Categorie archief: ontwikkelingsfasen

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen

.

En morgen gezond weer op

Behalve uitrusten en groeien, gebeurt er nog meer in de slaap van een kind: hij leert. De indrukken die hij overdag opnam bergt hij ’s nachts op in zijn lichaam. Daarmee kan hij de volgende ochtend weer een beetje meer dan de dag ervoor. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel vertelt over de betekenis van de slaap voor een klein kind.

Als ik een rozige zuigeling met zijn handjes naast z’n hoofd in diepe rust zie, word ik meestal stil en eerbiedig. Zo’n kind is een toonbeeld van gezondheid. Als ik een kleuter in een nachtmerrie zie, zwetend, roepend, niets ziende en angstig, moet ik oppassen niet ongerust te worden. Bij dit kind weet ik zo net nog niet of het op dit moment met z’n gezondheid bezig is. Slaap heeft veel aspecten. De slaap van een zuigeling is anders dan die van een kleuter of een schoolkind. De slaap na een boswandeling is anders dan die na een spannende film. Hoe ontwikkelt de slaap zich eigenlijk? Waarvoor is slaap nodig? Waardoor wordt het slapen gestoord en wat kun je doen aan slaapproblemen?

Ontwikkeling van de slaap

Een schoolkind slaapt normaal gesproken elf uur, een kind van een jaar of twee twaalf uur en een pasgeborene zestien uur per dag. Logisch: een baby moet vooral groeien, heeft nog maar weinig waar te nemen en nog niets met z’n verstand te snappen. Maar er is meer aan de hand. Slapen is namelijk een door en door ritmisch proces. Als een kind ter wereld komt, kan het nog niet slapen. Dat moet het, hoe vreemd dat misschien ook klinkt, nog leren. Door in een slaapritme te komen wordt het aardeburger, mens onder de mensen. Dat wordt het natuurlijk ook door andere invloeden als voeding, warmte, koude, gezelligheid, geluiden, liefdevolle bejegening enzovoort. Maar door de afwisseling tussen slapen en waken leert het geleidelijk om in een 24-uursritme te komen. Het allereerste ritme ontstaat na zes tot acht weken. Het is dan echter nog geen 24-uursritme maar een ritme dat zich uitstrekt over een periode van 25 uur. Daardoor verschuiven de slaaptijden en wordt een baby, die eerst om vijf uur wakker werd, een dag later om zes uur en weer een dag later om zeven uur wakker. Langzaam maar zeker verschuiven de slaaptijden en pas met een maand of drie komt een 24-uursritme tot stand, in het eerste levensjaar is er behalve de nachtslaap nog een ochtend- en een middagslaap. Het tweedejaar alleen nog een middagslaapje. In deze eerste twee jaren maakt het nog niet zoveel uit of het donker is in het slaapvertrek. Het kind slaapt toch wel. Maar daarna komt de tijd dat het wel degelijk scheelt of de gordijnen dicht zijn of niet. Dat betekent dat de slaap mede wordt bepaald door het licht, door de zon. Vanaf dat moment kan bijvoorbeeld het begin van de zomertijd het ritme grondig verstoren. Een kind kan zich verbinden met de aarde doordat het tot in zijn slaap-waakritme wordt beïnvloed door de zon. Bij mensen die in een onderzeeër of anderszins in het duister leven, verdwijnt het 24-uursritme al snel en daar komt het ‘oude’ 25-uursritme weer voor in de plaats.

REM-slaap

Nog belangrijker dan het aantal slaapuren is het ritmische verloop van de slaapperiode. Het slapen kent, net als het waken, verschillende stadia. De diepte van de slaap wordt uitgedrukt in vier stadia die op een EEG zijn te onderscheiden. Het belangrijkste is misschien wel de zogeheten REM-fase. Zo’n fase maakt een mens verschillende keren per nacht door. Dan wordt er heftig gedroomd, allerlei orgaanfuncties draaien op volle toeren en de ogen bewegen snel heen en weer (Rapid Eye Movement). Deze REM-fasen zijn van levensbelang want ze spelen een essentiële rol in de informatieverwerking en in de leerprocessen. Ondertussen weet de slaper natuurlijk van niets, hij is bij wijze van spreken bewusteloos.

