Categorie archief: tekenen

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde – tekenen/schilderen

.

tekenen schilderen 6

De eerste biologieles in de vierde klas, beginnend met mens-en dierkunde, stelt de leerkracht al gauw voor de  dringende vraag: hoe ontwikkel ik bij de kinderen het vermogen om een voorstellingsbeeld van iets wat besproken is, dat ze denkend en voelend beleefd hebben, op een kunstzinnige manier, d.w.z. levend-scheppend te kunnen uitdrukken.
Iedere poging op dit vlak, wat het ook is, zal de vrije ontplooiing van de wil bevorderen.
In de drie voorafgaande schooljaren leerden de kinderen de kleur- en vormwereld als elementen op zich kennen. Niet de nabootsing van uiterlijke voorwerpen werd geoefend, maar het beleven van de kwaliteit van een kleur in relatie tot andere; de spanning en de beweging van een lijn stonden op de voorgrond.
Nu komt het uitbeelden van de planten- en dierenwereld erbij en daarmee beginnen de problemen. Tekenen met penseel, kleuren met potlood? Hoe ver ga je met contouren?
Laten we eens naar het materiaal kijken dat tot nog toe werd gebruikt.
De waterverf maakt vloeiende vlakken mogelijk – de elementaire stemming van de omgeving van het dier: aardachtig-donker bij de muis; water, koelte bij de vis; zonnig verlicht tot schemerig groen van het bos bij het hert en de vos; hitte op de steppen of savannen bij leeuw en giraffe enz.
En de vorm? Kunnen de kinderen op deze leeftijd met een brede penseel de karakteristieke vorm van het dier laten ontstaan? Als aanduiding, zeker. Uit de koele kleurnuances kan de vorm van de vis; uit de rood-gele kleuren de vorm van een springende leeuw bij benadering ontstaan. Hoe sterker de kinderen zich met de door de leerkracht (met woorden) geschetste dierfiguur kunnen verbinden, met des te meer zekerheid zullen ze de kleuren vinden om met overtuiging tot een verbeelding te komen.
Maar hoe moet het wanneer ze een hert, een giraffe, muis of zebra moeten weergeven?
De kinderen zullen beginnen in de eerst opgebrachte kleurvlakken met het penseel te tekenen en weer weg te nemen: dunne poten, lange halzen, spitse snuiten. Alles wat karakteristiek is aan het dier zullen ze willen tekenen. Dat is een heel natuurlijke behoefte – maar met het brede penseel?
Alles wat tot nog toe met waterverfschilderen geleerd is, staat daarmee ter discussie. Het gevoel om nog meer met kleurvlakken te werken dat tot dan toe consequent ontwikkeld werd, wordt ineens niet meer aangesproken.
De omtrekslijn daarentegen zal nog steeds wat minder precies en vaag blijven. Maar de kinderen willen en moeten een vorm kunnen maken van wat als beeld in hen ontstaan is.
Aan de andere kant is het voor de kinderen nog niet mogelijk, ondanks de vele tekenoefeningen, een dier zuiver met lijnen te tekenen. (Bedenk wel wat het betekent om een voorwerp naar eigen voorkeur met weinig lijnen op papier te zetten). Dat wordt op dit niveau of slechts wat werktuiglijk en nietszeggend, volgens de methode: teken een ezel met alleen maar driehoeken en de haas met cirkels, of het wordt grotesk à la Micky Mouse.

tekenen schilderen 5

Je zult dus een overgang moeten vinden van de elementaire kleurstemming naar de karakteristieke (en tegelijkertijd anatomisch juiste) vormgeving zoals die ook later op de bovenbouw nodig is. Een schilderend tekenen waarbij de omgeving en de gestalte door de kleur in harmonie gebracht kunnen worden, zoals dat door de kinderen in harmonie ervaren wordt.

In de loop van de schooltijd is het onze opdracht in de kinderen het vermogen tot een heldere oordeelsvorming te ontwikkelen. Voor de leeftijd die hier besproken wordt, moet voorafgaan een levendig kunnen meebeleven, zoals op de meest voorkomende manieren uit de van buiten en van binnen werkende krachten de zuivere vorm van ieder voorwerp ontstaat.

De hier geschetste poging werd eerst in een vierde klas gedaan, dan ook in een vijfde en zesde ter voorbereiding op het handenarbeidonderwijs.
We hadden een grote doos met restjes oliekrijtjes, zodat alle kinderen hetzelfde materiaal hadden. Het uitgangspunt was niet de diervorm, maar altijd de omgeving. Deze dan meer licht met kleur aangegeven om vandaaruit langzaam verdichtend tot een vorm te komen. Als van binnenuit groeien dan aan de ronde of langwerpige romp de ledematen en de andere belangrijke organen.
Hier moet worden opgemerkt dat vanzelfsprekend iedere tekening wordt voorafgegaan door een gedegen vertellende schets, zoals door H.Rutz in het aprilnummer* indrukwekkend is beschreven. In een vijfde of zesde klas kan dat wat korter en geconcentreerder gebeuren.

tekenen schilderen 1

De afbeeldingen zijn helaas niet in kleur.

lll is het werk van een jongen die nog maar korte tijd in de klas was. Hij had alleen de teken- en schilderlessen van het laatste halve jaar meegedaan. Aan de bovenkant zie je wat hij eerst probeert: uit de beweging van de hand de vorm van de muis te pakken. Dat lukt niet. Maar de jongen wil graag en is handig, hij begint direct eronder met bruin en violet een aardachtige omgeving aan te duiden. In het midden wordt het violet dikker en verschijnt het langwerpige rompje van de muis en dan pas begint hij met de details: het nieuwsgierige spitse snuitje en de snorharen, tot aan de lange staart.
Het vierkante oliekrijt maakt een fijnere lijnvoering mogelijk door de scherpe kant, zoals eerder de vlakke kant zorgde voor het kleurvlak.
Daar zit dan het kleine muisje, een beetje in elkaar – maar wakker en gespannen.

De andere tekeningen zijn van kinderen die vanaf de eerste klas bij ons waren. Aan het krachtige gebruik van lijn en ruimte spreekt een grotere zekerheid.
Hoe slim steekt de egel zijn snuit uit zijn beschermende stekelhuid (IV):

tekenen schilderen 2

en hoe voorzichtig bedachtzaam sluipt de vos door het struikgewas:

tekenen schilderen 3

Hier kunnen maar weinig tekeningen afgebeeld worden. De leeuw is van een kind met een bijzonder talent:

tekenen schilderen 4

Dikwijls vind je in de tekeningen van kinderen die in hun vrije tijd uit zichzelf niet naar het tekenkrijt grijpen, de grootste fijngevoeligheid en lichtheid. Ieder kind vindt zo zijn weg naar een beeldende voorstelling; en deze gemoeds- en wilsactiviteit zal veel kunnen bijdragen aan het sterker worden van een innerlijk waarnemen en van de oordeelsvorming.

