Tagarchief: 4e klas dierkunde

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (16) – over de egel

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 123                                                                                                   hoofdstuk 16

Over de egel

Een zonderling moet je hem wel noemen, onze egel!
Wie heeft hem nou eigenlijk een keer goed en precies gezien?
Als hij eens opgerold wordt gevonden, laat hij zich alleen zien als een stekelbol die je hoogstens heel voorzichtig kan proberen op te tillen, wie weet! Maar hoe hij er eigenlijk uitziet, of hij ook een staartje heeft?
’s Nachts doorkruist hij snuffelend tuinen, velden en struikgewas, eerder iets stuntelig trippelend en daarbij snuivend. Zijn galop is echt een egelgalop, dan gaat het wat sneller. Wie zulke pootjers heeft als een egel, kan ook geen grote sprongen maken en al helemaal niet in bomen klimmen, toch verstaat meester egel verbazingwekkend goed de kunst om bij de jacht nog menige vluchteling in te halen. Het gebeurt zeker ook wel, dat de domkop op een helling over de kop slaat omdat hij z’n evenwicht verliest en naar beneden rolt. Maar wat geeft het eigenlijk: hij weet zich wel te redden, hij rolt zich op en komt behouden beneden als werd hij op engelenvleugels gedragen. Dus heeft hij met zijn stekeljas ook tegelijkertijd altijd zijn voertuig bij zich bij steile hellingen. Dat doet geen mens hem na, woonhuis, op z’n minst toch slaapkamer, vaste beschutting en rolwagen, alles bij elkaar. Egel, jij aardekruiper, je bent een moordkerel!
Beneden steekt hij langzaam zijn kop weer uit en is dan, als zijn stekelkleed nog niet op orde is, best angstaanjagend om naar te kijken, met die rimpels in zijn snuit en grimmig kijkend. Maar al gauw zit alles weer recht en de heldere, vrolijke, vriendelijke donkere oogjes blikken naar buiten, zorgeloos, zoals op zijn eerste levensdag, want hij is toch een aardige, eerlijke en trouwe knaap. Ook de juiste weg is snel gevonden, want egels hebben een goed gevoel voor plaats.
Van de zintuigen zijn reuk en gehoor veruit de scherpste. Uit het brede bekje druppelt bijna altijd een beetje speeksel, dus de egel hoort niet echt tot de meest aantrekkelijke dieren – hij stinkt zelfs een beetje. Maar moeten we hem dat bij zoveel goede eigenschappen kwalijk nemen?
Iets bijzonders is onze egel onder de dieren wel, hoor.
Zoals een mens of een beer, loopt hij ook met zijn hele voetzool op de grond, maar de voetjes aan de korte en dikke pootjes zijn plomp.
Deze ridder met die lange spitse stekels is bang als geen ander. Zijn enige wapen, het stekeljasje, is tegen niemand gericht, die het niet zelf in zijn eigen huid prikt. Wat is dat toch voor een zonderlinge afweer waarmee de aanvaller zichzelf moet verwonden! Wanneer hij ervan afziet, zal geen egel hem wat aandoen.
Honden en vossen haten de goede egel hardgrondig, de honden omdat ze zich vreselijk aan hem ergeren, zoals je al aan hun woedende geblaf kan horen. Maar egels hebben meer geduld dan honden. Hier geldt: wachten is het wapen van de egel. En wie zich eens een paar keer tot bloedens toe zijn snuit heeft gestoten, wordt vanzelf verdraagzamer. Maar vossen zijn erdoor verslagen, al moet je hen wel nageven, dat ze de opgerolde egel naar het water rollen waarin hij zich onmiddellijk moet openen en dan is het al met hem gebeurd. Ook wanneer de vos de egel simpelweg omdraait, zodat de pootjes naar boven liggen en dan zijn verschrikkelijk stinkende en bijtende urine over hem spuit, kan de uiterst fijngevoelige neus van de egel dat niet verdragen. de egel moet zich openrollen en weer is het met hem gedaan.
Gebraden egel hoeft wellicht niet slecht te smaken, zoals zigeuners schijnen te weten. Ze pakken de egel in in een dikke laag vochtige klei en gooien hem dan in het vuur, zodat hij met zijn eigen sappen gaar wordt. Op het laatst wordt de kleiklomp kapotgeslagen en de stekels blijven daarin steken. Zo heeft ieder zijn lievelingskostje en weet dat op z’n eigen manier klaar te maken.
Naast de hond en de vos is ook de uil een gevaarlijke vijand van de egel, omdat hij van die lange klauwen heeft waardoor hij door de stekels heen zijn prooi kan pakken.
’s Winters slapen de egels diep en vast. Voor ze gaan liggen, hebben ze zich nog vol gevreten met alle maar denkbare lekkere dingen, zodat ze een lekker vol buikje mee kunnen nemen in hun winterslaap. Goed, lekker eten betekent voor de egel zoveel als alle mogelijke insecten, zoals krekels, kakkerlakken en sprinkhanen, mestkevers en alle andere kevers en hun larven en in de lente natuurlijk veel meikevers. Verder verdwijnen achter het brede egelbekje ontelbare naaktslakken. Al wordt de egel dan altijd tot de familie van de insecteneters gerekend en een gebit hebben wat daarbij hoort met zesendertig scherpe tandjes, hij schijnt zich toch ook raad te weten met allerlei andere lekkere hapjes. Hij vangt zelfs op een handige manier muizen door ze met zijn wroetsnuit uit hun schuilplaats te trekken. Zelfs kikkers moeten eraan geloven, wanneer een egel hen te pakken krijgt, ja zelfs slangen!
Bijzonder rijk gedekt is de egeltafel natuurlijk in de herfst en de menukaart is dan heel afwisselend. Ook zoete dingen zoals fruit versmaadt hij niet, maar het liefst eet hij dierlijk voedsel. Eet smakelijk, oude stekelheld! Omdat de egel in tuinen in velden zoveel ongedierte vangt, moeten we hem als goede vriend verzorgen en vertroetelen.
In de late herfst wanneer het voedsel niet meer zo rijkelijk voorhanden is, weet de egel niets beters te doen dan zich voor te bereiden op de winterslaap.
Onder dichte takken richt hij zijn goede nest in, behaaglijk warm bekleed, een holletje in de grond, zelden ook een dieper gat met twee uitgangen. Wat doet het er dan toe wanneer buiten de sneeuw jaagt en de koude stormen waaien! De egel slaapt, o, zo diep! De warmte van zijn bloed wordt lager, zijn ademhaling houdt bijna op.
Bij zijn voorbereiding kan je hem in een werkelijk verrassende toestand gadeslaan. Hij walst door het dorre loof en prikt het aan zijn stekels. Dan loopt hij als een dikke bal met zijn bladerenvracht rustig naar huis. Dus de egel weet zijn stekels te gebruiken. Zoete vruchten draagt hij evenseens op deze manier naar huis.
Na de winterslaap begint het hart van de egel weer krachtig te slaan en het bloed verwarmt hem weer, kortom, het vreedzame egelleven begint weer opnieuw. Dat gebeurt wanneer de sneeuw allang gesmolten is en de aarde weer zacht is. Die heeft hem een bedje gegeven, hij vertrouwde dat en nu mag ze hem weer voedsel geven.
In gevechten moet hij zich staande weten te houden, wanneer hij zich met tegenstanders moet meten die zich weren en bijten zoals bv. de hamster, maar ook hier bewijst de held zijn moed die zijn stekels heel goed weet te gebruiken. Daarom hoeft hij ook niet bang te zijn van slangen. Loopt hij tegen een adder aan, dan wordt die overmeesterd via zijn kop. De slang verweert zich op haar manier en bijt met haar giftanden in de snuit van de egel, in zijn bek, in z’n spitse neus, waar het maar aankomt. Steeds opnieuw en het bloed van de egel begint te stromen, het gif vloeit in dergelijke hoeveelheden dat zelfs een veel sterkere en grotere tegenstander dan een egel al gauw het loodje moet leggen. Maar dat alles doet de egel niets, niet zijn wonden en niet het slangengif. Het tast zijn bloed niet aan en het lijkt wel of hij niet de minste pijn voelt. Hij wacht rustig af tot de slang doodmoe is en dan bijt hij haar de kop af. Ze kan nog kronkelen wat ze wil, maar de egel vreet haar op als hoogst welkome prooi.
De egel gaat alleen op jacht. Alleen in de paartijd zijn mannetje en vrouwtje bij elkaar. Dan kan je ze samen zien spelen en elkaar uitdagen. Het leger of zoals je wil, het egelnest waarin de jongen ter wereld komen, wordt zorgvuldig onder dichte bosjes, heggen of zelfs in een korenveld gebouwd. De pasgeboren jongen zijn eerst nog blind. Het zijn er zo’n drie tot zes in getal. De stekelvacht is er al vanaf het begin, maar de stekels zijn eerst nog zo zacht, dat ze die naam nauwelijks verdienen. Ook het oprollen moet beetje bij beetje worden geleerd. Het zal de jonge egeltjes niet moeilijk vallen, want als je als egel wordt geboren, zit het eenvoudig in je bloed.

.
meer

mooie tekeningen/foto’s

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1970

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (17) – nawoord voor de volwassenen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 128                                                                                                   hoofdstuk 17

Nawoord voor de volwassenen

De schrijver heeft bij het schrijven én aan school  én aan het gebruik thuis in het gezin gedacht en allereerst rekening gehouden met de behoefte van tien- tot twaalfjarige kinderen. Dat daarmee het gebruik van het boek niet beperkt wordt, zal hopelijk de ervaring leren.
Dit boek is een leesboek, maar geen leerboek. Noch de keus, noch de volgorde van de besproken dieren zijn onderhevig aan wat voor dwang of systeem dan ook. Ze zijn in volledige vrijheid gemaakt en ook achter het getal 16 zit niet het allerkleinste geheim.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat dit leesboek niet in de plaats kan en wil komen van bv. het eerste dierkundeonderwijs zoals dat op de vrijeschool wordt gegeven.
Dit fundamentele eerste kennismaken met het wezen van de mens en de dieren is zo mogelijk al voorafgegaan.
In hoeverre de auteur – zeker tot voordeel van de kinderen – heeft kunnen vermijden de thans zo populaire vermenselijking van het individuele dier, nag de lezer zelf beoordelen. Echte dierenliefde kan tenslotte toch door niets anders opgeroepen worden dan door een goed begrip.
Dat op een paar plaatsen klassieke woorden in de tekst werden gevlochten, zoals bv. uit Brhems Tierleben, zal wel niemand veroordelen, maar met het oog op het doel van het boek werden er geen bijzondere literatuurverwijzingen gegeven.

Matg dit kleine werk over de ‘oceaan van meningen’ diegenen vinden die het graag willen hebben!

