Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.

Als Klaas Vaak niet komen wil

Terecht maken ouders zich zorgen als hun kind niet goed slaapt. Vaak is er met eenvoudige middelen iets aan te doen.

De slaap van een kind is heilig.
In de slaap groeit hij, verteert hij wat hij overdag aan belevenissen opnam en wordt hij wijzer. Na ingrijpende gebeurtenissen, die het kind zwaar op de maag liggen, raakt de slaap meestal als eerste verstoord. Ook angst, onrust of een ingeslepen, verkeerde gewoonte kunnen leiden tot een ongewenst slaappatroon. Zoals bij Eva, een wilskrachtige dame van 16 maanden. Zij werd plotseling iedere nacht een paar keer wakker. Omdat zij altijd fors van zich laat horen als niet direct gebeurt wat ze wil, nam haar moeder haar, voor ze de hele boel bij elkaar kon krijsen, uit bed. Ze vermoedde dat Eva last had van doorkomende kiezen en als troost mocht ze bij haar ouders in bed. Daar viel ze rustig in slaap. Na een week – de kiezen waren intussen doorgekomen – werd Eva ’s nachts nog steeds wakker. Haar ouders pakten haar op om haar te kalmeren en legden haar daarna weer in haar eigen bedje. Maar dan kon niets Eva meer tot bedaren brengen. Ten einde raad nam haar moeder haar toch maar weer bij zich in bed; wie weet had ze wel buikpijn of last van een boze droom.

‘Als je wilt kun je altijd wel een excuus vinden voor het gedrag van je kind,’ zegt Eva’s moeder nu. Bij toeval kwam ze er achter dat ze het anders moest aanpakken. Aanvankelijk wachtte ze altijd eerst even tot Eva echt begon te huilen voor ze naar haar toeging. Maar toen ze haar een keer direct bij het eerste geluidje uit bed haalde, merkte ze dat het kind nog duf en slaapdronken in haar armen hing. Zonder dat ze echt wakker werd, kon ze haar weer in haar bedje leggen. Na een paar nachten sliep Eva weer de hele nacht ongestoord door. De vicieuze cirkel was doorbroken en er was een nieuwe gewoonte voor in de plaats gekomen.

Ritueel

Gewoontevorming gaat bij de hele kleintjes pijlsnel. Als je je onrustige baby meeneemt voor een ritje in de auto omdat hij alleen van autorijden inslaapt, zal hij snel nergens anders meer willen slapen. Verandering van zo’n patroon veroorzaakt heftige reacties. Wanneer je toch besluit je aanpak te veranderen en dat, tegen alle protesten in, wilt volhouden, zijn standvastigheid en de innerlijke overtuiging dat je de goede beslissing hebt genomen bepalend voor het succes. Rituelen helpen om het ‘gewoontelichaam’ op te voeden. Het vertrouwen in steeds hetzelfde verloop, maakt voor een kind de overgang van de ene fase naar de andere gemakkelijker. Een ritueel voor de overgang van de dag naar de nacht kan bestaan uit een vaste volgorde in uitkleden, tanden poetsen, schone kleren klaarleggen, een plaat bekijken of een verhaal vertellen, een liedje zingen, een aai over de bol, een kus en dan welterusten. Een spreuk tot slot waarin een engel of een mens voorkomt die de wacht houdt over het kind als het slaapt, kan het gevoel van geborgenheid nog versterken.

Buikpijn

Voor peuters en kleuters die alles zien en horen en hypergevoelig zijn voor indrukken, kan het moeilijk zijn om het wakkere bewustzijn los te laten en zich over te geven aan de slaap. Ze hebben snel last van darmkramp of buikpijn omdat ze de (te) diep binnenkomende indrukken niet goed kunnen verteren. Je helpt ze door hun buik te omwikkelen met warme doeken die zijn gedoopt in kamillethee. Dit ontspant de buik en stimuleert de stofwisseling, waardoor ook het psychische verwerkingsproces beter verloopt. Iets warms drinken tijdens het voorlezen werkt ook ontspannend. Als je de tijd neemt voor deze dingen, kunnen (wat oudere) kinderen de gelegenheid aangrijpen om te vertellen over gebeurtenissen van de dag. Dat werkt als een soort voorvertering.

Voor kinderen die ’s ochtends niet goed wakker worden, kan een koele zoutafwassing helpen. Want om ’s avonds weer te kunnen loslaten, moet je overdag goed in je vel zitten. Wanneer deze eenvoudige middelen niet helpen, is het aan te raden samen met de arts naar de oorzaak van het slaapprobleem te zoeken.

Kamillewikkel

Leg een katoenen doek ter breedte van de buik in een schaal. Leg daarop een zeef met twee eetlepels kamillebloemen en overgiet die met kokend water. Niet laten trekken. Haal de doek uit de hete thee en leg hem op een handdoek. Rol die op en wring hem goed uit, zodat de kamilledoek erin zo droog mogelijk wordt, maar nog wel vochtig en warm blijft. Vouw de doek open en wapper tot de lap de temperatuur heeft die je kind kan verdragen. Leg hem vlug op de buik zonder dat hij verder af koelt en leg er een dikke handdoek of wollen doek zonder kieren overheen. Laat je kind zo een half uurtje rusten of ermee inslapen. Geef de kamillewikkel ’s middags of ’s avonds. Houdt dat een.aantal weken vol, las dan een pauze in en wikkel dan weer een periode. Tip: oefen eerst ‘droog’, zodat je handigheid krijgt in het snel en zeker aanbrengen van de wikkel.

Zoutafwassing

Een theelepel zout in een kwart liter koel water oplossen en daarmee (met een washand) stevig gezicht en schouders wassen. Niet afspoelen of af drogen. Doe dit zes weken, vervolgens drie weken niet en dan weer zes weken. Kijk goed naar het effect op je kind. Als de huid te intens rood wordt van de afwassing, dan halveer je de dosis. Geef een zoutafwassing alleen ’s ochtends.

.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Michaela Glockler en Tomas GoebelKinderspreekuur

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1671

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Speelgoed (5-3/2)

.
De keuze voor verantwoord speelgoed, cadeautjes, is soms moeilijk te maken. Wat geef je op welke leeftijd en met welk doel.
Een uitstekende artikelenreeks hierover is Spel en speelgoed

Uiteraard zijn er verschillende opvattingen en soms loopt de keus voor een stukje speelgoed ook per leeftijd uiteen. 

Om 0uders behulpzaam te zijn verschijnen en verschenen allerlei lijstjes met geschikt speelgoed voor een bepaalde leeftijd.

Hier is zo’n lijstje, het verscheen jaren geleden, maar bevat nog altijd suggesties die ook voor nu bruikbaar zijn.

Goede speelvormen en speelmaterialen

van 0-1 .jaar

koord met balletjes;
baby-ballen rammelaar;
bijtring;
drijvende dieren;
belletjeskubus ; ratelkubus;
bal;
pluchebal;
poppen en dierfiguren van zachte stof.

