Categorie archief: ontwikkelingsfasen

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-7)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit.
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Ook ‘het jongste kind’ komt eenmaal op school. Wat brengt het mee uit zijn eerste ontwikkengsjaren, wat heeft het al beleefd, doorgemaakt. Hoe vaak ontdek je in de kleuterklas of later niet dat problemen die zich daar voor doen, eigenlijk al veel eerder begonnen.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind,
.

GRENZEN AAN DE GROEI

.
Bij het opgroeien komt je kind aanvankelijk vooral de fysieke grenzen tegen: van de wieg en maxicosy naar de box en het tuigje in de kinderstoel. Al snel zijn er echter ook de verbale grenzen in wat wel en wat niet mag. Aan beide kan hij groeien. Maar wanneer en hoe zet je ze in? Consultatiebureau-verpleegkundige Paulien Bom beschrijft wat grenzen doen met jou en je kind.

Een groepje kinderen bij mij in de straat. Ze zijn aan het knikkeren en pal voor mijn huis bevindt zich kennelijk tussen de stoeptegels het beste knikkerpotje, want daar strijken ze altijd neer. Wat me opvalt is dat de verhouding tussen de tijd die ze knikkeren en die waarin ze discussiëren ongeveer één op één is. Van tevoren, maar ook tijdens het knikkeren, zijn de kinderen druk in gesprek over welke regels er gelden en over hoe die regels geïnterpreteerd dienen te worden. Rond het knikkeren bestaan veel ingewikkelde en strenge regels. Het gaat om ‘lolles’ of niet, om ‘poot met effect’… Ik weet niet waar dat allemaal voor staat, maar ik weet wel dat er altijd flink wat gedoe om is. Het blijkt dat er vele versies mogelijk zijn en dat het verdedigen van de eigen versie fanatiek gebeurt.
Daarnaast zijn er altijd kinderen die kijken hoe ver ze kunnen gaan in het steggelen en sjoemelen. Ze houden elkaar wantrouwig in de gaten, winden zich op over onrechtvaardigheid, schelden elkaar uit en lopen boos weg. En één ding weet ik dan heel zeker: morgen zitten ze er weer. Allemaal vinden ze het vanzelfsprekend dat er regels zijn, niet alleen bij het knikkeren, maar ook bij verstoppertje, hinkelen, vadertje en moedertje spelen enzovoort. En als die regels er niet zijn stellen ze die ter plekke op. Allemaal vinden ze het vanzelfsprekend om die regels uit te testen. Dat levert heftige confrontaties op, maar ze lijken dat ook wel lekker te vinden. Even flink schelden, laten zien wie je bent, en je dan ook maar voegen zodat het spel kan doorgaan.

Slappe dweil

Ik leer daarvan dat we als volwassenen niet te bang moeten zijn om regels in te stellen in de opvoeding van kinderen, en eraan vast te houden. Dat er protest komt betekent niet dat ze die regels onzin vinden, of dat ze zielig zijn, het betekent volgens mij vooral dat het lekker voelt om er tegen in te gaan, net zo lang tot ze een grens voelen.

Ik herinner me een weekend waarin ik kennis maakte met de Pessotherapie. Een van de oefeningen die gedaan werden was het experimenteren met weerstand. Twee aan twee tegenover elkaar staand, met de handen tegen elkaar, bood de één wisselend weerstand en mocht de ander verkennen hoe dat voelde. Er waren drie varianten: geen enkele weerstand, niets dan weerstand en een evenwicht tussen weerstand bieden en ruimte geven. De laatste variant was het prettigst omdat er een soort gesprek ontstond. Van de andere twee varianten vond ik het flink weerstand voelen veruit te verkiezen boven het tegenover me hebben van een soort slappe dweil die ik echt alle hoeken van de kamer kon laten zien. Voor die tegenspeler kon ik geen enkel respect opbrengen, en het liefste was ik doorgegaan tot ik wel wat weerstand had gevoeld. Want, weerstand voelt lekker, mits op maat aangeboden. Dat heb ik in dat weekend ervaren, en dat meen ik ook aan de knikkerende kinderen te zien, als ze tekeer gaan tegen de regels en tegen elkaar.

Weerstand op maat

Fysieke weerstand en weerstand door regels zijn twee manieren om grenzen tegen te komen. En als je grenzen tegenkomt voel je jezelf. Soms voelt dat lekker, zoals bij de bovengenoemde Pesso-oefening, of bij het klaren van een moeilijkeklus. Soms doet dat pijn, bijvoorbeeld als je je teen stoot, of als je pijnlijk geconfronteerd wordt met dingen die je niet lukken. Dat geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen. Leren van ervaringen, zelfkennis opdoen door confrontaties gaat in principe het hele leven door.

Toch is er een verschil. Hoe ouder je wordt, hoe meer het accent van het leren komt te liggen op het psychische en spirituele vlak. Wat je daaruit ontwikkelt is levenswijsheid. Het motorische leren en het groeien aan fysieke grenzen speelt vooral in de kinderleeftijd een rol.

Krabbelend op doorlopertjes achter een stoel leert een kind schaatsen, en als die vaardigheid eenmaal zit, verleert het die nooit meer. Je zou daarbij kunnen zeggen dat hoe jonger het kind is, hoe fysieker het leren zal verlopen. In het eerste jaar is een kind bezig met groeien, slapen en het opdoen van de elementaire vaardigheden van omrollen, kruipen en gaan staan. Pas daarna volgen het praten en leren denken. In de opvoeding kun je hierbij aansluiten door bij jonge kinderen het accent op fysieke ofwel voelbare grenzen te leggen, en pas allengs over te gaan op regels en grenzen die mondeling worden gesteld. 

Voelbare grenzen

Ik herinner me dat ik het als kind heerlijk vond om in bed heel strak te worden ingestopt. Zo strak dat de matras als een soort broodje om me heen zat. Ik voelde dan overal stevigheid, kon er lekker tegen aan schurken. En ’s morgens, als ik heel voorzichtig uit dat veilige holletje kroop, leek het alsof er niemand in het bed geslapen had. Het is mijn indruk dat met name baby’s zich bij dit soort stevige grenzen het lekkerst en het veiligst voelen. Maar ook grotere kinderen vinden dit af en toe nog heel prettig. Het bieden van voelbare grenzen betekent bij baby’s dat je ze stevig vasthoudt en goed instopt in bed, en als dat niet voldoende rust geeft, dat je ze inbakert*. Voor peuters geven het tuigje in de stoel, het traphekje en de box de voelbare grenzen aan. Daarna wordt dat wellicht een duidelijke afgebakende speelplek en een slot op het hek in de tuin. Allemaal fysieke grenzen, die langzaam meegroeien met het kind, en ten slotte vervangen kunnen worden door mondelinge geboden en verboden.

Rond het eerste jaar kan er een moment ontstaan dat het kind er kruipend en lopend op uit gaat, en heftig protesteert tegen de fysieke belemmeringen van de box of van het tuigje in de stoel. Vaak schaffen ouders die dan ook af. Immers, hun kind geeft aan dat het ruimte nodig heeft. Dan wordt er nogal abrupt overgegaan op verbale grenzen. ‘Blijf in je stoel, niet van tafel gaan, overal afblijven, niet aankomen’, enzovoort.

