Categorie archief: ontwikkelingsfasen

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – peuter en spel

.
Mirre Bots, Weleda Puur Kind, herfst 2006 nr. 18
.

Saai voor ons is spannend voor kinderen

Op het consultatiebureau komt het spel van kinderen meestal slechts terloops aan de orde, maar hoe een kind speelt, zegt veel over hoe hij de wereld tegemoet treedt. Van jongs af aan leren kinderen spelenderwijs hun lichaam, de omgeving en de wereld ontdekken. Ze doen dat vooral met hun lijf, hun zintuigen en fantasie. ‘Ze hebben maar weinig nodig om helemaal in hun spel op te gaan,’ zegt José Davina, verpleegkundige op antroposofisch consultatiebureau Hypericon in Nijmegen.

‘Zet een peuter met een pan, zeef en pollepel in de zandbak en hij is uren zoet. Elk kind dat aan de rand van het strand zit met water en zand om zich 22 heen, zal meteen beginnen met waterwerken aanleggen. Of het nu twee of acht jaar is, dat maakt eigenlijk niets uit. Een kind is van nature nieuwsgierig en wil ontdekken. Die nieuwsgierigheid en ontdekkingsdrift zorgen ervoor dat het kind zich steeds verder ontwikkelt: motorisch, emotioneel en sociaal.

Een baby die in de box ligt met een paar speeltjes om zich heen zal daar op een gegeven moment naar reiken. Hé, hij heeft iets beet. Hij voelt eraan, kijkt ernaar, stopt het in zijn mond en opeens heeft hij het in zijn andere hand: zomaar van hand gewisseld! Een peuter kruipt rond in de kamer, trekt zich op aan de bank omdat hij rond wil kijken en komt zo tot staan.’

Alle aardappels in een doos

‘Deze lust tot ontdekken breidt zich steeds verder uit naarmate een kind.ouder wordt. In zijn eerste jaar doet hij alles voor de eerste keer en ontdekt hij zijn eigen lichaam. Van een tot twee jaar begint hij met geven en nemen, halen en brengen, verzamelen en ordenen.
Alle aardappels moeten in een doos, de blokken op elkaar. Een paar bakjes, een tasje en een karretje om mee te lopen zijn dan bij uitstek geschikt om cadeau te geven, want daar kunnen ze eindeloos van alles indoen en uithalen.

Om zijn motoriek en zijn balanceervermogen te helpen ontwikkelen, doen een schommeltje in de deuropening of een hobbelpaard goede diensten. Een moeder van een vierjarige die moeite had met balans houden op haar fiets, heb ik aangeraden haar dochtertje te laten steppen. Ze kan daarop beter haar evenwicht vinden en als ze het onder de knie heeft, ervaart zij een machtig gevoel van vrijheid.’

WiI je ook een stukje?

‘Vanaf een jaar of drie zie je het sociale aspect bij een kind iets belangrijker worden. Een kind gaat “ik” zeggen; wordt zich meer bewust van de ander. Het is de tijd van de alsof-spelletjes: hij doet of hij een taart bakt en vraagt zijn ouders: “Wil je ook een stukje?” En hij doet iedereen en alles na. Geef je kind een zeem of stofdoek en hij poetst met jou als ouder mee.

In spel met andere kinderen, doet een kind van drie dat vooral nog “parallel”, dus ieder kind speelt voor zich. Pas vanaf een jaar of vier betrekken kinderen elkaar in hun spel en komt de interactie op gang: jij bent de vader, ik ben de moeder. Of: als jij even die doek vasthoudt, zet ik die stoel zo en maken wij een tent.’

Houd het saai

‘De fantasie van een kind is eindeloos en om deze te voeden, is niet veel nodig. Wat voor een volwassene misschien saai lijkt of eenvoudig, is voor jonge kinderen prima. Ik kan met een peuter naar buiten lopen en voorzichtig op een boom kloppen om te kijken of de kaboutertjes thuis zijn. Daar gaat hij helemaal in mee. Een kind kan eindeloos kijken naar een gefiguurzaagd kaboutertje dat achter een boom vandaan loopt, doordat ik een touwtje beweeg.

Soms zegt een moeder op het spreekuur tegen mij: Mijn kind speelt niet. Ik heb zoveel speelgoed voor hem, maar het doet hem niets. Misschien is het dan te veel en kan hij niet kiezen of zich op één ding concentreren, antwoord ik dan, en zou je hem wat minder moeten aanbieden. Dat blijkt vaak te helpen.

Dat er kinderen zijn die zich van nature vervelen, geloof ik eerlijk gezegd niet.

Zij hebben dan eerder een fantasie- of concentratieprobleem. Een ouder die steeds tegen zijn kind zegt “wat speel je fijn”, haalt hem daarmee eigenlijk uit zijn spel. Hij hoeft zich daar niet bewust van te zijn, het is voor hem gewoon dat hij speelt. Op het einde van de dag is daar een beter moment voor. Dan kun je samen met je kleuter terugkijken op de dag en hoe deze is geweest.

Kinderen worden vaak op jonge leeftijd, mede door tv en computer, al de volwassen wereld ingetrokken en dat is jammer, want het blokkeert hun fantasie. Een goed tegenwicht is om hun rijke fantasie en vermogen tot improviseren te stimuleren. Een pop, auto, blokken, lappen en een doos, het is prima speelgoed voor de eerste levensjaren.

En een bal. Dat is een van mijn favoriete cadeaus voor een eenjarige. Een kind kan hem voelen: of hij klein of groot is, hard of zacht, hij kan ermee rollen, gooien en je kunt er als ouder en kind leuk mee samen spelen: op de grond met gespreide benen zitten en je rolt de bal op en neer. Geheid dat je kind iedere avond samen met de bal wil spelen.’

.

Spel: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Peuters/kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: kleuterklas

.

2157

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/12)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Erziehung und Unterricht aus Menschenerkenntnis

GA 302A

Voordracht 2, Stuttgart 16 sept. 1920

Blz. 29   vert. 29

Im wesentlichen wird der Mensch bis zum 7. Jahre mehr von plastischen und weniger von musikalischen Kräften, das heißt, weniger den Organismus durchglühenden musika­lischen und sprachlichen Kräften durchsetzt.

In wezen is de mens tot aan zijn 7e jaar meer doortrokken van plastische dan van muzikale krachten, dat wil zeggen minder van de het-organisme-doorgloeiende krachten van muziek en taal.
GA 302A/29    
Vertaald/29

Voordracht 4, Stuttgart 22 sept. 1920

Aus den geistigen Welten herein kommt, ich möchte sagen, auf einer Art astralischen Flügeln, die Ich­heit des Menschen. Wenn wir das Kind zunächst in den ersten Lebens­jahren betrachten, wie es sich entwickelt, wie es Grad für Grad aus seinem tiefen Inneren die Physiognomie an die Oberfläche des Leibes bringt, wie es immer mehr und mehr die Gewalt über seinen Organismus bekommt, so ist das, was wir da sehen, im wesentlichen die Ein­verleibung des Ich.

Als we de mens vanuit zijn constitutie bestuderen en het zo verkregen inzicht vervolgens aanwenden op de mens in wording, op het kind, dan blijkt het volgende: vanuit de geestelijke werelden komt het lk-wezen van de mens, laat ik zeggen, op ‘astrale vleugels’ binnen. Als we in eerste instantie de eerste levensjaren van het kind bestuderen, hoe het zich ontwikkelt, hoe het de fysionomie stap voor stap uit de diepten van zijn innerlijk naar de oppervlakte van het lichaam brengt, hoe het steeds meer de macht over zijn organisme verkrijgt, dan is wat we daar zien in wezen de inlijving van het Ik.
GA 302A/54
Vertaald/54

Denken Sie nur, nach dem, was wir betrachtet haben, ist die Entwicklung des Kindes von der Geburt bis zur Geschlechtsreife ein Ineinander­spielen der kosmisch-plastischen Kraft mit der kosmisch-musikalischen Kraft. Dieses Ineinanderspielen geschieht natürlich in den allermannig­faltigsten Variationen.

Bedenkt u alleen maar het volgende: volgens de dingen die we hebben bekeken is de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte tot aan de puberteit een in elkaar spelen van de kosmisch-plastische kracht en de kosmisch-muzikale kracht. Dit in elkaar spelen gebeurt natuurlijk in de meest uiteenlopende variaties
GA 302A/61
Vertaald/61

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2145

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-12)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur Kind, herfst 2006 nr. 18
.

De eerste zintuiglijke ervaringen:

een prachtig samenspel

Direct na de geboorte maakt een baby aanstalten de wereld om zich heen te ontdekken. Al zijn zintuigen leveren hieraan een bijdrage in een prachtig samenspel. Geef je hem de tijd om op ontdekkingstocht te gaan terwijl je hem rustig observeert, dan zul je versteld staan van de wijze waarop zijn zintuigen met elkaar in verbinding staan.

Het is wonderbaarlijk maar waar: binnen een uur na de geboorte begint een baby al zijn zintuigen te gebruiken. Een van de meest fascinerende ontdekkingen van de laatste tijd is dat een pasgeboren baby op eigen kracht de borst van zijn moeder kan vinden. Hierbij gebruikt hij om te beginnen zijn smaak- en reukvermogen. De geur van het vruchtwater zit nog aan de handjes van de baby. Als ouder kun je dan ook zien hoe hij vaak vrijwel direct na de geboorte zijn handjes naar zijn mond brengt. De smaak en de geur van het vruchtwater leiden hem vervolgens naar de tepel van de moeder, die een olieachtige substantie bevat die qua smaak en geur vergelijkbaar is met vruchtwater. Wordt een baby direct na de geboorte op de buik van de moeder gelegd, dan maakt hij binnen een half uur aanstalten om op reis te gaan naar de tepel. Om zijn kleine neusje te volgen gebruikt hij zijn ogen en zijn tastzin. In nauw contact met de huid van de moeder baant hij zich tastend een weg in de juiste richting. Zijn ogen zoeken daarbij die van de moeder. Haar stem, die hij zich nog zo goed herinnert uit de baarmoeder, kan hem extra aanmoedigen bij het vinden van de juiste koers. Daaruit blijkt dat ook zijn gehoor al meedoet bij het leveren van zijn allereerste topprestatie. Heeft hij de plaats van bestemming bereikt, dan vinden zijn lippen automatisch de tepelhof en begint hij te zuigen. Niet zelden kijkt een baby daarbij op naar het gezicht van de moeder en maakt oogcontact met haar.

Het hele proces is een prachtig samenspel van alle zintuigen: geur en smaak, tast, kijken en luisteren. Het laat zien dat al deze zintuigen met elkaar in verbinding staan. Het is gebruikelijk om een baby vlak na de geboorte aan de tepel aan te leggen. Maar als je als ouders de tijd neemt om hem zelf op
ontdekkingstocht te laten gaan, en hem rustig observeert, zul je versteld staan van de wijze waarop hij al zijn zintuigen inzet om zijn doel te bereiken.

Communiceren via je tastzin

Een van de belangrijkste zintuigen die de baby vlak na zijn geboorte tot zijn beschikking heeft, is de tastzin. Het is het zintuig dat zich – ruim voor de geboorte – als eerste ontwikkelt. Al in de baarmoeder voelt het ongeboren kindje dat hij omringd wordt door warmte, vloeistof en weefsel. Als je hem in de baarmoeder voelt bewegen, is hij zijn omgeving al tastend een beetje aan het verkennen. Eenmaal geboren gebruikt hij de tastzin volop om de wereld om hem heen te ontdekken. De huid, het zintuig van de tastzin, vormt de grens tussen het eigen lijfje en de buitenwereld. Door te bewegen ontdekt de baby waar zijn eigen lichaam ophoudt en de rest van de wereld begint. De huid bevat een grote hoeveelheid receptoren; reden waarom een baby het zo fijn vindt om aangeraakt, geknuffeld en gemasseerd te worden. Onderzoeken hebben zelfs aangetoond dat baby’s die niet worden vastgehouden en aangeraakt ernstige lichamelijke en emotionele problemen kunnen krijgen. Communicatie via de tastzin is dus van levensbelang voor een pasgeboren kindje.

