Tagarchief: klas 4 dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (9)

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 68                                                                                                     hoofdstuk 9

De loftrompet over de regenwormen

Niemand zal van een regenworm zeggen dat het een lief beestje is, want hij heeft nou niets wat je gevoel raakt; ja, velen vinden hem zelfs een beetje vies; maar wie eenmaal heeft geleerd wat hij betekent, weet hem naar waarde te schatten en moet wel blij zijn wanneer er regenwormen in de akker en de tuin voorkomen en het daar naar hun zin hebben.

Het eerste wat nu van de regenworm zal worden beschreven is de lichaamsbouw en de zintuigen. Helemaal kaal en zonder poten kruipt hij op z’n buik rond of onder de grond. Van voor naar achter bestaat hij uit segmenten. Hij heeft geen ogen en geen oren, eigenlijk niet eens een kop. Met pijn en moeite heeft hij vooraan in het tweede segment een mond.
Wie echter zo’n mond heeft als een regenworm, zonder kaken en tanden, kan zeer zeker niemand bijten, en ja, hij kan niets van iets afbijten. Hij moet het heel anders doen. Natuurlijk heeft een regenworm ook geen neus.

Het geheim van de regenworm is dat hij op zijn kale huid heel gevoelig is. Zo voelt hij bv. heel duidelijk of het buiten op de aarde warm of koud is en wanneer het hem te koud lijkt, blijft hij simpelweg thuis. Hij voelt, hij tast met zijn huid.
Misschien hoort hij ook een beetje zonder speciaal oren te hebben. Hij proeft de aarde heel precies, omdat heel zijn lichaam bijna net een tong is. Bij hevige trillingen probeert hij onder de aarde weg te komen; hij weet zelfs of het buiten licht of donker is en wanneer je hem met een zaklamp beschijnt, merkt hij dat ook en trekt zich samen. Zo verbazingwekkend is dat bij dit eenvoudige diertje dat bijna alles kan waarnemen hoewel het toch geen enkel zintuig heeft. Alles neemt hij waar door zijn vochtige huid.
Smaak en reuk zijn bij regenwormen nog hetzelfde, maar toch neemt dit diertje heel fijnzinnig waar of de aardbodem goed of slecht is, of die bevoorderlijk is voor zijn gezondheid of niet, want hij verlaat een slechte bodem en hij zoekt er een op waarin hij het met zijn huid prettiger heeft.
Wie zoals een regenworm geen kop heeft, heeft natuurlijk ook geen hersenen, ook niet de allerkleinste. Die heeft de regenworm ook niet nodig, want wat hij waarneemt, licht, duisternis, geur van de aarde, warmte, kou, trillingen e.d. dat gaat bij hem niet tot in de ledematen, want die heeft hij niet. het zit ‘m gewoon in de worm, kun je wel zeggen. Hij weet dus ogenschijnlijk ook waar boven en onder is, dat moet hij wel voelen, want hij draait steeds dezelfde kant naarboven. Je ziet het ook aan de grote bloedader die midden over zijn rug loopt. Een hart in het bijzonder heeft een regenworm niet.

Wanneer je een regenworm in je hand durft te nemen en je trekt hem dan langzaam van achter naar voren door je vingers, voel je duidelijk dat het een beetje als een rasp is. Dat zijn kleine borsteltjes waar de regenworm er vier rijen van op zijn huid heeft. Op iedere helft twee, boven en aan de buikkant. De borstels zijn tegelijkertijd ‘stijgbeugeltjes’ waarmee de regenworm in zijn loodrechte gangen houvast heeft. Hij kan ze zelfs een beetje bewegen, waardoor je ze verkommerde vervangers van poten zou kunnen noemen. Wanneer je de worm op papier laat kruipen, hoor je het een beetje zacht ritselen. Ieder die het wil kan het proberen. Omdat de borstels van voor naar achter gericht staan, geven ze de worm houvast wanneer hij in zijn gangen naar boven wil, anders zou hij misschien wel ruggelings weer naar beneden vallen. De borstels zijn aan het regenwormlijf ook het enige dat weerstand kan bieden.
De zoölogen rekenen de regenworm tot de ringwormen. Je ziet toch dat hij van voor naar achter in louter ringen of segmenten ingedeeld is. De voorste ring of het voorste deel is spits en kan zich ook nog klein samentrekken zodat het nog langer wordt. Daarmee boort de regenworm zich de grond in wanneer hij een plekje heeft gevonden waar al een klein scheurtje was. Dan komen de borstels hem weer te hulp. Hij heeft zoveel paar borstels als hij segmenten heeft, ook aan iedere kant.
Het volgende dat nu over de bouw en het functioneren van de regenworm zal worden beschreven is, dat hij onmiddellijk onder zijn huid van voor naar achter, zoals men zegt een lentespier heeft. Dat is toch een beetje de vervanger van de armen en benen die hij mist. In verhouding is het toch een sterk dier, zoals je eveneens kan voelen, wanneer je er een beetpakt. De spier maakt het mogelijk dat de regenworm een golfbeweging maakt die van voor naar achter  loopt. Eerst strekt hij zich uit en dan trekt hij het achterste gedeelte weer bij. Maar hij kan ook achteruit kruipen. Hij doet dat wel anders dan de slangen die slingerbewegingen moeten maken, omdat ze een benige wervelkolom hebben. Hoe zouden die zich daarmee kunnen samentrekken of uitstrekken?

De gewone regenworm, de grootste van de bij ons voorkomende soorten, wordt tot 35cm lang en heeft dan ongeveer 150 segmenten. Op een paar centimeter meer of minder komt het echt niet aan. Men weet ook hoe gemakkelijk het kan gebeuren dat zo’n worm in delen gescheiden wordt. Wanneer je de tuin spit, kan het gebeuren, of een vogel in de lucht kan een stukje verliezen. Maar wat hindert het! De worm voelt geen pijn en wat eraf is, is weldra al weer heel.
Laten we eens kijken wie er zoal regenwormen opvreten. We zouden al de vele vogels kunnen noemen die met hun scherpe ogen de grond afspeuren, bv. wanneer er geploegd wordt. Vervolgens snuffelt mijnheer egel overal de grond af of hij er geen smakkend op kan eten wanner hij er een ziet. Onder de grond maken de mollen natuurlijk grote hoeveelheden wormen dood. Spitsmuizen en nog veel meer dieren jagen ijverig op hem en laten hem zich goed smaken, zelfs kikkers eten regenwormen. Moet je dan niet verbaasd zijn dat er dan eigenlijk nog wel overblijven. Maar er blijven steeds genoeg regenwormen over.
Het kan ook aangegeven worden hoeveel van deze stille kruipers er in de grond huizen, omdat het namelijk vaak onderzocht is. In een hectare bosgrond, dat is een vierkant van 100 bij 100m, werden een hoeveelheid van drie miljoen regenwormen vastgesteld. Die zouden bij elkaar zo’n 400kg wegen, zoveel als een vet varken. Bedenk wel dat regenwormen zich snel voortplanten.
Iedereen heeft zeker wel die gordelvormige verdikking – het zadel – gezien in het voorste derde deel van een regenworm. Die begint bij het 27e segment, 8 segmenten groot. Daaruit legt de regenwormen de eitjes en tegelijkertijd zet hij als een soort omhulling slijm af, want de gordel is eigenlijk een slijmklier. Op het laatst stroopt de worm de hele cocon af, zo noemt men de eierbal, zodat deze zich nog meer samen kan trekken.
Dus de regenworm maakt zijn cocon niet uit zijdedraden zoals de zijdespinner, maar hij laat deze uit slijm onstaan die aan de lucht droogt. En zo wordt het wormenbroedsel onder de grond in een kleine holte gelegd.
Regenwormen zijn eigenlijk nachtdieren of op z’n minst toch wel dieren van de schemering. Omdat ze helemaal kaal zijn en daarbij een vochtige huid hebben, bestaat het gevaar dat ze uitdrogen. Maar door deze vochtige huid moet de worm die geen longen heeft, ook nog ademen. Als het dan op een keer heel erg hard heeft geregend, komen de wormen overdag wel uit hun gangetjes omhooggekropen, want het regenwater loopt de gangetjes binnen, vult deze en daardoor krijgen de wormen gebrek aan lucht. Dan wordt het duidelijk waarom de regenworm eigenlijk zo heet.
Het wordt echt gevaarlijk voor ze, wanneer meteen na de regen de zon begint te schijnen. De regenwormen kunnen absoluut niet tegen het zonlicht, omdat dit schadelijk is voor hun bloed. Daarom vind je ze vaak na hevig weer massaal dood liggen.
Ze hebben nu eenmaal de bescherming van het duister nodig om in leven te kunnen blijven. Ook zijn ze zeer gevoelig voor kou en vorst, zoals je wel kan bedenken. Ze houden van vochtige warmte en bevriezen al bij twee graden onder nujl. In de winter zitten ze weliswaar diep in de grond, maar het kan gebeuren, dat de vorst daar toch een keer diep doordringt en dan gaan ze dood; als de grond met stro of iets anders afgedekt is, zijn ze beschermd en overleven.

