Tagarchief: kleutertekening

VRIJESCHOOL – Peuters-kleuters – de kindertekening (6)

.

Joyce Honing en Petra Weeda, Weleda Puur Kind, lente 2004 nr. 13
.

In zin tekeningen vertelt het kind altijd de waarheid

Kinderen zijn dol op tekenen. Vanaf het moment dat ze een krijtje kunnen vasthouden, zetten ze vol enthousiasme hun krabbels op – en naast -hun vel papier. Als ze wat groter zijn tekenen ze met d& tong uit de mond en blosjes op de wangen hun fleurige, soms minutieus uitgewerkte huisjes, boompjes en beestjes. Kindertekeningen zijn meestal ontroerend. Maar ook onthullend. Ze laten zien hoe een kind zichzelf en de wereld om hem heen ervaart.

Met opgetogen verwondering kan een peuter de afdruk van zijn eigen voetjes of schoentjes in het zand van het strand bekijken. Als hij dan voorzichtig terug stapt in zijn sporen, is het alsof hij een stukje van zichzelf terugvindt dat hem anders zou zijn ontglipt. Tekenen is voor een kind van een jaar of twee-drie net zoiets als een voetafdruk maken in het zand. Hij laat zijn hand met het krijtje over het papier gaan en laat daar een afdruk van zichzelf op achter. Hij tekent onwillekeurig niets anders dan zijn eigen beweging.

Afhankelijk van hun aard bewegen kinderen zich natuurlijk heel verschillend. Die verschillen vind je dan ook terug in hun tekeningen. De ondernemende, gespierde peuter zal zijn krijtje in zijn vuist klemmen en er op los ‘tekenen’, het hele papier bedekkend met stevige krassen. Een tenger kind met wakkere zintuigen en wat houterige bewegingen maakt kriebelige frummeltjes op de vierkante centimeter, liefst in het uiterste hoekje van zijn blad papier. De mollige peuter die niets liever doet dan rustig zijn eten en indrukken zitten verteren, trekt met grote voldoening wijde, ronde vormen over het papier terwijl het.lichte, springerige kind zijn hand met het krijtje telkens als het ware vanuit de lucht op het papier laat neerkomen om daar een vrolijke wirwar aan stipjes achter te laten. Of je kind nu cirkels, stipjes of krassen maakt, het zijn allemaal gezonde tekengebaren voor een twee- ã driejarige. Wat zijn tekening toont, is de afdruk van zijn bewegingszin, het zintuig waarmee je kind plezier in zijn bewegingen ontwikkelt. Wat zo’n tekening voorstelt, valt er niet uit op te maken en dat is in deze fase ook totaal niet relevant.

Woivenkïndjes

Rond een jaar of vier zullen de tekeningen van je kind in een andere fase belanden.

Hij begint te ontdekken dat tekenen ook met beelden, en dus met taal, te maken heeft. Steeds vaker zal hij je, al tekenend, zijn verhaal willen vertellen. Hij zet nu niet meer alleen zijn lichamelijke beweging op papier, maar ook zijn innerlijke bewegingen. Bovendien gaat hij ook in toenemende mate de bewegingen van andere wezens tekenen. Zoals Joost in zijn geel/blauwe krastekening. ‘Dat is een wolf,’ vertelt hij terwijl hij een stevige donkerblauwe lijn midden over het papier trekt. ‘De wolf is boos,’ vervolgt hij, en zet een lichtblauwe kras aan het einde van de streep. Rechts boven de streep belanden een paar donkerblauwe en gele kriebeltjes. ‘Kindjes.’

Op de vraag of het mensen- of wolvenkindjes zijn, antwoordt hij beslist: ‘Wolvenkindjes, en ze doen niet wat de wolf zegt. Ze moeten hun hol in, maar gaan rondrennen.’ En daar gaan ze, met het gele krijtje rennen ze over het papier. ‘En ik zal je laten zien wat de wolf doet,’ zegt hij terwijl hij met heftige blauwe krassen de boze wolf om en door het geel laat lopen. Ik vraag of de boze wolf misschien ook bang is. ‘Ja, boos en bang. Want er is een grote mammoet.’ Onder de wolf verschijnt een grote rechthoekige vorm: de mammoet. ‘En die mammoet wil de wolven vertrappen,’ zegt hij terwijl hij verticale strepen over de boze wolf trekt. ‘Dus de wolfjes moeten in het hol.’ Maar, zo vertelt Joost verder, het lukt de wolf niet om ze in het hol te krijgen. Dan komt de mammoet. Hij neemt de kleine wolfjes allemaal mee – er belanden allemaal stippen linksboven de grote wolf – en gaat bij ze liggen om ze te beschermen. Dan is de tekening klaar. En het verhaal ook. Wat de tekening duidelijk maakt, is dat Joost intussen heel goed weet wat gevoelens als geborgenheid en onveiligheid betekenen en dat hij daar ook mee probeert om te gaan.