Voor veel kinderen is de overgang van de maxicosy naar de kinderstoel waar zomaar uitgeklommen kan worden, of van de box naar het vrij kunnen rondlopen in een supermarkt nauwelijks bij te benen. Als de voelbare grenzen ineens verdwijnen wordt de wereld in één keer wel erg groot. Voelbare grenzen in de vorm van het al eerder genoemde tuigje in de kinderstoel en het vastzitten in een wagentje kunnen die overgang wat behapbaarder maken.

Ik hoor van veel ouders dat ze een tuigje in de kinderstoel zielig vinden en een trappelzak in bed een akelig keurslijf. Het is mijn ervaring dat een tuigje of een trappelzak, mits gehanteerd als iets dat vanzelfsprekend hoort bij het aan tafel zitten of het in bed liggen, geen gemene dwangbuizen zijn, maar rustbrengers. Zodra een kind merkt dat dat tuigje echt niet te vermurwen is en die trappelzak
echt niet uitkan, accepteert het deze, terwijl verbale grenzen die rust veel minder zullen brengen. Verbale grenzen kun je niet voelen.

Van fysiek naar verbaal

Toch zal, hoe krachtig dit pleidooi voor voelbare grenzen ook is, de box op een goed moment het huis verlaten. Ook zal het kind als het groter wordt en in de kleuterfase is beland op een gewone stoel aan tafel komen te zitten. Dan zal het geleerd moeten hebben om te blijven zitten, ook zonder tuigje. En als het toch  zomaar van tafel gaat zal het aan een mondelinge correctie in principe genoeg moeten hebben.
Tussen de fase waarin het accent in de opvoeding op fysieke grenzen ligt en de leeftijd waarop kinderen zich in principe kunnen houden aan regels en afspraken ligt een hele periode waarin je als ouders door letterlijk ingrijpen de grens moet aangeven.
Bijvoorbeeld als een peuter van anderhalf met de boeken van de grote mensen wil spelen. Er is een eigen plankje met onscheurbare prentenboekjes, maar de echte boekenkast blijkt toch wel erg verleidelijk. Dan is zeggen dat het niet mag meestal niet de oplossing. Weghalen bij de plek waar het kind niet mag zijn en neerzetten op de plek waar het wel mag zijn, en dat ook zo benoemen, werkt meestal effectiever. De woorden die je daarbij spreekt, zo van ‘daar is jouw plekje, ‘dit is geen speelgoed’ zijn in eerste instantie nog de begeleidende tekst die het kind nodig heeft om langzaam ook op verbale grenzen te leren reageren. Veel ouders pakken als vanzelf een kind beet als het echt moet luisteren. Ook dat is een combinatie van een verbale grens en een voelbare grens.

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat tot het eerste jaar het grenzen aanbieden binnen de opvoeding vooral fysiek gebeurt. Vanaf het derde, vierde jaar moet een kind in principe kunnen gehoorzamen, dat wil zeggen goed reageren op verbale grenzen. In die tussenliggende periode zullen fysieke grenzen een steeds minder grote rol gaan spelen, maar zeker niet van het toneel verdwijnen. Een kind zal moeten leren dat een gesproken nee ook nee is. Om dat te leren zal het dat nee ook moeten kunnen voelen bijvoorbeeld door het stevig op te pakken. Voor alle duidelijkheid: dit is geen pleidooi voor de pedagogische tik vanuit het idee dat wie niet horen wil dan maar moet voelen. Opvoeden blijft een zoeken naar het midden tussen ruimte geven en grenzen stellen. In deze bijdrage ligt het accent op het stellen van grenzen. Een kind heeft echter ook speel- en ontwikkelingsruimte nodig. Als het goed is bieden regels en grenzen daar een veilige basis voor.

*In de tekst wordt verwezen naar het zogenoemde inbakeren dat vooral wordt toegepast bij baby’s die veel huilen en erg onrustig zijn.
Brochure: ‘Gewikkeld in doeken’, Ria Blom

Paulien Bom: Kinderen en grenzen stellen

.

**voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1803

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen’- puberteit (1-1)

.

Schoolarts in Stroom*, jrg.2, nr.4 2006
.

puber’tijd’

Achteraf is het altijd makkelijk om te zeggen dat de puberteit echt voorbij gaat. Maar dat deze levensfase voor puber en voor ouders flink lastig kan zijn, blijkt maar al te vaak.

De ouders hebben vanaf de babytijd alles bepaald voor hun kind; te beginnen bij het geven van de naam. En de pasgeboren baby, met zijn kwetsbaarheid en afhankelijkheid, wekt een enorm verantwoordelijkheidsgevoel om alles zo goed mogelijk te doen voor deze spruit.
Goede voeding, warme kleding, verantwoord speelgoed en later een goede school.
Het kind leert in de eerste tijd door nabootsing. Je kunt zien hoe jonge kinderen hun ouders bijvoorbeeld tot in hun lichaamshouding proberen na te doen. Zo zag ik laatst een driejarig kind met de benen over elkaar gezeten en met de wijsvinger langs de wang gelegd bedachtzaam een gesprek voeren. Zij keek daarbij net zo serieus als haar moeder.

In latere kinderjaren worden alle te verwerven vaardigheden, zoals zwemmen, schaatsen, fietsen en noem maar op, begeleid en mogelijk gemaakt. Gezinnen met kinderen op de basisschool kunnen tegenwoordig heel druk zijn met een volgeroosterde week waarin iedereen zo zijn sport, muziek, zwemles enzovoort op zijn bepaalde tijd moet doen. En de ouders zorgen dat alles reilt en zeilt. Natuurlijk hopen zij dat dochter- of zoonlief op de ingeslagen goede weg verder gaat in de bovenbouw. Vader en/of moeder hebben immers al langere tijd het juiste voorbeeld gegeven en veel geïnvesteerd. De kinderen hebben zo ongeveer alles wat hun hartje begeert, dus waarom zou er nou moeilijk gedaan moeten worden?

Dan komt er zo’n puber bij mij langs om eens ernstig over zijn ouders te klagen. “Zij zijn zo veranderd de laatste tijd”, hoor ik dan. “Over alles zeuren en zaniken, ik word er niet goed van. Wat er met hén aan de hand is ?”
En ze schamen zich voor het zogenaamde verstandige en verantwoorde eten. “Ik neem geen vriendjes meer mee naar huis als we pastinaak of gierst eten. En dan die klassieke muziek… belachelijk!”

Als ik doorvraag over de ruzies thuis gaat het vaak over de fietsen die bij herhaling tegen de schuurdeur worden gedeponeerd en over de kleren die door de kamer en op het bureau liggen, afgewisseld met kauwgumpapiertjes, CD’s en schoolboeken. “Waar bemoeien ze zich mee?”, vraagt de puber zich af.

Het kan moeilijk zijn voor ouders, en innerlijk pijn doen, om de controle te verliezen en het altijd zo goed geklede kind in te korte, blote kleren te zien lopen. En dan die grote mond die je krijgt als je er wat van zegt.

