Tagarchief: Weleda

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-2-5)

.

In deze rubriek verschenen artikelen over warmte.
Ook over kou en m.n. verkoudheid bij kinderen en wat je zou kunnen doen.

Onderstaand artikel belicht ‘verkouden’ in algemenere zin.

Weledaberichten nr 95, auteur onbekend, dec. 1972

.

HOE VOORKOMEN WE VERKOUDHEID?

Onder het begrip verkoudheidziekten verstaan we over ’t algemeen de catarre-achtige ontstekingen van de bovenste luchtwegen van de mens. We zouden — als een grove onderscheiding daartussen — kunnen spreken over neusverkoudheid, keelontsteking van de luchtpijp enz. Er kunnen daarbij allerlei complicaties optreden, zoals oorontsteking, ontsteking van de amandelen, bronchitis enz., maar we willen hier niet nader op deze complicaties ingaan.

Iedereen weet, hoe een verkoudheid ontstaat. De laatste fase in het proces van het ontstaan is de sterke afkoeling. We hebben hierbij tot op zekere hoogte te maken met een verzwakt warmte-organisme. Andere factoren die de dispositie vormen zijn bv. een vanuit de constitutie optredend gebrek aan weerstand en kracht van de slijmvliezen van de bovenste luchtwegen en vochtig koud weer, vooral in de winter. Het „aansteken” is in dit verband een vraag van secundaire betekenis. De virussen vermeerderen zich pas, wanneer de bodem voor hen bereid is.

Hoe is mogelijk, zal men zich afvragen, dat koude ziekte tot stand kan brengen? Het is zo, dat het menselijke warmte-organisme op een korte afkoeling reageert met een relatief snelle verwarming van de afgekoelde plaatsen.

Wanneer het organisme nu geen gelegenheid heeft tot zo’n reactie, bv. wanneer men — door het dragen van ondoelmatige kleding langer aan de koude is blootgesteld, dan blijft een positieve warmte-ontwikkeling achterwege en is een langduriger afkoeling het gevolg. Het totale organisme tracht nu, gedurende ongeveer drie dagen, door een stijging van de warmte de afkoeling van de betreffende gebieden weer te overwinnen. En daarmee is het uitgangspunt geschapen voor ontstekingen eventueel voor koorts.

Wat kunnen we doen om ons tegen deze ver-koudheidziekten te beschermen? Het beste middel daarvoor bestaat in de verzorging en versterking van ons warmte-organisme. We kunnen dit op den duur alleen, wanneer wij het dagelijks voorzichtig stimuleren, d.w.z. oefenen. Dat kan gebeuren door korte afwas-singen met koel (niet te koud) water, waaraan men wat „Weleda” Rosmarijn Bad” toevoegt. Daardoor wordt de daaropvolgende doorstraling van de warmte versterkt. Bovendien zou degene die ten gevolge van te geringe lichamelijke beweging te weinig eigen warmte produceert, zich door voldoende warme kleding moeten beschermen tegen een overmatig afgeven van warmte. Dit spreekt wel van zelf, maar we willen er voortdurend weer op wijzen, omdat vele mensen het „meedoen aan de mode” belangrijker vinden dan hun gezondheid. Andere menen zich op die manier te kunnen ,,harden”. Wol, in zijn verschillende kwaliteiten, biedt ons gedurende het koude jaargetijde de beste beschutting.

Wanneer iemand zich al in een toestand van chronische afkoeling bevindt, dan zou hij door de juiste maatregelen de lichaamswarmte zo moeten activeren, dat ze weer alle organen doordringt. Maatregelen daarvoor zijn warme baden, twee- of driemaal per week, onder toevoeging van rozemarijn (bv. in de vorm van een eetlepel „Weleda” Rosmarijn Bad). Ze verwarmen niet alleen de temperatuur van het water, maar activeren door de etherische rozemarijnolie het hele warmte-organisme. Naar zo’n warm bad is het — om de warmte in het lichaam te houden — nodig om met een heel korte afwassing (douchen van armen en benen) met koud water te eindigen. Na een stevig wrijven is aan te raden, de huid met een doorwarmende olie, bv. Weleda massage-olie met arnica, dun in te wrijven, om haar door de in deze olie aanwezige zuivere, plantenolie een verwarmende laag te verschaffen en om haar door de erin aanwezige etherische rozemarijnolie te stimuleren tot een verdere warmtevorming. Mensen die last hebben van gebrek aan warmte, zouden niet mogen vergeten door dagelijkse voldoende lichamelijke beweging de eigen warmte te stimuleren. Bovendien zou men de huisarts moeten vragen of niet een diepere oorzaak, bv. bloedarmoede, oorzaak zou kunnen zijn van het voortdurend last hebben van koude. Om koude ledematen weer warm te krijgen is ook het dagelijkse droog borstelen, eveneens met aansluitend inwrijven met massageolie zeer aan te bevelen.