Hildegard Andrae, Erziehungskunst 18e jrg.-5-1954

Hierin staan nog meer zwart/witillustraties

*(nog) niet op deze blog verschenen

Dierbeschrijvingen: Grohmann – leesboek voor de dierkunde

Dierkunde: alle artikelen  m.n. nr.4 – het tekenen van een leeuw

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

zie vooral ook: Anke-Usche Clausen: Schöpferisches Gestalten mit Farben

waaruit de bovenste en de hieronder volgende:

tekenen schilderen 7

tekenen schilderen 8

deze tekeningen zijn gemaakt met de ‘blokjes’ van Stockmar: een uitstekend materiaal om vlakken te tekenen; de scherpere kanten maken ook details mogelijk.

1047

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – tekenen – zwart/wit (2-2)

.

OMTREKLIJN OF ARCEREN?

In de tekenoefeningen op de vrijschool, begonnen met de ‘rechte en de ronde’ in de 1e klas, tot aan de gecompliceerdere (a)-symmetrische vormen, wordt de lijn als een zelfstandig uitdrukkingsmiddel gebruikt. Ze is hierbij niet tot omtreklijn gedegradeerd die iets uitbeeldt, de contouren vormt van een voorwerp, maar ze is er zelf de de kunstzinnige uitdrukking van. Ze staat op zich; ze blijft op haar eigen terrein.

Deze feiten moet je zeer zorgvuldig onder ogen zien, willen er geen misverstanden ontstaan over de tekenoefeningen die Rudolf Steiner voor de pedagogie heeft gegeven. De verleiding is groot om de lijn als hét middel te gebruiken om iets uit te beelden in bijv. plant- dier- of menskunde.
Het gebied van de ‘pure of zuivere vormen’, waarbij de lijn met haar kunstzinnige beweging, met haar levendige kracht het alleen voor het zeggen heeft. en moet hebben, mag niet verwisseld worden met het tekenen van (af)beeld(ingen) – ook niet van levende vormen (bijv. van dieren).

Iedere keer wanneer Rudolf Steiner over dit gebied komt te spreken, keert hij zich zeer scherp tegen de contourlijn; hij noemt die een onwaarheid, een leugen, die in de schilder- en tekenkunst niet toegepast zou moeten worden.
In de 2 voordrachten ‘Stijlvormen van het organisch-levendige [1] zegt hij: ‘Is de lijn dan waar; is de tekening waar? Eigenlijk niet. Kijk eens naar de lijn van de horizon: die is er wanneer we erboven de kleur van de blauwe hemel  en daaronder die van de groene zee vasthouden. Wanneer we boven een blauw hemelvlak schilderen en onder de groene zee, ontstaat de lijn als de grens van beide vanzelf. Wanneer ik echter met een potlood de horizon als lijn teken, is dit eigenlijk kunstzinnige gezien, een leugen.’

En in de Torquai-cursus 1924 [2] staat:
“Wat is er aanwezig. (De omtrek van een gezicht wordt getekend (tek.2). Bestaat zoiets? Zoiets bestaat  helemaal niet. Dit bestaat wel (er worden schuine streepjes gezet, tek.3). Nu, enz., er zijn bepaalde vlakken in licht-donker en daaruit ontstaat dan een gezicht. Lijnen tekenen en daarmee een gezicht maken, is een onwaarheid. Dat bestaat helemaal niet.
(  ) Maar het kind niet aanleren met lijnen een paard te tekenen of een hond, maar het kind moet een penseel nemen en moet een hond schilderen. Dus in ieder geval niet tekenen. De begrenzing van de hond is er helemaal niet.’

Wie inzicht heeft gekregen in de moderne schilderkunst, zal daarin de contourlijn als een wezenlijk onderdeel van de voorstellingen hebben leren kennen. Zou je bij sommige hooggewaardeerde beelden de omtreklijn weghalen, dan bleef er van de kunstzinnige uitdrukking niet veel meer over. De moderne schilder kan eigenlijk nauwelijks nog zonder de omtreklijn; die geeft zijn beelden kracht; die brengt de kleuren pas tot glans. Maar een zorgvuldig geschoolde waarneming die niet zo lijdt onder onze tijd van techniek, zal met pijn in het hart in de moderne beelden starheid, en skeletachtigheid waarnemen. Het begrenzen of afsluiten van het beeld of de kleurvorm van de omgeving, hangt samen met ons eenzijdig intellectueel bewustzijn, dat er voortdurend op uit is de levende dingen van elkaar te scheiden om er met het verstand bij te kunnen.
We zouden kunnen zeggen dat het scherpe, alles afpalende intellect de contourlijn in de schilderkunst heeft gebracht die daardoor in het gevaar verkeert, te niet gedaan te worden. Zo is ze ook in de tekenkunst, in de voorstellingen met zwart-wit terecht gekomen; alleen met dit verschil dat je niet zo duidelijk merkt, dat ze ook hier niet op zijn plaats is.
We hebben het aan Rudolf Steiner te danken, dat hij niet alleen het schilderen, maar ook het zwart-wit van de contourlijn heeft bevrijd en daarmee beide kunsten weer aan leven geholpen. We moeten niet blind aan deze cultuurdaad voorbijgaan. Het is de daad van bevrijding van de beide kunsten uit het bereik van de dode techniek van het materialisme, van het intellectualisme.

De verlevendiging van het zwart-wittekenen ziet er aanvankelijk, zoals zoveel bij Rudolf Steiner heel eenvoudig uit, zo simpel dat het dikwijls helemaal niet serieus wordt genomen of wordt opgemerkt. Het gaat hierbij om het weergeven van zwart-witnuances die met een bepaalde arceertechniek van rechtsboven naar linksbeneden uitgevoerd wordt. [3]

arceren 8
(Het bezwaar dat deze techniek al door de oude meesters werd gebruikt en dus niets nieuws behelst, berust op onwetendheid op het gebied van het tekenen. De oude meesters gebruikten die alleen als achtergrond voor schaduwpartijen die bij het verdere werk door erover liggende, in een andere richting gearceerde vlakken weer verdwenen. Vandaar dat we ze alleen aantreffen bij schetsen en niet afgemaakte bladen, maar wel vaak van een bijzonder mooie werking).

Iedere van tevoren getekende – al is het maar een aanduidingsgewijze schetsmatige – contour moet zoveel mogelijk worden vermeden om een te vroege fixatie te vermijden. Dat vraagt beslist veel moed en vertrouwen in het kunstzinnig wordingsproces en tegelijkertijd worden met de meer gevoelsmatig bepaalde vermogens heel heldere bewustzijnskrachten opgeroepen bij dit kunstzinnige.

