Tagarchief: spel

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

 

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1283

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Spel

.

KUNST ALS BEMIDDELAAR TUSSEN SPEL EN ARBEID

Wat een wereld van wonderen schuilt er in het spel van het kind!
Het is wel de moeite waard zich hierin te verdiepen en te zien op welke wijze zo’n spel verloopt.

Als volwassene kun je steeds weer verrast zijn over de ernst en overgave waarmee een kind speelt: met een intensiteit, die een volwassene, die b.v. aan de machine aan de lopende band moet staan, moeilijk bij zijn dagelijkse arbeid kan opbrengen. Bij een ambachtsman uit de middeleeuwen was deze aandacht nog volledig aanwezig: hij was nog één en al handenarbeider. –

Het verschil tussen het kinderlijke spel en de arbeid van de volwassene ligt daarin dat het kind de vaste vormen, de noodzakelijke opeenvolging der verschillende handgrepen waarin de arbeid verloopt, doorbréékt.

Het kind speelt zonder doelmatigheid. Op een intens doorleefde wijze wordt een nagebootste handeling, b.v. het schaven van een stuk hout, op andere speelvormen overgebracht. Het kind kan naast je staand iedere beweging van het schaven, zichzelf heen en weer bewegend met het hele lichaam, “nadoen”. Het speelt dan later met een stuk hout en afgeschaafde krulletjes, die het heeft opgeraapt. – De vrij stromende fantasie is de eigenlijke drijfkracht die, verborgen achter het spel van het kind, werkzaam is.

Spel – kunstzinnig onderwijs – kunst – arbeid
In het spel openbaart zich de vreugde. Het is de menselijke werkzaamheid, die uit een diep verborgen beleven zich uit in het spel.
Het kunstzinnige onderwijs en de kunstvakken in de hogere klassen zijn de schakel, die later de jonge mens op de juiste wijze voert naar de arbeid waarvoor hij als volwassene komt te staan. Deze bruggenbouwer, de Kunst, zorgt ervoor dat de menselijke arbeid niet meer als neerdrukkende last beleefd behoeft te worden.

Een stuk hout: de ene keer een auto, een andere keer een schip en ook weer een locomotief te noemen, is alleen door de kinderlijke fantasie mogelijk. Een kind, dat deze fantasie niet kan opbrengen, is niet gezond.

EN ER ZIJN VEEL KINDEREN IN DE TEGENWOORDIGE TIJD, DIE NIET MEER KUNNEN SPELEN…

Dit is een ernstige tekortkoming. De volwassenen als ouder, als opvoeder, als arts zullen moeten trachten in onderling contact de oorzaak daarvan te zoeken, om daarna het kind weer geleidelijk aan het spelen te brengen, alleen en met andere kinderen.

De manier hoe men zich gemakkelijk of met veel moeite in het leven plaatst in de twintiger jaren is een onmiddellijk gevolg van het al of niet “kunnen spelen” in de kinderjaren.

In bepaalde streken (kalkgebergte) komen rivieren voor, die uit een bron opwellen, na korte tijd echter weer onder de aarde verdwijnen, om dan vele kilometers verder in een ander dal van het gebergte weer te voorschijn te komen; Of het kind, volwassen geworden, zijn opgaven resoluut en bekwaam weet aan te pakken, of dat hij er in zijn stunteligheid al gauw “geen gat meer in ziet”, hangt er voor een groot deel mee samen of hij in zijn kindertijd vóór de tandenwisseling tot spelen heeft kunnen komen of niet.

A.J. Miedaner, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken

.

Spel: alle artikelen

Handenarbeid: alle artikelen

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 2e klas – hinkelen

..

Zoals het bikkelen niet per se voorbehouden is aan de 1e klas, maar door de verschillende moeilijkheidsgraden ook in hogere klassen gespeeld kan worden, zo is ook het hinkelen in de 1e of de 3e mogelijk.

Hinkelen is een oud spel, bij de Romeinen ‘gespeeld’ door de soldaten om hun voeten te oefenen.

Het is een uitstekend middel om te ‘incarneren’, d.w.z. al je aandacht gaat naar je voeten – die moet je leren beheersen, daarin of daarmee moet je heer en meester worden -.: tot het je ‘onderdanen’ zijn.
Veel kinderen in de 1e klas zijn nog lang niet thuis in hun voeten. Loop klassikaal eens een getallenrij en je ziet dat het klappen in een ander ritme gaat dan de voeten die bij sommigen nog voor spek en bonen meedoen.

Hinkelen is bij uitstek het spel om met je hele lijf wakker te worden.

Op een echte vrijeschool zal het dan ook in het bewegend deel van tijd tot tijd intensief worden beoefend.

HINKELEN
Met krijt wordt op de grond een ‘hinkelbaan’ getekend, of, wanneer we aan het strand zijn, met een stok in het zand getrokken.
Een hinkelbaan bestaat uit een aantal vakken, waarvan de nummers, die in de vakken worden geschreven, elkaar opvolgen.
De meest eenvoudige vorm van een hinkelbaan is de onderstaande:

hinkelen-1

De baan moet ongeveer 1 m breed zijn; de vakken ongeveer 50 cm diep.

Een kind gooit een steentje in het eerste vak.
Dan gaat het kind ‘hinkelen’, d.w.z. het springt op één voet ook in het eerste vak. Steeds op één voet staand, schopt het kind het steentje met dezelfde voet, in vak nummer 2.
Dit gaat op dezelfde manier verder, steeds één vak tegelijk, tot de rust is bereikt. Hier mag de andere voet op de grond worden gezet om even te rusten.
Na het rusten gaat het kind weer op één voet staan, bukt, raapt het steentje op en hinkelt met het steentje in de hand terug naar het eerste vak.

Komt het kind met de andere voet op de grond, raakt het met de hinkelvoet een lijn, of wordt het steentje te ver doorgeschopt, dan is het af en komt een van de anderen aan de beurt.

Op dezelfde baan kan ook op onderstaande wijze gehinkeld worden:

Een kind gooit het steentje op vak 1, spring: op één voet in dit vak, pakt staande op de ene voet het steentje in de hand, en springt verder zonder rusten en zonder lijnen te raken naar de ‘rust’.
Op het andere been springen we weer terug. vak voor vak.
Nu gooit hetzelfde kind haar steentje op vak nummer 2, en springt in één keer naar nummer 2, terwijl ze vak 1 overslaat. Ze bukt weer, pakt het steentje, en springt dan achtereenvolgens via 3, 4, 5, naar de rust, en hinkelt op haar andere been terug.
Dan gooit ze de steen op vak drie. Ze springt via vak 1 naar vak 2, en moet vak 3, dus het vak waar het steentje nu ligt, overslaan. Ze springt dus ineens naar vak 4, pakt het steentje uit vak 3 (denk erom: steeds op één voet staan!) en hinkelt verder.
Op Rust aangekomen, hinkelt ze op het andere been terug.

Dit herhaalt zich, tot ze tenslotte alle vakken een keer heeft overgeslagen.

hinkelen-2

Het huis met zijn verschillende vertrekken en de zolder wordt op het speelterrein getekend.
Het kind gooit haar hinkelsteentje in de kelder (1). Dan springt ze ook op haar ene been in vak 1, en schopt dan met dezelfde voet het seentje naar vak 2; springt dan ook in vak 2, schopt het steentje zo naar 3 en op dezelfde manier komt het in 4 terecht. Van vak 4 niet naar 5, maar ineens naar het vak dat er tegenover ligt, dus vak 7. We zijn nu in de bovenste verdieping van het huis terecht gekomen, waar de kinderen in kleine kamertjes slapen. We moeten nu eerst voorzichtig gaan kijken, voor we naar de zolder, nummer 8, mogen.

De kinderkamertjes worden als volgt bezocht:

1. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.
2. rechtervoet in vak 7, linker in vak 4.
3. rechtervoet in vak 6, linker in vak 5.
4.rechtervoet in vak 4, linker in vak 7.
5. rechtervoet in vak 5, linker in vak 6.