Een warmte-organisme dat met dergelijke maatregelen versterkt is geworden, zal door zijn snel en intensieve reactievermogen minder aanleiding geven tot verkoudheidziekten.

‘warmteplant’ rozemarijn

Weleda’s rozemarijn

Weleda’s massage-olie

Over de rozemarijn

over de arnica

Andere verkoudheidsmiddelen

(Dat ik hier reclame maak voor Weleda is niet omdat ik door het bedrijf gesponsord word, maar alleen omdat ik in mijn leven veel baat heb gehad bij de genoemde middelen.
Bovendien is het al zo’n 100 jaar een van de meest milieuvriendelijke bedrijven!)

.

Menskunde- en pedagogie:  [11] warmte

Verder  warmte

Opvoedingsvragen: [12] verkouden

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3491-3279

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-3)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

.

Beschermend badwater

Om schoon te worden heeft een kleine baby de dagelijkse badbeurt eigenlijk nog niet nodig. Toch kan regelmatig baden met een heilzame substantie in het water in een aantal gevallen een eenvoudige maar doeltreffende oplossing bieden voor een probleem. Uit de vele goede natuurlijke oliën die er verkrijgbaar zijn, kun je juist die kiezen die voor jouw kind het meest geschikt is.

Zo geborgen als toen hij nog in het lichaam van zijn moeder was, zal een baby zich na de geboorte nooit meer voelen. Daar werd hij voortdurend heen en weer gewiegd, zonder honger en dorst en in een constante aangename temperatuur. Bij iedere beweging voelde hij de begrenzende en beschermende aanraking met de baarmoeder. Na de geboorte komt de baby abrupt in een totaal andere toestand terecht. Hij wordt blootgesteld aan licht, lucht en zwaartekracht. Hij voelt kou, honger en dorst en als hij zijn armpjes beweegt is er de grenzeloze ruimte. Uiteraard verlangt dat kleine, open wezentje de eerste weken vooral naar een situatie die zo veel mogelijk lijkt op die van voor de geboorte, en daar speel je als ouders ook op in. Door het warmte te geven, te koesteren, te voeden en het zo nu en dan te baden in zijn vertrouwde element: water.

Reinigen en verwarmen

Wil je je baby of peuter verwennen met een lekker verwarmend bad, dan is een olie als Calendula Babyolie (Weleda)* altijd goed. Voordat je de olie aan het badwater toevoegt, kun je de olie ( het beste eerst in een (jam)potje met wat warm water goed schudden tot je kleine belletjes ziet.

Maar natuurlijk snuffel je ook eerst aan je baby om te weten wat hij er voor eentje is en stem je voeding en verzorging op zijn behoefte af. Lang niet iedere baby kan zich meteen aanpassen aan het gemiddelde ritme van voeden en slapen en lang niet iedere pasgeboren baby geniet er bijvoorbeeld van als je hem dagelijks in bad doet. Dat hoeft geen enkel probleem te zijn, want om schoon te worden heeft een zuigeling het bad eigenlijk ook nog niet echt nodig. Het reinigen gaat zeker zo goed met een beetje babyolie en wat babycrème of babybalsem voor de billetjes. Daarna is één keer per week in bad meestal ruim voldoende.

