Tagarchief: klas 4 dierkunde

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/2)

,

DE SEPIA

De sepia is een weekdier dat verwant is met de octopus en de pijlinktvis. Hij heeft een ovaal lichaam waarvan de randen twee dunne smalle vinnen vormen. De betrekkelijk kleine kop draagt acht armen. Bovendien heeft hij nog twee lange tentakels, die in rust teruggetrokken zijn in een holte naast ieder oog. De armen liggen dan tegen elkaar aan, zodat zij een kegel vormen, waarvan de punt naar voren wijst. De armen zijn geheel bedekt met zuignappen op de knotsvormige uiteinden van de tentakels. Iedere zuignap zit op een kort gespierd steeltje en hun rand wordt verstevigd door een hoornig ringetje dat eveneens een gekartelde rand heeft. De schelp is inwendig. Hij is bijna even lang als het lichaam, ovaal met een hoornige rand en het midden bestaat uit kalk, waarin zich holten bevinden die met gas gevuld zijn (‘zeeschuim’).
De gewone sepia, de bekendste van de 80 soorten, werd voor het eerst nauwkeurig beschreven door Aristoteles, meer dan 2000 jaar geleden.
Hij komt voor in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Zijn totale lengte is maximaal 1 m, het lichaam is dan niet meer dan ca. 40 cm. De kleinste sepia is in totaal 4 cm en de grootste 1.50m.

weekdier met straalaandrijving

Sepia’s kunnen verschillende kleuren aannemen, waarin hij elk ander dier de baas is. Een sepia die over een rots zwemt die bedekt is met wier en vastzittende dieren van verschillende kleuren, kan van grijs in roodbruin veranderen, dan weer in lichtbruin of groenachtig, al naar gelang de kleurpatronen waar hij overheen zwemt. Zijn eigenlijke kleur is vuil-grijs, maar in de huid liggen blaasjes gevuld met pigment, bekend als chromatoforen. Deze blaasjes zijn zeer elastisch en kunnen met behulp van spiervezels worden samengetrokken of uitgespreid. Het pigment is in hoofdzaak geel, oranje, bruin, rood en zwart waardoor een heel scala van kleuren gevormd kan worden. Kleurveranderingen ontstaan in minder dan een seconde, in een oogwenk kan een sepia veranderen van dodelijk bleek in pikzwart.
Sepia’s zwemmen in scholen. Zij zwemmen tegelijk en veranderen ook tegelijk van kleur, de prikkel voor de kleurveranderingen ontvangen zij door de ogen. Sepia’s bewegen zich langzamer dan de octopussen, maar zij blijven meer in beweging. Door hun inwendige schelp hebben zij een zeker drijfvermogen. Zij zwemmen door golvende bewegingen van de vinnen aan de zijkanten, terwijl zij de trechter aan de onderkant van hun lichaam gebruiken, wanneer zij meer snelheid moeten ontwikkelen. De trechter kan met kracht een straal water uitstoten, waardoor het dier naar achteren gaat door een soort straalaandrijving. De trechter kan naar iedere richting wijzen en het dier gaat dus in een richting tegenovergesteld aan die waarin het water gespoten wordt. Hij kan de trechteer ook gebruiken om op dezelfde plaats te blijven. Een sepia die zo te zien stilstaat vlak onder de oppervlakte van het water, ziet men zijn trechter voortdurend heen en weer draaien, eerst de ene kant op, dan de andere, waarbij hij iedere keer een beetje water uitstoot. Samen met de golvende vinnen blijft de sepia hierdoor min of meer op dezelfde plaats. Het dier kan ook om zijn eigen as draaien door de vin aan de ene kant naar voren te laten golven en de vin aan de andere kant in tegenovergestelde richting, waarbij hij tegelijkerijd zijn trechter gebruikt om zichzelf rond te draaien. De trechter wordt gebruikt om blauw-zwarte ‘inkt’ uit te stoten. Sepia’s kunnen hun voorraad hiervan zo snel aanvullen dat zij in een paar minuten door herhaald spuiten 20 m3 water gekleurd hebben. Zelfs kleine sepia’s, net uit het ei, stoten inkt uit wanneer zij geprikkeld worden.

jagen met tentakels

Sepia’s voeden zich overdag met garnalen, steurkrabben, krabben en vissen. De prooi wordt beslopen en wanneer hij dicht genoeg genaderd is, worden de twee tentakels bliksemsnel uitgestoken en gebruikt als een paar levende tongen, om het voedsel naar de mond te brengen. Deze is gewapend met een hoornige snavel en een raspachtige tong of radula. Een krab wordt heel voorzichtig van achteren gegrepen en wanneer hij zijn scharen nog kan gebruiken, laat de sepia hem vallen.
Ook grote dode vissen worden gegeten. De sepia scheurt ze open met zijn snavwel voordat hij zijn tentakels erin stopt om er stukken vlees af te halen. Het duurt twaalf uur voordat deze verteerd zijn.
Garnalen worden door de sepia opgejaagd doordat hij het zand opdwarrelt met waterstralen van zijn trechter. Wanneer de garnalen te voorschijn komen, worden ze door de tentakels gegrepen.
Zijn voornaamste vijanden zijn: haaien, dolfijnen en bruinvissen. Een sepia kan een verloren arm weer laten aangroeien, maar het is heel gewoon dat hele scholen de zee bevolken of op het strand worden geworpen die allemaal ernstig verminkt zijn. Het is niet bekend waardoor dit veroorzaakt wordt.

