Tagarchief: Grohmann Leesboek voor de dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (10) – vleermuizen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 74                                                                                                     hoofdstuk 10

vleermuizen

De vleermuizen behoren ongetwijfeld tot de allermerkwaardigste zoogdieren en ze lijken ook altijd wel een beetje griezelig. Hoewel ze vleugels hebben, zijn ze toch bedekt met een huid en ze brengen hun jongen groot met melk. Deze twee eigenschappen alleen al geven aan dat ze tot de zoogdieren gerekend moeten worden. Om ze als vogels te beschouwen, alleen omdat ze kunnen vliegen of liever gezegd, fladderen, zou niet juist zijn. Weliswaar is er bij hen veel veranderd van wat bij het leven in de lucht hoort en daardoor lijken ze maar weinig op een zoogdier. Vooral de armen zijn omgevormd en de poten waartussen een vlieghuid gespannen is. Met muizen hebben de vleermuizen alleen de naam gemeen, wellicht omdat ze net als deze, wegschieten en ’s nachts leven.

De dag brengen ze op verborgen plekjes door. Bovendien zijn het geen knaagdieren, maar ijverige en zeer nuttige insectenvangers.
De grootste van onze binnenlandse vleermuizen, de  grote vleermuis*, heeft een vleugelspanwijdte van 37 centimeter, de kleinste, de dwergvleermuis, slechts 17-18. Het lijfje is nog kleiner dan dat van de kleinste zangvogels.

Omdat de vleermuizen pas in de schemering tevoorschijn komen en je ze dan toch niet goed kan zien, wanneer ze aan je voorbij fladderen, weet men gewoonlijk ook niet zoveeel van ze.
Wie ze niet in hun verstopplaatsen, zoals holle bomen, in rotsen en muren, tussen de balken van bijv. kerken waar nauwelijks iemand komt, ontdekt, zal er zelden een te zien krijgen. In de vlucht scheren ze als spoken, net schaduwen, voorbij.
Veel meer vleermuizen dan bij ons zijn er in de warmere landen. Daar komen ook veel grotere soorten voor. De vleermuizen en hun families worden handvleugelige zoogdieren genoemd, een naam waarvan de betekenis makkelijk te begrijpen is.
De verspreiding gaat maar tot aan de poolcirkel, want nog verder naar het noorden zouden vleermuizen niet genoeg voedsel meer vinden. De meeste voeden zich uitsluitend met insecten die ze tijdens hun vlucht vangen, hoewel er op de oostelijke helft van de wereld ook veel fladderaars zijn die vruchten eten, waartoe de vliegende honden en vliegende vossen behoren. In de warmere delen van Midden- en Zuid-Amerika daarentegen leven zelfs bloedzuigende soorten, waarvan vroeger in de tijd na de ontdekking van Amerkia overdreven fantastische verhalen de ronde deden. Die vampieren zouden zelfs bij mensen bloed zuigen.
Alleen waar is dat ze dieren in ruste aanvallen, weidedieren of de paarden van reizigers, waarbij ze hun vlijmscherpe voortanden in de huid prikken om bloed te drinken. Werkelijk gevaarlijk kan een vampier voor een groter dier niet zijn, want de vampier is zelf maar een fladderaar van zeven centimeter.

Over vleermuizen leer je heel veel, wanneer je ze met de vogels waarmee ze dus op het eerste gezicht verwant lijken, vergelijkt. Maar bij beide is de lichaamsbedekking uiteraard heel verschillend. De vogels hebben een verenkleed dat hen niet alleen tegen afkoeling beschermt, maar zoals bekend voor het vermogen om te kunnen vliegen van de allergrootste betekenis is. Ook de vleugels die de vogels in de lucht houden, bestaan uit veren en met behulp daarvan stuurt hij zijn vlucht rustig en zeker. Een geplukte vogel kan niet meer vliegen. Vogelveren zijn niets anders dan uitgedroogde hoornvormen waarmee de vogel wel kan vliegen, maar niet kan voelen. De vlieghuid die zogezegd bij de vleermuizen in de plaats komt van de veren, is alleen maar een stukje lichaamshuid. Die heeft de fijngevoeligheid van de huid in hoge mate. Daardoor betekent de vlieghuid van de vleermuizen hetzelfde als bij de vogels hun ongekend scherpe ogen. Natuurlijk hebben de vleermuizen eveneens ogen, maar veel ervaringen hebben geleerd dat ze maar slecht kunnen zien.
Een ander zintuig dat bij hen onvoorstelbaar fijngevoelig is, heeft de overhand, de tastzin.

 


De vlieghuid bevindt zich gespannen tussen het lichaam, de armen en handen waarvan de in-dunne vingers gespreid zijn, De botten van de armen zijn sterk verlengd, zodat de vleermuis met zijn handen veel verder in de lucht kan grijpen dat wij kunnen. De buitengewoon langere vingers zien eruit als de baleinen van een paraplu. Alleen de korte duim is vrij gebleven. Ze hebben een kromme nagel die de vleermuis kan gebruiken wanneer die rondkruipt of langs stenen omhoog kruipt. De vlieghuid loopt verder door naar achter tot de poten en nog verder tot de staart zelfs, zodat het hele achterlijf door een brede vlieghuidzoom omgeven is. Daardoor wordt het totale vliegvlak aanzienlijk groter dan bij vogels.
Ondanks dat kunnen de vleermuizen niet op tegen de vogelvlucht. Zij beschikken bv. niet over de glijvlucht, die de vogels veel besparing oplevert – sommige vogels kunnen urenlang, ja dagenlang met uitgespreide vleugels rustig verder zweven zonder maar een enkele vleugelslag te hoeven maken.
Vleermuizen echter moeten onophoudelijk fladderen om in de lucht te blijven; zo gauw ze ermee ophouden vallen ze naar beneden. Ze worden snel moe en moeten ook steeds weer uitrusten, omdat ze anders buiten adem raken.
Ondanks dat zijn er snelle en behendige vliegers en langzamere en onhandige onder hen. Die verschillen vind je terug in de vleugelbouw. Snelle en behendige vlkiegers hebben, net als dat bij de vogels is, langere en spitsere vleugels. Ze vliegen ook hoger dan de soorten met kortere en bredere vleugels. Een kenner ziet aan het vliegen al welke vleermuissoort het is. Onze snelste en tegelijkertijd behendigste soort is de vroegvliegende vleermuis. Die waagt zich soms al voor zonsondergang naar buiten en jaagt dan, dikwijls nog samen met de zwaluwen, torenhoog met snelle, onverwachte wendingen. Daarom worden ze snel met zwaluwen verwisseld. Anders kun je de vleermuizen wel herkennen aan hun beverige zigzagvlucht.

Het enige jong komt in de lente ter wereld. Het klauwt zich zelfs aan de moeder vast en wordt door deze wekenlang ook op de vlucht meegedragen, zelfs als het zelf al fladderen kan.
Zelfs de voeding wordt op de vlucht gevangen. Je kan zeggen dat waar geen insecten rondviegen, er ook geen vleermuizen zijn.
Alle insectenvretende fladderdieren hebben brede bekken en het gebit zit vol met naaldpuntige tandjes. Ze hebben een reusachtige behoefte aan voedsel, dat verklaart wel waarom ze zo ingespannen vliegen. Van vleermuizen in gevangenschap weet men dat grotere soorten dagelijks makkelijk een dozijn meikevers op kunnen vreten en dan zijn ze nog niet eens verzadigd! Kleinere soorten vreten dagelijks in elk geval 60 vliegen op. Vleermuizen kunnen namelijk vertrouwd raken met je en zelfs uit je hand eten.
Het verteren gaat niet zo nauwgezet, want vleermuizen hebben maar een korte darm.
Zulke hongere vreters houden natuurlijk onder de nachtelijke luchtzoemers een geweldige opruiming. Bovendien moeten ze veel water drinken om niet te verdrogen, bv. tijdens de lange winterslaap.

Zoals bekend heeft ieder dier zijn eigen gezicht, je zou ook kunnen zeggen, een geizhtsuitdrukking, waar we graag naar kijken. Zie je daarentegen vleermuiskoppen, ook die van uitheemse fladderdieren, dan voel je je juist afkerig daarvan. Zou een schilder voorbeelden voor afstotelijke wezens nodig hebben, dan hoeft hij maar in boeken te kijken waarin de koppen van die fladderdieren afgebeeld staan. Daarin zou hij genoeg inspiratie vinden. Als vleermuizen zo groot zouden zijn als andere zoogdieren, dan zouden ze huiveringwekkend en angstaanjagend zijn, bijna als de duivel.
Alleen die brede bek is voor menselijke begrippen al lelijk en juist de op zich al grote, ja vaak zoals bv. bij onze grootoorvleermuis, fantastisch grote oren lopen nog tot aan de mondhoeken door naar beneden. Bijzonder afzichtelijk echter worden de vleermuiskoppen als daar nog alle mogelijke huidverdikkingen, wratten en hoornige eeltknobbels rond de snuit en de neusopening bij komen. In het dierenrijk kun je dat met niets anders vergelijken. Onze inheemse hoefijzerneus staat erom bekend dat hij rond zijn neus een platte hoefijzervorm heeft. 

De gladneuzen hebben in hun gezicht niet zo’n huidvorming, de bladneusvleermuizen wel.
We weten tegenwoordig dat deze ‘neusbladen’ organen zijn van het reukorgaan dat bij de vleermuizen bijzonder fijnzinnig is. Daarom zijn de vleermuizen op deze plaatsen uitermate gevoelig. Als ze daar gewond raken, stoten ze zich overal aan en vallen naar beneden. Sommige kun je door een lichte druk op de neus al doodmaken. Maar in het algemeen is de huid van een vleermuis uitermate gevoelig. Het is, alsof dit fijne gevoel dat wij alleen in onze vingertoppen hebben, bij hen bijna over het hele lichaam uitgebreid is.
Ook de vlieghuid is een wonderbaarlijk tastorgaan. Die is zo goed als naakt, er zitten alleen wat voelhaartjes op die de luchtbeweging aanvoelen. Zo kan de vleermuis met dit gevoel tastend door het volledige duister snel en met zekerheid de weg vinden. Ook zitter er vooral nog voelhaartjes op z’n kop boven de lippen en aan de binnenkant van de oren. Ze kunnen het gezoem in de lucht niet alleen horen, maar bovendien nog door een zintuig voelen waarvan de mens zich maar moeilijk een voorstelling kan maken hoe fijnzinnig en bijzonder dit is. Daarom spreekt men bij vleermuizen zelfs over een bijzonder gevoel voor de lucht en men noemt ze dan in tegenstelling tot de vogels gehoor- en gevoelsdieren. Als een mens al deze bijzondere zintuigen van de vleermuis daadwerkelijk zou begrijpen, dan zou hij de gezichten van de kleine duiveltjes wel kunnen verklaren.

De Italiaanse onderzoeker Lazzaro Spallanzani deed in 1790 al de volgende proef: hij liet vleermuizen waarbij hij de ogen, oren en neusgaten met pleisters afgeplakt had, in een kamer vliegen waarin een soort web van fijn draad was gespannen. De vleermuizen konden niet horen en niet zien, noch iets ruiken en vlogen toch heel snel en zeker door de dradenwirwar, zonder ergens tegenaan te stoten. Alleen hun gevoelszintuig kon hen al helpen om goed uit te komen. Sommige onderzoekers denken zelfs te weten dat de vleermuizen op hun vlucht zachte, voor ons gehoor niet waarneembare kreten slaken. De vleermuis echter neemt de echo waar, denken deze onderzoekers en weet daardoor de weg. Maar als hij zo’n reuzengrote oorschelp heeft dan moet het oor van een vleermuis toch wel heel fijngevoelig zijn! Het inwendige oor kan hij door een bijzonder huidvormig dekseltje afsluiten en daardoor goed beschermen.

Wanner vleermuizen slapen en ze slapen overdag en de hele winter door, dan slaan ze de vleugels als een soort manteltje om zich heen. Ze wikkelen zich zogezegd in hun vlieghuid en gaan met hun kop naar beneden hangen, waarbij ze zich met hun achterpoten ergens aan vasthaken. Zelfs de grote oren worden opgevouwen. In deze houding kunnen ze het maanden uithouden. Het is echt een verrassend, vreemd aandoend gezicht scharen vleermuizen te zien hangen, want sommige hangen zelfs aan elkaar en kunnen dan hele druiventrossen of ballen vormen. Zo samenzitten heeft het grote voordeel dat de vleermuizen elkaar ook een beetje warm kunnen houden. Als ze weg willen vliegen, laten ze zich eenvoudig vallen en spreiden snel hun vlieghuid uit.
Voor een vleermuis die zit of kruipt is het moeilijker in de lucht te komen. Het voortbewegen op een vlakke ondergrond waarbij de klauwduim en voor het schuiven de achterpoten gebruikt worden, kan je alleen maar als onbeholpen kwalificeren, wat weliswaar nog zo snel kan gaan als het trippelen van een muis.
Voor het wegvliegen wordt eerst de hele vlieghuid met een olieachtig smeersel ingevet om deze goed soepel te houden. Het smeersel wordt door klieren afgescheiden die in de kop tussen de neus en de ogen liggen.

Iedere vleermuissoort zoekt een iets andere slaapplaats op. Oude muren en holle boomstammen genieten bij vele de voorkeur, maar leegstaande huizen, verlaten stallen, verborgen donkere hoekjes tussen het gebalkte zijn welkome rustplaatsen. Zelden vind je slapende vleermuizen in rotsspleten. De slaapplaatsen moeten wel bescherming bieden tegen al te harde wind, want de vleermuis is warmbloedig. Dat de slapers zich ook voor roofdieren waarvan de uilen in de eerste plaats moeten worden genoemd, in veiligheid willen brengen, is wel te begrijpen. Door de jaren heen zoeken ze altijd weer dezelfde slaapplaatsen op en daar vind je met de tijd dikke lagen uitwerpselen die voor de tuin een goede meststof zijn.

