Tagarchief: ontwikkeling 0 – 7 jaar

VRIJESCHOOL – Schoolrijpheid (8)

.
Barbara Zaar*, Erziehungskunst frühe Kindheit, zomer 2023

.

Over een goed of het best mogelijke moment om naar school te gaan

.

Voor vrijwel alle kinderen en hun ouders is de overgang van de kleuterschool naar de basisschool een cruciaal moment. Het is een langverwachte, of minder vaak gevreesde, gebeurtenis die maanden van tevoren al hun gedachten bezighoudt. Ook de leerkrachten in de kleuterschool merken dit – zowel in de emotionele verwachting van de kinderen als ook – non-verbaal – aan de signalen van veranderingsprocessen die zich niet zichtbaar afspelen. Maar wanneer is het dan eindelijk zover?

Allereerst is het belangrijk om rekening te houden met de leerplicht. Deze wordt uitsluitend bepaald door de chronologische leeftijd van het kind. Tot een paar jaar geleden was de uiterste datum in Baden-Württemberg (de dag waarop een kind zes jaar oud moest zijn) 30 september. Deze is inmiddels (net als vele jaren geleden!) vervroegd naar 30 juni.

Het blijft echter altijd de vraag of een kind in de leerplichtige leeftijd ook daadwerkelijk klaar is voor school, of dat uitstel overwogen moet worden. Deze beslissing ligt doorgaans bij de (begeleidende) leerkrachten van de betreffende school en de ouders. Bij twijfel wordt ook de afdeling volksgezondheid geraadpleegd.

Op vrijescholen wordt de vraag naar schoolrijpheid vanuit zowel pedagogisch als medisch oogpunt bekeken, mits er een schoolarts beschikbaar is. In elk geval worden verschillende aspecten in de beslissing meegenomen, voortkomend uit het begrip van het kind als een geleidelijk ontwikkelend, emotioneel en spiritueel wezen. Dit vergt meestal meer inspanning, maar maakt meer individuele beoordelingen mogelijk en biedt de gelegenheid om eventuele verborgen ontwikkelingsbehoeften in kaart te brengen. Ouders kunnen vervolgens, indien nodig, op aanbeveling van de schoolarts een aanvraag tot uitstel indienen bij hun lokale basisschool. Dit geeft de beslissing over de schoolstartdatum de aandacht die het verdient, gezien de vaak verstrekkende gevolgen voor het hele leven van het kind: te vroeg of te laat – beide kunnen desastreuze gevolgen hebben! We vinden niet altijd het absoluut ideale moment voor een kind, omdat we maar één schoolstartdatum per jaar hebben. Studies en praktijkervaring tonen echter aan dat, op de lange termijn, bij twijfel, iets meer ontwikkelingstijd voordeliger is dan minder.

De “lichamelijke religiositeit” van het kind

Maar hoe bepalen we of een kind schoolrijp is?
Om deze vraag echt te begrijpen, moeten we teruggaan naar de wortels van het bestaan ​​van een kind, naar zijn oorsprong, zijn aard. Vanuit een prenatale, embryonale wereld van ‘eenheid’, vanuit de waterwereld van volledige bescherming en zorg betreedt de pasgeborene een vreemde ‘duale’ wereld waar luchtige en vaste elementen niet langer in water zijn opgelost, maar afzonderlijk bestaan.
Tussen deze twee polen moet de ziel van het kind zich geleidelijk vestigen en vertrouwd raken met de elementen op aarde.
De eerste ademhaling van de pasgeborene, als zijn eerste onafhankelijke ‘handeling’ op aarde, markeert het begin van de bezieling (inspiratie), de intrede van de ziel in het lichaam en, door de opname van zuurstof, het begin van het onafhankelijke leven van de nieuwe mens, los van de moederlijke placenta.
De ziel van het kind begeeft zich in zekere zin actief naar zijn ‘lichamelijke thuis’, dat aanvankelijk het geërfde lichaam is dat door de ouders is verstrekt.

Net zoals het embryo en de foetus volledig afhankelijk zijn van de vliezen van het chorion en het amnion, van de omgeving van het moederlijke organisme – waar het door wordt beademd, gevoed, ontgift en op vele manieren beschermd – zo heeft ook de pasgeborene nu behoefte aan een omhulling van begrip, liefde en koesterende zorg van zijn ouders. De openheid van het zich ontwikkelende kind naar zijn omgeving, de nauwe band ermee en de eenheid ermee, blijft lang na de geboorte bestaan, zij het op een ander niveau.