Heeft het op deze manier alle kinderkamers bezocht – natuurlijk steeds op één been – dan mag het het steentje dat nog rustig in het zevende vak ligt, naar de zolder schoppen. Daar mag ze uitrusten en op dezelfde manier gaat ze weer naar beneden.

Het is nu de kunst, om boven op de zolder te komen, zonder de kinderen wakker te maken. Alle kinderen die meespelen, staan om het huis heen, en zijn zo stil als een muis. Zodra nu een fout gemaakt wordt, bijvoorbeeld als het steentje te ver wordt doorgeschopt, of wanneer een der krijtlijnen wordt geraakt, imiteren de omstanders huilende babies. De kinderen op de kamertjes 4, 5, 6 en 7 zijn wakker geworden, en het volgende hinkelaartje is aan de beurt.

hinkelen-3

Het is de bedoeling dat alle kinderen om beurten door bovenstaande figuur, die op de grond is getekend, hinkelen. In het midden mag worden uitgerust en van daar gaat de reis terug naar het beginpunt. Vanzelfsprekend mag ook hier de andere voet de grond niet raken en ook mag geen enkele lijn tijdens het springen door de voet worden aangeraakt.
Wanneer de heen- en terugreis zonder fouten is uitgevoerd, mag het kind dat de reis heeft volbracht, in een van de vakken zijn naamschrijven. In elk vak mag maar één naam worden geschreven. Wanneer tenslotte alle vakken van een naam zijn voorzien, is het spelletje uit. Het kind wiens naam het meest voorkomt in het figuur, is de kampioen.

hinkelen-4

Op bovenstaande hinkelbaan wordt zonder steentje gesprongen, volgens deze voorschriften:

Eerste sprong:
Op één been op vak 1.

Tweede sprong:
Op één been op vak 2.

Derde sprong:
Eén been in vak 3 en één been in vak 4. Tijdens het springen omdraaien.

Vierde sprong:
Naar 5 op één been.

Vijfde sprong:
Tijdens de sprong omdraaien en nu met één been op 6 en één op 7.

Zesde sprong:
Naar vak 8 op één been.

Zevende sprong:
Naar 9 op twee benen.

Met dezelfde sprongen gaan we nu terug naar 1, om dan weer naar 9 te springen. Dan mogen we ook op vak 10 komen, op één been, en de tocht is volbracht.

We tekenen nu een ladder op de grond, volgens onderstaand voorbeeld:

hinkelen-5

Een steentje wordt in vak 1 gegooid en het kind dat aan de beurt is, springt het na. Dan schopt het het steentje met dezelfde voet, waarop het staat, naar vak 2, dan naar 3 enzovoort, tot het op vak 10 aangekomen, de ladder weer is afgedaald. Als het steentje buiten de ladder terecht komt, is de hinkelaar(ster) af.

Schopt het het steentje per ongeluk een vak te ver, dan mag het doorspringen, maar moet het met het steentjeschoppen overgeslagen vak eveneens met de sprong overslaan. Raakt het één van de lijnen, dan is het ook af.

hinkelen-6

Op deze hinkelbaan moet alles op één been. Op X 8 X mag gerust worden.

hinkelen-7

Moet het hinkelsteentje op 8 of 9 worden gegooid en komt het toevallig in HEMEL dan mag opnieuw gegooid worden.
Komt het in HEL, dan moet het kind een keer zijn beurt voorbij laten gaan.

Hinkelliedjes

Hinkelbaan hinkelbaan
Vrolijk in ’t rond
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Wie niet kan hinkelen
Is niet gezond.

Hinkel de pinkel
Daar komen wij aan
Wij hebben geen kousjes of schoentjes meer aan
Zet je handen op je rug
Hinkel de pinkel
Kom nu maar terug.

meer   en  meer
1e klas:  bewegend deel    kringspelen  lichaamsoriëntatie

VRIJESCHOOL in beeld: 2e klas – alle beelden

1142

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – bikkelen

,
Het bikkelspel dat hier wordt beschreven is niet eenvoudig en kan dan ook zeker nog in hogere klassen worden gedaan.
Als leekracht moet je het zelf ook wel kunnen, maar vooral de regels kennen.

Bewegen is een ruim begrip. Een echte vrijeschool heeft aan het begin van de dag in de lagere klassen een ‘bewegend deel’.

‘Door beweging van de ledematen worden de hoofdkrachten gewekt’. Vandaar ‘lopend, klappend’ leren rekenen; het jongere kind is nog een wilswezen en dat drukt zich uit in de behoefte aan beweging.
Die bewegingen leiden – mits geoefend – tot behendigheid – de handen leren en Rudolf Steiner wees al op het belang van het ‘handwerk’ voor de vorming van de intelligentie, wat het hersenonderzoek in deze tijd bevestigt.
O.a. de vingerspelletjes vallen eronder, maar ook de kringspelen, en hinkelen.

Een weinig gespeeld spel is bikkelen, ten onrechte, want het vraagt heel veel coördinatie en is dus een uitstekend spelletje om kinderen bewuster te maken in/ van hun handen.

Bikkelen met kiezels of dobbelstenen
Spelletjes en trucs zijn een leuke bezigheid, ook tijdens vakantie. Ieder land kent hierbij zijn eigen traditie. Van­daag bikkelen.

Bikkelen is een heel oud spel. Het werd al gespeeld in het oude Griekenland en door de Romeinen, nog voordat het dobbelen was uitgevonden. Daarna is het over de hele we­reld verspreid en ook nu wordt het nog tot in alle windhoeken gespeeld. Veel heb je er niet voor nodig. Maar omdat het vooral een behendigheidsspel is, is de keuze van het materiaal wél belangrijk. De oude Grieken speelden bikkelen met dierenbotjes, maar kiezeltjes of dobbelstenen liggen nu meer voor de hand. Elke speler heeft er vijf nodig maar één setje is ook voldoende, omdat je om de beurt speelt.

Je kunt bikkelen met zoveel personen als je wilt. Degene die begint probeert eerst te ’enen’. Je gooit de vijf ‘bik­kels’ op de grond. Daarna zoek je er één uit. Dat is je bikkelboer. Deze gooi je nu in de lucht. Intussen pak je één voor één de andere bikkels van de grond en vangt direct daarna je bikkelboer op in de­zelfde hand. Lukt dit? Dan mag je door. Laat je een bik­kel vallen, vang je de bikkel­boer niet op of verschuif je een van de bikkels op de grond, dan is je beurt voorbij en mag de volgende.

Als het je is gelukt om te ’enen’ dan kun je gaan ‘tweeën’. Dat komt op hetzelf­de neer, alleen moet je nu, nadat je bikkelboer de lucht in is gegooid, twéé bikkels van de grond pakken. Als dat ook is gelukt, kun je (je snapt het al) ook gaan ‘drieën’ en ‘vieren’. Wie daarin het eerst is geslaagd, is de winnaar.

Er zijn nog allerlei varianten op het bikkelspel. Daarbij mag je bijvoorbeeld maar één hand gebruiken en de andere steeds plat op de grond hou­den. Of je moet je bikkels, in plaats van ze op te pakken, ( steeds met duim en wijsvin­ger in een kuiltje schuiven. Het is niet moeilijk om zelf ook nog wat nieuwe regels te verzinnen. Dat maakt het spel alleen maar spannender én leuker.
(bron onbekend)

En onderhield met bikkel en bonket
De kinderlijke wet
En rolde en greep op ’t springend elpenbeen
De beentjes van den steen
En had dit soete leven
Voor geld noch goed gegeven.
                                                                                        (Vondel)

Bikkelen is een van de gezelligste en spannendste behendigheidsspelen. Het kan alleen, en metz’n tweeën of drieën of meer worden gedaan.

Om beurten of tegelijk, om het even! Het blijft altijd attractief, spannend en prettig voor de spelers, en niet alleen voor de spelers zélf, maar ook voor de toekijkers!

Het loont de moeite dit – we kunnen wel zeggen: geheel vergeten – spel te leren en het in ere te herstellen.

Het bikkelen vraagt erom en … het verdient het!

Het bikkelspel wordt gespeeld met vier bikkels, en zelfs met vijf, en een grote marmeren stuiter of een balletje.