Pasen 1957                                                                                      Dr.Gerbert Grohmann

Meer van de auteur:

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde.
1947

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (15) – over de mieren

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 116                                                                                                   hoofdstuk 15

Over de mieren

 

Allereerst gaan we het hebben over het leven van de zwart-bruine bosmieren. Die heeft iedereen weleens gezien. Hun woning is een grote mierenhoop, die het volk van dennen- of sparrennaalden, stukjes hout en steentjes zelf verzameld heeft. Wanneer het zonnig en warm weer is, zie je de bewoners gehaast naar binnen en naar buiten gaan. Schijnbaar doelloos lopen ze druk heen en weer en rennen kriskras door elkaar. ’s Nachts echter en bij niet zo’n lekker weer, blijven de ingangen gesloten. Die hebben de mieren dichtgemaakt; maar wie kan nu weten, wat daarbinnen in die vele kamertjes gebeurt.
De opgeworpen heuvel is zeer zeker niet de hele mierenbehuizing. Die gaat onder de grond verder en je zou kunnen zeggen, dat maar de helft boven de grond uitkomt. De andere helft is in de aarde uitgegraven. Daardoor kunnen de mieren én de vochtigheid én de warmte daarvan binnen regelen, d.w.z. ze kunnen het broedsel steeds daarheen brengen, waar het het beste is. Mieren zijn namelijk heel ijverige, zorgzame en trouwe verzorgers van het broedsel.
Bij iedere mierenhoop hoort ook een jachtterrein. Wanneer bewoners van andere volken daarin komen, worden ze meteen herkend aan een andere nestgeur, aangevallen en opgevreten. Zo vijandig kunnen de ijverige mieren zich tegen huns gelijken gedragen! Er zijn zelfs roofzuchtige soorten die regelrechte rooftochten naar andere volken ondernemen!
Om het heen en weer snellen ongehinderd en snel te kunnen laten verlopen, worden de weggetjes vanaf het nest naar de jachtterreinen als regel heel bijzonder aangelegd. Het zijn de mierenstraten. Je kan zien dat ze geëffend zijn en de hindernissen zijn opgeruimd. Zelfs plantjes mogen er niet groeien. Wat een komen en gaan op warme zomerdagen! Vele werksters komen zwaar beladen terug, maar geen enkele gunt zich rust. Hoe ze in de weer zijn en maar slepen, deze daadkrachtige mieren! Is het voor één mier te zwaar, dan helpen andere mee. Wat een leven waarbij ieder alleen maar door de drang bezield is, werk te verrichten, om het even wie het doet!
Dat is de gewoonte bij het mierenvolk en alleen zo kunnen de vele wonderlijke dingen uitgevoerd worden.
Maar wat doen ze daar dan, wat voeren ze in die wijde wereld uit, de kriebel- en krabbelaars? Ze moeten voor zichzelf en voor het broedsel voedsel buit maken en wegslepen. Daarbij is hun geen weg te zwaar, geen boom een bezwaar. Ze hebben scherpe klauwtjes aan hun sterke pootjes! Wat hun voedsel betreft, zijn ze niet kieskeurig, als ze de prooi maar kunnen overmeesteren. Ze houden heel erg van zoetigheid en ze stellen geen vragen waar dat vandaan komt. En om te snoepen dringen ze zelfs de huizen van de mensen binnen.
De bosmieren houden het bij de bladluizen die een zoet sap afscheiden; ze betasten en betrommelen die met hun voelsprieten om zo de afscheiding te stimuleren.
De rode tuinmieren slepen zelfs zulke bladluizen in hun woning en geven ze daar ook in de winter onderdak, In de zomer worden ze dan weer naar buiten gebracht, maar alleen als het zonnig en warm is. Bij slecht weer moeten ze binnen blijven.
Maar er zijn genoeg snoepers die op hun beurt achter de mieren aanzitten. Zo’n gevaarlijke vreetzak is de specht die heel erg in de mierenwoningen huis kan houden. Andere ijverige mierenvreters zijn de zwaluwen, roodstaarten en vele vogels die insecten eten, verder libellen, hagedissen, kikkers en padden. Wanneer je echter bedenkt dat het volk van een mierenhoop uit honderdduizenden mieren kan bestaan, hoef je je niet al te veel zorgen te maken om hun voortbestaan. Anders had de natuur wellicht de mierenvreters hun 
niet dat voedsel toebedeeld.
Wanneer mieren gestoord worden of geïrriteerd raken, dan verweren ze zich dapper. Veel soorten hebben een gifangel, andere daarentegen, zoals de bosmieren, spuiten vanuit een klier aan het achterlijf dat weliswaar kruidig ruikende, maar etsende gif, het mierenzuur en delen tegelijkertijd aan de tegenstander met hun kaken beten uit. Het achterlijf heeft namelijk zo’n spitse punt dat die makkelijk naar voren gedraaid kan worden. Daardoor raakt het gif de bijtwond. Wie op de heuvel van de bosmieren slaat, kan de straal ook op z’n vlakke hand laten spuiten en dan kun je het sterke zuur ruiken. En wie een bijzonder goede neus heeft, zou de plaatsen in het bos, waar veel mieren rondkruipen, eveneens aan hun vluchtige geur kunnen herkennen. Maar, om net als de mieren aan de geur te kunnen ruiken bij welk volk het hoort, is wellicht voor een mens te veel gevraagd.
Voor het bos echter, is het van het allergrootste belang, dat er mieren huizen, niet alleen maar omdat ze zoveel ongedierte opvreten, maar omdat de fijne mierengeur, de allerfijnste, bomen, struiken, maar ook kruiden stimuleert gezond te groeien. Ja, het bos heeft sterk behoefte aan mieren en hun geur maakt het sterk. Hoe zou het zijn als het bos beroofd zou worden van zijn mieren!

Mieren zijn ook bezig als tuinlieden, natuurlijk zonder dat ze dit willen. Ze slepen in hun huizen de zaadjes van de ereprijs, van het zwartkoren, van het viooltje, de dovenetel en zelfs van het sneeuwklokje, omdat er voedselrijke deeltjes aan zitten. Wat ze niet kunnen verteren, brengen ze weer naar buiten. De zaadjes echter, hebben er niet het minste nadeel van ondervonden en kiemen waar ze gevallen zijn. Zo vind je dus vaak plantjes die door de mieren zelf op hun paden zijn gezaaid en wij kunnen niet verklaren wie dat daar heeft gedaan. Zelfs de tuinlieden niet.
Op een mooie zomerdag valt er over het mierenvolk grote opwinding en onrust. Alles rent in het bouwwerk door elkaar heen en aan de oppervlakte komen massa’s gevleugelde mieren tevoorschijn, waarvan niemand van tevoren wist dat die er überhaupt waren, want ze zijn pas net uit het poppenomhulsel gekropen. Het zijn de mannelijke mieren van het volk en bovendien een paar koninginnen. Die hebben niet alleen vleugels, maar zijn ook groter dan de werksters. Weldra gaat de hele zwerm de lucht in en als een wolk draaien ze om de bomen en nog hoger. Dat is de bruidsvlucht van het mierenvolk. Dan voeren de volken geen oorlog, ze gaan in elkaar op en vermengen zich met elkaar. Dat wil de ziel van de mieren, want op deze dag gelden andere wetten.
Wanneer de zwerm moe is van de vlucht, de enige in zijn leven, valt die naar de aarde terug. Dan is het korte leven van de mannetjes al klaar en ze sterven. Je kan ze overal in massa’s zien liggen en voor vele mierenvreters is het een goede dag. Bij de koninginnen breken alleen de vleugels af en nu gaat het erom in het bouwwerk onder de aarde ijverig eieren te leggen, als het mogelijk is jarenlang. Werksters wachten er al op, een koningin beet te pakken en naar huis te dragen. Zelden gebeurt het dat er een jonge koningin in een nest terecht komt, waar ze zelf uitkomt. Zo kunnen de volken dus vermengd raken en die koninginnen die nog geen volk hebben, moeten met de eerste werksters die uit de eieren komen, er een stichten. Maar ook vele koninginnen gaan ten gronde.
De bruidsvlucht was de bloeitijd van het mierenvolk. Nu begint het rennen en slepen weer, verzorgen en schoonhouden, het alledaagse leven.
De koningin woont natuurlijk in een bijzondere kamer in het huis waar veel doolhoven, holletjes en tunnels zijn. Omdat ze maar één opdracht heeft – het leggen van eieren voor het hele volk – want werksters zijn de onvruchtbare vrouwtjes – moet ze verzorgd worden, schoongehouden, ja zelfs gevoerd worden. Omdat met de tijd de eierenvoorraad groter wordt, zwelt haar achterlijf dik op en dat maakt dat ze moeilijk kan bewegen. Maar het lijkt erop dat alle werksters weten, hoe belangrijk haar werk voor het volk is.
De eieren worden meteen bij de koningin weggehaald en weggedragen naar een plek waar ze optimaal kunnen groeien. Ze worden weliswaar niet uitgebroed, maar de mierenhoop heeft binnen een temperatuur die 10 tot 15 graden hoger is dan de buitentemperatuur. Waarschijnlijk wordt die veroorzaakt door broeiende planten, want mieren zelf zijn koudbloedige dieren. Ja, dat is toch wel een geheim, dat de hele mierenhoop bijna een soort warmte heeft als bloed.
Wanneer dan uiteindelijk de witte, bloedloze maden uit het ei komen, moet er pas echt voor ze gezorgd worden. De werksters voeren ze vanuit hun eigen bek, zoals duiven hun jongen te eten geven, wrijven ze ijverig schoon en dragen ze weg naar een plek waar ze qua vochtigheid en warmte het best gedijen. Om het broedsel te kunnen voeden, moeten de werksters natuurlijk zelf eerst ontelbaar veel rupsen en kevers, vliegen, pissebedden en larven doodmaken>
Op zekere dag komt aan de vreetlust van de larven een eind en wanneer elk zich omwikkeld heeft met een cocon, begint de rust van de poppen. Maar de zorg van de werksters mag nog niet stoppen.
Opnieuw betekent dit de poppen naar de juiste plaats te brengen waar ze zich het beste verder kunnen ontwikkelen. Meestal worden deze poppen miereneieren genoemd, hoewel ze allang geen ei meer zijn. 
Bij het uit het ei komen, moeten de werksters weer helpen, We zien dus, dat zij, ook al kunnen ze geen eieren leggen, erg veel moeten presteren voor het voortbestaan van het volk. De hulp bij het uitkomen is de laatste.
In de winter staat het leven van het mierenvolk volledig stil. Het volk bevindt zich in verstarde rust en alleen de zonnewarmte van de lente wekt ze daaruit. Weldra is het oude leven dan weer op gang en alles wordt al weer in gereedheid gebracht voor een nieuwe bruidsvlucht.

