van school komt halen. Die voelt zich verlegen met de situatie en doet alsof ze er niet zwaar aan tilt. A’s ouders hebben voortdurend argumenten bij de hand om
haar gedrag te verklaren en te vergoelijken. Iedere keer als A een stap naar voren doet, lijken zij een stap terug te doen.

A wantrouwt haar omgeving. Ze wijst iedere relatie met mensen of dingen volledig af omdat onbekende onveiligheid voor haar nog erger is dan de onveiligheid die ze al kent. Voordat ze zich aan een ander zal kunnen hechten, zal ze grip moeten krijgen op zichzelf. Ze kan zichzelf alleen tegenkomen als je haar gedrag serieus neemt en het corrigeert als dat nodig is. A wil waargenomen worden. Ze wil dat jij ziet dat haar handjes slaan en haar tandjes bijten omdat ze boos is. Door haar signalen te negeren en te excuseren, zal haar agressie en daarmee ook haar isolement groeien. Op den duur zal ze niet anders kunnen dan de tent helemaal afbreken. Door op het juiste moment nee, hier buig ik niet meer mee tegen A te zeggen, geef je antwoord op haar signaal. Consequent en duidelijk corrigeren zal helpen de onveilige hechting om te buigen naar een veiliger hechtingsproces. Gedrag corrigeren – of noem het straffen – is niet het makkelijkste facet van opvoeden. Straffen heeft alleen zin als de straf direct aansluit bij het gedrag. A vraagt om consequentie en duidelijkheid op dat gebied. Dan kan ze straf plaatsen en begrijpen. Als de straf voortkomt uit een ander motief dan gedragscorrectie, bijvoorbeeld de behoefte aan eigen genoegdoening of het uiten van je eigen gevoelens van onmacht, dan zullen kinderen straf als vervreemdend ervaren.

Vertrouwen herstellen

De omstandigheden waarin L is geboren en opgegroeid, zijn niet makkelijk. Ze mist basale veiligheid en toont duidelijke tekenen van vermijdende gehechtheid. Maar L lijkt zich daar niet bij neer te leggen. Vanaf het moment dat ze haar ogen opent totdat ze die ’s avonds weer sluit, neemt ze bikkelhard verantwoordelijkheid voor haar eigen leventje Ze gaat zelf op zoek naar dat wat haar ouders haar niet hebben kunnen geven: vertrouwen, veiligheid en de mogelijkheid zich te hechten en ze doet dat door haar spel. Spel is haar borg om zich te leren verbinden. Door het regisseren van de andere kinderen probeert ze greep te krijgen op de wereld. Ze organiseert haar omgeving als het ware eerst buiten zich, om hem daarna te kunnen integreren. Daarbij is woede haar drijfveer. Dat roept meestal niet de sympathie van haar omgeving op en ze wordt dan ook zowel thuis als op het kinderdagverblijf vaak gestraft voor haar dominante gedrag. Maar juist L is niet gebaat bij straf of correctie. Wat zij nodig heeft is respect voor wat zij doet en eindeloos, eindeloos veel liefde en geduld.

Vertrouwen herstellen

Een veilig gehecht kind reageert met gezonde emoties als blijdschap, tevredenheid, verdriet, teleurstelling of angst op gebeurtenissen. Kinderen als R, A en L kunnen of durven dat niet. Zij maken met extreem gedrag – de meeste onveilig gehechte kinderen plassen en poepen ook in de peuter- en kleuterleeftijd nog (of weer) in hun broek – duidelijk dat er extra aandacht nodig is voor het hechtingsproces. Dat betekent niet dat je voortdurend met hen moet gaan zitten knuffelen, spelen of ‘quality time’ moet inplannen. Quality time heeft vooral te maken met je eigen mogelijkheden en je kind vraagt er juist om gezien te worden op de momenten dat hij dat nodig heeft. Hij wil merken dat hij er toe doet, dat hij er zó toe doet dat je zelfs je drukke bezigheden even voor hem aan de kant wilt zetten. Als je hem dat kunt bieden, zal het basisvertrouwen worden hersteld en de relatie met de buitenwereld minder beangstigend zijn. 