De tekenmethode van nu werkt uit een instinctief gevoel; eerst komt de omtreklijn, bij de modernisten dikwijls zwaar, vanuit een soort lichamelijke vitaliteit,  die begrenst de dingen meer of minder subjectief-temperamentvol en verdeelt zo het vlak, vormt allereerst de ‘compositie’. Met behulp van een omtrekgeraamte  wordt ze het uitgangspunt voor het beeld dat aan het ontstaan is, terwijl de nieuwe methode afziet van de zekerheid van het dragende geraamte en moedig vanuit een plek beginnend het vlak verovert. De compositie wordt nu het resultaat. Een totale ommekeer van een kunstzinnig wordingsproces is ontstaan. De oude methode legt de verdeling van de beeldvlakken door contourlijnen vanaf het begin vast en al het verdere uitgevoerde werk, of het nu in zwart-wit is, of in kleur – is min of meer alleen nog een opvullen van de verdeelde vlakken.
Op deze manier komt er vanaf het begin iets onwrikbaar stars in de beeldcompositie dat de kunstenaar door een zo groot mogelijke persoonlijke techniek levendiger probeert te maken.
De schraffeermethode daarentegen kan niets vastleggen, nergens in het beeldveld iets begrenzen; ze laat aan de fantasie nog lang speelruimte binnen het ontstaansproces van een beeld; het beeld kan daardoor tot het klaar is nog groeien en rijpen.
Om zo in het niets van een vlak, zonder aangrijpingspunten van een lijn, te werken, heb je moed nodig en om de licht-donkerwaarden met behulp van een zorgvuldig arceren uit te voeren: geduld.

Maar we moeten ook nog naar iets anders kijken.
Wanneer bij het tekenend weergaven van een ding, zij het vanuit het temperament, zij het met een dunne, vage, zij het met een zwierige, zij het met een uitgesproken harde lijn, gecontoureerd wordt, om het even of het meer naturalistisch is, dan wel in abstracte zin, snelt de kunstenaar a.h.w. te sterk het ding zelf binnen. Steeds, in ieder geval met het beginnen van een object binnen een omtreklijn is het gevaar verbonden, dat je je verliest in het teveel ding worden en niet genoeg bij het kunstzinnig objectieve blijft. Daartegenover staat het arcerende tekenen dat het ding alleen maar aanstipt omdat het alleen de vlakachtige licht-donkerwaarden wil laten verschijnen en nooit de begrenzing van het ‘teveel ding worden’ overschrijden kan. Het wordt op technisch vlak door de eigen methode beschermd tegen het onkunstzinnig naturalistische.
Wat meestal als moeilijk wordt ervaren en waardoor velen ervoor terugschrikken, is de onafhankelijkheid van het arceren van de vorm van het ding. Je moet steeds weer je best doen (wat echter wakker maakt) om je niet te laten beïnvloeden door de vorm wat de richting van de arceringen betreft. Maar daarin ligt ook het verfrissende en het tot objectiviteit komen van deze methode.
Zo bestaat bijv. de opvatting  dat je het krachtige groeien van een boom in de stam alleen maar kunt uitdrukken , wanneer je de lijntjes met de groeirichting van de stamt mee laat gaan. Dat je je dan hier niet alleen in de vorm verliest, maar ook nog in inwendige levensprocessen die met het kunstzinnig weergeven helemaal niets te maken hebben, wordt in zijn geheel niet opgemerkt.

Vanaf welke leeftijd kun je het arcerende tekenen oefenen? Strikt genomen, zoals het eigenlijk bedoeld is, pas na het 14e jaar, wanneer naast de vooropgestelde innerlijke aanwezigheid van licht-donkerproblemen in de ziel, er ook technische vaardigheid voor dit tekenen is. Minder strikt, aangepast aan de mogelijkheid van de kinderen, kan het ook op de basisschool gedaan worden. Bij de kleinere kinderen tot de 3e, 4e klas waarbij het hoofdzakelijk gaat om het illustrerend weergeven van verhalen die gehoord zijn, kun je het beste oliekrijtjes nemen die ook met de brede kant te gebruiken zijn.

Ik ben op de onderstaande inhoud ingegaan op het eind van dit artikel. (In blauw)

Vanaf klas 4 wanneer ook getekend wordt n.a.v de zaakvakken, in de dier- en menskunde, hoort het bij de stof het blad niet meer kleurig ‘bont’, maar in één kleur, behorend bij het voorwerp te behandelen. Dat zou de eerste stap kunnen zijn om vanuit de kleurenwereld naar het licht-donker over te gaan, maar nog binnen de wereld van de kleur. Later zou je wellicht over kunnen gaan op het warme roodkrijtstift dat wel al mooi licht-donker tot uitdrukking brengt, maar nog in een licht scala. Het zwart als eigenlijk middel voor het tekenen kan pas volledig gebruikt worden na het 14e, wanneer zielenkrachten ontwikkeld zijn die het zwarte in evenwicht kunnen houden.

Hoe kun je nu te werk gaan binnen de dierkunde, om bijv. een dier weer te geven, wanneer er een karakteristieke beschrijving aan vooraf gegaan is.

Er zijn veel verschijnselen in het dagelijks leven die onze fantasie prikkelen en vleugels geven; de bekendste daarvan is wel een met wolkenflarden bedekte hemel. Wie heeft niet eens geprobeerd in de zich voortdurend veranderende wolkenvormen alle mogelijke vormen te zien. Er zal nauwelijks een kind te vinden zijn dat daarbij niet razend enthousiast werd en een beeldend kunstenaar.
Wat is echter het geheim van dit proces? We hebben te maken met flarden die voortdurend van vorm veranderen en in ons de kunstenaar mobiliseren. Maar deze zich veranderende flarden kunnen we met behulp van het arceren met gemak zelf scheppen, daarvoor hoef je geen ‘kunstenaar’ te zijn.

arceren 9Je kunt bijv. een of ander vlak arceren; dat kun je dan horizontaal uitbreiden tot een langwerpige vorm die op de romp van de meeste dieren lijkt. Wanneer ik die vorm aan de ene kant nog verder uitwerk tot een punt (kop), de andere kant op tot een lang dun ding (staart) teken ik naar boven waar kop en romp elkaar ontmoeten twee kleine verhoginkjes (oren) en van onderen vier kleine streepjes (poten) en zo ontstaat er vanzelf een muis.

Dit voorbeeld wil geen recept zijn om een muis weer te geven, maar om te laten zien hoe uit het zich veranderende vlak op een fantasievol kunstzinnige manier het motief zichtbaar wordt. We beginnen niet met een vage voorstellingsgedachte van de muis, maar met het vlak en veranderen dit zo (net zoals een wolk verandert), tot het kunstzinnige motief steeds zichtbaarder wordt. Alleen deze manier van werken is in overeenstemming met het vermogen van het kind in de basisschool, iets te maken. Het ziet en ervaart de voorwerpen nog niet als plastisch met contouren, maar veel meer als een schilderachtig vlak. Het eigenlijke ‘leren zien’, het omvatten van de voorwerpen met de kruisrichtingen van het oog en in het bijzonder het ‘leren zien’ m.b.t. het tekenen, ontstaat pas na het 14e jaar.

Deze muisjes komen in de kunstzinnige vormgeving tot leven, als de vlakken uit het licht-donker van het hele vlak naar voren komen, dus de dieren in samenhang met hun omgeving.