Overal ter wereld zijn mieren en in bijna alle klimaten. Hun leven, doen en laten, kan daar nog veel wonderbaarlijker zijn dan bij ons. En ze werpen beslist niet overal hopen op. Vele leven simpelweg in aardspleten en onder stenen, andere benutten holtes in boomstammen of bouwen nesten van papier. Zoveel variatie is er mogelijk.
Maar ook anderszins is er nogal veel merkwaardigs.
Onder bepaalde soorten komen werksters voor met bijzonder grote en harde koppen. Zij nemen de taak van de poortwachters over en kunnen de ingang tot het bouwwerk zo versperren dat alleen nog de gevaarlijke kaken naar buiten steken.
Bij andere volken bestaan er bijzondere ‘soldaten’, die groter, sterker en weerbaarder zijn dan de gewone werksters.
Wanneer ze een rooftocht houden, gaan zij snel voor het volk uit, overvallen de buit en maken die kleiner, zodat de werksters die naar huis kunnen brengen.
Bij de Amerkaanse honingpotmier moeten een aantal werksters zich voor iets bijzonders opofferen. Ze worden nl. als levende honingpotten gebruikt. In bijzondere kamertjes hangen ze aan het plafond bij elkaar en worden ze rijkelijk met honing en zoet sap gevoerd. Omdat er maar een klein deel van het voedsel dat naar binnen is gegaan, verteerd kan worden, wordt het meeste opgeslagen in het achterlijf, dat mettertijd opzwelt tot een blaas zo groot als een erwt. In tijden van nood kan daar een heel volk van leven. Dan moeten de ‘honingpotten’ hun voorraad weer afgeven. Dat er voorraden opgeslagen worden, kan ook steeds wel bij andere mierensoorten voorkomen, zoals bij de oogstmieren, die graan verzamelen – maar dat werksters ook als voorraadkamer moeten dienen, is toch wel heel merkwaardig.
Sommige roofmieren breken in bij woningen van vreemde volken om hun larven te stelen, maar niet om die op te vreten, maar om ze naar huis te slepen en daar te gebruiken voor de dienstverlening, zodra ze uitgekomen zijn. Gewillig en ijverig wordt door de slaven het werk gedaan: schoonmaken van de gangen, het broedsel reinigen en de verzorging daarvan.
Sommige mierensoorten zijn zo zeer aangewezen op deze vreemde hulp, dat ze zonder, zouden moeten verhongeren, omdat ze dan niet meer zouden kunnen vreten. Het voedsel moet hun in de mond gestopt worden.
Bij de onderzoekers is het al lang bekend, dat vele mieren in hun bouwsels bepaalde insectensoorten niet alleen dulden, maar ze er ook graag bij hebben en hen toestaan het meegebrachte voedsel uit de bek te laten halen. Op hun beurt scheiden deze gasten wel weer een zoet sap uit, dat door de mieren maar al te graag als een toetje opgeslurpt wordt. Zo krijgen de mieren het voor elkaar een soort genotmiddel te verkrijgen.
Maar hiermee heb je het met de wonderen van de mieren nog niet gehad. Sommige volken houden namelijk, zoals je misschien vergelijkswijze mag zeggen, er een soort tuinbouw op na. Dat zijn de Zuid-Amerikaanse bladsnijdermieren. Met hun kaken bijten ze stukjes van een blad af en maken dat thuis heel klein tot een soort weke brij. Daarmee leggen de mieren perken aan die vrijwel meteen door paddenstoelenkiemen bezaaid worden. De paddenstoel lijkt op een schimmel, maar brengt kleine, voedselrijke knopjes tevoorschijn die voor de mieren een heel welkome spijs betekent.
Er zit zoveel wijsheid in de leefgewoonten van deze nietige mieren, waar de mier op zich toch heel zeker niet het allerminst van kan denken en weten. En toch weet iedere mier precies wat hij moet doen.
Nog wonderbaarlijker dan alles wat tot nog toe beschreven is, zijn de nesten van de wevermieren. Deze mieren gebruiken hun eigen larven als weefgetouw en tegelijkertijd als schietspoel. Het thuisland van deze bijzondere soorten is het eiland Sri Lanka. De woning wordt gevormd door bladeren, die nog aan de boom bij elkaar gebogen worden. Door een fijn, zijdeachtig weefsel wordt alles verbonden. Om de bladeren dan bij elkaar te krijgen, moeten heel veel mieren samenwerken. Naar gelang hoe ver het naar het volgende blad is, moeten verschillende rijen over elkaar heen klimmen. De bovenste mieren houden zich met de pootjes aan de onderste vast. Dan gaat het samentrekken van de bladeren met rukjes zoals in de maat.
Om de bladeren uiteindelijk met elkaar te kunnen verbinden, hebben andere mieren al larven gebracht die net wilden beginnen met het spinnen van een cocon. Omdat ze heel grote spinklieren hebben, kunnen ze nu door de mieren gebruikt worden als weefgetouw en schietklos. Eerst worden ze tegen de rand van een blad gedrukt om daar de draad vast te lijmen, die wordt naar het andere blas getrokken en daar vastgemaakt. Zo gaat het heen en weer, tot de draad een dicht vlechtwerk vormt. 
Het nest dat klaar is, dat zo uit vele verbonden bladeren bestaat, is drie centmeter groot. De onderzoekers die het zagen ontstaan, waren natuurlijk zeer verbaasd dat hier een mier haar eigen larven zo gebruikt, zoals werd beschreven en er bestaat in de hele dierenwereld niet iets anders wat hiermee te vergelijken is.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1939

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (13)

.

GERBERT GROHMANN

 

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 97                                                                                                     hoofdstuk 13

Over de kruisspin

De kruisspinnen weven hun web altijd overal waar ze zoveel mogelijk kunnen verschalken. Hun buit bestaat vooral uit vliegen en muggen. Daarom vind je spinnenwebben met name in bossen of in de buurt van water en omdat hun slachtoffers meestal niet zo hoog boven de grond vliegen, bouwen ook de spinnen hun web zelden hoger dan menshoogte. In de boomtoppen zitten geen webben meer.

Spinnen zijn in hoge mate geen dieren die samenleven. Ze staan zelfs vijandig tegenover hun soortgenoten. Daarom moeten ze dan ook alles alleen doen. Hoe anders is dat toch wel niet bij de bijen die steeds in een talrijk volk bij elkaar zijn en samen moeten bouwen. Als je dan ook nog bedenkt dat de spinnen hun web niet eens kunnen zien, omdat ze nu eenmaal geen insectenogen hebben, maar alleen maar acht kleine puntoogjes boven op hun kop waarmee ze hooguit licht en donker kunnen onderscheiden, dan wordt het raadsel pas echt groot. Alles wat de spin aan wonderlijks verricht, doet ze met haar tastzin. Gewoonlijk zit ze niet in haar web, maar ergens ernaast in een schuilhoekje, maar ze heeft wél een signaaldraad gespannen naar het midden van het web. Zodra er iets in beweegt, voelt de waakzame spin dat aan haar poten en bliksemsnel komt ze tevoorschijn. Maar als het een regendruppel is die erop terechtkomt, dan weet de spin het verschil en blijft ze rustig zitten. Ze kent ook de wind en laat zich niet voor de gek houden. De signaaldraad, ja heel het web is voor de spin een heel gevoelig tastinstrument dat ze zelf heeft gemaakt.

Nu wordt er beschreven wat een spin eigenlijk gaat doen als ze een web wil weven.
Eerst zoekt ze een geschikte plaats, een tak of ook wel een hoek van het raam; dan trekt ze boven de ‘loopdraad’ van de ene naar de andere kant. Ze maakt die sterker door een paar keer heen en weer te lopen, waarbij ze elke keer een nieuwe draad op de andere plakt. Vaak laat ze zich, in plaats van heen en weer te lopen, simpelweg vallen en trekt de draad door haar gewicht uit haar lijfje naar buiten. Met het achterste potenpaar kan ze de val vertragen. Dan klimt ze weer naar boven en maakt de tweede draad vast waarbij ze met de poten handig voorkomt dat de draden aan elkaar vastplakken en dan maakt ze met de eerste draad een grote driehoek met de punt naar beneden.


Wanneer de loopdraad – zo heet de eerste, de meerdere keren verdikte draad – dwars gespannen is, trekt de spin haar volgende draden zo, dat die met de loopdraad samen een onregelmatige vierhoek vormen. Ook deze draden moeten sterker gemaakt worden. Hiermee heeft de spin allereerst een bepaald raamwerk gemaakt en daarin gaat ze dan haar web hangen. Maar ze kan ook over een hindernis: een sloot of boven het water een web spannen. Dan laat ze de eerste draad door de wind naar de andere kant waaien tot die ergens aan vast blijft zitten en zij erheen kan klimmen. Waar een draad te slap is, wordt deze door een dwarsdraad aangetrokken. Al naar gelang de toestand van de plek waar het web moet komen, moet de kruisspin natuurlijk steeds weer iets anders doen. Het kijken daarnaar is een van de meest leerrijke dingen die je maar kan bedenken.
Met het eigenlijke web begint de spin door zich midden in het raamwerk te laten zakken, waardoor het vlak in twee helften verdeeld wordt. Dan gaat ze naar het midden van deze draad en daarmee is het middenpunt bepaald. Nu trekt ze met de achterpoten hele bundels draden uit haar spinklierentepels tevoorschijn en maakt er een soort kluwen van waarop ze later met de kop naar beneden kan zitten en op de prooi kan loeren.
Het volgende dat moet worden gedaan is het aanleggen van de spaken. De spin trekt deze vanuit het middelpunt naar buiten toe, door eerst weer in de middendraad omhoog te klimmen om dan de nieuwe draad op de juiste afstand van de eerste aan te brengen. Met deze moet er een driehoek ontstaan. Omdat de spin alle volgende spaakdraden ook vanuit het middelpunt uit trekt, gaat ze daar weer naar terug. Bij deze gelegenheid versterkt ze opnieuw de eerste met een tweede die ze daar opplakt. De volgende spaak wordt nu vanuit het middelpunt van het web naar beneden getrokken en op de terugweg weer versterkt en zo gaat dat maar door, spaak na spaak, tot de cirkel rond is. Wie het helder voor ogen wil zien, kan het makkelijk tekenen.
Als laatste trekt de spin de eerste grote spiraal tussen de spaken van binnen naar buiten, door van de ene spaak verder te gaan met de andere en iedere keer de spiraaldraad vast te maken. Daarbij wordt het duidelijk wat een voortreffelijk meetinstrument zij in haar lange poten heeft, want ze gebruikt haar voorpoten ijverig als een passer om de afstanden van de spiraalpunten te meten. Zo trekt ze omtrek na omtrek, tot ze aan de buitenkant is; toch is de eerste spriaal nog tamelijk wijd. Als de spin dan begint, maar nu om van buiten naar binnen gaand de eigenlijke vangspiralen te trekken, maakt ze de omtrekken dichter bij elkaar. Op het laatst wordt de eerste, niet plakkende spiraaldraad, de hulpspiraal eenvoudig doorgebeten en daarmee is het kunstvolle werk klaar.

De voor de slachtoffers zo verderfelijke spiraal is uiteindelijk de vangspiraal. De spin perst die draaden ook uit andere klieren dan die tot nog toe voor de bouw van het web werden gebruikt. Het geheim is dat deze draad in de lucht niet helemaal hard wordt, maar aan de oppervlakte samentrekt tot allerkleinste bolletjes van een wonderbaarlijke regelmaat. Vaak kan je zien hoe de dauw als een parelsnoer daarop neerslaat en toch zijn de kleefdruppeltjes nog vele malen kleiner. Bij mist of dauw kan je ook zien dat de kleefdraden niet strak gespannen staan, maar wat losser hangen. De wind kan ze heen en weer bewegen. Wat moeten we de spin bewonderen om de kunst dat ze alle draden zo regelmatig losjes spannen kan! De regen kan de parels er niet afspoelen en toch moet ieder diertje ook al komt het er maar even mee in aanraking, er zonder meer aan vast blijven zitten. Een duivels werktuig van deze valbouwster spin! Wee het mugje of het vlindertje: ze komen niet meer los!

Vaak zijn die grote kunst en wijsheid bewonderd die in de activiteit van de kruisspin ingeplant zijn en steeds werd weer de vraag gesteld wie dit toch aan haar heeft geleerd. Niemand hoeft het haar te leren, want wie gebouwd is als een kruisspin, heeft van niemand les nodig. Haar eigen ledematen leren het haar steeds weer. Zij begrijpt het en kan alles vanaf het allereerste ogenblik uiternate volkmaakt.

Uiteindelijk, nadat ze ook de signaaldraden getrokken heeft, gaat de spin in het verborgen hoekje zitten. Ze maakt daar een echte verstopplaats van door bladeren samen te trekken en bij elkaar te spinnen. De verstopplaats kan behoorlijk ver van het web verwijderd zijn, verschillende meters, maar de spin blijft met de poot vast aan de signaaldraad en wacht bewegingsloos. Ja, ze wacht en wacht maar. Dat kan ze wekenlang uithouden, tot er eindelijk een slachtoffer in het web gevangen wordt. Dat doet haar niets, want het wachten, het geduld, is haar wapen.
Zodra haar slachtoffer in het web zit, komt ze onmiddellijk en bliksemsnel aangeschoten. Aan de bewegingen van het web, merkt ze meteen of ze het gevangen dier aankan. Een grotere kever bv., zou alleen maar het web kapot maken en daarom bevrijdt ze die zelfs uit het weefsel door simpelweg de draden waaraan hij vastzit, door te bijten. Hij moet nog zien hoe hij zich van zijn banden waaraan hij vastzit, bevrijdt! Dan wordt het web meteen hersteld. Wie spinwebben onderzoekt zal er zeker veel vinden die alleen maar uit reparaties bestaan. Die plekken zijn natuurlijk niet meer zo regelmatig als het eerste web.