Het is een wonder dat de vraatzuchtige vleermuizen tijdens de vele maanden durende winterslaap niet verhongeren. Maar gedurende deze tijd vliegen ze niet en van het vliegen krijgen ze de grootste honger. Bovendien heeft de natuur hier  een wonderbaarlijke voorzorgsmaatregel getroffen. De temperatuur van het bloed dat anders bij vleermuizen bijna zoals bij de mens 35° bedraagt, zakt naar 14° of nog lager en het hart klopt iedere drie minuten maar één keer. Is onder dergelijke omstandigheden de behoefte aan voedsel al zo gering, dan heeft de vleermuis ook nog geheime voedselvoorraden voor de winter aangelegd die nu beetje bij beetje verteerd kunnen worden. In de nazomer heeft de vleermuis, wanneer er nog zoveel insecten onderweg zijn, zich stilletjes en heimelijk met een heel aardig vetrantsoen volgevreten. Gedurende die tijd is hij wel een vijfde zwaarder geworden en dat wil wat zeggen. En nu heeft hij het goed, want hij hoeft nu alleen maar zijn eigen vet te verteren, heel, heel langzaam.

Na de winterrust komen de vleermuizen niettegenstaande dat met een groot hongergevoel uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en dan zijn ze niet erg kieskeurig. Bij zo’n aanval van grote honger zou onze kleine vleermuis zelfs vogels aanvallen, van hen het bleod drinken en wanneer het mogelijk is ze zelfs opvreten. Ja, onze vleermuis toont met zijn vlijmscherpe tandjes in andere omstandigheden ook een bijtgraag schepsel. Echt, het raadselachtige van deze zeldzame diertjes wordt niet minder, in tegendeel eerder groter wanneer je ze beter wil leren kennen.
Hun nachtelijke manier van leven, hun spookachtig bewegen zijn het misschien wel die ons met vleermuizen steeds het gevoel van griezelig laten verbinden.
Sinds oude tijden wordt de duivel met vleermuisvleugels, in plaats van zoals de engel met vogelvleugels, uitgerust en afgebeeld. In de legende heet het, dat toen God de vogels schiep, de duivel toestemming vroeg er ook een te maken. Hij greep een muis om te veranderen. Maar daaruit werd een vleermuis, een dier van de duisternis.
Maar als we natuuronderzoekers willen zijn, mogen we ons er niet vanaf laten brengen, het eigenaardige te bewonderen en met eerbied tegemoet te treden, dat nu juist de vleermuis ons voor ogen voert, hoewel hij het karikatuurbeeld van een vogel, een vraatzuchtig klein monster, een fladederdier is.
.

*het Duits heeft ‘Riesenfledermaus’, een vertaling daarvan is ‘hondvleermuis’ en die heeft wel een spanwijdte van 170cm.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1823
Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (14) – olifanten

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 106                                                                                                   hoofdstuk 13

Olifanten

 

Vertaling en samenstelling: Joep Eikenboom. Met dank voor het ter beschikking stellen.
.

Iedereen moet toch wel toegeven dat de olifant, de grootste van alle op het land
levende diersoorten, ook tot de merkwaardigste behoort. Met zijn machtige, tot wel 5000 kilo zware lichaam, een kop met bijna geen hals en met zijn tot een slurf uitgegroeide neus, is deze kolos als een vreemdeling – of beter gezegd een
zonderling – tussen de andere landdieren. We weten dat hij een verlate nakomeling is van de dieren uit de oertijd, die allang zijn uitgestorven. Vele daarvan waren geweldig groot en ook plomp en lomp in vergelijking met de tegenwoordig levende dieren.
Door bijzondere gebeurtenissen in de geschiedenis van de aarde kwam het, dat in Noord-Siberië, waar de grote rivieren in de Noordelijke IJszee uitkomen, de
voorouders van onze olifanten zijn bevroren behouden in poolijs. Ze zijn daar
waarschijnlijk gestorven toen ze door een natuurramp werden verrast. En omdat
het ijs zelfs in de zomer niet dooide, zijn ze nog steeds met huid en haar
ingevroren in ijs en sneeuw, alsof ze pas gisteren gestorven zijn. De grote rivieren
spoelen ze uit, of ze kunnen worden opgegraven. Wolven en honden eten dan hun vlees.

De mammoet – want hierover gaat het – had zelfs grotere slagtanden dan de olifant. Van sommige waren de slagtanden 4 meter lang en 200 pond zwaar, maar ze waren meer naar binnen gebogen dan olifantentanden. De mammoet had een bruine vacht die extra lang en weelderig om de nek groeide, terwijl olifanten naakt zijn. Hieruit concluderen onderzoekers dat de mammoet in een ruiger klimaat moet hebben geleefd.
Slechts enkele nakomelingen van zulk soort oer-dieren hebben zich tot op de dag
van vandaag voortgeplant. Voor de mens zijn de olifanten daarvan het belangrijkst, omdat die duizenden jaren als rij- en werkdier hebben gediend.

De Afrikaanse olifant die door zijn grote uitstaande oren verschilt van de Indische, die behalve in India ook nog voorkomt op Sri Lanka en op de eilanden Sumatra en Borneo. De Indische olifant wordt beschouwd als de mooiere van de twee. Hij is goedaardiger en daarom ook gemakkelijker te temmen. Maar desalniettemin hebben de mensen vroeger ook geweten hoe ze de Afrikaanse olifanten dienstbaar konden maken. De beroemde olifanten met wie de legeraanvoerder Hannibal in 218 vóór Christus de Alpen overstak, waren Afrikaanse olifanten, steppen- of de kleinere bosolifanten.

Indische                                                         en                Afrikaanse olifant

Olifanten lopen in telgang, wat wil zeggen dat ze altijd de poten van dezelfde kant optillen. Het machtige dier kan niet draven noch galopperen. Nee, je kunt hem niet lichtvoetig te noemen, maar de olifant legt in een enkele nacht toch
verbazingwekkende afstanden af; in rustige gang al 6 kilometer per uur, op de
vlucht een veelvoud daarvan. Ook vermijdt hij bergen niet, maar bijzonder steile
hellingen veroorzaken altijd wel moeilijkheden voor olifanten. Bergopwaarts zie je ze soms zelfs op hun knieën naar boven klimmen. Steil naar beneden glijden ze half-zittend, omdat ze het enorme lichaam anders niet kunnen houden. De olifanten gebruiken toch altijd dezelfde paden tijdens hun trektochten, die vervolgens worden platgetreden en worden ook door andere wilde dieren, zoals nijlpaarden en neushoorns, als pad gebruikt. Dat er dan bomen in de weg staan maakt voor de olifanten niets uit. Die kunnen dienen als een grote wig waarmee alles uit elkaar kan worden geduwd. En wanneer dat nodig is, wordt het obstakel gewoon met de slurf uitgerukt. Ook bestaan hindernissen op de grond niet voor olifanten. De kuddes, die wel uit honderden dieren kunnen bestaan – vooral in vroegere tijden toen de olifanten nog niet vervolgd werden zoals nu – lopen meestal achter elkaar in ganzenmars waarbij ze worden aangevoerd door een vrouwtje van wie de aanwijzingen allemaal bereidwillig worden opgevolgd.
De kuddes zijn nog te vinden op hoogtes van 2000 tot 3000 meter, waar het in de ochtend nog best erg koud kan zijn. We weten dat de Afrikaanse olifant vroeger verder naar het noorden dan tegenwoordig voorkwam en zelfs in het Atlasgebergte woonde. In Zuid-Afrika, waar olifantenkuddes nog maar op heel weinig plaatsen voorkomen – namelijk waar ze beschermd zijn – kwamen ze meer voor.
Wanneer de olifanten achter elkaar door het bos sloffen, kunnen hun stappen bijna onhoorbaar zijn. Dat komt doordat de poten een brede en zachte, goed opgevulde zool hebben waarvan de omtrek eivormig is. De poten zijn als vier sterke zuilen met dikke botten, waarop de olifant zelfs staande kan slapen. Van de tenen zie je alleen de heel korte hoefachtige nagels. Op plekken waar olifanten bezig zijn, hoor je natuurlijk de bomen kraken, als ze de stammen met hun slagtanden splijten en de schors eraf trekken, of wanneer ze met hun slurf hele takken ombuigen. Graag woelen olifanten met hun slagtanden de bodem om, om wortels of knollen op te graven en om ze dan ook op te eten. Hoe machtig de olifant er ook mag uitzien, toch is het een echte herbivoor, dat wil zeggen een planteneter, zoals sowieso de grootste dieren helemaal geen roofdieren zijn.
Laten we eens een beschrijving door een reiziger lezen, over hoe het eraan toegaat wanneer zich een olifantenkudde in het oerwoud te goed doet.
“Stil en geruisloos verloopt zo’n maaltijd niet, het veroorzaakt eerder een hels
kabaal. Het knakken van de takken, het kraken van de takken, vaak afgebroken
met vereende krachten, het kauwen, ademen, het poepen, het doffe borrelen van
gassen in de darmen, het stampen van zware poten in het moeras, het natspuiten
van hun lijf met de slurf, het flappen van de grote oren, die vaak als zonnescherm
worden uitgeklapt, het schuren van de massieve lichamen tegen dikke
boomstammen en daar doorheen het schrille en diepe gebrul van de dieren vormt samen een oorverdovend geheel. Even groot als dat lawaai is de schade die een olifantenkudde in het bos aanricht. Die gaat elke beschrijving te boven. Alles wat de grote poten niet diep in de grond trappen wordt omgegooid, de stevigste boom wordt ontworteld en de takken eraf gebroken; het kreupelhout ligt kriskras door elkaar, alsof er een razende wervelstorm is langsgetrokken; stammen, die
eeuwenlang allerlei stormen hebben getrotseerd, zijn afgeknakt als een rietje.”
De zoöloog Alfred Brehm voegt zijn eigen ervaringen met oerwoud-olifanten er aan toe: “Takken sterker dan een arm worden zonder aarzeling door de olifanten
verslonden. Lage twijgen, vooral die op bek-hoogte, duwen ze als een bundeltje of bosje in hun bek en ze bijten, of beter gezegd ze pletten die dan met hun tanden.”

Ja, waarschijnlijk zal elke Afrikaanse inlandse bosbewoner onder de indruk en bang geweest zijn! Maar in de onmetelijke oerbossen, waar behalve Moeder Natuur zelf niemand anders aan bosbouw doet, maakt het niet uit of olifantenkuddes op hun eigen manier lekker volop een feestmaal houden. Ja, olifanten hebben zelfs hun lievelingsbomen, die zij bijzonder graag afgrazen. Ze zijn niet alleen fijnproevers, maar ze hebben ook – net als de herkauwers – een zeer fijn reukorgaan.
Met andere dieren leven de olifanten in vrede, hoewel zij die allemaal zouden
kunnen verpletteren, als ze dat zouden willen. Maar olifanten zijn vredelievend en zelfs angstig. Een muis kan bij hen zelfs al onrust veroorzaken. Voor mensen zijn olifanten niet bang, zolang ze geen slechte ervaringen met mensen hebben gehad, wat jammer genoeg bij alle in het wild levende olifanten wel het geval is. Tamme olifanten zijn goedaardig, ook aanhankelijk als ze niet slecht worden behandeld.
Bereidwillig doen ze allerlei werk en ze leren steeds weer nieuwe taken uit te
voeren. Je kunt van olifanten zeggen, dat ze hun ervaringen verzamelen en die dan ook zinvol toepassen. Veel verhalen over olifanten leggen daarvan getuigenis af.
Een onderzoeker vertelt:
“Op een avond reed ik in de buurt van Kandy (Sri Lanka) door het woud. Plotseling schrok mijn paard van een geluid, dat uit het tamelijk dichte bos klonk en steeds werd herhaald met dof klinkende klanken: ‘Oermf, oermf’. Toen ik naderbij kwam werd duidelijk wat het was. Het kwam van een tamme olifant, die bezig was met zwaar werk maar helemaal alleen was, dus zonder begeleider. Hij versleepte een zware balk, die hij over zijn slagtanden had gelegd en die hij, doordat het pad te smal was, niet goed verder kon dragen. Door het smalle pad werd hij gedwongen zijn kop steeds naar de ene en de andere kant te draaien en van inspanning maakte hij die geluiden. Toen het slimme dier ons zag, hief hij zijn kop, keek een ogenblik, wierp plotseling de balk weg en schoof achterwaarts het kreupelhout in, om de weg voor ons vrij te maken. Mijn paard aarzelde en de olifant merkte dat. Hij drukte zich nog dieper in het struikgewas en herhaalde zijn ‘Oermf, oermf’, maar veel milder van toon, klaarblijkelijk met de bedoeling om ons aan te moedigen. Mijn paard bibberde nog. Ik was veel nieuwsgieriger naar het doen en laten van deze twee slimme wezens, dan dat ik me er wilde inmengen. De olifant week nog verder en verder achteruit. Eindelijk betrad mijn paard de weg, rillend van angst. Wij gingen voorbij en ogenblikkelijk kwam de olifant weer uit het struikgewas tevoorschijn. Hij tilde zijn vracht opnieuw op en zette zijn moeilijke weg voort.”