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1902

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/4)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

 

TV-kind leest beter, maar begrijpt minder

.

Mirjam Schöttelndreier in de Volkrant van 16-01-1993

Televisie kijken blijkt een positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Dat wil zeggen op het technisch lezen, het snel omzetten van letters in woorden. Het begrijpend lezen loopt daarentegen wel gevaar, vooral wanneer boeken toch al niet de grote hobby zijn.

Het IS GEEN WONDER dat veel ervaren tv-kijkers van rond de acht jaar terughoudend zijn om zich nog een nieuwe, gecompliceerde hobby als lezen aan te wennen. Want vanaf twee jaar kunnen kinderen al tv-kijken.
Jaren vol Mini-Playbackshow, het Rad van fortuin, Sesamstraat en The Simpsons gaan dus aangenaam voorbij, voordat op school opeens dat andere kunstje, lezen, wordt aangeleerd.

Op achtjarige leeftijd beheersen de meeste kinderen het lezen van een boek pas als zelfstandige activiteit. En dan nog laat het Jeugdjournaal zich makkelijker bekijken dan het nieuws zich in de krant laat lezen.

‘Goede lezers gaan gaandeweg minder tv kijken en meer lezen, terwijl zwakke lezers juist steeds meer televisie gaan kijken en boeken steeds vaker ongelezen laten.’

Die niet zo onverwachte conclusie kon C. Koolstra, onderzoeker bij de sectie Kind en Media van de Leidse Rijksuniversiteit, trekken nadat hij drie jaar lang duizend kinderen van basisscholen in Zuid-Holland in hun lees-en kijkgedrag had gevolgd.

Wie nu opgelucht de stelling bewezen ziet — en daarvoor hoeft men geen belijdend lid van een zwarte-kousenkerk te zijn — dat de televisie een duivel is, krijgt van Koolstra geen gelijk. Want de televisie, beschouwd als spelbreker bij de overdracht van het betere culturele erfgoed, blijkt ook positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Het technisch lezen, het snel omzetten van losse letters in woorden, gaat er namelijk door vooruit.

Koolstra: ‘Kinderen die veel tv kijken, lezen steeds minder boeken en gaan ook slechter lezen. Maar dan gaat het vooral om de aantasting van het begrijpend lezen. Het technisch lezen wordt juist beter, doordat de Nederlandse televisie de gewoonte heeft buitenlandse films niet na te synchroniseren. De ondertiteling vereist van kinderen dat ze snel lezen. En kinderen blijken, zo wijst weer ander onderzoek uit, die ondertiteling vanzelf bij te houden als ze geboeid zijn door een film of programma.’

Koolstra heeft met zijn onderzoek, waarop hij pas na de zomer zal promoveren, niettemin toch vooral het bij onderzoekers langer bekende Mattheüs-effect gemeten.

In de bijbelse vergelijking verlaat een man op zekere dag zijn bedrijf. Hij geeft een van zijn slaven dan een groot geldbedrag, een andere slaaf blijft met een iets kleiner bedrag achter en ten slotte is er voor de derde slaaf maar een heel kleine som. Na jaren keert de baas terug. Hij treft zijn goedbedeelde slaaf aan, die het is gelukt, zijn kapitaal te verdubbelen. Ook de slaaf met het middenbedrag wist zijn bedrag te verdubbelen. Maar de slaaf die weinig ontving, blijkt zijn geld al die tijd onder de grond te hebben verstopt en er niets bij te hebben verdiend.