hofmakerij vol kleur

De voortplanting heeft plaats in het voorjaar en in de zomer. Dan trekt de sepia zijn bruiloftskleed aan, een soort zebrapatroon dat bij de mannetjes duidelijker van tekening is dan bij de vrouwtjes. Nu verandert een van de armen aan de linkerzijde van het mannetje. Sommige van de zuignappen aan de basis verdwijnen en worden dan gebruikt om sperma naar het wijfje over te brengen. men zegt dat de wijfjes licht geven tijdens de broedtijd. De eieren worden een voor een gelegd. Zij komen door de trechter naar buiten, worden daar bevrucht en omgeven door een rubberachtige stof die gekleurd is met een straaltje inkt. Ieder kapsel dat gevormd wordt doordat de stof hard wordt, draagt een lange steel. De steeltjes van de eieren worden door de wijfjes samengevlochten op een vaste ondergrond of zij maakt de steeltjes van een reeks eieren aan elkaar vast, zodat het een bundeltje kapseltjes wordt. Deze gaan vaak drijven en men ziet ze dan als ze op het strand geworpen zijn als een trosje druiven. ieder wijfje legt niet meer dan 300 eieren in groepjes van 20-30. Wanneer de jonge sepia uit het ei komt, is hij ruim 1 cm lang en lijkt op zijn ouders, alleen heeft hij een grotere kop.

In de liefde en bij het vissen is alles geoorloofd

Drie duizend jaar geleden werden sepia’s in de Middellandse Zee gevangen met dans- en fakkellicht. Dat gebeurt nu nog. Drie duizend jaar geleden lokte men de vrouwelijke sepia’s om hun eieren te leggen op planken die men even buiten de kust in het water gelegd had. Bijna dezelfde methode wordt nu nog gebruikt. De mannetjes volgen de eierleggende wijfjes en wanneer de eieren gelegd zijn, grijpen de vissers hen.
Dit lijkt oneerlijk, maar het kan nog anders. Een van de methoden die bestaat om sepia’s te vangen voor de consumptie, bestaat hierin dat men een haak door de huid van het wijfje steekt en haar dan door het water sleept, zodat zij ongeveer 2 m onder de oppervlakte drijft. De mannetjes komen de een na de ander naar haar toe gezwommen. Nauwelijks hebben zij elkaar omhelsd of zij worden beide met een net uit het water gehaald. Hij wordt losgemaakt en bewaard, zij wordt weer teruggedaan in het water om een volgende minnaar te verleiden en naar zijn ondergang te voeren.

.

dierkundealle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld – 4e klasinktvis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

 

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

 

 

*wikipedia spreekt ook over een latrine

 

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

1071

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde – tekenen/schilderen

.

tekenen schilderen 6

De eerste biologieles in de vierde klas, beginnend met mens-en dierkunde, stelt de leerkracht al gauw voor de  dringende vraag: hoe ontwikkel ik bij de kinderen het vermogen om een voorstellingsbeeld van iets wat besproken is, dat ze denkend en voelend beleefd hebben, op een kunstzinnige manier, d.w.z. levend-scheppend te kunnen uitdrukken.
Iedere poging op dit vlak, wat het ook is, zal de vrije ontplooiing van de wil bevorderen.
In de drie voorafgaande schooljaren leerden de kinderen de kleur- en vormwereld als elementen op zich kennen. Niet de nabootsing van uiterlijke voorwerpen werd geoefend, maar het beleven van de kwaliteit van een kleur in relatie tot andere; de spanning en de beweging van een lijn stonden op de voorgrond.
Nu komt het uitbeelden van de planten- en dierenwereld erbij en daarmee beginnen de problemen. Tekenen met penseel, kleuren met potlood? Hoe ver ga je met contouren?
Laten we eens naar het materiaal kijken dat tot nog toe werd gebruikt.
De waterverf maakt vloeiende vlakken mogelijk – de elementaire stemming van de omgeving van het dier: aardachtig-donker bij de muis; water, koelte bij de vis; zonnig verlicht tot schemerig groen van het bos bij het hert en de vos; hitte op de steppen of savannen bij leeuw en giraffe enz.
En de vorm? Kunnen de kinderen op deze leeftijd met een brede penseel de karakteristieke vorm van het dier laten ontstaan? Als aanduiding, zeker. Uit de koele kleurnuances kan de vorm van de vis; uit de rood-gele kleuren de vorm van een springende leeuw bij benadering ontstaan. Hoe sterker de kinderen zich met de door de leerkracht (met woorden) geschetste dierfiguur kunnen verbinden, met des te meer zekerheid zullen ze de kleuren vinden om met overtuiging tot een verbeelding te komen.
Maar hoe moet het wanneer ze een hert, een giraffe, muis of zebra moeten weergeven?
De kinderen zullen beginnen in de eerst opgebrachte kleurvlakken met het penseel te tekenen en weer weg te nemen: dunne poten, lange halzen, spitse snuiten. Alles wat karakteristiek is aan het dier zullen ze willen tekenen. Dat is een heel natuurlijke behoefte – maar met het brede penseel?
Alles wat tot nog toe met waterverfschilderen geleerd is, staat daarmee ter discussie. Het gevoel om nog meer met kleurvlakken te werken dat tot dan toe consequent ontwikkeld werd, wordt ineens niet meer aangesproken.
De omtrekslijn daarentegen zal nog steeds wat minder precies en vaag blijven. Maar de kinderen willen en moeten een vorm kunnen maken van wat als beeld in hen ontstaan is.
Aan de andere kant is het voor de kinderen nog niet mogelijk, ondanks de vele tekenoefeningen, een dier zuiver met lijnen te tekenen. (Bedenk wel wat het betekent om een voorwerp naar eigen voorkeur met weinig lijnen op papier te zetten). Dat wordt op dit niveau of slechts wat werktuiglijk en nietszeggend, volgens de methode: teken een ezel met alleen maar driehoeken en de haas met cirkels, of het wordt grotesk à la Micky Mouse.

tekenen schilderen 5

Je zult dus een overgang moeten vinden van de elementaire kleurstemming naar de karakteristieke (en tegelijkertijd anatomisch juiste) vormgeving zoals die ook later op de bovenbouw nodig is. Een schilderend tekenen waarbij de omgeving en de gestalte door de kleur in harmonie gebracht kunnen worden, zoals dat door de kinderen in harmonie ervaren wordt.

