Tagarchief: kindertekening

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (5)

.

Ulrike Staudenmaier, Erziehungskunst okt. 2015
.

vragen BIJ DE kindertekening
.

Wanneer je de veranderingen in de kindertekeningen gedurende een bepaalde tijd met elkaar vergelijkt, zie je stap voor stap de ‘landing’ van het kind op aarde. Van het eerste ‘lichaamsbeeld’ gaan de tekeningen over op het uitbeelden van wat de kinderen zien en zich voorstellen. 
De vraag wat er in deze tekeningen tot uitdrukking komt, gaat Ulrike Staudenmaier na.

In de loop van hun ontwikkeling worden door de kinderen emoties, voorvallen, ruzies en ziekte, maar ook vreugde en je heel fijn voelen, in ‘tekens’ op papier gezet.

Met verbazing heb ik in de beelden de weg van ‘kosmische’ beweging via het weergeven van de eigen lichaamsontwikkeling tot aan het afbeelden van wat waargenomen wordt, meebeleefd. Daarbij kunnen veel vragen ontstaan, waarop een antwoord komt wanneer je het beeld nabeleeft.

Andere beelden onthullen zich bij het nadenken over hun ‘symboolgehalte’ – het huis dat voor de eigen lichamelijkheid kan staan, of het schip dat wij op een bepaalde tijd nieuwe wateren op moeten sturen.

Hoe staat het met de ‘koppoters’?

Al jaren houdt de vraag me bezig: waarom schilderen alle kinderen in de loop van hun ontwikkeling ‘koppoters’? Dat er ‘mensafbeeldingen’ zijn vóór de koppoters opduiken, is bekend. Geen ontwikkeling loopt lineair. Maar de koppoters zijn geen ‘mislukte’ mensbeelden! Ze worden al te lang en te duidelijk getekend en dat zeker vanuit een innerlijke reden. Van het beeld van de boom weet men – eventueel ook weer door een of andere geniale ‘realistische’ boom – dat de boom eerst als ‘lichaamsboom’ opduikt. De ruggenwervels, ribben, zenuweinden, long of aderen worden zo aangegeven dat het kind in de veronderstelling verkeert dat het een ‘boom’ heeft getekend.

Dit ‘organische’ geheugen – een begripsbepaling van Arno Stern – dat wij bij de boom in vele varianten kennen – zelfs in de combinatie boom-mens – wordt gedurende een bepaalde ontwikkelingstijd door de kinderen in beelden uitgedrukt. Het zijn groeiprocessen of orgaanontwikkelingen die uit de diepte van het onbewuste tot thema van de kindertekeningen worden, ook wanneer het kind daar niets van weet. Denk eens aan de eerste huizen! De schoorsteen maakt een hoek als van een omhooggestoken arm, want het kind beleeft zijn lichaam als een huisje waar het ingetrokken is.

Zou het niet kunnen zijn dat bij het maken van de koppoter een vormverhaal geschilderd wordt dat ons iets van het proces van de groei van de beenderen vertelt?

Kijk eens naar de volgende beelden van mensen in de volgorde waarin ze gemaakt werden:

1.
ontstond op de leeftijd van 4 jaar en 7 maanden.
Het meisje heeft een groot blad in de lengte gekozen om zichzelf als skiester af te beelden:

Wat opvalt is de rode draaiing die in het daarvoor al lichtbruin getekende hoofd gezet werd en waarvandaan de rode benen (eveneens in de al eerder lichtbruin getekende benen) komen. De rode kleur betekent hier een ‘krachtenconcentratie’ in het hoofd die zich ‘uitstort’ in de beide benen.

2.
Op nr. 2 (door hetzelfde meisje getekend zoals ook alle andere tekeningen) zie je drie figuren waarbij zowel armen als benen uit het hoofd komen. De schouders zijn bij het linker en de middenfiguur bruin aangezet. Alleen het kleine kind dat beneden op de wei ligt en door de linker figuur bij de hand wordt gehouden, heeft armen die niet vanaf het hoofd komen – zeldzaam!:

3.
Nu komt beeld 3, een van de vele boom-mens-tekeningen die afwijkt van het gebruikelijke. Wat geoefend werd, gaat niet lineair verder.:

4.
Afbeelding 4 gaat met het verbeelden van de mens weer verder, zo dat benen en armen vanuit het hoofd vandaan worden getekend. In de tekening vermengen zich bepaalde belevingsniveaus zeer sterk. Je herkent in de lange bloem links met de vele rode ‘knoppen’ dat hier een lichaamsproces naar voren komt dat aan de werking van de rug doet denken. Een ander vlak is dat van de hand in de broekzak, een spiegelbeeld van wat zelf is waargenomen en het huis toont weer zoveel ramen dat je hier de wakkerheid en de nieuwsgierigheid van de tekenaar in dit huis verbeeld vindt.:

 

Beelden worden in de leeftijd tussen 3 en 6 vaak vanuit verschillende niveaus geïmpulseerd.

5.
Hoe komt een kind ertoe de mens als een vijfpuntige ster te tekenen? Die vormt hier heel duidelijk het centrum en wordt door een stralende boog (poort, aura) omgeven. Over de vijfster heeft Rudolf Steiner – voor zover ik weet – maar een keer in Parijs gesproken [1] en deze genoemd in samenhang met symbolische vormen. Maar ik denk wel dat je met deze inhoud behoedzaam moet omgaan en de kinderbeelden er niet mee moet ‘overladen’.
Duikt daarentegen de tweeheid zo vaak op als in het hier getekende beeld, dan is in het algemeen een bewustzijnsproces aangeduid, ook als dat nog niet door het kind bespiegeld kan worden.

6.
Anders is afbeelding 6, zeven maanden later. Nu weet het kind dat ze naar de 1e klas gaat en wat ze beleeft (het circus) wordt tot thema. Nu tekent het kind helemaal uit de voorstelling.:

De koppoter spiritueel bekeken

Laten we nog eens naar de koppoter kijken. Hoe ervaren kinderen onbewust de groei van hun botten, m.n. die van armen en benen? Vanuit welke laag of door welke kracht worden kinderen aangezet armen en benen vanuit het hoofd vandaan te laten gaan?

Op deze vraag vond ik bij Steiner in zijn ‘Esoterische voordrachten [2] een antwoord. Hij schetst hier dat in de eerste zeven levensjaren de hele mens vanuit het hoofd wordt gevormd. ‘Ieder bot’,  aldus Steiner. ‘is zo gebouwd zoals het vanuit het hoofd gevormd moet worden.’

Door het embryologie-onderzoek weten we dat het hoofd het grootst is en markant aanwezsig. Zijn uiterlijke vorming is ook voor die van het overige lichaam afgesloten (met ongeveer drie jaar).

Vanuit een ander gezichtspunt formuleert Steiner die botvorming in het boek [3] zo: ‘Je kan de hersenen van de mens alleen begrijpen, wanneer je er de botvormende tendens in kan zien die in het allereerste ontstaan onderbroken wordt. En alleen dan kan je de botvorming begrijpen, wanneer je daarin een geheel tot afronding gekomen impulswerking van de hersenen herkent.’

In de Algemene menskunde [4] gaan de voordrachten 10 en 13 over de vorming van de ledematen.

Nu kan je je afvragen of de botvorming en de vorming van de ledematen identiek zijn. Misschien moet je dan bedenken, dat Steiner daar over schoolkinderen spreekt. In zekere zin dus vanuit een ander ‘vlak’.
Wanneer je naar de lichamelijke activiteit kijkt vanuit een astraal standpunt, dan ontstaat er weer een ander beeld dan dat je krijgt vanuit een etherisch standpunt.