Zuigelingen besteden de helft van hun slaap, dus een derde van de dag, aan REM-slaap. In die tijd zijn ze dus niet alleen aan het groeien maar ook aan het leren. Rond het derde jaar beslaat de REM-slaap nog 25% van de slaaptijd en in de schooltijd zo’n 20 procent.

Na de voorbereiding in andere stadia van de slaap, worden in de REM-slaap de ervaringen van de dag ingebouwd in de organische processen. Ze worden als het ware lijfelijk. Je kunt ook zeggen: ze komen in het geheugen. En zo is het ook: er is een directe relatie tussen de REM-slaap en het geheugen.

Waarvoor is slaap nodig?

Tijdens de slaap rust het lichaam uit van de vermoeienissen van de dag. Wat overdag wordt afgebroken, wordt ’s nachts weer hersteld. Is het kind dan ’s morgens weer de oude? Absoluut niet! Want als het goed is hebben de biologische processen van de slaap ervoor gezorgd dat de indrukken van de dag het lichaam ’s nachts ook hebben veranderd, ’s Morgens wordt iemand anders wakker dan hij de avond ervoor naar bed is gegaan. Natuurlijk zijn dat maar hele kleine veranderingen, maar bij kleine kinderen zijn ze goed waarneembaar.

Welke dingen bijdragen tot die veranderingen van het lichaam, het geheugen en de vermogens van het kind, hangt af van de leeftijd en de indrukken die het kind meekrijgt. Een baby maakt heel veel mee, zij het nog grotendeels onbewust Maar ook die onbewuste ervaringen zijn van grote betekenis.( In de nacht beïnvloeden ze de leerprocessen van het lichaam die eveneens onbewust tot stand komen. Een schoolkind of een puber is al veel bewuster (mede)mens geworden. Hij neemt ook de ervaringen die hij overdag opdoet in de omgang met anderen ’s nachts mee in de verwerkingsfasen van de slaap. Daar beïnvloeden ze de psychische leerprocessen. Ze dragen bij aan de vorming van zijn belevingswereld, zijn opvattingen en zijn stemmingen. Een volwassene staat overdag zo bewust in het leven, dat hij ’s nachts echt tot inzicht kan komen. Hij kan over een problemen ‘een nachtje slapen’ en de volgende ochtend met de oplossing wakker worden.

Wat stoort de slaap?

Een kind kan hinder hebben van zwaar verteerbaar eten, buikkrampjes, koorts, pijn of andere fysieke hindernissen. Maar ook minder lichamelijke zaken kunnen de nachtrust bederven. Veel kinderen slapen onrustig als hun ouders niet in huis zijn, als ze de volgende dag jarig zijn of als Sinterklaas in aantocht is. Kennelijk zijn er niet-fysieke invloeden die van buitenaf op de slaap werken. In het algemeen kun je zeggen dat alle slaapproblemen eigenlijk waakproblemen zijn. Als er overdag een goede afwisseling is tussen activiteit en ontspanning, tussen druk-doen en rustig zijn, tussen op-je-hoede-zijn en laten-vieren, tussen eten en een lege maag, dan zal het ritme van de slaap de indrukken wel opvangen en verwerken. De indrukken die een kind overdag opdoet, nemen daarbij een belangrijke plaats in. Voor het kleine kind zijn zintuigprikkels al gauw te veel. Daar heeft het dan ’s nachts last van.

Wat kun je doen aan slaapproblemen?

Bij ieder slaapprobleem kun je ervan uitgaan dat het ritme moet worden benadrukt. Probeer daarnaast de situatie voor het kind zo veilig mogelijk te maken. Bouw ’s avonds de dag af door op de rand van het bed op de dag terug te kijken en de onopgeloste zorgen van je kind in beheer te nemen tot de volgende ochtend. Misschien wil hij graag een lichtje aan of de lamp op de overloop. Of geeft dat juist enge schaduwen? Zijn er akelige geluiden en griezels in de kamer? Laat je kind vertellen wat het meemaakt, hoor het aan en geef geruststellend commentaar. Ontken het niet, want dan lijkt het alsof je je kind niet gelooft. Ga er ook niet in mee: dan raakt hij zijn houvast in de realiteit kwijt. Want dat ben je als ouder voor je kind: zijn toetssteen voor de dagelijkse, aardse werkelijkheid.
’s Nachts kun je dat niet meer zijn. Dan schept het kind zijn eigen, nieuwe werkelijkheid.
.
Edmund Schoorel, arts. Weleda Puur Kind 6, herfst 2000
.