Koolstra: ‘Kinderen die plezier in het lezen hebben, doen het in technisch en begrijpend opzicht goed. Zij laten geleidelijk aan de tv nog wel eens voor wat hij is, ze lezen meer en gaan er in vaardigheid op vooruit. Dat geldt niet voor zwakke lezers, die in beide opzichten weinig succesvol zijn. Hun vaardigheid gaat alleen maar achteruit. Net als in de Mattheüs-vergelijking beginnen ze met weinig en eindigen met nog minder dan de anderen.’

De onderzoeksresultaten zijn niet spectaculair te noemen. Maar toch stemt het Koolstra tevreden dat in Nederland eindelijk dit type onderzoek is gedaan. ‘De bezorgdheid over de negatieve invloed van de televisie op de jeugd is groot en er bestaan talloze vooroordelen over.’ De behoefte aan degelijk onderzoek was groot, want tot nu toe was er niet veel meer bekend dan drie panel-onderzoekingen uit Amerika. Ook daarin werden groepen over een langere periode gevolgd. Maar eigenlijk hadden maar twee onderzoeken betrekking op kinderen. ‘Overigens: ook hier waren de effecten van de tv op het leesgedrag genuanceerd te noemen.’

In 1955 vormde de jeugd tussen de 12 en 17 jaar de kopgroep bij de landelijke woordconsumptie. In de avonduren en het weekeinde besteedden jongeren gemiddeld liefst 3,1 uur aan het lezen van boeken, zo stelde het CBS destijds vast. Maar met de massale entree van de televisie in de huiskamer in de periode 1955 tot 1962, waarin het tv-toestel oprukte van 0,1 procent van de huishoudens naar 50 procent, duikelde ook het aantal leesuurtjes met de helft. In 1985 — de jeugd onderscheidde zich in boekenliefde al lang niet meer van de overige bevolking — werd er gemiddeld nog maar 1,4 uur per week in een boek gelezen.

‘In die tijd was er echt sprake van een omslag van een leescultuur naar een kijkcultuur. Zulke verschillen kunnen wij natuurlijk niet meer meten. Nu draait het om generaties die zijn opgegroeid met de tv en zijn de veranderingen nog maar heel klein.’ Opmerkelijk is dat uit het Leidse onderzoek blijkt dat het voor het leesgedrag — van kinderen tussen 8 en 12 twaalf jaar —niet uitmaakt welk soort programma’s ze bekijken: informatieve programma’s verminderen het lezen net zoveel als het bekijken van soap of andere vormen van licht verteerbaar amusement.

Jongen of meisje, hoog of laag milieu, heel slim of stukken minder begaafd: de Leidse metingen laten geen enorme verschillen zien buiten dat ene en allesoverheersende onderscheid: dat goede lezers meer gaan lezen en beter worden en slechte lezers minder gaan lezen en minder vaardig worden. Wel werden in het onderzoek twee van de drie eerder geformuleerde onderzoekshypothesen bevestigd.

Voor de passiviteits-hypothese, die zegt dat tv kijken kinderen ‘geestelijk lui’ maakt, werd geen bewijs gevonden. Kinderen blijken tijdens het kijken naar Meneer Kaktus of de Vijf uur show wel degelijk geestelijk actief te zijn. Weliswaar blijkt uit het onderzoek dat het tv-kijken binnen een jaar tijd de leesconcentratie vermindert, maar er werd geen bewijs gevonden dat dat kwam door een lagere mentale inspanning. De belangrijkste constatering was dat kinderen nog zeer beïnvloedbaar zijn in hun leesgedrag als ze net hebben leren lezen. Naarmate ze dat kunstje langer beheersen, worden hun leesgewoonten stabieler.

Met de anti-school-hypothese deed enige jaren geleden de Amerikaanse onderzoeker Postman veel stof opwaaien. De hypothese veronderstelt dat tv leuk is en de school derhalve minstens zo amusant moet zijn, wil het moderne kind naar school gaan en van die school-gebonden dingen doen als ‘boeken lezen’.