Soms zie je kleine blaadjes uit de aarde steken, net alsof iemand ze er voor de lol ingestoken heeft. Maar dat deden de regenwormen bij hun nachtelijke activiteit. Ze verzamelen blaadjes of bladdelen waar ze die maar kunnen vinden en slepen ze naar hun gangen. Daar moeten ze verrotten tot de regenworm ze op kan eten met zijn weke bek. Het is zelfs bekend dat regenwormen ook een bepaalde lievelingskost hebben, zoals bv. koolbladeren die ze ook van verre kunnen halen. Maar ook aarde propt de regenworm naarbinnen, haalt eruit wat hij kan gebruiken en poept de rest die hij in zijn darmen heel vruchtbaar heeft gemaakt, weer uit. Dat zijn de ‘wormhopjes’ die je vaak vindt. Zo dragen de regenwormen met stille, maar volhardende arbeid bij aan de vruchtbaarheid van de aarde en daarmee maken ze de bodem tegelijkertijd losser. Dat ze ook vaak jonge kiemplanten meepakken, moeten we hen bij zo’n grote nuttigheid, maar niet kwalijk nemen.
Meestal pakt de regenworm de bladeren bij een punt. Zo kan hij deze zonder dat ze in de gangetjes klem komen te zitten daarin naar binnentrekken. Alleen van de dennennaalden weet men dat de worm die andersom beetpakt, want die zitten als paar bij elkaar en die zouden blijven steken wanneer de worm die ook bij een puntje zou pakken.
Welke wijsheid zit er toch verborgen in het gedrag zelfs van zo’n klein dier? Welke meester heeft dat de regenwormen geleerd? Wie heeft dat in hen gelegd?

De loodrechte gangen zijn gewoonlijk een halve meter diep. En dan kan je je makkelijk voorstellen wat het voor de hele aarde moet betekenen, wanneer er altijd door zo veel regenwormen aarde opvreten en het dan ergens anders weer achterlaten. Daarbij komt dat velden, weilanden, tuinen en bossen door hun heimelijke verzorgers bemest worden. De boer, maar ook de boswachter en de tuinman moeten ze zien als waardevolle helpers. Wat het ook is, plantenresten of dierlijke, alles wordt aan de aarde teruggeven en in vruchtbaarheid omgezet. De regenworm maakt de bodem open voor de plantengroei. Hij mest en bewatert tegelijkertijd, zoals we nog zullen zien.
En laten we wel bedenken hoeveel er zijn, van deze stille, vaak zo geringschatte helpers! Per hectare land niet minder dan twee tot vijf miljoen en op dat oppervlak werden wel een miljoen wormgaten geteld. Er is becijferd dat de regenwormen op een middelgrote boerderij meer wegen dan alle koeien en kalveren bij elkaar. Wie had dat voor mogelijk gehouden! Het is niet te veel gezegd: deze geheime onderaardse koeienstal houdt ook de mens in leven.
Maar er is nog meer lovenswaardigs
te zeggen over wat de regenworm doet. Deze helpers zorgen namelijk ook tegelijkertijd door hun gangen ervoor, dat er genoeg lucht in de aardbodem komt. Dus losmaken, mesten en beluchten, dat doen ze. De plantenwortels kunnen ademen en ze krijgen ook meteen de fijne stroom vocht die van bovenaf de wormgaten binnendruppelt.

In helemaal niet zoveel decennia hebben de regenwormen, wanneer er maar veel zijn en wanneer ze zich op hun gemak voelen, de bodem omgeploegd en het onderste boven gekregen, zonder ploeg, alleen maar door hun levenswerk. Is het dan een wonder dat de boer en de tuinman die er weet van hebben met zorg kijken of het met de wormen goedgaat? De laatste tijd worden er zelfs regenwormen gekweekt en wanneer ze zich goed vermenigvuldigd hebben, verkocht daar waar ze nodig zijn.

Wat zijn het nu eigenlijk, die regenwormen?

Ze horen bij de aarde. Ieder van hen is net een klein stukje van de darmen van de aarde, dus helemaal geen heel dier, maar een klein stukje dat onder en boven de grond zelfstandig rondkruipt. Kop en ledematen zijn a.h.w. over de darm verdeeld of door deze opgeslokt. Zijn opdracht is het echter de aardekruimels langzaam door zich heen te laten gaan en ze van nieuw leven te voorzien en ze vruchtbaar te maken.
Dikwijls geringschatten de mensen ze, of minachten ze zelfs, omdat ze nog niet begrijpen hoe belangrijk ze wel niet zijn. Maar het kleine kan groot zijn, het nietige zelfs verheven. Dat is bij de regenworm niet anders. Dus laten we voor hem niet meer onze neus ophalen, maar duizendmaal liever, wanneer we hem zien, onze hoed afnemen. 

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1787

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (8) – over slakken

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 61                                                                                                     hoofdstuk 8

Zeven slakkengeheimen

Over de wijngaardslak

De slakken behoren tot die dieren waarover heel vaak geringschattend wordt gesproken, men heeft er een hekel aan, tenzij ze als delicatesse worden opgegeten zoals in Frankrijk en Spanje.
De wijngaardslak is een huisjesslak en om dit huisje te kunnen bouwen heeft ze kalk nodig. Vandaar dat ze in kalkrijke streken veelvuldig voorkomt.
Zo weinig betekenend ze zelf dan mag zijn, ze heeft toch prachtige familieleden, grote zeeslakken met heel fraaie kleuren en tekening op de huisjes met stekels die binnenin bovendien nog glanzen als paarlemoer.
Wanneer je er een aan je oor houdt, hoor je je eigen bloed daarin ruisen en dan zegt men weleens ‘je hoort de zee die daar nog geheimzinnig in naklinkt.’
Soms worden deze slakken foutief mosselen genoemd, maar die hebben, zoals bekend is, geen huisjes, alleen maar twee schalen die door een vorm van een scharnier beweeglijk aan elkaar vast zitten. In mossels kunnen mooie parels ontstaan, maar de slakken daarentegen hebben alleen maar een heel dun laagje paarlemoer aan de binnenkant van hun huisje, maar geen parels.
Wie de slakken wil begrijpen moet weten dat het eigenlijk allemaal waterdiertjes zijn, ook als ze over het land kruipen. De prachtigste komen voor in de zuidelijke meren. En daar is onze wijngaardslak met het geel-bruine huisje en de donkere strepen eroverheen maar een nietig schepsel. Meestal ziet men het nauwelijks dat ze een tekening hebben.
En toch is het slakkenhuis het meest merkwaardige en tegelijkertijd ook het wonderbaarlijkste stukje natuur dat je je maar kan indenken. Is het dan een omgevormd botje? Nee, zeker niet! Het is gewoon een huisje, zoals de naam al zegt. En er woont iemand in en de bewoner heeft het zelf gebouwd. Hij kan naar binnen en naar buiten kruipen, maar omdat hij eraan vast gegroeid is, moet hij z’n huisje overal mee naar toe nemen, als een rugzak. En verborgen in het huisje zitten ook de inwendige ingewanden van de slak. Veel van de mooie zeeslakken hebben veel dikkere en daarom veel zwaardere huisjes, maar de zee helpt bij het dragen.
Hoe groter de slak wordt, des te groter moet natuurlijk ook het huisje worden. Het heeft maar één kamertje en dat heeft de vorm van een spiraal. En de slak moet zich daarin oprollen, tot hij aan de voorkant naar buiten kijkt. Een mooi geheim ben jij, gedraaid slakkenhuis!
Soms vind je oude slakkenhuizen waarin geen slak meer zit. Als je een figuurzaagje neemt en je zaagt er een doormidden, wat zie je dan? Allereerst dat het huisje vanbinnen een wenteltrap heeft of zoals het beter klinkt, een spil. Deze is hol en daaruit volgt dat het hele slakkenhuis eigenlijk niets anders is dan een gedraaid buisje. Bovenaan de top is het nauw, naar onderen toe wordt het steeds wijder. Maar het is toch spiraalsgewijs opgerold. Zolang de slak nog groeit, maakt ze vooraan er steeds nieuwe banen aan. Die zijn eerst heel dun en breekbaar; als de slak eindelijk klaar is met groeien, maakt ze de rand van het huisje dikker en laat die wat naar buiten stulpen. Dat is dan de ‘mond’ van het slakkenhuis. Zo zweet de slak haar huisje uit en de kalk die ze daarvoor nodig heeft, neemt ze tot zich door het voedsel. Vaak zie je slakken hoog tegen de muren op kruipen waar ze uit de voegen en van de stenen kalk wegknagen. Al naar gelang wat de slak vindt en hoe ze zich voeden kan, groeit het huisje, soms met onregelmatige, dunnere of dikkere dwarsstrepen.
Het huisje is dus het allereerste geheim van de slak en zeker niet het kleinste.

