Tagarchief: Grohmann

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (11) – de mol

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 82                                                                                                     hoofdstuk 11

De mol

Er zal wel geen jongen of meisje bestaan die de mol niet kent. Natuurlijk kennen de mensen die op het platteland wonen hem het best, vooral de boeren en de mensen die een tuin hebben, want zij hebben dikwijls een reden om zich aan hem te ergeren.
Wanneer ze op het weiland of in de bedden nieuwe molshopen ontdekken, vergeten ze dat de dader voor hen in menig opzicht toch ook heel nuttig is.
Iedereen weet dat de mol onder de grond gangen of wat men ook wel zegt, ritten graaft. Dat lukt hem steeds het makkelijkst als de aarde rul en vochtig is. Als graafwertuigen staan hem de grote, tot scheppen omgevormde voorpoten ter beschikking. Wanneer de bodem echter te droog wordt, blijft er voor de mol niets anders over dan zijn jachtgebied te verlaten en ergens anders een nieuw aan te leggen, misschien meer in een dal of in de nabijheid van water, waar het vochtiger gebleven is.
30 tot 60cm diep onder een grotere molshoop, dikwijls ook onder een struik of onder stenen verborgen, heeft de mol, een beetje van het eigenlijke jachtgebied vandaan, het hol gebouwd dat als nest en verblijf dient. Die is door een loopgang
verbonden met het jachtgebied waar de vele molshopen zijn. Opdat de wanden van deze gang niet instorten, drukt de mol ze stevig aan. Drie keer per dag trekt jager mol door zijn jachtgebied op zoek naar prooi die zich ondertussen in de gangen of in de naaste omgeving ophoudt: regenwormen, insektenlarven zoals bv. engerlingen, kevers of ook slakken. Wie gelooft dat niet eens kikkers, hagedissen of hazelwormen veilig voor hem zijn! De mol is namelijk een echte vleester, wat je al duidelijk aan het gebit kan zien met de vele vlijmscherpe tanden. Ja, hij wordt door een bijna onstilbare honger geplaagd. Hij stort zich met een onbedwingbare trek op alles wat leeft en wat hij maar pakken kan om het meteen begerig te verorberen. Maar op een dag is uiteindelijk ook het rijkste jachtgebied uitgeput. Dan moet er een nieuw aangelegd worden. Er is al iemand die de verlaten molswoning betrekt: de dikke aardhommel namelijk, die daar haar kraamkamer inricht.

