Tagarchief: Grohmann Leesboek voor de dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (16) – over de egel

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 123                                                                                                   hoofdstuk 16

Over de egel

Een zonderling moet je hem wel noemen, onze egel!
Wie heeft hem nou eigenlijk een keer goed en precies gezien?
Als hij eens opgerold wordt gevonden, laat hij zich alleen zien als een stekelbol die je hoogstens heel voorzichtig kan proberen op te tillen, wie weet! Maar hoe hij er eigenlijk uitziet, of hij ook een staartje heeft?
’s Nachts doorkruist hij snuffelend tuinen, velden en struikgewas, eerder iets stuntelig trippelend en daarbij snuivend. Zijn galop is echt een egelgalop, dan gaat het wat sneller. Wie zulke pootjers heeft als een egel, kan ook geen grote sprongen maken en al helemaal niet in bomen klimmen, toch verstaat meester egel verbazingwekkend goed de kunst om bij de jacht nog menige vluchteling in te halen. Het gebeurt zeker ook wel, dat de domkop op een helling over de kop slaat omdat hij z’n evenwicht verliest en naar beneden rolt. Maar wat geeft het eigenlijk: hij weet zich wel te redden, hij rolt zich op en komt behouden beneden als werd hij op engelenvleugels gedragen. Dus heeft hij met zijn stekeljas ook tegelijkertijd altijd zijn voertuig bij zich bij steile hellingen. Dat doet geen mens hem na, woonhuis, op z’n minst toch slaapkamer, vaste beschutting en rolwagen, alles bij elkaar. Egel, jij aardekruiper, je bent een moordkerel!
Beneden steekt hij langzaam zijn kop weer uit en is dan, als zijn stekelkleed nog niet op orde is, best angstaanjagend om naar te kijken, met die rimpels in zijn snuit en grimmig kijkend. Maar al gauw zit alles weer recht en de heldere, vrolijke, vriendelijke donkere oogjes blikken naar buiten, zorgeloos, zoals op zijn eerste levensdag, want hij is toch een aardige, eerlijke en trouwe knaap. Ook de juiste weg is snel gevonden, want egels hebben een goed gevoel voor plaats.
Van de zintuigen zijn reuk en gehoor veruit de scherpste. Uit het brede bekje druppelt bijna altijd een beetje speeksel, dus de egel hoort niet echt tot de meest aantrekkelijke dieren – hij stinkt zelfs een beetje. Maar moeten we hem dat bij zoveel goede eigenschappen kwalijk nemen?
Iets bijzonders is onze egel onder de dieren wel, hoor.
Zoals een mens of een beer, loopt hij ook met zijn hele voetzool op de grond, maar de voetjes aan de korte en dikke pootjes zijn plomp.
Deze ridder met die lange spitse stekels is bang als geen ander. Zijn enige wapen, het stekeljasje, is tegen niemand gericht, die het niet zelf in zijn eigen huid prikt. Wat is dat toch voor een zonderlinge afweer waarmee de aanvaller zichzelf moet verwonden! Wanneer hij ervan afziet, zal geen egel hem wat aandoen.
Honden en vossen haten de goede egel hardgrondig, de honden omdat ze zich vreselijk aan hem ergeren, zoals je al aan hun woedende geblaf kan horen. Maar egels hebben meer geduld dan honden. Hier geldt: wachten is het wapen van de egel. En wie zich eens een paar keer tot bloedens toe zijn snuit heeft gestoten, wordt vanzelf verdraagzamer. Maar vossen zijn erdoor verslagen, al moet je hen wel nageven, dat ze de opgerolde egel naar het water rollen waarin hij zich onmiddellijk moet openen en dan is het al met hem gebeurd. Ook wanneer de vos de egel simpelweg omdraait, zodat de pootjes naar boven liggen en dan zijn verschrikkelijk stinkende en bijtende urine over hem spuit, kan de uiterst fijngevoelige neus van de egel dat niet verdragen. de egel moet zich openrollen en weer is het met hem gedaan.
Gebraden egel hoeft wellicht niet slecht te smaken, zoals zigeuners schijnen te weten. Ze pakken de egel in in een dikke laag vochtige klei en gooien hem dan in het vuur, zodat hij met zijn eigen sappen gaar wordt. Op het laatst wordt de kleiklomp kapotgeslagen en de stekels blijven daarin steken. Zo heeft ieder zijn lievelingskostje en weet dat op z’n eigen manier klaar te maken.
Naast de hond en de vos is ook de uil een gevaarlijke vijand van de egel, omdat hij van die lange klauwen heeft waardoor hij door de stekels heen zijn prooi kan pakken.
’s Winters slapen de egels diep en vast. Voor ze gaan liggen, hebben ze zich nog vol gevreten met alle maar denkbare lekkere dingen, zodat ze een lekker vol buikje mee kunnen nemen in hun winterslaap. Goed, lekker eten betekent voor de egel zoveel als alle mogelijke insecten, zoals krekels, kakkerlakken en sprinkhanen, mestkevers en alle andere kevers en hun larven en in de lente natuurlijk veel meikevers. Verder verdwijnen achter het brede egelbekje ontelbare naaktslakken. Al wordt de egel dan altijd tot de familie van de insecteneters gerekend en een gebit hebben wat daarbij hoort met zesendertig scherpe tandjes, hij schijnt zich toch ook raad te weten met allerlei andere lekkere hapjes. Hij vangt zelfs op een handige manier muizen door ze met zijn wroetsnuit uit hun schuilplaats te trekken. Zelfs kikkers moeten eraan geloven, wanneer een egel hen te pakken krijgt, ja zelfs slangen!
Bijzonder rijk gedekt is de egeltafel natuurlijk in de herfst en de menukaart is dan heel afwisselend. Ook zoete dingen zoals fruit versmaadt hij niet, maar het liefst eet hij dierlijk voedsel. Eet smakelijk, oude stekelheld! Omdat de egel in tuinen in velden zoveel ongedierte vangt, moeten we hem als goede vriend verzorgen en vertroetelen.
In de late herfst wanneer het voedsel niet meer zo rijkelijk voorhanden is, weet de egel niets beters te doen dan zich voor te bereiden op de winterslaap.
Onder dichte takken richt hij zijn goede nest in, behaaglijk warm bekleed, een holletje in de grond, zelden ook een dieper gat met twee uitgangen. Wat doet het er dan toe wanneer buiten de sneeuw jaagt en de koude stormen waaien! De egel slaapt, o, zo diep! De warmte van zijn bloed wordt lager, zijn ademhaling houdt bijna op.
Bij zijn voorbereiding kan je hem in een werkelijk verrassende toestand gadeslaan. Hij walst door het dorre loof en prikt het aan zijn stekels. Dan loopt hij als een dikke bal met zijn bladerenvracht rustig naar huis. Dus de egel weet zijn stekels te gebruiken. Zoete vruchten draagt hij evenseens op deze manier naar huis.
Na de winterslaap begint het hart van de egel weer krachtig te slaan en het bloed verwarmt hem weer, kortom, het vreedzame egelleven begint weer opnieuw. Dat gebeurt wanneer de sneeuw allang gesmolten is en de aarde weer zacht is. Die heeft hem een bedje gegeven, hij vertrouwde dat en nu mag ze hem weer voedsel geven.
In gevechten moet hij zich staande weten te houden, wanneer hij zich met tegenstanders moet meten die zich weren en bijten zoals bv. de hamster, maar ook hier bewijst de held zijn moed die zijn stekels heel goed weet te gebruiken. Daarom hoeft hij ook niet bang te zijn van slangen. Loopt hij tegen een adder aan, dan wordt die overmeesterd via zijn kop. De slang verweert zich op haar manier en bijt met haar giftanden in de snuit van de egel, in zijn bek, in z’n spitse neus, waar het maar aankomt. Steeds opnieuw en het bloed van de egel begint te stromen, het gif vloeit in dergelijke hoeveelheden dat zelfs een veel sterkere en grotere tegenstander dan een egel al gauw het loodje moet leggen. Maar dat alles doet de egel niets, niet zijn wonden en niet het slangengif. Het tast zijn bloed niet aan en het lijkt wel of hij niet de minste pijn voelt. Hij wacht rustig af tot de slang doodmoe is en dan bijt hij haar de kop af. Ze kan nog kronkelen wat ze wil, maar de egel vreet haar op als hoogst welkome prooi.
De egel gaat alleen op jacht. Alleen in de paartijd zijn mannetje en vrouwtje bij elkaar. Dan kan je ze samen zien spelen en elkaar uitdagen. Het leger of zoals je wil, het egelnest waarin de jongen ter wereld komen, wordt zorgvuldig onder dichte bosjes, heggen of zelfs in een korenveld gebouwd. De pasgeboren jongen zijn eerst nog blind. Het zijn er zo’n drie tot zes in getal. De stekelvacht is er al vanaf het begin, maar de stekels zijn eerst nog zo zacht, dat ze die naam nauwelijks verdienen. Ook het oprollen moet beetje bij beetje worden geleerd. Het zal de jonge egeltjes niet moeilijk vallen, want als je als egel wordt geboren, zit het eenvoudig in je bloed.

.
meer

mooie tekeningen/foto’s

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1970

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (17) – nawoord voor de volwassenen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 128                                                                                                   hoofdstuk 17

Nawoord voor de volwassenen

De schrijver heeft bij het schrijven én aan school  én aan het gebruik thuis in het gezin gedacht en allereerst rekening gehouden met de behoefte van tien- tot twaalfjarige kinderen. Dat daarmee het gebruik van het boek niet beperkt wordt, zal hopelijk de ervaring leren.
Dit boek is een leesboek, maar geen leerboek. Noch de keus, noch de volgorde van de besproken dieren zijn onderhevig aan wat voor dwang of systeem dan ook. Ze zijn in volledige vrijheid gemaakt en ook achter het getal 16 zit niet het allerkleinste geheim.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit leesboek niet in de plaats kan en wil komen van bv. het eerste dierkundeonderwijs zoals dat op de vrijeschool wordt gegeven.
Dit fundamentele eerste kennismaken met het wezen van de mens en de dieren is zo mogelijk al voorafgegaan.
In hoeverre de auteur – zeker tot voordeel van de kinderen – heeft kunnen vermijden de thans zo populaire vermenselijking van het individuele dier, nag de lezer zelf beoordelen. Echte dierenliefde kan tenslotte toch door niets anders opgeroepen worden dan door een goed begrip.
Dat op een paar plaatsen klassieke woorden in de tekst werden gevlochten, zoals bv. uit Brhems Tierleben, zal wel niemand veroordelen, maar met het oog op het doel van het boek werden er geen bijzondere literatuurverwijzingen gegeven.

Mag dit kleine werk over de ‘oceaan van meningen’ diegenen vinden die het graag willen hebben!

Pasen 1957                                                                                      Dr.Gerbert Grohmann

Meer van de auteur:

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde.

1947

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (15) – over de mieren

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 116                                                                                                   hoofdstuk 15

Over de mieren

 

Allereerst gaan we het hebben over het leven van de zwart-bruine bosmieren. Die heeft iedereen weleens gezien. Hun woning is een grote mierenhoop, die het volk van dennen- of sparrennaalden, stukjes hout en steentjes zelf verzameld heeft. Wanneer het zonnig en warm weer is, zie je de bewoners gehaast naar binnen en naar buiten gaan. Schijnbaar doelloos lopen ze druk heen en weer en rennen kriskras door elkaar. ’s Nachts echter en bij niet zo’n lekker weer, blijven de ingangen gesloten. Die hebben de mieren dichtgemaakt; maar wie kan nu weten, wat daarbinnen in die vele kamertjes gebeurt.
De opgeworpen heuvel is zeer zeker niet de hele mierenbehuizing. Die gaat onder de grond verder en je zou kunnen zeggen, dat maar de helft boven de grond uitkomt. De andere helft is in de aarde uitgegraven. Daardoor kunnen de mieren én de vochtigheid én de warmte daarvan binnen regelen, d.w.z. ze kunnen het broedsel steeds daarheen brengen, waar het het beste is. Mieren zijn namelijk heel ijverige, zorgzame en trouwe verzorgers van het broedsel.
Bij iedere mierenhoop hoort ook een jachtterrein. Wanneer bewoners van andere volken daarin komen, worden ze meteen herkend aan een andere nestgeur, aangevallen en opgevreten. Zo vijandig kunnen de ijverige mieren zich tegen huns gelijken gedragen! Er zijn zelfs roofzuchtige soorten die regelrechte rooftochten naar andere volken ondernemen!
Om het heen en weer snellen ongehinderd en snel te kunnen laten verlopen, worden de weggetjes vanaf het nest naar de jachtterreinen als regel heel bijzonder aangelegd. Het zijn de mierenstraten. Je kan zien dat ze geëffend zijn en de hindernissen zijn opgeruimd. Zelfs plantjes mogen er niet groeien. Wat een komen en gaan op warme zomerdagen! Vele werksters komen zwaar beladen terug, maar geen enkele gunt zich rust. Hoe ze in de weer zijn en maar slepen, deze daadkrachtige mieren! Is het voor één mier te zwaar, dan helpen andere mee. Wat een leven waarbij ieder alleen maar door de drang bezield is, werk te verrichten, om het even wie het doet!
Dat is de gewoonte bij het mierenvolk en alleen zo kunnen de vele wonderlijke dingen uitgevoerd worden.
Maar wat doen ze daar dan, wat voeren ze in die wijde wereld uit, de kriebel- en krabbelaars? Ze moeten voor zichzelf en voor het broedsel voedsel buit maken en wegslepen. Daarbij is hun geen weg te zwaar, geen boom een bezwaar. Ze hebben scherpe klauwtjes aan hun sterke pootjes! Wat hun voedsel betreft, zijn ze niet kieskeurig, als ze de prooi maar kunnen overmeesteren. Ze houden heel erg van zoetigheid en ze stellen geen vragen waar dat vandaan komt. En om te snoepen dringen ze zelfs de huizen van de mensen binnen.
De bosmieren houden het bij de bladluizen die een zoet sap afscheiden; ze betasten en betrommelen die met hun voelsprieten om zo de afscheiding te stimuleren.
De rode tuinmieren slepen zelfs zulke bladluizen in hun woning en geven ze daar ook in de winter onderdak, In de zomer worden ze dan weer naar buiten gebracht, maar alleen als het zonnig en warm is. Bij slecht weer moeten ze binnen blijven.
Maar er zijn genoeg snoepers die op hun beurt achter de mieren aanzitten. Zo’n gevaarlijke vreetzak is de specht die heel erg in de mierenwoningen huis kan houden. Andere ijverige mierenvreters zijn de zwaluwen, roodstaarten en vele vogels die insecten eten, verder libellen, hagedissen, kikkers en padden. Wanneer je echter bedenkt dat het volk van een mierenhoop uit honderdduizenden mieren kan bestaan, hoef je je niet al te veel zorgen te maken om hun voortbestaan. Anders had de natuur wellicht de mierenvreters hun 
niet dat voedsel toebedeeld.
Wanneer mieren gestoord worden of geïrriteerd raken, dan verweren ze zich dapper. Veel soorten hebben een gifangel, andere daarentegen, zoals de bosmieren, spuiten vanuit een klier aan het achterlijf dat weliswaar kruidig ruikende, maar etsende gif, het mierenzuur en delen tegelijkertijd aan de tegenstander met hun kaken beten uit. Het achterlijf heeft namelijk zo’n spitse punt dat die makkelijk naar voren gedraaid kan worden. Daardoor raakt het gif de bijtwond. Wie op de heuvel van de bosmieren slaat, kan de straal ook op z’n vlakke hand laten spuiten en dan kun je het sterke zuur ruiken. En wie een bijzonder goede neus heeft, zou de plaatsen in het bos, waar veel mieren rondkruipen, eveneens aan hun vluchtige geur kunnen herkennen. Maar, om net als de mieren aan de geur te kunnen ruiken bij welk volk het hoort, is wellicht voor een mens te veel gevraagd.
Voor het bos echter, is het van het allergrootste belang, dat er mieren huizen, niet alleen maar omdat ze zoveel ongedierte opvreten, maar omdat de fijne mierengeur, de allerfijnste, bomen, struiken, maar ook kruiden stimuleert gezond te groeien. Ja, het bos heeft sterk behoefte aan mieren en hun geur maakt het sterk. Hoe zou het zijn als het bos beroofd zou worden van zijn mieren!

Mieren zijn ook bezig als tuinlieden, natuurlijk zonder dat ze dit willen. Ze slepen in hun huizen de zaadjes van de ereprijs, van het zwartkoren, van het viooltje, de dovenetel en zelfs van het sneeuwklokje, omdat er voedselrijke deeltjes aan zitten. Wat ze niet kunnen verteren, brengen ze weer naar buiten. De zaadjes echter, hebben er niet het minste nadeel van ondervonden en kiemen waar ze gevallen zijn. Zo vind je dus vaak plantjes die door de mieren zelf op hun paden zijn gezaaid en wij kunnen niet verklaren wie dat daar heeft gedaan. Zelfs de tuinlieden niet.
Op een mooie zomerdag valt er over het mierenvolk grote opwinding en onrust. Alles rent in het bouwwerk door elkaar heen en aan de oppervlakte komen massa’s gevleugelde mieren tevoorschijn, waarvan niemand van tevoren wist dat die er überhaupt waren, want ze zijn pas net uit het poppenomhulsel gekropen. Het zijn de mannelijke mieren van het volk en bovendien een paar koninginnen. Die hebben niet alleen vleugels, maar zijn ook groter dan de werksters. Weldra gaat de hele zwerm de lucht in en als een wolk draaien ze om de bomen en nog hoger. Dat is de bruidsvlucht van het mierenvolk. Dan voeren de volken geen oorlog, ze gaan in elkaar op en vermengen zich met elkaar. Dat wil de ziel van de mieren, want op deze dag gelden andere wetten.
Wanneer de zwerm moe is van de vlucht, de enige in zijn leven, valt die naar de aarde terug. Dan is het korte leven van de mannetjes al klaar en ze sterven. Je kan ze overal in massa’s zien liggen en voor vele mierenvreters is het een goede dag. Bij de koninginnen breken alleen de vleugels af en nu gaat het erom in het bouwwerk onder de aarde ijverig eieren te leggen, als het mogelijk is jarenlang. Werksters wachten er al op, een koningin beet te pakken en naar huis te dragen. Zelden gebeurt het dat er een jonge koningin in een nest terecht komt, waar ze zelf uitkomt. Zo kunnen de volken dus vermengd raken en die koninginnen die nog geen volk hebben, moeten met de eerste werksters die uit de eieren komen, er een stichten. Maar ook vele koninginnen gaan ten gronde.
De bruidsvlucht was de bloeitijd van het mierenvolk. Nu begint het rennen en slepen weer, verzorgen en schoonhouden, het alledaagse leven.
De koningin woont natuurlijk in een bijzondere kamer in het huis waar veel doolhoven, holletjes en tunnels zijn. Omdat ze maar één opdracht heeft – het leggen van eieren voor het hele volk – want werksters zijn de onvruchtbare vrouwtjes – moet ze verzorgd worden, schoongehouden, ja zelfs gevoerd worden. Omdat met de tijd de eierenvoorraad groter wordt, zwelt haar achterlijf dik op en dat maakt dat ze moeilijk kan bewegen. Maar het lijkt erop dat alle werksters weten, hoe belangrijk haar werk voor het volk is.
De eieren worden meteen bij de koningin weggehaald en weggedragen naar een plek waar ze optimaal kunnen groeien. Ze worden weliswaar niet uitgebroed, maar de mierenhoop heeft binnen een temperatuur die 10 tot 15 graden hoger is dan de buitentemperatuur. Waarschijnlijk wordt die veroorzaakt door broeiende planten, want mieren zelf zijn koudbloedige dieren. Ja, dat is toch wel een geheim, dat de hele mierenhoop bijna een soort warmte heeft als bloed.
Wanneer dan uiteindelijk de witte, bloedloze maden uit het ei komen, moet er pas echt voor ze gezorgd worden. De werksters voeren ze vanuit hun eigen bek, zoals duiven hun jongen te eten geven, wrijven ze ijverig schoon en dragen ze weg naar een plek waar ze qua vochtigheid en warmte het best gedijen. Om het broedsel te kunnen voeden, moeten de werksters natuurlijk zelf eerst ontelbaar veel rupsen en kevers, vliegen, pissebedden en larven doodmaken>
Op zekere dag komt aan de vreetlust van de larven een eind en wanneer elk zich omwikkeld heeft met een cocon, begint de rust van de poppen. Maar de zorg van de werksters mag nog niet stoppen.
Opnieuw betekent dit de poppen naar de juiste plaats te brengen waar ze zich het beste verder kunnen ontwikkelen. Meestal worden deze poppen miereneieren genoemd, hoewel ze allang geen ei meer zijn. 
Bij het uit het ei komen, moeten de werksters weer helpen, We zien dus, dat zij, ook al kunnen ze geen eieren leggen, erg veel moeten presteren voor het voortbestaan van het volk. De hulp bij het uitkomen is de laatste.
In de winter staat het leven van het mierenvolk volledig stil. Het volk bevindt zich in verstarde rust en alleen de zonnewarmte van de lente wekt ze daaruit. Weldra is het oude leven dan weer op gang en alles wordt al weer in gereedheid gebracht voor een nieuwe bruidsvlucht.