peuter 1-3 jaar

piepfiguren;
pluchen en stoffen figuren en poppen;
dieren die je achter je aan trekt;
duikelaars;
holle kubussen;
bouwbekertjes;
prentenboeken van linnen of zwaar karton;
speelgoed voor zandbak,
tuin en strand;

van 3-6 jaar

kleine houten auto’s van 10-25 cm;
vrij grote vrachtauto’s;
houten trein;
staande schommel;
hobbelpaard;
kleine ladderwagen of geheel gesloten vrachtwagen;
teddybeer en andere stoffen dieren ;
bezem;
wasgerei en dergelijke;
zandspeelgoed;
grote bouwelementen,
speelmeubels;
driewieler;
paardenvoertuig;
verschillende houten voertuigen;
tuinschommel;
kruiwagen;
poppen;
poppenkleding met toebehoren;
poppendraagtas,
poppenbed,
poppenwagen;
tekenbord,
borddoek,
krijt;
vingerverf;
waskrijtblokken en -stiften;
bouwblokken van hout;
speelgoed om te schroeven; insteekbouwmaterialen, met grote delen;
materiaal om te leggen, in te steken, te spijkeren;
rijgkralen;
opstelspeelgoed (steden, dierentuin en andere);
autoped; babypop en- toebehoren;
poppenkamer met poppen; toebehoren voor het’rollenspel’;
winkel;
handspeeldieren;
bouwmateriaal met schroefverbinding;
kaartenhuis;
kneedmateriaal;
gekleurd papier en kinderschaar;
magneet, zaklamp en dergelijke;
eenvoudige gezelschapsspelen;
prentenboeken,
kleurboeken,
voorleesboeken,
eenvoudige puzzels ;

van 6-10 jaar

springtouw; kleine modelvoertuigen;
grote poppenwagen;
handspeelpoppen (‘Jan Klaassen’);
vlechtblaadjes van papier;
waterverf (dekkleuren);
winkel met toebehoren;
kindermuziekinstrumenten (trommel, blokfluit, xylofoon);
huishoudelijk speelgoed (veger, stoffer, blik);
kookstelletje;
kleurstiften met dunne,
kern;
constructie-bouwmateriaal hout);
insteekbouwmateriaal  (plastic);
vellen papier om te knippen;
handenarbeidmateriaal (figuurzagen, verven, werken met klei en dergelijke);
vrij grote modelvoertuigen (metaal);
rolschaatsen en schaatsen;
weefgetouw;
knutselmaterialen;
vrij moeilijke gezelschapsspelen;
badminton;
bouwplaten; constructiebouwdoos (metaal);
goocheldoos;
leesboeken;
puzzels.

van 10 jaar en ouder

een deel van het speelmateriaal van 6-10 jaar;
vlieger;
aquarelverf;
naaimachine;
fornuis en andere elektrische apparaten;
gereedschap;
hobby-materialen;
elektrische modeltrein;
stoommachine,
elektromotor;
technische bouwdozen;
experimenteerdozen;
boeken;
puzzels;
muziekinstrument;
modelbouw (schepen, vliegtuigen);
fototoestel met handleiding.

omgaan, uitproberen, experimenteren en vormen met materiaal

van 0-1 ,jaar

luchtballon;
mobile;
geluidsspelen;
ratel;
grijpspeelgoed;
badkuipspeelgoed;
bal;
werppop;
werpdier;

tussen 1 en 3 jaar

badkuipspeelgoed;
hansworst;
duikelaartje;
kogelbaan;
muziek-speeldoos;
vormen-insteekspel;
insteek-speelgoed (bouwbekers, blikken);
eenvoudige legpuzzel;
hamerspelen;
bouwblokken;
vingerverf;
viltstiften;
vezelstiften;
zandbak;
zandspeelgoed;

tussen 3 en 6 .jaar

zandbak;
zandspeelgoed;
kegelbaan die je uit elkaar kunt nemen;
bouw- en constructiemateriaal;
grote bouwelementen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
miniatuurvoertuigen;
opstelspeelgoed;
materiaal om te leggen;
plaatjes-legspelen;
legpuzzel;
kaartenhuis;
gekleurd papier;
schaar;
vellen papier om te knippen;
papiervlechten;
rijgkralen;
kneedmateriaal;
bord;
krijt- en viltstiften;
waskrijt;
waterverf;
kleurpotloden;
kleurboeken;
gereedschap;
materiaal om met de handen te werken;
drukken;
handwerken;
weefgetouw;
caleidoscoop;
vlieger;
zweefvliegtuig;

tussen 6 en 10 jaar

materiaal en gereedschap om te bouwen;
schilderen;
drukken; vormen;
met de handen te werken zoals voor 3-6 jaar;
constructiemateriaal;
voertuigen. en verkeerscomplexen met aandrijving (opdraai-mechanisme/ batterij);
schepen;
mini-bobslee;
montagebouw (vaartuig, telefoon);
kabelbaan;
racebaan met aansluiting op lichtnet;
legpuzzel;
plaatjeslegspel;
stempeldoos;
bouwplaten;
boetseermateriaal;
werkbank;
experimenteermateriaal;
caleidoscoop;
speelveer;
vlieger;
denkspelen;
goochelspelen;
geduidspelen;

met 10 jaar en later

materiaal en gereedschap als voor 6 tot 10 jaar;
modelbouwgereedschap en -materiaal;
modeltrein met aansluiting op lichtnet;
naaimachine;
breimachine;
aquarelverf; tekensjablonen;
passer
experimenteermateriaal;

rollenspel – toneelspel

tussen 1 en 3 jaar

stoffen dieren;
werppop of andere eenvoudige pop;
telefoon;
eenvoudige huishoudgereedschappen (bezem, zwabber);
onbreekbaar servies;
speelmeubels;
speelelementen van karton;

tussen 3 en 6 jaar

stoffen dieren;
pop – ook babypop;
poppentoebehoren (kleertjes, bedje, koffer);
telefoon;
pannen;
bakgerei;
huishoudgereedschappen;
breekbaar servies;
poppenkamer met buigpoppetjes;
toebehoren voor andere rollenspelen (arts, astronaut, post, supermarkt);
dingen om te je verkleden;
handspeelpoppen (eenvoudig en licht);
opstelspeelgoed;
miniatuurvoertuigen;
verkeerscomplexen zonder aandrijving;
voertuigen met verschillende functies (kraan, brandweer);
grote bouwelementen;
speelmeubels;
speelelementen;
tent;

tussen 6 en 10 jaar

stoffen dieren;
poppen;
poppetoebehoren;
poppenkamer (meer toebehoren);
huishoudgereedschappen;
rollenspel toebehoren
dingen om je te verkleden;
miniatuurvoertuigen;
voertuigen met aandrijving;
treincomplex zonder en met aandrijving (veerwerk of batterij);
racebaan met aansluiting op lichtnet;
handspeelpoppen;
handspeeldieren;
vereenvoudigde marionetten;
poppenkast (podium);
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen;

met 10 jaar en ouder

poppen; poppentoebehoren;
elektrische apparaten (fornuis, strijkijzer);
dingen om je te verkleden en toneel te spelen;
poppenkast;
handspeelpoppen en -dieren;
marionetten;
speelmeubels;
grote speelelementen;
tent;
grote bouwelementen ;

gezelschapspelen

tussen 3 en 6 jaar

lottospelen;
kleuren- en plaatjesdomino;
snipsnap;
pak me;
kat en muis;
hengelspel;
behendigheidsspelen;
knikkeren;
geheugenspelletjes (memory,
koffer inpakken;
zwartepieten;
kleur-dobbelspelen;
eenvoudige wedstrijd
dobbelspelen (geluksspelen);
spellendoos;

tussen 6 en 10 jaar

geheugenspelletjes (memory, koffer inpakken);
wedstrijddobbelspelen (taktische);
bordspelen (halma, dammen, rollenspel);
letterspelen;
legspelen;
domino;
denkspelen;
kaartspelen;
kwartet;
spellendoos;
behendigheidsspelen, (mikado, labyrint, vlooiènspel);
autoracebaan (lichtnet);
sportspelen (tafeltennis, badminton);
ballen;
werpspelen;
springtouw;
elastiekentwist;
knikkeren;

met 10 jaar en later

gezelschapsspelen als voor 6-10 jaar;
autoracebaan met aansluiting op lichtnet;
moeilijke gezelschapsspelen;
denkspelen;
geduldspelen;
behendigheidsspelen;
goochelspelen;
sportspelen;
sportballen;
blaaspijp;
werpspelen (ringen, schijven, darts….)

Andere mogelijkheden

Andere activiteiten die kinderen leuk vinden is het, op hun eigen manier, meehelpen van de ouders, bijvoorbeeld met het verzorgen van een jonger broertje of zusje; het verzorgen van de planten; met het eten klaar maken; in de tuin helpen. In en rond het huis zijn vaak veel mogelijkheden voor kinderen die ze graag samen met hun ouders doen.
.

bron-vermelding:
– vooral gebaseerd op ‘Aktions-Leitfaden gegen Kriegsspielzeug’; DFG-VK-Bundesgeschaftsstelle, Essen
– Omgaan met agressie. Agressie als communicatiemiddel. Hans Tromp, Everbard Mulder – 1978; 2e herziene druk 1980.
– vooral gebaseerd op; ’Aktion Kriegsspielzeug; Modelle- und
Aktionsvorschläge für Kinder, Jugendlich und Erwachsene1, Deutsches Pax-Christi-Sekretariat) Frankfurt/Main – nr.21, 2-78,
– artikel in Veluwepost dd. 15 nov. 1978.