Hoe verschillend een vlak met behulp van een fantasievol scheppend zien uitgewerkt kan worden, kunnen de voorbeelden laten tonen die nog met veel meer uitgebreid kunnen worden. Ze kunnen je erop attent maken hoe veel variaties en mogelijkheden tot omvorming in zo’n eenvoudig vlak zitten.
(Bij deze beelden was het niet de bedoeling een motief door ‘uitsparing’te laten ontstaan (dus door eerst de omgeving te arceren).

arceren 10

 

 

 

 

 

(    )

Alles wat we het kind aanbieden, werkt door tot in het fysieke. Door de groeikrachten wordt het een deel van het lichaam dat opgebouwd wordt. Omlijnde tekeningen hebben net zo’n werking als dode begrippen, als iets wat onbuigzaam is, afgepaald, wat niet mee veranderen kan, dat niet meegroeien kan in het jeugdige organisme en tot ballast wordt. Daarom is het zo belangrijk dat, wat in een kind te vroeg al vastomlijnd en schematisch geworden is (boompjes, huisjes, enz.) door kleur (schilderen) en het arcerende tekenen van vlakken weer gaat stromen, in beweging komt. Door de tegenwoordige, hoogst schadelijke invloed van de omgeving, komt het kind te vroeg in een verhardingsproces. En steeds meer en duidelijker zal de toekomst laten zien hoe heilzaam en verbeterend kan werken, wat Rudolf Steiner voor het schilderen en tekenen aangegeven heeft.

Carl Fröbe, Erziehungskunst, 18e jrg. 11-1954

Bij mijn weten heeft de manier van werken die Fröbe hier in 1954 propageerde, niet tot een algemeen gebruikte methode van het tekenen op de vrijeschool geleid.
In het boek van Jünemann/Weitmann: ‘Die künstlerische Unterricht in der Waldorfschule’: wordt de arceertechniek alleen genoemd voor de bovenbouw; in Jünemanns boek over bordtekenen staan geen illustraties met arceertechniek.

Anke-Usche Clausen besteedt er in haar boek: ‘Zeichnen = Sehen lernen veel aandacht aan, maar vanaf eind klas 7! en vooral voor de bovenbouw.
In haar ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben’ komt de arceertechniek, dus met kleur, niet voor.

Dat wil niet zeggen dat er geen vrijeschoolleerkrachten zijn die de leerlingen in de onderbouw, met kleur, de arceertechniek laten gebruiken.

In deze tekening uit ‘De Vrije School‘ is overduidelijk een streepjestechniek te zien. Een kind komt daarop niet zelf.

koningsbeeld


De gearceerde randen doen voor mij wat gekunsteld aan, vooral wanneer je het vergelijkt met deze:

 

K 4

Ook bij het weeergeven van de letter zelf, heb ik mijn grote twijfels of je dat wel op deze manier moet doen:

letterbeeld K 2

 

Ook al begint het schrijven met tekenen, als de letter eenmaal zichtbaar is geworden, moet deze ook ‘geschreven’ worden, d.w.z. 1 vertikale lijn (de rechte!) van boven naar beneden; de 2e (rechte) van rechtsboven naar de vertikale toe en vanuit het raakpunt een rechte schuin naar rechts beneden, dus zoals de rode hierboven. Stoppen bij het raakpunt en dan weer opnieuw aanzetten ‘ergens’ op de schuine is een overbodige beweging vanuit de latere schrijfbeweging. Waarom zou je kinderen iets aanleren wat ze later weer moeten afleren! 

De vraag is dus of je deze techniek in de onderbouw moet gebruiken. 
Ik heb er zelf wel mee geëxperimenteerd, maar heb het snel losgelaten. Hoewel ik de techniek voor het zwart/wit heel mooi vind, komt deze m.i. pas volledig tot zijn recht als je werkelijk in staat bent bijzonder fijn te nuanceren in de zwart/wit tinten. Het vermogen daartoe ontstaat echt pas rond de puberteit en Clausens tijdstip: eind 7e klas lijkt me in de juiste richting gaan.

De muis en de leeuw in bovenstaand artikel vind ik voor 9 à 10-jarigen toch te star, vooral als je de techniek vergelijkt met die van Clausen die bij het tekenen veel meer vanaf de beweging werkt, wat veel dichter bij het kind van die leeftijd staat:

Clausen 1

 

In het leesboek ‘Zonlicht‘ staan ook gearceerde illustraties: A.J.Miedaner maakte er, maar ook staan er enkele in van leerlingen van de Zeister vrijeschool:

 

arceren 1

 

In onderstaande tekening (uit ‘De Vrije School’) is ‘gewoon’ getekend en is voor mij meer ‘des kinds’ dan de bovenstaande.

 

tekening vrijeschoolkind

 

Nog kunstzinniger vind ik de tekeningen uitgevoerd met de wasblokjes:
(Uit: Schöpferisches Gestalten mit Farben)

 

waskrijt 1

 

Dat neemt niet weg dat de expressie in een arceertekening ook heel mooi kan zijn, mits je de techniek beheerst en dat doe je eigenlijk pas (ver) na het 14e jaar:

arceren 2(Uit ‘Zonlicht’)

Ik wil er niet te ‘zwart-wit’ over doen. Er kunnen altijd motieven zijn waarom jij het voor een kind of een aantal kinderen juist vindt om in de onderbouw met kleur te arceren. Maar al met al concludeer ik wel dat het arceren als zwart-wittechniek een prachtig middel is om jongelui in de puberteit waarin de wereld vanuit de ziel zo zwart-wit kan worden beleefd, als pedagogische hulp te leren omgaan met ‘zwart-wit’. 

In het genoemde ‘Zonlicht’ staan ook een paar zwart-witillustraties:

 

arceren 3

 

Ook bijv. in de delen ‘Zonnegeheimen‘ van D.Udo de Haes (uit deel 2):

arceren 4

 

Groot talent op dit gebied: Assja Turgenieff

arceren 5

 

In ‘Kindheitslegenden‘ Jakob Streit.

In ‘Der Dreigliedrige Mensch‘ van L.Vogel heeft Alfred Stolle illustraties gemaakt met deze arceertechniek:

arceren 6

 

Ik denk dat wanneer je op deze manier in bijv. de 8e klas delen van het skelet tekent, je niet meer zo snel vergeet hoe een voet eruit ziet; of een ribbenkast.

 

arceren 7

meer

Maar die kan ook weer zo:

zwart-wit houtskool 1

Hier is de wart-wittechniek a.h.w. een toegepaste bij een vak. (Uit ‘De Vrije School’)

Uiteraard is deze techniek vanaf eind 7e en verder tot in de 12e (d.w.z. wanneer de vrijeschool tot in de hoogste klas echt vrijeschool kan zijn) mede een deel van het tekenonderwijs. 
Zie daarvoor bijv. voor klas 9: Hell-Dunkel-Zeichnen im 9. Schuljahr auf dem Hintergrund der Schwarz-Weiss-Kunst Dürers;
10e klas: Umsetzen von Schwarz-Weiss in Farbenphantasie,
in  ‘Die künstlerische Unterricht in der Waldorfschule’

[1] Voordrachten van 28 en 30 december 1921 in GA 287-290. Hoe opnieuw uitgegeven niet duidelijk.
[2] GA 311/133-134
Vertaald
[
3] zie artikel van Assja Turgenieff

 

6e klas: zwart-wittekenen  [1]    [2]

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas -zwart-wittekenen – alle beelden

 

 

1005

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – tekenen – zwart/wit (2-1)

.