In het begin kun je je nauwelijks voorstellen, hoe snel een mol in zijn gangen vooruitkomt. Hoe zou je zoiets ook maar kunnen vaststellen, als je de wandelaar daar onder de grond toch niet zien kan. Maar een onderzoeker is het door een zeer vindingrijke methode toch te weten gekomen en wel zo: hij stak bundels strohalmen met daaraan een klein papieren vlaggetje in de loopgangen. Deze gangen zitten gewoonlijk zo’n 12 tot 15cm onder de grond. Toen liet hij een trompettist hard blazen, uiteraard op de tijd dat de mollen al onderweg zijn. Omdat de klank in de aarde doordringt, schrikken de mollen met hun buitengewoon fijn gehoor en vluchten in aller ijl naar het woonhol. Maar daarbij moeten ze de vele strohalemen omgooien of op z’n minst toch deze schuddend bewegen en iedere keer wanneer een mol daar is, vallen de vlaggetjes naar beneden. Op deze manier kan worden vastgesteld dat een vluchtende mol onder de grond zich met de snelheid van een paard in draf voortbeweegt. Wie had dat gedacht van deze ondergrondse kruiper. Bij het graven gaat het natuurlijk veel langzamer.
Wie nu de lichaamsbouw van de mol nader bestudeert, komt niet over zijn verbazing heen dat een dier door zijn heel bijzondere manier van leven zo gevormd en veranderd kan worden. Ieder orgaan zit zo in elkaar dat het helemaal past bij de onder de grond gravende en woelende manier van leven.
Laten we eens naar de lichaamsvorm kijken! Die vormt een cilinder waarbij boven en onder niet verschillen. Daardoor kan de mol zichzelf in zijn gangen  omdraaien zonder dat hij ook maar een beetje vast komt te zitten. Daarbij komt nog dat het vel alleen maar korte en zeer dicht bij elkaar staande verticale haartjes heeft. Je hoeft er maar een op te pakken en je voelt meteen hoe zijdezacht het is. Deze pels heeft dus geen ‘strijkrichting’ zoals de haren van andere dieren. Daarom blijft een mol ook niet hangen of steken bij het achteruit kruipen. Een verder voordeel van zo’n pels bestaat erin dat er geen grond in blijft hangen en dat het water er steeds weer helemaal afloopt. Ja, wie van zo’n pracht velletje voorzien is, kan wel tevreden zijn want die wordt én niet 
nat én niet vuil.
Een ander wonderwerk zijn de graafpoten. Ook deze zijn door het leven onder de grond gevormd. De achterpoten zien er niet veel anders uit dan de achterpoten van een rat, wel echter de twee voorpoten die tot graafpoten geworden zijn. De tenen ervan zijn door een vlies tot een breed vlak aan elkaar gegroeid dat nu als een schep of een schop gebruikt kan worden, waarbij zeer zeker ook de brede en krachtige nagels meehelpen. De handpalmen zijn natuurlijk naar buiten gericht en omdat ze daarbij ook nog kaal zijn, lijken deze graafpoten bijna op handen. Aan de duimkant, dus onder, zijn ze bovendien nog versterkt met een zogenaamde zesde vinger – Duits heeft Scharrkralle – schraapnagel – vanwege de vorm ook sikkelbeen genoemd, zodat het eruit ziet of de mol daar een zesde teen heeft.
Laten we eens kijken hoe de mol te werk gaat als hij graaft. Welk lichaamsdeel stuurt hij naar voren? De spitse snuit met het wonderbaarlijk fijne reukorgaan? O, zeker niet! Om als een wig vooraan te komen, is het veel te teer, te gevoelig en te buigzaam. Bovendien wijzen de vooral dunne en tere schedelbeenderen er al op dat de kop niet gebuikt kan worden als graafinstrument. Die wordt zelfs bij het graven zeer ver tussen de schouders teruggetrokken, net zo als wij het zouden doen. In deze positie laat de mol zijn graafpoten schrapen als lepels of scheppen. Bovendien zijn deze lepels maar zeer kort en ook een hals zou voor de aardewroeter maar lastig zijn. De spitse kop gaat direct over in de cilindrische romp! Zo is het toch, heer mol, je voortreffelijke lichaam alleen al maakt je tot woelmeester!
Net zo als wij met onze handen doen bij het zwemmen, houdt ook de mol zijn graafpoten met de binnenkant naar buiten en de duim met de extra vinger zit dan onder. Een zwemmer moet zijn handen zover mogelijk voor zich uitstrekken. Maar dat mag de mol in de aarde natuurlijk niet doen. Hij moet de handen dicht naar zijn lichaam trekken. je hoeft zo’n houding maar na te doen om te ervaren hoe hinderlijk het voor de mol zou zijn als hij lange poten had. Hier is het: hoe korter, des te beter! Bij de mol zijn de armen zo kort geworden dat bijna alleen de gewrichten over zijn gebleven en omdat die nog onder het vel van de romp verborgen liggen, ziet het er bijna zo uit alsof de mol er nauwelijks een paar heeft. Maar de gewrichten zijn natuurlijk wel – dat kan je wel denken – uiteraard sterk en daarbij zo wendbaar dat de handen bijna als echte handen gedraaid en bewogen kunnen worden. De graafpoten van de mol zijn een meesterwerk van de natuur!
Net als hond en kat is de mol een zoogdier. Hij heeft zelfs een heel kort staartje. Door zijn manier van leven onder de grond is de mol zo sterk veranderd, dat hij bij alle meesterschap daar beneden, zich over de aarde maar onbeholpen kan verplaatsen. Gewoonlijk waagt hij zich alleen ’s nachts naar buiten om ook op de grond op jacht te gaan. Zeer zelden lukt het weleens om hem te snappen. Hij kan niet springen, ook niet klimmen; daarentegen kan hij – wie had dat achter hem gezocht – zeer goed zwemmen. Zelden maakt hij van deze kunst gebruik. En wie denkt eraan wat voor een zwaar spierwerk de mol bij het graven onder de grond wel niet moet verrichten! Dus hoeven we het hem helemaal niet te verwijten dat hij zo’n honger heeft en dagelijks anderhalf keer zijn eigen gewicht moet eten! Wij zouden dan ook veel meer moeten eten als we zo’n zwaar werk als de mol doet, zouden moeten verrichten. En hoe klein hij ook is, toch is hij een atleet onder de dieren! Natuurlijk zijn de spieren die bij het graven en wegwerpen van de grond gebruikt worden, geweldig sterk, borst- rug- en halsspieren. Hoe sterk die zijn, zie je al aan de brede aanhechtingsplaatsen aan het borstbeen en de armbeenderen.
Wanneer er beneden zoveel aarde verzameld is dat verder vooruitgaan moeilijk wordt, graaft de mol een korte gang naar boven en transporteert de grond met een geweldige stoot van kop en rug naar buiten. Op die manier komen de molshopen tot stand. Het Duitse woord voor mol, Maulwurf komt van het Oudhoogduitse woord Moltewurf en Molte betekent zoiets als ‘aarde, ‘Wurf’, worp, dus Maulwurf: aardewerper.
Nu we zo uitvoerig de lichaamsbouw van de mol hebben beschreven, is het tijd ook eens naar het karakter van dit wonderlijke beestje te vragen. Is de mol rustig, vredelievend en verdraagzaam, leeft hij schuw en bang of gedraagt hij zich gemeen, boosaardig, ruziemakend en agressief? Onderzoekers die hem wat dit betreft goed kennen, schilderen hem af met eigenschappen die voor ons beslist heel onvriendelijk overkomen. Een onderzoeker noemde hem in hoge mate onverdraagzaam, ruziemakend, bijtend, roof- en moordzuchtig. Graag vreet hij zelfs zijn soortgenoten op en is wat wreedheid betreft nog erger dan een tijger.
Oei, jij mol, zou je moeten zeggen, dat is nou niet bepaald het beste rapport dat je daar krijgt! Dat de mol een zonderling is en een die zijn eigen gang moet gaan, die nu niet bepaald blij is een soortgenoot die met hem om het voedsel gaat vechten tegen te komen, dat kan je hem eigenlijk nog wel vergeven, maar wat we allemaal nog meer horen, gaat toch wel veel verder dan onverdraagzaamheid. Wanneer mollen elkaar onderweg toevallig tegenkomen – volgens de ervaren waarnemers – vliegen ze op elkaar af en de strijd eindigt niet eerder dan dat een van hen dood is. Jonge mollen heeft men wél in het vrije veld met elkaar zien spelen.
Zo zit het dus met deze kleine mollen! Wie zou ze nog ongevaarlijk durven noemen? Een mol krijgt het ook voor elkaar dieren te overweldigen die veel groter zijn dan hij. Daarbij komt zijn lichaamskracht hem natuurlijk van pas. Luister! Hij trekt kikkers aan hun poten zijn gangen in, hagedissen en hazelwormen zijn voor hem niet zeker, ja hij pakt zelfs jonge vogeltjes! Er is zelfs een gevecht beschreven van een mol met een adder. De mol werd winnaar want hij beet de adder die na het lange gevecht vermoeid raakte, vaneen en vrat deze samen met de jongen op.