Tekeningen vormen een heel directe toegangspoort tot de belevingswereld van je kind, ook als er van een duidelijke voorstelling nog geen sprake is. Op de tekening van Joost zul je tevergeefs zoeken naar iets dat lijkt op een wolf of een mammoet. Aan de tekening alleen heb je dus niet genoeg als je te weten wilt komen wat je kleuter innerlijk beweegt. Je zult met hem mee moeten gaan terwijl hij met zijn kleurtjes over het papier reist. Nodig hem uit om te vertellen door voorzichtig vragen te stellen. Knoop daarvoor aan bij de elementen die je kind zelf aandraagt. Doe geen suggesties over wat zijn tekening voorstelt, want hij zal ogenblikkelijk jouw beeld oppakken en dus niet meer zijn eigen verhaal vertellen.

Kasteel op pootjes

Yuri is iets ouder dan Joost. Hij zit met zijn tekeningen in een tussenfase. Hij tekent niet meer alleen beweging, maar heeft de beweging ook nog niet zover losgelaten dat het tot een duidelijk omlijnde voorstelling komt.
Terwijl hij een cirkel tekent met allerlei streepjes er omheen, vertelt hij dat dit een kasteel is dat in het water staat. ‘En als er gevaar komt, komen er pootjes onder het kasteel die het uit het water omhoog tillen. Dan kan niemand meer naar binnen.’
In Yuri’s kasteel woont een prinses en in het kasteel liggen overal geraamtes van dode mensen met daar tussenin schatten. Er is een zwarte ridder maar die wil volgens Yuri niet worden getekend.
Yuri laat zien dat hij wel weet dat hij binnenin verdriet en narigheid heeft, maar ook dat hij weet dat daar schatten verborgen liggen. In een van zijn volgende tekeningen, die hij zacht aaiend met zijn kleurpotlood over het papier maakt, tekent hij een huis waarin een oude man woont. In het huis woont ook een draak, maar het huis ziet er toch uit als een veilige, besloten plek. Yuri heeft er een niet al te grote opening in gelaten, zodat de man het huisje kan verlaten en ook weer naar binnen kan. Links van het huis tekent hij een vogel die alles ziet en hoort. De vogel woont buiten het huisje en dat moet ook, want daar bewaakt hij (het kringeltje linksboven) een onzichtbaar kistje met een onzichtbare sleutel.

Evenwicht herstellen

Dat ‘onzichtbare kistje’ van Yuri kan je verleiden tot een symbolische duiding.
Maar via symbolen kom je meestal bij een meer algemeen geldende betekenisgeving terecht, terwijl je juist het verhaal van jouw kind wilt leren kennen. Omdat hij zichzelf nog niet kan waarnemen, is hij niet in staat realistisch te verwoorden als iets hem verdrietig maakt of dwars zit.

Wat hij wel kan is een zielig poesje tekenen dat pijn heeft aan zijn pootje. In het poesje herkent hij zijn eigen gevoel en hij vertelt daarmee dus iets over zichzelf.

Vaak lost het kind zijn verdriet of frustratie op door een helend element in de tekening te brengen. Sommige kinderen, zoals Joost, hebben daar iets geweldig groots als een mammoet voor nodig, anderen, zoals Yuri, een tere vogel die dag en nacht een onzichtbaar kistje bewaakt.

Als je kind zelf de veiligheid in zijn tekening niet kan herstellen, kun je hem helpen door hem een beeld aan te reiken. Bijvoorbeeld een holletje voor een klein muisje. Het kind dat zich om welke reden dan ook niet helemaal veilig voelt, zal dat holletje meestal helemaal afsluiten. Je zou hem dan kunnen vertellen dat het muisje dan geen eten kan zoeken. Als je een kind al tekenend kunt laten ontdekken dat je een holletje kan tekenen waar het muisje in en uit kan gaan en waar toch de poes niet kan komen om hem te pakken, is hij vaak enorm opgelucht. Alsof hij door dat beeld begrijpt dat hij die beweging innerlijk ook kan maken.