Rudolf Steiner maakte tijdens zijn voordrachten soms bordtekeningen om zijn woorden te verduidelijken. 
Die zijn lang niet alle bewaard gebleven.
Sommige werden op zwart papier gemaakt. Daarvan zijn er wèl een aantal bewaard.
N.a.v. die schetsen zijn in de gedrukte uitgaven van de voordrachten tekeningen gemaakt door o.a. Assja Turgenieff. Ze deed dit op een speciale manier: ‘met schuine streepjes – schrafferend; arcerend.

Ze maakte met deze techniek vele illustraties:

6e klas zwartwit vb Turgenieff 1

bij de ‘Kindheitslegenden‘ die Jakob Streit navertelde, bijv.

In haar boek ‘Die Goetheanum-Fenster-Motive tekende ze herinneringen op aan Steiners aanwijzingen voor het zwart/wit tekenen.

Haar uiteenzettingen over kunst en wat ermee samenhangt vond ik altijd best lastig te doorgronden. 
De aanwijzingen die erin staan voor de techniek van het arceren, helpen wel mee je goed voor te bereiden op de lessen die je in de 6e, maar ook in hogere klassen, wilt geven 

Steiner:
“De strepen mogen nooit met de vorm meegaan, – ze moeten niets met de vorm van doen hebben. Kijk, zoals bij u, de strepen gaan, hoewel heel miniem, afbuigend mee met de plastische vorm. Dat is fout. Je moet leren arceren helemaal onafhankelijk van de vorm. Dus nooit dergelijke strepen maken:

 

6e klas zwartwit vb Turgenieff 2

 

anders ontstaat er een lijn; – maar de lijn is een leugen in het kunstzinnige. – De lijn mag je wel gebruiken bij de opbouw van een tekening, maar niet verder dan wanneer een architect een steiger gebruikt om een huis te bouwen. Wanneer het huis klaar is, zijn de steigers weg. U mag dus niet van de lijn uitgaan en op het eind van de tekening moet ieder spoor van contour verdwijnen.

De strepen moeten heel duidelijk zichtbaar zijn, vrij, karakteristiek,

6e klas zwartwit vb Turgenieff 3               zo                                                                                                         of zo
Het karakter moet in de strepen zelf liggen, zo gevarieerd mogelijk; smal of breed  enz. Dat maakt het kunstzinnig. Wanneer u een vlak donkerder wil maken, kunt u  wat mij betreft – wanneer u het niet anders voor elkaar krijgt – kruisen; maar schuin – nooit onder een hoek. Probeer het echter te bereiken door de strepen dunner te maken, nieuwe strepen daartussen waardoor de richting van de strepen altijd hetzelfde blijft.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 4

 

Hiermee bevrijdt u het tekenen van de lijn, want de lijn in het kunstzinnige is nergens mooi.”

Om daarover meer zekerheid te krijgen, liet ik hem tijdens een euritmie-oefening een euritmievorm zien die hij zelf getekend had. Hier was het een en al lijn en toch was het kunstzinnig mooi.

“Dat denkt u maar, dat die mooi is,” antwoordde hij; “die is pas mooi wanneer ze in de ruimte wordt gelopen. Dit is bedoeld voor in de tijd. Een lijn is alleen kunstzinnig op zijn plaats,” voegde hij toe, “in een karikatuur; want de karikatuur is puur intellectueel. Daar is de lijn op zijn plaats.”

In gesprekken over deze techniek, vooral met kunstenaars die m.n. op het gebied van de grafiek werkzaam waren, stootte ik meer dan eens op weerstand. Dat kan zo samengevat worden:
Dat de kunstenaar zich niet hoeft te onderwerpen aan een opgedrongen wet, maar zijn temperament vrij moet volgen, – dat deze aanwijzingen geen nieuwe kunstzinnige impuls zijn, – veel meer een speciale techniek die – wanneer je die daadwerkelijk zou gaan toepassen – vervelend is, zelfs afstompend werkt. Dat er geen rechtvaardiging bestaat om een speciale streepjeslaag te kiezen; dat  het onmogelijk is om op deze manier tot werkelijke vormgeving te komen.

Omdat deze bezwaren steeds weer naar voren kwamen, geloof ik dat het op zijn plaats is, een paar ervaringen weer te geven die ik aan de hand van deze techniek opgedaan heb. Want Rudolf Steiner bedoelde hiermee geen dogma en geen kunsttheorie, maar concrete aanwijzingen waarmee je praktisch oefenend nieuwe dingen leerde, nieuwe dingen uitwerkte……..

 

Assja Turgenieff spreekt dan over een schets die Dr. Steiner voor de beeldhouwsters Miss Maryon maakte helemaal met deze streepjestechniek; ongeveer in de tijd toen Dr.Steiner met mij over de arceertechniek had gesproken.
De schets stelde een vrouw voor die zich naar een groep kinderen boog. Ik teken deze uit mijn herinnering. Slechts een zwakke afspiegeling, – maar de hele gestalte en beweging was er al. En toch kreeg je het gevoel: de gestalte kan nog veranderen, nog dieper buigen, de handen nog verder uitstrekken; ze liet de toeschouwer vrij. Ze liet ook aan de kunstenaar de volle vrijheid, tot het punt van afronding van het totaalplaatje, nog te veranderen; de vormgeving te zoeken. Dat had niet gekund bij een vastgelegde contour.  Het behoort ook tot de eerste ervaringen die je door deze methode opdoet: een van tevoren getrokken contourlijn ervaar je als dwang. Een kunstenaar die zijn beeld in lijnen vastlegt, neemt daarmee het puur kunstzinnige van tevoren weg; maakt zijn activiteit geringer. Door het zoeken naar de vorm zonder omtrekslijnen, heeft hij de mogelijkheid, tot het beeld klaar is, in het wordingsproces, bij het ontstaan zijn werk vorm te geven.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 7

 

“U moet een vlak maken en daarop uw hele gevoel, uw aandacht richten en dan het andere vlak” – zei Dr. Steiner vaak tot ons bij het snijwerk aan de architraven in het Goetheanum, “en nieuwsgierig, gespannen erop wachten welke grenslijn tussen de beide vlakken ontstaat. Die moet je nooit van tevoren bepalen.”