Het is verbazingwekkend en veelzeggend dat dit kleine wezentje, ondanks al zijn onvolmaaktheid en afhankelijkheid, ons toch diep kan raken en met respect kan vervullen. Het lijkt, alleen al door zijn aanwezigheid, de hele ruimte waarin zijn wieg staat te vullen, de mensen eromheen te raken en te vragen om zachtheid en eerbiedige stilte.
Maar wie, wat roept ons? De stem van het kind, die eens tot ons gaat spreken, is het niet; ook geen roepende blik, een gebaar of zijn ‘lichaamstaal’. Het lijkt eerder iets verborgens, iets wat we in eerste instantie meer aanvoelen dan ‘zien’, iets dat gekenmerkt wordt door een toekomst, maar waarvan we erop vertrouwen dat het zich zal ontwikkelen en manifesteren. Het is als de zachte eerste ontmoeting met de onsterfelijke geest-ziel van het kind, zijn ware individualiteit, die lijkt op te rijzen boven het kleine, nog hulpeloze lichaam van de baby en ons roept.
Alle opvoeding – vooral in de eerste mysterieuze drie jaar – zal proberen aan te voelen welke steun de ziel van het kind nodig heeft om in het hulpeloze lichaam thuis te raken, te vormen en zelf geleidelijk in staat te raken om in de wereld te leven.

Groei, orgaanontwikkeling en het algemene leervermogen bereiken hun hoogtepunt in de eerste levensjaren. De specifiek menselijke vaardigheden – het overwinnen van de zwaartekracht om rechtop te lopen, het verwerven van taal en het koppelen van diverse zintuiglijke waarnemingen aan gedachten – worden door het kind in de eerste tweeënhalf tot drie jaar verworven, een periode waar het zich later doorgaans niets van herinnert.

Wat stelt het kind in staat zulke opmerkelijke prestaties te leveren? Een belangrijke factor ligt juist in deze kinderlijke amnesie – het gebrek aan geheugen – en daarmee samenhangend in de bewustzijnstoestand van het jonge kind, dat zich thuis voelt in beelden en geen abstracte gedachten kent. Het kind valt ook vaker in een diepe slaap, waaruit het de kracht put voor ontwikkeling in de breedste zin van het woord.

In zijn wakkere toestand leeft het kind echter volledig in overgave aan de wereld via zijn zintuigen. Het oog, het oor, de smaakzin of de huid als tastorgaan staan niet op zichzelf: eerder dompelt het kind zich in plaats daarvan onder in zijn omgeving door middel van zijn algemene zintuiglijkheid en in volledige zintuiglijke openheid met al zijn zintuigen. De indrukken dringen diep door in het lichaam van het kind.

Het lijkt bijna alsof het hele kleine lichaam wordt gegrepen, bijvoorbeeld door de ervaring van smaak wanneer de baby aan de borst van zijn moeder drinkt en tevreden tegen haar aan ligt en met haar meebeweegt; of wanneer zijn adem stokt bij het zien van een misschien onbekende of vreemde persoon, om seconden later verlichting te vinden in een diepe uitademing of zelfs in huilen. Het hele kind openbaart zich in deze levensfase, zoals Rudolf Steiner het noemt, “als een soort onderzoekend oog”.

Met fundamentele sympathiekrachten en een diepe interesse verbindt het zich met de wereld, wil het alles ervaren, zich erover verwonderen en het actief begrijpen door middel van het nabootsen.
Het gaat zonder vooroordelen in de wereld op en is juist daardoor zo onvergelijkbaar in staat om te leren, maar ook kwetsbaar.

Alles dringt in het kind door – een woord, een geluid, een aanraking – evenals de daarin uitgedrukte moraal of immoraliteit. Bij het jonge kind worden deze indrukken nog niet, zoals Rudolf Steiner verder beschrijft in zijn pedagogische
uitleg, weerspiegeld en kritisch geëvalueerd in de spiegel van het bewustzijn, maar blijven ze de levensprocessen van het nog dromerige, onbewuste kind doordringen. Ze vormen zijn organen en hun functies via de bloedsomloop en de ademhaling. Ze beïnvloeden de groei, ontwikkeling en de ontwikkeling van de motoriek van het kind.

Door na te bootsen en steeds weer te herhalen wat het kind in zijn omgeving waarneemt, gebaseerd op levende voorbeelden, belichaamt het de wereld als het ware, waardoor het er fysiek mee vertrouwd raakt. Later zal het ze zich ook fysiek ‘herinneren”, omdat het ze heeft ervaren en heeft geleerd ermee om te gaan. Of het nu gaat om voedingsstoffen, warmte en kou, water, zwaartekracht en ruimtelijke verhoudingen, of om het in contact komen met ziekteverwekkers – dit alles kan bijdragen aan de rijping, individualisering, groeiende competentie en het ontwikkelen van vertrouwen van het kind, die allemaal diep geworteld zijn in het lichaam. Het geërfde lichaam van de ouders dient het kind ‘als een soort model waarop zijn spirituele en mentale wezen werkt, waarbij het de indrukken van zijn omgeving verwerkt als een puur imiterend wezen’ (Rudolf Steiner).

Dit proces vindt plaats in de eerste zeven jaar tot de schoolrijpheid, terwijl het kind, met zijn groei- of vormingskrachten, zich ontwikkelt van het hoofd, via de borstkas, naar de buik en de ledematen.
De dominantie van de hoofdomvang komt in het eerste derde deel van de eerste zeven jaar overeen met de groei en actieve ontwikkeling van de zintuigen en de hersenen. Rechtop lopen, taal en denken worden verankerd.