Omdat hij zo sterk is heeft de olifant onder de viervoetige dieren en de vogels geen vijanden. Maar hij wel heeft last van stekend en bloedzuigend ongedierte. Dat nestelt zich in de plooien van de naakte huid, omdat die daar, hoewel ze ook
leerachtig en dik kan zijn, dun en zacht is. Maar de natuur heeft ook hierop iets gevonden. Allerlei vogels, die een olifantenrug zien als of het een berg is waar zij
voedsel kunnen vinden. In ieder gebied zijn et weer andere soorten vogels, die met de olifanten bevriend zijn en graag geduld worden.

“Men zich kan geen mooier beeld voorstellen dan de geweldige, donkere, rustig
lopende reus waarop een tiental van de sierlijke, oogverblindend witte vogeltjes
zitten of wandelen, de ene in rust, een andere zich poetsend, een derde die alle
rimpels van de huid onderzoekt en hier en daar jaagt om een insect of een
bloedzuiger, die de dikhuid tijdens zijn nachtelijk bad heeft opgelopen, op te
pikken.”

Zo beschrijft zoöloog Alfred Brehm de vriendschap van de olifant met de
koereigers.
Olifanten kunnen alleen daar leven waar zich veel water bevindt. Ze hebben water in overvloed nodig, om te drinken maar ook om erin te baden of om er zichzelf tenminste met hun slurf mee te kunnen schoonspuiten. Wanneer ze drinken spuiten ze het water met hun slurf in hun bek. Kan een olifant geen water vinden, dan neemt hij een zandbad voor lief, of hij spuit zichzelf zelfs schoon met zand en stenen. Maar het liefst rolt hij natuurlijk in een volledig bad. Het maakt hem niets uit of het water helder is of modderig. Gebade olifanten zijn soms van top tot teen met modder bedekt. Wanneer de modder opdroogt valt het weer af en neemt dan ook nog eens lastige bloedzuigers mee.


Olifanten kunnen ook zwemmen. Bij tijd en wijle steekt een kudde een rivier of een meer over, waar ze zich dan gewoon instorten en zwemmend de andere oever bereiken. De slurf moeten ze daarbij natuurlijk omhoog in de lucht houden.
Als het
enigszins mogelijk is vermijden de olifanten het zonlicht. Je zou ze nachtdieren kunnen noemen, maar met hun jongen stoeien ze graag ook overdag in de schaduw van het bos, waar je ze kunt bekijken als je de kunst verstaat om ze tegen de wind in en volledig geruisloos te benaderen. Daarbij mag zelfs geen takje kraken. Velen proberen het jaren lang tevergeefs om een olifantenkudde in het wild te zien. Je merkt het niet, dat ze jou allang hebben gehoord en dan stil verdwenen zijn. Iedereen moet weten, dat dieren in het wild ongelooflijk veel fijnere zintuigen hebben dan wij mensen. En dat is dus ook zo bij de plompe olifanten. Wanneer een jager eindelijk getrompetter hoort, komt dat meestal uit de verte.
Aan de aard van zijn grote kop, ervaar je ook wat een eigenaardig dier de olifant
eigenlijk is. In verhouding tot zijn lichaamsgrootte heeft hij bijvoorbeeld nogal kleine ogen, en men zegt ook dat olifanten niet bijzonder goed kunnen zien. Daarentegen is het gehoor zeer goed, wat je al aan de grote oren kunt zien.
Maar de lange slurf
maakt de olifant pas tot een echte olifant. Deze is zo lang, dat de olifant hem zelfs een beetje opgerold moet dragen zodat hij niet over de aarde sleept.

De slurf is niets anders dan de wonderbaarlijke, extreem in de lengte gegroeide
neus van de olifant. Helemaal aan het uiteinde heb je de twee neusgaten en het
puntje van de neus. De olifant kan hem gebruiken alsof het een vinger is. De slurf is zo handig, dat hij er zelfs muntjes en papiersnippers mee kan oprapen. Wie anders zou zich kunnen beroemen op zo’n puntje van zijn neus? Iets anders wat
merkwaardig is, is dat de olifant met zijn neuspunt water kan sproeien. Maar
bovenal is de slurf als een geweldig sterke arm, die naast de neusgangen enkel en
alleen uit spieren bestaat. Als de olifant zijn slurf niet had gehad, zou hij dan ook
nog nuttig zijn geweest voor de mens? Geheel terecht wordt er van de olifantenslurf gezegd, dat hij lippen, vingers, hand en arm tegelijk is, en daarbij natuurlijk ook nog een neus. De verlengde neus is een compensatie voor het feit dat de olifant met zijn kop niet tot op de grond kan reiken, zonder daarvoor door de knieën te gaan.
Andere
dieren moeten zich tevreden stellen met vier poten, maar de olifant heeft er nog een extra arm bij. Door deze arm wordt hij zowat een beetje gelijk aan de mens. Als hij het wil, hoeft hij zijn voedsel niet met de mond op te pakken, maar gebruikt hij daarvoor zijn slurf, zoals wij onze handen.
Nee, het is niet alleen de grootte van zijn
lichaam, die de olifant doet uitsteken boven de dieren.
Maar zijn bijzondere aard wordt pas echt duidelijk, wanneer we in zijn bek kijken.
De twee slagtanden zijn omgevormde bovenste snijtanden en zij hebben geen tandwortel, zoals ook bij de knaagtanden van een haas. Daarom blijven zij
doorgroeien zolang de olifant leeft, omdat zij steeds weer verder naar buiten
geschoven worden. Vooral de oudere mannetjes hebben de grootste slagtanden.
Het maakt niet uit, dat ze door gebruik langzaam afslijten! Maar omdat ze zo groot zijn, kan de olifant ze niet meer gebruiken om te bijten, maar ze hebben er een werktuig en wapen aan. Helaas zijn ze vaak genoeg ook het ongeluk voor de
olifant, omdat ivoor zo kostbaar is.
Al in de oudheid werden er allerlei sieraden en
gebruiksvoorwerpen van ivoor gemaakt. Vele tonnen aan slagtanden werden over de rivier de Nijl verscheept naar de ivoorstad Assoean. (De naam Assoean is afgeleid van het Oud-Egyptische woord Swenet dat ‘handel’ betekende.)
Een
olifantenslagtand kan wel 100 kilo wegen. Tegenwoordig zijn de olifanten
beschermd en is de handel in ivoor verboden, anders waren de olifanten allang
uitgestorven.
Aan de olifant kunnen we ook zien, in hoeveel opzichten bij dieren de specifieke
manier van leven wordt voorgeschreven door hun lichaam. Wie er zo uitziet als een olifant, moet ook als een olifant leven.
Naast zijn slagtanden heeft de machtige olifant alleen nog een enkele tand aan
elke kant van zijn kaak, in totaal dus maar vier tanden. Dat is toch verrassend.
Deze kiezen kunnen immers enorm groot en breed zijn, maar ze moeten ook
armdikke takken en grote bosjes steppengras vermalen. Dat kan makkelijk omdat ze er hetzelfde uitzien als de kiezen van herkauwers, met veel haaks op elkaar staande snijvlakken, die door het gebruik niet bot, maar steeds scherper worden. Maar ze slijten wel af. Is zo’n olifantenkies opgebruikt, dan is er achterin alweer een nieuwe doorgekomen en al naar voren geschoven. Tenslotte valt de kies uit en de nieuwe tand neemt diens plaats in. Dit merkwaardige proces van tanden wisselen vindt zes keer plaats in het leven van een olifant, zodat je met recht kan zeggen dat een olifant 24 kiezen heeft die niet allemaal tegelijk verschijnen. Maar je kunt ook zeggen, dat een olifant zijn hele leven lang tanden wisselt. Blijft hij ook een leven lang een groot kind, dat eeuwig tanden wisselt? Is hij zo groot omdat hij niet kan ophouden als een kind te groeien?

Ja, een olifant geeft veel stof om over na te denken. Een pasgeboren
olifant is 90 centimeter hoog en groeit 20 tot 24 jaar. De tanden worden eerst met 2 jaar gewisseld, dan met 6 en 9 jaar, later nog maar zelden.
Veel Afrikaanse volken en islamieten beschouwen de olifant als hun stamvader,
waardoor ze het vlees niet eten. Daaraan zien we, dat natuurvolkeren dat
bijzondere, bijna menselijke van dit geweldige dier bespeurden.

Ten slotte moet nog verteld worden, hoe sterk onder de olifanten het gevoel voor familiesaamhorigheid voorkomt. De kudde – dat kunnen er best honderd zijn – is
altijd als een grote familie. Ze blijven samen en staan niet toe dat vreemden zich bij hen aansluiten.
Hindoes, die de olifanten goed kennen, zien deze saamhorigheid in
een bepaalde familie ook in de wildernis. Droevig is echter het lot van de eenling.
Het komt af en toe voor, dat een olifant ontsnapt uit zijn gevangenschap en in het oerwoud terugkeert. Wanneer hij zijn oude kudde niet terugvindt, dan wordt hij niet in een andere kudde opgenomen en moet hij eenzaam en verbitterd om zijn bestaan strijden. Men weet, dat zo’n eenling dan boosaardig, agressief en daardoor gevaarlijk kan worden, zoals dat ook bij een verstoten mens zo zou kunnen gaan.

Der Elefant, der Elefant
hält seine Nase in der Hand;
solang sich Nas und Hand nicht trennen
wird man ihn ewig einen –
Elefanten nennen!

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1809

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (9)

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 68                                                                                                     hoofdstuk 9

De loftrompet over de regenwormen

Niemand zal van een regenworm zeggen dat het een lief beestje is, want hij heeft nou niets wat je gevoel raakt; ja, velen vinden hem zelfs een beetje vies; maar wie eenmaal heeft geleerd wat hij betekent, weet hem naar waarde te schatten en moet wel blij zijn wanneer er regenwormen in de akker en de tuin voorkomen en het daar naar hun zin hebben.

Het eerste wat nu van de regenworm zal worden beschreven is de lichaamsbouw en de zintuigen. Helemaal kaal en zonder poten kruipt hij op z’n buik rond of onder de grond. Van voor naar achter bestaat hij uit segmenten. Hij heeft geen ogen en geen oren, eigenlijk niet eens een kop. Met pijn en moeite heeft hij vooraan in het tweede segment een mond.
Wie echter zo’n mond heeft als een regenworm, zonder kaken en tanden, kan zeer zeker niemand bijten, en ja, hij kan niets van iets afbijten. Hij moet het heel anders doen. Natuurlijk heeft een regenworm ook geen neus.

Het geheim van de regenworm is dat hij op zijn kale huid heel gevoelig is. Zo voelt hij bv. heel duidelijk of het buiten op de aarde warm of koud is en wanneer het hem te koud lijkt, blijft hij simpelweg thuis. Hij voelt, hij tast met zijn huid.
Misschien hoort hij ook een beetje zonder speciaal oren te hebben. Hij proeft de aarde heel precies, omdat heel zijn lichaam bijna net een tong is. Bij hevige trillingen probeert hij onder de aarde weg te komen; hij weet zelfs of het buiten licht of donker is en wanneer je hem met een zaklamp beschijnt, merkt hij dat ook en trekt zich samen. Zo verbazingwekkend is dat bij dit eenvoudige diertje dat bijna alles kan waarnemen hoewel het toch geen enkel zintuig heeft. Alles neemt hij waar door zijn vochtige huid.
Smaak en reuk zijn bij regenwormen nog hetzelfde, maar toch neemt dit diertje heel fijnzinnig waar of de aardbodem goed of slecht is, of die bevoorderlijk is voor zijn gezondheid of niet, want hij verlaat een slechte bodem en hij zoekt er een op waarin hij het met zijn huid prettiger heeft.
Wie zoals een regenworm geen kop heeft, heeft natuurlijk ook geen hersenen, ook niet de allerkleinste. Die heeft de regenworm ook niet nodig, want wat hij waarneemt, licht, duisternis, geur van de aarde, warmte, kou, trillingen e.d. dat gaat bij hem niet tot in de ledematen, want die heeft hij niet. het zit ‘m gewoon in de worm, kun je wel zeggen. Hij weet dus ogenschijnlijk ook waar boven en onder is, dat moet hij wel voelen, want hij draait steeds dezelfde kant naarboven. Je ziet het ook aan de grote bloedader die midden over zijn rug loopt. Een hart in het bijzonder heeft een regenworm niet.

Wanneer je een regenworm in je hand durft te nemen en je trekt hem dan langzaam van achter naar voren door je vingers, voel je duidelijk dat het een beetje als een rasp is. Dat zijn kleine borsteltjes waar de regenworm er vier rijen van op zijn huid heeft. Op iedere helft twee, boven en aan de buikkant. De borstels zijn tegelijkertijd ‘stijgbeugeltjes’ waarmee de regenworm in zijn loodrechte gangen houvast heeft. Hij kan ze zelfs een beetje bewegen, waardoor je ze verkommerde vervangers van poten zou kunnen noemen. Wanneer je de worm op papier laat kruipen, hoor je het een beetje zacht ritselen. Ieder die het wil kan het proberen. Omdat de borstels van voor naar achter gericht staan, geven ze de worm houvast wanneer hij in zijn gangen naar boven wil, anders zou hij misschien wel ruggelings weer naar beneden vallen. De borstels zijn aan het regenwormlijf ook het enige dat weerstand kan bieden.
De zoölogen rekenen de regenworm tot de ringwormen. Je ziet toch dat hij van voor naar achter in louter ringen of segmenten ingedeeld is. De voorste ring of het voorste deel is spits en kan zich ook nog klein samentrekken zodat het nog langer wordt. Daarmee boort de regenworm zich de grond in wanneer hij een plekje heeft gevonden waar al een klein scheurtje was. Dan komen de borstels hem weer te hulp. Hij heeft zoveel paar borstels als hij segmenten heeft, ook aan iedere kant.
Het volgende dat nu over de bouw en het functioneren van de regenworm zal worden beschreven is, dat hij onmiddellijk onder zijn huid van voor naar achter, zoals men zegt een lentespier heeft. Dat is toch een beetje de vervanger van de armen en benen die hij mist. In verhouding is het toch een sterk dier, zoals je eveneens kan voelen, wanneer je er een beetpakt. De spier maakt het mogelijk dat de regenworm een golfbeweging maakt die van voor naar achter  loopt. Eerst strekt hij zich uit en dan trekt hij het achterste gedeelte weer bij. Maar hij kan ook achteruit kruipen. Hij doet dat wel anders dan de slangen die slingerbewegingen moeten maken, omdat ze een benige wervelkolom hebben. Hoe zouden die zich daarmee kunnen samentrekken of uitstrekken?