Edmond Schoorelboeken

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-5)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Samen een zintuig voor warmte ontwikkelen

Warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in het leven van een kind. Vanzelfsprekend, zou je zeggen, maar in de praktijk blijkt het uitzoeken van de juiste wandelwagen of een goede school voor je kind vaak meer aandacht te krijgen dan het kiezen van warme kleren. Kinderen hebben veel warmte nodig om goed te kunnen groeien. En omdat ze zelf nog niet zo goed kunnen voelen of ze het koud hebben, zullen wij dat voor hen moeten doen. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel vertelt waarop je bij je kind moet letten als je wilt weten of hij het wel warm genoeg heeft.

Heel wat problemen met baby’s en kleine kinderen die op het spreekuur van de huisarts belanden, zijn eigenlijk terug te voeren op het niet goed verzorgen van de grote behoefte aan warmte die ze hebben. Ik word als dokter wel eens voor ouderwets versleten als ik ouders aanraad hun kind een wollen hemd en onderbroek aan te trekken. Maar op termijn – en die is vaak korter dan je denkt – merk je als je je kind goed warm houdt dat allerlei gekwakkel en vage pijntjes afnemen of verdwijnen. Maar warmte geven is meer dan de zorg voor wollen ondergoed of een kruik in de wieg.

Enthousiasme

Je lichaam functioneert het beste bij een temperatuur van rond de 37 graden. Bij infecties wordt de temperatuur hoger en spreek je van koorts. De warmte varieert met het welbevinden: hoe beter je in je vel zit, hoe constanter en dichter bij de 37 graden je lichaamstemperatuur is. Temperatuur is de maat voor je gezondheid en weerstand, dus voor je vermogen om bacteriën en virussen die niet in je lijf thuis horen te weren. En koorts is het moedwillig verhogen van de warmte om indringers te vernietigen. Het is een uitdrukking van het lichaam dat het weet hoe het hoort.

Maar warmte doet meer. Substanties kunnen er door veranderen: van gedaante of kleur, zoals kaarsvet dat smelt of je huid die bruin wordt onder invloed van de zonnewarmte. Het belangrijkste is echter misschien wel dat warmte het vermogen heeft om alles in beweging te brengen. Water gaat borrelen, kwik zet uit en mensen zetten als het plotseling mooi weer wordt de ramen en deuren open of gaan buiten lopen genieten van de zon. Dus niet alleen substanties komen in beweging door warmte, maar de ziel ook.
Enthousiasme, beweeglijkheid van de ziel, ontstaat als je ergens warm voor loopt.

Op het lijf geschreven

Warmte heeft dus vele gedaantes: lichaamstemperatuur, weerstand, vermogen tot verandering, beweging, differentiatie, enthousiasme. Al die begrippen zijn een klein kind letterlijk op het lijf geschreven. Alles aan zijn lichaampje is in beweging, verandert, verfijnt en differentieert. In de eerste jaren is een kind eigenlijk voortdurend bezig zich thuis te gaan voelen in zijn lichaam. Het vormt, op basis van het erfelijk materiaal dat het van zijn ouders meekrijgt, een eigen lijfje dat als gegoten zit. Het wordt dan een veilige basis waarmee het de wereld in kan om contact te maken met zijn medemensen en van alles te leren en tot stand te brengen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het kind werkt er heel hard aan om in zijn lichaam thuis te raken en het moet daarbij worden geholpen. Dat laatste is essentieel, want je kind heeft het voor zijn ontwikkeling nodig dat je als ouders meeleeft en meedoet, kortom, dat je voorbeelden geeft die hij innerlijk en uiterlijk kan nabootsen.

Nabootsen: meer dan imiteren

Vanaf de geboorte bezit een kind dat vermogen tot nabootsen. Nabootsen wil zeggen dat je iets waarneemt en in staat bent dat op je eigen wijze weer naar buiten te brengen. Dat is net zoiets als een pianist die een muziekstuk waarneemt, daar zo zijn eigen overwegingen bij heeft en het vervolgens op strikt persoonlijke wijze ten gehore brengt. Een klein kind ziet zijn ouders bewegen en lopen en hoort hen spreken. Hij neemt dat in zich op en ontwikkelt aan de hand daarvan zijn eigen manier van lopen, bewegen en spreken.