Laten we eens luisteren naar een spinnenonderzoeker die het hele proces dat hij vaak genoeg bekeken heeft, beschrijft: ‘De vlinder of de vlieg die in het web terecht zijn gekomen, proberen meteen door heftige bewegingen vrij te komen. Daardoor raken ze steeds meer vangdraden en die kleine haakjes en stekeltjes en wat op nog veel meer plaatsen aan het insectenlijf zit, is de ondergang van de beestjes. Het slachtoffer raakt steeds meer verstrikt en is uit het dradenwerk van de val niet meer te redden. De pogingen om zich te bevrijden doen het tere bouwsel zeer heftig bewegen. Veel draden breken, maar winden zich weldra om het lijf van de gevangenen.
Ondertussen echter hebben de bewegingen die zich verplaatsen via de spandraden, de bazin van het web op de hoogte gebracht van het succes van de gebouwde val. Zij haast zich met grote behendigheid ernaartoe om de buit veilig te stellen en te voorkomen dat het web al te zeer beschadigd wordt. Een groter insect wordt met een rap tempo omsponnen en daarbij gaat de spin op een heel eenvoudige manier te werk; ze plakt de uiteinden van talloze spindraden aan de prooi vast die zij uit haar achterlichaamseinde tegen een willekeurige plek op het insect drukt. Dan trekt ze de draden een stuk verder naar buiten en begint het gevangen dier met behulp van het derde en vierde paar poten zo snel ze kan, rond te draaien. Als een breed lint stromen dan de draden uit haar gezamenlijke klieren naar buiten. In nauwelijks drie seconden wordt de naar verhouding sterke prooi zo omwikkeld dat die zich niet meer kan bewegen.
Tijdens dit alles maakt de spin ook gebruik van haar gif. Het gebeten dier gaat na een paar seconden dood, Een vlinder of een grotere vlieg worden ter plaatse, waar ze in het web terecht zijn gekomen, leeggezogen. Kleine insecten worden op de rustplek in het midden van het web of naar het huisje gesleept om daar opgebruikt te worden.’

De klauwachtige gifkaken van de kruisspin – ze heeft twee krachtige aan haar kop – kunnen als knipmessen naar binnen geslagen worden. Het gif wordt in twee grote klieren direct onder de kaken gevormd en vloeit aan het uiteinde uit een kleine opening. Het doodt het sachtoffer niet alleen, maar verteert het tegelijkertijd. De kruisspin kan namelijk geen vast voedsel in zich opnemen. Ze zuigt ook geen bloed op van haar prooi, zoals bv. insecten doen. Ze maakt de prooi buiten haar lichaam vloeibaar. Het spinnengif lost het binnenste van de prooi op tot een brij die de spin begerig in zich opzuigt. Ze drink dus haar slachtoffer leeg. Het pantser blijft natuurlijk over. Je ziet vaak in oude spinnenwebben van die lege vliegen of muggen die dan zo licht als de lucht zijn. Zolang de spin echter met het web werkt, bijt ze haar leeggedronken prooien eruit en maakt ze weer heel wat kapot gegaan is.

Maar hoe kan een spin nu over haar web klimmen, als een bliksemflits eroverheen lopen, zonder naar beneden te vallen of het ook maar een beetje te beschadigen? Ja, dat wonder wordt niet kleiner, maar steeds groter, als je erover na gaat denken. De spin is de behendigste koorddanser die je je maar kan bedenken en de instrumenten die ze gebruikt zijn haar eigen poten. Ze heeft geen kromme nagels zoals de vogels, maar heel kleine klauwtjes aan de punten van haar poten, zo klein dat je ze met het blote oog niet kan zien. Tussen deze grijpertjes kan ze de webdraden klemmen. Ze kan die naar boven wegslaan als de spin ergens anders loopt dan op haar web.
Dus voor de kunst van het koorddansen heeft de spin ook geen leraar nodig, want ze leert het van haar eigen poten.

Om de volmaakte instrumenten van een spinnenlichaam echt te kunnen bewonderen, moet je ook weten hoe de draden van het web gesponnen worden. Iedere aparte draad bestaat uit ongeveer 600 deeldraden. Dat is mogelijk doordat iedere draad uit ontelbare klieren van de spintepels geperst wordt. De spin kan klevende of niet-klevende draden trekken, al naar gelang welke klieren ze leegdrukt. Voor ons is een mensenhaar wel het dunste, maar de enkele draad van een spinnenweb is in vergelijking daarmee net zoiets als een scheepstouw en naaigaren. Wanneer je in het bos per ongeluk in spinrag terechtkomt, kan je, zonder dat je het wil, de proef op de som nemen hoe elastisch, uitrekbaar en bijna niet kapot te krijgen zo’n draad is.
Dus heeft de spin ook hier weer iets wat in haar lichaam ingebouwd is, wat de mens, wanneer hij dat nodig heeft, met zijn verstand moet uitdenken en dan met hulpmiddelen uit moet voeren. Ook een scheepstouw, dat zoals we weten aan de sterkste krachten moet voldoen, bestaat uit vele dunnere touwen. De mens heeft ervaringen opgedaan en die gebruikt hij, de spin draagt echter al wijsheid met zich mee zonder eraan te hoeven denken.

Wanneer de kruisspin zich aan haar draad van boven laat zakken, kan je zien dat ze haar achterste poten als spoelen gebruikt door de draden door haar klauwen te trekken. Zo kan ze het dan ook voor elkaar krijgen dat de trekkracht van haar lichaamsgewicht van geen invloed meer is en langzamer naar beneden gaan of juist in de lucht blijven staan.

Ten slotte werpen we nog de vraag op waar de jonge spinnetjes vandaan komen en hoe die eruit zien. Spinnen die niet tot de insecten horen, maken geen verandering door zoals bv. de vlinder. Ze hebben ook geen zes poten zoals deze, maar acht en kunnen niet vliegen. Daarom zit ook al hun kunstvaardigheid in hun poten. In plaats van te vliegen, weven zij in de lucht. Als je ernaar kijkt, kan het lijken alsof een spin bijna helemaal geen kop heeft. Ze heeft er natuurlijk wel een, maar die vormt met de borst een geheel, zodat je beide niet kan onderscheiden. De grote facetogen van de insecten zijn daarbij evenwel verloren gegaan. Alleen de kleine oogjes op de schedel zijn overgebleven.
Spinnen leggen eitjes zoals ook de insecten. De tijd van voortplanting valt in de late zomer. Dan verlaat de oude spin haar web en weeft een cocon. Daarin worden vele eitjes samengeweven en dan laat de ze die eenvoudigweg hangen. Van tevoren heeft ze natuurlijk een beschermd plekje, onder oude bladeren of in bastscheuren, gezocht. Merkwaardigerwijs komen de jongen er pas in de daarop volgende meimaand uit. Dus moeten de eieren in de lucht overwinteren. Zijn dan de nietige spinnetjes eindelijk uitgekropen, blijven ze zeker nog een week lang op een dicht kluitje bij elkaar zitten en wanneer je losmaakt, rennen ze snel weer naar elkaar. Uiteindelijk lopen ze dan toch weg.
Al gauw daarna beginnen ze heel kleine webjes te spinnen. Het eerste web van zo’n jong kruisspinnetje heeft maar een doorsnee van 2½ cm. Dan overwinteren de spinnetjes, nog niet eens een halve centimeter groot. Pas het volgende jaar krijgen ze hun volle grootte.
De grootste zijn de tweejarige vrouwtjes. De mannetjes zijn kleiner en weven kleinere webben. Wanneer mannetjes en vrouwtjes elkaar tegenkomen, wordt het voor het kleinere mannetje heel gevaarlijk, want wanneer het niet meteen op de vlucht slaat, wordt het door het vrouwtje gewoon opgegeten. Hoe zou een spin haars gelijke naast zich dulden! Het is het tweede en laatste jaar van haar leven, waarin de kruisspin haar eieren legt; want wanneer de nieuwe winter aanbreekt, sterft de grote meesteres, de meesteres in spinnen en weven. 

 

fabel

‘Eens, toen ik nog kon zien,
vertelde de spin aan haar buurvrouw, de libelle, 
‘vergat ik bijna te eten, alleen maar omdat ik
steeds de heerlijkheid van de hemel bewonderde.

Toen echter werd ik met blindheid geslagen.
Sindsdien doe ik onophoudelijk mijn best
Op aarde met mijn handen, je ziet het,
de bogen van de hemel na te bootsen.’

‘En je slachtoffers, uit wie je zo begerig
de levenssappen zuigt?’ sprak de libelle.
‘Ik moet voorkomen’, wendde de spin zonder bezwaar voor,
‘dat die mijn hemelsbogen kapot maken!’ 

.
Meer info   foto’s   video’s       bionica: de spin als bron van innovaties.

Christuslegende: hoe de kruisspin aan haar naam komt

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1905

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (12))

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 90                                                                                                     hoofdstuk 12