Bikkels zijn kleine beentjes uit de knie van een schaap of geit. Vroeger, toen het spel nog algemeen werd beoefend, hebben speelgoedfabrikanten namaakbikkels gefabriceerd, maar deze speelgoedbikkels hebben het moeten afleggen tegen de ‘echte’, die een mooier geluid gaven bij het neervallen, en ook vaak veel mooier van vorm waren, dan de loden of koperen bikkels die in de handel werden gebracht.

De bikkels werden in mooie helle kleuren beschilderd, en het spel werd gespeeld op een hardstenen (blauwe) stoep.

De bikkel heeft:
1. Een bolle bovenkant.
2. Een ingezonken onderkant.
3. Een platte zijkant.
4. Een platte zijkant.

Voor de verschillende kanten van de bikkel vinden we ook verschillende namen.
We onderscheiden: Pakkers, Leggers, Staanders, Ruggers.
Ook wel: Putters, Bolgers, Staanders en Ströns.

Een manier om te bikkelen is deze:
Neem vier (of vijf) bikkels in de linkerhand en het balletje of de knikker in de rechterhand (of andersom als je links bent) Gooi de bikkels in één worp op de stoep, maar zonder de stoep met de linkerhand aan te raken. Zorg ervoor, de bikkeltjes niet te ver uit elkaar te gooien, maar let er tegelijkertijd op, dat ze ook niet al te dicht bij elkaar komen te liggen. Dat is erg belangrijk, want bij het keren of zetten van de bikkels met de linkerhand mogen de andere bikkels niet door die hand worden aangeraakt, anders is men af.
De bikkels zijn dus nu op de stoep geworpen. Nu vallen ze natuurlijk in verschillende standen. Stel je voor, er liggen twee bikkeltjes met het kuiltje en drie met een boogje naar beneden. Nu moeten eerst alle bikkels met het kuiltje naar boven komen te liggen. Dit gebeurt steeds met één opworp en ondertussen keert de linkerhand de bikkels één voor één met kuiltje naar boven.

Gooi de knikker, of het balletje omhoog, laat hem stuiten en bij iedere opworp wordt één bikkel in de linkerhand genomen, tot ze tenslotte allemaal in die linkerhand zitten.
Alles wordt nu weer op de stoep geworpen, en nu moeten ze per worp alle vijf in één keer in de linkerhand opgenomen.
Dit herhaalt zich steeds, maar nu met de andere bikkelfiguren.
Vier bikkels worden in de hand genomen, en het balletje of de stuiter tussen duim en wijsvinger.
De bal wordt omhooggegooid, moet één keer stuiten, terwijl men de bikkels neerlegt en de bal weer vangt met dezelfde hand.

Nu wordt met vier figuren gespeeld:
1. Een voor een bij iedere stuit één bikkel opnemen en bij de vierde stuit alle bikkels weer laten vallen.
2. In één stuit twee opnemen en neerleggen.
3. In één stuit drie opnemen en drie neerleggen.
4. In één stuit vier opnemen en vier neerleggen.

Dan één voor één de bikkels in dezelfde stand keren.

Dus bij iedere stuit van het balletje worden de bikkels op dezelfde manier neergelegd, bijvoorbeeld op die éne kant, waar een gaatje is. Dan de tegenovergestelde kant, dan rechtop met de gladde kant naar boven, dan met de gladde kant naar onder.

Bij elke fout is de speler af en begint bij de volgende beurt daar, waar die gebleven is.

Bikkelliedje
Anne de pop
Ik raap er een op
Anne de peer
Ik leg er een neer
Moeder de vlo
Die bijt me zo
Die bijt me zeer
Gooi er maar een bikkeltje neer.

(later)
Gooi er maar twee bikkeltjes neer enz.

Bij gebrek aan bikkels kan een soortgelijk spel worden gespeeld met kleine kiezelsteentjes, die de grootte hebben van een bruine boon.

We gebruiken zes van die kiezeltjes.

Ook dit spel wordt in verschillende onderdelen gespeeld.

Om te beginnen neemt de speler de kiezeltjes in de hand, gooit de steentjes tegelijk op, en moet nu proberen, ze alle zes op de rug van de hand te vangen. Als alle steentjes op de bovenkant van de hand blijven liggen, kan het spel beginnen.

1. Alle steentjes worden in de hand genomen en op de grond of op de tafel neergegooid, en wel zo, dat ze een beetje uit elkaar rollen. Een van de kiezeltjes wordt nu in de hand genomen en omhooggegooid, en dezelfde hand neemt nu bliksemsnel een van de overgebleven steentjes van de tafel, en vangt het omhooggegooide steentje weer op.

Wéér gaat er één kiezelsteentje de lucht in, en weer wordt er een van de tafel opgeraapt, terwijl dezelfde hand het opgegooide steentje vangt. Dit gaat zo door, tot alle zes de kiezelsteentjes in de hand zijn. Dan worden de steentjes weer neergegooid en het spelletje herhaalt zich, met dien verstande, dat nu steeds twee steentjes moeten worden opgenomen, dan twee en drie, dan vier en een, en tenslotte alle vijf tegelijk. En dat alles tussen het opgooien en weer vangen van het ene steentje!

2. Alle steentjes, dus zes, zijn in de hand. Een ervan wordt omhoog gegooid en voordat het weer wordt opgevangen moet één kiezeltje in de andere hand worden gelegd.

Dat gaat zo door, tot alle steentjes in de andere hand zijn.

3. Alle steentjes zitten in de hand. Een ervan vliegt omhoog en wordt op de handrug opgevangen. Dan vliegen er twee, dan drie en tenslotte alle zes.

 

meer

1141

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (30)

.

opspattend grindStaatssecretaris Dekker vindt dat er een einde moet komen aan het ‘doorkleuteren’. Voortaan mogen kinderen bij hoge uitzondering groep 2 overdoen.

Het woord ‘doorkleuteren’ zegt al iets over de manier waarop hij aankijkt tegen groep 1 en 2.

Ik herinner mij maar al te goed de gesprekken die ik voerde, samen met de leerkracht van groep 2, met ouders.

Wij vonden het in een aantal gevallen verstandig als een kind nog een jaartje langer in groep 2 bleef. Ouders waren daar vaak op tegen. “Laat haar nou maar meteen naar groep 3 gaan, dan kan ze daar wel een jaartje blijven zitten.”

Ook daaruit sprak een zeker minachting voor de kleutergroep, terwijl daar juist iets essentieels gebeurt. Als kinderen ‘een beet je leuk spelen in de bouwhoek’, is het kind bezig met ruimtelijk inzicht te ontwikkelen, hetgeen goed van pas komt bij het leren rekenen. Taalpuzzels, voorlezen en spelletjes bereiden het kind voor op het lezen. Samen in de poppenhoek spelen maakt jonge kinderen sociaal vaardiger. Tekenen, schilderen, knutselen helpen de fijne motoriek ontwikkelen en bevorderen de creativiteit. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Wanneer er in groep 1 en 2 een stevige basis wordt gelegd, heb je daar tot en met groep 8 plezier van.

Dekker heeft wel gelijk als hij de vraag stelt of een kind nog een héél jaar langer in groep 2 moet blijven. Er zijn scholen die in januari ook kleuters laten instromen in groep 3. Dat lijkt me een betere oplossing, want vaak zijn kinderen dan wel toe aan het ‘echt’ leren lezen en rekenen.

De staatssecretaris pleit ook voor een betere aansluiting met groep 3. Ik dacht meteen: Maar meneer Dekker, we zijn in de jaren zeventig al begonnen groep 3 (toen nog ‘eerste klas’) om te vormen tot speelleerklassen. Waar zijn die gebleven? Het antwoord weet ik ook. Door de doorgeslagen toets- en testcultuur van het laatste decennium gaat het steeds meer om prestaties en steeds minder om vorming, terwijl goed onderwijs mijn inziens een evenwichtige balans is tussen enerzijds kennis vergaren en anderzijds je talenten (in de meest brede betekenis) ontwikkelen. De oude schoolmeester/schrijver Theo Thijssen zei het al honderd jaar geleden: “Ik was de koning en kon ze ieder op hun beurt een gelukkig ogenblik geven, alleen maar door ze te willen zien.”