Het tweede en derde gaat erover hoe slakken kruipen. Ze hebben geen benen en maar één voet, zoals men zegt, met een kruipzool. Je zou het ook wel een tong kunnen noemen waarop de slak rondreist en die ze in- en weer uit kan trekken. Vooraan de kop heeft de slak twee paar tasters. Wanneer hij kruipt, is het net of hij vooruitglijdt, je hoort niet het minste en je ziet geen beweging. Wanneer je ze op een glasplaat laat kruipen, kun je de mooie golfbewegingen zien die door de voetzool gaan. Ook bij waterslakken in een aquarium kun je dat makkelijk zien. Langzaam en rustig komt de ene golfbeweging na de andere en iedere keer wanneer er de golfslag vanachter vandaan komt, wordt de voet nauwelijks zichtbaar iets korter en wanneer de golf vooraan gekomen is, strekt de slak zich weer uit. Zo ontstaat het rustige verder glijden.
Dat is het tweede geheim en daar hoort het derde bij. Een slak staat namelijk helemaal niet op de vaste grond. Het is alsof ze op een heel kleine zee zwemt, een zee die steeds door haarzelf wordt neergelegd doordat zij slijm afscheidt. Dit slijm verbindt zich weliswaar stevig met de aarde, maar niet met de slak zelf. Ook wanneer dit al opgedroogd is, zit het nog aan de aarde vast en daar kun je dat zijn opglanzen, Zo maakt het voor de slak niets uit of zij op een gladde ondergrond, dan wel op een ruwe haar weggetje gaat, want zij glijdt nu eenmaal op het eigen slijm verder. Zij kan langs steile wanden omhoog kruipen of aan het plafond. Zelfs op zaagsel glijdt zij nog verder.
Dat is toch echt wel een verrassing voor iedereen die het nog niet wist, dat geen enkele slak met haar voet de aarde aanraakt. Dat is toch een slakkenwonder!
Bij zeeslakken kun je dat wel begrijpen, maar bij landslakken? Wat doen die dan eigenlijk? Ze nemen hun eigen kleine zeetje mee om daarop te zwemmen. Hun zee is het slakkenslijm.
Zo is het en niet anders.

Moeten we er ons over verbazen dat er bij droogte en zonneschijn geen slakken onderweg zijn? Ze gaan alleen bij vochtig weer op pad, vooral ’s nachts. Anders zou hun meegevoerde zee helemaal opdrogen en zij zelf ook. Wanneer waterbewoners zich op het vaste land wagen, moeten ze wel heel voorzichtig zijn.

Het vierde geheim gaat over de zintuigen en de zintuigorganen van de slak. Natuurlijk kun je van zulke eenvoudige dieren als de slakken niet verwachten dat ze net zulke volledige zintuigen hebben als de mens. Maar zij hebben precies de zintuigen die ze nodig hebben om te kruipen en bladeren te zoeken.
De beide ogen op de grote tasters zijn zeer bijziende. Maar dat is voor een slak helemaal voldoende. Vaak loopt zij nog tegen iets op, ook al lopen ze zo langzaam. Wanneer je ze echter met een vinger benadert, dan trekken ze zich meteen terug, nog vóór je ze hebt aangeraakt en trekken ze hun ogentasters als een handschoenvinger naar binnen. Dat kan, omdat de tasters van binnen hol zijn. Waarschijnlijk voelt zij je lichaamswarmte. De tastzin die over het hele lichaam verbreid is, moet wel heel gevoelig zijn.
Zij heeft zo haar lievelingskostje, deze wijngaardslak, zoals b.v. koolbladeren en weet die ook te vinden. Experimenten met slakken hebben laten zien dat de voeltasters tegelijkertijd ook reukorganen zijn. De smaak zit natuurlijk in de mond, aan de onderkant van de kop en wanneer er bij slakken nog van gehoor gesproken zou kunnen worden, dan zou dat wel de naakte huid kunnen zijn die zo fijngevoelig is. Want slakken hebben geen oren. Wanneer je een slak bent, heb je het waarschijnlijk ook helemaal niet nodig dat alle zintuigen zo duidelijk verschillend zijn. Daarom staat ook in Goethes Faust:

Zie je daar de slak? die komt aangekropen
met haar tastende gezicht
heeft ze jou al wel geroken

Hoe weinig je het bij de natte, koele slakken voor mogelijk zou houden, zo waar is het toch: ze zijn gevoelig voor warmte en ze houden niet alleen van warmte, maar ze hebben die ook nodig en omdat de wijngaarden altijd op de warmste plaatsen aangelegd worden, komen daar ook steeds de meeste slakken voor.
De wijngaardslak heet er zelfs naar omdat ze daar zo talrijk zijn. Maar het mag daar niet al te droog zijn. Wanneer het ’s zomers een langere tijd niet regent of wanneer het te warm wordt, komen de slakken in gevaar, kunnen dus uitdrogen. Maar dan trekken ze zich in hun huisje terug en wachten de regen af. Dat is dan hun zomerslaap. Daarvoor kruipen ze eerst nog onder de bladeren, waar veel schaduw is. Dan scheiden ze voor de opening van het huisje slijm af dat meteen hard wordt. Op die manier kunnen slakken het maandenlang uithouden, woestijnslakken zelfs jaren.

Het vijfde geheim is de slakkenmond. Die vraatzuchtige slak heeft ook lippen en zelfs een tand waarmee ze kleine stukjes van de bladeren af kan bijten. Wie goed luistert, kan het ‘knagen’ zelfs horen. Maar het eigenlijke wonder is de slakkentong. Die wordt alleen uitgestoken als de slak iets wil afschaven. Een echte tong is het natuurlijk niet. Eerder is het een klein rolletjes of een walsje. En die heeft geen puntje. Het is een heel klein raspje met bijna ontelbare, heel kleine tandjes. Wanneer de slak het tongwalsje op een blad perst, kan hij weliwswaar niet bijten, maar toch raspen, steeds van voor naar achter.
Met een vergrootglas kan je heel goed zien dat de tandjes van de slakkentong op een wonderbaarlijke manier geordend staan, bijna als de schubben van een dennenappel, vele rijen achter elkaar. Die zijn zo zorgvuldig gevormd dat de onderzoeker van slakken zelfs de slakkensoorten daarmee kan indelen. Is het niet grappig dat een dier naar zijn tong ingedeeld wordt? Slakken hebben bijna geen vaste delen. Daarom heten ze dan ook weekdieren.

Het zesde slakkengeheim is hoe de slakken ademen. Hun long ligt verborgen onder het huisje, maar je ziet toch een ademopening, de slak heeft er maar één. Die staat in verbinding met een ademholte, ook wel mantelholte genoemd. De slak kan die sluiten en openen, maar dat is niet de ademhaling, want dat doet de slak niet. Ze laat de lucht simpelweg naar binnen stromen en weer naar buiten. Wie zich zo langzaam beweegt, raakt nooit buiten adem. Dan is het genoeg om een slakkenlong te hebben.

