Tagarchief: Grohmann Leesboek voor de dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (9)

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 68                                                                                                     hoofdstuk 9

De loftrompet over de regenwormen

Niemand zal van een regenworm zeggen dat het een lief beestje is, want hij heeft nou niets wat je gevoel raakt; ja, velen vinden hem zelfs een beetje vies; maar wie eenmaal heeft geleerd wat hij betekent, weet hem naar waarde te schatten en moet wel blij zijn wanneer er regenwormen in de akker en de tuin voorkomen en het daar naar hun zin hebben.

Het eerste wat nu van de regenworm zal worden beschreven is de lichaamsbouw en de zintuigen. Helemaal kaal en zonder poten kruipt hij op z’n buik rond of onder de grond. Van voor naar achter bestaat hij uit segmenten. Hij heeft geen ogen en geen oren, eigenlijk niet eens een kop. Met pijn en moeite heeft hij vooraan in het tweede segment een mond.
Wie echter zo’n mond heeft als een regenworm, zonder kaken en tanden, kan zeer zeker niemand bijten, en ja, hij kan niets van iets afbijten. Hij moet het heel anders doen. Natuurlijk heeft een regenworm ook geen neus.

Het geheim van de regenworm is dat hij op zijn kale huid heel gevoelig is. Zo voelt hij bv. heel duidelijk of het buiten op de aarde warm of koud is en wanneer het hem te koud lijkt, blijft hij simpelweg thuis. Hij voelt, hij tast met zijn huid.
Misschien hoort hij ook een beetje zonder speciaal oren te hebben. Hij proeft de aarde heel precies, omdat heel zijn lichaam bijna net een tong is. Bij hevige trillingen probeert hij onder de aarde weg te komen; hij weet zelfs of het buiten licht of donker is en wanneer je hem met een zaklamp beschijnt, merkt hij dat ook en trekt zich samen. Zo verbazingwekkend is dat bij dit eenvoudige diertje dat bijna alles kan waarnemen hoewel het toch geen enkel zintuig heeft. Alles neemt hij waar door zijn vochtige huid.
Smaak en reuk zijn bij regenwormen nog hetzelfde, maar toch neemt dit diertje heel fijnzinnig waar of de aardbodem goed of slecht is, of die bevoorderlijk is voor zijn gezondheid of niet, want hij verlaat een slechte bodem en hij zoekt er een op waarin hij het met zijn huid prettiger heeft.
Wie zoals een regenworm geen kop heeft, heeft natuurlijk ook geen hersenen, ook niet de allerkleinste. Die heeft de regenworm ook niet nodig, want wat hij waarneemt, licht, duisternis, geur van de aarde, warmte, kou, trillingen e.d. dat gaat bij hem niet tot in de ledematen, want die heeft hij niet. het zit ‘m gewoon in de worm, kun je wel zeggen. Hij weet dus ogenschijnlijk ook waar boven en onder is, dat moet hij wel voelen, want hij draait steeds dezelfde kant naarboven. Je ziet het ook aan de grote bloedader die midden over zijn rug loopt. Een hart in het bijzonder heeft een regenworm niet.

Wanneer je een regenworm in je hand durft te nemen en je trekt hem dan langzaam van achter naar voren door je vingers, voel je duidelijk dat het een beetje als een rasp is. Dat zijn kleine borsteltjes waar de regenworm er vier rijen van op zijn huid heeft. Op iedere helft twee, boven en aan de buikkant. De borstels zijn tegelijkertijd ‘stijgbeugeltjes’ waarmee de regenworm in zijn loodrechte gangen houvast heeft. Hij kan ze zelfs een beetje bewegen, waardoor je ze verkommerde vervangers van poten zou kunnen noemen. Wanneer je de worm op papier laat kruipen, hoor je het een beetje zacht ritselen. Ieder die het wil kan het proberen. Omdat de borstels van voor naar achter gericht staan, geven ze de worm houvast wanneer hij in zijn gangen naar boven wil, anders zou hij misschien wel ruggelings weer naar beneden vallen. De borstels zijn aan het regenwormlijf ook het enige dat weerstand kan bieden.
De zoölogen rekenen de regenworm tot de ringwormen. Je ziet toch dat hij van voor naar achter in louter ringen of segmenten ingedeeld is. De voorste ring of het voorste deel is spits en kan zich ook nog klein samentrekken zodat het nog langer wordt. Daarmee boort de regenworm zich de grond in wanneer hij een plekje heeft gevonden waar al een klein scheurtje was. Dan komen de borstels hem weer te hulp. Hij heeft zoveel paar borstels als hij segmenten heeft, ook aan iedere kant.
Het volgende dat nu over de bouw en het functioneren van de regenworm zal worden beschreven is, dat hij onmiddellijk onder zijn huid van voor naar achter, zoals men zegt een lentespier heeft. Dat is toch een beetje de vervanger van de armen en benen die hij mist. In verhouding is het toch een sterk dier, zoals je eveneens kan voelen, wanneer je er een beetpakt. De spier maakt het mogelijk dat de regenworm een golfbeweging maakt die van voor naar achter  loopt. Eerst strekt hij zich uit en dan trekt hij het achterste gedeelte weer bij. Maar hij kan ook achteruit kruipen. Hij doet dat wel anders dan de slangen die slingerbewegingen moeten maken, omdat ze een benige wervelkolom hebben. Hoe zouden die zich daarmee kunnen samentrekken of uitstrekken?

De gewone regenworm, de grootste van de bij ons voorkomende soorten, wordt tot 35cm lang en heeft dan ongeveer 150 segmenten. Op een paar centimeter meer of minder komt het echt niet aan. Men weet ook hoe gemakkelijk het kan gebeuren dat zo’n worm in delen gescheiden wordt. Wanneer je de tuin spit, kan het gebeuren, of een vogel in de lucht kan een stukje verliezen. Maar wat hindert het! De worm voelt geen pijn en wat eraf is, is weldra al weer heel.
Laten we eens kijken wie er zoal regenwormen opvreten. We zouden al de vele vogels kunnen noemen die met hun scherpe ogen de grond afspeuren, bv. wanneer er geploegd wordt. Vervolgens snuffelt mijnheer egel overal de grond af of hij er geen smakkend op kan eten wanner hij er een ziet. Onder de grond maken de mollen natuurlijk grote hoeveelheden wormen dood. Spitsmuizen en nog veel meer dieren jagen ijverig op hem en laten hem zich goed smaken, zelfs kikkers eten regenwormen. Moet je dan niet verbaasd zijn dat er dan eigenlijk nog wel overblijven. Maar er blijven steeds genoeg regenwormen over.
Het kan ook aangegeven worden hoeveel van deze stille kruipers er in de grond huizen, omdat het namelijk vaak onderzocht is. In een hectare bosgrond, dat is een vierkant van 100 bij 100m, werden een hoeveelheid van drie miljoen regenwormen vastgesteld. Die zouden bij elkaar zo’n 400kg wegen, zoveel als een vet varken. Bedenk wel dat regenwormen zich snel voortplanten.
Iedereen heeft zeker wel die gordelvormige verdikking – het zadel – gezien in het voorste derde deel van een regenworm. Die begint bij het 27e segment, 8 segmenten groot. Daaruit legt de regenwormen de eitjes en tegelijkertijd zet hij als een soort omhulling slijm af, want de gordel is eigenlijk een slijmklier. Op het laatst stroopt de worm de hele cocon af, zo noemt men de eierbal, zodat deze zich nog meer samen kan trekken.
Dus de regenworm maakt zijn cocon niet uit zijdedraden zoals de zijdespinner, maar hij laat deze uit slijm onstaan die aan de lucht droogt. En zo wordt het wormenbroedsel onder de grond in een kleine holte gelegd.
Regenwormen zijn eigenlijk nachtdieren of op z’n minst toch wel dieren van de schemering. Omdat ze helemaal kaal zijn en daarbij een vochtige huid hebben, bestaat het gevaar dat ze uitdrogen. Maar door deze vochtige huid moet de worm die geen longen heeft, ook nog ademen. Als het dan op een keer heel erg hard heeft geregend, komen de wormen overdag wel uit hun gangetjes omhooggekropen, want het regenwater loopt de gangetjes binnen, vult deze en daardoor krijgen de wormen gebrek aan lucht. Dan wordt het duidelijk waarom de regenworm eigenlijk zo heet.
Het wordt echt gevaarlijk voor ze, wanneer meteen na de regen de zon begint te schijnen. De regenwormen kunnen absoluut niet tegen het zonlicht, omdat dit schadelijk is voor hun bloed. Daarom vind je ze vaak na hevig weer massaal dood liggen.
Ze hebben nu eenmaal de bescherming van het duister nodig om in leven te kunnen blijven. Ook zijn ze zeer gevoelig voor kou en vorst, zoals je wel kan bedenken. Ze houden van vochtige warmte en bevriezen al bij twee graden onder nujl. In de winter zitten ze weliswaar diep in de grond, maar het kan gebeuren, dat de vorst daar toch een keer diep doordringt en dan gaan ze dood; als de grond met stro of iets anders afgedekt is, zijn ze beschermd en overleven.

