Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/4)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

 

TV-kind leest beter, maar begrijpt minder

.

Mirjam Schöttelndreier in de Volkrant van 16-01-1993

Televisie kijken blijkt een positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Dat wil zeggen op het technisch lezen, het snel omzetten van letters in woorden. Het begrijpend lezen loopt daarentegen wel gevaar, vooral wanneer boeken toch al niet de grote hobby zijn.

Het IS GEEN WONDER dat veel ervaren tv-kijkers van rond de acht jaar terughoudend zijn om zich nog een nieuwe, gecompliceerde hobby als lezen aan te wennen. Want vanaf twee jaar kunnen kinderen al tv-kijken.
Jaren vol Mini-Playbackshow, het Rad van fortuin, Sesamstraat en The Simpsons gaan dus aangenaam voorbij, voordat op school opeens dat andere kunstje, lezen, wordt aangeleerd.

Op achtjarige leeftijd beheersen de meeste kinderen het lezen van een boek pas als zelfstandige activiteit. En dan nog laat het Jeugdjournaal zich makkelijker bekijken dan het nieuws zich in de krant laat lezen.

‘Goede lezers gaan gaandeweg minder tv kijken en meer lezen, terwijl zwakke lezers juist steeds meer televisie gaan kijken en boeken steeds vaker ongelezen laten.’

Die niet zo onverwachte conclusie kon C. Koolstra, onderzoeker bij de sectie Kind en Media van de Leidse Rijksuniversiteit, trekken nadat hij drie jaar lang duizend kinderen van basisscholen in Zuid-Holland in hun lees-en kijkgedrag had gevolgd.

Wie nu opgelucht de stelling bewezen ziet — en daarvoor hoeft men geen belijdend lid van een zwarte-kousenkerk te zijn — dat de televisie een duivel is, krijgt van Koolstra geen gelijk. Want de televisie, beschouwd als spelbreker bij de overdracht van het betere culturele erfgoed, blijkt ook positieve invloed te hebben op het leesgedrag van kinderen. Het technisch lezen, het snel omzetten van losse letters in woorden, gaat er namelijk door vooruit.

Koolstra: ‘Kinderen die veel tv kijken, lezen steeds minder boeken en gaan ook slechter lezen. Maar dan gaat het vooral om de aantasting van het begrijpend lezen. Het technisch lezen wordt juist beter, doordat de Nederlandse televisie de gewoonte heeft buitenlandse films niet na te synchroniseren. De ondertiteling vereist van kinderen dat ze snel lezen. En kinderen blijken, zo wijst weer ander onderzoek uit, die ondertiteling vanzelf bij te houden als ze geboeid zijn door een film of programma.’

Koolstra heeft met zijn onderzoek, waarop hij pas na de zomer zal promoveren, niettemin toch vooral het bij onderzoekers langer bekende Mattheüs-effect gemeten.

In de bijbelse vergelijking verlaat een man op zekere dag zijn bedrijf. Hij geeft een van zijn slaven dan een groot geldbedrag, een andere slaaf blijft met een iets kleiner bedrag achter en ten slotte is er voor de derde slaaf maar een heel kleine som. Na jaren keert de baas terug. Hij treft zijn goedbedeelde slaaf aan, die het is gelukt, zijn kapitaal te verdubbelen. Ook de slaaf met het middenbedrag wist zijn bedrag te verdubbelen. Maar de slaaf die weinig ontving, blijkt zijn geld al die tijd onder de grond te hebben verstopt en er niets bij te hebben verdiend.

Koolstra: ‘Kinderen die plezier in het lezen hebben, doen het in technisch en begrijpend opzicht goed. Zij laten geleidelijk aan de tv nog wel eens voor wat hij is, ze lezen meer en gaan er in vaardigheid op vooruit. Dat geldt niet voor zwakke lezers, die in beide opzichten weinig succesvol zijn. Hun vaardigheid gaat alleen maar achteruit. Net als in de Mattheüs-vergelijking beginnen ze met weinig en eindigen met nog minder dan de anderen.’

De onderzoeksresultaten zijn niet spectaculair te noemen. Maar toch stemt het Koolstra tevreden dat in Nederland eindelijk dit type onderzoek is gedaan. ‘De bezorgdheid over de negatieve invloed van de televisie op de jeugd is groot en er bestaan talloze vooroordelen over.’ De behoefte aan degelijk onderzoek was groot, want tot nu toe was er niet veel meer bekend dan drie panel-onderzoekingen uit Amerika. Ook daarin werden groepen over een langere periode gevolgd. Maar eigenlijk hadden maar twee onderzoeken betrekking op kinderen. ‘Overigens: ook hier waren de effecten van de tv op het leesgedrag genuanceerd te noemen.’

In 1955 vormde de jeugd tussen de 12 en 17 jaar de kopgroep bij de landelijke woordconsumptie. In de avonduren en het weekeinde besteedden jongeren gemiddeld liefst 3,1 uur aan het lezen van boeken, zo stelde het CBS destijds vast. Maar met de massale entree van de televisie in de huiskamer in de periode 1955 tot 1962, waarin het tv-toestel oprukte van 0,1 procent van de huishoudens naar 50 procent, duikelde ook het aantal leesuurtjes met de helft. In 1985 — de jeugd onderscheidde zich in boekenliefde al lang niet meer van de overige bevolking — werd er gemiddeld nog maar 1,4 uur per week in een boek gelezen.

‘In die tijd was er echt sprake van een omslag van een leescultuur naar een kijkcultuur. Zulke verschillen kunnen wij natuurlijk niet meer meten. Nu draait het om generaties die zijn opgegroeid met de tv en zijn de veranderingen nog maar heel klein.’ Opmerkelijk is dat uit het Leidse onderzoek blijkt dat het voor het leesgedrag — van kinderen tussen 8 en 12 twaalf jaar —niet uitmaakt welk soort programma’s ze bekijken: informatieve programma’s verminderen het lezen net zoveel als het bekijken van soap of andere vormen van licht verteerbaar amusement.

Jongen of meisje, hoog of laag milieu, heel slim of stukken minder begaafd: de Leidse metingen laten geen enorme verschillen zien buiten dat ene en allesoverheersende onderscheid: dat goede lezers meer gaan lezen en beter worden en slechte lezers minder gaan lezen en minder vaardig worden. Wel werden in het onderzoek twee van de drie eerder geformuleerde onderzoekshypothesen bevestigd.

Voor de passiviteits-hypothese, die zegt dat tv kijken kinderen ‘geestelijk lui’ maakt, werd geen bewijs gevonden. Kinderen blijken tijdens het kijken naar Meneer Kaktus of de Vijf uur show wel degelijk geestelijk actief te zijn. Weliswaar blijkt uit het onderzoek dat het tv-kijken binnen een jaar tijd de leesconcentratie vermindert, maar er werd geen bewijs gevonden dat dat kwam door een lagere mentale inspanning. De belangrijkste constatering was dat kinderen nog zeer beïnvloedbaar zijn in hun leesgedrag als ze net hebben leren lezen. Naarmate ze dat kunstje langer beheersen, worden hun leesgewoonten stabieler.

Met de anti-school-hypothese deed enige jaren geleden de Amerikaanse onderzoeker Postman veel stof opwaaien. De hypothese veronderstelt dat tv leuk is en de school derhalve minstens zo amusant moet zijn, wil het moderne kind naar school gaan en van die school-gebonden dingen doen als ‘boeken lezen’.

Deze veronderstelling werd min of meer bevestigd door de Zuidhollandse schoolkinderen. In die zin dat wie minder plezier heeft in het lezen — en dit daardoor ziet als een typisch schoolse aangelegenheid — minder boeken gaat lezen. Evenzeer bleek dat de snel wisselende beelden op tv ertoe leiden dat de zwakkere lezers, die immers meer tv gaan kijken, zich niet meer zo goed kunnen concentreren als noodzakelijk is voor het lezen. Waarmee de
concentratieverminderings-hypothese werd bevestigd.

Volgens Koolstra valt uit de belangrijkste bevinding van het onderzoek nog wel een mooie les te trekken. ‘Het is van doorslaggevend belang dat kinderen goed, technisch en begrijpend leren lezen. Kinderen thuis zomaar laten lezen, in het geloof dat veel oefening kunst baart, is onzin. Goed leren lezen in een gevoelige periode is cruciaal. Alleen als je er lol in hebt, blijf je lezen.’

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

.

1880

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (20-1)

,
Petra Weeda in Weleda Puur Kind, herfst 2004, nr.14
.

Over hechten

Alleen liefde is niet genoeg

Een zuigeling is al een zeer communicatief wezen. Veel van zijn ontwikkeling tot zelfstandige volwassene hangt af van hoe je als ouder in de eerste maanden omgaat met de signalen die je baby je geeft. Christoph Meinecke is kinder- en jeugdarts in het Berlijnse ziekenhuis Havelhöhe. Hij verdiept zich in het ontstaan van de band tussen ouder en kind oftewel: in het hechtingsproces.