Tijdens het tweede derde deel van de eerste zeven jaar ontwikkelt het middengedeelte van het lichaam, inclusief de ribbenkast, zich relatief snel. In deze periode ontwikkelt het kind zijn motorische en taalvaardigheden verder, waardoor de longfunctie, ademhaling en hartfunctie verbeteren. Reflexen uit de vroege kindertijd worden intensief aangevuld en vervangen door doelbewuste bewegingspatronen; een gevoel van veiligheid in het eigen lichaam ontstaat en wordt verder ontwikkeld. Ook de sociale interactie tussen kinderen neemt toe; fantasierijk spel wordt mogelijk.

Ten slotte, in het laatste derde deel van de eerste zeven jaar, worden de groei en de ontwikkeling van de ledematen duidelijker. De fysieke veerkracht en behendigheid nemen toe, evenals de grove en fijne motoriek, de coördinatie en de vloeiendheid van bewegingen, bijvoorbeeld bij het touwtjespringen.

Maar ook alle andere eerder verworven taalkundige, artistieke of sociale vaardigheden worden verder ontwikkeld en het kind wordt een steeds betere kenner van zijn kleine wereld.

Het instrument wordt bemachtigd

In de eerste zeven jaar leeft het kind nog in een nauwe verbinding tussen lichaam en ziel. Alles is nog één. Deze tijd lijkt een herinnering aan de wereld waaruit het kind is voortgekomen en die wordt gekenmerkt door de eerdergenoemde ‘eenheid’: de fysieke vorm van de moeder.
Wat betreft de ziel van het kind en haar spirituele aard, lijkt het een nagloed van haar thuisland, dat is vrijgesteld van de wetten van het aardse rijk: de wereld van ons leven vóór en na de dood.

Tegen het einde van de eerste zeven jaar begint er echter een verandering. De intensieve integratie in het lichaam door middel van sensomotorische waarneming, de betekenisvolle verbinding van zintuiglijke ervaringen met de eigen beweging in de nabootsing ervan, loopt ten einde.

Zodra het lichaam van het kind, van hoofd tot teen, op deze manier is veroverd en gevormd, en tegelijkertijd op een unieke manier is gegroeid, vindt er een geleidelijke bevrijding plaats van deze etherische vormende krachten van het fysieke. Het instrument van het lichaam wordt gebouwd; nu bereidt de ziel van het kind zich voor om ermee te leren spelen en geleidelijk zijn verborgen essentie tot leven te brengen.
Waar aanvankelijk alles draaide om voeding, vormgeving en verzorging van het lichaam, vindt er nu een bevrijding van de groeikrachten van deze taken plaats. Het is aan Rudolf Steiner te danken dat hij dit principe ontdekte aan het einde van de eerste zevenjarige periode, die hij beschrijft als de “metamorfose van vormende krachten in denk- en zielskrachten”. Naarmate de curve van de fysieke groei afvlakt, komt een groot deel van de vormende krachten vrij voor nieuwe taken. Een deel blijft beschikbaar voor de fysieke processen van groei, regeneratie en voortplanting. Kinderen ervaren deze overgang vaak als een crisis, en het is van groot belang om zich hiervan bewust te zijn. Er is namelijk een fysieke en mentale inspanning gemoeid met deze “reconstructie”, die begrepen moet worden om misinterpretaties te voorkomen.

Men zou kunnen spreken van een nieuwe geboorte, de geboorte van het etherlijf, dat – net als het fysieke lichaam na het verlaten van de moederlijke omhulsels – nu onafhankelijk wordt in verbinding met de geest-ziel van het kind. Hieruit vloeit een schat aan fysieke, psychologische en spirituele verschijnselen voort, die nu allemaal als geheel worden beschouwd in het schoolrijpheidsonderzoek.

Net als een weerspiegeling van de genetische samenstelling van de ouders van het kind, die geleidelijk individuele inprenting ondergaat en uiteindelijk “afgeworpen” wordt, zijn de nog ongedifferentieerde melktanden, die nu uitvallen – te beginnen bij de voortanden – en vervangen worden door veel karakteristiekere blijvende tanden. Soms verschijnen de eerste kiezen zelfs nog eerder. Op enkele uitzonderingen na wordt de hele kwestie van de kaakstand pas nu relevant.

Bovendien laat het kind ons zien dat het tot aan de uiteinden van zijn ledematen is gegroeid. De verhouding tussen hoofd en lichaam is veranderd. De armen zijn lang genoeg om het hoofd te grijpen en de grootte van het kind is nu in evenwicht tussen horizontaal en verticaal: armspan en lichaamslengte komen overeen.