Nabootsen is meer dan imiteren omdat het veel diepgaander is. Imitatie is gebonden aan één onderwerp. Denk maar aan de soundmixshow waarbij iemand laat zien hoe hij één liedje van één artiest kan nadoen.

Nabootsen heeft meer te maken met een zangopleiding die je in staat stelt in principe alles te kunnen zingen. Vaardigheden die je als kind op fysiek niveau hebt verworven, vormen in het latere leven de basis voor het ontwikkelen van psychische en sociale vermogens. Zo kun je je, doordat je als klein kind hebt leren staan en lopen, later min of meer onafhankelijk opstellen tegenover de wereld om je heen. Je kunt een eigen ‘standpunt’ innemen omdat je hebt geleerd wat afstand nemen is. De ontwikkeling van lichamelijke vaardigheden in de kindertijd vormt zo bezien het uitgangspunt voor het hele verdere leven. En warmte speelt op allerlei manieren een belangrijke rol in die ontwikkeling.

Zintuig voor warmte

Kruiken, omslagdoeken, warm drinken, wollen kleertjes en een warm bad hebben maar een doel: het kind net zolang warm houden tot het dat zelf kan. Het wachten is op het moment dat hij zoveel warmte heeft ervaren, dat hij voor ‘home made’ warmte kan zorgen en zichzelf op temperatuur kan houden. Het lichaam van het kleine kind leert hoe het warmte kan hanteren om gezond te worden en te blijven, groeiprocessen te ondersteunen en te herkennen wat de eigen warmte bedreigt. Om dat te kunnen leren heeft hij een gevoeligheid nodig die je het ‘warmtezintuig’ zou kunnen noemen. Hij ervaart een stuk ijs als koud omdat zijn eigen warmte erin wegvloeit. Een glas thee voelt heet omdat er vreemde warmte bij hem binnen dreigt te komen met alle gevolgen van dien. Door al dit soort ervaringen ontstaat zijn warmtezintuig en gaat hij als het ware innerlijk met zijn ervaringen mee bewegen. Zoals het zien lopen op een bepaald moment de drang doet ontstaan om dat ook te doen, zo is het waarnemen van warmte van buitenaf aanleiding tot het vormen van eigen warmte.

Plannen maken

Met hetzelfde warmtezintuig kan hij later in zijn leven ook warmte in overdrachtelijke zin herkennen en hanteren. Zijn warmtezin wordt dan gevoed door een enthousiaste leerkracht, een meeslepende popheld of een boeiende schrijver. Je zou ook van een enthousiasmezintuig kunnen spreken. Enthousiasme heeft veel te maken met plannen maken, met iets willen. Het is voor een zinvol leven belangrijk dat je zoveel mogelijk doet wat je wilt, dat je contacten legt die iets voor je kunnen betekenen en de stappen zet die nodig zijn om dat wat je met je leven van plan bent te realiseren. Dat is voor een klein kind nog ver weg, maar in de kiem is het toch al aanwezig in zijn worsteling om een werkzame relatie op te bouwen met zijn lichaamstemperatuur.

Evenwicht

Als ouders kun je aan de ontwikkeling van het warmtezintuig werkelijk bijdragen als je je realiseert dat een klein kind gediend is met kwaliteit, zeker waar het warmte betreft, want het kan niet meer nabootsen dan het krijgt aangeboden. Het is echt geen overbodige luxe om voor de kleding van je baby, peuter of kleuter natuurlijke materialen als wol, zijde en katoen te gebruiken en op de kwaliteit van de voeding te letten. Maar ook in de verzorging moet het kleine kind warmte voelen. Het is kou lijden als het plichtmatig wordt verschoond of even snel gevoed. Het moet kunnen ervaren dat je vanuit een bepaalde betrokkenheid met zijn opvoeding bezig bent. Ook aandacht, bijvoorbeeld als het kind ziek is, kan koud of warm zijn. Een kind wordt niet beter van een ouder die zich alleen maar zorgen maakt, maar ook niet van eentje die overloopt van vertrouwen in het idee dat ziek zijn nuttig en noodzakelijk is voor kleine kinderen. Het gaat om het vinden van het goede evenwicht. Dat vraagt nogal wat van je als ouder. Je moet vaak heel wat in jezelf opzij zetten om te willen inzien wat nodig is voor je kind. Maar je kunt daarbij wel merken dat jouw warmtezin ook nog steeds in beweging is en zich ontwikkelt en verfijnt.