Een buitenwijk van Berlijn. De bus stopt vlak voor de ingang van Havelhöhe, één van de drie grote, algemene ziekenhuizen in Duitsland die zowel werken volgens de reguliere als de antroposofische geneeskunde. Nonchalant verstrooid over het ruime, parkachtige terrein staan de gebouwen, knusjes omgeven door tuintjes met wilde bloemen of een weitje met een grazende geit. De sfeer is niet erg ziekenhuisachtig en ook binnen krijg je niet het gevoel in een medische wereld terecht te zijn gekomen. Geen zakelijke gangen of witte doktersjassen, maar een moeilijk in woorden te vangen sfeer van warmte, kleur, licht en rust.

‘Je hoeft natuurlijk alleen maar je gezonde verstand te gebruiken om te weten dat een kind niet zonder menselijk contact kan opgroeien,’ zegt Christoph Meinecke. En hij schuift de kleurige houten speelgoedfiguurtjes op zijn bureau wat terzijde om de koffie neer te zetten. ‘Een mens ontwikkelt zich met het voorbeeld van andere mensen voor ogen. Een bekend verhaal. Maar hoe een baby contact maakt met een ander en wat dat voor hem betekent, is nog maar betrekkelijk kort geleden voor het eerst onderzocht. Aanvankelijk gingen we ervan uit dat een zuigeling een dom en slaperig wezentje is dat weinig ziet of voelt. Maar toen ontwikkelingspsychologen in de jaren zeventig het gedrag van baby’s diepgaand gingen bestuderen, ontdekten ze bijvoorbeeld het volgende; bij de scherpstelling van zijn ogen stelt de zuigeling zich direct na de geboorte in op de afstand van de borst van zijn moeder tot haar gezicht. Het gezicht van zijn moeder is dus het eerste ding dat een baby scherp ziet. Ze merkten dat de baby al snel actief en doelgericht contact met haar zoekt en in de eerste acht maanden van zijn leven een hechte band opbouwt met deze zogeheten primaire hechtingspersoon. De kwaliteit van die band is van grote invloed op zijn hele verdere leven en vooral op de manier waarop hij later zijn relaties met anderen vormgeeft. Deze ontdekkingen hadden natuurlijk enorme consequenties. Toch duurde het nog tot ver in de jaren tachtig voordat het belang van een veilig hechtingsproces in het eerste levensjaar algemeen gedachtegoed werd.

De meeste kinderen met gedragsproblemen hebben moeite met relaties, of dat nu met zichzelf is of met de wereld om hen heen. Maar het maakt wel degelijk uit of dat voortkomt uit een onzekere hechting in het eerste levensjaar of dat een kind pas later in zijn leven teleurstellingen op dat gebied heeft moeten verwerken. Het is net alsof die allereerste gehechtheidservaringen in je lijf gaan zitten en een onderdeel van je constitutie worden.

Het is dus echt van belang om er op te letten hoe het hechtingsproces tussen jou en je kind verloopt.’

Liefde voor je baby is geen garantie voor veilige hechting?

‘Nee, alleen liefde is niet genoeg. Natuurlijk is liefde wel het allerbelangrijkst. Maar dan wel de liefde waarbij de eigenliefde, die bij vrijwel elke vorm van liefde meespeelt, niet te zeer op de voorgrond treedt. De liefde die een veilig hechtingsproces bevordert is de liefde die is gebaseerd op het vermogen je te kunnen inleven in de behoeften van de ander. In de hechtingstheorie is daar een prachtig begrip voor geïntroduceerd: de “fijngevoeligheid van de primaire hechtingspersoon”. Fijngevoeligheid betekent dan vooral dat je je eigen behoeften terughoudt in het directe contact met je baby en je oriënteert op zijn behoeften.

Een tweede gegeven waarmee je rekening moet houden is dat een zuigeling zich in de eerste levensmaanden maar aan één persoon kan hechten. Meestal is dat de biologische moeder, omdat zij hem na de geboorte het meest verzorgt en voedt, maar het kan ook een ander zijn. Zodra de navelstreng is doorgeknipt, ontwikkelt een kind zich van je vandaan. De primaire hechtingspersoon is daarbij zijn poort naar de wereld. Hoe veiliger de gehechtheid aan die persoon, hoe groter het vertrouwen waarmee een kind de poort door gaat om de wereld te gaan veroveren.’

Wat is die fijngevoeligheid precies en kun je dat leren?

‘Ouders hebben momenteel toegang tot een enorme hoeveelheid pedagogische kennis in boeken en tijdschriften. Maar de adviezen staan vaak volledig haaks op elkaar of ze blijken bij jouw kind gewoon niet te werken. Wat betreft het opvoeden van kinderen bestaat er geen absolute waarheid. Toch moet je te weten zien te komen wat jouw kind nodig heeft. Daar is intuïtie en fijngevoeligheid voor nodig. Dat kun je het beste ontwikkelen door goed naar je baby te kijken en je in te leven in zijn behoeften. Een eenvoudig voorbeeld: je baby ligt op de aankleedtafel voor een schone luier. Dan wil hij communiceren. Hij wendt zijn blik naar jou toe en lacht stralend. Niets is heerlijker dan je baby die naar je lacht en je glimlacht dus vanzelf terug. Maar het was wel de baby die het initiatief nam tot het contact! Als fijngevoelige ouder beantwoord je die behoefte door hem aan te raken, tegen hem te praten, de toon van je stem wat hoger te maken, de intentie van je woorden af te stemmen op de baby en je mimiek te intensiveren. Dan wendt hij zijn blik plotseling af! Er zijn dan twee extremen in je
reactiepatroon mogelijk: of je buigt je helemaal over je baby heen en probeert luidruchtig zijn aandacht weer naar je toe te trekken of je denkt, oh jee, hij wendt zich van me af, wat heb ik verkeerd gedaan. Beide reacties zou je moeten zien te vermijden. Als je baby zijn blik afwendt, dan toont hij de gezonde behoefte van een mens om na inspanning bij zichzelf terug te keren. Als je hem stimuleert zich toch naar buiten te blijven richten, dan zal hij dat doen. Maar hij zal daardoor meer opwinding en onrust te verduren krijgen dan hij kan verwerken. Het kan een eventuele aanleg voor hyperactiviteit versterken.

Het andere uiterste is dat je je onzeker voelt als je baby van je wegkijkt. Je vraagt je af of je wel een goede moeder bent en dan wordt de manier waarop je je baby vasthoudt direct terughoudender. Je baby, die net als alle heel kleine kinderen nog een soort aangeboren fijngevoeligheid bezit, voelt dat meteen.

Hij durft er niet meer op te vertrouwen dat het goed is als hij zijn eigen behoeften volgt en gaat meer op jou letten dan goed voor hem is.

Een fijngevoelige moeder respecteert het signaal dat de baby geeft met het afwenden van zijn blik. Ze zal de intensiteit van het contact verminderen zonder dat ze haar bezigheden met hem onderbreekt of haar stemming verandert. Als je baby voelt dat alles gewoon doorgaat, ook als hij het even laat afweten, dan versterkt dat zijn vertrouwen.’

Het is momenteel niet zo vanzelfsprekend dat de moeder de enige is die haar kind verzorgt. Kan een baby zich niet aan meer personen tegelijk hechten?

‘Vanuit mijn ervaring kan ik nu niet anders dan vaststellen dat het in het belang van een veilige hechting is als in de eerste acht maanden één persoon centraal staat. Er is nog onvoldoende onderzocht of het ook mogelijk is dat twee mensen voor die basiszekerheid kunnen zorgen. Maar volgens de huidige gezichtspunten op het hechtingsproces vraagt het te veel aanpassingsvermogen van een baby om zich in te stellen op twee mensen die, uiteraard, heel verschillend zijn. In de eerste levensmaanden zou de omgeving zich moeten instellen op de behoeften van het kind en niet andersom.’

En als een moeder merkt dat het haar niet goed lukt een band met haar baby op te bouwen?

‘Dan heeft ze om te beginnen bemoediging nodig. Meestal hoeft er maar weinig te gebeuren om die band te versterken. Kijk bijvoorbeeld eens naar je baby als hij ligt te slapen. Kijk hoe hij ademt, kijk naar de onvoorwaardelijke vanzelfsprekendheid waarmee hij daar ligt. Veel ouders vertelden me dat ze dan plotseling het heel zekere gevoel kregen dat het klopt dat dit kind bij hen is. Je baby pakt dat onuitgesproken signaal op en voelt dat het goed is.

Een andere hulpmiddel is babymassage. Daarvoor hoef je echt niet op cursus te gaan of bepaalde handgrepen te leren. Het is al prachtig als je zacht over het babylijfje strijkt. Het gaat om het huid-op-huid-contact. En praat tegen je baby. Vertel hem wat je hoort, wat je ziet, wat je aan het doen bent en wat jullie straks gaan doen. Veel spreken is goed voor het hechtingsproces, maar het moet wel een aangepaste, rustige en lichte manier van spreken zijn.’

Kun je het aan een baby merken als het hechtingsproces niet optimaal verloopt?

