Tagarchief: leeuw

VRIJESCHOOL – Dierkunde – 4e klas (2-1/5)

.

DIERKUNDE IN DE IVe EN Ve KLASSE

Een artikel uit 1927.

Geen onderwijs, dat zóó vanzelfsprekend de warme belangstel­ling en liefde van het kind heeft, als het dierkunde-onderwijs; waar­mee op de Vrije School in de 4e klasse begonnen wordt, om in de 5e over te gaan tot plantkunde en in de 6e tot de mineralogie.

Van klein kind af heeft het dier hem geboeid, eerst als een wezen, dat hem zóó na staat, dat hij het eigen gedachten en gevoelens toe­schrijft, met wien hij babbelt en speelt als met een kameraadje. De diersprookjes zijn werkelijkheid voor hem, met gretige aandacht volgt hij deze vertelsels, wier oorsprong teruggaat tot in het ver­leden, toen de menschheid kinderlijk en naïef, als onze kleuters, in een totaal andere verhouding stond tot de natuurrijken en bovenal tot de dieren.

Evenals de menschheid de evolutie van sprookje tot fabel door­maakte gaat het de kinderen. Naarmate zij zich ontwikkelen, begin­nen ze oog te krijgen voor het karakteristieke van de verschillende dieren, bewuster en duidelijker gaat hij het dier als deels anders geaard, deels overeenkomstig wezen voelen; zoo naderen zij den tijd, dat ze het dierkunde onderwijs kunnen ontvangen.

Geen systematische indeeling van het dierenrijk in hoofdafdeelingen, klassen, orden en families geven wij het lagere schoolkind. Dat komt pas veel later, tijdens den middelbaren schoolleeftijd, als zijn ontwikkeling zoover gevorderd is, dat hoofdzakelijk aan het verstand geappelleerd moet worden. Hier echter is het 9-jarige kind nog lang niet aan toe, het leeft nog geheel in zijn gevoelsleven, in den stroom van sympathieën en antipathieën.

Als superieur aan het dier is hij zich gaan voelen, en ’t behoort niet tot de uitzonderingen, dat hij hiervan gebruik en misbruik ma­kend, zich in zijn meerdere macht doet gelden.

Wat dus ons uitgangspunt moet zijn: is hem tegenover de ver­schillende natuurrijken te wijzen op zijn plaats als mensch, hem zich-zelven te doen voelen als geestelijk en lichamelijk wezen tegenover en te midden van dier, plant en mineraal.

Wij gaan niet uit van het dierenrijk om op te klimmen tot den mensch en hem deze, als hoogste vertegenwoordiger der dieren te beschrijven, zoodat hij zichzelven als een hooge diersoort leert be­schouwen — neen — we gaan uit van den mensch als hoogste der aardeschepselen, als geestelijk wezen verhevener dan het dier, vrijer dan het dier en ook anders dan het dier. Komend uit geestelijke werel­den, terugkeerend tot geestelijke werelden, zijn oorsprong vindend in tijdperken, die nog veel verder terugreiken, dan die waarin het dier ontstond, is niet de mensch laatste van de dierenrijk, maar eerste der aardeschepselen, tegenover de in ontwikkeling teruggebleven dieren. Heilig is zijn plaats, maar groot aan verplichtingen tevens.

Fier is ’s menschen gestalte. Verticaal de stand van het ranke lijf, dragend het fijne, ronde hoofd, in tegenstelling tot de horizontale romplijn van het dier en den kop, die hangt aan den hals.

Hoog welft de menschelijke schedel in stevige omsluiting de teere hersenen en zintuigen voor letsel behoedend. Edel is de vorm van het menschelijk hoofd, als een weerspiegeling van den hoogen hemel­koepel. Dan volgt het langer gerekte lijf, de zetel van hart en lon­gen, van spijsverteringsorganen. En eindelijk de slanke ledematen, die hooger doel kunnen dienen, dan die van het dier. Want het meest specifiek menschelijke zijn onze handen, die geen wezen heeft als wij, ook een aap niet, bij wien ze meer als een tweede paar voeten, dan als eigenlijke handen dienst doen.

Menschelijke handen kunnen een sociaal doel dienen, dierlijke handen, juister pooten, slechts een egoïst doel.

In het hoofd kunnen nobele gedachten gewekt worden, maar zoolang ze in het hoofd besloten blijven, hebben ze slechts in de ideeënwereld waarde, sociale waarde krijgen ze pas, als de lede­maten gehoor geven aan den wil tot de daad en hunne medewer­king verleenen.

Met het werk zijner handen en het gesproken woord stelt de mensch zich sociaal te midden van zijne medemenschen.

Zoo moet het kind het waarachtig menschelijke leeren onderschei­den, om met dieper eerbied, dan een materialistisch-natuurwetenschappelijke zienswijze mogelijk maakt, zichzelven te midden van het dierenrijk te leeren zien.

En nu het dier!

Doffer in zijn bewustzijnsvormen, sterk gebonden aan eigen
licha­melijkheid, aan oer-instincten, aan lust en onlustgevoelens, vertoont zich het dier.

De primitiefste dieren, nauwelijks van een plant in leefwijze
on­derscheiden, zijn het meest aard-gebonden en vertoonen een zekere overeenkomst met het oudste deel van den mensch n.l. met het hoofd, dat vegeteert op de rest van het lichaam. De eenvoudige ronde vorm, de beperkte bewegingsmogelijkheid, het vegetatieve bestaan, men vindt het alles bij de laagste diersoorten, protozoën, holtedieren en stekelhuidigen terug, zelfs de merkwaardige inktvisch, die al tot de hoofdafdeeling der weekdieren behoort is eigenlijk niet anders dan een groote levende rompachtige kop met 8 of 10 lange pootachtige uitstekende lippen.

Komen wij tot de beschrijving van de overige weekdieren bijv. de slakken, dan vinden we daar een sterk uitgesproken rompvorm. Kop en pooten zijn bitter klein, maar ’t dier is eigenlijk een langgerekt lichaam. Evenzoo de wormen tot zelfs de vischsoorten toe.

Pas bij de hooger gewervelde dieren vindt men krachtig ontwik­kelde ledematen, om bij den mensch daarvan de hoogste volmaking aan te treffen.

Komen wij nu, na deze zeer globale beschouwing tot de bespre­king van de verschillende meer bekende diersoorten, dan is het goed met het negenjarige kind eenige typische vormen meer uitvoerig te bespreken, en van deze bijzondere representanten uitgaande een groote groep van dieren daaromheen te rangschikken.

Gaan wij bijv. uit van de drieheid leeuw, koe(stier), adelaar, reeds eeuwen geleden als symbolen der evangelisten gekozen.

De koninklijke leeuw, het zonnedier bij uitnemendheid. Zijn krachtige ademhaling en bloedsomloop zijn onderling in hooge mate evenwichtig.
Geweldig zijn de weelderige manen,, die als zonnestralen rond den indrukwekkenden kop staan. Zonnekleurig is zijn huid, in de heete zonverzengde streken zijn woonplaats.