Maar de puberteit is doorgaans een noodzakelijke fase en uit zich in een worsteling om zich los te maken van alle zo goed bedoelde zorgen en bemoeienissen van de ouders, want een kind wil zijn eigenheid vinden. De beleefde avonturen van de ziel zijn de grondslag voor latere volwassenheid. En die avonturen kunnen heftig en grenzeloos zijn. Het geschenk uit het verleden – alles wat de ouders het kind hebben meegegeven – moet overboord. Het kind wil vanaf nu de dingen uit eigen ervaring leren maar verkeert tegelijkertijd vaak nog in een soort leegte; het verleden wordt achtergelaten maar de lonkende toekomst is nog onduidelijk. “Wie ben ik eigenlijk en wie wil ik worden?” vraagt de puber zich af.

De begeleiding van een kind in deze levensfase vraagt om inzicht in het pad dat het kind wil of moet gaan. Het kan voor de ouders een confrontatie zijn om het kind rechts-of linksaf te zien slaan. Het roept de vraag op of je kunt loslaten en vertrouwen, want de rode draad van het kind kan een heel andere zijn dan die van de ouders. De puberteit is dan een appèl aan de ouders om de eigen, nog niet doorgemaakte ontwikkeling op te zoeken en onder de loep te nemen. Deze tijd is ook een kans voor ouders. Er zit namelijk vaak iets heel waars in wat de puber zegt of vindt – hoewel het meestal niet makkelijk is om die waarheid onder ogen te krijgen. Waar wil je altijd nog gelijk hebben, waarom reageer je zelf nog zo emotioneel of voel je je de zondebok? Waarom wil je zelf altijd het laatste woord hebben of loop je dagen lang te mokken?

Dat er soms gevaren dreigen leert de ervaring helaas ook. Deze tijd vraagt om waakzaamheid en kennis in het omgaan met computers, internet, computerspelletjes en hun; verslavende werking. Maar ook het omgaan met drank, drugs, uitgaansleven, verliefdheden (op de verkeerde types), neerslachtige stemmingen of eetproblemen kan verontrustende vormen aannemen. Hulp van buitenaf is soms nodig.

De puber vraagt echte aandacht en nabijheid van zijn ouders en leraren en wil in zijn experimenteren serieus genomen worden.

Het is op de vrijeschool ook in deze bovenbouwtijd een geschenk dat de leerstof ontwikkelingsgericht is en aansluit bij het beleven van het kind. Er wordt een appèl gedaan op eigen oordeelskracht en eigen inzicht. Het is niet toevallig dat juist in de 9e klas de Franse revolutie behandeld wordt en dat het landmeten in de 10e klas te maken heeft met het innemen van een standpunt. In de loop van een aantal jaren kan het Ik langzaam maar zeker greep krijgen op het woelige zielengebeuren waardoor het individu als persoonlijkheid kan uitrijpen. Het is in onze tijd en cultuur een voorrecht dat kinderen kunnen en hopelijk mogen puberen.

*Stroom: uitgave van Antroposana.
Het tijdschrift is inmiddels omgedoopt totIta‘.

Jeanne Meijs: Puberteit, de smalle weg naar innerlijke vrijheid 

Meer van Jeanne Meijs

.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1776

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (1-5)

.

Anneke Maissan, Weledag Puur Kind, herfst 2000 nr.6

.

De babykamer

Het begint meestal voorzichtig, maar zo tegen de zevende maand krijgen de meeste aanstaande ouders een onweerstaanbare behoefte met de inrichting van de babykamer bezig te zijn. Hoe kom je eigenlijk tot een keuze en waarop baseer je die? Enkele adviezen van consultatiebureau-verpleegkundige Anneke Maissan.

Als je je gaat oriënteren op wat er allemaal te koop is op babygebied, is de kans groot dat je duizelig wordt van het aanbod. Je kunt natuurlijk gewoon kopen wat in de mode of net in de aanbieding is. Maar je kunt het ook anders aanpakken, namelijk door je geconcentreerd in te leven in het kindje dat gaat komen. Meestal zal er dan gaandeweg een gevoel ontstaan voor wat er bij een baby past en wat niet. Belangrijk daarbij is dat een baby op een heel andere manier ziet, hoort en voelt dan jij als volwassene. Probeer je daarom bijvoorbeeld voor te stellen hoe het voor je baby, die negen maanden in een donkere omgeving heeft gedobberd, is om na de geboorte opeens in ‘onze’ wereld terecht te komen. De oogjes hebben tot dat moment nog niets gezien en zonder dat hij zich ertegen kan verweren, is hij nu blootgesteld aan helder licht en felle kleuren.

De werking van kleur en vorm

Volwassenen kunnen zich min of meer afsluiten voor indrukken van buiten, een baby kan dat niet. Die is een en al zintuig: alle gewaarwordingen dringen regelrecht zijn lijfje binnen en werken diep in hem door. Ook geluiden neemt een baby -haast nog meer dan met zijn oren – met zijn hele lichaam waar.

Iedere kleur heeft zijn eigen werking op het organisme van de baby en iedere vorm en beweging die hij ziet en voelt herhaalt hij als het ware innerlijk.

Wanneer je je dat realiseert, zul je voor de babykamer vanzelf kiezen voor een rustige inrichting, waarin je baby zich geborgen kan voelen en de kans krijgt zich in rust en in het bij hem passende tempo te ontwikkelen. Daardoor kan hij, als hij daar klaar voor is, zijn hoofdje leren optillen, gaan omrollen, gaan zitten en staan. En dat is toch het werk waar het in die eerste jaren vooral om gaat. Wanneer hij gezond is en er zo min mogelijk verstorende invloeden om hem heen zijn, doet je baby dit allemaal vanzelf.

Hoge eisen

Hoe zou een babykamer die de ontwikkeling van de baby ondersteunt en ook gezellig is, eruit kunnen zien? In feite kunnen de eisen die je stelt aan de inrichting van de kamer voor je baby niet hoog genoeg zijn. Wat niet betekent dat het ook duur moet zijn.

Wat de kleuren betreft kun je het best kiezen voor effen tinten. Gebruik prettig aanvoelende materialen zoals wol, zijde en katoen. Deze stoffen ademen en nemen geen elektrostatische lading aan. Neem, als eerste opvolger van het allerkleinste huisje waarin je kind voor de geboorte verbleef, liefst een wieg. Als je voor een kinderbedje kiest, maak er dan toch een intieme ruimte van door er een hemeltje boven te hangen. Bij een sluier of hemel voor een wieg of kinderbedje denk ik nog altijd aan het woord ‘meekrab’; een plantaardige kleurstof die ik meer dan twintig jaar geleden gebruikte om de zijde voor het wiegje van mijn eerste kind te verven. Het gaf een prachtige, perzikbloesemachtige kleur. Zijde schijnt fraai door als er licht op valt en is daarom bij uitstek geschikt voor hemeltjes. Nu is het niet meer zo gebruikelijk zelf stof te verven, maar omdat je de kleur net zo licht of diep kunt maken als je wilt, is het wel een leuke manier om naar de tint te zoeken die je het beste vindt passen bij de sfeer waarin jij je pasgeborene wilt ontvangen.

Knuffels

Een rij knuffelbeesten op een plank, kleertjes aan een lijn en een kleurige mobile in het bedje staan heel gezellig. Maar het voortdurend zien van al die voorwerpen in zijn omgeving kan een baby ongedurig maken en het inslapen bemoeilijken. Ook drukke prints op gordijnen en behang kunnen onrustig werken.

Probeer eens vanuit de positie van het hoofdje van je kind zijn kamer rond te kijken en de indrukken over je heen te laten komen. Dan zie je vanzelf wat past en wat niet.