‘In de eerste drie maanden zullen signalen van een moeilijk hechtingsproces nog nauwelijks waarneembaar zijn. Wel zijn er baby’s waarbij het hechtingsproces vanaf de geboorte extra aandacht vraagt. Bijvoorbeeld huilbaby’s en baby’s die hun eigen bedje niet als een veilige plek beschouwen. Om slaapproblemen te voorkomen kun je je baby vanaf een week of vier het beste altijd laten inslapen op de plek waar hij ook wakker zal worden. Zo krijgt hij niet het onzekere gevoel dat er in zijn slaap van alles met hem kan gebeuren. Wen jezelf eraan om je baby overgangen van de ene situatie naar de andere altijd bewust te laten ervaren. Leg hem als hij tijdens het voeden is ingeslapen niet meteen in bed maar maak hem voorzichtig wakker, strijk over zijn wangetjes en vertel hem dat je hem nu naar zijn bedje gaat brengen. Neem duidelijk afscheid voor je zijn kamer uitgaat. Probeer niet voortdurend in de wieg te gaan kijken om te zien of hij nog wel ademt. Je baby krijgt dan het signaal mee dat jij er niet op vertrouwt dat alles wel goed gaat als jij niet in de buurt bent. Binnen een veilige hechtingssituatie zal een kind langzaam maar zeker scheiding leren verdragen. Daarbij hoort het leren uithouden als je kind huilt.’

Hoe merk je bij een wat groter kind of het wel of niet goed gehecht is en valt daar dan nog iets aan te verbeteren?

‘Als je het gedrag van een kind met een zekere gehechtheid bestudeert, dan zie je dat hij zijn spel onderbreekt en protesteert als zijn moeder weggaat. Als zij terugkomt is hij blij. Hij laat zich knuffelen en pakt zijn spel weer op.

Bij kinderen met een onzekere gehechtheid gaat dat anders. Er zijn drie soorten onzekere gehechtheid. Het kind met een “onzeker vermijdende gehechtheid” protesteert niet als hij van zijn moeder wordt gescheiden. Hij gaat gewoon door met zijn spel. Als zijn moeder terugkomt negeert hij haar, hij zoekt geen contact, maar neemt juist meer afstand.

Een “onzekerambivalent gehecht” kind protesteert extreem tegen vertrek van zijn moeder. Hij klampt zich overdreven aan haar vast, huilt paniekerig en komt, ook nadat zij weer terug is, nauwelijks tot rust. Hij klampt zich opnieuw vast, maar vertoont tegelijkertijd boos en agressief gedrag naar haar. Met deze twee vormen van onzekere gehechtheid geeft het kind het signaal dat het in een niet-optimale hechtingssituatie verkeert.

Zorgelijker is de derde vorm, de “gedesorganiseerde gehechtheid”. Een gedesorganiseerd kind zal in iedere situatie onvoorspelbaar of juist heel stereotiep gedrag vertonen. Zijn bewegingen zijn verstard, alsof hij innerlijk bevroren is. Bij een gedesorganiseerde hechting zal meestal externe hulp nodig zijn.
Maar in de eerste twee gevallen van onzekere gehechtheid kun je zeker veel doen en dat is ook van het grootste belang voor het verdere leven van je kind. Je zult dan vooral moeten werken aan de betrouwbaarheid van je reactiepatronen. Kan het kind ervan op aan dat jij in een bepaalde situatie altijd op dezelfde manier reageert? Wees duidelijk, straf als het nodig is, maar laat het kind altijd volledig in zijn waarde. Bestraffen is niet slecht, ook niet voor het hechtingsproces, zolang je je kind niet als persoon wilt treffen met je straf. Een goede straf bestraft niet het wezen van het kind, maar zijn gedrag. Ik merk wel dat ouders vaak moeite hebben met straffen. Je moet het namelijk uit zien te houden om consequent te zijn. Ben je dat niet, dan is straf contraproductief. Maar alle kinderen zoeken de grenzen en duwen er met kracht tegen. Als jij niet in staat bent ze overeind te houden, dan tuimelt je kind in een vacuüm. Begrenzen is de essentie van het omhullende gebaar dat je om je kind heen maakt. Dat gebaar wordt natuurlijk steeds wijder, totdat je je kind uiteindelijk volledige zelfstandigheid geeft. Als fijngevoelige ouder weet je hoeveel frustratie je kind daarbij aan kan. Je geeft hem de kans te ervaren dat het niet het einde van de wereld is als er niet meteen aan zijn behoeften wordt voldaan. Ook dat versterkt het vertrouwen. Zekere hechting houdt in dat het oervertrouwen waarmee het kind werd geboren in de eerste acht maanden zo door de primaire hechtingspersoon wordt behoed dat het naar binnen kan trekken en zich kan omvormen tot zelfvertrouwen.’.

.
Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen van het kind

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1877

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/3)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:

De Gelderlander, 12-02-1986

 

studie aan Leidse Universiteit:

Schoolkind kijkt kritischer naar geweld op de tv

Kinderen beschouwen geweld op televisie niet als de normaalste zaak van de wereld. Het is mogelijk ze kritischer te laten kijken, waardoor ze met name sceptisch komen te staan tegenover het geromantiseerde beeld van series met geweld. Ze keuren dan geweld eerder af, ook in de werkelijkheid.

Dit zijn enkele conclusies uit het gisteren verschenen proefschrift ‘Kritisch TV kijken’ waarop dr Marcel W. Vooys is gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit van Leiden.

Vooys heeft een onderzoek gehouden onder de drie hoogste klassen van enkele basisscholen. Hij bood de kinderen een pakket aan van negen lessen, die ondersteund werden met videobeelden. De theorie uit de lessen werd vergeleken met de beelden op het scherm.

De bedoeling van het lespakket is drieledig.
Ten eerste:
de anderen moeten de ernst van het geweld scherper leren inzien. Het is nogal wat om geweld uit te delen of te onderaan. Dat gaat niet zo in je kouwe kleren zitten als de films suggereren. Daar klopt de held zijn kleren af na een knokpartij die geëindigd is met een val van een schurk in een ravijn en rijdt hij fluitend de zon tegemoet. Bij Miami Vice reageren de detectives volstrekt onaangedaan als ze iemand hebben gedood. In werkelijkheid, zo leren de lessen van dr Vooys, kunnen agenten die geweld hebben moeten gebruiken, daar nog heel lang geestelijk last van lebben.

‘De goede’

Ten tweede:
wordt de scholieren bijgebracht dat ook ‘de goeie’ in de film zich niet van alles kan permitteren. Kinderen keu
ren doorgaans wel slechte daden van de boef af, maar vergoeilijken dezelfde daden van ‘de goede’.

Tot slot:
leren de scholieren het verschil tussen de werkelijkheid van de maatschappij en de verzinsels op de televisie. Met name politie- en detectiveseries geven een verwrongen beeld van de ware gang van zaken. Magnum is een onbestaanbare figuur. Derrick lost in zijn eentje alles op. Onzin, zegt een echte politieman op de buis, aan een moordzaak werken minstens 30 mensen mee.

Het gaat om een pakket van negen lessen dat twee maal per week gedurende vijf weken bestudeerd werd. Na afloop liet Vooys de kinderen vragenlijsten invullen. Deze brengen hem tot de conclusie dat zijn lessen vruchten hebben afgeworpen en dat de houding van de kinderen ten opzichte van de geweldsgolf op het scherm wel is bij te stellen. Vergelijkingen met de kinderen van andere scholen die de kritische tv-cursussen niet hebben ondergaan, en met studenten van de Paedagogische Akademie (volwassenen dus) wezen uit dat de kinderen die Vooys’ lessen hadden gevolgd aanmerkelijk kritischer zijn geworden en volwassener in hun houding.

Genoegen

Voorts wijst het onderzoek uit dat de meest agressieve kinderen en de liefhebbers van het geweldgenre niet minder van de lessen opsteken dan kinderen die wat gereserveerder tegenover geweld staan.

Dr Vooys keurt geweld op televisie op zichzelf niet af. „Wat mij betreft mogen de kinderen als ze daar genoegen in scheppen rustig blijven kijken, mits ze dat maar kritisch doen.”

Het pakket van Vooys gaat nog een tweede leven leiden als lesmateriaal bij de schooltelevisie.

.

Opvoedingsvragen over tvonder nr. 19

Nabootsingartikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-5/2)

.

In de jaren ’80 – ’90 van de vorige eeuw was er betrekkelijk veel aandacht voor het fenomeen ‘tv en kinderen, jeugd’. 
Veel meer dan nu, lijkt het. De tv is, ook voor kinderen, een aanvaard apparaat dat er ‘gewoon’ bijhoort.
Wat er waar is van allerlei onderzoeken, gezichtspunten enz. lijkt ondergesneeuwd en verdwenen.
Ik vond nog wat artikelen uit die tijd:
.

De Volkskrant, 29-08-1987
.

Tv kan Rambo-connectie versterken
.

Afgelopen woensdag was hij weer op de tv, The master. Een avonturenserie over een bejaarde man, gekleed in een Japans aandoende zwarte overall, die onmogelijke dingen doet. Zoals van een dak springen en onderweg nog even twee tegenstanders vloeren. Hij vecht veel en gebruikt daarbij soms een metalen schijf met scherpe punten, een werpster.