De gewone regenworm, de grootste van de bij ons voorkomende soorten, wordt tot 35cm lang en heeft dan ongeveer 150 segmenten. Op een paar centimeter meer of minder komt het echt niet aan. Men weet ook hoe gemakkelijk het kan gebeuren dat zo’n worm in delen gescheiden wordt. Wanneer je de tuin spit, kan het gebeuren, of een vogel in de lucht kan een stukje verliezen. Maar wat hindert het! De worm voelt geen pijn en wat eraf is, is weldra al weer heel.
Laten we eens kijken wie er zoal regenwormen opvreten. We zouden al de vele vogels kunnen noemen die met hun scherpe ogen de grond afspeuren, bv. wanneer er geploegd wordt. Vervolgens snuffelt mijnheer egel overal de grond af of hij er geen smakkend op kan eten wanner hij er een ziet. Onder de grond maken de mollen natuurlijk grote hoeveelheden wormen dood. Spitsmuizen en nog veel meer dieren jagen ijverig op hem en laten hem zich goed smaken, zelfs kikkers eten regenwormen. Moet je dan niet verbaasd zijn dat er dan eigenlijk nog wel overblijven. Maar er blijven steeds genoeg regenwormen over.
Het kan ook aangegeven worden hoeveel van deze stille kruipers er in de grond huizen, omdat het namelijk vaak onderzocht is. In een hectare bosgrond, dat is een vierkant van 100 bij 100m, werden een hoeveelheid van drie miljoen regenwormen vastgesteld. Die zouden bij elkaar zo’n 400kg wegen, zoveel als een vet varken. Bedenk wel dat regenwormen zich snel voortplanten.
Iedereen heeft zeker wel die gordelvormige verdikking – het zadel – gezien in het voorste derde deel van een regenworm. Die begint bij het 27e segment, 8 segmenten groot. Daaruit legt de regenwormen de eitjes en tegelijkertijd zet hij als een soort omhulling slijm af, want de gordel is eigenlijk een slijmklier. Op het laatst stroopt de worm de hele cocon af, zo noemt men de eierbal, zodat deze zich nog meer samen kan trekken.
Dus de regenworm maakt zijn cocon niet uit zijdedraden zoals de zijdespinner, maar hij laat deze uit slijm onstaan die aan de lucht droogt. En zo wordt het wormenbroedsel onder de grond in een kleine holte gelegd.
Regenwormen zijn eigenlijk nachtdieren of op z’n minst toch wel dieren van de schemering. Omdat ze helemaal kaal zijn en daarbij een vochtige huid hebben, bestaat het gevaar dat ze uitdrogen. Maar door deze vochtige huid moet de worm die geen longen heeft, ook nog ademen. Als het dan op een keer heel erg hard heeft geregend, komen de wormen overdag wel uit hun gangetjes omhooggekropen, want het regenwater loopt de gangetjes binnen, vult deze en daardoor krijgen de wormen gebrek aan lucht. Dan wordt het duidelijk waarom de regenworm eigenlijk zo heet.
Het wordt echt gevaarlijk voor ze, wanneer meteen na de regen de zon begint te schijnen. De regenwormen kunnen absoluut niet tegen het zonlicht, omdat dit schadelijk is voor hun bloed. Daarom vind je ze vaak na hevig weer massaal dood liggen.
Ze hebben nu eenmaal de bescherming van het duister nodig om in leven te kunnen blijven. Ook zijn ze zeer gevoelig voor kou en vorst, zoals je wel kan bedenken. Ze houden van vochtige warmte en bevriezen al bij twee graden onder nujl. In de winter zitten ze weliswaar diep in de grond, maar het kan gebeuren, dat de vorst daar toch een keer diep doordringt en dan gaan ze dood; als de grond met stro of iets anders afgedekt is, zijn ze beschermd en overleven.

Soms zie je kleine blaadjes uit de aarde steken, net alsof iemand ze er voor de lol ingestoken heeft. Maar dat deden de regenwormen bij hun nachtelijke activiteit. Ze verzamelen blaadjes of bladdelen waar ze die maar kunnen vinden en slepen ze naar hun gangen. Daar moeten ze verrotten tot de regenworm ze op kan eten met zijn weke bek. Het is zelfs bekend dat regenwormen ook een bepaalde lievelingskost hebben, zoals bv. koolbladeren die ze ook van verre kunnen halen. Maar ook aarde propt de regenworm naarbinnen, haalt eruit wat hij kan gebruiken en poept de rest die hij in zijn darmen heel vruchtbaar heeft gemaakt, weer uit. Dat zijn de ‘wormhopjes’ die je vaak vindt. Zo dragen de regenwormen met stille, maar volhardende arbeid bij aan de vruchtbaarheid van de aarde en daarmee maken ze de bodem tegelijkertijd losser. Dat ze ook vaak jonge kiemplanten meepakken, moeten we hen bij zo’n grote nuttigheid, maar niet kwalijk nemen.
Meestal pakt de regenworm de bladeren bij een punt. Zo kan hij deze zonder dat ze in de gangetjes klem komen te zitten daarin naar binnentrekken. Alleen van de dennennaalden weet men dat de worm die andersom beetpakt, want die zitten als paar bij elkaar en die zouden blijven steken wanneer de worm die ook bij een puntje zou pakken.
Welke wijsheid zit er toch verborgen in het gedrag zelfs van zo’n klein dier? Welke meester heeft dat de regenwormen geleerd? Wie heeft dat in hen gelegd?

De loodrechte gangen zijn gewoonlijk een halve meter diep. En dan kan je je makkelijk voorstellen wat het voor de hele aarde moet betekenen, wanneer er altijd door zo veel regenwormen aarde opvreten en het dan ergens anders weer achterlaten. Daarbij komt dat velden, weilanden, tuinen en bossen door hun heimelijke verzorgers bemest worden. De boer, maar ook de boswachter en de tuinman moeten ze zien als waardevolle helpers. Wat het ook is, plantenresten of dierlijke, alles wordt aan de aarde teruggeven en in vruchtbaarheid omgezet. De regenworm maakt de bodem open voor de plantengroei. Hij mest en bewatert tegelijkertijd, zoals we nog zullen zien.
En laten we wel bedenken hoeveel er zijn, van deze stille, vaak zo geringschatte helpers! Per hectare land niet minder dan twee tot vijf miljoen en op dat oppervlak werden wel een miljoen wormgaten geteld. Er is becijferd dat de regenwormen op een middelgrote boerderij meer wegen dan alle koeien en kalveren bij elkaar. Wie had dat voor mogelijk gehouden! Het is niet te veel gezegd: deze geheime onderaardse koeienstal houdt ook de mens in leven.
Maar er is nog meer lovenswaardigs
te zeggen over wat de regenworm doet. Deze helpers zorgen namelijk ook tegelijkertijd door hun gangen ervoor, dat er genoeg lucht in de aardbodem komt. Dus losmaken, mesten en beluchten, dat doen ze. De plantenwortels kunnen ademen en ze krijgen ook meteen de fijne stroom vocht die van bovenaf de wormgaten binnendruppelt.

In helemaal niet zoveel decennia hebben de regenwormen, wanneer er maar veel zijn en wanneer ze zich op hun gemak voelen, de bodem omgeploegd en het onderste boven gekregen, zonder ploeg, alleen maar door hun levenswerk. Is het dan een wonder dat de boer en de tuinman die er weet van hebben met zorg kijken of het met de wormen goedgaat? De laatste tijd worden er zelfs regenwormen gekweekt en wanneer ze zich goed vermenigvuldigd hebben, verkocht daar waar ze nodig zijn.

Wat zijn het nu eigenlijk, die regenwormen?

Ze horen bij de aarde. Ieder van hen is net een klein stukje van de darmen van de aarde, dus helemaal geen heel dier, maar een klein stukje dat onder en boven de grond zelfstandig rondkruipt. Kop en ledematen zijn a.h.w. over de darm verdeeld of door deze opgeslokt. Zijn opdracht is het echter de aardekruimels langzaam door zich heen te laten gaan en ze van nieuw leven te voorzien en ze vruchtbaar te maken.
Dikwijls geringschatten de mensen ze, of minachten ze zelfs, omdat ze nog niet begrijpen hoe belangrijk ze wel niet zijn. Maar het kleine kan groot zijn, het nietige zelfs verheven. Dat is bij de regenworm niet anders. Dus laten we voor hem niet meer onze neus ophalen, maar duizendmaal liever, wanneer we hem zien, onze hoed afnemen. 

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1787

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (6) – over de bonte specht

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 46                                                                                                     hoofdstuk 6

Welke timmerman moet aankloppen
nog vóór het huis gebouwd is
en dan komt er ook nog eens geen deur in?

Meester specht is een heel wonderbaarlijke gezel. Het bos geeft hem een woonplaats en in het bos brengt hij zijn leven door. Dat vogels tussen de takken en op boomkronen wonen en daar ook nestelen, is zeker niets bijzonders, maar dat iemand hamer en beitel neemt om er gaten mee in een stam te hakken om juist daar zijn eieren te leggen en jongen groot te brengen, wie zou zich daarover nou niet verwonderen!
Er zijn verschillende soorten spechten. De grootste is de schuwe zwarte specht met de prachtige rode kopkap. Dan komen de groene en de grijskopspecht, ten slotte de drie gebroeders bonte specht, de grote, die we hier nader gaan bekijken, de middelste en de kleine.