Vooral de handen, de lippen en de tong bevatten veel tastreceptoren. Daarom houden baby’s er ook zo van om op hun duim te zuigen. Via de tastzin neemt een baby ook andere belangrijke zaken waar: de temperatuur van zijn omgeving, de structuur van het materiaal van zijn kleertjes, druk of pijn. Zodoende kan hij aangeven dat hij het te warm of te koud heeft of iets hem op een andere manier niet bevalt.

Ook met andere zintuigen verkent de baby de wereld om hem heen. Hoewel hij nog geen duidelijke contouren kan onderscheiden, volgen zijn oogjes al snel vormen en kleuren. Hij zal op geluiden reageren door zijn hoofd in de richting van het geluid te bewegen of zich te ontspannen als hij bijvoorbeeld de stem van zijn moeder hoort. Het geluid van zijn moeders stem kent hij namelijk al vanuit de baarmoeder en dit geluid geeft hem een veilig en vertrouwd gevoel.

Verder is de smaak al ten dele ontwikkeld. Het is bekend dat baby’s van zoete smaken houden. Krijgen ze iets zoets op hun tong, dan beginnen ze enthousiast te sabbelen en ontspant vaak het hele lijfje.

Hoe kun je de werking van de zintuigen bij je pasgeboren baby waarnemen? Dat is eigenlijk heel eenvoudig, als je er maar af en toe de tijd voor neemt. Ga eens een paar minuten naar hem staan kijken. Pak hem niet op om hem te knuffelen, maar observeer hoe hij reageert op prikkels als geluiden en beelden. Wat gebeurt er als je tegen hem praat? Beweegt hij dan zijn hoofdje en andere delen van zijn lijfje? Zoeken zijn ogen je gezicht, proberen ze oogcontact te maken? Tasten zijn armpjes en beentjes om zich heen? Je zult zien dat zijn zintuigen druk in de weer zijn om de wereld om hem heen te ontdekken. Aan zijn gezichtsuitdrukkingen zul je ook zien welke prikkels hij als aangenaam ervaart en welke niet. Zo leer je je baby beter kennen en kun je nog beter inspelen op zijn specifieke behoeften.

‘Toen hij net geboren was had S veel last van darmkrampjes. Daarom gaf ik hem homeopathische druppeltjes. Ik merkte al snel dat hij de zoete smaak daarvan heerlijk vond. Hij begon dan heel stevig te sabbelen met zijn mondje en werd er meteen rustig van. En toen hij zijn eerste prikje kreeg, heb ik hem een klein slokje Roosvicee gegeven. Dat hielp. Het leidde hem duidelijk af.’ *

‘Toen S geboren was, werd hij voor zijn eerste voeding bij mij aan de borst gelegd. Niet lang daarna lag hij een keer op mijn buik en begon hij zich uit zichzelf naar mijn borst toe te bewegen. Hij was op een instinctieve manier op zoek naar mijn tepel om te drinken en vond vanzelf zijn weg. Dat vond ik zo mooi, echt heel schattig.’ *

‘Ik merkte al heel snel dat S op mijn stem reageerde. Zodra hij mijn stem hoorde, zag ik dat hij me met zijn oogjes ging zoeken. Ook als hij muziek hoorde zag ik dat hij reageerde. Hij lag dan heel aandachtig te luisteren.’ *

*Citaten van de moeder van S.

 

Bron: M.H. Klaus, Je wonderbaarlijke baby. –

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

2042

.

 

VRIJESCHOOL- Ontwikkelingsproblemen (6)

.
Als die o zo belangrijke motoriek zich moeizaam ontwikkelt

Marjolein Wolf in Weleda Puur Kind, lente 2004 nr. 13
.

Alles wat leeft is doortrokken van beweging en ritme. Kinderen gaan zich vanaf de geboorte steeds genuanceerder bewegen en uitdrukken. Eerst leren ze rechtop staan en lopen, dan spreken en denken, hoewel deze ontwikkeling voor ieder kind net iets anders kan verlopen. Voor sommige kinderen is het zelfs fijn als je ze er een handje bij helpt. Dat kan met euritmietherapie, een wat zwaar klinkende term voor een speelse vorm om de ontwikkeling van kinderen te stimuleren.

Ik ben een muisje met hele kleine snorhaartjes

Zo maak je motoriek sappig en leuk!

‘De pannenkoek rolt en de pannenkoek rolt.’ De euritmietherapeut  huppelt samen met K van zes in het rond. Ze spelen dat ze pannenkoeken zijn en zingen er het pannenkoekenlied bij. Ze springen en maken draaiende bewegingen met hun armen om het rollen van de pannenkoek na te doen. Tot ze iets tegenkomen op hun pad: een koe. Plotseling zijn ze allebei een koe. Met weidse armgebaren geven ze aan hoe dik de buik van de koe is. De koe zegt dat hij best trek heeft in een heerlijke pannenkoek. Zonder moeite verplaatsen de therapeut en K zich weer in de pannenkoek. Ze kruisen hun armen voor hun borst en maken de koe duidelijk dat zij niet van plan zijn hem als lekker hapje te dienen. ‘Nee!’ klinkt het uit twee monden. Dan rollen ze samen verder. Het volgende wat zij op hun pad tegenkomen is een paardje. Ook het paardje zou best een pannenkoek lusten. K kruist opnieuw zelfverzekerd haar armpjes voor de borst: ‘Nee!’ Bij het verder rollen komen ze allerlei andere dieren tegen. Poes Piedewiet bijvoorbeeld. Pannenkoek K geeft duidelijk aan zich ook door hem niet te laten opeten. De dieren die het pad van de pannenkoeken kruisen worden steeds kleiner. Op het laatst komt er een klein muisje naar hen toe. Met hun vingertjes bij hun mond geven therapeut en K aan hoe klein de snorhaartjes van het muisje zijn. Hoe schattig het diertje ook is, de pannenkoeken zijn niet voor hem bestemd. Want daar komen de stampende kindertjes aan. En ja, dan moet de denkbeeldige pannenkoek er toch echt aan geloven. Therapeut en K maken allebei kauwbewegingen en van de pannenkoek wordt daarna niets meer vernomen.

Het is onnodig aan K te vragen of ze het spelletje leuk vindt. Zelden een pannenkoek gezien die zo straalt van trots en plezier. Het is moeilijk voor te stellen dat K ooit bij de therapeut binnenkwam als een introvert en gespannen kindje. “K komt bij mij vanaf haar tweede,” vertelt de therapeut na afloop van de sessie. “Toen ze hier kwam zat haar motoriek helemaal op slot. Het eerste half jaar heb ik haar alleen maar ritmisch gewiegd. Ik maakte cirkelende bewegingen met haar lijfje in mijn armen. In het begin was haar lichaam helemaal verkrampt. Maar op een zeker moment ontspande ze zich langzaam en begonnen haar beentjes mee te gaan in de beweging.”

Apetrots!

“We waren apetrots!” vult K’s moeder aan. “We hadden al veel meegemaakt met K. Ze werd zeven weken te vroeg geboren. Niet lang na haar geboorte kreeg ze problemen, Ze wilde niet eten en groeide nauwelijks. Daarom kreeg ze sondevoeding. Ook op andere gebieden stagneerde haar ontwikkeling. Mijn man en ik bezochten allerlei artsen, specialisten en therapeuten met haar. Ze hadden allemaal hun mening over het gebied waarin ze gespecialiseerd waren. Ze vergeleken K vaak met leeftijdgenoten en legden haar langs de meetlat van de “normale ^ ontwikkeling”. Maar wat heb je aan zo’n meetlat? Wij vroegen ons af wie K nu echt was. Zo kwamen we op doorverwijzing van de huisarts bij het therapeuticum terecht, waar K zowel fysiotherapie als euritmie kreeg.” De therapeut legt uit dat zij als euritmietherapeut vaak nauw samenwerkt met een fysiotherapeut. De twee vakgebieden vullen elkaar aan. “Terwijl fysiotherapie een ingang zoekt in de ontwikkeling via de tastzin en massage, stimuleert de euritmie het leven, de stromende bewegingen in het lichaam. De antroposofie gaat ervan uit dat in het menselijk lichaam verschillende soorten krachten werkzaam zijn. Er zijn krachten die uit de aarde komen: dat is waar de fysiotherapie mee werkt. De heileuritmie werkt met de zogenaamde “vormkrachten” die uit de hemel komen. Om dit te begrijpen kun je het menselijk lichaam met een beukennootje vergelijken. In zo’n klein nootje zit een hele beuk besloten. Er zal nooit een eik uit groeien. Zo is het met een kinderlijfje ook. Bij de geboorte ligt de hele individuele ontwikkeling erin besloten. Die ontwikkeling is heel persoonlijk. Daarom kun je mensen bijvoorbeeld ook herkennen aan hun manier van lopen. De wijze waarop iemand zich beweegt is even persoonlijk als diens handschrift.”
Euritmie stimuleert de vormkrachten, zodat de individuele ontwikkeling ook werkelijk gaat plaatsvinden. In het geval van K stagneerde deze ontwikkeling omdat zij in haar jonge leventje al veel vervelende ervaringen had gehad. Er was telkens in haar geprikt voor de sondevoeding, slangen erin en eruit. De therapeut: “Dan krijg je als kleintje de indruk dat je lijfje niet echt een fijne plek is om in te wonen. Met de euritmietherapie laten we haar ervaren dat de aardse wereld ook heel mooi kan zijn. We spiegelen haar de aangename kant van het leven. Daarmee nodigen we haar uit om lekkerder in haar lijfje te komen. Hoever we komen zien we wel. Ze hoeft nergens aan te voldoen. We accepteren haar zoals ze is.”

Fysieke en psychische klachten

De therapeut krijgt op haar praktijk kinderen met uiteenlopende problemen. Zij helpt kinderen die slecht eten of slapen, bij wie de motorische ontwikkeling stagneert, maar ook kinderen die bedplassen, erg verlegen of juist buitensporig druk zijn. Fysieke en psychische problemen liggen bij kleine kinderen vaak dicht bij elkaar. Euritmie heeft voor de uiteenlopende klachten verschillende technieken. De therapeut legt uit hoe ze er met euritmie toe heeft bijgedragen dat K op een zeker moment is gaan eten. “We hebben spelletjes gedaan waarbij K met haar hele lijfje de beweging van de spijsvertering nabootste. Eten is iets uit de buitenwereld tot je nemen. Het is een beweging van buiten naar binnen.”
De therapeut gaat samen met K in een treintjeshouding zitten. Tuf tuf, doet het treintje. Als het bij een halte stopt, doen de therapeut en K hun armen wijd, alsof ze hun deuren openen voor mogelijke passagiers. Nadat er iemand is ingestapt geven vier armen aan dat de deuren weer dicht gaan. K en de therapeut tuffen verder, om even later weer met open armen een buitenstaander binnen te laten. “Je opent en je neemt terug,” verklaart de therapeut. “Zo maak je je lichaam vertrouwd met de natuurlijke bewegingen van de stofwisseling. De spijsvertering wordt wakkerder.’ ‘Op soortgelijke wijze hebben we de spraakontwikkeling van K gestimuleerd. Ook het praten kwam bij haar relatief langzaam op gang. Als je gaat praten moet je gezicht een steeds fijnere motoriek gaan ontwikkelen. Bij het pannenkoekenspel komen wij steeds kleinere dieren tegen. Bij de koe maken we grote bewegingen om zijn dikke buik aan te geven. Het muisje heeft daarentegen een heel klein mondje, waarbij we met heel kleine bewegingen van onze vingers het praten aangeven. De dieren hebben ook allemaal verschillende uitdrukkingen. Zo maak je de motoriek van het gezicht sappig en leuk. We hebben het pannenkoekenspel eindeloos herhaald om dit steeds te oefenen.” Eindeloos herhaald of niet, als het aan K ligt mag het pannenkoekenspel nog wel even doorgaan. Moeilijke woorden als spraakontwikkeling en euritmietherapie zeggen haar niets. De therapeut? Dat is gewoon die lieve mevrouw die elke week leuke spelletjes met haar doet!