Geheel anders de koe, het spijsverteringsdier bij uitnemendheid. Reeds bij de Oud-Indiërs als heilig dier aanbeden, zet de koe het gras in zijn lichaam om tot kostelijk voedzame melk. Niet voor niets is de romp zoo groot en plomp, niet voor niets heeft het dier vier magen en een darmkanaal, dat 22 maal zoo lang is als zijn lichaam. Ongeveer 1/8  van eigen lichaamsgewicht wordt dagelijks door de koe als voedsel verteerd. Dit goedige, phlegmatische dier.

Weer geheel anders is de adelaar. — Een vliegend hoofd zou men hem kunnen noemen. Evenals de mensch met zijn gedachtenleven ’t oneindige wil doorgronden, steeds hooger en hooger vlucht wil nemen zoo verheft de adelaar zich hooger en hooger in de ijle luch­ten. Ver boven ’t bereik van andere dieren op ongenaakbare berg­kammen bouwt hij zijn nest. Eenzaam, fier en zelfbewust is het be­staan van dezen vogel als van den denker.

Geheel overeenkomstig aan zijn groot vliegvermogen is zijn lichaamsbouw. De pooten, schraal, dun en licht van bouw zijn de minder belangrijke ledematen. Op de vleugels komt het bij de vogels aan. Hoe mooi en doelmatig is hun bouw! Hoe stevig de
schouder­gordel met 2 paar sleutelbeenderen. Op den hoogen kam van het borstbeen kunnen sterke vleugelspieren zich vasthechten. De rugge-, lenden- en heiligbeenwervels zijn vergroeid, om het lichaam meer stevigheid te geven. De staart dient als roer. De groote beenderen zijn hol en met lucht gevuld; bovendien heeft de vogel luchtzakken, die met de longen in verbinding staan. De lucht in deze luchtzakken wordt door de lichaamstemperatuur, welke bij een vogel ± 42° C. bedraagt, verwarmd. Omdat warme lucht lichter is dan koude, komt dit het vliegvermogen ten goede.
Iedere vogel draagt dus eigenlijk een warme-lucht-vogel in zich.
Van warme lucht doordrongen, daarin specifiek in zijn element, leeft de vogel zijn luchten-bestaan, vliegend alle aardezwaarte over­winnend.

(T. Gischler  in ‘Ostara”  1e jrg. nr.2, blad van de Haagse vrijeschool, dec. 1927.)

.

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld 4e klas: dierkunde

 

227-214

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-4)

.

DE LEEUW

Wanneer de kinderen ‘de leeuw’ op een bepaalde manier verteld hebben gekregen, wanneer ze dus vanuit het woord het dier hebben leren kennen, wanneer ze meebeleefd hebben hoe het leeft – misschien is een spannend jachttafereel verteld waarbij ze met ingehouden adem luisterden, moeten, naast ‘hoofd en hart’ ook de handen nog deel hebben aan het dieper begrijpen van de leeuw.

Dat kan d.m.v. tekenen, schilderen en boetseren.

Bij het tekenen gaat het vooral om de beweging van de vorm. In dit geval de leeuwenvorm.

Wat is karakteristiek – hoe kom je aan een soort ‘oervorm’.

In haar boek ‘Zeichnen =  Sehen lernen'[1]  -‘ tekenen is leren kijken’ [2], geeft de schrijfster Anke-Usche Clausen een inspirerende leerweg.

Belangrijk om tot een voor de kinderen bevredigend resultaat te komen, is dat ze vanaf klas 1 levendig hebben leren tekenen; vooral met de wasblokjes die mogelijk maken in kleurvlakken te werken. Minder met potloden die te snel – wanneer je de schetstechniek nog niet beheerst, leiden tot een te star, statisch geheel.
Het resultaat is in zekere zin in het begin niet belangrijk. Het gaat om het oefenen, het meebeleven van de vorm(en), het inleven in de beweging.

Ik gaf de kinderen meestal een stapeltje tekenpapier -groot formaat – waarop ze naar hartenlust konden oefenen: nog eens en nog eens. Pas nadat het resultaat voldoende was, dat is dus, wanneer de kinderen iets geleerd hadden, mocht de tekening die ze dan zelf uit hun probeerwerk kozen, in het periodenschrift.

Natuurlijk geven de ‘blokjes’ een mooi kleurig resultaat; het is zelfs al mogelijk voor een 4e-klasser om met gebruikmaking van hier eens wat lichter en dunner, daar wat meer en zwaarder, een zeker perspectief te krijgen. Maar ook met potlood kan nu goed geschetst worden. De ‘dikke’ kleurpotloden uit de 1e klas – gebruikt bij het schrijven – hebben een punt die niet meteen tot een verstarde vorm leidt.
Nieuw kan hier zijn: de houtskool. (NB besteed van te voren veel aandacht aan hoe je hiermee omgaat: uitdelen, ophalen, schoonmaken handen/tafels/vloer – let op kleren enz).

Het schetsen met de houtskool waarbij je heel gemakkelijk de lijn kan onderbreken, wat de levendigheid ten goede komt, maakt een be- of inleving van en in de dierenvorm heel goed mogelijk.

De methode van Clausen volgend kunnen de kinderen (en leerkrachten!) heel wat leren.

Ze citeert Rudolf Steiner [3]
‘Zoek eens op wat Goethe in zijn ‘Metamorfose van de plant’ geschreven heeft, wat hij de ‘oerplant’ noemde; zoek eens op wat hij het ‘oerdier’ noemde en je zult vinden dat je met deze begrippen ‘oerplant’ en ‘oerdier’ alleen maar verder komt, wanneer je ze beweeglijk denkt. Wanneer je de beweeglijkheid in je opneemt, waarover Goethe zelf spreekt, dan krijg je geen abstract, in de vorm begrensd begrip, maar je hebt dan wat in de vormen leeft, wat door heel de ontwikkeling van het dieren- of plantenrijk heen gaat; wat in dit erdoorheen gaan net zo verandert als een driehoek die verandert in een scherpe- of stomphoekige en wat nu eens ‘wolf’ en ‘leeuw’, dan weer ‘kever’ kan zijn, dat komt doordat deze beweeglijkheid zo veranderen kan, dat deze  zich manifesteert tot in het detail. Goethe bracht de starre begrippen en vormen weer in beweging.