In de loop van de schooltijd is het onze opdracht in de kinderen het vermogen tot een heldere oordeelsvorming te ontwikkelen. Voor de leeftijd die hier besproken wordt, moet voorafgaan een levendig kunnen meebeleven, zoals op de meest voorkomende manieren uit de van buiten en van binnen werkende krachten de zuivere vorm van ieder voorwerp ontstaat.

De hier geschetste poging werd eerst in een vierde klas gedaan, dan ook in een vijfde en zesde ter voorbereiding op het handenarbeidonderwijs.
We hadden een grote doos met restjes oliekrijtjes, zodat alle kinderen hetzelfde materiaal hadden. Het uitgangspunt was niet de diervorm, maar altijd de omgeving. Deze dan meer licht met kleur aangegeven om vandaaruit langzaam verdichtend tot een vorm te komen. Als van binnenuit groeien dan aan de ronde of langwerpige romp de ledematen en de andere belangrijke organen.
Hier moet worden opgemerkt dat vanzelfsprekend iedere tekening wordt voorafgegaan door een gedegen vertellende schets, zoals door H.Rutz in het aprilnummer* indrukwekkend is beschreven. In een vijfde of zesde klas kan dat wat korter en geconcentreerder gebeuren.

tekenen schilderen 1

De afbeeldingen zijn helaas niet in kleur.

lll is het werk van een jongen die nog maar korte tijd in de klas was. Hij had alleen de teken- en schilderlessen van het laatste halve jaar meegedaan. Aan de bovenkant zie je wat hij eerst probeert: uit de beweging van de hand de vorm van de muis te pakken. Dat lukt niet. Maar de jongen wil graag en is handig, hij begint direct eronder met bruin en violet een aardachtige omgeving aan te duiden. In het midden wordt het violet dikker en verschijnt het langwerpige rompje van de muis en dan pas begint hij met de details: het nieuwsgierige spitse snuitje en de snorharen, tot aan de lange staart.
Het vierkante oliekrijt maakt een fijnere lijnvoering mogelijk door de scherpe kant, zoals eerder de vlakke kant zorgde voor het kleurvlak.
Daar zit dan het kleine muisje, een beetje in elkaar – maar wakker en gespannen.

De andere tekeningen zijn van kinderen die vanaf de eerste klas bij ons waren. Aan het krachtige gebruik van lijn en ruimte spreekt een grotere zekerheid.
Hoe slim steekt de egel zijn snuit uit zijn beschermende stekelhuid (IV):

tekenen schilderen 2

en hoe voorzichtig bedachtzaam sluipt de vos door het struikgewas:

tekenen schilderen 3

Hier kunnen maar weinig tekeningen afgebeeld worden. De leeuw is van een kind met een bijzonder talent:

tekenen schilderen 4

Dikwijls vind je in de tekeningen van kinderen die in hun vrije tijd uit zichzelf niet naar het tekenkrijt grijpen, de grootste fijngevoeligheid en lichtheid. Ieder kind vindt zo zijn weg naar een beeldende voorstelling; en deze gemoeds- en wilsactiviteit zal veel kunnen bijdragen aan het sterker worden van een innerlijk waarnemen en van de oordeelsvorming.

Hildegard Andrae, Erziehungskunst 18e jrg.-5-1954

Hierin staan nog meer zwart/witillustraties

*(nog) niet op deze blog verschenen

Dierbeschrijvingen: Grohmann – leesboek voor de dierkunde

Dierkunde: alle artikelen  m.n. nr.4 – het tekenen van een leeuw

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

zie vooral ook: Anke-Usche Clausen: Schöpferisches Gestalten mit Farben

waaruit de bovenste en de hieronder volgende:

tekenen schilderen 7

tekenen schilderen 8

deze tekeningen zijn gemaakt met de ‘blokjes’ van Stockmar: een uitstekend materiaal om vlakken te tekenen; de scherpere kanten maken ook details mogelijk.

1047

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

1030

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Ik had het geluk – ik noem het ‘een geluk’ – dat ik in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw, veel voordrachten van ‘dokter Mees’ kon bijwonen.
In een meeslepende verteltrant – levendig en humoristisch – boeide deze begenadigde spreker – velen. Voor vele aspecten van het leven opende hij mij (weer) de ogen en gaf veel nieuwe gezichtspunten.

Onderstaand artikel vond ik nog en plaats ik hier als dankbare herinnering aan Leendert Frederik Carel Mees ( 13 december 1902-24 mei 1990)

een kameel van vijfennegentig vierkante kilometer in Artis

Karel en Coba. Leen Mees herinnert zich nog precies in welke kooi ze zaten. Twee bavianen, een mannetje en een vrouwtje. ‘En er was een reuzenschildpad die het lekker vond als ik hem langs de nek streek, zo (Mees doet voor hoe het ging), daar kwam hij voor naar me toe.’

Van Leen Mees is bekend dat hij iets hééft met dieren. De verjaardag* van Neerlands oudste dierentuin Artis leek ons hèt moment om te ontdekken wat.

De Amsterdamse diergaarde van het Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (‘de Natuur is de leermeesteres van de kunst’) viert op één mei haar honderdvijftig-jarig bestaan. Artis herbergt rond de zesduizend dieren (waarvan tweeduizend vissen) en trekt jaarlijks ongeveer een miljoen mensachtige bezoekers waarvan de helft abonnementhouders. Wat komen al die mensen doen?

Naar zichzelf kijken. Voor Leen Mees, geboren in 1904 en arts van professie, is dieren kijken een oefening in menskunde. Want ‘dieren zijn wat mensen hebben’, zo vatte hij zijn kijkrichting samen op de omslag van zijn boek over schepping en evolutie.