Over een vogeltje dat niet zo graag vliegt
en over vissen die nesten bouwen

Als hij een kroontje op zou hebben, deze dwerg onder de zangvogels, dan zou dat toch maar even klein mogen zijn als hijzelf. Maar hij heeft er geen en toch noemt men hem koning. Zijn rijk bestaat uit heggen en struiken, hagen en rijshout. Daar beweegt hij zich vrij en onbezorgd, zoals geen ander dat kan, net als een koning. Heel graag zit hij ook bij het water, aan beekjes, vijvers en plassen. Hij sluipt door dor rijshout, steeds dicht bij de grond, ook kruipt hij door dicht kreupelhout, hoekjes en holletjes doorzoekend. Het is het winterkoninkje dat dit zo opgewekt doet, want we hebben het alleen over hem.
Zijn verenpak is helemaal niet zo koninklijk, roestkleurig met een tekening van donkerbruine golflijntjes op zijn rug. Over de ogen tot aan het spitse snaveltje is een lichte streep getrokken. Zo valt hij nauwelijks op in het struikgewas waarin hij leeft.
Is hij weg, dan komt hij ergens anders al weer tevoorschijn. Af en toe drijft de overmoed hem naar een hogere plaats van waaraf hij dan al gauw een liedje kwettert, dat toch niets anders betekent dan: zie en hoor mij toch eens, ik ben toch de koning van heggen en hagen! Wanneer hij iets bijzonders heeft ontdekt, duidt hij dat bovendien nog met lichte buiginkjes aan.
En hoe hij trillers zingt, hoe hij kwettert, dit kleine, krachtige kereltje!
Vaak klinkt het bijna zoals van een kanarie, alleen helderder, energieker. Het is een lust om naar hem te luisteren!
Zelfs in de winter zwijgt de onverdroten zanger niet, want ook in de sneeuw laat hij zijn liedje horen. Alleen in de zomermaanden, wanneer hij in de rui is, hoor je hem niet. Maar de lust om te zingen komt altijd weer terug, want die zit hem in het bloed. Wanneer hij niet zingt, verraadt hij zich toch door zijn krachtige ‘tsik’ of tèrrrrrrt’. Zijn waarschuwingsroep ‘tèrrrt, tèrrrt wordt ook door andere vogels begrepen.
De familie van het winterkoninkje is vooral verspreid over het subtropische Amerika. Daar zitten vele goede zangers onder, ook de flageoletvogel wiens lied als de mooiste vogelzang beschouwd wordt, hoort daarbij. Een vogelonderzoeker zei eens dat dit de allerbeste zanger is uit de keerkringlanden van Amerika. Je zou zijn zang met het aanslaan van kleine klokjes kunnen vergelijken die meestal afgestemd zijn, maar rekening houdend met de juiste toonafstanden, volgens de regels bij elkaar gebracht, die langzaam en zacht uit de boomtoppen weerklinken. Wie ze hoort, verklaart dat hij dergelijke klankrijke en toch zulke zachte en tere, goed in het gehoor liggende, bijna bovenaardse tonen nergens anders gehoord heeft, maar ook helemaal niet voor mogelijk gehouden.
Zo’n verslag zoals van deze vogel uit de warmere landen kunnen wij over onze wakkere winterkoning nu eenmaal niet geven, maar dat hij desalniettemin tot de beste zangers van zijn land behoort, kan niemand hem ontzeggen.
Meestal wordt hij als onze kleinste zangvogel beschouwd, maar dat is hij beslist niet, want onze twee goudhaantjes, het zomer- en het wintergoudhaantje, met hun ijle, zacht tsjirpende stemmetjes zijn nog kleiner dan hij.
Het winterkoninkje is helemaal niet schuw. Hoe kwiek hij zich vertoont wanneer hij zijn liedjes kwinkeleert en daar tussendoor steeds zijn buiginkjes maakt!
Vanaf zijn snavel tot het staartje is zijn lichaamslengte maar tien centimeter. Wanneer hij een echte staart zou hebben, was het nog wel wat meer, maar hij heeft maar een allerkortst staartje en dat steekt hij zelfbewust loodrecht omhoog, alsof hij nog in het bijzonder wil laten zien dat hij er tóch een heeft.
En de vleugeltjes? Die zijn zelfs voor zo’n klein vogeltje buitengewoon kort, bijna te kort. Dus het winterkoninkje kan onmogelijk een goed vlieger zijn die het lang volhoudt. Je moet hem nageven dat hij alleen vliegt wanneer het echt nodig is, anders hupt of springt hij liever flink en vrolijk. In elkaar gedoken kan hij buitengewoon hard lopen, zodat hij inderdaad wel voor een muis aangezien kan worden. Besluit hij als nog te gaan vliegen, dan gaat dat met trillende, zeer snelle vleugelslaagjes laag over de grond. Daarom vermijden winterkoninkjes ook weidevlakten of andere gebieden zonder bomen. En worden ze daar soms naartoe opgejaagd, dan worden ze snel moe en laten zich uiteindelijk zelfs met de hand vangen. Maar zonder schuwte ritselen ze door de stads- en dorpstuinen, ook schuurtjes en stallen worden afgestruind.
Wanneer het koddige ding een nest begint te bouwen, vertoont het zijn eigenaardigheden en kunsten weer van een andere kant. Het vrouwtje bouwt meerdere nesten, niet alleen maar één waarin zij haar jongen grootbrengt. Ook het mannetje bouwt nesten of hij helpt het wijfje. De andere nesten die niet gebruikt worden voor het grootbrengen van de jongen, worden speelnesten genoemd. Die zijn ook niet zo goed en zorgvuldig bekleed. Het nest van de winterkoning is in verhouding tot zijn bewoner opmerkelijk groot. Eigenlijk is het helemaal geen echt nest. Het is kogelrond met een ingang opzij, eigenlijk een soort holte. Omdat het erg lijkt op de struiken waarin het gebouwd is, is het ook moeilijk te vinden. Het winterkoninkje weeft twijgjes en dorre blaadjes ineen, al naar gelang wat de omgeving oplevert, ook mos en korstmos. Het winterkoninkje moet natuurlijk ontelbare keren wegvliegen en met een halmpje of blaadje in z’n snavel weer terugkomen. Maar dat doet hij graag en met ware hartstocht, want anders zou hij niet meer nesten bouwen dan er strikt genomen nodig zijn om de jongen groot te brengen.
De plaats voor het nest wordt zeer zorgvuldig gekozen. Je kan de winterkoningnestjes zowel in boomtoppen als beneden op de grond vinden, maar ook in aardholletjes of holle bomen, in gaten in een muur of speten in een rots, onder daken van huizen, in de struiken, maar ook in heggen en houtstapels, zelfs in kolenbrandershutjes en tunnels in de bergen hebben winterkoninkjes nesten gebouwd. Hoe het ook zij, het ronde bouwwerk is met aandacht, moeite en zorgvuldigheid gemaakt. Wat er gebruikt wordt, is zo kunstig en sterk bij elkaar gebracht, dat het eruit ziet alsof het aan elkaar gelijmd is. En het broednest, hoe fijn dat aan de binnenkant met zachte veertjes bekleed is! In zo’n nestje hebben de jongen die uit het ei zijn gekropen het natuurlijk heel fijn! Ze komen er, ook al kunnen ze al lang vliegen, steeds weer naar terug om te slapen. Ook bij heel slecht weer heeft men ze daar vredig bijeen aangetroffen.
Bij bijzonder guur, bar winterweer trekken ook de ouders zich in hun burcht terug, want daar vinden ze de allerbeste bescherming tegen sneeuwstormen en ijzige wind.
Mannetjes en vrouwtjes blijven hun hele leven trouw bij elkaar, wanneer ze eenmaal een paartje zijn geworden en alleen de dood kan ze van elkaar scheiden. Ook de jongen blijven nog lang bij elkaar als familie, dat kun je opmaken uit het feit dat ze in de herfst nog als een kleine troep samen rondvliegen.
De zes tot zeven eieren zien er wit uit met rode puntjes. Ze worden dertien dagen lang door allebei de ouders afwisselend bebroed en wanneer ze uit het ei zijn gekomen, worden de jongen ook door beide ouders gemeenschappelijk gevoerd. Weldra is het: zelf eten zoeken, spinnetjes, insecten en hun larven, van tijd tot tijd ook vruchten en bessen, bv. de donkerrode vlierbessen. Dat zal ieder winterkoninkje wel lekker vinden. Denk je ook niet?

Maar als we nu eens naar iemand anders kijken, naar een visje, ons stekelbaarsje, dan zou je die zeker niet toevertrouwen een nestje te bouwen!
In vroegere tijden werden de vissen weleens de vogels van de zee of het water genoemd. Zoals de vogels in de lucht, zo zweven zij a.h.w. door het water, sommige hoog aan de oppervlakte, andere daarentegen bij de bodem. De huid van de vissen zou je hun veren kunnen noemen, die zo in prachtige kleuren kan fonkelen en glanzen, vaak nog mooier dan bij de vogels.
Het stekelbaarsje komt bijna overal in onze binnenlandse wateren voor en hij bouwt daar een rcht nest voor zijn broedsel. Het visje is nauwelijks een vinger lang. Hij vindt zijn beste leefruimte in slootjes, plassen en ondiepere meren, maar hij komt ook nog voor in brak zeewater. Stekelbaarsjes kunnen zich goed verweren, want voor de rugvin bevinden zich drie sterke en scherpe stekels. In rust liggen ze op de rug, maar ze kunnen ieder ogenblik opgericht worden en stevig blijven staan. Ook de buikvinnen dragen ieder een krachtige stekel. Dus is het helemaal geen wonder dat andere vissen er maar weinig plezier aan beleven, een stekelbaarsje te verschalken.
Zodra de voorjaarszon schijnt en het ook in het water merkbaar warmer wordt, beginnen de stekelbaarsjes te verkleuren. Eigenlijk zijn het alleen maar de mannetjes die zo’n prachtig kleed krijgen. Het is hier net zoals bij veel vogels, waarbij de vrouwtjes tot aan de paartijd eveneens heel onopvallend blijven.
Ons stekelbaarsmannetje daarentegen glanst dan heel mooi, zoals je van te voren nooit had kunnen schilderen. Heel de bovenkant tot aan het midden van de buik licht dan smaragdgroen op, net als de ogen, de hele onderkant daarentegen wordt prachtig purpurrood. Dat is het bruidskostuum van het stekelbaarsmannetje.

Omdat de kleuring zo heel mooi is en er ook nog heel wat anders te bekijken is, nemen velen in de lentemaanden stekelbaarsjes in hun aquarium. Later kan je ze weer loslaten. Je moet je stekelbaarsjes voeren met watervlooien, muggenlarven of kleine wormen. Omdat de mannetjes gedurende de paaitijd snel ruzie zoeken en tegen de vrouwtjes stoten en ze opjagen, mag je geen al te kleine bak nemen.
Het opgewonden leven begint, zodra de stekelbaarsjes nestjes beginnen te bouwen. Ja zeker, ze verstaan deze kunst heel goed en voeren die ijverig uit. Het mannetje bouwt alleen en wee het vrouwtje dat hem in deze tijd te na komt! Steeds opnieuw sleept het mannetje een halmpje, een stengel of kleine mosstengeltjes aan. Wat nog te vast zit, wordt door energiek schuddende bewegingen van het hele lichaam losgerukt. Thuis wordt het dan als een nieuw bestanddeel bij het nest gevoegd en vastgemaakt. Van een stekelbaarsnest moet je heel wat kunnen eisen. Steeds opnieuw zwemt het stekelbaarsje weg en steeds weer sleept hij halmpjes aan. Uiteindelijk, wanneer het bouwwerk zo groot is als een walnoot, wordt nog een keer uitgeprobeerd of alles goed is. Het stekelbaarsje dringt aan de ene kant met kracht naar binnen en aan de andere kant weer naar buiten. Langs deze weg worden nu ook de vrouwtjes gedwongen te gaan.
Met een stekelbaarsje in bruidskostuum valt echt niet te spotten!
Wild en grof gaat hij met zijn vrouwtje om. Ook al houden ze zich verborgen, hij weet ze te vinden, jaagt ze met volle stoten op en dwingt ze net zo lang tot ze eindelijk door het nest glippen en daar de weinige eitjes afzetten. Dat was wat het stekelbaarsje wilde! Maar hij is nog niet tevreden. Hij haalt het volgende vrouwtje en dwingt haar eveneens in zijn nest eitjes af te zetten. En dat doet hij tot er in zijn nest geen eitjes meer bij kunnen.
Voor de vrouwtjes is daarmee het werk dat ze moet doen voor de nakomelingen, klaar, maar niet voor de mannetjes. Allereerst moet er voor worden gezorgd dat het broedsel genoeg zuurstof krijgt om te ademen. Wanneer er zoveel eigeren zo dicht op elkaar liggen, kunnen ze makkelijk stikken. Hoe weet het stekelbaarsje dit, wie heeft hem dat geleerd? In ieder geval zien we hem nu voor zijn nest stil hangen en ijverig met de borstvinnen wapperen zodat de stroom van vers water door het nest niet ophoudt. De koudbloedige vissen broeden toch anders dan de vogels die de eieren moeten verwarmen, willen ze uitkomen.
Wee degene die het nu waagt te dicht bij het nest te komen! Meteen is het stekelbaarsmannetje present, met opgezette stekels natuurlijk en valt de vermeende tegenstander aan, want in deze tijd is het een ware vechtersbaas.
Weldra is dan de dag aangebroken waarop de piepkleine jonge stekelbaarsje uitkomen. Ze zijn nog zo klein dat je ze al te makkelijk over het hoofd ziet. De stekelbaarsvader behoedt ze streng en staat niet toe dat ze zich wat verder van het nest begeven, want hoe gemakkelijk zouden ze niet opgegeten kunnen worden, zo mogelijk ook door de eigen moeders. Wanneer er toch een te ver de wijde wereld inzwemt, dan is het mannetje meteen ter plaatse, pakt hem met zijn bek en spuugt hem in het nest weer uit. Een stekelbaarsje heeft dus wel wat zorgen om de kinderschare bij elkaar te houden! Maar uiteindelijk komt de tijd waarop de zorg ophoudt en ook helemaal niet meer nodig is. Nu moet ieder maar voor zichzelf zorgen!
Na de paaitijd die van april tot in juni duurt, verdwijnen de kleuren bij het mannetje weer, en wordt hij weer zo onaanzienlijk als eerst, zodat je hem nauwelijks nog kan onderscheiden van het vrouwtje. Zo duurt de stekelbaarspracht slechts zo lang als een korte bloeitijd.
Naast de driestekelige zijn er ook nog zeven- of negenstekelige stekelbaarsjes, die wat kleiner zijn. Tegen de paaitijd worden ze helemaal zwart. Het nest wordt niet gebouwd zoals de bontgekleurde broer dat doet, beneden bij de bodem, maar boven opgehangen tussen plantenstengels. Daarom lijkt dat nog meer op het nest van het winterkoninkje.
Zo is het nu gesteld met de vogels van de lucht en die van het water. Alleen, dat vissen ook nog een liedje zingen – nee, dat zou niemand van hen verlangen!