(Clausen blz.100)

Naast dit citaat staan deze tekeningen:

dierkunde leeuw 7

De driehoek onder de leeuw is een uitstekend uitgangspunt. De driehoek steeds verder tot ‘leeuwbeweging’ maken en omvormen tot in meer details – alles wat schetsmatig; meer een ‘aangeven’ waar de details ongeveer zitten – dan blijft het levendig en kunnen de kinderen verder komen in de richting van een ‘echte’ leeuwentekening.

dierkunde leeuw 8

(blz.102)

Een variant kan bv. later worden geoefend of kan een opgave zijn voor kinderen die al weer wat verder zijn. Het gaat om de middelste tekening. Ik heb deze tussen de andere laten staan, omdat het voor ons belangrijk is de metamorfose in de vormenwereld te ontdekken. Iets daarvan zie je in deze vormen terug.

dierkunde leeuw 10

Katachtigen in verschillende bewegingen:
luipaard, panter, tijger, leeuw, kat.
Aangegeven voor klas 8/9, maar heel goed te gebruiken in de 4e klas. (blz.110)

dierkunde leeuw 11

(blz. 108)

Uiteraard komen ook andere katachtige roofdieren ter sprake. Ook die kunnen getekend worden:

Omdat de populariteit van de huiskat heel groot is – veel kinderen hebben thuis een poes – ‘moet’ ook deze worden getekend.
Clausen volgt bovenstaande weg:

Je kunt, met een kleine aanpassing, bovenstaande en onderstaande katten ook als ‘leeuwen’ oefenen.

dierkunde leeuw 9

blz. 109)

Hoewel deze ‘katten’ door Clausen zijn bedoeld als oefenwerk in klas 7/8 zijn ze zeer goed bruikbaar in klas 4. Je kunt ook deze heel makkelijk als leeuw (of andere grote kat) tekenen.
Kinderen die thuis een kat hebben, kunnen nu natuurlijk hun eigen poes ook tekenen.

Na de dierkundeperiode, wanneer vele dieren de revue zijn gepasseerd, is het vanaf die tijd mogelijk, wanneer kinderen eens even niets te doen zouden hebben, dat ze bv. in een schetsboek, verder oefenen met dieren tekenen; met wat ze aan techniek geleerd hebben, kunnen ze hun fantasie de vrije loop laten bij het ontwerpen.

Op ouderavonden deed ik dit ook wel met de ouders. Er waren er altijd bij die bij voorbaat zeiden niet te kunnen tekenen. Hoe verrassend was het niet, dat ze dat met deze methode wél konden en bijna zo trots als een kind naar huis gingen met hun werk. Sommigen lieten het ook liggen op de tafel van hun kind dat dan de andere morgen kon zien wat pap en/of mam ervan gemaakt hadden.

Je zult als leerkracht veel op het bord moeten voorschetsen. Dat betekent dat je zelf een poos intensief met deze methode moet oefenen – al naar gelang van je eigen talent, natuurlijk.

Suggesties, aanvullingen van harte welkom.

Pieter HA Witvliet

[1] Zeichnen = Sehen lernen! van Anke-Usche Clausen en Martin Riedel. Uitg. Mellinger, Stuttgart, 1968
[2] Er bestaat geen Nederlandse vertaling
[3] GA 151, Der menschliche und der kosmische Gedanke, Steiner (blz.15)

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

219-207

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-3)

.

DE LEEUW

Voorheen waren leeuwen algemeen in Zuid-Europa, Zuid-Azië, naar het oosten tot Noord- en Midden-India en geheel Afrika. De laatste leeuw in Europa stierf tussen 80 en 100 na Christus. In 1884 waren de enige overgebleven leeuwen in India die in het Girwoud – ongeveer een dozijn in aantal – en zij waren vermoedelijk elders in Zuid-Azië bv. in Irak en Perzië, kort na die datum uitgestorven. Sedert het begin van deze eeuw zijn de Gir-leeuwen beschermd en een aantal jaren geleden werd hun aantal geschat op 300. Een latere schatting in 1968 bracht dit getal echter terug tot 170. In Noord-Afrika en in Zuid-Azië zijn de leeuwen buiten het Kruger Park uitgeroeid.

De total lengte kan 2.70m bedragen, waarvan ca 90 cm door de staart wordt ingenomen; hij kan een gewicht van 250 kg bereiken. De leeuwin is kleiner. De vacht is bruingeel; de manen van het mannetje zijn bruin tot zwart, dicht of spaarzaam; in sommige districten komen leeuwen zonder manen voor. De manen groeien op kop, nek en schouders en kunnen zich zelfs tot de buik uitstrekken.

Leeft in troepen
Leeuwen leven in open terrein met struikgewas, verspreid staande bomen of rietvelden. Zij zijn de enige sociaal levende leden van de kattenfamilie; ze jagen en leven in troepen van ten hoogste 20 – in uitzonderingsgevallen 30 dieren, bestaande uit een of meer volwassen leeuwen en een aantal leeuwinnen met hun jongen.
De leden van een troep gaan niet alleen samen op jacht, waarbij ze de prooi besluipen en in een hinderlaag jagen, maar verdedigen zich ook gezamenlijk. Bij het jagen wordt er meestal niet gebruld, ofschoon men leeuwen wel tijdens de jacht kan horen grommen om met elkaar contact te houden. Een leeuw is in staat snelheden van 60 km per uur te ontwikkelen, maar alleen over korte afstanden. Hij kan uit stand sprongen maken van 3,5 m hoog en 12 m ver. Leeuwen klimmen normaal niet in bomen, maar leeuwinnen springen wel eens op de laagste takken om te zonnen; soms klimmen zij ook net als de mannetjes in een boom om de buit van een luipaard, verborgen in de oksel van een tak, te bemachtigen. Er is een waarneming over een leeuw die een luipaard in een boom najoeg, kennelijk met de bedoeling hem te doden, maar ze moest het opgeven toen de luipaard de kleinere takken in de top van de boom beklom, die haar gewicht niet konden dragen.

Niet uitsluitend vlees
Ofschoon ze voornamelijk vlees eten, nemen leeuwen ook wel afgevallen vruchten. Gewoonlijk verkrijgen leeuwen, als aanvulling op de eiwitten, koolhydraten en zouten, hun vitaminen uit de ingewanden van de graseters die zij doden. Het is karakteristiek voor leeuwen om eerst de ingewanden en het achterlijf te verslinden en zo naar voren te werken. In gevangenschap doen de leeuwen het ’t best, wanneer vitaminen aan hun dieet van rauw vlees worden toegevoegd. Ofschoon de leeuwinnen vaak de prooi doden, eten de leeuwen het eerst (vandaar de uitdrukking ‘het leeuwendeel’, daarna de leeuwinnen en ten slotte de welpen. Over het algemeen vormen antilopen en zebra’s de voornaamste prooien van de leeuw, maar bijna elk dier kan hiervoor in aanmerking komen: van rietrat tot olifant, nijlpaard, giraf, buffel en zelfs struisvogels.

Een onderzoek in het Kruger Park bracht aan het licht dat de prooidieren in volgorde van belangrijkheid zijn: wildebeest (gnoe), impala, zebra, waterbok, koedoe, giraf, buffel. Een later onderzoek gaf de volgende volgorde te zien: waterbok, wildebeest, koedoe, giraf, zwarte paardantilope, zebra, buffel, rietbok, impala.
Als een leeuw door ouderdom of verwondingen niet in staat is een prooi te vangen, bepaalt hij zich tot stekelvarkens en kleinere knaagdieren, tot schapen en geiten of wordt hij een mensendoder waarbij hij vooral kinderen en vrouwen aanvalt. Mensen eten kan echter een gewoonte worden; een groep leeuwen in Tsavo heeft een tijdlang de bouw van de Oegandaspoorweg opgehouden door hun aanvallen op de spoorwegarbeiders. Honden worden soms gedood, maar niet gegeten.

