VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-1)

.

DE LEEUW

Een belangrijk gezichtspunt voor het geven van dierkunde in klas 4 is het belang van ‘de samenhang der dingen’.

In de afgelopen decennia zijn de mensen steeds meer doordrongen geraakt van het feit dat in de natuur ‘alles met alles samenhangt’.

Steiner benadrukte dit in zijn voordrachten met vele voorbeelden en met name ook in de pedagogische, omdat hij het voor het welzijn van mens en wereld van het grootste belang achtte dat de mens, als zelfbewustzijnswezen, zijn plaats en die van de overige natuurrijken in hun samenhang zou kennen; het kind dus zou leren kennen.

‘MENSKUNDE’ GAAT VOORAF
In dit kader is het niet vreemd dat hij het vak dierkunde laat beginnen met een beschouwing van de mens, voor het kind van 10 jaar hoeft dat niet veel meer te zijn dan een begrip voor de driedeling hoofd, romp en ledematen.

Wat de romp, de borst betreft, zullen ze die leren kennen als de plaats waar vooral hart en longen zich bevinden, die een ritmisch leven vertonen.

Wanneer een dier op fenomenologische manier wordt beschreven – dat is karakteriserend – blijkt er een verrassende samenhang te bestaan tussen bv. de leeuw en het ritmisch leven.

Ernst-Michael Kranich schreef daar in . ‘Erziehungskunst’ een interessant artikel over, hieronder vertaald:

DE LEEUW
In zijn pedagogische voordrachten heeft Rudolf Steiner zich vaker over het dierkunde-onderwijs uitgesproken. Daarin komen formuleringen voor, die op het eerste gezicht vreemd aandoen: de vogel zou ‘een-en-al-long-zijn’, het rund, ‘geheel maag’ [1] Zulke opmerkingen duiden op een bepaalde manier van waarnemen.

Tegenwoordig worden de dieren als wezens beschreven met een hoeveelheid specifieke eigenschappen, vanzelfsprekend ook met een bepaald gedrag en met een bepaalde verhouding tot de omgeving. De kop met de zintuigen, het gebit enz. is op een bepaalde manier gevormd, net zo de romp met de verschillende organen en de poten. De verborgen samenhang blijft onduidelijk. Men begrijpt in het algemeen niet waarom bij een dier samen met de bijzondere vorm van zijn ledematen, de hals een bepaalde lengte heeft en de long een bepaalde vorm en grootte. Klaarblijkelijk is het niet genoeg de dieren in hun vorm, hun gedrag enz. te beschrijven, als in het in de school niet alleen om het weten, maar ook om het doorgronden moet gaan. Dan moet men tot in de methodiek onder ogen zien dat een dier een organisme is.

Tijdens de wording deelt het organisme zich in meerdere organen en deze staan met elkaar in allerlei wisselwerkingen. De levensprocessen van een orgaan, bv. de long, werken stimulerend op andere organen. Door een onderling vervlochten zijn is een organisme geen optelsom, maar een geheel.

Kijkt men alleen maar de dierengestalte vanuit een ruimtelijk aspect dan ziet men de totale samenhang over het hoofd en sluit men voor de kinderen de weg tot begrijpen af. De sleutel voor het begrijpen vindt men, wanneer men de dieren als samenhangend organisme opvat en bemerkt dat bij een bepaalde diersoort een van de organen bijzonder sterk gevormd is. Dat is op het geheel van invloed, wanneer dit orgaan met de daarin geïntensiveerde processen zich laat gelden. Heel het organisme krijgt de dominantie van het betreffende orgaan opgelegd.