In de boven aangehaalde tekst wordt de botvorming gedacht als vanuit het hoofd geïmpulseerd. Wat de groei betreft, zoals in de Algemene menskunde geschetst, stroomt wat geest-ziel is vanuit de kosmos  komend door de ledematen naar binnen. Nu wordt begrijpelijk dat wat in het leven gebeurt, niet alleen aan het tekenen van bloemen, daken van huisjes of bergen (wanneer de tanden doorbreken) kan worden afgelezen, maar ook aan de tekeningen van mensen. Wanneer benen en armen uit het hoofd groeien, tekent het kind niet op deze manier omdat het nog niet anders kan, maar omdat een innerlijk vormproces tot uiting wil komen.

Het gezonde van het spontaan tekenen zit in het feit dat de tekenaar iets naar buiten kan brengen en daarmee op een bepaalde manier een ‘gezonde vertering’ mogelijk maakt.

Alle kinderen over de hele wereld – wanneer ze de mogelijkheid krijgen te tekenen – doen dat met een zelfde vormtaal, tot de door de licchaamsprocessen geïmpulseerde beelden langzaam overgaan in tekeningen, die het kind ‘met een bedoeling’, dus door zijn voorstellingen gestuurd, op papier zet.

Het schijnt een oerbehoefte van de mens te zijn, zijn ontwikkeling ook tekenend na te doen.

[1] GA 94 12e vdr. 8-6-1906
Niet vertaald
[2]
GA 236 10e vdr. 16-05-1924
Vertaald
[3] GA 27
Vertaald
[4] GA 293
Vertaald
.
Meer artikelen over kindertekeningen  [1]   [2]   [3]  [4]

Peuter en kleuteralle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

In een reactie op Facebook waarop dit artikel ook verscheen, merkt Joep Eikenboom op:
Wat ik vervolgens weer zo grandioos vind, is dat bv. in de periode Dierkunde dezelfde ontwikkelingsstappen overdrachtelijk weer aan de orde komen: inktvis (koppoter), de zogenaamde rompdieren en als ideaalbeeld de mens (hoofd, romp èn ledematen). Wat hebben we toch een fantastisch leerplan.
.
Joep over het werk van Audrey MacAllen
.

1845

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Advertenties

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (4)

.

DE UNIVERSELE TAAL VAN 

KINDERTEKENINGEN

leder mens komt vanuit de geestelijke wereld met een opdracht naar de aarde, volgens de antroposofie. Bij baby’s is die geestelijke wereld nog voelbaar en zichtbaar. Babyogen hebben een diepblauwe hemelkleur en worden pas later bruin, blauw, grijs of groen, onder invloed van de pigmentering en het aardse zonlicht. Alle kenmerken duiden erop dat het kindje nog niet met de aarde in verbinding is getreden: het hoofdje is nog week, de fontanellen zijn nog niet gesloten en met donzige haartjes bedekt. De handjes en voetjes zijn teer en zacht en de zwevende armpjes en handjes worden omhoog gehouden zonder enige moeite. De baby leeft nog gedeeltelijk in de geestelijke wereld, waarin geen zwaartekracht bestaat – net als in het vruchtwater van de baarmoeder. Het ‘Ik’ draagt het kleine kind de eerste drie jaren nog onbewust met zich mee. Alle kindertekeningen ter wereld doen verslag van deze kosmische reis ‘naar de aarde’ – en met behulp van een aantal begrippen uit de antroposofie kunnen we ze beter leren begrijpen.

De antroposofie onderscheidt vier wezensdelen of lichamen aan een mens: het fysieke, het etherische, het astrale en het ‘Ik’. Deze vier lichamen zijn na de geboorte wel latent aanwezig, maar nog niet volgroeid.

Ons fysieke lichaam hebben we gemeen met het mineraalrijk, het is vast en van zichzelf onbeweeglijk. Het wordt geheel doordrongen door het etherlichaam, ofwel door alles wat stroomt en groei teweeg brengt. Dat hebben we met de plantenwereld gemeen. Je zou kunnen zeggen dat planten een voortdurende vorm van slaperig aanwezig zijn beleven. Het etherlichaam maakt het ook mogelijk dat de mens innerlijke beelden kan vormen. Het vormt en ‘boetseert’ als het ware het levende materiaal van het kinderlichaam. Omstreeks het zevende jaar is dit vormwerk klaar en wordt het etherlichaam geboren. Pas dan heeft het kind zich voldoende geïndividualiseerd om los van het etherlichaam van de ouders te kunnen bestaan. Fysiek wordt dit moment gemarkeerd door de ‘grote-mensen-tanden’ die dan doorbreken; psychisch zie je dat er in het innerlijk van het kind een eigen voorstellingswereld kan ontstaan.

Het fysieke en etherlichaam worden omhuld en doordrongen door een derde: het astraallichaam. Dit is de bron van al onze gewaarwordingen, gevoelens en emoties. Hiermee beleven we onze blijheid, droefenis, koude, warmte, honger en dorst. Het astraallichaam hebben we gemeen met de dieren en is bij de mens rond het veertiende jaar voldoende geïndividualiseerd om zelfstandig te kunnen bestaan, wat de puberteit inluidt.

Het ‘Ik’ werkt in al deze drie lichamen en vooral in het astraallichaam. Omstreeks het derde levensjaar kondigt dat ‘Ik’ zich aan (koppigheidsfase), nadat het kind heeft leren lopen en spreken en ‘ik’ gaat zeggen. De eigenlijke geboorte van het Ik-lichaam voltrekt zich echter pas rond het eenentwintigste levensjaar; gedurende het hele leven is er een steeds intiemere toenadering van ‘Ik’ tot de ziel. Het ‘Ik’ geeft betekenis aan het verloop van je leven met betrekking tot je opdracht en geeft je je eigenheid. Aan het eind van je leven gaat je ‘Ik’ terug naar de geestelijke wereld.

Van dromende naar wakkere mensheid

Steiner schetst daarnaast de mensheidsontwikkeling als geheel. Vanuit de geestelijke wereld kwam de mens in een dromerig denken op aarde en ontwikkelde zich verder tijdens de oude cultuurtijdperken, als het oude India en Egypte. Mensen konden toen nog geestelijke wezens waarnemen als beelden in hun denken. Tijdens de Renaissance maakte dat beeldende denken plaats voor het natuurwetenschappelijk denken. Dit is meer gericht op de fysieke wereld en in de negentiende eeuw van het filosofische materialisme is dit zelfstandige denken optimaal tot ontwikkeling gekomen. De mens kreeg hierdoor meer vrijheid, kon los van de ‘ouderlijke omhulling’ van de ‘goddelijke wezens’ en denken wat hij zelf wilde. Steiner noemt deze laatste fase de ontwikkeling van de bewustzijnsziel.

Van peuter naar eersteklasser

Hoe de mens van een dromend bewustzijn tot een helder waakbewustzijn kwam, kun je terugvinden in de kindertekening: het kind komt dromend uit de geestelijke wereld en wordt een wakker aardekind. Kindertekeningen tonen in de eerste zeven jaar deze algemene mensheidsontwikkeling. Kindertekeningen zijn universeel – over de hele wereld wordt gedurende deze leeftijdsfase op dezelfde manier getekend.

Het lijkt op een taal. Wat zie je in die eerste kindertekeningen en waarom tekent een kind dit?

In mijn werk als peuterjuffie zag ik elke keer weer een grote verandering plaatsvinden gedurende de twee jaar dat een peuter bij ons was. Het dromerige kindje groeide uit tot een wakkere en fantasierijke kleuter. Deze ontwikkeling is terug te vinden in de tekeningen die zij in deze tijd maken. Kindertekeningen in de eerste zeven jaar worden gezien als een universele taal. Kinderen willen ons iets laten zien en vertellen.