Turen in de woestijn
Met een oplevende verwondering gaat Mees mij voor in de jubilerende dierentuin. In zijn studententijd, jaren twintig, was hij hier bijna dagelijks te vinden voor het volgen van de openluchtcolleges ‘vergelijkende dierkunde’. Lang geleden, maar in sommige opzichten is er niet veel veranderd. Met de papegaaienlaan voor ons, en links het woestijnleven, is Mees in een ogenblik thuis en geniet, geniet intens.

‘Kijk hem turen’, zegt hij, wijzend op een kameel. ‘Hij tuurt in de woestijn. Zijn hele houding is woestijn.’ In de grondhouding ‘woestijn’ lijkt inderdaad alles samen te vallen wat de kameel uitdraagt. Vooraan de golving vanuit zijn lijf, door vetbulten en kop. liggen in een gestrekte lijn oor, oog en neus: Georiënteerd op een verdwijnpunt aan de horizon, de zijderoute volgend van de Levant tot in China, deint de rest van het lichaam statig tussen de strak blauwe hemel en het eeuwige zand.

Al bij een stilstaande kameel zie je de drang om zijn blik achterna te gaan. Gaan er twee ‘in karavaan’ (we hebben het geluk dat even te zien) dan zie je die drang als het ware uitgebeeld. Drang, gestalte (vorm) en omgeving zijn, in hun éénheid, voor Mees het centrale houvast om begrip te krijgen voor de wereld van het dier.

Aan elk dier is iets typisch of karakteristieks te ontdekken. Dat typische openbaart zich vooral als dieren iets doen. Want doen betekent voor het dier altijd: trachten een in hem levende drang te bevredigen. Het komt er dan op aan niet bij de algemeen voorkomende, zoals de voedingsdrang, te blijven staan, maar je af te vragen welke drang (of ‘begeerte’) je alleen in die ene bepaalde diersoort vindt. Die begin je te vinden langs de weg van het specifieke instrument waarmee het dier zijn begeerten nu eenmaal moet bevredigen: zijn lichaam. Dit lichaam, met zijn specifieke vormen, bedekking, kleuren enzovoort, is vervolgens weer niet los te denken van de omgeving waarin het dier leeft. Waarin het naar aard en vorm doet leven! Alleen in de omgeving die het dier volledig past, kan het zich volledig bevredigen. Zo zijn dus begeerte, vorm en omgeving één.

De kleine karavaan is na twintig kamelenstappen aangekomen bij de sloot die het zandveldje in Artis omgeeft. Is hun terrein te klein? ‘Nee’, zegt Mees, ‘waarschijnlijk is de kameel te groot.’ Want een kameel ziet verder dan twintig stappen. De begeerte om de blik achterna te gaan (stel dat de kameel inderdaad begeert) is gezien het woestijnverleden van de kameel nog niet bevredigd. De drang blijft, want een kameel kan, net als elk ander dier, geen afstand nemen van zijn (onbevredigde) begeerte, noch erover nadenken of besluiten zijn energie dan maar voor iets anders te gebruiken. De kameel heeft namelijk geen begeerte, zoals de mens, maar hij is begeerte.
De kameel in Artis is dus vanuit zijn woestijnverleden gezien zo’n vijfennegentig vierkante kilometer in omvang, en ook als Artis de nieuwe maatstaf is, nog altijd veel groter dan het zandveld. De enige troost is dat de begeerten niet altijd even sterk zijn, en de kameel dus van tijd tot tijd zo klein wordt dat hij aan het zandveld voldoende heeft. Werkelijk: dieren zijn niet altijd even groot.

Ogen op steeltjes
Iets verder op het zandveld ligt een ogenschijnlijk mediterend watutsirund uit Midden-Afrika. Zowel en profil als en face domineren regelmatige driehoeken de verhoudingen. Het rossig tot goudbruine vel glanst in het zonlicht, en vanuit de kop stralen twee geelwitte horens ver uit.

Voorlangs deze gratie stapt een andere terreingenoot van de kamelen, de struis. Hoog op de renpoten (het dier haalt zeventig kilometer per uur) beweegt zich het grote, grijsbruin gevederde lichaamsei, en daar weer boven, aan het uiteinde van de nek die zo lang is als de poten, ‘vliegt’ wat je zou kunnen noemen het vogeltje dat met de besproken struis één geheel vormt.

Wat begeert het watutsirund, en wat de struisvogel? Het blijkt een uitermate moeilijk te doorgronden gebied. Ik raadpleeg Mees. Die raadt me aan nu niet onmiddellijk te gaan fantaseren. Maar over diervormverschijnselen in het algemeen heeft hij een behulpzame gedachte: ‘Heb je weleens een kind voor de etalage van een speelgoedwinkel gezien? Met uitpuilende ogen vanwege al dat moois? Het kreeg ogen op steeltjes, zeggen we dan wel eens. Natuurlijk kreeg het dan niet echt ogen op steeltjes, maar als we tegenwoordig als mensen nog net zo plastisch zouden zijn als we waren in de dierfase van de mensheid, dan kreeg het kind ze wel! Het kreeg dan door de begeerte naar het speelgoed echte ogen op steeltjes. Ik zeg altijd: zo ontstonden de slakken.

Iets soortgelijks vind je in de dierenwereld overal: oren op steeltjes, een bek op steeltjes, een huid op steeltjes, enzovoort.’ Het is verbijsterend. Als je eenmaal zo kijkt, zie je overal in de dierentuin organen op steeltjes, oftewel vormen uit begeerte.

Onderweg naar het vogelhuis zien we een haan. Zonder verblijfsvergunning waarschijnlijk, maar daar kraait geen haan naar. Mees: ‘Wat is die mooi hè? Weet je waarom die zo mooi is? Om het vrouwtje te trekken! Het is toch om je rot te lachen.’