De grote bonte specht is zo groot als een spreeuw. Het mannetje is opgesierd met een mooie rode nekvlek; die heeft het vrouwtje niet. Onderaan de staart zijn ze beide prachtig rood. Door de grote zwarte en witte vlekken worden de veren van de bonte spechten driekleurig. Wat hun gewoontes betreft als ze nestelen, lijken alle spechten op elkaar, zij het dan dat de groene specht meer dan de andere naar de weiden gaat om mierennesten te plunderen. De grijskopspecht houdt heel erg veel van de grote bosmieren, maar alle spechten hebben wel een voorliefde voor mieren en hun eitjes. Je kan er een specht vaak op betrappen dat hij op de grond aan het zoeken is en zijn krop aan het vullen met mieren.
Bijna de hele dag is hij bezig met kloppen en hameren. Je hoort de slagen ver door het bos schallen. Dan hipt hij met zijn korte pootjes waaraan opvallend lange tenen zitten met sterke, gebogen nagels, met kleine sprongetjes langs de stam. Allebei de voortenen zijn tot op de helft met elkaar vergroeid, de derde, buitenste teen van de poot is een keerteen, d.w.z. die is naar achter gebogen en ligt naast de kortere achtertenen. De specht moet zich goed vast kunnen houden, wanneer hij met zijn snavel zo hard en stevig wil hameren.
Die spechtensnavel, sterk, recht en kegelvormig, kun je vergelijken met een beitel, de rug al scherp kantig en aan de voorkant bovendien scherp en spits, bijna geslepen, zou je kunnen zeggen. De hamer daarbij is de grote en zware kop. Dan vliegen de spaanders in het rond! Omdat die beneden neerkomen, verraden ze de timmerman, voor het geval je hem nog niet gehoord zou hebben.
Probeer maar zoals een specht aan de stam hangend met beitel en hamer te slaan zonder naar beneden te vallen! Ook als je je vast zou kunnen houden, zou je toch de terugslag voelen. De specht echter, klauwt zich met zijn poten vast en steunt daarbij met zijn staart tegen de schors. De staart van de specht wordt vaak met een soort knijpveer vergeleken. Die heeft twee rijen van maar korte veren, waarvan de schachten heel sterk en stevig zijn. Zo vormt de staart met de beide poten een soort derde poot voor de trommelende specht. Roffel er maar lekker op los, jij specht, laat de spaanders maar in het rond vliegen, jij staat stevig en geen hamerslag zal jou omver gooien! Jij hoort bij het bos en daarvoor is je instrument bestemd; en in de stammen breng je ook je jongen nog groot!
Maar zeg toch eens, sterke, mooie vogel, wie geeft jou je thuis en je voeding?
Dat is het bos, het bos! Op en onder de schors is er beweging of ze houden zich stil, die ontelbare larven, poppen, eitjes en bastkevertjes die daar leven. Wacht maar, allemaal, buiten wordt al geklopt en voor wie dat doet, hoef je geen ‘binnen’ te roepen. Kijk, daar vliegen de spaanders al in het rond!
Het meeste vindt de specht natuurlijk in bomen die al ziek zijn of aan het afsterven. Heeft hij dat uitgeprobeerd? Wie heeft hem dat geleerd, er les in gegeven? Het bos, het bos!
Wanneer de specht op een boom toevliegt, begint hij steeds onderaan en hupt dan naar boven, draaiend om de stam. Met z’n kop naar beneden kan de specht niet klimmen, dan zou hij vallen. Op een volgende boom begint hij dan weer beneden.
Met vlugge, snorrende of ruisende vleugelslag vliegt de specht eerst een stukje hoger en schiet dan met gevouwen vleugels weer naar beneden. Zo schrijft hij zijn golvende vlucht tot hij weer bij het volgende doel is aangekomen. Omdat de bonte specht helemaal niet zo’n schuwe vogel is, kun je de vlucht gemakkelijk waarnemen en die zal je wanneer je die eenmaal aandachtig heb bekeken, niet meer zo snel vergeten>
Maar de spechten zijn geen doorvliegers. Zijn ze eens naar een ander bos gevlogen, dan rusten ze snel weer uit en kijken wat er daar te roffelen valt. Zijn ze naar een nieuwe stam gevlogen, dan beginnen ze gelijk met hun werk, wat voor een specht zoveel betekent als voedsel zoeken. Met vlugge, huppende klimpasjes gaat het weer langs de stam naarboven. Wanneer hij zich bespied waant, gaat hij naar de ander kant van de stam, dan hoor je hem wel, maar je ziet hem niet. De specht kan wel schadelijk zijn voor gezonde bomen, wanneer hij in kleine stammen rondjes maakt om het uitstromende sap te drinken.
Een waar kunstwerk is de tong. Die kan snel naar voren gebracht worden en is heel dun, hoornachtig hard en tegelijkertijd uiterst elastisch en buigzaam. Die kan ook in van die kleine gangetjes en scheurtjes gestoken worden, om een hoekje gebogen of net zo gaan als de gangen van de bastkever die tussen hout en schors lopen. Maar dat gaat allemaal zo snel dat je het nauwelijks kan volgen. Grotere insecten worden eenvoudigweg aan de tong gespietst en omdat daaraan ook nog weerhaakjes zitten, kan de prooi ook uit het schuilhoekje worden getrokken. Voor eitjes, kleinere larven en poppen heeft de specht nog een ander middel, het kleverige speeksel van zijn bek. Daarmee wordt de tong iedere keer bevochtigd, waneer die weer naar binnen wordt getrokken. Dat is echt een nuttig ding, zo’n lange, dunne, buigbare, van weerhaakjes voorziene spechtentong met lijmerig en kleverig speeksel. En wat kan die ver naar buiten!
Weinig mensen weten dat de specht helemaal niet alleen maar leeft van zijn geboor in oude stammen en van mieren. O nee, hij weet nog zoveel andere lekkere dingen! In de winter kan hij zelfs wel eens een bijenkast openbreken en wanneer hij dan een gat heeft gehamerd bijen én honing verorberen. Dat is wel een graadje erger! Maar ja, kwajongens gaan ook wel eens honing pikken.
Op gezette tijden doet hij zich ook wel tegoed aan bosvruchten en daar moppert natuurlijk niemand op. Dennenappels, die vooral op zijn menu staan, haalt hij uit de boom en zet die klem in een passende scheur in een bast die hij voor dit doel zelfs meestal gemaakt heeft. Die plekjes noem je spechtensmidse (ook wel aambeeld) Dan zie je hoe de meester de goede, oliehoudende zaden eruit pikt. Hij maakt de schubben kapot, net zoals de kruisbekken dat doen, zonder ze eraf te trekken. Wanneer hij weer wegvliegt, laat hij de dennenappels die nog niet van alle pitjes ontdaan zijn, in de smidse zitten. Want de specht is wel een heel onrustige en ongeduldige vogel die weer gauw naar een volgende boom gedreven wordt. En wanneer hij weer terugkomt, is hij natuurlijk ook blij dat hij meteen iets eetbaars heeft.
Zelfs het kraken van noten gaat meester specht goed af. Hij stopt ze voor dit doel ook weer in een smidse. Dat is goed loon naar werken, die grote goedsmakende pitten. Ook weet hij maar al te goed, hoe kersen smaken en hij neemt, wanneer de gelegenheid zich voordoet, graag deel aan de oogst. In dit geval kan hij ook de pit nog kraken en oppeuzelen. Dat hij ook bessen niet versmaadt, is vanzelfsprekend.
Smakelijk eten, oude timmerman!
De spechten zijn geen gezelschapsvogels. Wanneer er een tweede in de buurt komt die misschien wel in hetzelfde jachtgebied actief wil worden, ontstaat er meestal een vechtpartij met veel geschreeuw en lawaai.
Behalve in de paartijd zijn alle spechten vooral op zichzelf.
In de herst en de winter zie je ze vaak in gezelschap van kleinere vogels in de tuin scharrelen. Je hoort ze meteen aan hun ‘giek, giek’ of meer metalig ‘gi-gi-gi-gi-gi. Dan scharrelt hij wat rond met boomklevertjes en boomkruipers, mezen en goudhaantjes. Maar het lijkt erop dat hij niet veel aan ze heeft.
Al vanaf eind januari kan je de specht horen trommelen. Dat is een soort paringsroep. Wie, zoals de specht, zo bij het bos hoort, verstaat natuurlijk ook de kunst bomen als muziekinstrument te gebruiken. Het zijn voornamelijk de mannetjes die zich als trommelaar gedragen. De specht vliegt op een dorre tak en slaat daar in ras tempo krachtige slagen op. Zo ontstaat de lokroep die ieder wel eens gehoord heeft, meest hoog boven in de kroon. Dat is meester specht, hij alleen kan met zijn snavel zo op de takken roffelen dat je het ver in het hele bos hoort en die toch geen hoofdpijn* krijgt.
Ja, het kan niemand anders zijn geweest dan de specht!
Wanneer hij een nest bouwt, doet hij niet veel beter zijn best dan een uil, d.w.z. dus bijna niet. Het gat in de boom niet meegerekend, maar wat hij daarin voor de jongen klaarmaakt – dat is zoveel als niets. Maar een spechtengat dient niet alleen als nestruimte, ook als slaapruimte wordt die steeds weer gebruikt. Daar slaapt de specht, zoals je weet, staand zich vasthoudend met de steunende staart.
Om het hameren niet al te moeilijk te maken, zoekt de specht naar bomen die al een beetje vermolmd zijn of bomen die van zich zacht hout hebben, zoals de populier bijv. Dan vliegen de spaanders wat makkelijker rond, maar het duurt wel een hele week werken tot alles uiteindelijk klaar is. Het is natuurlijk wel eenvoudiger om een holte klaar te maken die er al is.
Een nestholte mag niet lager dan ongeveer tien meter van de grond zijn om er zeker van te zijn dat de jonge vogeltjes veilig zijn voor allerlei roversgezellen en indringers die daar beneden over de aarde rondsluipen. Maar als zo’n rover kan klimmen, zoals de marter, is goede raad duur. Marters zijn de ergste en gevaarlijkste vijanden die ook nog eens zelf in de spechtholte hun intrek nemen. De kraamkamer moet ongeveer dertien centimeter diep zijn en een bodem van vijftien centimeter hebben.
Maar hoe vaak begint een specht niet aan een holte om die dan niet af te maken! Is het werk dan toch te zwaar of heeft meester specht alleen maar een beetje willen hameren?
Het vrouwtje legt vier tot vijf kleine, rondachtige witte eieren en ze broedt afgewisseld door het mannetje. Dat duurt maar veertien tot zestien dagen. Jonge spechten zien er de eerste tijd heel lelijk uit. Nog niets doet denken aan de mooie statige vogels die ze later zullen worden. Maar wat maakt het uit of kinderen lelijk zijn! De ouders zien alleen maar dat het hun jongen zijn en ze houden van hen en verzorgen ze met liefde. Het duurt heel lang voor de jonge spechten tenslotte het nest verlaten en zich zonder gevaar in de wereld durven wagen. Hopenlijk heeft de marter niet gehoord hoe het daarbinnen met de gestrekte nekken en opengesperde snaveltjes om voedsel geschreeuwd heeft!
Zijn de jonge spechtjes eenmaal in staat uit te vliegen, dan houdt de familie meteen op te bestaan. De jongen verspreidem zich en vinden weldra hun eigen weg, en de ouders doen alsof ze nooit van elkaar hebben gehoord.
De jongen herken je het eerste jaar nog omdat ze meer rood op hun kop hebben dan later. Maar weldra zijn ze allemaal net zulke kluizenaars geworden als hun ouders dat nu weer zijn.
Voor een specht is het goed zo, want dan kan hij het beste doen wat hij doen moet. Hij moet alleen zijn, onze altijd bezige, onrusitge specht!
En zwijgend zegt het bos dan: ‘Hamer maar, mijn specht! Mogen je kinderen altijd gaan naar waar ze nodig zijn – als timmerlui, als verzorgers,

want wat zou het bos zijn
wanneer de spechtroep niet zou weerklinken
wanneer het lentespechtgeroffel
niet door bladeren en kronen te horen zou zijn!

.
**waarom niet, lees je hier
.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

 

1425

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (5) – over twee uilen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 39                                                                                                     hoofdstuk 5