Een moeilijke start

Toch kunnen er omstandigheden zijn waarin het goed is ook de kleine baby regelmatig te baden: als de baby onrustig is en veel huilt, of als hij of een moeilijke start maakte na een zware bevalling of een verblijf in de couveuse. In die gevallen kun je hem helpen zich aan te passen aan het ‘aardse’ ritme door hem regelmatig te baden in water waar een heilzame substantie aan toe is gevoegd. Weleda Baby- en Kinderbad is daar een uitstekend geschikt middel voor, omdat het een ontspannende werking heeft en bij wijze van spreken een beschermend laagje om zijn huidje legt. Ook op een drukke peuter werkt Weleda Baby- en Kinderbad harmoniserend.

Als je baden voor je kind als therapeutisch middel gebruikt, is het belangrijk dat je erop let dat de temperatuur van het water niet hoger is dan 37 graden en dat je de baden gedurende een bepaalde tijd ritmisch toepast, dat wil zeggen twee of drie keer per week. Om de therapeutische werking niet weer teniet te doen, kun je zo’n bad beter niet combineren met zeep om de baby te wassen. Het bad werkt verder het beste als het kind daarna lekker onder de wol wordt gestopt.

Inwrijven met olie

Een angstige peuter of kleuter kun je ontspannen door een lavendelbad. Je versterkt de werking daarvan door hem voor het slapen gaan ook nog in te wrijven met een goede olie. Dat kan Calendula Babyolie zijn maar er bestaat een scala aan mogelijkheden met olie. Voor kinderen (en volwassenen!) die zeer gevoelig zijn voor zintuigindrukken – wat zich bijvoorbeeld uit in buikkrampjes – werkt ook Solum uliginosum van Wala heel ondersteunend. De olie breng je op met rustige, draaiende bewegingen naar de wervelkolom toe, van boven naar beneden. Ook de armpjes en beentjes masseer je van boven naar beneden. Bij de buik kun je het beste altijd met de klok mee draaien. Bij heel kwetsbare kinderen of bij baby’s met buikkrampjes kun je onder het hemdje dan bovendien nog een zacht zijden lapje op de buik leggen waardoor dit gebied van de stofwisseling nog wat extra wordt beschermd. Ook een paar theelepeltjes venkel- of kamillethee kunnen de buikkrampjes van de baby helpen verlichten.

Andere heilzame baden

Ook een mollige, dromerige peuter die vaak wat traag en snotterig is, kun je zo nu en dan in een heilzaam bad stoppen: maar dan natuurlijk niet met rustgevende lavendelolie! Bij het dromertje wil je juist wat meer belangstelling voor de wereld wekken en daarvoor is een bad met een handje zeezout erin heel geschikt. Zo’n bad mag zeker niet te warm zijn en het is het beste om het kind er maar kort in te laten zitten. Het is ook het enige bad dat je niet voor het slapen gaan geeft, omdat het er juist op is gericht te activeren. Het zout-bad kun je eventueel afwisselen met een dennennaalden- of rozemarijnbad, die dezelfde opwekkende werking hebben. Wanneer je hem na het bad ook nog inwrijft met rozemarijnolie (alleen op recept verkrijgbaar), dan zal zelfs de grootste dromer wakker de wereld in stappen.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.1, lente 1998

.
ontwikkelingsfasen: alle artikelen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

opvoedingsvragen: alle artikelen

 

.

*Dit is geen commerciële blog; onderstaande afbeeldingen zijn niet op verzoek van Weleda geplaatst.

Ik ben een groot deel van mijn leven al blij met Weleda! Van veel producten heb ik de weldadige werking mogen ondergaan. Maar ook onze kinderen, zolang ze thuis woonden. En op school. Hoe vaak heb ik geen builen, kneuzingen e.d. snel kleiner en minder pijnlijk zien worden door de niet genoeg te prijzen Arnicazalf, b.v.
Daarom, als een soort eerbewijs en tegelijkertijd een vorm van dankbaarheid dat het bestaat, zal ik in deze artikelenreeks over het jongere kind af en toe een genoemd product als afbeelding toevoegen.


meer Weleda

.

1517-1423

.

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (27)

.
Henk Sweers, ‘Jonas”nr.  22, 22 juni 1984
.

IN DE ST.-JANSNACHT SPELEN DE GEESTEN HUN SPEL
.

Heksen – waan en werkelijkheid
.