Voorbeelden van zo’n manier van waarnemen die recht doet aan het leven vindt men tegenwoordig bij een paar onderzoekers. Allereerst werden deze door Goethe in 1775 geschetst [2] en dan in 1886 door R.Steiner wetenschappelijk-theoretisch gefundeerd [3]

Wanneer het er in de toekomst omgaat dat er in jonge mensen door de school een diepere verbinding met de natuur ontstaat als voorwaarde voor een ecologische ethiek, moeten  weetjes tot doorgronden verruimd worden, moet men kinderen een aanleiding geven dieren niet alleen uiterlijk te bekijken, maar ook hoe ze gevormd zijn om hun wezen van binnenuit te begrijpen. Dan beleef je en begrijp je hoe de dieren hun vorm, het specifieke gedrag en het karakteristieke van hun verhouding tot de hen omringende natuur, danken aan een dominantie van bepaalde organen.

dierkunde leeuw 1

Vrijwel geen ander dier staat in de achting van de mens zo hoog als de leeuw. In hem bewonderen we de geweldige kracht, zijn treffen met veel grotere dieren, zoals de buffel en heel zijn verschijning.
Een leeuw die in een houding van rust, de kop licht omhoog de wereld in kijkt, maakt op de waarnemer een majestueuze indruk. Men ervaart hoe lichamelijke energie samengebald en agressieve emoties in deze met kracht gevulde rust afgezwakt zijn. Aan de uitdrukking van de kop merkt men echter hoe deze in het lijf meevibreren. En wanneer de leeuw zijn bek iets opendoet, wordt de sterke fysionomie van de woestheid zichtbaar. Aan de leeuw kan iemand zich bewust worden dat men bij de dieren ook steeds het karakter van de ziel moet meenemen.

Zoals bekend behoort de leeuw tot de orde der roofdieren die alle alleen al op de manier van het verkrijgen van voedsel bepaalde innerlijke eigenschappen vertonen. Bij de hoefdieren op de weiden is een diepe doffe drang naar voedsel. Honger en bevrediging bepalen de regelmatige gang van voedselopname en vertering.
Bij de roofdieren is het verkrijgen van voedsel een dramatische gebeurtenis; bij het beloeren, bij het besluipen of bij het opjagen, bij het te pakken krijgen, bij de strijd en bij het doden wordt dit door een scala van emotionele krachten doorgloeid. Wat begeerte, emotie en hartstocht betreft vertonen de roofdieren veel meer ziel dan de hoefdieren. Deze ziel komt bij de verschillende groepen roofdieren, bij de marters en beren, de hondachtigen, de hyena’s, de civetkatten, de katten pas echt verschillend tot uitdrukking. De meest karakteristieke onder de roofdieren zijn, volgens Julius [4], de katachtigen. Hoe moeten we dat begrijpen?

Wat bij de katachtige roofdieren bijzonder in het oog springt, is hun soepele lichaam. Al van verre kan men de hond en de kat aan hun bewegingen onderscheiden – het regelmatige, ietwat stijve lopen van de hond en het vloeiend-soepele van de kat. De katten lopen op de kussentjes, d.w.z. met hun vingers, hun tenen veel gevoeliger. De gewrichten zijn duidelijk gebogen. Men ondervindt in iedere fase van de beweging een levend samenspel tussen spanning en ontspanning; zelfs wanneer een kat staat, speelt dit wisselspel in de ledematen mee. Plotseling kan heel de houding gespannen of juist minder gespannen worden. Dit vibreren van de spieren merkt men in het hele lijf. Van de stramheid en het mechanische van het bottensysteem die bij het paard en het rund zo sterk in verschijning treedt, is bij de katten niets te zien. Het bottensysteem is helemaal opgenomen door het spierstelsel. De ledematen zijn relatief kort en tot de periferie gevoelig en beweeglijk; zij sluiten zich zoals bij het paard en andere hoefdieren niet van binnenuit af. In tegendeel, de innerlijke belevingen dringen door tot in de buitenste periferie van de klauwen. In de eigenaardige schoonheid van het lichaam komt bij de luipaard meer nog dan bij de andere grote katachtigen de souplesse tot uitdrukking, bij de leeuw samenballing en kracht.