Verder is het aan te raden behalve een commode als aankleed- en opbergplek een makkelijke stoel in de kamer te zetten. Voor een pasgeboren baby is het prettig zoveel mogelijk in de rust van de babykamer te worden gevoed.

Tastzin

Je kindje heeft voor de geboorte alleen water gevoeld en trage, waterige bewegingen gemaakt binnen de omhulling van de baarmoeder. Na de geboorte kan hij veel sneller bewegen en zich daardoor soms verliezen in gemaai met armpjes en beentjes. Geleidelijk aan komt er wat controle over de handjes die, samen met de ogen die zich gaan richten en steeds beter gaan zien, de dingen gaan aftasten. De tastzin is het zintuig waarmee een kind de wereld buiten zich het meest direct waarneemt. Het zit niet alleen in zijn vingertjes, maar in de hele huid die zijn lijfje omsluit. Innerlijk resoneert hij mee met alles wat de huid voelt. Ook daarom kun je beter geen synthetisch materiaal voor wiegbekleding, lakentjes en dekens kiezen. Wanneer de baby er aan toe is iets vast te pakken, zorg er dan voor dat de eerste speeltjes van materiaal zijn gemaakt dat mooi is om te zien en prettig om aan te raken. Als het tasten een aangename gewaarwording geeft, zal de baby dit steeds weer willen doen. Door te kijken en te tasten zal hij belangstelling krijgen voor de dingen die hem omringen. En wanneer dat gebeurt in een sfeer van rust en schoonheid, ervaart hij zijn wereld als goed en veilig. 

.

Voor Steiner begint de mens niet met de geboorte: zijn wezenskern is ‘eeuwig’ en maakt verschillende incarnaties door.
De taak van de opvoeding is o.a. dit op aarde komende wezen te begeleiden.

Algemene menskunde[1-2]   [1-2-1]   [1-6]   [1-9]   [1-10]

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1772

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (4)

 

De overgang op school van spelen naar leren is niet meer zo duidelijk gemarkeerd. Daardoor zou je bijna vergeten te kijken of het kind er wel aan toe is de kleuterfase definitief de rug toe te keren. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel beschrijft de ontwikkeling van een kind in de eerste zeven jaar. Aan de hand daarvan maakt hij duidelijk hoe je kunt merken dat een kind echt schoolrijp is.

Aart van der Stel, huisarts, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr.3.
.

SCHOOLRIJPHEID

Vroeger ging een kind met zes jaar naar de lagere school. Nu gaat het naar groep drie. Dat lijkt hetzelfde, maar dat is schijn. Het drukt uit dat het bewustzijn vervaagt over het verschil tussen een kleuter en een lagere-schoolkind. Het doortellen van groep één naar groep drie en hoger wil ons doen geloven dat de overgang van de kleuterschool naar de basisschool geleidelijk gaat. Maar we doen onze aankomende basisscholieren onrecht aan als we niet bewust stilstaan bij de veranderingen die optreden rond het zesde, zevende jaar. Kinderen zijn niet allemaal op hetzelfde moment klaar voor de basisschool. Bij de een zal er met zes jaar al sprake zijn van een zekere uitgerijptheid, bij de ander pas met zeven. Om er een idee van te krijgen wanneer een kind schoolrijp is en wat je je eigenlijk bij het begrip schoolrijpheid moet voorstellen, moeten we goed kijken naar de ontwikkeling van een kind.

Staan en lopen

De ontwikkeling van het kind verloopt niet in een vloeiende lijn, maar in fasen.

In het eerste jaar is het kind vooral bezig met het ontwikkelen van zijn motoriek. Het leert zijn spieren onder controle te krijgen, zijn ogen te coördineren om naar één punt te kijken, zijn handjes te gebruiken om van alles vast te pakken en, het allerbelangrijkste, zijn beentjes te beheersen om ermee te staan en te lopen. Rond het eerste jaar is een kind in staat zijn lijfje te gebruiken zodat hij de wereld kan gaan verkennen. Dat betekent ook dat hij van alles gaat waarnemen.

Om goed te kunnen waarnemen moet je afstand nemen. Een schilderij bekijk je niet door je neus erin te begraven, maar door er een stukje vanaf te gaan staan. Doordat hij kan staan en lopen, kan het nu ook afstand nemen van de wereld om hem heen. Daardoor krijgt hij een steeds scherper beeld van de mensen en dingen, maar ook een helderder idee over zichzelf. Hij ervaart voor het eerst dat hij een apart wezen is, los van zijn omgeving. Dat is een unieke gebeurtenis. Niets is fantastischer voor ouders dan hun kind letterlijk te zien stralen als het voor het eerst staat en de sensatie van onafhankelijkheid ondergaat.

Spreken

Aan het eind van het eerste jaar gaat een kind experimenteren met de taal. Het gebrabbel maakt plaats voor het spreken van herkenbare woorden. De tot dan toe anonieme wereld wordt benoemd met bijpassende, al dan niet aan de eigen fantasie ontsproten namen. Taal wordt langzamerhand een instrument om de wereld mee te herkennen. Dat proces verfijnt zich voortdurend, de woordenschat wordt voortdurend groter en het kind kan zich steeds beter uitdrukken. Het kan nu ook laten zien wat er bij hem van binnen omgaat. Gevoelens van plezier, onbehagen, pijn of honger kunnen naar buiten worden gebracht omdat hij er woorden voor heeft. Het kind maakt nu dus contact met de wereld om hem heen en met zijn eigen binnenwereld. Als uitdrukking van dat nieuw verworven besef van zijn eigen gevoelsleven, kan een kind in deze fase soms eenkennig worden. De ontwikkeling van de taal bereikt in het derde jaar een hoogtepunt als hij in staat is in duidelijke, grammaticaal juiste zinnen te spreken. Het geeft kleur aan zijn taal en kan overal over meepraten. Het kind merkt dat hij door de taal verbanden kan leggen en gebeurtenissen begrijpen. Het begint grapjes te snappen en laat duidelijk merken dat het nadenkt over wat hij meemaakt.

Denken

Na lopen en spreken is denken de derde grote stap die het kind maakt. Het denken wordt het werktuig waarmee hij nog dieper in de wereld kan doordringen dan met de taal mogelijk was. Maar er gebeurt nog iets. In zijn derde levensjaar gaat het kind zich vroeger of later afvragen, ook al is het onbewust: wat is nu het verband tussen de dingen om mij heen, die ik kan waarnemen en benoemen, en mijzelf?

Dan doet het kind een enorme ontdekking, die vaak de eerste bewuste herinnering is aan de kindertijd: het ontdekt zijn ik. ‘Ik ben het die loopt, spreekt en denkt. Ik ben iemand!’ Nooit zal ik vergeten dat een van mijn kinderen in die fase plotseling verzuchtte: ‘Ik ben een mens’. Dit is in het kinderleven een heel belangrijk moment dat de eerste drie jaar van zijn ontwikkeling afsluit.
Van nu af draait alles in zijn leven om het besef een individu, een ik te zijn. Alles wat een kind verder doet, moet te maken hebben met het uitgroeien en verdiepen van dat ik-gevoel.