.

Spel, speelgoedalle artikelen

Rudolf Steiner over spel

.

1663

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (18)

 

Op vakantie met baby en peuter

Vakantie heb je als ouders hard nodig om tot rust te komen. Maar voor je baby hoeft het niet echt en ook je dreumes raakt er vaak nog door van slag. Consultatie-verpleegkundige Paulien Bom legt uit hoe je kunt vermijden dat je aan je reis een ‘was dat nou vakantie?’ gevoel overhoudt.

Het tijdschrift over vakanties met kleine kinderen staat vol met aantrekkelijke foto’s: bruine koppies, eigenwijze zonnebrillen, stoere petjes. Aanbiedingen van Texel tot Tunesië (met het hele gezin op kamelen door de woestijn), van Canada tot logeren bij de boer. Van heel ver, en waarschijnlijk ook duur, tot een klassieke strandvakantie op de Wadden. Wat me opvalt is dat de berichten over die vakanties met kinderen stuk voor stuk succesverhalen zijn, terwijl ik in mijn werk toch vaak verhalen hoor over heel wat minder geslaagde vakanties.

Dat behoort dus beslist ook tot de mogelijkheden, van die ‘eens maar nooit weer’ vakanties.

Transatlantisch vliegen 

Als ik het verhaal hoor van een gezin dat met een baby van zeven maanden en een driejarig meisje een week naar New York gaat omdat de vader daar voor zijn werk moet zijn, denk ik: dat is vragen om problemen. De moeder belde me een week na thuiskomst min of meer radeloos op. Ze had zich niet gerealiseerd dat het tijdsverschil voor zoveel problemen zou zorgen. De slaap van beide kinderen was totaal ontregeld en, omdat ze zelf ook redelijk aan haar eind was, compenseerde zij het wakker zijn van ’s nachts ook met slapen overdag. Zo werd het New-Yorkse ritme stevig in stand gehouden.

Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat zo’n reis te veel gevraagd is voor een baby. Als je je realiseert hoeveel moeite, geduld en toewijding het kost om met je baby in een goed dag- en nachtritme te komen – en hoe goed hij gedijt als dat ritme is gevonden – dan ligt het niet voor de hand dat te gaan verstoren met een transatlantische vlucht. Bij het genoemde gezin heeft het weken geduurd voordat met name de baby weer lekker in haar vel zat en het oude ritme weer te pakken had. Als ik me – nog afgezien van het tijdsverschil – voorstel hoeveel indrukken er op een kind afkomen op zo’n grote reis en me vervolgens afvraag hoe een baby of peuter die allemaal een plek moet geven, dan zou ik helemaal niet aan zo’n reis beginnen.

Dag- en nachtritme

Ik wil hier een ander reisverhaal tegenover zetten. Een gezin met twee kinderen, waarvan de jongste vier maanden is, vliegt naar Australië om de grootouders daar te bezoeken. De moeder heeft het zo geregeld dat ze pas weer hoeft te gaan werken als de baby zes maanden is. Moeder en kinderen blijven zeven weken bij de grootouders, de vader voegt zich later bij hen. De reis is zwaar omdat de baby nauwelijks tot slapen komt. De eerste dagen in Australië is hij van slag en huilt veel. Daarna lijkt hij te wennen aan het nieuwe dag- en nachtritme en herkent zijn moeder in hem weer de vertrouwde makkelijke en gezellige baby. De grootouders genieten met volle teugen van hun kleinkinderen en ook voor de moeder is het een heerlijke tijd omdat ze veel zorg uit handen kan geven. Terug in Nederland is het weer flink wennen, maar gelukkig heeft de moeder voor ze aan het werk moet nog een week de tijd om de boel weer in het gewone ritme te krijgen. Dat blijkt net voldoende te zijn.

Het grote verschil met het vorige verhaal is de lengte van de reis. Ook deze baby moest twee keer van ritme wisselen, maar kreeg daar wel echt de tijd voor. Verder had deze reis een vanzelfsprekender plek binnen het gezin dan de reis uit het eerste voorbeeld: er wachtten aan het einde van de lange reis een tweede thuis en een opa en oma die ook een beetje recht hebben op hun nieuwe kleinkind.

Snel van slag

Veel vakantieleed kun je vermijden door jezelf bij het plannen van een reis af te vragen wie je met de voorgenomen vakantie een plezier wilt doen. Als dat de baby is, dan kun je in principe de vakantie het beste thuis vieren. Daar is de omgeving vertrouwd en daar gedijen baby’s in. Voor hem hoeft de wereld nog niet veel verder te reiken dan het huis en een blokje om. Als de vakantie niet voor de baby is, dan wellicht voor de andere kinderen in het gezin. Zijn die nog klein, dan zou ik nog steeds geen lange reis maken.

Maar het antwoord kan natuurlijk ook zijn dat de vakantie voor jouzelf als ouder is. Dat is zeer legitiem, want in de vakantie kun je je ontspannen en dat komt iedereen, dus ook je baby, ten goede. In dat geval is het van belang je in je kind in te leven en zijn gedrag een tijdje goed te observeren. Hoe reageert hij op bezoek en op uitstapjes? Rustig en onverstoorbaar, of juist druk en over zijn theewater? Hoe slaapt hij in een vreemd bedje? Hoe reageert hij op nieuwe gezichten? En hoe is het de dag na het bezoek of uitstapje? Slaapt hij even flink bij en kan hij er dan weer tegen, of is hij meer dan één dag van slag? Er zijn onverstoorbare baby’s en peuters die overal wel lekker in hun vel lijken te zitten. Maar er zijn ook kinderen die schrikkerig en snel van slag zijn. Ze hebben moeite zich in te stellen op veranderingen en laten dat merken door te jengelen, moeilijk in te slapen of door te slapen of door slecht te eten. Het in kaart brengen van het gedrag van je baby of peuter bij veranderingen, met name in de dagen erna, kan je helpen richting te geven aan je plannen en mede je reisbestemming bepalen.

Kamperen

Met onrustige, gevoelige baby’s zou ik kamperen bijvoorbeeld al gauw een te riskant plan vinden, omdat een tent alle geluiden en veel licht doorlaat. Kies, enthousiast geworden door de verhalen van anderen, vooral niet voor kamperen met een kleintje als je geen kampeerervaring hebt. Kamperen is, naast oergezond, ook inspannend. Als je dat niet gewend bent, en je moet ook nog ’s morgens vroeg aan de wandel omdat de baby anders de hele camping wakker huilt, dan kan met recht de vraag opkomen: is dit nou vakantie? Als er genoeg prettige momenten tegenover staan, kan het antwoord ‘ja’ zijn. Maar het is ‘nee’ als het kamperen gewoon te veel gevraagd is voor alle partijen.

Geslaagde vakanties met de kinderen behoren voor veel mensen tot de meest gekoesterde herinneringen. Na de vakantie blijken de kinderen vaak flink te zijn gegroeid en steviger op hun beentjes te staan. Allemaal redenen om wél op vakantie te gaan. En als je je gezonde verstand gebruikt en je aanpast aan zijn , behoeften, kan dat ook met een baby.

Enkele praktische adviezen

Als je je baby meeneemt de bergen in, kan de aanpassing aan de hoogte hem zwaar vallen. Een regel die de Nederlandse Bergsportvereniging hanteert is: veilig is een verblijf op maximaal 1500 meter. Te voet naar een hoogte van maximaal 2500 meter gaan is ook geen probleem. Een snelle stijging naar deze hoogte met een gondel of tandradbaan is onverstandig. Ook overnachten is op die hoogte niet aan te raden.