In overdrachtelijke zin is deze uitspraak ook van toepassing op het tekenen. Afzien van een vastgelegde lijn brengt een onverwacht element met zich mee dat iemand tijdens het werk tegenkomt – je zou willen zeggen -; iets onbekends dat juist een grotere wakkerheid en innerlijke activiteit vereist. Het brengt met zich mee – als je er daadwerkelijk toe komt met deze methode te werken, – een bevrijding van het in het kunstzinnige zo storende vastpinnen van een intellectuele voorstelling, van die activiteit van het hoofd en concentreert, verinnerlijkt het bewustzijn op een activiteit in het gevoel zelf die de tegenstelling koud en warm, licht en zwaar meebeleeft en uit dit innerlijk tasten de vormen gestalte geeft – niet van te voren zich voorstellend, maar direct in het scheppen.

“Slechts in uw hoofd bent u sentimenteel”, zei Dr. Steiner aan ons euritmisten, ‘het hart weet het juiste al.”

Een soort ritme, een ritmische wetmatigheid waarin je met de arceertechniek komt, draagt ertoe bij om ons  ritmisch beleven bij het vormgeven te betrekken.

“Niet met de vorm meegaan”,- deze aanwijzing maakte mij erg ongelukkig bij het tekenen van bomen. De groeikrachten in hun bewegingen door stam en takken met het potlood te volgen, was toch zo vanzelfsprekend. In de tijd waarin ik mij met deze vraag bezighield, herinnerde ik mij een ets van Piranesi. Anders dan op de gewone manier gegraveerd, stond er midden in het beeld een boompje geheel met schuine arceerstrepen. Heel krachtig stond dat boompje daar, – alsof het gemaakt was door het nagaan van de vorm; maar veel levendiger, van licht en lucht doortrokken. Ook dat is één van de eerste ervaringen die je op dit gebied kan hebben, dat juist deze manier van tekenen de beste weg is bij het zoeken naar wat Rudolf Steiner de ‘intensieve’ werking, het van ‘binnen ook lichtende’ noemde.
Met een eenvoudig voorbeeld wil ik nog laten zien, dat met een schijnbaar zich beperken tot 1 genomen arceerrichting de kunstenaar inderdaad rijkere vormgevingsmogelijkheden krijgt, hoewel het eenvormige karakter van het geheel daardoor in de hoogste mate benadrukt wordt.

Laten we eens drie gelijke driehoeken nemen, in verschillende richtingen gedraaid, een keer met de omtreklijn en een keer met schuine arceerstrepen getekend.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 5

 

In het eerste geval, hoe de driehoek ook gedraaid is, de vorm wordt op identieke manier weergegeven. In het tweede geval ontstaat de noodzaak iedere keer anders te vormen, al naar gelang de plaats die ze inneemt in de totaalcompositie. Zou je in plaats van een simpele driehoek bijv. een gezicht in verschillende richtingen op deze manier tekenen, dan zou je zien hoe eindeloos veelvuldig, hoe vrijheid bevorderend daar juist dit eenheidsprincipe een bewijs voor is.
Het is alleen maar een teken van een gebrek aan zelfvertrouwen te geloven dat een erkende wetmatigheid de vrijheid van de kunstenaar, zijn subjectieve beleven nadelig kan beïnvloeden. Veel meer nog dan de beeldend kunstenaar heeft de musicus de bronnen van zijn scheppen in zijn innerlijke beleving te zoeken; en toch is hij niet bang dat hij zijn beleven afzwakt wanneer hij de objectieve  wetmatigheden van de muzikale wereld bestuderend volgt. Ook een intensivering van het subjectief beleven betekent echter ook voor de beeldend kunstenaar het objectiveren van het beleven, – een innerlijke verrijking, wanneer hij het besluit neemt zijn temperament aan de wereld van de vorm te scholen; ook een veroveren van een grotere uitdrukkingsvrijheid, dan de persoonlijke willekeur ooit zou bereiken. Maar de weg van de kunstenaar eist “tussen expressionisme en impressionisme” een intensiever, maar ook een geduldiger studeren.

‘Vijftig keer moet U dit beeld schetsen, – dan wordt het goed”, hoorde ik Dr.Steiner tegen een kunstenares zeggen; en dat tegen een kunstenares die zeer beslist wel wat kon en talent had.

Wanneer je het karakter van de lijnvoering in de eerste eeuwen van het christendom, inclusief Byzantium en tot in de voor-renaissancetijd  vergelijkt met de onze, krijg je daarbij een heel verschillend gevoel. Het is of de middeleeuwse monnik uit een in het onbestemde, in een aan iets totaals  overgeleverd gevoel dit innerlijke leven of schouwen  wilde bevestigen, zich daarvan bewust wilde worden in de door de omtrek bepaalde lijn. Vanuit het goud-groen dat hij mediterend aftastte, lichtte zijn bewustzijn op aan de daarin geschreven tekens.
Wanneer bepaalde moderne richtingen weer proberen toegang te krijgen tot dit beleven van wat er getekend is, wordt hun lijnvoering gekunsteld; krijgt een gedwongen karakter; want het bewustzijn waaruit de kunstenaar nu kan scheppen, is diametraal tegenovergesteld aan dit voor de renaissance liggende bewustzijn. Van nature heeft het de neiging tot begrenzen, tot afscheiden – een abstract worden en een uitdrukking daarvan is de lijn:

“Slechts in het intellect is de lijn op zijn plaats”, meende Dr.Steiner.

Er hoort een wilsbesluit bij en werken met de beleving zelf om van voorwerpen waaraan we gehecht zijn, weer te komen bij ‘wat er tussen de dingen ligt.’
Uit dit gewonnen beleven van een totaliteit wordt ons de mogelijkheid gegeven de begrenzing weer als een teken van de geest te vinden. Gaan we echter in het arceren ‘mee met de vorm’, dan komen we er onwillekeurig toch toe de begrenzing als lijn te gebruiken. Daarmee hangt nog iets anders samen.

Richting wijzend wordt door Rudolf Steiner dikwijls aangegeven op alle gebied van de kunst, een zin van Goethe uit zijn ‘Spreuken in proza”; ‘wie begint het openbare geheim van de natuur te onthullen, voelt een onweerstaanbaar verlangen naar wie dit het waardigst kan uitleggen, de kunst.’ – Schoonheid is de uiting van verborgen natuurwetten die zonder haar verschijnen eeuwig verborgen waren gebleven,’ zei Goethe op een andere plaats.
Wanneer je de verborgen geheimen in het zwart-wit wil ontdekken, dan vind je tussen deze en de wereld van de kleuren een wezenlijk verschil.  Kleuren hebben de eigenschap een te worden met de vorm. Niet alleen de kleuren van de vaste vormen – bijv. die van het incarnaat of van de planten – maar ook de neiging één te worden, met de vorm en de beweging samen te vloeien, zie je bijv. aan de vluchtige verschijnselen aan de hemel. Kijk je echter naar een belicht gelaat dat zich in het licht langzaam beweegt, zie je onmiddellijk aan deze heel eenvoudige waarneming dat licht en schaduw niets gemeen hebben met de vorm. Alleen de werkingen bereiken het zichtbare, die brengen de dingen in verschijning, behoren echter zelf tot een wereld die met de vormen niets gemeenschappelijks heeft, die niet ‘met de vorm samengaat’.