Net zoals het etherische lichaam zich steeds meer naar het psychische rijk richt, is er nu in de vorm van het kind een verandering naar een grotere lichaamslichtheid waar te nemen.
De voeten bereiden hun voetbogen voor op een soepele gang; de wervelkolom ontwikkelt zijn typische krommingen, ook in de zin van een vrije, veerkrachtige, rechtopstaande houding. De voorheen mollige armen onthullen de kleine gewrichten en de spieren die ze bewegen. De nek wint aan hoogte en dient als basis voor de doelgerichte bewegingen van het hoofd om zintuiglijke indrukken of emotionele expressie te versterken. Er kan meer lucht door de neusholtes, ademhalen door de mond is niet langer nodig. Een verandering in de verhouding tussen de twee harttonen is hoorbaar in de hartslag van het kind.
De motorische vaardigheden zijn nu zo ver ontwikkeld dat springen op één en twee benen mogelijk is; evenals staan ​​op één been, voorwaarts en achterwaarts balanceren. Het kind ervaart ruimte, zelfs waar het die niet kan zien. Het laat in de omgang met de bal zien of het zich bij het gooien naar de ‘wereld’ kan draaien en de bal ook bij het vangen kan ontvangen; of het kind zijn bewegingen zo kan aanpassen dat de bal altijd op de juiste plek terechtkomt. Ook het uitdagende touwtjespringen wekt nu de interesse van het kind. De fijne motoriek, de potloodgreep en de oog-handcoördinatie worden zichtbaar. Dit alles is gebaseerd op een succesvolle vermindering van de spierreflexen uit de vroege kindertijd en is daarvan afhankelijk.

De blik van het kind wordt alerter, meer gefocust en niet langer uitsluitend geleid door indrukken van buitenaf. Het toont een groeiende interesse in het begrijpen van de wereld om zich heen, waarin en waarmee het tot dan toe “alleen maar heeft geleefd” en waarin het zich fysiek heeft ontwikkeld.

Het schoolgaande kind heeft een zeker innerlijk leven: eigen ideeën, plannen, reflectie op wat er gisteren, in het verleden, heden en de toekomst is gebeurd, worden denkbaar; een eerste conceptvorming ontstaat. Getallen, hoeveelheden en vormen kunnen worden gegrepen, nagetekend en ook onthouden. Waar het geheugen van het kleine kind werd gevormd door fysieke actie en ervaring, kan het nu steeds vrijer leven in mentale beelden.

De ontwikkeling van de intellectuele vermogens van een kind, in samenhang met de fysieke ontwikkeling, is een van de essentiële criteria voor schoolrijpheid en duidt op een reeds afgerond fysiek ontwikkelingsproces. Kinderen hebben nu nieuwe stimulatie nodig op het gebied van denken en verbeelding, rekenen, tekenen en schrijven. Taalbegrip en -gebruik zijn nu gezond, evenals de correcte uitspraak van klanken. Soms ontbreekt het hen nog aan de moed om te spreken, vooral in een nieuwe situatie. Anderen spreken juist heel veel. In dat geval moet men zich afvragen of er sprake is van een algemene emotionele onrijpheid en of het kind zich misschien nog niet los kan maken van zijn of haar ouders.

Luisteren naar en vertalen van wat er gehoord wordt in de eigen
taal of beweging, bijvoorbeeld klappen, duidt op het vermogen om aandachtig te luisteren en te volgen wat er gehoord wordt.

Ook de schilderingen van de toekomstige schoolkinderen geven inzicht in hun ontwikkelingsfase of andere relevante aspecten (schildert het kind überhaupt? Hoe en wat schildert het kind? Kleurgebruik? Lijnvoering? enz.).

Ten slotte moet ook de houding van het kind ten opzichte van school in overweging worden genomen, vooral in de hierboven genoemde onduidelijke gevallen. Is het kind echt geneigd tot het schoolleven, of wil het gewoon zijn of haar vrienden volgen? Kan je erop vertrouwen dat het kind de dagelijkse schoolroutine echt aankan (zelfs op een vrijeschool!), of zou het kind misschien uitgeput raken en zijn of haar kinderlijke vreugde verliezen?

Met de uitgangspunten van het medisch onderzoek hebben we een handig hulpmiddel om een ​​diagnose van schoolrijpheid te bevestigen of uit te sluiten. Niettemin zijn er lastige individuele gevallen die een individuele aanpak vereisen. Dit omvat de vraag naar alternatieven. Waar kan het kind zijn of haar laatste jaar op de kleuterschool nog productief doorbrengen? Het is de moeite waard om dit met de leerkrachten te bespreken. Het verschuiven van de einddatum is een voorbeeld van de mogelijkheid om de zaken opnieuw te bekijken. De schoolrijpheid van een kind, diepgaand bekeken, beschrijft veel meer dan een bepaalde leeftijd of lichaamslengte (zelfs lange kinderen kunnen onvolgroeid zijn!) of interesse in letters en cijfers. Het geeft informatie over de vraag of het kind zijn of haar lichaam al daadwerkelijk heeft kunnen ontwikkelen als fysieke basis, zodat het vervolgens het voertuig kan worden voor de intellectuele individualiteit van de opgroeiende persoon, diens gedachten, emotionele drijfveren en handelingen. En dit heeft aanzienlijke gevolgen voor
tevredenheid en gezondheid – mogelijk voor een leven lang.