Spelen

Tot nu toe waren lopen, spreken en denken nog slechts vaardigheden. Het zinvol hanteren van die vaardigheden, naar eigen inzicht en vanuit de eigen wil, moet nog komen. Dat gebeurt in de tweede helft van de kleutertijd. Het kind gaat experimenteren met lopen, spreken en denken en het grappige is dat het die vaardigheden nu in omgekeerde volgorde afwerkt. De ontwikkeling van de drie jaren die eraan vooraf gingen spiegelt zich in de ontwikkeling van de drie jaren die erop volgen. Het ik-gevoel is het knooppunt.

Het denken wordt verkend in de ontwikkeling van de fantasie. Het kind, inmiddels een peuter, verandert willens en wetens iets in zijn omgeving en bestudeert het effect van zijn handelen. Dat noemen we spelen. In het spel staat niets vast. Alles staat in dienst van de fantasie, die niets anders is dan het praktisch gemaakte denken.

De volgende stap is het samenspel. In de peuterklas speelt elk kind nog een beetje voor zichzelf, maar in de kleuterklas begint het met andere kinderen te spelen. Dat maakt het spel leuker en spannender. Het sociale element voegt duidelijk iets aan het spel toe. Het sociale is in feite niets anders dan een intensivering van wat in het tweede jaar ontstond als spreken. In de kleuterklas oefent het kind zich in het spreken vanuit zichzelf, vanuit zijn ik.

In het laatste kleuterjaar gaat het spel wat tanen. Het heeft het open, toevallige karakter verloren en is doelgericht geworden. Het kind neemt de leiding op zich als de kleinere kinderen spelen. De grote kleuter wil iets te doen hebben en zich niet alleen door zijn fantasie laten vermaken. Het is moeilijk de oudste kinderen in de kleuterklas nog zinvol bezig te houden. Een kind van zes of zeven is, zoals kleuterjuffen dat noemen, letterlijk uitgespeeld. Het weet wat het wil en staat daarvoor. Deze fase doet denken aan het leren staan en lopen uit het eerste jaar, zij het dat het kind van zes niet alleen lichamelijk onafhankelijk is, maar dat die onafhankelijkheid zich nu ook uitstrekt tot zijn gedrag. De waarneming, die eerst was verbonden met het staan en lopen, richt zich nu op de eigen wil. En net als toen het voor het eerst stond, straalt ook nu het zelfbewustzijn van het kind af. Natuurlijk doet ieder kind het op zijn eigen wijze, maar in grote lijnen zal de ontwikkeling van kinderen in die eerste zes, zeven jaar ongeveer zo verlopen. Er zit systeem in de manier waarop een kind in zijn lijfje groeit. Spel is daartoe een belangrijke voorwaarde. Aan het spel dankt het kind zijn harmonische ontwikkeling en het goed begeleiden en voeden van de behoefte aan spelen is een van de belangrijkste taken voor ouders en leerkrachten.

Groeikracht

Op de basisschool gaat het kind heel andere dingen doen dan op de kleuterschool. Lopen, spreken en denken staan niet meer in het teken van de fysieke ontwikkeling en.het leren kennen van de eigen binnenwereld, maar dienen het ontdekken van de wereld om hem heen. Daarvoor moet hij zich allerlei vaardigheden eigen maken, zoals leren lezen, schrijven en rekenen. En daar heeft hij veel energie voor nodig.

Je kunt je afvragen waar een kind die energie vandaag haalt.

Het antwoord is even ingewikkeld als eenvoudig: zijn groeikrachten. De krachten die hem de eerste jaren in staat stelden zich lichamelijk en motorisch te ontplooien, komen nu voor een deel vrij, want het lichaam is grotendeels voltooid en hoeft ‘alleen’ nog maar te groeien. Er is een overschot aan groeikracht. Door dat overschot kan een kind zich gaan verbinden met de wereld om hem heen en dat doet hij door te leren. Wil een kind dus op een zinvolle manier kunnen leren, dan moet het energie over hebben, en dat heeft het alleen als het die energie niet meer nodig heeft voor zijn lichamelijke ontwikkeling. Of een kind klaar is voor de overstap van de kleuterklas naar de basisschool, hangt dus van meer af dan van zijn intellectuele vermogens. Het kan heel goed zijn dat een kind de krant al kan lezen, maar er lichamelijk nog lang niet aan toe is zich helemaal aan het leren te wijden. En omgekeerd is het helemaal niet gezegd dat een kind dat zijn naam nog niet kan schrijven niet schoolrijp is. Het is de taak van de kleuterjuf om aan het eind van de kleuterschool samen met de ouders, en bij twijfel eventueel met de orthopedagoog of de schoolarts, te beoordelen of een kind in staat zal zijn op de basisschool zinvol te functioneren.

Het is de ervaring van veel artsen en leerkrachten dat er steeds meer kinderen zijn met problemen op school, variërend van dyslexie en motorische stoornissen tot verveling in de klas en concentratieproblemen. Een van de oorzaken daarvan is dat onze samenleving meer nadruk legt op activiteiten met je hoofd en zintuigen, dan met je ledematen. Kleine kinderen weten vaak al goed de weg op de computer en kijken veel naar de televisie.

De nadruk bij het kijken ligt op het hoofd. De rest van het lichaam is niet actief en zou er net zo goed niet kunnen zijn. Daardoor krijgen kinderen niet echt de kans om door spel en beweging hun lichaam in te groeien. En dat is nu juist het allerbelangrijkste voor een kind. Pas als het het proces van leren lopen, spreken en denken in de eerste zes of zeven jaar helemaal heeft afgesloten – en dan ook nog op een manier die bij zijn persoonlijkheid past – heeft het de energie over om zich echt op het leren te storten.

.

Schoolrijpheid

Peuters en kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

.

1758

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – aan het begin van het leven (2-6)

.
Machteld Huber, Weleda Puur Kind, lente 1999, nr. 3
.

Leren verteren

Op het moment dat een kind wordt geboren, verandert er enorm veel voor hem. Zijn ademhaling komt op gang, de bloedsomloop gaat anders functioneren en ook qua voeding wordt alles anders. Eigenlijk kun je pas na de geboorte van voeding in werkelijke zin spreken. Voor die tijd krijgt het kind de noodzakelijke voedingsbestanddelen direct via het bloed van de moeder, de placenta en de navelstreng, en verteren is nog niet nodig.

Borstvoeding zorgt voor een geleidelijke overgang, maar in feite begint de baby zodra hij na de geboorte voeding tot zich neemt aan een uiteenzetting met de wereld om hem heen.

Die wereld brengt producten voort die we als levensmiddelen kunnen benutten. Maar dat gaat nooit vanzelf. Er is altijd een verteringsproces nodig voordat het lichaam de essentiële voedingsstoffen uit het voedsel kan opnemen. Dat verteringsproces heeft een duidelijke functie. In de vertering stelt het lichaam namelijk een grens tussen binnen- en buitenwereld. Het zegt als het ware: ho, tot hier en niet verder. Het is niet de bedoeling dat er van alles van buiten af ongehinderd ons organisme binnendringt. De vertering beschermt je daartegen, iedere dag weer.