Mees is van één type verklaringen duidelijk niet gecharmeerd, de analogie: een mens heeft een hark om te harken, een haan heeft een snavel om te pikken. ‘Een haan is pikken, en heeft daarom een snavel’ (lippen op steeltjes). Bij de haan kun je daar trouwens moeilijk omheen. Uiterst vermoeiend hoe zo’n dier bij elke stap tegelijk een pik moet doen, in de lucht.

In het vogelhuis roept Mees het uit. ‘Wat een snavel! Die heeft geen snavel, die is snavel!’
De reuzentoekan is een oranje-rood en felgeel gekleurde snavel die zeker tweederde de lengte van het lijf meet. Dat lijf is bescheiden zwart. Alles, ook het doen van de vogel draait om de snavel. Graantje pikken en achterover laten glijden. Snavel even schurken langs een tak. Bijten op een tak. Ook prachtig verbeeld, is de gedienstigheid van het lijf tijdens de onverwacht sierlijke trampolinegang van het hippen. Het lijf bewaart dan zorgvuldig de balans tussen het gewicht voor en het gewicht achter de poten. De toekan leert dat je in specifieke begeertevormen van de dieren kunt nuanceren. De toekan is zeer snavel. Zo niet de bijna even grote straatduif.

Het offer van de dieren
Groot is de overgang naar het broeierig warme klimaat van het reptielenhuis. Het is hier bijna drukkend stil, en voorzover zich ergens iets beweegt, gaat het traag. ‘Ken je die van de krokodil die een sociale gemeenschap wou stichten?’ Ik ken hem niet, dus zetten we ons even op een bankje, schuin tegenover de krokodillen.

Mees: ‘Komt die krokodil bij een olifant en zegt: Olifant, wil je meedoen met mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de olifant, ik heb nogal een dikke huid, en mijn vrouw heeft een dikke huid, en mijn kinderen hebben een dikke huid, dus wat zal ik in een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een slak. Slak, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de slak, ik heb mijn eigen huis, mijn vrouw heeft een eigen huis, en mijn kinderen… Komt de krokodil bij een leeuw. Leeuw, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de leeuw, ik ben koning, mijn vrouw is koningin, mijn kinderen zijn prinsjes en prinsesjes dus wat zal ik met een sociale gemeenschap? Komt de krokodil bij een beer. Beer, wil je meedoen in mijn sociale gemeenschap? Ach, zegt de beer, ik heb een dikke pels dus ik heb het warm zat, en mijn vrouw heeft ook zo’n dikke pels, en mijn kinderen… De krokodil gaat weer verder maar opeens roept de beer hem terug: Waarom wil jij eigenlijk een sociale gemeenschap stichten? Ach, zegt de krokodil, ik heb zo’n grote bek, en mijn vrouw heeft ook zo’n grote bek, en mijn kinderen…’

De reptielen confronteren ons nog het meest met wat volgens Mees als diepe tragiek in de dierenwereld besloten ligt. De dieren, zo meent hij, belichamen niet zomaar een aantal begeerten. Zij belichamen ‘die overmaat aan begeerte’ die dreigde een belemmering te worden voor de evolutie van de mens. De dieren hebben een groot offer gebracht’, voegt Mees er nog aan toe terwijl we op weg zijn naar de mensapen. Mensapen? Kijk me eens aan’, zegt Mees. We kijken elkaar aan. ‘Je merkt dat we onze ogen voortdurend bewegen en dat onze blikken elkaar daarbij telkens (een ogenblik lang) kruisen. Zo elkaar aankijken kunnen alleen twee mensen’, beklemtoont Mees. ‘Geest ontmoet geest.’ Niettemin spreekt Mees zelf over ‘mensdieren’. Een uitstapje naar zijn boek wordt zo langzamerhand onontbeerlijk.

Mees’ evolutieleer zal voor de één het ei van Columbus zijn, voor de ander flauwekul. In het zorgvuldig opgebouwde betoog zitten nu eenmaal ‘sprongen’, zoals deze: ‘Dat levende vormen scheppingen zijn, heeft de mens nooit verzonnen, doch hij heeft het altijd geweten, immers, hij heeft het herkend. Mensen weten wat schepping is omdat ze zélf scheppen.’

Om een snelle krabbel te kunnen maken van de gedachtegang die Mees in zijn boek ontvouwt, blijf ik nog even bij dit scheppen. Stel er wordt een aantal schilderijen gevonden van een zekere Mondriaan. Op het eerste doek zien we (geen twijfel mogelijk) een vaas bloemen. Op het tweede is in een compositie van kleurvlakken vagelijk een boom te ontwaren. Het derde toont haaks op elkaar staande banen en lijkt nergens op. Zogenaamde ‘creationisten’ zullen nu zeggen: In den beginne was Mondriaan. Mondriaan schiep schilderijen, misschien het ene wat eerder dan het andere, maar dat doet er niet toe, er is geen samenhang tussen de schilderijen zelf. ‘Evolutionisten’ menen: Het eerste schilderij verdichtte zich uit een atelier-nevel. Het tweede schilderij ontstond vervolgens uit het eerste, en het derde weer uit het tweede onder invloed van, laten we zeggen, het weer en de kopieermachine. De creationisten ontkennen dus evolutie, de evolutionisten ontkennen creatie, schepping.

Mees zegt: De evolutie betreft de persoonlijke ontwikkeling van Mondriaan. Een beeld van die evolutie ontstaat doordat Mondriaan schilderijen schept, en dus telkens iets van zijn ontwikkelingsweg zichtbaar maakt. Schilderijen zelf evalueren dus niet, hooguit veranderen deze door ‘aanpassing aan de omgeving’ (in het voorbeeld met name de tand des tijds).