.

Meer info: Nederlandse vereniging voor euritmie therapie

Ontwikkelingsproblemen – onder opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2131

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over ontwikkelingsfasen – alle artikelen

.

In 1906 spreekt Rudolf Steiner voor het eerst over de ontwikkelingsfasen van een kind. In 1907 verschijnt zijn eerste pedagogisch werk(je) op schrift: ‘De opvoeding van het kind (in het licht van de geesteswetenschap [in sommige vertalingen: ‘in het licht van de antroposofie’]

Met name in de pedagogische voordrachten die vanaf 1919 gehouden worden, komen de fasen met grote regelmaat ter sprake. 
Zoals we dat vaak bij Steiner zien, worden er telkens weer andere gezichtspunten aan toegevoegd of het onderwerp vanuit een ander standpunt belicht.

In GA 293 komen ze in voordracht 9 aan de orde. Rond zijn uitspraken daar, worden zijn overige opvattingen over de ontwikkelingsfasen gegroepeerd.

Hier zullen de verwijzingen volgen:

(1e) ONTWIKKELINGSFASE 0 – 7  JAAR

[9-1-1/1]
De ontwikkelingsfasen in GA 96 voordracht 4, 14-05-1906, die van 0 – 7; nabootsing, spel, fantasie; de geboorte van ether- en astraallijf – beschouwd als de geboorte van het fysieke lichaam vanuit de beschermende omhulling door de moeder

[9-1-1/2]
De ontwikkelingsfasen in GA 94 voordracht 19, 28-06-1906 die van 0 – 7; spel, fantasie; invloed van omgeving

[9-1-1/3]
De ontwikkelingsfasen in GA 34 artikel 33, vertaald als ‘De opvoeding van het kind (in het licht van de geesteswetenschap/antroposofie) die van 0 – 7; nabootsing, niet alleen uiterlijk, invloed van omgeving; ook moraliteit; orgaanvorming, m.n. ‘morele’ hersenen; spel en speelgoed, fantasie;

[9-1-1/4]
De ontwikkelingsfasen in GA 55 voordracht 6, 01-12-1906, op deze blog vertaald

 

Op deze blog wordt ook op andere plaatsen over de ontwikkelingsfasen gesproken door auteurs die daaraan artikelen wijdden. Zie daarvoor:
.

  Ontwikkelingsfasenalle artikelen

.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2121

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid – alle artikelen

.

[1] Wanneer is een kind schoolrijp
Hannie Rienks over: essentie: veranderingen op lichamelijk en geestelijk gebied; vb. daarvan; verschil in de kleuterklas bij de jongere en oudere kleuters; verschil in spelen; in opruimen; verschil in tekenen; in luisteren naar een verhaal; welke vaardigheden heeft de schoolrijpe kleuter; individuele verschillen.

[2] Schoolrijpheid
Onbekend over: veranderingen bij de kleuter: lichaamsverhoudingen, tanden, bewegingen, spel; verschil jongste en oudste kleuters; concentratie, vaardigheden; verschil in tekeningen; rijpheid in denken, voelen en willen; 

[3] Wanneer is een kind schoolrijp?
Geri Arentzen over: rijpheid is groeien; uitingen van de vormkrachten inde groei; veranderingen, o.a. tanden en spel; verschil jongste en oudste kleuter; verschil in tekeningen; 

[4] Schoolrijpheid
Aart van der Stel over: de ontwikkeling van een kind, is geen rechte lijn, gaat met sprongen/fasen; lopen, spreken, denken; het ontstaan van het Ik; spel; ontwikkeling naar doelgerichte wil; zijn de groeikrachten ‘vrijgekomen’?

[5] De kleuter naar de eerste klas

 

Van kleuter naar eerste klasser

 

Zie ook een interessant gezichtspunt van Ewald Vervaet i.v.m. het leesvaardigheidsvermogen van kleuters.

Ook van hem: wat is schrijf- en leesrijpheid

I.v.m. dyslexie en leren lezen, in dit artikel veel criteria bij schoolrijpheid

Kleuters: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2111

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-11)

.
Noor Prent, Weleda Puur Kind, lente 2009 nr. 9.
.

De box
.

De box vormt door zijn beperkte afmetingen en beslotenheid een veilige speelruimte voor je baby. En als je hem goed weet te gebruiken, verandert de functie van de box ook nog eens met het groeien van je kind. Dan kan het een geweldig middel zijn om jullie beiden te helpen bij het vinden van een goed dagritme.

I’s acht maanden oude zoon R is een gezond, stevig ventje dat lief en toch ook sterk uit zijn ogen kijkt. Met R gaat alles voorspoedig. Hij slaapt goed, brengt al een lepel naar zijn mond, maakt pruttel- en blaasgeluidjes, reageert enthousiast op zijn zusje en lacht veel. Op mijn vraag hoeveel tijd hij in de box doorbrengt, antwoordt I dat die de laatste tijd niet meer zo in trek is. ‘Want in de box,’ zo vertelt I, ‘is zijn stemming meestal heel anders dan wanneer hij op het kleed ligt te rollen en te tijgeren. Heel mat of juist erg temperamentvol en dwingend. Volgens mij werkt het niet meer zo goed.’

Veiligheid en rust

Voor een zuigeling is de box een plek waar hij rustig kan liggen en de kleuren, geuren en geluiden van het huis in zich kan opnemen. Met een warme omslagdoek om en eventueel een dun mutsje ligt hij er dan behaaglijk bij. Door het (open karakter van de box kunnen er, vooral bij heel kleine of onrustige baby’s, wel veel zintuigindrukken binnen komen. Dat kun je wat beperken door -in de eerste tijd drie kanten van de box (en eventueel ook de helft van de bovenkant) te omkleden met een doek. Roze-rode tinten zijn hiervoor het meest geschikt omdat die een sfeer van veiligheid en rust creëren.

Zo rond de zes maanden kan je baby al wat beter indrukken verwerken. Je kunt de doeken dan weghalen. Hij begint nu ook actief mee te doen met alles wat hij hoort en ziet: pakt en betast speelgoed, steekt het in zijn mond en timmert ermee op los. Er ontwikkelt zich een steeds gevarieerder scala aan geluidjes en je kunt al grapjes maken of een gesprekje voeren met je kind. Voorlopig is hij nog tevreden met de box als ontdekkingsveld.

Ontdekken

Wanneer het omrolstadium is gekomen, werkt het stimulerend wanneer je hem ook af en toe op een kleed op de grond legt. Hij zal dan, rollend en schuivend op zijn buik, stukje voor stukje de kamer buiten het kleed gaan ontdekken. In deze fase kun je perioden van actief zijn afwisselen met korte rustpauzes. Sommige kinderen geven zelf aan dat ze even een kleiner wereldje nodig hebben om tot zichzelf te komen. Ze gaan stilletjes liggen luisteren of nagenieten van hun activiteiten. Maar de meeste kinderen kennen hun eigen grenzen daarin (nog) niet. Ze zijn zo enthousiast de wereld aan het ontdekken dat ze niet van ophouden weten. Nu komt er een nieuwe functie voor de box in zicht. De vertrouwde, veilige plek waaraan je kind vanaf zijn babytijd gewend is geraakt, wordt nu bij uitstek de plek om tot rust te komen en de opgedane indrukken te verwerken. Daar krijgt hij de gelegenheid te ervaren hoe weldadig een rustpauze is en leert hij in geborgenheid met zichzelf alleen te zijn.

Geen zin meer

Dat klinkt allemaal mooi, maar juist nu blijkt je baby helemaal geen zin meer te hebben in de box. Hoe krijg je het voor elkaar om onverstoorbaar je eigen gang te gaan, wanneer je dreumes in de box staat, en je op niet mis te verstane manier duidelijk maakt dat hij er uit wil? Dat lukt je alleen wanneer je overtuigd bent van de positieve pedagogische functie en die zekerheid ook uitstraalt. Bij het opbouwen van die innerlijke zekerheid kun je veel steun hebben aan de
keukenwekker. Op vaste boxtijden (bijvoorbeeld drie keer per dag), zet je de wekker op twintig minuten. Je zet je kind in de box, geeft hem iets om mee te spelen, vertelt hem rustig dat hij daar mag spelen tot het klingeltje gaat en jij hem er weer uit komt halen (dit vooral ter bevestiging van je eigen besluit). Vervolgens ga je zingend of fluitend je voorgenomen bezigheid oppakken. Laat hem wel horen dat je in de buurt blijft. Als de wekker afgaat, haal hem er dan ook echt uit, ook al vermaakt hij zich op dat moment juist prima. Het feit dat jij je aan de afspraak houdt, geeft hem een veilig gevoel. Bovendien leert zijn biologische klok zich in te stellen op de tijd dat de wekker loopt en zal hij de twintig minuten steeds makkelijker overbruggen.

Tijd voor jezelf

Die twee of drie boxperioden per dag kun je voor jezelf benutten zonder het gevoel te hebben dat je je kind aandacht ontneemt. Het is ideaal wanneer je dit patroon kunt volhouden tot je kind zo’n jaar of anderhalf is. Juist in de enorm dynamische periode van steeds sneller kruipen naar staan, lopen en overal bij en aan kunnen komen, kan de box een weldaad zijn. De wereld wordt nu immers wel heel groot en spannend voor je dreumes. Als het je is gelukt op gezette tijden rustmomenten in de box in te bouwen, hebben jij en je kleine ontdekkingsreiziger daar nu veel profijt van.

Na anderhalf jaar merk je meestal dat de box zijn functie begint te verliezen. Als het een erg vertrouwd plekje is geworden, kun je de box toch nog even in ere houden door hem iets te verbouwen. Wanneer je enkele spijlen doorzaagt en met een paar latjes en een scharnier een deurtje maakt dat je peuter open en dicht kan doen, kan hij zelf besluiten wanneer hij zijn ‘huisje’ in of uit wil gaan. Een paar kussens erin en er ontstaat al een gezellige speelplek die nieuwe mogelijkheden biedt. Zo kan je kind prettige herinneringen aan zijn box overhouden.
.
voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl.
.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

2076

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-10)

.

Dit artikel gaat vooral over de huid, m.n. die van de allerkleinsten.

Annemiek v.d Krogt, Weleda Puur Kind,
.

kwetsbaAr en open

De huid van een baby of een klein kind is nog erg kwetsbaar en kan heftig reageren op prikkels. Dat uit zich al snel in de vorm van vlekjes, huiduitslag of eczeem. Dat is lastig, maar ook handig, want zo laat de jonge huid zich lezen als een verhaal en weet je meteen hoe je je kind het beste kunt verzorgen.

Te grove zeef

Onze huid vormt de grens tussen ons lichaam en de buitenwereld. Maar van de babyhuid kun je dat nog niet zeggen. Die heeft zich namelijk nog niet helemaal gesloten. In het begin kun je de huid van een baby het beste vergelijken met een te grove zeef: ze staat open voor alles. Zeker in het begin wordt een baby overspoeld door nieuwe indrukken en geluiden die ongefilterd naar binnen dringen. En de sensaties van binnenuit, zoals honger, pijn of slaap zijn ook nog overweldigend. Daarop reageert een baby met z’n geluid, maar vooral ook met zijn huid. Want hij laat je door zijn huid direct zien of hij lekker in zijn vel zit of niet. Als je er oog voor hebt, vertelt je baby al snel hele verhalen via z’n huid.

Hoe ga je om met zo’n prille huid?

De jonge huid is vooral zo kwetsbaar door haar openheid. Daarom is het belangrijk haar te beschermen tegen ongewenste invloeden van buitenaf. Je kunt natuurlijk ook op een positieve manier gebruik maken van die openheid. Want je liefdevolle aandacht, het timbre van je stem, zachte kleuren, een mooie melodie en de behaaglijkheid van natuurlijke materialen als wol, zijde of katoen vormen een weldadige omhulling die ook direct tot je baby doordringt. En door een lichte massage met een plantaardige olie geef je de ontvankelijke huid extra stimulerende warmte. Verder bouw je met gezonde voeding van binnenuit aan de gezondheid van de huid. Met een roze, warme, goed doorbloede huid antwoordt je baby dat hij zich behaaglijk voelt. En met een onrustige, vlekkerige huid vertelt hij dat de harmonie is verstoord.