Overal ter wereld zijn mieren en in bijna alle klimaten. Hun leven, doen en laten, kan daar nog veel wonderbaarlijker zijn dan bij ons. En ze werpen beslist niet overal hopen op. Vele leven simpelweg in aardspleten en onder stenen, andere benutten holtes in boomstammen of bouwen nesten van papier. Zoveel variatie is er mogelijk.
Maar ook anderszins is er nogal veel merkwaardigs.
Onder bepaalde soorten komen werksters voor met bijzonder grote en harde koppen. Zij nemen de taak van de poortwachters over en kunnen de ingang tot het bouwwerk zo versperren dat alleen nog de gevaarlijke kaken naar buiten steken.
Bij andere volken bestaan er bijzondere ‘soldaten’, die groter, sterker en weerbaarder zijn dan de gewone werksters.
Wanneer ze een rooftocht houden, gaan zij snel voor het volk uit, overvallen de buit en maken die kleiner, zodat de werksters die naar huis kunnen brengen.
Bij de Amerkaanse honingpotmier moeten een aantal werksters zich voor iets bijzonders opofferen. Ze worden nl. als levende honingpotten gebruikt. In bijzondere kamertjes hangen ze aan het plafond bij elkaar en worden ze rijkelijk met honing en zoet sap gevoerd. Omdat er maar een klein deel van het voedsel dat naar binnen is gegaan, verteerd kan worden, wordt het meeste opgeslagen in het achterlijf, dat mettertijd opzwelt tot een blaas zo groot als een erwt. In tijden van nood kan daar een heel volk van leven. Dan moeten de ‘honingpotten’ hun voorraad weer afgeven. Dat er voorraden opgeslagen worden, kan ook steeds wel bij andere mierensoorten voorkomen, zoals bij de oogstmieren, die graan verzamelen – maar dat werksters ook als voorraadkamer moeten dienen, is toch wel heel merkwaardig.
Sommige roofmieren breken in bij woningen van vreemde volken om hun larven te stelen, maar niet om die op te vreten, maar om ze naar huis te slepen en daar te gebruiken voor de dienstverlening, zodra ze uitgekomen zijn. Gewillig en ijverig wordt door de slaven het werk gedaan: schoonmaken van de gangen, het broedsel reinigen en de verzorging daarvan.
Sommige mierensoorten zijn zo zeer aangewezen op deze vreemde hulp, dat ze zonder, zouden moeten verhongeren, omdat ze dan niet meer zouden kunnen vreten. Het voedsel moet hun in de mond gestopt worden.
Bij de onderzoekers is het al lang bekend, dat vele mieren in hun bouwsels bepaalde insectensoorten niet alleen dulden, maar ze er ook graag bij hebben en hen toestaan het meegebrachte voedsel uit de bek te laten halen. Op hun beurt scheiden deze gasten wel weer een zoet sap uit, dat door de mieren maar al te graag als een toetje opgeslurpt wordt. Zo krijgen de mieren het voor elkaar een soort genotmiddel te verkrijgen.
Maar hiermee heb je het met de wonderen van de mieren nog niet gehad. Sommige volken houden namelijk, zoals je misschien vergelijkswijze mag zeggen, er een soort tuinbouw op na. Dat zijn de Zuid-Amerikaanse bladsnijdermieren. Met hun kaken bijten ze stukjes van een blad af en maken dat thuis heel klein tot een soort weke brij. Daarmee leggen de mieren perken aan die vrijwel meteen door paddenstoelenkiemen bezaaid worden. De paddenstoel lijkt op een schimmel, maar brengt kleine, voedselrijke knopjes tevoorschijn die voor de mieren een heel welkome spijs betekent.
Er zit zoveel wijsheid in de leefgewoonten van deze nietige mieren, waar de mier op zich toch heel zeker niet het allerminst van kan denken en weten. En toch weet iedere mier precies wat hij moet doen.
Nog wonderbaarlijker dan alles wat tot nog toe beschreven is, zijn de nesten van de wevermieren. Deze mieren gebruiken hun eigen larven als weefgetouw en tegelijkertijd als schietspoel. Het thuisland van deze bijzondere soorten is het eiland Sri Lanka. De woning wordt gevormd door bladeren, die nog aan de boom bij elkaar gebogen worden. Door een fijn, zijdeachtig weefsel wordt alles verbonden. Om de bladeren dan bij elkaar te krijgen, moeten heel veel mieren samenwerken. Naar gelang hoe ver het naar het volgende blad is, moeten verschillende rijen over elkaar heen klimmen. De bovenste mieren houden zich met de pootjes aan de onderste vast. Dan gaat het samentrekken van de bladeren met rukjes zoals in de maat.
Om de bladeren uiteindelijk met elkaar te kunnen verbinden, hebben andere mieren al larven gebracht die net wilden beginnen met het spinnen van een cocon. Omdat ze heel grote spinklieren hebben, kunnen ze nu door de mieren gebruikt worden als weefgetouw en schietklos. Eerst worden ze tegen de rand van een blad gedrukt om daar de draad vast te lijmen, die wordt naar het andere blas getrokken en daar vastgemaakt. Zo gaat het heen en weer, tot de draad een dicht vlechtwerk vormt. 
Het nest dat klaar is, dat zo uit vele verbonden bladeren bestaat, is drie centmeter groot. De onderzoekers die het zagen ontstaan, waren natuurlijk zeer verbaasd dat hier een mier haar eigen larven zo gebruikt, zoals werd beschreven en er bestaat in de hele dierenwereld niet iets anders wat hiermee te vergelijken is.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1939

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (13)

.

GERBERT GROHMANN

 

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 97                                                                                                     hoofdstuk 13

Over de kruisspin

De kruisspinnen weven hun web altijd overal waar ze zoveel mogelijk kunnen verschalken. Hun buit bestaat vooral uit vliegen en muggen. Daarom vind je spinnenwebben met name in bossen of in de buurt van water en omdat hun slachtoffers meestal niet zo hoog boven de grond vliegen, bouwen ook de spinnen hun web zelden hoger dan menshoogte. In de boomtoppen zitten geen webben meer.

Spinnen zijn in hoge mate geen dieren die samenleven. Ze staan zelfs vijandig tegenover hun soortgenoten. Daarom moeten ze dan ook alles alleen doen. Hoe anders is dat toch wel niet bij de bijen die steeds in een talrijk volk bij elkaar zijn en samen moeten bouwen. Als je dan ook nog bedenkt dat de spinnen hun web niet eens kunnen zien, omdat ze nu eenmaal geen insectenogen hebben, maar alleen maar acht kleine puntoogjes boven op hun kop waarmee ze hooguit licht en donker kunnen onderscheiden, dan wordt het raadsel pas echt groot. Alles wat de spin aan wonderlijks verricht, doet ze met haar tastzin. Gewoonlijk zit ze niet in haar web, maar ergens ernaast in een schuilhoekje, maar ze heeft wél een signaaldraad gespannen naar het midden van het web. Zodra er iets in beweegt, voelt de waakzame spin dat aan haar poten en bliksemsnel komt ze tevoorschijn. Maar als het een regendruppel is die erop terechtkomt, dan weet de spin het verschil en blijft ze rustig zitten. Ze kent ook de wind en laat zich niet voor de gek houden. De signaaldraad, ja heel het web is voor de spin een heel gevoelig tastinstrument dat ze zelf heeft gemaakt.

Nu wordt er beschreven wat een spin eigenlijk gaat doen als ze een web wil weven.
Eerst zoekt ze een geschikte plaats, een tak of ook wel een hoek van het raam; dan trekt ze boven de ‘loopdraad’ van de ene naar de andere kant. Ze maakt die sterker door een paar keer heen en weer te lopen, waarbij ze elke keer een nieuwe draad op de andere plakt. Vaak laat ze zich, in plaats van heen en weer te lopen, simpelweg vallen en trekt de draad door haar gewicht uit haar lijfje naar buiten. Met het achterste potenpaar kan ze de val vertragen. Dan klimt ze weer naar boven en maakt de tweede draad vast waarbij ze met de poten handig voorkomt dat de draden aan elkaar vastplakken en dan maakt ze met de eerste draad een grote driehoek met de punt naar beneden.


Wanneer de loopdraad – zo heet de eerste, de meerdere keren verdikte draad – dwars gespannen is, trekt de spin haar volgende draden zo, dat die met de loopdraad samen een onregelmatige vierhoek vormen. Ook deze draden moeten sterker gemaakt worden. Hiermee heeft de spin allereerst een bepaald raamwerk gemaakt en daarin gaat ze dan haar web hangen. Maar ze kan ook over een hindernis: een sloot of boven het water een web spannen. Dan laat ze de eerste draad door de wind naar de andere kant waaien tot die ergens aan vast blijft zitten en zij erheen kan klimmen. Waar een draad te slap is, wordt deze door een dwarsdraad aangetrokken. Al naar gelang de toestand van de plek waar het web moet komen, moet de kruisspin natuurlijk steeds weer iets anders doen. Het kijken daarnaar is een van de meest leerrijke dingen die je maar kan bedenken.
Met het eigenlijke web begint de spin door zich midden in het raamwerk te laten zakken, waardoor het vlak in twee helften verdeeld wordt. Dan gaat ze naar het midden van deze draad en daarmee is het middenpunt bepaald. Nu trekt ze met de achterpoten hele bundels draden uit haar spinklierentepels tevoorschijn en maakt er een soort kluwen van waarop ze later met de kop naar beneden kan zitten en op de prooi kan loeren.
Het volgende dat moet worden gedaan is het aanleggen van de spaken. De spin trekt deze vanuit het middelpunt naar buiten toe, door eerst weer in de middendraad omhoog te klimmen om dan de nieuwe draad op de juiste afstand van de eerste aan te brengen. Met deze moet er een driehoek ontstaan. Omdat de spin alle volgende spaakdraden ook vanuit het middelpunt uit trekt, gaat ze daar weer naar terug. Bij deze gelegenheid versterkt ze opnieuw de eerste met een tweede die ze daar opplakt. De volgende spaak wordt nu vanuit het middelpunt van het web naar beneden getrokken en op de terugweg weer versterkt en zo gaat dat maar door, spaak na spaak, tot de cirkel rond is. Wie het helder voor ogen wil zien, kan het makkelijk tekenen.
Als laatste trekt de spin de eerste grote spiraal tussen de spaken van binnen naar buiten, door van de ene spaak verder te gaan met de andere en iedere keer de spiraaldraad vast te maken. Daarbij wordt het duidelijk wat een voortreffelijk meetinstrument zij in haar lange poten heeft, want ze gebruikt haar voorpoten ijverig als een passer om de afstanden van de spiraalpunten te meten. Zo trekt ze omtrek na omtrek, tot ze aan de buitenkant is; toch is de eerste spriaal nog tamelijk wijd. Als de spin dan begint, maar nu om van buiten naar binnen gaand de eigenlijke vangspiralen te trekken, maakt ze de omtrekken dichter bij elkaar. Op het laatst wordt de eerste, niet plakkende spiraaldraad, de hulpspiraal eenvoudig doorgebeten en daarmee is het kunstvolle werk klaar.

De voor de slachtoffers zo verderfelijke spiraal is uiteindelijk de vangspiraal. De spin perst die draaden ook uit andere klieren dan die tot nog toe voor de bouw van het web werden gebruikt. Het geheim is dat deze draad in de lucht niet helemaal hard wordt, maar aan de oppervlakte samentrekt tot allerkleinste bolletjes van een wonderbaarlijke regelmaat. Vaak kan je zien hoe de dauw als een parelsnoer daarop neerslaat en toch zijn de kleefdruppeltjes nog vele malen kleiner. Bij mist of dauw kan je ook zien dat de kleefdraden niet strak gespannen staan, maar wat losser hangen. De wind kan ze heen en weer bewegen. Wat moeten we de spin bewonderen om de kunst dat ze alle draden zo regelmatig losjes spannen kan! De regen kan de parels er niet afspoelen en toch moet ieder diertje ook al komt het er maar even mee in aanraking, er zonder meer aan vast blijven zitten. Een duivels werktuig van deze valbouwster spin! Wee het mugje of het vlindertje: ze komen niet meer los!

Vaak zijn die grote kunst en wijsheid bewonderd die in de activiteit van de kruisspin ingeplant zijn en steeds werd weer de vraag gesteld wie dit toch aan haar heeft geleerd. Niemand hoeft het haar te leren, want wie gebouwd is als een kruisspin, heeft van niemand les nodig. Haar eigen ledematen leren het haar steeds weer. Zij begrijpt het en kan alles vanaf het allereerste ogenblik uiternate volkmaakt.

Uiteindelijk, nadat ze ook de signaaldraden getrokken heeft, gaat de spin in het verborgen hoekje zitten. Ze maakt daar een echte verstopplaats van door bladeren samen te trekken en bij elkaar te spinnen. De verstopplaats kan behoorlijk ver van het web verwijderd zijn, verschillende meters, maar de spin blijft met de poot vast aan de signaaldraad en wacht bewegingsloos. Ja, ze wacht en wacht maar. Dat kan ze wekenlang uithouden, tot er eindelijk een slachtoffer in het web gevangen wordt. Dat doet haar niets, want het wachten, het geduld, is haar wapen.
Zodra haar slachtoffer in het web zit, komt ze onmiddellijk en bliksemsnel aangeschoten. Aan de bewegingen van het web, merkt ze meteen of ze het gevangen dier aankan. Een grotere kever bv., zou alleen maar het web kapot maken en daarom bevrijdt ze die zelfs uit het weefsel door simpelweg de draden waaraan hij vastzit, door te bijten. Hij moet nog zien hoe hij zich van zijn banden waaraan hij vastzit, bevrijdt! Dan wordt het web meteen hersteld. Wie spinwebben onderzoekt zal er zeker veel vinden die alleen maar uit reparaties bestaan. Die plekken zijn natuurlijk niet meer zo regelmatig als het eerste web.

Laten we eens luisteren naar een spinnenonderzoeker die het hele proces dat hij vaak genoeg bekeken heeft, beschrijft: ‘De vlinder of de vlieg die in het web terecht zijn gekomen, proberen meteen door heftige bewegingen vrij te komen. Daardoor raken ze steeds meer vangdraden en die kleine haakjes en stekeltjes en wat op nog veel meer plaatsen aan het insectenlijf zit, is de ondergang van de beestjes. Het slachtoffer raakt steeds meer verstrikt en is uit het dradenwerk van de val niet meer te redden. De pogingen om zich te bevrijden doen het tere bouwsel zeer heftig bewegen. Veel draden breken, maar winden zich weldra om het lijf van de gevangenen.
Ondertussen echter hebben de bewegingen die zich verplaatsen via de spandraden, de bazin van het web op de hoogte gebracht van het succes van de gebouwde val. Zij haast zich met grote behendigheid ernaartoe om de buit veilig te stellen en te voorkomen dat het web al te zeer beschadigd wordt. Een groter insect wordt met een rap tempo omsponnen en daarbij gaat de spin op een heel eenvoudige manier te werk; ze plakt de uiteinden van talloze spindraden aan de prooi vast die zij uit haar achterlichaamseinde tegen een willekeurige plek op het insect drukt. Dan trekt ze de draden een stuk verder naar buiten en begint het gevangen dier met behulp van het derde en vierde paar poten zo snel ze kan, rond te draaien. Als een breed lint stromen dan de draden uit haar gezamenlijke klieren naar buiten. In nauwelijks drie seconden wordt de naar verhouding sterke prooi zo omwikkeld dat die zich niet meer kan bewegen.
Tijdens dit alles maakt de spin ook gebruik van haar gif. Het gebeten dier gaat na een paar seconden dood, Een vlinder of een grotere vlieg worden ter plaatse, waar ze in het web terecht zijn gekomen, leeggezogen. Kleine insecten worden op de rustplek in het midden van het web of naar het huisje gesleept om daar opgebruikt te worden.’

De klauwachtige gifkaken van de kruisspin – ze heeft twee krachtige aan haar kop – kunnen als knipmessen naar binnen geslagen worden. Het gif wordt in twee grote klieren direct onder de kaken gevormd en vloeit aan het uiteinde uit een kleine opening. Het doodt het sachtoffer niet alleen, maar verteert het tegelijkertijd. De kruisspin kan namelijk geen vast voedsel in zich opnemen. Ze zuigt ook geen bloed op van haar prooi, zoals bv. insecten doen. Ze maakt de prooi buiten haar lichaam vloeibaar. Het spinnengif lost het binnenste van de prooi op tot een brij die de spin begerig in zich opzuigt. Ze drink dus haar slachtoffer leeg. Het pantser blijft natuurlijk over. Je ziet vaak in oude spinnenwebben van die lege vliegen of muggen die dan zo licht als de lucht zijn. Zolang de spin echter met het web werkt, bijt ze haar leeggedronken prooien eruit en maakt ze weer heel wat kapot gegaan is.

Maar hoe kan een spin nu over haar web klimmen, als een bliksemflits eroverheen lopen, zonder naar beneden te vallen of het ook maar een beetje te beschadigen? Ja, dat wonder wordt niet kleiner, maar steeds groter, als je erover na gaat denken. De spin is de behendigste koorddanser die je je maar kan bedenken en de instrumenten die ze gebruikt zijn haar eigen poten. Ze heeft geen kromme nagels zoals de vogels, maar heel kleine klauwtjes aan de punten van haar poten, zo klein dat je ze met het blote oog niet kan zien. Tussen deze grijpertjes kan ze de webdraden klemmen. Ze kan die naar boven wegslaan als de spin ergens anders loopt dan op haar web.
Dus voor de kunst van het koorddansen heeft de spin ook geen leraar nodig, want ze leert het van haar eigen poten.

Om de volmaakte instrumenten van een spinnenlichaam echt te kunnen bewonderen, moet je ook weten hoe de draden van het web gesponnen worden. Iedere aparte draad bestaat uit ongeveer 600 deeldraden. Dat is mogelijk doordat iedere draad uit ontelbare klieren van de spintepels geperst wordt. De spin kan klevende of niet-klevende draden trekken, al naar gelang welke klieren ze leegdrukt. Voor ons is een mensenhaar wel het dunste, maar de enkele draad van een spinnenweb is in vergelijking daarmee net zoiets als een scheepstouw en naaigaren. Wanneer je in het bos per ongeluk in spinrag terechtkomt, kan je, zonder dat je het wil, de proef op de som nemen hoe elastisch, uitrekbaar en bijna niet kapot te krijgen zo’n draad is.
Dus heeft de spin ook hier weer iets wat in haar lichaam ingebouwd is, wat de mens, wanneer hij dat nodig heeft, met zijn verstand moet uitdenken en dan met hulpmiddelen uit moet voeren. Ook een scheepstouw, dat zoals we weten aan de sterkste krachten moet voldoen, bestaat uit vele dunnere touwen. De mens heeft ervaringen opgedaan en die gebruikt hij, de spin draagt echter al wijsheid met zich mee zonder eraan te hoeven denken.

Wanneer de kruisspin zich aan haar draad van boven laat zakken, kan je zien dat ze haar achterste poten als spoelen gebruikt door de draden door haar klauwen te trekken. Zo kan ze het dan ook voor elkaar krijgen dat de trekkracht van haar lichaamsgewicht van geen invloed meer is en langzamer naar beneden gaan of juist in de lucht blijven staan.

Ten slotte werpen we nog de vraag op waar de jonge spinnetjes vandaan komen en hoe die eruit zien. Spinnen die niet tot de insecten horen, maken geen verandering door zoals bv. de vlinder. Ze hebben ook geen zes poten zoals deze, maar acht en kunnen niet vliegen. Daarom zit ook al hun kunstvaardigheid in hun poten. In plaats van te vliegen, weven zij in de lucht. Als je ernaar kijkt, kan het lijken alsof een spin bijna helemaal geen kop heeft. Ze heeft er natuurlijk wel een, maar die vormt met de borst een geheel, zodat je beide niet kan onderscheiden. De grote facetogen van de insecten zijn daarbij evenwel verloren gegaan. Alleen de kleine oogjes op de schedel zijn overgebleven.
Spinnen leggen eitjes zoals ook de insecten. De tijd van voortplanting valt in de late zomer. Dan verlaat de oude spin haar web en weeft een cocon. Daarin worden vele eitjes samengeweven en dan laat de ze die eenvoudigweg hangen. Van tevoren heeft ze natuurlijk een beschermd plekje, onder oude bladeren of in bastscheuren, gezocht. Merkwaardigerwijs komen de jongen er pas in de daarop volgende meimaand uit. Dus moeten de eieren in de lucht overwinteren. Zijn dan de nietige spinnetjes eindelijk uitgekropen, blijven ze zeker nog een week lang op een dicht kluitje bij elkaar zitten en wanneer je losmaakt, rennen ze snel weer naar elkaar. Uiteindelijk lopen ze dan toch weg.
Al gauw daarna beginnen ze heel kleine webjes te spinnen. Het eerste web van zo’n jong kruisspinnetje heeft maar een doorsnee van 2½ cm. Dan overwinteren de spinnetjes, nog niet eens een halve centimeter groot. Pas het volgende jaar krijgen ze hun volle grootte.
De grootste zijn de tweejarige vrouwtjes. De mannetjes zijn kleiner en weven kleinere webben. Wanneer mannetjes en vrouwtjes elkaar tegenkomen, wordt het voor het kleinere mannetje heel gevaarlijk, want wanneer het niet meteen op de vlucht slaat, wordt het door het vrouwtje gewoon opgegeten. Hoe zou een spin haars gelijke naast zich dulden! Het is het tweede en laatste jaar van haar leven, waarin de kruisspin haar eieren legt; want wanneer de nieuwe winter aanbreekt, sterft de grote meesteres, de meesteres in spinnen en weven. 