Om soortgelijke reden beschikken we over een immuunsysteem dat ons tegen indringers beschermt. Spijsvertering en immuunsysteem hebben dan ook veel met elkaar te maken. Beide moeten worden opgebouwd na de geboorte en met beide moet het lichaam leren een antwoord te geven op alles wat er van buiten op het lichaam afkomt. Dat doen ze deels hand in hand. Kinderen die minstens acht maanden borstvoeding hebben gehad, blijken bijvoorbeeld later minder kans te hebben op allergieën. Wanneer je allergie beschouwt als een wanhopige poging van het lichaam om zich te beschermen tegen iets dat ongewenst is, begrijp je hoe belangrijk het is lichamelijk goed grenzen te leren stellen en niet te worden overmand door indrukken van buiten, in welke vorm dan ook. Grenzen leren stellen kost tijd. Besteed er daarom aandacht aan dat je kind leert verteren en neem daar de tijd voor. Dat kun je bijvoorbeeld doen door het voedsel voor baby’s en jonge kinderen eenvoudig samen te stellen. Spannende hapjes komen later wel. Eerst gaat het erom de verschillende smaken en voedingsbestanddelen te leren kennen en te leren afbreken. Dat is van betekenis voor de rest van het leven. Als je zelf het eten voor je baby klaarmaakt, kun je stap voor stap iets nieuws aan de maaltijd toevoegen. Dan wordt iedere smaak afzonderlijk een belevenis voor je kind.
.

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

1735

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-7)

.
Interview van Petra Essink met Evelien van Dort in ‘Stroom’, zomer 3, 2017, tijdschrift van Antroposana
.

Koester de ervaringstijd van je kind

Vertel het me en ik zal het vergeten,
laat het me zien en ik zal het onthouden.
Laat het me ervaren en ik zal het me eigen maken.

Deze woorden van Confucius citeert antroposofisch fysiotherapeut en kinderboekenschrijfster Evelien van Dort voorin haar pas verschenen boek

   Bewegen, eerst je lijf in, dan de wereld in

De mooie oude tekst staat voor haar voor het grote belang dat kinderen hebben bij echte ervaringen, op alle niveaus.
Van Dort: ‘Ervaringstijd is voor ieder kind de meest kostbare tijd die er bestaat.’

Lichamelijke ontwikkeling op nummer 1

Evelien van Dort heeft eigenlijk twee beroepen. In de ochtenduren schrijft ze aan haar kinderboeken, waarvan er al meer dan zeventig op haar naam staan.
’s Middags werkt ze in haar praktijk als fysiotherapeut met kinderen.

‘Ik heb altijd een sterke affiniteit met kinderen gehad’, is het eerste wat Evelien van Dort antwoordt op de vraag hoe ze kwam tot het schrijven van haar boek over het belang van een gezonde sensomotorische ontwikkeling.

Ze vervolgt: ‘Ik krijg veel vragen van ouders over de lichamelijke ontwikkeling en ook over het gedrag van kinderen. In het reguliere veld kijkt men bij ontwikkelingsproblemen in de regel in eerste instantie naar de gedragsmatige kant: er wordt veel naar antwoorden gezocht in de orthopedagogische en psychologische hoek. Als fysiotherapeut ervaar ik daarin een eenzijdigheid. Mijn boek is een soort oproep om de lichamelijke ontwikkeling centraal te stellen. Ik heb geprobeerd om dertig jaar ervaring als fysiotherapeut werkzaam met kinderen aangevuld met mijn visie geïnspireerd door de antroposofie op een voor iedereen toegankelijke manier te verwoorden.’

Pedagogiek en gezondheid verweven

‘Als je naar de lichamelijke ontwikkeling van kinderen kijkt zijn een heleboel dingen niet meer zo vanzelfsprekend’, constateert van Dort.

‘Zinvolle bij het leven horende handvaardigheden die veel voldoening kunnen schenken, zoals een appel in stukjes snijden of schillen en veters strikken, worden door veel kinderen weinig geoefend.

Als je naar de natuurlijke ontwikkeling van de kindermotoriek kijkt, kun je leren zien dat een kind echt stap voor stap, in een bepaalde volgorde processen moet doormaken om van de ene in de andere ontwikkelingsfase te komen. Veel deskundigen gaan uit van de zogenaamde continue ontwikkeling, die het niet zo nauw neemt met die fasen en de volgorde daarvan. Vanuit deze visie biedt men kinderen graag extra prikkels aan, bijvoorbeeld om bepaalde ontwikkelingen te vervroegen. Zo proberen sommige ouders bij een kind van 2 jaar al een voorkeurshand te stimuleren. Ze zien niet dat deze ontwikkeling nog niet aan de orde is op die leeftijd.

Het probleem is dat in onze tijd het pedagogische en het medische uit elkaar zijn gehaald. Al jaren vragen kinderartsen en oogartsen aandacht voor nadelige effecten van het gebruik van digitale middelen op jonge leeftijd. Door eenzijdige zithouding krijgen kinderen bijvoorbeeld langdurig nek-, rug- of hoofdpijn. Recent is een onderzoek gepubliceerd waarin blijvende schade aan kinderogen wordt geconstateerd door het vele gebruik van pc’s, laptops en ook digiborden. Echter, in het onderwijs worden digitale leermiddelen tot nu toe alleen maar méér ingezet vanaf groep 1.

Vanuit de antroposofie kun je ontdekken dat die twee hand in hand gaan, dat ze met elkaar verweven zijn: het opvoedkundige werkt sterk door in het lichamelijke. Logisch eigenlijk, want een kind is een geheel.

Een voorbeeld daarvan is de balans tussen in- en ontspanning, stilzitten en bewegen. Bij een disbalans daartussen kan een kind oververmoeid raken. In het reguliere onderwijs is het gangbaar om vanaf groep drie, het grootste deel van de schooldag zittend en geconcentreerd op een taak door te brengen. Het gebrek aan afwisseling kan op het lichamelijk doorwerken in vermoeidheidsklachten of bijvoorbeeld moeite met inslapen.’

leder kind is een raadsel

De rode draad in het boek van Evelien van Dort is de zogenaamde
sensomotorische ontwikkeling, waarin de zintuigen centraal staan. Op begrijpelijke wijze, met veel aansprekende voorbeelden die iedere ouder herkent, beschrijft ze de vanuit de antroposofie bekende 12 zintuigen. Van Dort legt daarbij de nadruk op de ontwikkeling van de zogenaamde onderste vier zintuigen, omdat die de basis vormen voor de verdere persoonlijkheidsontwikkeling: de tastzin, de levenszin (waarmee je voelt of je lekker in je lijf zit, of niet), de bewegingszin (waarmee je eigen bewegingen registreert) en de evenwichtszin.

Op de vraag hoe ze die ontwikkeling ondersteunt in haar fysiopraktijk antwoordt van Dort: ‘Ik zal niet gauw tegen ouders zeggen dat ze dit of dat wel of niet moeten doen. In het bijzijn van jonge kinderen is mijn wens om niet over het kind te praten, ik maak dan een aparte overlegafspraak. De ontwikkeling van een kind is een heel gecompliceerd verhaal: ieder kind is toch een soort raadsel dat met heel eigen mogelijkheden en eigenaardigheden op aarde komt. Daarnaast hebben kinderen allerlei hoogstpersoonlijke interacties met hun ouders. Daarom bestaat er, hoewel je de verschillende fasen duidelijk kunt herkennen, geen kant en klaar recept voor de motorische ontwikkeling van kinderen. Er zijn wel aandachtspunten. Ik vind het belangrijk in gesprek te gaan over bepaalde thema’s, zodat ouders zelf een mening kunnen vormen en van daaruit bepaalde dingen kunnen doen, of laten.’