Tijger, luipaard en jaguar zijn door hun agressie onverdraagzame solitairen. De leeuw is de enige onder de grote katten die met andere samen in een troep leeft. Hij heeft in zijn wezen een groter scala en een breder spectrum aan gedrag. Dat moet men in de gaten houden, wanneer men zich een weg banen wil dit betekenisvolle dier te doorgronden.

dierkuknde leeuw 2

Omtrek en skelet van de leeuw (naar Tank, dieranatomie voor kunstenaars). Men krijgt een indruk van de beweeglijkheid van het skelet en het hele lichaam

Tussen behaaglijkheid en agressie
De leeuw heeft een innerlijke verhouding tot die gebieden van de aarde waarin de zon het landschap sterk doorgloeit, tot de savanne en de galerijbossen van Afrika, ook tot de halfwoestijn zoals de Kalahari. Daar liggen de dieren van een groep vele uren bv. in de schaduw van een boom. Ze slapen of genieten doezelend van de warmte. Sommige zijn met uitgestrekte ledematen volledig ontspannen, andere tillen het bovenlichaam en de kop een beetje op en kijken voor of om zich heen. Men kan ook waarnemen hoe twee leeuwinnen zachtjes de koppen tegen elkaar aanwrijven, de ogen gesloten om zich helemaal aan het welbehagen over te geven. Misschien voegt een leeuwin zich weer bij de groep en begroet de andere door met de breedte van haar lijf dat van de ander aan te raken. Ze glijdt langzaam aan hen voorbij, alsof ze de andere leeuwin van de wangen tot de staart wil strelen. De sympathiek-aangename gewaarwording van het aanraken speelt een grote rol. Niet zelden zoeken de leeuwinnen ook wanneer ze liggen de behaaglijkheid door lichamelijk contact.

Ongeveer 20 uur per dag brengen de leeuwen in een tamelijk trage toestand door. Dat in tegenstelling tot de zebra’s, gnoes en antilopen die zich de meeste tijd bewegen en actief zijn. Leeuwen zijn heel duidelijk geen dieren waarbij de ledematen de bepalende organen zijn.

Dan merken plotseling een of twee of meerdere leeuwinnen in de verte een kudde gnoes of zebra’s op, ze staan op en nu begint het besluipen dat langer dan een uur kan duren. Want alleen van dichtbij kan een leeuw een zebra, een gnoe of een antiloop te pakken nemen. Hij voert geen lange drijfjacht uit zoals de hyenahonden of het luipaard. Hoe dichter de leeuwin bij de prooi komt, des te meer gaat het sluipen over in een soort laag bij de grond kruipen. Vanaf een afstand van ongeveer 30 meter schiet de leeuwin met snelle, krachtige sprongen naar voren en stort zich op de prooi. Leeuwen kunnen hun prooi ook bespieden; bewegingsloos wachten ze op een goed verborgen plaats, soms meerdere uren.
Tot dan toe verloopt de jacht als een strategisch plan wanneer twee of drie leeuwinnen zich in het gras verbergen, andere om de zebra’s of antilopen heen sluipen en deze dan in de hinderlaag drijven.
Om hun prooi te doden, springt de leeuwin van opzij of van achteren op de rug en probeert die met haar gewicht op de grond te trekken. Met haar gebit doorboort ze dan de luchtpijp en trekt de halsslagader kapot; de prooi stikt of verliest het bewustzijn. Ondertussen trekt de leeuwin met haar geweldige hoektanden tussen twee halswervels de halswervelkolom en het ruggenmerg doormidden.
Spoedig komen met de rest van de groep ook de mannetjesleeuwen aan de beurt. Zij jagen zelf uiterst zelden. Eerder nemen ze de prooi af van een luipaard of hyena. Ze zijn groter en zwaarder dan de leeuwinnen. Door het gewicht van het lichaam ballen de wilskrachten zich sterker samen dan bij de vrouwtjesdieren. Deze zijn door de mindere massa beweeglijker en beter voor het jagen uitgerust. Voor de kracht van de mannelijke dieren wijken zij bij de buit terug, anders worden ze op niet zachtzinnige wijze verdrongen. Bovendien gaat het bij de buit vaak agressief toe. De leeuwinnen moeten de leeuwen voor laten gaan, de jongere dieren de vrouwtjes. Op het laatst komen de welpen. Onverbiddelijk heerst het emotioneel-agressieve wezen van de leeuw en het recht van de sterkere. De honger en de begeerte brengen de emoties in opwinding.
Eerst wordt het spiervlees gevreten. Sommige dieren nemen ook de inwendige organen. Alleen de maag blijft onaangeroerd. Men heeft vastgesteld dat een uitgehongerde leeuw tot 45 kilo vlees in een keer verslinden kan, een uitgehongerde leeuwin 30 kilo. Na het maal gaan de dieren vaak drinken uit een dichtbij gelegen rivier, een meer of een waterplas. Hier heerst dan de vredige stemming van het bevredigd zijn.