Het sint-janskruid, dat in de nacht van 24 juni haar sterkste werking heeft, gold vanouds als een probaat middel tegen duivelse invloeden, met name hekserij.

Wat zijn heksen, en waar kwam de grote angst vandaan die in de 16e eeuw uitmondde in grootscheepse heksenverbrandingen? Om begrip te krijgen voor het ver­schijnsel heks, keek Henk Sweers terug tot in de oud-Germaanse tijd en vooruit tot in onze tijd.

Het heksengeloof vertoont trekken die el­ders worden verteld van verschillende soor­ten demonische gestalten: zielenvoorstellingen komen voor de dag in het geloof dat heksen (op een bezemsteel) door de lucht kunnen vliegen, en dat zij zich in een of andere dier­lijke gedaante (vooral graag als kat, maar ook als wezel, vogel, spin of insect) vertonen. Zij vieren nachtelijke feesten en dansen evenals dodengeesten, elfen, dwergen en trollen. Het geloof in heksen, dat aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld en later in de heksen­processen toch werd aanvaard, gaat terug tot in de heidense tijd.

Tún-rithr
Uit alle delen van de oud-Germaanse wereld hebben wij berichten over personen die to­verkunst bezaten. In de eerste Merseburger toverspreuk heten deze ‘idisi’. Volgens de Germaanse beschouwingswijze waren vooral vrouwen met bepaalde geestelijke gaven be­genadigd.
In andere klassieke bronnen klinkt vele ma­len een zekere vrees door voor Germaanse vrouwen, die zelfs deelnamen aan de strijd en door hun profetische gaven een grote in­vloed uitoefenden. Bij de Broekterers genoot Weleda een goddelijke verering. Tacitus noemt een zekere ‘Alb-rund‘(Albrund). Haar naam wijst al op een ‘geheim weten’. Bij de Semnonen was een zieneres ‘Ganna’ wier naam ook op helderziendheid en heiligheid wijst. Op een Griekse ostracon (stemschelp) uit circa 200 v. Chr. staat ‘Baloborg de sibylle der Se(m)nonen’. Baloborg kan zo iets als ‘Stafdraagster’ betekenen.
Een der belangrijkste Eddaliederen heet: Volospa. Dat wil zeggen De schouw van de Wolwa. J. de Vries duidt deze naam ook als ‘Stafdraagster’. Uit vele teksten blijkt dat deze leidinggevende vrouwelijke ingewijden, deze zieneressen, een grote verering genoten. Het meest verheven lied wordt een Wolwa in de mond gelegd. Op IJsland vindt men nog Volvaleithi (Wolwagraven) die door de be­volking nog altijd met een zekere schroom worden bezien.
Toch kende men in de oud-Germaanse tijd ook reeds
Seithkona of wel tovervrouwen, die boosaardig waren. De Edda zegt dat men de tún-rithr (tuinrijd(st)ers) die door de lucht vliegen, kan dwingen hun tovergedaante op te geven. Het blijkt dat ook mannen de helderziendheid, die toen grotendeels nog atavistisch was, bezaten en ten kwade, dat wil zeggen ten eigen bate gebruikten. Om hun kwade invloed, die zij zelfs nog na hun dood konden uitoefenen, zoveel mogelijk te voorkomen, werden tovervrouwen en -man­nen verbrand, want daardoor wordt de op­lossing van het vormingskrachtenlichaam versneld. De as werd in zee uitgestrooid! Toch was ook dit niet altijd afdoende, want de Edda verhaalt dat de Asen de reuzin Gullveig (Gouddrank) met speren staken en drie maal verbrandden in de hel van Har (de Ho­ge), maar dat zij drie maal werd herboren. Men moet dit verhaal van de Wolwa echter veel meer als een beeld zien voor wat er zich in de geesteswereld afspeelde. Gullveig ver­oorzaakt namelijk de strijd tussen Asen en Wanen, tussen lagere en hogere goden. Het was ook geen mens maar een reuzin. En die kun je niet verbranden. Toch kunnen wij uit deze passage afleiden dat het verbranden van boze tovermannen en – vrouwen reeds in die tijd een normaal verschijnsel was.