En het is heel waarschijnlijk dat je dat aan het opvoeden van je kind, met alle problemen die daarbij horen, te danken hebt. Want het zintuig voor de kwaliteit van de warmte kan zich juist door de warme band die er tussen jou en je kind bestaat ontplooien. Opvoeden en warmte ontwikkelen gaan dan hand in hand.

.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
.

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

 

1533

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (16-1)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.
.

De kostbare kant van angstige en onrustige kinderen

We kennen ze allemaal wel, de angstige vogeltjes, de overactieve branieschoppers, de verdrietige tobbertjes.

Het zijn kinderen die je vaak een gevoel van onmacht bezorgen omdat niet duidelijk is waar de angst, de koppigheid of de onrust vandaan komen. Opvoedingsdeskundige Henning Köhler leert je begrijpen wat er eigenlijk in je kind omgaat als het bang of boos is.
Een gesprek met een bevlogen kinderpsycholoog die uit eigen ervaring weet wat het is om een probleemkind te zijn.

Als kind voelde ik me een buitenstaander en het idee dat ik anders was dan ik eigenlijk had moeten zijn, heeft zich toen al heel diep in me genesteld.’

Henning Köhler vertelt met zijn diepe basstem hoe hij in aanraking kwam met drugs en van zijn veertiende tot zijn achttiende voortdurend op de rand van de afgrond leefde. Tot hij een jeugdpsycholoog ontmoette, een wat oudere man met sneeuwwit, lang haar.

‘Hij schreef aan mijn ouders dat ik bijna in het moeras zou wegzakken, maar er met goudkorrels uit te voorschijn zou komen als ze mij mezelf lieten zijn. Die zin ben ik mijn leven lang niet meer vergeten. Als in een flits begreep ik wat een vertrouwen deze man in me had. Op datzelfde ogenblik besloot ik dat ik later, als ik er doorheen zou komen, voor jonge mensen ook zo iemand wilde zijn.’

Henning Köhler werd inderdaad kinderpsycholoog, werkt momenteel in Stuttgart als opvoedingsdeskundige en schrijft boeken over de problemen bij pubers (verslaving en anorexia) en jonge kinderen die hij uit eigen ervaring zo goed kent. In zijn boek ‘Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen’ geeft hij een ongewone visie op de ‘binnenkant’ van onrustig of nerveus gedrag bij kinderen. In liefdevolle, soms hartverscheurende beelden zet hij ze voor je neer: het angstige, schuwe, zich weerloos voelende kind dat zich eigenlijk altijd een beetje ziek voelt en voortdurend troost en aandacht vraagt; maar ook het onrustige kind dat zo ontevreden is met zichzelf dat het zich waardeloos gaat voelen – voortdurend bevestigt het in zijn gedrag al het negatieve dat er over hem wordt gedacht.

Köhler legt de keerzijde bloot van het lastige, vaak ook irriterende gedrag zonder in kant-en-klare oplossingen terecht te komen. ‘Want wat heb je eraan als ik zeg dat je lastige kind eigenlijk angstig is en ik je vervolgens vertel hoe je hem moet opvoeden? Zo’n preek nestelt zich in je hoofd, maar er verandert verder niets. Het werkt veel beter als je zelf op ideeën komt voor het omgaan met die problemen.’

Beelden vormen
Naast de bekommernis die Köhler in zijn boek toont voor het kind, valt het respect op dat hij voor ouders heeft. Hij geeft je het vertrouwen dat je als ouder de beste therapeut, dat wil zeggen de beste helpende begeleider bent voor je kind. Hij geeft je ook het materiaal in handen waarmee je kunt leren zien welke hulp jouw kind nodig heeft. Een ding stelt hij daarbij voorop, namelijk dat er een manier is om inzicht te krijgen in het gedrag van je kind die verder reikt dan het verstandelijk begrijpen.

Köhler: ‘Dat inzicht vormt zich als je je ’s avonds voor het inslapen van je kind een beeld van hem vormt. Als je je voorstelt dat je bij hem naar binnen kunt kijken, dan kan het gebeuren dat je een trillend klein vogeltje ziet, dat in paniek in zijn kooi rondfladdert.
En wanneer je regelmatig met zo’n beeld inslaapt, merk je dat je vragen begint stellen die nooit eerder bij je opkwamen. Je trekt daaruit, meestal eerst onbewust, conclusies voor je gedrag. Je gaat zachter tegen hem spreken, of je let erop dat hij niet in al te drukke situaties terechtkomt. Of misschien vind je dat hij andere voeding nodig heeft. Je boort als het ware een diep verborgen bron van wijsheid aan waar je ’s nachts directer toegang toe hebt.’