*Barbara Zaar, schoolarts voor kleuter- en basisonderwijs met eigen praktijk

.

Schoolrijpheid: alle artikelen

Ontwikkelingsfasenalle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3549-3334

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Peuter en kleuter – spel (14-2)

.

Freya Jaffke, Weledaberichten 116, december 1978

.
Het spel van het kind – een vormgevend element

.
Als de individualiteit van de mens zich vanuit de toestand van niet-geboren-zijn hier op aarde incarneert dan verbindt zij zich met een lichamelijke omhulling die door de ouders wordt verschaft. Deze is echter zo teer en onaf wat de organen en hun functies betreft, het bewegingssysteem is zo ongedifferentieerd, het zenuw-zintuiggebied is zo open, dat de individualiteit zes tot zeven levensjaren toegemeten krijgt om het lichaam in bezit te nemen en op te bouwen. Dit voltrekt zich volgens de krachten die in zijn lot besloten liggen en in samenhang met de nu aanvaarde levenssituatie. Bij deze activiteit is het contact met de menselijke omgeving van beslissende betekenis, want de mens leert het mens-zijn alleen maar van de medemens. Alles, wat een kind in zijn omgeving kan waarnemen, neemt het met hart en ziel, met een open gemoed op en het integreert dit diep in zijn lichamelijkheid. Het heeft nog niet de bescherming van een bewustzijn dat de gebeurtenissen verwerkt. Het is dientengevolge niet in staat om afstand van indrukken te nemen. Als wij deze gedachte, dat de uiterlijke omgeving invloed uitoefent op de activiteit die het lichaam opbouwt, ernstig opvatten, dan zullen wij ter wille van het kind de grootste zorgvuldigheid in acht nemen ten aanzien van de vorming van de eigen omgeving en van een levenshouding die tot voorbeeld kan strekken.

Het kleine kind verwerkt alle indrukken door de kracht van de nabootsing. Dit komt zo bijzonder mooi tot uitdrukking in het spel van het kind. Als wij zelf maar voldoende plezier, vreugde, rust en vanzelfsprekendheid bij het dagelijkse werk uitstralen, dan kunnen wij vol vertrouwen hopen, dat de kinderen vrolijk en ook echt actief worden. De manier, hoe nu een kind nabootsend zijn ervaringen in de wereld opdoet, hangt niet alleen af van de individualiteit maar vooral ook van het ontwikkelingsstadium waarin het zich bevindt. Drie van zulke stadia kunnen in de eerste 6 à 7 jaren duidelijk onderscheiden worden.

In de eerste tijd (2½ -3 jaar) waarin de mens leert om rechtop te lopen, te spreken en daarmee het begin van te kunnen denken krijgt is de moeder met al haar doen en laten van beslissende betekenis. Eerst kon het kind vanuit de wieg of de box zien wat zijn moeder deed; daarna gaat het haar aldoor meer bij alles wat zij in huis doet vergezellen. Als moeder de kussens opschudt haalt het kind een bankje om dat ook te kunnen doen. Of het pakt net als moeder met plezier was uit een teil om die dan weer onder te dompelen; het veegt nabootsend met de bezem, waarbij het stof wel eens meer verspreid dan opgeveegd wordt. Dit impulsieve aanpakken en grijpen werkt tot diep in de organen door, in ’t bijzonder op de subtielere differentiaties in de hersenprocessen; daardoor wordt de voorwaarde geschapen om later door te denken bijv. een arbeidsproces te kunnen be-grijpen.

Al is het kind samen met zijn moeder tijden bezig, het zal steeds ook weer tevreden in zijn speelhoek terugkeren. Het belangrijkste speelgoed dat wij kunnen geven, of het nu een jongen of een meisje is, is de pop. Het beste een pop van een lap gemaakt, die een hoofd heeft dat gewoon toegebonden en met schapenwol gevuld is.*) Mond en ogen behoeven alleen maar aangeduid te worden. Zo ontstaat er een neutrale gelaatsuitdrukking, die al naar de behoefte van het kind wakker is, slaap uitdrukt, lacht of huilt. Men zou alles wat naar perfectie of natuurgetrouwe nabootsing zweemt ter wille van een gezonde ontwikkeling van de kinderlijke fantasie moeten vermijden. Dit geldt ook voor ander speelgoed. Geperfectioneerd speelgoed, dat eventueel ook nog van technische finesses voorzien is, laat voor de kinderlijke fantasie geen speelruimte meer over; het is, helemaal kant en klaar, veeleer aangepast aan hetgeen de volwassenen verlangen.

In de tweede ontwikkelingsfase (ongeveer tot het vijfde jaar) vermindert de behoefte om de moeder ‘helpend’ te vergezellen. Doordat de kinderlijke fantasie en het geheugen steeds meer tot ontplooiing komen, ontstaat een eigen activiteit en spel. Menige moeder slaakt dan een diepe zucht, behalve als ze weet, dat ook dit weer over gaat. Elk verplaatsbaar meubel, allerlei huisraad kan, met een heel ander doel dan waarvoor het oorspronkelijk bestemd is, gebruikt worden om mee te spelen. Moeders strijkijzer wordt een stoomboot, een touw met aan elke kant een pollepel wordt de telefoon, een voetenbankje wordt een fornuis en straks, ondersteboven, een poppenbed. En hoe dikwijls wordt een daarnet begonnen spel afgebroken of iets heel anders, als er een ander voorwerp wordt ontdekt of daardoor een nieuw idee ontstaat.

