Categorie archief: opvoedingsvragen

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-5/2)

.

Dr.Med. Olav Titze, Weledaberichten

.

HUID EN ORGANISME
.

De huid met haar uitlopers, de haren en de nagels, is in menig opzicht een spiegel van de functies van de inwendige organen. Men denke bijv. aan geelzucht bij leverinfecties, het bruin worden van de huid bij ziekten van de bijnieren, het nachtelijk transpireren bij ernstige hartkwalen, acnepuistjes in de puberteit en furunculose bij suikerpatiënten.

De huid weerspiegelt echter ook psychische toestanden: het verbleken als men schrikt, blozen als men zich schaamt. Hier blijkt de relatie met de bloedcirculatie.

Maar de huid is ook een orgaan met een speciale anatomische bouw en als zodanig behoort zij bij het zenuw-zintuigstelsel van de mens. Zij is immers van ontelbare zintuigcellen voorzien en kan ons daardoor via de tast- en warmtezin de buitenwereld laten gewaar worden.

Op die manier heeft de huid met alle drie systemen van functies bij de mens te maken; zij oefent tevens een eigen beschermende rol uit doordat zij de schadelijke invloeden van de buitenwereld afweert. Daarbij ondersteunt zij als zintuig deze taak, wanneer bijv. de tast- en warmtewaarnemingen door de overgang naar pijn gevaar signaleren.

Er zijn slechts weinig substanties die de gezonde huid kunnen doordringen. De huid van de zuigeling vormt in dit opzicht een uitzondering. Deze is nog bijna slijmvlies. Daarom is het vooral bij de verzorging van de zuigeling van belang, de middelen daarvoor uiterst zorgvuldig te kiezen. Dit geldt ook in het bijzonder bij acute huidontstekingen, als dientengevolge de huid haar beschermende functie verliest en zij doorlaatbaar wordt voor medicamenten.

De werkingen via de huid op het organisme zijn over het algemeen reactief. Als men bijv. een warme kruik op de buik legt om maag- of darmkrampen te verhelpen, dan werkt in zo’n geval de uitwendige warmte niet rechtstreeks, maar de uitwendige warmteprikkel heeft een reactie in het organisme tot gevolg, d.w.z. de onder de verwarmde plek liggende organen worden van meer bloed voorzien. Het tegengestelde gebeurt bij de toepassing van koude, bijv. als een blindedarmontsteking met een ijszak wordt behandeld.

De uitwendige toepassing van warmte kan versterkt worden door substanties die zelf een bijzondere relatie met de warmte hebben. Dat zijn de oliën en vetten. Zij kunnen ertoe bijdragen om de afkoeling van het organisme tegen te gaan. De Inuit bijv. wrijven zich bij zeer lage temperaturen in met olie. Vetrijk voedsel met zijn hoge waarde aan energie zorgt ervoor dat wij het ’s winters niet zo snel koud hebben. Aan het ontstaan van plantaardige oliën en vetten liggen intensieve warmteprocessen ten grondslag. Door de zonnewarmte kunnen immers in zaden en vruchten deze substanties als een uiting van rijpingsprocessen ontstaan.

De meestal sterk geurende etherische oliën doen hun invloed niet alleen via de huid maar ook via de ademhalingswegen gelden. De etherische lavendelolie [1] bijv. voelt men enerzijds als verwarmend, anderzijds – doordat men de kalmerende geur inademt – als rustgevend en ontspannend. De etherische rosmarijnolie daarentegen is stimulerend en opwekkend. De zeer vluchtige eucalyptusolie veroorzaakt nog in een tienvoudige verdunning een verkoelende prikkeling op de huid. Deze olie werkt via de ademhalingsorganen veel sterker dan via de huid.

De werking van koude kompressen, zoals die bijv. bij schedelkwetsuren en hersenschudding worden toegepast, kan worden versterkt door arnica [2]. Deze gedijt in het hooggebergte, in de kiezelrijke, schrale bodem van de formaties van het oergesteente. Er is nauwelijks een plant, die op zoveel manieren kan worden toegepast bij beschadigingen van de huid, o.a. als verdunde essence in een verkoelend kompres (1 eetlepel op ¼ l. water) of ook als zalf bij builen. In olie verwerkt vindt arnica bij vele reumatische klachten toepassing als toevoeging aan het bad.

Men kan echter niet alleen door middel van prikkels van warmte of koude, al of niet met behulp van bepaalde toevoegingen van medicamenten, invloed uitoefenen op het organisme, maar ook door gedoseerde en op de juiste plaats toegebrachte pijnlijke prikkels: op die manier kan men bijv. pijnlijke ontstekingen van de bijholten van de neus verzachten door de brandende pijn, die men met behulp van een mosterdkompres beneden aan de kuit opwekt, d.w.z. aan de tegenpool van het ziekteproces.

Via de huid beïnvloeden baden het gehele organisme; een warm bad kan de uitscheiding stimuleren en krampen oplossen. Etherische oliën, toegevoegd aan het badwater, hebben bovendien een werking via de ademhalingsorganen en de reukzin. Warme baden moeten echter worden ontraden, bij bijv. hart- en vaatziekten en aderontstekingen. Koude baden zijn verkwikkend en gaan de neiging tot verkoudheid tegen, bijv. bij kinderen die een lymfatische constitutie hebben. Natuurlijk moeten zij na het bad weer flink warm worden. De werking van een koud bad wordt verhoogd door er zout aan toe te voegen.

Zalven of oliën worden ingewreven door massage. Lichte massage verschaft ontspanning en rust. Krachtige massage is opwekkend en bevordert de bloedcirculatie. Pijnlijke benen met stuwingen in de aderen moeten heel zachtjes worden gemasseerd; door eenzijdige beweging stijf geworden spieren daarentegen moeten met massageolie stevig worden behandeld om het doorstromen van het bloed te bevorderen.

Samenvattend kan worden gezegd, dat de werkingen via de huid – op enkele uitzonderingen na – op het totale organisme hierin bestaan, dat de zintuigfunctie van de huid op vele manieren kan worden gestimuleerd. Het organisme geeft dan een soort antwoord: op een prikkel door middel van warmte volgt een sterker stromen van het bloed; prikkels door middel van koude bewerken het tegendeel daarvan, terwijl pijn op de ene plaats door een andere prikkel naar elders kan worden verplaatst. Geneesmiddelen kunnen deze zintuigprikkels op allerlei manieren versterken.

[1] Voor allerlei oliën: zie Weleda
[2] Arnica bij Weleda

.

Zintuigen: alle artikelen  zie voor de huid onder tastzin

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-2)

.

Rudolf Steiner heeft ook zijn opvattingen gegeven over gezondheid en ziekte. Wat de ontwikkeling van kinderen betreft – die ook de vrijeschoolpedagogiek ter harte gaat – noemde hij de zgn. ‘kinderziekten’ mogelijkheden voor de constitutie om zich gezond te ontwikkelen. Dat klinkt paradoxaal, maar van ‘ziek-zijn’ kun je – letterlijk – ‘beter worden’.
De opvattingen hierover mogen voor de vrijeschoolleerkrachten nooit aanleiding zijn zich te bemoeien met de keuze van de ouders hoe zij met deze kinderziekten willen omgaan: laten ze die hun kinderen doormaken of beschermen zij deze door inenting.
Er zijn op vrijescholen ouders die – ook vanuit andere gezichtspunten – kritisch staan t.o.v. het ‘prikken’ en daarom is het percentage niet-gevaccineerde kinderen m.b.t. kinderziekten groter dan gemiddeld.
Dat wil niet zeggen dat ‘de vrijeschool’ tegen inenten is. Ook de antroposofie kan dit niet zomaar worden verweten. Dat gebeurt echter wel.
De zaken liggen wel wat gecompliceerder. 

Onderstaand artikel probeert een licht te werpen op het verschijnsel ‘kinderziekten.
.

Dr. O.Wolff, Weledaberichten nr 93, juni `1972
.

KINDERZIEKTEN — GEVAAR OF HULP BIJ DE ONTWIKKELING?

Ofschoon de verzamelnaam „kinderziekten” bij ieder een vast omlijnde voorstelling oproept, is deze in de medische wetenschap niet meer gebruikelijk. Wanneer men de bekende kinderziekten zoals mazelen, rode hond, roodvonk enz. wil samenvatten spreekt men tegenwoordig liever over acute infectieziekten, besmettelijke ziekten, virusinfecties enz. Hieruit blijkt, dat men tegenwoordig het wezen van een hele groep van ziekten niet duidelijk meer ziet, want niet iedere ziekte die in de kinderleeftijd optreedt, is een kinderziekte, evenmin als iedere infectieziekte of besmettelijke ziekte.

Het gevolg daarvan is, dat men tegenwoordig grote acties op touw zet om ziekten te bestrijden, bv. tegen de mazelen, die vroeger voor absoluut onschadelijk doorgingen. Inderdaad schijnen de gevaarlijke complicaties de laatste tijd te zijn toegenomen. Zijn deze ziekten dus toch niet zo onschuldig? Statistieken schijnen dit te bevestigen. Wanneer men echter dieper in de samenhang van de ziekte, het ontstaan, de betekenis ervan, doordringt, dan blijkt het gevaar ergens anders te zitten: het is een bekend feit, dat mazelen — evenals eigenlijk alle kinderziekten — met koorts gepaard gaan. Het is de tragiek van de medische wetenschap van onze tijd*, dat zij het begrip voor de betekenis van de koorts, d.w.z. van de van hoogste wijsheid vervulde warmteregulatie van het menselijke organisme, zo goed als verloren heeft.

Pas in de laatste jaren is uit experimentele onderzoekingen gebleken, dat virussen zich in een organisme des te sneller en intensiever vermeerderen, naarmate de temperatuur omlaag gedrukt wordt. M.a.w. de koorts is een van nature gegeven middel om met de binnengedrongen virussen klaar te komen. De verhoging van de temperatuur is een uiterst zinrijke maatregel van het organisme om op een bijzondere manier de binnendringende omgeving de baas te worden.** Een uitdrukking hiervan is de optredende „uitslag”, waarmee bijna alle kinderziekten gepaard gaan. Deze uitdrukking is zeer juist: het organisme zet iets uit het inwendige krachtdadig „eruit”, het slaat het a.h.w. eruit. Daarmee bevrijdt het zich van verschillende ziektesubstanties (of juister gezegd van bepaalde eiwittussenproducten). De uitslag is dus een bijzondere vorm van uitscheiding.

Overigens kende men reeds vroeger door middel van een intieme waarneming heel nauwkeurig de thans door middel van experimenten bevestigde en overzichtelijk gemaakte feiten. Wanneer nl. de uitslag er niet goed „uitkomt”, dan zei de volksmond: dat de mazelen „naar binnen” geslagen waren. Daarmee was de samenhang tussen onvoldoende uitscheiding en de optredende complicaties bedoeld, die als zodanig pas gevaarlijk worden. Dit kan dan aanleiding geven tot longontsteking of zelfs hersenvliesontsteking, met alle gevolgen van dien.

Wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, dat het tegenwoordig gewoonte is, bij de minste tekenen van ziekte „koorts-zetpillen” te geven, die niet alleen de koorts doen zakken, maar daarbij ook noodzakelijk het reactievermogen van het organisme een beetje lamleggen, dan ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat daardoor weliswaar onmiddellijk een verbetering wordt bereikt in die zin van zakken van de koorts, verdwijnen van pijn, rust, betere slaap enz., maar dat het ziekteproces verschoven wordt. Omdat de ziekte niet op onschuldige manier, nl. eigenlijk via de huid, kan verlopen, treden er ernstige verschijnselen voor in de plaats, en wel de complicaties.

De koorts is dus het middel, het wapen, waarmee het organisme de strijd tegen de ziekte voert; maar de te hoog oplopende koorts kan inderdaad ook schadelijk werken. Het eigenlijke ziekmakende en schadelijke is echter niet de koorts als zodanig, maar de ongezonde mate waarin deze optreedt, waarbij niet alleen te hoog schadelijk is, maar ook — zoals we zagen — de in verhouding tot de ziekte en de virussen onvoldoende temperatuurontwikkeling. Bij elke ziekte behoort een juiste mate aan temperatuur. Daaruit blijkt, dat een principieel onderdrukken van de koorts niet zinrijk is. Wel echter kunnen een begrenzen enerzijds en een bevorderen van de temperatuur anderzijds — beide — nodig zijn.

Het blijkt dus, dat inderdaad gevaren in het verloop van de ziekte kunnen optreden. Zijn dan zulke ziekten niet toch een ongeluk, dat men uit de wereld zou moeten helpen? Om op een dergelijke vraag een antwoord te vinden, mag men niet blijven staan bij voorbarige conclusies. Elke ziekte die met koorts gepaard gaat is voor de mens stellig een acute belasting, maar betekent toch, na het doorstaan ervan, een zekere verjonging. Tenslotte wordt daarbij een grote hoeveelheid van afgewerkte of verouderde substanties uitgescheiden en daardoor een hernieuwde levenwekkende impuls mogelijk gemaakt. Dat is dan ook de reden, dat de kinderen, na een goed doorstane ziekte, vaak helemaal veranderd zijn en wel in verschillend opzicht: op het lichamelijke gebied hebben ze geleerd, de binnendringende virussen de baas te worden. Er ontstaat dan niet alleen een vaak levenslange immuniteit tegen de betreffende ziekte, maar ook een verbeterde algemene afweer. Op het zielengebied betekenen deze ziekten steeds een crisis. Gedurende de in het lichamelijke verlopende ziekte verandert de ziel zich. Dit kan men vaak waarnemen, in zoverre het ziekteverloop niet onderdrukt wordt. Het kind is daarna „rijper”. Dit heeft tenslotte een positieve invloed op de geestelijke ontwikkeling. Geest, ziel en lichaam passen nu weer op harmonische wijze bij elkaar.