Probeer je meer vertrouwd te raken met deze beide elementen van licht en donker, dan vind je allereerst, wat in de meest eenvoudige optische proeven bekend is, dat het lichte de neiging heeft zich uit te breiden, groter te lijken – het donkere echter werkt naar binnen, kleiner wordend.

6e klas zwartwit vb Turgenieff 6

Het groter worden van het lichte kun je tegelijkertijd als een tendens karakteriseren van het vluchtiger worden, van het licht worden, van wat naar boven streeft, – zoals het donkere als een zich sluitende, zich samenballende kracht kan worden ervaren, die naar onder in de zwaarte schiet.
Wanneer de mens probeert deze dualiteit in zichzelf mee te beleven, zich ermee uiteen te zetten, dan kan hij een gewaarwording hebben, dat zijn linker kant zich meer verwant voelt met de meer vluchtige krachten; de rechter meer met de vaster wordende krachten. Het innerlijke gebaar dat een relatie tot deze beide krachten vormt – het gebaar van een levendig, beweeglijk evenwicht, heeft voor de mens tot gevolg de schuine richting van boven links naar beneden rechts.

De ‘van boven rechts naar beneden links’- voor de kijker – toegepaste streep die de wisselwerking van licht en schaduw veroorzaakt, om het even of je vanuit het lichte naar het donkere toewerkt of omgekeerd, hangt samen met de ‘geheime natuurwetmatgheden’, waarvoor het kunstzinnige de opdracht heeft de uitlegger te kunnen zijn.

“Gelooft u dat je met deze methode nu iets grootsers in het licht-donker kan bereiken dan Rembrandt gedaan heeft?’- werd ik een paar keer gevraagd.
Zeer zeker niet.  Rembrandts kunstenaarschap als gave Gods is en blijft uniek. En tot een erkende, anders gezegd: in het bewuste gevoel waargenomen methode zo ver innerlijk verwerkt dat ze tot een nieuwe scheppingskracht zich in ons metamorfoseert, hoort nog een zeer lange weg van persoonlijke ervaringen; behoort een inspiratie die het werk tegemoet komt. Bovendien behoren deze kunstzinnige mogelijkheden, die we nog maar net kunnen bevroeden, misschien niet tot een toekomst die wij kunnen bepalen. We zouden slechts moeten afzien van deze toekomst van een in de werkelijkheid van de geest opnieuw gefundeerd kunstenaarsschap, was ons niet de mogelijkheid gegeven aan de geestelijke inhoud van de elementen zelf die een kunst tot kunst maken – of het nu het woord is, de klank, kleur of licht en schaduw – te leren die tot onze ‘leermeester te maken’, zoals Rudolf Steiner het eens onder woorden bracht.
Deze dingen kunnen hier slechts gebrekkig geschetst worden. Anderen kunnen aan deze kennis andere ervaringen opdoen. Hiermee wordt slechts aangeduid waarom het belangrijk leek de schijnbaar toevallige, eenvoudige opmerkingen van Rudolf Steiner zo goed als mogelijk weer te geven.

 

Voorbeelden van arceerwerk: VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas tekenen – zwart-wit (2)

6e klas: tekenen zwart-wit (1)

 

6e klas: alle artikelen

 

 

1003

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – tekenen – zwart/wit (1)

.

Met het 11e, 12e jaar komt het kind – de een wat eerder, de ander wat later – in een nieuwe ontwikkelingsfase.
Lichamelijk begint er van alles te veranderen. Opvallend is de verandering in de ledematen: armen en benen lijken overmatig te groeien: het kind ziet er ‘slungelig’ uit.
De blik wordt anders: scherper, maar tegelijkertijd kan het kind zich in ‘dagdromen’ verliezen.
Een uitvoerigere beschrijving van een zesde-klasser vind je hier 

Rudolf Steiner beschrijft deze ontwikkeling vanuit het 4-ledig mensbeeld zo, dat duidelijk wordt, dat in het kind iets nieuws geboren wordt: het astraallijf: de ziel als vermogen om de buitenwereld te verinnerlijken en de binnenwereld naar buiten te brengen.
Niet, natuurlijk, dat het kind daarvóór géén ziel had, maar deze was veel inniger verbonden met de levenskrachten. Nu wordt deze ziel veel zelfstandiger, maar ‘eigen’, met o.a tot gevolg: een eigen oordeelsvorming.
Die is uiteraard ook weer sterk aan de eigen zielenstemming gebonden, maar door het zelfstandiger worden, ontstaat ook de mogelijkheid tot objectiveren; tot het andere zien; maar ook de ander.

Zoals we dat kennen van de puber: het zijn stormachtige ontwikkelingsprocessen.

Het systeem van botten, de krachten van het mechanisch-dynamische krijgen overwicht op de ritmisch-bewegende krachten. De jonge mens stoot zich aan de materie en vanuit de ziel ontstaat passief en actief verzet. Sombere gedachten naast grote idealen;  alsof er een strijd begint tussen licht en duisternis.

Het vrijeschoolleerplan is a.h.w. een antwoord op de ontwikkeling van de kinderziel (anders is het geen vrijeschoolleerplan) en vanaf klas 6 worden daarom vakken geïntroduceerd die tegemoet komen aan wat het kind nu gaat doormaken.

Nu het kind echt aardeburger gaat worden, maakt hij kennis met de ‘aarde’vakken: natuurkunde, scheikunde, mineralogie, voeding.

En verrassend: om niet alleen maar ‘naar beneden’ te kijken: boven ons bevindt zich een wereld van grote schoonheid: de sterren: de 7e klas verdiept zich een periode lang in ‘de hemel’.

Dit ‘hemelhoog juichend, dodelijk bedroefd’ [1] wordt a.h.w. beantwoord met het zwart-wit tekenen.

Wie naar bovengenoemde vakken kijkt, zal zien dat het vooral vakgebieden zijn waarbij je moet waarnemen. Intensief moet waarnemen.
Terwijl er in het kind van alles aan gevoel opwelt, wat hem in beslag neemt, wordt bij deze vakken de aandacht verplaatst naar de buitenwereld en n.a.v. van wat het daar opmerkt, moeten nu oordelen worden geveld.
Je zou kunnen zeggen: in een wereld van grote subjectiviteit (eigen gevoelsleven) wordt de blik gericht op de wereld van grote objectiviteit: ‘zo is het – of je het nu mooi vindt of niet; of je het er mee eens bent of niet’.

Denken = oordelen, kan niet zonder waarnemen.

Rudolf Steiner:
In de tijd gaat het waarnemen aan het denken vooraf.
Waarnemen roept het denken op.
Met het waarnemen is niet gelijktijdig het begrip gegeven. Mijn denken voegt het begrip toe. [2]

Deze gezichtspunten zijn dus voor vakken als natuur- en scheikunde uitermate belangrijk. Niet allerlei al gevonden wetmatigheden uit het hoofd leren, maar door waarnemen zelf op de al bekende natuurwetten komen.

Bij het tekenen – dat is tenslotte een kunst – gaat het niet in de eerste plaats om het denken dat door waarnemen gevormd kan worden, maar door doen.