Over de gehele wereld wordt deze ‘taal’ door het kleine kind op dezelfde manier verteld ongeacht het cultuurverschil. Je zou de eerste kindertekeningen kunnen vergelijken met de runen, die in eerste instantie een heilige betekenis hadden en pas later zijn ‘verworden’ tot gewone lettertekens. Het kind drukt in zijn tekening iets van zijn zielenleven uit. Het heeft nog geen abstract voorstellingsvermogen, maar zet dingen op papier zoals het op dat moment de wereld van binnenuit beleeft. Die wereld hoort nog gedeeltelijk bij de geestelijke wereld en is voor het kind nog een geheel. Alles is nog een deel van het kind zelf. Dat is ook de reden, dat voor het kleine kind de wereld goed en mooi moet zijn. In de ‘tekentaal’ zie je nu een bepaalde ontwikkeling plaatsvinden. Het kind wordt, komende vanuit de geestelijke wereld, steeds meer een aardeburger. Het kleine kind is tot drie jaar het meest verbonden met de geestelijke wereld. Het kind tekent dan nog vaak zonder oogcontact met het papier. Pas als het kind schoolrijp is, als het een aardeburger is geworden en een eigen voorstellingsvermogen bezit, beleeft het kind de wereld om zich heen als iets dat buiten en om hem heen beweegt. Het kan dan een voorstelling in zijn hoofd maken en deze op papier zetten. Hier verdwijnt dan ook de ‘universele taal’. Het kleine kind tekent een huis als een omhulling, terwijl het schoolrijpe kind het huis tekent zoals het er uit ziet. Verrassend is dan dat het kind weleens minder plezier beleeft aan dit tekenen, omdat de voorstelling er anders uitziet dan hij of zij het op papier zou willen zetten. »

De eerste kindertekeningen tot drie jaar

De eerste kindertekeningen zijn breed opgezette wervelingen of spiralen. Daarin toont het kind ons duidelijk zijn kosmische herkomst. Je ziet in deze eerste tekeningen de bewegingsritmen in de kosmos, de golvende banen van de planeten of gewoon alles wat stroomt. Rudolf Steiner zegt dat het kind in deze tijd dromend, schouwend en helderziend in het leven staat. De spiralen die kinderen tekenen lopen van buiten naar binnen – en niet andersom. Het kind doet dit niet met volle bewustzijn, maar laat zich al dromend meevoeren door het vormproces. Als je naar het tekenende kind kijkt, zie je dat het deze beweging nauwelijks gefocust met de ogen volgt. Het heeft als het ware nog een alomvattend, ‘kosmisch’ beleven.

• Daarna worden de spiralen soms door een accent onderbroken. Het kind toont hiermee dat het zich losmaakt van de geestelijke wereld en meer een aardekind wordt.

• Voordat het kind ‘ik’ gaat zeggen tekent het soms onbewust engelen, die de geestelijke wereld uitdrukken waar zij vandaan komen. Deze engelfiguren worden overal ter wereld herkend in de kindertekeningen.

• Na de spiralen komen de pendelende bewegingen. Dit motief komt vaak voor in de prehistorie en wordt het ‘schaalmotief genoemd. De schaal staat voor het ontvangende, opnemend gebaar.

• Na het pendelende schaalmotief, dat door het kind speels over het blad gemaakt wordt, verschijnen er twee richtingen als een horizontale en een verticale beweging op papier. Het kind beleeft hier het feit dat het kan lopen en geeft deze krachten weer in de tekening. Aan deze lijnen worden aan de uiteinden kluwens getekend. Het kind ‘staat in de ruimte’.

Drie tot vijf jaar

Bij kinderen tussen twee en drie jaar vergroeit de voorhoofdsnaad tot een geheel: het voorhoofdsbeen. Dit vormt een soort stuwdam naar buiten en naar binnen. Het kind dat hiervóór nog open stond voor de kosmos, trekt zich nu terug achter die afsluitende ‘muur’. De eerste koppigheidsfase breekt aan. Deze afsluiting vind je terug in de tekening: de cirkel die wordt dichtgemaakt.

• Doordat het kind steeds meer leert spreken, gaat het een nieuwe band aan met de medemens en ontstaan de eerste denkvormen. Zo kan er tijdens het tekenen een vorm ontstaan die het kind herkent als een beer of een hond. Deze denkvormen worden zichtbaar in het proberen te tekenen van een cirkel. Een afgesloten ‘ruimte’ is bewust en beheerst van de oneindige wereld afgezonderd. Het kind kan dit nog vele malen herhalen.

• Daarna krijgt de cirkel een stip in het midden. Het kind gaat ’ik‘ zeggen in plaats van zijn naam. De cirkel met de stip staat dus voor het ‘ik’ in zijn omgeving. Als het kind een kruis gaat tekenen in de cirkel, beleeft het hierbij het binnen en buiten. In deze tijd ontwikkelt zich het glazuur voor de blijvende tanden onder het tandvlees terwijl ook de botten harder worden.

• Dan beginnen de vormen langzaam van binnen naar buiten te bewegen. Eerst vanuit het middelpunt tot aan de omtrek van de cirkel; daarna komen er tastende voelsprieten buiten de cirkel.

• De eerste boom-mens-zuil-tekening ziet eruit als een spiraal, waaronder een verticale streep staat. Deze boommensfiguur heeft nog geen contact met de aarde, maar zweeft in de ruimte. De boom is in de Germaanse natuursymboliek het teken van verbinding tussen hemel en aarde. Onbewust blijft er tot na het zevende jaar een intensieve verbondenheid bestaan tussen de motieven boom en mens.

 

• Omstreeks het derde jaar zweeft de zuilmens niet meer in de kosmes rond, maar krijgt hij grond onder zijn voeten. Armen worden dwars aan de romp vastgezet en zitten nog met uiteinden aan elkaar. Uit onderzoek is gebleken dat alle jonge kinderen over de hele wereld de eerste mens, boom en huistekening op dezelfde manier op papier zetten.

 

• Het huis verschijnt eerst als een regenboogachtige omhulling. Zijn het de planeetsferen waar het kind vandaan kwam, of de beleving in de baarmoeder waar het thuis was? Later lijkt het huis meer op een bijenkast.

• Daarna wordt het kosmisch ronde huis meer aards rechthoekig getekend. Het huis krijgt dan deuren en ramen, de blik naar buiten verwijdt zich. Het kind is niet alleen in huis – maar kan er buiten staan.

• De driehoek verschijnt omstreeks het vijfde jaar en beïnvloedt de verdere vorming aanzienlijk. Om een driehoek te kunnen maken, moet het kind zijn innerlijke voorstelling gebruiken. Eerst verschijnt deze vorm als dak op het huis, dan als muts en later als romp.

Vijf tot zeven jaar

In deze fase gaat de rechte lijn een grote rol spelen. Die zie je terug in het vierkant, de rechthoek en veel andere variaties.
Er worden ladders, torens en trapvormige netten getekend. In deze tekeningen laat het kind de verdere ontwikkeling van zijn wervelkolom zien. Door die verharding raakt het kind als het ware opgesloten in zichzelf. Was het kind eerst niet bang in het donker bij het slapengaan, nu kan dat wél gebeuren. Dit zien we terug in de torens en het vele traliewerk. De ladder en het trapmotief komen eveneens in de prehistorie voor en symboliseren het trapsgewijs opklimmen tot een hogere rijpheid, tot een hoger bewustzijn.

• Daarna lost deze angst zich op, in tekeningen te zien als ruimte en de bevrijding die daaruit ontstaat.

Schommelende, wiegende vormen verschijnen. Op deze leeftijd maken kinderen een grote groei in hun ledematen door, die je terugziet in de tekening.

• Er verschijnen mensen met lange benen en armen. Het mensbeeld wordt drieledig: hoofd, een romp en ledematen. Ook het tekenblad wordt drieledig. Beneden de aarde, in het midden alles wat zich op aarde afspeelt en bovenin de lucht.

Het huis heeft ook drie delen: een onderverdieping, soms een tussen-verdieping en een schoorsteen. Het kind tekent hiermee de bewegingen en de processen die in het lichaam plaatsvinden.