 

fabel

‘Eens, toen ik nog kon zien,
vertelde de spin aan haar buurvrouw, de libelle, 
‘vergat ik bijna te eten, alleen maar omdat ik
steeds de heerlijkheid van de hemel bewonderde.

Toen echter werd ik met blindheid geslagen.
Sindsdien doe ik onophoudelijk mijn best
Op aarde met mijn handen, je ziet het,
de bogen van de hemel na te bootsen.’

‘En je slachtoffers, uit wie je zo begerig
de levenssappen zuigt?’ sprak de libelle.
‘Ik moet voorkomen’, wendde de spin zonder bezwaar voor,
‘dat die mijn hemelsbogen kapot maken!’ 

.
Meer info   foto’s   video’s       bionica: de spin als bron van innovaties.

Christuslegende: hoe de kruisspin aan haar naam komt

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1905

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (12))

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 90                                                                                                     hoofdstuk 12

Over een vogeltje dat niet zo graag vliegt
en over vissen die nesten bouwen

Als hij een kroontje op zou hebben, deze dwerg onder de zangvogels, dan zou dat toch maar even klein mogen zijn als hijzelf. Maar hij heeft er geen en toch noemt men hem koning. Zijn rijk bestaat uit heggen en struiken, hagen en rijshout. Daar beweegt hij zich vrij en onbezorgd, zoals geen ander dat kan, net als een koning. Heel graag zit hij ook bij het water, aan beekjes, vijvers en plassen. Hij sluipt door dor rijshout, steeds dicht bij de grond, ook kruipt hij door dicht kreupelhout, hoekjes en holletjes doorzoekend. Het is het winterkoninkje dat dit zo opgewekt doet, want we hebben het alleen over hem.
Zijn verenpak is helemaal niet zo koninklijk, roestkleurig met een tekening van donkerbruine golflijntjes op zijn rug. Over de ogen tot aan het spitse snaveltje is een lichte streep getrokken. Zo valt hij nauwelijks op in het struikgewas waarin hij leeft.
Is hij weg, dan komt hij ergens anders al weer tevoorschijn. Af en toe drijft de overmoed hem naar een hogere plaats van waaraf hij dan al gauw een liedje kwettert, dat toch niets anders betekent dan: zie en hoor mij toch eens, ik ben toch de koning van heggen en hagen! Wanneer hij iets bijzonders heeft ontdekt, duidt hij dat bovendien nog met lichte buiginkjes aan.
En hoe hij trillers zingt, hoe hij kwettert, dit kleine, krachtige kereltje!
Vaak klinkt het bijna zoals van een kanarie, alleen helderder, energieker. Het is een lust om naar hem te luisteren!
Zelfs in de winter zwijgt de onverdroten zanger niet, want ook in de sneeuw laat hij zijn liedje horen. Alleen in de zomermaanden, wanneer hij in de rui is, hoor je hem niet. Maar de lust om te zingen komt altijd weer terug, want die zit hem in het bloed. Wanneer hij niet zingt, verraadt hij zich toch door zijn krachtige ‘tsik’ of tèrrrrrrt’. Zijn waarschuwingsroep ‘tèrrrt, tèrrrt wordt ook door andere vogels begrepen.
De familie van het winterkoninkje is vooral verspreid over het subtropische Amerika. Daar zitten vele goede zangers onder, ook de flageoletvogel wiens lied als de mooiste vogelzang beschouwd wordt, hoort daarbij. Een vogelonderzoeker zei eens dat dit de allerbeste zanger is uit de keerkringlanden van Amerika. Je zou zijn zang met het aanslaan van kleine klokjes kunnen vergelijken die meestal afgestemd zijn, maar rekening houdend met de juiste toonafstanden, volgens de regels bij elkaar gebracht, die langzaam en zacht uit de boomtoppen weerklinken. Wie ze hoort, verklaart dat hij dergelijke klankrijke en toch zulke zachte en tere, goed in het gehoor liggende, bijna bovenaardse tonen nergens anders gehoord heeft, maar ook helemaal niet voor mogelijk gehouden.
Zo’n verslag zoals van deze vogel uit de warmere landen kunnen wij over onze wakkere winterkoning nu eenmaal niet geven, maar dat hij desalniettemin tot de beste zangers van zijn land behoort, kan niemand hem ontzeggen.
Meestal wordt hij als onze kleinste zangvogel beschouwd, maar dat is hij beslist niet, want onze twee goudhaantjes, het zomer- en het wintergoudhaantje, met hun ijle, zacht tsjirpende stemmetjes zijn nog kleiner dan hij.
Het winterkoninkje is helemaal niet schuw. Hoe kwiek hij zich vertoont wanneer hij zijn liedjes kwinkeleert en daar tussendoor steeds zijn buiginkjes maakt!
Vanaf zijn snavel tot het staartje is zijn lichaamslengte maar tien centimeter. Wanneer hij een echte staart zou hebben, was het nog wel wat meer, maar hij heeft maar een allerkortst staartje en dat steekt hij zelfbewust loodrecht omhoog, alsof hij nog in het bijzonder wil laten zien dat hij er tóch een heeft.
En de vleugeltjes? Die zijn zelfs voor zo’n klein vogeltje buitengewoon kort, bijna te kort. Dus het winterkoninkje kan onmogelijk een goed vlieger zijn die het lang volhoudt. Je moet hem nageven dat hij alleen vliegt wanneer het echt nodig is, anders hupt of springt hij liever flink en vrolijk. In elkaar gedoken kan hij buitengewoon hard lopen, zodat hij inderdaad wel voor een muis aangezien kan worden. Besluit hij als nog te gaan vliegen, dan gaat dat met trillende, zeer snelle vleugelslaagjes laag over de grond. Daarom vermijden winterkoninkjes ook weidevlakten of andere gebieden zonder bomen. En worden ze daar soms naartoe opgejaagd, dan worden ze snel moe en laten zich uiteindelijk zelfs met de hand vangen. Maar zonder schuwte ritselen ze door de stads- en dorpstuinen, ook schuurtjes en stallen worden afgestruind.
Wanneer het koddige ding een nest begint te bouwen, vertoont het zijn eigenaardigheden en kunsten weer van een andere kant. Het vrouwtje bouwt meerdere nesten, niet alleen maar één waarin zij haar jongen grootbrengt. Ook het mannetje bouwt nesten of hij helpt het wijfje. De andere nesten die niet gebruikt worden voor het grootbrengen van de jongen, worden speelnesten genoemd. Die zijn ook niet zo goed en zorgvuldig bekleed. Het nest van de winterkoning is in verhouding tot zijn bewoner opmerkelijk groot. Eigenlijk is het helemaal geen echt nest. Het is kogelrond met een ingang opzij, eigenlijk een soort holte. Omdat het erg lijkt op de struiken waarin het gebouwd is, is het ook moeilijk te vinden. Het winterkoninkje weeft twijgjes en dorre blaadjes ineen, al naar gelang wat de omgeving oplevert, ook mos en korstmos. Het winterkoninkje moet natuurlijk ontelbare keren wegvliegen en met een halmpje of blaadje in z’n snavel weer terugkomen. Maar dat doet hij graag en met ware hartstocht, want anders zou hij niet meer nesten bouwen dan er strikt genomen nodig zijn om de jongen groot te brengen.
De plaats voor het nest wordt zeer zorgvuldig gekozen. Je kan de winterkoningnestjes zowel in boomtoppen als beneden op de grond vinden, maar ook in aardholletjes of holle bomen, in gaten in een muur of speten in een rots, onder daken van huizen, in de struiken, maar ook in heggen en houtstapels, zelfs in kolenbrandershutjes en tunnels in de bergen hebben winterkoninkjes nesten gebouwd. Hoe het ook zij, het ronde bouwwerk is met aandacht, moeite en zorgvuldigheid gemaakt. Wat er gebruikt wordt, is zo kunstig en sterk bij elkaar gebracht, dat het eruit ziet alsof het aan elkaar gelijmd is. En het broednest, hoe fijn dat aan de binnenkant met zachte veertjes bekleed is! In zo’n nestje hebben de jongen die uit het ei zijn gekropen het natuurlijk heel fijn! Ze komen er, ook al kunnen ze al lang vliegen, steeds weer naar terug om te slapen. Ook bij heel slecht weer heeft men ze daar vredig bijeen aangetroffen.
Bij bijzonder guur, bar winterweer trekken ook de ouders zich in hun burcht terug, want daar vinden ze de allerbeste bescherming tegen sneeuwstormen en ijzige wind.
Mannetjes en vrouwtjes blijven hun hele leven trouw bij elkaar, wanneer ze eenmaal een paartje zijn geworden en alleen de dood kan ze van elkaar scheiden. Ook de jongen blijven nog lang bij elkaar als familie, dat kun je opmaken uit het feit dat ze in de herfst nog als een kleine troep samen rondvliegen.
De zes tot zeven eieren zien er wit uit met rode puntjes. Ze worden dertien dagen lang door allebei de ouders afwisselend bebroed en wanneer ze uit het ei zijn gekomen, worden de jongen ook door beide ouders gemeenschappelijk gevoerd. Weldra is het: zelf eten zoeken, spinnetjes, insecten en hun larven, van tijd tot tijd ook vruchten en bessen, bv. de donkerrode vlierbessen. Dat zal ieder winterkoninkje wel lekker vinden. Denk je ook niet?

Maar als we nu eens naar iemand anders kijken, naar een visje, ons stekelbaarsje, dan zou je die zeker niet toevertrouwen een nestje te bouwen!
In vroegere tijden werden de vissen weleens de vogels van de zee of het water genoemd. Zoals de vogels in de lucht, zo zweven zij a.h.w. door het water, sommige hoog aan de oppervlakte, andere daarentegen bij de bodem. De huid van de vissen zou je hun veren kunnen noemen, die zo in prachtige kleuren kan fonkelen en glanzen, vaak nog mooier dan bij de vogels.
Het stekelbaarsje komt bijna overal in onze binnenlandse wateren voor en hij bouwt daar een rcht nest voor zijn broedsel. Het visje is nauwelijks een vinger lang. Hij vindt zijn beste leefruimte in slootjes, plassen en ondiepere meren, maar hij komt ook nog voor in brak zeewater. Stekelbaarsjes kunnen zich goed verweren, want voor de rugvin bevinden zich drie sterke en scherpe stekels. In rust liggen ze op de rug, maar ze kunnen ieder ogenblik opgericht worden en stevig blijven staan. Ook de buikvinnen dragen ieder een krachtige stekel. Dus is het helemaal geen wonder dat andere vissen er maar weinig plezier aan beleven, een stekelbaarsje te verschalken.
Zodra de voorjaarszon schijnt en het ook in het water merkbaar warmer wordt, beginnen de stekelbaarsjes te verkleuren. Eigenlijk zijn het alleen maar de mannetjes die zo’n prachtig kleed krijgen. Het is hier net zoals bij veel vogels, waarbij de vrouwtjes tot aan de paartijd eveneens heel onopvallend blijven.
Ons stekelbaarsmannetje daarentegen glanst dan heel mooi, zoals je van te voren nooit had kunnen schilderen. Heel de bovenkant tot aan het midden van de buik licht dan smaragdgroen op, net als de ogen, de hele onderkant daarentegen wordt prachtig purpurrood. Dat is het bruidskostuum van het stekelbaarsmannetje.

Omdat de kleuring zo heel mooi is en er ook nog heel wat anders te bekijken is, nemen velen in de lentemaanden stekelbaarsjes in hun aquarium. Later kan je ze weer loslaten. Je moet je stekelbaarsjes voeren met watervlooien, muggenlarven of kleine wormen. Omdat de mannetjes gedurende de paaitijd snel ruzie zoeken en tegen de vrouwtjes stoten en ze opjagen, mag je geen al te kleine bak nemen.
Het opgewonden leven begint, zodra de stekelbaarsjes nestjes beginnen te bouwen. Ja zeker, ze verstaan deze kunst heel goed en voeren die ijverig uit. Het mannetje bouwt alleen en wee het vrouwtje dat hem in deze tijd te na komt! Steeds opnieuw sleept het mannetje een halmpje, een stengel of kleine mosstengeltjes aan. Wat nog te vast zit, wordt door energiek schuddende bewegingen van het hele lichaam losgerukt. Thuis wordt het dan als een nieuw bestanddeel bij het nest gevoegd en vastgemaakt. Van een stekelbaarsnest moet je heel wat kunnen eisen. Steeds opnieuw zwemt het stekelbaarsje weg en steeds weer sleept hij halmpjes aan. Uiteindelijk, wanneer het bouwwerk zo groot is als een walnoot, wordt nog een keer uitgeprobeerd of alles goed is. Het stekelbaarsje dringt aan de ene kant met kracht naar binnen en aan de andere kant weer naar buiten. Langs deze weg worden nu ook de vrouwtjes gedwongen te gaan.
Met een stekelbaarsje in bruidskostuum valt echt niet te spotten!
Wild en grof gaat hij met zijn vrouwtje om. Ook al houden ze zich verborgen, hij weet ze te vinden, jaagt ze met volle stoten op en dwingt ze net zo lang tot ze eindelijk door het nest glippen en daar de weinige eitjes afzetten. Dat was wat het stekelbaarsje wilde! Maar hij is nog niet tevreden. Hij haalt het volgende vrouwtje en dwingt haar eveneens in zijn nest eitjes af te zetten. En dat doet hij tot er in zijn nest geen eitjes meer bij kunnen.
Voor de vrouwtjes is daarmee het werk dat ze moet doen voor de nakomelingen, klaar, maar niet voor de mannetjes. Allereerst moet er voor worden gezorgd dat het broedsel genoeg zuurstof krijgt om te ademen. Wanneer er zoveel eigeren zo dicht op elkaar liggen, kunnen ze makkelijk stikken. Hoe weet het stekelbaarsje dit, wie heeft hem dat geleerd? In ieder geval zien we hem nu voor zijn nest stil hangen en ijverig met de borstvinnen wapperen zodat de stroom van vers water door het nest niet ophoudt. De koudbloedige vissen broeden toch anders dan de vogels die de eieren moeten verwarmen, willen ze uitkomen.
Wee degene die het nu waagt te dicht bij het nest te komen! Meteen is het stekelbaarsmannetje present, met opgezette stekels natuurlijk en valt de vermeende tegenstander aan, want in deze tijd is het een ware vechtersbaas.
Weldra is dan de dag aangebroken waarop de piepkleine jonge stekelbaarsje uitkomen. Ze zijn nog zo klein dat je ze al te makkelijk over het hoofd ziet. De stekelbaarsvader behoedt ze streng en staat niet toe dat ze zich wat verder van het nest begeven, want hoe gemakkelijk zouden ze niet opgegeten kunnen worden, zo mogelijk ook door de eigen moeders. Wanneer er toch een te ver de wijde wereld inzwemt, dan is het mannetje meteen ter plaatse, pakt hem met zijn bek en spuugt hem in het nest weer uit. Een stekelbaarsje heeft dus wel wat zorgen om de kinderschare bij elkaar te houden! Maar uiteindelijk komt de tijd waarop de zorg ophoudt en ook helemaal niet meer nodig is. Nu moet ieder maar voor zichzelf zorgen!
Na de paaitijd die van april tot in juni duurt, verdwijnen de kleuren bij het mannetje weer, en wordt hij weer zo onaanzienlijk als eerst, zodat je hem nauwelijks nog kan onderscheiden van het vrouwtje. Zo duurt de stekelbaarspracht slechts zo lang als een korte bloeitijd.
Naast de driestekelige zijn er ook nog zeven- of negenstekelige stekelbaarsjes, die wat kleiner zijn. Tegen de paaitijd worden ze helemaal zwart. Het nest wordt niet gebouwd zoals de bontgekleurde broer dat doet, beneden bij de bodem, maar boven opgehangen tussen plantenstengels. Daarom lijkt dat nog meer op het nest van het winterkoninkje.
Zo is het nu gesteld met de vogels van de lucht en die van het water. Alleen, dat vissen ook nog een liedje zingen – nee, dat zou niemand van hen verlangen!

.
Het winterkoninkje, een legende uit het leven van het kindje Jezus

Winterkoninkjes  tekeningen, foto’s e.d.

Meer info

Stekelbaarsje: meer info

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1857

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (10) – vleermuizen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 74                                                                                                     hoofdstuk 10

vleermuizen

De vleermuizen behoren ongetwijfeld tot de allermerkwaardigste zoogdieren en ze lijken ook altijd wel een beetje griezelig. Hoewel ze vleugels hebben, zijn ze toch bedekt met een huid en ze brengen hun jongen groot met melk. Deze twee eigenschappen alleen al geven aan dat ze tot de zoogdieren gerekend moeten worden. Om ze als vogels te beschouwen, alleen omdat ze kunnen vliegen of liever gezegd, fladderen, zou niet juist zijn. Weliswaar is er bij hen veel veranderd van wat bij het leven in de lucht hoort en daardoor lijken ze maar weinig op een zoogdier. Vooral de armen zijn omgevormd en de poten waartussen een vlieghuid gespannen is. Met muizen hebben de vleermuizen alleen de naam gemeen, wellicht omdat ze net als deze, wegschieten en ’s nachts leven.

De dag brengen ze op verborgen plekjes door. Bovendien zijn het geen knaagdieren, maar ijverige en zeer nuttige insectenvangers.
De grootste van onze binnenlandse vleermuizen, de  grote vleermuis*, heeft een vleugelspanwijdte van 37 centimeter, de kleinste, de dwergvleermuis, slechts 17-18. Het lijfje is nog kleiner dan dat van de kleinste zangvogels.

Omdat de vleermuizen pas in de schemering tevoorschijn komen en je ze dan toch niet goed kan zien, wanneer ze aan je voorbij fladderen, weet men gewoonlijk ook niet zoveeel van ze.
Wie ze niet in hun verstopplaatsen, zoals holle bomen, in rotsen en muren, tussen de balken van bijv. kerken waar nauwelijks iemand komt, ontdekt, zal er zelden een te zien krijgen. In de vlucht scheren ze als spoken, net schaduwen, voorbij.
Veel meer vleermuizen dan bij ons zijn er in de warmere landen. Daar komen ook veel grotere soorten voor. De vleermuizen en hun families worden handvleugelige zoogdieren genoemd, een naam waarvan de betekenis makkelijk te begrijpen is.
De verspreiding gaat maar tot aan de poolcirkel, want nog verder naar het noorden zouden vleermuizen niet genoeg voedsel meer vinden. De meeste voeden zich uitsluitend met insecten die ze tijdens hun vlucht vangen, hoewel er op de oostelijke helft van de wereld ook veel fladderaars zijn die vruchten eten, waartoe de vliegende honden en vliegende vossen behoren. In de warmere delen van Midden- en Zuid-Amerika daarentegen leven zelfs bloedzuigende soorten, waarvan vroeger in de tijd na de ontdekking van Amerkia overdreven fantastische verhalen de ronde deden. Die vampieren zouden zelfs bij mensen bloed zuigen.
Alleen waar is dat ze dieren in ruste aanvallen, weidedieren of de paarden van reizigers, waarbij ze hun vlijmscherpe voortanden in de huid prikken om bloed te drinken. Werkelijk gevaarlijk kan een vampier voor een groter dier niet zijn, want de vampier is zelf maar een fladderaar van zeven centimeter.

Over vleermuizen leer je heel veel, wanneer je ze met de vogels waarmee ze dus op het eerste gezicht verwant lijken, vergelijkt. Maar bij beide is de lichaamsbedekking uiteraard heel verschillend. De vogels hebben een verenkleed dat hen niet alleen tegen afkoeling beschermt, maar zoals bekend voor het vermogen om te kunnen vliegen van de allergrootste betekenis is. Ook de vleugels die de vogels in de lucht houden, bestaan uit veren en met behulp daarvan stuurt hij zijn vlucht rustig en zeker. Een geplukte vogel kan niet meer vliegen. Vogelveren zijn niets anders dan uitgedroogde hoornvormen waarmee de vogel wel kan vliegen, maar niet kan voelen. De vlieghuid die zogezegd bij de vleermuizen in de plaats komt van de veren, is alleen maar een stukje lichaamshuid. Die heeft de fijngevoeligheid van de huid in hoge mate. Daardoor betekent de vlieghuid van de vleermuizen hetzelfde als bij de vogels hun ongekend scherpe ogen. Natuurlijk hebben de vleermuizen eveneens ogen, maar veel ervaringen hebben geleerd dat ze maar slecht kunnen zien.
Een ander zintuig dat bij hen onvoorstelbaar fijngevoelig is, heeft de overhand, de tastzin.