Na dit crescendo van emoties en hartstochten volgt dan weer een fase van behaaglijkheid, van ontspanning; deze afwisseling tussen de grootst mogelijke samenballing van krachten en emoties en het welbehagen in grootste ontspanning bepaalt met een hoeveelheid tussenfasen het leven van de leeuw.
Leeuwen jagen in verschillende gebieden op te onderscheiden tijden op een dag. Leven ze in een omgeving die door struiken goede dekking geeft, dan gaan ze vooral overdag op jacht; in open gebied vaker ‘s nachts. Ze kunnen in het duister uitstekend zien, hebben echter ook goede oren en een voortreffelijke neus. In de nachten waarin de maan niet schijnt is het jachtsucces groter dan in de door de maan hel verlichte. Wat de leeuw in het bijzonder in een jachtstemming brengt, is een dreigend onweer. De grandioze ontladingen in de atmosfeer brengen de emoties in de leeuw zo in opwinding dat hij zelfs meer dieren doodt dan hij voor zijn honger nodig heeft.

Het brullen van de leeuw
Tot de meest indrukwekkende uitingen van de leeuw behoort het brullen. ’s Avonds, voor of na zonsondergang verheft de leeuw zijn machtige stem. In ritmische opeenvolging slingert hij, in naar beneden gaande toonhoogte zijn klankenergie eruit. Het is als een vulkaanuitbarsting waarbij niet rook en lava, maar emoties de ruimte ingeslingerd worden. ‘Wanneer een geluid de betekenis van door merg en been gaand verdiend, dan is dit het gebrul van een leeuwengroep van dichtbij in de Afrikaanse wildernis bij nacht. Het diepe grommen doorklieft de nachtelijke stilte van de Afrikaanse savanne als een onaangekondigde donderslag. Komt het gebrul slechts vanaf een paar honderd meter, dan heeft men het gevoel dat de leeuwen vlak naast je staan. Men verwondert zich dat het tentzeil niet meetrilt en dat er geen dingen omvallen. [5]
Het brullen heeft een actieradius van ongeveer 16 kilometer.
In dit gebrul – bij de leeuwinnen komt het iets minder voor en niet zo erg sterk als bij de leeuwen, openbaart zich het emotionele geweld dat in deze dieren leeft, min of meer ontdoen ze zich van deze energie. En daardoor bevrijden ze zich wellicht tot op zekere hoogte, zoals ook de mens door een woede-uitbarsting zijn ziel opschoont. Het kan dus zijn dat de overeenkomstige energieën bij de andere grote katten, de tijger, de panter en de jaguar aan het organisme gebonden zijn. Hun bewegingen zijn ook meer door agressieve energie doortrokken; in het patroon van de vacht komt als in een beeld de inwendig vlammende of de samengebalde opwinding tot uitdrukking.
De leeuw is in zijn houding en beweging, ook in de kleur van zijn vel, veel rustiger. Kan hij als enige grote kat in een sociaal verband leven omdat hij brult? Wanneer men in het brullen de emotionele erupties beleeft, dan is men geneigd deze vraag positief te beantwoorden.