De voortplanting is het zevende en het laatste geheim dat hier besproken wordt. Wijngaardslakken leggen namelijk eieren, een beetje witachtig. En omdat het slakkeneieren zijn hebben ze ook al een dun, kalkhoudend perkamentachtige schaal. Voor een slak zijn deze eieren in ieder geval zeer groot, als erwten namelijk. Als je dan bedenkt dat een slak tot wel zestig eieren achter elkaar legt, dan is dat wel een topprestatie. En omdat het legsel zeer zeker veel liefhebbers zou vinden, is het heel goed dat vrouw slak eerst een gat in de aarde graaft. Dat is voor haar uiteraard een moeilijk werk en dat kost wel tien tot twaalf uur, omdat ze geen ander gereedschap heeft dan haar weke voet. Als het holletje uiteindelijk tien centimeter diep is, begin het eieren leggen. Ontdek je een slak die eieren legt, zie je dat ze voor de helft in het holletje zit. Het is moeilijk van die grote eieren te leggen en het duurt vele uren, want de eieren komen zo om het half uur. Maar zoals bekend, slakken hebben de tijd, veel tijd. Ten slotte begraaft moeder slak het broedsel zorgvuldig – en bekommert er zich verder helemaal niet meer om. Na dertig dasgen is het echter zo ver: uit de eieren kruipen heel kleine slakjes.
Wel een geluk dat het niet iedere slak vergund is, groot te worden. Dan zou ieder ook weer zestig eieren leggen. Dan zou de aarde wemelen van grote en kleine slakken en dan zouden al gauw alle bladeren opgevreten zijn. Maar moeder natuur rekent anders. Zij heeft ook aan de vele hongerige magen gedacht van de dieren die slakken op willen vreten, grote en kleine.
De merels b.v. kraken op een harde steen eerst het huisje. Daarom vind je weleens stenen waar alleen maar gebroken huisjes bij liggen. Andere slakkenopruimers zijn de spreeuwen, zanglijsters, spitsmuizen, enz. In de natuur heeft nu eenmaal alles zijn maat en doel.

Als het uiteindelijk voor een dier dat zo naakt rondkruipen moet als een slak te koud wordt, dan zoekt zij een schuilplaats op waar zij kan overwinteren. Dan trekt de slak zich diep in zijn huisje terug en slaapt. Van te voren echter scheidt zij nog een keer kalk af, dit keer uiteraard voor de opening van het huis en maakt er een sterk dekseltje van. Er kunnen wel meerdere van die dekseltjes ontstaan, iedere keer als de slak zich terugtrekt. Zo overwintert de wijngaardslak in een aardholletje met een dekseltje naar boven. Alleen een heel klein ademgaatje wordt opengelaten.

Wanner het dan lente wordt en er geen gevaar meer bestaat dat het gaat vriezen, stoot de slak het dekseltje weg en komt zij weer uit het huisje tevoorschijn. De dekseltjes zie je overal liggen.
Wie ze opraapt kan onderzoeken hoe breekbaar ze zijn en welke mooie vorm ze hebben.

Zeven grote geheimen dus, die de wijngaardslak ons leert. Wat is het grootste? Geen of allemaal! Wie zou het kunnen zeggen, want iedere keer is dat het grootste, wat jij zo bewondert.

Schnecklein war ins Haus gegangen,
hatt’ es richtig angefangen;
denn da draufien allerorten
war es machtig kalt geworden.

Schnecklein macht’ den Deckel zu
und begann die Winterruh,
ließ die Stürme eisig blasen
und von Nord nach Süden rasen.

Schnecklein aber rührt sich nicht,
bis der Lenz die Scholle bricht.
Schon beim Morgensonnenblitzen
fängt das Schnecklein an zu schwitzen.

Komm heraus, du alte Schnecke,
warst schon lange im Verstecke,
reit auf deinem Schleimespfad
hin zu Nachbars Kopfsalat!

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1743

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (7) – over de dromedaris

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 52                                                                                                     hoofdstuk 7

Het Duits is enigszins verwarrend. De kameel met twee bulten heet ‘Trampeltier’. ‘Kamel’ is in het Duits de kameel met één bult, die wij dromedaris noemen, een woord dat ook in het Duits bestaat als ‘Dromedar’. Grohmann gebuikt hier steeds ‘Kamel’ als het over de dromedaris gaat. Vandaar de eerste zin: ‘Die Kamele, auch Dromedare genannt’.

Het kamelengeslacht waartoe ook de dromedarissen behoren, vertoont veel verwantschap met de herkauwers, want beide diersoorten behoren tot de herkauwers. Wat is erger, iemand een rund noemen of als os bestempelen of hem voor kameel uit te schelden? [Kamel = ‘ezel, domkop’] Wie zou deze vraag makkelijk kunnen beantwoorden? Maar wacht maar eens af wat de bioloog daarover te zeggen heeft. Misschien kan hij ons het juiste antwoord geven. Zo gaat dat, wanneer de mens op de een of andere manier iets van het dier overneemt. Meteen houdt hij dan een beetje op mens te zijn.
Maar aan de andere kant, wie heeft nu eigenlijk het recht een dier minder te achten, omdat het maar een dier is? Zeker geen mens, want dieren worden toch juist zo volmaakt in hun soort, ook zo nuttig of dienstbaar omdat ze iets bepaalds volmaakt ontwikkeld hebben of goed kunnen, veel beter dan de mens het ooit zou kunnen. Moeten we daarom dan minder van hen houden?
De koe kan buitengewoon goed het groenvoer verteren om daaruit uiteindelijk melk te laten ontstaan. In haar verschillende magen zondert ze het voedsel af en verandert het. Iedereen weet toch wat voor ingewikkelde buik ze heeft. Die is veel volmaakter en zit gecompliceerder in elkaar dan de onze. In haar kop is ze daarom oliedom. Maar wat maakt dat uit als ze daarvoor in de plaats in haar buik zo kunstig gebouwd is. Daar is ze bijna de hele dag bezig. Acht uur alleen al moet ze per dag grazen. Dan gaat ze liggen om te herkauwen, want dat is haar belangrijkste taak. Nee, deze goede runderen zijn echt ijverig en ze worden bij hun werk dan ook niet graag gestoord.

Aan de dromedaris zie je al uit de verte dat hij hoewel hij ook een herkauwer is, niet zo’n grote buik heeft. Hij heeft ook één maag minder dan andere herkauwers. want hij heeft geen boekmaag. Daarvoor in de plaats zitten de goede eigenschappen in de lange en sterke poten. Hij kan vracht dragen en je kan zelfs op zijn rug rijden. Het is echt een origineel dier, deze dromedaris, ondanks veel echt wel slechte eigenschappen, maar daarover hebben we het niet.
De gezichtsuitdrukking van de dromedaris lijkt onbewogen, zelfs een beetje onnozel waaraan in het bijzonder ook de overhangende bovenlip bijdraagt. Die is gespleten. De oogpupil is een langwerpige, scheefstaande spleet. Aanhankelijkheid aan de mens, ook aan die hem verzorgt en beschermt, kent de dromedaris niet. Hij is gedienstig als hij daartoe wordt gedwongen en stribbelt tegen, als het maar eventjes kan.