Soms zie je kleine blaadjes uit de aarde steken, net alsof iemand ze er voor de lol ingestoken heeft. Maar dat deden de regenwormen bij hun nachtelijke activiteit. Ze verzamelen blaadjes of bladdelen waar ze die maar kunnen vinden en slepen ze naar hun gangen. Daar moeten ze verrotten tot de regenworm ze op kan eten met zijn weke bek. Het is zelfs bekend dat regenwormen ook een bepaalde lievelingskost hebben, zoals bv. koolbladeren die ze ook van verre kunnen halen. Maar ook aarde propt de regenworm naarbinnen, haalt eruit wat hij kan gebruiken en poept de rest die hij in zijn darmen heel vruchtbaar heeft gemaakt, weer uit. Dat zijn de ‘wormhopjes’ die je vaak vindt. Zo dragen de regenwormen met stille, maar volhardende arbeid bij aan de vruchtbaarheid van de aarde en daarmee maken ze de bodem tegelijkertijd losser. Dat ze ook vaak jonge kiemplanten meepakken, moeten we hen bij zo’n grote nuttigheid, maar niet kwalijk nemen.
Meestal pakt de regenworm de bladeren bij een punt. Zo kan hij deze zonder dat ze in de gangetjes klem komen te zitten daarin naar binnentrekken. Alleen van de dennennaalden weet men dat de worm die andersom beetpakt, want die zitten als paar bij elkaar en die zouden blijven steken wanneer de worm die ook bij een puntje zou pakken.
Welke wijsheid zit er toch verborgen in het gedrag zelfs van zo’n klein dier? Welke meester heeft dat de regenwormen geleerd? Wie heeft dat in hen gelegd?

De loodrechte gangen zijn gewoonlijk een halve meter diep. En dan kan je je makkelijk voorstellen wat het voor de hele aarde moet betekenen, wanneer er altijd door zo veel regenwormen aarde opvreten en het dan ergens anders weer achterlaten. Daarbij komt dat velden, weilanden, tuinen en bossen door hun heimelijke verzorgers bemest worden. De boer, maar ook de boswachter en de tuinman moeten ze zien als waardevolle helpers. Wat het ook is, plantenresten of dierlijke, alles wordt aan de aarde teruggeven en in vruchtbaarheid omgezet. De regenworm maakt de bodem open voor de plantengroei. Hij mest en bewatert tegelijkertijd, zoals we nog zullen zien.
En laten we wel bedenken hoeveel er zijn, van deze stille, vaak zo geringschatte helpers! Per hectare land niet minder dan twee tot vijf miljoen en op dat oppervlak werden wel een miljoen wormgaten geteld. Er is becijferd dat de regenwormen op een middelgrote boerderij meer wegen dan alle koeien en kalveren bij elkaar. Wie had dat voor mogelijk gehouden! Het is niet te veel gezegd: deze geheime onderaardse koeienstal houdt ook de mens in leven.
Maar er is nog meer lovenswaardigs
te zeggen over wat de regenworm doet. Deze helpers zorgen namelijk ook tegelijkertijd door hun gangen ervoor, dat er genoeg lucht in de aardbodem komt. Dus losmaken, mesten en beluchten, dat doen ze. De plantenwortels kunnen ademen en ze krijgen ook meteen de fijne stroom vocht die van bovenaf de wormgaten binnendruppelt.

In helemaal niet zoveel decennia hebben de regenwormen, wanneer er maar veel zijn en wanneer ze zich op hun gemak voelen, de bodem omgeploegd en het onderste boven gekregen, zonder ploeg, alleen maar door hun levenswerk. Is het dan een wonder dat de boer en de tuinman die er weet van hebben met zorg kijken of het met de wormen goedgaat? De laatste tijd worden er zelfs regenwormen gekweekt en wanneer ze zich goed vermenigvuldigd hebben, verkocht daar waar ze nodig zijn.

Wat zijn het nu eigenlijk, die regenwormen?

Ze horen bij de aarde. Ieder van hen is net een klein stukje van de darmen van de aarde, dus helemaal geen heel dier, maar een klein stukje dat onder en boven de grond zelfstandig rondkruipt. Kop en ledematen zijn a.h.w. over de darm verdeeld of door deze opgeslokt. Zijn opdracht is het echter de aardekruimels langzaam door zich heen te laten gaan en ze van nieuw leven te voorzien en ze vruchtbaar te maken.
Dikwijls geringschatten de mensen ze, of minachten ze zelfs, omdat ze nog niet begrijpen hoe belangrijk ze wel niet zijn. Maar het kleine kan groot zijn, het nietige zelfs verheven. Dat is bij de regenworm niet anders. Dus laten we voor hem niet meer onze neus ophalen, maar duizendmaal liever, wanneer we hem zien, onze hoed afnemen. 

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1787

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (6) – over de bonte specht

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 46                                                                                                     hoofdstuk 6

Welke timmerman moet aankloppen
nog vóór het huis gebouwd is
en dan komt er ook nog eens geen deur in?

Meester specht is een heel wonderbaarlijke gezel. Het bos geeft hem een woonplaats en in het bos brengt hij zijn leven door. Dat vogels tussen de takken en op boomkronen wonen en daar ook nestelen, is zeker niets bijzonders, maar dat iemand hamer en beitel neemt om er gaten mee in een stam te hakken om juist daar zijn eieren te leggen en jongen groot te brengen, wie zou zich daarover nou niet verwonderen!
Er zijn verschillende soorten spechten. De grootste is de schuwe zwarte specht met de prachtige rode kopkap. Dan komen de groene en de grijskopspecht, ten slotte de drie gebroeders bonte specht, de grote, die we hier nader gaan bekijken, de middelste en de kleine.