„We hebben nu tussen de 25 en de 30 van die werpsterren hier. Ze zijn verboden in Nederland. Het zijn, wat wij dan noemen, ongewenste handwapens. De jeugd hier hoeft maar een kilometer de grens over te gaan om ze in Duitsland te kopen; daar is een videotheek die ze verkoopt. Ze zijn echt gevaarlijk. Niet zomaar stukjes blik om mee te spelen, nee, zwaar metalen dingen die thuis ook nog eens langs de slijpmachine worden gehaald.”

Politievoorlichter Peters van het hoofdbureau in Enschede is ervan overtuigd dat de sterrenrage in de stad en ook elders in het land, een gevolg is van de Veronica tv-serie The master.

Het bureau is begonnen met een verstandige omruilactie. Iedereen die een ster inlevert, krijgt er een frisbee voor terug, een plastic werpschotel die aanzienlijk minder gevaarlijk is.

Is er verband tussen geweld op tv en in bioscopen en agressief gedrag van mensen? Een vraag die bijna zo oud is als de televisie. Maar er begint nu ook een antwoord op te komen. Volgens prof.dr O. Wiegman worden de deskundigen het met elkaar eens op dit punt. Verband is er.

„De oude theorie is losgelaten waarbij aangenomen werd dat mensen hun agressie kwijt kunnen door alleen naar gewelddadige scènes te kijken of er over te fantaseren. De Amerikaan Bandura — die op dit terrein veel gepubliceerd heeft — heeft dat in het begin van de jaren zestig verworpen en ook anderen zijn het met hem eens. Het tegengestelde is eerder waar: agressie roept agressie op”, aldus Wiegman, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Twente.

De mate waarin het effect voorkomt, hangt van veel zaken af. De leeftijd van de kijkers speelt een rol, hun intelligentie, de manier waarop ze zelf te maken hebben gehad met agressie, de tijd dat ze naar agressieve beelden kijken. „Er zijn mensen die zich door dergelijke beelden onbewust laten beïnvloeden en anderen gaan er juist voor zitten. Zo zag je na de eerste vliegtuigkapingen die op de televisie en in de krant kwamen, een ware hausse ontstaan in kapingen. De mensen zijn daardoor op een idee gebracht, ze zagen dat het kon en het is daarna honderden keren herhaald.

„Hetzelfde geldt voor beelden van wegversperringen om auto’s tegen te houden. Ook dat werd meteen na de melding ervan in de media volop in praktijk gebracht. Brandkastkraken met moderne technische middelen, overvallen op benzinestations, beroving van banken op een speciale manier, ga maar door. Zo is het evident dat die man in Engeland, die vorige week zo veel mensen heeft doodgeschoten op zjjn tocht door dat stadje Hungerford, de film Rambo gezien heeft. Alleen valt wetenschappelijk moeiüjk aan te tonen dat zijn gedrag daardoor beïnvloed is.”

Aantoonbaar of niet, Wiegman vindt het onjuist dat Veronica volgende week de Rambo-film First Blood uitzendt, of welke agressieve film dan ook. „Agressiviteit in films dient geen enkel positief doel.” Voor wie First Blood nog niet kent, de film lijkt wat op de slachtpartij die zich vorige week in Engeland afspeelde: een man vermoordt iemand, gaat een stadje binnen, beschiet een pompstation, vermoordt en verwondt nog een groot aantal mensen en trekt zich terug in een gebouw waar hij het verder uitvecht met de politie.

Meteen werd in de Britse pers de Rambo-connection gelegd. Een titel die blijkbaar aansloeg, want dagenlang is de slachtpartij in het nieuws gebleven, hoewel het toch bepaald niet de eerste keer is dat iets dergelijks gebeurt. Geweld in deze vorm heeft blijkbaar nu een gezicht gekregen, en is daardoor beter herkenbaar geworden. De Britse pers en haar lezers toonden er meer dan normale belangstelling voor.

„Tv-beelden bepalen natuurlijk niet alleen het gedrag van mensen. Maar ze kunnen wel bepaalde uitingen versterken. Daarbij komt dat er een zekere cumulatie is, een optelsom van effecten die op een bepaald moment een ontlading zoekt. Zware kijkers naar dergelijke agressieve films zullen dan ook op een bepaald moment een ander gedrag vertonen dan mensen die minder vaak kijken”, aldus Wiegman.
Hij pleit voor meer beleid bij de omroepen op dit punt. Meer afweging van welke films wel en welke niet uitgezonden worden, op welk tijdstip zo’n uitzending dan moet plaatsvinden en of bepaalde delen er misschien uit moeten. Dat geldt ook in zekere mate voor het journaal. Voor Wiegman hoeft niet echt alles vertoond te worden dat over bepaalde agressieve zaken voorhanden is, zeker niet tijdens de vroege uitzendingen.

De onderzoekresultaten die bekend zijn bij psychologen over het menselijk gedrag hebben vooral betrekking op de ervaring van kinderen. Daaruit komt naar voren dat intelligente kinderen minder gevoelig zijn voor agressieve beelden. Ze kijken al minder televisie, zijn daarbij selectiever en blijken ook minder ontvankelijk te zijn voor de beelden die vertoond worden. „Bovendien zijn ze makkelijker aanspreekbaar op hun verstand. Daarmee heb je een ingang om therapie te bedrijven en ze te behoeden voor valkuilen.”

Er zijn overigens ook andere factoren die remmend werken op agressief gedrag, waarmee de deskundigen overigens nog niet goed raad weten. Zware kijkers zijn bijvoorbeeld bejaarden. Die moeten in hun leven al heel wat agressieve beelden hebben verwerkt. Maar toch komt het niet vaak voor dat hoogbejaarde mensen schietend de straat op gaan, ondanks de accumulatietheorie. „Bij die mensen heeft ergens een verzadigingsmechanisme gewerkt. Het is echter niet duidelijk hoe en waarom bepaalde effecten niet optreden. Misschien is er ergens een breekpunt waarop mensen zich juist afsluiten van de invloed van agressie.”

Die rem is bij velen nog ver te zoeken. De Rambo-maniak in Hungerford staat niet alleen. In de Britse pers is al eerder een verband gelegd tussen First Blood en een gebeurtenis waarbij een militair in Australië zes motorrijders overhoop schoot vanuit een bosje.

Een paar dagen geleden nog werd melding gemaakt van twee strijdende drugsbendes in de sloppenwijken van Rio de Janeiro. De leider van een van die bendes, ene Cabeludo, is een fan van de filmster Sylvester Stallone die in First Blood de rol speelt van Rambo. „Ik heb hetzelfde machinegeweer als hij in zijn film gebruikt”, zei de bendeleider, die zijn zoon Rambo-twee heeft genoemd.

Die 31-jarige misdadiger is trouwens niet de enige met bewondering voor Rambo (Stallone). In 1985 liet president Reagan van de Verenigde Staten zich ook al in lovende bewoordingen over hem uit. Sprekend over de oplossing van de zoveelste gijzelingszaak in het Midden Oosten zei hij: „Ik zag Rambo gisteren op het scherm. Volgende keer weet ik wat ik moet doen.”

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-6)

.

In de jaren negentienzeventig was televisie voor kinderen sterk in opkomst. 
In steeds meer gezinnen kwam er een toestel te staan. Het aantal programma’s nam toe, het aantal uitzenduren eveneens.

Er werden kinderprogramma’s gemaakt en daarmee ontstonden ook vragen en kritische kanttekeningen: wat is dan geschikt voor kinderen, wat hebben ze eraan, is het schadelijk enz. enz. 

Ook op de vrijescholen werd er over gediscussieerd. Daar immers werd (wordt) o.a. geprobeerd kinderen vanuit kunstzinnigheid iets aan te leren; op een fantasievolle manier. Veel programma’s waren juist het tegendeel van ‘kunstzinnig’ of ‘fantasievol’ – veel fantasterij en karikatuur voerden de boventoon.

Er verschenen vele artikelen in de media, maar ook op schoolniveau in de schoolkranten en de TV was vaak onderwerp op de ouderavonden.

Ik weet niet of die aandacht er nog steeds is of dat we na al die jaren – nieuwe generaties leerkrachten, zelf ook opgegroeid met TV, – het allemaal sluipenderweg normaal zijn gaan vinden of dat alle commotie van wat er 30, 40 jaar geleden over werd gezegd en voor gewaarschuwd, door de feiten, de tijd, is ingehaald.

In mijn ‘archief’ zitten nog een aantal artikelen over dit onderwerp.
Ze staan onder Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19
.

F.Wedekind, nadere gegevens onbekend
.

 Tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv. tv.

Er werd me gevraagd een stukje te schrijven over tv. Eigenlijk weet ik er niet zoveel van. Zo’n tv is een voor mij onbegrijpelijke technische aangelegenheid. We hebben nu eenmaal heel wat technische apparatuur in huis, dat handig is en goed werkt.