De groep
Het leven in de groep verloopt niet zo gelijkmatig als het, na het schetsen van het voorafgaande, lijkt. In een groep zijn er als regel twee of drie mannelijke dieren, vijf tot tien vrouwtjes en hun kleintjes. Noch bij de leeuwen, noch bij de leeuwinnen vindt men een rangorde zoals anders bij dieren die in verband samenleven. Bij deze koninklijke dieren heerst in beide groepen gelijkheid. Is bij een van de ruzies een leeuwin de verliezer, dan heeft dit geen gevolg voor het verdere samenleven. Bovendien, in de groep zijn de leeuwen de heersers, ook al zijn de leeuwinnen op veel terreinen  meer actief. De leeuwinnen vormen de meer stabiele kern van de groep. Veelal met tussenpozen van jaren probeert een nieuwe groep van jongere leeuwen de groep te veroveren. De indringers verdrijven na heftige, gewelddadige strijd, de dominanten tot dan toe. Nu moeten ze ook nog de vrouwtjes veroveren, die aanvankelijk de nieuwe heersers agressief terugwijzen. Pas na dagen van dramatische en wilde strijd wordt het weer rustiger. Nu hebben de leeuwen ook de jongste nakomelingen van de leeuwinnen gedood. De leeuwinnen hebben nu geen jongen meer te zogen en worden hitsig. De veroveraars hebben hun doel bereikt en stichten een nieuw tijdperk. Zo worden in een groep met langere tussenpozen korte fasen van het heftigste agressieve vechten afgewisseld door lange fasen van overwegend rustig samenleven.

Vóór de geboorte zondert een leeuwin zich af van de groep en zoekt een beschermde plek in de doornenstruiken, in het kreupelhout of in een grot. Daar worden na een draagtijd van 100 tot 116 dagen de jongen geboren, in de regel twee of drie, soms vier. In het begin zijn deze echt hulpeloos. De ogen gaan op z’n vroegst na een week open. Hun moeder voedt ze zes weken lang alleen met melk. Dan beginnen ze ook vlees te eten. Dan keert de leeuwin met haar jongen naar de groep terug. Ze is bij het kattenkwaad en de drukte van wat ze ondernemen geduldig en liefdevol. Ook de andere leeuwinnen gedragen zich zeer vriendelijk. De kleintjes mogen bij hen zelfs drinken, als ze zelf ook jongen hebben. Het echte leeuwenleven begint ongeveer in de vierde maand, wanneer de jongen de eerste hoektanden krijgen. Dan gaan ze als kleine onhandige sukkeltjes mee op jacht. Het actieve jagen begint pas wanneer de vaste tanden ongeveer op 1-jarige leeftijd doorbreken. De mannelijke nakomelingen leven iets meer dan drie jaar in de groep van hun moeder. Daarna struinen ze in kleine groepjes door de savanne en veroveren later eventueel een groep. Zes jaar oud bereikt de leeuw zijn volle grootte; dan hebben de mannelijke dieren ook manen.

Duidelijk doortrekt een wetmatigheid met vele variaties het leven der leeuwen. Een onderzoeker die verschillende tientallen jaren leeuwen in de verschillende streken van Afrika bestudeerd heeft, werpt in een van zijn boeken de vraag op: ‘agressief of verdraagzaam…?’
De leeuw is een dier met een groot spectrum wat zijn innerlijke leven aangaat. Dat gaat van volledig ontspannen zijn  en weldadige behaaglijkheid, over tederheid, gelatenheid en samengebalde rust tot aandoeningen van ontevredenheid die zich o.a uiten in gegrom, in woede en wilde agressie. En het leven van de leeuw is een ritme, een pendule die in voortdurende afwisseling dan eens naar de ene richting dan eens naar de andere uitslaat. Hoe is dit karakteristiek pulserende bestaan in het organisme van de leeuw verankerd?