Vestaalse maagden
Ook bij de Grieken en Romeinen waren hei­lige, helderziende mensen, voornamelijk vrouwen, zoals de Pythia, de opperpriesteres in Apollo’s heiligdom te Delphi, en de Griek­se en Romeinse Sibyllen. Het hoogtepunt in het strenge jaarritme, waaraan de heilige vrouwen, Sibyllen en Ves­taalse maagden onderworpen waren, was het eind van de Floralia.
Flora, de godin van de lente en de planten, kreeg in 283 v. Chr. de 28ste april officieel als haar feestdag toebedeeld. Reeds in 173 v. Chr. duurde haar feest zes dagen. Van een tamelijk landelijk feest werd het, waarschijnlijk onder invloed van de Griekse Bachanaliën, tot een losbandig festijn vol ontucht, waarbij naakte hoeren erotische dansen opvoerden. Deze orgieën eindigden op de laatste dag van april. Op 1 mei vonden de plechtigheden plaats rond de Bona Dea (de Goede Godin); deze werden geleid door de Vestaalse maagden. Het schijnt dat Flora, de vrouw van Faunus, de Romeinse vruchtbaarheidsgod, vrijwel identiek is met Demeter, de ‘God­moeder’, ook Tellus-Mater (Moeder Aarde) of Magna Mater (Grote Moeder) genoemd. Nu begon de feestdag voor de prostituees reeds op 23 april. De Vinolia (wijnfeesten) begonnen op die dag en duurden tot 1 mei. Zij overlapten dus gedeeltelijk de Floralia. Dit 1 mei-feest is samengesmolten met de lentefeesten der Germanen. Deze dag (1 mei) was aan Walburgis gewijd, een andere naam voor Freia. Wal-burgis bete­kent ‘beschermster der strijders’. Volgens de ‘ overlevering was Sint-Walburgis, aan wie onder andere de grote kerk in Zutphen is gewijd, omstreeks 778 abdis van het klooster Heidenheim bij Eichstätt. Op een of andere wijze, waarschijnlijk via haar naam, werd Freia-Walburgis, door Sint-Walburgis vervan­gen, maar zij bleef de beschermster der to­verkunsten. In de Sint-Walpurgisnacht, die aan haar feestdag vooraf ging, hielden de tovervrouwen hun bijeenkomsten op heilige plaatsen.
Omdat een feest altijd begint op de voor­avond van de feestdag bij zonsondergang, zijn de voornachten altijd heilig geweest. Sint-Nicolaasavond (Sint-Nicolaasfeest is op 6 december!), kerstnacht, Driekoningen­avond, paasnacht, pinksternacht (Luilak!) en Sint -Jansnacht.

Ook in de Sint-Jansnacht drijven, evenals in de Walpurgisnacht, de geesten hun spel. Ook de Sint -Jansnacht is een van de geheimzinni­ge tovernachten. Dan snijdt men de wichel­roede, dan plukt men het sint-janskruid, maar dan durft ook geen schipper uit te va­ren. Het sint-janskruid, ook Jaag-de-duivel genoemd, heeft het vermogen boze geesten te verdrijven. De koningin der toverkruiden echter, de Mandragora, die bij ons Al-ruin of ook Heksenkruid heet, bloeit in de Heilige Kerstnacht!