.
Het winterkoninkje, een legende uit het leven van het kindje Jezus

Winterkoninkjes  tekeningen, foto’s e.d.

Meer info

Stekelbaarsje: meer info

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1857

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (11) – de mol

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 82                                                                                                     hoofdstuk 11

De mol

Er zal wel geen jongen of meisje bestaan die de mol niet kent. Natuurlijk kennen de mensen die op het platteland wonen hem het best, vooral de boeren en de mensen die een tuin hebben, want zij hebben dikwijls een reden om zich aan hem te ergeren.
Wanneer ze op het weiland of in de bedden nieuwe molshopen ontdekken, vergeten ze dat de dader voor hen in menig opzicht toch ook heel nuttig is.
Iedereen weet dat de mol onder de grond gangen of wat men ook wel zegt, ritten graaft. Dat lukt hem steeds het makkelijkst als de aarde rul en vochtig is. Als graafwertuigen staan hem de grote, tot scheppen omgevormde voorpoten ter beschikking. Wanneer de bodem echter te droog wordt, blijft er voor de mol niets anders over dan zijn jachtgebied te verlaten en ergens anders een nieuw aan te leggen, misschien meer in een dal of in de nabijheid van water, waar het vochtiger gebleven is.
30 tot 60cm diep onder een grotere molshoop, dikwijls ook onder een struik of onder stenen verborgen, heeft de mol, een beetje van het eigenlijke jachtgebied vandaan, het hol gebouwd dat als nest en verblijf dient. Die is door een loopgang
verbonden met het jachtgebied waar de vele molshopen zijn. Opdat de wanden van deze gang niet instorten, drukt de mol ze stevig aan. Drie keer per dag trekt jager mol door zijn jachtgebied op zoek naar prooi die zich ondertussen in de gangen of in de naaste omgeving ophoudt: regenwormen, insektenlarven zoals bv. engerlingen, kevers of ook slakken. Wie gelooft dat niet eens kikkers, hagedissen of hazelwormen veilig voor hem zijn! De mol is namelijk een echte vleester, wat je al duidelijk aan het gebit kan zien met de vele vlijmscherpe tanden. Ja, hij wordt door een bijna onstilbare honger geplaagd. Hij stort zich met een onbedwingbare trek op alles wat leeft en wat hij maar pakken kan om het meteen begerig te verorberen. Maar op een dag is uiteindelijk ook het rijkste jachtgebied uitgeput. Dan moet er een nieuw aangelegd worden. Er is al iemand die de verlaten molswoning betrekt: de dikke aardhommel namelijk, die daar haar kraamkamer inricht.

In het begin kun je je nauwelijks voorstellen, hoe snel een mol in zijn gangen vooruitkomt. Hoe zou je zoiets ook maar kunnen vaststellen, als je de wandelaar daar onder de grond toch niet zien kan. Maar een onderzoeker is het door een zeer vindingrijke methode toch te weten gekomen en wel zo: hij stak bundels strohalmen met daaraan een klein papieren vlaggetje in de loopgangen. Deze gangen zitten gewoonlijk zo’n 12 tot 15cm onder de grond. Toen liet hij een trompettist hard blazen, uiteraard op de tijd dat de mollen al onderweg zijn. Omdat de klank in de aarde doordringt, schrikken de mollen met hun buitengewoon fijn gehoor en vluchten in aller ijl naar het woonhol. Maar daarbij moeten ze de vele strohalemen omgooien of op z’n minst toch deze schuddend bewegen en iedere keer wanneer een mol daar is, vallen de vlaggetjes naar beneden. Op deze manier kan worden vastgesteld dat een vluchtende mol onder de grond zich met de snelheid van een paard in draf voortbeweegt. Wie had dat gedacht van deze ondergrondse kruiper. Bij het graven gaat het natuurlijk veel langzamer.
Wie nu de lichaamsbouw van de mol nader bestudeert, komt niet over zijn verbazing heen dat een dier door zijn heel bijzondere manier van leven zo gevormd en veranderd kan worden. Ieder orgaan zit zo in elkaar dat het helemaal past bij de onder de grond gravende en woelende manier van leven.
Laten we eens naar de lichaamsvorm kijken! Die vormt een cilinder waarbij boven en onder niet verschillen. Daardoor kan de mol zichzelf in zijn gangen  omdraaien zonder dat hij ook maar een beetje vast komt te zitten. Daarbij komt nog dat het vel alleen maar korte en zeer dicht bij elkaar staande verticale haartjes heeft. Je hoeft er maar een op te pakken en je voelt meteen hoe zijdezacht het is. Deze pels heeft dus geen ‘strijkrichting’ zoals de haren van andere dieren. Daarom blijft een mol ook niet hangen of steken bij het achteruit kruipen. Een verder voordeel van zo’n pels bestaat erin dat er geen grond in blijft hangen en dat het water er steeds weer helemaal afloopt. Ja, wie van zo’n pracht velletje voorzien is, kan wel tevreden zijn want die wordt én niet 
nat én niet vuil.
Een ander wonderwerk zijn de graafpoten. Ook deze zijn door het leven onder de grond gevormd. De achterpoten zien er niet veel anders uit dan de achterpoten van een rat, wel echter de twee voorpoten die tot graafpoten geworden zijn. De tenen ervan zijn door een vlies tot een breed vlak aan elkaar gegroeid dat nu als een schep of een schop gebruikt kan worden, waarbij zeer zeker ook de brede en krachtige nagels meehelpen. De handpalmen zijn natuurlijk naar buiten gericht en omdat ze daarbij ook nog kaal zijn, lijken deze graafpoten bijna op handen. Aan de duimkant, dus onder, zijn ze bovendien nog versterkt met een zogenaamde zesde vinger – Duits heeft Scharrkralle – schraapnagel – vanwege de vorm ook sikkelbeen genoemd, zodat het eruit ziet of de mol daar een zesde teen heeft.
Laten we eens kijken hoe de mol te werk gaat als hij graaft. Welk lichaamsdeel stuurt hij naar voren? De spitse snuit met het wonderbaarlijk fijne reukorgaan? O, zeker niet! Om als een wig vooraan te komen, is het veel te teer, te gevoelig en te buigzaam. Bovendien wijzen de vooral dunne en tere schedelbeenderen er al op dat de kop niet gebuikt kan worden als graafinstrument. Die wordt zelfs bij het graven zeer ver tussen de schouders teruggetrokken, net zo als wij het zouden doen. In deze positie laat de mol zijn graafpoten schrapen als lepels of scheppen. Bovendien zijn deze lepels maar zeer kort en ook een hals zou voor de aardewroeter maar lastig zijn. De spitse kop gaat direct over in de cilindrische romp! Zo is het toch, heer mol, je voortreffelijke lichaam alleen al maakt je tot woelmeester!
Net zo als wij met onze handen doen bij het zwemmen, houdt ook de mol zijn graafpoten met de binnenkant naar buiten en de duim met de extra vinger zit dan onder. Een zwemmer moet zijn handen zover mogelijk voor zich uitstrekken. Maar dat mag de mol in de aarde natuurlijk niet doen. Hij moet de handen dicht naar zijn lichaam trekken. je hoeft zo’n houding maar na te doen om te ervaren hoe hinderlijk het voor de mol zou zijn als hij lange poten had. Hier is het: hoe korter, des te beter! Bij de mol zijn de armen zo kort geworden dat bijna alleen de gewrichten over zijn gebleven en omdat die nog onder het vel van de romp verborgen liggen, ziet het er bijna zo uit alsof de mol er nauwelijks een paar heeft. Maar de gewrichten zijn natuurlijk wel – dat kan je wel denken – uiteraard sterk en daarbij zo wendbaar dat de handen bijna als echte handen gedraaid en bewogen kunnen worden. De graafpoten van de mol zijn een meesterwerk van de natuur!
Net als hond en kat is de mol een zoogdier. Hij heeft zelfs een heel kort staartje. Door zijn manier van leven onder de grond is de mol zo sterk veranderd, dat hij bij alle meesterschap daar beneden, zich over de aarde maar onbeholpen kan verplaatsen. Gewoonlijk waagt hij zich alleen ’s nachts naar buiten om ook op de grond op jacht te gaan. Zeer zelden lukt het weleens om hem te snappen. Hij kan niet springen, ook niet klimmen; daarentegen kan hij – wie had dat achter hem gezocht – zeer goed zwemmen. Zelden maakt hij van deze kunst gebruik. En wie denkt eraan wat voor een zwaar spierwerk de mol bij het graven onder de grond wel niet moet verrichten! Dus hoeven we het hem helemaal niet te verwijten dat hij zo’n honger heeft en dagelijks anderhalf keer zijn eigen gewicht moet eten! Wij zouden dan ook veel meer moeten eten als we zo’n zwaar werk als de mol doet, zouden moeten verrichten. En hoe klein hij ook is, toch is hij een atleet onder de dieren! Natuurlijk zijn de spieren die bij het graven en wegwerpen van de grond gebruikt worden, geweldig sterk, borst- rug- en halsspieren. Hoe sterk die zijn, zie je al aan de brede aanhechtingsplaatsen aan het borstbeen en de armbeenderen.
Wanneer er beneden zoveel aarde verzameld is dat verder vooruitgaan moeilijk wordt, graaft de mol een korte gang naar boven en transporteert de grond met een geweldige stoot van kop en rug naar buiten. Op die manier komen de molshopen tot stand. Het Duitse woord voor mol, Maulwurf komt van het Oudhoogduitse woord Moltewurf en Molte betekent zoiets als ‘aarde, ‘Wurf’, worp, dus Maulwurf: aardewerper.
Nu we zo uitvoerig de lichaamsbouw van de mol hebben beschreven, is het tijd ook eens naar het karakter van dit wonderlijke beestje te vragen. Is de mol rustig, vredelievend en verdraagzaam, leeft hij schuw en bang of gedraagt hij zich gemeen, boosaardig, ruziemakend en agressief? Onderzoekers die hem wat dit betreft goed kennen, schilderen hem af met eigenschappen die voor ons beslist heel onvriendelijk overkomen. Een onderzoeker noemde hem in hoge mate onverdraagzaam, ruziemakend, bijtend, roof- en moordzuchtig. Graag vreet hij zelfs zijn soortgenoten op en is wat wreedheid betreft nog erger dan een tijger.
Oei, jij mol, zou je moeten zeggen, dat is nou niet bepaald het beste rapport dat je daar krijgt! Dat de mol een zonderling is en een die zijn eigen gang moet gaan, die nu niet bepaald blij is een soortgenoot die met hem om het voedsel gaat vechten tegen te komen, dat kan je hem eigenlijk nog wel vergeven, maar wat we allemaal nog meer horen, gaat toch wel veel verder dan onverdraagzaamheid. Wanneer mollen elkaar onderweg toevallig tegenkomen – volgens de ervaren waarnemers – vliegen ze op elkaar af en de strijd eindigt niet eerder dan dat een van hen dood is. Jonge mollen heeft men wél in het vrije veld met elkaar zien spelen.
Zo zit het dus met deze kleine mollen! Wie zou ze nog ongevaarlijk durven noemen? Een mol krijgt het ook voor elkaar dieren te overweldigen die veel groter zijn dan hij. Daarbij komt zijn lichaamskracht hem natuurlijk van pas. Luister! Hij trekt kikkers aan hun poten zijn gangen in, hagedissen en hazelwormen zijn voor hem niet zeker, ja hij pakt zelfs jonge vogeltjes! Er is zelfs een gevecht beschreven van een mol met een adder. De mol werd winnaar want hij beet de adder die na het lange gevecht vermoeid raakte, vaneen en vrat deze samen met de jongen op.