OVER TWEE UILEN

Van de vele duizenden vogelsoorten die er op aarde voorkomen, zijn de meeste dagdieren. Ook verreweg de meeste roofvogels jagen overdag op hun prooi en ’s nachts slapen ze. De uilen vormen dan toch wel een grote uitzondering. Ook al zijn sommige al in de schemer te zien, ondanks dat is de nacht toch hun eigenlijke jachttijd en ze zijn helemaal op het nachtleven ingesteld, wat hun zintuigen betreft, maar ook als het om hun lichaamsbouw gaat. Alleen wanneer het buiten pikkedonker is, moeten zelfs de uilen thuisblijven. Voor die tijd bewaren ze altijd iets van hun buit op voorraad.
De grootste uilensoort, de oehoe, zit overdag slaperig in zijn hol, een holle boom, tussen rotsen of ook verborgen tussen de takken, waar het dichte bladerdek hem beschut. Uilen hebben net als de sperwers geklauwde tenen. Ze kunnen de buitenste van hun drie tenen naar achter brengen en daarmee voortreffelijk klimmen. Zo kunnen de oehoes een plek zoeken waar niemand ze makkelijk ontdekt en omdat hun veren er bijna net zo uitzien als de boomschors of een stuk rots, zie je ze maar moeilijk.
De oehoe houdt zijn oorpluimen naar achteren gevouwen. De ogen houdt hij wat halfgesloten door het onderste ooglid naar boven te trekken. Zo maakt hij de indruk alsof hij weliswaar erg moe is, maar toch eigenlijk niet slaapt. Een slapende oehoe steekt zijn kop namelijk niet tussen z’n veren, zoals de andere vogels doen. Zo blijft hij toch altijd nog een beetje wakker. Dat uilen overdag niets kunnen zien, is een groot misverstand, want wanneer ze verstoord worden, vliegen ze behendig weg, zelfs door het dichte gebladerte zonder zich te stoten, om een andere schuilplaats te zoeken.
Zodra het nacht wordt, komt er leven in de uil. Dan gaan zijn barnsteengele ogen helemaal wijd open. Die zijn sterk gewelfd, bijna kogelrond om maar goed heel veel licht op te kunnen vangen. De pupillen worden groter en kleiner bij elke ademhaling. Bij de uilenblik hoort ook dat de beide ogen naar voren gericht worden. Dat zorgt voor de menselijke uitdrukking in het uilengezicht. Bij de andere vogels kijkt ieder oog, zoals we weten, naar een andere kant. Ja, uilen zijn wel heel bijzondere vogels!
De oehoe vliegt naar de volgende hogere boom om rond te kijken. Geruisloos bewegen de brede vleugels. Nu laat hij zijn huiveringwekkende ‘oehoe’oehoe’ of ‘boehoe, boehoe’ klinken, dat je van verre kan horen, maar toch niet helemaal weet, waar het vandaan komt. Al gauw klinkt het weer vanuit een andere richting, want de oehoe is al weer verder naar een andere boom gevlogen. Niet veel mensen hebben buiten de oehoe gehoord, omdat hij tegenwoordig bij ons al tamelijk zeldzaam is. Hij zoekt uitgestrekte bergwouden op. Vroeger was hij over heel Europa en Azië verbreid.
Bijzonder bont maken de oehoes het in het voorjaar wanneer ze paren. Dan gaat het er in de bossen aan toe alsof wilde jagers achter hun prooi aanzitten. Wie bang is, moet dan niet het bos in gaan.
Wolken jagen langs de hemel, af en toe komt de maan tevoorwschijn, storm gaat door de toppen van de bomen en steeds weer klinkt het ‘oehoe, oehoe’ daar tussendoor. Zo gaat het de hele nacht door tot de ochtendschemer. Nee, dat was niet de wilde jager, het waren alleen maar de opgewonden uilen. Wacht maar tot het dag wordt, dan word je wel weer rustig, oude oehoe!
In de uilenvlucht schuilt een geheim. De nachtelijke rovers kun je nauwelijks zien, maar horen doe je al helemaal niets. Wat kan zo’n grote vogel als de oehoe geruisloos vliegen! Ook prooidieren merken er niets van wanneer er een oehoe boven hun kop vliegt. En wanneer hij dan plotseling omkeert, slaat hij zijn gebogen klauwen met punten zo scherp als naalden, in hun lijf. Dan is ieder ontkomen onmogelijk. Dat is nu de wonderbaarlijke uilenvlucht. Wat maken eenden of duiven, maar ook de dagroofvogels dan een lawaai!
Uilenvleugels zijn in verhouding kort, breed en afgerond. Maar ook bij de snelste vlucht kunnen ze niet ruisen, omdat ze aan de randen franje-achtig zijn. Als een schaduw glijdt de uil over de nachtelijke aarde.
Naast de scherpe ogen die door het nachtduister heendringen, hebben de uilen ook een heel scherp gehoor. De grote gehooringang ligt onder de tere veertjes van de kopsluier verborgen. Je moet zelfs de sluier van de uilen die zich in een grote boog om de ogen uitstrekt, als reusachtige oorschelpen beschouwen. Anders begrijp je het uilengezicht niet. Dikwijls zijn de uilen wat hun gehoor betreft, al met katten vergeleken. Ook die worden wakker door het ritselen van een muis. Uilen hebben zelfs onder de veren verborgen nog een huidachtige oorschelp die naar achteren open is. Zo horen ze ook, waar ze overheen zijn gevlogen en keren meteen om, om de prooi te slaan. De oorpluimen die alleen maar oren genoemd worden, omdat ze er zo uitzien, zijn niet om te horen.
Hoe zou een oehoe eruit zien, wanneer hij plotseling van zijn dikke, zachte verenpak beroofd zou worden? Dat is snel gezegd: erbarmelijk dun en mager! Dan zou hij helemaal geen vogel meer zijn en een geplukte kip zou er nog uitzien als een vogel feniks. Daaraan kun je zien wat de veren voor een vogel betekenen. Niet het blote lijf laat hem een vogel zijn, echt alleen maar de volle, zachte, prachtige veren. Het meest grootse aan de uil is toch zijn kop, wat je van zo’n slimme vogel ook wel verwachten kan.
De hals is hemaal door de veren verborgen, zodat hij eruit ziet, alsof hij er geen heeft. Natuurlijk heeft hij er een, zelfs een die zeer wendbaar is, want hij kan zijn kop helemaal naar achter omdraaien – een draaihals onder de nachtvogels! [helemaal = 270º]
Het ergste wat een uil overdag kan overkomen is, dat hij door andere vogels wordt ontdekt. Dat geeft een gekrijs en geschetter! De eerste vogel vliegt rond en deelt het op zijn manier aan de andere mee en dan komen ze allemaal dichterbij om de oehoe zo luid mogelijk uit te schelden. De schreeuwers vergeten zelfs of ze anders onder elkaar vriend of vijand zijn. Het lijkt erop of ze alleen de uil maar zien. Steeds nieuwe scheldkoppen komen erbij. Heel brutale en dappere durven zelfs aan hem te plukken hoewel ze hem natuurlijk niets ernstigs aan kunnen doen. Zangvogels, gaaien, ja zelfs roofvogels zijn naderbij gekomen om aan de scheld- en mopperpartij mee te doen. Dat moet voor de oehoe wel te veel worden. Hij richt zich op en vliegt weg naar waar de plaaggeesten hem niet zo snel kunnen ontdekken.
Zoals alle andere uilen vreet de oehoe ontelbare muizen, maar niet zelden vergrijpt hij zich aan veel grotere dieren. Hij kan er bijvoorbeeld een ter grootte van een gans slaan. In zijn nest vind je resten van patrijzen en auerhoenders. Ook eenden, konijnen en hazen zijn hun leven met hem niet zeker, zelfs de stekelige egel weet de oehoe te bedwingen. Het is nog nooit waargenomen dat de oehoe aas eet. [volens Wikipedia wel, in strenge winters].
Het menu kom je niet alleen te weten door de resten in de nesten, ook door de uitgebraakte ballen na de vertering geven informatie. De oehoe werkt ze met heel veel moeite naar buiten. Daarvoor spert hij zijn snavel wijd open. Het eten biedt een afzichtelijke aanblik. Wanneer het maar een beetje gaat, gaat de prooi in zijn geheel naar binnen. Van een muis zie je als laatste alleen de staart nog naar buiten kijken. Dan kun je aan de verdikking van de hals zien, hoe ver de reuzenhap al is. Daarbij trekt hij vreselijke grimassen. De uil gaat van inspanning van de ene op de andere poot staan. Grotere botten, haren en veren worden later met de braakbal weer overgegeven.
Moeten stukken vlees naar omhoog – dergelijke voorraden zijn dikwijls heel groot – dan legt de oehoe ze in het vel van de prooi zodat ze niet verdrogen.
Men zegt dat uilen wreed zijn. Ze kunnen blind van woede zijn en opvliegend. Maar zelden wennen ze aan de mens die hen verzorgt. Dat geldt in het bijzonder voor de oehoe. Wanneer hij geïrriteerd raakt, stoot hij boze, snurkende geluiden uit en klapt met de snavel en maakt woedend giechelachtige geluiden of krijst luid of blaast. Het kan ook gebeuren dat hij een afschrikwekkende houding aanneemt waarbij hij de vleugels half naar boven richt zodat ze even hoog als de kop komen, met de dreigende ogen en de spitse oorpluimen een grote, gevaarlijke indruk makend. Ook de tekening van de vleugelveren past zich aan het reuzenschrikbeeld van de oehoe aan.
Hij maakt niet veel werk van het bouwen van een nest. Het liefst heeft hij dat hij er een kant en klaar vindt dat eerder al eens gebouwd werd door iemand anders, misschien een of andere roofvogel. Maar een geschikte rotsspleet, een spelonk of iets kokervormigs, soms ook een oud gebouw voldoet ook. Dat wordt met wat mos en veren karig ingericht en dan legt het vrouwtje twee of drie afgeronde, witte eieren met een ruwe schaal. Gedurende de broedtijd moet het vrouwtje natuurlijk door het mannetje gevoerd worden. De net uit het ei gekropen jongen zijn eerst nog blind en de ouders moeten het voer bij hen in de snavel duwen. Omdat de oehoe geen krop heeft, vreten de jongen van het begin het voer van de ouders, zonder dat het eerst voor hen voorverteerd wordt. Alle jonge uilen zien er lelijk uit met hun gebogen haaksnavels. Nauwelijks kunnen ze wachten tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Van te voren al huppen ze uit het nest en zitten dan op de takken of de stenen waar ze dan verder nog door de ouders worden gevoerd.
Maar de tijd komt dat ze zelf een jachtgebied moeten gaan zoeken. Is er bijvoorbeeld vroeger ergens een oehoe geweest die al lang niemand meer gehoord of gezien heeft, dan vind je toch op een dag weer verse braakballen, want dan is er een jonge oehoe uitgevlogen. Steeds zijn het dezelfde plekken waar oehoes zich vestigen. Dus moet het voor de oehoes allemaal zo zijn dat daar het meest geschikte en mooiste oord voor hen moet zijn, met de beste nestplaats en ook de beste mogelijkheden in de omgeving prooi te verschalken.
Hopenlijk vind jij in het volgend voorjaar ook een geschikt wijfje bij wie je in de smaak valt en die samen met jou de angsthazen bang kan maken, oude oehoe!

In vergelijking met de onheilspellende, nurkse en bozige oehoe is de kerkuil toch een lichtere en vriendelijkere vogel. Dat hij lang niet zo mensenschuw is als deze, blijkt er alleen al uit dat hij bijzonder graag zijn nest bouwt in menselijke behuizingen en stallen, schuren of in oude burchten. Dikwijls tref je hem ook aan in kerktorens. Ja, in velerlei opzicht al is hij een half huisdier en kan goed overweg met katten met wie hij samen op muizen jaagt.
De ogen zijn in tegenstelling tot die van de oehoe tamelijk klein. Ze zijn donkerbruin van kleur. De stem klinkt onaangenaam, een hees krijsen en wordt als de lelijkste vogelstem bestempeld. Maar dat weerhoudt ons niet om hem graag te mogen. Kenners noemen de kerkuil nogal goedmoedig, wat natuurlijk betekent: voor een uil goedmoedig. De vele muizen die hij overdag opvreet – kerkuilen in gevangenschap verteren er vijftien op een nacht – zullen daar zeker anders over denken.
Wie over de kerkuil zegt dat hij een  pientere, lichte vogel is [Duits heeft ‘hell’ wat tevens licht van kleur betekent] bedoelt daarmee tegelijkertijd de veren. Wanneer hij ’s nachts soms heel dicht langs je vliegt, merk je daar natuurlijk niets van. Je ziet hooguit de houding van zijn lichaam alsof hij op de lucht ligt en hoe de grote kop de sluier draagt. Omdat hij zelf zo geruisloos vliegt, ontgaat hem op de grond niet het minste geritsel.
Wis is in staat het prachtige verenkleed volledig te beschrijven! Het bovenlijf is aan de achterkant donker grijsgrauw, de nek is rood-geelachtig; de onderkant in het bijzonder wordt gesierd door vele witte en zwarte stippeltjes. Het mooiste echter is de witte sluier van het gezicht. Het is gevormd als een groot wit hart. Vanuit het midden van de kop welven zich boogjes naar beide kanten en onder de haaksnavel komen ze weer bij elkaar. Bovendien is die nog donker omrand. De ogen liggen in grote, schuinstaande vlakken. Alles bij elkaar is het een gezicht, is het een masker. Echt leuk wordt de uidrukking wanneer de kerkuil muizen opvreet en daarbij de grappigste bekken trekt.
Over het bouwen van het nest kan echt niets mooiers worden gezegd dan bij de oehoe; ook zij zijn geen kunstzinnige wevers of architekten. Waar kerkuilen nestelen, moet het wat donker zijn en de ingang niet zo makkelijk te vinden. Het komt ook voor dat ze in duiventillen gaan zitten en daar hun jongen grootbrengen, zonder dat er de minste onvrede ontstaat, wanneer overdag de duiven en ’s nachts de uilen in- en uitvliegen.
De kerkuil legt zes tot negen ovale, witte eieren. Dikwijls worden die, zonder al te veel moeite op de balken gelegd. De jongen die uit het nest zijn gekomen, kunnen dan rond huppen waar ze will;en, tot ze eindelijk kunnen gaan vliegen. Dat ziet niemand en de ingang is moeilijk te vinden. Ook de ouders moeten zich soms zelf eerst handig door de ingang wurmen.
Men heeft de uilen met papegaaien vergeleken. Als je ze ziet klimmen en naar de kromme snavel kijkt, is de vergelijking vaak wel treffend, maar je mag toch nooit vergeten dat papegaaien dagvogels, de uilen daarentegen nachtdieren zijn, vandaar dat ook de allermeeste van hen niet bont gekleurd zijn als papegaaien, maar er onopvallend uitzien als boomschors of steen.
De kerkuilen daarentegen vormen daarop een uitzondering. Alleen al omdat ze er zo mooi uitzien, kun je van hen houden!

meer van deze illustraties op VRIJESCHOOL in beeld

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld: 4e klas- dierkunde

 

mooie uilenfoto’s

.

1266

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (3) de hamster

.

Gerbert Grohmann

            ‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 23                                                                                                       hoofdstuk 3

de hamster

Wanneer van iemand gezegd wordt dat hij hamstert, wil men daarmee tot uitdrukking brengen, dat hij dezelfde dwangmatige gewoonte-eigenschappen heeft, als het dier met deze naam. Overal denkt hij het eerst aan zichzelf; dat hij maar zoveel mogelijk kan vergaren en naar huis slepen. Dat ook anderen wat moeten hebben, daaraan denkt hij pas op het laatst. De echte hamster doet het net zo. Daarom is het eigenlijk ook een a-sociaal, ruziemakend dier. Maar omdat het nu eenmaal een dier en geen mens is, moest je maar niet al te boos op hem zijn. Wat hij doet en hoe hij zich gedraagt, hoort bij zijn natuurlijke gewoonten; zonder deze zou hij simpelweg niet kunnen bestaan. Hoe verstandig, zelfs slim hij daarbij te werk gaat en hoe ijverig hij is, zal hier worden beschreven.

Een hamster moet  hamsteren en hij kan niet anders, zelfs al wilde hij dat. Heel zijn manier van leven, als ook zijn lichaamsbouw is daarop ingesteld, wat je van een menselijke hamster toch niet zeggen kan.
Laten we eens kijken hoe hij zich gedragen moet, hoe zijn aard moet zijn en wat hij doen moet, wil hij een meester in het hamsteren zijn!