De grote bonte specht is zo groot als een spreeuw. Het mannetje is opgesierd met een mooie rode nekvlek; die heeft het vrouwtje niet. Onderaan de staart zijn ze beide prachtig rood. Door de grote zwarte en witte vlekken worden de veren van de bonte spechten driekleurig. Wat hun gewoontes betreft als ze nestelen, lijken alle spechten op elkaar, zij het dan dat de groene specht meer dan de andere naar de weiden gaat om mierennesten te plunderen. De grijskopspecht houdt heel erg veel van de grote bosmieren, maar alle spechten hebben wel een voorliefde voor mieren en hun eitjes. Je kan er een specht vaak op betrappen dat hij op de grond aan het zoeken is en zijn krop aan het vullen met mieren.
Bijna de hele dag is hij bezig met kloppen en hameren. Je hoort de slagen ver door het bos schallen. Dan hipt hij met zijn korte pootjes waaraan opvallend lange tenen zitten met sterke, gebogen nagels, met kleine sprongetjes langs de stam. Allebei de voortenen zijn tot op de helft met elkaar vergroeid, de derde, buitenste teen van de poot is een keerteen, d.w.z. die is naar achter gebogen en ligt naast de kortere achtertenen. De specht moet zich goed vast kunnen houden, wanneer hij met zijn snavel zo hard en stevig wil hameren.
Die spechtensnavel, sterk, recht en kegelvormig, kun je vergelijken met een beitel, de rug al scherp kantig en aan de voorkant bovendien scherp en spits, bijna geslepen, zou je kunnen zeggen. De hamer daarbij is de grote en zware kop. Dan vliegen de spaanders in het rond! Omdat die beneden neerkomen, verraden ze de timmerman, voor het geval je hem nog niet gehoord zou hebben.
Probeer maar zoals een specht aan de stam hangend met beitel en hamer te slaan zonder naar beneden te vallen! Ook als je je vast zou kunnen houden, zou je toch de terugslag voelen. De specht echter, klauwt zich met zijn poten vast en steunt daarbij met zijn staart tegen de schors. De staart van de specht wordt vaak met een soort knijpveer vergeleken. Die heeft twee rijen van maar korte veren, waarvan de schachten heel sterk en stevig zijn. Zo vormt de staart met de beide poten een soort derde poot voor de trommelende specht. Roffel er maar lekker op los, jij specht, laat de spaanders maar in het rond vliegen, jij staat stevig en geen hamerslag zal jou omver gooien! Jij hoort bij het bos en daarvoor is je instrument bestemd; en in de stammen breng je ook je jongen nog groot!
Maar zeg toch eens, sterke, mooie vogel, wie geeft jou je thuis en je voeding?
Dat is het bos, het bos! Op en onder de schors is er beweging of ze houden zich stil, die ontelbare larven, poppen, eitjes en bastkevertjes die daar leven. Wacht maar, allemaal, buiten wordt al geklopt en voor wie dat doet, hoef je geen ‘binnen’ te roepen. Kijk, daar vliegen de spaanders al in het rond!
Het meeste vindt de specht natuurlijk in bomen die al ziek zijn of aan het afsterven. Heeft hij dat uitgeprobeerd? Wie heeft hem dat geleerd, er les in gegeven? Het bos, het bos!
Wanneer de specht op een boom toevliegt, begint hij steeds onderaan en hupt dan naar boven, draaiend om de stam. Met z’n kop naar beneden kan de specht niet klimmen, dan zou hij vallen. Op een volgende boom begint hij dan weer beneden.
Met vlugge, snorrende of ruisende vleugelslag vliegt de specht eerst een stukje hoger en schiet dan met gevouwen vleugels weer naar beneden. Zo schrijft hij zijn golvende vlucht tot hij weer bij het volgende doel is aangekomen. Omdat de bonte specht helemaal niet zo’n schuwe vogel is, kun je de vlucht gemakkelijk waarnemen en die zal je wanneer je die eenmaal aandachtig heb bekeken, niet meer zo snel vergeten>
Maar de spechten zijn geen doorvliegers. Zijn ze eens naar een ander bos gevlogen, dan rusten ze snel weer uit en kijken wat er daar te roffelen valt. Zijn ze naar een nieuwe stam gevlogen, dan beginnen ze gelijk met hun werk, wat voor een specht zoveel betekent als voedsel zoeken. Met vlugge, huppende klimpasjes gaat het weer langs de stam naarboven. Wanneer hij zich bespied waant, gaat hij naar de ander kant van de stam, dan hoor je hem wel, maar je ziet hem niet. De specht kan wel schadelijk zijn voor gezonde bomen, wanneer hij in kleine stammen rondjes maakt om het uitstromende sap te drinken.
Een waar kunstwerk is de tong. Die kan snel naar voren gebracht worden en is heel dun, hoornachtig hard en tegelijkertijd uiterst elastisch en buigzaam. Die kan ook in van die kleine gangetjes en scheurtjes gestoken worden, om een hoekje gebogen of net zo gaan als de gangen van de bastkever die tussen hout en schors lopen. Maar dat gaat allemaal zo snel dat je het nauwelijks kan volgen. Grotere insecten worden eenvoudigweg aan de tong gespietst en omdat daaraan ook nog weerhaakjes zitten, kan de prooi ook uit het schuilhoekje worden getrokken. Voor eitjes, kleinere larven en poppen heeft de specht nog een ander middel, het kleverige speeksel van zijn bek. Daarmee wordt de tong iedere keer bevochtigd, waneer die weer naar binnen wordt getrokken. Dat is echt een nuttig ding, zo’n lange, dunne, buigbare, van weerhaakjes voorziene spechtentong met lijmerig en kleverig speeksel. En wat kan die ver naar buiten!
Weinig mensen weten dat de specht helemaal niet alleen maar leeft van zijn geboor in oude stammen en van mieren. O nee, hij weet nog zoveel andere lekkere dingen! In de winter kan hij zelfs wel eens een bijenkast openbreken en wanneer hij dan een gat heeft gehamerd bijen én honing verorberen. Dat is wel een graadje erger! Maar ja, kwajongens gaan ook wel eens honing pikken.
Op gezette tijden doet hij zich ook wel tegoed aan bosvruchten en daar moppert natuurlijk niemand op. Dennenappels, die vooral op zijn menu staan, haalt hij uit de boom en zet die klem in een passende scheur in een bast die hij voor dit doel zelfs meestal gemaakt heeft. Die plekjes noem je spechtensmidse (ook wel aambeeld) Dan zie je hoe de meester de goede, oliehoudende zaden eruit pikt. Hij maakt de schubben kapot, net zoals de kruisbekken dat doen, zonder ze eraf te trekken. Wanneer hij weer wegvliegt, laat hij de dennenappels die nog niet van alle pitjes ontdaan zijn, in de smidse zitten. Want de specht is wel een heel onrustige en ongeduldige vogel die weer gauw naar een volgende boom gedreven wordt. En wanneer hij weer terugkomt, is hij natuurlijk ook blij dat hij meteen iets eetbaars heeft.
Zelfs het kraken van noten gaat meester specht goed af. Hij stopt ze voor dit doel ook weer in een smidse. Dat is goed loon naar werken, die grote goedsmakende pitten. Ook weet hij maar al te goed, hoe kersen smaken en hij neemt, wanneer de gelegenheid zich voordoet, graag deel aan de oogst. In dit geval kan hij ook de pit nog kraken en oppeuzelen. Dat hij ook bessen niet versmaadt, is vanzelfsprekend.
Smakelijk eten, oude timmerman!
De spechten zijn geen gezelschapsvogels. Wanneer er een tweede in de buurt komt die misschien wel in hetzelfde jachtgebied actief wil worden, ontstaat er meestal een vechtpartij met veel geschreeuw en lawaai.
Behalve in de paartijd zijn alle spechten vooral op zichzelf.
In de herst en de winter zie je ze vaak in gezelschap van kleinere vogels in de tuin scharrelen. Je hoort ze meteen aan hun ‘giek, giek’ of meer metalig ‘gi-gi-gi-gi-gi. Dan scharrelt hij wat rond met boomklevertjes en boomkruipers, mezen en goudhaantjes. Maar het lijkt erop dat hij niet veel aan ze heeft.
Al vanaf eind januari kan je de specht horen trommelen. Dat is een soort paringsroep. Wie, zoals de specht, zo bij het bos hoort, verstaat natuurlijk ook de kunst bomen als muziekinstrument te gebruiken. Het zijn voornamelijk de mannetjes die zich als trommelaar gedragen. De specht vliegt op een dorre tak en slaat daar in ras tempo krachtige slagen op. Zo ontstaat de lokroep die ieder wel eens gehoord heeft, meest hoog boven in de kroon. Dat is meester specht, hij alleen kan met zijn snavel zo op de takken roffelen dat je het ver in het hele bos hoort en die toch geen hoofdpijn* krijgt.
Ja, het kan niemand anders zijn geweest dan de specht!
Wanneer hij een nest bouwt, doet hij niet veel beter zijn best dan een uil, d.w.z. dus bijna niet. Het gat in de boom niet meegerekend, maar wat hij daarin voor de jongen klaarmaakt – dat is zoveel als niets. Maar een spechtengat dient niet alleen als nestruimte, ook als slaapruimte wordt die steeds weer gebruikt. Daar slaapt de specht, zoals je weet, staand zich vasthoudend met de steunende staart.
Om het hameren niet al te moeilijk te maken, zoekt de specht naar bomen die al een beetje vermolmd zijn of bomen die van zich zacht hout hebben, zoals de populier bijv. Dan vliegen de spaanders wat makkelijker rond, maar het duurt wel een hele week werken tot alles uiteindelijk klaar is. Het is natuurlijk wel eenvoudiger om een holte klaar te maken die er al is.
Een nestholte mag niet lager dan ongeveer tien meter van de grond zijn om er zeker van te zijn dat de jonge vogeltjes veilig zijn voor allerlei roversgezellen en indringers die daar beneden over de aarde rondsluipen. Maar als zo’n rover kan klimmen, zoals de marter, is goede raad duur. Marters zijn de ergste en gevaarlijkste vijanden die ook nog eens zelf in de spechtholte hun intrek nemen. De kraamkamer moet ongeveer dertien centimeter diep zijn en een bodem van vijftien centimeter hebben.
Maar hoe vaak begint een specht niet aan een holte om die dan niet af te maken! Is het werk dan toch te zwaar of heeft meester specht alleen maar een beetje willen hameren?
Het vrouwtje legt vier tot vijf kleine, rondachtige witte eieren en ze broedt afgewisseld door het mannetje. Dat duurt maar veertien tot zestien dagen. Jonge spechten zien er de eerste tijd heel lelijk uit. Nog niets doet denken aan de mooie statige vogels die ze later zullen worden. Maar wat maakt het uit of kinderen lelijk zijn! De ouders zien alleen maar dat het hun jongen zijn en ze houden van hen en verzorgen ze met liefde. Het duurt heel lang voor de jonge spechten tenslotte het nest verlaten en zich zonder gevaar in de wereld durven wagen. Hopenlijk heeft de marter niet gehoord hoe het daarbinnen met de gestrekte nekken en opengesperde snaveltjes om voedsel geschreeuwd heeft!
Zijn de jonge spechtjes eenmaal in staat uit te vliegen, dan houdt de familie meteen op te bestaan. De jongen verspreidem zich en vinden weldra hun eigen weg, en de ouders doen alsof ze nooit van elkaar hebben gehoord.
De jongen herken je het eerste jaar nog omdat ze meer rood op hun kop hebben dan later. Maar weldra zijn ze allemaal net zulke kluizenaars geworden als hun ouders dat nu weer zijn.
Voor een specht is het goed zo, want dan kan hij het beste doen wat hij doen moet. Hij moet alleen zijn, onze altijd bezige, onrusitge specht!
En zwijgend zegt het bos dan: ‘Hamer maar, mijn specht! Mogen je kinderen altijd gaan naar waar ze nodig zijn – als timmerlui, als verzorgers,

want wat zou het bos zijn
wanneer de spechtroep niet zou weerklinken
wanneer het lentespechtgeroffel
niet door bladeren en kronen te horen zou zijn!