Evolutie en schepping
Dan nu met reuzenstappen door het echte verhaal van Mees. Zijn inspiratoren zijn degenen die in de dierenwereld het beeld van een evolutie als zodanig ontdekt hebben (Lamarck, Darwin), de mensen die baanbrekend (embryologisch) onderzoek deden (Haeckel, Bolk, Blechschmidt), en de moderne ingewijde die de geestelijke ontwikkeling van de mens sinds oeroude tijden te boek stelde, Rudolf Steiner. De verdienste van Mees is zonder meer dat hij, trouw aan de waarneming, laat zien dat ‘evolutie’ en ‘schepping’ elkaar niet uitsluiten, maar juist bevestigen.

Het menswezen heeft, ooit, met de Goden afgesproken om een bepaalde klus te klaren. Eenmaal op weg zijn de Goden nog zeer behulpzaam, en als de mens zich (er is dan al zeer veel achter de rug) een omgeving zoekt om ‘ik’ te kunnen zeggen, ontstaat daartoe de aarde. Het is de gevoelige mens echter geboden zich uiterst behoedzaam een aards lichaam aan te meten. De Goden houden hun hart vast, want de aarde, die een unieke ontwikkelingsmogelijkheid biedt, herbergt tevens krachten die elke ontwikkeling onmogelijk zouden kunnen maken. De mens moet zich belichamen, maar zich niet teveel ‘ver-lichamen’.

Bij deze langzame toenadering tot de aarde zijn de Goden weer zeer behulpzaam en brengen hoge wezens uit deze wereld grote offers. Telkens als de mens bepaalde krachten die hij bij zijn toenadering ontmoet, overmatig in zich dreigt op te nemen, offeren deze wezens zich, door de overmaat te belichamen en daarmee de mens ervan te vrijwaren. Zo ontstaan het minerale rijk, het plantenrijk en het dierenrijk alvorens de mens gereed is ‘vlees te worden’.

Mees in zijn boek: ‘Het mineralenrijk heeft het evoluerende mensenwezen bevrijd van een te snelle tendens tot verdichting. Het plantenrijk is de belichaming van de overmaat van vitaliteit (levenskracht) die een verdere evolutie in de weg gestaan zou hebben.’ Het dier’, het is al gezegd, is de belichaming van een overmaat aan begeerte. Dat de overmaat belichaamd is, betekent tegelijk dat de mens de ‘gewone maat’ wel in zich opnam. Vandaar dat de mens de begeerten die de dieren zijn, toch ook nog zelf heeft.

Scheppende wereld
Terwijl ik mij een en ander bedenk, inmiddels aankomend bij de roofdieren, komt er ook een gevoel in mij op dat deze visie iets te maken heeft met de bijna ingetogen houding van Mees. Hij is voor zijn doen niet spraakzaam. Maar ik voel een toenemend gewicht in de kleine, zacht uitgesproken, over verschillende kooien verspreide zinnetjes. Als ze aan mij gericht zijn, gaan ze eigenlijk allemaal over dankbaarheid. Dankbaarheid tegenover de dieren, die zichzelf niet kunnen ontwikkelen (géén evolutie) doordat ze onze ontwikkeling mogelijk maakten. Soms zegt Mees het meer tegen de dieren, zoals in de stilte van het reptielenhuis tegen de krokodil, bijna fluisterend: ‘Jij ligt daar maar hè, jij ligt daar maar te leven.’

Stilte voor de storm heerst in de roofdiergalerij. Mees: ‘In een andere dierentuin stond ik eens vlak voor de kooi toen de leeuw die daarin verbleef begon te brullen. Dan weet je wat hartstocht is! Mooi woord, de ‘tocht van het hart’. Het is ons vergund. Deze keer zijn het twee leeuwinnen, en ik weet werkelijk niet wat ik hoor. Beelden van immense grotten komen in mij op, waarin de herhaalde korte uitstoten van het gebrul, als een krachtig, angstaanjagend oergeluid, opzwellen en wegsterven. De toegang tot deze grotten is de zeer aanwezige neus van de leeuw. De neus die ‘onverbiddelijk heerst en brult.’

Bij de pinguinvijver houdt een dagjesmens een beschouwing over een gekortwiekte eend. ‘Kijk, hij wil starten. Moet je opletten. Ja daar gaat hij weer. Gas geven! Gas geven! Kom op! Gas geven!’ Cultuur op steeltjes? Of misschien wel ‘ik’ op steeltjes? Niet te lang bij stil staan, want Mees is inmiddels geheel opgenomen in de scheppende wereld. Het spreekwoordelijke groot en grijs van de olifant. De alsmaar bewegende olifant. ‘Mmm jij maar hoor’, zegt Mees. De olifant tast naar een microscopisch kleine pinda, flappert zijn zonneschijven, en neemt even later via zijn guitige tuit de pinda op in het rijk daarachter. Het lijkt me de enige weg voor een pinda om in het hiernamaals te komen.

‘De olifant is door de mmm geschapen’, legt Mees uit. ‘Weet je hoe?’ Ik heb geen idee. Je kunt het als uitspraak vinden bij Rudolf Steiner, maar het is ook de werkelijkheid van menselijke ervaringen.’ We geven elkaar de hand, kruisen de ogen en nemen afscheid.

Mark Bischot Jonas,* 18-04-1988
.

L.F.C.Mees:
Dieren zijn wat mensen hebben.
Levende metalen
Geheimen van het skelet
Don’t say no, just say oh
Digitale versie van bovenstaande boeken te downloaden via Antrovista
De aangeklede engel
Hoe beweegt de mens zich
Mensen zonder omgeving
Een voor een
Helena en Penelope
Geneeskunde op de drempel
Hoe is de olifant ontstaan
Drugs, waarom eigenlijk
De achtergronden van de drugscatastrofe
Toe, teken eens een schaap voor me!
Dierbare herinneringen aan Rudolf Steiner
.

 

dierkunde: alle artikelen
.