Maar bij tv is de vraag, of het gebruik ervan goed is voor kinderen. Voortdurend gebruik door kinderen doet hun zintuigen, fantasie en blijdschap afstompen. Wanneer zintuigen, fantasievermogen en vermogen tot het ondervinden van vreugde slechter worden, hoe moet het dan wanneer deze kinderen zestig jaar zijn? Hebben ze ooit deeg gekneed, in de aarde gegraven, iets met plezier gemaakt en ontworpen? Het wordt hun probleem en het is onze zorg. Wanneer ik over de tv nadenk, herinner ik me nog, dat ik bij de buren mocht kijken. Doodmoe kwam ik daarna thuis, ik had pijn aan mijn ogen, ik had geen eetlust, maar ik zei er niets van tegen mijn ouders en vriendinnetjes. Ik wist niet, dat alles van die tv. kwam.

Je wilt als kind niets missen, je wil eigenlijk alles hebben, zien, vastpakken en weten.

Maar we weten langzamerhand allemaal, dat de tv helemaal niet goed is voor nog onontwikkelde ogen van kinderen in de groei. Zo heeft men waargenomen, dat de pupillen van de ogen niet meer groter of kleiner worden..Een verstarring is dat.
Ja, zo is er meer met de tv-beelden.

– de beelden zijn te vlak, er is geen diepte
– de beelden kunnen niet worden herhaald
– de lichtflitsen zijn te snel
– de meeste stukken zijn niet om over na te dromen
– geen verhaal is mooi afgerond, alles is fragmentarisch en brokkelig, ook door z.g. vervolgverhalen
– de hersens en de ogen hebben te veel te verwerken.

Nu weet men wel, dat kinderen graag een verhaal met een inleiding, een kern en een afsluiting als ritmisch geheel beleven. Wanneer je een kind bij de tv ziet zitten, kan men een zekere verharding waarnemen. Niet bij alle kinderen, maar het kan bij hen nog komen. Let u eens echt op, hoe uw kind vóór, tijdens en na het tv-kijken is, in bed ligt en zich gedraagt. Let u daar eens een paar keer op, zie uw eigen kind én de tv; en u gaat dingen ontdekken.

Vertelt men een kind zelf een fijn verhaal, treedt bij het kind een rustige spanning en aan het eind een gezonde ontspanning op. Het kind kan in die toestand alles opnemen, het neemt uw stem en gebaren waar. Dat geeft rust en dat heeft het kind nodig: mens-mens-contact.

Bij het tv-kijken komt er een spanning om het kind, het wordt geboeid door geluid, kleur en beeld, die echter geen echt geluid, natuurlijke kleur en beeld zijn. Alles is mechanisch. Het kind is star in de ban ervan: het gaat niet naar de wc, het drinkt wel, proeft niet en eet niet. Het houdt a.h.w. alles vast.

Geen warmte en geen bloei is om het kind heen.

Ik hoop, dat u begrijpt waar ik heen wil. Wij moeten in onze cultuur het kind juist helpen om niet te vroeg door de techniek ingepakt te worden. Het kind moet niet van apparatuur leren, het moet van de mens leren en innerlijk echt bewegende, sprekende en denkende wezens mee-beleven. Niet zozeer het drukken op knopjes en omzetten van handletjes.

Wij geven de kinderen sprookjes.Probeert u zelf eens Roodkapje te lezen en te vertellen. Je bemerkt, dat het verhaal, dat je al kent, je eigen verhaal wordt. De taal, de fantasie, de beelden, de oervormen uit de sprookjes bieden ritme en herhaling, maar geven ook nieuwe impulsen.

Zo’n tv is gelijk een snoeptrommel. Zien de kinderen die, dan willen ze kijken ook.

Ik raad u aan: zet de tv eens in de kast, streep iets aan, dat ze kunnen zien. Bouw de kijktijd geleidelijk af, totdat ze helemaal niet meer willen kijken. Met mijn nichtjes maakte ik mee, dat zij alles van de tv wilden zien. Toen ging de tv uit huis en ze talen er niet meer naar.
Hoe ouder ze worden, des te meer interesse ontwikkelen ze voor de buitenwereld: verzamelen, lezen, sport enzovoort.

Help ons en uzelf en uw kind door veel met eigen hand te maken. De kinderen vinden het prachtig. Vader maakt een vogelkastje: de kinderen spreken er nog dagen over.

Een tv-programma met Niels Holgerson blijkt maar heel kort gespreksstof te leveren. Dan is het weer weg.

Wanneer de kinderen aan de tv-kast bemerken, dat het etenstijd wordt … dan mag men zich zorgen maken.

Ook al zijn er nu nog geen moeilijkheden, let u goed op, het is de moeite waard.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

1867

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-1)

.

Onderstaand artikel verscheen in de jaren zeventig van de vorige eeuw in het blad ‘Vacature’, waarin naast -uiteraard – vacatures stonden, ook in vele artikelen aandacht werd besteed aan allerlei onderwerpen die betrekking hebben op het onderwijs.
Hoe werd er over stotteren gedacht?

.
A.Verkerk, in ‘Vacature’ , nadere gegevens onbekend, maar ca 1970)
.

Het stotterende kind in de klas

1

Stotteren is een ziekte, die de betrokkene veel verdriet veroorzaakt, meestal meer dan wij denken.

Voor de wetenschap is het nog een betrekkelijk onbekend terrein, zodat het wezenlijke van stotteren nog niet ontdekt is. Mede hierdoor is de genezing een moeizaam proces, dat veel vraagt van allen, die met de opvoeding van de stotteraar belast zijn.

Een hoofdkenmerk bij de meeste stotteraars is de angst om te spreken.

Het gevolg hiervan is dat hij te veel let op zijn spreken, waardoor het stotteren juist erger wordt.

Stotterende kinderen zijn vaak nerveuze of neurotische kinderen.

Deze eigenschappen kunnen zoals men weet aangeboren zijn öf ze kunnen door opvoedingsfouten of milieufactoren ontstaan of verergerd zijn.

Het is moeilijk deze nervositeit of neurose te genezen, wel kan veel gedaan worden om de gevolgen hiervan te beperken.

Deze kinderen hebben veel rust nodig, vragen veel aandacht en vriendelijkheid (ze zijn bijna „onverzadigbaar”), mogen geen te zware belasting krijgen door moeilijke opgaven en taken (als ze b.v. leerplichtig zijn, is het soms beter nog een jaar te wachten), en hebben veel bemoediging en versterking van hun zelfvertrouwen nodig (al was het alleen maar door het uitvoeren van boodschappen en kleine karweitjes).

In het bijzonder voor het stotterende kind geldt: zelf rustig en desnoods langzaam spreken.

Drukke moeders hebben bijv. een funeste invloed op hen.

Ook al denken wij, dat we machteloos staan tegenover stotteren, toch kunnen wij de gevolgen, vaak meer dan wij beseffen, verzachten door onze liefde.

Het maakt de taak van de opvoeder echter niet gemakkelijker ook al veroorzaakt toevallig een stotterende leerling weinig last in de klas.

Misschien kunnen wij helpen met de volgende tips (ook al zullen vele bekend zijn):

1. Tracht met alle middelen, die u ten dienste staan, te voorkomen dat kinderen met een spraakstoornis nageaapt of uitgelachen worden, ook al gebeurt dit bijv. op straat. Hoe minder aandacht er aan de afwijking besteed wordt, des te beter. Omdat natuurlijk een rustige en prettige sfeer zeer belangrijk is voor de stotteraar, heeft (indien zulks mogelijk is) een kleine klas de voorkeur.

2. Plaats geen kind bij hem in de buurt dat öf zelf druk of plagerig is óf zelf neiging vertoont tot stotteren. Ook al lijken dit kleinigheden, toch zijn ze voor het spraakgestoqrde kind van groot belang. Als alle omstandigheden gunstig zijn, worden de kansen voor genezing beduidend groter.

3. Vragen, die plotseling gesteld worden of vlug beantwoord worden, brengen een stotteraar in de war. Opwinding (bijv. na een slechte beurt) of vermoeidheid (bijv. aan het eind van de middag) maken de kwaal erger.

4. Het is o.i. niet goed, dat stotterende leerlingen weinig of geen beurten krijgen, want ze voelen zich dan vaak uitgerangeerd. Elke stotteraar is anders en ongetwijfeld probeert men zich aan te passen bij wat de stotteraar wel of niet zou kunnen zeggen of antwoorden,

Om enkele voorbeelden te noemen:

Stel vragen, waarop een kort antwoord mogelijk is, of geef een opdracht, die op bord kan worden uitgevoerd.

5. Fluisteren, zingen, het opzeggen van versjes en rijtjes, soms zelfs toneelspelen, gaan meestal goed. Geef hem bij voorkeur daarbij een beurt. Wanneer de leerling daartoe echter niet in staat is, zou het dan niet mogelijk zijn, het versje na schooltijd te laten opzeggen of desnoods op te laten schrijven? Dit geldt ook voor een leesbeurt.

6. Veel stotteren ontstaat doordat de ouders te veel aandacht schenken aan het spreken van hun kind. Daarom is het verkeerd om een stotteraartje iet§ te laten overzeggen. Wel kunnen we het helpen door een woord voor te zeggen, wanneer het er niet „uit” kan komen of door een vraag het een beetje op weg te helpen. Het kind moet ook leren na te denken wat het zal zeggen. Eerst denken dan spreken!

7. Wanneer een kind stottert als het hardop leest kunnen we het helpen door mee te lezen of desnoods voor te zeggen (maar hoe zachter hoe liever!).