 


De vlieghuid bevindt zich gespannen tussen het lichaam, de armen en handen waarvan de in-dunne vingers gespreid zijn, De botten van de armen zijn sterk verlengd, zodat de vleermuis met zijn handen veel verder in de lucht kan grijpen dat wij kunnen. De buitengewoon langere vingers zien eruit als de baleinen van een paraplu. Alleen de korte duim is vrij gebleven. Ze hebben een kromme nagel die de vleermuis kan gebruiken wanneer die rondkruipt of langs stenen omhoog kruipt. De vlieghuid loopt verder door naar achter tot de poten en nog verder tot de staart zelfs, zodat het hele achterlijf door een brede vlieghuidzoom omgeven is. Daardoor wordt het totale vliegvlak aanzienlijk groter dan bij vogels.
Ondanks dat kunnen de vleermuizen niet op tegen de vogelvlucht. Zij beschikken bv. niet over de glijvlucht, die de vogels veel besparing oplevert – sommige vogels kunnen urenlang, ja dagenlang met uitgespreide vleugels rustig verder zweven zonder maar een enkele vleugelslag te hoeven maken.
Vleermuizen echter moeten onophoudelijk fladderen om in de lucht te blijven; zo gauw ze ermee ophouden vallen ze naar beneden. Ze worden snel moe en moeten ook steeds weer uitrusten, omdat ze anders buiten adem raken.
Ondanks dat zijn er snelle en behendige vliegers en langzamere en onhandige onder hen. Die verschillen vind je terug in de vleugelbouw. Snelle en behendige vlkiegers hebben, net als dat bij de vogels is, langere en spitsere vleugels. Ze vliegen ook hoger dan de soorten met kortere en bredere vleugels. Een kenner ziet aan het vliegen al welke vleermuissoort het is. Onze snelste en tegelijkertijd behendigste soort is de vroegvliegende vleermuis. Die waagt zich soms al voor zonsondergang naar buiten en jaagt dan, dikwijls nog samen met de zwaluwen, torenhoog met snelle, onverwachte wendingen. Daarom worden ze snel met zwaluwen verwisseld. Anders kun je de vleermuizen wel herkennen aan hun beverige zigzagvlucht.

Het enige jong komt in de lente ter wereld. Het klauwt zich zelfs aan de moeder vast en wordt door deze wekenlang ook op de vlucht meegedragen, zelfs als het zelf al fladderen kan.
Zelfs de voeding wordt op de vlucht gevangen. Je kan zeggen dat waar geen insecten rondviegen, er ook geen vleermuizen zijn.
Alle insectenvretende fladderdieren hebben brede bekken en het gebit zit vol met naaldpuntige tandjes. Ze hebben een reusachtige behoefte aan voedsel, dat verklaart wel waarom ze zo ingespannen vliegen. Van vleermuizen in gevangenschap weet men dat grotere soorten dagelijks makkelijk een dozijn meikevers op kunnen vreten en dan zijn ze nog niet eens verzadigd! Kleinere soorten vreten dagelijks in elk geval 60 vliegen op. Vleermuizen kunnen namelijk vertrouwd raken met je en zelfs uit je hand eten.
Het verteren gaat niet zo nauwgezet, want vleermuizen hebben maar een korte darm.
Zulke hongere vreters houden natuurlijk onder de nachtelijke luchtzoemers een geweldige opruiming. Bovendien moeten ze veel water drinken om niet te verdrogen, bv. tijdens de lange winterslaap.

Zoals bekend heeft ieder dier zijn eigen gezicht, je zou ook kunnen zeggen, een geizhtsuitdrukking, waar we graag naar kijken. Zie je daarentegen vleermuiskoppen, ook die van uitheemse fladderdieren, dan voel je je juist afkerig daarvan. Zou een schilder voorbeelden voor afstotelijke wezens nodig hebben, dan hoeft hij maar in boeken te kijken waarin de koppen van die fladderdieren afgebeeld staan. Daarin zou hij genoeg inspiratie vinden. Als vleermuizen zo groot zouden zijn als andere zoogdieren, dan zouden ze huiveringwekkend en angstaanjagend zijn, bijna als de duivel.
Alleen die brede bek is voor menselijke begrippen al lelijk en juist de op zich al grote, ja vaak zoals bv. bij onze grootoorvleermuis, fantastisch grote oren lopen nog tot aan de mondhoeken door naar beneden. Bijzonder afzichtelijk echter worden de vleermuiskoppen als daar nog alle mogelijke huidverdikkingen, wratten en hoornige eeltknobbels rond de snuit en de neusopening bij komen. In het dierenrijk kun je dat met niets anders vergelijken. Onze inheemse hoefijzerneus staat erom bekend dat hij rond zijn neus een platte hoefijzervorm heeft. 

De gladneuzen hebben in hun gezicht niet zo’n huidvorming, de bladneusvleermuizen wel.
We weten tegenwoordig dat deze ‘neusbladen’ organen zijn van het reukorgaan dat bij de vleermuizen bijzonder fijnzinnig is. Daarom zijn de vleermuizen op deze plaatsen uitermate gevoelig. Als ze daar gewond raken, stoten ze zich overal aan en vallen naar beneden. Sommige kun je door een lichte druk op de neus al doodmaken. Maar in het algemeen is de huid van een vleermuis uitermate gevoelig. Het is, alsof dit fijne gevoel dat wij alleen in onze vingertoppen hebben, bij hen bijna over het hele lichaam uitgebreid is.
Ook de vlieghuid is een wonderbaarlijk tastorgaan. Die is zo goed als naakt, er zitten alleen wat voelhaartjes op die de luchtbeweging aanvoelen. Zo kan de vleermuis met dit gevoel tastend door het volledige duister snel en met zekerheid de weg vinden. Ook zitter er vooral nog voelhaartjes op z’n kop boven de lippen en aan de binnenkant van de oren. Ze kunnen het gezoem in de lucht niet alleen horen, maar bovendien nog door een zintuig voelen waarvan de mens zich maar moeilijk een voorstelling kan maken hoe fijnzinnig en bijzonder dit is. Daarom spreekt men bij vleermuizen zelfs over een bijzonder gevoel voor de lucht en men noemt ze dan in tegenstelling tot de vogels gehoor- en gevoelsdieren. Als een mens al deze bijzondere zintuigen van de vleermuis daadwerkelijk zou begrijpen, dan zou hij de gezichten van de kleine duiveltjes wel kunnen verklaren.

De Italiaanse onderzoeker Lazzaro Spallanzani deed in 1790 al de volgende proef: hij liet vleermuizen waarbij hij de ogen, oren en neusgaten met pleisters afgeplakt had, in een kamer vliegen waarin een soort web van fijn draad was gespannen. De vleermuizen konden niet horen en niet zien, noch iets ruiken en vlogen toch heel snel en zeker door de dradenwirwar, zonder ergens tegenaan te stoten. Alleen hun gevoelszintuig kon hen al helpen om goed uit te komen. Sommige onderzoekers denken zelfs te weten dat de vleermuizen op hun vlucht zachte, voor ons gehoor niet waarneembare kreten slaken. De vleermuis echter neemt de echo waar, denken deze onderzoekers en weet daardoor de weg. Maar als hij zo’n reuzengrote oorschelp heeft dan moet het oor van een vleermuis toch wel heel fijngevoelig zijn! Het inwendige oor kan hij door een bijzonder huidvormig dekseltje afsluiten en daardoor goed beschermen.

Wanner vleermuizen slapen en ze slapen overdag en de hele winter door, dan slaan ze de vleugels als een soort manteltje om zich heen. Ze wikkelen zich zogezegd in hun vlieghuid en gaan met hun kop naar beneden hangen, waarbij ze zich met hun achterpoten ergens aan vasthaken. Zelfs de grote oren worden opgevouwen. In deze houding kunnen ze het maanden uithouden. Het is echt een verrassend, vreemd aandoend gezicht scharen vleermuizen te zien hangen, want sommige hangen zelfs aan elkaar en kunnen dan hele druiventrossen of ballen vormen. Zo samenzitten heeft het grote voordeel dat de vleermuizen elkaar ook een beetje warm kunnen houden. Als ze weg willen vliegen, laten ze zich eenvoudig vallen en spreiden snel hun vlieghuid uit.
Voor een vleermuis die zit of kruipt is het moeilijker in de lucht te komen. Het voortbewegen op een vlakke ondergrond waarbij de klauwduim en voor het schuiven de achterpoten gebruikt worden, kan je alleen maar als onbeholpen kwalificeren, wat weliswaar nog zo snel kan gaan als het trippelen van een muis.
Voor het wegvliegen wordt eerst de hele vlieghuid met een olieachtig smeersel ingevet om deze goed soepel te houden. Het smeersel wordt door klieren afgescheiden die in de kop tussen de neus en de ogen liggen.

Iedere vleermuissoort zoekt een iets andere slaapplaats op. Oude muren en holle boomstammen genieten bij vele de voorkeur, maar leegstaande huizen, verlaten stallen, verborgen donkere hoekjes tussen het gebalkte zijn welkome rustplaatsen. Zelden vind je slapende vleermuizen in rotsspleten. De slaapplaatsen moeten wel bescherming bieden tegen al te harde wind, want de vleermuis is warmbloedig. Dat de slapers zich ook voor roofdieren waarvan de uilen in de eerste plaats moeten worden genoemd, in veiligheid willen brengen, is wel te begrijpen. Door de jaren heen zoeken ze altijd weer dezelfde slaapplaatsen op en daar vind je met de tijd dikke lagen uitwerpselen die voor de tuin een goede meststof zijn.

Het is een wonder dat de vraatzuchtige vleermuizen tijdens de vele maanden durende winterslaap niet verhongeren. Maar gedurende deze tijd vliegen ze niet en van het vliegen krijgen ze de grootste honger. Bovendien heeft de natuur hier  een wonderbaarlijke voorzorgsmaatregel getroffen. De temperatuur van het bloed dat anders bij vleermuizen bijna zoals bij de mens 35° bedraagt, zakt naar 14° of nog lager en het hart klopt iedere drie minuten maar één keer. Is onder dergelijke omstandigheden de behoefte aan voedsel al zo gering, dan heeft de vleermuis ook nog geheime voedselvoorraden voor de winter aangelegd die nu beetje bij beetje verteerd kunnen worden. In de nazomer heeft de vleermuis, wanneer er nog zoveel insecten onderweg zijn, zich stilletjes en heimelijk met een heel aardig vetrantsoen volgevreten. Gedurende die tijd is hij wel een vijfde zwaarder geworden en dat wil wat zeggen. En nu heeft hij het goed, want hij hoeft nu alleen maar zijn eigen vet te verteren, heel, heel langzaam.

Na de winterrust komen de vleermuizen niettegenstaande dat met een groot hongergevoel uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en dan zijn ze niet erg kieskeurig. Bij zo’n aanval van grote honger zou onze kleine vleermuis zelfs vogels aanvallen, van hen het bleod drinken en wanneer het mogelijk is ze zelfs opvreten. Ja, onze vleermuis toont met zijn vlijmscherpe tandjes in andere omstandigheden ook een bijtgraag schepsel. Echt, het raadselachtige van deze zeldzame diertjes wordt niet minder, in tegendeel eerder groter wanneer je ze beter wil leren kennen.
Hun nachtelijke manier van leven, hun spookachtig bewegen zijn het misschien wel die ons met vleermuizen steeds het gevoel van griezelig laten verbinden.
Sinds oude tijden wordt de duivel met vleermuisvleugels, in plaats van zoals de engel met vogelvleugels, uitgerust en afgebeeld. In de legende heet het, dat toen God de vogels schiep, de duivel toestemming vroeg er ook een te maken. Hij greep een muis om te veranderen. Maar daaruit werd een vleermuis, een dier van de duisternis.
Maar als we natuuronderzoekers willen zijn, mogen we ons er niet vanaf laten brengen, het eigenaardige te bewonderen en met eerbied tegemoet te treden, dat nu juist de vleermuis ons voor ogen voert, hoewel hij het karikatuurbeeld van een vogel, een vraatzuchtig klein monster, een fladederdier is.
.

*het Duits heeft ‘Riesenfledermaus’, een vertaling daarvan is ‘hondvleermuis’ en die heeft wel een spanwijdte van 170cm.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1823

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (14) – olifanten

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 106                                                                                                   hoofdstuk 13

Olifanten

 

Vertaling en samenstelling: Joep Eikenboom. Met dank voor het ter beschikking stellen.
.

Iedereen moet toch wel toegeven dat de olifant, de grootste van alle op het land
levende diersoorten, ook tot de merkwaardigste behoort. Met zijn machtige, tot wel 5000 kilo zware lichaam, een kop met bijna geen hals en met zijn tot een slurf uitgegroeide neus, is deze kolos als een vreemdeling – of beter gezegd een
zonderling – tussen de andere landdieren. We weten dat hij een verlate nakomeling is van de dieren uit de oertijd, die allang zijn uitgestorven. Vele daarvan waren geweldig groot en ook plomp en lomp in vergelijking met de tegenwoordig levende dieren.
Door bijzondere gebeurtenissen in de geschiedenis van de aarde kwam het, dat in Noord-Siberië, waar de grote rivieren in de Noordelijke IJszee uitkomen, de
voorouders van onze olifanten zijn bevroren behouden in poolijs. Ze zijn daar
waarschijnlijk gestorven toen ze door een natuurramp werden verrast. En omdat
het ijs zelfs in de zomer niet dooide, zijn ze nog steeds met huid en haar
ingevroren in ijs en sneeuw, alsof ze pas gisteren gestorven zijn. De grote rivieren
spoelen ze uit, of ze kunnen worden opgegraven. Wolven en honden eten dan hun vlees.

De mammoet – want hierover gaat het – had zelfs grotere slagtanden dan de olifant. Van sommige waren de slagtanden 4 meter lang en 200 pond zwaar, maar ze waren meer naar binnen gebogen dan olifantentanden. De mammoet had een bruine vacht die extra lang en weelderig om de nek groeide, terwijl olifanten naakt zijn. Hieruit concluderen onderzoekers dat de mammoet in een ruiger klimaat moet hebben geleefd.
Slechts enkele nakomelingen van zulk soort oer-dieren hebben zich tot op de dag
van vandaag voortgeplant. Voor de mens zijn de olifanten daarvan het belangrijkst, omdat die duizenden jaren als rij- en werkdier hebben gediend.

De Afrikaanse olifant die door zijn grote uitstaande oren verschilt van de Indische, die behalve in India ook nog voorkomt op Sri Lanka en op de eilanden Sumatra en Borneo. De Indische olifant wordt beschouwd als de mooiere van de twee. Hij is goedaardiger en daarom ook gemakkelijker te temmen. Maar desalniettemin hebben de mensen vroeger ook geweten hoe ze de Afrikaanse olifanten dienstbaar konden maken. De beroemde olifanten met wie de legeraanvoerder Hannibal in 218 vóór Christus de Alpen overstak, waren Afrikaanse olifanten, steppen- of de kleinere bosolifanten.

Indische                                                         en                Afrikaanse olifant

Olifanten lopen in telgang, wat wil zeggen dat ze altijd de poten van dezelfde kant optillen. Het machtige dier kan niet draven noch galopperen. Nee, je kunt hem niet lichtvoetig te noemen, maar de olifant legt in een enkele nacht toch
verbazingwekkende afstanden af; in rustige gang al 6 kilometer per uur, op de
vlucht een veelvoud daarvan. Ook vermijdt hij bergen niet, maar bijzonder steile
hellingen veroorzaken altijd wel moeilijkheden voor olifanten. Bergopwaarts zie je ze soms zelfs op hun knieën naar boven klimmen. Steil naar beneden glijden ze half-zittend, omdat ze het enorme lichaam anders niet kunnen houden. De olifanten gebruiken toch altijd dezelfde paden tijdens hun trektochten, die vervolgens worden platgetreden en worden ook door andere wilde dieren, zoals nijlpaarden en neushoorns, als pad gebruikt. Dat er dan bomen in de weg staan maakt voor de olifanten niets uit. Die kunnen dienen als een grote wig waarmee alles uit elkaar kan worden geduwd. En wanneer dat nodig is, wordt het obstakel gewoon met de slurf uitgerukt. Ook bestaan hindernissen op de grond niet voor olifanten. De kuddes, die wel uit honderden dieren kunnen bestaan – vooral in vroegere tijden toen de olifanten nog niet vervolgd werden zoals nu – lopen meestal achter elkaar in ganzenmars waarbij ze worden aangevoerd door een vrouwtje van wie de aanwijzingen allemaal bereidwillig worden opgevolgd.
De kuddes zijn nog te vinden op hoogtes van 2000 tot 3000 meter, waar het in de ochtend nog best erg koud kan zijn. We weten dat de Afrikaanse olifant vroeger verder naar het noorden dan tegenwoordig voorkwam en zelfs in het Atlasgebergte woonde. In Zuid-Afrika, waar olifantenkuddes nog maar op heel weinig plaatsen voorkomen – namelijk waar ze beschermd zijn – kwamen ze meer voor.
Wanneer de olifanten achter elkaar door het bos sloffen, kunnen hun stappen bijna onhoorbaar zijn. Dat komt doordat de poten een brede en zachte, goed opgevulde zool hebben waarvan de omtrek eivormig is. De poten zijn als vier sterke zuilen met dikke botten, waarop de olifant zelfs staande kan slapen. Van de tenen zie je alleen de heel korte hoefachtige nagels. Op plekken waar olifanten bezig zijn, hoor je natuurlijk de bomen kraken, als ze de stammen met hun slagtanden splijten en de schors eraf trekken, of wanneer ze met hun slurf hele takken ombuigen. Graag woelen olifanten met hun slagtanden de bodem om, om wortels of knollen op te graven en om ze dan ook op te eten. Hoe machtig de olifant er ook mag uitzien, toch is het een echte herbivoor, dat wil zeggen een planteneter, zoals sowieso de grootste dieren helemaal geen roofdieren zijn.
Laten we eens een beschrijving door een reiziger lezen, over hoe het eraan toegaat wanneer zich een olifantenkudde in het oerwoud te goed doet.
“Stil en geruisloos verloopt zo’n maaltijd niet, het veroorzaakt eerder een hels
kabaal. Het knakken van de takken, het kraken van de takken, vaak afgebroken
met vereende krachten, het kauwen, ademen, het poepen, het doffe borrelen van
gassen in de darmen, het stampen van zware poten in het moeras, het natspuiten
van hun lijf met de slurf, het flappen van de grote oren, die vaak als zonnescherm
worden uitgeklapt, het schuren van de massieve lichamen tegen dikke
boomstammen en daar doorheen het schrille en diepe gebrul van de dieren vormt samen een oorverdovend geheel. Even groot als dat lawaai is de schade die een olifantenkudde in het bos aanricht. Die gaat elke beschrijving te boven. Alles wat de grote poten niet diep in de grond trappen wordt omgegooid, de stevigste boom wordt ontworteld en de takken eraf gebroken; het kreupelhout ligt kriskras door elkaar, alsof er een razende wervelstorm is langsgetrokken; stammen, die
eeuwenlang allerlei stormen hebben getrotseerd, zijn afgeknakt als een rietje.”
De zoöloog Alfred Brehm voegt zijn eigen ervaringen met oerwoud-olifanten er aan toe: “Takken sterker dan een arm worden zonder aarzeling door de olifanten
verslonden. Lage twijgen, vooral die op bek-hoogte, duwen ze als een bundeltje of bosje in hun bek en ze bijten, of beter gezegd ze pletten die dan met hun tanden.”