Neem een baby van onder de acht maanden niet in een stoeltje op de rug mee op wandelingen. Hou ook daarna de wandeltijden nog beperkt. Pas als hij goed los kan zitten, kun je ook langere tochten maken. Maak bij het kamperen gebruik van een reiswieg of een campingbedje en kijk of je daar overheen een wat donkerder hemeltje kan fabriceren. Het licht kan het inslapen aanzienlijk bemoeilijken en ervoor zorgen dat de baby zich bij het eerste ochtendkrieken al weer meldt.

Houd zoveel mogelijk vast aan vertrouwde rituelen, met name rond het eten en slapen. Dat geeft houvast en maakt het makkelijker bij thuiskomst de gewone raad weer op te pakken.

Laat als je gaat vliegen de baby tijdens het stijgen en landen aan de borst of de fles drinken, zodat hij de druk op de oren niet zo erg voelt. Als je intercontinentaal vliegt, is het raadzaam de baby in de dagen en nachten erna goed in de gaten te houden en de eerste nachten in dezelfde kamer te slapen. Dit in verband met een verhoogde kans op wiegendood.

En ten slotte: als je met een baby naar een warm land gaat, is schaduw het allerbelangrijkst. Zonnehoedjes, dunne beschermende kleding en parasols zijn bepaald geen overbodige luxe.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1617

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (4)

.

Springen en stampen om rustiger te leren bewegen

Aan de manier waarop een kind loopt is veel af te lezen.
Kleine belemmeringen in de beweging weerspiegelen vaak een ander probleem. Een goede manier om te doorgronden waarom je kind zich beweegt zoals hij doet, is het nabootsen van zijn loopbeweging. Het navoelen van zijn uiterlijke beweging kan verduidelijken wat je kind innerlijk beweegt.
Kindertherapeute Joyce Honing geeft voorbeelden uit haar praktijk.

Aan de hand van haar pappa komt Lotje de praktijk binnen. Lotje is een stevig blond meisje van bijna zes. Door de sterke bouw van haar lijfje lijkt Lotje alles in zich te hebben om veel te bewegen en actief te spelen. Maar het probleem is juist dat ze dat niet doet. Ze is heel erg verlegen, durft niet bij vriendinnetjes te spelen, gaat niet naar verjaardagspartijtjes en speelt niet buiten als het mooi weer is. Het liefst kruipt ze stil in een hoekje met haar barbies of een boekje. Het stoort haar ouders dat Lotje zich niet sociaal gedraagt en ze vinden het niet gezond dat ze geen plezier heeft met andere kinderen.
Als Lotje een mager, gevoelig kindje was geweest, zou ik haar ouders adviseren vrede te hebben met haar wat schuwe teruggetrokkenheid. Maar bij Lotjes lichamelijke gestel past die terughouding niet. Het lijkt erop dat haar iets dwars zit, maar ik vind daarvoor geen aanknopingspunten. Ze heeft het fijn op school, ze kan goed opschieten met haar jongere zusje en het gezin, waarin de vader
full-time moedert, is warm en veilig. Wel heb ik bij het binnenkomen gemerkt dat Lotje een beetje struikelend over de drempel kwam. Haar linkervoet blijkt sterk naar binnen gericht te staan. Als ze loopt draait het stevige linkerbeentje mee naar binnen en de rechterschouder naar achteren zodat haar lijfje wat scheef op haar heupjes komt te staan.

Voet- en teenspelletjes

Als ik een kind zie met een probleem waarvan me de oorzaak niet onmiddellijk duidelijk is, probeer ik vaak zelf een poosje te lopen zoals ik het kind heb zien doen. Door dat te doen kan je van binnenuit begrijpen met welk bewegingsgevoel dit kind in het leven staat. ’s Avonds loop ik thuis in de houding van Lotje. Wat me onmiddellijk opvalt is dat met zo’n sterk naar binnen gedraaide voet alle ritme uit het lopen verdwijnt en het een hortende beweging wordt. Mijn lichaam schommelt alsof ik iets zwaars draag. Ik deed met mijn kinderen een tikspelletje rond de tafel en merkte dat ik, ondanks mijn inmiddels opgedane behendigheid met de naar binnen gekeerde voet, telkens werd getikt en niet eens in staat was mijn jongste dochter af te tikken. Er bekroop me een gevoel van machteloosheid en de neiging om af te haken. Daardoor drong het tot me door dat er met Lotje waarschijnlijk op het sociale vlak niets mis is, maar dat ze door de constante belemmering in haar beweging teruggetrokken is geworden. Om haar terughoudendheid te overwinnen, zal ik samen met Lotje moeten proberen of we haar loopbewegingen wat vloeiender kunnen laten worden.

De eerst volgende keer dat ik haar zie laat ik haar met blote voetjes en de ogen dicht op een handdoek staan en wijs een voor een haar teentjes aan. Ik vraag haar die te benoemen, maar dat lukt haar niet. Ze heeft geen enkele verbinding met haar voetjes en teentjes.
Sindsdien doen we al weken voet- en teenspelletjes. Ik leg bijvoorbeeld een parcours van blaadjes papier als eilandjes over de grond. Lotje is de reus die met de ogen dicht tastend van eiland naar eiland stapt. Haar oogjes moeten nu bij wijze van spreken tot in haar grote teen zitten. We schrijven met de teentjes in zand, met een krijtje tussen de tenen op een groot vel papier en we doen evenwichtsspelletjes. Lotje begint plezier te krijgen in de spelletjes en ik zie dat haar gespannen schoudertjes zich iets gaan ontspannen. Lotjes ouders.vonden het aanvankelijk maar vreemd dat ik bij een kind met een sociaal probleem bij de voetjes begin te werken. Maar intussen zien ook zij dat Lotje haar schuwheid – die in dit geval duidelijk werd veroorzaakt door een lichamelijke belemmering – begint te overwinnen nu ze zich langzaam aan wat soepeler en zekerder leert bewegen.

Achter je hoofd aan rennen

Bij veel opvoedings- of ontwikkelingsproblemen biedt beweging een beter aangrijpingspunt voor de therapie dan het psychisch uitdiepen ervan. Ook als het probleem ogenschijnlijk niets met een stoornis in de bewegingen te maken heeft. Zoals bij Vera.
Vera is een opvallend hip gekleed, vrolijk meisje van vijf met blonde krullen en heldere blauwe kijkers. Ze is erg onrustig. Zó onrustig dat haar moeder er radeloos van wordt en vreest dat haar dochter duidelijk een ADHD-geval is. Ik zie dat Vera bij het lopen met haar hoofdje naar voren neigt en dat haar beentjes het hoofdje nauwelijks kunnen bijhouden. Het is alsof ze voortdurend naar voren valt. Aanvankelijk wijt ik dat aan haar hoge plateauzolen, maar ook als ze schoenen en sokken uit heeft lopen haar beentjes hulpeloos en ongericht achter haar koppie aan. Terwijl we naar de fysio-therapieruimte lopen duikelt ze een paar passen voor me uit en bij het balspelletje dat ik met haar speel is ze onrustig en afwezig.

Als ik die avond thuis probeer te lopen als Vera, merk ik dat ik snel geïrriteerd raak en zelfs een beetje angstig word. Alsof ik onbetrouwbare grond onder de voeten heb. Vera’s moeder vertelt me dat haar dochtertje nogal een ‘luie’ baby was. Ze hebben flink met haar moeten oefenen en haar moeten belonen voor ze wilde gaan lopen. Dat verbaast me niet.

Eigenlijk loopt Vera nog steeds alsof ze dat niet zelf wil maar door een elastiekje aan haar hoofd wordt vooruitgetrokken. Haar buikje, benen en voetjes doen doelloos en druk mee in de bewegingen.

Vera zal moeten leren haar bewegingen te structureren door te merken dat ze minder chaotisch worden wanneer ze er een duidelijk doel mee heeft, wanneer ze beweegt omdat zij dat zelf wil. Om haar dat te leren voelen, vertel ik haar verhaaltjes over mieren, mollen en muizen. Ik vraag haar bij de mier haar linker-voetje te stampen, bij de mol haar rechtervoet en bij de muis een sprongetje te maken. De eerste keren dat we dit spelletje doen, springt en stampt ze op bijna ieder woord. Gaandeweg leert ze eerst een ogenblik te luisteren, even naar binnen te trekken en dan pas te doen. We hadden een week of zes nodig voordat Vera’s hoofdje minder naar voren ging neigen en haar bewegingen wat rustiger werden.