.
**waarom niet, lees je hier
.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

 

1425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (5) – over twee uilen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 39                                                                                                     hoofdstuk 5

OVER TWEE UILEN

Van de vele duizenden vogelsoorten die er op aarde voorkomen, zijn de meeste dagdieren. Ook verreweg de meeste roofvogels jagen overdag op hun prooi en ’s nachts slapen ze. De uilen vormen dan toch wel een grote uitzondering. Ook al zijn sommige al in de schemer te zien, ondanks dat is de nacht toch hun eigenlijke jachttijd en ze zijn helemaal op het nachtleven ingesteld, wat hun zintuigen betreft, maar ook als het om hun lichaamsbouw gaat. Alleen wanneer het buiten pikkedonker is, moeten zelfs de uilen thuisblijven. Voor die tijd bewaren ze altijd iets van hun buit op voorraad.
De grootste uilensoort, de oehoe, zit overdag slaperig in zijn hol, een holle boom, tussen rotsen of ook verborgen tussen de takken, waar het dichte bladerdek hem beschut. Uilen hebben net als de sperwers geklauwde tenen. Ze kunnen de buitenste van hun drie tenen naar achter brengen en daarmee voortreffelijk klimmen. Zo kunnen de oehoes een plek zoeken waar niemand ze makkelijk ontdekt en omdat hun veren er bijna net zo uitzien als de boomschors of een stuk rots, zie je ze maar moeilijk.
De oehoe houdt zijn oorpluimen naar achteren gevouwen. De ogen houdt hij wat halfgesloten door het onderste ooglid naar boven te trekken. Zo maakt hij de indruk alsof hij weliswaar erg moe is, maar toch eigenlijk niet slaapt. Een slapende oehoe steekt zijn kop namelijk niet tussen z’n veren, zoals de andere vogels doen. Zo blijft hij toch altijd nog een beetje wakker. Dat uilen overdag niets kunnen zien, is een groot misverstand, want wanneer ze verstoord worden, vliegen ze behendig weg, zelfs door het dichte gebladerte zonder zich te stoten, om een andere schuilplaats te zoeken.
Zodra het nacht wordt, komt er leven in de uil. Dan gaan zijn barnsteengele ogen helemaal wijd open. Die zijn sterk gewelfd, bijna kogelrond om maar goed heel veel licht op te kunnen vangen. De pupillen worden groter en kleiner bij elke ademhaling. Bij de uilenblik hoort ook dat de beide ogen naar voren gericht worden. Dat zorgt voor de menselijke uitdrukking in het uilengezicht. Bij de andere vogels kijkt ieder oog, zoals we weten, naar een andere kant. Ja, uilen zijn wel heel bijzondere vogels!
De oehoe vliegt naar de volgende hogere boom om rond te kijken. Geruisloos bewegen de brede vleugels. Nu laat hij zijn huiveringwekkende ‘oehoe’oehoe’ of ‘boehoe, boehoe’ klinken, dat je van verre kan horen, maar toch niet helemaal weet, waar het vandaan komt. Al gauw klinkt het weer vanuit een andere richting, want de oehoe is al weer verder naar een andere boom gevlogen. Niet veel mensen hebben buiten de oehoe gehoord, omdat hij tegenwoordig bij ons al tamelijk zeldzaam is. Hij zoekt uitgestrekte bergwouden op. Vroeger was hij over heel Europa en Azië verbreid.
Bijzonder bont maken de oehoes het in het voorjaar wanneer ze paren. Dan gaat het er in de bossen aan toe alsof wilde jagers achter hun prooi aanzitten. Wie bang is, moet dan niet het bos in gaan.
Wolken jagen langs de hemel, af en toe komt de maan tevoorwschijn, storm gaat door de toppen van de bomen en steeds weer klinkt het ‘oehoe, oehoe’ daar tussendoor. Zo gaat het de hele nacht door tot de ochtendschemer. Nee, dat was niet de wilde jager, het waren alleen maar de opgewonden uilen. Wacht maar tot het dag wordt, dan word je wel weer rustig, oude oehoe!
In de uilenvlucht schuilt een geheim. De nachtelijke rovers kun je nauwelijks zien, maar horen doe je al helemaal niets. Wat kan zo’n grote vogel als de oehoe geruisloos vliegen! Ook prooidieren merken er niets van wanneer er een oehoe boven hun kop vliegt. En wanneer hij dan plotseling omkeert, slaat hij zijn gebogen klauwen met punten zo scherp als naalden, in hun lijf. Dan is ieder ontkomen onmogelijk. Dat is nu de wonderbaarlijke uilenvlucht. Wat maken eenden of duiven, maar ook de dagroofvogels dan een lawaai!
Uilenvleugels zijn in verhouding kort, breed en afgerond. Maar ook bij de snelste vlucht kunnen ze niet ruisen, omdat ze aan de randen franje-achtig zijn. Als een schaduw glijdt de uil over de nachtelijke aarde.
Naast de scherpe ogen die door het nachtduister heendringen, hebben de uilen ook een heel scherp gehoor. De grote gehooringang ligt onder de tere veertjes van de kopsluier verborgen. Je moet zelfs de sluier van de uilen die zich in een grote boog om de ogen uitstrekt, als reusachtige oorschelpen beschouwen. Anders begrijp je het uilengezicht niet. Dikwijls zijn de uilen wat hun gehoor betreft, al met katten vergeleken. Ook die worden wakker door het ritselen van een muis. Uilen hebben zelfs onder de veren verborgen nog een huidachtige oorschelp die naar achteren open is. Zo horen ze ook, waar ze overheen zijn gevlogen en keren meteen om, om de prooi te slaan. De oorpluimen die alleen maar oren genoemd worden, omdat ze er zo uitzien, zijn niet om te horen.
Hoe zou een oehoe eruit zien, wanneer hij plotseling van zijn dikke, zachte verenpak beroofd zou worden? Dat is snel gezegd: erbarmelijk dun en mager! Dan zou hij helemaal geen vogel meer zijn en een geplukte kip zou er nog uitzien als een vogel feniks. Daaraan kun je zien wat de veren voor een vogel betekenen. Niet het blote lijf laat hem een vogel zijn, echt alleen maar de volle, zachte, prachtige veren. Het meest grootse aan de uil is toch zijn kop, wat je van zo’n slimme vogel ook wel verwachten kan.
De hals is hemaal door de veren verborgen, zodat hij eruit ziet, alsof hij er geen heeft. Natuurlijk heeft hij er een, zelfs een die zeer wendbaar is, want hij kan zijn kop helemaal naar achter omdraaien – een draaihals onder de nachtvogels! [helemaal = 270º]
Het ergste wat een uil overdag kan overkomen is, dat hij door andere vogels wordt ontdekt. Dat geeft een gekrijs en geschetter! De eerste vogel vliegt rond en deelt het op zijn manier aan de andere mee en dan komen ze allemaal dichterbij om de oehoe zo luid mogelijk uit te schelden. De schreeuwers vergeten zelfs of ze anders onder elkaar vriend of vijand zijn. Het lijkt erop of ze alleen de uil maar zien. Steeds nieuwe scheldkoppen komen erbij. Heel brutale en dappere durven zelfs aan hem te plukken hoewel ze hem natuurlijk niets ernstigs aan kunnen doen. Zangvogels, gaaien, ja zelfs roofvogels zijn naderbij gekomen om aan de scheld- en mopperpartij mee te doen. Dat moet voor de oehoe wel te veel worden. Hij richt zich op en vliegt weg naar waar de plaaggeesten hem niet zo snel kunnen ontdekken.
Zoals alle andere uilen vreet de oehoe ontelbare muizen, maar niet zelden vergrijpt hij zich aan veel grotere dieren. Hij kan er bijvoorbeeld een ter grootte van een gans slaan. In zijn nest vind je resten van patrijzen en auerhoenders. Ook eenden, konijnen en hazen zijn hun leven met hem niet zeker, zelfs de stekelige egel weet de oehoe te bedwingen. Het is nog nooit waargenomen dat de oehoe aas eet. [volens Wikipedia wel, in strenge winters].
Het menu kom je niet alleen te weten door de resten in de nesten, ook door de uitgebraakte ballen na de vertering geven informatie. De oehoe werkt ze met heel veel moeite naar buiten. Daarvoor spert hij zijn snavel wijd open. Het eten biedt een afzichtelijke aanblik. Wanneer het maar een beetje gaat, gaat de prooi in zijn geheel naar binnen. Van een muis zie je als laatste alleen de staart nog naar buiten kijken. Dan kun je aan de verdikking van de hals zien, hoe ver de reuzenhap al is. Daarbij trekt hij vreselijke grimassen. De uil gaat van inspanning van de ene op de andere poot staan. Grotere botten, haren en veren worden later met de braakbal weer overgegeven.
Moeten stukken vlees naar omhoog – dergelijke voorraden zijn dikwijls heel groot – dan legt de oehoe ze in het vel van de prooi zodat ze niet verdrogen.
Men zegt dat uilen wreed zijn. Ze kunnen blind van woede zijn en opvliegend. Maar zelden wennen ze aan de mens die hen verzorgt. Dat geldt in het bijzonder voor de oehoe. Wanneer hij geïrriteerd raakt, stoot hij boze, snurkende geluiden uit en klapt met de snavel en maakt woedend giechelachtige geluiden of krijst luid of blaast. Het kan ook gebeuren dat hij een afschrikwekkende houding aanneemt waarbij hij de vleugels half naar boven richt zodat ze even hoog als de kop komen, met de dreigende ogen en de spitse oorpluimen een grote, gevaarlijke indruk makend. Ook de tekening van de vleugelveren past zich aan het reuzenschrikbeeld van de oehoe aan.
Hij maakt niet veel werk van het bouwen van een nest. Het liefst heeft hij dat hij er een kant en klaar vindt dat eerder al eens gebouwd werd door iemand anders, misschien een of andere roofvogel. Maar een geschikte rotsspleet, een spelonk of iets kokervormigs, soms ook een oud gebouw voldoet ook. Dat wordt met wat mos en veren karig ingericht en dan legt het vrouwtje twee of drie afgeronde, witte eieren met een ruwe schaal. Gedurende de broedtijd moet het vrouwtje natuurlijk door het mannetje gevoerd worden. De net uit het ei gekropen jongen zijn eerst nog blind en de ouders moeten het voer bij hen in de snavel duwen. Omdat de oehoe geen krop heeft, vreten de jongen van het begin het voer van de ouders, zonder dat het eerst voor hen voorverteerd wordt. Alle jonge uilen zien er lelijk uit met hun gebogen haaksnavels. Nauwelijks kunnen ze wachten tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Van te voren al huppen ze uit het nest en zitten dan op de takken of de stenen waar ze dan verder nog door de ouders worden gevoerd.
Maar de tijd komt dat ze zelf een jachtgebied moeten gaan zoeken. Is er bijvoorbeeld vroeger ergens een oehoe geweest die al lang niemand meer gehoord of gezien heeft, dan vind je toch op een dag weer verse braakballen, want dan is er een jonge oehoe uitgevlogen. Steeds zijn het dezelfde plekken waar oehoes zich vestigen. Dus moet het voor de oehoes allemaal zo zijn dat daar het meest geschikte en mooiste oord voor hen moet zijn, met de beste nestplaats en ook de beste mogelijkheden in de omgeving prooi te verschalken.
Hopenlijk vind jij in het volgend voorjaar ook een geschikt wijfje bij wie je in de smaak valt en die samen met jou de angsthazen bang kan maken, oude oehoe!