Overdreven voorstelling van kracht
Een veel gehoord verhaal is dat van de leeuw die een stal binnendringt, een koe steelt en daarmee over de omheining springt. In een tijdschrift uit 1960 staat dat dat onmogelijk is. Leeuwen die een bezoek brengen aan een boerderij gaan nooit alleen naar binnen. Mogelijk springt één van hen over de omheining, doodt een dier en sleept dat onder de omheining door naar de soortgenoten. Mogelijk ook raakt het vee in paniek, waarbij het gemakkelijk kan gebeuren dat een dier de omheining omver loopt en dan onmiddellijk door de troep leeuwen wordt verscheurd.
De leeuw jaagt in stilte en het is meestal de leeuwin die de prooi doodt. De gebruikelijke methode is, de prooi te bespringen en de nek te breken met een slag van de voorpoten. Soms grijpt de leeuw zijn prooi bij de keel met zijn tanden of drukt diens keel of neusgaten dicht met de voorpoten. Een andere methode is de prooi van achteren te bespringen en hem tegen de grond te drukken. Een leeuw doodt een nijlpaard door zijn vlezige lijf te bewerken met zijn klauwen tijdens de achtervolging. Leeuwen doden en eten verder krokodillen en ze eten ook aas, vooral als het nog vers is. Een leeuw eet zelfs zijn dode soortgenoten. Men hoort nog wel eens het oude verhaal van de leeuw die zichzelf tot razernij geselt met een ‘klauwtje’ aan de staart, maar dit is niet meer dan een wervelvergroeiing.

Natuurlijke bevolkingsregulatie
Leeuwen nemen voor het eerst aan de voortplanting deel als ze twee jaar oud zijn, maar bereiken hun volwassenheid na 5 jaar. De mannetjes zijn polygaam. Er wordt flink wat gebruld voor en tijdens de paring en er vinden gevechten plaats met mannelijke indringers.
De draagtijd is ca 105-112 dagen; het aantal welpen bedraagt per worp 2 – 5; ze worden blind en met een gevlekte vacht geboren. De ogen gaan na 6 dagen open; de zoogperiode duurt 3 maanden, waarna de leeuwin de welpen het jagen leert. Na een jaar zijn ze volleerde jagers. Welpen hebben een hoog sterftecijfer, omdat ze bij het eten pas het laatst aan de beurt zijn; ze hebben vaak te lijden van voedseltekort, vooral wat vitaminen betreft. Dat fungeert als een natuurlijke regulatie van de bevolkingsdichtheid. Zou het aantal leeuwenin een gebied door een of andere oorzaak afnemen, bv. wanneer leeuwen door de mens worden gejaagd, dan kunnen de overblijvende dieren gemakkelijker een prooi doden waardoor er meer voedsel is. Leeuwinnen doden dan speciaal voor hun welpen die dan ook het eerst te eten krijgen. Dit rijkere voedselaanbod maakt de overlevingskansen van de welpen groter, waardoor uiteindelijk het evenwicht van de bevolkingsdichtheid wordt hersteld.

Gevaren voor de Koning der Dieren
Er zijn behalve de mens geen werkelijke vijanden van de leeuw, maar er gebeuren nog wel eens ongelukken vooral met de jonge en onervaren dieren. De zebrahengst kan een leeuw gevoelige trappen bezorgen, bv. tegen het gebit, waardoor hij voor de rest van zijn leven nog slechts kleiner wild kan jagen. De zwarte paardantilope is zeer wel in staat een enkele leeuw het hoofd te bieden en ook andere antilopen hebben wel leeuwen op hun hoorns gespietst. Een kudde buffels kan een leeuw vertrappen of hem van het ene paar hoorns op het andere paar gooien, totdat hij dood is; daar staat tegenover dat twee leeuwen een grote buffel de baas kunnen. Er bestaat een melding van een girafwijfje dat een leeuwin die trachtte haar kalf te doden, te lijf ging. Door gebruik te maken van de hoeven van voor- en achterpoten en bovendien klappen met haar nek uit te delen, takelde ze de leeuwin flink toe en joeg haar over een afstand van 100 m achterna. Deze giraf bracht het er beter af dan de meeste neushoorns doen. Een leeuw kan neushoorns nog doden als die al  bijna volwassen zijn.

Plan de campagne
Leeuwenstrategie waargenomen in het Kruger Park. Na een kudde gnoes te hebben ontdekt, verdeelden 16 leeuwen zich in 3 groepen. Tijdens deze veldtocht met bijna menselijke opzet hield de leider zijn groepen onder controle door signalen met de staart te geven. De gnoes zwenkten op tijd af, maar het scheelde een haar of zij waren in de zorgvuldig voorbereide hinderlaag gelopen.

dierkunde leeuw 6

uit Spectrum Encyclopedie

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

218-206

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-2)

.

DE LEEUW

De bekendste van alle katachtige dieren is wel de leeuw. Het is dan ook een indrukwekkend dier, vooral als het een mannetje is. Dat is makkelijk her­kenbaar aan de fraaie haartooi aan de kop en het voorste deel van het lichaam. Dit is op zichzelf vreemd, want bij de andere katten is juist heel moei­lijk te zien wie meneer en wie mevrouw is. De ver­klaring voor dit verschil zal wel liggen in de even­zeer verschillende manier van doen van de leeuw. Anders dan de meeste katten leven leeuwen namelijk in troepjes. En als je alleen leeft heeft het weinig betekenis om te laten zien of je een mannetje of een vrouwtje bent. Dat krijgt pas zin als je geregeld met andere dieren in contact komt. Ook zoekt men wel eens een verklaring voor de manen van de leeuw door aan te nemen dat ze bescherming bieden als een soort kussen, dat de slagen kan opvangen bij vecht­partijen tussen de mannetjes onderling om de heer­schappij. Maar daartegenover staat, dat in verschil­lende streken leeuwen voorkomen die van nature heel weinig manen bezitten. Trouwens, zulke grote en mooie manen als je in de dierentuin bij leeuwen vaak ziet, hebben ze in de natuur meestal niet.

Net als we al hebben gezien bij horens, geweien en slagtanden zullen de manen wel dienen ter ver­fraaiing van het uiterlijk van de mannetjes. En dan vooral om de nodige indruk te maken op tegen­standers. De vrouwtjes blijken weer – in tegenstel­ling tot wat men meestal verwacht – weinig onder de indruk te zijn van het uiterlijk van de heren. In feite zijn het de vrouwtjes die de gang van zaken in de groep bepalen. Dit zal wel te maken hebben met het feit dat zij de jongen bij zich hebben. Ze moeten veel actiever zijn dan de mannetjes, die alleen voor zich zelf hebben te zorgen. Dat schijnt zelfs bij het jagen te merken te zijn. De leeuw jaagt namelijk ook in groepen, en men heeft de indruk dat het mannetje er zich vaak toe bepaalt de prooi op te jagen. Vrou­wen en kinderen liggen dan in een hinderlaag. Zij zijn het die dus in feite de prooi pakken, en meneer mag dan ook wel een hapje meeëten. Dat hapje be­staat heel vaak uit grote dieren zoals antilopen en zebra’s, hoewel een hongerige leeuw evenmin als een tijger een klein dier versmaadt. Leeuwen eten bijvoorbeeld vaak sprinkhanen. Vroeger kwamen leeuwen ook in Azië voor; nu alleen nog in Afrika.