8. Uitgesproken linkshandige kinderen, die gedwongen worden rechts te schrijven, kunnen gaan stotteren, indien er een zekere aanleg hiervoor aanwezig is.

Ook het spellend lezen is voor de stotteraar een verzwarende omstandigheid, zodat – althans van logopedisch standpunt uit bezien – een globale leesmethode de voorkeur verdient boven een analytische methode. Het spellend lezen en ook het woord voor woord lezen is nadelig voor een stotterende leerling.
Op de spraakles wordt hem geleerd eerst de zin goed voor zich zelf te lezen en dan de hele zin achter elkaar hardop te lezen. Een goed hulpmiddel is ook om het lezen en spreken enigszins zangerig te laten geschieden. Hoe onopvallender men tegenover het stotteren staat, des te groter is de kans dat het spraakgebrek „over” gaat.

Van eminent belang is, dat allen, die met het stotterende kind omgaan, samenwerken en alle storende invloeden proberen weg te werken om het dikwijls zo verschrikkelijke lot van de stotteraar dragelijk te maken.

Het is verkeerd te menen dat de logopedist en de stotteraar het maar zelf moeten klaarspelen, die opgave is te moeilijk. Het blijft een zware opgaaf het stotteren te overwinnen, maar het is geenszins onmogelijk.

Wat is stotteren?

Stotteren is een spanningsverschijnsel, d.w.z. geestelijke spanningen uiten zich in het stotteren. Hierbij worden de spieren, die nodig zijn om goed te spreken in’ hun functie belemmerd door krampachtige verschijnselen.
Het is dus zaak om spanningen zoveel mogelijk te voorkomen en hier ligt een belangrijke taak voor de klasse-onderwijzer(es). Uit ervaring is gebleken dat men in de klas niet machteloos hoeft te staan tegenover stotteren, maar dat er wel degelijk aan de genezing kan worden gewerkt. Uit onderzoekingen en uit eigen ervaring is eveneens gebleken dat een belangrijk percentage van de kinderen, die stotteren op de basisschool toch stottervrij deze school verlaat. Dit gebeurt niet vanzelf, het is ook geen kwestie van „erover heen groeien”, maar de genezing wordt naast de eventuele logopedische behandeling, bewerkstelligd door de actieve inzet van de opvoeders. Meestal is het genezingsproces langdurig en veel geduld is dan ook een zeer schone zaak. Voor kinderen van 3-7 jaar (zeer globaal genomen) wordt meestal het advies gegeven: besteed geen aandacht aan het stotteren, maar wel aan het kind.
Bij deze jonge stotteraars moet voorkomen worden dat zij zich ervan bewust worden, dat zij stotteren, althans dat ze het zich gaan aantrekken of angst voor praten krijgen. Hoe onbevangener zij én hun omgeving staan ten opzichte van de stotterversehijnselen, des te eerder is er de kans dat deze verschijnselen verdwijnen.

Beïnvloeding- van de stotteraar

Indirect moet er natuurlijk wel veel gedaan worden om deze kinderen geestelijk te harden.

1. Er moet naar gestreefd worden hen een goed gevoel van zelfvertrouwen bij te brengen. Vragen bv., die korte antwoorden vereisen hebben de voorkeur boven langere antwoorden, eenvoudige vragen boven ingewikkelde of moeilijke vragen, moeilijke opdrachten (bv. vóór de klas) moeten vermeden worden.

2. Opwinding en vermoeidheid moeten vermeden worden.

3. Positieve factoren daarentegen zijn:

Vriendelijkheid en geduld;

’n beetje extra aandacht; rustig spreken; prettige klassesfeer enz.; vrolijkheid.

Ze zijn bijzondere heilzaam voor de stotteraar.

Zoek naar gunstige omstandigheden.

De stotteraar beschikt meestal niet over een groot aanpassingsvermogen en het is verstandig hem in een nieuwe klas wat tijd te gunnen om hem aan de nieuwe situatie te wennen.

Het is beter geen spreek- of lees-opdrachten te geven, wanneer u zelf gehaast of geïrriteerd bent of wanneer er in de klas een wat opgewonden stemming heerst.

Bij het geven van een beurt moeten we als het ware op onze tellen passen en niet lukraak de stotteraar een beurt geven. De omstandigheden daarvoor moeten zo gunstig mogelijk zijn. De graad van stotteren is, zoals u wel gemerkt zult hebben, erg wisselend, afhankelijk van allerlei invloeden en omstandigheden. Ook al veranderen de omstandigheden niet, toch zijn daarin weer verschillende situaties, waarvan de stotteraar de één als makkelijk en de ander weer als wat moeilijker ervaart. Het is zaak dit uit te zoeken en de meest gunstige uit te buiten.
Het kan het geval zijn bij nerveuze kinderen, bij de zwakbegaafden of de leeszwakken, bij de eenzame of onaangepaste kinderen om maar enkele voorbeelden te noemen. Inschakeling van specialisten is gewenst, maar in kleinere plaatsen niet altijd uitvoerbaar.

Enkele verdere maatregelen, die de school zelf zou kunnen treffen om het stotteren te verminderen, zijn de volgende:

Het stotterende kind in geen geval te zwaar belasten of te hoge eisen stellen. Blijven zitten bv. is, dunkt ons, veel beter dan het kind met de hakken over de sloot over te laten gaan, of nog erger (nogmaals we pleiten hier voor stotterende kinderen) voorwaardelijk over te laten gaan. Het risico dat de leerling blijft stotteren of dat het stotteren erger wordt is te groot en daarom lijkt ons dit niet verantwoord. Dit geldt natuurlijk veel minder voor die scholen, waar men van het traditioneel-klassikale onderwijssysteem is afgestapt en het vervangen heeft door meer individueel onderwijs. Zoals gezegd: in de laagste klassen moeten we op onopvallende wijze aan de stotteraar werken, maar aan het stotteren zelf geen aandacht schenken. Het moment dat wij onze houding moeten veranderen is voor ieder kind verschillend.

Wanneer moeten we ingrijpen?

Een paar aanwijzingen die het kind ons geeft, wanneer wij van een min of meer indirecte tot een meer directe aanpak van het stotteren dienen over te gaan, zijn de volgende:

1. als het met kracht probeert het stotteren te overwinnen. Het probeert dan namelijk met persen en drukken de woorden eruit te „krijgen”.

2. meebewegingen: bewegingen (vooral met het hoofd) die gemaakt worden om de spreekmoeilijkheden te overwinnen.

3. als het angst vertoont voor bepaalde woorden of voor bepaalde situaties (bv. voor een beurt of voor een boodschap).

4. als het uit angst voor stotteren zwijgt of zich terugtrekt zodat duidelijk te merken is, dat het zich het stotteren aantrekt.

De stotteraar die zich het stotteren eigenlijk niet bewust was en er niet onder gebukt ging, wordt het zich nu wél bewust en heeft er verdriet van. Nu wordt behandeling door een logopedist(e) noodzakelijk.

2

Bij de logopedische behandeling van stotteraars speelt de opvoeding tot meer zelfvertrouwen een grote rol. Hoe meer zelfvertrouwen, des te minder is er de angst voor het spreken.

Met dit gegeven als uitgangspunt wordt de behandeling van de stotteraar aangepakt. We beginnen met de gemakkelijkste leersituatie, waarin de leerling (e) niet stottert, of na enige oefening niet meer stottert. Daarna nemen we een iets moeilijker situatie, uitgaande van de positieve ervaringen, die de stotteraar bij de eerste situtatie heeft opgedaan. Zo worden de opdrachten steeds moeilijker gemaakt, waarin de stemming van: ik kan het toch wel, groeit en de angst en de opwinding vóór en tijdens het spreken vermindert.

De stappen op deze „ladder” mogen vooral niet te groot genomen worden, want één mislukking en we moeten weer een eind terug op deze ladder. Samenwerking met de logopedist is noodzakelijk voor het welslagen van deze onderneming.

Ten eerste omdat hij/zij aan zïjn/haar leerling alleen die opdrachten en beurten geeft, die met de logopedist zijn afgesproken. Er moet een zekere planning zijn om de mogelijkheden tot stotteren zoveel mogelijk te beperken, ten tweede is overleg nodig om een lijst van situaties aan te leggen, die voor deze leerling langzaam in moeilijkheidsgraad opklimmen.

Hulpmiddelen

De stotteraar heeft in zijn strijd tegen het stotteren de beschikking over enkele hulpmiddelen, die in de praktijk vrij effectief zijn gebleken. Maar ook hier weer geldt: Elke stotteraar is anders.

Tikken

Dit middel kan vooral toegepast worden als het door een logopedist(e) aangeleerd is.
Het tikken wordt uitgevoerd met de wijsvinger of met een potlood. Er wordt bij elke lettergreep getikt, waardoor een wat eentonige manier van lezen ontstaat. Heel goed is het om af en toe de hele klas eens op deze manier te laten lezen.
Het vreemde van dit hulpmiddel valt dan een beetje weg, terwijl het een goed middel is tegen slordig lezen.