Ja, waarschijnlijk zal elke Afrikaanse inlandse bosbewoner onder de indruk en bang geweest zijn! Maar in de onmetelijke oerbossen, waar behalve Moeder Natuur zelf niemand anders aan bosbouw doet, maakt het niet uit of olifantenkuddes op hun eigen manier lekker volop een feestmaal houden. Ja, olifanten hebben zelfs hun lievelingsbomen, die zij bijzonder graag afgrazen. Ze zijn niet alleen fijnproevers, maar ze hebben ook – net als de herkauwers – een zeer fijn reukorgaan.
Met andere dieren leven de olifanten in vrede, hoewel zij die allemaal zouden
kunnen verpletteren, als ze dat zouden willen. Maar olifanten zijn vredelievend en zelfs angstig. Een muis kan bij hen zelfs al onrust veroorzaken. Voor mensen zijn olifanten niet bang, zolang ze geen slechte ervaringen met mensen hebben gehad, wat jammer genoeg bij alle in het wild levende olifanten wel het geval is. Tamme olifanten zijn goedaardig, ook aanhankelijk als ze niet slecht worden behandeld.
Bereidwillig doen ze allerlei werk en ze leren steeds weer nieuwe taken uit te
voeren. Je kunt van olifanten zeggen, dat ze hun ervaringen verzamelen en die dan ook zinvol toepassen. Veel verhalen over olifanten leggen daarvan getuigenis af.
Een onderzoeker vertelt:
“Op een avond reed ik in de buurt van Kandy (Sri Lanka) door het woud. Plotseling schrok mijn paard van een geluid, dat uit het tamelijk dichte bos klonk en steeds werd herhaald met dof klinkende klanken: ‘Oermf, oermf’. Toen ik naderbij kwam werd duidelijk wat het was. Het kwam van een tamme olifant, die bezig was met zwaar werk maar helemaal alleen was, dus zonder begeleider. Hij versleepte een zware balk, die hij over zijn slagtanden had gelegd en die hij, doordat het pad te smal was, niet goed verder kon dragen. Door het smalle pad werd hij gedwongen zijn kop steeds naar de ene en de andere kant te draaien en van inspanning maakte hij die geluiden. Toen het slimme dier ons zag, hief hij zijn kop, keek een ogenblik, wierp plotseling de balk weg en schoof achterwaarts het kreupelhout in, om de weg voor ons vrij te maken. Mijn paard aarzelde en de olifant merkte dat. Hij drukte zich nog dieper in het struikgewas en herhaalde zijn ‘Oermf, oermf’, maar veel milder van toon, klaarblijkelijk met de bedoeling om ons aan te moedigen. Mijn paard bibberde nog. Ik was veel nieuwsgieriger naar het doen en laten van deze twee slimme wezens, dan dat ik me er wilde inmengen. De olifant week nog verder en verder achteruit. Eindelijk betrad mijn paard de weg, rillend van angst. Wij gingen voorbij en ogenblikkelijk kwam de olifant weer uit het struikgewas tevoorschijn. Hij tilde zijn vracht opnieuw op en zette zijn moeilijke weg voort.”

Omdat hij zo sterk is heeft de olifant onder de viervoetige dieren en de vogels geen vijanden. Maar hij wel heeft last van stekend en bloedzuigend ongedierte. Dat nestelt zich in de plooien van de naakte huid, omdat die daar, hoewel ze ook
leerachtig en dik kan zijn, dun en zacht is. Maar de natuur heeft ook hierop iets gevonden. Allerlei vogels, die een olifantenrug zien als of het een berg is waar zij
voedsel kunnen vinden. In ieder gebied zijn et weer andere soorten vogels, die met de olifanten bevriend zijn en graag geduld worden.

“Men zich kan geen mooier beeld voorstellen dan de geweldige, donkere, rustig
lopende reus waarop een tiental van de sierlijke, oogverblindend witte vogeltjes
zitten of wandelen, de ene in rust, een andere zich poetsend, een derde die alle
rimpels van de huid onderzoekt en hier en daar jaagt om een insect of een
bloedzuiger, die de dikhuid tijdens zijn nachtelijk bad heeft opgelopen, op te
pikken.”

Zo beschrijft zoöloog Alfred Brehm de vriendschap van de olifant met de
koereigers.
Olifanten kunnen alleen daar leven waar zich veel water bevindt. Ze hebben water in overvloed nodig, om te drinken maar ook om erin te baden of om er zichzelf tenminste met hun slurf mee te kunnen schoonspuiten. Wanneer ze drinken spuiten ze het water met hun slurf in hun bek. Kan een olifant geen water vinden, dan neemt hij een zandbad voor lief, of hij spuit zichzelf zelfs schoon met zand en stenen. Maar het liefst rolt hij natuurlijk in een volledig bad. Het maakt hem niets uit of het water helder is of modderig. Gebade olifanten zijn soms van top tot teen met modder bedekt. Wanneer de modder opdroogt valt het weer af en neemt dan ook nog eens lastige bloedzuigers mee.


Olifanten kunnen ook zwemmen. Bij tijd en wijle steekt een kudde een rivier of een meer over, waar ze zich dan gewoon instorten en zwemmend de andere oever bereiken. De slurf moeten ze daarbij natuurlijk omhoog in de lucht houden.
Als het
enigszins mogelijk is vermijden de olifanten het zonlicht. Je zou ze nachtdieren kunnen noemen, maar met hun jongen stoeien ze graag ook overdag in de schaduw van het bos, waar je ze kunt bekijken als je de kunst verstaat om ze tegen de wind in en volledig geruisloos te benaderen. Daarbij mag zelfs geen takje kraken. Velen proberen het jaren lang tevergeefs om een olifantenkudde in het wild te zien. Je merkt het niet, dat ze jou allang hebben gehoord en dan stil verdwenen zijn. Iedereen moet weten, dat dieren in het wild ongelooflijk veel fijnere zintuigen hebben dan wij mensen. En dat is dus ook zo bij de plompe olifanten. Wanneer een jager eindelijk getrompetter hoort, komt dat meestal uit de verte.
Aan de aard van zijn grote kop, ervaar je ook wat een eigenaardig dier de olifant
eigenlijk is. In verhouding tot zijn lichaamsgrootte heeft hij bijvoorbeeld nogal kleine ogen, en men zegt ook dat olifanten niet bijzonder goed kunnen zien. Daarentegen is het gehoor zeer goed, wat je al aan de grote oren kunt zien.
Maar de lange slurf
maakt de olifant pas tot een echte olifant. Deze is zo lang, dat de olifant hem zelfs een beetje opgerold moet dragen zodat hij niet over de aarde sleept.

De slurf is niets anders dan de wonderbaarlijke, extreem in de lengte gegroeide
neus van de olifant. Helemaal aan het uiteinde heb je de twee neusgaten en het
puntje van de neus. De olifant kan hem gebruiken alsof het een vinger is. De slurf is zo handig, dat hij er zelfs muntjes en papiersnippers mee kan oprapen. Wie anders zou zich kunnen beroemen op zo’n puntje van zijn neus? Iets anders wat
merkwaardig is, is dat de olifant met zijn neuspunt water kan sproeien. Maar
bovenal is de slurf als een geweldig sterke arm, die naast de neusgangen enkel en
alleen uit spieren bestaat. Als de olifant zijn slurf niet had gehad, zou hij dan ook
nog nuttig zijn geweest voor de mens? Geheel terecht wordt er van de olifantenslurf gezegd, dat hij lippen, vingers, hand en arm tegelijk is, en daarbij natuurlijk ook nog een neus. De verlengde neus is een compensatie voor het feit dat de olifant met zijn kop niet tot op de grond kan reiken, zonder daarvoor door de knieën te gaan.
Andere
dieren moeten zich tevreden stellen met vier poten, maar de olifant heeft er nog een extra arm bij. Door deze arm wordt hij zowat een beetje gelijk aan de mens. Als hij het wil, hoeft hij zijn voedsel niet met de mond op te pakken, maar gebruikt hij daarvoor zijn slurf, zoals wij onze handen.
Nee, het is niet alleen de grootte van zijn
lichaam, die de olifant doet uitsteken boven de dieren.
Maar zijn bijzondere aard wordt pas echt duidelijk, wanneer we in zijn bek kijken.
De twee slagtanden zijn omgevormde bovenste snijtanden en zij hebben geen tandwortel, zoals ook bij de knaagtanden van een haas. Daarom blijven zij
doorgroeien zolang de olifant leeft, omdat zij steeds weer verder naar buiten
geschoven worden. Vooral de oudere mannetjes hebben de grootste slagtanden.
Het maakt niet uit, dat ze door gebruik langzaam afslijten! Maar omdat ze zo groot zijn, kan de olifant ze niet meer gebruiken om te bijten, maar ze hebben er een werktuig en wapen aan. Helaas zijn ze vaak genoeg ook het ongeluk voor de
olifant, omdat ivoor zo kostbaar is.
Al in de oudheid werden er allerlei sieraden en
gebruiksvoorwerpen van ivoor gemaakt. Vele tonnen aan slagtanden werden over de rivier de Nijl verscheept naar de ivoorstad Assoean. (De naam Assoean is afgeleid van het Oud-Egyptische woord Swenet dat ‘handel’ betekende.)
Een
olifantenslagtand kan wel 100 kilo wegen. Tegenwoordig zijn de olifanten
beschermd en is de handel in ivoor verboden, anders waren de olifanten allang
uitgestorven.
Aan de olifant kunnen we ook zien, in hoeveel opzichten bij dieren de specifieke
manier van leven wordt voorgeschreven door hun lichaam. Wie er zo uitziet als een olifant, moet ook als een olifant leven.
Naast zijn slagtanden heeft de machtige olifant alleen nog een enkele tand aan
elke kant van zijn kaak, in totaal dus maar vier tanden. Dat is toch verrassend.
Deze kiezen kunnen immers enorm groot en breed zijn, maar ze moeten ook
armdikke takken en grote bosjes steppengras vermalen. Dat kan makkelijk omdat ze er hetzelfde uitzien als de kiezen van herkauwers, met veel haaks op elkaar staande snijvlakken, die door het gebruik niet bot, maar steeds scherper worden. Maar ze slijten wel af. Is zo’n olifantenkies opgebruikt, dan is er achterin alweer een nieuwe doorgekomen en al naar voren geschoven. Tenslotte valt de kies uit en de nieuwe tand neemt diens plaats in. Dit merkwaardige proces van tanden wisselen vindt zes keer plaats in het leven van een olifant, zodat je met recht kan zeggen dat een olifant 24 kiezen heeft die niet allemaal tegelijk verschijnen. Maar je kunt ook zeggen, dat een olifant zijn hele leven lang tanden wisselt. Blijft hij ook een leven lang een groot kind, dat eeuwig tanden wisselt? Is hij zo groot omdat hij niet kan ophouden als een kind te groeien?

Ja, een olifant geeft veel stof om over na te denken. Een pasgeboren
olifant is 90 centimeter hoog en groeit 20 tot 24 jaar. De tanden worden eerst met 2 jaar gewisseld, dan met 6 en 9 jaar, later nog maar zelden.
Veel Afrikaanse volken en islamieten beschouwen de olifant als hun stamvader,
waardoor ze het vlees niet eten. Daaraan zien we, dat natuurvolkeren dat
bijzondere, bijna menselijke van dit geweldige dier bespeurden.

Ten slotte moet nog verteld worden, hoe sterk onder de olifanten het gevoel voor familiesaamhorigheid voorkomt. De kudde – dat kunnen er best honderd zijn – is
altijd als een grote familie. Ze blijven samen en staan niet toe dat vreemden zich bij hen aansluiten.
Hindoes, die de olifanten goed kennen, zien deze saamhorigheid in
een bepaalde familie ook in de wildernis. Droevig is echter het lot van de eenling.
Het komt af en toe voor, dat een olifant ontsnapt uit zijn gevangenschap en in het oerwoud terugkeert. Wanneer hij zijn oude kudde niet terugvindt, dan wordt hij niet in een andere kudde opgenomen en moet hij eenzaam en verbitterd om zijn bestaan strijden. Men weet, dat zo’n eenling dan boosaardig, agressief en daardoor gevaarlijk kan worden, zoals dat ook bij een verstoten mens zo zou kunnen gaan.

Der Elefant, der Elefant
hält seine Nase in der Hand;
solang sich Nas und Hand nicht trennen
wird man ihn ewig einen –
Elefanten nennen!

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1809

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (9)

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 68                                                                                                     hoofdstuk 9

De loftrompet over de regenwormen

Niemand zal van een regenworm zeggen dat het een lief beestje is, want hij heeft nou niets wat je gevoel raakt; ja, velen vinden hem zelfs een beetje vies; maar wie eenmaal heeft geleerd wat hij betekent, weet hem naar waarde te schatten en moet wel blij zijn wanneer er regenwormen in de akker en de tuin voorkomen en het daar naar hun zin hebben.

Het eerste wat nu van de regenworm zal worden beschreven is de lichaamsbouw en de zintuigen. Helemaal kaal en zonder poten kruipt hij op z’n buik rond of onder de grond. Van voor naar achter bestaat hij uit segmenten. Hij heeft geen ogen en geen oren, eigenlijk niet eens een kop. Met pijn en moeite heeft hij vooraan in het tweede segment een mond.
Wie echter zo’n mond heeft als een regenworm, zonder kaken en tanden, kan zeer zeker niemand bijten, en ja, hij kan niets van iets afbijten. Hij moet het heel anders doen. Natuurlijk heeft een regenworm ook geen neus.

Het geheim van de regenworm is dat hij op zijn kale huid heel gevoelig is. Zo voelt hij bv. heel duidelijk of het buiten op de aarde warm of koud is en wanneer het hem te koud lijkt, blijft hij simpelweg thuis. Hij voelt, hij tast met zijn huid.
Misschien hoort hij ook een beetje zonder speciaal oren te hebben. Hij proeft de aarde heel precies, omdat heel zijn lichaam bijna net een tong is. Bij hevige trillingen probeert hij onder de aarde weg te komen; hij weet zelfs of het buiten licht of donker is en wanneer je hem met een zaklamp beschijnt, merkt hij dat ook en trekt zich samen. Zo verbazingwekkend is dat bij dit eenvoudige diertje dat bijna alles kan waarnemen hoewel het toch geen enkel zintuig heeft. Alles neemt hij waar door zijn vochtige huid.
Smaak en reuk zijn bij regenwormen nog hetzelfde, maar toch neemt dit diertje heel fijnzinnig waar of de aardbodem goed of slecht is, of die bevoorderlijk is voor zijn gezondheid of niet, want hij verlaat een slechte bodem en hij zoekt er een op waarin hij het met zijn huid prettiger heeft.
Wie zoals een regenworm geen kop heeft, heeft natuurlijk ook geen hersenen, ook niet de allerkleinste. Die heeft de regenworm ook niet nodig, want wat hij waarneemt, licht, duisternis, geur van de aarde, warmte, kou, trillingen e.d. dat gaat bij hem niet tot in de ledematen, want die heeft hij niet. het zit ‘m gewoon in de worm, kun je wel zeggen. Hij weet dus ogenschijnlijk ook waar boven en onder is, dat moet hij wel voelen, want hij draait steeds dezelfde kant naarboven. Je ziet het ook aan de grote bloedader die midden over zijn rug loopt. Een hart in het bijzonder heeft een regenworm niet.

Wanneer je een regenworm in je hand durft te nemen en je trekt hem dan langzaam van achter naar voren door je vingers, voel je duidelijk dat het een beetje als een rasp is. Dat zijn kleine borsteltjes waar de regenworm er vier rijen van op zijn huid heeft. Op iedere helft twee, boven en aan de buikkant. De borstels zijn tegelijkertijd ‘stijgbeugeltjes’ waarmee de regenworm in zijn loodrechte gangen houvast heeft. Hij kan ze zelfs een beetje bewegen, waardoor je ze verkommerde vervangers van poten zou kunnen noemen. Wanneer je de worm op papier laat kruipen, hoor je het een beetje zacht ritselen. Ieder die het wil kan het proberen. Omdat de borstels van voor naar achter gericht staan, geven ze de worm houvast wanneer hij in zijn gangen naar boven wil, anders zou hij misschien wel ruggelings weer naar beneden vallen. De borstels zijn aan het regenwormlijf ook het enige dat weerstand kan bieden.
De zoölogen rekenen de regenworm tot de ringwormen. Je ziet toch dat hij van voor naar achter in louter ringen of segmenten ingedeeld is. De voorste ring of het voorste deel is spits en kan zich ook nog klein samentrekken zodat het nog langer wordt. Daarmee boort de regenworm zich de grond in wanneer hij een plekje heeft gevonden waar al een klein scheurtje was. Dan komen de borstels hem weer te hulp. Hij heeft zoveel paar borstels als hij segmenten heeft, ook aan iedere kant.
Het volgende dat nu over de bouw en het functioneren van de regenworm zal worden beschreven is, dat hij onmiddellijk onder zijn huid van voor naar achter, zoals men zegt een lentespier heeft. Dat is toch een beetje de vervanger van de armen en benen die hij mist. In verhouding is het toch een sterk dier, zoals je eveneens kan voelen, wanneer je er een beetpakt. De spier maakt het mogelijk dat de regenworm een golfbeweging maakt die van voor naar achter  loopt. Eerst strekt hij zich uit en dan trekt hij het achterste gedeelte weer bij. Maar hij kan ook achteruit kruipen. Hij doet dat wel anders dan de slangen die slingerbewegingen moeten maken, omdat ze een benige wervelkolom hebben. Hoe zouden die zich daarmee kunnen samentrekken of uitstrekken?

De gewone regenworm, de grootste van de bij ons voorkomende soorten, wordt tot 35cm lang en heeft dan ongeveer 150 segmenten. Op een paar centimeter meer of minder komt het echt niet aan. Men weet ook hoe gemakkelijk het kan gebeuren dat zo’n worm in delen gescheiden wordt. Wanneer je de tuin spit, kan het gebeuren, of een vogel in de lucht kan een stukje verliezen. Maar wat hindert het! De worm voelt geen pijn en wat eraf is, is weldra al weer heel.
Laten we eens kijken wie er zoal regenwormen opvreten. We zouden al de vele vogels kunnen noemen die met hun scherpe ogen de grond afspeuren, bv. wanneer er geploegd wordt. Vervolgens snuffelt mijnheer egel overal de grond af of hij er geen smakkend op kan eten wanner hij er een ziet. Onder de grond maken de mollen natuurlijk grote hoeveelheden wormen dood. Spitsmuizen en nog veel meer dieren jagen ijverig op hem en laten hem zich goed smaken, zelfs kikkers eten regenwormen. Moet je dan niet verbaasd zijn dat er dan eigenlijk nog wel overblijven. Maar er blijven steeds genoeg regenwormen over.
Het kan ook aangegeven worden hoeveel van deze stille kruipers er in de grond huizen, omdat het namelijk vaak onderzocht is. In een hectare bosgrond, dat is een vierkant van 100 bij 100m, werden een hoeveelheid van drie miljoen regenwormen vastgesteld. Die zouden bij elkaar zo’n 400kg wegen, zoveel als een vet varken. Bedenk wel dat regenwormen zich snel voortplanten.
Iedereen heeft zeker wel die gordelvormige verdikking – het zadel – gezien in het voorste derde deel van een regenworm. Die begint bij het 27e segment, 8 segmenten groot. Daaruit legt de regenwormen de eitjes en tegelijkertijd zet hij als een soort omhulling slijm af, want de gordel is eigenlijk een slijmklier. Op het laatst stroopt de worm de hele cocon af, zo noemt men de eierbal, zodat deze zich nog meer samen kan trekken.
Dus de regenworm maakt zijn cocon niet uit zijdedraden zoals de zijdespinner, maar hij laat deze uit slijm onstaan die aan de lucht droogt. En zo wordt het wormenbroedsel onder de grond in een kleine holte gelegd.
Regenwormen zijn eigenlijk nachtdieren of op z’n minst toch wel dieren van de schemering. Omdat ze helemaal kaal zijn en daarbij een vochtige huid hebben, bestaat het gevaar dat ze uitdrogen. Maar door deze vochtige huid moet de worm die geen longen heeft, ook nog ademen. Als het dan op een keer heel erg hard heeft geregend, komen de wormen overdag wel uit hun gangetjes omhooggekropen, want het regenwater loopt de gangetjes binnen, vult deze en daardoor krijgen de wormen gebrek aan lucht. Dan wordt het duidelijk waarom de regenworm eigenlijk zo heet.
Het wordt echt gevaarlijk voor ze, wanneer meteen na de regen de zon begint te schijnen. De regenwormen kunnen absoluut niet tegen het zonlicht, omdat dit schadelijk is voor hun bloed. Daarom vind je ze vaak na hevig weer massaal dood liggen.
Ze hebben nu eenmaal de bescherming van het duister nodig om in leven te kunnen blijven. Ook zijn ze zeer gevoelig voor kou en vorst, zoals je wel kan bedenken. Ze houden van vochtige warmte en bevriezen al bij twee graden onder nujl. In de winter zitten ze weliswaar diep in de grond, maar het kan gebeuren, dat de vorst daar toch een keer diep doordringt en dan gaan ze dood; als de grond met stro of iets anders afgedekt is, zijn ze beschermd en overleven.

Soms zie je kleine blaadjes uit de aarde steken, net alsof iemand ze er voor de lol ingestoken heeft. Maar dat deden de regenwormen bij hun nachtelijke activiteit. Ze verzamelen blaadjes of bladdelen waar ze die maar kunnen vinden en slepen ze naar hun gangen. Daar moeten ze verrotten tot de regenworm ze op kan eten met zijn weke bek. Het is zelfs bekend dat regenwormen ook een bepaalde lievelingskost hebben, zoals bv. koolbladeren die ze ook van verre kunnen halen. Maar ook aarde propt de regenworm naarbinnen, haalt eruit wat hij kan gebruiken en poept de rest die hij in zijn darmen heel vruchtbaar heeft gemaakt, weer uit. Dat zijn de ‘wormhopjes’ die je vaak vindt. Zo dragen de regenwormen met stille, maar volhardende arbeid bij aan de vruchtbaarheid van de aarde en daarmee maken ze de bodem tegelijkertijd losser. Dat ze ook vaak jonge kiemplanten meepakken, moeten we hen bij zo’n grote nuttigheid, maar niet kwalijk nemen.
Meestal pakt de regenworm de bladeren bij een punt. Zo kan hij deze zonder dat ze in de gangetjes klem komen te zitten daarin naar binnentrekken. Alleen van de dennennaalden weet men dat de worm die andersom beetpakt, want die zitten als paar bij elkaar en die zouden blijven steken wanneer de worm die ook bij een puntje zou pakken.
Welke wijsheid zit er toch verborgen in het gedrag zelfs van zo’n klein dier? Welke meester heeft dat de regenwormen geleerd? Wie heeft dat in hen gelegd?