Tekst: Han Rensenbrink; illustraties: Rien Poortvliet; uitgave ‘Op verkenning bij de dieren’ , Scheltema & Holkema, Amsterdam, 1962

dierkunde leeuw 4

dierkunde leeuw 5

Leeuw – felis leo, groot katachtig dier, dat oorspronkelijk  Afrika en een groot deel van Azië bewoonde. Komt nu vooral voor op open terrein. Jaagt op allerlei dieren, vooral hoefdieren. Leeft in groepjes; het mannetje is herkenbaar aan de meer of minder sterke ontwikkeling van de manen. Kan met staart mee wel 3 m. lang worden.

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

217-205

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-1)

.

DE LEEUW

Een belangrijk gezichtspunt voor het geven van dierkunde in klas 4 is het belang van ‘de samenhang der dingen’.

In de afgelopen decennia zijn de mensen steeds meer doordrongen geraakt van het feit dat in de natuur ‘alles met alles samenhangt’.

Steiner benadrukte dit in zijn voordrachten met vele voorbeelden en met name ook in de pedagogische, omdat hij het voor het welzijn van mens en wereld van het grootste belang achtte dat de mens, als zelfbewustzijnswezen, zijn plaats en die van de overige natuurrijken in hun samenhang zou kennen; het kind dus zou leren kennen.

‘MENSKUNDE’ GAAT VOORAF
In dit kader is het niet vreemd dat hij het vak dierkunde laat beginnen met een beschouwing van de mens, voor het kind van 10 jaar hoeft dat niet veel meer te zijn dan een begrip voor de driedeling hoofd, romp en ledematen.

Wat de romp, de borst betreft, zullen ze die leren kennen als de plaats waar vooral hart en longen zich bevinden, die een ritmisch leven vertonen.

Wanneer een dier op fenomenologische manier wordt beschreven – dat is karakteriserend – blijkt er een verrassende samenhang te bestaan tussen bv. de leeuw en het ritmisch leven.

Ernst-Michael Kranich schreef daar in . ‘Erziehungskunst’ een interessant artikel over, hieronder vertaald:

DE LEEUW
In zijn pedagogische voordrachten heeft Rudolf Steiner zich vaker over het dierkunde-onderwijs uitgesproken. Daarin komen formuleringen voor, die op het eerste gezicht vreemd aandoen: de vogel zou ‘een-en-al-long-zijn’, het rund, ‘geheel maag’ [1] Zulke opmerkingen duiden op een bepaalde manier van waarnemen.

Tegenwoordig worden de dieren als wezens beschreven met een hoeveelheid specifieke eigenschappen, vanzelfsprekend ook met een bepaald gedrag en met een bepaalde verhouding tot de omgeving. De kop met de zintuigen, het gebit enz. is op een bepaalde manier gevormd, net zo de romp met de verschillende organen en de poten. De verborgen samenhang blijft onduidelijk. Men begrijpt in het algemeen niet waarom bij een dier samen met de bijzondere vorm van zijn ledematen, de hals een bepaalde lengte heeft en de long een bepaalde vorm en grootte. Klaarblijkelijk is het niet genoeg de dieren in hun vorm, hun gedrag enz. te beschrijven, als in het in de school niet alleen om het weten, maar ook om het doorgronden moet gaan. Dan moet men tot in de methodiek onder ogen zien dat een dier een organisme is.

Tijdens de wording deelt het organisme zich in meerdere organen en deze staan met elkaar in allerlei wisselwerkingen. De levensprocessen van een orgaan, bv. de long, werken stimulerend op andere organen. Door een onderling vervlochten zijn is een organisme geen optelsom, maar een geheel.

Kijkt men alleen maar de dierengestalte vanuit een ruimtelijk aspect dan ziet men de totale samenhang over het hoofd en sluit men voor de kinderen de weg tot begrijpen af. De sleutel voor het begrijpen vindt men, wanneer men de dieren als samenhangend organisme opvat en bemerkt dat bij een bepaalde diersoort een van de organen bijzonder sterk gevormd is. Dat is op het geheel van invloed, wanneer dit orgaan met de daarin geïntensiveerde processen zich laat gelden. Heel het organisme krijgt de dominantie van het betreffende orgaan opgelegd.

Voorbeelden van zo’n manier van waarnemen die recht doet aan het leven vindt men tegenwoordig bij een paar onderzoekers. Allereerst werden deze door Goethe in 1775 geschetst [2] en dan in 1886 door R.Steiner wetenschappelijk-theoretisch gefundeerd [3]

Wanneer het er in de toekomst omgaat dat er in jonge mensen door de school een diepere verbinding met de natuur ontstaat als voorwaarde voor een ecologische ethiek, moeten  weetjes tot doorgronden verruimd worden, moet men kinderen een aanleiding geven dieren niet alleen uiterlijk te bekijken, maar ook hoe ze gevormd zijn om hun wezen van binnenuit te begrijpen. Dan beleef je en begrijp je hoe de dieren hun vorm, het specifieke gedrag en het karakteristieke van hun verhouding tot de hen omringende natuur, danken aan een dominantie van bepaalde organen.

dierkunde leeuw 1

Vrijwel geen ander dier staat in de achting van de mens zo hoog als de leeuw. In hem bewonderen we de geweldige kracht, zijn treffen met veel grotere dieren, zoals de buffel en heel zijn verschijning.
Een leeuw die in een houding van rust, de kop licht omhoog de wereld in kijkt, maakt op de waarnemer een majestueuze indruk. Men ervaart hoe lichamelijke energie samengebald en agressieve emoties in deze met kracht gevulde rust afgezwakt zijn. Aan de uitdrukking van de kop merkt men echter hoe deze in het lijf meevibreren. En wanneer de leeuw zijn bek iets opendoet, wordt de sterke fysionomie van de woestheid zichtbaar. Aan de leeuw kan iemand zich bewust worden dat men bij de dieren ook steeds het karakter van de ziel moet meenemen.

Zoals bekend behoort de leeuw tot de orde der roofdieren die alle alleen al op de manier van het verkrijgen van voedsel bepaalde innerlijke eigenschappen vertonen. Bij de hoefdieren op de weiden is een diepe doffe drang naar voedsel. Honger en bevrediging bepalen de regelmatige gang van voedselopname en vertering.
Bij de roofdieren is het verkrijgen van voedsel een dramatische gebeurtenis; bij het beloeren, bij het besluipen of bij het opjagen, bij het te pakken krijgen, bij de strijd en bij het doden wordt dit door een scala van emotionele krachten doorgloeid. Wat begeerte, emotie en hartstocht betreft vertonen de roofdieren veel meer ziel dan de hoefdieren. Deze ziel komt bij de verschillende groepen roofdieren, bij de marters en beren, de hondachtigen, de hyena’s, de civetkatten, de katten pas echt verschillend tot uitdrukking. De meest karakteristieke onder de roofdieren zijn, volgens Julius [4], de katachtigen. Hoe moeten we dat begrijpen?