Een pleidooi om vooral eerst goed te kijken naar kinderen voordat je ze lastig valt mei regeltjes, toetsjes en weetjes.*

*in de krant staat ‘wetjes’

Jacques Vriens, oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver, in Trouw 15-09-2016

.

Rudolf Steiner:
(  ) niet eenzijdig uitgaan van die ene eigenschap van de wordende mens, het intellect, maar uitgaan van de mens als geheel. (wegwijzer 89)

Ieder mens is anders, als kind al. (wegwijzer 81)

( ) Uit de kennis van de menselijke levensfasen wordt het juiste leerplan ontwikkeld. Het kind zelf geeft ons aan, als we het werkelijk kunnen waarnemen, wat het op een bepaalde leeftijd wil leren. (wegwijzer 53)

opspattend grind: 5;  16;  29

peuter en kleuters: alle artikelen

spel: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: peuter-kleuterklas

 

1136

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kringspelen en meetkunde

.

KRINGSPELEN EN MEETKUNDE

Deze titel mag enigszins vreemd lijken – wat hebben kringspelen nu met meetkunde te maken – vanuit een bepaalde optiek is er wel degelijk een relatie.

Rudolf Steiner:
Bij ons in de vrijeschool mogen de leerkrachten niet tevreden zijn, wanneer de kinderen een cirkel kunnen tekenen, maar onze kinderen moeten de cirkel, de driehoek, het vierkant leren voelen. Ze moeten de cirkel zo tekenen, dat ze het ronde ervaren. Ze moeten de driehoek zo leren tekenen, dat ze de drie hoeken gewaarworden, dat ze al, wanneer ze met de eerste hoek beginnen het gevoel hebben: hier komen drie hoeken. Net zo tekenen ze het vierkant, dat ze voelen hoe die rechthoekig wordt; dat het gevoel van hoe de lijnen lopen meteen vanaf het begin tot hen doordringt. Een kind bij ons moet leren wat een boog is, wat een horizontale lijn is, een verticakel, maar niet alleen maar door te kijken, maar door deze innerlijk te volgen met de arm, met de hand. Dat moet er worden gedaan, ook als basis voor het schrijven. Bij ons zou er geen kind moeten zijn dat een P leert schrijven, zonder dat het eerst een verticale lijn of een boog heeft ervaren; niet alleen maar dat een kind een abstracte waarneming naar buiten toe van een verticale lijn of een boog, maar een gevoelsmatige waarneming moet er zijn, een gevoelsmatig beleven van de dingen.
GA 301/193

In deze opmerkingen staat geen directe verwijzing naar kringspelen, maar wanneer je kinderen een kringspel ziet spelen, of in ruimer verband ze ziet bewegen in de ruimte doordat ze een of ander spel spelen, worden onbewust al die bewegingen waarover Steiner het heeft, ervaren, beleefd.

Wel is hier de relatie vormtekenen/schrijven en meetkunde aangeduid!

In dezelfde voordrachtenreeks gaat hij op een andere plaats opnieuw in op het ‘gevoel voor de ruimte, op de ruimtebeleving’. Hij doet dat aan de hand van wat je op kindertekeningen ziet. En noemt dan voor de ontwikkeling van het ruimtegevoel – nodig om een meetkundig inzicht te krijgen – met name de bewegingsspelen:

Laten we eens naar deze tekeningen van het kind kijken. Wat je een echt ruimtegevoel zou kunnen noemen, hebben kinderen vóór het 7e, 8e, zelfs nog vóór het 9e levensjaar juist nog niet. Dat ontstaat pas later, wanneer zich langzamerhand de andere kracht in de ontwikkeling van een kind manifesteert. [1]
Tot aan het 7e jaar werkt aan het kinderlijk organisme hetgeen later voorstelling wordt. [2] Tot aan de puberteit werkt de wil aan het kinderlijk organisme, die dan zoals ik U gezegd hebt, zich samenbalt en de stemverandering bij de jongens laat zien hoe deze dan doorschiet in het lichaam.
Deze wil is in staat een gevoel voor de ruimte te ontwikkelen, zodat je door alles wat ik nu gezegd heb, door het ontwikkelen van een gevoel voor de ruimte door de bewegingsspelen, door het waarnemen van wat er gebeurt wanneer er schaduw ontstaat bij voorwerpen, vooral door wat in de beweging ontstaat en wordt vastgehouden; als door dit alles de wil ontwikkeld wordt, zal de mens een veel betere verhouding tot de dingen krijgen dan door alleen maar het verstand.
GA 301/215
niet vertaald

Wanneer je met de helicopterview naar kringspelen zou kijken, zie je allerlei meetkundige figuren bewegen: de kring – de cirkel – halve bogen; lemniscaten; spiralen, kettingvormen (die we bij het vormtekenen vlechtvormen noemen) bijv. 

Dat is bewegen in de ruimte.

Steiner over deze ruimte:

Men heeft tegenwoordig in onze abstracte intellectualisitsche tijd de voorstelling van de drie ruimterichtingen die dan zo ergens in de lucht zweven. Het zijn dus drie loodrecht op elkaar staande lijnen die tot in het oneindige verder gedacht kunnen worden. Dat kan je natuurlijk zo van lieverlee abstract in je opnemen, maar ervaren is het niet. Maar deze drie dimensies willen ook ervaren worden en ze worden ook ervaren, meer onbewust, wanneer een kind leert vanuit een nog onhandig kruipende toestand waarbij het overal nog het evenwicht verliest, te gaan staan en met de wereld in een evenwichtsverhouding te komen. Dan zijn de drie dimensies concreet aanwezig. Daarbij kunnen we niet drie lijnen in de ruimte tekenen, maar er is een lijn die samenvalt met de as van het rechtopstaande lichaam die we [3] wanneer we slapen en liggen en die houding niet aannemen; die we ook als belangrijkste kenmerk hebben van waarin we van het dier verschillen dat nu juist zijn ruggengraatslijn evenwijdig aan de aarde heeft, terwijl wij een rechtopstaande ruggengraat hebben.
De tweede ruimterichting is die welke we krijgen als we de armen uitstrekken.
De derde gaat van voren naar achteren en omgekeerd….De mens beleeft zelf wat hij met de meetkundige figuren laat zien, maar alleen op die leeftijd waarin nog veel onbewust leeft, half dromend. Dat komt later tevoorschijn en vertoont zich abstract.
GA 306/25-26
niet vertaald

Wanneer Steiner dan concreet op meetkundige aspecten ingaat, waarbij het hier gaat om het beweeglijk houden van meetkundige voorstellingen, bijv. de driehoek, voordat het abstracte begrip verder zijn intrede doet, hebben onderstaande woorden dus betrekking op de meetkunde; maar wanneer je ze leest alsof ze betrekking hebben op het (kring)spel, lees je a.h.w. hetzelfde:

Dit zouden we dan ook zeer goed kunnen gebruiken ter ondersteuning wanneer we in het kind een goed gevoel voor ruimte willen ontwikkelen; een concreet, echt ruimtegevoel. Wanneer we op deze manier het begrip van beweging voor de figuur in het platte vlak (hier wordt de driehoek bedoeld) hebben laten zien, dan krijgt\ de hele geestelijke vorming van het kind zo’n beweeglijkheid, zodat ik dan makkelijk kan beginnen met perspectief: een lichaam gaat aan de voorkant van een ander lichaam voorbij of aan de achterkant. Dit passeren van voren en van achteren kan het eerste element zijn bij het oproepen van een dienovereenkomstige ruimtebeleving.
GA 301/213

Met name bij de spelletjes zoals ‘ketting breien’ gaat het om ‘voor- en achterpasseren’.

Volgens mij is de gedachte gerechtvaardigd dat de kringspelen en ook de andere spelletjes ‘in de ruimte’ een bepaalde voorbereiding zijn op het ruimtelijk kunnen denken dat een mens nodig heeft o.a. bij meetkunde.