Warmte, regelmaat en rust

Je baby geeft dus onbewust al goed aan hoe hij in zijn vel zit. Daar kunnen wij als volwassenen op inspelen door zijn directe omgeving zo goed mogelijk af te stemmen op zijn behoeften. Wie goed kijkt en luistert voelt vanzelf aan hoe hij dat kan doen: het is eenvoudig een kwestie van vraag en antwoord. Warmte, regelmaat en rust zijn van groot belang, vooral in het begin. Omdat je baby die warmte nog niet altijd voldoende zelf kan aanmaken, moet deze van buiten komen in de vorm van een kruikje of warme kleding. Kleding van wol of katoen geven je baby een natuurlijk, ademend en warmtevasthoudend laagje en fungeren hiermee als een tweede huid. Wrijf je je baby daarnaast in met een plantaardige huidolie, dan vormt zich op de huid een warmtelaagje waardoor je baby altijd aangenaam warm is. Zijn energie kan hij dan volledig besteden aan zijn groei en ontwikkeling.

Ook producten gaan ongefilterd naar binnen

Niet alleen komen bij het jonge kind veel indrukken ongefilterd binnen, ook laat de kwetsbare huid allerlei stoffen uit huidverzorgingsproducten makkelijk door. Want zelfs babyverzorgingsproducten zijn in dit prille stadium nog letterlijk indrukwekkend: die kunnen dus beter niet te dominant zijn, wil je huidirritaties vermijden. Daarom is het van belang de tere huid bij de verzorging stoffen aan te bieden die volledig bij haar aansluiten. Zuiver plantaardige oliën zoals olijfolie, zonnebloemolie en sesamolie zijn verwant aan onze huid. De huid neemt deze plantaardige oliën graag op, want ze schenken haar de zonnewarmte die ze in hun vruchten en zaden hebben opgeslagen en staan voedingsstoffen, zoals vitamines, af, die de zich ontwikkelende huid zo hard nodig heeft.

Dé natuurlijke babyolie

Calendula-producten geven de huid een warme omhulling. Met name Calendula Babyolie is bij uitstek geschikt voor een dagelijkse portie extra warmte. Wrijf je je baby na het bad of voor het naar bed gaan goed in met Calendula Babyolie, dan voedt dit het natuurlijke beschermlaagje (huidvet), dat door het baden dunner is geworden. Ook voor een verwarmende massage is de olie zeer geschikt.

De massagebewegingen laten een kind de grenzen van zijn lichaam ervaren, wat een beschermend en rustgevend gevoel geeft en ervoor zorgt dat hij zich thuis gaat voelen in zijn lichaam. Bij buikkrampjes kan een inwrijving heilzaam werken. Wrijf de olie eerst tussen je handen waardoor deze warm worden. Masseer de pijnlijke buik dan zachtjes, met de klok mee.

Calendula Babyolie bevat geen etherische oliën omdat deze nog te prikkelend zijn voor de prille en gevoelige huid. Uiteraard heeft Weleda er ook geen synthetische conserveringsmiddelen of kleur- en geurstoffen in verwerkt. Als je nog niet zo veel ervaring hebt met producten zonder synthetische ingrediënten, is de geur van deze eenvoudige olie misschien wel even wennen, maar na verloop van tijd zul je merken hoezeer je de plantaardige extracten van kamille en Calendula en de sesamolie gaat waarderen: gewoon puur natuur, net als je baby.

Biologische sesamolie

Het biologische sesamzaad voor de sesamolie in Calendula Babyolie komt uit Burkina Faso, Sudan, Mexico en India.* In deze landen staan de sesamplanten op grote velden in een droog, vlak gebied waar de zon de hele dag schijnt. Vier tot vijf maanden nemen de planten al het zonlicht in zich op waarna ze met de hand worden geoogst. De oogst vindt plaats tussen september en januari en in Mexico tussen november en april. De planten blijven twee weken op het land liggen om te drogen in de zon zodat ze nog eens extra zonnewarmte in zich opnemen. Daarna worden de zaden gepeld en nogmaals te drogen gelegd. Dan hebben ze al het zonlicht en de zonnewarmte omgezet in een rijke olie. Deze wordt gewonnen door koude persing. Voor een liter olie is zo’n drie kilo sesamzaad nodig. Het resultaat is een goudgele olie vol zonnewarmte die Weleda graag in haar producten verwerkt.

 

*niet helemaal duidelijk is of dit nu [2020] ook zo is.
.

Meer over dit product

.

Zintuigen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

.

2047

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-9)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit. 
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Noor Prent, Weleda Puur Kind, lente 2001 nr.7
.

Billenschuiven, tijgeren en kruipen

In de kruipfase leert een baby zich in de ruimte te oriënteren. Dat geeft hem straks extra zekerheid bij het staan en lopen. Hoe stimuleer je dus je kind zich om te rollen of te tijgeren?

Als A met haar zoontje J van 9 maanden binnenkomt, is hij al gemeten en gewogen. A vertelt dat de voeding met Nanny – een volledige zuigelingenvoeding van geitenmelk – haar allergische zoon goed bevalt. Hij heeft nog wat licht eczeem maar daar kan A mee leven.

Als J verkouden is of tanden krijgt en zijn weerstand even wat minder is, flakkert zijn eczeem wel op. Ik raad A aan dan een depvloeistof te maken van een mengsel van sterke kruidenthee (rooibos en/of brandnetel) en Calendula Essence , 20% (Weleda). Dat zal de vurige plekken op zijn huid tot rust brengen.

J is een goedlachs ventje. Lichamelijk is hij wat gemakzuchtig en ik ben dan ook benieuwd naar zijn motorische ontwikkeling. Enthousiast vertelt A dat J nu van zijn rug naar zijn buik rolt en terug. Hij kan ook zitten, maar kruipt nog niet. Ik vraag A hoe hij tot zitten komt. A: ‘Ik zet hem rechtop. Vaak verveelt hij zich in de box, rolt tegen de spijlen en ligt dan zielig te huilen als zijn beentje klem zit. Maar als ik hem neerzet, speelt hij lekker rustig.’

Hoewel het goed te begrijpen is dat je je baby op deze manier ter wille bent, vertel ik A dat je er ook rekening mee moet houden dat die hulp een keerzijde heeft.

Omrollen en tijgeren

Het natuurlijke verloop van de motorische ontwikkeling begint als een baby zich oefent in het fixeren van de ogen. Na 4 à 6 weken kijkt je kind je echt in de ogen en kan hij jouw blik vasthouden.
Al snel leert hij om datgene wat hij fixeert ook met zijn ogen en hoofd te volgen. Met een maand of drie kijkt hij naar zijn voorbij maaiende handjes en leert die langzaam te richten.

Als ze een half jaar zijn kunnen de meeste baby’s op hun zij rollen en ook voorwerpen naast zich pakken. Dan volgt het omrollen. Eerst alleen van rug naar buik. Vaak moet je in het begin nog helpen je baby weer op de rug te leggen, want hij wordt gauw moe van de buikligging. Maar al snel zal hij de kunst van het zelf terugrollen meester zijn en zo mogelijk de hele kamer door rollen.

De uitdaging om iets te pakken wat buiten zijn bereik ligt, stimuleert de baby tot vooruit bewegen op de buik, het ‘tijgeren’.
De volgende stap is een soort tenthouding, op handen en voeten, met het achterwerk omhoog. Vervolgens schuiven de knietjes eronder en leert hij kruipen. Vanuit de kruiphouding ontdekt de baby dat hij kan gaan zitten. Maar al voordat hij uit zichzelf gaat zitten, is de rugmotoriek stevig genoeg om het bovenlichaam zonder steun rechtop te houden. Dan kun je hem ook best korte tijd in de kinderstoel of het fietszitje zetten. Maar een paar overwegingen pleiten ervoor hem niet op zijn billetjes neer te zetten.

Kruipen en staan

Veel baby’s die zitten voor ze leren kruipen, slaan het kruipen gewoon over. Ze worden billenschuivertjes, die vanuit zithouding leren staan en lopen. Maar juist bij het kruipen kan een baby ervaren hoe zijn lijfje zich verhoudt tot de hem omringende ruimte. Hij is met zijn hele lichaam actief en voelt wat boven en onder, links of rechts, voor en achter is. Zo bereidt hij zich voor op het staan en lopen. Het is voor een kind een enorme vrijheidsbeleving wanneer het zichzelf vanuit de kruiphouding ontworstelt aan de zwaartekracht en staande zijn evenwicht in de ruimte vindt. Als de kruipfase eenmaal is overgeslagen, haalt een baby dit aspect van zijn ontwikkeling niet meer in.

Er kleeft nog ander nadeel aan de toewijding waarmee A haar baby rechtop zet in de box. Dat een baby het niet fijn vindt om in de box alleen maar te liggen, berust meestal op een invulling van de ouders. Dat idee vind je bevestigd als gejengel of gehuil uit de box klinkt. Om van je eigen gevoel van onvrede af te zijn, help je hem overeind. Dat kan het begin vormen van de vicieuze cirkel van ‘u vraagt en wij draaien’. Zo’n gedragspatroon slijpt er snel in, maar is o zo moeilijk weer te doorbreken. Je kind zal er later steeds weer naar teruggrijpen wanneer het iets wil, maar niet zelf in actie wenst te komen.

Frustratie overwinnen

Beter is het wanneer je je terughoudend opsteit en kijkt hoe je kind omgaat met zijn frustratie over iets dat hem niet lukt. Het steeds weer opnieuw proberen – en de strijd uiteindelijk winnen – heeft een enorm gunstig effect op de ontplooiing van zijn wilskracht. Je neemt niets van hem over, maar schept wel de voorwaarde waarbinnen je baby zijn motoriek veilig kan ontwikkelen. Natuurlijk zijn er kinderen die, zoals J, een extra stimulans nodig hebben om hen wakker te maken voor nieuwe uitdagingen. Dat kun je doen door bijvoorbeeld een paar keer per dag de bewegingsruimte te vergroten en je baby op een kleed in de kamer te leggen. Daarna kan hij in de rust van de box verwerken wat hij heeft geleerd.

Maar juist bij kinderen die wat traag zijn in hun ontwikkeling is het van groot belang hen – naast het bieden van stimulerende voorbeelden – zo min mogelijk te helpen en zoveel mogelijk eigen inzet te laten tonen. 
.
voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.
Dr. Mesker deed onderzoek naar de samenhang tussen kruipen en leren: De menselijke hand.
Daarop gebaseerd zijn er verdere publicaties verschenen over het belang van de motorische ontwikkeling.

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

2010

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
Marjolein Wolf, Weleda Puur kind, lente 2006, nr. 17
.

Onbevangen op ontdekkingsreis
.

Negen maanden lang is de baby omsloten door natuurlijke grenzen. En dan, plotseling, komt hij terecht in de wijde wereld, in zijn blootje: een en al huid. Dit ( tuurlijke jasje is zijn steun en toeverlaat op de ontdekkingreis die voor hem ligt. Hoe bied je jouw baby én zijn huidje de bescherming die hij nodig heeft. En wat kan hij zelf? Deze vragen legden we voor aan pedagoge Hanne Looij.

Wie een pasgeboren baby in de wieg ziet liggen, kan zich verbazen hoe afhankelijk zo’n kleintje is van de mensen om hem heen. Hij lijkt niets te kunnen, maar schijn bedriegt. Want al vanaf het eerste moment is hij bezig met het verkennen van zijn grenzen. En in het begin heeft hij maar één instrument tot zijn beschikking om dit te doen en dat is zijn lijfje. Of beter gezegd: zijn huid.