Kohler heeft een beeld voor het fenomeen dat je ’s nachts antwoord krijgt op vragen waar je overdag tevergeefs mee rondliep. Hij beschrijft het als een ontmoeting in de slaap met de engel van je kind. ‘Eigenlijk kent iedereen dat
verschijnsel wel. Dat is absoluut niet theoretisch en je kunt er onmiddellijk mee aan het werk in de omgang met je kind. Je ziet het alleen al aan de stortvloed van schrille geluiden en felle kleuren waaraan een baby direct na de geboorte bloot staat en die als vergif op hem inwerken. Zo’n teer wezen met zulke gevoelige zintuigen zou dat helemaal niet overleven als het niet werd beschermd door iets dat die indrukken terugwijst. Dat is volgens mij het werk van de engel. Op het moment dat je kind is geboren, neem je als ouder de opvoedingstaak op je, maar vanaf de andere zijde gaat de begeleiding ook verder.’

Drie basisvoorwaarden
Köhler noemt drie basisvoorwaarden voor het gezond opgroeien van kinderen: het bieden van begeleiding, troost en bescherming. En dan vooral bescherming van het ‘geheim’ dat een kind in zich draagt.

Köhler: ‘In de samenleving van nu overheerst de gedachte dat een kind ter wereld komt als een biologisch celklompje met een erfelijke uitrusting en zonder geestelijke kern. Maar er is ook een stroom die het eigene van ieder mens, zijn individualiteit, erkent. Zo bezien brengt iedereen een heel bepaalde impuls om iets te realiseren met zich mee. Dus ieder kind dat wordt geboren draagt zijn eigen levensthema, zijn zoekrichting en zijn vragen in zich. Dat is het geheim dat moet worden ontdekt. Essentieel voor de opvoeding is het inzicht dat dit geheim niet te voorschijn kan komen als een ander mens het niet waarneemt. In die zin hangt het aandachtig observeren van je kind nauw samen met het waarnemen van wat ik ook wel de “lotsmelodie” noem. De engel kun je beschouwen als de begeleider van die lotsmelodie.’

Volgens Köhler kun je de hulp van de engel, of, als je moeite hebt met dat begrip, van de innerlijke wijsheid die in ieder mens leeft, versterken door ervoor te zorgen dat je kind zich goed voelt in het lichaam waarmee hij de wereld waarneemt. Daarin speelt het zorgen voor goed ontwikkelde zintuigen een grote rol.

Zintuigen
Over zintuigen gaat een groot deel van Köhlers boek. Hij gaat daarbij niet uit van vijf maar van twaalf zintuigen. Ten eerste de zintuigen die met het lichamelijke beleven te maken hebben, ten tweede de zintuigen die de verbinding leggen met je gevoel en ten derde de zintuigen die samenhangen met het denken. Door een goede ontwikkeling van met name de lichaamszintuigen, dat wil zeggen de zintuigen waarmee je jezelf waarneemt, schep je de voorwaarde voor een gezonde basis waarmee je kind later de wereld in kan. Köhler schetst hoe bij elk van de problemen als angst, onrust en verdriet bij kinderen een van die lichaamszintuigen in het geding is. Zo heeft een onrustig kind extra zorg nodig voor de ‘levenszin’, het zintuig waarmee je je lichamelijk welbehagen waarneemt. De levenszin is een zintuig dat werkt vanaf het moment dat je baby geboren is, maar het moet dan nog wel worden gevormd. Dat doe je door lichamelijke verzorging, door lichaamscontact, voeding, warmte en vooral ritme.

Bij een goed ontwikkelde levenszin ontstaat bij het kind een onbewuste grondstemming dat het leven goed is. Een onrustig kind heeft veel extra zorg voor dit zintuig nodig.