Deze veronderstelling werd min of meer bevestigd door de Zuidhollandse schoolkinderen. In die zin dat wie minder plezier heeft in het lezen — en dit daardoor ziet als een typisch schoolse aangelegenheid — minder boeken gaat lezen. Evenzeer bleek dat de snel wisselende beelden op tv ertoe leiden dat de zwakkere lezers, die immers meer tv gaan kijken, zich niet meer zo goed kunnen concentreren als noodzakelijk is voor het lezen. Waarmee de
concentratieverminderings-hypothese werd bevestigd.

Volgens Koolstra valt uit de belangrijkste bevinding van het onderzoek nog wel een mooie les te trekken. ‘Het is van doorslaggevend belang dat kinderen goed, technisch en begrijpend leren lezen. Kinderen thuis zomaar laten lezen, in het geloof dat veel oefening kunst baart, is onzin. Goed leren lezen in een gevoelige periode is cruciaal. Alleen als je er lol in hebt, blijf je lezen.’

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

.

1880

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (20-1)

,
Petra Weeda in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14
.

Over hechten

Alleen liefde is niet genoeg

Een zuigeling is al een zeer communicatief wezen. Veel van zijn ontwikkeling tot zelfstandige volwassene hangt af van hoe je als ouder in de eerste maanden omgaat met de signalen die je baby je geeft. Christoph Meinecke is kinder- en jeugdarts in het Berlijnse ziekenhuis Havelhöhe. Hij verdiept zich in het ontstaan van de band tussen ouder en kind oftewel: in het hechtingsproces.

Een buitenwijk van Berlijn. De bus stopt vlak voor de ingang van Havelhöhe, één van de drie grote, algemene ziekenhuizen in Duitsland die zowel werken volgens de reguliere als de antroposofische geneeskunde. Nonchalant verstrooid over het ruime, parkachtige terrein staan de gebouwen, knusjes omgeven door tuintjes met wilde bloemen of een weitje met een grazende geit. De sfeer is niet erg ziekenhuisachtig en ook binnen krijg je niet het gevoel in een medische wereld terecht te zijn gekomen. Geen zakelijke gangen of witte doktersjassen, maar een moeilijk in woorden te vangen sfeer van warmte, kleur, licht en rust.

‘Je hoeft natuurlijk alleen maar je gezonde verstand te gebruiken om te weten dat een kind niet zonder menselijk contact kan opgroeien,’ zegt Christoph Meinecke. En hij schuift de kleurige houten speelgoedfiguurtjes op zijn bureau wat terzijde om de koffie neer te zetten. ‘Een mens ontwikkelt zich met het voorbeeld van andere mensen voor ogen. Een bekend verhaal. Maar hoe een baby contact maakt met een ander en wat dat voor hem betekent, is nog maar betrekkelijk kort geleden voor het eerst onderzocht. Aanvankelijk gingen we ervan uit dat een zuigeling een dom en slaperig wezentje is dat weinig ziet of voelt. Maar toen ontwikkelingspsychologen in de jaren zeventig het gedrag van baby’s diepgaand gingen bestuderen, ontdekten ze bijvoorbeeld het volgende; bij de scherpstelling van zijn ogen stelt de zuigeling zich direct na de geboorte in op de afstand van de borst van zijn moeder tot haar gezicht. Het gezicht van zijn moeder is dus het eerste ding dat een baby scherp ziet. Ze merkten dat de baby al snel actief en doelgericht contact met haar zoekt en in de eerste acht maanden van zijn leven een hechte band opbouwt met deze zogeheten primaire hechtingspersoon. De kwaliteit van die band is van grote invloed op zijn hele verdere leven en vooral op de manier waarop hij later zijn relaties met anderen vormgeeft. Deze ontdekkingen hadden natuurlijk enorme consequenties. Toch duurde het nog tot ver in de jaren tachtig voordat het belang van een veilig hechtingsproces in het eerste levensjaar algemeen gedachtegoed werd.