De ene huid is de andere niet en dat geldt ook voor baby’s. Dat neemt niet weg dat iedere babyhuid in diverse opzichten verschilt van die van een volwassene. Zo is hij bijvoorbeeld vier tot vijf keer dunner, wat komt doordat bepaalde elementen nog nauwelijks zijn ontwikkeld. Bij volwassenen bestaat het bovenste laagje van de huid uit een hoornlaagje: een beschermend laagje dat voornamelijk uit dode cellen bestaat. Dat laagje is bij baby’s nog niet aanwezig. Ook heeft de babyhuid nog bijna geen haar. Vandaar dat deze zo zacht aanvoelt en er zo glanzend uitziet. Zelfs de handpalmen en de voetzolen – bij volwassenen vaak met eelt bedekt – voelen bij een baby nog aan als fluweel. Tel daarbij op dat de babyhuid nog een relatief laag vetgehalte heeft en je kunt je voorstellen dat het geheel dun en kwetsbaar is.

Een kring van lieve mensen

Maar er zijn meer redenen waarom de huid van de baby supergevoelig is. Hier bevinden zich namelijk ook receptoren, die prikkels van buitenaf aan de hersenen doorgeven. Zijn dat er bij de volwassen huid al een paar duizend per vierkante centimeter, bij de babyhuid is deze dichtheid nog hoger. De meeste receptoren liggen in de vingertoppen, in de lippen en de tong. Dat verklaart waarom een baby’tje alles wat hij te pakken krijgt in zijn mond wil stoppen: op deze manier neemt hij de wereld om hem heen waar. De huid is het zintuig van de tastzin en de steun en toeverlaat op de grote ontdekkingsreis die voor hem ligt. Want wie is hij en hoe zit de wereld in elkaar? Maar om daar achter te komen, heeft hij ook mensen nodig. En het liefst mensen die van hem houden. Onderzoeken tonen aan dat liefdevolle aanraking in de eerste weken een grote invloed heeft op de ontwikkeling van een mens. Kinderen die veel gestreeld en gemasseerd worden, ontwikkelen aantoonbaar meer lichaamsbewust-zijn en een hoger zelfbewustzijn dan zij die dergelijke aanrakingen moeten ontberen. 

Hé, een lijf!

Een baby’tje vraagt om omhulling, in alle opzichten: om kleertjes om hem heen, om de beslotenheid van een wiegje, maar ook om de koesterende armen van zijn ouders, ieder contact, of het nu met een hand is of met een luier, leert hem iets over zichzelf. Zo begint hij te beseffen dat hij een lichaam heeft dat ergens ophoudt, dat zijn grenzen heeft. Kun je hem als ouder daarbij ondersteunen?

‘De meest directe manier om je baby de grens van zijn lijfje te laten beleven, is door hem regelmatig te masseren en hem van top tot teen zachtjes in te wrijven met een olie,’ antwoordt Hanne Looij op mijn vraag.
‘Maar ook door weerstand, bijvoorbeeld als je hem een trappelzak aandoet of zijn beentjes in een flanellen luier wikkelt. Al trappelend en maaiend, merkt hij dat hij armpjes en beentjes heeft. Waar het om gaat is dat hij niet in een lege ruimte trappelt, maar zichzelf beleeft als hij beweegt. Soms kun je een baby bijna zien beseffen: Hé, ik heb blijkbaar een lijf!
En als je hem met zijn hele lijfje in een omslagdoek wikkelt, vindt hij dat ook heerlijk. Tenminste, de meesten. Begrenzing geeft rust. Daarom is het ook een belangrijke hulp voor een baby om in slaap te kunnen vallen. Het spreekt voor zich dat je niet moet overdrijven. Hij moet niet het gevoel krijgen dat hij in een ijzeren harnas zit.’

Tot hier en niet verder

‘Voor een goede start, adviseer ik ouders altijd om de eerste weken na de geboorte de natuurlijke begrenzing van de baarmoeder een beetje na te bootsen’, zegt Hanne. ‘Dus kleed je kindje de eerste maanden in verschillende laagjes en gebruik daarvoor het liefst natuurlijke materialen zoals wol en katoen: die ademen. Zijn kleertjes worden zo een extra huidje, iets dat bij hem hoort. Dat geeft hem een veilig gevoel. En vergeet het hoofdje niet. De fontanel is nog open en vaak hebben baby’s nog maar heel weinig haar. Bovendien is het hoofd van een baby in verhouding een groot deel van zijn lichaam; via zijn hoofd kan hij dus erg veel warmte verliezen. Door het te bedekken met een mutsje, scherm je hem af. Je legt eigenlijk een grens aan, zo van: je komt tot hier.’

Je neus stoten hoort erbij

‘Natuurlijk heeft een grens meer functies. De muren van je huis beschermen je tegen invloeden van buitenaf, maar daarnaast beperken ze je ook. Als je naar buiten wilt, kun je niet door de muur heen lopen. Probeer je dit toch, dan stoot je je neus. Deze uitdrukking betekent dat je geconfronteerd wordt met jezelf. En dat is wat een grens ook doet. Die maakt je bewust van een stuk van jezelf dat je nog niet kende. Iedere uiterlijke beperking is een uitdaging om innerlijk sterker te worden.

Als je baby bijvoorbeeld in de box ligt en gewoon een beetje aan het mopperen is vanwege een kleine ongemakkelijkheid, pak hem dan niet direct op. Door hem even te laten liggen, wordt hij een moment op zichzelf teruggeworpen. Misschien is die ervaring niet aangenaam, maar hij vormt wel een basis voor groei en ontwikkeling. Je geeft je kind de kans te ontdekken dat hij kleine probleempjes ook heel goed zelf kan oplossen. Zo beleeft en ontwikkelt hij zijn eigen innerlijke kracht.

Als je nooit de beslotenheid van je eigen wezen ervaart, ontwikkel je ook geen gevoel van eigenheid. En zou je ook nooit de ander kunnen begrijpen. Een baby beleeft dit natuurlijk nog onbewust, maar dit soort ervaringen zijn een voorwaarde om later tot een bewuste beleving van dit gevoel te komen. In feite is de hele opvoeding erop gericht om dit proces zo evenwichtig mogelijk te laten verlopen.’ 

KLEINE ANTENNETJES

Haartjes beschermen niet alleen de tere babyhuid, ze tasten ook af wat er om hen heen gebeurt. De zenuwen rond de haarwortels reageren al wanneer een zuchtje wind de babyhaartjes 0,001 millimeter ombuigt.

UIT DE ZON

Om de huid te beschermen maken de pigmentcellen in de opperhuid de bruine kleurstof melanine aan. Onder invloed van de zon neemt die activiteit sterk toe, maar niet bij baby’s. Zij moeten het nog zonder deze natuurlijke bescherming stellen. Zet daarom het eerste jaar je baby niet in de volle zon.

.
Zie in dit artikel een hersenfoto van een kind dat aandacht kreeg en van een kind dat dit niet kreeg.

Hanne Looij: Caleidoscoop van een levende pedagogie.
.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1973

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen – 0 – 7

.

Weleda Puur Kind, herfst 2005, nr.16
.

Kijken is een leerproces

Hoe leren we zien? Waarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren en aan welke visuele indrukken hebben zij behoefte bij hun ontwikkeling? Mirre Bots sprak met oogarts Wim Huige en kinderarts Edmond Schoorel.

‘Ogen zijn de spiegels van de ziel. Bij kinderen is dat bij uitstek te zien. Door hele grote kijkers kijken ze vol verwondering de wereld in. Hun ogen lijken zo groot omdat de pupillen veel groter zijn dan die van bijvoorbeeld bejaarde mensen,’ legt oogarts Wim Huige uit.
‘Door het leven getekend en met eelt op zijn ziel laat de oude mens zich niet meer goed in zijn ogen kijken, terwijl kinderen nog vol bewondering de wereld in zich opnemen en ze voor de meeste mensen een open boek zijn. Het verschil in
pupilgrootte is een normaal, fysiologisch gegeven.’

De wereld leren ontmoeten

Wim Huige: ‘Een ander prachtig cadeau van de natuur is dat kinderen bij de geboorte een lenssterkte van +3 tot +5 hebben. In de loop van de eerste zeven tot acht jaar vermindert deze sterkte van de lens, om rond nul uit te komen. Willen kinderen vanaf het begin al goed te kunnen zien, dan moeten ze zich dus inspannen om die lenssterkte van +3 tot +5 te overbruggen. Dat doen ze door te accommoderen, oftewel het leren focussen van het beeld. Dit is een aangeboren, natuurlijk proces. Het is tegelijkertijd een leerproces om vertrouwd te raken met hun eigen lijfje en de wereld om hen heen.’
Tot ongeveer het zevende jaar rijpt de oogzenuw uit. Het gezichtsvermogen kan hierna eigenlijk niet meer worden verbeterd. Vanaf nu gaan kinderen diepte zien en kunnen ze in het verkeer gaan inschatten hoe ver een auto van hen vandaan is. ‘Daarvóór kun je ze wel een helmpje opzetten, maar dat helpt hen niet in het leren anticiperen op de omgeving.’

Een hang naar echt

Het oog is bij uitstek het orgaan om de wereld mee te ontmoeten. Huige: ‘Het begint al bij een baby die vol overgave aan de borst ligt. Elke moeder kent dat wel, dat haar baby haar dan zo intens kan aankijken. De moeder kijkt liefdevol terug. Die liefde van de moeder is de prikkel om te kijken. Het kind wil met zijn oog de wereld om hem heen leren kennen. Daarbij kan het de eerste jaren vanwege die oogsterkte nog niet zo goed differentiëren. In eerste instantie heeft het kind een natuurlijke hang naar gewone, echte dingen als een manier om de wereld te leren herkennen. Daarom kijken kinderen graag naar primaire kleuren. Rood is rood en groen is groen.’

Kinderarts Edmond Schoorel vult aan: ‘Via zijn ogen kan een kind ervaren hoe de werkelijkheid eruit ziet. Een glazen vaas die op een harde grond kapot valt, spat in duizend stukjes uiteen. Dat zegt dus iets over glas. Maar een kind ziet alleen die dingen min of meer bewust waar hij de begrippen van kent. Als een kind bijvoorbeeld iets dat rond is een bal gaat noemen, heeft het een begrip geleerd. Naarmate de hoeveelheid begrippen ruimer wordt, gaat het kind meer zien. Een prullenbak van gevlochten riet leert een kind wat riet is en wat gevlochten is. Ons oog is erop ingericht dat je met het begrip riet en gevlochten naar buiten gaat en dat vervolgens ziet.’

Steeds dezelfde plaat

Ouders zouden hun kinderen niet te veel visuele prikkels moeten aanbieden, vindt Schoorel. ‘Een kind zit het liefst rustig op schoot om zich heen te kijken. In een kamer of tuin valt al genoeg te zien, daar hoef je nog niet allerlei prikkels aan toe te voegen. Als je met je kind zomer en winter hetzelfde rondje loopt, wordt het voor jou misschien saai, maar hij ziet dezelfde wereld steeds in een andere verschijningsvorm: met sneeuw, groene blaadjes of kale takken. Hij kijkt zijn ogen uit. Ook op zijn kamertje is één bepaalde plaat aan de muur genoeg. Je hoeft daar niet steeds iets anders leuks of flitsends op te hangen. Steeds dezelfde plaat zien geeft het kind juist het gevoel “hier hoor ik”, “hier ben ik veilig”. En dat heeft een kind weer nodig om vanuit een veilige haven de wereld te kunnen gaan ontdekken.’»

RODE EN ONTSTOKEN OOGJES

Kleine kinderen lopen gemakkelijk rode of ontstoken oogjes op. Ze zitten veel bij en aan elkaar en zijn bevattelijk voor allerlei virussen die de slijmvliezen prikkelen. Toch zijn die rode oogjes meestal onschuldig. Dat kun je zien aan het oogwit: als dat wit blijft, kun je de klachten zelf verlichten door een kompres met kamillethee of ogentroost.[1] Ook kun je de oogjes met een watje gedrenkt in gekookt water schoonwrijven. Wrijf wel naar de neus toe. Als het lang duurt of echt om een ontsteking gaat (te zien aan het oogwit dat ook rood wordt), dan is een bezoekje aan de dokter raadzaam.