Het is beter om maar eerst de slechte eigenschappen van het dier te noemen, zodat later de goede des te meer opvallen.
Laten we eens luisteren naar hoe de beroemde bioloog Brehm zijn slechte ervaringen met dromedarissen samenvat:
‘De enige eigenschap waar de dromedaris groot mee is, is zijn vreetlust; al het andere valt daarbij in het niet. Hij heeft buitengewoon weinig verstand. Onaangedaan vertoont hij geen liefde en geen haat, het is hem wat alles betreft om het even, behalve zijn voer en de jongen. Prikkelbaar wordt hij, zo gauw hij zich moet inspannen; als z’n boosheid niets helpt, schikt hij zich weer onverschillig in wat hij doen moet, zoals in al het andere. Als hij kwaad is, wordt hij boosaardig en gevaarlijk. Echt afschuwelijk is zijn grenzeloze angst. Het gebrul van een leeuw laat meteen de karavaan uiteenvallen; iedere dromedaris werpt ogenblikkelijk z’n vracht af en gaat ervan door.  Van het huilen van een hyena wordt hij buitengewoon onrusitg; een aap, een hond, een schildpad, voor hem zijn het verschrikkelijke schepsels. Ik ken geen ander dier waarmee het op een vriendelijke manier omgaat. Met de ezel lukt dat nog wel; het paard ziet hij als het meest afschuwelijke dier. Van zijn kant lijkt de dromedaris de andere schepsels met dezelfde wrevel aan te kijken, als waarmee hij naar de mens kijkt.
De dromedaris komt wat edelmoedigheid betreft achter aan de rij van alle huisdieren. Hij heeft echt geen enkele grote karaktereigenschap; hij verstaat de kunst om de mens razend te maken. En daarom heeft ook de benaming [Duits Kamel, kameel] een diepere betekenis, want wanneer je een mens die naam geeft die alle eigenschappen van een os, ezel, schaap en muildier in zich verenigt, kun je geen beter voorbeeld kiezen.’
Na deze woorden van de natuuronderzoeker Brehm is het nu wel duidelijk of het erger is om iemand een os of een rund te noemen of een kameel.

Maar wanneer er nu zoveel slechte eigenschappen van de dromedaris te berde zijn gebracht, is het toch niet anders dan eerlijk en billijk om ook de vele eigenschappen naar behoren onder de aandacht te brengen die het dier tot een bijna niet te vervangen vriend en helper van de mens maken. Als je ooit van dieren kan zeggen dat ze met ‘huid en haar’ door hun vlees en vet, ook door de melk, talloze mensen het leven mogelijk maken, dan moet er toch in de allereerste plaats aan de dromedaris gedacht worden. Hij is lastdier en rijdier, geeft kleding en voedsel sinds oertijden, wat we bijv. uit de Bijbel weten. De melk kan door het hoge vetgehalte beslist niet worden gedronken. Zelfs de mest die in de morgen geproduceerd wordt, wordt meegenomen, want in de woestijn waar geen hout is, is het een kostbaarheid. Overdag droogt het in de hitte en ’s avonds doet het dienst als brandstof voor het vuur bij het kamp. Niets mag ongebruikt verloren gaan! Reusachtige stukken woestijn en steppenland maakt de dromedaris door zijn veelzijdige nuttigheid pas bewoonbaar. Hij maakt het leven mogelijk voor veel volksgemeenschappen. Toen het Suezkanaal er nog niet was, trokken grote karavanen van Suez naar Port Said door de woestijn.
Ten zuiden van de 12e breedtegraad kan de dromedaris niet meer leven, daar ook niet in woestijnen of op de steppen. Van Noordwest-Indië naar Klein-Azië, in Palestina en het land van de Nijl, uiteindelijk in heel Noord-Afrika wordt hij als onmisbare helper gefokt. Hij is naar Australië en Amerika gehaald. Vooral in vochtig-hete klimaten kan hij in zijn thuisland niet en ook niet ergens anders bestaan.
Laten we nu eens naar zijn eten kijken.
Ondanks de vreetzucht die we al genoemd hebben, is er aan de andere kant geen dier dat met weinig zo tevreden is als de dromedaris, vooral wanneer er simpelweg geen voedsel is. Als het avond is geworden en de drijvers de dieren van hun last bevrijd hebben, beginnen de dromedarissen zelf naar voedsel te zoeken. Van hun drijvers kunnen ze op lange woestijnreizen niet meer dan een paar handen gierst of gerst krijgen. De drijver houdt dit karige voer voor hen in zijn omslagdoek bij zich. Wat de dromedaris nog vindt is dor en droog, hard en doornig. Maar daar geeft hij niets om. Hij vermaalt alles met zijn sterke tanden en omdat de lippen en de bek verhoornd zijn, voelt hij er ook niets van. De strohutten van de woestijnbewoners die met bladeren gedekt zijn, moeten met een muur beschermd worden, anders vreten de dromedarissen ze tot aan de grond toe op. Bijzonder graag halen ze ook de bladeren van de bomen naar beneden. Dierenonderzoeker Brehm vertelt dat hij op zijn reizen steeds weer op scherpe doorns trapte die door de zolen van zijn laarzen drongen of door de leren neuzen van zijn schoenen; maar dat de dromedaris dat soort doornen met graagte opvrat. Met een dergelijk karig voedsel kan een dromedaris zeker geen vet produceren.
Nu heeft de dromedaris boven op zijn rug iets heel wonderlijks meegekregen dat hem helpt wanneer hij door gebrek in nood raakt: zijn bult. Die is in betere tijden  door eten ontstaan, want het is niets anders dan een vetbuikje dat hij op zijn rug draagt. Er zitten geen beenderen in en daarom kunnen ze dikker worden en weer dunner al naar gelang het goede of slechte dagen zijn. Wie zijn vetbuik op zijn rug draagt, wordt bij het lopen niet gehinderd. Als een bult goed vol zit, kan die wel 15 kg wegen, maar wanneer die opgebruikt is, weegt die nog maar 2 kg en je ziet hem haast niet meer. Wat een geluk voor iemand die zo lang een voorraad voedsel heeft!
Ook wat drinken betreft zijn de dromedarissen onderweg met weinig tevreden. Als ze veel verse bladeren vinden, kunnen ze ook wel helemaal zonder water, maar anders zakken ze in elkaar wanneer ze geen drinken krijgen. Met hun bijzonder verfijnde speurzin nemen ze een bron al op grote afstand waar. Ze weten ook de plaastsen nog waar ze vroeger weleens hebben gedronken, strekken de halzen, rennen erop los en laten zich niet tegenhouden tot ze bij hun doel zijn. Dan slurpen ze begerig en heel lang en het hele lijf schijn het water op te zuigen, maar dat de dromedaris speciale waterzakken in zich heeft die het voor droge tijden kan vullen, is echt een voorstelling waarom hij die het weet, moet glimlachen.
Alle streken op aarde hebben dieren als helper en elk doet dat op zijn manier. In het hoge noorden is het dat half in het wild levende rendier, ook een herkauwer, in de Afrikaanse woestijn is het de dromedaris. De loggere kameel met zijn twee bulten die in Azië tot ver in het noorden voorkomt en daar eveneens als lastdier, vlees- en melkdier gefokt wordt, noemen we hier terloops. De lama die heel verwant is aan de dromedaris, dient in het hooggebergte van Zuid-Amerika als lastdier. Door zijn andere lichaamsbouw is hij juist voor het gebergte bijzonder geschikt. 

De dromedaris daarentegen is alleen geschikt voor vlak land of een beetje bergachtig. Daarin ligt zijn eenzijdigheid, maar ook zijn kracht. Juist voor deze leefruimte vind je geen geschikter dier. De hoge poten beweegt hij in telgang, dat betekent dat er twee poten aan dezelfde kant tegelijk naar voren worden gezet. Daar komt de wat schommelende gang vandaan, het schommelen van het schip van de woestijn. Maar wanneer hij steil van de berg naar beneden moet, wordt hij onzeker. Zijn eigen lichaam met de lange poten moet hij wel als een last ervaren die hem steeds opzij trekt. Nee, van iemand die zo is als de dromedaris kan je niet verlangen dat die steil naar beneden van een berg afdaalt!

Het is vanzelfsprekend dat er van een dier dat al duizenden jaren onder de menselijke zorg leeft – wilde dromedarissen zijn er niet meer – wel net zoveel rassen moeten zijn dan bij paarden en runderen. Zware, logge kamelen die vooral gebruikt worden voor het dragen van vracht, vind je bijv. in Egypte. Ook in de vruchtbare gebieden van Noord-Afrika worden zulke kamelen gehouden. Men gebruikt ze niet om op te rijden. Daarvoor zijn toch de in de hoogte gegroeide slanke dromedarissen met de hoge poten die de berijder in snelle loop door de woestijn dragen, zodat geen paard volgen kan, een trots geslacht! De woestijnrijders kunnen daarom alleen maar geringschattend naar de zwaar uitgevallen vrachtkamelen kijken. Ook bij dromedarissen spreekt men van edele en onedele soorten. Beroemd geworden is de rit op de dromedaris van de profeet Mohammed die haastig vluchtend op een ‘hedjin’, een rijkameel of pelgrimskameel genoemd in twaalf uur de afstand van Kairo naar Alexandrië aflegde.