Velen denken dat mollen geen ogen hebben en daarom blind zijn. Het komt inderdaad voor bij dieren die altijd in het donker leven dat hun ogen verkommeren. Dat gebeurt ook bij de meeste molsoorten die er op de hele wereld zijn, maar hierop maakt onze inheemse mol een uitzondering, de enige zelfs. Hij heeft twee nietige oogjes, zo groot als een maanzaadje die ook nog eens zo dicht met haar overdekt zijn dat je ze bijna niet ziet. Komt de mol echter in het daglicht, dan kunnen ze iets naar voren worden gedrukt. Onder de grond is het natuurlijk veel beter dat de ogen onder de vacht van de kop verborgen zijn en beschermd worden. Opnieuw de bouw van dit wonderbaarlijke molslichaam die je alleen maar kan begrijpen vanuit zijn bijzondere manier van leven en die ons deze aan de andere kant ook verklaart. Dat de mol niet goed kan zien, alleen maar een beetje kan knipperen, zelfs als het licht is om hem heen, kan je je wel indenken.
De ooringangen kunnen door huidplooien worden gesloten, oorschelpen ontbreken natuurlijk. Wanneer wij ons oor op de grond leggen om door het geluid te horen of er ergens  uit de verte vandaan stappen naderbij komen, dan doen we hetzelfde als de mollen onder de grond. Geluid betekent voor de mol zoiets als het beven van de aarde. Wriebelt, krabbelt daar iemand in de buurt rond? 

Bijna nog fijner dan het gehoor is de reukzin van de mollen. De neusgaten bevinden zich meteen onder de spitssnuit. Hoe zou het zijn wanneer de mol bij het graven steeds maar zijn neus zou verstoppen! De spits van de neus is bovendien nog een heel gevoelig tastorgaan. Voor mollen is het wel een goede zaak om overal de neus in de steken. Dat is bij de mensen wel anders, maar een mol moet nu eenmaal door de grond heen snuffelen! Ruikt het daar misschien naar een vette engerling?
Het kan voor zo’n fijngevoelige ruiker natuurlijk ook snel te veel worden, wanneer de mensen bv. petroleum of nog erger stinkende stoffen in de gangen gegoten hebben. De tuinbezitters willen de nuttige engerlingvreter niet direct dood hebben, als hij maar zo vriendelijk zou willen zijn een ander terrein uit te zoeken en daar zijn hopen op te werpen waar dat niemand stoort!
Ten slotte moet er nog iets over de manier van leven van de mol verteld worden, dat de mol slim, zelfs wijs zou doen lijken, wanneer hij dat uit overleg zou hebben gedaan. Zijn ruime, zelf gegraven, met mos, gras en bladeren fijn beklede woning, de ‘ketel’, is voor hem een toevluchtsoord en tegelijkertijd een rustplaats. Daar voelt hij zich veilig, daar brengt hij ook zijn jongen groot. De woonkamer ligt, zoals al gezegd, gewoonlijk 30 tot 50m verder wet. Rond de woonruimte liggen nog meerdere andere gangen, op z’n minst loopt er een rond en van hieruit loopt de gang naar het jachtgebied, natuurlijk minimaal ook een vluchtgang. Welk dier zou er geen vijanden hebben! Heel gevaarlijk voor de mol is de wezel. Bij zijn jacht op veldmuizen zwerft deze graag door de mollengangen en dan is er voor een mol geen ontkomen aan.
Wanneer het grondwater stijgt, kan het gebeuren dat de mol zelfs moet verhuizen. Dan wordt er boven de oude gewoon een nieuwe woning aangelegd. Maar het omgekeerde kan ook gebeuren, namelijk als het grondwater te laag komt te staan. In dit geval moet de mol op zijn manier voor drinkwater zorgen en hij legt dan planmatig watergaten aan, diepe schachten waarin het bodemvocht terechtkomt als in een bron. Een mol moet namelijk veel drinken.
Omdat de mol geen winterslaap houdt – zodra de vorst een keer minder wordt is hij op zijn post –  moet hij 
ook voor het voedsel voor de wintermaanden zorgen. Hij legt voorraadkamers aan, graaft gaten en maakt de wanden stevig, zoals hij dat ook bij zijn loopgangen doet. Dan sleept hij regenwormen aan die hij deze keer niet meteen begerig opvreet, maar bewaart als wintervoorraad. Maar om ervoor te zorgen dat ze er niet vandoor gaan, bijt hij het kopstuk door waar de bewegingszenuwen liggen. Hoe kan hij dit weten, wie heeft hem geleerd dat ze dan weliswaar onbeweeglijk moeten blijven liggen en toch niet doodgaan?

Een mol voelt zelfs aan of er een lange of korte winter aankomt. Men heeft namelijk waargenomen dat mollen grotere voorraden aanleggen voor een lange winter dan voor een korte. Dergelijke mollenvoedselvoorraden kunnen wel meerdere kilo’s wegen. Dat vraagt nu eenmaal de buitengewone vreetlust van deze dieren. Hier zien we dat de mol meer van het weer weet dan de mens, want deze moet steeds maar zien hoe de winter uitvalt. O ja, met veel welbehagen en gesmak begint onze mol graag aan zijn zelf verzamelde wintervoorraad!
Het hele doen en laten van de mol is er alleen maar op gericht, zichzelf in leven te houden. voor dit doel verricht hij zijn dagelijks werk, waar ook orde in zit. Alles wat hij zelf maakt – burcht, jachtgangen enz. dienen enkel en alleen dit doel, zelf in leven blijven. En dat is voor een dier heel juist. Hij heeft van de natuur zijn beroep zo gekregen zoals hij het zo meesterlijk uitvoert. Men heeft hem wel met een mijnwerker vergeleken.
Zijn ledematen zijn z’n werktuigen en zijn ledematen zijn op hun beurt zijn leermeester, ja heel dat perfecte lichaam is zijn leermeester.
Dit alles moeten wij bewonderen, zelfs wanneer we met de molshopen bij tijd en wijle niet blij zijn.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1835

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (9)

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 68                                                                                                     hoofdstuk 9

De loftrompet over de regenwormen

Niemand zal van een regenworm zeggen dat het een lief beestje is, want hij heeft nou niets wat je gevoel raakt; ja, velen vinden hem zelfs een beetje vies; maar wie eenmaal heeft geleerd wat hij betekent, weet hem naar waarde te schatten en moet wel blij zijn wanneer er regenwormen in de akker en de tuin voorkomen en het daar naar hun zin hebben.