De meeste kinderen met gedragsproblemen hebben moeite met relaties, of dat nu met zichzelf is of met de wereld om hen heen. Maar het maakt wel degelijk uit of dat voortkomt uit een onzekere hechting in het eerste levensjaar of dat een kind pas later in zijn leven teleurstellingen op dat gebied heeft moeten verwerken. Het is net alsof die allereerste gehechtheidservaringen in je lijf gaan zitten en een onderdeel van je constitutie worden.

Het is dus echt van belang om er op te letten hoe het hechtingsproces tussen jou en je kind verloopt.’

Liefde voor je baby is geen garantie voor veilige hechting?

‘Nee, alleen liefde is niet genoeg. Natuurlijk is liefde wel het allerbelangrijkst. Maar dan wel de liefde waarbij de eigenliefde, die bij vrijwel elke vorm van liefde meespeelt, niet te zeer op de voorgrond treedt. De liefde die een veilig hechtingsproces bevordert is de liefde die is gebaseerd op het vermogen je te kunnen inleven in de behoeften van de ander. In de hechtingstheorie is daar een prachtig begrip voor geïntroduceerd: de “fijngevoeligheid van de primaire hechtingspersoon”. Fijngevoeligheid betekent dan vooral dat je je eigen behoeften terughoudt in het directe contact met je baby en je oriënteert op zijn behoeften.

Een tweede gegeven waarmee je rekening moet houden is dat een zuigeling zich in de eerste levensmaanden maar aan één persoon kan hechten. Meestal is dat de biologische moeder, omdat zij hem na de geboorte het meest verzorgt en voedt, maar het kan ook een ander zijn. Zodra de navelstreng is doorgeknipt, ontwikkelt een kind zich van je vandaan. De primaire hechtingspersoon is daarbij zijn poort naar de wereld. Hoe veiliger de gehechtheid aan die persoon, hoe groter het vertrouwen waarmee een kind de poort door gaat om de wereld te gaan veroveren.’

Wat is die fijngevoeligheid precies en kun je dat leren?

‘Ouders hebben momenteel toegang tot een enorme hoeveelheid pedagogische kennis in boeken en tijdschriften. Maar de adviezen staan vaak volledig haaks op elkaar of ze blijken bij jouw kind gewoon niet te werken. Wat betreft het opvoeden van kinderen bestaat er geen absolute waarheid. Toch moet je te weten zien te komen wat jouw kind nodig heeft. Daar is intuïtie en fijngevoeligheid voor nodig. Dat kun je het beste ontwikkelen door goed naar je baby te kijken en je in te leven in zijn behoeften. Een eenvoudig voorbeeld: je baby ligt op de aankleedtafel voor een schone luier. Dan wil hij communiceren. Hij wendt zijn blik naar jou toe en lacht stralend. Niets is heerlijker dan je baby die naar je lacht en je glimlacht dus vanzelf terug. Maar het was wel de baby die het initiatief nam tot het contact! Als fijngevoelige ouder beantwoord je die behoefte door hem aan te raken, tegen hem te praten, de toon van je stem wat hoger te maken, de intentie van je woorden af te stemmen op de baby en je mimiek te intensiveren. Dan wendt hij zijn blik plotseling af! Er zijn dan twee extremen in je
reactiepatroon mogelijk: of je buigt je helemaal over je baby heen en probeert luidruchtig zijn aandacht weer naar je toe te trekken of je denkt, oh jee, hij wendt zich van me af, wat heb ik verkeerd gedaan. Beide reacties zou je moeten zien te vermijden. Als je baby zijn blik afwendt, dan toont hij de gezonde behoefte van een mens om na inspanning bij zichzelf terug te keren. Als je hem stimuleert zich toch naar buiten te blijven richten, dan zal hij dat doen. Maar hij zal daardoor meer opwinding en onrust te verduren krijgen dan hij kan verwerken. Het kan een eventuele aanleg voor hyperactiviteit versterken.