Wat gebeurt er allemaal tot de karavaan eindelijk klaar is, de dromedarissen gevangen en bepakt? Laten we het Brehm, de ervaren woestijnreiziger, laten vertellen:
‘De dromedarissen die de vracht verder moeten brengen, zijn pas gisteren aangekomen en vreten met het onschuldigste gezicht de muur van een strohut op, waarvan de eigenaar even afwezig is en die nagelaten heeft zijn huis met doornstruiken te beschermen. Een paar dromedarissen ondersteunen het geschreeuw van de drijver met dat van henzelf in afwachting van wat er gaat komen; bij de andere, die nog niet meebrullen, betekent dat zoveel als: ‘Onze tijd is nog niet aangebroken, maar die komt wel. Ja, die komt! De zon geeft de tijd aan voor het namiddaggebed, de tijd van elk begin volgens Arabische begrippen.  De gebruinde mannen stormen naar alle kanten om hun aan de huizen vretende of ergens anders onheil aanrichtende dromedarissen te vangen; gauw daarna zie je ze met hen tgerugkomen. Iedere dromedaris wordt tussen de klaarstaande goederen van zijn lading geleid en met een onbeschrijfelijk gorgelend geluid gevraagd of door een paar zweepslagen die de vraag ondersteund, te gaan liggen. Met uiterste tegenzin gehoorzaamt het schepsel dat wel een vermoeden heeft dat er een aantal zware dagen in schrille kleuren aankomen. Eerst brult hij met gebruikmaking van zijn longen op een manier die door merg en been gaat en weigert duidelijk hoorbaar en vastbesloten zijn nek uit te steken voor de vracht. Hij schikt zich in het onvermijdeliljke, maar niet met berusting en overgave, maar met alle tekens van een gemoed dat in hoge mate is verstoord, met het draaien van zijn ogen, het laten zien van zijn tanden, met stoten, slaan, bijten, kortom met ongekende grimmigheid. Eindelijk schijnen de longen leeg te zijn. Maar nee: er worden andere stemmen opgezet en in een afgrijselijke volgorde iets klagelijkere tonen aangeheven.’

Zo schetst Brehm het. Ja, ze zouden het weleens kunnen voorvoelen, deze dieren, dat hun nood en ontbering wacht. Op veel plaatsen ken je de karavaanroute aan de geraamten van dromedarissen die aan hun einde zijn gekomen. Dieren die in elkaar gezakt zijn, kun je niet anders dan simpelweg laten liggen. Dan komen uit duizelingwekkende hoogte, waar je ze nauwelijks nog als een puntje kan zien, de grote aasgieren naar beneden. Ze hebben de woestijn afgezocht naar buit en de dode dromedaris ontdekt. Met hun vreselijke snavels scheuren ze wat eetbaar is van het karkas af, steken hun kop met de kale hals in de holte van de ingewanden en verslinden gretig wat daar is te vinden. Scharen andere aasvogels komen erbij, vechten, tot er nog alleen maar een skelet op de grond ligt dat in de zon verbleekt. Zo neemt het leven van de woestijn het dode lichaam van de dromedaris weer in zich op.
Alsof de woestijnbodem hen heeft gemaakt als een deel van zichzelf, zo zijn de poten van dromedaris. Ze lopen maar op twee tenen, net zoals de andere tweehoevige zoogdieren, runderen, herten en ook giraffen. Ze staan allemaal maar alleen op de derde en vierde teen van de voet. De andere tenen zijn verkommerd. De teennagels zijn bij de dromedarissen tamelijk klein, veel kleiner dan bij andere tweehoevigen, maar de dromedarisvoet is met een eeltkussen gepolsterd. Dan kan hij niet wegzakken in het zand. Die merkwaardige zolen hebben hem de naam eeltpotige gegeven.
Men zegt wel na vele ervaringen, dat de dromedarissen bang zijn. Ze worden ook onrustig als ze een woestijnstorm aan voelen komen, een zandstorm, de samum.  Al lang voor die aankomt, hebben ze die met hun fijne zintuigen waargenomen. Dan beginnen ze steeds sneller te lopen om hem nog voor te blijven. Maar tenslotte gaan ze liggen, met de rug in de windrichting en leggen ook hun gestrekte hals in het zand. Zo houden ze het uit, tot die alles doordringende gloeiende hitte weer voorbij is. Ze lijden zeker niet minder dan de mens die onder de vracht beschutting heeft gezocht. De zon is door de dikke wolken verduisterd en nog voor ze weer zichtbaar wordt, zijn sommige dromedarissen aan de droogte en de gloeiende hitte bezweken. Met de tong uit de bek blijven zij op de route liggen.
Wanneer de dromedaris gaat rusten, bijv. ’s avonds, wanneer hij gaat herkauwen, komen de eeltkussens hem goed van pas. Hij ligt erop als op een ondergrond die het zelf meegebracht heeft, omdat ze aan hem vastgegroeid zijn. Die kussens worden gevormnd wanneer de dromedaris groter wordt, op z’n borst, op zijn ellebogen, op zijn zoolgewrichten, op de knieën en de hielen, overal dus, waar het liggend met de bodem in aanraking komt. Je kan wel bewondering hebben voor de wonderlijke samenhang van dit dier met het landschap waarin het leeft. Ja, tot in zijn lichaamsbouw is de dromedaris zelf een stukje woestijn geworden.
Tot slot moet er ook nog iets worden gezegd over de jonge dromedarissen. Iedere dromedarismoeder of  -merrie brengt er jaarlijks maar één ter wereld. Hij is meteen beweeglijk en speelt vrolijk met de andere. De kalfjes hebben een mooie, wollige huid. Ook wanneer ze niet meer door hun moeder gezoogd worden, mogen ze nog jarenlang vrij rondspringen. Dan lopen ze hun moeder achterna en zo raken ze aan het lange reizen gewend. Na ongeveer drie jaar moeten ze dan leren zalf lasten te dragen of de ruiter op hun rug te verdragen. Dat is natuurlijk zoals bij alle last- en rijdieren een zwaar werk waarbij het niet zonder slaag toegaat. Maar de moeite wordt beloond, want een edele berijdbare dromedaris is net zoals een edel paard, de trots van zijn berijder.

.

dromedaris

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1582

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (3-1/2)

,

DE SEPIA

De sepia is een weekdier dat verwant is met de octopus en de pijlinktvis. Hij heeft een ovaal lichaam waarvan de randen twee dunne smalle vinnen vormen. De betrekkelijk kleine kop draagt acht armen. Bovendien heeft hij nog twee lange tentakels, die in rust teruggetrokken zijn in een holte naast ieder oog. De armen liggen dan tegen elkaar aan, zodat zij een kegel vormen, waarvan de punt naar voren wijst. De armen zijn geheel bedekt met zuignappen op de knotsvormige uiteinden van de tentakels. Iedere zuignap zit op een kort gespierd steeltje en hun rand wordt verstevigd door een hoornig ringetje dat eveneens een gekartelde rand heeft. De schelp is inwendig. Hij is bijna even lang als het lichaam, ovaal met een hoornige rand en het midden bestaat uit kalk, waarin zich holten bevinden die met gas gevuld zijn (‘zeeschuim’).
De gewone sepia, de bekendste van de 80 soorten, werd voor het eerst nauwkeurig beschreven door Aristoteles, meer dan 2000 jaar geleden.
Hij komt voor in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Zijn totale lengte is maximaal 1 m, het lichaam is dan niet meer dan ca. 40 cm. De kleinste sepia is in totaal 4 cm en de grootste 1.50m.