Het eerste wat nu van de regenworm zal worden beschreven is de lichaamsbouw en de zintuigen. Helemaal kaal en zonder poten kruipt hij op z’n buik rond of onder de grond. Van voor naar achter bestaat hij uit segmenten. Hij heeft geen ogen en geen oren, eigenlijk niet eens een kop. Met pijn en moeite heeft hij vooraan in het tweede segment een mond.
Wie echter zo’n mond heeft als een regenworm, zonder kaken en tanden, kan zeer zeker niemand bijten, en ja, hij kan niets van iets afbijten. Hij moet het heel anders doen. Natuurlijk heeft een regenworm ook geen neus.

Het geheim van de regenworm is dat hij op zijn kale huid heel gevoelig is. Zo voelt hij bv. heel duidelijk of het buiten op de aarde warm of koud is en wanneer het hem te koud lijkt, blijft hij simpelweg thuis. Hij voelt, hij tast met zijn huid.
Misschien hoort hij ook een beetje zonder speciaal oren te hebben. Hij proeft de aarde heel precies, omdat heel zijn lichaam bijna net een tong is. Bij hevige trillingen probeert hij onder de aarde weg te komen; hij weet zelfs of het buiten licht of donker is en wanneer je hem met een zaklamp beschijnt, merkt hij dat ook en trekt zich samen. Zo verbazingwekkend is dat bij dit eenvoudige diertje dat bijna alles kan waarnemen hoewel het toch geen enkel zintuig heeft. Alles neemt hij waar door zijn vochtige huid.
Smaak en reuk zijn bij regenwormen nog hetzelfde, maar toch neemt dit diertje heel fijnzinnig waar of de aardbodem goed of slecht is, of die bevoorderlijk is voor zijn gezondheid of niet, want hij verlaat een slechte bodem en hij zoekt er een op waarin hij het met zijn huid prettiger heeft.
Wie zoals een regenworm geen kop heeft, heeft natuurlijk ook geen hersenen, ook niet de allerkleinste. Die heeft de regenworm ook niet nodig, want wat hij waarneemt, licht, duisternis, geur van de aarde, warmte, kou, trillingen e.d. dat gaat bij hem niet tot in de ledematen, want die heeft hij niet. het zit ‘m gewoon in de worm, kun je wel zeggen. Hij weet dus ogenschijnlijk ook waar boven en onder is, dat moet hij wel voelen, want hij draait steeds dezelfde kant naarboven. Je ziet het ook aan de grote bloedader die midden over zijn rug loopt. Een hart in het bijzonder heeft een regenworm niet.

Wanneer je een regenworm in je hand durft te nemen en je trekt hem dan langzaam van achter naar voren door je vingers, voel je duidelijk dat het een beetje als een rasp is. Dat zijn kleine borsteltjes waar de regenworm er vier rijen van op zijn huid heeft. Op iedere helft twee, boven en aan de buikkant. De borstels zijn tegelijkertijd ‘stijgbeugeltjes’ waarmee de regenworm in zijn loodrechte gangen houvast heeft. Hij kan ze zelfs een beetje bewegen, waardoor je ze verkommerde vervangers van poten zou kunnen noemen. Wanneer je de worm op papier laat kruipen, hoor je het een beetje zacht ritselen. Ieder die het wil kan het proberen. Omdat de borstels van voor naar achter gericht staan, geven ze de worm houvast wanneer hij in zijn gangen naar boven wil, anders zou hij misschien wel ruggelings weer naar beneden vallen. De borstels zijn aan het regenwormlijf ook het enige dat weerstand kan bieden.
De zoölogen rekenen de regenworm tot de ringwormen. Je ziet toch dat hij van voor naar achter in louter ringen of segmenten ingedeeld is. De voorste ring of het voorste deel is spits en kan zich ook nog klein samentrekken zodat het nog langer wordt. Daarmee boort de regenworm zich de grond in wanneer hij een plekje heeft gevonden waar al een klein scheurtje was. Dan komen de borstels hem weer te hulp. Hij heeft zoveel paar borstels als hij segmenten heeft, ook aan iedere kant.
Het volgende dat nu over de bouw en het functioneren van de regenworm zal worden beschreven is, dat hij onmiddellijk onder zijn huid van voor naar achter, zoals men zegt een lentespier heeft. Dat is toch een beetje de vervanger van de armen en benen die hij mist. In verhouding is het toch een sterk dier, zoals je eveneens kan voelen, wanneer je er een beetpakt. De spier maakt het mogelijk dat de regenworm een golfbeweging maakt die van voor naar achter  loopt. Eerst strekt hij zich uit en dan trekt hij het achterste gedeelte weer bij. Maar hij kan ook achteruit kruipen. Hij doet dat wel anders dan de slangen die slingerbewegingen moeten maken, omdat ze een benige wervelkolom hebben. Hoe zouden die zich daarmee kunnen samentrekken of uitstrekken?