In vergelijking met de onheilspellende, nurkse en bozige oehoe is de kerkuil toch een lichtere en vriendelijkere vogel. Dat hij lang niet zo mensenschuw is als deze, blijkt er alleen al uit dat hij bijzonder graag zijn nest bouwt in menselijke behuizingen en stallen, schuren of in oude burchten. Dikwijls tref je hem ook aan in kerktorens. Ja, in velerlei opzicht al is hij een half huisdier en kan goed overweg met katten met wie hij samen op muizen jaagt.
De ogen zijn in tegenstelling tot die van de oehoe tamelijk klein. Ze zijn donkerbruin van kleur. De stem klinkt onaangenaam, een hees krijsen en wordt als de lelijkste vogelstem bestempeld. Maar dat weerhoudt ons niet om hem graag te mogen. Kenners noemen de kerkuil nogal goedmoedig, wat natuurlijk betekent: voor een uil goedmoedig. De vele muizen die hij overdag opvreet – kerkuilen in gevangenschap verteren er vijftien op een nacht – zullen daar zeker anders over denken.
Wie over de kerkuil zegt dat hij een  pientere, lichte vogel is [Duits heeft ‘hell’ wat tevens licht van kleur betekent] bedoelt daarmee tegelijkertijd de veren. Wanneer hij ’s nachts soms heel dicht langs je vliegt, merk je daar natuurlijk niets van. Je ziet hooguit de houding van zijn lichaam alsof hij op de lucht ligt en hoe de grote kop de sluier draagt. Omdat hij zelf zo geruisloos vliegt, ontgaat hem op de grond niet het minste geritsel.
Wis is in staat het prachtige verenkleed volledig te beschrijven! Het bovenlijf is aan de achterkant donker grijsgrauw, de nek is rood-geelachtig; de onderkant in het bijzonder wordt gesierd door vele witte en zwarte stippeltjes. Het mooiste echter is de witte sluier van het gezicht. Het is gevormd als een groot wit hart. Vanuit het midden van de kop welven zich boogjes naar beide kanten en onder de haaksnavel komen ze weer bij elkaar. Bovendien is die nog donker omrand. De ogen liggen in grote, schuinstaande vlakken. Alles bij elkaar is het een gezicht, is het een masker. Echt leuk wordt de uidrukking wanneer de kerkuil muizen opvreet en daarbij de grappigste bekken trekt.
Over het bouwen van het nest kan echt niets mooiers worden gezegd dan bij de oehoe; ook zij zijn geen kunstzinnige wevers of architekten. Waar kerkuilen nestelen, moet het wat donker zijn en de ingang niet zo makkelijk te vinden. Het komt ook voor dat ze in duiventillen gaan zitten en daar hun jongen grootbrengen, zonder dat er de minste onvrede ontstaat, wanneer overdag de duiven en ’s nachts de uilen in- en uitvliegen.
De kerkuil legt zes tot negen ovale, witte eieren. Dikwijls worden die, zonder al te veel moeite op de balken gelegd. De jongen die uit het nest zijn gekomen, kunnen dan rond huppen waar ze will;en, tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Dat ziet niemand en de ingang is moeilijk te vinden. Ook de ouders moeten zich soms zelf eerst handig door de ingang wurmen.
Men heeft de uilen met papegaaien vergeleken. Als je ze ziet klimmen en naar de kromme snavel kijkt, is de vergelijking vaak wel treffend, maar je mag toch nooit vergeten dat papegaaien dagvogels, de uilen daarentegen nachtdieren zijn, vandaar dat ook de allermeeste van hen niet bont gekleurd zijn als papegaaien, maar er onopvallend uitzien als boomschors of steen.
De kerkuilen daarentegen vormen daarop een uitzondering. Alleen al omdat ze er zo mooi uitzien, kun je van hen houden!

meer van deze illustraties op VRIJESCHOOL in beeld

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

 

mooie uilenfoto’s

.

1266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

 

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

 

 

*wikipedia spreekt ook over een latrine

 

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

1071

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde – (2) de bruine beer

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 16                                                                            hoofdstuk 2