Met eigen kracht de wereld in

‘Een van die thema’s is de buikligging’, vervolgt van Dort. ‘Sinds de jaren ’80 wordt ouders vanuit de consultatiebureaus afgeraden om baby’s op hun buik te leggen. Er zou een mogelijk verband zijn met wiegendood. Echter, vanuit de motorische ontwikkeling gezien is het echt een gemiste kans wanneer baby’s alleen maar op hun rug liggen. De buikligging geeft een sterke impuls aan het strekken, oprichten en omrollen. Het kind kan gemakkelijk zijn knietjes onder zijn buik trekken, en de rotatie van de wervelkolom wordt gestimuleerd. Ik adviseer ouders hun kinderen, altijd onder toezicht, regelmatig even op de buik te leggen.’

Soms lukken dingen niet vanzelf. Sommige kinderen tonen in eerste instantie niet zo veel eigen bewegingsdrang en komen bijvoorbeeld niet tot zitten.

‘Het is een heel natuurlijke impuls van ouders om zo’n kind op zijn billen te zetten’, vindt van Dort. ‘Zo’n kind vindt dat wel prima, en dit kan leiden tot het zich voortbewegen door op zijn billen te gaan schuiven. Daarmee wordt vaak een essentiële fase van het kruipen overgeslagen. Mijn insteek is dat ik het kind wil helpen om vanuit zijn eigen kracht in de wereld te komen. Het gaat erom dat een kind vanuit zichzelf in beweging komt. Alles wat kinderen zich echt vanuit zichzelf eigen kunnen maken versterkt hun basis van waaruit ze zich sociaal-emotioneel verder kunnen ontwikkelen.’

Van Dort ziet regelmatig een belemmering die een gezonde sensomotorische ontwikkeling in de weg kan staan: overprikkeling. ‘Met alle goede bedoelingen, zie je soms dat hele jonge kinderen worden blootgesteld aan speeltjes met allerlei piepjes en rammeltjes. Het gevaar daarmee is dat je een kind gaat trainen en entertainen, in plaats van dat het uitgedaagd wordt. De overprikkeling gaat door in kleuter- en basisschoolleeftijd. Kinderen worden met taal- en rekenspelletjes al vroeg in het prestatiedenken getrokken. Dat is jammer, want de tijd daaraan besteed gaat af van de speeltijd. Ook doordat er veel tijd wordt ingenomen door digitale speeltjes die kinderen letterlijk stilzetten, staat de (buiten)speeltijd van het kind daadwerkelijk onder druk.

Verbieden is natuurlijk geen oplossing. Je moet een alternatief bieden: het met elkaar bewegen, het geven en nemen, in een speelse sfeer van niet-prestatiegericht zijn, is voor kinderen een fundamentele ervaring. Kringspelen zijn daarvoor bij uitstek geschikt. Spelen is enorm belangrijk. En ieder kind kan tot spel komen, als het de omstandigheden krijgt aangereikt.’
.

Evelien van Dort               haar boek ‘Bewegen’         meer, n.a.v. dit boek

Zintuigen: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

.

1724

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Zintuigen – tastzin (2-4)

.

de tast

Hoe leert je kind de wereld kennen?

De tastzin zit niet alleen in de toppen van je vingers, maar in de huid van je hele lichaam. Door te leren omgaan met alle sensaties die via zijn huidje binnenkomen, leert een baby langzaam maar zeker ook zijn eigen lijfje kennen. Want dat een voorbijkomend handje bij hemzelf hoort, merkt hij pas als je het aanraakt.

En dat is nog maar het eerste beginnetje van het aftasten van waar zijn eigen lijfje ophoudt en waar de buitenwereld begint. Kindertherapeute Joyce Honing vertelt hoe je als ouder de ontwikkeling van dit unieke zintuig begeleidt.

Joris is net twee jaar geworden. Als je hem ziet, valt vooral zijn tamelijk grote, ongevormde koppie op. Aan dat hoofd bengelt een lijfje, waar hij erg onhandig mee is. Hij struikelt over zijn beentjes en als hij zijn beker melk van de tafel wil pakken, grijpt hij er naast. Kijkt hij je aan, dan zie je een verwonderde maar ook wat wantrouwige blik. Eigenlijk zou je hem het liefst een knuffel geven, maar zodra je naar voren komt, krijg je een krab over je wang. Het is alsof hij zich overbewust is van zijn koppie en het hem pijn doet als je hem daar dreigt aan te raken.

Spelletjes doen

Joris zit veel en is moeilijk in beweging te krijgen. Dat zijn beentjes onderdeel van zijn lichaam zijn waarmee hij van alles kan ondernemen en waarmee hij bijvoorbeeld ook voor zijn eigen veiligheid de grond onder zijn voeten kan aftasten, daarvan is hij zich nog niet bewust. Dat zal pas veranderen wanneer hij zijn lijfje beter heeft leren kennen. Daarvoor moet hij eerst zijn tastzin gaan ontwikkelen; het zintuig waarmee je je eigen lichamelijke grenzen gewaar wordt en dat overal in de huid aanwezig is. Bij Joris lijkt het alsof zijn hele lijfelijke gevoel voor de omgeving zich volledig heeft teruggetrokken in zijn hoofdje, dat overgevoelig is geworden voor iedere aanraking.

Joris draagt mooie, maar meestal te strakke kleren. Zelfs zijn schoenen zijn aan de kleine kant, wat hij zelf niet merkt en dus ook niet aangeeft. Het eerste wat ik de ouders vraag is om wat ruimere kleren voor hem te kopen, zodat hij zich meer uitgenodigd voelt zich te bewegen. Want we gaan met Joris veel spelletjes doen. Spelletjes waarbij vooral zijn voetjes en beentjes worden betrokken. Zo laat ik hem met zijn voetjes lekker in een bak warm en koud water zitten, in een bak met zand en met grind zodat hij al die verschillende gevoelssensaties kan opnemen en kan ervaren dat zijn voetjes bij hem horen en dat hij daarmee van alles kan aftasten.

We kijken ook naar zijn dagritme. Want ritme speelt eveneens een rol in het ontwikkelen van de tastzin. Als er sprake is van een duidelijke dagindeling, kan een kind bij wijze van spreken de vorm van de dag aftasten en zijn biologische klok daarop instellen. Joris’ ouders zijn enthousiast over het effect van deze benadering van hun zoontje. Zijn vader merkt op dat het lijkt alsof Joris veel dingen ineens beter begrijpt. Dat is niet zo verwonderlijk, want een kind dat heel wakker in zijn hoofdje is lijkt wel veel van de wereld om hem heen te begrijpen, maar pas wanneer hij tot in zijn tenen toe goed in zijn lijfje zit, kan hij ook met die wereld omgaan. Je voeten hebben vaste bodem onder zich nodig om de wereld in vertrouwen tegemoet te kunnen treden.