Heksenwaan
Het weten van geestelijke krachten en mach­ten die de normale ontwikkeling tegenwer­ken en zodoende het kwaad veroorzaken, is er altijd geweest. In de Atlantische periode en ook nog na de ondergang van Atlantis was de mens van nature helderziend, maar hij be­leefde de geestelijke wereld nog in een soort slaaptoestand. Naarmate hij overdag bewuster ging leven (en ’s nachts onbewuster) ver­loor hij dit helderziend vermogen. Toch bleef dit bij sommigen nog lang behouden, al waren er natuurlijk steeds minder lieden, die een mediamieke gave bezaten. Omdat een vrouw over het algemeen minder diep incarneert dan een man en dus kosmischer blijft, waren het steeds meer vrouwen dan mannen die helderziend waren op deze atavistische manier.
Nu kan men deze gaven aanwenden om an­deren te helpen, maar naarmate de menselij­ke ontwikkeling steeds meer in de richting van de ontwikkeling der individuele persoon­lijkheid ging, werd ook het gevaar steeds gro­ter dat deze gaven ten eigen bate werden aangewend. Het is duidelijk dat zij dan ver­derfelijk werken. Dit gebeurde al in de Ger­maanse tijd, maar sinds de 15e eeuw, het be­gin van ons huidige cultuurtijdperk, werden mediamieke personen die zich bewust met toverkunst en ‘zwarte kunst’ bezighielden steeds meer een gevaar. Dit te meer, omdat zij temidden van een be­volking leefden, die voor het allergrootste deel nog maar weinig denk-bewust was en nog vol bijgeloof. Dit bijgeloof kunnen wij beschouwen als een laatste, verworden herin­nering aan de vroegere helderziendheid. Uit deze samenloop van omstandigheden zijn de heksenwaan en de heksenvervolging te verklaren, die in de 16e en de 17e eeuw schrikbarende vormen aannamen. Het woord ‘heks’ duikt in de 15e eeuw als ‘haxa’ het eerst op in Zwitserland en ver­breidt zich snel over Duitsland (Hexe) tot in het Deens, het Fries en het Nederlands. Een ‘heks’ is dan een vrouw (zelden een man) die in contact kan treden met boze machten en daarvan bepaalde krachten kan ontvangen, waarmee zij (of hij) mensen en dieren beto­vert of schade berokkent.

Vleermuizenbloed
Uit het voorafgaande wordt duidelijk waar­om dit geloof aan personen met buitengewo­ne vermogens in de gehele wereld sinds de al­leroudste tijden voorkomt. Maar gebrekkige geestelijke kennis en een geesteswetenschap die nog onvoldoende ontwikkeld was, deden in de rooms-katholieke kerk evenals in de protestantse kerken, die beide de werk­zaamheid der abnormale geesten (die men satans of duivels noemde), bleven zien, een angst voor heksen en
duivelskunsten ont­staan, die alle redelijk bewustzijn maar al te vaak verduisterde. De gebrekkige rechtspraak deed dit angstgevoel tot vervolgingen, zelfs massale verbrandingen ontaarden. Het is opmerkelijk, dat men in Nederland over het algemeen veel nuchterder bleef dan elders. Hiervan getuigt onder andere de Heksenwaag te Oudewater. Volgens het zeer vaak herdrukte boek ‘Malleus maleficarum’ (Heksenhamer), geschreven door de Duitse dominicanen Institoris en Sprenger, dat om­streeks 1478 voor het eerst verscheen en dat enorm veel ellende heeft veroorzaakt, waren heksen onder andere te herkennen aan het feit, dat de aardse zwaartekracht geen in­vloed meer op hen had zodat zij zonder ge­wicht waren. Wat was er eenvoudiger, zei men in Nederland, dan iemand die van hek­serij beschuldigd werd, te wegen? Had zij een, voor haar lengte en omvang, normaal ge­wicht, dan was het geen heks! Het bovengenoemde boek bevatte nog meer baarlijke onzin. Zo merkte de duivel zijn vol­gelingen, volgens deze heren, met een teken op het lichaam, het stigma diabolica, dat voor buitenstaanders herkenbaar was aan de gevoelloosheid ervan. Zo meende men ook, dat een heks, na zich met een bepaalde zalf te hebben ingewreven, op een bezemsteel door de lucht kon vliegen. Die bezemsteel zal wel een decadent overblijfsel zijn van de Wolwa-staf uit de oudheid. Nu zijn er verschillende recepten voor hek­senzalf, die dat vliegen mogelijk zou maken, bewaard gebleven. Zij bevatten behalve een aantal magische elementen, zoals bloed van vleermuizen en vet van pasgeboren bokken, aconitum (monnikskap), belladonna (nacht­schade) en sap van de amanita, vooral van de amanita muscaria, de mooie paddestoel met witte plakjes op de rode hoed, die vanwege het heksengebruik dan ook vliegenzwam heet. Het zijn allemaal planten die giftige en roesverwekkende eigenschappen bezitten. Peuckert, hoogleraar in de heemkunde te Göttingen, beschrijft hoe hij samen met een vriend de proef op de som nam. Zij smeer­den het gehele lichaam met de volgens re­cept bereide heksenzalf in. Zij geraakten in een droomtoestand, waarin zij het gevoel hadden, dat ze vlogen, wilde feesten mee­maakten en zich overgaven aan seksuele uit­spattingen. Het door-de-lucht-vliegen van heksen blijkt dus een zielenvoorstelling te zijn.