De gewone regenworm, de grootste van de bij ons voorkomende soorten, wordt tot 35cm lang en heeft dan ongeveer 150 segmenten. Op een paar centimeter meer of minder komt het echt niet aan. Men weet ook hoe gemakkelijk het kan gebeuren dat zo’n worm in delen gescheiden wordt. Wanneer je de tuin spit, kan het gebeuren, of een vogel in de lucht kan een stukje verliezen. Maar wat hindert het! De worm voelt geen pijn en wat eraf is, is weldra al weer heel.
Laten we eens kijken wie er zoal regenwormen opvreten. We zouden al de vele vogels kunnen noemen die met hun scherpe ogen de grond afspeuren, bv. wanneer er geploegd wordt. Vervolgens snuffelt mijnheer egel overal de grond af of hij er geen smakkend op kan eten wanner hij er een ziet. Onder de grond maken de mollen natuurlijk grote hoeveelheden wormen dood. Spitsmuizen en nog veel meer dieren jagen ijverig op hem en laten hem zich goed smaken, zelfs kikkers eten regenwormen. Moet je dan niet verbaasd zijn dat er dan eigenlijk nog wel overblijven. Maar er blijven steeds genoeg regenwormen over.
Het kan ook aangegeven worden hoeveel van deze stille kruipers er in de grond huizen, omdat het namelijk vaak onderzocht is. In een hectare bosgrond, dat is een vierkant van 100 bij 100m, werden een hoeveelheid van drie miljoen regenwormen vastgesteld. Die zouden bij elkaar zo’n 400kg wegen, zoveel als een vet varken. Bedenk wel dat regenwormen zich snel voortplanten.
Iedereen heeft zeker wel die gordelvormige verdikking – het zadel – gezien in het voorste derde deel van een regenworm. Die begint bij het 27e segment, 8 segmenten groot. Daaruit legt de regenwormen de eitjes en tegelijkertijd zet hij als een soort omhulling slijm af, want de gordel is eigenlijk een slijmklier. Op het laatst stroopt de worm de hele cocon af, zo noemt men de eierbal, zodat deze zich nog meer samen kan trekken.
Dus de regenworm maakt zijn cocon niet uit zijdedraden zoals de zijdespinner, maar hij laat deze uit slijm onstaan die aan de lucht droogt. En zo wordt het wormenbroedsel onder de grond in een kleine holte gelegd.
Regenwormen zijn eigenlijk nachtdieren of op z’n minst toch wel dieren van de schemering. Omdat ze helemaal kaal zijn en daarbij een vochtige huid hebben, bestaat het gevaar dat ze uitdrogen. Maar door deze vochtige huid moet de worm die geen longen heeft, ook nog ademen. Als het dan op een keer heel erg hard heeft geregend, komen de wormen overdag wel uit hun gangetjes omhooggekropen, want het regenwater loopt de gangetjes binnen, vult deze en daardoor krijgen de wormen gebrek aan lucht. Dan wordt het duidelijk waarom de regenworm eigenlijk zo heet.
Het wordt echt gevaarlijk voor ze, wanneer meteen na de regen de zon begint te schijnen. De regenwormen kunnen absoluut niet tegen het zonlicht, omdat dit schadelijk is voor hun bloed. Daarom vind je ze vaak na hevig weer massaal dood liggen.
Ze hebben nu eenmaal de bescherming van het duister nodig om in leven te kunnen blijven. Ook zijn ze zeer gevoelig voor kou en vorst, zoals je wel kan bedenken. Ze houden van vochtige warmte en bevriezen al bij twee graden onder nujl. In de winter zitten ze weliswaar diep in de grond, maar het kan gebeuren, dat de vorst daar toch een keer diep doordringt en dan gaan ze dood; als de grond met stro of iets anders afgedekt is, zijn ze beschermd en overleven.

Soms zie je kleine blaadjes uit de aarde steken, net alsof iemand ze er voor de lol ingestoken heeft. Maar dat deden de regenwormen bij hun nachtelijke activiteit. Ze verzamelen blaadjes of bladdelen waar ze die maar kunnen vinden en slepen ze naar hun gangen. Daar moeten ze verrotten tot de regenworm ze op kan eten met zijn weke bek. Het is zelfs bekend dat regenwormen ook een bepaalde lievelingskost hebben, zoals bv. koolbladeren die ze ook van verre kunnen halen. Maar ook aarde propt de regenworm naarbinnen, haalt eruit wat hij kan gebruiken en poept de rest die hij in zijn darmen heel vruchtbaar heeft gemaakt, weer uit. Dat zijn de ‘wormhopjes’ die je vaak vindt. Zo dragen de regenwormen met stille, maar volhardende arbeid bij aan de vruchtbaarheid van de aarde en daarmee maken ze de bodem tegelijkertijd losser. Dat ze ook vaak jonge kiemplanten meepakken, moeten we hen bij zo’n grote nuttigheid, maar niet kwalijk nemen.
Meestal pakt de regenworm de bladeren bij een punt. Zo kan hij deze zonder dat ze in de gangetjes klem komen te zitten daarin naar binnentrekken. Alleen van de dennennaalden weet men dat de worm die andersom beetpakt, want die zitten als paar bij elkaar en die zouden blijven steken wanneer de worm die ook bij een puntje zou pakken.
Welke wijsheid zit er toch verborgen in het gedrag zelfs van zo’n klein dier? Welke meester heeft dat de regenwormen geleerd? Wie heeft dat in hen gelegd?