Kinderziekten zouden dus niet alleen vanuit het lichamelijke aspect beoordeeld moeten worden; daarmee loopt men langs het wezen van de zaak heen. Het zijn stellig crises en belastingen. Maar daaraan moet het opgroeiende kind zich oefenen en ontwikkelen, om er aan te kunnen rijpen. Tenslotte brengt iedere belasting, oefening, ontwikkeling gevaren met zich mee. Men denke slechts aan de sport, die vol gevaren zit, maar waar geen enkele opvoeder afstand van zou willen doen, omdat alleen in het overwinnen van en het de baas worden over het onbekende en over gevaren bepaalde vermogens ontwikkeld kunnen worden. De kinderziekten — vanzelfsprekend noodzakelijkerwijze verbonden met bepaalde, maar van nature gering te achten gevaren — zijn dergelijke fasen in de ontwikkeling van de totale persoonlijkheid wat betreft lichaam, ziel en geest.

*het artikel is uit 1971. Toen was in de medisch opvatting koorts een direct gevaar, ook voor kinderen. Dat bracht o.a. de opkomst van het ‘Sinasprilletje’ met zich mee. Inmiddels is deze opvatting min of meer weer losgelaten.

**In de coronatijd van 2020 tot heden blijkt dat het virus in de zomer – warmer! – minder actief is.

Zie ook ‘Opspattend grind

Mazelen (12-1)

vaccineren

*Waar het wél om gaat staat in dit artikel, met ook – door een antroposofisch arts – genuanceerde standpunten:        Over mazelen en andere uitdagingen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

2604

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (5-2)

.
Dr. O. Wolff, Weledaberichten nr. 91, dec. 1971
.

De mens tussen natuur en kunststof
.

Men noemt onze tijd wel de eeuw* van de kunststoffen. Wanneer men de gebruiksvoorwerpen van het dagelijkse leven beschouwt, dan is het niet te loochenen, dat die steeds meer uit plastic of een of ander synthetisch product vervaardigd worden De flessenhouder, de drinkbeker, de synthetische textiel, het kostuum, de vloerbedekking, de schuimrubber matras, overal is de mens  omgeven door kunststoffen. Vele hebben uitmuntende eigenschappen. zoals geen natuurproduct die heeft, bv. het schuimrubber. De vakman zal, wanneer van hem een oordeel over de kwaliteit gevraagd wordt — meestal beweren, dat de producten uit kunststof langer houdbaar en meer tegen een stootje bestand zijn, praktischer zijn — en bovendien nog goedkoper dan het overeenkomstige natuurproduct. Het is dus te begrijpen, dat de kunststoffen een ware zegetocht begonnen zijn.

Op het gebied van de farmacie is het hetzelfde. Een groot deel van de tegenwoordig gebruikte medicamenten is synthetisch vervaardigd. Daarbij gaat het zowel om stoffen, die door chemische omzettingen in het laboratorium gemaakt worden, maar die natuurlijk ook substantie nabootsen (bv. vitamine), als om stoffen, die verder in de natuur helemaal niet voorkomen. Deze kunnen vaak intensieve werkingen vertonen. Merkwaardigerwijze vertonen ze ook vaak de bijzondere kenmerken van kunststoffen. Ze zijn meestal langer houdbaar, praktischer en goedkoper dan natuurlijke stoffen.

Hetzelfde geldt voor de voeding: een halfsynthetisch product zoals gehard vet (in margarine) is veel langer houdbaar en zomede praktischer en goedkoper dan olie of boter.

Wanneer nu de synthetische producten op zo vele gebieden de voorrang behalen, hebben dan de natuurlijke producten nog wel enige kans en is hun bestaan nog gerechtvaardigd? Leeft men in romantische voorstellingen, wanneer men er nog aan hangt? Tenslotte is toch het betere de vijand van het goede en de mens heeft geleerd de natuur niet alleen na te bootsen, maar haar zelfs te verbeteren. De hier genoemde beoordeling, die meestal te berde wordt gebracht, omvat eigenlijk alleen maar economische gezichtspunten. Het is interessant te zien, hoe in de reclame bijna uitsluitend op deze kant de nadruk gelegd wordt. Dat klopt echter wel met de huidige manier van denken. Helaas wordt bij dergelijke overwegingen en argumenten iets vergeten — nl. de mens. Dat klinkt misschien paradox, maar het is toch zo. De verleidelijke eigenschappen, bv. van een weefsel, zeggen nog niets over de uitwerking die ze bij langdurig gebruik hebben. Zelfs wanneer een bepaald soort textiel, een synthetisch vet of een medicijn goed verdragen wordt, is dat nog niet voldoende voor een steekhoudend oordeel.

En zelfs wanneer — wat zo vaak optreedt — iets niet goed verdragen wordt, wordt daar maar nauwelijks op gelet. Zoals bekend nemen allergische verschijnselen, d.w.z. overgevoeligheid voor bepaalde stoffen, steeds meer toe. Het is vaak helemaal niet mogelijk, de stof die ze verwekt vast te stellen, omdat de reactie niet dadelijk hoeft op te treden en men ook niet onmiddellijk aan het meest voor de hand liggende denkt, bv. een wasmiddel, een of ander kledingstuk, of „behandelde” voedingsmiddelen, enz.

Ofschoon ook hier een probleem ligt, dat steeds omvangrijker wordt, dringt zich nog sterker de vraag aan ons op: hoe staat de mens tegenover de natuur en hoe tegenover de synthetische producten?

De mens is omgeven door drie rijken: de dierenwereld, de planten- en de minerale wereld. leder rijk heeft bepaalde eigenaardigheden. Het minerale rijk bv. is het rijk van de dood, het plantenrijk de wereld van het eenvoudige leven, terwijl in het dierenrijk bij het leven ook de ziel komt. De producten van deze rijken bevatten steeds de karakteristieke krachten daarvan. De plantenwereld brengt het leven op aarde, waarop mens en dier hun bestaan kunnen grondvesten. Een dierlijk product, hetzij huid, vlees of melk, draagt het kenmerk van de betreffende diersoort. Het minerale rijk is het prototype voor het afgestorvene, het dode. Daarom is sedert de oudheid het minerale skelet het beeld van de dood.

De processen in dit gebied zijn ook dienovereenkomstig. De plant leeft van het licht, de fotosynthese. De typische omzettingen zijn dan ook een uitdrukking van het leven en kunnen in het laboratorium niet nauwkeurig nagebootst worden. Op het gebied van het dode daarentegen heersen uitsluitend de wetten van de stofomzettingen, die als chemie en natuurkunde doorvorst zijn. Vele voorwaarden voor bepaalde reacties, zoals bv. sterke zuren, druk, hitte, enz. zijn volkomen anders dan in het gebied van het leven. Ze zijn zelfs rechtstreeks daaraan tegengesteld en er niet mee te verenigen. Bv. heeft een synthetische draad, die soms vele eigenschappen van wol heeft, toch een minerale structuur en is ontstaan uit de krachten van het rijk van het dode, terwijl de wol zelf uit een bezield levensproces afkomstig is. Deze herkomst is beslissend, ook al zou een synthetische substantie volledig chemisch identiek zijn met een natuurlijke. Het kan zelfs zijn, dat men helemaal geen verschil meer kan waarnemen, dat toch wezenlijk is.

Het feit dat een synthetische substantie eigenschappen en werkingen heeft zoals een natuurproduct, is niet afdoende voor een werkelijke beoordeling van de kwaliteit. Wij noemden reeds het feit, dat de afkomst beslissend is, nog afgezien van de verdere behandeling.

De natuurlijke substantie — bv. natuurlijke vitamine C — stamt uit de plant en is onmiddellijk afkomstig uit het levensproces. Ze wijst zelfs op een bepaalde werking van het licht in de plant. Wanneer men die nauwkeurig bestudeert, — wat in dit verband niet mogelijk is — dan vindt men, dat deze werking bij de mens door vitamine C wordt bereikt. Dit z.g. vitamine is dus de stoffelijke drager van een bepaald proces in de plant, dat de mens ook nodig heeft. Wanneer men daarbij niet van de stof, maar van het gebeuren, van de licht- en krachtverhoudingen in de plant uitgaat, dan ligt de gedachte voor de hand, dat deze werking ook andere stoffelijke dragers kan hebben. Dat is inderdaad het geval; bv. kent men de aanvullende werking van de P-factor in vitamine C. Maar ook alle andere vitamines hebben hun „afbakening” nodig waarin ze kunnen werken.
Bij een in hoge graad gezuiverde substantie heeft men nu alle „begeleidende stoffen” verwijderd. Inderdaad is ook juist vitamine C de voornaamste drager van de beschreven werking. Maar in een plantenextract bevinden zich oneindig veel substanties, zoals vruchtzuren, sporenelementen enz. die hunnerzijds, op zichzelf beschouwd, weliswaar zonder werking mogen zijn, maar die in samenhang met het totaal de lichtwerkzaamheid in hoge mate kunnen opnemen. Daarom kan men dezelfde, of zelfs een betere werking bereiken met een totaal extract, waarvan het gehalte aan vitamine C betrekkelijk geringer is dan bij een veel hogere dosis aan „zuivere” vitamine C.
Wanneer men echter een substantie zoals vitamine C synthetisch heeft vervaardigd, dan heeft men vanzelfsprekend een ander uitgangspunt. Aan het begin staan in dit geval wel organische substanties, die echter volgens chemische reacties — zoals deze stellig niet in de plant verlopen — veranderd worden. Zeker wordt ook daarin iets van de eigenaardigheid die in de plant heerst, vastgelegd in de voltooide substantie, maar het gaat daarbij om de nabootsing van het leven, d.w.z. van enige uitingen daarvan en niet om het leven zelf. Hoe kan echter zo’n dode stof dan toch werken? Dit moge het volgende voorbeeld enigszins verduidelijken: Een foto of een paar schriftregels van een mens kunnen op een andere mens een diepe, zelfs schokkende indruk maken, zoals de betreffende mens dat zelf kan. Toch is het zonder meer duidelijk, dat in het dode papier geen werkelijk leven is, zoals dat van de mens zelf uitgaat. Waar komt het dus op aan? Tenslotte toch om de onmiddellijke werking? Die kan zowel door de foto alsook door het synthetische preparaat bereikt worden. Maar wat drukt zich in die werking uit? Hierachter staan twee totaal verschillende principes: bij het natuurlijke preparaat: het leven, bij het synthetische: de krachten van de chemie, de minerale wereld.

Het is een feit, dat de mens de gave van het instinct in hoge mate verloren heeft, maar daarvoor in de plaats heeft hij het denken en de mogelijkheid, om samenhangen te doorzien. Het toenemen van de kunststoffen in de omgeving van de mens, in de voeding, de medicijnen enz. is niet alleen een vraag naar onmiddellijke schadelijke invloeden, maar ook een zaak van het doorzien van verreikende uitwerkingen. In een steeds meer toenemende „synthetische” wereld moet de mens noodgedwongen een vreemdeling zijn. Vooral tot kunstproducten die geconsumeerd worden kan de mens geen verhouding hebben. Weliswaar was de concrete relatie van planten en dieren tot de mens reeds in de oudheid bekend. Dit weten is in het analytische onderzoek verloren gegaan. De verbindende grondslag tussen mens, dier en plant, met name het leven, blijkt reeds uit de gemeenschappelijke weg van de evolutie. Dit ontbreekt nu juist bij de herkomst van alle synthetische preparaten. Zo kan het dus begrijpelijk zijn, dat bv. nooit misvormingen door het gebruik van dierlijke of plantaardige preparaten werden waargenomen, echter wel door substanties die niet in de natuur voorkomen; men zou ook kunnen zeggen: die niet door de natuur bedoeld waren.

De mens en de natuur staan dus in een diepe herkenbare relatie. Deze is bij een kunststofproductie niet aanwijsbaar.

Daarom behoeft men dit nog niet volledig af te wijzen, maar men moet er zich volkomen van bewust zijn, dat ondanks de nog zo gunstige werkingen en eigenschappen, de vraag naar het wezen van de substantie blijft bestaan. De basis voor het leven en de ontwikkeling van de mens vormen de drie rijken van de natuur, waarmee hij door de schepping verbonden is.

Vanzelfsprekend kan en moet de mens de mogelijkheid benutten om zelf scheppend productief te zijn. Daarom hebben vooral in de techniek de betreffende producten hun juiste plaats. De techniek is tenslotte het door de mens nieuw geschapen rijk. Hier valt haar eigenlijk vijandige houding tegenover het leven niet onmiddellijk op. Kunstproducten kunnen dus voor de mens wel uitstekende technische helpers zijn en zelfs in de mens intense werkingen en reacties opwekken, maar wanneer hij ze te sterk in zijn levensgebied betrekt, zullen ze op de lange duur vernietigend werken.

Voor onze tijd is de taak weggelegd om het leven opnieuw te leren kennen en dit in overeenstemming met zijn opgaven te ontwikkelen en vooral ook te beschermen.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden
.

2600

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen ( 7-2)

.
Dr. G. von Arnim, Weledaberichten dec. 1970* nr 88

 

HET KIND HEEFT ECHTE ZIELENKRACHTEN NODIG

Zo weinig mogelijk technische prikkels
.

Iedere lezer zal weten wat met de uitdrukking „een teveel aan prikkelende invloeden” bedoeld is.
Niet alleen ons uiterlijke leven is door het intreden van de technische beschaving veranderd, maar we zijn tegelijkertijd in de situatie gekomen, een grote massa „technische prikkels” in onze ziel te moeten verwerken en weten misschien helemaal niet altijd, hoe dat het beste kan gebeuren. Nog veel problematischer zijn deze dingen natuurlijk voor onze kinderen, vooral vóór de leerplichtige leeftijd. Wij kunnen hier o.a. opsommen: televisie, radio, lichtreclame, geïllustreerde bladen, technisch speelgoed, films, geluidsbanden, grammofoonplaten, waarop sprookjes verteld worden. [En daar kan voor deze tijd aan worden toegevoegd: de computer – inclusief de computerspellen, de laptop voor kinderen en de mobiele telefoon]
Hoe werkt deze technische wereld, die ons bij elke stap omgeeft en die voortdurend prikkels op de ziel uitoefent, eigenlijk op het kind? Hoe vertoont ze zich, gezien met de ogen van een kind? Wat doet de kinderziel met een overmaat aan technische geluiden, technisch licht, technische beelden?