 

mees leendert

Leen Mees in Artis

 

 

 

 

 

 

 

949

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (16)

 

Tijdens een gesprek in de leraarskamer werd op een dag door mij -bovenbouw biologieleraar- de opmerking gemaakt: bovenbouwers zouden “werkend” een stuk benedenbouw moeten meemaken. Onmiddellijk volgde een uitnodiging een periode dierkunde in de 4e klas te komen geven, waarop ik met enthousiasme inging. Ik zou het inhoudelijke deel van de periode verzorgen; de klasselerares, mejuffrouw Bolt, zou het teken-, schilder- en boetseerwerk voorbereiden en begeleiden.
Al tijdens mijn voorbereiding realiseerde ik me met schrik, dat ik eigenlijk niet wist, hoe je een 4e klas aanspreekt, iets vertelt, laat staan hoe je dit pedagogisch en didactisch verantwoord doet. Nooit was ik dan ook nerveuzer dan vóór de eerste ochtend van deze periode.
Mens- en dierkunde zou behandeld worden, uitgaande van de gestalte, van de vormen, van datgene wat je kunt waarnemen.
In de 3e klas hebben de kinderen het verhaal van de schepping van de mens gehoord: “en God schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep Hij hen, man en vrouw schiep Hij hen.”
Nu, in de 4e klas, gaan we samen kijken naar dat beeld Gods, we proberen achter de geheimen te komen, die de mens en de dieren ons te vertellen hebben over zichzelf.
De eerste vraag die ik stelde: “Waaraan herken ik een mens als mens, bijvoorbeeld als ik hem in de verte zie lopen?” bleek al direct te abstract. Toch kwamen er leuke antwoorden: “Ze hebben allemaal verschillende gezichten” en: “ze hebben allemaal verschillende kleren aan.”
Maar wat hebben nu alle mensen gemeenschappelijk? Een meisje zei toen: “Ze lopen allemaal rechtop.”
Met dat antwoord was plotseling duidelijk wat ik met mijn vraag had bedoeld en kwamen van alle kanten de antwoorden los. Toch zei ik die eerste ochtend vaak: “Stel je eens voor …”, niet bedenkend dat dat voor een vierdeklasser erg moeilijk is. Hij moet nog echt zien, voelen, boetseren, en ontdekt daardoor de vormen. Dus liet ik, op suggestie van mejuffrouw Bolt, de kinderen voelen aan hun en hun buurmans hoofd.

We ontdekten van de mensengestalte, dat deze bestaat uit hoofd, romp -lijf in kindertaal- en ledematen. Het hoofd bleek rond van vorm als de zon. Afgesloten, hard van buiten, met zijn geheimen van binnen en 7 poorten – de zintuigen- naar de buitenwereld. Het vertoont een vrij geringe, maar fijne beweeglijkheid (mimiek).
De ledematen daarentegen zijn langgestrekt van vorm -als sterrenstralen-, zeer beweeglijk, zacht van buiten, stevig van binnen. Er werd opgemerkt dat alleen de mens echte handen en voeten heeft, dat de voeten alleen maar geschikt zijn om ons te dragen en om te lopen, maar dat de handen alles kunnen: bouwen en graven, grijpen en slaan, schilderen, boetseren, musiceren, bidden, zegenen, groeten en gebaren. Maar: wij moeten werktuigen en instrumenten bedenken om een heleboel dingen net zo goed te kunnen als dieren, die immers speciale graaf- of grijppoten hebben. Omgekeerd: hoe moeilijk is het niet voor een ezeltje om luit te leren spelen! (Grimm)
De romp bleek alles “tussenin” te hebben; afwisselend hard en zacht, half omhullend, je kunt er de vorm van de maansikkel in zien, met hart en longen binnen die omhulling, waarvan de beweging ritmisch is.
Alles wat we zo samen gevonden hadden, werd opgeschreven in een echt periodenschrift, waarbij het voor mij een erg goede oefening was, duidelijk en groot, in 4e klastaal op het bord voor te schrijven wat in de schriften zou komen. De kinderen hadden ook al een hoofd en twee maal een mensenfiguur geboetseerd en ze maakten in hun schrift verrukkelijke tekeningen bij de tekst.
Toen kwam het moment dat de dierkunde begon. Een ochtend om niet gauw te vergeten.
De inktvis was als eerste dier gekozen. Het lukte me, helemaal inktvis te worden en een spannend verhaal te vertellen over dat wonderlijke dier met zijn kop met armen, met zijn haken, zijn inkt en zijn kleuren als het opgewonden is. De stilte in de klas na afloop was een belevenis, en het was geweldig te zien hoe de kinderen toen met waskrijt op grote vellen aan het tekenen gingen.
Na de inktvis volgden mossel en slak, muis, hamster en bever en tot slot paard en kameel, steeds vanuit het dier zelf verteld.
Aan het eind van de periode spraken we er over, met welk deel van de mens inktvis (mossel en slak) het meest overeenkwamen -zij werden kopdieren genoemd-. Muizen waren meer rompjes op hele kleine pootjes en paard en kameel vooral poten-ledematen.
De kinderen hebben ook geschilderd, eerst de mens, later nog paard of kameel en enorm veel getekend, ook gedichtjes gemaakt,
In de loop van de tijd ben ik me verschillende dingen gaan realiseren, maar vooral: dat je als benedenbouw-klassenleraar een duizendpoot moet zijn; creatief, steeds weer in staat iets nieuws te bedenken, maar ondertussen de touwen in handen houdend, je richtend op wat de kinderen van je vragen. En dat het onmogelijke van dit vak,
vrijeschoolleraar te zijn, is dat je het tot nu toe tenminste- eigenlijk nergens kon leren dan alleen maar in de klas.
Ik vind het dan ook erg fijn, de kans gekregen te hebben “werkend” een stuk benedenbouw te leren kennen en mijn respect en bewondering voor de kunst van mijn benedenbouwcollega’s is door dit “werken” enorm gegroeid.
N.Amons-Smink, Geert Grooteschool, okt.1974

Dierkunde: alle artikelen

933

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde (15)

 

arend 1 - 0005

De arend – en dan voornamelijk de steenarend – is één van de mooiste en fierste roofvogels. Hij is bijzonder krachtig gebouwd en kan een lengte bereiken van 1 meter, gemeten van de snavel tot aan het puntje van de staart. De vleugelwijdte is heel wat groter. In gespreide toestand haalt de arend een ’vlucht’ van 2,5 meter. Het is wel duidelijk dat de arend met een dergelijke uitrusting gerekend moet worden tot de allerbeste vliegers.