In dit verband ook de opmerking: eerst de zin stil lezen en dan hardop. Dit is ook uit logopedisch standpunt zeer aan te bevelen.

Het tikken kan ook bij het gewone spreken worden toegepast. Rustig maken. De opmerking: “Doe het maar rustig aan, we hebben tijd genoeg”, wordt door de meesten als plezierig ervaren.

Aanvullen

Blijft het stotteraartje bij een bepaald woord steken dan kunt u dat woord aanvullen of voorzeggen, zodat het verder kan gaan met praten of lezen. Blijft het bij een leesbeurt regelmatig steken, zodat aanvullen niet voldoende is, dan is meelezen een doeltreffend middel.

Meelezen

Dit meelezen kan in verschillende fasen geschieden.

a. de leerkracht leest hardop in zijn eigen rustig tempo en de stotteraar ptobeert mee te lezen;

b. de leerkracht doet het wat zachter en let meer op de stotteraar. Het lezen van de stotteraar wordt nu luider dan dat van zijn onderwijzer (es);

c. de steun van de leerkracht vermindert tot een soort gemurmel;

d. zo nu en dan houdt het gemurmel op. Als er weer een blokkade of een herhaling is, springt de onderwijzer (es) weer bij óf door meelezen óf door gemompel.

Dit kan onder schooltijd of na schooltijd geschieden. In het begin is oefenen na schooltijd beter, omdat dan de druk van een volle klas wegvalt.

Rustig lezen

Sloom en rustig lezen zonder enige inspanning of krachtsvertoon. Hoe voorzichtiger en zachter hoe beter.

Veel stotteraars hebben door hun opwinding de neiging te vlug en te slordig te lezen, waardoor zij juist nog meer in verwarring komen. En door de verwarring komen dan nog meer leesfouten en stotterverschijnselen.

Wat leert de stotteraar bij de logopedist?

Het belangrijkste is:

1. Zich te leren ontspannen ook bij moeilijke opdrachten. Geestelijke spanningen leiden tot lichamelijke spanningen en deze bij stotteraars weer tot krampachtige bewegingen van de ademspieren, vooral in de buik. Hij houdt onbewust zijn adem in of verhindert een rustige uitademing. Dit alles veroorzaakt mede het stotteren.

Zich actief te ontspannen is moeilijk, maar noodzakelijk. Gemakkelijk zitten, maar toch rechtop, is eveneens nuttig. Geen enkele poging mag gedaan worden om met persen en drukken te praten.

Stop is een belangrijk woordie bij de stotterbehandclng. De stotterende jongen of meisje moet stoppen zodra hij met kracht over een moeilijk woord probeert heen te komen, wanncer hij bij dat woord is blijven steken. Hij mag niet verder stotteren, maar uitzuchten, wachten op de ademgolf en opnieuw proberen, nog voorzichtiger, verder te lezen of heen te komen. Derhalve mogen geen onnodige hoofdbewegingen gemaakt worden.

Geeuwen is een uitstekende ontspanningsoefening, zodat wij hopen dat u dit in de klas kunt tolereren.

Op de duur moet de stotteraar leren bij iedere spreekblokkade niet door te „drukken” maar even uit te zuchten en opnieuw te beginnen.

2. Letten op zijn adembewegingen in de buik.

De stotteraar moet dan pas spreken, wanneer hij voldoende lucht in zijn longen heeft. Uiterlijk is dat zichtbaar aan de naar voren gaande buikbeweging. Bijna altijd is de oorzaak van het stotteren gelegen in de ademhaling. Hij heeft te weinig adem als hij wat gaat zeggen of hij houdt zijn adem in, zodat het spreken zo moeizaam gaat.

Hij (het kan natuurlijk ook een zij zijn) moet daarom vóór elke zin of gedeelte van een zin, wachten op de ademgolf. De adempauzes zijn langer dan normaal en dienen bij het lezen bij voorkeur te geschieden bij leestekens en dergelijke. Vooral geen lange zinnen laten lezen op één adem; de stotteraar kan beter een grote zin in kleine stukken „knippen”.

3. Sloom en rustig praten en lezen.

Bij het lezen, vooral als het slechte lezers betreft, kan de zin of een stuk zin eerst stil of fluisterend gelezen worden en dan hardop.

Mocht de leerling een van deze aangeleerde spreektechnieken vergeten, dan moeten we hem daaraan herinneren. De stotteraar is hardnekkig in het
cultiveren van zijn verkeerde adem- en spreekgewoonten, zodat enig geduld wel vereist is. Misschien is het aan te raden er eens over praten. Het kan zijn, dat hij van uw aanwijzingen nerveus of geïrriteerd wordt, of ook wel dat hij zich schaamt en een gesprek kan hierover opheldering verschaffen.

Openheid in de houding tegenover de stotteraar

Nadat de spraaklessen enige tijd aan de gang zijn kunt u behalve over de nieuw aangeleerde spreektechniek met de stotteraar eens praten over zijn moeilijkheden en wensen.

De volgende punten zouden aangeroerd kunnen worden:

Waar wil hij graag zitten?

Wil hij geholpen worden bij het gebruiken van zijn nieuwe spreektechniek?

Wat vindt hij prettig, als hij een beurt krijgt?

Wordt hij geplaagd of uitgelachen?

Het domweg verbieden van plagen of uitlachen van stotteraars, is natuurlijk belangrijk, maar het is onzes inziens nog waardevoller, wanneer een beroep op het meeleven van de klassegenoten wordt gevraagd. Misschien is het zelfs mogelijk de klas in te schakelen bij de therapie.

De positie van de stotteraar

Deze is vaak moeilijker dan we denken.
Door de vele mislukkingen bij het spreken (en vaak ook op andere terreinen) proberen ze hun stotteren te verbergen en schamen zich diep over hun gestuntel. De moeilijke opgave voor hen is dat ze leren te accepteren dat ze – laten we hopen voorlopig – nog stotteren.

Ze moeten durven te stotteren en daar eerlijk voor uitkomen.

Als ze een logopedische behandeling nodig hebben moeten ze bovendien de moed hebben om de hun aangeleerde hulpmiddelen te gebruiken.

Ze mogen en moeten geloven dat ze beter kunnen worden. En niet alleen de stotteraars – maar ook zijn opvoeders mogen dit geloven.

Ze moeten de moed hebben om hun oude strijdmiddelen op te geven, n.l. met persen en drukken en met allerlei meebewegingen uit hun woorden proberen te komen.

Ze moeten durven te stoppen, wanneer ze op een woord blijven steken. Ze moeten de moed hebben om uit te zuchten en opnieuw verder te gaan, te beginnen met de zin, nog voorzichtiger, nog meer ontspannen. Kortom: de oude spreekgewoonten door andere en betere te vervangen.

Nog enkele algemene punten

Stotteraars worden niet altijd even rechtvaardig behandeld en daar zijn ze zelf mede „schuldig” aan.

Een voorbeeld:

Door spreekangst is hij niet in staat een goede beurt te maken, hoewel hij het wel weet. Gevolg (gelukkig niet altijd): slecht cijfer of strafwerk.

Stotteraars zijn vaak nerveus, wat meestal ten gevolge heeft dat ze overgevoelig zijn en weinig kunnen verdragen. Strafmaatregelen veroorzaken spanningen, die op hun beurt weer de voedingsbronnen zijn van het stotteren. Als ze bovendien – terecht of ten onrechte – menen dat ze onrechtvaardig behandeld worden, worden de spanningen nog meer opgevoerd.

Natuurlijk voeren we geen pleidooi voor slap optreden tegen stotteraars, maar wel is het van belang dat we zowel opwinding als een gevoel van miskenning bij de stotteraar vermijden.

Een stotteraar is vaak een geremde persoonlijkheid, wanneer de remmingen bij het spreken zijn verdwenen, vallen vaak ook remmingen in andere delen van zijn persoonlijkheid weg, bv. op intellectueel en sociaal gebied.

Moeten we de stotteraar aankijken?

Ja, maar niet voortdurend. Het contact stotteraar-luisteraar moet gehandhaafd blijven en dat kan moeilijk als de stotteraar merkt dat de luisteraar een andere kant uitkijkt.

We kunnen de stotteraar meer helpen met een bemoedigend woord of met het aanvullen van een voor de stotteraar moeilijk woord.

Als hij erg opgewonden is en daardoor des te heviger stottert, leidt hem dan af en laat hem praten wanneer hij wat rustiger geworden is. Het versterkt het zelfvertrouwen van de stotteraar, wanneer u hem vooral beurten geeft op zijn goede dagen en geen op de kwade.

Belangrijk is ook dat u zelf rustig praat en rustig bent. Vriendelijkheid en vrolijkheid zijn belangrijke wapens in de strijd tegen het stotteren.

Onrust, opjagen, drillen, dreigementen, strengheid bevorderen het. Een te strakke en te strenge opvoeding is vaak funest voor de stotteraar.

Het is niet aan te raden om stotterende kinderen die nog niet schoolrijp zijn, naar de „grote” school te laten gaan. De spanningen die met deze overgang gepaard gaan houden het stotteren in stand of verergeren het, terwijl juist door een jaartje kleuterschool hun soms wat vertraagde ontwikkeling weer op het normale peil komt.