Hoe verschillend een mondelinge vertelling en een technisch beeld (televisie) op kleine kinderen werken, blijkt duidelijk uit een experimenteel onderzoek, dat kort geleden* in een studiereeks van de Weense leerstoel voor pedagogische psychologie werd uitgegeven. (Lore Watzka, Kleinkind und Fernsehen, Wien 1968). De schrijfster heeft zich afgevraagd of het „televisiekijken, als een onpersoonlijk technisch communicatiemiddel voor het begrijpen van een prentenboekverhaal door het kleine kind…. hetzelfde teweeg kan brengen wat men bij een persoonlijke communicatie gewend is te verwachten.” Zij wilde dus vaststellen, of het kind een op de televisie uitgezonden verhaal beter begrijpt, d.w.z. of het zijn handelingen in moreel opzicht sterker daarnaar inricht, dan bij een persoonlijk verhaal, of dat misschien het tegendeel het geval is. Daartoe werd aan verschillende groepen kinderen dezelfde geschiedenis op een van de twee manieren aangeboden. De ene groep zag het verhaal op de televisie, de andere hoorde per geluidsband sprekende stemmen en akoestisch begeleidende geluiden, maar zag de beelden als foto’s. De derde groep hoorde alleen sprekende stemmen en akoestische begeleidende geluiden per geluidsband, zonder beelden te zien, weer anderen kregen alleen de stemmen via de geluidsband te horen. Daarentegen kreeg een vijfde groep het verhaal persoonlijk verteld, echter met behulp van een prentenboek en ten slotte kreeg de zesde groep het verhaal alleen persoonlijk verteld, zonder het prentenboek. Daarna deed men een poging om vast te stellen, wat de kinderen feitelijk van de inhoud van het verhaal begrepen hadden (reproductievermogen) en in hoeverre ze zich in hun innerlijke beleven met de verschillende personen uit het verhaal hadden geïdentificeerd (identificatie). Bij de laatste vraag gaat het er voornamelijk om, in hoeverre de kinderen impulsen voor hun eigen handelen uit de geschiedenis hadden geput.

Het resultaat van dit onderzoek formuleert de schrijfster als volgt: „Wanneer we de bovenbeschreven resultaten samenvatten, kunnen we zeggen dat het onderzoek naar het effect van het verhaal, zowel op grond van de reproductie, alsook op grond van de identificatie van de kinderen, uitwees, dat dit bij hen, die het verhaal door het persoonlijke vertellen hadden gehoord, belangrijk groter was dan bij de kinderen die de geschiedenis via de tv hadden opgenomen. Daarbij zag men, dat het feit van de persoonlijke overdracht van buitengewoon groot belang was, omdat — tegen mijn vermoedens in — ook de niet door beelden ondersteunde vertelling wezenlijk betere resultaten toonde; zelfs het persoonlijke verhaal, zonder plaatjes leverde een grotere reproductie en een grotere identificatie op dan de tv-vertoning.”

Omvorming in het eigen innerlijk

Wie de beschrijvingen van Dr. Steiner kent over de betekenis van de nabootsing van ouders of andere volwassenen uit de omgeving van het kind gedurende de eerste zevenjaarsperiode van de kinderlijke ontwikkeling, zal zich niet erg verwonderen over het hierboven beschrevene. Toch kan men aan dit belangrijke onderzoek interessante beschouwingen vastknopen. Men zou kunnen zeggen, dat het kind, wanneer het blootgesteld is aan de technische communicatie, klaarblijkelijk niet, of slechts onvoldoende in staat is, de omvorming van wat het gehoord of gezien heeft in het eigen innerlijk tot stand te brengen. We staan voor het feit, dat in dit opzicht dat, wat technisch meegedeeld is, eenvoudig niet de kracht bezit om door het kind op de juiste manier te worden „verteerd” en tot iets eigen te worden gemetamorfoseerd. Wanneer we de blik richten op de leeftijd vóór de tandenwisseling, dan is door de opvoeding zoals die op de vrijescholen gegeven wordt, duidelijk geworden, hoezeer alleen de nabootsing van wat van anderen mensen uitgaat, het kind zodanig kan bereiken, dat er werkelijk aan zijn innerlijke wezen gevormd en gewerkt wordt.

Wat gebeurt er nu echter met zo’n inhoud, die langs technische weg a.h.w. in de ziel van het kind valt? Moet deze niet als een soort vreemde ballast daarin blijven liggen? Al is de mens ook niet gewend in deze richting te denken, kan dit toch tamelijk letterlijk genomen worden. Voor het welzijn en voor de latere ontwikkeling, vooral van het jonge kind, is het ongetwijfeld van het allergrootste belang, dat niet zoveel van een dergelijke „ballast” in zijn ziel wordt gelegd. Deze blijft gedurende lange tijd onverteerbaar!

Het overladen van de kinderziel met stof, die door andere mensen, of in ieder geval op een levendige manier zou moeten worden gegeven, maar in plaats daarvan technisch gereproduceerd wordt toegediend, heeft waarschijnlijk alleen een beperkt nut op het ogenblik van de prikkelende werking zelf. Veel erger voor de toekomst van het kind is het feit, dat er een opeenhoping van mechanisch veroorzaakte zielenindrukken ontstaat, die de ontplooiing van de persoonlijkheid moeten storen. Dat vindt plaats omdat ze niet in staat zijn, een werkelijke zielenontwikkeling te wekken. Ze blijven in de ware zin van het woord „onverteerd” liggen.

Bij elke opvoeding gaat het er in hoofdzaak om, de vorming en ontwikkeling van de individuele wil van ieder kind te stimuleren. Dat is het gebied, dat ons het meest ter harte gaat. Aan de ervaringen, die aan de eigen wil worden opgedaan, moet zich langzamerhand het beleven van de eigen persoonlijkheid, van het eigen lot, van de biografie ontvonken. Dat een kind langzaam leert waarnemen „ik ben ik”, heeft daar zijn oorsprong. Ook het vermogen, het morele en het goede te beleven, gaat van dezelfde bron uit.

Het persoonlijk vertelde sprookje

Wat het kind als technische prikkel bereikt, terwijl het denkend nog niet in staat is, de technische oorsprong daarvan te doorzien, beschadigt de individuele ontwikkeling van de wil van het kind.
Het persoonlijk vertelde sprookje bijv. bewerkt vanuit de imaginatieve vormkracht, die ware sprookjes eigen is, maar ook door de onmiddellijke zielenoverdracht van degene die vertelt, in het kind de morele wilsontwikkeling op, terwijl dit voor het technisch overgebrachte beeld niet geldt.

Het zal zeker in deze tijd niet altijd mogelijk zijn, en het is waarschijnlijk ook niet juist, de kinderen onder alle omstandigheden te beletten, de hier bedoelde technische prikkels te ondergaan. Het is echter van het grootste belang, dat ouders en opvoeders zich rekenschap geven van deze kwestie en die doorzien. Men zal dan ook wel mogelijkheden vinden, zich direct en intensief met het kind bezit te houden, om de krachten te versterken, die wezenlijk dienstig zijn voor de ontwikkeling van de ziel. Waar het op aankomt is het inzicht, dat alles wat als technisch gereproduceerd beeld of als technisch weergegeven woord op het kind afkomt, niet zomaar langs hem afglijdt, maar in ieder geval sporen in zijn ziel achterlaat. Hoe vaker het kind dit alles moet opnemen, des te sterker werken deze dingen innerlijk opwindend, omdat ze vanwege het principiële verschil tussen wat technisch ontstaan is en de levende zielswerkelijkheid niet in staat zijn, wezenlijk in het proces van de wilsontwikkeling van het kind te werken. Ze bewaren veel meer het karakter van een voortdurende of steeds weer opduikende innerlijke prikkeling. Waarnaar het kind echter verlangt, is een versterking van de als kiem in hem rustende wilskrachten, die hem in latere jaren in staat zullen stellen, op de juiste manier zijn lot te dragen en te verwerken.

Rudolf Steiner over vertellen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Google

.

2584

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-7)

.
Het ‘schoolkind’, met de leeftijd tussen het 6/7 en 12/13 jaar kan soms met bepaalde klachten aangeven dat het niet lekker functioneert. Vaak zijn de klachten vaag, d.w.z. er is geen aantoonbaar fysieke reden, bv. geen bloedarmoede o.i.d. Meestal gaat het om ‘niet lekker’, zich uitend in hoofdpijn of buikpijn. (Dit laatste kan ook wel gewoon komen door een te strak elastiek in de (onder)broek. Wat kan daar de oorzaak van zijn? Kinderarts Holzapfel schrijft er het volgende over en ook al is het artikel zo’n 50 jaar oud, er staan nog uiterst actuele gezichtspunten in.
.

Dr.M.W.Holzapfel, Welede Bercihten nr. 85, 03-1970
.

HET LABIELE SCHOOLKIND
.

Versterking van het innerlijk en bescherming tegen de buitenwereld
.
Elke moeder* zal wel min of meer duidelijk ervaren hebben, dat met het naar school gaan een geheel nieuwe tijd voor haar kind aanbreekt. Misschien mengt zich in dit gevoel ook een lichte angst, omdat ze aanvoelt en weet dat ze op de vorming van dit deel van het leven veel minder invloed heeft dan op de voorgaande tijd. De uiterlijke levensomstandigheden veranderen voor het kind, maar tegelijkertijd verandert het kind zelf en wordt daardoor beïnvloedbaar voor wat er van buiten af op hem toekomt.

Het kleine kind leeft geborgen in de omhulling van de moeder. Het heeft die omhulling nodig en is — zonder deze — gedoemd, naar lichaam en ziel te verkommeren. Het schoolkind wordt niet meer gedragen door dergelijke krachten. Maar het kan toch nog niet geheel op eigen benen staan, zoals de volwassene. Het is een wezen in overgang, dat voortdurend heen en weer pendelt tussen een toestand, waarin het nog gedragen wordt door de omgeving en een andere, waarin het reeds de beginnende zelfstandigheid probeert te verwezenlijken. Deze overgangssituatie, die ook op het zielenleven van het kind invloed uitoefent, maakt het nu juist tot een wezen, dat zo bij uitstek geschikt is om te leren. Het kind is nog niet „klaar” en staat daardoor open voor invloeden vanuit de opvoeding. Maar het heeft daarbij een innerlijke oriëntering nodig, een houvast, dat het zichzelf nog niet kan geven. Dit houvast vindt het in de autoriteit van de opvoeder, die het kind, wanneer deze autoriteit innerlijk gefundeerd is, gaarne accepteert, omdat het die nodig heeft. Heeft bij het kleine kind meer een moederlijk element geleefd, dat bij het schoolkind steeds meer verdwijnt, zo vertoont het steun gevende, dat nu nodig wordt, meer een vaderlijk principe.

Het nieuwe, dat het kind in de school ontmoet, drukt zich niet alleen uit in het onderwijs en in de andere pedagogische maatregelen, maar ook in de velerlei invloeden, die bv. van de klas en schoolgemeenschap en van de afzonderlijke medeleerlingen uitgaan. De weg naar school betekent meestal een grote belasting door factoren van onze „beschaving”: inspanning en haast in het verkeer, lawaai, reclame, de verleidingen van de etalages en supermarkets enz. En in het huiswerk strekt zich de invloed van de school, tot in het ouderlijke huis toe, uit.

Dat alles moet verwerkt worden en daartoe is het schoolkind in zijn labiele toestand vaak niet in staat. Weliswaar lijkt het over het algemeen, alsof het uiterlijk met de op hem afkomende dingen klaarkomt, maar innerlijk is er veel, dat het kind niet helemaal kan verwerken. Dat geeft dan aanleiding tot die typische storingen in de gezondheid van het schoolkind, die samengevat worden onder de naam ziekten van het schoolkind.

Wat men onder ziekten van het schoolkind verstaat

De kinderen klagen over hoofd- en buikpijn, over misselijkheid, neiging tot overgeven, hartkloppingen, storingen in de ademhaling, duizeligheid, zwakte. Af en toe zijn er ook kort durende aanvallen van hoge koorts, die schijnbaar zonder reden optreden. Soms heeft het kind angsttoestanden of neiging tot flauwvallen. De moeder maakt zich zorgen over de bleekheid en in ’t algemeen het slecht uitzien van het kind, de kringen onder de ogen, het gebrek aan eetlust, de nervositeit, de vermoeidheid en de onrustige slaap. De leraar bericht, dat het kind snel vermoeid is en dat het vermogen tot concentratie achteruitgaat.

Deze klachten, waarvan er soms slechts een of enkele optreden, worden gekenmerkt door wisselend verloop en horen bij het algemene beeld van de leeftijd. Ze komen en gaan.

*Nu er ook gezinnen zijn waar niet alleen uitsluitende de moeder voor het kind zorgt in de context van dit artikel, kan er natuurlijk gelezen worden, wat van toepassing is.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2566

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin

.

Dr. H. Kaufmann, Weledaberichtennr. 85, 05-1970
.

DE VERZORGING VAN DE HUID IS ZO BELANGRIJK

Niet alleen voor de zuigeling

Elke levensfase van de mens heeft bepaalde hoogtepunten: het vermogen om te spelen, dat zich in de eerste zeven jaren ontwikkelt, het vermogen om te leren en te bewegen in de tweede fase, later andere. Men zou ditzelfde ook van afzonderlijke organen kunnen zeggen, bv. van de huid, het meest omvattende en grootste omhullende en beschermende orgaan van de mens. In de eerste jaren, vooral bij de zuigeling, bereikt de huid zijn hoogtepunt wat betreft de uiterlijke indruk: teerheid, gladheid en zachtheid zijn met niets te vergelijken en geven een indruk van de uitzonderlijke plaats van de mens tegenover de natuur.

Gedurende zijn hele levensloop draagt de mens jeugd- en ouderdomsprocessen in zich. In de jeugd heeft het opbloeien de overhand en wel het sterkst in de embryonale tijd; in de ouderdom meer de afbraak, de verharding. Onafgebroken vinden in elk orgaan, zowel in het bloed als in de beenderen, deze processen plaats, die bij de gezonde mens in elke leeftijdsfase op een bijzondere manier moeten optreden. Bij de twee uiterste fasen nl. die van de zuigeling en die van de grijsaard, zien we deze polariteiten zich in de huid weerspiegelen. Bij de zuigeling een zeer sterke opbouw, overvloed van leven: alles is rond en zacht; bij de grijsaard een zeer sterke afbraak, rimpels, gevormdheid, tot uitdroging toe. Tussen die beide extremen moet de huid op elke leeftijd het evenwicht scheppen, want reeds bij de zuigeling treedt een voortdurende afbraak van de huidsubstantie op, die echter door de overmatige opbouw a.h.w. wordt overvleugeld. Maar ook bij de grijsaard moet, ondanks alle gevormdheid en verhardende afbraak, steeds weer huidsubstantie gevormd worden, alleen valt dit – door de overmatige ouderdomsprocessen — niet meer zo op.