De loodrechte gangen zijn gewoonlijk een halve meter diep. En dan kan je je makkelijk voorstellen wat het voor de hele aarde moet betekenen, wanneer er altijd door zo veel regenwormen aarde opvreten en het dan ergens anders weer achterlaten. Daarbij komt dat velden, weilanden, tuinen en bossen door hun heimelijke verzorgers bemest worden. De boer, maar ook de boswachter en de tuinman moeten ze zien als waardevolle helpers. Wat het ook is, plantenresten of dierlijke, alles wordt aan de aarde teruggeven en in vruchtbaarheid omgezet. De regenworm maakt de bodem open voor de plantengroei. Hij mest en bewatert tegelijkertijd, zoals we nog zullen zien.
En laten we wel bedenken hoeveel er zijn, van deze stille, vaak zo geringschatte helpers! Per hectare land niet minder dan twee tot vijf miljoen en op dat oppervlak werden wel een miljoen wormgaten geteld. Er is becijferd dat de regenwormen op een middelgrote boerderij meer wegen dan alle koeien en kalveren bij elkaar. Wie had dat voor mogelijk gehouden! Het is niet te veel gezegd: deze geheime onderaardse koeienstal houdt ook de mens in leven.
Maar er is nog meer lovenswaardigs
te zeggen over wat de regenworm doet. Deze helpers zorgen namelijk ook tegelijkertijd door hun gangen ervoor, dat er genoeg lucht in de aardbodem komt. Dus losmaken, mesten en beluchten, dat doen ze. De plantenwortels kunnen ademen en ze krijgen ook meteen de fijne stroom vocht die van bovenaf de wormgaten binnendruppelt.

In helemaal niet zoveel decennia hebben de regenwormen, wanneer er maar veel zijn en wanneer ze zich op hun gemak voelen, de bodem omgeploegd en het onderste boven gekregen, zonder ploeg, alleen maar door hun levenswerk. Is het dan een wonder dat de boer en de tuinman die er weet van hebben met zorg kijken of het met de wormen goedgaat? De laatste tijd worden er zelfs regenwormen gekweekt en wanneer ze zich goed vermenigvuldigd hebben, verkocht daar waar ze nodig zijn.

Wat zijn het nu eigenlijk, die regenwormen?

Ze horen bij de aarde. Ieder van hen is net een klein stukje van de darmen van de aarde, dus helemaal geen heel dier, maar een klein stukje dat onder en boven de grond zelfstandig rondkruipt. Kop en ledematen zijn a.h.w. over de darm verdeeld of door deze opgeslokt. Zijn opdracht is het echter de aardekruimels langzaam door zich heen te laten gaan en ze van nieuw leven te voorzien en ze vruchtbaar te maken.
Dikwijls geringschatten de mensen ze, of minachten ze zelfs, omdat ze nog niet begrijpen hoe belangrijk ze wel niet zijn. Maar het kleine kan groot zijn, het nietige zelfs verheven. Dat is bij de regenworm niet anders. Dus laten we voor hem niet meer onze neus ophalen, maar duizendmaal liever, wanneer we hem zien, onze hoed afnemen. 

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1787

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (6) – over de bonte specht

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 46                                                                                                     hoofdstuk 6

Welke timmerman moet aankloppen
nog vóór het huis gebouwd is
en dan komt er ook nog eens geen deur in?

Meester specht is een heel wonderbaarlijke gezel. Het bos geeft hem een woonplaats en in het bos brengt hij zijn leven door. Dat vogels tussen de takken en op boomkronen wonen en daar ook nestelen, is zeker niets bijzonders, maar dat iemand hamer en beitel neemt om er gaten mee in een stam te hakken om juist daar zijn eieren te leggen en jongen groot te brengen, wie zou zich daarover nou niet verwonderen!
Er zijn verschillende soorten spechten. De grootste is de schuwe zwarte specht met de prachtige rode kopkap. Dan komen de groene en de grijskopspecht, ten slotte de drie gebroeders bonte specht, de grote, die we hier nader gaan bekijken, de middelste en de kleine.

De grote bonte specht is zo groot als een spreeuw. Het mannetje is opgesierd met een mooie rode nekvlek; die heeft het vrouwtje niet. Onderaan de staart zijn ze beide prachtig rood. Door de grote zwarte en witte vlekken worden de veren van de bonte spechten driekleurig. Wat hun gewoontes betreft als ze nestelen, lijken alle spechten op elkaar, zij het dan dat de groene specht meer dan de andere naar de weiden gaat om mierennesten te plunderen. De grijskopspecht houdt heel erg veel van de grote bosmieren, maar alle spechten hebben wel een voorliefde voor mieren en hun eitjes. Je kan er een specht vaak op betrappen dat hij op de grond aan het zoeken is en zijn krop aan het vullen met mieren.
Bijna de hele dag is hij bezig met kloppen en hameren. Je hoort de slagen ver door het bos schallen. Dan hipt hij met zijn korte pootjes waaraan opvallend lange tenen zitten met sterke, gebogen nagels, met kleine sprongetjes langs de stam. Allebei de voortenen zijn tot op de helft met elkaar vergroeid, de derde, buitenste teen van de poot is een keerteen, d.w.z. die is naar achter gebogen en ligt naast de kortere achtertenen. De specht moet zich goed vast kunnen houden, wanneer hij met zijn snavel zo hard en stevig wil hameren.
Die spechtensnavel, sterk, recht en kegelvormig, kun je vergelijken met een beitel, de rug al scherp kantig en aan de voorkant bovendien scherp en spits, bijna geslepen, zou je kunnen zeggen. De hamer daarbij is de grote en zware kop. Dan vliegen de spaanders in het rond! Omdat die beneden neerkomen, verraden ze de timmerman, voor het geval je hem nog niet gehoord zou hebben.
Probeer maar zoals een specht aan de stam hangend met beitel en hamer te slaan zonder naar beneden te vallen! Ook als je je vast zou kunnen houden, zou je toch de terugslag voelen. De specht echter, klauwt zich met zijn poten vast en steunt daarbij met zijn staart tegen de schors. De staart van de specht wordt vaak met een soort knijpveer vergeleken. Die heeft twee rijen van maar korte veren, waarvan de schachten heel sterk en stevig zijn. Zo vormt de staart met de beide poten een soort derde poot voor de trommelende specht. Roffel er maar lekker op los, jij specht, laat de spaanders maar in het rond vliegen, jij staat stevig en geen hamerslag zal jou omver gooien! Jij hoort bij het bos en daarvoor is je instrument bestemd; en in de stammen breng je ook je jongen nog groot!
Maar zeg toch eens, sterke, mooie vogel, wie geeft jou je thuis en je voeding?
Dat is het bos, het bos! Op en onder de schors is er beweging of ze houden zich stil, die ontelbare larven, poppen, eitjes en bastkevertjes die daar leven. Wacht maar, allemaal, buiten wordt al geklopt en voor wie dat doet, hoef je geen ‘binnen’ te roepen. Kijk, daar vliegen de spaanders al in het rond!
Het meeste vindt de specht natuurlijk in bomen die al ziek zijn of aan het afsterven. Heeft hij dat uitgeprobeerd? Wie heeft hem dat geleerd, er les in gegeven? Het bos, het bos!
Wanneer de specht op een boom toevliegt, begint hij steeds onderaan en hupt dan naar boven, draaiend om de stam. Met z’n kop naar beneden kan de specht niet klimmen, dan zou hij vallen. Op een volgende boom begint hij dan weer beneden.
Met vlugge, snorrende of ruisende vleugelslag vliegt de specht eerst een stukje hoger en schiet dan met gevouwen vleugels weer naar beneden. Zo schrijft hij zijn golvende vlucht tot hij weer bij het volgende doel is aangekomen. Omdat de bonte specht helemaal niet zo’n schuwe vogel is, kun je de vlucht gemakkelijk waarnemen en die zal je wanneer je die eenmaal aandachtig heb bekeken, niet meer zo snel vergeten>
Maar de spechten zijn geen doorvliegers. Zijn ze eens naar een ander bos gevlogen, dan rusten ze snel weer uit en kijken wat er daar te roffelen valt. Zijn ze naar een nieuwe stam gevlogen, dan beginnen ze gelijk met hun werk, wat voor een specht zoveel betekent als voedsel zoeken. Met vlugge, huppende klimpasjes gaat het weer langs de stam naarboven. Wanneer hij zich bespied waant, gaat hij naar de ander kant van de stam, dan hoor je hem wel, maar je ziet hem niet. De specht kan wel schadelijk zijn voor gezonde bomen, wanneer hij in kleine stammen rondjes maakt om het uitstromende sap te drinken.
Een waar kunstwerk is de tong. Die kan snel naar voren gebracht worden en is heel dun, hoornachtig hard en tegelijkertijd uiterst elastisch en buigzaam. Die kan ook in van die kleine gangetjes en scheurtjes gestoken worden, om een hoekje gebogen of net zo gaan als de gangen van de bastkever die tussen hout en schors lopen. Maar dat gaat allemaal zo snel dat je het nauwelijks kan volgen. Grotere insecten worden eenvoudigweg aan de tong gespietst en omdat daaraan ook nog weerhaakjes zitten, kan de prooi ook uit het schuilhoekje worden getrokken. Voor eitjes, kleinere larven en poppen heeft de specht nog een ander middel, het kleverige speeksel van zijn bek. Daarmee wordt de tong iedere keer bevochtigd, waneer die weer naar binnen wordt getrokken. Dat is echt een nuttig ding, zo’n lange, dunne, buigbare, van weerhaakjes voorziene spechtentong met lijmerig en kleverig speeksel. En wat kan die ver naar buiten!
Weinig mensen weten dat de specht helemaal niet alleen maar leeft van zijn geboor in oude stammen en van mieren. O nee, hij weet nog zoveel andere lekkere dingen! In de winter kan hij zelfs wel eens een bijenkast openbreken en wanneer hij dan een gat heeft gehamerd bijen én honing verorberen. Dat is wel een graadje erger! Maar ja, kwajongens gaan ook wel eens honing pikken.
Op gezette tijden doet hij zich ook wel tegoed aan bosvruchten en daar moppert natuurlijk niemand op. Dennenappels, die vooral op zijn menu staan, haalt hij uit de boom en zet die klem in een passende scheur in een bast die hij voor dit doel zelfs meestal gemaakt heeft. Die plekjes noem je spechtensmidse (ook wel aambeeld) Dan zie je hoe de meester de goede, oliehoudende zaden eruit pikt. Hij maakt de schubben kapot, net zoals de kruisbekken dat doen, zonder ze eraf te trekken. Wanneer hij weer wegvliegt, laat hij de dennenappels die nog niet van alle pitjes ontdaan zijn, in de smidse zitten. Want de specht is wel een heel onrustige en ongeduldige vogel die weer gauw naar een volgende boom gedreven wordt. En wanneer hij weer terugkomt, is hij natuurlijk ook blij dat hij meteen iets eetbaars heeft.
Zelfs het kraken van noten gaat meester specht goed af. Hij stopt ze voor dit doel ook weer in een smidse. Dat is goed loon naar werken, die grote goedsmakende pitten. Ook weet hij maar al te goed, hoe kersen smaken en hij neemt, wanneer de gelegenheid zich voordoet, graag deel aan de oogst. In dit geval kan hij ook de pit nog kraken en oppeuzelen. Dat hij ook bessen niet versmaadt, is vanzelfsprekend.
Smakelijk eten, oude timmerman!
De spechten zijn geen gezelschapsvogels. Wanneer er een tweede in de buurt komt die misschien wel in hetzelfde jachtgebied actief wil worden, ontstaat er meestal een vechtpartij met veel geschreeuw en lawaai.
Behalve in de paartijd zijn alle spechten vooral op zichzelf.
In de herst en de winter zie je ze vaak in gezelschap van kleinere vogels in de tuin scharrelen. Je hoort ze meteen aan hun ‘giek, giek’ of meer metalig ‘gi-gi-gi-gi-gi. Dan scharrelt hij wat rond met boomklevertjes en boomkruipers, mezen en goudhaantjes. Maar het lijkt erop dat hij niet veel aan ze heeft.
Al vanaf eind januari kan je de specht horen trommelen. Dat is een soort paringsroep. Wie, zoals de specht, zo bij het bos hoort, verstaat natuurlijk ook de kunst bomen als muziekinstrument te gebruiken. Het zijn voornamelijk de mannetjes die zich als trommelaar gedragen. De specht vliegt op een dorre tak en slaat daar in ras tempo krachtige slagen op. Zo ontstaat de lokroep die ieder wel eens gehoord heeft, meest hoog boven in de kroon. Dat is meester specht, hij alleen kan met zijn snavel zo op de takken roffelen dat je het ver in het hele bos hoort en die toch geen hoofdpijn* krijgt.
Ja, het kan niemand anders zijn geweest dan de specht!
Wanneer hij een nest bouwt, doet hij niet veel beter zijn best dan een uil, d.w.z. dus bijna niet. Het gat in de boom niet meegerekend, maar wat hij daarin voor de jongen klaarmaakt – dat is zoveel als niets. Maar een spechtengat dient niet alleen als nestruimte, ook als slaapruimte wordt die steeds weer gebruikt. Daar slaapt de specht, zoals je weet, staand zich vasthoudend met de steunende staart.
Om het hameren niet al te moeilijk te maken, zoekt de specht naar bomen die al een beetje vermolmd zijn of bomen die van zich zacht hout hebben, zoals de populier bijv. Dan vliegen de spaanders wat makkelijker rond, maar het duurt wel een hele week werken tot alles uiteindelijk klaar is. Het is natuurlijk wel eenvoudiger om een holte klaar te maken die er al is.
Een nestholte mag niet lager dan ongeveer tien meter van de grond zijn om er zeker van te zijn dat de jonge vogeltjes veilig zijn voor allerlei roversgezellen en indringers die daar beneden over de aarde rondsluipen. Maar als zo’n rover kan klimmen, zoals de marter, is goede raad duur. Marters zijn de ergste en gevaarlijkste vijanden die ook nog eens zelf in de spechtholte hun intrek nemen. De kraamkamer moet ongeveer dertien centimeter diep zijn en een bodem van vijftien centimeter hebben.
Maar hoe vaak begint een specht niet aan een holte om die dan niet af te maken! Is het werk dan toch te zwaar of heeft meester specht alleen maar een beetje willen hameren?
Het vrouwtje legt vier tot vijf kleine, rondachtige witte eieren en ze broedt afgewisseld door het mannetje. Dat duurt maar veertien tot zestien dagen. Jonge spechten zien er de eerste tijd heel lelijk uit. Nog niets doet denken aan de mooie statige vogels die ze later zullen worden. Maar wat maakt het uit of kinderen lelijk zijn! De ouders zien alleen maar dat het hun jongen zijn en ze houden van hen en verzorgen ze met liefde. Het duurt heel lang voor de jonge spechten tenslotte het nest verlaten en zich zonder gevaar in de wereld durven wagen. Hopenlijk heeft de marter niet gehoord hoe het daarbinnen met de gestrekte nekken en opengesperde snaveltjes om voedsel geschreeuwd heeft!
Zijn de jonge spechtjes eenmaal in staat uit te vliegen, dan houdt de familie meteen op te bestaan. De jongen verspreidem zich en vinden weldra hun eigen weg, en de ouders doen alsof ze nooit van elkaar hebben gehoord.
De jongen herken je het eerste jaar nog omdat ze meer rood op hun kop hebben dan later. Maar weldra zijn ze allemaal net zulke kluizenaars geworden als hun ouders dat nu weer zijn.
Voor een specht is het goed zo, want dan kan hij het beste doen wat hij doen moet. Hij moet alleen zijn, onze altijd bezige, onrusitge specht!
En zwijgend zegt het bos dan: ‘Hamer maar, mijn specht! Mogen je kinderen altijd gaan naar waar ze nodig zijn – als timmerlui, als verzorgers,

want wat zou het bos zijn
wanneer de spechtroep niet zou weerklinken
wanneer het lentespechtgeroffel
niet door bladeren en kronen te horen zou zijn!

.
**waarom niet, lees je hier
.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

 

1425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (5) – over twee uilen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 39                                                                                                     hoofdstuk 5