Olleke bolleke

Ook bij spraakproblemen merk ik vaak dat bewegingsspelletjes beter helpen dan het naspreken van woorden bij de logopedist. Daar leert een kind woorden uitspreken die niet van hemzelf zijn, terwijl het de taal juist moet kunnen vormen op een manier die past bij zijn bewegingen. De manier waarop een peuter of kleuter spreekt, hangt ook nog sterk samen met zijn lichamelijke gestalte. Over het algemeen spreekt een stevig, gespierd kind krachtig; een wat mager, gevoelig kind bedachtzaam; een speels vlindertje snel en een beetje onsamenhangend en het rustige kind met bolle wangetjes en een bol buikje langzaam, alsof hij ieder woord eerst voorproeft. Zo’n mollig kindje dat graag eet en zich wat traag beweegt, kan moeite hebben met de krachtige klank van een aantal medeklinkers. Vaak stromen de klanken ongevormd uit zijn mond. Dat kun je verbeteren door samen met je kind juist sterk gevormde bewegingen te maken en handspelletjes te doen zoals bijvoorbeeld Olleke, bolleke. Daarbij gaat het niet zozeer om het uitspreken van de moeilijke klanken, maar om het maken van stevige, dichte vuistjes die krachtig op elkaar worden gestapeld. Naarmate de vuistjes flinker worden gebald en de toren rechter wordt, zullen de medeklinkers vanzelf te voorschijn komen en de spraak steviger worden.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, nr.7 lente 2001

.

Ontwikkelingsproblemen bij:

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Meer over bewegen

.

1603

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (1-2)

.

Broertje of zusje op komst

Met de komst van een tweede kind verandert de structuur van je gezin vaak ingrijpend.
Wanneer je rondom de bevalling dan ook even niet zo sterk in je schoenen staat, kan een jengelende peuter je snel te veel zijn. Wat gebeurt er eigenlijk met een peuter als zich een broertje of zusje aandient?
Peuterjuf Joyce Honing neemt een kijkje achter de schermen van het jonge gezin.

De moeder van Sharon is hoogzwanger van haar tweede. Ze vertelt me stralend dat alles klaar is voor de baby. Ze verheugt zich op de laatste maand, waarin ze zich in alle rust kan voorbereiden op de bevalling.
Een paar dagen later zie ik haar langzaam en dromerig het schoolplein op lopen met Sharon aan de hand. Ik sta voor het raam van het peuterklasje en zwaai naar ze. Sharon zwaait terug en trekt aan haar moeders arm om haar te wijzen op juffie die zwaait. De moeder glimlacht naar haar, maar haar blik is niet bij het kind en niet bij de juf, maar ergens ver weg. Sharon voelt dat die glimlach niets te maken heeft met wat zij haar mamma te zeggen heeft. Ze trekt woedend haar hand los, geeft een fikse stomp op de dikke buik van haar moeder en rent het klasje in. Haar moeder is zeer ontdaan. Ze begrijpt niets van deze reactie. De laatste dagen gedraagt Sharon zich vaker zo onmogelijk. Vreemd, want ze was toch juist zo blij over de komst van het nieuwe kindje.

Kleine tiran

Als juf maak je het natuurlijk regelmatig mee dat een peuter een broertje of zusje krijgt. Voor de peuter betekent dat vaak een vrolijke en opwindende tijd. Het hele gezin komt in beweging om de nieuwe baby te ontvangen: de babykamer wordt ingericht, de wieg bekleed, luiers worden gewassen en gevouwen en de peuter wordt bij alles betrokken. Voor hem is dit alles een feest, want beweging is zijn element. Dan breekt de laatste zwangerschapsmaand aan. Vaders zijn opgelucht dat alles in orde is en moeders tevreden dat ze de rust krijgen die ze zo vlak voor de geboorte hard nodig hebben.

En dan slaat de peuter om als een blad aan de boom. Hij wordt lastig, gilt om het minste geringste en maakt een drama van eten en slapen. Hij voelt feilloos aan dat hij niet meer de gebruikelijke aandacht van zijn moeder krijgt en weet ook, zoals Sharon met de klap op haar moeders buik liet zien, waar die aandacht wel naar toegaat. Er wordt een kleine tiran in hem wakker, die de aandacht van zijn moeder koste wat kost naar buiten wil trekken.

Veel kan je aan deze situatie niet veranderen, want hoe dichter bij de bevalling komt, hoe meer ruimte je innerlijk nodig hebt voor de enorme gebeurtenis die de komst van een kind is. Het enige wat je kunt doen is het liefdevol gadeslaan van de kleine tiran in de wetenschap dat zowel hij als jij nu even niet anders kunnen.

Verwondering

Vaak gaan ouders ervan uit dat hun peuter, die zo vol vreugde meedeed met alle voorbereidingen, zich net als zij erg op de komst van een broertje of zusje verheugt. Maar een klein kind kan zich nog niet echt verheugen op iets dat het niet kent. We zijn, in ons enthousiasme om het geheim van het in de buik groeiende wezentje te begrijpen, geneigd de peuter van alles uit te leggen en hem mee te nemen naar het maken van de echo in het ziekenhuis. ‘Kijk,’ zegt de dokter, terwijl hij op de monitor wijst. ‘Kijk, daar klopt het hartje’. Maar een peuter weet nauwelijks waar zijn eigen hartje zit en in plaats van dichter bij zijn ongeboren broertje of zusje te komen, ervaart hij vervreemding.

Precieze uitleg maakt de wereld voor het kind niet begrijpelijker. De essentie – en ook de schoonheid – van de kindertijd ligt juist in de verwondering over het mysterie waarvan hij zelf laagje voor laagje de sluiers afhaalt. Een gezonde ontwikkeling betekent dan dat een kind antwoord vindt op vragen op het moment dat het daaraan toe is. Tot die tijd mogen zon, maan en sterren een hemels geschenk zijn en mag een baby door de engelen of de ooievaar worden gebracht.

Baby bij de vuilnis

Voor de peuter is het het beste als de bevalling ver buiten zijn bewustzijn om plaatsvindt. De meeste peuters kunnen het lijden van hun moeder niet aanzien. Ze zullen woede voelen naar de baby omdat die hun moeder pijn heeft gedaan. Bovendien oriënteert een klein kind zich nog helemaal op zijn ouders en kan het geen afstand nemen van de emoties en de onzekerheid die nu eenmaal onvermijdelijk bij een bevalling horen.

En dan is hij er eindelijk, de baby. De peuter kijkt in de wieg en is teleurgesteld. Want hadden zijn ouders hem niet verteld hoe leuk hij met het kindje zou kunnen spelen? Nu ziet hij daar een klein, onbekend wezentje liggen dat alleen maar slaapt of huilt. De peuter zal tijd nodig hebben om helemaal vanuit zichzelf van de baby te gaan houden. Veel ouders zijn teleurgesteld als ze merken dat dit niet zonder problemen verloopt.

Zo vertelde een vader ontzet dat hij op een ochtend vroeg wakker werd en zijn dochtertje op de overloop aantrof met de baby in haar armen. Buiten klonk het geluid van de vuilniswagen. ‘Pap,’ zei ze, ‘ik zet de baby maar bij de vuilnisbak, want hij brengt zoveel rommel in huis’. Dat is een schokkende, maar rake observatie van de peuter. Ritme en regelmaat zijn in de eerste maanden na de geboorte ver te zoeken, alles is nog een beetje rommelig.

Door het moeilijke gedrag van de peuter begin je als ouder al snel te twijfelen aan je pedagogische kwaliteiten, en aan het verlies van je greep op het dagritme beleef je een onvermogen het gezin draaiende te houden. Je vraagt je vertwijfeld af hoe die moeders met tien kinderen dat vroeger deden, want jij bent al doodmoe van twee.