• Rond zes jaar krijgt het kind een besef van voor en achter. De derde dimensie treedt op en er komt steeds meer beweging in de tekening. Je ziet spelende kinderen, auto’s en dieren. Er komen vlinders en vogels in de tekening. De zon krijgt soms een mond met tanden, bomen krijgen appeltjes en deze appeltjes vallen van de boom op de grond. Deze motieven verschijnen na het begin van de tandenwisseling, als het kind schoolrijp is.

Sint en Piet en het paard Americo

• Bij het schoolrijpe kind is het huis gesloten. Je ziet vaak ramen met schuine gordijntjes ervoor en een plantje in het midden. In deze periode neemt de creatieve impuls van het kind af, tengevolge van zijn nieuwe bewustzijn. Het gaat nu meer ‘afbeeldend’ tekenen: na een reis van zeven jaar is het aangekomen op de aarde •

tekening van een duidelijk schoolrijp kind

.

Peterke Boerboom.

Dit artikel verscheen eerder in ‘De Seizoener’, jrg. 7, winter 2012
Overgenomen met toestemming van de auteur.

Bronnen: Jakob Streit ‘Zon en kruis
Michaela Strauss ‘Kindertekeningen
Rhoda Kellogg ‘Analyzing Children’s Art

Rhoda Kellogg, een Engelse psychologe en lerares, onderzocht een half miljoen kindertekeningen in de leeftijd van twee tot zeven jaar – uit dertig verschillen de landen over de hele wereld. Zij kwam tot de conclusie dat er sprake is van een universele beeldtaal.

.

Meer artikelen over kindertekeningen  [1]   [2]   [3]

Peuter en kleuter: alle artikelen

.

1674

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (3)

.

UIT HET DAGBOEK VAN DE KLEINTJES

Kindertekeningen als uitingen van de ontwikkeling

Met het begin van de schooltijd gaat er voor de kinderen een nieuw gebied in het leven open en een oudere tijd wordt afgesloten. Veel ouders hebben er geen vermoeden van dat daarmee ook een eind gekomen is aan een bijzondere, wat verborgen ontwikkeling, waarvan de vruchten als geschenk – hopelijk –  bewaard zijn. Deze schatten zijn de tekeningen van de kinderen.

In dit artikel zal trefwoordsgewijs een blik op deze schatten geworpen worden en daarmee op de ontwikkeling van de voorschoolse tijd. Wie zich verder met dit thema bezig wil houden, vindt aan het eind van dit artikel enige literatuur.

Er zijn veel mogelijkheden de beelden van de kinderen te benaderen, ik geloof dat hoe persoonlijker de weg is, des te meer te beelden kunnen vertellen. Voor mij was het altijd belangrijk om de kinderen te kennen en ze een deel van hun ontwikkelingsweg te begeleiden. Uit wat ik daarbij ervaren heb, zou ik wat willen vertellen.

Wanneer je een kind waarneemt dat in zijn spel opgaat, kan er een ogenblik komen waarop het alles plotseling laat liggen, een potlood pakt en met grote bewegingen heen- en weergaande slingerbewegingen of golfbewegingen in cirkelvormen op een blad papier tekent, daarna het potlood weer weglegt en zich weer in zijn spel verdiept. De tekening is vergeten en oninteressant geworden.

Bij mij ontstond steeds duidelijker de vraag, waar komt deze drang vandaan die zich in de getekende bewegingssporen uitdrukt? Waar is de bron van deze activiteit? Deze vragen zijn zeker wegwijzers en de antwoorden kun je alleen maar tastend benaderen. In de beelden worden bewegingssporen getoond die in bepaalde vormen en tekens stollen en aan een wetmatigheid onderworpen lijken. Deze vormentaal of tekentaal is over de hele wereld dezelfde, ja zelfs in de voorbije culturen vond deze een uitdrukking. Het lijkt op een getekende oertaal die de kinderen onbewust beleven en tekenend naar buiten brengen. Een ander geheim vertoonde zich aan mij: aan de kinderen kun je aflezen dat alle vaardigheden die ze in de voorschoolse tijd ontwikkelen door de nabootsing van een voorbeeld en door meedoen van de activiteiten in de omgeving verworven worden. Wanneer je dan naar de tekeningen van de kinderen kijkt, hebben de vormen en tekens niets met de nabootsing te maken, maar ontstaan of leven in de kinderen zelf, het stroomt bij het tekenen naar buiten en stollen in het beeld.
Zoals je aan het spel van de kinderen ontwikkelingswetmatigheden kan aflezen, kun je dat ook aan de vormentaal van de tekeningen van de kleine kinderen en deze zijn weer nauw verbonden met de lichamelijke ontwikkeling. Het woord kindertekening laat de eigenlijke betekenis van de beelden niet zien, want het zijn getekende aantekeningen, dagboeknotities van een ontwikkeling die een kind doormaakt. In een beeld uitgedrukt kun je zeggen: het zijn aantekeningen over hoe de ziel een huiselijk plekje inricht in de lichamelijke woning. Tekent een klein kind een huis dan is dat altijd een beeld voor het eigen lichaam, het is geen afbeelding van de wereld om hem heen. Afb. 1

Afb.1: tekent een klein kind een huis, dan is dt een beeld voor zijn eigen lichaam

Wolfgang Grözinger (1984) zegt: ‘Tekeningen van kleine kinderen zijn doffe herinneringen van het lichaam aan een elementair gevoel voor lichamelijkheid; zij komen niet uit de zichtbaar waarneembare wereld.’ De vormen van de zichtbare wereld worden gebruikt als stenografische tekens en met een andere betekenis.

Eerste fase: van het beleven van de contouren naar dat van een middelpunt

De kinderen beginnen al vroeg (ca. 1,2 jaar, d.w.z. 1 jaar en 2 maanden) de eerste beelden met pendel- en golfbewegingen te maken. (Afbeelding 2 en 3).

afb.2: sporen van beweging komen uit de ruimte, raken het blad maar even aan

afb.3: draaiende bewegingen behoren bij de vroegste motieven (Japan)

Als vallende sterren bewegen de sporen door de ruimte, raken het blad aan en gaan weer verloren in de ruimte. W. Grözinger noemt deze jonge kinderen ‘’ ruimtedansers’, ze zijn nog niet op aarde aangekomen. Ze zijn met hun geest-zielenwezen nog perifeer in de omgeving aanwezig en nauw verbonden met de mensen en de dingen. Ze beleven zichzelf als boom of zon enz. De beleving een middelpunt te zijn, een zelf-beleven is nog niet voltooid. De opgave voor een lichamelijke ontwikkeling in deze tijd bestaat o.a. uit het eigen maken van een rechtophouding , uit het vormen van de spraakorganen en de orgaanstructuren om te kunnen denken. Het hoofd domineert (alleen al wat de grootte betreft), het vormen daarvan komt in de eerste plaats.
Dan breekt de tijd aan dat het kind zich terugtrekt uit die nauwe verbintenis, het wordt koppig. Dit is nu de belangrijke tijd waarin het kind voor het eerst zichzelf ervaart, van de Ik-beleving, de omgeving wordt ervaren als jij. In de tekeningen komt dat tot uitdrukking bij het tot rust komen van de beweging die door de wil werd benadrukt en een eenvoudige lijn wordt. Het pendelende van de beweging wordt een kruis en de golven een gesloten omtrek, cirkel. Dat komt ook bij elkaar en zo ontstaat de beeldende uitdrukking voor dit eerste beleven een centrum te zijn. (Afb.4):

afb. 4 cirkel en kruis markeren het eerste beleven van een middelpunt

Een cirkel met kruis of punt wordt door veel kinderen als teken voor het hoofd gebruikt en kenmerkt hen als middelpunt. (Afb.5):

Afb. 5: een cirkel met kruis of punt kan ook het hoofd zijn

Afb.6 is na een uitbarsting van koppigheid met veel kracht getekend. De rode lijnen werden van beneden naar boven getrokken, voorbij de rand van het blad en toen kregen de losse strepen hun horizontale basis – een beeld voor het ‘op eigen benen ‘kunnen staan en als zodanig een uitdrukking van een Ik-ervaring.
Met de koppigheidsfase is een eerste belangrijke ontwikkelingsstap van het kleine kind gezet. De ziel is een stuk verder in het lichaam ‘afgedaald’. Het hoofd is in zijn lichamelijke vorm tot een zekere afsluiting gekomen; hij blijft in verhouding tot de rest van het lichaam in groei altijd een stuk achter.