Wanneer in de herfst op de akkers de aren bruin worden, krijgt de verzamelwoede hem te pakken, want hij weet wel dat nu de gelegenheid gekomen is om te gaan zorgen voor de tijd dat hij het in zijn hol onder de grond moet volhouden. Zelfs in de lente is er op aarde nog geen genoeg voedsel voor hem, hoogstens wat groene sprieten en jonge halmen. Tegen de oogsttijd echter gaat hij met zijn verzamelwoede de korenvelden in, buigt de halmen om of bijt ze doormidden, zodat ze omvallen. Dan pakt hij de aren stevig en handig met zijn beide voorpoten vast, draait ze, trekt ze door zijn bek, haalt zo de korrels eruit en stopt ze behendig in zijn grote wangzakken. Pas wanneer deze dik en vol zijn, neemt hij de kortste weg naar huis, want een hamster woont meestal meteen midden in het korenveld, alsof hij dat zelf bebouwd heeft.
De hamster is ook niet zo’n goede loper, die makkelijk grote afstanden aflegt. Hij moet met zijn korte pootjes en bijna kruipende gang, waarbij de buik tot op de grond komt, eerder onbeholpen genoemd worden. Met zulke pootjes kun je je weliswaar in de gangen onder de grond voortreffelijk bewegen, op de grond moet je voortdurend op je hoede zijn, dat iemand je onderweg niet te pakken krijgt. Als een hamster met volle wangzakken op de weg naar huis verrast wordt, wrijft hij met zijn pootjes zo vlug mogelijk zijn wangzakken leeg. Het kan zijn dat hij alleen maar op zijn achterpootjes gaat zitten, zich groot maakt en onderzoekt hoe erg het gevaar is.
Zo zijn de hamsters in de herfst rusteloos aan het werk, tot de oogst binnen is.
Laten we nu eerst eens kijken hoe een hamster begint zijn hol te graven. Hij graaft het met zijn eigen pootjes. Aan zijn achterpoten heeft hij vijf tenen, voor heeft hij er vier, omdat de vijfde gevormd is als een soort begin van een duim.
Eerst wordt er een schuin naar beneden lopende gang, het sluipgat, gegraven. Vlug wroeten de voorpootjes, terwijl de kop steeds verder naar beneden gaat. De gang loopt niet lijnrecht, maar met onregelmatige bochten. Diep beneden wordt die dan vergroot tot woon- en nestkamer. De naar buiten geworpen aarde blijft gewoon voor het gat liggen. Dan wordt er vanuit de woonkamer loodrecht naar boven het valgat gemaakt. Dat heet zo, omdat de hamster zich daar later van bovenaf in kan laten vallen of naar binnen stormen. Vaak worden er meerdere valgaten gegraven, en omdat dit gebeurt van onder naar boven, ligt voor deze uitgangen, of liever gezegd ingangen ook geen naar buiten geworpen aarde. Toegang tot de voorraadkamers wordt ten slotte vanuit de woonkamer gegraven in verschillende richtingen.
Wat je al wel kan bedenken is, dat niet iedere bodemsoort zomaar meteen geschikt is voor een hamsterhol. Allereerst zijn weiden en bossen niet geschikt, ook mag de bodem niet stenig zijn of zelfs maar rotsachtig. Is deze te los of te zanderig, dan zouden de gangen instorten. Dat vochtige of zelfs natte gronden geen plaats kunnen zijn voor een hamsterwoning spreekt voor zich. Dus niet alleen het voedsel bepaalt waar hij kan leven, de bouw en de vormgeving vormen voor hem zogezegd de andere helft van zijn bestaansvoorwaarden. Vallen echter een geschikte bodem en een gunstige voeding samen, dan zijn de hamsters er vlug bij en komen er wonen. Hun woongebied strekt zich uit van de Vogezen tot de Oeral. In Thüringen kwamen bijzonder veel hamsters voor. Het zijn eigenlijk steppedieren en op de korenvelden voelen ze zich thuis, omdat ze deze als steppen zien.
De valgang kan een diepte hebben van 1 – 2 meter. Al naar gelang de leeftijd en de grootte van de bewoner is deze 5 – 8 centimer in doorsnee. Omdat de hamster steeds maar in één richtug, namelijk van boven naar beneden, roetsjt, worden de wanden gedurende de tijd heel glad en wanneer ze niet meer glanzen, weet je zeker dat het hol verlaten is.
Ook aan het afval dat zich mettertijd voor de ingang van het hol verzamelt, kun je zien of er nog iemand in woont. Is wat eruit gegooid werd al beschimmeld, dan woont er zeker geen hamster meer in, want dan moest er vers afval liggen.
Hamsters zijn de meest solitair levende dieren die je je maar kan indenken. Ieder is angstig bezorgd, dat een ander hem zijn buit betwist. Ze vreten elkaar zelfs op, zoals ook de hamsters onder de mensen het liefst zouden doen.
Laten we eens luisteren naar het verslag dat de boswachter over hem geeft, die hem goed geobserveerd heeft. Hij is onverdraagzaam, heet het, boosaardig en een ruziemaker. Nee, wie zo geboren is, kan toch onmogelijk met anderen in één hol wonen. Een fanatiek boos-zijn beheerst heel het wezen van de hamsters en in die boosheid knort hij diep en hol, knarst met zijn tanden en klapt ze buitengewoon hard op elkaar. Dat is nu niet bepaald de beschrijving van een vriendelijk diertje. Daarbij wordt de hamster wel als onverschrokken en dapper afgeschilderd.Vóór de strijd slijpt hij zijn tanden en niet alleen naar honden, zelfs naar mensen springt hij moedig op. Het is echt geen pretje, wanneer zo’n woesteling plotseling aan je kleren hangt. Hij bijt zich ook vast in paarden en hij laat niet eerder los dan wanneer je hem doodslaat.
Moeten we nu ook de erge vijanden van de hamster noemen, dan is dat in de eerste plaats meester Reintje, de vos. Dat ook honden nu niet bepaald tot de hamstervrienden behoren, is wel vanzelfsprekend. Vanuit de lucht dreigt er door de roofvogels velerlei gevaar. Omdat hamsters overwegend nachtdieren zijn, moeten ze ook steeds oppassen voor uilen. Een heel bijzonder gevaarlijke vijand is de bunzing, omdat deze tot de weinige behoort die de hamster tot in zijn sluipgangen kan volgen. Waar het mogelijk is, maakt  die rover het zich zelf gemakkelijk in de geriefelijke gangen van de hamster. De gevaren waaraan de hamster overgeleverd is, zijn groot, ja, veel vijanden. Goed, dat hij daarom ook zoveel jongen ter wereld brengt!
Wie nu zou geloven dat de hamster een pure planteneter is, die vergist zich. Er wordt over hem gezegd, dat hij nog liever muizen vreet dan graan. Meikeverengerlingen zijn altijd welkom en wee het vogeltje dat zich laat verschalken! Dat de ene hamster ook de andere opvreet, werd al vermeld. Dan is de benaming ‘allesvreter’ voor de hamster toch wel zeer gepast!
De vrouwtjes moeten, wanneer ze bouwen, natuurlijk gelijk aan hun jongen denken, die tweemaal per jaar, namelijk in mei en juli, 6 – 18, ter wereld komen. Er moet dus meer ruimte uitgegraven worden. Hamsterkinderen komen blind ter wereld en doen pas na acht, negen dagen de ogen open. Maar wanneer spoedig de eerst zo tedere lievelingen zo groot geworden zijn dat ze zelf hun voedsel kunnen zoeken, worden ze door de moeder weggejaagd en zelfs gebeten, wanneer ze weer in hun kamertje terug zouden willen.
De hamster heeft een zeer mooi driekleurig vel met een gele, witte en zwarte tekening. Bovenop heeft hij een licht matgeel, de snuit en ook ogen en de band om de hals zijn roodbruin. De bek is wittig en aan iedere kant van de kop zit een gele wangvlek. Op het voorhoofd loopt een zwart streepje, de pootjes echter zijn wit. Is het niet een merkwaardig natuurfenomeen dat een dier dat in een hol woont en meestal ’s nachts naar buiten komt om voedsel te zoeken, zo opvallend bont getekend is. Als uitzonderingen komen er soms helemaal zwarte of helemaal witte hamsters voor. Zo kreeg de bozige isegrim met zijn gewilde vachtje een echte gesel opgelegd. Als hij al niet zou worden uitgegraven en gedood omdat hij op de akkers zoveel schade aanricht, dan toch wel omdat de mens hem zijn waardevolle jasje zou willen uittrekken. Die huid is overigens ook het enig nuttige aan een hamster.
De oren zijn zogezegd grote muizenoren, want ook de hamster is een knaagdier. De staart is erg klein. Hoe onhandig het dier met z’n korte pootjes aan zijn lijf, dat ook nog tot op de grond komt er ook uit mag zien – een flinke renner of behendige springer, zoals veel van zijn verwanten, is hij zeker niet -, hij beweegt zich in zijn gangen volmaakt. Ja, hij is voor een ondergronds leven gemaakt en op de aarde is hij bijna een vreemde. Zijn knaagtanden zijn bijzonder groot, zijn donkere ogen groot en mooi.
Dan werpen we nu nog een blik in het binnenste van de hamsterwoning om eens te kijken wat daar allemaal gebeurt. Die is verdeeld in een woon- of nestkamer en de voorraadkamers.* Hoeveel voorraadkamertjes een hamster aanlegt, hangt af van zijn leeftijd. Jonge hebben er maar één; oude rammelaars – zo noem je de mannetjes – leggen er meestal vier tot vijf aan. Wat daarin wordt opgeslagen, zijn gestolen goederen. Graan en zaden van iedere soort worden verzameld en opgeslagen en ze worden zo vast in elkaar geperst dat uitgravers ze soms alleen met een ijzeren gereedschap uit elkaar kunnen krabben. In de kleine kamers zoals de jonge hamsters die aanleggen, vind je meestal een tot drie pond aan voorraad, in de drie tot vijf grotere kamers van de oude mannetjes daarentegen vijf tot zes kilo. Naast korensoorten worden ook erwten, wikke, tuinbonen en andere vruchten, ja zelfs peentjes verzameld, al naar gelang van wat de gelegenheid biedt. Het geeft ook helemaal niets wanneer tijdens de eerste lentemaanden de voorraden iets beginnen te kiemen. Dan worden de jonge sprieten als een welkome afwisseling opgegeten. De verschillende veldvruchten worden niet volgens een bepaald plan in de kamers opgeslagen. Wanneer ze apart liggen, komt dat alleen omdat ze na elkaar geoogst zijn. Ondanks dat is de orde en netheid in het bouwwerk des te verbazingwekkender, want het is er toch stikdonker. Daar zal het neusje ook wel goed dienst doen.
Waarvoor gebruikt de hamster die grote voorraden eigenlijk? Hij hoeft toch alleen maar te gaan liggen en slapen, als hij de ingangen dichtgemaakt heeft! Wie slaapt, heeft geen honger. Maar dat doet de hamster niet meteen, wanneer hij zich in oktober in zijn donkere eenzaamheid terugtrekt. Dan stopt hij eerst alle toegangen van boven naar beneden heel goed dicht en verbergt dan zijn bestaan in een volledig afgesloten hol. Waarvan zou hij van nu af aan de weken tot hij inslaapt, wel dromen, daarbeneden? Dat kun je niet weten, maar hij slaapt niet, zoveel is zeker. Wanneer je hem namelijk weken later weer uitgraaft, is hij nog steeds wakker. En dan moet hij natuurlijk ook voedsel hebben gehad. Graaf je hem echter midden in de winter uit, dan slaapt hij diep en duurt het uren voordat hij een beetje tot zichzelf is gekomen. De temperatuur van het bloed is dan gedaald tot vier of vijf graden. Dus heeft de hamster rond deze tijd bijna helemaal geen eigen lichaamswarmte meer.
Hoe je een hamster die in zijn diepste winterslaap ligt, aantreft, heeft een natuuronderzoeker 150 jaar geleden zeer aanschouwelijk beschreven. Het nest heeft de grootte van een koeienblaas, heet het, en zit vol met het zachtste stro dat alleen uit de scheden van de halm bestaat en bijna aanvoelt als zijde. De daarop liggende hamster is er helemaal mee omhuld. Hij ligt, zo wordt verder verteld, op zijn zij, de kop onder zijn buik getrokken, de voorpootjes erover en de achterpootjes bij elkaar over de snuit. In deze verstarde houding ligt hij maar. Hij is zo schoon alsof hij gewassen is en alle haartjes, in het bijzonder van de baard, liggen keurig netjes. De hamsters zijn stijf, hun pootjes zijn heel moeilijk te buigen en wanneer je ze gebogen hebt, schieten ze, net als bij dode dieren, weer snel in de vorige houding. Ze voelen ijskoud aan, de ogen zijn dicht. Wanneer je ze opendoet, zien ze er licht en helder uit zoals bij de levende, maar ze gaan uit zichzelf weer dicht. Je merkt niets van een ademhaling en je kan het kloppen van het hartje niet voelen. Het lijkt of ze beroofd zijn van ieder gevoel en elke gewaarwording. Kortom, ze zijn een levend beeld van de dood. – Zo aanschouwelijk heeft de hamsteronderzoeker de winterslaap beschreven.
In zijn hol komt de hamster pas midden februari weer bij. Maar nu heeft hij nog geen zin om de gangen open te maken en naar buiten te gaan, veel eerder leidt hij eerst weer een bepaalde tijd een droomleven. Midden maart tenslotte krijgt hij zin om eens te gaan kijken hoe het buiten, daarboven in de wereld, er wel uitziet. Dan maakt hij de gangen open, knippert met de oogjes, ruikt in de lucht en waagt uiteindelijk de eerste verkennende stapjes.

Hamstertje, hamstertje, hoe zal het met je zijn als het weer oogsttijd is geweest? Buiten lopen niet alleen de verse halmen uit, ook vele gevaarlijke vijanden wachten op je: honden, bunzingen, roofvogels vanuit de lucht en niet in de laatste plaats de meest jaloerse van allemaal, de mens. Maar je moet het toch wagen. Je hebt recht om te leven, zoals alle andere ook willen leven, zelfs de mens.

 

Hamsterlein, Hamsterlein, hast du’s bedacht,
eh du dein Kammerlein aufgemacht?
Drunten lagst du, in guter Ruh
deckte dich fein Mutter Erde zu,
und auch die Fülle an Speise daneben
hatte sie dir mit ins Haus gegeben.
Rüste dich wohl, trotz vieler Gefahren
heisst es bald wieder – Schätze bewahren!