Wanneer het om ‘licht-donker’ gaat, gaat het zeker om ‘schaduw’. En de leerlingen moeten deze allereerst goed leren waarnemen.
Dan moet er een lichtbron zijn en een voorwerp waarop het licht valt en een schaduw geeft.

Hoe ziet de schaduw van een bol eruit, of een ander voorwerp.

In ‘Vrije opvoedkunst’ – staat een artikel waarin beschreven wordt hoe Rudolf Steiner in 1923 in een klas van de vrijeschool Den Haag tekenles geeft.
Het betreft hier een 4e klas:

‘Steiner nam een theekopje in de hand en toonde het de kinderen. ,.Dit is een theekopje. Wat zie je er nu aan?” zei hij, terwijl hij het gordijn voor het raam heen en weer schoof. De kinderen zagen nu het licht meer en minder sterk op het kopje vallen, zodat de schaduwzijde meer en minder duidelijk zichtbaar werd. Na enige tijd merkten ze waar het om ging en antwoordden: „schaduw”.
„Juist,” zei Dr. Steiner en tekende op het bord schaduw.

6e klas zwartwit vb Steiner

 

Daarna nam hij een bordendoek.
„En hoe lopen hier de schaduwen?” vroeg hij. De kinderen wezen met de handen aan: vertikaal.
„Zo!” zei Dr. Steiner en tekende bruine schaduwstrepen.

6e klas zwartwit vb Steiner 2

 

Nu nam hij de spons en vergeleek die met het theekopje; aan de spons zijn n.l. nog afzonderlijke schaduwen door alle sponsgaten. Daarna sprak hij over de slagschaduw, die het theekopje op tafel wierp. En kleurde het bovenste groen, het onderste lichtbruin en stromend geel van links.

„Wat is dat nu?” vroeg hij de kinderen.

„Een boom!’’ riepen ze na enige tijd vol enthousiasme.

6e klas zwartwit vb Steiner 3

Steiner werkt in deze klas nog met kleur.

(In klas 4 kan zeer zeker al met houtskool worden gewerkt, bijv. wanneer er dieren worden getekend.)

Uit dit voorbeeld van Steiner is duidelijk dat hij hier de kinderen iets laat waarnemen, wat ze eigenlijk vanuit hun eigen leven al kennen: een boom. De contouren komen echter niet tot stand door het trekken van lijnen, maar door de werking van licht/donker. ‘Lijnen zijn abstracties’, zei Steiner meer dan eens.

Wat een fijne voorbereiding kan het zijn wanneer je met een 6e klas buiten gaat zien, hoe licht op een voorwerp en de daardoor geworpen schaduw eruit zien.

Voor een deel van de opmerkingen in dit artikel maakte ik gebruik van  ‘Der künstlerische Unterricht in der Waldorfschule – malen und zeichnen [2]

De leerkracht kan er niet omheen, zelf eerst op ontdekkingsreis te gaan om de wereld van de schaduw te bestuderen. De herfst is daarvoor heel geschikt. Wanneer op een heldere dag in oktober het licht door de bomen valt, vertonen zich op de bladeren bijzonder mooie licht-donkerschakeringen. Aan de boomstammen en takken zie je lichte en donkere schaduwpartijen die er elk naar gelang de boomsoort verschillend uitzien. De belichte kant van een berkenstam licht wit op; de niet-belichte grijs-wit.

de belichte kant van een goudenregen is goud-groen; de niet-belichte zwart.
Overal wordt door het licht/donker de plastiek van de boom zichtbaar.
De herfst is de tijd van de lange slagschaduwen. In de vroege namiddag zijn ze net zo lang als in de zomer op avond. Langs wegen en straten met bomen zie je brede en smalle; elkaar snijdende schaduwen.

Voor je met houtskool begint, kun je met de klas een gezamenlijke wandeling maken en de leerlingen de veelsoortige schaduwindrukken in zich laten opnemen.
Gaat de weg langs een watertje waaraan oude huizen staan met spitse daken en hoge schoorstenen, zie je een bijzondere hoeveelheid slagschaduwen. Ze vallen óveral op en maken zichtbaar of een voorwerp vlak, steil, spits of rond is.

Wanneer dan het eigenlijke tekenen begint, moeten de kinderen met het materiaal – houtskool of grafietstift, vertrouwd raken (dat kunnen ze vanaf klas 4 al zijn).

Eerst moeten ze nog eenvoudige oefeningen maken om de techniek te leren beheersen: er wordt met de lange kant gewerkt, niet met de punt.

Het fijnste werkt het wanneer het papier op de tekenplank vastzit, met plakband.

De kinderen kunnen ervaren dat het lichte groter lijkt; alles wat donker is kleiner.
Er zijn leerlingen die het moeilijk vinden om te differentiëren in lichter en donkerder: bij hen overheerst een zelfde grijstint. Ze schilderen nog meer dan ze tekenen.

Na dit ‘in-oefenen’ komt de volgende stap: bijv. het tekenen van een bol, een cilinder, een kegel.

Eerst demonstreer je het met een groot model, waaraan de kinderen zich ook oriënteren kunnen. Daarvoor moet je een (sterke) lamp hebben die je op het voorwerp richt.

Op het bord doe je dan voor hoe je het voorwerp uitspaart. Vanuit de omgeving moet je voorzichtig met grijs (dun) het voorwerp naderen. Wanneer dat dan zichtbaar is als uitgespaarde vorm, moet de plastiek aangebracht worden. Daarvoor is de lichtbron bepalend. De belichte zijde blijft wit. Vandaaruit moet je langzaam in fijne nuances naar het wat donkerder is. Als dat klaar is, kan de slagschaduw worden aangebracht.

Goed waarnemen. Niet te snel, voorzichtig werken. Veel oefenen. Het gaat om het leerproces, niet meteen om het resultaat. Sommige kinderen zullen moeten oefenen, oefenen en oefenen. Anderen zullen het sneller beheersen. Die hebben een andere, wat moeilijkere opgave nodig. Op den duur zal niet iedereen op hetzelfde niveau bezig zijn.

In plaats van 1 kegel staan er 2, wat van elkaar verwijderd, waarbij de schaduw van de een op de schaduw van de ander valt.
Op de blog: VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas – tekenen – zwart/wit vind je deze voorbeelden in het groot:

Om te beginnen:

6e klas zwartwit 3 6e klas zwartwit 2

 

 

 

 

.

meerdere:

6e klas zwartwit 6

6e klas zwartwit 5

6e klas zwartwit 8

 

 

 

 

 

 

.

andere vormen:

6e klas zwartwit 4

6e klas zwartwit 7

 

 

 

 

 

 

.

[1] Uit drama ‘Egmond’ Goethe: Klärchens Lied
[2] Rudolf Steiner: GA 4 Filosofie der vrijheid
[3] Jünemann/Weitman: ‘Die künstlerische Unterricht in der Waldorfschule’

Uitleg over ‘schaduw’ (Engels)

 

 

1002

 

 

 

 

 

.