weekdier met straalaandrijving

Sepia’s kunnen verschillende kleuren aannemen, waarin hij elk ander dier de baas is. Een sepia die over een rots zwemt die bedekt is met wier en vastzittende dieren van verschillende kleuren, kan van grijs in roodbruin veranderen, dan weer in lichtbruin of groenachtig, al naar gelang de kleurpatronen waar hij overheen zwemt. Zijn eigenlijke kleur is vuil-grijs, maar in de huid liggen blaasjes gevuld met pigment, bekend als chromatoforen. Deze blaasjes zijn zeer elastisch en kunnen met behulp van spiervezels worden samengetrokken of uitgespreid. Het pigment is in hoofdzaak geel, oranje, bruin, rood en zwart waardoor een heel scala van kleuren gevormd kan worden. Kleurveranderingen ontstaan in minder dan een seconde, in een oogwenk kan een sepia veranderen van dodelijk bleek in pikzwart.
Sepia’s zwemmen in scholen. Zij zwemmen tegelijk en veranderen ook tegelijk van kleur, de prikkel voor de kleurveranderingen ontvangen zij door de ogen. Sepia’s bewegen zich langzamer dan de octopussen, maar zij blijven meer in beweging. Door hun inwendige schelp hebben zij een zeker drijfvermogen. Zij zwemmen door golvende bewegingen van de vinnen aan de zijkanten, terwijl zij de trechter aan de onderkant van hun lichaam gebruiken, wanneer zij meer snelheid moeten ontwikkelen. De trechter kan met kracht een straal water uitstoten, waardoor het dier naar achteren gaat door een soort straalaandrijving. De trechter kan naar iedere richting wijzen en het dier gaat dus in een richting tegenovergesteld aan die waarin het water gespoten wordt. Hij kan de trechteer ook gebruiken om op dezelfde plaats te blijven. Een sepia die zo te zien stilstaat vlak onder de oppervlakte van het water, ziet men zijn trechter voortdurend heen en weer draaien, eerst de ene kant op, dan de andere, waarbij hij iedere keer een beetje water uitstoot. Samen met de golvende vinnen blijft de sepia hierdoor min of meer op dezelfde plaats. Het dier kan ook om zijn eigen as draaien door de vin aan de ene kant naar voren te laten golven en de vin aan de andere kant in tegenovergestelde richting, waarbij hij tegelijkerijd zijn trechter gebruikt om zichzelf rond te draaien. De trechter wordt gebruikt om blauw-zwarte ‘inkt’ uit te stoten. Sepia’s kunnen hun voorraad hiervan zo snel aanvullen dat zij in een paar minuten door herhaald spuiten 20 m3 water gekleurd hebben. Zelfs kleine sepia’s, net uit het ei, stoten inkt uit wanneer zij geprikkeld worden.

jagen met tentakels

Sepia’s voeden zich overdag met garnalen, steurkrabben, krabben en vissen. De prooi wordt beslopen en wanneer hij dicht genoeg genaderd is, worden de twee tentakels bliksemsnel uitgestoken en gebruikt als een paar levende tongen, om het voedsel naar de mond te brengen. Deze is gewapend met een hoornige snavel en een raspachtige tong of radula. Een krab wordt heel voorzichtig van achteren gegrepen en wanneer hij zijn scharen nog kan gebruiken, laat de sepia hem vallen.
Ook grote dode vissen worden gegeten. De sepia scheurt ze open met zijn snavwel voordat hij zijn tentakels erin stopt om er stukken vlees af te halen. Het duurt twaalf uur voordat deze verteerd zijn.
Garnalen worden door de sepia opgejaagd doordat hij het zand opdwarrelt met waterstralen van zijn trechter. Wanneer de garnalen te voorschijn komen, worden ze door de tentakels gegrepen.
Zijn voornaamste vijanden zijn: haaien, dolfijnen en bruinvissen. Een sepia kan een verloren arm weer laten aangroeien, maar het is heel gewoon dat hele scholen de zee bevolken of op het strand worden geworpen die allemaal ernstig verminkt zijn. Het is niet bekend waardoor dit veroorzaakt wordt.

hofmakerij vol kleur

De voortplanting heeft plaats in het voorjaar en in de zomer. Dan trekt de sepia zijn bruiloftskleed aan, een soort zebrapatroon dat bij de mannetjes duidelijker van tekening is dan bij de vrouwtjes. Nu verandert een van de armen aan de linkerzijde van het mannetje. Sommige van de zuignappen aan de basis verdwijnen en worden dan gebruikt om sperma naar het wijfje over te brengen. men zegt dat de wijfjes licht geven tijdens de broedtijd. De eieren worden een voor een gelegd. Zij komen door de trechter naar buiten, worden daar bevrucht en omgeven door een rubberachtige stof die gekleurd is met een straaltje inkt. Ieder kapsel dat gevormd wordt doordat de stof hard wordt, draagt een lange steel. De steeltjes van de eieren worden door de wijfjes samengevlochten op een vaste ondergrond of zij maakt de steeltjes van een reeks eieren aan elkaar vast, zodat het een bundeltje kapseltjes wordt. Deze gaan vaak drijven en men ziet ze dan als ze op het strand geworpen zijn als een trosje druiven. ieder wijfje legt niet meer dan 300 eieren in groepjes van 20-30. Wanneer de jonge sepia uit het ei komt, is hij ruim 1 cm lang en lijkt op zijn ouders, alleen heeft hij een grotere kop.

In de liefde en bij het vissen is alles geoorloofd

Drie duizend jaar geleden werden sepia’s in de Middellandse Zee gevangen met dans- en fakkellicht. Dat gebeurt nu nog. Drie duizend jaar geleden lokte men de vrouwelijke sepia’s om hun eieren te leggen op planken die men even buiten de kust in het water gelegd had. Bijna dezelfde methode wordt nu nog gebruikt. De mannetjes volgen de eierleggende wijfjes en wanneer de eieren gelegd zijn, grijpen de vissers hen.
Dit lijkt oneerlijk, maar het kan nog anders. Een van de methoden die bestaat om sepia’s te vangen voor de consumptie, bestaat hierin dat men een haak door de huid van het wijfje steekt en haar dan door het water sleept, zodat zij ongeveer 2 m onder de oppervlakte drijft. De mannetjes komen de een na de ander naar haar toe gezwommen. Nauwelijks hebben zij elkaar omhelsd of zij worden beide met een net uit het water gehaald. Hij wordt losgemaakt en bewaard, zij wordt weer teruggedaan in het water om een volgende minnaar te verleiden en naar zijn ondergang te voeren.

.

dierkundealle artikelen

4e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld – 4e klasinktvis

.

1561

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

 

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

 

 

*wikipedia spreekt ook over een latrine

 

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

1071

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 4e klas – dierkunde – tekenen/schilderen

.

tekenen schilderen 6

De eerste biologieles in de vierde klas, beginnend met mens-en dierkunde, stelt de leerkracht al gauw voor de  dringende vraag: hoe ontwikkel ik bij de kinderen het vermogen om een voorstellingsbeeld van iets wat besproken is, dat ze denkend en voelend beleefd hebben, op een kunstzinnige manier, d.w.z. levend-scheppend te kunnen uitdrukken.
Iedere poging op dit vlak, wat het ook is, zal de vrije ontplooiing van de wil bevorderen.
In de drie voorafgaande schooljaren leerden de kinderen de kleur- en vormwereld als elementen op zich kennen. Niet de nabootsing van uiterlijke voorwerpen werd geoefend, maar het beleven van de kwaliteit van een kleur in relatie tot andere; de spanning en de beweging van een lijn stonden op de voorgrond.
Nu komt het uitbeelden van de planten- en dierenwereld erbij en daarmee beginnen de problemen. Tekenen met penseel, kleuren met potlood? Hoe ver ga je met contouren?
Laten we eens naar het materiaal kijken dat tot nog toe werd gebruikt.
De waterverf maakt vloeiende vlakken mogelijk – de elementaire stemming van de omgeving van het dier: aardachtig-donker bij de muis; water, koelte bij de vis; zonnig verlicht tot schemerig groen van het bos bij het hert en de vos; hitte op de steppen of savannen bij leeuw en giraffe enz.
En de vorm? Kunnen de kinderen op deze leeftijd met een brede penseel de karakteristieke vorm van het dier laten ontstaan? Als aanduiding, zeker. Uit de koele kleurnuances kan de vorm van de vis; uit de rood-gele kleuren de vorm van een springende leeuw bij benadering ontstaan. Hoe sterker de kinderen zich met de door de leerkracht (met woorden) geschetste dierfiguur kunnen verbinden, met des te meer zekerheid zullen ze de kleuren vinden om met overtuiging tot een verbeelding te komen.
Maar hoe moet het wanneer ze een hert, een giraffe, muis of zebra moeten weergeven?
De kinderen zullen beginnen in de eerst opgebrachte kleurvlakken met het penseel te tekenen en weer weg te nemen: dunne poten, lange halzen, spitse snuiten. Alles wat karakteristiek is aan het dier zullen ze willen tekenen. Dat is een heel natuurlijke behoefte – maar met het brede penseel?
Alles wat tot nog toe met waterverfschilderen geleerd is, staat daarmee ter discussie. Het gevoel om nog meer met kleurvlakken te werken dat tot dan toe consequent ontwikkeld werd, wordt ineens niet meer aangesproken.
De omtrekslijn daarentegen zal nog steeds wat minder precies en vaag blijven. Maar de kinderen willen en moeten een vorm kunnen maken van wat als beeld in hen ontstaan is.
Aan de andere kant is het voor de kinderen nog niet mogelijk, ondanks de vele tekenoefeningen, een dier zuiver met lijnen te tekenen. (Bedenk wel wat het betekent om een voorwerp naar eigen voorkeur met weinig lijnen op papier te zetten). Dat wordt op dit niveau of slechts wat werktuiglijk en nietszeggend, volgens de methode: teken een ezel met alleen maar driehoeken en de haas met cirkels, of het wordt grotesk à la Micky Mouse.