De bruine beer

De bruine beer is het grootste en sterkste roofdier dat in Europa als ook in de gematigde zones van Azië voorkomt. Zijn kracht berust minder op behendigheid en snelheid, maar veel meer op zijn ongelofelijke lichaamskracht. Men zegt van de beer dat hij de kracht heeft van twaalf mannen. Een gedode koe kan hij in zijn armen wegdragen. Een volgroeide beer kan wel meer dan twee meter lang en meer dan 7oo kg. wegen. In sprookjes en legenden komen dikwijls beren voor en kunnen daarin de rol van goede, maar ook van slechte wezens vervullen. Dit dier, dat niemand in de wildernis tegenkomt zonder erg te schrikken, heeft dus twee verschillende kanten. Aan de ene kant is de beer een goedmoedige kerel, die je ook onder de lichamelijk zeer sterke mensen aantreft, maar aan de andere kant een erge bozerik. Iedereen kent hem wel als dansende beer. Jonge beren zien er niet schuw uit en zelfs schattig, vooral als ze aan het spelen zijn; een volwassen beer daarentegen is, ook wanneer die getemd is, niet te vertrouwen. Hij werd geen echte mensenvriend en onverwacht en verraderlijk kan hij baas en verzorger aanvallen. Vreselijk zijn de kracht en de felheid van de reus wanneer hij door de jacht getergd of gewond raakt of ook, wanneer de berin haar jongen verdedigt. Dan richt ze zich met haar kolossale gestalte op – en komt op twee poten aangewaggeld om zijn tegenstander te omarmen en met een ongekende kracht tegen zich aan te drukken. Maar een paar, bijzonder dappere jagers wagen het om een beer met een mes te lijf te gaan. De schijnbaar trage gezel kan een vluchtend mens maar al te gemakkelijk inhalen. Wee de achtervolgde die niet snel een list bedenkt om zijn leven te redden! Menigeen is toch nog ontsnapt door op de grond te gaan liggen en zich dood te houden. Maar je moet wel over veel moed beschikken om je door een wilde beer te laten besnuffelen en om te laten rollen, zonder je te bewegen of maar te ademen. Mensen die zich dood houden, laat de beer namelijk gewoon liggen en er is ook geen enkel geval bekend dat hij mensenvlees aangeraakt zou hebben. Gevaarlijk zijn ook de klauwen van een beer. Die hebben lange keiharde, maar stompe nagels, want de beer kan ze bij het gaan niet zoals de katachtige roofdieren intrekken. Ze kunnen daardoor afschuwelijke wonden veroorzaken. Alleen bij dieren met een dikkere huid kunnen ze geen schade aanrichten. Men zegt dat de beer in het gevecht eerder van zijn klauwen gebruikt maakt dan van zijn tanden. Maar de klauwen stellen de beer wel in staat, ondanks zijn lichaamsgewicht in bomen, maar ook op steile rotsen te klimmen. Wanneer een beer in een boom klimt, gedraagt hij zich natuurlijk wat onbeholpen, zelfs lomp; wie hem echter ziet bij het overwinnen van rotsachtige hindernissen, moet toch zijn behendigheid bewonderen. Hoe vaak beren vroeger zelfs bij ons voorkwamen, blijkt al uit de vele plaatsnamen, zoals bv. Bärenstein, Bärenfels, Bärental. Bärenburg. Natuurlijk zijn er ook in alle andere landen, bv. in Scandinavië, waar beren nu nog voorkomen, veel plaatsen met de naam van dit dier. Vroeger strekte het woongebied van de beer zich uit van het Atlasgebergte in Noord-Afrika tot de Noordzee en van Spanje over heel Rusland tot Noord- en Midden-Azië. In de dichter bevolkte gebieden is de beer natuurlijk al lang uitgeroeid. Alleen in het hooggebergte of waar hij zich in ondoordringbare wouden of onoverzichtelijke rotsgebieden verbergen kan, komt hij tegenwoordig nog voor. Met name moet van de beer gezegd worden dat hij de mens liever mijdt. Sommigen zeggen zelfs dat hij laf is, wanneer hij niet geprikkeld is of met zijn jongen verrast wordt. Een oude Laplander vertelde dat hij eens in de wildernis een grote beer tegenkwam die net een rendier had doodgeslagen. Men weet dat zo’n situatie bijzonder gevaarlijk is, maar de beer maakte zich uit de voeten het bos in alsof hij wilde zeggen: ‘Arme sloeber, je bent zelf aan het verhongeren!’ en kwam pas weer terug toen de Laplander een groot stuk rendiervlees afgesneden had. De lappen geloven heilig dat  een beer vrouwen noch kinderen iets aandoet. Ze moeten het hem alleen te verstaan geven en het tegen hem zeggen. Zo spreken de Lappenkinderen, wanneer er een beer komt, de woorden: “Beste grootvader, raak mij niet aan, want ik ben maar een kind!” Zo veel mensenverstand en goedheid schrijven de Lappen de beer toe. Je kan van de beer beslist niet zeggen dat hij een echt roofdier is, hoewel hij bij gelegenheid als een gevreesde en sluwe rover hele streken angst en schrik aanjaagt. Dat kun je al aan zijn gebit zien, waar je weliswaar zeer sterke vangtanden, maar niet de voor de roofdieren karakteristieke hoektanden vindt. het gebit van een beer is dat van een alleseter. We weten uit de vele dierverhalen hoe graag Bruin de beer jacht maakt op de bijenhoning. Telkens wanneer er zich weer een gelegenheid aandient, breekt hij de bijenkorven open en plundert ze. Ja je mag van hem nauwelijks verwachten, dat hij zich, zolang het lukt, volvreet met plantaardig voedsel. Maar ook kevers en insectenlarven die hij met zijn klauwen tevoorschijn woelt, zelfs slakken dienen hem tot welkom voedsel. Wanneer hij echter na de winterslaap vermagerd en uitgehongerd uit zijn schuilplaats komt, is het zelfs grote dieren niet aan te raden hem tegen het lijf te lopen. Ook mierenhopen schoffelt de beer om en laat zich de mieren met hun larven goed smaken. Daarbij bromt hij dan gemoedelijk en vol welbehagen. Kun je je dan eigenlijk wel voorstellen dat de gewelddadige rover grassprietjes afgraast of ’s nachts in een zittende houding door rijpende korenvelden schuift om zo gemakkelijk mogelijk de rijpe aren op te vreten; dat hij paddenstoelen en zwammen eet, van de bosbessen snoept en afgaat op zoete vruchten. Wanneer in de herfst in de bergen de vele bessen rijp worden, heeft de beer een goede tijd om zijn dikke buik vol te vreten. Dan kun je hem als een fijnproever snuffelend en smakkend zijns weegs zien gaan. Ja, echt waar, voor deze tevreden gezel hoeft niemand bang te zijn; geen herder hoeft te vrezen voor zijn kudde. Wordt de beer echter door honger geplaagd of wanneer hij eenmaal gewend is aan vleeskost, dan wordt hij een boze woesteling die de mens zonder erbarmen vervolgen en uitroeien moet. Een roofzuchtige beer is de doodsvijand van alle kuddedieren. Hij jaagt een afgescheiden schaap of een koe op, tot ze uitgeput neervallen of hij maakt ze bang door een vreselijk gebrul, tot ze door verwarring in een afgrond storten en daar de dood vinden. Dan heeft de beer het gemakkelijk. Maar de vlugge dieren van de wildernis, hert, ree of gems kan hij met zijn logge lichaam niet inhalen. Ook is er waargenomen dat de sterke stieren van een kudde in een gevechtslinie met de kop naar beneden zich moedig tegen  de binnendringende rover opstelden en hem ontgoocheld op de vlucht joegen. In sommige streken wordt de beer zelfs voor paarden gevaarlijk. Een jager beschrijft hoe meerdere grazende paarden door een grote beer die uit het kreupelhout tevoorschijn kwam aangevallen werden. De beer haalde twee van de paarden die in een enorme vlucht ervandoor gingen met machtige sprongen in, sloeg ze met zijn klauwen neer en verscheurde ze. Daarbij brulde hij luid. Uit zulke berichten kunnen we opmaken hoe het met de veronderstelde lompheid en goedmoedigheid van de beer daadwerkelijk gesteld is. Onbesuisdheid vertoont de rover in het bijzonder, wanneer hij ’s nachts in een veestal inbreekt om daar zijn buit weg te halen. Het komt voor dat hij dan de dakbedekking eraf haalt. Is hij eenmaal in de stal, dan slaat hij daar een koe neer, rukt die los van de strik, omvat ze met zijn voorpoot, pakt met de andere de balk en is sterk genoeg om die koe op deze manier door de opening te slepen. Daarna wordt het slachtoffer met gemak weggebracht. Zoals al vaker waargenomen werd, klimt een beer zelfs met een gewurgd paard of rund in zijn poten over gevaarlijke bergkammen of over twee naast elkaar liggende boomstammen over een afgrond. Als dan uiteindelijk de koude dagen aanbreken en de eerste sneeuw valt, treffen beer en berin voorbereidingen voor de winterrust. Weliswaar is zo’n winterrust voor een beer niet per se noodzakelijk; dat kun je zien aan de beren in gevangenschap. Het komt voor dat de winterslaap op warmere dagen en tegen het einde van de winter onderbroken wordt, maar in streken met strenge winters en veel sneeuw gaan alle beren naar binnen. Eerst zoekt een beer een geschikte plaats op, waar iemand hem niet zo gauw zal vinden en storen. Het liefst heeft hij een grot of ook wel een holle boomstam. Vindt hij een kuil in het struikgewas, dan maakt hij die eerst geriefelijk met loof en mos. Soms moet een beer ook eenvoudigweg takken bij elkaar buigen tot een soort woning en daarna laat hij zich opgerold ondersneeuwen. Zijn dikke pels en de dikke speklaag door het vele eten beschermen hem tegen de kou. Als de beer in zijn winterslaap gestoord wordt, is hij erg geïrriteerd en brommerig. Als jagers hem ontdekken, jagen ze hem op met stokken of door luid roepen. Vaak slaapt hij wel zo vast, dan je hem alleen maar door een schot wakker kan maken. Wat leuk moet dat zijn, wanneer je uit een holle boom plotseling een beer ziet kruipen. De beer, die met zijn kleine oogjes nog een beetje slaapdronken knippert, herkent het gevaar en probeert door het cordon van jagers heen te breken. Maar nu komt hij voor een meute dappere, bijzonder afgerichte honden te staan die de beer echter met adequate slagen van zijn klauwen en beten dikwijls lelijk toetakelt. Een beer is ook voor grote en sterke honden nog een gevaarlijke tegenstander. De klauwen van een neergeschoten beer zijn een buit die de jager vereert en waarop hij trots is. Het vlees wordt natuurlijk opgegeten en het vel met zijn dichte warme pelsharen is geschikt om op te slapen; ook voor kleding en mutsen te gebruiken. Zo is de beer in meer dan een opzicht een welkome jagersbuit. Nooit is een beer zo dapper en stelt zich zo met doodsverachting aan ieder gevaar bloot, wanneer het erom gaat haar jongen te verdedigen. Bij veel volkeren die de beer goed kennen, geldt deze als zinnebeeld van moederliefde. Het duurt zes jaar tot een jong volwassen is. Zo moeten tot een berenfamilie dus kinderen behoren met verschillende leeftijden. Uiteindelijk bijt de moeder naar de groten, dat ze weggaan, want ze moeten nu eenmaal zelfstandig worden; maar men zegt dat ze terugkeren als er weer jonge beertjes geboren worden en dan mogen ze blijven om op de kleintjes te passen, bv, wanneer de ouders erop uit moeten trekken om voedsel te zoeken. Men heeft echter ook waargenomen dat grotere beren de kleinere door het water droegen. Beren kunnen goed zwemmen en ’s zomers liggen ze graag te zonnen. Veel van de beren doet aan mensen denken. Vooral wanneer hij gaat staan komt het mensachtige tevoorschijn. Dan loopt hij, weliswaar onhandig, op twee poten. Hij is een zoolganger zoals de mens en hij zet niet zoals de meeste dieren alleen maar zijn tenen neer, maar met zijn hele zool die ook nog onbedekt is. De gevilde voet doet zo sterk denken aan menselijke handen en voeten, dat je het bijna overwinnen moet het vlees te eten. De beer gebruikt zijn sterke, beweeglijke armen waarin zijn sterkste kracht zit, als de armen van een mens en bij het vechten eerder dan zijn tanden. Zijn klauwen zijn geschikt dat hij ze bijna als handen kan gebruiken. Wanneer het machtig zware dier met zijn massieve ledematen op een sukkeldrafje loopt, met de kop naar beneden en een beetje schommelt – want de beer is een telganger – dan kan hij op een betoverd dier lijken. Daarom hebben bepaalde volkeren van Noord-Azië, de Giljaken en Aino, ook steeds een slecht geweten, wanneer ze beren doden en om deze reden organiseren ze ieder jaar een plechtig berenfeest. Door dansen en zingen en ook muziek maken om een in het midden opgehangen, gedode en versierde beer, wordt vergiffenis gevraagd, tegelijkertijd echter ook dank gezegd voor het vlees en de pelzen. Op deze manier zal er verzoening zijn met het berengeslacht voor alles wat het moest worden aangedaan. Als bij een beer echter de wildheid naar buiten komt, wordt hij een geweldadige rover; dan laat hij ook zien, wat er gebeurt wanneer grote lichaamskracht niet door verstand en goedheid van het hart gestuurd en geleid worden. In plaats van goed te doen en te helpen, zoals sterke mensen dat doen, richt het dier niets dan onheil en verwoesting aan, tot schrik van allen. Gelukkig echter heeft onze bruine beer ook de andere kant, de vriendelijke en die kunnen wij fijn vinden, ja er zelfs van houden en bewonderen.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