Wat bij de katachtige roofdieren bijzonder in het oog springt, is hun soepele lichaam. Al van verre kan men de hond en de kat aan hun bewegingen onderscheiden – het regelmatige, ietwat stijve lopen van de hond en het vloeiend-soepele van de kat. De katten lopen op de kussentjes, d.w.z. met hun vingers, hun tenen veel gevoeliger. De gewrichten zijn duidelijk gebogen. Men ondervindt in iedere fase van de beweging een levend samenspel tussen spanning en ontspanning; zelfs wanneer een kat staat, speelt dit wisselspel in de ledematen mee. Plotseling kan heel de houding gespannen of juist minder gespannen worden. Dit vibreren van de spieren merkt men in het hele lijf. Van de stramheid en het mechanische van het bottensysteem die bij het paard en het rund zo sterk in verschijning treedt, is bij de katten niets te zien. Het bottensysteem is helemaal opgenomen door het spierstelsel. De ledematen zijn relatief kort en tot de periferie gevoelig en beweeglijk; zij sluiten zich zoals bij het paard en andere hoefdieren niet van binnenuit af. In tegendeel, de innerlijke belevingen dringen door tot in de buitenste periferie van de klauwen. In de eigenaardige schoonheid van het lichaam komt bij de luipaard meer nog dan bij de andere grote katachtigen de souplesse tot uitdrukking, bij de leeuw samenballing en kracht.

Tijger, luipaard en jaguar zijn door hun agressie onverdraagzame solitairen. De leeuw is de enige onder de grote katten die met andere samen in een troep leeft. Hij heeft in zijn wezen een groter scala en een breder spectrum aan gedrag. Dat moet men in de gaten houden, wanneer men zich een weg banen wil dit betekenisvolle dier te doorgronden.

dierkuknde leeuw 2

Omtrek en skelet van de leeuw (naar Tank, dieranatomie voor kunstenaars). Men krijgt een indruk van de beweeglijkheid van het skelet en het hele lichaam

Tussen behaaglijkheid en agressie
De leeuw heeft een innerlijke verhouding tot die gebieden van de aarde waarin de zon het landschap sterk doorgloeit, tot de savanne en de galerijbossen van Afrika, ook tot de halfwoestijn zoals de Kalahari. Daar liggen de dieren van een groep vele uren bv. in de schaduw van een boom. Ze slapen of genieten doezelend van de warmte. Sommige zijn met uitgestrekte ledematen volledig ontspannen, andere tillen het bovenlichaam en de kop een beetje op en kijken voor of om zich heen. Men kan ook waarnemen hoe twee leeuwinnen zachtjes de koppen tegen elkaar aanwrijven, de ogen gesloten om zich helemaal aan het welbehagen over te geven. Misschien voegt een leeuwin zich weer bij de groep en begroet de andere door met de breedte van haar lijf dat van de ander aan te raken. Ze glijdt langzaam aan hen voorbij, alsof ze de andere leeuwin van de wangen tot de staart wil strelen. De sympathiek-aangename gewaarwording van het aanraken speelt een grote rol. Niet zelden zoeken de leeuwinnen ook wanneer ze liggen de behaaglijkheid door lichamelijk contact.

Ongeveer 20 uur per dag brengen de leeuwen in een tamelijk trage toestand door. Dat in tegenstelling tot de zebra’s, gnoes en antilopen die zich de meeste tijd bewegen en actief zijn. Leeuwen zijn heel duidelijk geen dieren waarbij de ledematen de bepalende organen zijn.

Dan merken plotseling een of twee of meerdere leeuwinnen in de verte een kudde gnoes of zebra’s op, ze staan op en nu begint het besluipen dat langer dan een uur kan duren. Want alleen van dichtbij kan een leeuw een zebra, een gnoe of een antiloop te pakken nemen. Hij voert geen lange drijfjacht uit zoals de hyenahonden of het luipaard. Hoe dichter de leeuwin bij de prooi komt, des te meer gaat het sluipen over in een soort laag bij de grond kruipen. Vanaf een afstand van ongeveer 30 meter schiet de leeuwin met snelle, krachtige sprongen naar voren en stort zich op de prooi. Leeuwen kunnen hun prooi ook bespieden; bewegingsloos wachten ze op een goed verborgen plaats, soms meerdere uren.
Tot dan toe verloopt de jacht als een strategisch plan wanneer twee of drie leeuwinnen zich in het gras verbergen, andere om de zebra’s of antilopen heen sluipen en deze dan in de hinderlaag drijven.
Om hun prooi te doden, springt de leeuwin van opzij of van achteren op de rug en probeert die met haar gewicht op de grond te trekken. Met haar gebit doorboort ze dan de luchtpijp en trekt de halsslagader kapot; de prooi stikt of verliest het bewustzijn. Ondertussen trekt de leeuwin met haar geweldige hoektanden tussen twee halswervels de halswervelkolom en het ruggenmerg doormidden.
Spoedig komen met de rest van de groep ook de mannetjesleeuwen aan de beurt. Zij jagen zelf uiterst zelden. Eerder nemen ze de prooi af van een luipaard of hyena. Ze zijn groter en zwaarder dan de leeuwinnen. Door het gewicht van het lichaam ballen de wilskrachten zich sterker samen dan bij de vrouwtjesdieren. Deze zijn door de mindere massa beweeglijker en beter voor het jagen uitgerust. Voor de kracht van de mannelijke dieren wijken zij bij de buit terug, anders worden ze op niet zachtzinnige wijze verdrongen. Bovendien gaat het bij de buit vaak agressief toe. De leeuwinnen moeten de leeuwen voor laten gaan, de jongere dieren de vrouwtjes. Op het laatst komen de welpen. Onverbiddelijk heerst het emotioneel-agressieve wezen van de leeuw en het recht van de sterkere. De honger en de begeerte brengen de emoties in opwinding.
Eerst wordt het spiervlees gevreten. Sommige dieren nemen ook de inwendige organen. Alleen de maag blijft onaangeroerd. Men heeft vastgesteld dat een uitgehongerde leeuw tot 45 kilo vlees in een keer verslinden kan, een uitgehongerde leeuwin 30 kilo. Na het maal gaan de dieren vaak drinken uit een dichtbij gelegen rivier, een meer of een waterplas. Hier heerst dan de vredige stemming van het bevredigd zijn.