Bij angstige, overgevoelige kinderen is het vooral de tastzin die aandacht nodig heeft. Het is het zintuig waarmee je de buitenwereld het meest direct waarneemt. De tastzin zit namelijk niet alleen in je vingertoppen maar in de hele huid die het lichaam omsluit. Innerlijk resoneer je mee met alles wat je huid voelt. Angstige kinderen hebben de behoefte om door zachte, behoedzame aanraking wat meer durf te leren krijgen om de verbinding met de wereld aan te gaan.

Het verdrietige kind heeft vaak eerder een bewegingsprobleem. Door lichamelijk beter te bewegen kan het leren ook innerlijk beweeglijker te worden. De ontplooiing van deze ‘bewegingszin’ hangt nauw samen met de ontwikkeling van de ‘evenwichtszin’, omdat je bij alle bewegingen die je maakt voortdurend ook bezig bent om je balans te zoeken.

Hoe beter al deze zintuigen zijn ontwikkeld, hoe beter een kind zich in zijn lichaam thuis zal voelen. ‘Maar,’ zo zegt Köhler, ‘als je kind om welke reden dan ook niet goed in zijn vel zit, is het natuurlijk niet zo dat je daar als ouders meteen schuldig aan zou zijn. Het is waar dat je zoveel mogelijk moet doen om je kind te helpen bij het realiseren van zijn levensmotief. Maar je mag het niet zomaar omdraaien en zeggen dat het de schuld van de ouders is als een kind problemen heeft. Je moet nooit vergeten dat een kind meer is dan alleen het product van de opvoeding. Als je er werkelijk naar verlangt je kind te begrijpen, heeft dat altijd een positieve werking. Alleen al het leerproces geeft je kracht, ook als het met fouten gepaard gaat.’

Waardering tonen
‘Ik ben er diep van overtuigd dat steeds meer kinderen in hun lotsmelodie iets meebrengen dat ons als ouders wakker moet schudden. Angst bijvoorbeeld is niet alleen maar negatief. Kinderen ontwikkelen er ook een grote gevoeligheid in de omgang met anderen door. Hun angst doet dus een appèl aan je om te zien dat er misschien weinig plaats is voor een bepaalde kwaliteit die ze meebrachten, maar dat deze desondanks kostbaar is.
Als we weigeren die kostbare kant te zien, neemt de angst toe. Gedragsproblemen hebben altijd een andere zijde. Probeer daarom niet om kinderen met afwijkend gedrag onmiddellijk te normaliseren. Het eerste wat je zou moeten zeggen is: zoals je bent, zo wil ik je leren kennen. En we zullen wel bekijken hoe we er samen het beste van kunnen maken.

Als je er werkelijk het beste van wilt maken, zul je rekening moeten houden met drie rechten die het kind heeft. In de eerste plaats het recht op begeleiding bij de ontwikkeling van zijn zintuigen. Ten tweede het recht op een harmonieuze lichamelijke ontwikkeling waarbij het zijn krachten op een zinvolle manier kan inzetten. Je zou het ook het recht op creativiteit kunnen noemen. Een kind heeft de behoefte zich uit te drukken in spel, beweging, boetseren, schilderen. Het derde recht is het recht op waardering, Dat treed je met voeten als je een kind  met een analytische blik bekijkt en alleen ziet wat er verkeerd aan hem is.’

Köhler realiseert zich dat er een gevaar verbonden is aan zijn oproep het kind waardering te tonen. Dat gevaar is dat je je kind gaat idealiseren en terechtkomt in illusies. ‘Als je je eigen wensen op je kind projecteert, zie je niet het kind maar datgene wat jij wilt dat het zal worden. Maar wat er uit ons kind wordt, gaat ons helemaal niet aan. Eigenlijk dienen wij alleen de voorwaarden te scheppen waarbinnen het zichzelf kan opvoeden. Dat lijkt een anti-autoritaire uitspraak maar is het niet. De voorstanders van de anti-autoritaire opvoeding hebben namelijk over het hoofd gezien dat een kind niet kan opgroeien zonder dat het aandachtig wordt gadegeslagen en beschermd. Want het is absoluut niet de bedoeling dat wij koffie gaan drinken terwijl de kinderen zichzelf opvoeden!’
.

Petra Weeda, Weleda Puur Kind nr.2, herfst 1998

Köhler:  Over angstige, verdrietige en onrustige kinderen

Petra Weedaboeken

Weledavoor de baby

 

Opvoedingsvragenalle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Zintuigen: alle artikelen

.

1511

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – De ontwikkeling van het jongere kind (1-4)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

.