Moment voor jezelf

Soms kan het goed zijn te bedenken dat het appèl dat kinderen tegenwoordig op hun ouders doen ook werkelijk een stuk groter is dan vijftig jaar geleden. Peuters en kleuters van nu zijn veel wakkerder en uitgesprokener aanwezig. Het liefst loopt een peuter als een schaduw achter zijn moeder of vader aan om te zien wat deze aan het doen is. Dan werkt het niet als je tegen hem zegt dat hij nu lekker moet gaan spelen terwijl jij aan het werk gaat. Hij speelt pas als hij genoeg voeding voor zijn spel heeft gevonden, en die haalt hij vooral uit het meedoen met de dagelijkse bezigheden van zijn ouders. Maar zeker een moeder die net een baby heeft gekregen, valt het vaak zwaar weer terug te komen in het patroon van dagelijkse dingen. Door de bevalling zit ze even wat minder stevig in haar vel. Ze heeft het gevoel alsof ze nog niet helemaal met beide voeten op de grond staat

.Vaak vertellen moeders dat hun dagen zo gevuld raken door de eisen die de kinderen aan hen stellen dat ze, als ze eindelijk een moment voor zichzelf hebben, niet weten wat ze ermee moeten doen. In zo’n geval kan het helpen als je je iedere ochtend voorneemt om twee momenten op de dag naar eigen keus in te vullen. Daar laat je je door niets van afbrengen, ( ook al huilt de baby en is de luierwas groter dan anders. Voorwaarde is natuurlijk dat de keuzen in principe haalbaar zijn. Kleine stappen werken beter dan grote. Het is bijvoorbeeld niet zinvol meteen een studie op te pakken, ’s Avonds kijk je dan terug op de dag om te zien of je ook werkelijk hebt gedaan wat je jezelf had voorgenomen. Als het lukte, sterkt dat het gevoel weer greep te krijgen op de dagen. Lukte het niet, dan kun je proberen er achter te komen waardoor het je uit handen is gevallen. En zodra je wat vastere grond onder de voeten krijgt, kun je ook voor je peuter weer extra aandachtspunten inbouwen.

.
Joyce Honing, Weleda Puur Kind, nr.3 1999

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1598

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (3)

.

kinderen die niet praten

Stralend kijkt een baby je aan. Blijdschap, herkenning! Er komt een lachje, kleine kirrende geluidjes.

Of juist het tegendeel. De blik is ernstig onderzoekend. Er komt een koddige frons tussen de ogen, de mondhoeken trekken omlaag, lipjes beginnen te trillen, mekkerend geblaat zet in en zwelt aan tot gebrul.

Een baby kan nog niet praten, maar de drang om zijn gevoel te uiten leeft al in hem. Ook in rust maakt hij allerlei geluidjes, van een simpel ‘urruh’ tot uitbundig kraaien toe.
Na de babyfase, na het zich oprichten, gaan zitten, gaan staan, gaan lopen, beginnen de eerste woordjes te komen. Het kind begint te praten, zich met de taal te verbinden. Dit is uiterst belangrijk want met de taal leert een mens aan veel meer uitdrukking te geven dan dat hij met kreten en bewegingen kan doen.

Het kind begint in de loop van de volgende jaren in steeds wijdere kringen dingen om zich heen te zien, te benoemen en met elkaar in verband te brengen, hij gaat denken en vragen stellen (de bekende ‘waarom?’ periode), hij begint zelf verhaaltjes te vertellen en eigen woorden te creëren. In een stormachtig tempo maakt het kind zich een verbluffend vocabulaire eigen en een heel leven lang gaat dit proces door, zij het steeds kalmer aan.

Naast de moedertaal kunnen andere talen worden geleerd en het gebruik van de eigen taal kan steeds meer verfijnd, gedifferentieerd, rijker en creatiever worden. Maar het allerbelangrijkste van taal is dat het de mogelijkheid geeft om gesprekken te voeren, niet alleen de gewone communicatie, maar gesprekken waarin zowel de diepste gevoelens als de beste gedachten uitgesproken kunnen worden.

Hoe belangrijk de taal voor een mens is als middel om aan zijn meest wezenlijke behoefte — het zich ontwikkelen — te voldoen, is nergens zo indrukwekkend te voorschijn gekomen als in de biografie van Helen Keller, het doof-blinde kind dat eigenlijk pas mens begon te worden nadat zij door een speciale, aan haar handicap aangepaste methode, toegang kreeg tot de taal.

‘Wanneer een kind van twee jaar nog niet begint te praten, dat wil zeggen enkele woordjes te spreken of te brabbelen, dan is er iets mis’, zegt Xavier Tan, kinderpsychiater te Amsterdam.

Wat kan er mis zijn? Het kind kan doof zijn, er kan een hersenbeschadiging zijn of er kan iets met het spraakorgaan niet in orde zijn. Wanneer geen van deze problemen aan de orde is en het kind wèl begrijpt wat er gesproken wordt zonder dat het zelf tot spreken komt, kan het zijn dat je te maken hebt met een dysfatische ontwikkeling.

Vroegtijdige diagnose

Xavier Tan, een kleine donkere man met opvallend fijngevormde handen, werd geboren in Djakarta en groeide op in het vooroorlogse Indonesië. Zijn grote liefde geldt Bali, waar, vooral in de minder toeristische gebieden, nog een oorspronkelijke cultuur aanwezig is die onder andere sterk leeft in ritme, klank en dans. Dit zijn elementen die Tan onder meer toepast om bij zijn patiëntjes de spraakstroom op gang te krijgen.

Tan spreekt levendig en straalt dat soort gemoedswarmte uit dat eigen is aan mensen die in de buurt van de evenaar geboren en getogen zijn. Zijn opleiding is echter westers-wetenschappelijk. Toen zijn aanvankelijke wens chirurg te worden om praktische redenen niet realiseerbaar bleek, heeft hij zich in de kinderpsychiatrie gespecialiseerd. In zijn betoog wisselen kleine gespeelde situaties zich af met medische termen, Amerikaanse praktijkvoorbeelden en flitsen uit Europese cultuur.

Telkens weer roept Tan hoe belangrijk het voor een kind is dat vroegtijdig de diagnose wordt gesteld. Aandacht voor het beeld van de dysfatische ontwikkeling bestaat relatief kort. Tan kwam in zijn werk als consulent van LOM-scholen kinderen tegen waarbij het niet ging om een vertraging in de algehele ontwikkeling, maar waarbij hij te maken had met kinderen die de taal beter kunnen begrijpen dan dat ze die kunnen spreken. Er bestond een opvallende stoornis in de overgang van een waarneming, een gevoel, een gedachte, een beleving of een idee naar het gesproken woord. Tan merkte tot zijn verbazing dat dit verschijnsel niet werd onderkend. Toen hij begon in te zien welke rampzalige consequenties dit voor een kind kan hebben, was zijn conclusie: ‘Daar moet iets aan gedaan worden!’.

‘Als het een kind van een jaar of twee niet lukt om te gaan praten terwijl het er wel aan toe is, de drang wel aanwezig is, en het de respons niet krijgt waar het behoefte aan heeft, dan gaat het zich in zichzelf terugtrekken. Dat heeft begrijpelijkerwijs invloed op zowel zijn emotionele als zijn cognitieve, verstandelijke ontwikkeling. Wanneer je er niets aan doet zal zo’n kind zich als zwakzinnig gaan gedragen. Het kan dan ten onrechte in een zwakzinnigeninrichting terecht komen. En krijg het daar maar weer eens uit! Dat is bijna onmogelijk.

Praten doe je met je gevoel

Eind 1982 werd de Stichting Dysfatische Ontwikkeling opgericht en sindsdien is Tan bezig om met een groeiend team van medewerkers een multi-disciplinaire diagnostiek en therapie in praktijk te brengen. Het team bestaat uit een kinderneuroloog, een psycholoog, twee logopedistes en twee ergotherapeuten. ‘Maar het mooiste zou zijn als je het werk dat deze mensen doen allemaal in één of twee personen zou kunnen samenvatten’, zegt Tan.

Als kinderpsychiater houdt hij zich bezig met de gevoelsontwikkeling. De hele spraak-taalontwikkeling bij een kind is tot nu toe altijd onderzocht door linguïsten (taalgeleerden), neurologen of psychologen. De laatste tien jaar heeft men op het gebied van de neurofysiologie veel ontdekkingen gedaan, maar niet zo geïntegreerd.