OVER TWEE UILEN

Van de vele duizenden vogelsoorten die er op aarde voorkomen, zijn de meeste dagdieren. Ook verreweg de meeste roofvogels jagen overdag op hun prooi en ’s nachts slapen ze. De uilen vormen dan toch wel een grote uitzondering. Ook al zijn sommige al in de schemer te zien, ondanks dat is de nacht toch hun eigenlijke jachttijd en ze zijn helemaal op het nachtleven ingesteld, wat hun zintuigen betreft, maar ook als het om hun lichaamsbouw gaat. Alleen wanneer het buiten pikkedonker is, moeten zelfs de uilen thuisblijven. Voor die tijd bewaren ze altijd iets van hun buit op voorraad.
De grootste uilensoort, de oehoe, zit overdag slaperig in zijn hol, een holle boom, tussen rotsen of ook verborgen tussen de takken, waar het dichte bladerdek hem beschut. Uilen hebben net als de sperwers geklauwde tenen. Ze kunnen de buitenste van hun drie tenen naar achter brengen en daarmee voortreffelijk klimmen. Zo kunnen de oehoes een plek zoeken waar niemand ze makkelijk ontdekt en omdat hun veren er bijna net zo uitzien als de boomschors of een stuk rots, zie je ze maar moeilijk.
De oehoe houdt zijn oorpluimen naar achteren gevouwen. De ogen houdt hij wat halfgesloten door het onderste ooglid naar boven te trekken. Zo maakt hij de indruk alsof hij weliswaar erg moe is, maar toch eigenlijk niet slaapt. Een slapende oehoe steekt zijn kop namelijk niet tussen z’n veren, zoals de andere vogels doen. Zo blijft hij toch altijd nog een beetje wakker. Dat uilen overdag niets kunnen zien, is een groot misverstand, want wanneer ze verstoord worden, vliegen ze behendig weg, zelfs door het dichte gebladerte zonder zich te stoten, om een andere schuilplaats te zoeken.
Zodra het nacht wordt, komt er leven in de uil. Dan gaan zijn barnsteengele ogen helemaal wijd open. Die zijn sterk gewelfd, bijna kogelrond om maar goed heel veel licht op te kunnen vangen. De pupillen worden groter en kleiner bij elke ademhaling. Bij de uilenblik hoort ook dat de beide ogen naar voren gericht worden. Dat zorgt voor de menselijke uitdrukking in het uilengezicht. Bij de andere vogels kijkt ieder oog, zoals we weten, naar een andere kant. Ja, uilen zijn wel heel bijzondere vogels!
De oehoe vliegt naar de volgende hogere boom om rond te kijken. Geruisloos bewegen de brede vleugels. Nu laat hij zijn huiveringwekkende ‘oehoe’oehoe’ of ‘boehoe, boehoe’ klinken, dat je van verre kan horen, maar toch niet helemaal weet, waar het vandaan komt. Al gauw klinkt het weer vanuit een andere richting, want de oehoe is al weer verder naar een andere boom gevlogen. Niet veel mensen hebben buiten de oehoe gehoord, omdat hij tegenwoordig bij ons al tamelijk zeldzaam is. Hij zoekt uitgestrekte bergwouden op. Vroeger was hij over heel Europa en Azië verbreid.
Bijzonder bont maken de oehoes het in het voorjaar wanneer ze paren. Dan gaat het er in de bossen aan toe alsof wilde jagers achter hun prooi aanzitten. Wie bang is, moet dan niet het bos in gaan.
Wolken jagen langs de hemel, af en toe komt de maan tevoorwschijn, storm gaat door de toppen van de bomen en steeds weer klinkt het ‘oehoe, oehoe’ daar tussendoor. Zo gaat het de hele nacht door tot de ochtendschemer. Nee, dat was niet de wilde jager, het waren alleen maar de opgewonden uilen. Wacht maar tot het dag wordt, dan word je wel weer rustig, oude oehoe!
In de uilenvlucht schuilt een geheim. De nachtelijke rovers kun je nauwelijks zien, maar horen doe je al helemaal niets. Wat kan zo’n grote vogel als de oehoe geruisloos vliegen! Ook prooidieren merken er niets van wanneer er een oehoe boven hun kop vliegt. En wanneer hij dan plotseling omkeert, slaat hij zijn gebogen klauwen met punten zo scherp als naalden, in hun lijf. Dan is ieder ontkomen onmogelijk. Dat is nu de wonderbaarlijke uilenvlucht. Wat maken eenden of duiven, maar ook de dagroofvogels dan een lawaai!
Uilenvleugels zijn in verhouding kort, breed en afgerond. Maar ook bij de snelste vlucht kunnen ze niet ruisen, omdat ze aan de randen franje-achtig zijn. Als een schaduw glijdt de uil over de nachtelijke aarde.
Naast de scherpe ogen die door het nachtduister heendringen, hebben de uilen ook een heel scherp gehoor. De grote gehooringang ligt onder de tere veertjes van de kopsluier verborgen. Je moet zelfs de sluier van de uilen die zich in een grote boog om de ogen uitstrekt, als reusachtige oorschelpen beschouwen. Anders begrijp je het uilengezicht niet. Dikwijls zijn de uilen wat hun gehoor betreft, al met katten vergeleken. Ook die worden wakker door het ritselen van een muis. Uilen hebben zelfs onder de veren verborgen nog een huidachtige oorschelp die naar achteren open is. Zo horen ze ook, waar ze overheen zijn gevlogen en keren meteen om, om de prooi te slaan. De oorpluimen die alleen maar oren genoemd worden, omdat ze er zo uitzien, zijn niet om te horen.
Hoe zou een oehoe eruit zien, wanneer hij plotseling van zijn dikke, zachte verenpak beroofd zou worden? Dat is snel gezegd: erbarmelijk dun en mager! Dan zou hij helemaal geen vogel meer zijn en een geplukte kip zou er nog uitzien als een vogel feniks. Daaraan kun je zien wat de veren voor een vogel betekenen. Niet het blote lijf laat hem een vogel zijn, echt alleen maar de volle, zachte, prachtige veren. Het meest grootse aan de uil is toch zijn kop, wat je van zo’n slimme vogel ook wel verwachten kan.
De hals is hemaal door de veren verborgen, zodat hij eruit ziet, alsof hij er geen heeft. Natuurlijk heeft hij er een, zelfs een die zeer wendbaar is, want hij kan zijn kop helemaal naar achter omdraaien – een draaihals onder de nachtvogels! [helemaal = 270º]
Het ergste wat een uil overdag kan overkomen is, dat hij door andere vogels wordt ontdekt. Dat geeft een gekrijs en geschetter! De eerste vogel vliegt rond en deelt het op zijn manier aan de andere mee en dan komen ze allemaal dichterbij om de oehoe zo luid mogelijk uit te schelden. De schreeuwers vergeten zelfs of ze anders onder elkaar vriend of vijand zijn. Het lijkt erop of ze alleen de uil maar zien. Steeds nieuwe scheldkoppen komen erbij. Heel brutale en dappere durven zelfs aan hem te plukken hoewel ze hem natuurlijk niets ernstigs aan kunnen doen. Zangvogels, gaaien, ja zelfs roofvogels zijn naderbij gekomen om aan de scheld- en mopperpartij mee te doen. Dat moet voor de oehoe wel te veel worden. Hij richt zich op en vliegt weg naar waar de plaaggeesten hem niet zo snel kunnen ontdekken.
Zoals alle andere uilen vreet de oehoe ontelbare muizen, maar niet zelden vergrijpt hij zich aan veel grotere dieren. Hij kan er bijvoorbeeld een ter grootte van een gans slaan. In zijn nest vind je resten van patrijzen en auerhoenders. Ook eenden, konijnen en hazen zijn hun leven met hem niet zeker, zelfs de stekelige egel weet de oehoe te bedwingen. Het is nog nooit waargenomen dat de oehoe aas eet. [volens Wikipedia wel, in strenge winters].
Het menu kom je niet alleen te weten door de resten in de nesten, ook door de uitgebraakte ballen na de vertering geven informatie. De oehoe werkt ze met heel veel moeite naar buiten. Daarvoor spert hij zijn snavel wijd open. Het eten biedt een afzichtelijke aanblik. Wanneer het maar een beetje gaat, gaat de prooi in zijn geheel naar binnen. Van een muis zie je als laatste alleen de staart nog naar buiten kijken. Dan kun je aan de verdikking van de hals zien, hoe ver de reuzenhap al is. Daarbij trekt hij vreselijke grimassen. De uil gaat van inspanning van de ene op de andere poot staan. Grotere botten, haren en veren worden later met de braakbal weer overgegeven.
Moeten stukken vlees naar omhoog – dergelijke voorraden zijn dikwijls heel groot – dan legt de oehoe ze in het vel van de prooi zodat ze niet verdrogen.
Men zegt dat uilen wreed zijn. Ze kunnen blind van woede zijn en opvliegend. Maar zelden wennen ze aan de mens die hen verzorgt. Dat geldt in het bijzonder voor de oehoe. Wanneer hij geïrriteerd raakt, stoot hij boze, snurkende geluiden uit en klapt met de snavel en maakt woedend giechelachtige geluiden of krijst luid of blaast. Het kan ook gebeuren dat hij een afschrikwekkende houding aanneemt waarbij hij de vleugels half naar boven richt zodat ze even hoog als de kop komen, met de dreigende ogen en de spitse oorpluimen een grote, gevaarlijke indruk makend. Ook de tekening van de vleugelveren past zich aan het reuzenschrikbeeld van de oehoe aan.
Hij maakt niet veel werk van het bouwen van een nest. Het liefst heeft hij dat hij er een kant en klaar vindt dat eerder al eens gebouwd werd door iemand anders, misschien een of andere roofvogel. Maar een geschikte rotsspleet, een spelonk of iets kokervormigs, soms ook een oud gebouw voldoet ook. Dat wordt met wat mos en veren karig ingericht en dan legt het vrouwtje twee of drie afgeronde, witte eieren met een ruwe schaal. Gedurende de broedtijd moet het vrouwtje natuurlijk door het mannetje gevoerd worden. De net uit het ei gekropen jongen zijn eerst nog blind en de ouders moeten het voer bij hen in de snavel duwen. Omdat de oehoe geen krop heeft, vreten de jongen van het begin het voer van de ouders, zonder dat het eerst voor hen voorverteerd wordt. Alle jonge uilen zien er lelijk uit met hun gebogen haaksnavels. Nauwelijks kunnen ze wachten tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Van te voren al huppen ze uit het nest en zitten dan op de takken of de stenen waar ze dan verder nog door de ouders worden gevoerd.
Maar de tijd komt dat ze zelf een jachtgebied moeten gaan zoeken. Is er bijvoorbeeld vroeger ergens een oehoe geweest die al lang niemand meer gehoord of gezien heeft, dan vind je toch op een dag weer verse braakballen, want dan is er een jonge oehoe uitgevlogen. Steeds zijn het dezelfde plekken waar oehoes zich vestigen. Dus moet het voor de oehoes allemaal zo zijn dat daar het meest geschikte en mooiste oord voor hen moet zijn, met de beste nestplaats en ook de beste mogelijkheden in de omgeving prooi te verschalken.
Hopenlijk vind jij in het volgend voorjaar ook een geschikt wijfje bij wie je in de smaak valt en die samen met jou de angsthazen bang kan maken, oude oehoe!

In vergelijking met de onheilspellende, nurkse en bozige oehoe is de kerkuil toch een lichtere en vriendelijkere vogel. Dat hij lang niet zo mensenschuw is als deze, blijkt er alleen al uit dat hij bijzonder graag zijn nest bouwt in menselijke behuizingen en stallen, schuren of in oude burchten. Dikwijls tref je hem ook aan in kerktorens. Ja, in velerlei opzicht al is hij een half huisdier en kan goed overweg met katten met wie hij samen op muizen jaagt.
De ogen zijn in tegenstelling tot die van de oehoe tamelijk klein. Ze zijn donkerbruin van kleur. De stem klinkt onaangenaam, een hees krijsen en wordt als de lelijkste vogelstem bestempeld. Maar dat weerhoudt ons niet om hem graag te mogen. Kenners noemen de kerkuil nogal goedmoedig, wat natuurlijk betekent: voor een uil goedmoedig. De vele muizen die hij overdag opvreet – kerkuilen in gevangenschap verteren er vijftien op een nacht – zullen daar zeker anders over denken.
Wie over de kerkuil zegt dat hij een  pientere, lichte vogel is [Duits heeft ‘hell’ wat tevens licht van kleur betekent] bedoelt daarmee tegelijkertijd de veren. Wanneer hij ’s nachts soms heel dicht langs je vliegt, merk je daar natuurlijk niets van. Je ziet hooguit de houding van zijn lichaam alsof hij op de lucht ligt en hoe de grote kop de sluier draagt. Omdat hij zelf zo geruisloos vliegt, ontgaat hem op de grond niet het minste geritsel.
Wis is in staat het prachtige verenkleed volledig te beschrijven! Het bovenlijf is aan de achterkant donker grijsgrauw, de nek is rood-geelachtig; de onderkant in het bijzonder wordt gesierd door vele witte en zwarte stippeltjes. Het mooiste echter is de witte sluier van het gezicht. Het is gevormd als een groot wit hart. Vanuit het midden van de kop welven zich boogjes naar beide kanten en onder de haaksnavel komen ze weer bij elkaar. Bovendien is die nog donker omrand. De ogen liggen in grote, schuinstaande vlakken. Alles bij elkaar is het een gezicht, is het een masker. Echt leuk wordt de uidrukking wanneer de kerkuil muizen opvreet en daarbij de grappigste bekken trekt.
Over het bouwen van het nest kan echt niets mooiers worden gezegd dan bij de oehoe; ook zij zijn geen kunstzinnige wevers of architekten. Waar kerkuilen nestelen, moet het wat donker zijn en de ingang niet zo makkelijk te vinden. Het komt ook voor dat ze in duiventillen gaan zitten en daar hun jongen grootbrengen, zonder dat er de minste onvrede ontstaat, wanneer overdag de duiven en ’s nachts de uilen in- en uitvliegen.
De kerkuil legt zes tot negen ovale, witte eieren. Dikwijls worden die, zonder al te veel moeite op de balken gelegd. De jongen die uit het nest zijn gekomen, kunnen dan rond huppen waar ze will;en, tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Dat ziet niemand en de ingang is moeilijk te vinden. Ook de ouders moeten zich soms zelf eerst handig door de ingang wurmen.
Men heeft de uilen met papegaaien vergeleken. Als je ze ziet klimmen en naar de kromme snavel kijkt, is de vergelijking vaak wel treffend, maar je mag toch nooit vergeten dat papegaaien dagvogels, de uilen daarentegen nachtdieren zijn, vandaar dat ook de allermeeste van hen niet bont gekleurd zijn als papegaaien, maar er onopvallend uitzien als boomschors of steen.
De kerkuilen daarentegen vormen daarop een uitzondering. Alleen al omdat ze er zo mooi uitzien, kun je van hen houden!

meer van deze illustraties op VRIJESCHOOL in beeld

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

 

Op Pinterest vind je ook mooie uilenafbeeldingen. De hier gegeven link leidt niet altijd naar die pagina, geef dus in het zoekveld ‘uil’ in, dan kom je er.

.

1266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

 

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

 

 

*wikipedia spreekt ook over een latrine

 

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

1071

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde – (2) de bruine beer

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 16                                                                            hoofdstuk 2

De bruine beer

De bruine beer is het grootste en sterkste roofdier dat in Europa als ook in de gematigde zones van Azië voorkomt. Zijn kracht berust minder op behendigheid en snelheid, maar veel meer op zijn ongelofelijke lichaamskracht. Men zegt van de beer dat hij de kracht heeft van twaalf mannen. Een gedode koe kan hij in zijn armen wegdragen. Een volgroeide beer kan wel meer dan twee meter lang en meer dan 7oo kg. wegen. In sprookjes en legenden komen dikwijls beren voor en kunnen daarin de rol van goede, maar ook van slechte wezens vervullen. Dit dier, dat niemand in de wildernis tegenkomt zonder erg te schrikken, heeft dus twee verschillende kanten. Aan de ene kant is de beer een goedmoedige kerel, die je ook onder de lichamelijk zeer sterke mensen aantreft, maar aan de andere kant een erge bozerik. Iedereen kent hem wel als dansende beer. Jonge beren zien er niet schuw uit en zelfs schattig, vooral als ze aan het spelen zijn; een volwassen beer daarentegen is, ook wanneer die getemd is, niet te vertrouwen. Hij werd geen echte mensenvriend en onverwacht en verraderlijk kan hij baas en verzorger aanvallen. Vreselijk zijn de kracht en de felheid van de reus wanneer hij door de jacht getergd of gewond raakt of ook, wanneer de berin haar jongen verdedigt. Dan richt ze zich met haar kolossale gestalte op – en komt op twee poten aangewaggeld om zijn tegenstander te omarmen en met een ongekende kracht tegen zich aan te drukken. Maar een paar, bijzonder dappere jagers wagen het om een beer met een mes te lijf te gaan. De schijnbaar trage gezel kan een vluchtend mens maar al te gemakkelijk inhalen. Wee de achtervolgde die niet snel een list bedenkt om zijn leven te redden! Menigeen is toch nog ontsnapt door op de grond te gaan liggen en zich dood te houden. Maar je moet wel over veel moed beschikken om je door een wilde beer te laten besnuffelen en om te laten rollen, zonder je te bewegen of maar te ademen. Mensen die zich dood houden, laat de beer namelijk gewoon liggen en er is ook geen enkel geval bekend dat hij mensenvlees aangeraakt zou hebben. Gevaarlijk zijn ook de klauwen van een beer. Die hebben lange keiharde, maar stompe nagels, want de beer kan ze bij het gaan niet zoals de katachtige roofdieren intrekken. Ze kunnen daardoor afschuwelijke wonden veroorzaken. Alleen bij dieren met een dikkere huid kunnen ze geen schade aanrichten. Men zegt dat de beer in het gevecht eerder van zijn klauwen gebruikt maakt dan van zijn tanden. Maar de klauwen stellen de beer wel in staat, ondanks zijn lichaamsgewicht in bomen, maar ook op steile rotsen te klimmen. Wanneer een beer in een boom klimt, gedraagt hij zich natuurlijk wat onbeholpen, zelfs lomp; wie hem echter ziet bij het overwinnen van rotsachtige hindernissen, moet toch zijn behendigheid bewonderen. Hoe vaak beren vroeger zelfs bij ons voorkwamen, blijkt al uit de vele plaatsnamen, zoals bv. Bärenstein, Bärenfels, Bärental. Bärenburg. Natuurlijk zijn er ook in alle andere landen, bv. in Scandinavië, waar beren nu nog voorkomen, veel plaatsen met de naam van dit dier. Vroeger strekte het woongebied van de beer zich uit van het Atlasgebergte in Noord-Afrika tot de Noordzee en van Spanje over heel Rusland tot Noord- en Midden-Azië. In de dichter bevolkte gebieden is de beer natuurlijk al lang uitgeroeid. Alleen in het hooggebergte of waar hij zich in ondoordringbare wouden of onoverzichtelijke rotsgebieden verbergen kan, komt hij tegenwoordig nog voor. Met name moet van de beer gezegd worden dat hij de mens liever mijdt. Sommigen zeggen zelfs dat hij laf is, wanneer hij niet geprikkeld is of met zijn jongen verrast wordt. Een oude Laplander vertelde dat hij eens in de wildernis een grote beer tegenkwam die net een rendier had doodgeslagen. Men weet dat zo’n situatie bijzonder gevaarlijk is, maar de beer maakte zich uit de voeten het bos in alsof hij wilde zeggen: ‘Arme sloeber, je bent zelf aan het verhongeren!’ en kwam pas weer terug toen de Laplander een groot stuk rendiervlees afgesneden had. De lappen geloven heilig dat  een beer vrouwen noch kinderen iets aandoet. Ze moeten het hem alleen te verstaan geven en het tegen hem zeggen. Zo spreken de Lappenkinderen, wanneer er een beer komt, de woorden: “Beste grootvader, raak mij niet aan, want ik ben maar een kind!” Zo veel mensenverstand en goedheid schrijven de Lappen de beer toe. Je kan van de beer beslist niet zeggen dat hij een echt roofdier is, hoewel hij bij gelegenheid als een gevreesde en sluwe rover hele streken angst en schrik aanjaagt. Dat kun je al aan zijn gebit zien, waar je weliswaar zeer sterke vangtanden, maar niet de voor de roofdieren karakteristieke hoektanden vindt. het gebit van een beer is dat van een alleseter. We weten uit de vele dierverhalen hoe graag Bruin de beer jacht maakt op de bijenhoning. Telkens wanneer er zich weer een gelegenheid aandient, breekt hij de bijenkorven open en plundert ze. Ja je mag van hem nauwelijks verwachten, dat hij zich, zolang het lukt, volvreet met plantaardig voedsel. Maar ook kevers en insectenlarven die hij met zijn klauwen tevoorschijn woelt, zelfs slakken dienen hem tot welkom voedsel. Wanneer hij echter na de winterslaap vermagerd en uitgehongerd uit zijn schuilplaats komt, is het zelfs grote dieren niet aan te raden hem tegen het lijf te lopen. Ook mierenhopen schoffelt de beer om en laat zich de mieren met hun larven goed smaken. Daarbij bromt hij dan gemoedelijk en vol welbehagen. Kun je je dan eigenlijk wel voorstellen dat de gewelddadige rover grassprietjes afgraast of ’s nachts in een zittende houding door rijpende korenvelden schuift om zo gemakkelijk mogelijk de rijpe aren op te vreten; dat hij paddenstoelen en zwammen eet, van de bosbessen snoept en afgaat op zoete vruchten. Wanneer in de herfst in de bergen de vele bessen rijp worden, heeft de beer een goede tijd om zijn dikke buik vol te vreten. Dan kun je hem als een fijnproever snuffelend en smakkend zijns weegs zien gaan. Ja, echt waar, voor deze tevreden gezel hoeft niemand bang te zijn; geen herder hoeft te vrezen voor zijn kudde. Wordt de beer echter door honger geplaagd of wanneer hij eenmaal gewend is aan vleeskost, dan wordt hij een boze woesteling die de mens zonder erbarmen vervolgen en uitroeien moet. Een roofzuchtige beer is de doodsvijand van alle kuddedieren. Hij jaagt een afgescheiden schaap of een koe op, tot ze uitgeput neervallen of hij maakt ze bang door een vreselijk gebrul, tot ze door verwarring in een afgrond storten en daar de dood vinden. Dan heeft de beer het gemakkelijk. Maar de vlugge dieren van de wildernis, hert, ree of gems kan hij met zijn logge lichaam niet inhalen. Ook is er waargenomen dat de sterke stieren van een kudde in een gevechtslinie met de kop naar beneden zich moedig tegen  de binnendringende rover opstelden en hem ontgoocheld op de vlucht joegen. In sommige streken wordt de beer zelfs voor paarden gevaarlijk. Een jager beschrijft hoe meerdere grazende paarden door een grote beer die uit het kreupelhout tevoorschijn kwam aangevallen werden. De beer haalde twee van de paarden die in een enorme vlucht ervandoor gingen met machtige sprongen in, sloeg ze met zijn klauwen neer en verscheurde ze. Daarbij brulde hij luid. Uit zulke berichten kunnen we opmaken hoe het met de veronderstelde lompheid en goedmoedigheid van de beer daadwerkelijk gesteld is. Onbesuisdheid vertoont de rover in het bijzonder, wanneer hij ’s nachts in een veestal inbreekt om daar zijn buit weg te halen. Het komt voor dat hij dan de dakbedekking eraf haalt. Is hij eenmaal in de stal, dan slaat hij daar een koe neer, rukt die los van de strik, omvat ze met zijn voorpoot, pakt met de andere de balk en is sterk genoeg om die koe op deze manier door de opening te slepen. Daarna wordt het slachtoffer met gemak weggebracht. Zoals al vaker waargenomen werd, klimt een beer zelfs met een gewurgd paard of rund in zijn poten over gevaarlijke bergkammen of over twee naast elkaar liggende boomstammen over een afgrond. Als dan uiteindelijk de koude dagen aanbreken en de eerste sneeuw valt, treffen beer en berin voorbereidingen voor de winterrust. Weliswaar is zo’n winterrust voor een beer niet per se noodzakelijk; dat kun je zien aan de beren in gevangenschap. Het komt voor dat de winterslaap op warmere dagen en tegen het einde van de winter onderbroken wordt, maar in streken met strenge winters en veel sneeuw gaan alle beren naar binnen. Eerst zoekt een beer een geschikte plaats op, waar iemand hem niet zo gauw zal vinden en storen. Het liefst heeft hij een grot of ook wel een holle boomstam. Vindt hij een kuil in het struikgewas, dan maakt hij die eerst geriefelijk met loof en mos. Soms moet een beer ook eenvoudigweg takken bij elkaar buigen tot een soort woning en daarna laat hij zich opgerold ondersneeuwen. Zijn dikke pels en de dikke speklaag door het vele eten beschermen hem tegen de kou. Als de beer in zijn winterslaap gestoord wordt, is hij erg geïrriteerd en brommerig. Als jagers hem ontdekken, jagen ze hem op met stokken of door luid roepen. Vaak slaapt hij wel zo vast, dan je hem alleen maar door een schot wakker kan maken. Wat leuk moet dat zijn, wanneer je uit een holle boom plotseling een beer ziet kruipen. De beer, die met zijn kleine oogjes nog een beetje slaapdronken knippert, herkent het gevaar en probeert door het cordon van jagers heen te breken. Maar nu komt hij voor een meute dappere, bijzonder afgerichte honden te staan die de beer echter met adequate slagen van zijn klauwen en beten dikwijls lelijk toetakelt. Een beer is ook voor grote en sterke honden nog een gevaarlijke tegenstander. De klauwen van een neergeschoten beer zijn een buit die de jager vereert en waarop hij trots is. Het vlees wordt natuurlijk opgegeten en het vel met zijn dichte warme pelsharen is geschikt om op te slapen; ook voor kleding en mutsen te gebruiken. Zo is de beer in meer dan een opzicht een welkome jagersbuit. Nooit is een beer zo dapper en stelt zich zo met doodsverachting aan ieder gevaar bloot, wanneer het erom gaat haar jongen te verdedigen. Bij veel volkeren die de beer goed kennen, geldt deze als zinnebeeld van moederliefde. Het duurt zes jaar tot een jong volwassen is. Zo moeten tot een berenfamilie dus kinderen behoren met verschillende leeftijden. Uiteindelijk bijt de moeder naar de groten, dat ze weggaan, want ze moeten nu eenmaal zelfstandig worden; maar men zegt dat ze terugkeren als er weer jonge beertjes geboren worden en dan mogen ze blijven om op de kleintjes te passen, bv, wanneer de ouders erop uit moeten trekken om voedsel te zoeken. Men heeft echter ook waargenomen dat grotere beren de kleinere door het water droegen. Beren kunnen goed zwemmen en ’s zomers liggen ze graag te zonnen. Veel van de beren doet aan mensen denken. Vooral wanneer hij gaat staan komt het mensachtige tevoorschijn. Dan loopt hij, weliswaar onhandig, op twee poten. Hij is een zoolganger zoals de mens en hij zet niet zoals de meeste dieren alleen maar zijn tenen neer, maar met zijn hele zool die ook nog onbedekt is. De gevilde voet doet zo sterk denken aan menselijke handen en voeten, dat je het bijna overwinnen moet het vlees te eten. De beer gebruikt zijn sterke, beweeglijke armen waarin zijn sterkste kracht zit, als de armen van een mens en bij het vechten eerder dan zijn tanden. Zijn klauwen zijn geschikt dat hij ze bijna als handen kan gebruiken. Wanneer het machtig zware dier met zijn massieve ledematen op een sukkeldrafje loopt, met de kop naar beneden en een beetje schommelt – want de beer is een telganger – dan kan hij op een betoverd dier lijken. Daarom hebben bepaalde volkeren van Noord-Azië, de Giljaken en Aino, ook steeds een slecht geweten, wanneer ze beren doden en om deze reden organiseren ze ieder jaar een plechtig berenfeest. Door dansen en zingen en ook muziek maken om een in het midden opgehangen, gedode en versierde beer, wordt vergiffenis gevraagd, tegelijkertijd echter ook dank gezegd voor het vlees en de pelzen. Op deze manier zal er verzoening zijn met het berengeslacht voor alles wat het moest worden aangedaan. Als bij een beer echter de wildheid naar buiten komt, wordt hij een geweldadige rover; dan laat hij ook zien, wat er gebeurt wanneer grote lichaamskracht niet door verstand en goedheid van het hart gestuurd en geleid worden. In plaats van goed te doen en te helpen, zoals sterke mensen dat doen, richt het dier niets dan onheil en verwoesting aan, tot schrik van allen. Gelukkig echter heeft onze bruine beer ook de andere kant, de vriendelijke en die kunnen wij fijn vinden, ja er zelfs van houden en bewonderen.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