Het andere uiterste is dat je je onzeker voelt als je baby van je wegkijkt. Je vraagt je af of je wel een goede moeder bent en dan wordt de manier waarop je je baby vasthoudt direct terughoudender. Je baby, die net als alle heel kleine kinderen nog een soort aangeboren fijngevoeligheid bezit, voelt dat meteen.

Hij durft er niet meer op te vertrouwen dat het goed is als hij zijn eigen behoeften volgt en gaat meer op jou letten dan goed voor hem is.

Een fijngevoelige moeder respecteert het signaal dat de baby geeft met het afwenden van zijn blik. Ze zal de intensiteit van het contact verminderen zonder dat ze haar bezigheden met hem onderbreekt of haar stemming verandert. Als je baby voelt dat alles gewoon doorgaat, ook als hij het even laat afweten, dan versterkt dat zijn vertrouwen.’

Het is momenteel niet zo vanzelfsprekend dat de moeder de enige is die haar kind verzorgt. Kan een baby zich niet aan meer personen tegelijk hechten?

‘Vanuit mijn ervaring kan ik nu niet anders dan vaststellen dat het in het belang van een veilige hechting is als in de eerste acht maanden één persoon centraal staat. Er is nog onvoldoende onderzocht of het ook mogelijk is dat twee mensen voor die basiszekerheid kunnen zorgen. Maar volgens de huidige gezichtspunten op het hechtingsproces vraagt het te veel aanpassingsvermogen van een baby om zich in te stellen op twee mensen die, uiteraard, heel verschillend zijn. In de eerste levensmaanden zou de omgeving zich moeten instellen op de behoeften van het kind en niet andersom.’

En als een moeder merkt dat het haar niet goed lukt een band met haar baby op te bouwen?

‘Dan heeft ze om te beginnen bemoediging nodig. Meestal hoeft er maar weinig te gebeuren om die band te versterken. Kijk bijvoorbeeld eens naar je baby als hij ligt te slapen. Kijk hoe hij ademt, kijk naar de onvoorwaardelijke vanzelfsprekendheid waarmee hij daar ligt. Veel ouders vertelden me dat ze dan plotseling het heel zekere gevoel kregen dat het klopt dat dit kind bij hen is. Je baby pakt dat onuitgesproken signaal op en voelt dat het goed is.

Een andere hulpmiddel is babymassage. Daarvoor hoef je echt niet op cursus te gaan of bepaalde handgrepen te leren. Het is al prachtig als je zacht over het babylijfje strijkt. Het gaat om het huid-op-huid-contact. En praat tegen je baby. Vertel hem wat je hoort, wat je ziet, wat je aan het doen bent en wat jullie straks gaan doen. Veel spreken is goed voor het hechtingsproces, maar het moet wel een aangepaste, rustige en lichte manier van spreken zijn.’

Kun je het aan een baby merken als het hechtingsproces niet optimaal verloopt?

‘In de eerste drie maanden zullen signalen van een moeilijk hechtingsproces nog nauwelijks waarneembaar zijn. Wel zijn er baby’s waarbij het hechtingsproces vanaf de geboorte extra aandacht vraagt. Bijvoorbeeld huilbaby’s en baby’s die hun eigen bedje niet als een veilige plek beschouwen. Om slaapproblemen te voorkomen kun je je baby vanaf een week of vier het beste altijd laten inslapen op de plek waar hij ook wakker zal worden. Zo krijgt hij niet het onzekere gevoel dat er in zijn slaap van alles met hem kan gebeuren. Wen jezelf eraan om je baby overgangen van de ene situatie naar de andere altijd bewust te laten ervaren. Leg hem als hij tijdens het voeden is ingeslapen niet meteen in bed maar maak hem voorzichtig wakker, strijk over zijn wangetjes en vertel hem dat je hem nu naar zijn bedje gaat brengen. Neem duidelijk afscheid voor je zijn kamer uitgaat. Probeer niet voortdurend in de wieg te gaan kijken om te zien of hij nog wel ademt. Je baby krijgt dan het signaal mee dat jij er niet op vertrouwt dat alles wel goed gaat als jij niet in de buurt bent. Binnen een veilige hechtingssituatie zal een kind langzaam maar zeker scheiding leren verdragen. Daarbij hoort het leren uithouden als je kind huilt.’