Door ‘speelgoed’ uit de natuur, zoals bijv. stukken hout, boomschors, dennenappels, stenen, ongesponnen schapenwol, ook allerlei katoenen lappen, kan deze activiteit die tot creativiteit wil worden, op een gezonde manier uitgelokt worden. Wij laten die dingen uit de natuur in het spel tot iets anders worden; ze brengen tegelijkertijd een relatie tot de natuurrijken die ons omringen tot stand.

Er ontstaat, zou men kunnen zeggen, een ‘gezonde chaos’ om het kind heen; deze zou dagelijks minstens één keer weer in orde moeten worden gebracht opdat er ruimte voor nieuwe ontplooiing ontstaat.

Omstreeks het vijfde jaar begint de derde ontwikkelingsfase, waarin het spelen in toenemende mate continuïteit krijgt. De kinderen beschikken nu over zoveel voorstellings- en herinneringsvermogen, dat zij gebeurtenissen die al ver terugliggen, tot in verbazingwekkende bijzonderheden en in nauwkeurige volgorde in hun spel kunnen herhalen. Zij hebben nu ook even oude speelkameraadjes nodig, waarmee ze plannen kunnen smeden en verwerpen en die handig en met plezier ideeën om te spelen helpen verwerkelijken. Ook nu echter hebben de kinderen absoluut geen meer geperfectioneerd of geen gecompliceerder speelgoed nodig. De fantasie, die tevoren op zo’n gevarieerde manier aan de gang werd gezet, gaat nu een verbond aan met de op een doel gerichte wil en schept zelf de dingen, die voor het spel nodig zijn. De handen zijn nu ook voldoende bedreven, dat er allerlei wat nodig is, zelf gemaakt kan worden. Voor een ‘schilder’ is het bijv. niet moeilijk om van een stok met een lap eraan, een ‘penseel’ te maken; een ‘tandarts’ maakt zelf de verstelbare ‘stoel’ voor de ‘patiënt’ en alle nodige ‘instrumenten’; een ‘kraandrijver’ maakt zelf alles wat hij voor zijn bedrijf nodig heeft van tafels, stoelen en touwen. En de poppenmoedertjes naaien en borduren de mooiste kleren voor de lappenpoppen die nog steeds dezelfde zijn als vroeger.

Door zo’n schaars aanbod van speelgoed wordt er van de kinderen vanzelfsprekend allerlei inspanning verlangd. Maar daarop komt het nu juist aan. Die inspanning verrijkt het kind innerlijk; zij geeft aan het spel een onuitputtelijke overvloed. Alle beweeglijkheid, handigheid en menigvuldigheid van de geactiveerde fantasie gaat hand in hand met de opbouw van het lichaam. Dit wordt het gedifferentieerde omhulsel waardoor de individualiteit zich in dit leven kan openbaren en in dienst van de wereld kan stellen.
.
Spel: alle artikelen

Nabootsingartikelen

Kleuters en peuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter- kleuterklassen

*)  Freya Jaffke: verschillende*    boeken

.

*

2734-2563

.

.

.

.

..

.

VRIJESCHOOL – Peuters-kleuters – de kindertekening (6)

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, lente 2004 nr. 13
.

In zijn tekeningen vertelt het kind altijd de waarheid

Kinderen zijn dol op tekenen. Vanaf het moment dat ze een krijtje kunnen vasthouden, zetten ze vol enthousiasme hun krabbels op – en naast -hun vel papier. Als ze wat groter zijn tekenen ze met de tong uit de mond en blosjes op de wangen hun fleurige, soms minutieus uitgewerkte huisjes, boompjes en beestjes. Kindertekeningen zijn meestal ontroerend. Maar ook onthullend. Ze laten zien hoe een kind zichzelf en de wereld om hem heen ervaart.

Met opgetogen verwondering kan een peuter de afdruk van zijn eigen voetjes of schoentjes in het zand van het strand bekijken. Als hij dan voorzichtig terug stapt in zijn sporen, is het alsof hij een stukje van zichzelf terugvindt dat hem anders zou zijn ontglipt. Tekenen is voor een kind van een jaar of twee-drie net zoiets als een voetafdruk maken in het zand. Hij laat zijn hand met het krijtje over het papier gaan en laat daar een afdruk van zichzelf op achter. Hij tekent onwillekeurig niets anders dan zijn eigen beweging.