DE ZEVENSPRONG
De zevensprong heeft als kringspel deze elementen: cirkel; armen strekken; naar voren en achter bewegen, knielen en weer strekken.

Bij vele van deze oude spelen kun je je afvragen hoe ze zijn ontstaan en of ze iets meer betekenen dan alleen een spel.
Melly Uyldert gaf van vele kringspelen verklaringen. Hoe kwam zij aan haar kennis? Is het waar wat ze zegt?
In ieder geval wel interessant om met haar blik eens naar zo’n spel te kijken:
.

Heb je wel gehoord van de zeven, de zeven,
Heb je wel gehoord van de zevensprong?
Ze zeggen dat ik niet dansen kan,
ik kan dansen als een edelman

dat is een
dat is twee
dat is drie
dat is vier
dat is vijf
dat is zes
dat is ze-e-ven.

Alle kinderen vormen een kring met de handen vast en huppelen al zingend linksom, tot: Dat is één! –
Bij die woorden plaatsen zij, even stilstaand en met het front naar het midden van de kring gekeerd, de rechter voet een pas naar voren.

Daarna huppelt men weer in de kring, nu rechtsom, eerste hup op linkervoet. Bij: Dat is één! Dat is twee! – worden een pasje rechts en een aansluitend pasje links naar voren gemaakt. Daarna weer linksom huppelen.

Zo worden steeds het lied en de figuren herhaald, waarna het nieuwe figuur wordt bijgevoegd.

Bij: Dat is drie! – wordt de rechterknie aan de grond gebracht. Bij: Dat is vier! – wordt de linkerknie óók aan de grond gebracht, en liggen allen dus even geknield met de handen vast.

Men moet opletten, dat men even tijd neemt voor het opstaan daarna. Bij: Dat is vijf! – wordt de rechterhand even losgelaten en de rechter elleboog op de grond gezet. Bij: Dat is zes! -wordt ook de linker elleboog op de grond gezet. Bij: Dat is zeven! – wordt met het voorhoofd de grond aangeraakt, terwijl men de handen op het hoofd houdt. In deze houding (van een nog ongeboren kind) blijft men nu liggen, terwijl allen het laatste couplet zingen, waarbij nu, te beginnen met: Dat is één! – eerst het hoofd wordt opgeheven, dan de linker elleboog opgetild, en zo voort, alle houdingen in volgorde terugnemend, die men eerst had aangenomen.

Variatie: bij de regels: Ze zeggen dat ik niet dansen kan, ik kan dansen als een edelman! – blijft ieder op z’n plaats, de jongens met de armen voor de borst gekruist, de meisjes met de handen op de heupen, en dansen de wiegelpas. Of de meisjes gaan daarbij tegenover de jongen aan haar linkerkant staan. Deze snelle overgangen tussen de figuren zijn echter te moeilijk voor jonge kinderen.

Verklaring
Deze dans beeldt uit, in het zich beurtelings inrollen en ontrollen, de eeuwige afwisseling van involutie en evolutie, incarnatie en excarnatie, concretie en abstractie, verstoffelijking en vergeestelijking, het middelpuntvliedende en het middelpuntzoekende stadium, of hoe men het maar in analogieën wil aanduiden. Het is de grote pulserende beweging van het Al, van schepping en verlossing, leven en sterven, waarin wij allen opgenomen zijn en medewerken. Als zinnebeeld een van de mooiste heilige dansen, die ons uit de oudheid zijn overgeleverd!
.

[1] Steiner bedoelt hier de geboorte van het astraallijf rond het 14e jaar, die zich al eerder aankondigt.
[2] Hier wordt het etherlijf bedoeld.
[3] er staat ‘prüfen’ = testen, controleren e.d. Maar wat Steiner hier precies wil zeggen, ontgaat me (nog).
.
Kringspelende boom die wordt.….

6e klas: meetkunde

Over het etherlijf;       op  ‘antroposofie, een inspiratie’

schrijven: menskundige achtergronden (relatie vorm en beweging)

 

1112

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – leerplan en rooster

.

Onderstaand artikel komt uit de broschure ‘Het binnenste buiten’.

Het is een beschrijving van een schoolwerkplan. Het is niet DE beschrijving van wat er in vrijeschoolkleuterklassen gebeur(t)de, toen dit rapport werd geschreven. Maar veel van wat erin staat, vind je ook vandaag in de kleuterklas terug, gefundeerd op dezelfde achtergronden. Per school kan de werkwijze en invulling natuurlijk altijd verschillen.
.

6.2. Schoolwerkplan Rudolf Steiner Kleuterschool Voorschoten

6.2.1 Ritme
De dag
De gang van de ochtend bestaat uit de onderdelen:
Zingen
Tekenen
Vrij spelen
Opruimen
Eten
Vertellen
Buiten spelen

De ochtend begint in rust, in de kring met versjes, liedjes.
Bij het tekenen komt er meer leven in de brouwerij.
De activiteit van de kinderen komt tot een hoogtepunt wanneer ze uitwaaieren in het vrije spel.
Na anderhalf uur komen ze weer bij elkaar van waaruit het opruimen wordt ingezet. Leven en drukte ebben allengs tc weldadige rust af.
Nu kan er gegeten worden en verteld. Tenslotte volgt bij goed weer buitenspel, bij slecht weer komen er kringspelen aan bod. Door een afwisseling van rustige en drukke bezigheden ontstaat er een ritme. Wij spreken wel van een ademproces. De ervaring is, dat bij een goed ritmisch verloop van de ochtend de kinderen nooit doodmoe of’ ‘uit hun huisje’ raken. Integendeel, bij het luisteren naar het verhaal is de hele groep rustig en geconcentreerd.

De week
Naast de bovengenoemde activiteiten is er een ‘tweede’ activiteit van de ochtend, die wisselt volgens een weekritme:

Maandag:     tekenen
Dinsdag:       schilderen
Woensdag:  naar keuze tekenen of vrij spelen
Donderdag: boetseren
Vrijdag:        plakken of knutselen

De dagen van de week worden voor de kinderen op deze wijze meer en meer herkenbaar. Het terugkeren van wekelijks dezelfde soort dag geeft de kinderen rust en vertrouwen.

Het jaar
De loop van het jaar wordt gemarkeerd door de jaarfeesten: Sint-Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, Driekoningen, Palmpasen, Pasen, Pinksteren, St.-Jan, die uitgebreid voorbereid en uitbundig gevierd worden. Wanneer men de voorbereidingen, bestaande uit het leren van liederen, het maken van versieringen etc. en het eigenlijke feest ziet, zou men kunnen zeggen dat wij op onze school in plaats van verschillende projecten, verschillende jaarfeesten hebben. Door het beleven van de feesten wordt het kinderleven meer betrokken bij het ritme van het jaar.

6.2.2 Activiteiten
Voor de volgorde van de activiteiten houden we de gang van de dag en van de week aan.

Zingen en spreken met bewegingen, begeleid door lierspel. Dansen. Luisteren naar muziek. Neuriën.
Al in de wieg kraait het kind des te levendiger als de bedrijvigheid in de buurt van zijn wieg gepaard gaat met geluid, met klank of spraak. Wanneer het op de grond kruipt, zingt het mee met zijn moeder, met een vogel binnen of buiten en ook met apparaten zoals bijvoorbeeld de stofzuiger.
Hoewel het geronk van motoren en ander mechanisch gezoem en geratel weinig recht doet de natuurlijke muzikaliteit, ontlokken deze geluiden aan kinderen soms toch een melodieus gezing-zang. Men kan zich de vreugde van kinderen voorstellen wanneer hun de kans gegeven wordt mee te doen met zang, muziek en taal die hen als het ware op het lijf geschreven is.
In de Vrije Kleuterschool zingen we bijvoorbeeld graag pentatonische liederen en spreken we mooiste klankrijkste van de gedichtjes die we maar geschikt achten.

Ontwikkelingsdoelen:
De muzikale vorming van het kind.
De taalontwikkeling.
Ontwikkeling van gevoel voor ritme.
Ontwikkeling van het ritmisch geheugen (niet van het abstract geheugen).
Ontwikkeling van de waarneming van klank in de taal.
Ontwikkeling van het vermogen tot luisteren.
Ontwikkeling van het vermogen mee te doen in groter sociaal verband dan thuis.