Een snelheid van 160 kilometer per uur is geen uitzondering.
De poten zijn tot aan de klauwen bedekt met veertjes.

arend 1 - 0006 - 0006

De bouw van de vleugel

We zouden de vleugels van een vogel enigszins kunnen vergelijken met de voorpoten van een dier of met de armen van een mens. Zelfs de vingers ontbreken niet, hoewel er maar twee vingers aan elke ‘arm’ zitten. De bouw van de vleugels van vogels is vergelijkbaar met de ‘hand’ van een vleermuis of die van de vliegende reptielen (met 5 vingers), zoals we die kennen uit de prehistorie.

 

De steenarend komt voor in Europa, Afrika en Noord-Amerika. ’s Zomers zweeft hij rond de woeste toppen van de Alpen en de Apennijnen.

Door de honger gedreven, waagt hij zich ’s winters in de dalen. De manier waarop de arend zijn prooi bemachtigt, is zeer boeiend. In grote cirkels vliegt hij boven zijn jachtgebied. Wanneer hij een prooi ontdekt, een haas bijvoorbeeld, stort hij zich als een steen omlaag. Vlak boven de grond vermindert hij zijn vaart en scheert dan rakelings langs de grond.

Vervolgens grijpt hij met zijn sterke klauwen zijn prooi.

Hij doodt zijn prooi met zijn klauwen of met een scherpe houw van zijn kromme snavel. Dan stijgt hij weer op om op een rustige plaats zijn buit te verorberen.

De arend bouwt zijn nest op rotsrichels of in holen. Het kan een doorsnede hebben van 1,3-2 meter en een diepte van 80 centimeter. Het materiaal dat hij daarvoor gebruikt bestaat uit takken, die hij kunstig ineenvlecht totdat de nestwand ongeveer 30 centimeter dik is. Het wijfje legt één tot drie gevlekte eieren, die na zes weken broeden uitkomen.

arend 7 - 0008

Een arend op zijn ‘horst’, waarvoor hij een plaats heeft gevonden op de rotsen.
De zorg voor de jongen

Als de eieren uitgekomen zijn, moeten de ouders hun jong(en) van voedsel voorzien. Met wijd opengesperde snavels vragen die om voedsel. De
wijfjesarend trekt stukjes vlees van de prooi af. Een gedeelte daarvan slikt ze door, maar de rest van het voedsel stopt ze in de bek van haar jongen. Het mannetje zorgt voor de aanvoer van voedsel. Een zware taak, want een jonge arend kan in één dag al gemakkelijk een eekhoorn of een haas verorberen. Een arend is een ’nestblijver’, wat wil zeggen dat het jonge dier heel lang in het nest blijft en zich volledig laat verzorgen door zijn ouders. Ver in de winter verlaat hij pas de ’horst’, het nest van de arend, om vervolgens een eigen bestaan te gaan leiden.

De arend is een voortreffelijke en snelle jager, maar toch zijn veel verhalen die de ronde doen over zijn jachtprestaties sterk overdreven. Arenden die herten aanvallen zijn waarschijnlijk geboren in de fantasie van mensen met te veel ontzag voor deze prachtige roofvogel. Maar een dier ter grootte van een vos, een lam of een vogel ter grootte van een gans rekent hij wel tot zijn jachtbuit. Het is mogelijk een arend af te richten en hem te gebruiken bij de jacht, zoals men in de middeleeuwen met valken deed. In Aziatische landen wordt nog wel gejaagd op deze trotse rover, omdat de veren gebruikt worden voor waaiers of ter versiering van wapens. Dat is een trieste zaak, omdat het aantal vogels van deze soort snel vermindert, niet alleen door de jacht, maar ook door de moderne bestrijdingsmiddelen die de mens gebruikt bij het verdelgen van schadelijke knaagdieren. De vergiftigde dieren dienen namelijk de arend weer tot voedsel en op die manier krijgt de arend het dodelijke gif binnen.

De opeenvolgende bewegingen van de arend in de vlucht:

arend 9 - 0009arend 9 - 0010

arend 9 - 0011

 

arend 9 - 0012

 

 

 

 

De functies van staart en vleugels tijdens de vlucht:

arend 15 - 0014

 

De veer

arend 16 - 0015 - 0016

 

De arend

 

Her gezichtsvermogen van alle roofvogels is bijzonder scherp en de arend maakt hierop geen uitzondering. Het is verbazingwekkend dat het dier van zeer grote hoogte een betrekkelijk kleine prooi kan onderscheiden.
Wanneer de mens zo scherp kon zien als de arend, dan zouden we van een afstand van 500 meter de koppen van een krant kunnen lezen…
Dat scherpe gezichtsvermogen wordt mogelijk gemaakt door een zeer grote pupil. Bovendien zitten de ogen van de arend aan de zijkant van de kop. Op die manier heeft hij een gezichtsveld van 300 graden. (Een volledige cirkel heeft 360=!)
Een mens kan hoogstens een hoek van 160 graden met zijn ogen bestrijken.
Het oog van de arend heeft twee oogleden, die van boven naar beneden opengaan.
Bovendien heeft hij nog een ooglid dat van links naar rechts beweegt.

dierkunde: alle artikelen  (nr. 12 eveneens over de adelaar)

Rudolf Steiner: over dierkunde

 

823