In onze vijfde na-Atlantische cultuurperiode, die omstreeks 1417 begint, begonnen langza­merhand de puur materialistische voorstel­lingen de overhand te krijgen. De heksen zelf wisten niet meer of zij lichamelijk gevlogen hadden of alleen maar in hun verbeelding en voor de meeste mensen in hun omgeving werd alleen het lichamelijk vliegen een reali­teit.

Goed én kwaad
Nu, in de 20e eeuw, gebruikt men andere, nog veel gevaarlijker middelen die nog ingrij­pender zijn dan heksenzalf, om een ‘heksen­sabbat’ te bereiken. Die vluchten van nu, die trips, hebben desastreuze gevolgen voor het individu en voor de samenleving, erger dan drie eeuwen geleden. Er zijn nog steeds hek­sen, vrouwen én mannen, al noemen wij ze anders.

Hoe kunnen wij deze hedendaagse heksen begrijpen? Dat kunnen wij alleen als wij de moed hebben om in onszelf de heks te zoe­ken. Een gedeeltelijk verbond met de duivel moet ieder mens sluiten wil hij niet geheel aan het kwaad ten prooi vallen. Immers, dank zij het kwaad kan het goede bestaan. Wat is kwaad? Alles wat stil blijft staan in ontwikkeling, bij de harmonische ontwikke­ling achterblijft of eraan vooruitloopt. Maar als alles en iedereen zich tegelijk volkomen harmonisch zou ontwikkelen, dan was er geen onderscheid meer, dan was het goede tegelijk met het kwade verdwenen. Dan was er geen criterium meer. Het hoge bestaat dank zij het lage, en omgekeerd. Zonder duis­ternis was er geen licht. Duisternis is het ont­breken van het goede. En het goede is, vol­gens de prachtige definitie van Thomas van Aquino: ‘Dat, waar alles naar streeft.’ Plus maal plus blijft plus. Dat weten we uit de algebra. Maar er is niet alleen plus. Er is ook min, in de wereld en in onszelf. Het ongelouterde deel van onszelf uit dit leven en uit vorige levens dragen wij met ons mee. Dat kunnen wij niet ontlopen, al proberen wij het weg te stoppen. Wij moeten er mee leven en het vereffenen. Maar min maal plus of plus maal min wordt altijd min! De enige mogelijkheid om een negatief getal positief te maken is: het te vermenigvuldigen met een negatief getal. Hoe is dat te begrij­pen? Moet je dan een duivel worden? Nee, je moet vermenigvuldigen! Wij bidden: leid ons niet (negatief) in verzoeking (negatief). Een getal is een resultaat, of het nu positief of negatief is. In de geestelijke wereld komt het aan op het doen.

Om de duivel te overwinnen moeten wij in de materie duiken en een verbond met hem sluiten. Dat doen wij al, wanneer wij op aar­de komen. En wij zullen het tijdens ons le­ven vele malen moeten doen. Waar het om gaat is de mate van bewustzijn waarmee wij dat doen. Hoe minder het kwaad herkend wordt, des te gevaarlijker wordt het. Wij hebben allen zowel het kwade als het goede in ons. Wij hebben Sneeuwwitje in ons, maar ook de boze koningin. Wij kunnen allen een priester of priesteres worden, maar ook een heks.

Kundrie
Wij leven in een Michaëlische tijd, waarin de strijd tegen de abnormale geesten een hoog­tepunt bereikt. Wel is de tijd, waarin het ma­terialisme hoogtij vierde, voorbij. Miljoenen zoeken naar het contact met de geestelijke wereld. Maar is ons streven naar de geest in dienst gesteld van onze medemens of is het op eigen voordeel gericht? Het is een strijd op leven en dood om de heks in ons te over­winnen.