De loodrechte gangen zijn gewoonlijk een halve meter diep. En dan kan je je makkelijk voorstellen wat het voor de hele aarde moet betekenen, wanneer er altijd door zo veel regenwormen aarde opvreten en het dan ergens anders weer achterlaten. Daarbij komt dat velden, weilanden, tuinen en bossen door hun heimelijke verzorgers bemest worden. De boer, maar ook de boswachter en de tuinman moeten ze zien als waardevolle helpers. Wat het ook is, plantenresten of dierlijke, alles wordt aan de aarde teruggeven en in vruchtbaarheid omgezet. De regenworm maakt de bodem open voor de plantengroei. Hij mest en bewatert tegelijkertijd, zoals we nog zullen zien.
En laten we wel bedenken hoeveel er zijn, van deze stille, vaak zo geringschatte helpers! Per hectare land niet minder dan twee tot vijf miljoen en op dat oppervlak werden wel een miljoen wormgaten geteld. Er is becijferd dat de regenwormen op een middelgrote boerderij meer wegen dan alle koeien en kalveren bij elkaar. Wie had dat voor mogelijk gehouden! Het is niet te veel gezegd: deze geheime onderaardse koeienstal houdt ook de mens in leven.
Maar er is nog meer lovenswaardigs
te zeggen over wat de regenworm doet. Deze helpers zorgen namelijk ook tegelijkertijd door hun gangen ervoor, dat er genoeg lucht in de aardbodem komt. Dus losmaken, mesten en beluchten, dat doen ze. De plantenwortels kunnen ademen en ze krijgen ook meteen de fijne stroom vocht die van bovenaf de wormgaten binnendruppelt.

In helemaal niet zoveel decennia hebben de regenwormen, wanneer er maar veel zijn en wanneer ze zich op hun gemak voelen, de bodem omgeploegd en het onderste boven gekregen, zonder ploeg, alleen maar door hun levenswerk. Is het dan een wonder dat de boer en de tuinman die er weet van hebben met zorg kijken of het met de wormen goedgaat? De laatste tijd worden er zelfs regenwormen gekweekt en wanneer ze zich goed vermenigvuldigd hebben, verkocht daar waar ze nodig zijn.

Wat zijn het nu eigenlijk, die regenwormen?

Ze horen bij de aarde. Ieder van hen is net een klein stukje van de darmen van de aarde, dus helemaal geen heel dier, maar een klein stukje dat onder en boven de grond zelfstandig rondkruipt. Kop en ledematen zijn a.h.w. over de darm verdeeld of door deze opgeslokt. Zijn opdracht is het echter de aardekruimels langzaam door zich heen te laten gaan en ze van nieuw leven te voorzien en ze vruchtbaar te maken.
Dikwijls geringschatten de mensen ze, of minachten ze zelfs, omdat ze nog niet begrijpen hoe belangrijk ze wel niet zijn. Maar het kleine kan groot zijn, het nietige zelfs verheven. Dat is bij de regenworm niet anders. Dus laten we voor hem niet meer onze neus ophalen, maar duizendmaal liever, wanneer we hem zien, onze hoed afnemen. 

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1787

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (8) – over slakken

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 61                                                                                                     hoofdstuk 8

Zeven slakkengeheimen

Over de wijngaardslak

De slakken behoren tot die dieren waarover heel vaak geringschattend wordt gesproken, men heeft er een hekel aan, tenzij ze als delicatesse worden opgegeten zoals in Frankrijk en Spanje.
De wijngaardslak is een huisjesslak en om dit huisje te kunnen bouwen heeft ze kalk nodig. Vandaar dat ze in kalkrijke streken veelvuldig voorkomt.
Zo weinig betekenend ze zelf dan mag zijn, ze heeft toch prachtige familieleden, grote zeeslakken met heel fraaie kleuren en tekening op de huisjes met stekels die binnenin bovendien nog glanzen als paarlemoer.
Wanneer je er een aan je oor houdt, hoor je je eigen bloed daarin ruisen en dan zegt men weleens ‘je hoort de zee die daar nog geheimzinnig in naklinkt.’
Soms worden deze slakken foutief mosselen genoemd, maar die hebben, zoals bekend is, geen huisjes, alleen maar twee schalen die door een vorm van een scharnier beweeglijk aan elkaar vast zitten. In mossels kunnen mooie parels ontstaan, maar de slakken daarentegen hebben alleen maar een heel dun laagje paarlemoer aan de binnenkant van hun huisje, maar geen parels.
Wie de slakken wil begrijpen moet weten dat het eigenlijk allemaal waterdiertjes zijn, ook als ze over het land kruipen. De prachtigste komen voor in de zuidelijke meren. En daar is onze wijngaardslak met het geel-bruine huisje en de donkere strepen eroverheen maar een nietig schepsel. Meestal ziet men het nauwelijks dat ze een tekening hebben.
En toch is het slakkenhuis het meest merkwaardige en tegelijkertijd ook het wonderbaarlijkste stukje natuur dat je je maar kan indenken. Is het dan een omgevormd botje? Nee, zeker niet! Het is gewoon een huisje, zoals de naam al zegt. En er woont iemand in en de bewoner heeft het zelf gebouwd. Hij kan naar binnen en naar buiten kruipen, maar omdat hij eraan vast gegroeid is, moet hij z’n huisje overal mee naar toe nemen, als een rugzak. En verborgen in het huisje zitten ook de inwendige ingewanden van de slak. Veel van de mooie zeeslakken hebben veel dikkere en daarom veel zwaardere huisjes, maar de zee helpt bij het dragen.
Hoe groter de slak wordt, des te groter moet natuurlijk ook het huisje worden. Het heeft maar één kamertje en dat heeft de vorm van een spiraal. En de slak moet zich daarin oprollen, tot hij aan de voorkant naar buiten kijkt. Een mooi geheim ben jij, gedraaid slakkenhuis!
Soms vind je oude slakkenhuizen waarin geen slak meer zit. Als je een figuurzaagje neemt en je zaagt er een doormidden, wat zie je dan? Allereerst dat het huisje vanbinnen een wenteltrap heeft of zoals het beter klinkt, een spil. Deze is hol en daaruit volgt dat het hele slakkenhuis eigenlijk niets anders is dan een gedraaid buisje. Bovenaan de top is het nauw, naar onderen toe wordt het steeds wijder. Maar het is toch spiraalsgewijs opgerold. Zolang de slak nog groeit, maakt ze vooraan er steeds nieuwe banen aan. Die zijn eerst heel dun en breekbaar; als de slak eindelijk klaar is met groeien, maakt ze de rand van het huisje dikker en laat die wat naar buiten stulpen. Dat is dan de ‘mond’ van het slakkenhuis. Zo zweet de slak haar huisje uit en de kalk die ze daarvoor nodig heeft, neemt ze tot zich door het voedsel. Vaak zie je slakken hoog tegen de muren op kruipen waar ze uit de voegen en van de stenen kalk wegknagen. Al naar gelang wat de slak vindt en hoe ze zich voeden kan, groeit het huisje, soms met onregelmatige, dunnere of dikkere dwarsstrepen.
Het huisje is dus het allereerste geheim van de slak en zeker niet het kleinste.