Zo beschouwd kan men inzien, hoe volwassenen, bv. de ouders, het opgroeiende kind verzorgen kunnen. We willen hier in het bijzonder aandacht schenken aan de huid. Bij de zuigeling en het kleine kind dienen we erop te letten, dat de opbouw niet eenzijdig begint te overheersen en het opgroeiende kind steeds weer een bij de mens behorende beschermende omhulling door middel van de huid krijgt. Toch moet die zo zijn, dat ze ook gevoelig en open tegenover de buitenwereld blijft.

Welke taken liggen hier voor de moeder, wanneer ze de huid van de zuigeling en de kleuter op de juiste manier wil verzorgen?

1. het opbouwende leven moet op een goede manier gestimuleerd worden, dus: opbouw

2. de omhullende, afsluitende functies moeten in stand gehouden worden, dus: vorming en afbraak

3. de zintuigelijke vermogens van de huid — tast- en temperatuurzin — moeten gewekt worden, dus: bewustzijn.

Wel is tegenwoordig een verzorging van de zuigeling met de vier hoofdmiddelen: olie, vet (crème), poeder en zeep vanzelfsprekend, maar aan een verstandige huidverzorging voor de kleuter en het jonge kind wordt weinig aandacht geschonken. Het algemene proces van de ontwikkeling, dat we in de aanvang beschreven, gaat echter in die jaren voort. Vooral van 7 tot 14 jaar spelen ritme en beweging een belangrijke rol. De wil doordringt de ledematen steeds meer: springen, lopen, huppelen, klimmen en gooien zijn een uitdrukking van deze ontwikkeling.

In de zomer breekt er dan een tijd aan, waarin men de meisjes en jongens bijna niet uit het water kan krijgen. Bibberend ziet men ze eruit klimmen, de lippen en het puntje van de neus blauwachtig verkleurd en met kippenvel over het hele lichaam: een teken dat het te veel van het goede was! Er heeft duidelijk een veel te sterke afkoeling plaatsgevonden. Dan is een goede huidolie [1] van uitgesproken hygiënisch belang. Deze wekt het warmte-organisme weer op en geeft de nodige beschermende laag.

Men hoeft niet teveel te letten op dergelijk te sterke afkoelingen, maar men zou  er ook niet achteloos aan voorbij moeten gaan. We hebben hier te maken met een storing in het warmte-organisme en dit is het nu juist, dat het mogelijk maakt dat de persoonlijkheidskrachten in de mens kunnen werken. Wanneer die storing door eenvoudige maatregelen weer in evenwicht gebracht kan worden, dan helpt men het kind in zijn ontwikkeling.

Het invetten met olie voor het baden is in dit verband zeer aan te bevelen, omdat men op die manier een beschermende laag aanbrengt tegen dergelijke afkoelingen. Het andere uiterste is de zonnebrand. In de zomer komt die zo vaak voor, dat men het helaas als onvermijdelijk beschouwt. De hierdoor veroorzaakte aantasting van de bovenste huidlagen, die op een verbranding lijken, slaat zonder twijfel terug op het innerlijke organisme, nog afgezien van het feit, dat de huid — door een te sterke zonbestraling — bij een dieper onderzoek duidelijke tekenen van verouderen vertoont. Zonnebrandcrème, maar ook huidoliën, onder toevoeging van de juiste bestanddelen, werken profylactisch. Wanneer er eenmaal verbranding door de zon is opgetreden, dan is een goede verzorging van de beschadigde huid [1] dringend aan te bevelen.

Over ’t algemeen is een massageolie voor het kind steeds een goede hulp om de huid bij het zich verder ontwikkelen te helpen. De overmatige levenskrachten, die een uitdrukking vinden in de gespannen, gladde toestand van de huid, treden later steeds meer op de achtergrond. De huid wordt nu duidelijk een uitdrukking van de persoonlijkheid. Dit subtiele proces kan alleen bevorderd worden door substanties, die aan de mens aangepast zijn. De gewone chemie voldoet hierbij niet aan de eisen. Hier begint een ,,anti-chemie” (Rudolf Steiner). Deze spreekt niet over geïsoleerde werkzame stoffen, die dus een „maximale zuiverheid” hebben, maar over vormkrachten. Deze werken niet analytisch, maar synthetisch in de meest omvattende betekenis. Iedere echte natuursubstantie is eigenlijk een „compositiegeheim”. Daarom kunnen de organische stoffen ook zo moeilijk analytisch onderzocht worden, omdat ze — wanneer ze met middelen uit de gewone chemie geanalyseerd worden — meestal „buitengewoon gecompliceerd samengesteld” blijken te zijn. Plantaardige oliën zijn substanties die ontstaan, wanneer het vegetatieproces met de vorming van vrucht en zaad ten einde loopt. Nu krijgt het zaad zijn warmte-omhulling en wordt omgeven met olie, die door de kosmos uit licht en warmte is gevormd. Het eigenlijke echte proces van de olievorming in de olijfboom, de sesamplant, de zonnebloem en het lijnzaad is meer een kosmisch dan een aards proces. Met deze krachten verbindt de mens zich, wanneer hij zich met dergelijke oliën inwrijft.

Een huidverzorging die aan de ontwikkeling van de mens aangepast is, omvat drie grondfactoren: de reeds genoemde olie, water en zeep. [2]

De olie is meer gericht naar de kosmische kwaliteiten van licht en warmte; het water is het element van het leven, dat ons met de aarde op de juiste wijze verbindt. De zeep is de bemiddelaar tussen beide, doordat deze vet of olie met het water in verbinding brengt.

Reeds herhaaldelijk werd in de Weleda Berichten erop gewezen, dat lichamelijke hygiëne en verzorging van het lichaam meer is dan alleen „iets fysieks”. Uiteindelijk moet het instrument, waarin de ziel zich in de aardse omstandigheden wil uiten, zo goed mogelijk afgestemd zijn op de impulsen van het Ik. In dit licht bezien hebben de substanties van de natuur en de daaruit ontwikkelde kosmetische preparaten nog een verder reikend aspect, dan alleen aangenaam te zijn. Substanties uit de natuur — op de juiste wijze verwerkt — zijn voor de mens steeds werkelijke helpers op de weg van de ontwikkeling.

[1] Huidverzorging      meer   meer
[2] Zeep

In de 7e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ ging Steiner uitgebreid in op het verschil jeugd-ouderdom.

Tastzin en huid: zintuigen onder nr. 2

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2560

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (4-7)

.
Hoewel dit artikel al weer zo’n 50 jaar geleden verscheen, is het m.i. niet achterhaald. De eetperikelen zoals beschreven, doen zich nog steeds voor.
De gezichtspunten die worden gegeven, kunnen nog altijd een hulp zijn, wanneer dergelijke problemen zich in een gezin voordoen
.

Dr.A.Fauth, kinderarts in Weledaberichten nr. 77, april 1968

.
MIJN KIND EET NIET
.

„Mijn Elsje eet niet, schrijft U alstublieft iets voor wat daarvoor helpt.”
Met deze woorden komt Mevr. B. met haar vierjarig dochtertje in de spreekkamer.
Esje is een slank, helemaal niet mager kind, met wakkere, levendige ogen. Ik hoor nog van de moeder dat ze enig kind is, dat met grote liefde en zorg door de ouders en de grootouders wordt opgevoed. Als baby had ze de voorgeschreven hoeveelheden aan flesjes, pap en groente met goede eetlust gegeten maar ze was nooit echt hongerig. Toen ze met twee jaar kon lopen en een erg levendig kind werd, meende Mevr. B. dat het kind meer eten moest hebben. Toen de kleine eerder minder dan meer wilde eten, werd langzaamaan een zachte dwang uitgeoefend.
Intussen is elke maaltijd een klein familiedrama geworden. Elsje stribbelt tegen als het gevulde bordje op tafel komt. „Ik heb geen honger!” Tussen de maaltijden krijgt ze, omdat ze altijd zo’n dorst heeft, rijkelijk melk te drinken en ze bedelt bij grootmoeder voortdurend om bonbons, zuurtjes, enz.

Dit voorbeeld van gebrek aan eetlust wordt daarom gekozen, omdat het zoveel voorkomt en niet alleen bijna dagelijks in de praktijk van de kinderarts opduikt, maar ook omdat het wel haast alle fouten laat zien, die bij kinderen met een dergelijke aanleg tot gebrek aan eetlust aanleiding kunnen geven.

Om te beginnen zal de arts het kind grondig onderzoeken. In dit geval echter hebben onze onderzoekingen uitgewezen: Elsje is organisch gezond. Nu staan we voor het moeilijke probleem, de moeder duidelijk te maken dat ter verbetering van dit gebrek aan eetlust niet een „goed” geneesmiddel nodig is, (ofschoon een preparaat dat bitterstoffen bevat, zoals bv. gentiaan en alsem de behandeling in het begin gunstig kan beïnvloeden), maar een volledig andere houding van de ouders. En wie laat zich dit graag zeggen?

Om te beginnen zou een enig kind dagelijks voor een paar uur in een groepje kinderen, bv. een kleuterklas, moeten worden opgenomen. Voorts zou het principieel tussen de maaltijden niets te eten moeten krijgen. Zoetigheden kan men in kleine hoeveelheden na de maaltijd geven; en in geen geval zou een kind melk moeten krijgen om zijn dorst te lessen. In ’t algemeen zou het gebruik van melk bij kinderen zonder eetlust sterk beperkt moeten worden, hoogstens ¼ L. per dag. Het beste kan men een tijd lang verse melk vermijden en in plaats daarvan kwark of iets dergelijks geven. 

Van groot belang is voor de ouders het inzicht, dat hun kleuter een geringere en geen grotere behoefte aan voeding heeft, vergeleken met de zuigelingentijd. Terwijl een zuigeling in de eerste vijf maanden zijn geboortegewicht verdubbelt en tot aan het eind van het eerste jaar verdrievoudigt, neemt de kleuter in het 2e jaar in totaal slechts 2 kg. in gewicht toe. Tot aan de leerplichtige leeftijd moet hij dan het gewicht van een eenjarige weer verdubbeld hebben. De gevaren voor overvoeding en vetzucht zijn tegenwoordig veel groter dan die van de ondervoeding. Dikke kinderen zijn veel vatbaarder voor infectieziekten en hebben bij ziekten veel minder weerstand dan de slanke, taaie kinderen.

Van zeer groot belang is, te vermijden dat elke maaltijd een soort strijdtoneel voor de uitoefening van macht wordt. Een kind dat met afschuw aan de scènes van de komende maaltijd denkt, zal bij het zien van het eten het laatste restje aan eetlust verliezen. Onze spijsverteringsklieren reageren nl. zeer nauwkeurig op prikkels van de ziel. Een vrolijke atmosfeer aan tafel, eten dat er prettig uitziet, kleurige bordjes enz. voor het kind, kleine porties, die het kind soms graag zelf neemt en geen notitie nemen van de hoeveelheid die gegeten wordt, dat zijn de beste voorwaarden voor een herstel van de eetlust. Een kind mag eten, het moet niet. Wat aan het eind van de maaltijd nog op het bord overblijft, dat wordt — zonder een woord — weggenomen. Er is een spreekwoord in de kring van kinderartsen: een kind verhongert niet, zolang er nog iets in de voorraadkast is. 

Nu zijn er kinderen, die helemaal niet dol zijn op zoete kost, maar veel meer op een smakelijke stamppot. Het is eenvoudig onverstandig, zulke kinderen dagelijks een zoete pap op te dringen, omdat het toch zo gezond is. Men kan zich zeker enigszins naar de smaak van de kinderen richten, bij de keuze van de spijzen. En men hoeft niet bang te zijn voor wat kruiden, waarbij echter wel gewone keukenkruiden de voorkeur verdienen boven kerrie en peper.

Er zijn echter ook kinderen, die alleen onder bepaalde omstandigheden geen eetlust hebben. In de vakantie, wanneer ze de hele dag zonder dwang in de buitenlucht kunnen spelen, zijn het meestal geweldige eters. Maar al na korte tijd, wanneer ze in de stoffige grote stadslucht, in kleine woningen, zonder voldoende mogelijkheid om buiten te zijn en uiteindelijk op school zelfs te sterk belast worden, komt het probleem van gebrek aan eetlust weer opduiken. Maar wanneer men deze samenhang ziet, gaat het erom naar mogelijkheden te zoeken om hieraan het hoofd te bieden. Schoolkinderen, waarvan wat veel gevergd wordt, zouden voor het eten een half uurtje moeten gaan liggen. Dat er ’s morgens voor het naar school gaan voldoende tijd voor een verzorgd ontbijt moet zijn, is al lang bekend. Maar niet alleen brood geven dat het schoolkind bijna niet naar binnen krijgt. Waarom niet eens wat muesli?

Elk kind reageert op zijn manier. Maar de moeder zou niet altijd naar lichamelijke storingen moeten zoeken — daarover kan tenslotte alleen een zorgvuldig onderzoek van de arts uitsluitsel geven — maar ook aan de vele psychische oorzaken, inclusief de eigen fouten in de opvoeding. Ook jaloezie op een nog niet geboren of jonger broertje of zusje, kleine schokkende ervaringen, moeilijkheden in het huwelijk van de ouders, overmatige eisen van eerzuchtige ouders of ongunstige toestanden op school kunnen — naast nog andere verschijnselen — aanleiding geven tot gebrek aan eetlust. Dat is dus nooit een ziekte, maar altijd alleen een begeleidend symptoom.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

2549

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfase 0 – 7 jaar (1-14)

.
Dr. G. Jensch, Weleda Berichten nr. 86, juni 1970
.