De belangrijk ste persoon in het „team” van onderwijzer (es) -ouders – logopedist (e) – stotteraar is de laatstgenoemde. Niet alleen dat hij van het stotteren genezen moet worden, maar ook omdat hij zélf het voornaamste aandeel in de genezing heeft.

De stotteraar moet zich leren ontspannen en hij zal de nieuwe spreektechniek als hij die geleerd heeft moeten toepassen.

Daar is veel training en oefening voor nodig. Ook een zekere intelligentie om te begrijpen waar het om gaat. Daar een spraakbehandeling vaak maanden en jaren duurt, wordt er veel doorzettingsvermogen gevraagd van de patiënt, zodat er successen en andere stimulansen nodig ziin om hem/haar te doen volhouden. Het is de moeite waard om alle krachten in te spannen om onze leerling van het stotteren af te helpen, omdat we hem daarmee veel verdriet besparen.

Aanbevolen literatuur:

Th. Schoemaker: De stotteraar op school en in de therapie. Uitgeverij Bohn – Haarlem.

.

Rudolf Steiner over stotteren in GA 306/41

.

Ontwikkelingsproblemen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1861

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2/2)

.

bron onbekend

.

Snotverkouden, steeds maar weer
.

Heel jonge kinderen zijn veel vaker verkouden dan volwassenen. Bij sommigen van hen stromen de grote groengele snottebellen zelfs onophoudelijk uit de neus. Antibiotica en amandelen knippen, zijn de bekendste oplossingen. Sinds kort is er een nieuwe tip: afwachten tot het ongemak over gaat.

Anne Schilder is hoogleraar Kinder kno-heelkunde in het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU). Zij herkent dit soort klachten goed. „Het afweersysteem van kleine kinderen is nog volop in ontwik­keling. Dat moet uitrijpen, zoals ze ook moe­ten leren praten en lopen. In tegenstelling tot volwassenen maken ze nog niet of niet snel genoeg de juiste antistoffen aan.’ Daar­om zijn baby’s en peuters zes tot tien keer per jaar verkouden, produceren veel snot en hebben een verstopte neus, een heel norma­le situatie. Volwassenen overkomt dit jaar­lijks twee tot vijf keer. In gezonde toestand produceert de binnen­zijde van de neus precies genoeg slijm om de ingeademde lucht vochtig te houden en binnendringers als stof, virussen en bacteri­ën buiten te houden. Bij een verkoudheid is het slijmvlies in de neus, de bijholten en de keel ontstoken. Oorzaak is de besmetting met een verkoudheidsvirus. Dat verspreidt zich makkelijk via vochtdruppeltjes in de uitgeademde lucht die anderen weer
inade­men.
G. is 2,5 jaar als ze voor het eerst kinderdagverblijf X binnen-huppelt. Ze is dan een gezond meisje, blikt haar moeder terug: „Af en toe is ze verkouden, maar welke peuter is dat niet.” Eenmaal tussen haar leeftijdsgenootjes op de crèche verandert die situatie. Bijna onop­houdelijk komen er grote, groengele
snotte­bellen uit G’s neus en ze ademt continu door haar mond. ’s Nachts vult gesnurk de kinderkamer en regelmatig wordt ze wak­ker.

Pas twee tot drie dagen na de infectie (dit heet de incubatietijd) worden de signalen zichtbaar. Er wordt te veel slijm aange­maakt, wat snotteren veroorzaakt in de neus en keel. Het hoesten begint, er kan sprake zijn van keelpijn, niezen en neusver­stopping.

Kleine kinderen in groepen worden vaker verkouden dan kindjes die thuis in het ge­zin verblijven. Ze komen simpelweg sneller in aanraking met voor hen nieuwe virussen en bacteriën, zegt Schilder. „In een kinder­dagverblijf zitten baby’s en peuters dichter op elkaar. Door te hoesten en eikaars speel­goed in de mond te steken, besmetten ze el­kaar eenvoudig.”

Ook passief meeroken vergroot de kans op een verkoudheid, omdat de giftige deeltjes in rook het slijmvlies aan de binnenkant van de luchtwegen irriteert. Bij de inmiddels 3-jarige G. merken haar ouders dat de verkoudheden elkaar bijna non-stop blijven opvolgen.

Tot twee keer toe hebben ze contact opgenomen met de huisarts. De eerste keer stelt hij ze gerust en adviseert een neusspray (zie kader Maatrege­len). Wanneer ze er een paar maanden later opnieuw aankloppen, besluit de huisarts over te gaan op een antibioticabehandeling. Dat helpt even, maar al snel produceert G. weer onophoudelijk haar groengele snot­tebellen, de verkoudheden hebben af en toe ook hun weerslag op de situatie thuis en op het werk. Moeder: „Mijn man en ik moesten nogal eens met agenda’s schuiven, als we besloten de erg vermoeide G. een dagje thuis te houden.” Lachend: „Boven­dien zijn kortere nachten niet altijd even be­vorderlijk voor een goed humeur.” Op zoek naar een betere oplossing wordt G. afgelopen winter doorverwezen naar een kno-arts in het Wilhelmina Kinderzie­kenhuis van het UMC Utrecht. Hij consta­teert een forse neusamandel. Maar tot moeders grote verrassing adviseert de arts niet dat­gene wat zij wel had verwacht: het knippen van die amandel.

Jaarlijks wordt in Nederland bij meer dan 20.000 kinderen de neusamandel geknipt. In andere westerse landen gebeurt dit veel minder vaak. Dit verschil is volgens hoogle­raar Schilder cultureel bepaald. „Waar ouders en artsen in ons land kiezen voor een operatie, wordt in omringende landen vaker en langduriger antibiotica voorgeschre­ven. In Nederland kiezen we hier niet voor. We weten dat deze medicijnen meestal geen effect hebben op de verkoudheidsvirussen.”

Bij chronisch verkouden kinderen blijkt dat het verstandiger is gewoon af te wachten tot de verkoudheden overgaan, dan meteen te opereren. Zo bleek dit najaar uit een twee jaar durende studie, onder leiding van Schil­der. „We hebben steeds gedacht dat neusa­mandel knippen echt hielp, omdat de klachten na de ingreep minder werden. Maar nu weten we dat ditzelfde ongemak meestal ook afneemt als kinderen ouder worden.”
Toch is het knippen van de neusamandel hiermee niet van de baan, integendeel. Blok­keert de ontstoken amandel de luchtweg? Of heeft een kind een chronische oorontste­king? Dan zal nog altijd worden gekozen voor de operatieve verwijdering van de neusamandel.

Moeder: „G. is intussen net 4 jaar en gaat naar school. Wat was het afgelopen winter raar om het advies te krijgen haar niet te opereren. Terwijl je om je heen nog altijd verhalen hoort van kinderen waarbij wel voor die oplossing is gekozen. Maar goed, in onze situatie hebben we sa­men met de arts besloten af te wachten. Nu merken we simpelweg dat G. over haar ongemak aan het heengroeien is: ze is niet meer zo vaak verkouden en slaapt veel be­ter. Natuurlijk zit er weieens een onrustige nacht tussen, maar deze situatie is niet al­leen voor ons, maar vooral voor haar heel acceptabel.”

.

Maatregelen

Ouders kunnen zelf bijdragen om de hinder en verspreiding van een verkoudheid zo veel mogelijk te beperken. Hoogleraar Anne Schil­der belicht er een paar:

Rook niet (binnen)

Zorg voor een goede hygiëne: veeg de snottebellen af met een schone zakdoek; gebruik deze geen tweede keer. Was regelma­tig de handjes van het kindje (en die van jezelf) om verspreiding van de ziektekiemen te beper­ken.

Gebruik neusdruppels of – nog liever – een spray met een zout­oplossing. Dit spoelt het snot weg en vermindert de zwelling in de neus. Overleg met uw huis­arts als de klachten aanhouden, in het uiterste geval: zoek naar een andere vorm van kinderop­vang waarin minder kinderen te­gelijkertijd in een ruimte verblij­ven en de kans op het krijgen van een nieuwe verkoudheid klei­ner is. „Al is dat lastig te realise­ren bij kinderen: het virus ver­spreidt zich makkelijk, omdat ze elkaar juist opzoeken om te spe­len.”

Lang leefde de gedachte dat hel­der, doorzichtig snot wordt ver­oorzaakt door een virus. Groen­geel snot daarentegen zou een gevolg zijn van een bacteriële in­fectie. Hoogleraar Anne Schilder hangt die theorie niet meer aan: „We weten inmiddels dat ook vi­russen kunnen zorgen voor de groengele kleur.”

Snot bestaat vooral uit slijm. Normaal gesproken is dit helder van kleur. Dit kan veranderen als een ziekteverwekker in de neus terechtkomt. Er ontstaat een
ont­steking waar het lichaam vanaf wil. Als reactie hierop maakt het lichaam meer slijm en antistof­fen aan: het wil van de ziektever­wekker af. Het snot verandert dan van kleur, omdat het resten van virussen en bacteriën en wit­te bloedlichaampjes bevat.

Bij kleine kinderen kan de ene verkoudheid de andere
opvolgen.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl
.

1859

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.