Koppoter

Tot zijn vierde jaar oriënteert een kind zich al bewegend in de ruimte. Zijn tekeningen zijn dan vrij chaotisch. Na zijn vierde gaat hij ordening in die chaos aanbrengen. Als eerste ontstaat er een hemel met de zon.
Daaronder zal hij meestal al vrij snel een ronde vorm tekenen met een stip erin: de eerste aanzet tot een menselijk wezen.

Het kind begint blijkbaar te beseffen dat je hoog en laag hebt en dat hij zelf, als mens, bij laag hoort. De ronde vorm krijgt vervolgens een stokje naar beneden, alsof hij in de aarde wordt geplant. Al lijkt het misschien een bloem, in feite heeft hij zijn eerste koppoter getekend. Al snel daarna zal hij aan weerszijden van het steeltje een stokje tekenen met aan het uiteinde ook een soort zonnetje: armen en handen. In diezelfde periode tekent het kind vaak zijn eerste huisje. Ook dat ziet er in het begin meestal uit als een zwevende cirkel met iets erin. Hoeveel verschillen er ook mogen zijn tussen kindertekeningen, voor alle kleuters geldt dat hun eerste koppoters en hun eerste huizen nog boven de grond zweven. Meestal pas rond hun zevende jaar zullen ze hun huizen op vaste bodem zetten.

Huisjes tekenen

Als een kind een huis tekent, kun je zeggen dat hij een beeld neerzet van zijn eigen lichaam. Hij tekent hoe hij zich in zijn lijfje voelt en hoe hij daarmee zijn plaats in de wereld vindt. De huizen en kastelen op tekeningen van grote kleuters zijn wat dat betreft vaak zeer onthullend. Als de huizen te open zijn, met te veel ramen een te grote deur of helemaal geen deur, als er geen pad naar het huis loopt of buiten geen levend wezen te bekennen is, dan vertelt een kind daarmee iets over zichzelf dat hij meestal op geen andere manier kan uiten. Als ouder kun je daarop inspelen en het gevoel van geborgenheid proberen te herstellen of, zoals in het geval van Thijs, hem juist wat minder in de watten te leggen.

Als de huizen op de tekening van je kind een dak en een deur hebben, als er gordijnen voor de ramen hangen en rook uit de schoorsteen komt, als er in de omgeving van het huis mensen of dieren zijn, een weggetje en een boom die bloemen of vruchten draagt, dan zegt je kind daarmee dat hij goed in zijn vel zit, dat hij een intieme binnenwereld heeft waar het warm en goed is, maar dat hij zich ook in de buitenwereld prettig voelt.

.

Kindertekening – Michaela Strauss

De kindertekening ontwikkeling en uiting – Karen Mortensen

Peuters en kleuters: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuters/kleuters

.

2185

 

 

.

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (2)

 

Hier volgen een aantal gezichtspunten die Klara Hatterman, kleuterleidster op de vrijeschool in Hannover, jaren geleden – plaats en tijd onbekend – naar voren bracht over ‘kindertekeningen’.

Voor haar is het duidelijk dat aan de kindertekening de fysieke ontwikkeling van het kind af te lezen is.
Bij de geboorte krijgen wij uit onze erfelijkheid een fysiek lichaam. De vormkrachten, de architect en bouwmeester, het etherlijf genoemd, bouwen het lichaam op. Als geestelijke component nemen Ik en ziel bezit van het lichaam, totdat het totaal omgevormd is tot een persoonlijk lichaam waarin een eigen denken, voelen en vrij willen pas mogelijk worden.
Na onze eerste zeven levensjaren is ons lichaam zo veranderd, dat er geen cel meer is zoals ze uit de erfelijkheid gevormd was.

Kindertekeningen lijken overal ter wereld op elkaar. Wat haar opviel, was hoe sterk lichamelijk gebonden die tekeningen zijn m.a.w. het kind blijkt slechts in staat datgene te tekenen wat er zich in zijn lichaam afspeelt, wat er reeds in dat lichaam werd gevormd. Dat geldt niet enkel voor de tekeningen, maar ook voor het kinderspel.

Het kind groeit geleidelijk vanuit het hoofd en het is dan ook het hoofd dat het eerst omgevormd en geboetseerd wordt door de etherkrachten.

Tussen nul en ongeveer drie jaar zal het kind spiralen en wervelende lijnen tekenen – waarin een enorme dynamiek tot uiting komt. Het tekenblad zal dan te klein voor het kind zijn en muren en tafelblad moeten er dikwijls aan geloven.
Stilaan ontstaan ook verdichtingen: de lichtere kleuren worden a.h.w. overwerveld door donkere. Het kind gaat soms zodanig op in het spel van het donkermaken dat het een gat in zijn papier krast.