Velen denken dat mollen geen ogen hebben en daarom blind zijn. Het komt inderdaad voor bij dieren die altijd in het donker leven dat hun ogen verkommeren. Dat gebeurt ook bij de meeste molsoorten die er op de hele wereld zijn, maar hierop maakt onze inheemse mol een uitzondering, de enige zelfs. Hij heeft twee nietige oogjes, zo groot als een maanzaadje die ook nog eens zo dicht met haar overdekt zijn dat je ze bijna niet ziet. Komt de mol echter in het daglicht, dan kunnen ze iets naar voren worden gedrukt. Onder de grond is het natuurlijk veel beter dat de ogen onder de vacht van de kop verborgen zijn en beschermd worden. Opnieuw de bouw van dit wonderbaarlijke molslichaam die je alleen maar kan begrijpen vanuit zijn bijzondere manier van leven en die ons deze aan de andere kant ook verklaart. Dat de mol niet goed kan zien, alleen maar een beetje kan knipperen, zelfs als het licht is om hem heen, kan je je wel indenken.
De ooringangen kunnen door huidplooien worden gesloten, oorschelpen ontbreken natuurlijk. Wanneer wij ons oor op de grond leggen om door het geluid te horen of er ergens  uit de verte vandaan stappen naderbij komen, dan doen we hetzelfde als de mollen onder de grond. Geluid betekent voor de mol zoiets als het beven van de aarde. Wriebelt, krabbelt daar iemand in de buurt rond? 

Bijna nog fijner dan het gehoor is de reukzin van de mollen. De neusgaten bevinden zich meteen onder de spitssnuit. Hoe zou het zijn wanneer de mol bij het graven steeds maar zijn neus zou verstoppen! De spits van de neus is bovendien nog een heel gevoelig tastorgaan. Voor mollen is het wel een goede zaak om overal de neus in de steken. Dat is bij de mensen wel anders, maar een mol moet nu eenmaal door de grond heen snuffelen! Ruikt het daar misschien naar een vette engerling?
Het kan voor zo’n fijngevoelige ruiker natuurlijk ook snel te veel worden, wanneer de mensen bv. petroleum of nog erger stinkende stoffen in de gangen gegoten hebben. De tuinbezitters willen de nuttige engerlingvreter niet direct dood hebben, als hij maar zo vriendelijk zou willen zijn een ander terrein uit te zoeken en daar zijn hopen op te werpen waar dat niemand stoort!
Ten slotte moet er nog iets over de manier van leven van de mol verteld worden, dat de mol slim, zelfs wijs zou doen lijken, wanneer hij dat uit overleg zou hebben gedaan. Zijn ruime, zelf gegraven, met mos, gras en bladeren fijn beklede woning, de ‘ketel’, is voor hem een toevluchtsoord en tegelijkertijd een rustplaats. Daar voelt hij zich veilig, daar brengt hij ook zijn jongen groot. De woonkamer ligt, zoals al gezegd, gewoonlijk 30 tot 50m verder wet. Rond de woonruimte liggen nog meerdere andere gangen, op z’n minst loopt er een rond en van hieruit loopt de gang naar het jachtgebied, natuurlijk minimaal ook een vluchtgang. Welk dier zou er geen vijanden hebben! Heel gevaarlijk voor de mol is de wezel. Bij zijn jacht op veldmuizen zwerft deze graag door de mollengangen en dan is er voor een mol geen ontkomen aan.
Wanneer het grondwater stijgt, kan het gebeuren dat de mol zelfs moet verhuizen. Dan wordt er boven de oude gewoon een nieuwe woning aangelegd. Maar het omgekeerde kan ook gebeuren, namelijk als het grondwater te laag komt te staan. In dit geval moet de mol op zijn manier voor drinkwater zorgen en hij legt dan planmatig watergaten aan, diepe schachten waarin het bodemvocht terechtkomt als in een bron. Een mol moet namelijk veel drinken.
Omdat de mol geen winterslaap houdt – zodra de vorst een keer minder wordt is hij op zijn post –  moet hij 
ook voor het voedsel voor de wintermaanden zorgen. Hij legt voorraadkamers aan, graaft gaten en maakt de wanden stevig, zoals hij dat ook bij zijn loopgangen doet. Dan sleept hij regenwormen aan die hij deze keer niet meteen begerig opvreet, maar bewaart als wintervoorraad. Maar om ervoor te zorgen dat ze er niet vandoor gaan, bijt hij het kopstuk door waar de bewegingszenuwen liggen. Hoe kan hij dit weten, wie heeft hem geleerd dat ze dan weliswaar onbeweeglijk moeten blijven liggen en toch niet doodgaan?

Een mol voelt zelfs aan of er een lange of korte winter aankomt. Men heeft namelijk waargenomen dat mollen grotere voorraden aanleggen voor een lange winter dan voor een korte. Dergelijke mollenvoedselvoorraden kunnen wel meerdere kilo’s wegen. Dat vraagt nu eenmaal de buitengewone vreetlust van deze dieren. Hier zien we dat de mol meer van het weer weet dan de mens, want deze moet steeds maar zien hoe de winter uitvalt. O ja, met veel welbehagen en gesmak begint onze mol graag aan zijn zelf verzamelde wintervoorraad!
Het hele doen en laten van de mol is er alleen maar op gericht, zichzelf in leven te houden. voor dit doel verricht hij zijn dagelijks werk, waar ook orde in zit. Alles wat hij zelf maakt – burcht, jachtgangen enz. dienen enkel en alleen dit doel, zelf in leven blijven. En dat is voor een dier heel juist. Hij heeft van de natuur zijn beroep zo gekregen zoals hij het zo meesterlijk uitvoert. Men heeft hem wel met een mijnwerker vergeleken.
Zijn ledematen zijn z’n werktuigen en zijn ledematen zijn op hun beurt zijn leermeester, ja heel dat perfecte lichaam is zijn leermeester.
Dit alles moeten wij bewonderen, zelfs wanneer we met de molshopen bij tijd en wijle niet blij zijn.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1835

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de dierkunde (10) – vleermuizen

.

GERBERT GROHMANN

            ‘LEESBOEK VOOR DE DIERKUNDE’

blz. 74                                                                                                     hoofdstuk 10

vleermuizen

De vleermuizen behoren ongetwijfeld tot de allermerkwaardigste zoogdieren en ze lijken ook altijd wel een beetje griezelig. Hoewel ze vleugels hebben, zijn ze toch bedekt met een huid en ze brengen hun jongen groot met melk. Deze twee eigenschappen alleen al geven aan dat ze tot de zoogdieren gerekend moeten worden. Om ze als vogels te beschouwen, alleen omdat ze kunnen vliegen of liever gezegd, fladderen, zou niet juist zijn. Weliswaar is er bij hen veel veranderd van wat bij het leven in de lucht hoort en daardoor lijken ze maar weinig op een zoogdier. Vooral de armen zijn omgevormd en de poten waartussen een vlieghuid gespannen is. Met muizen hebben de vleermuizen alleen de naam gemeen, wellicht omdat ze net als deze, wegschieten en ’s nachts leven.

De dag brengen ze op verborgen plekjes door. Bovendien zijn het geen knaagdieren, maar ijverige en zeer nuttige insectenvangers.
De grootste van onze binnenlandse vleermuizen, de  grote vleermuis*, heeft een vleugelspanwijdte van 37 centimeter, de kleinste, de dwergvleermuis, slechts 17-18. Het lijfje is nog kleiner dan dat van de kleinste zangvogels.

Omdat de vleermuizen pas in de schemering tevoorschijn komen en je ze dan toch niet goed kan zien, wanneer ze aan je voorbij fladderen, weet men gewoonlijk ook niet zoveeel van ze.
Wie ze niet in hun verstopplaatsen, zoals holle bomen, in rotsen en muren, tussen de balken van bijv. kerken waar nauwelijks iemand komt, ontdekt, zal er zelden een te zien krijgen. In de vlucht scheren ze als spoken, net schaduwen, voorbij.
Veel meer vleermuizen dan bij ons zijn er in de warmere landen. Daar komen ook veel grotere soorten voor. De vleermuizen en hun families worden handvleugelige zoogdieren genoemd, een naam waarvan de betekenis makkelijk te begrijpen is.
De verspreiding gaat maar tot aan de poolcirkel, want nog verder naar het noorden zouden vleermuizen niet genoeg voedsel meer vinden. De meeste voeden zich uitsluitend met insecten die ze tijdens hun vlucht vangen, hoewel er op de oostelijke helft van de wereld ook veel fladderaars zijn die vruchten eten, waartoe de vliegende honden en vliegende vossen behoren. In de warmere delen van Midden- en Zuid-Amerika daarentegen leven zelfs bloedzuigende soorten, waarvan vroeger in de tijd na de ontdekking van Amerkia overdreven fantastische verhalen de ronde deden. Die vampieren zouden zelfs bij mensen bloed zuigen.
Alleen waar is dat ze dieren in ruste aanvallen, weidedieren of de paarden van reizigers, waarbij ze hun vlijmscherpe voortanden in de huid prikken om bloed te drinken. Werkelijk gevaarlijk kan een vampier voor een groter dier niet zijn, want de vampier is zelf maar een fladderaar van zeven centimeter.

Over vleermuizen leer je heel veel, wanneer je ze met de vogels waarmee ze dus op het eerste gezicht verwant lijken, vergelijkt. Maar bij beide is de lichaamsbedekking uiteraard heel verschillend. De vogels hebben een verenkleed dat hen niet alleen tegen afkoeling beschermt, maar zoals bekend voor het vermogen om te kunnen vliegen van de allergrootste betekenis is. Ook de vleugels die de vogels in de lucht houden, bestaan uit veren en met behulp daarvan stuurt hij zijn vlucht rustig en zeker. Een geplukte vogel kan niet meer vliegen. Vogelveren zijn niets anders dan uitgedroogde hoornvormen waarmee de vogel wel kan vliegen, maar niet kan voelen. De vlieghuid die zogezegd bij de vleermuizen in de plaats komt van de veren, is alleen maar een stukje lichaamshuid. Die heeft de fijngevoeligheid van de huid in hoge mate. Daardoor betekent de vlieghuid van de vleermuizen hetzelfde als bij de vogels hun ongekend scherpe ogen. Natuurlijk hebben de vleermuizen eveneens ogen, maar veel ervaringen hebben geleerd dat ze maar slecht kunnen zien.
Een ander zintuig dat bij hen onvoorstelbaar fijngevoelig is, heeft de overhand, de tastzin.