Heeft een baby vanaf de geboorte regelmatig pus in zijn oogjes, dan kan het een verstopt traanbuisje zijn. Hiervan gaat 95 procent vóór het eerste jaar spontaan open en dan is een ingreep om het te verhelpen niet nodig. Wat ouders kunnen doen om het opengaan te bevorderen, is vier tot zes keer per dag, bijvoorbeeld tijdens de voeding, de traankanaaltjes masseren door met de wijsvinger zachtjes vanaf de ooghoek langs de neus naar beneden te wrijven.

Dit is geen commerciele blog. De firma Weleda maakt hier niet zelf reclame: dat doe ik uit een soort dankbaarheid dat deze middelen bestaan. Ik heb van vele de weldadige werking ondervonden: bij mijzelf, bij onze kinderen en bij kinderen in mijn klas, bij bv. builen en wondjes. Vandaar onderstaand bericht:

Geprikkelde oogjes? Ogentroost helpt!

Weleda: gezondheidsproduct voor de ogen: ogentroost oogdruppels. Het is speciaal ontwikkeld voor kinderen en volwassenen met geprikkelde, rode en tranende ogen.

Ogentroost oogdruppels bestaat uit een extract van verse ogentroost (Euphrasia officinalis) in een isotone zoutoplossing. Door toevoeging van de natuurlijke zouten kaliumnitraat en natriumboraat is de samenstelling van de oogdruppels gelijk aan die van de lichaamseigen vloeistoffen. Daarnaast bevatten de druppels natuurlijk boorzuur, dat de pH-waarde dichtbij die van natuurlijke tranen brengt (rond 7,4). Zo ontstaat een zuiver natuurlijk product dat verlicht, verzorgt en verzacht bij geprikkelde, rode en tranende ogen.

Met de hand plukken

In de Weleda-tuin in Wetzgau, Zuid-Duitsland, staat de kleine ogentroost tussen grassen en kruiden en ‘kijkt’ zij met haar geel-paarse bloemetjes blij de wereld in. Haar bloeiende stengels bevatten ontstekings- en bacteriënremmende stoffen die samentrekken en verzachten. Deze zijn met name werkzaam op de tere huid rond de ogen en op de slijmvliezen. In juli gaan de tuinmedewerkers van Weleda het veld in om de bloeiende stengels met de hand te plukken, waarna nog dezelfde dag collega’s van de productieafdeling de verse planten reinigen en versnijden. Om de heilzame stoffen uit de plant te ‘trekken’, voegen ze deze toe aan een mengsel van water en alcohol. Na twee weken is een extract ontstaan. Dit extract helpt, verwerkt in Ogentroost oogdruppels, geprikkelde en vermoeide ogen verzachten en verzorgen. Uit een onderzoek onder 112 kinderen in de leeftijd van 0 tot 16 jaar blijkt dat de oogdruppels bij JüÉ 98 procent rode, sm tranende, brandende en dichte ogen binnen zes dagen verhelpt.* Bovendien worden ze goed verdragen.

 

Weleda Ogentroost

ontwikkelingsfasenalle artikelen

menskunde en pedagogiealle artikelen

opvoedingsvragenalle artikelen

.

1943

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (14 – 21)

.

Ernst Amons, Jonas 1, 06-09-1978
.

Tussen 17 en 21 jaar:
op weg naar het eigen ik

Bericht van een ervaring

‘Het moet ’s avonds om een uur of tien zijn geweest. Ik liep helemaal alleen langs de spoorbaan. Misschien had ik al uren gelopen en ineens ontstond er een grote rust in me. En hoewel het donker was, werd het plotseling heel licht. Alles was heel nabij en ik voelde een ongekende warmte in mijzelf.
Het gevoel van verlatenheid en eenzaamheid wat al dagen als een grauwe sluier door me heen trok en wat ik bij het wakker worden steeds weer tegen kwam was plotseling geweken. Langzamerhand verdichtte zich dit gevoel tot een gedachte: ‘Dit is mijn leven, ik ben ik, ik moet niet buiten, bij andere mensen zoeken wat ik in mezelf kan vinden. Ik hoef niet meer afhankelijk te zijn van het oordeel van anderen.
Als in een roes liep ik door en plotseling stond ik voor de omtrekken van een oude boerenschuur. Er was niemand. Ik ben toen gaan zitten, zo maar ergens, en terwijl ik in het donker keek haalde ik verlicht adem. Ik voelde me als na een overwinning, na zware strijd. Strijd tegen wie eigenlijk? Strijd tegen mezelf? Tegen mijn situatie? Tegen mijn ouders of vrienden?
Het deed er niet toe, dit gevoel was heel nieuw, een scharnierpunt in mijn eigen leven, iets wat vanaf dit moment niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Het was heel stil om me heen, er waren sterren, ze leken heel dichtbij, luisterend naar mijn gedachten.
Ik was helemaal alleen en het gevoel dat er misschien in kilometers omtrek geen mensen waren gaf mij een diepe voldoening. Ik voelde me rijk, het was alsof ik voor het eerst weer kon luisteren, kon zien, kon ervaren, mezelf kon zijn.
Dit was nu werkelijkheid. Het was glashelder hoe het er voor mij voorstond. Maar… hoe nu verder te gaan Welke consequenties had dit voor mij? Nee! Niet nu! Ik mocht dit gevoel nog niet verstoren.
Toen ik weer terug ging was het diep in de nacht geworden, de sterren waren verdwenen en een zachte regen was begonnen te vallen. Wonderlijk hoe dit paste bij mijn eigen gevoel, deze milde zachte regen!

Toen ik weer terugkwam was alles in diepe rust. Iedereen sliep, behalve ik, en plotseling wist ik dat het deze ervaring was, waarvoor ik hier naar toe was gegaan. Dagenlang had ik mezelf afgepijnigd wat ik hier eigenlijk moest, wat de zin van alles was.
Ik kreeg een diep verlangen om naar iemand toe te gaan en te vertellen hoe ik was veranderd, wat er met me was gebeurd. Nee! Ook dat niet! Nog niet, later misschien.

Uiteindelijk in bed beland viel ik in een diepe en droomloze slaap.
Ook de volgende dagen bleef het gevoel van…, ja, hoe moest ik het noemen; bevrijding, bij mezelf aankomen; mij beheersen. Rustiger nu, maar heel machtig.

Nu ben ik op een punt gekomen dat ik er met anderen over wil praten. Sommigen zien het ook aan me zonder dat ik het hoef te vertellen. Dat vind ik erg goed, dan weet ik dat het echt is.
Ik merk dat ik nu pas echt interesse voor anderen op kan brengen, zonder alles steeds op mezelf te betrekken. Iets voor anderen te betekenen is voor mij erg belangrijk, een soort ideaal.
Maar, op welke manier kan ik nu verder gaan, ik ben er nog niet, dat weet ik heel goed. Ik heb een vorm nodig van waaruit ik me verder kan ontwikkelen. Straks zijn de anderen er niet meer, dan moet ik alleen verder en dat wil ik ook. Misschien kan je me helpen nu een aangrijpingspunt te vinden voor de toekomst.’

Beeld van een levensfase: sterven en geboren worden

Als ik zo luister, ergens buiten op het grasveld, mét ver verwijderd de geluiden van het drukke, bezige leven, dat zich langs de weg voortspoedt, dan besef ik hoe rijk het omgaan met juist deze leeftijdsgroep is.

Het zijn vaak heel intense ervaringen waar je deelgenoot van wordt gemaakt, ervaringen waarmee je met de grootste terughouding, heel behoedzaam, om moet leren gaan.

‘Het is de leeftijd waarin ze langzamerhand weer menselijk worden’, zoals een goede collega het eens uitdrukte. En dat is meer dan waar. En een ieder doet dit op zijn heel eigen manier.

Voor de één betekent het een innerlijke strijd van voortdurend zoeken, een ontdekkingstocht in de eigen binnenwereld. Voor de ander een voortdurend meegenomen worden in impulsen die hij niet begrijpt of doorziet, een confrontatie met gebeurtenissen die van buitenaf zijn handelen bepalen of ontregelen.

Hoe langer je je verdiept in de wereld van de 17 – 21 jarigen, hoe sterker je de realiteit kan ervaren van een geboorteproces, een geboren willen worden als individu. En geen enkel geboorteproces vindt plaats zónder pijn. De eerste jeugd ‘sterft’ in de beginnende volwassenheid, die nog als een onbekend terrein, heel kwetsbaar, zich begint af te tekenen.
Niet voor iedereen is dit een dramatische gebeuren, er zitten ook veel feestelijke kanten aan. Het feest van het nieuwe, van het ontdekken van de eigen innerlijke vermogens, het genieten van dingen die allemaal nog zouden kunnen gebeuren.
Soms ook zijn de schaduwen van het verleden nog erg machtig; moeilijke gezinssituaties, pijnlijke schoolervaringen, vormen soms een blokkade om de eerste volwassenheidsfase binnen te gaan.
Vooral het meemaken van echtscheidingsproblematiek in de puberteitsjaren kan jarenlang een schaduw leggen op de eigen ontwikkeling en het vertrouwen in de wereld van de volwassenen diep beschadigen.

Pendelen tussen binnenwereld en buitenwereld

In de eigenlijke adolescentie jaren begint er meestentijds een voorlopig evenwicht te groeien tussen binnenwereld en buitenwereld. De eigen aard, het karakter, de specifieke aanleg en bekwaamheden beginnen zichtbaar te worden.
De grote labiliteit in het gevoelsleven – zo kenmerkend voor de puberteitsfase, waarbij lichamelijke omvormings-processen nog zo sterk het innerlijke leven beheersen -, begint plaats te maken voor momenten van rustige zelfbezinning.
Momenten van zoeken naar ‘levenswaarden’, van zoeken naar een eigen levensfilosofie. Er is hier sprake van momenten, omdat duurzaamheid ook voor de adolescent nog geen realiteit kan zijn. Nog altijd is ‘innerlijke vrijheid’ een moeizaam proces, een labiel evenwicht, een pendelen tussen ‘Himmelhoch jauchzend’ en ‘zum Tode betrübt’ momenten van grote en innerlijke twijfels en onrust en plotseling doorbrekend inzicht in een volwassen kijk op de wereld wisselen elkaar nog in snel tempo af.

Er is een machtig streven naar ongebondenheid, ‘naar vrij zijn van’, non commitment, enerzijds en aan de andere kant een diepe behoefte om ‘Ik’ te worden, zichzelf te realiseren in het leven.

‘Ik’ worden, jezelf leren kennen, betekent dan het aangaan van de confrontatie met die onbekende, verlokkende of beangstigende wereld.

Het is dit grondgevoel van waaruit de adolescent het vraagstuk van zijn levensbestemming als keuzevraagstuk ontmoet.

Keuze – rijp worden

De houding ten opzichte van het keuzevraagstuk is van meet af aan ambivalent. Vanuit het streven naar ongebondenheid, naar non-commitment, zal de adolescent zijn of haar beroepskeuze opvatten als een uiterlijke stoorfactor, iets dat hem of haar van buitenaf wordt opgedrongen en niet strookt met het gevoel van ‘vrij-zijn’ en ‘vrij-blijven’.

Aan de andere kant heeft de adolescent een diepe behoefte om erkend te worden, zichzelf te verwerkelijken in de wereld van de volwassenen, die hij tegelijkertijd vaak kritisch afwijst. Intuïtief weet hij vaak heel goed dat dit zelf-ontdekken en zelf-realiseren, pas mogelijk wordt in actieve wisselwerking met zijn sociale omgeving, met leeftijdsgenoten, met de wereld van de volwassenen.

Pas aan het ‘Ik’ vreemde wordt het ‘Ik’  eigene herkenbaar, pas in de ontmoeting met andere mensen groeit het ‘Ik’ en komt tot zelfwaarneming.