Werkwijze:
De ontwikkelingsstof bestaat uit: liederen (pentatonische liederen en volksliedjes), instrumentale melodieën, zangspelen, gedichten, kleuterrijmpjes en kringspelen.
Het zingen, spelen en dansen speelt zich af in de kring rond de leidster. De kinderen bootsen de leidster na, waar bij ze zelf ook variaties toevoegen.
‘Er wordt een liedje gezongen; een herfstliedje. Het vallen van de bladeren wordt met de handen weergegeven. Een meisje bootst de leidster na en laat mooi haar zwevende blaadjes vallen tot ze op een gegeven moment op een brede zonnestraal liggen, die het lokaal in schijnt. Hierop dansen de blaadjes verder en zakken niet meer.’

Belangrijk is de afwisseling van zingen en luisteren, van zacht en luid zingen van zittend in de kring en ronddansen. Belangrijk hierbij is de afwisseling van tempo.
Het liedrepertoire wisselt met de jaarfeesten.

Loop van de ontwikkeling:
Kinderen zijn schoolrijp als ze geheel zelfstandig een liedje kunnen zingen en zich ook een liedje kunnen herinneren. Bij de verjaardag mag het jarige kind altijd een liedje kiezen. Is het kind vijf jaar, dan moet meestal een ander kind een liedje influisteren. Wordt het zes jaar, dan weet het kind zelf een liedje. Het zesjarige kind zingt over het algemeen verstaanbaar, goed gearticuleerd en kan tempoverschillen hanteren.
Wij zingen in de kleuterklas afwisselend langzaam en snel, waarbij grote en kleine gebaren elkaar afwisselen.
Een schoolrijp kind kan dit allemaal volgen. Jongere kinderen haken af en doen weer mee met de grote langzame gebaren.
Hetzelfde geld voor de kringspelen. Moeilijke stappen en sprongen doen de kleintjes op hun eigen manier. De ouderen voeren ze met genot perfect uit.

Tekenen:
Al met anderhalf jaar krast het kind graag op papier. Dit tekenen of krassen zou men een eindprodukt kunnen noemen. De bewegingen die zich in het lichaam afspelen zetten zich voort in de ledematen en komen als ‘bewegingscurven’ op papier te staan.
Vele deskundigen beschrijven stadia die in de eerste kindertekeningen te herkennen zijn.*.

De vroege bewegingscurven zijn sterk leeftijdsgebonden en internationaal hetzelfde. Bij kinderen over de gehele aarde ontdekt men dus rond dezelfde leeftijd dezelfde tekens in het lijnenspel. Geleidelijk aan vinden we in de tekeningen ook elementen uit de waarneming. Toch blijft het tekenen vooral een naar buiten projecteren van hetgeen het kind innerlijk beleeft.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van kleur en vormgevoel.
Beheersing van de fijne motoriek.
Individuele ontwikkeling doordat persoonlijke schepping wordt gewaardeerd en doordat het kind deze op den duur ook tussen ander werk herkend.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, reukzin, smaakzin, gezichtszin warmte-zin.

Werkwijze:
Er is volledige vrijheid. Er wordt nooit een opdracht gegeven.
Op vaste momenten tekenen alle kinderen aan grote tafels. De leidster zit erbij en kijkt en moedigt elk kind aan. Van elk werk zegt ze dat het erg mooi is. Ze tekent zelf niet mee om de kinderen niet te beïnvloeden en van hun eigen impulsen af te leiden.

Materialen:
Bijenwasblokjes in verschillende kleuren. Dit natuurprodukt is totaal niet giftig, ruikt lekker en verwarmt de handen. De kleuren kunnen over elkaar gebruikt worden daar ze doorzichtig zijn. Zwart en paars worden niet gebruikt.
Het papier is mooi en stevig.

Loop van de ontwikkeling:
Doordat het kind geen opdrachten krijgt volgen de tekeningen zijn eigen ontwikkeling. Zowel de pure ‘stroom van binnenuit’ als de ontmoeting met de wereld vinden we in het werk terug.

Dit alles heeft tot resultaat dat het kind als het ongeveer zes jaar is alle vormen tekenen kan die het nodig heeft om straks de lettersymbolen te leren. Te weten:

vormtekening-voor-het-schrijven-2

 
Deze tekens zijn verwerkt in de tekeningen.

Maar er is meer.

In de wereld van het tekenen onderscheiden wij zeven fasen:

1. Bewegingscurven;
2. de kleuter tekent de hemel: een blauwe hemel met een klein zonnetje;
3. dan verschijnt er een stukje aarde;
4. de zon wint aan kracht en licht;
5. tussen aarde en hemel ontstaat een tussenwereld: de kleuter tekent een huis met bloemen en bomen;
6. de tussenwereld wordt steeds rijker: vogels en vlinders vliegen door de lucht;
7. de tussenwereld wordt eenvoudiger, de rijkdom neemt af.
Dit luidt de nieuwe fase in. Het kind is leerrijp geworden. De laatste is een voorbereiding hierop: de krachten lijken ingehouden te worden, om in de volgende fase een nieuwe bloei te bewerkstelligen.

Vrije spelen:
De baby, de peuter, is een ontroerend actief wezen dat enthousiast wordt wanneer de volwassene zich op liefdevolle wijze met hem bezig houdt. Hetgeen het kind ons tegemoet brengt, uit zich onder meer in de blik, de lach, de beweging.
Dit alles wordt al gauw tot een heerlijk spel, bijvoorbeeld met de eigen handjes bij de baby, in de wieg, waarbij het kind zich verbonden weet met degenen die het verzorgen en vertroetelen. Is het kind tenslotte kleuter geworden dan is zijn speelwereld een gelijkwaardige eigen wereld geworden waarin de elementen van de wereld der volwassenen waartoe het behoort, op verrassende wijze een plaats krijgen.

Ontwikkelingsdoelen:
Zelfvertrouwen.
Beheersing van motoriek.
Oriëntatie in de ruimte.
Ontwikkeling van een schat van verschillende gebaren en bewegingen.
Eerbied voor allen in de klas door behoedzaam met eikaars spel te leren omgaan.
Zelfrespect, dat op deze wijze tegelijk met respect voor de ander wordt ontwikkeld.
Beleving van de gelijkwaardigheid van mensen: nl. zichzelf en andere kleuters en leidster.
Beleving van vrijheid.
Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Het spel voltrekt zich in een niet opdringerige doch uitnodigende ruimte. De kleuren zijn naar aanwijzing van Rudolf Steiner zacht rose en licht blauw. In het midden van het lokaal bevindt zich een grote open ruimte. Aan de kanten staan lange tafels met banken. In de hoeken bevindt zich het speelmateriaal. Al het meubilair is van hout, de vloeren zijn van okerkleurig linoleum. Het gehele lokaal is vrij speelterrein voor alle kinderen. Alles wat aanwezig is mag gebruikt worden. Wellicht ten overvloede: spel is niet gebonden aan boeken en opdrachten. Het aantal kinderen dat met elkaar speelt is vrij. Alle kleuters zijn bezig.

Hoewel het op zichzelf staande wereldjes lijken, hebben de kinderen steeds onderling contact. Ze kijken bij elkaar, vragen iets, overleggen iets. Zo werd in de voorbereidingstijd tot het St.-Nicolaasfeest spontaan een boot gebouwd, die wel veel plaats innam in het lokaal, waarin alle kinderen konden meevaren met St.- Nicolaas en vele zwarte Pieten. Vaak is reeds na twintig minuten het spel van alle kinderen tesamen een organisch geheel.
Beweging, nabootsing en fantasie zijn de drie belangrijkste kenmerken van het ‘organisme’, de spelende klas. De leidster waakt over de veiligheid.

Materiaal:
Het materiaal dat bijeen is gebracht bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke producten: hout, katoen, zijde, wol. Hierbij wordt gelet op rustige kleuren. Direct uit de natuur opgeraapt zijn: stokken, eikels, kastanjes, dennenappels, schors etc.