In deze periode zie je het kind dikwijls onder een tafel met een doek erover stil in het donker zitten om dan weer in het licht te treden. Een zwart kleurkrijtje in de handen van zo’n een kind zou hem beroven van de belevenis van het zelf verduisteren met behulp van donkere tinten.

Ten slotte groeien uit die wervelende lijnen de aparte lusjes en ringen en eerst als het hoofd volledig gevormd is, tekent het kind de gesloten cirkel. Duidelijk werd dit getoond op de dia (deze ontbreekt helaas als illustratie) waarop het kind de kringen die het tekende opzettelijk “dichtknoopte”. Voordien tekende het kind nog erg afwezig, soms met afgewend hoofd, ongeïnteresseerd. Nu maakt het echter doelbewust het sluitende gebaar. Het ïk-bewustzijn is geboren!

De fysieke grondslag van hoofd en hersenen, de basis voor het denken, is klaar. Dit alles laat zich duidelijk aflezen van de kindertekeningen.

Tussen drie en ongeveer vijf jaar dalen de vormkrachten verder in het lichaam af. De mollige handjes worden gevormder en persoonlijker; de vingertjes krijgen ieder hun eigen karakter. Het ademhalings-en bloedritme begint vaste vorm te krijgen.

In de tekeningen herkent men symmetrie en herhaling. Het kind tekent zogenaamde ladders en kruisingen (bewegingssporen) en levensbomen. De kleur wordt nu belangrijker (voorheen, was het meer een verschil tussen licht en donker).

De eerste mensen worden getekend, eerst nog schuchter; een cirkel met twee kleinere kringetjes; uit dat hoofd schieten daarna stralen. Gaandeweg krijgt het hoofd een lijf, waarin weer ‘ladders” voor komen. Boven en onder worden nu duidelijk aangegeven. Toch zweven de getekende mensenfiguren nog, ze raken de aarde niet en er worden nauwelijks benen of voeten getekend. Met de ontwikkeling van het ritme hangt ook de ontdekking van links en rechts nauw samen; nu is het kind pas in staat met andere kinderen een gesloten kring te vormen en werkelijk samen te spelen.

De fysieke basis voor het voelen is gelegd.

De ontwikkeling van dat ritme moet ook kunnen steunen op een ritmisch dagverloop: vaste uren voor eten, slapen, spel, opruimen, vaste plaats aan tafel, enz.,. Symmetrie en regelmaat zijn dus sleutels om tot een harmonisch gevoelsleven te komen.

Vanaf ongeveer vijf tot zeven jaar wordt de basis voor het vrije willen gevormd. Het stofwisselingssysteem en de ledematen worden door de etherkrachten verder doorkneed. De tekeningen worden bij wijze van spreken realistischer, de mensenfiguren komen langzamerhand op de grond te staan. Pas als het kind zelf goed met de aarde, waarop het zich beweegt vertrouwd is, als het zelf doelbewust, de benen en voeten beweegt, als de laatste en tevens de hardste erfelijkheidsresten, nl. de tanden uitgestoten zijn, is het kind schoolrijp.

Het kind leert houden van de aarde, waarop het als geestelijk wezen gekomen is, het voelt er zich thuis.

De huisvormen en de driehoek vallen nu sterk omlijnd in de tekeningen op. De fysieke vorming is nu volledig. Het melktandengebit, waarin de tanden als kleine pareltjes mooi op een rijtje stonden, is vervangen door het echte gebit. waarin de tanden individueel sterk verschillen. Ook de tenen zijn totaal gemetamorfoseerd.

Werd het kind voordien in zijn spel nog sterk beïnvloed door de dingen uit zijn onmiddellijke omgeving, nu beschikt het kind over vrije voorstellingen. De vormkrachten die het hele lichaam omgevormd hebben, worden tot beeldkrachten. Het kind is nu zelf schepper en tekent wat het uit de vrije voorstelling wil.

In deze eerste zeven jaar ligt de basis voor het verdere leven van het kind. Het is dan ook van het grootste belang dat het kind in die periode behoed wordt tegen elke vorm van intellectualistische benadering; deze wijze van doen zou immers de vormkrachten van het kind stukslaan en denken, voelen of willen zouden hierdoor onvrij en misvormd blijven.

de kindertekening [1]    [3]    [4]   [5]

903