Het zijn concrete sociale situaties waarin dit geboorteproces zich voltrekt.
Situaties waarin men wederkerig eikaars helper kan zijn in de ontmoeting met de ander.
Het is dit vermogen tot ontmoeting wat vaak na de schooljaren weer gewekt moet worden en grondslag legt voor een leven rijk aan menselijke ervaringen.
Keuze – rijp worden betekent dan de moed vinden tot een voorlopige zelfbepaling in een evenwicht tussen uiterlijke ervaringen en het eigen innerlijke leven.

Verleden en toekomst

In het voorafgaande was sprake van ‘Ik-worden’, van ‘Ik-geboorte’.

Voor het omgaan met deze leeftijdsgroep is het van groot belang dat men niet alleen oog heeft voor wat doorgaans ‘persoonlijkheidsvorming’ wordt genoemd. Achter de ‘persoonlijkheidsvorming’ gaat het veel grotere geheim schuil van het Ik dat als kiem in de biografie als eigen entiteit gaat optreden. Het ontwakende ik vindt zijn uitdrukking in de op de bodem van de zich rustende vragen ‘Wie ben ik’ ‘Wat kan ik’ ‘Wat wil ik’. Het zijn deze vragen die de vaste begeleiders vormen van het ontwakend zelfbewustzijn.

Op zich genomen zijn het vragen die in een sfeer van een innerlijk zoeken en aftasten liggen. Zij vormen een kracht in onze ziel die langzamerhand in onze biografie zichtbaar kan worden maar nooit geheel tot voltooiing komt.
Immers, het ‘Ik’ is nooit, maar is altijd wordend, toont zich in ons zelfbewustzijn in meestal wisselende en soms verwarrende beelden.
Het ‘Ik’ is ingebed in een spanningsveld tussen verleden en toekomst, tussen diegene die men ‘was’ en die men ‘zal worden’.

Wanneer men in een groep jonge mensen elkaar vertelt van de eigen levensloop dan is het alsof men vanaf een — pas-overgang terugblikt naar het dal waar men vandaan is gekomen. Kijkend naar de toekomst ziet men in het andere dal dat zich op een zonnige dag in blauw waas verliest. Het zijn deze pas-overgangen in de fase van 17 – 21 jaar die de mogelijkheid kunnen geven tot het ontdekken van de dimensies van het eigen Ik-, al is het soms maar op momenten.

En wanneer men aarzelend in het nieuwe dal afdaalt dan is het goed om deze ik-ervaring daarin mee te nemen. Eenmaal afgedaald ontbreekt het soms aan een verder uitzicht en moet het beeld dat men vanaf de pasovergang had het innerlijke richtsnoer vormen. Het is daarom belangrijk dat deze jaren niet voorbijgesneld worden om maar zo snel mogelijk volwassen te willen zijn.

Het is juist dit innerlijk verkennen van de eigen innerlijke ruimte en het ontdekken van de andere mens als ‘Ik’, dat kracht kan geven voor de toekomst.

.

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1936

 

VRIJESCHOOL – Zintuigen (5-4)

.
Het oefenen van de zgn. ‘onderste’ zintuigen – de lichaamszintuigen: tastzin, levenszin, bewegingszin en evenwichtszin – is letterlijk van vitaal belang voor de verdere ontwikkeling van het kind in de eerste zeven levensjaren (wat hier niet ophoudt!) 
De reeks artikelen onder ‘zintuigen alle artikelen‘ belichten het belang ervan ieder op hun terrein. 

In dit aritkel gaat het om de allerjongste kinderen.

Willemijn Visser ’t Hooft, Weleda Puur Kind, herfst 2003, nr. 12

Zodra je kind kan zitten kun je het plezieren met een beweegspelletje op schoot, zoals ‘schuitje varen, theetje drinken’ en later ‘zagen, zagen, wiede-wiede-wagen’. Stevig verankerd op jouw vertrouwde knieën, speel je met hem door hem uit en weer in balans te brengen. Nog wat later komt ‘klap eens in je handjes’ en ‘hop, hop paardje in galop’, waarbij de bewegingen breder en gevarieerder worden. Bewegend vanuit het midden van waaruit het ritme wordt bepaald, speel je met je lichaam en met dat van je kind. Een eerste evenwichtsoefening op oude teksten!

Kruipen achter een bal aan is ook een balansspel. Als met ruim anderhalf jaar het lopen struikelend hollen wordt, is het spannend om achter die bal aan te gaan. Er wordt heel veel gevallen, maar dat doet aan het plezier niets af. Een goede speelbal voor jonge kinderen is zacht opgeblazen en niet te glad, zodat hij gemakkelijk te pakken en eventueel te vangen is. Gooien en vangen is een eindeloos spel. Heen en weer, geven en nemen, mikken en pakken, samen en solo. Ondertussen wordt er van alles geoefend, ook begrippen zoals hoog en laag, hard en zacht, voor en achter. En de kleine armen en benen moeten het allemaal doen! Handig voor op reis zijn de zogenoemde boogieballen (vanaf drie jaar) die je kunt opblazen met een rietje en voor het vervoer naar zandbak of strand kunt laten leeglopen. Ze zijn te koop in gespecialiseerde speelgoedwinkels en ook te krijgen met bobbeltjes die een grappig effect geven.

Binnenshuis komen de blokken te voorschijn. Torentjes worden gebouwd en weer omgestoten. Van het geluid en het resultaat van een kleine handbeweging wordt uitbundig genoten. Steeds maar weer bouwen en omgooien. Evenwicht creëren en opofferen aan het effect. Totdat het bouwen zelf een uitdaging wordt. Een doos KAP’LA waarin 200 plankjes zitten van prachtig gedroogd en geschaafd beukenhout geeft de mogelijkheid om eindeloos te bouwen. In de hoogte, in de breedte, straatjes en hekken, dierenhokken en torens. Bij de doos zit een boekje met voorbeelden van constructies voor oudere kinderen, want de mogelijkheden van KAPLA houden niet op bij de kleutertijd. Er worden hele Eifeltorens van gebouwd door ervaren stapelaars. Voor grote bouwwerken heb je meer dan een doos nodig. De hele familie, van klein tot groot, kan hier op zijn eigen manier mee spelen. Een aanrader dus voor een herfstige zondagmiddag.

.

Zintuigen: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters en kleuters

.

1915

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-8)

.
N00r Prent, Weleda Puur Kind, herfst 2004 nr. 14
.

Een ondernemende dreumes hoort geen ‘nee’

Zeg me wat het is, leer me hoe het klinkt, voelt en ruikt, toon me waar het voor dient en hoe jij wilt dat ik er mee omga – dat is kort samengevat de levenshouding van een kind van één jaar. Noor Prent, consultatiebureauarts, merkt dat ouders niet altijd goed raad weten met de ontdekkingsdrang van hun eenjarige.

Jonas van twaalf maanden speelt een ‘geef-en-neem’ spelletje met blokjes met me. Ondertussen vraag ik zijn vader of hij denkt dat Jonas al begrijpt wat hij tegen hem zegt. ‘Oh ja, hij weet het donders goed als ik “nee, dat mag niet” zeg als hij naar de tv kruipt. Dan kijkt hij om naar mij, schudt zijn koppie en gaat toch weer met zijn handje naar de knoppen. Ik moet hem dan wel een tik op zijn vingers geven.’

Dit soort verhalen hoor ik vaak over kinderen van die leeftijd. Als je kind eraan toe is op eigen beentjes de wereld te gaan ontdekken, zijn er een paar dingen om in het oog te houden.

Gebaren nabootsen

Een kind wordt geboren met een positieve wilskracht de wereld te ontdekken. Zodra hij kan kruipen of lopen, weerhoudt niets hem ervan op onderzoek uit te gaan. Als hij zijn motorische ontwikkeling op eigen kracht (dus zonder loopstoeltjes en andere stimulansen van buitenaf) heeft kunnen maken, zal hij niet snel dingen ondernemen die hij niet aan kan of die gevaarlijk voor hem zijn. Toch zal hij jouw beschermende gebaar nog nodig hebben. Eigenlijk vraagt hij je om hem bij de hand te pakken en de wereld te laten zien. Dat geeft zekerheid en richting aan zijn leerproces. Samen met jou ontdekt hij hoe je de hond van de buren, de eendjes in het park of de bloemen in de tuin van oma moet benaderen. De gebaren die jij daarbij maakt, zal hij feilloos nabootsen. Omdat een gebaar meer is dan een beweging van een hoofd of een hand, maar ook gevoelens uitdrukt, zal hij met het nadoen van je gebaren innerlijk ook je gevoelens en intenties nabootsen. Bloemen die jij met zorg in een vaas hebt gezet, zal je dreumes er niet zo snel ruw uit rukken. Al kunnen ze wel zo onweerstaanbaar voor hem zijn dat hij ze wil aanraken, ombuigen of fijnknijpen. Probeer dan niet om hem bij de bloemen vandaan te houden, maar loop met hem mee en bewaak het ontdekken. Meestal zal het niet al te moeilijk zijn om zijn aandacht daarna naar iets ander te leiden.
Bij heel spannende nieuwe ontdekkingen moet je zo’n begeleidend proces soms eindeloos herhalen voordat je kind weet wat de bedoeling is. Je hebt in deze fase een berg geduld nodig. Soms kan hij te veel vragen van je verdraagzaamheid en dan rest je niets anders dan steviger optreden. Even op de gang, met het risico van een huilbui, is dan een optie. Maar laat je eigen emoties zo min mogelijk oplopen. Realiseer je dat je kind alleen maar deed wat zijn temperament hem ingaf. Alleen met jouw hulp kan hij dat temperament leren hanteren.

Driftbuien

In de omgang met ondernemende krabbelaars hoor je de woorden ‘nee’ en ‘niet’ veelvuldig. Maar het onderbewustzijn van een éénjarig kind kent eigenlijk geen nee of welke andere ontkenning dan ook. Als je ‘niet aankomen’ zegt, hoort hij vooral: ‘aankomen’ en doet dat dan ook. Door jouw reactie begrijpt hij of dat de bedoeling was of niet. Laat hem vooral zien wat hij allemaal mag. Bijvoorbeeld dat er boeken zijn die in de kast willen blijven staan, maar dat er ook een plank is met boeken die wel door hem willen worden gepakt. Ga zo zijn steeds groeiende leefomgeving met hem langs, geef de dingen hun naam, vertel waar ze voor zijn, orden ze en geef ze de betekenis die ze voor jou en je partner hebben. Dat geeft je kind het vertrouwen dat zijn wereld in elkaar zit zoals hij hoort te zitten.

Negatieve gevoelens

Als een kind te vaak een tik op zijn vingers krijgt of nee hoort, kan dat leiden tot een stuwing in zijn energie en driftbui of agressieve uitbarstingen in gang zetten. Meestal kennen ouders hun kind goed genoeg om te weten wanneer er een driftbui op komst is. Maak daar gebruik van. Als je uit ervaring weet dat je peuter een driftbui krijgt zodra je hem verbiedt aarde uit de planten te gooien, buig dan zijn intenties in een vroeg stadium af. Roep hem of ga naar hem toe zodra hij richting planten loopt, leidt zijn aandacht af en buig zijn onderzoeksdrang ongemerkt om naar iets anders.

Dat vereist de nodige wakkerheid en creativiteit en het zal alleen maar goed lukken als je er al je aandacht in stopt en zelf ook echt in je afleidingsmanoeuvre gelooft. Door jezelf daarin te oefenen, zul je innerlijk krachtiger tegenover je kind komen staan. Je hebt dan een waardevol opvoedingsinstrument ontwikkeld, want door afleiding voelt je kind zich niet afgewezen maar juist gesteund in zijn drang om de dingen om hem heen te (be)grijpen.

In de eerste jaren van zijn leven kent je kind eigenlijk nog geen
antipathiegevoelens. Als hij iets doet wat niet mag, doet hij dat niet omdat hij jou dwars wil zitten. Hij gaat ervan uit dat de wereld goed is, dat de mensen goed zijn. Met ruim twee begint hij wel min of meer je grenzen op te zoeken. Hij komt in de peuterpuberteit en gaat krachtig en bewust nee zeggen. Vanaf dat moment zal hij moeten leren omgaan met negatieve gevoelens.
.