Grandioze eenzijdigheid
We hebben er al op gewezen dat de ledematen van de leeuw een heel andere verhouding tot de romp hebben dan bij een paard. De benen van een paard zijn door de geïntensiveerde botvorming tot organen geworden, waarmee het dier zich intensief invoegt in de uiterlijke kracht van de zwaarte en de mechanica. Wat de spieren doen werkt geheel in dit krachtbereik. Men kan zeggen: in de bewegingsorganen zijn de botten het bepalende deel. Bij een leeuw worden de botten t.o.v. de spieren teruggehouden. Dat komt duidelijk tot uitdrukking in het aandeel dat de botten hebben in het totaalgewicht van het lichaam. Bij het paard bedraagt dit 20, bij de leeuw slechts 13 %. Zo bepaalt de inwendige beweeglijkheid van de musculatuur het voortdurende wisselspel van samentrekking en slapper worden, van spanning en ontspanning iedere fase van beweging en houding. Het beenderstelsel is zo beweeglijk dat daarin dit spel van afwisseling tot werkelijkheid kan worden. Een leeuw kan net als onze huiskat zijn rug krommen en ver doordrukken wanneer hij zich rekt en strekt. De geweldige sprongen in de laatste beslissende fase van de jacht zijn een snelle ritmische opeenvolging van intensieve contractie  en een zich snel voorwaarts strekken. Deze beweeglijkheid is de voorwaarde voor het zich kunnen uitleven van het rijke spectrum aan innerlijke belevingen. Om de bewegingen, de houdingen en de posities van het liggen te begrijpen, moet men dus niet naar het beenderstelsel en de uiterlijke kracht kijken.

Het spierstelsell staat ook met de inwendige organen in verbinding, boven alles met het stofwisselingsysteem. Het bloed is niet alleen verantwoordelijk voor de doorademing en voeding van de spieren. In het slagaderlijk deel van het circulatiesysteem wordt dit gepulseerd door het ritme van het hart. En dit is nauw met het ademen verbonden. Bij de leeuw heerst een bijzondere harmonie tussen deze beide ritmen. In rust, zonder opwinding, ademt de volwassen leeuw 10 keer per minuut in en uit, het hart klopt 40 keer [7], het pols-ademquotiënt is dus 4.
Ook andere feiten wijzen erop dat de ritmisch pulserende organen in het organisme van de leeuw een bijzondere betekenis hebben. Het aandeel van de longen in het totale gewicht bedraagt bij het paard 0,7 %, bij het rund 0,72 %. Bij de leeuw is dit 2,12% hoger dan bij bijna alle zoogdieren. [8] Ook het hart is met 0,54 % [9 ] gezien zijn grootte goed gevormd.

Deze organen begrijpt men niet volledig wanneer men ze alleen maar fysiologisch bekijkt. De ritmen van hart en longen kunnen sterk afwijken in frequentie en amplitude. Zulke afwijkingen treden echter niet op als gevolg van lichamelijke activiteit en rust. De opwinding in de ziel manifesteert zich meteen in een sneller worden van pols en adem; bij de overgang naar innerlijke ontspanning en behaaglijk welbevinden worden pols en adem langzamer en vlakker, bij hartstochtelijke gevoelens sneller en dieper. Longen en hart zijn die organen waarin de mens zijn gevoelens, zijn emoties en hartstochten beleeft. Ze leven in de modulatie van adem en pols. Zo wordt een belangrijk feit en de samenhang duidelijk. De kracht en het innerlijke spectrum van emoties en hartstochten van de leeuw staan in verbinding met de buitengewoon sterke vorming van zijn longen en zijn goed ontwikkelde hart. Ze werken in het op en neer gaan van adem en hartslag. Wat innerlijk in het ademen op en neer golft, kan in het brullen naar buiten dringen. Wat in de hartslag aan zielenkrachten vibreert, doordringt het lichaam van de leeuw tot in de spieren. Men kan zonder een zweem van metaforisch spreken zeggen: bij de leeuw grijpt het innerlijke leven van long en hart het hele dier. Wanneer de emotionele krachten met de hartslag in de stofwisselingsorganen die bij de leeuw echt niet zoveel betekenen [10], opleven, dan wordt de honger tot een dwingende, hartstochtelijke begeerte. En de zebra’s, gnoes of antilopen die de leeuw eerst nog nauwelijks waargenomen heeft, worden nu voorwerpen waarmee hij deze brandende begeerde bevredigen moet.