Afhankelijk van hun aard bewegen kinderen zich natuurlijk heel verschillend. Die verschillen vind je dan ook terug in hun tekeningen. De ondernemende, gespierde peuter zal zijn krijtje in zijn vuist klemmen en er op los ‘tekenen’, het hele papier bedekkend met stevige krassen. Een tenger kind met wakkere zintuigen en wat houterige bewegingen maakt kriebelige frummeltjes op de vierkante centimeter, liefst in het uiterste hoekje van zijn blad papier. De mollige peuter die niets liever doet dan rustig zijn eten en indrukken zitten verteren, trekt met grote voldoening wijde, ronde vormen over het papier terwijl het lichte, springerige kind zijn hand met het krijtje telkens als het ware vanuit de lucht op het papier laat neerkomen om daar een vrolijke wirwar aan stipjes achter te laten. Of je kind nu cirkels, stipjes of krassen maakt, het zijn allemaal gezonde tekengebaren voor een twee- à driejarige. Wat zijn tekening toont, is de afdruk van zijn bewegingszin, het zintuig waarmee je kind plezier in zijn bewegingen ontwikkelt. Wat zo’n tekening voorstelt, valt er niet uit op te maken en dat is in deze fase ook totaal niet relevant.

Woivenkïndjes

Rond een jaar of vier zullen de tekeningen van je kind in een andere fase belanden.

Hij begint te ontdekken dat tekenen ook met beelden, en dus met taal, te maken heeft. Steeds vaker zal hij je, al tekenend, zijn verhaal willen vertellen. Hij zet nu niet meer alleen zijn lichamelijke beweging op papier, maar ook zijn innerlijke bewegingen. Bovendien gaat hij ook in toenemende mate de bewegingen van andere wezens tekenen. Zoals Joost in zijn geel/blauwe krastekening. ‘Dat is een wolf,’ vertelt hij terwijl hij een stevige donkerblauwe lijn midden over het papier trekt. ‘De wolf is boos,’ vervolgt hij, en zet een lichtblauwe kras aan het einde van de streep. Rechts boven de streep belanden een paar donkerblauwe en gele kriebeltjes. ‘Kindjes.’

Op de vraag of het mensen- of wolvenkindjes zijn, antwoordt hij beslist: ‘Wolvenkindjes, en ze doen niet wat de wolf zegt. Ze moeten hun hol in, maar gaan rondrennen.’ En daar gaan ze, met het gele krijtje rennen ze over het papier. ‘En ik zal je laten zien wat de wolf doet,’ zegt hij terwijl hij met heftige blauwe krassen de boze wolf om en door het geel laat lopen. Ik vraag of de boze wolf misschien ook bang is. ‘Ja, boos en bang. Want er is een grote mammoet.’ Onder de wolf verschijnt een grote rechthoekige vorm: de mammoet. ‘En die mammoet wil de wolven vertrappen,’ zegt hij terwijl hij verticale strepen over de boze wolf trekt. ‘Dus de wolfjes moeten in het hol.’ Maar, zo vertelt Joost verder, het lukt de wolf niet om ze in het hol te krijgen. Dan komt de mammoet. Hij neemt de kleine wolfjes allemaal mee – er belanden allemaal stippen linksboven de grote wolf – en gaat bij ze liggen om ze te beschermen. Dan is de tekening klaar. En het verhaal ook. Wat de tekening duidelijk maakt, is dat Joost intussen heel goed weet wat gevoelens als geborgenheid en onveiligheid betekenen en dat hij daar ook mee probeert om te gaan.

Tekeningen vormen een heel directe toegangspoort tot de belevingswereld van je kind, ook als er van een duidelijke voorstelling nog geen sprake is. Op de tekening van Joost zul je tevergeefs zoeken naar iets dat lijkt op een wolf of een mammoet. Aan de tekening alleen heb je dus niet genoeg als je te weten wilt komen wat je kleuter innerlijk beweegt. Je zult met hem mee moeten gaan terwijl hij met zijn kleurtjes over het papier reist. Nodig hem uit om te vertellen door voorzichtig vragen te stellen. Knoop daarvoor aan bij de elementen die je kind zelf aandraagt. Doe geen suggesties over wat zijn tekening voorstelt, want hij zal ogenblikkelijk jouw beeld oppakken en dus niet meer zijn eigen verhaal vertellen.

Kasteel op pootjes

Yuri is iets ouder dan Joost. Hij zit met zijn tekeningen in een tussenfase. Hij tekent niet meer alleen beweging, maar heeft de beweging ook nog niet zover losgelaten dat het tot een duidelijk omlijnde voorstelling komt.
Terwijl hij een cirkel tekent met allerlei streepjes er omheen, vertelt hij dat dit een kasteel is dat in het water staat. ‘En als er gevaar komt, komen er pootjes onder het kasteel die het uit het water omhoog tillen. Dan kan niemand meer naar binnen.’
In Yuri’s kasteel woont een prinses en in het kasteel liggen overal geraamtes van dode mensen met daar tussenin schatten. Er is een zwarte ridder maar die wil volgens Yuri niet worden getekend.
Yuri laat zien dat hij wel weet dat hij binnenin verdriet en narigheid heeft, maar ook dat hij weet dat daar schatten verborgen liggen. In een van zijn volgende tekeningen, die hij zacht aaiend met zijn kleurpotlood over het papier maakt, tekent hij een huis waarin een oude man woont. In het huis woont ook een draak, maar het huis ziet er toch uit als een veilige, besloten plek. Yuri heeft er een niet al te grote opening in gelaten, zodat de man het huisje kan verlaten en ook weer naar binnen kan. Links van het huis tekent hij een vogel die alles ziet en hoort. De vogel woont buiten het huisje en dat moet ook, want daar bewaakt hij (het kringeltje linksboven) een onzichtbaar kistje met een onzichtbare sleutel.