Na dit crescendo van emoties en hartstochten volgt dan weer een fase van behaaglijkheid, van ontspanning; deze afwisseling tussen de grootst mogelijke samenballing van krachten en emoties en het welbehagen in grootste ontspanning bepaalt met een hoeveelheid tussenfasen het leven van de leeuw.
Leeuwen jagen in verschillende gebieden op te onderscheiden tijden op een dag. Leven ze in een omgeving die door struiken goede dekking geeft, dan gaan ze vooral overdag op jacht; in open gebied vaker ‘s nachts. Ze kunnen in het duister uitstekend zien, hebben echter ook goede oren en een voortreffelijke neus. In de nachten waarin de maan niet schijnt is het jachtsucces groter dan in de door de maan hel verlichte. Wat de leeuw in het bijzonder in een jachtstemming brengt, is een dreigend onweer. De grandioze ontladingen in de atmosfeer brengen de emoties in de leeuw zo in opwinding dat hij zelfs meer dieren doodt dan hij voor zijn honger nodig heeft.

Het brullen van de leeuw
Tot de meest indrukwekkende uitingen van de leeuw behoort het brullen. ’s Avonds, voor of na zonsondergang verheft de leeuw zijn machtige stem. In ritmische opeenvolging slingert hij, in naar beneden gaande toonhoogte zijn klankenergie eruit. Het is als een vulkaanuitbarsting waarbij niet rook en lava, maar emoties de ruimte ingeslingerd worden. ‘Wanneer een geluid de betekenis van door merg en been gaand verdiend, dan is dit het gebrul van een leeuwengroep van dichtbij in de Afrikaanse wildernis bij nacht. Het diepe grommen doorklieft de nachtelijke stilte van de Afrikaanse savanne als een onaangekondigde donderslag. Komt het gebrul slechts vanaf een paar honderd meter, dan heeft men het gevoel dat de leeuwen vlak naast je staan. Men verwondert zich dat het tentzeil niet meetrilt en dat er geen dingen omvallen. [5]
Het brullen heeft een actieradius van ongeveer 16 kilometer.
In dit gebrul – bij de leeuwinnen komt het iets minder voor en niet zo erg sterk als bij de leeuwen, openbaart zich het emotionele geweld dat in deze dieren leeft, min of meer ontdoen ze zich van deze energie. En daardoor bevrijden ze zich wellicht tot op zekere hoogte, zoals ook de mens door een woede-uitbarsting zijn ziel opschoont. Het kan dus zijn dat de overeenkomstige energieën bij de andere grote katten, de tijger, de panter en de jaguar aan het organisme gebonden zijn. Hun bewegingen zijn ook meer door agressieve energie doortrokken; in het patroon van de vacht komt als in een beeld de inwendig vlammende of de samengebalde opwinding tot uitdrukking.
De leeuw is in zijn houding en beweging, ook in de kleur van zijn vel, veel rustiger. Kan hij als enige grote kat in een sociaal verband leven omdat hij brult? Wanneer men in het brullen de emotionele erupties beleeft, dan is men geneigd deze vraag positief te beantwoorden.

De groep
Het leven in de groep verloopt niet zo gelijkmatig als het, na het schetsen van het voorafgaande, lijkt. In een groep zijn er als regel twee of drie mannelijke dieren, vijf tot tien vrouwtjes en hun kleintjes. Noch bij de leeuwen, noch bij de leeuwinnen vindt men een rangorde zoals anders bij dieren die in verband samenleven. Bij deze koninklijke dieren heerst in beide groepen gelijkheid. Is bij een van de ruzies een leeuwin de verliezer, dan heeft dit geen gevolg voor het verdere samenleven. Bovendien, in de groep zijn de leeuwen de heersers, ook al zijn de leeuwinnen op veel terreinen  meer actief. De leeuwinnen vormen de meer stabiele kern van de groep. Veelal met tussenpozen van jaren probeert een nieuwe groep van jongere leeuwen de groep te veroveren. De indringers verdrijven na heftige, gewelddadige strijd, de dominanten tot dan toe. Nu moeten ze ook nog de vrouwtjes veroveren, die aanvankelijk de nieuwe heersers agressief terugwijzen. Pas na dagen van dramatische en wilde strijd wordt het weer rustiger. Nu hebben de leeuwen ook de jongste nakomelingen van de leeuwinnen gedood. De leeuwinnen hebben nu geen jongen meer te zogen en worden hitsig. De veroveraars hebben hun doel bereikt en stichten een nieuw tijdperk. Zo worden in een groep met langere tussenpozen korte fasen van het heftigste agressieve vechten afgewisseld door lange fasen van overwegend rustig samenleven.

Vóór de geboorte zondert een leeuwin zich af van de groep en zoekt een beschermde plek in de doornenstruiken, in het kreupelhout of in een grot. Daar worden na een draagtijd van 100 tot 116 dagen de jongen geboren, in de regel twee of drie, soms vier. In het begin zijn deze echt hulpeloos. De ogen gaan op z’n vroegst na een week open. Hun moeder voedt ze zes weken lang alleen met melk. Dan beginnen ze ook vlees te eten. Dan keert de leeuwin met haar jongen naar de groep terug. Ze is bij het kattenkwaad en de drukte van wat ze ondernemen geduldig en liefdevol. Ook de andere leeuwinnen gedragen zich zeer vriendelijk. De kleintjes mogen bij hen zelfs drinken, als ze zelf ook jongen hebben. Het echte leeuwenleven begint ongeveer in de vierde maand, wanneer de jongen de eerste hoektanden krijgen. Dan gaan ze als kleine onhandige sukkeltjes mee op jacht. Het actieve jagen begint pas wanneer de vaste tanden ongeveer op 1-jarige leeftijd doorbreken. De mannelijke nakomelingen leven iets meer dan drie jaar in de groep van hun moeder. Daarna struinen ze in kleine groepjes door de savanne en veroveren later eventueel een groep. Zes jaar oud bereikt de leeuw zijn volle grootte; dan hebben de mannelijke dieren ook manen.

Duidelijk doortrekt een wetmatigheid met vele variaties het leven der leeuwen. Een onderzoeker die verschillende tientallen jaren leeuwen in de verschillende streken van Afrika bestudeerd heeft, werpt in een van zijn boeken de vraag op: ‘agressief of verdraagzaam…?’
De leeuw is een dier met een groot spectrum wat zijn innerlijke leven aangaat. Dat gaat van volledig ontspannen zijn  en weldadige behaaglijkheid, over tederheid, gelatenheid en samengebalde rust tot aandoeningen van ontevredenheid die zich o.a uiten in gegrom, in woede en wilde agressie. En het leven van de leeuw is een ritme, een pendule die in voortdurende afwisseling dan eens naar de ene richting dan eens naar de andere uitslaat. Hoe is dit karakteristiek pulserende bestaan in het organisme van de leeuw verankerd?