Knuffelen en aanraken

Je baby kon zijn eigen lijfje niet leren kennen zolang hij in de baarmoeder was. Dat proces komt pas op gang als hij door de geboorte vanuit het water de zwaartekracht wordt binnengeleid. Het is aan jou als ouder je baby de beleving van zijn lichaam te schenken en liefst zo dat je kind zich daarin welkom voelt. Het tastzintuig is daarbij je belangrijkste hulpmiddel. Alleen door voortdurend op een prettige manier te worden aangeraakt, krijgt het kind er gevoel voor dat zijn lijfje echt bij hem hoort. Een baby van een paar weken die ineens een handje voorbij ziet fladderen, weet nog niet dat dat handje aan hem vastzit. Pas wanneer jij het aanraakt, of wanneer dat handje toevallig tegen de spijlen van het bedje aankomt, wordt hij zich daarvan bewust.

Die tastzin, die over de huid van zijn hele lijfje is verspreid, wek je wanneer je je  baby verzorgt, liefkoost, knuffelt, aait, hem onder zijn voetjes kriebelt, zijn teentjes pakt en spelletjes met hem doet, zoals ‘daar komt een muisje aangekropen’. Baby’s vinden het heerlijk om zo hun lijfje te voelen. Veel zuigelingen kruipen met hun hoofdje tegen het hoofdeinde van de wieg of liggen er overdwars in zodat hoofd en voetjes de zijkant raken. Het is alsof ze door die tegendruk voortdurend willen voelen waar hun lijfje begint en waar het eindigt.

In de alledaagse verzorging van je baby krijg je – zeker wanneer je daar oog voor hebt gekregen – voldoende gelegenheid hem op een natuurlijke manier met zijn lijfje te laten kennismaken. Met behulp van allerlei liedjes en spelletjes die ertoe uitnodigen beentjes, teentjes, bolletje, vingertjes, neusje en kinnetje van je kind aan te raken, kun je hem bovendien laten voelen dat er aan dat lijfje veel plezier valt te beleven.

Leert je kind door een behoedzaam proces van tasten en voelen zijn lijfje kennen, dan zal hij zich daarin ook geborgen voelen. Dat is geen kwestie van een paar maanden, maar van jaren. Als zo rond de basisschoolleeftijd het bewustzijn voor het lichaam als een veilig huisje is ontstaan, zal je kind daarmee op eigen benen kunnen staan. Dan zal de integriteit van zijn lichaam ook niet meer zo makkelijk kunnen worden verstoord, want een kind dat goed in zijn velletje zit, kan de indrukken die hij opdoet ook verwerken.

Te open en kwetsbaar

Als je kind echter erg gevoelig en open is voor indrukken van buitenaf, zal het hem moeilijk vallen zich goed in zijn lijfje thuis te voelen. Dan is extra aandacht voor de tastzin nodig om je kind te helpen zich beter te leren beschermen tegen die prikkels die door zijn dunne huidje zo direct en krachtig bij hem binnen komen. Zoals bij Boas.

Boas is een snoezig ventje van drie. Hij heeft een teer wit huidje en grote donkerblauwe ogen. Hij hoort, ziet en ruikt alles. Wanneer een nieuw kindje bij me op consult komt, maak ik me altijd even wat kleiner door op mijn hurken te zitten terwijl ik hem begroet. Maar Boas draait meteen zijn schouder weg en wendt zich van mij af. Hij schrikt van een aanraking. Dat is voor mij het signaal dat ik dit kind heel behoedzaam moet benaderen. Ik krijg de indruk dat hij vooral van voren erg open en kwetsbaar is. Ik ga opzij van hem staan. Dat bevalt hem beter. Hij is als een klein krabbetje dat alles liefst behoedzaam zijdelings benadert.

De moeder van Boas is bezorgd omdat haar kind bang is en slecht slaapt. Zelf weet ze heel goed wat angst is en ze is zich ervan bewust dat dat niet de beste basis is om Boas daartegen te beschermen. Juist daarom geeft ze hem nog steeds de extra koestering van borstvoeding. ’s Nachts mag Boas bij zijn ouders in bed liggen en zijn moeder aait hem iedere avond, vaak wel anderhalf uur lang, in slaap. Wat zij zo in al haar zorgzaamheid doet, is hem weer een beetje opnemen in haar eigen lichaam. Maar daarmee ontneemt ze Boas de mogelijkheid de grenzen van zijn eigen lijfje te beleven en te ontdekken dat zijn lichaam een afgesloten geheel is dat alleen bij hem hoort. En dat heeft hij juist zo hard nodig. Want als je je niet durft terug te trekken in je eigen lichaam, omdat dat te open en onveilig is, durf je ook niet in slaap te vallen. Eigenlijk vraagt Boas van zijn ouders het tegenovergestelde van wat ze doen. Hij wil dat ze hem zeggen: daar is jouw bedje, daar is het goed en warm, daar kun jij met jezelf veilig alleen zijn en wij zullen je helpen om je dat te laten voelen.

Inwrijven met huidolie

In een situatie als die van Boas, maar ook wanneer je merkt dat je pasgeboren baby erg schrikachtig reageert op geluiden en bewegingen of wanneer je kleuter snel van de kaart is van verjaardagen of andere veranderingen in het gewone dagritme, kun je je kind helpen door hem iedere ochtend en avond van top tot teen in te wrijven met een verwarmende olie, zoals Calendula Babyolie* of Lavendel Huidolie*. Eigenlijk kun je in alle situaties waarin je kind extra bescherming tegen indrukken nodig heeft hem gedurende korte of wat langere tijd inwrijven.

Je doet daarmee twee heilzame dingen. Door zijn buik, zijn rug, zijn knieholten zijn teentjes, ieder plekje van zijn lijfje ( olie in te wrijven, trek je hem als het ware een precies passend extra jasje aan, waardoor hij ook na de inwrijving nog de periferie van zijn huidje voelt. Door tijd te nemen en aandacht te hebben voor het lichaam van je kind laat je hem bovendien merken: jouw lijfje is het waard door mij lekker warm te worden gemaakt als je dat zelf nog niet zo goed kunt. Want alleen als je lijfje warm is en je voetjes warm zijn kun je je daarin veilig voelen.

Een dagelijkse en vanzelfsprekende confrontatie met zijn lijfje krijgt je kind natuurlijk door knuffelen, koesteren en strelen. Maar een overmaat aan knuffelen, zoals bij Boas, leidt er niet toe dat je kind extra goed in zijn lijfje komt. Bij te veel en te intens knuffelen kun je juist weer voorbij gaan aan het gevoel dat je kind begint op te bouwen voor zijn eigen lichamelijke grenzen. Als het goed is komt je kind als hij wat groter wordt vanzelf zijn knuffeltjes halen op de momenten dat hij dat nodig heeft en springt hij, zodra dat voor hem genoeg is geweest, weer van je schoot af om verder te spelen. Natuurlijk knuffel je je kind omdat het je zo dierbaar is, maar uiteindelijk zal je eigen behoefte daaraan ondergeschikt moeten zijn aan wat je kind op dat gebied nodig heeft. Hetzelfde geldt voor kusjes geven. Als je kind weigert om tante, oma of buurvrouw een kusje te geven, dan verdient hij het daarin gerespecteerd te worden. Een goed ontwikkelde tastzin leidt er ten slotte ook toe dat je een gezond onderscheid gaat maken tussen wat wel en niet bij jou past, kortom dat je je eigen grenzen en die van anderen respecteert.

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, lente 2002 nr.9

*

.

 

 

 

 

 

 

WELEDA

 

Zintuigen: alle artikelen

Over de baby en het kleinere kind: alle artikelen

.

1694

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.