 

831

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Gerbert Grohmann: leesboek voor de dierkunde – inhoud

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

INHOUD

1.Het rendier
blz.7

2.De bruine beer
blz.16

3.De hamster
blz.23

4.Over de robben – de zeehond
blz.31

5.Over twee uilen
blz.39

6.Over de bonte specht
blz.46

7.Over de dromedaris
blz.52

8.Zeven slakkengeheimen – over de wijngaardslak
blz.61                     nog niet verschenen

9.Lof en prijs op de regenworm
blz.68                    nog niet verschenen

10.Vleermuizen
blz.74                    nog niet verschenen

11.Over een vogel die niet zo graag vliegt en over vissen die nesten bouwen
blz.90                  nog niet verschenen

12.Over de kruisspin
blz.97                  nog niet verschenen

13.Olifanten
blz.106                nog niet verschenen

14.Over de mieren
blz.116                 nog niet verschenen

15.Over de egel
blz.123                 nog niet verschenen

Nawoord voor de volwassenen
blz.128                 nog niet verschenen

dierkunde: alle artikelen

Grohmann: leesboek voor de plantkunde

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde (1) – het rendier

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 7                                                                            hoofdstuk 1

HET RENDIER

Het rendier is een hertensoort dat boven de poolgrens in het hoge noorden van Europa, heel Azië en Canada voorkomt.
Het is een kuddedier, wild, maar ook getemd. Tamme kudden kunnen wel uit duizenden beesten bestaan.
Het wilde rendier in het bijzonder, heeft een erg mooi, machtig gewei, dat naar voren toe gebogen is en aan de uiteinden zijn schoffels gevormd. Ook de oogspitsen van het gewei die bij onze herten, zoals bekend eenvoudig blijven, vertakken zich bij het rendier en dragen daardoor niet weinig bij het koninklijk voorkomen van het dier bij, zeker bij oudere dieren waarbij ook weer schoffels gevormd worden. Ook de rendierkoe, zoals men het wijfje noemt, heeft hoorns, maar hier ontwikkelt het gewei zich kleiner en minder statig dan bij de stieren. In de winter werpen de stieren en de koeien hun gewei af. Dan kun je de ‘stangen‘ in het bos vinden en vossen en wolven knagen eraan. Zolang het nieuwe gewei nog groeit, zit er een vel over, de bast, en daarom ziet het er dik en als een vacht uit.
Voor een reiziger is het altijd een geweldige beleving, wanneer hij voor de eerste keer zo’n prachtige geweidrager ziet lopen.
De kop zelf is niet helemaal zo edel gevormd als bij ander herten, bijv. bij ons edelhert; de poten zijn wat gedrongener en ook iets korter, maar het rendier, in het bijzonder wanneer het in het wild leeft, is desondanks een heel trots, statig en flink dier. Zijn hoeven zijn veel breder dan bij de andere hertensoorten en de tenen zijn dieper gespleten, daardoor kunnen zij die ook wijd spreiden. De achtertenen strekken zich heel ver naar onderen, zodat ze zich mede van de grond kunnen opdrukken. Zo moeten de voeten van een dier gebouwd zijn, dat niet in de sneeuw, maar ook niet in het moeras moet wegzakken.

Wat zijn voedsel betreft is het rendier met weinig tevreden en bescheiden. Bergplantjes of de gewassen van de boomloze toendra moeten het voeden. Dikwijls genoeg is het alleen maar mos dat eerst met de hoeven vanonder de sneeuw vandaan gekrabd moet worden; of van stenen afgeknaagd moet worden. Het rendiermos dat het rendier tot voedsel dient, is er zelfs naar genoemd. Wanneer in de lente de knoppen en de eerste jonge blaadjes aan de struiken uitbotten, breekt er voor het rendier, na het gebrek aan voedsel, een goede tijd aan. De vermagerde dieren komen weer aan en weldra werpen ze de dikke wintervacht af.

Ook de tamme herten hebben geen warme stal waarin ze in de winter hun toevlucht kunnen zoeken en gevoerd kunnen worden. Bij bijtende kou moeten zij het in het boomloze hooggebergte of misschien nog tussen de bomen aan de randen van een meer zien uit te houden. De storm dwingt hen dicht bij elkaar te blijven en de herders met hun trouwe honden moeten zich ook overgeven aan die guurheid. Maar zelfs deze weersomstandigheden lijken geen vat te krijgen op de kudde. Ze worden beschermd door een warme wintervacht van wel 5 cm dik en om hun hals krijgen ze lange ruwe haren als manen. Ook het vel van hun poten wordt in de winter hariger. De wintervacht is veel lichter van kleur dan de zomerhuid en daarom vallen de kudden in de sneeuw veel minder op. Wie zo goed ingepakt is, kan wel wat kou verdragen en daarbij komt nog dat het zonder meer een dier van het hoge noorden is.

Drom altijd samen, jullie rendieren en trotseer de wind en doe je kop naar beneden en droom van de lente.

De volken van het Europese en Aziatische noorden voor wie het leven in de wildernis pas mogelijk wordt door het weinig eisende rendier, zijn nomaden. Ze verkrijgen van hun kudden die zij als enig bezit koesteren en verzorgen, vlees en melk, waaruit dan weer kaas bereid wordt. Het bloed wordt opgedronken als het nog warm is; de maaginhoud wordt als een bijzondere lekkernij opgepeuzeld, omdat er veel plantenresten in zitten. Je kunt je wel indenken hoe onontbeerlijk de huiden van de geslachte dieren zijn om er kleren, allerlei riemen, schoenen, waterzakken, ja zelfs tenten met de inrichting van te maken. Eveneens worden ze versneden en gekauwde pezen gebruikt als naaidraad; botten en gewei worden tot alles en nog wat aan gebruiksvoorwerpen en siervoorwerpen verwerkt. Er is dus niets van het dier dat niet in de strijd tegen de harde natuur een waardevolle dienst kan bewijzen!
Het rendier wordt ook benut als lastdier, bijvoorbeeld wanneer de familie, door de seizoenen gedwongen, aan hun verre omzwervingen beginnen. Dan worden de dieren met de tenten en alle have en goed bepakt. Op het laatst komen de kleine kinderen er nog bovenop. Daarbij komt ook nog dat men van oudsher het rendier als trekdier afgericht heeft, maar slechts zelden gebruikt men het als rijdier, zoals in Noord-Siberië. Dan moet er een speciaal zadel boven de voorpoten gelegd worden, want een ruiter als een paard te dragen, daarvoor is de rug van een rendier te zwak.

Het rendier komt in het wild voor in Noord-Scandinavië, maar ook op IJsland en op Spitsbergen tref je ze aan. Op de toendra van Canada loopt een bijzonder mooie variëteit, de kariboe, die tijdens de zomer op lange omzwervingen zelfs over de bevroren zee tot in Groenland komt.

De jacht op wilde rendieren is nog moeilijker dan de jacht op gemzen, alleen al omdat men zich in volstrekt onbewoonde, onherbergzame gebieden zonder bomen moet wagen waar ook geen herdershutten staan om je tegen kou en regen te beschermen of waar je zou kunnen slapen. Dan geldt: geen inspanning uit de weg te gaan. Men moet voor vele dagen proviand meenemen en hoog de bergen ingaan, waar allang geen bomen meer groeien, alleen nog een paar dicht tegen de grond gedrongen dwergstruiken, waarachter een mens – om niet gezien te worden – hooguit plat liggend zich kan verbergen. Men moet uren-, ja dagenlang overgeleverd aan de schrale wind over schots- en scheef liggend puin met scherpe kanten klimmen, omhoog klauteren langs glibberige rotswanden en wanneer er een stortbeek komt, mag men er niets om geven om tot op de huid toe nat te worden, ja, als het moet er op handen en voeten doorheen te kruipen om maar niet gezien te worden. Zo moet je een roedel wilde rendieren naderen.
Misschien ligt er net een te rusten op een gletsjerrand of een besneeuwd veld die je ook in de zomer in het hoge noorden overal aantreft, om te herkauwen. De koelte boven biedt gedurende de zomermaanden bescherming tegen de lastige steekmuggen of dazen, die vreselijke kwelgeesten, ook van de stropers. Maar het hoofd van de roedel is waakzaam. Hij is niet gaan liggen, maar kijkt en ruikt met zijn scherpe zintuigen die veel beter zijn dan die van de mens, naar alle kanten. Wanneer hij moe wordt en gaat liggen, staat er meteen een ander dier op om in zijn plaats de wacht over te nemen. Nu moet de jager precies de windrichting zoeken, zodat hij tegen de wind in en niet met de wind mee verder sluipt, anders geeft de leider een waarschuwing en de hele kudde stuift er gezind vandoor, om pas honderden meters verder weer stil te houden. Dan kunnen voor de jagers onder deze omstandigheden de moeite en de kwellingen van vele dagen tevergeefs zijn geweest.
En hoe moeilijk is het niet om een kudde wilde rendieren in het hooggebergte te ontdekken. En met welke zinsbegoocheling krijgt een jager niet te maken, want de kleur van de dieren wijkt nauwelijks af van de rotsige bodem!
Ook roofdieren, beren en wolven, die maar al te graag een jong rendier grijpen, wordt dit door de waakzaamheid en de weerbaarheid van de roedel bijna onmogelijk gemaakt.