Afb. 6: dit beeld is na een heftige uitbarsting van koppigheid getekend

Tweede fase: beelden bij het groeien van het lichaam

In de tweede periode, de tijd van 2,5 tot ca. 5 jaar, zijn er een aantal motieven die met de lichamelijke rijping samenhangen. Ik kan hier maar een paar dingen behandelen. Bij de lichamelijke rijping ligt het accent o.a. bij de ritmische organen, bij de skeletvorming, de verandering van de borstkas en de ademhaling.
In het spel van het kind kunnen we de wonderbaarlijke fantasie van het kind mee beleven, die in de nabootsende activiteit ieder voorwerp omvormt en waarin het kind voor zichzelf de wereld nog een keer opnieuw vormgeeft. Het is de tijd van de intensieve beleving van de wereld. Het kind grijpt en begrijpt via de activiteit van de zintuigen het wezen van de dingen. Een zwaartepunt van wat het kind nodig heeft, ligt in het ritme en in de herhaling. Parallel vinden we dit in de tekeningen, maar helemaal gebonden aan het lichamelijk rijper worden.
Laddervormen, ribbenmannetjes, ook hekken doen vermoeden dat de ‘ruimtedanser’ begint in zijn skelet de aardekracht te voelen. Afb. 7:


Afb. 7: laddermannetjes uit Japan

De loodrechte wordt door de horizontale doorsneden; de rechte hoek wordt een hoofdmotief.

Bomen worden met takken getekend, de rechts en links horizontaal aangezet zijn. Een beeld van de zenuwen die van het ruggenmerg naar de borstholte leiden? Afb. 8:

Afb. 8: de boom, op vierjarige leeftijd getekend, is een beeld van de mens, skelet, zenuwen?

Opnieuw moeten we in de gaten hebben, dat het kind nog geen afbeelding van de wereld maakt, maar dat de motieven lichaamservaringen zijn.
In drie tekeningen die door drie zusjes gemaakt werden, is duidelijk te zien:
1. de lichaamsgebonden vorm van de boom (ca. 4 jr) Afb.8:

2.de beginnende bevrijding (ca. 6jr) Afb.9:

Afb. 9: de op 6 jr. getekende boom is niet meer zo ‘lichaamsgebonden’

3.de afgebeelde boom (ca. 8jr). Afb.10:

Afb. 10: de door een 8-jarig schoolkind getekende boom geeft vrij de natuur weer

Nu wordt de boom een uitdrukking van het temperament en het wezen van het kind. De kroon in verhouding tot de stam, de wortels, hoe die de aarde grijpen, diep of oppervlakkig raken, verraden iets van de individuele ontwikkeling van een kind. – De menselijke getalte wordt ook door de vierjarige nog als kruismens getekend.
Ik zou kunnen denken dat het kruispunt op deze leeftijd als middelpunt ervaren wordt. Op de tekeningen van de beide oudere meisjes is het kind en profil getekend. Rond het zesde jaar verandert het beeld van de menselijke gestalte, die wordt gedraaid. De profielmens kan actiever tegenover iets staan, komt sterker in contact met de wereld.
Een nog verdergaande boomvorm vinden we in de tekeningen, wanneer aan het einde van de takken – meestal rode – puntjes opduiken. Afb. 11:

Afb. 11: hier is de boom het kind zelf. Het steekt iets als tasters naar buiten

Zijn het afbeeldingen van onze lichamelijke zintuigen als poorten en bemiddelaars tussen het kind en de wereld?

Dan ontstaat bij het kind een moment dat de puntjes aan de boom naar binnengetrokken worden en vallen naar beneden, nu kunnen ze als appels opgeraapt worden. Afb. 11a:

Afb. 11a: dit zijn echte appels; ze vallen naarbeneden en kunnen opgeraapt worden.

Opnieuw een getekende uitdrukking voor de overgang van het tekenen dat nog lichaamsgebonden is, naar het vertellende tekenen. Ademvormen, koppoters e.d. Het Duits heeft nog ‘Reihungen, Musterbilder, maar wat dat i.v.m. de kindertekening zijn, weet ik nu niet.

Afb. 12 werd getekend door een vijfjarig meisje.  hEet is net een soort samenvatting van de ontwikkeling en een onbewust vertellen hoe ver de ziel in het lichamelijke huis thuis is geraakt en zich goed voelt.

Derde fase: van kleuter naar schoolkind

Een laatste fase loopt van ca. vijf tot ongeveer zeven jaar en sluit de kleutertijd met de schoolrijpheid af. In het gedrag van de kinderren kan je rond het vijfde jaar weer een duidelijke verandering bespeuren. Het anders zo op de omgeving gerichte kind trekt zich in zichzelf terug, als een tere sluier ligt dat over zijn wezen. De kleutergestalte groeit naar schoolkindgestalte, de tandenwisseling begint. Rond het zesde jaar wordt de sluier weer weggegooid en de actieve blik die zin heeft in leren toont de veranderingen in de ontwikkeling.

Een paar zeer uitdrukkingsvolle motieven worden in deze fase getekend. Vier interessante boomvormen vertellen van een verandering in het bewustzijn. Afb. 13, 13a, 14, 15, waarbij afb. 15 de toestand van het schoolkind laat zien. Het hoofd, de vrije voorstellende blik verheft zich boven de gebondenheid aan het lichaam – in dit geval boven de boom.

afb. 13: hier ‘woont’ het kind in de stam van de boom, is nauw met de natuur verbonden

afb.13a: hier verplaatst het gezicht zich van de stam naar de kroon, het kijkt al vrijer

afb.14: ook hier kijkt het kind uit de kroon van de boom – het veld van ervaringen breidt zich uit, zoals ook de armen die wijd uitgestrekt zijn

afb. 15: het hoofd verheft zich boven de boom, krijgt overzicht, bevrijdt zich

Een tastend luisteren in het eigen innerlijk, toont dat het middelpuntsbeleven zich weer verplaatst, nu naar het midden van het lichaam: de zgn. naveltekeningen ontstaan, afb.16

afb.16: in de ‘naveltekening’verplaatst het punt – het centrum – zich in het lichaam

en verder de stuurwielmotieven, afb. 17:

afb.17: het centrum in het lichaam krijgt ‘zonnestralen’

Liepen de taststralen eerst nog naar de omgeving (bijv. bij de zon), nu tasten ze inde eigen binnenruimte van de ziel en de kinderen kunnen hun gevoelens uiten. (Zie Strauss, 1994)
De tandenwisseling laat zich in de getekende driehoeken zien, afb.18 zien:

afb.18: tegen de tijd van de tandenwisseling tekenen de kinderen driehoeken – tekeningen van de tandwortels?

de verandering van de gestalte en de groei van de ledematen met het benadrukken van de grootte van armen en benen. Het tekenen van de vijf vingers en de vijf tenen of de wortels van de bomen vertellen ons dat de ziel zich nu helemaal thuis is, het geest-zielenwezen van het kind is doorgedrongen in het lichaam. Dat is het tijdstip waarop de wetmatigheden van de kindertekeningen tot een afsluiting zijn gekomen. Nu wordt iedere tekening een verteld verhaal waarvan de oorsrprong in de uiterlijke werkelijkheid ligt.