‘Je moet van veel dingen afweten om dat te kunnen integreren. In de academische wereld zijn in de loop der eeuwen vakken als muziek en beeldende kunst afgevallen. Deze tendens is nadelig, en bij kinderen merk je dat deze muzische kant nodig is bij de vroege ontwikkeling (vóór vier à vijf jaar).

We weten tegenwoordig dat er twee hersenhelften zijn, de rechter- en de linkerhemisfeer, ieder met hun eigen bepaalde functies. De verbinding tussen die twee komt bij deze kinderen niet goed op gang. Als je rechtshandig bent, ontstaat er een taalcentrum in de linkerhelft. De rechterhemisfeer, daar zitten dingen als beleven van muziek en tekenen, die totaal anders zijn dan wat bij de linker hoort, die meer voor het logische is, voor een bepaalde vorm van praten.

Wat is praten? Hoe doe je dat? Ik zeg: praten, in ieder geval zoals kinderen praten, dat doe je met je gevoel! Daartoe behoort bij voorbeeld de intonatie, die door kinderen feilloos begrepen wordt.’ Tan acteert en slaat met zijn vuist op tafel: ‘Ik heb het je toch gezegd! Héé? … Eh! Dat zijn nauwelijks woorden, dat is puur intonatie.’

Kinderen kunnen dat ook prachtig imiteren, constateren Tan en ik. Ik herinner me hoe een vierjarig jongetje mij eens een boekje ‘voorlas’, letterlijk de tekst zoals die op iedere pagina stond, weergaf met alle intonaties waarmee zijn vader het hem ontelbare malen had voorgelezen, alleen al op de visuele herkenning van de pagina en de plaatjes zonder dat er natuurlijk van echt lezen sprake was.

Moeilijk voor academici

Tan: ‘Bepaalde dingen weten we, bij voorbeeld dat een kind al direct na de geboorte kan onderscheiden: menselijke stem — niet menselijke stem, een paar uur na de geboorte! Wat we ook weten is dat één hersencel een hele hand kan zien; dat is bij apen zo, maar dat moet bij mensen ook zo zijn. Dat is de rechterhersenhelft.
Die hele hersenfysiologie blijkt moeilijk direct in linker- of rechter hemisfeer te onderscheiden: wat bekijkt iemand analytisch en wat ziet hij in één oogopslag. Als je een kamer binnenkomt, kun je al meteen een totaalindruk krijgen (Gestalt) en pas daarna ga je analyserend waarnemen. Het is een tweeduidige vorm van waarnemen.

Mensen in een land als Bali nemen anders waar dan in het tegenwoordige Europa en Amerika. Daar overheerst de linker hemisfeer; het digitale en de computer.’

‘Je moet je voorstellen dat je twee vormen van waarnemen hebt, zeker bij het jonge kind. Dat is ook nodig, dat is survival of niet-survival, overleven of niet overleven, je moet meteen kunnen zien: vijand of niet-vijand. Dat soort aspecten is moeilijk voor academisch gevormde mensen: ‘Ach, dat is niet aantoonbaar’, zeggen ze dan.

Er is al veel onderzoek gedaan op het gebied van hersenfysiologie, maar het is voornamelijk onderzoek bij volwassenen. Het kind is natuurlijk in ontwikkeling. Cellen moeten nog op hun plaats komen. Komen ze niet op hun plaats, dan ontstaan bij voorbeeld bij het spreken verwisselingen van lettergrepen. Verder is de hele motoriek belangrijk voor de spraak-taalontwikkeling. Daarmee raak je de werkgebieden van euritmie en toneel. De Russische toneelpedagoog en -theoreticus Stanislavski (1863-1938) zegt: als je een poes aait op toneel, moet je niet zomaar wat doen, je moet je terugverplaatsen in hoe je als kind een poes hebt geaaid, dan komt die motoriek vanzelf.’ ‘Het is moeilijk om een algemeen beeld te geven van de therapie. Er spelen veel factoren een rol: leeftijd, motoriek, wat kan het kind wel, waar kun je op aansluiten. Iedere profielschets zal weer anders uitvallen. Je gaat mee in wat het kind al kan en dit stimuleer je op de juiste manier door middel van spel, klank, muziek (eenvoudige kinderliedjes), ritme (schommelen) en beweging. Steeds moet het totaalbeeld in het oog worden gehouden. Bij het toespreken speelt ook de intonatie een belangrijke rol.

Allereerst moet je een relatie met het kind krijgen. De moeder moet een paar keer komen praten, de kamer zien. Het behandelingsteam moet ook mobiel zijn. Als een kind erg jong is, gaan kinderpsychiater, logopediste en ergotherapeute op huisbezoek. Doel is het kind in een ontspannen situatie en een vertrouwde omgeving te ontmoeten en andersom: dat het kind de therapeuten leert kennen.

Een hulpmiddel bij de behandeling is het visueel maken van de taal. Een Zweedse vrouw, Ragnhild Söderbergh, heeft geheel vanuit het gevoelsbeleven van het kind, een methode ontwikkeld om dove kinderen te leren lezen. Ik veronderstel trouwens dat het probleem van de spellingfouten, dat je tegenwoordig zoveel tegenkomt, samenhangt met een meer auditief gericht taalonderwijs, terwijl het vroeger meer op het visuele letterbeeld gericht was.

De leesmethode van Ragnhild Söderbergh staat centraal in onze geïntegreerde groepsbehandeling en deze taal wordt uitgevoerd via een kleuterleidster. Er is nu een groepje kinderen in de leeftijd van vier tot negenjaar dat één maal per week anderhalf uur therapie krijgt.

Het is frappant dat moeders die onze folder lezen vaak zeggen: dat is het, dat heeft mijn kind. Ze hebben een soort instinct, ze herkennen het onmiddellijk. Ik denk dat moeders vaak instinctief het juiste voor hun kind doen.’

Weten, wat je doet

‘Het komt er op aan dat je met het juiste affect komt. Dat kun je echter niet alléén met instinct. Je moet wéten, wat je doen moet, kennis hebben. Het is heel belangrijk dat je alle determinanten (bepalende factoren) van de spraak-taalontwikkeling versterkt, zoals lichamelijk contact, spel, zingen, ritmische beweging. Laat je een kind schommelen, dan komt er al gauw iets van a – la – la. Zegt het kind al een woordje, bij voorbeeld ‘pappa – auto’, dan haak je daar op in: o, ben je met pappa in de auto geweest. Niet invullen wat het wil zeggen, ook niet corrigeren. Spontaan kunnen deze kinderen zich ook beter uitdrukken in een dialoog. Die moet je niet direct aangaan als je zo’n kind tegenover je krijgt. Je begint zelf te kwebbelen, zo van: ‘o, je komt met je vader’, en dan ga je door zodat het kind alleen maar hoeft mee te lopen en ja of nee te zeggen.

Dysfatische ontwikkeling bestaat in graden. De duur van de behandeling is zeer variabel. Die is afhankelijk van de ernst van het beeld, de leeftijd waarop het ontdekt wordt en waarop de therapie wordt ingezet. Verder ook van complicaties zoals dyspraxie (storing in de verbinding tussen denken/voorstellen en doen) of epilepsie, en van de intelligentie van het kind. Het zijn vooral de jonge kinderen, tot ongeveer zes jaar, die een behandeling vragen met een vrij hoge frequentie.

Als een kind op school zit, hangen behandeling en begeleiding samen met wat een school hierin kan bieden. Eventueel begeleidt men ook de leerkrachten van het kind. Bij jonge kinderen moeten de ouders veel doen bij de behandeling.’

Kind-onvriendelijke cultuur

Xavier Tan heeft een dubbele functie bij de Stichting Dyfatische Ontwikkeling. Behalve coördinator van het onderzoek- en behandelingsteam is hij ook voorzitter van het bestuur van de stichting. Hij meent dat hij het interview moet geven vanuit deze laatste functie. Wat hij zinvol vindt, is dat men er toe komt het beeld te onderkennen. Informatie geven over de therapie, bij voorbeeld door het beschrijven van een case, of het vermelden van resultaten hoort volgens hem in een vakblad thuis, daar waar deskundigen hierover kunnen oordelen en discussiëren.