Loop van de ontwikkeling:
We onderscheiden drie spelstadia:

— Het doe-spel van de eerste twee jaren waarbij het kind probeert de dingen in zijn macht te krijgen en geniet van eindeloze herhaling. Het bootst de volwassene na. (Zo leert het ook zich op te richten en te lopen.)
Het kind beleeft het doen op zich zelf als zingeving.
Het gaat bijvoorbeeld net als zijn moeder met een stofdoek over alles heen maar probeert geen stofte verzamelen.

— Het fantasiespel tussen het derde en vijfde jaar kenmerkt de bloeiperiode van de kleuter. In die tijd heerst het kind als spelend soeverein over de wereld. Een stronk in het bos is een auto, een dennenaald het autosleuteltje.

Een drie-jarig kind bijvoorbeeld verbindt een keukenlepel met een andere door een klosje garen bijna af te winden en heeft zo een mooie kaars gemaakt, versierd met een dennetakje. Nu bedenken we wie dit kerststukje krijgt.
Kinderen hebben ook rollen die ze graag spelen, bijvoorbeeld Maria of postbode.

— Tussen het vijfde en zevende jaar wil het kind al spelend iets bepaalds bereiken. Het overlegt van te voren hoe het aan te leggen. Het kan nu ook echt met andere kinderen spelen en met hen overleggen. Hoe maken we de boot? Waar gaan we heen? Wie nemen we mee? Pas na het zevende jaar ontstaat langzamerhand een warme belangstelling voor bestaande aan regels gebonden sociale spelen.

Opruimen:
Net zoals de meeste vogels ’s avonds naar hun nest terugvliegen, zo keren alle speelmakkers van het kind naar hun eigen plekje terug. Het kind dekt de pop weer toe, doet de blokken in een mand en maakt het poppenhuis weer netjes. Geen wonder dat tijdens het proces van opruimen de kinderen innerlijk en uiterlijk rustig worden.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van het vermogen tot ordenen, tot rubriceren, combineren, sorteren (bijvoorbeeld de pop krijgt twee dezelfde sokken aan).
Ontwikkeling van gevoel voor schoonheid. Ordenen wordt versieren.
Ontwikkeling van eerbied en liefde voor de omgeving.
Sociale ontwikkeling. Opruimen is een groepsproces, bovendien wordt alles zo neergezet dat ieder kind er weer toegang toe heeft.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, gezichtszin.

Werkwijze:
Voor het opruimen begint, worden alle kinderen bij elkaar geroepen, om eerst gezamenlijk een lied te zingen. Daarna verspreiden allen zich over de zaal, de kinderen vanaf 5½ jaar hebben een opdracht gekregen, de kleintjes ruimen mee op vanuit de nabootsing. De leidster gaat rond en helpt nu eens hier, dan daar.

‘Na het kringetje op de grond, waar werkliedjes werden gezongen, wordt er opgeruimd. Een van de kinderen heeft een prachtig kabouterbos gemaakt van dennenappels in een spiraal neergelegd. Tijdens het vrije spel heeft hij daar intensief mee gespeeld. De andere kleuters hebben aan de rand van het bos eerbiedig staan kijken. Niemand haalde het in zijn hoofd om het domein te betreden. Nu er opgeruimd wordt rent een van de jongetjes op het bos af en maait met zijn handen door de dennenappels: “Zo, opruimen!” roept hij demonstratief. De bouwer van het bos staat er spijtig bij te kijken. Dan komt hij aarzelend een stapje naar voren en veegt ook met zijn handen door het bos. Terwijl hij dat langzaam doet kijkt hij de ander wat onzeker aan. “Tja, als hij dat doet zal het wel goed zijn”.

Tijdens het spelen zelf wordt er niet opgeruimd. De stroom van fantasie wordt niet onderbroken.

Loop van de ontwikkeling:
Het moeiteloos kunnen afmaken van een opdracht bij het opruimen duidt op schoolrijpheid. Het zelf kunnen zien wat er gebeuren moet, duidt daar ook op. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het resultaat na het opruimen mooier en mooier.

Gezamenlijk nuttigen van de maaltijd:
Helaas wordt in vele gezinnen de maaltijd te snel genuttigd, met te weinig aandacht voor hetgeen er op tafel komt. Dikwijls speelt ondertussen de radio of staat de televisie aan.
Een tweede vrij algemeen verbreide slechte gewoonte is het uiten van kritiek op het gebodene. Gezondheidsmaniakken bijvoorbeeld spuien graag aan tafel hun kennis over het aantal schadelijke bewerkingen dat het voedsel heeft ondergaan.
Voor anderen is het eten domweg te zout, te zoet, te laat op tafel etc. Over de oorzaak ervan kan men denken hoe men wil, wij gaven alleen een paar suggesties, een feit is dat vele kinderen niet blij zijn als ze moeten eten. Zij lusten veel dingen niet en, kauwen slordig. De kleuterschool tracht dit euvel te verhelpen door de gezamenlijke maaltijd een feestelijk karakter te geven.
Door een kind rustig te laten eten en daarbij ook op goede (o.a. stevige) voeding te letten, geeft men het gelegenheid degelijk te leren kauwen.
In de kleuterklas kan op deze wijze mede de basis worden gelegd voor een goede gezondheid.

Ontwikkelingsdoelen:
=Verbetering van de articulatie door goed kauwen.
=Sociale ontwikkeling (bijvoorbeeld tafelmanieren, eerbied, rust).
-Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Bij toerbeurt dekken de kinderen, ook de kleintjes, de tafels met versierde plankjes. Dan gaan allen zitten en wachten tot de leidster bij ieder van hen is langs gekomen om het brood te snijden. Zodra dat klaar is geven allen elkaar een hand en zeggen gezamenlijk een spreuk, een dankgedichtje voor zon en aarde. Er wordt zwijgend gegeten. Wie het brood op heeft mag babbelen. Er wordt eerst gegeten dan gezamenlijk wat gedronken.

Loop van de ontwikkeling:
Alle kinderen die ‘slecht aten’ zijn op deze wijze tot goede eters geworden.
Kinderen gaan beter slapen als ze goed leren eten.
Merkwaardig genoeg ging het euvel van slecht eten ook gepaard met algemene ontevredenheid. Ook deze verdwijnt.

De kleuterschool probeert ‘tevreden’ kinderen af te leveren.

Vertellen:
Hoe minder men het kleine kind verbiedt en hoe meer men zelf het voorbeeld geeft, des te langer behoudt het kind zijn glans en onschuld.
Toch komt het moment, meestal na het derde jaar, dat het kind als het ware overrompeld wordt door een impuls uit hemzelf of uit de omgeving en iets lelijks doet. Vertelt men het dan ’s avonds een verhaaltje waarin een kind net zoiets doet als hij maar dan veel erger, zonder een toespeling te maken op het gedrag van het kind zelf, dan wordt het aangesproken in zijn geweten en zegt meestal dat het zoiets lelijks nooit zou doen.
Met vier jaar heeft het kind al veel begrip voor goed en kwaad en hoort het met vreugde de sprookjes van Grimm die wij vertellen. Deze zijn ‘echt’ en vol humor. Hoe sterk de spanning ook stijgt, het kind kan er zeker van zijn dat het goede tenslotte triomfeert. Zoals bij volwassenen kan een vuur ontstoken worden door het horen van de waarheid, zo kan bij het kind als het ware al een kaarsje worden aangestoken. Het innerlijke licht van de sprookjes brengt vreugde in het kinderleven.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van een arsenaal van bewegingen en motoriek.
=Ontwikkeling van de woordenschat.
=Verruiming van de uitdrukkingsmogelijkheden in de taal.
=De basis voor het beleven van structuren in de zinnen ,van conjuncties in hun gebruik, kortom van de intuïtief logische en gedifferentieerde taal, die later na het negende jaar als grammatica het kind tot bewustzijn zal worden gebracht.
=Beleven van de gesproken taal in zijn dynamiek, frasering, melodie, tempo, correctheid en beheersing. De basis voor een goede ontwikkeling op latere leeftijd.
=Sociale ontwikkeling door leren luisteren naar een ander.
=Verzorging van de eigenbewegingszin, de spraakzin, de gedachte-zin, de ik-zin.