DE VOEDING VAN HET KLEINE KIND

De eerste levensjaren van het kind zijn van een niet te onderschatten betekenis voor de mens. Men weet, dat in deze tijd in vele opzichten de grondslagen gelegd worden voor het verdere leven.
Het kind slaapt veel, omdat geest en ziel nog geheel bezig zijn met het in bezit nemen van het eigen organisme. Dit moet gevormd worden tot een geschikt instrument voor deze individualiteit.

Alles wat van buiten af op het kind inwerkt, hetzij als voeding, omgeving, of door de zielenatmosfeer waarmee het omgeven wordt, werkt tot diep in het proces van de vorming van de orgaanfuncties. Deze grondslagen blijven dan voor het leven behouden. Een liefdevolle, opgewekte stemming in de omgeving van het kind is ideaal.

De moedermelk is voor de eerste drie tot zes maanden niet te overtreffen als voeding. Wanneer de moeder zich gezond voedt, bevat de melk inderdaad alles, wat het kind nodig heeft, maakt het krachtig en gezond en beschermt het tegen ziekten. Men zou het kind echter niet langer dan zes maanden moedermelk moeten geven. Het is voor de individualiteit anders later heel moeilijk, de erfelijkheidskrachten te overwinnen. Als kunstmatige voeding zou men zo mogelijk koemelk in zijn natuurlijke staat moeten geven, die — naar gelang van de leeftijd — verdund wordt met een afkooksel uit graan en suiker. Wat de kwaliteit van de melk betreft: het tegenwoordige melkvee is meestal t.b.c.-vrij. Een kort verwarmen tot 70° is voldoende. (Zo mogelijk niet koken, dat heeft de melkfabriek meestal gedaan). Ideaal is, wanneer men de melk onbehandeld van de boer krijgt, waarvan men weet, dat de koeien gezond zijn. Zulke melk hoeft slechts op drinktemperatuur gebracht te worden. Helaas moet men zeggen, dat de z.g. beste melk door een overmatige rationalisering, door z.g. krachtvoer en intensieve landbouwmethoden, wat de kwaliteit betreft vaak niet meer „de beste” is. Het minst aan te bevelen is gecondenseerde melk, omdat die sterk gedenatureerd is. Dan is poedermelk nog beter.

Ter verdunning gebruike men een afkooksel van graan, dat echter aan de volgende voorwaarden moet voldoen:

1. het moet vervaardigd zijn uit gezonde korrels, liefst van biologisch-dynamisch behandelde grond.
2. ook de buitenste vliezen van het graan moeten gebruikt worden, vanwege de biologisch zo belangrijke eiwitten en mineralen.
3. verschillende graansoorten ter voorkoming van eenzijdigheid.

De Demeter Kindervoeding voldoen b.v. aan deze eisen. Voor de eerste drie maanden is het beste:
tarweslijm voor de normale voeding
gersteslijm, wanneer het kind te dunne ontlasting heeft
haverslijm wanneer het kind neigt tot verstopping.

Vanaf de vierde maand wordt volkoren kindervoeding gegeven. Gewone suiker is problematisch; rietsuiker is de beste suiker. Honing zou goed zijn, maar het kleine kind kan er dikwijls niet tegen, omdat ze laxerend werkt. Indien nodig kan men daarom honing gebruiken om de stoelgang bij verstopping te regelen, door 1/4 tot 1 theelepel aan de fles toe te voegen. (Mout-extrakt werkt op dezelfde manier).

Bij het overmatig grote aanbod van kunstmatige melkproducten zou de moeder moeten bedenken, dat de voedingsstoffen al heel sterk „ontsloten” zijn. Ze zijn daarom licht verteerbaar en kunnen daarom bij een kind met
spijsverteringsstoornissen wel eens tijdelijk nodig zijn.

Gezond echt volkorenvoedsel voor kinderen komt overeen met bruin brood; de melkpoederpreparaten zijn te vergelijken met wittebrood.

Om de voeding op zinrijke manier te hanteren, is enerzijds een inzicht in het mensenwezen, anderzijds in de eigenaardigheden van de plant en de samenhang tussen plant en mens onontbeerlijk.

In het hoofd van de mens overheersen de zintuigen en het zenuwstelsel; met dit gebied hangen het denken en de waarneming samen.
In de borst werken het hart en de longen; de bloedsomloop en de ademhaling strekken zich van hier uit over het hele verdere organisme uit. Daarmee hangt ons hele menselijke gevoelsleven samen. leder gevoel verandert min of meer deze functies. In de buikholte hebben de stofwisselingsorganen hun centrum. Het moeilijkste is, in te zien dat met de functie van deze stofwisselingsorganen onze hele wilskracht samenhangt. Deze relatie is ons het minst bewust. Wanneer een stofwisselingorgaan niet goed functioneert, merkt men pas hoe moeilijk het is, zich tot een of andere bezigheid te dwingen. Tot dit gebied horen ook de voortplantingsorganen.

In het plantenrijk hebben we ook drie verschillende gebieden: de wortels, met hun vastmakende, houtachtige tendentie, het blad, dat de ademhaling en de waterhuishouding van de plant reguleert, het gebied van de bloesems, waarin zich de zaden vormen, is de plaats, waar zich ontzaggelijke stofwisselingsfuncties afspelen. Hier vormen zich de vruchten met het vruchtvlees, de eiwithoudende zaden, oliën, etherische oliën, tarwekorrels: een rijkdom aan stofwisselingsprocessen. Hier ontstaat ook de honing en veel specerijen stammen uit dit gebied.

Men ziet dat het gebied van de bloesems verwant is aan de menselijke stofwisseling in de buikholte; blad en stengel met dat, wat in het menselijke middengebied gecentraliseerd is en dat ten slotte de wortel te maken heeft met het tot verharding neigende hoofd van de mens. Voor de voeding betekent dit: wanneer men b.v. peentjes eet, dan werkt dit vooral op het hoofdgebied, bladgroente (b.v. spinazie) voedt het middengebied van de mens; voedsel uit het gebied van de bloesem, b.v. brood, rijst, gierst, oliën, kruiden, honing) werkt op de stofwisseling.

Het in acht nemen van deze samenhangen is voor het hele latere leven van de mens van het allergrootste belang. Wanneer een kind eenzijdig wordt gevoed, dan heeft zijn hele ontwikkeling daaronder te lijden, ook wat betreft de ontwikkeling van zijn ziel en zijn geest. Wanneer het kind te veel meelkost krijgt uit gezuiverde bloem, dan wordt de opbouwende kracht van de stofwisseling te sterk gestimuleerd: het kind wordt dik en traag. Krijgt het kind daarentegen teveel peentjes, dan zal het mager blijven en daardoor te wakker. Eenzijdig voedsel heeft een eenzijdige vorming van de organen en dienovereenkomstig een eenzijdigheid van de zielenkrachten ten gevolge. Beperkte smaak veroorzaakt later beperkt interesse. Men moet de keuze van de spijzen dus vergroten.

Een gezond kind weet echter meestal wat het nodig heeft en hoeveel. De moeder kan er een gevoel voor ontwikkelen, of het kind alleen maar grillig is of dat het om een of andere reden een tijdlang minder eetlust heeft. Dan moet zij het zijn gang laten gaan.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

VRIJESCHOOL – Ritme (3-24)

.

Dr.Georg Unger, Weledaberichten nr. 82. juli 1969
.

HET LEVENSRITME IN HET TECHNISCH TIJDPERK
.

Op elk niveau van het bestaan ziet de mens zichzelf in tegenstellingen geplaatst. Op het organische gebied moet hij een evenwicht zoeken tussen honger en oververzadiging, stofopname en -afscheiding, zintuigelijke overprikkeling en afstomping.
Te hoge en te lage bloeddruk, neigingen tot verkramping en gevaren voor verslapping van het organisme zijn alle even schadelijk.
In het zielenleven bestaat de tegenstelling tussen waken en slapen, tussen wild enthousiasme en diepste neerslachtigheid of tussen te veel bezigheid en traagheid. In de natuur die ons omgeeft bedreigen ons schel daglicht en diepe nachtelijke duisternis evenzeer als hitte in de zomer en koude in de winter. We leren hier uit de regelmatige wisseling van de tijden van de dag en het jaargetijde, dat de natuur de orde handhaaft door middel van de kunstgreep van het ritme.

Het zijn inderdaad ook in het menselijke organisme de veelvuldige ritmische processen, die de tegenstellingen overkoepelen en die leiden naar een harmonisch evenwicht. In het spanningsveld van de polariteiten wordt het ritme zo tot een oerelement, dat grondslag geeft aan het leven en dit verder voert. Dit valt af te lezen aan het ritme van de ademhaling en de hartslag. Er bestaat geen systeem van organen in ons lichaam, dat niet op ritme is ingesteld. We denken hier b.v. aan de peristaltische beweging van de maag, de darmen, de urineleider, de uiterst subtiele ritmiek van de trilharen op de epitheelcellen van de slijmvliezen van de bronchiën en de alfa- en bèta-golven van de hersenen, die in de door het elektrische veld geworpen schaduwen waarneembaar zijn.

Van het hoofd tot aan de voeten zijn we ervan doortrokken en doortrild en door het nog daarbovenuitgaande ritme van waken en slapen verbonden met de ritmen van de kosmische moederschoot.

Verbinding met de kosmische ritmen

De warmbloedige dieren die een winterslaap houden, de kikker onder de koudbloedigen, de vlinders, of kevers uit de wereld van de insecten en de zeedieren, die zo gevoelig zijn voor maaninvloeden, maken ons duidelijk, dat het leven van de aarde des te meer met de ritmen van de kosmos verbonden en ervan afhankelijk is, naarmate het peil van hun organisatie lager is. In dat verband vertonen de fasen van het plantaardige leven, die absoluut de gang van de jaargetijden volgen, de grootste afhankelijkheid. Hoe hoger echter de organisatie als basis van het bewuste zielenleven staat, des te meer krijgen wezens het vermogen, de processen en ritmen van de omgevende wereld in zich te integreren en zich op deze manier ervan los te maken. Dit proces van zelfstandig wording bereikt in de mens, als het meest bewuste wezen van de schepping, zijn hoogtepunt. We kunnen naar willekeur van de nacht een dag maken en het dagverloop, met een verduistering van het bewustzijn door een middagdutje, onderbreken. Zelfs met elke zin die wij spreken, grijpen we veranderend of storend in het grondritme van ons leven in, n.l. in het ritme van de ademhaling. Doordat we de ritmische ordening en gestalte, alsmede de beweeglijkheid van de wervels en ribben, die een uitdrukking zijn van de circulatie en de ademhaling, in ons hoofd overwinnen, de botten verharden en tot schedeldak laten uitkristalliseren, veroveren we ons in het centrale zenuwstelsel een orgaan, dat ons bewust uit de grote samenhang losmaakt. In de hersenen, waarin na de geboorte geen zenuwcel meer tot vermenigvuldiging in staat is, wordt zelfs de oerfunctie van al het organische leven, de celdeling, tenietgedaan. Hier bereikt de oppositie tegen de natuur buiten ons en tegen de natuurprocessen in onszelf in de bewustzijnsfuncties van de denkende mens zijn hoogtepunt. Deze stelt zich als een van zichzelf bewust „subject” tegenover de „objecten” en doordringt deze vanuit het begrip.

Dit proces leidt ten slotte tot de moderne natuurwetenschap, die het ons mogelijk maakt, in de praktische toepassing via de techniek, bijna alle natuurkrachten te beheersen en ze in dienst te stellen van de menselijke behoeften. De zegetocht via de toorts, de kaars, oliepit en petroleumlamp naar het gloeikousje, de gloeilamp en de neonbuis is slechts een uitdrukking van dit proces van zelfstandigcwording, waarmee we ook uiterlijk de nacht tot dag maken. Dit is in een dergelijke vorm voor geen dier mogelijk. Zo maken we ons met centrale verwarming, ijskast en airconditioning van het ritme van de jaargetijden los, maken van de winter een zomer en omgekeerd. De astronaut in de ruimtecapsule, die rond de aarde jaagt, ziet de zon in 24 uur veertien keer op- en ondergaan. Daarmee zetten we echter alleen op technisch gebied voort, wat de natuur begon bij de schepping van het bewuste warmbloedige wezen. We dwingen daarbij de levend-ademende ritmen van de natuur in het raderwerk van de machines en laten deze in de starre regelmaat van de motoren sterven. Maar deze volgen absoluut onze willekeur. In tegenstelling tot de kosmisch onveranderlijke zon-, maan- en sterrenritmen, kunnen wij het verloop ervan te allen tijde versnellen of vertragen, laten beginnen of abrupt onderbreken. De innerlijke vrijheidsruimte van de mens spiegelt zich op deze wijze steeds meer in de volkomen beheersing van de natuur en het bedwingen daarvan onder zijn wil.

Nervositeit als tijdsziekte

Hoe noodzakelijk dit proces van de losmaking van de mens op zijn weg naar de rang van een zelfbewuste individualiteit ook is, toch dreigt dit steeds meer aanleiding te geven tot een ziekmakend op de spits drijven, dat vernietigend op het leven kan werken. We kunnen het gevaar waarin de mens tot in zijn fysieke constitutie toe verkeert, aflezen aan het leven in de grote steden, dat volkomen van de natuur vervreemd is, aan de overprikkeling door de volledig chaotische zintuigelijke indrukken, die onverteerbaar zijn voor de ziel. Achter net stuur van een auto, aan de lopende band of aan de schrijfmachine, steeds weer is de mens, die vroeger in ritmisch verlopend werk, b.v. van het zaaien of maaien, met de natuur verbonden was, blootgesteld aan de dwang van mechanisch aflopende processen, die vernietigend op de ziel werken. Het instrumentenbord veroordeelt degene die erop moet letten, tot relatieve passiviteit. Op die manier verlaten we steeds meer de ritmen van de natuur die ons dragen en vallen we ten prooi aan het gejacht en gehaast van een vertechniseerde omgeving, waarin geen ritme heerst. De nervositeit als tijds-ziekte en voorstadium van veel ernstiger organische ziekten die daaruit kunnen voortvloeien en die ontstaan uit zulke en nog ontelbare andere processen, uit zich daarom ook vooral in storingen van het ritme. Daaronder neemt als een epidemie de steeds toenemende slapeloosheid, als storing van het dag- en nachtritme, de eerste plaats in. Daarop volgen de nerveuse circulatiestoringen en de „vegetatieve dystonieën en disregulaties” in alle organen, die in het fijne ritmische spanningsveld van de hyper- en hypotonus, b.v. van een galblaas-, maagportier- en bronchiaalspierfunctie de harmonie van het „concert der organen” in stand willen houden en zo dienst doen bij een juist samenwerken van lichaam en ziel.