 


De vlieghuid bevindt zich gespannen tussen het lichaam, de armen en handen waarvan de in-dunne vingers gespreid zijn, De botten van de armen zijn sterk verlengd, zodat de vleermuis met zijn handen veel verder in de lucht kan grijpen dat wij kunnen. De buitengewoon langere vingers zien eruit als de baleinen van een paraplu. Alleen de korte duim is vrij gebleven. Ze hebben een kromme nagel die de vleermuis kan gebruiken wanneer die rondkruipt of langs stenen omhoog kruipt. De vlieghuid loopt verder door naar achter tot de poten en nog verder tot de staart zelfs, zodat het hele achterlijf door een brede vlieghuidzoom omgeven is. Daardoor wordt het totale vliegvlak aanzienlijk groter dan bij vogels.
Ondanks dat kunnen de vleermuizen niet op tegen de vogelvlucht. Zij beschikken bv. niet over de glijvlucht, die de vogels veel besparing oplevert – sommige vogels kunnen urenlang, ja dagenlang met uitgespreide vleugels rustig verder zweven zonder maar een enkele vleugelslag te hoeven maken.
Vleermuizen echter moeten onophoudelijk fladderen om in de lucht te blijven; zo gauw ze ermee ophouden vallen ze naar beneden. Ze worden snel moe en moeten ook steeds weer uitrusten, omdat ze anders buiten adem raken.
Ondanks dat zijn er snelle en behendige vliegers en langzamere en onhandige onder hen. Die verschillen vind je terug in de vleugelbouw. Snelle en behendige vlkiegers hebben, net als dat bij de vogels is, langere en spitsere vleugels. Ze vliegen ook hoger dan de soorten met kortere en bredere vleugels. Een kenner ziet aan het vliegen al welke vleermuissoort het is. Onze snelste en tegelijkertijd behendigste soort is de vroegvliegende vleermuis. Die waagt zich soms al voor zonsondergang naar buiten en jaagt dan, dikwijls nog samen met de zwaluwen, torenhoog met snelle, onverwachte wendingen. Daarom worden ze snel met zwaluwen verwisseld. Anders kun je de vleermuizen wel herkennen aan hun beverige zigzagvlucht.

Het enige jong komt in de lente ter wereld. Het klauwt zich zelfs aan de moeder vast en wordt door deze wekenlang ook op de vlucht meegedragen, zelfs als het zelf al fladderen kan.
Zelfs de voeding wordt op de vlucht gevangen. Je kan zeggen dat waar geen insecten rondviegen, er ook geen vleermuizen zijn.
Alle insectenvretende fladderdieren hebben brede bekken en het gebit zit vol met naaldpuntige tandjes. Ze hebben een reusachtige behoefte aan voedsel, dat verklaart wel waarom ze zo ingespannen vliegen. Van vleermuizen in gevangenschap weet men dat grotere soorten dagelijks makkelijk een dozijn meikevers op kunnen vreten en dan zijn ze nog niet eens verzadigd! Kleinere soorten vreten dagelijks in elk geval 60 vliegen op. Vleermuizen kunnen namelijk vertrouwd raken met je en zelfs uit je hand eten.
Het verteren gaat niet zo nauwgezet, want vleermuizen hebben maar een korte darm.
Zulke hongere vreters houden natuurlijk onder de nachtelijke luchtzoemers een geweldige opruiming. Bovendien moeten ze veel water drinken om niet te verdrogen, bv. tijdens de lange winterslaap.

Zoals bekend heeft ieder dier zijn eigen gezicht, je zou ook kunnen zeggen, een geizhtsuitdrukking, waar we graag naar kijken. Zie je daarentegen vleermuiskoppen, ook die van uitheemse fladderdieren, dan voel je je juist afkerig daarvan. Zou een schilder voorbeelden voor afstotelijke wezens nodig hebben, dan hoeft hij maar in boeken te kijken waarin de koppen van die fladderdieren afgebeeld staan. Daarin zou hij genoeg inspiratie vinden. Als vleermuizen zo groot zouden zijn als andere zoogdieren, dan zouden ze huiveringwekkend en angstaanjagend zijn, bijna als de duivel.
Alleen die brede bek is voor menselijke begrippen al lelijk en juist de op zich al grote, ja vaak zoals bv. bij onze grootoorvleermuis, fantastisch grote oren lopen nog tot aan de mondhoeken door naar beneden. Bijzonder afzichtelijk echter worden de vleermuiskoppen als daar nog alle mogelijke huidverdikkingen, wratten en hoornige eeltknobbels rond de snuit en de neusopening bij komen. In het dierenrijk kun je dat met niets anders vergelijken. Onze inheemse hoefijzerneus staat erom bekend dat hij rond zijn neus een platte hoefijzervorm heeft. 

De gladneuzen hebben in hun gezicht niet zo’n huidvorming, de bladneusvleermuizen wel.
We weten tegenwoordig dat deze ‘neusbladen’ organen zijn van het reukorgaan dat bij de vleermuizen bijzonder fijnzinnig is. Daarom zijn de vleermuizen op deze plaatsen uitermate gevoelig. Als ze daar gewond raken, stoten ze zich overal aan en vallen naar beneden. Sommige kun je door een lichte druk op de neus al doodmaken. Maar in het algemeen is de huid van een vleermuis uitermate gevoelig. Het is, alsof dit fijne gevoel dat wij alleen in onze vingertoppen hebben, bij hen bijna over het hele lichaam uitgebreid is.
Ook de vlieghuid is een wonderbaarlijk tastorgaan. Die is zo goed als naakt, er zitten alleen wat voelhaartjes op die de luchtbeweging aanvoelen. Zo kan de vleermuis met dit gevoel tastend door het volledige duister snel en met zekerheid de weg vinden. Ook zitter er vooral nog voelhaartjes op z’n kop boven de lippen en aan de binnenkant van de oren. Ze kunnen het gezoem in de lucht niet alleen horen, maar bovendien nog door een zintuig voelen waarvan de mens zich maar moeilijk een voorstelling kan maken hoe fijnzinnig en bijzonder dit is. Daarom spreekt men bij vleermuizen zelfs over een bijzonder gevoel voor de lucht en men noemt ze dan in tegenstelling tot de vogels gehoor- en gevoelsdieren. Als een mens al deze bijzondere zintuigen van de vleermuis daadwerkelijk zou begrijpen, dan zou hij de gezichten van de kleine duiveltjes wel kunnen verklaren.

De Italiaanse onderzoeker Lazzaro Spallanzani deed in 1790 al de volgende proef: hij liet vleermuizen waarbij hij de ogen, oren en neusgaten met pleisters afgeplakt had, in een kamer vliegen waarin een soort web van fijn draad was gespannen. De vleermuizen konden niet horen en niet zien, noch iets ruiken en vlogen toch heel snel en zeker door de dradenwirwar, zonder ergens tegenaan te stoten. Alleen hun gevoelszintuig kon hen al helpen om goed uit te komen. Sommige onderzoekers denken zelfs te weten dat de vleermuizen op hun vlucht zachte, voor ons gehoor niet waarneembare kreten slaken. De vleermuis echter neemt de echo waar, denken deze onderzoekers en weet daardoor de weg. Maar als hij zo’n reuzengrote oorschelp heeft dan moet het oor van een vleermuis toch wel heel fijngevoelig zijn! Het inwendige oor kan hij door een bijzonder huidvormig dekseltje afsluiten en daardoor goed beschermen.

Wanner vleermuizen slapen en ze slapen overdag en de hele winter door, dan slaan ze de vleugels als een soort manteltje om zich heen. Ze wikkelen zich zogezegd in hun vlieghuid en gaan met hun kop naar beneden hangen, waarbij ze zich met hun achterpoten ergens aan vasthaken. Zelfs de grote oren worden opgevouwen. In deze houding kunnen ze het maanden uithouden. Het is echt een verrassend, vreemd aandoend gezicht scharen vleermuizen te zien hangen, want sommige hangen zelfs aan elkaar en kunnen dan hele druiventrossen of ballen vormen. Zo samenzitten heeft het grote voordeel dat de vleermuizen elkaar ook een beetje warm kunnen houden. Als ze weg willen vliegen, laten ze zich eenvoudig vallen en spreiden snel hun vlieghuid uit.
Voor een vleermuis die zit of kruipt is het moeilijker in de lucht te komen. Het voortbewegen op een vlakke ondergrond waarbij de klauwduim en voor het schuiven de achterpoten gebruikt worden, kan je alleen maar als onbeholpen kwalificeren, wat weliswaar nog zo snel kan gaan als het trippelen van een muis.
Voor het wegvliegen wordt eerst de hele vlieghuid met een olieachtig smeersel ingevet om deze goed soepel te houden. Het smeersel wordt door klieren afgescheiden die in de kop tussen de neus en de ogen liggen.

Iedere vleermuissoort zoekt een iets andere slaapplaats op. Oude muren en holle boomstammen genieten bij vele de voorkeur, maar leegstaande huizen, verlaten stallen, verborgen donkere hoekjes tussen het gebalkte zijn welkome rustplaatsen. Zelden vind je slapende vleermuizen in rotsspleten. De slaapplaatsen moeten wel bescherming bieden tegen al te harde wind, want de vleermuis is warmbloedig. Dat de slapers zich ook voor roofdieren waarvan de uilen in de eerste plaats moeten worden genoemd, in veiligheid willen brengen, is wel te begrijpen. Door de jaren heen zoeken ze altijd weer dezelfde slaapplaatsen op en daar vind je met de tijd dikke lagen uitwerpselen die voor de tuin een goede meststof zijn.

Het is een wonder dat de vraatzuchtige vleermuizen tijdens de vele maanden durende winterslaap niet verhongeren. Maar gedurende deze tijd vliegen ze niet en van het vliegen krijgen ze de grootste honger. Bovendien heeft de natuur hier  een wonderbaarlijke voorzorgsmaatregel getroffen. De temperatuur van het bloed dat anders bij vleermuizen bijna zoals bij de mens 35° bedraagt, zakt naar 14° of nog lager en het hart klopt iedere drie minuten maar één keer. Is onder dergelijke omstandigheden de behoefte aan voedsel al zo gering, dan heeft de vleermuis ook nog geheime voedselvoorraden voor de winter aangelegd die nu beetje bij beetje verteerd kunnen worden. In de nazomer heeft de vleermuis, wanneer er nog zoveel insecten onderweg zijn, zich stilletjes en heimelijk met een heel aardig vetrantsoen volgevreten. Gedurende die tijd is hij wel een vijfde zwaarder geworden en dat wil wat zeggen. En nu heeft hij het goed, want hij hoeft nu alleen maar zijn eigen vet te verteren, heel, heel langzaam.

Na de winterrust komen de vleermuizen niettegenstaande dat met een groot hongergevoel uit hun schuilplaatsen tevoorschijn en dan zijn ze niet erg kieskeurig. Bij zo’n aanval van grote honger zou onze kleine vleermuis zelfs vogels aanvallen, van hen het bleod drinken en wanneer het mogelijk is ze zelfs opvreten. Ja, onze vleermuis toont met zijn vlijmscherpe tandjes in andere omstandigheden ook een bijtgraag schepsel. Echt, het raadselachtige van deze zeldzame diertjes wordt niet minder, in tegendeel eerder groter wanneer je ze beter wil leren kennen.
Hun nachtelijke manier van leven, hun spookachtig bewegen zijn het misschien wel die ons met vleermuizen steeds het gevoel van griezelig laten verbinden.
Sinds oude tijden wordt de duivel met vleermuisvleugels, in plaats van zoals de engel met vogelvleugels, uitgerust en afgebeeld. In de legende heet het, dat toen God de vogels schiep, de duivel toestemming vroeg er ook een te maken. Hij greep een muis om te veranderen. Maar daaruit werd een vleermuis, een dier van de duisternis.
Maar als we natuuronderzoekers willen zijn, mogen we ons er niet vanaf laten brengen, het eigenaardige te bewonderen en met eerbied tegemoet te treden, dat nu juist de vleermuis ons voor ogen voert, hoewel hij het karikatuurbeeld van een vogel, een vraatzuchtig klein monster, een fladederdier is.
.

*het Duits heeft ‘Riesenfledermaus’, een vertaling daarvan is ‘hondvleermuis’ en die heeft wel een spanwijdte van 170cm.

.

Grohmannleesboek voor de dierkunde – inhoud

dierkundealle artikelen

Grohmannleesboek voor de plantkunde

VRIJESCHOOL in beeld4e klas- dierkunde

.

1823