Aan een paar tekeningen zou ik nog willen laten zien hoe de verandering tot schoolkind te herkennen is. Afb.19 werd op 6,1 jaar getekend en toont een speelplaats. Vijf vlakken liggen boven elkaar.

afb. 19: een zesjarig kind laat een speelplaats op vijf niveaus zien

Afb. 20 werd een jaar later door hetzelfde kind getekend en laat de speelplaats vanuit het vogelperspectief zien. Er is een sterk voorstellingsproces, een innerlijke beeldvoorstelling aan voorafgegaan, nl. hoe de speelplaats ingedeeld is. Veel ouders kennen de getekende straten die hetzelfde laten zien.

afb.20: een jaar later tekent hetzelfde kind de speelplaats vanuit vogelperspectief

Aan ontwikkelingsmotieven bij het tekenen van een huis kunnen we het loskomen van het lichamelijk gebonden tekenen herkennen. Afb. 21

afb.21: het ‘huis van het lichaam’: kind en huis zijn nog één

laat zien, hoe kind en huis nog nauw verbonden zijn, het huis is het lichaam. Plotselintg wordt het huis tot half huis, verplaatst zich naar de rand van het blad en de deuren meestal aan de kant van de huismuur in het midden van het blad. Het loskomen van het tekenen vanuit het lichaam begint. Nog een volgende stap en het kind staat in de werkelijke wereld en vertelt wat er in huis – waarin je zoals bij een poppenhuis van opsij naar binnen kan kijken – plaatsvindt, afb. 22:

afb.22: kind en huis staan los van elkaar: het kind kijkt van buiten in het echte huis

Een laatste, zeer geheimzinnig motief zijn de bruggentekeningen. Heel vaak worden ze door kinderen getekend in het laatste jaar voor ze naar de basisschool gaan. We vinden eigenlijk steeds een brug die over een water leidt, een kind op de brug, of er op begonnen te lopen, dikwijls een huis aan de ene kind, een boom op de andere oever. Afb. 23:

afb. 23: in het laatste jaar voor de basisschool gaat het kind vaak een brug over

Uit oude sprookjes en methen kennen we het beeld van de stroom en de twee verschillende rijken bij beide oevers. Dit betekenisvolle motief leeft in de kinderen en ik denk dat het een beeld is voor overgang van de ene levensfase naar de andere. Er wordt een belangrijke brug geslagen over de levensstroom. Er zijn tekeningen waarop een kind over de regenboog loopt, dat betekent vrijwel zeker hetzelfde.

Nooit vragen: ‘Wat heb je getekend?’

Tot slot zou ik nog drie gezichtspunten naar voren willen halen: de kinderen tekenen een motief steeds weer opnieuw, een lange tijd, tot na een rustmoment een nieuw motief naar voren komt, vaak na een ziekte. Dat verandert in wezen pas in de overgang naar het vrije tekenen. Wanneer een kind pas laat begint met de getekende vormen, dan doorloopt het de vormentaal sneller vanaf de krabbeltijd. Tot wel in de schooltijdfase.
We hebben gezien dat de beelden uit een diep onderbewust ervaren van het lichaam ontstaan. De kinderen kunnen die niet op onze vraag uitleggen, ze geven zo maar wat verschillende antwoorden. We zouden de vraag: ‘Wat heb je getekend?’ moeten vermeiden, die kan alleen maar verstorend werken. Er zijn veel mogelijkheden op een getekend beeld in te gaan en het te begrijpen. Het leren begrijpen is een spannende ontdekkingsreis, het is de moeite waard, die te maken.

Helga Zumpfe, Erziehungskunst jrg.63 nr.9 sept.1999

.

Literatuur:
Christhild Blume: Kleinkindzeichnungen – Spiegel der Entwicklung. Mellinger Verlag, Stuttgart 31976

Inger Brochmann: Die Geheimnisse der Kinderzeichnungen. Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 1997

Norbert Carstens: Die Bildsprache des Kindes. Edition RE, Verlag/Buchhandlung Ramas-wamy, Göttingen 1991

Wolfgang Grözinger: Kinder kritzeln, zeichnen, malen. Prestel Vertrag, München 1984

Michaela Strauss: Von der Zeichensprache des kleinen Kindes. Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart 1994 Vertaald
.

kindertekeningen [1]   [2]

Peuter-kleuter: alle artikelen

.

1546

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kleuterklas – leerplan en rooster

.

Onderstaand artikel komt uit de broschure ‘Het binnenste buiten’.

Het is een beschrijving van een schoolwerkplan. Het is niet DE beschrijving van wat er in vrijeschoolkleuterklassen gebeur(t)de, toen dit rapport werd geschreven. Maar veel van wat erin staat, vind je ook vandaag in de kleuterklas terug, gefundeerd op dezelfde achtergronden. Per school kan de werkwijze en invulling natuurlijk altijd verschillen.
.

6.2. Schoolwerkplan Rudolf Steiner Kleuterschool Voorschoten

6.2.1 Ritme
De dag
De gang van de ochtend bestaat uit de onderdelen:
Zingen
Tekenen
Vrij spelen
Opruimen
Eten
Vertellen
Buiten spelen

De ochtend begint in rust, in de kring met versjes, liedjes.
Bij het tekenen komt er meer leven in de brouwerij.
De activiteit van de kinderen komt tot een hoogtepunt wanneer ze uitwaaieren in het vrije spel.
Na anderhalf uur komen ze weer bij elkaar van waaruit het opruimen wordt ingezet. Leven en drukte ebben allengs tc weldadige rust af.
Nu kan er gegeten worden en verteld. Tenslotte volgt bij goed weer buitenspel, bij slecht weer komen er kringspelen aan bod. Door een afwisseling van rustige en drukke bezigheden ontstaat er een ritme. Wij spreken wel van een ademproces. De ervaring is, dat bij een goed ritmisch verloop van de ochtend de kinderen nooit doodmoe of’ ‘uit hun huisje’ raken. Integendeel, bij het luisteren naar het verhaal is de hele groep rustig en geconcentreerd.

De week
Naast de bovengenoemde activiteiten is er een ‘tweede’ activiteit van de ochtend, die wisselt volgens een weekritme:

Maandag:     tekenen
Dinsdag:       schilderen
Woensdag:  naar keuze tekenen of vrij spelen
Donderdag: boetseren
Vrijdag:        plakken of knutselen

De dagen van de week worden voor de kinderen op deze wijze meer en meer herkenbaar. Het terugkeren van wekelijks dezelfde soort dag geeft de kinderen rust en vertrouwen.

Het jaar
De loop van het jaar wordt gemarkeerd door de jaarfeesten: Sint-Maarten, Sinterklaas, Kerstmis, Driekoningen, Palmpasen, Pasen, Pinksteren, St.-Jan, die uitgebreid voorbereid en uitbundig gevierd worden. Wanneer men de voorbereidingen, bestaande uit het leren van liederen, het maken van versieringen etc. en het eigenlijke feest ziet, zou men kunnen zeggen dat wij op onze school in plaats van verschillende projecten, verschillende jaarfeesten hebben. Door het beleven van de feesten wordt het kinderleven meer betrokken bij het ritme van het jaar.

6.2.2 Activiteiten
Voor de volgorde van de activiteiten houden we de gang van de dag en van de week aan.

Zingen en spreken met bewegingen, begeleid door lierspel. Dansen. Luisteren naar muziek. Neuriën.
Al in de wieg kraait het kind des te levendiger als de bedrijvigheid in de buurt van zijn wieg gepaard gaat met geluid, met klank of spraak. Wanneer het op de grond kruipt, zingt het mee met zijn moeder, met een vogel binnen of buiten en ook met apparaten zoals bijvoorbeeld de stofzuiger.
Hoewel het geronk van motoren en ander mechanisch gezoem en geratel weinig recht doet de natuurlijke muzikaliteit, ontlokken deze geluiden aan kinderen soms toch een melodieus gezing-zang. Men kan zich de vreugde van kinderen voorstellen wanneer hun de kans gegeven wordt mee te doen met zang, muziek en taal die hen als het ware op het lijf geschreven is.
In de Vrije Kleuterschool zingen we bijvoorbeeld graag pentatonische liederen en spreken we mooiste klankrijkste van de gedichtjes die we maar geschikt achten.