Met meiboom en meitak begon het oeroude feest van het ontwakende leven, van de over­winning op de dood. Het mysterie van Golgotha, Christus’ dood en opstanding, maakte dit feest tot een doodsoverwinning, die voor ieder mens mogelijk is. Een andere weg dan die van Christus om de aardedood, de dood van de materie, te ontvluchten, en ongedeerd de geestelijke wereld te bereiken, is er niet. Meiboom en meitak zijn tot een Christus­symbool geworden in de palmpaasstok. Deze moet de Wolwa-staf en de heksenbezem ver­vangen.

Vroeger werd de mens die open stond voor de geestelijke wereld, maar daar eigen voor­deel uit probeerde te halen, als heks buiten de samenleving geplaatst. Nu, in deze tijd van groeiend ik-bewustzijn heeft iedere zoe­ker naar de geest een ontmoeting met zich­zelf. Het ongelouterde deel van zijn wezen, wat de mens niet gezien of verdrongen heeft, de heks, komt tevoorschijn. De heks is niet meer alleen temidden van ons, ze is ook in ons.

Het prototype van deze heks is Kundrie uit Wolfram von Eschenbachs Parcival. Parcival is opgenomen in de kring der edelste ridders.
Als een engelachtig wezen komt hij hen voor Maar dan komt Kundrie-de-heks op hem af. Zij ziet er afstotelijk en dierlijk uit, al kent zij ook vele talen en beheerst zij vele weten­schappen. Zij klaagt Parcival aan en ver­vloekt hem om zijn verstokt gemoed, waar­door hij zweeg in de Graalsburcht en de vraag niet stelde die de visserkoning uit zijn lijden, dat hij door Kundries schuld moest ondergaan, zou hebben verlost. Parcivals heiligheid blijkt een drogbeeld. Men kan de moeilijke treden van het materiële aardse le­ven niet overslaan. Alle uiterlijke successen en eerbetoon in de wereld blijken uiteinde­lijk waardeloos.
‘Kundrie bracht’, zo zingt de dichter, ‘zo onvriendelijk en toch zo trouw, aan de held Parcival diepe smart.’ Parcival zelf zegt: ‘Een streng oordeel is over mij uitgesproken. Het zou zinloos zijn mij hier nog te willen recht­vaardigen.’ Pas in de Graalsburcht, in de Christusburcht, worden zowel Parcival als Kundrie verlost.

De christelijke ontwikkelingsweg is deze: dat wij trachten goed en kwaad zó bij elkaar te brengen, dat wij de richting, waarin onze ontwikkeling moet gaan niet uit het oog verliezen.                                                                 

Met Sint-Jan heeft de aarde zich overgegeven aan de kosmos. Ook de mens gaat dan op in de levensvolheid der natuur. Alle levensfees­ten, wanneer de dag langer is geworden dan de nacht, vinden hun hoogtepunt op het moment van de zomerzonnewende, als de Christuszon haar hoogtepunt bereikt. Maar op datzelfde ogenblik worden de dagen korter. Dan begint de mens, die zich met Moeder Aarde heeft overgegeven aan de geestelijke wereld, tot zichzelf te komen. Dan begint hij te beseffen, dat hij al het oude moet afleggen dat de leugenwolf der oude helderziendheid voor hem verderfelijk is geworden, dat de draak van de “zelfzucht hem van alle kanten belaagt en dat hij zelf uit eigen vrije kracht, met Christus’ hulp, de weg naar de geestelijke wereld terug moet vinden. Dan begint hij te begrijpen, dat de heks in onszelf overwonnen moet worden en wij als Wolwa, als Wala, ernaar moeten streven ‘met helende handen te gaan door het leven’, zoals de Edda zegt.

De heks is bezeten, de priester(es) geïnspi­reerd. Aan de zondares werden al haar vele zonden vergeven, omdat zij veel echte liefde gaf. (Luc. 7:47). Verscheen de opgestane Christus niet het eerst aan Maria van Magdala van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had? (Marc. 16:9). Dit ligt allemaal besloten in het woord van Johannes de Doper, wiens geboorte wij in de Sint -Jansnacht vieren: ‘Christus moet groeien in mij, ik moet afne­men.’

.

St.-Jan: alle artikelen
.

Jaarfeesten: alle artikelen

.

205-194

.

.

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

­