Werkwijze:
De kleuterleidster vertelt in een kring en begeleidt het verhaal met gebaren. Iedere dag wordt 20 à 25 minuten verteld. Een sprookje op dezelfde wijze gebracht wordt zo vele malen beleefd en beluisterd.

Loop van de ontwikkeling:
De kleuterleidster merkt heel goed hoe verschillend de kinderen het sprookje in zich opnemen naarmate ze ouder worden.
De jongeren ondergaan meer, de ouderen denken meer.

Rollenspel:
Er zijn weinig kinderen die niet graag in de huid van een ander kruipen, een rol spelen. Het kan al vroeg beginnen. Twee jaar oud kan het kind bijvoorbeeld al voor moeder spelen terwijl het de moeder kind laat zijn en schoenen laat passen.
In de bloei van de kleutertijd beschikken kinderen over een uitgebreid repertoire van rollen.
Heel mooi en heel boeiend zijn de rollen ontleend aan de sprookjes of verhalen die de jaarfeesten begeleiden.

Ontwikkelingsdoelen:
Individuele en sociale ontwikkeling in de ruimste zin van het woord. Spraak, beweging, zelfvertrouwen.

Werkwijze:
Tijdens het vrije spel ontstaan rollen vanzelf.
Wanneer een sprookje door het vele vertellen gekend wordt, voeren de kinderen het met de leidster op. Soms spreekt zij, soms spreken de kinderen. De decors bestaan uit beklede rekken, de kinderen hebben gekleurde rokken, mantels, kronen.

Materiaal:
=Wollen, zijden en katoenen doeken in effen kleuren.
=Kronen.
=Rekken.
=Tafels, stoelen, plankenkasten.

Loop van de ontwikkeling:
Een zekere kracht en zelfstandigheid in het optreden tijdens het toneelspel i.p.v. een meer dromerig op’ juffie’ georiënteerd zijn, duidt op schoolrijpheid.

Buitenspel:
Ieder weet hoe graag een kind door plassen loopt; hoe gauw het kans ziet zich met modder vuil te maken. Geboeid kijkt het aan het strand hoe de wind over het water scheert. Wordt ergens fikkie gestookt dan kan men rekenen op zijn instemming!
Het is een geluk als een kind ergens op een plekje grond buiten kan komen en de natuur kan beleven. Er is een groot verschil tussen binnen- en buitenspel, binnen vormt het kind in zijn spel de wereld, buiten ondergaat het de elementen. In het zand spelend, zit het weldra onder het zand…

‘Een jongetje van vier zit heerlijk in een plas regenwater te spetteren. Een oudere dame loopt naar hem toe en vraagt vriendelijk of het jongetje niet uit die plas wil gaan. Het jongetje kijkt verwonderd op: “Nee hoor! Zoek jij maar een andere plas”.

Ontwikkelingsdoelen:
=Goede motoriek.
=Gezondheid.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, gezichtszin.
=De kleuterschool heeft een tuin met bloemen, gras en een zandbak.

Werkwijze:
Bij goed weer gaat de klas naar buiten om er vrij te spelen, ’s Zomers zorgen de leidsters dat de kinderen via een waterslang ook emmertjes water kunnen vullen.
Vanaf vijf jaar mogen de kinderen ook ’s middags op school blijven. Ze helpen dan dikwijls de leidsters in de tuin met harken, wieden etc.

Materiaal:
Karren, houten schepjes, emmertjes, kruiwagens, harkjes.

Loop van de ontwikkeling:
Hoe ouder het kind wordt des te meer lichaamsbeheersing het kind krijgt. Het kind kan steeds beter huppelen, springen, hinkelen en rennen.

Schilderen:
Rudolf Steiner wijst op de verwantschap van de ziel met de wereld van kleuren. Wanneer een peuter of een kleuter een kleur mag kiezen, doet hij dat inderdaad met hart en ziel. Het laat hem niet koud of hij de oranje of de groene limonade krijgt. Het gaat hem wonderlijk genoeg daarbij méér om een kleur dan om de smaak.
Aan ons volwassenen is deze verwantschap vaak niet meer af te lezen, allerminst wanneer wij rijdend in de trein gewoon de krant in kijken tijdens de schoonste zonsopgang. Een enkele keer komt het voor dat ook wij getroffen worden bijvoorbeeld door de kleuren van de regenboog. Uitgaande van de regenboogkleuren in de kleuterschool en de lagere klassen, later in de hogere klassen vanuit een steeds genuanceerder palet, tracht de Vrije School de relatie tot de kleurenwereld levend te houden.

Werkwijze:
De kinderen schilderen met elkaar zittend aan grote tafels. Daarop is voor elk kind een nat aquarelpapier uitgespreid. De waterverf, rood, geel en blauw staat gereed. Er wordt gewerkt met brede kwast.

‘Een jongetje kijkt verwonderd op van het werk van zijn buurmeisje en: “Wat een mooi groen!” Het buurmeisje: “Ik had geel en daar kwam een beetje blauw overheen en ineens was er groen.” Alle twee kijken ze aandachtig hoe de groene vlek zich nog steeds aan ’t uitbreiden is.’

In lege jampotten met water gevuld worden de kwasten uitgespoeld. Ook dient het water om de verf op het penseel iets te verdunnen. De leidster schildert mee om de kinderen vanuit de nabootsing de gelegenheid te geven de techniek van het aquarelleren meester te worden. Opdrachten geeft zij echter niet.

Materialen:
Aquarelverf, penselen, water, goede kwaliteit papier.

Loop van de ontwikkeling:
Tijdens het schilderen herkennen we de schoolrijpheid doordat het kind heldere duidelijke voorstellingen schildert. De oudere kleuters beheersen de techniek en het materiaal.

Plakken, knutselen, boetseren, borduren
Gezellig samen met ouderen dingen maken is een vervulling in het kinderleven. Kinderen houden daarbij niet van voorschriften, wel van bijval en soms wat hulp. De kleine vingertjes doen dadelijk mee als je het kind het initiatief laat. Hoewel het werk ontstaat onder invloed van de nabootsing is het een stukje identiteit van de kleuter. Elk werkje is anders en vraagt om onze erkenning en bewondering wanneer het kind er echt aan gewerkt heeft. Eisen kunnen we in de kleuterschool niet stellen. Als leidster zijn we blij en dankbaar als het kind onder onze leiding zin heeft om wat te maken.

Werkwijze:
De kleuters werken samen aan lange tafels met de leidster die nü echt meedoet. Hoogtepunten zijn het maken van versieringen en attributen voor de jaarfeesten: engeltjes, een kerststal, paasmandjes.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van kleur- en vormgevoel.
=Vaardigheid met materialen.
=Hantering van de schaar.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, warmtezin, gezichtszin.

Materialen plakken, knutselen:
Stevig papier, transparant papier, zijdevloeipapier, wollen draadjes, lijm etc.

Loop van de ontwikkeling:
Het tot een voorstelling komen en beheersing van het materiaal duiden op schoolrijpheid.

Materiaal boetseren:
’s Winters bijenwas, ’s zomers rivierklei.

Loop van de ontwikkeling:
Op schoolrijpheid duidt het bewust hanteren van het materiaal, dat wil zeggen het zelf de baas blijven en het afmaken van het begonnen werk.

Materiaal borduren:
Wol, jute, stompe naald.

Loop van de ontwikkeling:
Borduren doen wij alleen ’s middags met de oudste kleuters. De jongste kunnen dit nog niet. Eigenlijk komen alle kinderen in het jaar voor zij ons verlaten zo ver, dat zij naald en draad goed hanteren en hun borduurwerk net zo mooi wordt als hun tekeningen!
.

Hoofdstuk Vl, waarvan 6.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VP
.

* Zie bijv. Kindertekeningen, de beeldende taal van het kleine kind, Michaela Strauss; Vrij Geestesleven.

.
peuters/kleuters: alle artikelen

ritme: alle artikelen

spel: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

schoolrijpheid    [2]

zintuigen: alle artikelen

sprookjes: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuterklas

 

1108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.