Echt indrukwekkend uit het rijke innerlijke leven zich in de kop van de leeuw, met name het aangezicht. Er zijn studies van uitdrukkingen die tonen hoe het leeuwengelaat een buitengewoon levendige spiegel is van de innerlijke belevingen.
Zoals in het brullen, spinnen en grommen dringt het innerlijk naar buiten en wordt zichtbaar. En de manen van de leeuw vertonen in een geïntensiveerde haarvorming als een uiterlijk teken, dat tussen romp en kop innerlijke krachten in de uiterlijke verschijningsvorm dringen.

Ook aan de schedel manifesteert zich het wezen leeuw. De kaken zijn zoals aan de romp de ledematen, tamelijk kort. De spieren echter krachtig. Een leeuwin kan met de bek een zebra die ze te pakken heeft een heel stuk wegslepen. Aan de plastische bouw van de onderkaak kan men zien hoe sterk de spieren zijn die hier zitten. De hartstochtelijke agressie in het doden en opvreten wordt in de vorm van geweldige hoektanden als in een verstard gebaar zichtbaar. Die wordt ook zichtbaar in de smalle achterkiezen met de puntige knobbels. Bijzonder groot is aan de kop dat deel gevormd dat staat voor de borstholte met de longen en het hart, nl. de neusholte.

dierkunde leeuw 3

schedel van een volwassen leeuw (uit Kahn, overzicht van de dierkunde (Duits)

Zo kan het duidelijk worden wat R .Steiner met de uitspraak dat de leeuw de ‘eenzijdige uitwerking is van in het bijzonder de borstholte’ bedoelt. Zo’n formulering moet men niet banaal of oppervlakkig nemen. Ze is het  geconcentreerde resultaat van een diepgaand onderzoek. Dringt men met zijn denken en fantasie door in het bijzondere karakter van de verschillende vormen en uitingen, dan ontdekt men hoe daarin de in het borstorganisme werkende krachten tot uitdrukking komen. Men ziet en beleeft de leeuw echter als daarvoor; men begrijpt hoe hij in zijn wezen en zijn organisme eenzijdig is – maar wel op grandioze wijze.

[1]In GA 301
[
2]Erster Entwurf einer allgemeinen Einleitung in die vergleichende Anatomie, ausgehend von der Osteologie, in ‘Goethes Naturwissenschaftliche Schriften’ Steiner, Dornach 1975
[3]Grundlinien einer Erkenntnistheorie der Goethe’schen Weltanschauung,
GA 2 1979
[4]Het dier tussen mens en kosmos, F.H.Julius, 1970 (Duits)
[5]Het boek van de leeuwen, W. en  H.Hagen 1992 (Duits)
6 ontbreekt
[7]Biologie in getallen, R.Flindt, (blz. 82, 66) 1985 (Duits)
[8]Flindt, blz 80
[9]Handboek van de biologie, Gessner, (blz 992), 1977
[10]De darm is gemiddeld 6,9 m lang. De relatieve darmlente (de verhouding van darmlengte tot lichaamslengte) bedraagt slechts 3,9 m, bij het paard 12 en bij het rund 22 tot 29 m, Flindt, (blz. 44 en 45)

 

dierkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld4e klas: leeuw   

 

216-204

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

Advertenties

11 Reacties op “VRIJESCHOOL – Dierkunde 4e klas (1-1)

  1. Pingback: DIERKUNDE – Alle artikelen | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2) | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: Antroposofische indoctrinatie in het vrijeschoolonderwijs? (2) | steinerscholen.com gefocust

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – DIERKUNDE – 4e klas (7) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – STEINER OVER DIERKUNDE (6) | VRIJESCHOOL

  6. Pingback: VRUJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – ritme (3/2) | VRIJESCHOOL

  7. Pingback: Ramon de Jonghe/Verachtert als dummy | steinerscholen.com gefocust

  8. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 303) | VRIJESCHOOL

  9. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 306) | VRIJESCHOOL

  10. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 308) | VRIJESCHOOL

  11. Pingback: VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over dierkunde (GA 309) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s