In deze dreigende situatie, die ten nauwste samenhangt met het grondprobleem van de verhouding mens/techniek, zouden we in ware zelfbezinning de gevaren en de grenzen van de nieuw verworven vrijheidsruimte moeten aftasten en bepalen, voordat er ernstige persoonlijke terugslagen of problemen voor de gehele mensheid uit ontstaan. De natuur geeft zelf dergelijke grenzen aan. We kunnen weliswaar zelf het ritme van onze ademhaling remmen of regelen, maar niet het ritme van het hart. We kunnen ons wel onttrekken aan het waak-slaapritme, maar zijn niet in staat, de „inwendige klok” te verzetten, die bijna alle wezenlijke orgaanfuncties in het ritme van 24 uur bestuurt. Onze warmte- en galproductie wordt b.v. om 3 uur ’s nachts omgeschakeld op de z.g. ergotrope fase, die ons waakbewustzijn bij de dagelijkse bezigheden ten goede komt, terwijl reeds om 15 uur de tegenfase langzaam inzet.
„Moeder Aarde” zelf houdt ons met haar dagelijkse ademritme, waarmee ze alle geofysikale en organische processen doordringt, aan haar leven schenkende boezem vast. Wanneer we met een straaljager in vliegende vaart naar een ander continent gebracht worden, voelen we ons pas weer goed, wanneer de innerlijke klok zich na een paar dagen heeft ingesteld op de daar geldende plaatselijke tijd. De arbeidspsychologie stelt vast, dat lang volgehouden nachtelijk werk in elk geval schadelijke invloed op het menselijke organisme moet hebben, omdat er geen gewenning intreedt aan het tegennatuurlijke ritme van de nachtploegen. Ook op het gebied van ziel en geest gelden dergelijke wetmatigheden. Een loslaten van ritmen, overbelasting en onafgebroken inspanning kunnen misschien bij een vitale constitutie lange tijd worden uitgehouden — op den duur volgt stellig de zenuwinstorting of een aantasting van de verdere gezondheid en meestal een hartinfarct.

Het is daarom voor ieder die inzicht heeft, duidelijk, dat de volgende fase van de ontwikkeling van de mensheid slechts hierin kan bestaan dat de mens die door zijn vertechniseerde omgeving in zijn ritmische gebied gestoord is, in een verband van hoger orde gebracht wordt. Weliswaar moet deze samenhang zelf eerst weer gevonden of geschapen worden. Dit vereist onder meer een bewuste en gezonde omgang met de tijd en een inzicht en verzorging van de aan het geheim van het ritme verbonden kwaliteiten, die b.v. ook de biografie van iedere mens bepalen.

De van nature gegeven nachtelijke slaappauze, die ontspanning en regeneratie tot stand brengt, is een leerzaam voorbeeld. In de tegenstelling van de werk- en zondagen van het wekelijkse ritme, die vanuit een wijs inzicht aan het organisme van de mensheid als sociaal hygiënisch element werd toegevoegd, is het motief van in- en ontspanning reeds aanwezig. De tijd van rust, van niet-gebonden-zijn en van een zich richten op religieuze waarden als bronnen van de geestelijke opbouw, staan op deze wijze tegenover de plichten en eisen van het uitputtende dagelijkse leven en scheppen een zeker evenwicht. We zouden daarom ook bewuster over een zinvolle vulling en vorm van de wekelijkse vrije tijd moeten nadenken en in geen geval het weekend moeten misbruiken voor nieuwe „topprestaties”, die we ook weer te danken hebben aan de techniek in de vorm van auto’s enz. Het zich intens bezighouden met een landschap of het verzorgen van de planten in de voortuin daarentegen, verbinden ons met de opbouwende levensritmen van de natuur. Iedere geregelde, actieve echt kunstzinnige bezigheid, al is die nog zo bescheiden (blokfluit, kleurpotloden enz.) geeft ons niet alleen een gevoel van ontspanning van de ziel en wekt niet alleen verborgen, braakliggende gebieden van ons leven, maar werkt harmoniserend en versterkend op ons ritmische systeem. Want in ons organisme zelf zijn kunstzinnig scheppende natuurkrachten onbewust werkzaam in de vorming en functies van de organen. Ze wachten a.h.w. op een weerklank vanuit de ziel, waardoor ze meestal — als gevolg van onze onrust en onverstand — alleen maar gestoord worden. Daarom is het in onze tijd ook zo dringend nodig, de dag ritmisch te laten verlopen en zelfs gekozen pauzen in te voegen, waarin bewust ontspanning of een bepaalde inspanning die in een heel andere richting gaat, wordt nagestreefd. De gebruikelijke pauze voor een sigaret of om te schaften, is alleen maar een begin. Het geregeld begieten van de planten, het oplettend beleven van een zintuiglijke indruk (leren kijken en luisteren), het bewuste wegleggen van een voorwerp ’s avonds om het ’s morgens weer tevoorschijn te halen, of de terugblik ’s avonds op het verloop van de dag, zijn zulke oefeningen voor een hygiëne van de ziel. Die kunnen tot ogenblikken van beschouwelijkheid in meditatieve zin opgevoerd worden door het innerlijk rusten op de inhoud van een gedicht of van een spreuk, vooral wanneer men heeft verleerd om te bidden.

Het vinden van innerlijke rust

„De gestadige druppel holt de steen uit”. Het gaat hierbij minder om de poging op zichzelf, dan wel om de regelmatige herhaling, het systematische oefenen. Ritme vervangt kracht! Het proces van het verzorgde ritme zou een nieuwe, genezende gewoonte moeten worden, die onze constitutie als een ademhaling doortrekt. Het komt erop aan, in de tegenstelling tussen kinderlijke gebondenheid aan de natuur en de absolute ongebondenheid van een intellect, dat van de geest verlaten is, de gulden middenweg van een hoger levensritme te vinden. Dat ritme zal een gezondmakende invloed hebben. Onze innerlijke rust, ons levensvertrouwen en ten slotte de handhaving van onze menselijke waardigheid hangen – meer dan men zou denken — van dergelijke pogingen af.

.

Ritmealle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Met vreugde in het nu aanwezig zijn

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2530

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen – media (19-12/1)

.

Freek Zwanenburg, Antroposofisch Magazine nr. 5 2017
.

MEDIAWIJSHEID

Ik bezoek regelmatig vrije basisscholen voor lezingen en brainstormsessies over mediawijsheid. Hier signaleer ik een groeiend gevoel van urgentie en verantwoordelijkheid om een krachtige, holistische visie en beleid ten aanzien van iot en media te ontwikkelen. Leraren en ouders denken samen na over vragen als: Welke houding ten opzichte van media willen wij overbrengen? Welke relevante digitale vaardigheden willen wij aan kinderen meegeven? En hoe kunnen wij iet en media op kunstzinnige en morele wijze integreren in hetvrijeschoolonderwijs?

Vanuit de antroposofie bezien vormen technologie en media een grote uitdaging voor de moderne mens. Er zijn fantastische mogelijkheden, maar op verkeerde wijze ingezet kan het gebruik ervan tot fysieke problemen, verslaving, verlies van vitaliteit, eenzaamheid en materialisme leiden. Tot een verstarring van het denken, voelen en willen. Voor een gezonde ontwikkeling zou een kind juist bezig moeten zijn met kunst, met de natuur, met levendige verhalen en daadwerkelijke contacten.

Moeten we daarom bang zijn voor iets, het enkel als slecht zien? Nee. Het is juist ook de antroposofie die oproept om met een heldere geest en gebalanceerd gevoelsleven naar deze hedendaagse uitdagingen te kijken. Sluit je niet af van het moderne bestaan vanwege de mogelijk schadelijke elementen ervan, zei Steiner. We leven niet voor niks in deze tijd, juist de moderne uitdagingen bieden ons de mogelijkheid om als mensheid verder te groeien.

Dit is ook voor vrijescholen een belangrijke inspiratie. Kijk zo genuanceerd en objectief mogelijk naar de mogelijkheden en beperkingen van moderne technologie en media en baseer daarop je pedagogische en didactische keuzes. Focus niet te veel op de negatieve effecten, maar kijk ook naar de mogelijke meerwaarde. Zo kunnen vrijescholen kinderen ‘mediawijsheid’ meegeven: ‘het vermogen om digitale media in te zetten als gereedschap voor persoonlijke ontwikkeling en eigen welzijn, en dat van anderen’ Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Een sporadische inzet van het digibord ter verrijking van de les. Reken- of taalsoftware om naar niveau te kunnen differentiëren. Filmopnames maken en die integreren in het eindtoneelstuk. Een klassengesprek over hoe met elkaar om te gaan op WhatsApp. Media creatief en sociaal leren inzetten, gezond en kritisch. Dat is de potentie van mediawijsheid op de vrijeschool.

Onze kinderen groeien op in een complexe wereld waarin het dagelijkse leven meer en meer bepaald wordt door technologie en digitale media. Nu zijn het vooral smartphones en tablets met internet, maar over tien jaar zijn dat waarschijnlijk robots, ingebouwde chips, nano-technologie en immense virtuele en ‘augmented’ werkelijkheden. Het ontwikkelen van een gezonde en bewuste omgang met deze digitale gereedschappen is misschien wel een van onze meest urgente opvoedtaken in deze tijd. Hoe leren wij kinderen om niet slaaf, maar baas te worden van de moderne technologie?

Freek Zwanenberg werkt bij Bureau Jeugd & Media en is gespecialiseerd in de mediapedagogiek in het vrijeschoolonderwijs. Hij geeft medialessen op scholen, verzorgt lezingen op ouderavonden en is samen met Justine Pardoen auteur van het Handboek Mediawijsheid (hier in PDF te lezen).

.

Voor meer over media: opvoedingsvragen onder nr. 19-12

.

2411

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsproblemen (5-2)

.
Annelon Geluk, Motief 196, okt. 2015*

 

adhd

Ook gevoel en wil vragen aandacht

CONCENTRATIEPROBLEMEN

Een groeiend aantal kinderen is snel afgeleid en heeft moeite om de aandacht vast te houden. Bij veel van hen wordt tegenwoordig de diagnose AD(H)D vastgesteld. Vanuit een antroposofische visie heeft het ‘ik’ dan onvoldoende grip, waardoor er te weinig sturing, zelfbewustzijn en zelfcontrole is. De informatiemaatschappij van vandaag en de eenzijdige nadruk op cognitie in het onderwijs, maakt volgens Annelon Geluk dat het denken, voelen en willen uit balans raakt.

Bij kindertherapeuten en -coaches komen veel hulpvragen binnen op het gebied van het denken. Dit ligt volgens mij mede aan onze snelle informatiemaatschappij, waarin we heel regelmatig voor een kort moment uit onze aandacht worden getrokken. Hierna duurt het een paar minuten voor je weer op je hoogste niveau van concentratie bent. Op deze manier duurt het veel langer voor je een taak af hebt.

En in het onderwijs heerst een grote waardering voor de cognitie. Het liefst ziet de minister kleuters al Cito-toetsen maken. Dit is een benadering die niet goed past bij de ontwikkeling van kinderen. Een kleuter speelt en bootst de wereld om zich heen na in het vrije spel. Pas na de kleuterklas is een kind toe aan het leren en al het denkwerk wat hierbij hoort. Ook is niet ieder kind in staat de strakke leerlijn te volgen in bijvoorbeeld rekenen of schrijven. Het huidige onderwijs vraagt veel van de denkkracht van een kind. Naast deze denkkracht heeft een kind ook het gevoel en de wil die aandacht vragen.

Rust en regelmaat

Het komt in het reguliere veld veel voor dat behandeling van AD(H)D enkel mogelijk is als er medicatie wordt gebruikt. Ritalin wordt het meest voorgeschreven, een medicijn met methylfenidaat, met als doel dat een kind meer rust krijgt. Bij de cognitieve gedragstherapie leert het kind om het gedrag te veranderen.

De aanpak die volgens mij goed helpt, is het bieden van rust en regelmaat. Jij moet de sturing geven die een kind niet aan zichzelf kan geven. Het helpt dus om ritme en regelmaat in te bouwen in het dagelijks leven. Daarnaast is de rust heel belangrijk, omdat dit kinderen laat ontspannen en tot zichzelf komen. Vanuit de ontspanning is het weer mogelijk om goed de aandacht te richten.

Therapie

Sommige kinderen komen terecht bij een kindertherapeut of kindercoach. Zij helpen kinderen met diverse hulpvragen. Antroposofische therapieën zijn erop gericht om kinderen weer in balans te brengen. Bij de lichaamsgerichte therapieën, zoals uitwendige therapie, bakeren en ritmische massages, kan een kind zijn grens beter beleven en beter bij zichzelf blijven. Onze huid is de fysieke uitdrukking van deze grens. Euritmie helpt ook bij het vinden van de balans tussen binnen en buiten.

Met behulp van de antroposofie worden muziektherapie, spelbegeleiding, verhalentherapie en kunstzinnige therapie toegepast. Bij kunstzinnige therapie kan een kind door middel van tekenoefeningen leren om controle te krijgen over het bewegen. Antroposofische en homeopathische geneesmiddelen ondersteunen kinderen in hun ontwikkeling. Het kan een kind helpen om zijn evenwicht te vinden.

In de beeldende kunstzinnige therapie kunnen kinderen innerlijk in beweging komen. In de kunstzinnige therapie schilder ik volgens de nat-in-nat techniek met kinderen om het gevoel aan te spreken. Boetseren en speksteen bewerken doe ik om de wil en de vormkracht aan te spreken. Het werkt heel ontspannend om met je handen bezig te zijn. Door het aanspreken van de tastzin kan een kind zich ontspannen. Dit kan op vele manieren, zoals spelen met zand, boetseren en deeg kneden. Een kind wordt zich bewust van de grens van zijn huid. Kinderen met concentratieproblemen kunnen hierdoor tot rust en tot zichzelf komen.