tekenen schilderen 5

Je zult dus een overgang moeten vinden van de elementaire kleurstemming naar de karakteristieke (en tegelijkertijd anatomisch juiste) vormgeving zoals die ook later op de bovenbouw nodig is. Een schilderend tekenen waarbij de omgeving en de gestalte door de kleur in harmonie gebracht kunnen worden, zoals dat door de kinderen in harmonie ervaren wordt.

In de loop van de schooltijd is het onze opdracht in de kinderen het vermogen tot een heldere oordeelsvorming te ontwikkelen. Voor de leeftijd die hier besproken wordt, moet voorafgaan een levendig kunnen meebeleven, zoals op de meest voorkomende manieren uit de van buiten en van binnen werkende krachten de zuivere vorm van ieder voorwerp ontstaat.

De hier geschetste poging werd eerst in een vierde klas gedaan, dan ook in een vijfde en zesde ter voorbereiding op het handenarbeidonderwijs.
We hadden een grote doos met restjes oliekrijtjes, zodat alle kinderen hetzelfde materiaal hadden. Het uitgangspunt was niet de diervorm, maar altijd de omgeving. Deze dan meer licht met kleur aangegeven om vandaaruit langzaam verdichtend tot een vorm te komen. Als van binnenuit groeien dan aan de ronde of langwerpige romp de ledematen en de andere belangrijke organen.
Hier moet worden opgemerkt dat vanzelfsprekend iedere tekening wordt voorafgegaan door een gedegen vertellende schets, zoals door H.Rutz in het aprilnummer* indrukwekkend is beschreven. In een vijfde of zesde klas kan dat wat korter en geconcentreerder gebeuren.

tekenen schilderen 1

De afbeeldingen zijn helaas niet in kleur.

lll is het werk van een jongen die nog maar korte tijd in de klas was. Hij had alleen de teken- en schilderlessen van het laatste halve jaar meegedaan. Aan de bovenkant zie je wat hij eerst probeert: uit de beweging van de hand de vorm van de muis te pakken. Dat lukt niet. Maar de jongen wil graag en is handig, hij begint direct eronder met bruin en violet een aardachtige omgeving aan te duiden. In het midden wordt het violet dikker en verschijnt het langwerpige rompje van de muis en dan pas begint hij met de details: het nieuwsgierige spitse snuitje en de snorharen, tot aan de lange staart.
Het vierkante oliekrijt maakt een fijnere lijnvoering mogelijk door de scherpe kant, zoals eerder de vlakke kant zorgde voor het kleurvlak.
Daar zit dan het kleine muisje, een beetje in elkaar – maar wakker en gespannen.

De andere tekeningen zijn van kinderen die vanaf de eerste klas bij ons waren. Aan het krachtige gebruik van lijn en ruimte spreekt een grotere zekerheid.
Hoe slim steekt de egel zijn snuit uit zijn beschermende stekelhuid (IV):

tekenen schilderen 2

en hoe voorzichtig bedachtzaam sluipt de vos door het struikgewas:

tekenen schilderen 3

Hier kunnen maar weinig tekeningen afgebeeld worden. De leeuw is van een kind met een bijzonder talent:

tekenen schilderen 4

Dikwijls vind je in de tekeningen van kinderen die in hun vrije tijd uit zichzelf niet naar het tekenkrijt grijpen, de grootste fijngevoeligheid en lichtheid. Ieder kind vindt zo zijn weg naar een beeldende voorstelling; en deze gemoeds- en wilsactiviteit zal veel kunnen bijdragen aan het sterker worden van een innerlijk waarnemen en van de oordeelsvorming.

Hildegard Andrae, Erziehungskunst 18e jrg.-5-1954

Hierin staan nog meer zwart/witillustraties

*(nog) niet op deze blog verschenen

Dierbeschrijvingen: Grohmann – leesboek voor de dierkunde

Dierkunde: alle artikelen  m.n. nr.4 – het tekenen van een leeuw

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas dierkunde

zie vooral ook: Anke-Usche Clausen: Schöpferisches Gestalten mit Farben

waaruit de bovenste en de hieronder volgende:

tekenen schilderen 7

tekenen schilderen 8

deze tekeningen zijn gemaakt met de ‘blokjes’ van Stockmar: een uitstekend materiaal om vlakken te tekenen; de scherpere kanten maken ook details mogelijk.

1047

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (23)

.

Frans de Waal heeft veel geschreven over mens- en diergedrag. Zijn boeken zijn bestsellers.

In Trouw van 23-04-2016 staat een interview met hem.

Het blijkt dat hij niet veel op heeft met dieren vergelijken om te zeggen welke het meest bijzonder is. Maar als hij een prijs zou moeten uitreiken voor uniciteit, zou die naar de octopus gaan.

‘Dat is een heel vreemd beest. Hij heeft ongewoon grote centrale hersenen, zeker voor een weekdier. Maar hij heeft ook nog eens zenuwknopen in al zijn acht armen en elk van zijn tweeduizend zuignappen. Die zijn allemaal verbonden, als een soort servers, waardoor hij op het internet lijkt. De octopus denkt met zijn hele lichaam, en dan kan hij ook nog licht waarnemen met zijn huid en communiceren door van kleur te veranderen.’

De mens zou de prijs zeker niet winnen.

‘Wij lijken qua lichaamsbouw en hersenen op een heleboel andere landzoogdieren.’

Steiner over de inktvis:
‘Beschrijft u de inktvis dus zo, dat het kind door de manier waarop u hem beschrijft de sensi­tiviteit van de inktvis voelt, zijn fijne waarnemingsvermogen voor de dingen om hem heen. U zult een kunstzinnige beschrijving van de inktvis moeten ontwikkelen, opdat de kinderen het wezen van de inktvis daarin kunnen herkennen. (  )  De inktvis daarentegen, die in feite geheel en al hoofd is en ver­der niets, beweegt zich vrij in het water. U moet eigenlijk bewerkstel­ligen dat de kinderen het gevoel krijgen dat de lagere dieren hoofden zijn die zich vrij kunnen bewegen, maar nog niet zulke volmaakte hoofden zijn als het menselijk hoofd.

‘(  ) Ons hoofd is het in de hoogste mate gevormde lagere dier. We moeten – als we het menselijk hoofd, met name de ze­nuworganisatie gaan waarnemen – niet naar de zoogdieren kijken, niet naar de apen, maar we moeten teruggaan juist tot de laagste dieren.’

En wat de lichaamsbouw betreft: in de dierkunde wordt de mens o.a. vergeleken met de leeuw, de koe, de muis, het paard.

Uit de uitspraken van de Waal kun je concluderen dat de dierkunde op de vrijeschool gebaseerd is op inzichten, door Steiner verwoord, die zeer van deze tijd zijn.

Rudolf Steiner over dierkunde

Dierkunde: alle artikelen
over inktvis, leeuw, koe enz. En hoe het in de praktijk wordt gegeven

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas – dierkunde

Opspattend grind: alle artikelen

1030

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.