Over stoornissen van de spraak of van het taalbegrip bij volwassenen als gevolg van hersenbeschadiging is, medisch gezien, al veel bekend, van kinderen die in het begin van de ontwikkeling van deze vermogens staan, nog vrijwel niets, ook in het buitenland niet. Tan werkt met kinderen uit Hamburg, Curacao en Boston. Bij navraag bij verscheidene artsen en psychiaters blijkt dat ook in de antroposofische geneeskunde geen duidelijkheid is over de dysfatische ontwikkeling. Dat kan te maken hebben met het relatief kleine aantal kinderen dat deze ontwikkeling vertoont; ook kan het zijn dat door het muzisch-ritmisch element van het peuter- en kleuteronderwijs in de vrijescholen al veel ‘vanzelf’ genezen wordt.

Tenslotte rijst de vraag of je ook hier weer te maken hebt met de invloed van de uitgesproken kind-onvriendelijke cultuur waarin vooral de stadskinderen opgroeien en waarvoor meestal te weinig compensatie wordt geboden.

Hoe dan ook — het gaat, denk ik, niet alleen om alertheid op een goed verloop van de spraak-taal-ontwikkeling van het jonge kind, ook de verzorging van het gevoelsleven van de baby van het prille begin af aan vraagt nadrukkelijk om aandacht.

Annet Schukking, Jonas 13, 19-02-1988

.

Een aantal gezichtspunten is zeker nog actueel. Het dysfatisch ontwikkelingscentrum is nog actief. Meer hierover.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1591

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-6)

.

Het ene eetprobleem is het andere niet

Wat te doen als je kind veel te weinig (of veel te veel) eet? Een eenduidige remedie tegen eetproblemen bestaat niet. Goed kijken naar je kind is een eerste vereiste om erachter te komen waar het probleem zijn oorsprong heeft. Huisarts George Maissan geeft een paar voorbeelden uit zijn praktijk, met adviezen voor de aanpak ervan.

Tot nu toe was het zo’n lief, rustig kind. Alles ging vanzelf’, verzucht de vader van de 26 maanden oude Pim.
Ik kan een glimlach nauwelijks onderdrukken. ‘Gefeliciteerd, u heeft een zoon.’ Verbouwereerd kijkt hij me aan. Hij heeft me net omstandig uitgelegd dat het zo echt niet verder kan. Pim wil niet meer eten. Vooral de warme maaltijd is een strijd. Groenten worden met een luid ‘nee’ afgewezen. Ik vertel hem dat zijn zoon in de fase van het nee-zeggen is gekomen. Hij zet zich af tegen zijn omgeving en in Pims geval richt zich dat op het eten. Door nee te zeggen versterkt hij zijn ontluikende zelfbewustzijn. Je zou dat een soort tweede geboorte kunnen noemen. Vandaar mijn felicitatie.

Het oplossen van zo’n eetprobleem vraagt van ouders wel wat creativiteit.

Het is belangrijk dat je er geen machtsstrijd van maakt. Je kunt je peuter het beste wat afleiden met een verhaaltje of een spelletje. Het probleem zal vanzelf weer over gaan als het zelfgevoel van je kind zich zover heeft ontwikkeld dat hij het niet meer nodig heeft voortdurend nee te roepen. Maar dat vraagt van ouders wel een oefening in zelfwaarneming: ‘Ben ik duidelijk genoeg naar mijn kind?’ Want het heeft in deze fase herkenbare grenzen nodig. Dat komt al tot uiting in kleine dingen als de manier waarop je het kind aanspreekt: ‘Kom, we gaan naar buiten’ in plaats van ‘Wil je naar buiten?’ of: ‘We gaan nu eten’ in plaats van ‘Wil je iets eten?’

Te klein en te licht

Een heel ander kind is de driejarige Robbert, die samen met zijn moeder heel mijn spreekkamer vult. Hij vraagt honderd uit over mijn computer, rent op zijn tenen rond en zit, tot wanhoop van zijn moeder, overal aan. Hij ziet er bleek en mager uit maar kijkt wakker uit zijn heldere, blauwe oogjes. Robbert eet al maanden heel weinig of niets. Zijn ontlasting komt verschillende keren per dag en is altijd dun. ’s Nachts is hij vaak wakker en wil dan drinken. Dat doet hij overdag ook veel.

Als ik hem onderzoek voelt zijn lichaam, met uitzondering van zijn hoofd, koud aan. Hij is duidelijk te klein en te licht voor zijn leeftijd. Als hij gaat tekenen, bespreek ik met zijn moeder hoe we het probleem gaan aanpakken. Robbert verliest zich helemaal in de dingen om hem heen. We zullen moeten proberen hem interesse bij te brengen voor zijn binnenwereld, dat wil zeggen zijn stofwisseling. Dit kun je doen door een vaste regelmaat van drie maaltijden per dag aan te houden en hem dan vooral veel zoete vruchten en de bloemige delen van planten te eten te geven, naast meelspijzen en pap. Ook stel ik voor dat zijn moeder of vader hem regelmatig (om het anderhalf uur) op de bank op schoot neemt en samen met hem een prentenboek bekijkt of hem een verhaaltje voorleest. Dat brengt ritme in zijn dag. Om zijn warmteorganisme te verbeteren en hem wat af te sluiten voor de buitenwereld, raad ik Baby- en Kinderbad aan (driemaal per week) en Calendula Babyolie om hem ’s ochtends en ’s avonds mee in te smeren.

Als ondersteunend medicijn schrijf ik tweemaal daags tijdens het eten een halve tablet Nahrkraftquell* voor en driemaal daags voor het eten vijf druppels Anaemodoron*, dat ervoor zorgt dat het ijzer in de voeding beter door het lichaam wordt opgenomen.

‘Kan ik dat ook aan Yvon, mijn dochter van zeven, geven?’ vraagt Robberts moeder. ‘Die eet ook bijna niets.’ Ik vertel haar dat dat inderdaad kan, maar dat het eetprobleem van haar dochter toch van een heel andere aard is. Yvon is een licht en vlinderig meisje. Het is alsof ze overal net even aan tipt. Ze heeft niet de rust om zich door een rijstebrijberg aan eten op haar bordje te werken. Zij wil heus wel wat eten maar ze is zo snel vol. Ze kan alleen maar kleine hapjes aan en floreert daar eigenlijk ook goed op. Een kind als Yvon kun je best wat vaker op de dag kleine, lichte hapjes als een yoghurtje, een rijstewafel of een vrucht geven.

Uit de kluiten gewassen

Weer een heel ander eetprobleem heeft Gerard, een uit de kluiten gewassen kleuter van vijfeneenhalf. Bij het wegen en meten slaat hij alle records. Zijn waarden passen niet op de grafiek die bij zijn leeftijd hoort. Als ik over zijn eetgedrag doorvraag, blijkt dat hij altijd kan eten en geen enkele maat weet te houden.

Gerard is wat je noemt een ‘stofwisselingskind’. Hij schrokt alles in hoog tempo naar binnen zonder waar te nemen wat hij eet en hoeveel hij eet. Het vermogen om het voedsel dat je eet werkelijk te proeven, verdwijnt vaak wanneer kinderen te vroeg te veel en te sterke smaken aangeboden krijgen. Door een kind eenvoudige, bij de leeftijd passende voeding te geven kunnen de zin voor smaak en geur zich geleidelijk ontwikkelen. Gerard moet geholpen worden om waar te gaan nemen wat hij eet en wanneer zijn buikje vol is. Dit kan door hem langzaam en rustig te leren eten en tijdens de maaltijd af en toe een vraag over het eten te stellen. Voor hem zijn rauwkost en zure ingrediënten belangrijk.

.

* Deze zelfzorgmiddelen zijn ook zonder dokstersrecept verkrijgbaar bij drogist en apotheek (soms bestellen).

George Maissan, arts, Weleda Puur Kind nr 5, lente 2000

.
Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1588

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.