Hulpmiddelen en oefeningen

Bij kinderen met concentratieproblemen is de afwisseling tussen inspanning en ontspanning iets wat je als leerkracht steeds in gedachten kunt houden. Als kinderen ingespannen hebben gewerkt, dan moeten ze zich daarna even ontspannen door te bewegen. Dit hoeft maar een paar minuten te duren en kan van alles zijn, bijvoorbeeld een klapspelletje of stampoefening. Kinderen met concentratieproblemen hebben vaak moeite om stil te blijven zitten. Er zijn speciale wiebelkussens waarbij een slechte zithouding wordt gecorrigeerd, zodat rugklachten worden voorkomen. En ook tijd kan voor kinderen heel abstract zijn. Een digitale klok is abstracter dan een analoge klok, omdat kinderen de tijd plotseling zien veranderen in plaats van de secondewijzer gelijkmatig langs de cijferplaat zien lopen. Een zandloper is concreet wat betreft het aangeven van een hoeveelheid tijd. Als een taak binnen een bepaalde tijd gedaan moet worden, dan kun je een kind de zandloper om laten draaien. Met de zandloper heeft een kind goed zicht op hoeveel tijd er is voor een taak.

Een prikkelarme ruimte zorgt ervoor dat een kind minder snel wordt afgeleid. Speelgoed in afgesloten bakken bewaren, een lichte tint verf op de muur en weinig decoratie helpt om een rustige omgeving te creëren. Structuur kun je op vele manieren bieden, bijvoorbeeld door een duidelijke dagindeling met vaste gewoontes. Structuurkaarten helpen om de dag overzichtelijk te maken. Maak samen met de kinderen een aantal kaarten waarop activiteiten afgebeeld zijn die regelmatig plaatsvinden, als opstaan, eten, school, thuis. Met de kinderen kun je de inhoud van de dag bespreken en de kaarten in de juiste volgorde leggen. Gebruik er niet teveel, want dan wordt het onoverzichtelijk. Kinderen weten wat ze kunnen verwachten van de dag en voelen houvast door de structuur die de kaarten bieden. Ontspanningsoefeningen, zoals ademhalingsoefeningen, brengen kinderen meer tot zichzelf. Door de rust die een oefening teweeg brengt, kunnen kinderen vanuit deze innerlijke rust waarnemen. Oefeningen die de tastzin aanspreken zijn gericht op het ervaren van de grens en het verschil tussen binnen en buiten. Bij het spelen met klei, bijenwas of schelpenzand ervaart een kind de grens van zijn huid en dit kan heel rustgevend werken. Vormtekenen helpt bij het sturen van de beweging en versterkt het concentratievermogen.

Bewegend leren 

Een kind heeft van nature een bewegingsbehoefte die in het onderwijs vaak te weinig aandacht krijgt. Ik zie dat op de vrijescholen hier steeds meer aandacht voor komt. [1] Op diverse scholen vinden experimenten plaats met bewegend leren. Hierbij is er een combinatie tussen bewegen en leren, om kinderen de stof eigen te maken op een manier die bij de ontwikkeling aansluit. Het doel is om te leren, en bewegen is hierbij een hulpmiddel. Dat zou nog eens de nieuwe manier van lesgeven kunnen worden waarmee een hoop concentratieproblemen voorkomen worden! 

Annelon Geluk is kunstzinnig therapeute (beeldend) en heeft een eigen praktijk in Den Haag: Kunst & Geluk. Ze heeft haar opleiding genoten aan Hogeschool Leiden, Kunstzinnige Therapie Beeldend. 
*(Deze informatie is misschien niet actueel meer)

[1] Opmerking Pieter HA Witvliet:
Als de waarneming van mevrouw Geluk juist is, zou dit betekenen dat de vrijescholen NU pas het belang van ‘beweging’ zouden gaan inzien. En dat zou betekenen dat er dus al geruime tijd te weinig beweging in dit onderwijs zou zijn, terwijl het belang van (kunstzinnige) beweging  altijd een pijler van de vrijeschooldidactiek is geweest. Een nieuwe tendens is wel ‘de beweeglijke klas‘.

.

Opvoedingsvragen: alle artikelen 

Zintuigen: waaronder de tastzin: alle artikelen

 

2402

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (2-2)

Hester Anschütz, Weleda Puur Kind, lente 2006 nr. 17

ZO KLEIN EN DAN AL OPVOEDEN?

Kinderen zijn van nature enthousiast, ze willen alles onderzoeken, van alles doen en het liefst nu meteen. Kinderen zijn met recht grenzeloos in hun wens de wereld om hen heen te verkennen: eerst met hun huid en dan met hoofd, hart en handjes.

Het is aan de ouders dit ‘onstuimige’ gedrag in juiste banen te leiden.

Dat heet opvoeden. Een basiselement hiervan is het stellen van grenzen en volgens pedagogen kun je daar het beste zo vroeg mogelijk mee beginnen. Een handvol tips.

Opvoedkundige theorieën veranderen met de tijd. Was het tot voor kort mode om vooral toe te geven aan de wensen en grillen van de kleine, nu lijkt het besef door te dringen dat ‘ja’ zeggen om van het gezeur af te zijn, niet zo’n goed idee is. Misschien geeft het op de korte termijn rust, maar een goede kans dat je op de lange termijn met kinderen zit die niet luisteren en doen waar ze zin in hebben. Vanaf dat moment ben je als ouder veroordeeld tot het spelen van politieman om nog enigszins iets gedaan te krijgen. En draai dat maar eens terug. Zo’n situatie wordt door niemand gewenst, ook niet door je kind dat om gezond op te groeien grenzen nodig heeft. En de oplossing om te voorkomen dat het uit de hand loopt, is dan ook vooral vroeg te beginnen met het duidelijk stellen van die grenzen: nog voor je kind één jaar is.

Kersverse ouders denken bij het stellen van grenzen aan kinderen al snel dat ze constant ‘nee’ moeten zeggen bij alles, maar dat hoeft niet zo te zijn. Belangrijk is vooral de manier waarop je grenzen stelt. Vaak kun je een grens spelenderwijs duidelijk maken, bijna zonder dat het kind het merkt. Zeker als je hier al op jonge leeftijd mee begint, want ‘jong geleerd, is oud gedaan’ en die wijsheid gaat nog altijd op. Bovendien zul je merken dat het je minder energie kost dan alsmaar verbieden en je humeur en dat van je kind varen er wel bij.

Geef je grens aan

Een voorbeeld: je baby zit in zijn stoel ( met zijn bordje voor zich. Hoe vaak gaat dan niet vrolijk dat handje met een pets door het bord? Als ouder kun je op verschillende manieren reageren: Sommigen schieten in de lach en zeggen goedmoedig ‘ach, dat maakt niet uit, dat is zo weer opgeruimd’, maar er zijn er natuurlijk ook die boos roepen ‘nee, dat mag niet’. En dan is er een kleine, waarschijnlijk al meer ervaren groep ouders die duidelijk ‘nee’ zegt en tegelijkertijd rustig het bordje buiten het bereik van zijn grijpgrage handjes zet.

De eerste twee reacties zijn niet zozeer verkeerd, volgens opvoeddeskundigen, maar de laatste heeft de voorkeur. Daar reageer je niet alleen meteen op het ongewenste gedrag, maar geef je ook duidelijk een grens aan. Daarbij doe je dat op een prettige manier die past bij de leeftijd van het kind. Een jong kind kan nog niet echt begrijpen wat wel en niet mag en hoe hij hieraan moet gehoorzamen. Een belangrijk pluspunt van deze manier van reageren is bovendien dat je als ouder kalm blijft, want reageer je boos, dan denkt het kind misschien: ‘Hé, dat is een nieuw geluid, wat is dat precies?’ en haalt zijn hand nog eens door het bord. Want iets onbekends, dat is meestal het onderzoeken waard.

En wat het in de lach schieten betreft: dat gaat bijna vanzelf de eerste keer. maar hoe klein je kindje ook is, hij neemt onmiddellijk de kwaliteit van je reactie waar. En lachen betekent ‘goed zo!’, dus doet hij het nog een keer. Hét goede moment voor de andere aanpak.

Nog een voorbeeld. Je hebt je baby op je arm en uit olijke nieuwsgierigheid grijpt hij stevig je mooie halsketting.
Forceer je met bruut geweld zijn knuistje open? Zeg je op steeds luidere toon ‘niet doen’ of leid je hem af met een speelgoedje, waar hij beide handjes voor nodig heeft om het aan te pakken? Ook hierbij geldt: geen van genoemde manier van reageren is verkeerd, maar lukt het je op de laatste manier te reageren, dan houd je de sfeer gezellig, zonder je humeur én je energie te verliezen. Terwijl je tegelijkertijd je kind heel duidelijk maakt waar de grens ligt van ongewenst gedrag.

Zo houd je het vol

Opvoeden lijkt van de buitenkant zo gemakkelijk en dat kan het ook zijn, als je er met je aandacht bij bent. Een goed idee is misschien om ’s avonds, als het rustig is, even de momenten van interactie tussen jou en je kind, de revue te laten passeren. Zo word je je soms bewust van dingen die in de hectiek aan je voorbij zijn gegaan.

En als je grenzen wilt leren aan je kind, spelenderwijs of anderszins, dan gelden daarbij ook enkele basisregels. Wees bijvoorbeeld consequent, ook bij heel jonge kinderen. Veel ouders laten het ongewenste gedrag van hun kindje, juist in de eerste levensjaren, soms zo’n beetje gaan. Af en toe wat te schipperen, lijkt niet zo erg en is snel gedaan, zeker als je moe thuis komt na dag hard werken en ’s nachts door een huilend kind wordt gewekt. ‘Maar als je niet op jonge leeftijd al tactisch begint met het aangeven van grenzen, loop je grote kans dat je kind tegen de tijd dat hij drie, vier jaar wordt, van geen grenzen meer wil weten. Dan helpt zelfs geen ‘stil plekje’ meer voor een time-out, waar de Supernanny van de tv hevig mee schermt. Daar blijft je kind dan gewoon niet meer zitten. Kortom, er zit maar één ding op: zelf een Supernanny worden.»

.

Opvoedingsvragenalle artikelen 

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldalle beelden

.

2290

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-11)

.

Hester Anschütz in Motief nr 186, 2914

MET EEN BEETJE GODENHULP
.

Noem het mediabehang. Kinderen groeien tegenwoordig op in een wereld vol informatietechnologie. Dagelijks zijn ze omringd door televisiebeelden, computeranimaties en internetinformatie, terwijl een constante geluidsstroom golft uit radio’s en mp3-spelers. Diverse deskundigen waarschuwen voor de negatieve gevolgen voor kinderen, lichamelijk en psychologisch, van deze overdaad. Maar hoe vind je als opvoeder de juiste maat?

Twee dagen voor zijn dood schreef Rudolf Steiner een tekst (Wieviel Technik eträgt der Mensch? Zie bronnen) over de gevaren van wat hij de Unternatur van machines en techniek noemde. Steiner zag in zijn tijd het wereldwijde gebruik van machines toenemen en waarschuwde voor de gevaren ervan voor de menselijke levensinhoud. Volgens hem zou de mens zelf innerlijk tegenwicht moeten bieden aan de invloed die van machines uitgaat. Hiertoe zou de mens even hoog in de geestelijke wereld moeten opstijgen als hij door het contact met de ‘onder de natuur liggende’ kunstmatige wereld van de techniek afdaalde. Techniek en machines helemaal uit de weg gaan, betitelde hij als ‘spirituele lafheid’; dat was zeker niet de oplossing. Maar ieder mens zou wel de eigen ziel moeten sterken, je ziel moet krachtig genoeg zijn om het in een wereld vol apparaten en machines uit te kunnen houden en ondanks alle techniek nog in contact kunnen komen met de geestelijke wereld. Dat is waarom het karma van de wereld vraagt, aldus Steiner. Want het doel van een mensenleven is dat onze onsterfelijke ziel haar weg vindt naar de spirituele wereld en het materiële in de wereld helpt te vergeestelijken.

Mechanische kunst

In bovengenoemde tekst spreekt Steiner over de groeiende invloed van de techniek tijdens zijn leven. Denk aan bijvoorbeeld treinen, maar ook aan fabrieksmachines, die steeds meer menselijke arbeid vervingen. Destijds was nog geen sprake van computers, televisie of internet, wel van grammofoonmuziek en die zag Steiner als een andersoortige machine. ‘De mensheid dwingt hier de kunst in het mechanische,’ aldus Steiner. Mocht de mens voor deze vorm van mechaniseren interesse krijgen, dan was hij niet meer te helpen, meende de filosoof. ‘Dan zullen de goden de mens te hulp moeten komen.’

Hopelijk zijn de goden zo goed ons als mensheid bij te staan, want de gemechaniseerde kunst is inmiddels deel van ons dagelijkse leven geworden. Er is amper nog iemand te vinden die geen gebruik maakt van tv, computer en internet.

Maar hulp van de goden of niet, het is goed ons bewust te zijn van de uitwerking en invloed van alle moderne media op de mens. Antroposofisch gezien is het grote gevaar van al deze kunstmatige beelden dat een mens in het ergste geval echte zintuiglijke ervaringen en het contact met de reële wereld verliest. Door bijvoorbeeld onder te duiken in een virtuele, digitale wereld die alleen online bestaat, kom je niet meer met echte kunstzinnige uitingen in aanraking, zelfs niet meer met echte mensen. Uiteindelijk bestaat het gevaar dat je ziel niet meer in staat is contact met de geestelijke wereld te krijgen. Steiner noemt kunst en natuur als dé wegen om in contact te komen met het geestelijke en goddelijke op aarde.

Opvoeden

Als je dit gevaar serieus neemt, heb je de eerste stap gezet om het niet te verliezen van de beeldschermen. Je bewust zijn van de werking van tv- en computergebruik op je ziel zal er al toe leiden datje niet te lang voor een beeldscherm blijft hangen en bewust tijd vrij maakt om je ziel te voeden met kunstzinnige ervaringen. Een wandeling door het bos, schilderen, tekenen, naar een museum gaan, een goed gesprek voeren – allemaal echte zintuigelijke en kunstzinnige ervaringen.