Ontwikkelingsdoelen:
De muzikale vorming van het kind.
De taalontwikkeling.
Ontwikkeling van gevoel voor ritme.
Ontwikkeling van het ritmisch geheugen (niet van het abstract geheugen).
Ontwikkeling van de waarneming van klank in de taal.
Ontwikkeling van het vermogen tot luisteren.
Ontwikkeling van het vermogen mee te doen in groter sociaal verband dan thuis.

Werkwijze:
De ontwikkelingsstof bestaat uit: liederen (pentatonische liederen en volksliedjes), instrumentale melodieën, zangspelen, gedichten, kleuterrijmpjes en kringspelen.
Het zingen, spelen en dansen speelt zich af in de kring rond de leidster. De kinderen bootsen de leidster na, waar bij ze zelf ook variaties toevoegen.
‘Er wordt een liedje gezongen; een herfstliedje. Het vallen van de bladeren wordt met de handen weergegeven. Een meisje bootst de leidster na en laat mooi haar zwevende blaadjes vallen tot ze op een gegeven moment op een brede zonnestraal liggen, die het lokaal in schijnt. Hierop dansen de blaadjes verder en zakken niet meer.’

Belangrijk is de afwisseling van zingen en luisteren, van zacht en luid zingen van zittend in de kring en ronddansen. Belangrijk hierbij is de afwisseling van tempo.
Het liedrepertoire wisselt met de jaarfeesten.

Loop van de ontwikkeling:
Kinderen zijn schoolrijp als ze geheel zelfstandig een liedje kunnen zingen en zich ook een liedje kunnen herinneren. Bij de verjaardag mag het jarige kind altijd een liedje kiezen. Is het kind vijf jaar, dan moet meestal een ander kind een liedje influisteren. Wordt het zes jaar, dan weet het kind zelf een liedje. Het zesjarige kind zingt over het algemeen verstaanbaar, goed gearticuleerd en kan tempoverschillen hanteren.
Wij zingen in de kleuterklas afwisselend langzaam en snel, waarbij grote en kleine gebaren elkaar afwisselen.
Een schoolrijp kind kan dit allemaal volgen. Jongere kinderen haken af en doen weer mee met de grote langzame gebaren.
Hetzelfde geld voor de kringspelen. Moeilijke stappen en sprongen doen de kleintjes op hun eigen manier. De ouderen voeren ze met genot perfect uit.

Tekenen:
Al met anderhalf jaar krast het kind graag op papier. Dit tekenen of krassen zou men een eindprodukt kunnen noemen. De bewegingen die zich in het lichaam afspelen zetten zich voort in de ledematen en komen als ‘bewegingscurven’ op papier te staan.
Vele deskundigen beschrijven stadia die in de eerste kindertekeningen te herkennen zijn.*.

De vroege bewegingscurven zijn sterk leeftijdsgebonden en internationaal hetzelfde. Bij kinderen over de gehele aarde ontdekt men dus rond dezelfde leeftijd dezelfde tekens in het lijnenspel. Geleidelijk aan vinden we in de tekeningen ook elementen uit de waarneming. Toch blijft het tekenen vooral een naar buiten projecteren van hetgeen het kind innerlijk beleeft.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van kleur en vormgevoel.
Beheersing van de fijne motoriek.
Individuele ontwikkeling doordat persoonlijke schepping wordt gewaardeerd en doordat het kind deze op den duur ook tussen ander werk herkend.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, reukzin, smaakzin, gezichtszin warmte-zin.

Werkwijze:
Er is volledige vrijheid. Er wordt nooit een opdracht gegeven.
Op vaste momenten tekenen alle kinderen aan grote tafels. De leidster zit erbij en kijkt en moedigt elk kind aan. Van elk werk zegt ze dat het erg mooi is. Ze tekent zelf niet mee om de kinderen niet te beïnvloeden en van hun eigen impulsen af te leiden.

Materialen:
Bijenwasblokjes in verschillende kleuren. Dit natuurprodukt is totaal niet giftig, ruikt lekker en verwarmt de handen. De kleuren kunnen over elkaar gebruikt worden daar ze doorzichtig zijn. Zwart en paars worden niet gebruikt.
Het papier is mooi en stevig.

Loop van de ontwikkeling:
Doordat het kind geen opdrachten krijgt volgen de tekeningen zijn eigen ontwikkeling. Zowel de pure ‘stroom van binnenuit’ als de ontmoeting met de wereld vinden we in het werk terug.

Dit alles heeft tot resultaat dat het kind als het ongeveer zes jaar is alle vormen tekenen kan die het nodig heeft om straks de lettersymbolen te leren. Te weten:

vormtekening-voor-het-schrijven-2

 
Deze tekens zijn verwerkt in de tekeningen.

Maar er is meer.

In de wereld van het tekenen onderscheiden wij zeven fasen:

1. Bewegingscurven;
2. de kleuter tekent de hemel: een blauwe hemel met een klein zonnetje;
3. dan verschijnt er een stukje aarde;
4. de zon wint aan kracht en licht;
5. tussen aarde en hemel ontstaat een tussenwereld: de kleuter tekent een huis met bloemen en bomen;
6. de tussenwereld wordt steeds rijker: vogels en vlinders vliegen door de lucht;
7. de tussenwereld wordt eenvoudiger, de rijkdom neemt af.
Dit luidt de nieuwe fase in. Het kind is leerrijp geworden. De laatste is een voorbereiding hierop: de krachten lijken ingehouden te worden, om in de volgende fase een nieuwe bloei te bewerkstelligen.

Vrije spelen:
De baby, de peuter, is een ontroerend actief wezen dat enthousiast wordt wanneer de volwassene zich op liefdevolle wijze met hem bezig houdt. Hetgeen het kind ons tegemoet brengt, uit zich onder meer in de blik, de lach, de beweging.
Dit alles wordt al gauw tot een heerlijk spel, bijvoorbeeld met de eigen handjes bij de baby, in de wieg, waarbij het kind zich verbonden weet met degenen die het verzorgen en vertroetelen. Is het kind tenslotte kleuter geworden dan is zijn speelwereld een gelijkwaardige eigen wereld geworden waarin de elementen van de wereld der volwassenen waartoe het behoort, op verrassende wijze een plaats krijgen.

Ontwikkelingsdoelen:
Zelfvertrouwen.
Beheersing van motoriek.
Oriëntatie in de ruimte.
Ontwikkeling van een schat van verschillende gebaren en bewegingen.
Eerbied voor allen in de klas door behoedzaam met eikaars spel te leren omgaan.
Zelfrespect, dat op deze wijze tegelijk met respect voor de ander wordt ontwikkeld.
Beleving van de gelijkwaardigheid van mensen: nl. zichzelf en andere kleuters en leidster.
Beleving van vrijheid.
Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Het spel voltrekt zich in een niet opdringerige doch uitnodigende ruimte. De kleuren zijn naar aanwijzing van Rudolf Steiner zacht rose en licht blauw. In het midden van het lokaal bevindt zich een grote open ruimte. Aan de kanten staan lange tafels met banken. In de hoeken bevindt zich het speelmateriaal. Al het meubilair is van hout, de vloeren zijn van okerkleurig linoleum. Het gehele lokaal is vrij speelterrein voor alle kinderen. Alles wat aanwezig is mag gebruikt worden. Wellicht ten overvloede: spel is niet gebonden aan boeken en opdrachten. Het aantal kinderen dat met elkaar speelt is vrij. Alle kleuters zijn bezig.