Het tweede en derde gaat erover hoe slakken kruipen. Ze hebben geen benen en maar één voet, zoals men zegt, met een kruipzool. Je zou het ook wel een tong kunnen noemen waarop de slak rondreist en die ze in- en weer uit kan trekken. Vooraan de kop heeft de slak twee paar tasters. Wanneer hij kruipt, is het net of hij vooruitglijdt, je hoort niet het minste en je ziet geen beweging. Wanneer je ze op een glasplaat laat kruipen, kun je de mooie golfbewegingen zien die door de voetzool gaan. Ook bij waterslakken in een aquarium kun je dat makkelijk zien. Langzaam en rustig komt de ene golfbeweging na de andere en iedere keer wanneer er de golfslag vanachter vandaan komt, wordt de voet nauwelijks zichtbaar iets korter en wanneer de golf vooraan gekomen is, strekt de slak zich weer uit. Zo ontstaat het rustige verder glijden.
Dat is het tweede geheim en daar hoort het derde bij. Een slak staat namelijk helemaal niet op de vaste grond. Het is alsof ze op een heel kleine zee zwemt, een zee die steeds door haarzelf wordt neergelegd doordat zij slijm afscheidt. Dit slijm verbindt zich weliswaar stevig met de aarde, maar niet met de slak zelf. Ook wanneer dit al opgedroogd is, zit het nog aan de aarde vast en daar kun je dat zijn opglanzen, Zo maakt het voor de slak niets uit of zij op een gladde ondergrond, dan wel op een ruwe haar weggetje gaat, want zij glijdt nu eenmaal op het eigen slijm verder. Zij kan langs steile wanden omhoog kruipen of aan het plafond. Zelfs op zaagsel glijdt zij nog verder.
Dat is toch echt wel een verrassing voor iedereen die het nog niet wist, dat geen enkele slak met haar voet de aarde aanraakt. Dat is toch een slakkenwonder!
Bij zeeslakken kun je dat wel begrijpen, maar bij landslakken? Wat doen die dan eigenlijk? Ze nemen hun eigen kleine zeetje mee om daarop te zwemmen. Hun zee is het slakkenslijm.
Zo is het en niet anders.

Moeten we er ons over verbazen dat er bij droogte en zonneschijn geen slakken onderweg zijn? Ze gaan alleen bij vochtig weer op pad, vooral ’s nachts. Anders zou hun meegevoerde zee helemaal opdrogen en zij zelf ook. Wanneer waterbewoners zich op het vaste land wagen, moeten ze wel heel voorzichtig zijn.

Het vierde geheim gaat over de zintuigen en de zintuigorganen van de slak. Natuurlijk kun je van zulke eenvoudige dieren als de slakken niet verwachten dat ze net zulke volledige zintuigen hebben als de mens. Maar zij hebben precies de zintuigen die ze nodig hebben om te kruipen en bladeren te zoeken.
De beide ogen op de grote tasters zijn zeer bijziende. Maar dat is voor een slak helemaal voldoende. Vaak loopt zij nog tegen iets op, ook al lopen ze zo langzaam. Wanneer je ze echter met een vinger benadert, dan trekken ze zich meteen terug, nog vóór je ze hebt aangeraakt en trekken ze hun ogentasters als een handschoenvinger naar binnen. Dat kan, omdat de tasters van binnen hol zijn. Waarschijnlijk voelt zij je lichaamswarmte. De tastzin die over het hele lichaam verbreid is, moet wel heel gevoelig zijn.
Zij heeft zo haar lievelingskostje, deze wijngaardslak, zoals b.v. koolbladeren en weet die ook te vinden. Experimenten met slakken hebben laten zien dat de voeltasters tegelijkertijd ook reukorganen zijn. De smaak zit natuurlijk in de mond, aan de onderkant van de kop en wanneer er bij slakken nog van gehoor gesproken zou kunnen worden, dan zou dat wel de naakte huid kunnen zijn die zo fijngevoelig is. Want slakken hebben geen oren. Wanneer je een slak bent, heb je het waarschijnlijk ook helemaal niet nodig dat alle zintuigen zo duidelijk verschillend zijn. Daarom staat ook in Goethes Faust:

Zie je daar de slak? die komt aangekropen
met haar tastende gezicht
heeft ze jou al wel geroken

Hoe weinig je het bij de natte, koele slakken voor mogelijk zou houden, zo waar is het toch: ze zijn gevoelig voor warmte en ze houden niet alleen van warmte, maar ze hebben die ook nodig en omdat de wijngaarden altijd op de warmste plaatsen aangelegd worden, komen daar ook steeds de meeste slakken voor.
De wijngaardslak heet er zelfs naar omdat ze daar zo talrijk zijn. Maar het mag daar niet al te droog zijn. Wanneer het ’s zomers een langere tijd niet regent of wanneer het te warm wordt, komen de slakken in gevaar, kunnen dus uitdrogen. Maar dan trekken ze zich in hun huisje terug en wachten de regen af. Dat is dan hun zomerslaap. Daarvoor kruipen ze eerst nog onder de bladeren, waar veel schaduw is. Dan scheiden ze voor de opening van het huisje slijm af dat meteen hard wordt. Op die manier kunnen slakken het maandenlang uithouden, woestijnslakken zelfs jaren.