 

831

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Gerbert Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

.

GERBERT GROHMANN

           ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

INHOUD

1.Het rendier
blz.7

2.De bruine beer
blz.16

3.De hamster
blz.23

4.Over de robben – de zeehond
blz.31

5.Over twee uilen
blz.39

6.Over de bonte specht
blz.46

7.Over de dromedaris
blz.52

8.Zeven slakkengeheimen – over de wijngaardslak
blz.61

9.Lof en prijs op de regenworm
blz.68

10.Vleermuizen
blz.74

11.De mol
blz.82

12.Over een vogel die niet zo graag vliegt en over vissen die nesten bouwen
blz.90

13.Over de kruisspin
blz.97

14.Olifanten
blz.106

15.Over de mieren
blz.116

16.Over de egel
blz.123

17. Nawoord voor de volwassenen
blz.128

dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde (1) – het rendier

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 7                                                                            hoofdstuk 1

HET RENDIER

Het rendier is een hertensoort dat boven de poolgrens in het hoge noorden van Europa, heel Azië en Canada voorkomt.
Het is een kuddedier, wild, maar ook getemd. Tamme kudden kunnen wel uit duizenden beesten bestaan.
Het wilde rendier in het bijzonder, heeft een erg mooi, machtig gewei, dat naar voren toe gebogen is en aan de uiteinden zijn schoffels gevormd. Ook de oogspitsen van het gewei die bij onze herten, zoals bekend eenvoudig blijven, vertakken zich bij het rendier en dragen daardoor niet weinig bij het koninklijk voorkomen van het dier bij, zeker bij oudere dieren waarbij ook weer schoffels gevormd worden. Ook de rendierkoe, zoals men het wijfje noemt, heeft hoorns, maar hier ontwikkelt het gewei zich kleiner en minder statig dan bij de stieren. In de winter werpen de stieren en de koeien hun gewei af. Dan kun je de ‘stangen‘ in het bos vinden en vossen en wolven knagen eraan. Zolang het nieuwe gewei nog groeit, zit er een vel over, de bast, en daarom ziet het er dik en als een vacht uit.
Voor een reiziger is het altijd een geweldige beleving, wanneer hij voor de eerste keer zo’n prachtige geweidrager ziet lopen.
De kop zelf is niet helemaal zo edel gevormd als bij ander herten, bijv. bij ons edelhert; de poten zijn wat gedrongener en ook iets korter, maar het rendier, in het bijzonder wanneer het in het wild leeft, is desondanks een heel trots, statig en flink dier. Zijn hoeven zijn veel breder dan bij de andere hertensoorten en de tenen zijn dieper gespleten, daardoor kunnen zij die ook wijd spreiden. De achtertenen strekken zich heel ver naar onderen, zodat ze zich mede van de grond kunnen opdrukken. Zo moeten de voeten van een dier gebouwd zijn, dat niet in de sneeuw, maar ook niet in het moeras moet wegzakken.

Wat zijn voedsel betreft is het rendier met weinig tevreden en bescheiden. Bergplantjes of de gewassen van de boomloze toendra moeten het voeden. Dikwijls genoeg is het alleen maar mos dat eerst met de hoeven vanonder de sneeuw vandaan gekrabd moet worden; of van stenen afgeknaagd moet worden. Het rendiermos dat het rendier tot voedsel dient, is er zelfs naar genoemd. Wanneer in de lente de knoppen en de eerste jonge blaadjes aan de struiken uitbotten, breekt er voor het rendier, na het gebrek aan voedsel, een goede tijd aan. De vermagerde dieren komen weer aan en weldra werpen ze de dikke wintervacht af.

Ook de tamme herten hebben geen warme stal waarin ze in de winter hun toevlucht kunnen zoeken en gevoerd kunnen worden. Bij bijtende kou moeten zij het in het boomloze hooggebergte of misschien nog tussen de bomen aan de randen van een meer zien uit te houden. De storm dwingt hen dicht bij elkaar te blijven en de herders met hun trouwe honden moeten zich ook overgeven aan die guurheid. Maar zelfs deze weersomstandigheden lijken geen vat te krijgen op de kudde. Ze worden beschermd door een warme wintervacht van wel 5 cm dik en om hun hals krijgen ze lange ruwe haren als manen. Ook het vel van hun poten wordt in de winter hariger. De wintervacht is veel lichter van kleur dan de zomerhuid en daarom vallen de kudden in de sneeuw veel minder op. Wie zo goed ingepakt is, kan wel wat kou verdragen en daarbij komt nog dat het zonder meer een dier van het hoge noorden is.

Drom altijd samen, jullie rendieren en trotseer de wind en doe je kop naar beneden en droom van de lente.

De volken van het Europese en Aziatische noorden voor wie het leven in de wildernis pas mogelijk wordt door het weinig eisende rendier, zijn nomaden. Ze verkrijgen van hun kudden die zij als enig bezit koesteren en verzorgen, vlees en melk, waaruit dan weer kaas bereid wordt. Het bloed wordt opgedronken als het nog warm is; de maaginhoud wordt als een bijzondere lekkernij opgepeuzeld, omdat er veel plantenresten in zitten. Je kunt je wel indenken hoe onontbeerlijk de huiden van de geslachte dieren zijn om er kleren, allerlei riemen, schoenen, waterzakken, ja zelfs tenten met de inrichting van te maken. Eveneens worden ze versneden en gekauwde pezen gebruikt als naaidraad; botten en gewei worden tot alles en nog wat aan gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen verwerkt. Er is dus niets van het dier dat niet in de strijd tegen de harde natuur een waardevolle dienst kan bewijzen!
Het rendier wordt ook benut als lastdier, bijvoorbeeld wanneer de familie, door de seizoenen gedwongen, aan hun verre omzwervingen beginnen. Dan worden de dieren met de tenten en alle have en goed bepakt. Op het laatst komen de kleine kinderen er nog bovenop. Daarbij komt ook nog dat men van oudsher het rendier als trekdier afgericht heeft, maar slechts zelden gebruikt men het als rijdier, zoals in Noord-Siberië. Dan moet er een speciaal zadel boven de voorpoten gelegd worden, want een ruiter als een paard te dragen, daarvoor is de rug van een rendier te zwak.

Het rendier komt in het wild voor in Noord-Scandinavië, maar ook op IJsland en op Spitsbergen tref je ze aan. Op de toendra van Canada loopt een bijzonder mooie variëteit, de kariboe, die tijdens de zomer op lange omzwervingen zelfs over de bevroren zee tot in Groenland komt.

De jacht op wilde rendieren is nog moeilijker dan de jacht op gemzen, alleen al omdat men zich in volstrekt onbewoonde, onherbergzame gebieden zonder bomen moet wagen waar ook geen herdershutten staan om je tegen kou en regen te beschermen of waar je zou kunnen slapen. Dan geldt: geen inspanning uit de weg te gaan. Men moet voor vele dagen proviand meenemen en hoog de bergen ingaan, waar allang geen bomen meer groeien, alleen nog een paar dicht tegen de grond gedrongen dwergstruiken, waarachter een mens – om niet gezien te worden – hooguit plat liggend zich kan verbergen. Men moet uren-, ja dagenlang overgeleverd aan de schrale wind over schots- en scheef liggend puin met scherpe kanten klimmen, omhoog klauteren langs glibberige rotswanden en wanneer er een stortbeek komt, mag men er niets om geven om tot op de huid toe nat te worden, ja, als het moet er op handen en voeten doorheen te kruipen om maar niet gezien te worden. Zo moet je een roedel wilde rendieren naderen.
Misschien ligt er net een te rusten op een gletsjerrand of een besneeuwd veld die je ook in de zomer in het hoge noorden overal aantreft, om te herkauwen. De koelte boven biedt gedurende de zomermaanden bescherming tegen de lastige steekmuggen of dazen, die vreselijke kwelgeesten, ook van de stropers. Maar het hoofd van de roedel is waakzaam. Hij is niet gaan liggen, maar kijkt en ruikt met zijn scherpe zintuigen die veel beter zijn dan die van de mens, naar alle kanten. Wanneer hij moe wordt en gaat liggen, staat er meteen een ander dier op om in zijn plaats de wacht over te nemen. Nu moet de jager precies de windrichting zoeken, zodat hij tegen de wind in en niet met de wind mee verder sluipt, anders geeft de leider een waarschuwing en de hele kudde stuift er gezind vandoor, om pas honderden meters verder weer stil te houden. Dan kunnen voor de jagers onder deze omstandigheden de moeite en de kwellingen van vele dagen tevergeefs zijn geweest.
En hoe moeilijk is het niet om een kudde wilde rendieren in het hooggebergte te ontdekken. En met welke zinsbegoocheling krijgt een jager niet te maken, want de kleur van de dieren wijkt nauwelijks af van de rotsige bodem!
Ook roofdieren, beren en wolven, die maar al te graag een jong rendier grijpen, wordt dit door de waakzaamheid en de weerbaarheid van de roedel bijna onmogelijk gemaakt.

Het rendier heeft dus de eenzame, afgelegen streken waar geen mens leeft, als zijn veilige woongebied uitgezocht. Gedurende zijn trektochten in de herfst en het voorjaar vermijdt het zelfs angstvallig het lichte berkenbos van de dieper gelegen meeroevers, omdat het zich daar niet meer zeker voelt. Zo schuw en voorzichtig is het rendier!

Maar zelfs de getemde kudden hebben zich nog lang niet zo vertrouwd bij de mens aangesloten als de huisdieren. Ze africhten zodat ze kunnen dragen of sleeën kunnen trekken is een heel moeilijk en tijdrovende werk. Steeds opnieuw komen wildheid en de niet te beteugelen drang naar vrijheid naar buiten. Om ze te kunnen melken moeten de koppige rendierkoeien eerst met touwen vastgebonden worden, willen ze dat toelaten. Als een dier voor het werk nodig is, moet het met een lasso gevangen worden, waarbij het gewei natuurlijk wel handig is.

Bijzonder ervaren rendierherders zijn de in Noord-Scandinavië wonende Lappen. Als echte nomaden moeten zij hun leven helemaal aan het leven van hun rendieren aanpassen. Deze kudden zijn hun grote trots, maar ook hun plaag, want het leven in de eenzaamheid van de bergen in weer en wind in hun lichte tenten is hard. Het kan voorkomen dat de kleine kinderen ingesneeuwd zijn, wanneer ze ’s morgens wakker worden, omdat ’s nachts de tent door een storm weggewaaid is.
Hoe groter de kudde is die een Lap zijn eigendom kan noemen, des te gelukkiger voelt hij zich en des te meer aanzien heeft hij ook. Daarom is het voor een Lap ook veel erger, wanneer hij door een epidemie of een andere ongeluk zijn kudden verliest, dan wanneer een boer zijn vee kwijt raakt. Hele gezinnen die eerst rijk waren, raken in armoede en bittere ellende.

Voor de kudden rendieren breekt een moeilijke tijd aan, wanneer de zon in de lente overdag in de bergen al zo warm is, dat de sneeuw zacht wordt. Dan ontstaan er ’s nachts ijskorsten en wanneer de rendieren daar met hun hoeven doorzakken, raken ze door de scherpe kanten gewond aan hun poten. Nog meer ellende hebben de kudden, maar ook de herders, natuurlijk  van de roofdieren, die hongerig rondzwerven. Allereerst moet je de beren noemen, maar ook de veelvraat, dat bloeddorstige, marterachtige roofdier van het noorden. Met zijn bijna duivelse moordzucht kan die erg gevaarlijk zijn. Juist de dieren die buiten de kudde zijn geraakt, vallen ten prooi aan deze rovers. Voor de kudden zijn in het bijzonder de wolven gevaarlijk, omdat deze ook als roedel te werk gaan. Alleen al hun huiveringwekkend gehuil jaagt de kudden angst aan, ja dat kan hen volledig in de war brengen. Maar daar zijn de sluwe wolven nu juist op uit. Een deel van de meute loopt in een grote boog om de kudde heen en drijft de bange dieren naar de andere wolven. Ook al kan een rendier zich met zijn gewei en krachtige, weerbare voorpoten goed tegen een enkele wolf verdedigen, dan toch worden de vreedzame weidedieren, alleen al om hun jongen, van een door honger huilende wolfsroedel wild van schrik. De kudde kan ook een gevechtslinie vormen, wanneer ze worden aangevallen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, worden de jongen in het midden gehouden en de sterke stieren stellen zich met hun koppen naar beneden, naar de buitenkant gericht, op. Tegen zo’n gevechtslinie is het ook voor de wolven erg moeilijk er op af te rennen en toch wordt meestal wel een of ander dier naar de grond getrokken. Hongerige wolven zijn nu eenmaal razende woestelingen.

Om zo’n overval te voorkomen, moeten de herders dikwijls dag en nacht op wacht staan. Ten tijde van bijzonder gevaar, kunnen ze het niet wagen om zelfs maar te slapen. Dan moeten ze de nacht doorbrengen, leunend op een stok. Ook dat behoort tot het zware leven van de herders in het hoge noorden.

Eenmaal per jaar is het voor de Lappen een heel bijzondere dag, of liever gezegd, een heel bijzondere nacht. Wanneer de jonge rendieren gemerkt worden. In de grote kudden worden de dieren van verschillende eigenaren gemeenschappelijk gehoed en je moet toch weten van wie welk dier is. Zolang de kalfjes, die in het voorjaar worden geboren nog bij de moeder lopen, zie je dat gemakkelijk. In de herfst echter gaan de kalveren bij de moeder weg. Kort van te voren spreken de Lappen een dag af, waarop de kudden uit de bergen in de dalen worden gebracht. De dieren die de kudde leiden worden met een lasso gevangen en in de dalen gebracht. Geduldig volgt de hele kudde. Ze worden over de van oudsher kilometers lange wegen geleid. Vaak moeten ze door rivieren waden of meren overzwemmen: een onvergetelijk schouwspel voor ieder die het kan zien, wanneer alleen de koppen boven water uitkomen en daarboven een woud van geweien.
Uiteindelijk zijn de kudden dan op de verzamelplaatsen, die eveneens ieder jaar weer worden gebruikt. Het moet nacht zijn, omdat de kudden dan niet onrustig worden door de muggen en de dazen. Maar de nacht is aan deze kant van de poolcirkel nog altijd licht genoeg. Het is alleen wat schemerig. Ongeduldig wachten zij die in het dal achtergebleven zijn op de aankomst van de dieren. Plotseling duiken in de verte de kudden op en weldra hoor je ook het getrappel van de dicht opeengepakte dieren en ook het typische getik wanneer de hoeven elkaar raken. Van alle kanten komen ze aan, deze geweigolven. Als ze eindelijk allemaal bij elkaar staan, wordt de kraal afgesloten. De dieren lopen nog gejaagd rond of vormen aparte rijen. Midden in het gewoel en de opwinding echter, staan rustig de Lappen met volgens de regels der kunst opgerolde lasso’s over de arm en wie bij de Lappen op bezoek is, mag ook mee binnen de kraal om te kijken naar het mooie wat daar wordt gedaan. Soms komt er een rij rendieren, aangevoerd door een sterke stier op je af gegaloppeerd. Je bent al bang onder de voet te worden gelopen, maar met een ruk blijven ze allemaal staan en de stroom splitst zich en raast links en rechts aan je voorbij.

Ondertussen werpen de Lappen zoals het hoort en behendig de lasso’s om de kalveren. De lus slaat – dat hangt er vanaf – om de hals of de poten van de jonge dieren. De Lap trekt het touw vast aan en trekt ze op de grond. Dan gaat hij erop zitten, trekt zijn scherp geslepen mes en kerft zijn merkteken in het oor. Het doet geen pijn, ja het bloedt zelfs niet eens. Soms ook weer ontworstelt het kalf zich aan de lus en springt er vandoor. Zijn eindelijk alle kalveren gemerkt, wat bij de grote kudden de hele nacht duurt, dan wordt de afsluiting weggehaald en de kudden mogen weer in hun bergen het voedsel zoeken.

In veel streken betekent het merken van de dieren groot feest waar ook de kinderen en familieleden, die anders in  de dalen wonen, naartoe komen. Op deze dag voelt de Lap hoe gezegend hij is. Wat een gejuich wanneer de gehoornde scharen vanaf de berghoogten aankomen!

Het getemde rendier wordt natuurlijk niet bejaagd, maar geslacht. Ook het slachten betekent groot feest, waarbij veel gegeten wordt. De geselecteerde dieren worden door een messteek in de borst gedood en sterven snel. Het vlees dat als voorraad dient, wordt in de buitenlucht gedroogd, het is de jaaroogst van de Lappen. Het vel van verschillende lichaamsdelen wordt steeds voor bepaalde doeleinden gebruikt: voor kleren, mutsen, schoenen, dus waarvoor het het meest geschikt is. Zo worden bijvoorbeeld de heel kleine kinderen in de wieg gelegd op delen van het vel die van de buik van het rendier komen, want daar is het vel bijzonder zacht en donzig.
Maar wie als klein kind op rendiervel in bed is gelegd, zou voor hem ook later, wanneer hij groot is geworden, het rendier niet een geliefd en vertrouwd dier zijn?
Zijn hele leven zal hij ermee verbonden blijven.

.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

790

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.