Grandioze eenzijdigheid
We hebben er al op gewezen dat de ledematen van de leeuw een heel andere verhouding tot de romp hebben dan bij een paard. De benen van een paard zijn door de geïntensiveerde botvorming tot organen geworden, waarmee het dier zich intensief invoegt in de uiterlijke kracht van de zwaarte en de mechanica. Wat de spieren doen werkt geheel in dit krachtbereik. Men kan zeggen: in de bewegingsorganen zijn de botten het bepalende deel. Bij een leeuw worden de botten t.o.v. de spieren teruggehouden. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in het aandeel dat de botten hebben in het totaalgewicht van het lichaam. Bij het paard bedraagt dit 20, bij de leeuw slechts 13 %. Zo bepaalt de inwendige beweeglijkheid van de musculatuur het voortdurende wisselspel van samentrekking en slapper worden, van spanning en ontspanning iedere fase van beweging en houding. Het beenderstelsel is zo beweeglijk dat daarin dit spel van afwisseling tot werkelijkheid kan worden. Een leeuw kan net als onze huiskat zijn rug krommen en ver doordrukken wanneer hij zich rekt en strekt. De geweldige sprongen in de laatste beslissende fase van de jacht zijn een snelle ritmische opeenvolging van intensieve contractie  en een zich snel voorwaarts strekken. Deze beweeglijkheid is de voorwaarde voor het zich kunnen uitleven van het rijke spectrum aan innerlijke belevingen. Om de bewegingen, de houdingen en de posities van het liggen te begrijpen, moet men dus niet naar het beenderstelsel en de uiterlijke kracht kijken.

Het spierstelsell staat ook met de inwendige organen in verbinding, boven alles met het stofwisselingsysteem. Het bloed is niet alleen verantwoordelijk voor de doorademing en voeding van de spieren. In het slagaderlijk deel van het circulatiesysteem wordt dit gepulseerd door het ritme van het hart. En dit is nauw met het ademen verbonden. Bij de leeuw heerst een bijzondere harmonie tussen deze beide ritmen. In rust, zonder opwinding, ademt de volwassen leeuw 10 keer per minuut in en uit, het hart klopt 40 keer [7], het pols-ademquotiënt is dus 4.
Ook andere feiten wijzen erop dat de ritmisch pulserende organen in het organisme van de leeuw een bijzondere betekenis hebben. Het aandeel van de longen in het totale gewicht bedraagt bij het paard 0,7 %, bij het rund 0,72 %. Bij de leeuw is dit 2,12% hoger dan bij bijna alle zoogdieren. [8] Ook het hart is met 0,54 % [9 ] gezien zijn grootte goed gevormd.

Deze organen begrijpt men niet volledig wanneer men ze alleen maar fysiologisch bekijkt. De ritmen van hart en longen kunnen sterk afwijken in frequentie en amplitude. Zulke afwijkingen treden echter niet op als gevolg van lichamelijke activiteit en rust. De opwinding in de ziel manifesteert zich meteen in een sneller worden van pols en adem; bij de overgang naar innerlijke ontspanning en behaaglijk welbevinden worden pols en adem langzamer en vlakker, bij hartstochtelijke gevoelens sneller en dieper. Longen en hart zijn die organen waarin de mens zijn gevoelens, zijn emoties en hartstochten beleeft. Ze leven in de modulatie van adem en pols. Zo wordt een belangrijk feit en de samenhang duidelijk. De kracht en het innerlijke spectrum van emoties en hartstochten van de leeuw staan in verbinding met de buitengewoon sterke vorming van zijn longen en zijn goed ontwikkelde hart. Ze werken in het op en neer gaan van adem en hartslag. Wat innerlijk in het ademen op en neer golft, kan in het brullen naar buiten dringen. Wat in de hartslag aan zielenkrachten vibreert, doordringt het lichaam van de leeuw tot in de spieren. Men kan zonder een zweem van metaforisch spreken zeggen: bij de leeuw grijpt het innerlijke leven van long en hart het hele dier. Wanneer de emotionele krachten met de hartslag in de stofwisselingsorganen die bij de leeuw echt niet zoveel betekenen [10], opleven, dan wordt de honger tot een dwingende, hartstochtelijke begeerte. En de zebra’s, gnoes of antilopen die de leeuw eerst nog nauwelijks waargenomen heeft, worden nu voorwerpen waarmee hij deze brandende begeerde bevredigen moet.

Echt indrukwekkend uit het rijke innerlijke leven zich in de kop van de leeuw, met name het aangezicht. Er zijn studies van uitdrukkingen die tonen hoe het leeuwengelaat een buitengewoon levendige spiegel is van de innerlijke belevingen.
Zoals in het brullen, spinnen en grommen dringt het innerlijk naar buiten en wordt zichtbaar. En de manen van de leeuw vertonen in een geïntensiveerde haarvorming als een uiterlijk teken, dat tussen romp en kop innerlijke krachten in de uiterlijke verschijningsvorm dringen.

Ook aan de schedel manifesteert zich het wezen leeuw. De kaken zijn zoals aan de romp de ledematen, tamelijk kort. De spieren echter krachtig. Een leeuwin kan met de bek een zebra die ze te pakken heeft een heel stuk wegslepen. Aan de plastische bouw van de onderkaak kan men zien hoe sterk de spieren zijn die hier zitten. De hartstochtelijke agressie in het doden en opvreten wordt in de vorm van geweldige hoektanden als in een verstard gebaar zichtbaar. Die wordt ook zichtbaar in de smalle achterkiezen met de puntige knobbels. Bijzonder groot is aan de kop dat deel gevormd dat staat voor de borstholte met de longen en het hart, nl. de neusholte.

dierkunde leeuw 3

schedel van een volwassen leeuw (uit Kahn, overzicht van de dierkunde (Duits)

Zo kan het duidelijk worden wat R .Steiner met de uitspraak dat de leeuw de ‘eenzijdige uitwerking is van in het bijzonder de borstholte’ bedoelt. Zo’n formulering moet men niet banaal of oppervlakkig nemen. Ze is het  geconcentreerde resultaat van een diepgaand onderzoek. Dringt men met zijn denken en fantasie door in het bijzondere karakter van de verschillende vormen en uitingen, dan ontdekt men hoe daarin de in het borstorganisme werkende krachten tot uitdrukking komen. Men ziet en beleeft de leeuw echter als daarvoor; men begrijpt hoe hij in zijn wezen en zijn organisme eenzijdig is – maar wel op grandioze wijze.

[1]In GA 301
[
2]Erster Entwurf einer allgemeinen Einleitung in die vergleichende Anatomie, ausgehend von der Osteologie, in ‘Goethes Naturwissenschaftliche Schriften’ Steiner, Dornach 1975
[3]Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goethe’schen Weltanschauung,
GA 2 1979
[4]Het dier tussen mens en kosmos, F.H.Julius, 1970 (Duits)
[5]Het boek van de leeuwen, W. en  H.Hagen 1992 (Duits)
6 ontbreekt
[7]Biologie in getallen, R.Flindt, (blz. 82, 66) 1985 (Duits)
[8]Flindt, blz 80
[9]Handboek van de biologie, Gessner, (blz 992), 1977
[10]De darm is gemiddeld 6,9 m lang. De relatieve darmlente (de verhouding van darmlengte tot lichaamslengte) bedraagt slechts 3,9 m, bij het paard 12 en bij het rund 22 tot 29 m, Flindt, (blz. 44 en 45)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

216-204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.