Het rendier heeft dus de eenzame, afgelegen streken waar geen mens leeft, als zijn veilige woongebied uitgezocht. Gedurende zijn trektochten in de herfst en het voorjaar vermijdt het zelfs angstvallig het lichte berkenbos van de dieper gelegen meeroevers, omdat het zich daar niet meer zeker voelt. Zo schuw en voorzichtig is het rendier!

Maar zelfs de getemde kudden hebben zich nog lang niet zo vertrouwd bij de mens aangesloten als de huisdieren. Ze africhten zodat ze kunnen dragen of sleeën kunnen trekken is een heel moeilijk en tijdrovende werk. Steeds opnieuw komen wildheid en de niet te beteugelen drang naar vrijheid naar buiten. Om ze te kunnen melken moeten de koppige rendierkoeien eerst met touwen vastgebonden worden, willen ze dat toelaten. Als een dier voor het werk nodig is, moet het met een lasso gevangen worden, waarbij het gewei natuurlijk wel handig is.

Bijzonder ervaren rendierherders zijn de in Noord-Scandinavië wonende Lappen. Als echte nomaden moeten zij hun leven helemaal aan het leven van hun rendieren aanpassen. Deze kudden zijn hun grote trots, maar ook hun plaag, want het leven in de eenzaamheid van de bergen in weer en wind in hun lichte tenten is hard. Het kan voorkomen dat de kleine kinderen ingesneeuwd zijn, wanneer ze ’s morgens wakker worden, omdat ’s nachts de tent door een storm weggewaaid is.
Hoe groter de kudde is die een Lap zijn eigendom kan noemen, des te gelukkiger voelt hij zich en des te meer aanzien heeft hij ook. Daarom is het voor een Lap ook veel erger, wanneer hij door een epidemie of een andere ongeluk zijn kudden verliest, dan wanneer een boer zijn vee kwijt raakt. Hele gezinnen die eerst rijk waren, raken in armoede en bittere ellende.

Voor de kudden rendieren breekt een moeilijke tijd aan, wanneer de zon in de lente overdag in de bergen al zo warm is, dat de sneeuw zacht wordt. Dan ontstaan er ’s nachts ijskorsten en wanneer de rendieren daar met hun hoeven doorzakken, raken ze door de scherpe kanten gewond aan hun poten. Nog meer ellende hebben de kudden, maar ook de herders, natuurlijk  van de roofdieren, die hongerig rondzwerven. Allereerst moet je de beren noemen, maar ook de veelvraat, dat bloeddorstige, marterachtige roofdier van het noorden. Met zijn bijna duivelse moordzucht kan die erg gevaarlijk zijn. Juist de dieren die buiten de kudde zijn geraakt, vallen ten prooi aan deze rovers. Voor de kudden zijn in het bijzonder de wolven gevaarlijk, omdat deze ook als roedel te werk gaan. Alleen al hun huiveringwekkend gehuil jaagt de kudden angst aan, ja dat kan hen volledig in de war brengen. Maar daar zijn de sluwe wolven nu juist op uit. Een deel van de meute loopt in een grote boog om de kudde heen en drijft de bange dieren naar de andere wolven. Ook al kan een rendier zich met zijn gewei en krachtige, weerbare voorpoten goed tegen een enkele wolf verdedigen, dan toch worden de vreedzame weidedieren, alleen al om hun jongen, van een door honger huilende wolfsroedel wild van schrik. De kudde kan ook een gevechtslinie vormen, wanneer ze worden aangevallen. Dicht tegen elkaar aangedrukt, worden de jongen in het midden gehouden en de sterke stieren stellen zich met hun koppen naar beneden, naar de buitenkant gericht, op. Tegen zo’n gevechtslinie is het ook voor de wolven erg moeilijk er op af te rennen en toch wordt meestal wel een of ander dier naar de grond getrokken. Hongerige wolven zijn nu eenmaal razende woestelingen.

Om zo’n overval te voorkomen, moeten de herders dikwijls dag en nacht op wacht staan. Ten tijde van bijzonder gevaar, kunnen ze het niet wagen om zelfs maar te slapen. Dan moeten ze de nacht doorbrengen, leunend op een stok. Ook dat behoort tot het zware leven van de herders in het hoge noorden.

Eenmaal per jaar is het voor de Lappen een heel bijzondere dag, of liever gezegd, een heel bijzondere nacht. Wanneer de jonge rendieren gemerkt worden. In de grote kudden worden de dieren van verschillende eigenaren gemeenschappelijk gehoed en je moet toch weten van wie welk dier is. Zolang de kalfjes, die in het voorjaar worden geboren nog bij de moeder lopen, zie je dat gemakkelijk. In de herfst echter gaan de kalveren bij de moeder weg. Kort van te voren spreken de Lappen een dag af, waarop de kudden uit de bergen in de dalen worden gebracht. De dieren die de kudde leiden worden met een lasso gevangen en in de dalen gebracht. Geduldig volgt de hele kudde. Ze worden over de van oudsher kilometers lange wegen geleid. Vaak moeten ze door rivieren waden of meren overzwemmen: een onvergetelijk schouwspel voor ieder die het kan zien, wanneer alleen de koppen boven water uitkomen en daarboven een woud van geweien.
Uiteindelijk zijn de kudden dan op de verzamelplaatsen, die eveneens ieder jaar weer worden gebruikt. Het moet nacht zijn, omdat de kudden dan niet onrustig worden door de muggen en de dazen. Maar de nacht is aan deze kant van de poolcirkel nog altijd licht genoeg. Het is alleen wat schemerig. Ongeduldig wachten zij die in het dal achtergebleven zijn op de aankomst van de dieren. Plotseling duiken in de verte de kudden op en weldra hoor je ook het getrappel van de dicht opeengepakte dieren en ook het typische getik wanneer de hoeven elkaar raken. Van alle kanten komen ze aan, deze geweigolven. Als ze eindelijk allemaal bij elkaar staan, wordt de kraal afgesloten. De dieren lopen nog gejaagd rond of vormen aparte rijen. Midden in het gewoel en de opwinding echter, staan rustig de Lappen met volgens de regels der kunst opgerolde lasso’s over de arm en wie bij de Lappen op bezoek is, mag ook mee binnen de kraal om te kijken naar het mooie wat daar wordt gedaan. Soms komt er een rij rendieren, aangevoerd door een sterke stier op je af gegaloppeerd. Je bent al bang onder de voet te worden gelopen, maar met een ruk blijven ze allemaal staan en de stroom splitst zich en raast links en rechts aan je voorbij.

Ondertussen werpen de Lappen zoals het hoort en behendig de lasso’s om de kalveren. De lus slaat – dat hangt er vanaf – om de hals of de poten van de jonge dieren. De Lap trekt het touw vast aan en trekt ze op de grond. Dan gaat hij erop zitten, trekt zijn scherp geslepen mes en kerft zijn merkteken in het oor. Het doet geen pijn, ja het bloedt zelfs niet eens. Soms ook weer ontworstelt het kalf zich aan de lus en springt er vandoor. Zijn eindelijk alle kalveren gemerkt, wat bij de grote kudden de hele nacht duurt, dan wordt de afsluiting weggehaald en de kudden mogen weer in hun bergen het voedsel zoeken.

In veel streken betekent het merken van de dieren groot feest waar ook de kinderen en familieleden, die anders in  de dalen wonen, naartoe komen. Op deze dag voelt de Lap hoe gezegend hij is. Wat een gejuich wanneer de gehoornde scharen vanaf de berghoogten aankomen!

Het getemde rendier wordt natuurlijk niet bejaagd, maar geslacht. Ook het slachten betekent groot feest, waarbij veel gegeten wordt. De geselecteerde dieren worden door een messteek in de borst gedood en sterven snel. Het vlees dat als voorraad dient, wordt in de buitenlucht gedroogd, het is de jaaroogst van de Lappen. Het vel van verschillende lichaamsdelen wordt steeds voor bepaalde doeleinden gebruikt: voor kleren, mutsen, schoenen, dus waarvoor het het meest geschikt is. Zo worden bijvoorbeeld de heel kleine kinderen in de wieg gelegd op delen van het vel die van de buik van het rendier komen, want daar is het vel bijzonder zacht en donzig.
Maar wie als klein kind op rendiervel in bed is gelegd, zou voor hem ook later, wanneer hij groot is geworden, het rendier niet een geliefd en vertrouwd dier zijn?
Zijn hele leven zal hij ermee verbonden blijven.

.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

.

790

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.