Hoe merk je bij een wat groter kind of het wel of niet goed gehecht is en valt daar dan nog iets aan te verbeteren?

‘Als je het gedrag van een kind met een zekere gehechtheid bestudeert, dan zie je dat hij zijn spel onderbreekt en protesteert als zijn moeder weggaat. Als zij terugkomt is hij blij. Hij laat zich knuffelen en pakt zijn spel weer op.

Bij kinderen met een onzekere gehechtheid gaat dat anders. Er zijn drie soorten onzekere gehechtheid. Het kind met een “onzeker vermijdende gehechtheid” protesteert niet als hij van zijn moeder wordt gescheiden. Hij gaat gewoon door met zijn spel. Als zijn moeder terugkomt negeert hij haar, hij zoekt geen contact, maar neemt juist meer afstand.

Een “onzekerambivalent gehecht” kind protesteert extreem tegen vertrek van zijn moeder. Hij klampt zich overdreven aan haar vast, huilt paniekerig en komt, ook nadat zij weer terug is, nauwelijks tot rust. Hij klampt zich opnieuw vast, maar vertoont tegelijkertijd boos en agressief gedrag naar haar. Met deze twee vormen van onzekere gehechtheid geeft het kind het signaal dat het in een niet-optimale hechtingssituatie verkeert.

Zorgelijker is de derde vorm, de “gedesorganiseerde gehechtheid”. Een gedesorganiseerd kind zal in iedere situatie onvoorspelbaar of juist heel stereotiep gedrag vertonen. Zijn bewegingen zijn verstard, alsof hij innerlijk bevroren is. Bij een gedesorganiseerde hechting zal meestal externe hulp nodig zijn.
Maar in de eerste twee gevallen van onzekere gehechtheid kun je zeker veel doen en dat is ook van het grootste belang voor het verdere leven van je kind. Je zult dan vooral moeten werken aan de betrouwbaarheid van je reactiepatronen. Kan het kind ervan op aan dat jij in een bepaalde situatie altijd op dezelfde manier reageert? Wees duidelijk, straf als het nodig is, maar laat het kind altijd volledig in zijn waarde. Bestraffen is niet slecht, ook niet voor het hechtingsproces, zolang je je kind niet als persoon wilt treffen met je straf. Een goede straf bestraft niet het wezen van het kind, maar zijn gedrag. Ik merk wel dat ouders vaak moeite hebben met straffen. Je moet het namelijk uit zien te houden om consequent te zijn. Ben je dat niet, dan is straf contraproductief. Maar alle kinderen zoeken de grenzen en duwen er met kracht tegen. Als jij niet in staat bent ze overeind te houden, dan tuimelt je kind in een vacuüm. Begrenzen is de essentie van het omhullende gebaar dat je om je kind heen maakt. Dat gebaar wordt natuurlijk steeds wijder, totdat je je kind uiteindelijk volledige zelfstandigheid geeft. Als fijngevoelige ouder weet je hoeveel frustratie je kind daarbij aan kan. Je geeft hem de kans te ervaren dat het niet het einde van de wereld is als er niet meteen aan zijn behoeften wordt voldaan. Ook dat versterkt het vertrouwen. Zekere hechting houdt in dat het oervertrouwen waarmee het kind werd geboren in de eerste acht maanden zo door de primaire hechtingspersoon wordt behoed dat het naar binnen kan trekken en zich kan omvormen tot zelfvertrouwen.’.

.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1877

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.