Het vijfde geheim is de slakkenmond. Die vraatzuchtige slak heeft ook lippen en zelfs een tand waarmee ze kleine stukjes van de bladeren af kan bijten. Wie goed luistert, kan het ‘knagen’ zelfs horen. Maar het eigenlijke wonder is de slakkentong. Die wordt alleen uitgestoken als de slak iets wil afschaven. Een echte tong is het natuurlijk niet. Eerder is het een klein rolletjes of een walsje. En die heeft geen puntje. Het is een heel klein raspje met bijna ontelbare, heel kleine tandjes. Wanneer de slak het tongwalsje op een blad perst, kan hij weliwswaar niet bijten, maar toch raspen, steeds van voor naar achter.
Met een vergrootglas kan je heel goed zien dat de tandjes van de slakkentong op een wonderbaarlijke manier geordend staan, bijna als de schubben van een dennenappel, vele rijen achter elkaar. Die zijn zo zorgvuldig gevormd dat de onderzoeker van slakken zelfs de slakkensoorten daarmee kan indelen. Is het niet grappig dat een dier naar zijn tong ingedeeld wordt? Slakken hebben bijna geen vaste delen. Daarom heten ze dan ook weekdieren.

Het zesde slakkengeheim is hoe de slakken ademen. Hun long ligt verborgen onder het huisje, maar je ziet toch een ademopening, de slak heeft er maar één. Die staat in verbinding met een ademholte, ook wel mantelholte genoemd. De slak kan die sluiten en openen, maar dat is niet de ademhaling, want dat doet de slak niet. Ze laat de lucht simpelweg naar binnen stromen en weer naar buiten. Wie zich zo langzaam beweegt, raakt nooit buiten adem. Dan is het genoeg om een slakkenlong te hebben.

De voortplanting is het zevende en het laatste geheim dat hier besproken wordt. Wijngaardslakken leggen namelijk eieren, een beetje witachtig. En omdat het slakkeneieren zijn hebben ze ook al een dun, kalkhoudend perkamentachtige schaal. Voor een slak zijn deze eieren in ieder geval zeer groot, als erwten namelijk. Als je dan bedenkt dat een slak tot wel zestig eieren achter elkaar legt, dan is dat wel een topprestatie. En omdat het legsel zeer zeker veel liefhebbers zou vinden, is het heel goed dat vrouw slak eerst een gat in de aarde graaft. Dat is voor haar uiteraard een moeilijk werk en dat kost wel tien tot twaalf uur, omdat ze geen ander gereedschap heeft dan haar weke voet. Als het holletje uiteindelijk tien centimeter diep is, begin het eieren leggen. Ontdek je een slak die eieren legt, zie je dat ze voor de helft in het holletje zit. Het is moeilijk van die grote eieren te leggen en het duurt vele uren, want de eieren komen zo om het half uur. Maar zoals bekend, slakken hebben de tijd, veel tijd. Ten slotte begraaft moeder slak het broedsel zorgvuldig – en bekommert er zich verder helemaal niet meer om. Na dertig dasgen is het echter zo ver: uit de eieren kruipen heel kleine slakjes.
Wel een geluk dat het niet iedere slak vergund is, groot te worden. Dan zou ieder ook weer zestig eieren leggen. Dan zou de aarde wemelen van grote en kleine slakken en dan zouden al gauw alle bladeren opgevreten zijn. Maar moeder natuur rekent anders. Zij heeft ook aan de vele hongerige magen gedacht van de dieren die slakken op willen vreten, grote en kleine.
De merels b.v. kraken op een harde steen eerst het huisje. Daarom vind je weleens stenen waar alleen maar gebroken huisjes bij liggen. Andere slakkenopruimers zijn de spreeuwen, zanglijsters, spitsmuizen, enz. In de natuur heeft nu eenmaal alles zijn maat en doel.

Als het uiteindelijk voor een dier dat zo naakt rondkruipen moet als een slak te koud wordt, dan zoekt zij een schuilplaats op waar zij kan overwinteren. Dan trekt de slak zich diep in zijn huisje terug en slaapt. Van te voren echter scheidt zij nog een keer kalk af, dit keer uiteraard voor de opening van het huis en maakt er een sterk dekseltje van. Er kunnen wel meerdere van die dekseltjes ontstaan, iedere keer als de slak zich terugtrekt. Zo overwintert de wijngaardslak in een aardholletje met een dekseltje naar boven. Alleen een heel klein ademgaatje wordt opengelaten.

Wanner het dan lente wordt en er geen gevaar meer bestaat dat het gaat vriezen, stoot de slak het dekseltje weg en komt zij weer uit het huisje tevoorschijn. De dekseltjes zie je overal liggen.
Wie ze opraapt kan onderzoeken hoe breekbaar ze zijn en welke mooie vorm ze hebben.

Zeven grote geheimen dus, die de wijngaardslak ons leert. Wat is het grootste? Geen of allemaal! Wie zou het kunnen zeggen, want iedere keer is dat het grootste, wat jij zo bewondert.

Schnecklein war ins Haus gegangen,
hatt’ es richtig angefangen;
denn da draufien allerorten
war es machtig kalt geworden.

Schnecklein macht’ den Deckel zu
und begann die Winterruh,
ließ die Stürme eisig blasen
und von Nord nach Süden rasen.

Schnecklein aber rührt sich nicht,
bis der Lenz die Scholle bricht.
Schon beim Morgensonnenblitzen
fängt das Schnecklein an zu schwitzen.

Komm heraus, du alte Schnecke,
warst schon lange im Verstecke,
reit auf deinem Schleimespfad
hin zu Nachbars Kopfsalat!

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1743

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.