 

 

*wikipedia spreekt ook over een latrine

 

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

1071

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann: Leesboek voor de dierkunde – (2) de bruine beer

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de dierkunde’

blz. 16                                                                            hoofdstuk 2

De bruine beer

De bruine beer is het grootste en sterkste roofdier dat in Europa als ook in de gematigde zones van Azië voorkomt. Zijn kracht berust minder op behendigheid en snelheid, maar veel meer op zijn ongelofelijke lichaamskracht. Men zegt van de beer dat hij de kracht heeft van twaalf mannen. Een gedode koe kan hij in zijn armen wegdragen. Een volgroeide beer kan wel meer dan twee meter lang en meer dan 7oo kg. wegen. In sprookjes en legenden komen dikwijls beren voor en kunnen daarin de rol van goede, maar ook van slechte wezens vervullen. Dit dier, dat niemand in de wildernis tegenkomt zonder erg te schrikken, heeft dus twee verschillende kanten. Aan de ene kant is de beer een goedmoedige kerel, die je ook onder de lichamelijk zeer sterke mensen aantreft, maar aan de andere kant een erge bozerik. Iedereen kent hem wel als dansende beer. Jonge beren zien er niet schuw uit en zelfs schattig, vooral als ze aan het spelen zijn; een volwassen beer daarentegen is, ook wanneer die getemd is, niet te vertrouwen. Hij werd geen echte mensenvriend en onverwacht en verraderlijk kan hij baas en verzorger aanvallen. Vreselijk zijn de kracht en de felheid van de reus wanneer hij door de jacht getergd of gewond raakt of ook, wanneer de berin haar jongen verdedigt. Dan richt ze zich met haar kolossale gestalte op – en komt op twee poten aangewaggeld om zijn tegenstander te omarmen en met een ongekende kracht tegen zich aan te drukken. Maar een paar, bijzonder dappere jagers wagen het om een beer met een mes te lijf te gaan. De schijnbaar trage gezel kan een vluchtend mens maar al te gemakkelijk inhalen. Wee de achtervolgde die niet snel een list bedenkt om zijn leven te redden! Menigeen is toch nog ontsnapt door op de grond te gaan liggen en zich dood te houden. Maar je moet wel over veel moed beschikken om je door een wilde beer te laten besnuffelen en om te laten rollen, zonder je te bewegen of maar te ademen. Mensen die zich dood houden, laat de beer namelijk gewoon liggen en er is ook geen enkel geval bekend dat hij mensenvlees aangeraakt zou hebben. Gevaarlijk zijn ook de klauwen van een beer. Die hebben lange keiharde, maar stompe nagels, want de beer kan ze bij het gaan niet zoals de katachtige roofdieren intrekken. Ze kunnen daardoor afschuwelijke wonden veroorzaken. Alleen bij dieren met een dikkere huid kunnen ze geen schade aanrichten. Men zegt dat de beer in het gevecht eerder van zijn klauwen gebruikt maakt dan van zijn tanden. Maar de klauwen stellen de beer wel in staat, ondanks zijn lichaamsgewicht in bomen, maar ook op steile rotsen te klimmen. Wanneer een beer in een boom klimt, gedraagt hij zich natuurlijk wat onbeholpen, zelfs lomp; wie hem echter ziet bij het overwinnen van rotsachtige hindernissen, moet toch zijn behendigheid bewonderen. Hoe vaak beren vroeger zelfs bij ons voorkwamen, blijkt al uit de vele plaatsnamen, zoals bv. Bärenstein, Bärenfels, Bärental. Bärenburg. Natuurlijk zijn er ook in alle andere landen, bv. in Scandinavië, waar beren nu nog voorkomen, veel plaatsen met de naam van dit dier. Vroeger strekte het woongebied van de beer zich uit van het Atlasgebergte in Noord-Afrika tot de Noordzee en van Spanje over heel Rusland tot Noord- en Midden-Azië. In de dichter bevolkte gebieden is de beer natuurlijk al lang uitgeroeid. Alleen in het hooggebergte of waar hij zich in ondoordringbare wouden of onoverzichtelijke rotsgebieden verbergen kan, komt hij tegenwoordig nog voor. Met name moet van de beer gezegd worden dat hij de mens liever mijdt. Sommigen zeggen zelfs dat hij laf is, wanneer hij niet geprikkeld is of met zijn jongen verrast wordt. Een oude Laplander vertelde dat hij eens in de wildernis een grote beer tegenkwam die net een rendier had doodgeslagen. Men weet dat zo’n situatie bijzonder gevaarlijk is, maar de beer maakte zich uit de voeten het bos in alsof hij wilde zeggen: ‘Arme sloeber, je bent zelf aan het verhongeren!’ en kwam pas weer terug toen de Laplander een groot stuk rendiervlees afgesneden had. De lappen geloven heilig dat  een beer vrouwen noch kinderen iets aandoet. Ze moeten het hem alleen te verstaan geven en het tegen hem zeggen. Zo spreken de Lappenkinderen, wanneer er een beer komt, de woorden: “Beste grootvader, raak mij niet aan, want ik ben maar een kind!” Zo veel mensenverstand en goedheid schrijven de Lappen de beer toe. Je kan van de beer beslist niet zeggen dat hij een echt roofdier is, hoewel hij bij gelegenheid als een gevreesde en sluwe rover hele streken angst en schrik aanjaagt. Dat kun je al aan zijn gebit zien, waar je weliswaar zeer sterke vangtanden, maar niet de voor de roofdieren karakteristieke hoektanden vindt. het gebit van een beer is dat van een alleseter. We weten uit de vele dierverhalen hoe graag Bruin de beer jacht maakt op de bijenhoning. Telkens wanneer er zich weer een gelegenheid aandient, breekt hij de bijenkorven open en plundert ze. Ja je mag van hem nauwelijks verwachten, dat hij zich, zolang het lukt, volvreet met plantaardig voedsel. Maar ook kevers en insectenlarven die hij met zijn klauwen tevoorschijn woelt, zelfs slakken dienen hem tot welkom voedsel. Wanneer hij echter na de winterslaap vermagerd en uitgehongerd uit zijn schuilplaats komt, is het zelfs grote dieren niet aan te raden hem tegen het lijf te lopen. Ook mierenhopen schoffelt de beer om en laat zich de mieren met hun larven goed smaken. Daarbij bromt hij dan gemoedelijk en vol welbehagen. Kun je je dan eigenlijk wel voorstellen dat de gewelddadige rover grassprietjes afgraast of ’s nachts in een zittende houding door rijpende korenvelden schuift om zo gemakkelijk mogelijk de rijpe aren op te vreten; dat hij paddenstoelen en zwammen eet, van de bosbessen snoept en afgaat op zoete vruchten. Wanneer in de herfst in de bergen de vele bessen rijp worden, heeft de beer een goede tijd om zijn dikke buik vol te vreten. Dan kun je hem als een fijnproever snuffelend en smakkend zijns weegs zien gaan. Ja, echt waar, voor deze tevreden gezel hoeft niemand bang te zijn; geen herder hoeft te vrezen voor zijn kudde. Wordt de beer echter door honger geplaagd of wanneer hij eenmaal gewend is aan vleeskost, dan wordt hij een boze woesteling die de mens zonder erbarmen vervolgen en uitroeien moet. Een roofzuchtige beer is de doodsvijand van alle kuddedieren. Hij jaagt een afgescheiden schaap of een koe op, tot ze uitgeput neervallen of hij maakt ze bang door een vreselijk gebrul, tot ze door verwarring in een afgrond storten en daar de dood vinden. Dan heeft de beer het gemakkelijk. Maar de vlugge dieren van de wildernis, hert, ree of gems kan hij met zijn logge lichaam niet inhalen. Ook is er waargenomen dat de sterke stieren van een kudde in een gevechtslinie met de kop naar beneden zich moedig tegen  de binnendringende rover opstelden en hem ontgoocheld op de vlucht joegen. In sommige streken wordt de beer zelfs voor paarden gevaarlijk. Een jager beschrijft hoe meerdere grazende paarden door een grote beer die uit het kreupelhout tevoorschijn kwam aangevallen werden. De beer haalde twee van de paarden die in een enorme vlucht ervandoor gingen met machtige sprongen in, sloeg ze met zijn klauwen neer en verscheurde ze. Daarbij brulde hij luid. Uit zulke berichten kunnen we opmaken hoe het met de veronderstelde lompheid en goedmoedigheid van de beer daadwerkelijk gesteld is. Onbesuisdheid vertoont de rover in het bijzonder, wanneer hij ’s nachts in een veestal inbreekt om daar zijn buit weg te halen. Het komt voor dat hij dan de dakbedekking eraf haalt. Is hij eenmaal in de stal, dan slaat hij daar een koe neer, rukt die los van de strik, omvat ze met zijn voorpoot, pakt met de andere de balk en is sterk genoeg om die koe op deze manier door de opening te slepen. Daarna wordt het slachtoffer met gemak weggebracht. Zoals al vaker waargenomen werd, klimt een beer zelfs met een gewurgd paard of rund in zijn poten over gevaarlijke bergkammen of over twee naast elkaar liggende boomstammen over een afgrond. Als dan uiteindelijk de koude dagen aanbreken en de eerste sneeuw valt, treffen beer en berin voorbereidingen voor de winterrust. Weliswaar is zo’n winterrust voor een beer niet per se noodzakelijk; dat kun je zien aan de beren in gevangenschap. Het komt voor dat de winterslaap op warmere dagen en tegen het einde van de winter onderbroken wordt, maar in streken met strenge winters en veel sneeuw gaan alle beren naar binnen. Eerst zoekt een beer een geschikte plaats op, waar iemand hem niet zo gauw zal vinden en storen. Het liefst heeft hij een grot of ook wel een holle boomstam. Vindt hij een kuil in het struikgewas, dan maakt hij die eerst geriefelijk met loof en mos. Soms moet een beer ook eenvoudigweg takken bij elkaar buigen tot een soort woning en daarna laat hij zich opgerold ondersneeuwen. Zijn dikke pels en de dikke speklaag door het vele eten beschermen hem tegen de kou. Als de beer in zijn winterslaap gestoord wordt, is hij erg geïrriteerd en brommerig. Als jagers hem ontdekken, jagen ze hem op met stokken of door luid roepen. Vaak slaapt hij wel zo vast, dan je hem alleen maar door een schot wakker kan maken. Wat leuk moet dat zijn, wanneer je uit een holle boom plotseling een beer ziet kruipen. De beer, die met zijn kleine oogjes nog een beetje slaapdronken knippert, herkent het gevaar en probeert door het cordon van jagers heen te breken. Maar nu komt hij voor een meute dappere, bijzonder afgerichte honden te staan die de beer echter met adequate slagen van zijn klauwen en beten dikwijls lelijk toetakelt. Een beer is ook voor grote en sterke honden nog een gevaarlijke tegenstander. De klauwen van een neergeschoten beer zijn een buit die de jager vereert en waarop hij trots is. Het vlees wordt natuurlijk opgegeten en het vel met zijn dichte warme pelsharen is geschikt om op te slapen; ook voor kleding en mutsen te gebruiken. Zo is de beer in meer dan een opzicht een welkome jagersbuit. Nooit is een beer zo dapper en stelt zich zo met doodsverachting aan ieder gevaar bloot, wanneer het erom gaat haar jongen te verdedigen. Bij veel volkeren die de beer goed kennen, geldt deze als zinnebeeld van moederliefde. Het duurt zes jaar tot een jong volwassen is. Zo moeten tot een berenfamilie dus kinderen behoren met verschillende leeftijden. Uiteindelijk bijt de moeder naar de groten, dat ze weggaan, want ze moeten nu eenmaal zelfstandig worden; maar men zegt dat ze terugkeren als er weer jonge beertjes geboren worden en dan mogen ze blijven om op de kleintjes te passen, bv, wanneer de ouders erop uit moeten trekken om voedsel te zoeken. Men heeft echter ook waargenomen dat grotere beren de kleinere door het water droegen. Beren kunnen goed zwemmen en ’s zomers liggen ze graag te zonnen. Veel van de beren doet aan mensen denken. Vooral wanneer hij gaat staan komt het mensachtige tevoorschijn. Dan loopt hij, weliswaar onhandig, op twee poten. Hij is een zoolganger zoals de mens en hij zet niet zoals de meeste dieren alleen maar zijn tenen neer, maar met zijn hele zool die ook nog onbedekt is. De gevilde voet doet zo sterk denken aan menselijke handen en voeten, dat je het bijna overwinnen moet het vlees te eten. De beer gebruikt zijn sterke, beweeglijke armen waarin zijn sterkste kracht zit, als de armen van een mens en bij het vechten eerder dan zijn tanden. Zijn klauwen zijn geschikt dat hij ze bijna als handen kan gebruiken. Wanneer het machtig zware dier met zijn massieve ledematen op een sukkeldrafje loopt, met de kop naar beneden en een beetje schommelt – want de beer is een telganger – dan kan hij op een betoverd dier lijken. Daarom hebben bepaalde volkeren van Noord-Azië, de Giljaken en Aino, ook steeds een slecht geweten, wanneer ze beren doden en om deze reden organiseren ze ieder jaar een plechtig berenfeest. Door dansen en zingen en ook muziek maken om een in het midden opgehangen, gedode en versierde beer, wordt vergiffenis gevraagd, tegelijkertijd echter ook dank gezegd voor het vlees en de pelzen. Op deze manier zal er verzoening zijn met het berengeslacht voor alles wat het moest worden aangedaan. Als bij een beer echter de wildheid naar buiten komt, wordt hij een geweldadige rover; dan laat hij ook zien, wat er gebeurt wanneer grote lichaamskracht niet door verstand en goedheid van het hart gestuurd en geleid worden. In plaats van goed te doen en te helpen, zoals sterke mensen dat doen, richt het dier niets dan onheil en verwoesting aan, tot schrik van allen. Gelukkig echter heeft onze bruine beer ook de andere kant, de vriendelijke en die kunnen wij fijn vinden, ja er zelfs van houden en bewonderen.

Grohmann: leesboek dierkunde: inhoudsopgave
.

Eigen vertaling van ‘Lesebuch der Tierkunde’
.

dierkunde: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL in beeld: dierkunde

 

 

831

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.