Als opvoeder neem je waar wat je voor jezelf hebt geleerd en voed je kinderen vanuit deze wijsheid op. Voor opvoeding in het mediagebruik geldt hetzelfde als voor de andere aspecten van het leven. Geen enkele ouder stuurt zijn kinderen zomaar onvoorbereid de straat op, de grote stad in. Je vertelt hen wat ze daar kunnen verwachten, wat leuk is en wat niet, wat wel mag en wat niet. En in het begin blijf je een beetje in de buurt. Ditzelfde zou voor het gebruik van tv, computer en internet moeten gelden.

Verdiep je als ouders dus in wat tv en internet zijn en wat ze met kinderen doen. Vorm je eigen mening erover en voed hen er dan in op. Laat je ook niets wijsmaken door diverse deskundigen die in computers het nieuwe heil voor het onderwijs zien. Een kind mist niets essentieels als het tot zijn achtste jaar geen tv of computer ziet. Denk maar aan de huidige generatie ouders, die er tijdens hun kinderjaren ook niet mee werd overvoerd en zich er nu toch prima mee redt. Vervolgens zouden kinderen vanaf een bepaalde leeftijd de gewenste vaardigheden moeten leren, zodat ze zich met en op computers en internet kunnen redden. Dat vraagt niet veel tijd. Vanaf groep vier hebben ze de kneepjes snel genoeg onder de knie.

Concrete tips

Praktische informatie over op welke leeftijd je een kind hoe lang zou moeten laten tv-kijken is in diverse boeken te vinden (zie ook kader), concrete hulp om je computer veilig te maken voor kinderen staat bijvoorbeeld op www.mijnkindonline.nl.

De bescherming van kinderen op internet gaat met name over het misbruik van persoonlijke gegevens, waar kinderen zich niet bewust van zijn. Daarnaast loert er een groot gevaar op het gebied van de lichamelijke gezondheid. Het lange stilzitten achter een beeldscherm kan tot allerlei ernstige lichamelijke en psychische klachten leiden – van verlies van verbeeldingskracht tot het minder in staat zijn emoties bij anderen te lezen en depressies aan toe. Menig wetenschappelijk onderzoek (zie bronnen) heeft dit bevestigd.

Ziel sterken

Opvoeden in mediagebruik vraagt behoorlijk wat energie van ouders. Dat komt vooral ook doordat de huidige generatie ouders in de eigen jeugd niet zoveel op mediagebied kreeg aangeboden als hun kinderen tegenwoordig. Ouders moeten daarom het wiel vaak zelf uitvinden en dat kost moeite en is niet altijd gemakkelijk. Rudolf Steiner zei niet voor niets dat de mens de hulp en genade van de goden nodig zou hebben als het over het omgaan met machines en techniek gaat. Misschien is het daarom juist belangrijk dat we ons bewust zijn van deze ‘onderwereld’ en eraan werken dat we het niet van de techniek gaan verliezen. We komen al een eind door te proberen om door contact met de natuur en kunst, door echte zintuigelijke ervaringen, onze ziel te sterken. Want als deze krachtig genoeg is en blijft om de zuigende aantrekkingskracht van media en techniek, met alle kunstmatige, valse en onechte beelden die erbij horen, te weerstaan, kun je altijd weer in contact komen met de geestelijke wereld.

Bronnen

Edmond Schoorel, Beeldschermbeelden 

Heinz Buddemeier, Wieviel Technik erträgt der Mensch? Die Aktualität der Überlegungen Rudolf Steiners zur Unternatur, in: Mitteilungen aus der anthroposophischen Arbeit in Deutschland. Uitgeverij Michaeli, 2007, nr. 241:

Hester Anschütz, Internet is als een geopende snoep-trommel, in tijdschrift Seizoener, 2009;

Justine Pardoen en Remco Pijpers, Mijn kind online. Hoe begeleid je je kind op internet? SWP, 2005; Maurits in ’t Veld en Edmond Schoorel, Kind, beeld s> scherm. Gids voor ouders

Rainier Patzlaff, De bevroren blik. Uitgeverij Kamerling, 2005.

YaldaT. Uhls, Fivedaysat outdooreducation camp without sereens improves preteen skills with nonverbal emotion cues, in: Computers in Human Behavior, Volume 39, October 2014, Pages 387-392, http://www.sciencedi-rect.com/science/article/pii/S0747563214003227.

Noor Landsmeer e.a., Kind en beeldscherm: een te hecht koppel, in: Medisch Contact, Nr. 21-22 mei 2014,, p. 1038-1041, http://medischcontact.artsen-net.nl/archief-6/tijdschriftartikel/144532/kind-en-beeldscherm-een-te-hecht-koppel.htm.

Van den Eijnden, R. J. J. M., Vermulst, A. A., van Rooij, T., & Meerkerk, G.J. Monitor Internet en jongeren: Pesten op Internet en het psychosociale welbevinden van jongeren. IVO, Rotterdam, 2008.

Valkenburg, P. M., & van der Voort, T. H. A. (1992). De invloed van televisie op fantasiespel: Een onderzoeks-overzicht. Kind en Adolescent, 13,119-132.

.

Opvoedingsvragenalle artikelen over tv: onder nr. 19

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: alle beelden

.

2285

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-3/2)

.

Nu, in deze coronatijd, kan een schoolgaand kind dat om wat voor reden een snotneus heeft, gezien worden als een potentiële bedreiging voor de leerkracht.

De ‘snotneusjes’ hoeven dan wel niet getest te worden, dus ‘zijn ze veilig’, maar toch.

Door allerlei tegenstrijdige berichten weet je niet meer wat waar is: heb je bv. wel een snotneus bij corona of heb je dat weer meer bij een andere griep.

Het is bekend dat vooral de kleinere kinderen met de grootste regelmatig ‘verkouden’ zijn, met dan een snotneus tot gevolg.

Ook in onderstaand artikel is sprake van ‘de snotneus’.
.

Stap voor stap sterker
.

De laatste jaren [geschreven 2005] is er in de medische wereld veel te doen over de hygiënehypothese.

Kort gezegd gaat die ervan uit dat in de westerse wereld de toename van allergie bij jonge kinderen te danken is aan een overmaat aan hygiëne.

Zo simpel is het natuurlijk niet, maar feit is wel dat de kleintjes te weinig kans krijgen ziek te worden.

De hygiënehypothese werd voor het eerst geformuleerd door een Britse epidemioloog in 1989. Hij ontdekte dat kinderen die niet of nauwelijks last hadden van allergie, op jonge leeftijd vaker waren blootgesteld aan kleine infecties, dan kinderen die wel allergisch waren. Omgevingsfactoren als leefstijl, voeding, gezinsgrootte, antibioticagebruik, vaccinaties, gering contact met de natuur, bleken voor 70 procent van invloed op het ontwikkelen van allergie, erfelijke aanleg voor slechts 30 procent.

Beter op eigen kracht

Iedere baby die gezond wordt geboren, beschikt over een aangeboren immuniteit. De witte bloedlichaampjes bijvoorbeeld gedragen zich als een soort gezondheidspolitie. Deze bescherming is echter beperkt en faalt bij massale infecties. Veel zekerder in dit opzicht is de immuniteit die het kind zelf opbouwt. Om die reden is het belangrijk dat hij in zijn eerste jaren een aantal infecties doormaakt, zodat hij afweerstoffen kan opbouwen. Met name na een virusinfectie ontwikkelen zich in het bloed bepaalde eiwitten die de weerstand verhogen en hem sterker maken. Kortom, ziek zijn en op eigen kracht beter worden, zorgt voor een stevige en gezonde basis. Natuurlijk kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat de koorts echt te hoog is en een antibioticum nodig is. Maar hoeft dit niet, dan zijn er talrijke minder heftige geneesmiddelen die ondersteunend kunnen werken.

Vies en gezond

Omdat kinderen tegenwoordig minder vanzelfsprekend in contact komen met micro-organismen, is het ook ‘moeilijker’ om ziek te worden. Onze huizen zijn schoner, het water is schoner, wij zelf zijn schoner en willen graag dat onze kinderen dat ook zijn, zeker de baby’s. Terug naar vroeger is geen optie.

Gelukkig zijn er mogelijkheden genoeg om aan een gezond portie ‘vuil’ te komen: de zandbak op het stadsplein, de kinderboerderij en het park met van die heerlijke diepe modderplassen. En laten we de crèche niet vergeten. Het klopt natuurlijk dat de gezinnen kleiner zijn dan vroeger en kinderen dus minder gemakkelijk virussen, schimmels en bacteriën op elkaar overdragen. Maar uit onderzoek is ook gebleken dat een baby al aan één dag opvang in de week – op een plek waar minstens vier andere kinderen zijn – genoeg heeft om zijn immuunsysteem te ontwikkelen. En nu maar hopen dat iedere crèche een snotverkouden baby accepteert..

.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

 

2239

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (22)

.
Patricia Wessels m.m.v. Arie Bos, anyroposofisch huisarts, Weleda Puur Kind lente 2004 nr. 13
.

Zonlicht is gezond
.

De zomer brengt veel mensen in een zonnige stemming. Het is net alsof het zonlicht je koestert en oplaadt tegelijk. Je voelt je ontspannen, opgewekt, energiek en levenslustig, en stress krijgt minder vat op je. Alles lijkt gemakkelijker, zorgelozer: je kunt het leven aan en wilt ervan genieten. Zonlicht is essentieel voor al het leven op aarde, sterker nog, zonder de zon had zich nooit leven kunnen ontwikkelen.

Dat de zon in vele opzichten van levensbelang is voor onze vitaliteit is dus niet zo verwonderlijk. Het begint al bij de basis van ons bestaan. Dankzij het licht kunnen wij ademen en eten. Zonder licht geen planten, die ons voorzien van voedsel en zuurstof. Maar zonlicht werkt ook rechtstreeks in op onze lichamelijke en geestelijke vitaliteit. De gemiddelde man produceert in december bijvoorbeeld ‘maar’ 40 miljoen zaadcellen, terwijl hij in juli – wanneer de hormoonklieren door de zon worden geprikkeld – maar liefst 65 miljoen zaadcellen aanmaakt. Leerlingen maken een proefwerk wiskunde beter als ze in een lokaal met veel zonlicht zitten.

En veel werknemers in kantoren met zonwerende ramen krijgen allerhande klachten: van hoofdpijn tot somberheid.

Met het afnemen van het zonlicht in het najaar, nemen bovendien de (najaars)-depressies toe. Opmerkelijk is overigens dat kinderen daar zelden last van hebben.
Zij zijn nog enorm vitaal van zichzelf en dragen de zonnigheid als het ware van binnen met zich mee.
Maar dat betekent niet dat daglicht voor kinderen minder belangrijk zou zijn. In tegendeel: kinderen in de groei hebben zonlicht heel hard nodig. Het onweegbare zonlicht blijkt essentieel voor de opbouw van de zwaarste materie in het lichaam; de botten. De vitamine D, die de huid onder invloed van daglicht kan aanmaken, zorgt er namelijk voor dat je kalk inbouwt in je botten. Alleen al om die reden zouden kinderen dus lekker veel buiten moeten spelen. Zeker in de winter, wanneer de intensiteit van het daglicht minder sterk is. Tot op je oude dag profiteer je van de stabiliteit die je als kind hebt kunnen opbouwen. Want hoe minder daglicht je in je jeugd hebt gehad, hoe eerder je botten ontkalken als je oud bent.

‘Voedend’ licht

Hoe belangrijk daglicht in werk- en leefruimten ook mag zijn voor ons welbevinden, het ‘voedende’ licht krijgen we daarmee niet binnen. Het glas in de ramen houdt een deel van de straling tegen, (de ultraviolette straling). Licht bestaat uit een heleboel frequenties en elke frequentie heeft weer invloed op iets anders. Kunstlicht heeft maar een beperkt aantal frequenties, terwijl daglicht alle frequenties in zich heeft. Daaruit kun je dus halen wat je nodig hebt. De laatste jaren is er een soort hetze ontstaan tegen de blootstelling aan uv-straling, omdat het huidkanker kan veroorzaken. Er wordt bijna nooit bij verteld dat uv-licht ook essentieel is voor de gezondheid en dat we er eerder te weinig dan te veel van krijgen. Nederlanders in het algemeen en kinderen in het bijzonder, zitten namelijk veel te lang binnen. Door een tekort aan zonlicht neemt de kans op een heleboel andere vormen van kanker juist toe, evenals de kans op multiple sclerose en een vorm van diabetes. Een greep uit de vele positieve effecten van uv-licht: het stimuleert het hele immuunsysteem, doodt bacteriën, virussen en andere ziekteverwekkers, verlaagt de bloeddruk, verlaagt de cholesterolspiegel, maakt het hart sterker, waardoor het meer bloed door het lichaam kan pompen en werkt goed tegen allerlei huidaandoeningen.

Tijd krijgen om te wennen

Overigens blijken mensen die het hele jaar op kantoor werken vaker huidkanker te krijgen, dan mensen die veel buiten werken. Huid en ogen zijn heel goed in staat om zichzelf te beschermen, als ze maar de tijd krijgen om te wennen aan de toenemende zon. De huid van iemand die veel buiten is, heeft voldoende pigment kunnen aanmaken, waardoor hij beter kan omgaan met uv-straling.

Als je het grootste deel van het jaar binnen zit, is het dus verstandig om tijdens de vakantie de eerste dagen de hoeveelheid zon op je huid rustig op te bouwen. Baby’s kun je beter helemaal uit de zon houden, omdat hun huid nog dun is,  waardoor ze makkelijk verbranden. De meeste baby’s geven zelf al aan dat ze ook het felle licht in hun ogen onaangenaam vinden. Omdat ze liggen, kijken ze omhoog en krijgen ze het zonlicht niet weerkaatst, maar rechtstreeks in hun ogen.

Voor iedereen geldt: op het heetst van de dag in de zon gaan liggen bakken, is niet gezond. Je geeft jezelf dan een overdosis en dat zal je lichaam je ook laten weten. Om al het goede van het zonlicht te ontvangen hoef je helemaal niet in de volle zon te liggen zweten. Het zit allemaal in het daglicht, dus het is al voldoende om lekker veel buiten te zijn.

.
Weleda’s zonnebrandproducten
.

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2211

 

 

 

 

 

 

 

 

.