Babymassage

Toen onze* kinderen werden geboren, was babymassage in de verzorging van zuigelingen nog een betrekkelijk onbekend fenomeen. Mijn baby’s hebben die vorm van verzorging dan ook moeten ontberen. Dat me dat met terugwerkende kracht spijt, is geheel de verdienste van Julia Woodfield, auteur van het boek

Babymassage – Wat je zelf kunt doen voor het welzijn van je kind.

Deze spijt ontstaat niet alleen door de foto’s van een verrukkelijke baby – met een ouderwets opgekamd donker kuifje en mollig lijfje – die we gedurende een volledige massagebehandeling kunnen volgen. Want ook al kun je de ‘troost, bemoediging en liefde schenkende handen’ volgen vanaf de eerste aanraking van het buikje tot aan de teentjes, vingertjes, wangetjes en oortjes, het praktisch aanschouwelijke gedeelte neemt in het boek in feite maar betrekkelijk weinig plaats in beslag.

Babymassage is vooral een zorgvuldig opgezet boek over alles wat met het krijgen van kinderen te maken heeft. Julia Woodfield overtuigt doordat ze de deskundigheid van waaruit ze spreekt met een zekere menselijke warmte en wijsheid verbindt. Dat begint al met het gedeelte dat ze wijdt aan de bevalling, of eigenlijk al aan de zwangerschap. Wat Woodfield daarover zegt, is vervuld van diep inzicht in datgene wat er gebeurt vanaf de conceptie tot en met het eerste uur in het leven van een kind.

In het hoofdstuk over de geboorte, beschrijft ze vervolgens verschillende mogelijkheden om pijn tijdens de bevalling te bestrijden met natuurlijke middelen, zoals baden, compressen en natuurlijk ook massage. Want de barende vrouw kan volgens haar enorme troost en energie krijgen van de handen van haar partner of de vroedvrouw.

Na het gedeelte over de behoefte van de zuigeling aan het opbouwen van een emotionele band met de ouder(s) en de essentiële rol die de zintuigen en de huid daarbij spelen, besteedt Woodfield aandacht aan een aantal eigentijdse fysieke en psychische problemen als stress, storingen in de hormoonhuishouding en het immuunsysteem en de mogelijke oorzaken van agressief gedrag. Als Woodfield aan de praktische toepassing van massagetechnieken voor de baby toekomt, benadrukt ze dat een echte goede massage twintig minuten in beslag neemt, maar dat iedere korte behandeling van bijvoorbeeld alleen de voetjes ook al heilzaam werkt. Als we maar niet wachten met masseren tot we er eindelijk tijd voor kunnen inruimen, zo drukt ze ons op het hart, want dan zal het er nooit van komen.

Masseren is volgens Woodfield goed voor iedere baby. Degenen echter die in ieder geval veel profijt hebben van regelmatige massage zijn baby’s die niet gedijen, die in het ziekenhuis liggen, die te vroeg of met de keizersnede zijn geboren, die last hebben van buikkrampjes en benauwdheid, of die hyperactief zijn en niet kunnen slapen. Woodfield geeft ook duidelijke richtlijnen met tekeningen voor de heel speciale behandeling van zeer zwakke, te vroeg geboren baby’s en kinderen van verslaafde moeders. Als aanvullende hulp beschrijft ze ook het gebruik van verschillende oliën, waarbij ze de nadruk legt op de toepassing van natuurzuivere plantaardige oliën, zonder extra parfums. Etherische of vluchtige oliën adviseert ze alleen voor bijzondere indicaties en niet voor dagelijks gebruik, omdat deze te sterk zijn voor de baby en het jonge kind.

Woodfield biedt zonder omhaal van woorden een helder, zakelijk inzicht in de werking van de verschillende Bachbloesems en de mogelijkheden die deze therapie biedt bij het oplossen van problemen, met name bij baby’s en kinderen. Woodfield besluit haar boek met een hoofdstuk over de innerlijke ontwikkeling die ouders volgens haar eigenlijk zouden moeten gaan in de opvoeding van hun kinderen. Want kinderen, zo benadrukt ze tot slot, hebben vooral mensen om zich heen nodig die zichzelf hebben gevonden.

*Petra Weeda, Puur kind 1 lente 1998

.

Petra Weedaboeken

Weledavoor de baby

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1503

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.