Noor Prent, arts, in Puur kind, Weleda herfst 2000 nr. 6
(met toestemming van de auteur)
.

voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1891

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsfasen (1-7)

.

In 1998 gaf de firma Weleda het blad ‘Puur kind’ uit.
Daarin werd veel aandacht besteed aan het jongere kind – vanaf de geboorte tot een jaar of drie, vier.

Zoals het meestal gaat met artikelen die als basis antroposofische menskunde hebben, zijn die – ondanks dat ze al jaren geleden zijn geschreven – nauwelijks verouderd.
Natuurlijk staan er voor die tijd ‘actualiteiten’ in die dat uiteraard nu niet meer kunnen zijn.

Waar het echter gaat om ‘ontwikkeling’ en hoe we die op een goede manier = een gezondhoudende/gezondmakende kunnen ondersteunen, heeft die aan actualiteit niets ingeboet.

Ook ‘het jongste kind’ komt eenmaal op school. Wat brengt het mee uit zijn eerste ontwikkengsjaren, wat heeft het al beleefd, doorgemaakt. Hoe vaak ontdek je in de kleuterklas of later niet dat problemen die zich daar voor doen, eigenlijk al veel eerder begonnen.
.

Paulien Bom, Weleda Puur Kind, lente 2002, nr 9
.

GROEIEN AAN GRENZEN

.
Bij het opgroeien komt je kind aanvankelijk vooral de fysieke grenzen tegen: van de wieg en maxicosy naar de box en het tuigje in de kinderstoel. Al snel zijn er echter ook de verbale grenzen in wat wel en wat niet mag. Aan beide kan hij groeien. Maar wanneer en hoe zet je ze in? Consultatiebureau-verpleegkundige Paulien Bom beschrijft wat grenzen doen met jou en je kind.

Een groepje kinderen bij mij in de straat. Ze zijn aan het knikkeren en pal voor mijn huis bevindt zich kennelijk tussen de stoeptegels het beste knikkerpotje, want daar strijken ze altijd neer. Wat me opvalt is dat de verhouding tussen de tijd die ze knikkeren en die waarin ze discussiëren ongeveer één op één is. Van tevoren, maar ook tijdens het knikkeren, zijn de kinderen druk in gesprek over welke regels er gelden en over hoe die regels geïnterpreteerd dienen te worden. Rond het knikkeren bestaan veel ingewikkelde en strenge regels. Het gaat om ‘lolles’ of niet, om ‘poot met effect’… Ik weet niet waar dat allemaal voor staat, maar ik weet wel dat er altijd flink wat gedoe om is. Het blijkt dat er vele versies mogelijk zijn en dat het verdedigen van de eigen versie fanatiek gebeurt.
Daarnaast zijn er altijd kinderen die kijken hoe ver ze kunnen gaan in het steggelen en sjoemelen. Ze houden elkaar wantrouwig in de gaten, winden zich op over onrechtvaardigheid, schelden elkaar uit en lopen boos weg. En één ding weet ik dan heel zeker: morgen zitten ze er weer. Allemaal vinden ze het vanzelfsprekend dat er regels zijn, niet alleen bij het knikkeren, maar ook bij verstoppertje, hinkelen, vadertje en moedertje spelen enzovoort. En als die regels er niet zijn stellen ze die ter plekke op. Allemaal vinden ze het vanzelfsprekend om die regels uit te testen. Dat levert heftige confrontaties op, maar ze lijken dat ook wel lekker te vinden. Even flink schelden, laten zien wie je bent, en je dan ook maar voegen zodat het spel kan doorgaan.

Slappe dweil

Ik leer daarvan dat we als volwassenen niet te bang moeten zijn om regels in te stellen in de opvoeding van kinderen, en eraan vast te houden. Dat er protest komt betekent niet dat ze die regels onzin vinden, of dat ze zielig zijn, het betekent volgens mij vooral dat het lekker voelt om er tegen in te gaan, net zo lang tot ze een grens voelen.

Ik herinner me een weekend waarin ik kennis maakte met de Pessotherapie. Een van de oefeningen die gedaan werden was het experimenteren met weerstand. Twee aan twee tegenover elkaar staand, met de handen tegen elkaar, bood de één wisselend weerstand en mocht de ander verkennen hoe dat voelde. Er waren drie varianten: geen enkele weerstand, niets dan weerstand en een evenwicht tussen weerstand bieden en ruimte geven. De laatste variant was het prettigst omdat er een soort gesprek ontstond. Van de andere twee varianten vond ik het flink weerstand voelen veruit te verkiezen boven het tegenover me hebben van een soort slappe dweil die ik echt alle hoeken van de kamer kon laten zien. Voor die tegenspeler kon ik geen enkel respect opbrengen, en het liefste was ik doorgegaan tot ik wel wat weerstand had gevoeld. Want, weerstand voelt lekker, mits op maat aangeboden. Dat heb ik in dat weekend ervaren, en dat meen ik ook aan de knikkerende kinderen te zien, als ze tekeer gaan tegen de regels en tegen elkaar.

Weerstand op maat

Fysieke weerstand en weerstand door regels zijn twee manieren om grenzen tegen te komen. En als je grenzen tegenkomt voel je jezelf. Soms voelt dat lekker, zoals bij de bovengenoemde Pesso-oefening, of bij het klaren van een moeilijkeklus. Soms doet dat pijn, bijvoorbeeld als je je teen stoot, of als je pijnlijk geconfronteerd wordt met dingen die je niet lukken. Dat geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen. Leren van ervaringen, zelfkennis opdoen door confrontaties gaat in principe het hele leven door.

Toch is er een verschil. Hoe ouder je wordt, hoe meer het accent van het leren komt te liggen op het psychische en spirituele vlak. Wat je daaruit ontwikkelt is levenswijsheid. Het motorische leren en het groeien aan fysieke grenzen speelt vooral in de kinderleeftijd een rol.

Krabbelend op doorlopertjes achter een stoel leert een kind schaatsen, en als die vaardigheid eenmaal zit, verleert het die nooit meer. Je zou daarbij kunnen zeggen dat hoe jonger het kind is, hoe fysieker het leren zal verlopen. In het eerste jaar is een kind bezig met groeien, slapen en het opdoen van de elementaire vaardigheden van omrollen, kruipen en gaan staan. Pas daarna volgen het praten en leren denken. In de opvoeding kun je hierbij aansluiten door bij jonge kinderen het accent op fysieke ofwel voelbare grenzen te leggen, en pas allengs over te gaan op regels en grenzen die mondeling worden gesteld. 

Voelbare grenzen

Ik herinner me dat ik het als kind heerlijk vond om in bed heel strak te worden ingestopt. Zo strak dat de matras als een soort broodje om me heen zat. Ik voelde dan overal stevigheid, kon er lekker tegen aan schurken. En ’s morgens, als ik heel voorzichtig uit dat veilige holletje kroop, leek het alsof er niemand in het bed geslapen had. Het is mijn indruk dat met name baby’s zich bij dit soort stevige grenzen het lekkerst en het veiligst voelen. Maar ook grotere kinderen vinden dit af en toe nog heel prettig. Het bieden van voelbare grenzen betekent bij baby’s dat je ze stevig vasthoudt en goed instopt in bed, en als dat niet voldoende rust geeft, dat je ze inbakert*. Voor peuters geven het tuigje in de stoel, het traphekje en de box de voelbare grenzen aan. Daarna wordt dat wellicht een duidelijke afgebakende speelplek en een slot op het hek in de tuin. Allemaal fysieke grenzen, die langzaam meegroeien met het kind, en ten slotte vervangen kunnen worden door mondelinge geboden en verboden.

Rond het eerste jaar kan er een moment ontstaan dat het kind er kruipend en lopend op uit gaat, en heftig protesteert tegen de fysieke belemmeringen van de box of van het tuigje in de stoel. Vaak schaffen ouders die dan ook af. Immers, hun kind geeft aan dat het ruimte nodig heeft. Dan wordt er nogal abrupt overgegaan op verbale grenzen. ‘Blijf in je stoel, niet van tafel gaan, overal afblijven, niet aankomen’, enzovoort.

Voor veel kinderen is de overgang van de maxicosy naar de kinderstoel waar zomaar uitgeklommen kan worden, of van de box naar het vrij kunnen rondlopen in een supermarkt nauwelijks bij te benen. Als de voelbare grenzen ineens verdwijnen wordt de wereld in één keer wel erg groot. Voelbare grenzen in de vorm van het al eerder genoemde tuigje in de kinderstoel en het vastzitten in een wagentje kunnen die overgang wat behapbaarder maken.

Ik hoor van veel ouders dat ze een tuigje in de kinderstoel zielig vinden en een trappelzak in bed een akelig keurslijf. Het is mijn ervaring dat een tuigje of een trappelzak, mits gehanteerd als iets dat vanzelfsprekend hoort bij het aan tafel zitten of het in bed liggen, geen gemene dwangbuizen zijn, maar rustbrengers. Zodra een kind merkt dat dat tuigje echt niet te vermurwen is en die trappelzak
echt niet uitkan, accepteert het deze, terwijl verbale grenzen die rust veel minder zullen brengen. Verbale grenzen kun je niet voelen.

Van fysiek naar verbaal

Toch zal, hoe krachtig dit pleidooi voor voelbare grenzen ook is, de box op een goed moment het huis verlaten. Ook zal het kind als het groter wordt en in de kleuterfase is beland op een gewone stoel aan tafel komen te zitten. Dan zal het geleerd moeten hebben om te blijven zitten, ook zonder tuigje. En als het toch  zomaar van tafel gaat zal het aan een mondelinge correctie in principe genoeg moeten hebben.
Tussen de fase waarin het accent in de opvoeding op fysieke grenzen ligt en de leeftijd waarop kinderen zich in principe kunnen houden aan regels en afspraken ligt een hele periode waarin je als ouders door letterlijk ingrijpen de grens moet aangeven.
Bijvoorbeeld als een peuter van anderhalf met de boeken van de grote mensen wil spelen. Er is een eigen plankje met onscheurbare prentenboekjes, maar de echte boekenkast blijkt toch wel erg verleidelijk. Dan is zeggen dat het niet mag meestal niet de oplossing. Weghalen bij de plek waar het kind niet mag zijn en neerzetten op de plek waar het wel mag zijn, en dat ook zo benoemen, werkt meestal effectiever. De woorden die je daarbij spreekt, zo van ‘daar is jouw plekje, ‘dit is geen speelgoed’ zijn in eerste instantie nog de begeleidende tekst die het kind nodig heeft om langzaam ook op verbale grenzen te leren reageren. Veel ouders pakken als vanzelf een kind beet als het echt moet luisteren. Ook dat is een combinatie van een verbale grens en een voelbare grens.

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat tot het eerste jaar het grenzen aanbieden binnen de opvoeding vooral fysiek gebeurt. Vanaf het derde, vierde jaar moet een kind in principe kunnen gehoorzamen, dat wil zeggen goed reageren op verbale grenzen. In die tussenliggende periode zullen fysieke grenzen een steeds minder grote rol gaan spelen, maar zeker niet van het toneel verdwijnen. Een kind zal moeten leren dat een gesproken nee ook nee is. Om dat te leren zal het dat nee ook moeten kunnen voelen bijvoorbeeld door het stevig op te pakken. Voor alle duidelijkheid: dit is geen pleidooi voor de pedagogische tik vanuit het idee dat wie niet horen wil dan maar moet voelen. Opvoeden blijft een zoeken naar het midden tussen ruimte geven en grenzen stellen. In deze bijdrage ligt het accent op het stellen van grenzen. Een kind heeft echter ook speel- en ontwikkelingsruimte nodig. Als het goed is bieden regels en grenzen daar een veilige basis voor.

*In de tekst wordt verwezen naar het zogenoemde inbakeren dat vooral wordt toegepast bij baby’s die veel huilen en erg onrustig zijn.
Brochure: ‘Gewikkeld in doeken’, Ria Blom

Paulien Bom: Kinderen en grenzen stellen

.

**voor consultatiebureauswww.kinderspreekuur.nl

.
Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

.

1803

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.