Evenwicht herstellen

Dat ‘onzichtbare kistje’ van Yuri kan je verleiden tot een symbolische duiding.
Maar via symbolen kom je meestal bij een meer algemeen geldende betekenisgeving terecht, terwijl je juist het verhaal van jouw kind wilt leren kennen. Omdat hij zichzelf nog niet kan waarnemen, is hij niet in staat realistisch te verwoorden als iets hem verdrietig maakt of dwars zit.

Wat hij wel kan is een zielig poesje tekenen dat pijn heeft aan zijn pootje. In het poesje herkent hij zijn eigen gevoel en hij vertelt daarmee dus iets over zichzelf.

Vaak lost het kind zijn verdriet of frustratie op door een helend element in de tekening te brengen. Sommige kinderen, zoals Joost, hebben daar iets geweldig groots als een mammoet voor nodig, anderen, zoals Yuri, een tere vogel die dag en nacht een onzichtbaar kistje bewaakt.

Als je kind zelf de veiligheid in zijn tekening niet kan herstellen, kun je hem helpen door hem een beeld aan te reiken. Bijvoorbeeld een holletje voor een klein muisje. Het kind dat zich om welke reden dan ook niet helemaal veilig voelt, zal dat holletje meestal helemaal afsluiten. Je zou hem dan kunnen vertellen dat het muisje dan geen eten kan zoeken. Als je een kind al tekenend kunt laten ontdekken dat je een holletje kan tekenen waar het muisje in en uit kan gaan en waar toch de poes niet kan komen om hem te pakken, is hij vaak enorm opgelucht. Alsof hij door dat beeld begrijpt dat hij die beweging innerlijk ook kan maken.

Koppoter

Tot zijn vierde jaar oriënteert een kind zich al bewegend in de ruimte. Zijn tekeningen zijn dan vrij chaotisch. Na zijn vierde gaat hij ordening in die chaos aanbrengen. Als eerste ontstaat er een hemel met de zon.
Daaronder zal hij meestal al vrij snel een ronde vorm tekenen met een stip erin: de eerste aanzet tot een menselijk wezen.

Het kind begint blijkbaar te beseffen dat je hoog en laag hebt en dat hij zelf, als mens, bij laag hoort. De ronde vorm krijgt vervolgens een stokje naar beneden, alsof hij in de aarde wordt geplant. Al lijkt het misschien een bloem, in feite heeft hij zijn eerste koppoter getekend. Al snel daarna zal hij aan weerszijden van het steeltje een stokje tekenen met aan het uiteinde ook een soort zonnetje: armen en handen. In diezelfde periode tekent het kind vaak zijn eerste huisje. Ook dat ziet er in het begin meestal uit als een zwevende cirkel met iets erin. Hoeveel verschillen er ook mogen zijn tussen kindertekeningen, voor alle kleuters geldt dat hun eerste koppoters en hun eerste huizen nog boven de grond zweven. Meestal pas rond hun zevende jaar zullen ze hun huizen op vaste bodem zetten.

Huisjes tekenen

Als een kind een huis tekent, kun je zeggen dat hij een beeld neerzet van zijn eigen lichaam. Hij tekent hoe hij zich in zijn lijfje voelt en hoe hij daarmee zijn plaats in de wereld vindt. De huizen en kastelen op tekeningen van grote kleuters zijn wat dat betreft vaak zeer onthullend. Als de huizen te open zijn, met te veel ramen een te grote deur of helemaal geen deur, als er geen pad naar het huis loopt of buiten geen levend wezen te bekennen is, dan vertelt een kind daarmee iets over zichzelf dat hij meestal op geen andere manier kan uiten. Als ouder kun je daarop inspelen en het gevoel van geborgenheid proberen te herstellen of, zoals in het geval van Thijs, hem juist wat minder in de watten te leggen.

Als de huizen op de tekening van je kind een dak en een deur hebben, als er gordijnen voor de ramen hangen en rook uit de schoorsteen komt, als er in de omgeving van het huis mensen of dieren zijn, een weggetje en een boom die bloemen of vruchten draagt, dan zegt je kind daarmee dat hij goed in zijn vel zit, dat hij een intieme binnenwereld heeft waar het warm en goed is, maar dat hij zich ook in de buitenwereld prettig voelt.

.

Kindertekening – Michaela Strauss

De kindertekening ontwikkeling en uiting – Karen Mortensen
.

Kindertekeningenalle artikelen

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeldpeuter-kleuterklas

.

2282-2141

.

.

.