Hoewel het op zichzelf staande wereldjes lijken, hebben de kinderen steeds onderling contact. Ze kijken bij elkaar, vragen iets, overleggen iets. Zo werd in de voorbereidingstijd tot het St.-Nicolaasfeest spontaan een boot gebouwd, die wel veel plaats innam in het lokaal, waarin alle kinderen konden meevaren met St.- Nicolaas en vele zwarte Pieten. Vaak is reeds na twintig minuten het spel van alle kinderen tesamen een organisch geheel.
Beweging, nabootsing en fantasie zijn de drie belangrijkste kenmerken van het ‘organisme’, de spelende klas. De leidster waakt over de veiligheid.

Materiaal:
Het materiaal dat bijeen is gebracht bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke producten: hout, katoen, zijde, wol. Hierbij wordt gelet op rustige kleuren. Direct uit de natuur opgeraapt zijn: stokken, eikels, kastanjes, dennenappels, schors etc.

Loop van de ontwikkeling:
We onderscheiden drie spelstadia:

— Het doe-spel van de eerste twee jaren waarbij het kind probeert de dingen in zijn macht te krijgen en geniet van eindeloze herhaling. Het bootst de volwassene na. (Zo leert het ook zich op te richten en te lopen.)
Het kind beleeft het doen op zich zelf als zingeving.
Het gaat bijvoorbeeld net als zijn moeder met een stofdoek over alles heen maar probeert geen stofte verzamelen.

— Het fantasiespel tussen het derde en vijfde jaar kenmerkt de bloeiperiode van de kleuter. In die tijd heerst het kind als spelend soeverein over de wereld. Een stronk in het bos is een auto, een dennenaald het autosleuteltje.

Een drie-jarig kind bijvoorbeeld verbindt een keukenlepel met een andere door een klosje garen bijna af te winden en heeft zo een mooie kaars gemaakt, versierd met een dennetakje. Nu bedenken we wie dit kerststukje krijgt.
Kinderen hebben ook rollen die ze graag spelen, bijvoorbeeld Maria of postbode.

— Tussen het vijfde en zevende jaar wil het kind al spelend iets bepaalds bereiken. Het overlegt van te voren hoe het aan te leggen. Het kan nu ook echt met andere kinderen spelen en met hen overleggen. Hoe maken we de boot? Waar gaan we heen? Wie nemen we mee? Pas na het zevende jaar ontstaat langzamerhand een warme belangstelling voor bestaande aan regels gebonden sociale spelen.

Opruimen:
Net zoals de meeste vogels ’s avonds naar hun nest terugvliegen, zo keren alle speelmakkers van het kind naar hun eigen plekje terug. Het kind dekt de pop weer toe, doet de blokken in een mand en maakt het poppenhuis weer netjes. Geen wonder dat tijdens het proces van opruimen de kinderen innerlijk en uiterlijk rustig worden.

Ontwikkelingsdoelen:
Ontwikkeling van het vermogen tot ordenen, tot rubriceren, combineren, sorteren (bijvoorbeeld de pop krijgt twee dezelfde sokken aan).
Ontwikkeling van gevoel voor schoonheid. Ordenen wordt versieren.
Ontwikkeling van eerbied en liefde voor de omgeving.
Sociale ontwikkeling. Opruimen is een groepsproces, bovendien wordt alles zo neergezet dat ieder kind er weer toegang toe heeft.
Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, gezichtszin.

Werkwijze:
Voor het opruimen begint, worden alle kinderen bij elkaar geroepen, om eerst gezamenlijk een lied te zingen. Daarna verspreiden allen zich over de zaal, de kinderen vanaf 5½ jaar hebben een opdracht gekregen, de kleintjes ruimen mee op vanuit de nabootsing. De leidster gaat rond en helpt nu eens hier, dan daar.

‘Na het kringetje op de grond, waar werkliedjes werden gezongen, wordt er opgeruimd. Een van de kinderen heeft een prachtig kabouterbos gemaakt van dennenappels in een spiraal neergelegd. Tijdens het vrije spel heeft hij daar intensief mee gespeeld. De andere kleuters hebben aan de rand van het bos eerbiedig staan kijken. Niemand haalde het in zijn hoofd om het domein te betreden. Nu er opgeruimd wordt rent een van de jongetjes op het bos af en maait met zijn handen door de dennenappels: “Zo, opruimen!” roept hij demonstratief. De bouwer van het bos staat er spijtig bij te kijken. Dan komt hij aarzelend een stapje naar voren en veegt ook met zijn handen door het bos. Terwijl hij dat langzaam doet kijkt hij de ander wat onzeker aan. “Tja, als hij dat doet zal het wel goed zijn”.

Tijdens het spelen zelf wordt er niet opgeruimd. De stroom van fantasie wordt niet onderbroken.

Loop van de ontwikkeling:
Het moeiteloos kunnen afmaken van een opdracht bij het opruimen duidt op schoolrijpheid. Het zelf kunnen zien wat er gebeuren moet, duidt daar ook op. Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het resultaat na het opruimen mooier en mooier.

Gezamenlijk nuttigen van de maaltijd:
Helaas wordt in vele gezinnen de maaltijd te snel genuttigd, met te weinig aandacht voor hetgeen er op tafel komt. Dikwijls speelt ondertussen de radio of staat de televisie aan.
Een tweede vrij algemeen verbreide slechte gewoonte is het uiten van kritiek op het gebodene. Gezondheidsmaniakken bijvoorbeeld spuien graag aan tafel hun kennis over het aantal schadelijke bewerkingen dat het voedsel heeft ondergaan.
Voor anderen is het eten domweg te zout, te zoet, te laat op tafel etc. Over de oorzaak ervan kan men denken hoe men wil, wij gaven alleen een paar suggesties, een feit is dat vele kinderen niet blij zijn als ze moeten eten. Zij lusten veel dingen niet en, kauwen slordig. De kleuterschool tracht dit euvel te verhelpen door de gezamenlijke maaltijd een feestelijk karakter te geven.
Door een kind rustig te laten eten en daarbij ook op goede (o.a. stevige) voeding te letten, geeft men het gelegenheid degelijk te leren kauwen.
In de kleuterklas kan op deze wijze mede de basis worden gelegd voor een goede gezondheid.

Ontwikkelingsdoelen:
=Verbetering van de articulatie door goed kauwen.
=Sociale ontwikkeling (bijvoorbeeld tafelmanieren, eerbied, rust).
-Verzorging van alle zintuigen.

Werkwijze:
Bij toerbeurt dekken de kinderen, ook de kleintjes, de tafels met versierde plankjes. Dan gaan allen zitten en wachten tot de leidster bij ieder van hen is langs gekomen om het brood te snijden. Zodra dat klaar is geven allen elkaar een hand en zeggen gezamenlijk een spreuk, een dankgedichtje voor zon en aarde. Er wordt zwijgend gegeten. Wie het brood op heeft mag babbelen. Er wordt eerst gegeten dan gezamenlijk wat gedronken.

Loop van de ontwikkeling:
Alle kinderen die ‘slecht aten’ zijn op deze wijze tot goede eters geworden.
Kinderen gaan beter slapen als ze goed leren eten.
Merkwaardig genoeg ging het euvel van slecht eten ook gepaard met algemene ontevredenheid. Ook deze verdwijnt.

De kleuterschool probeert ‘tevreden’ kinderen af te leveren.

Vertellen:
Hoe minder men het kleine kind verbiedt en hoe meer men zelf het voorbeeld geeft, des te langer behoudt het kind zijn glans en onschuld.
Toch komt het moment, meestal na het derde jaar, dat het kind als het ware overrompeld wordt door een impuls uit hemzelf of uit de omgeving en iets lelijks doet. Vertelt men het dan ’s avonds een verhaaltje waarin een kind net zoiets doet als hij maar dan veel erger, zonder een toespeling te maken op het gedrag van het kind zelf, dan wordt het aangesproken in zijn geweten en zegt meestal dat het zoiets lelijks nooit zou doen.
Met vier jaar heeft het kind al veel begrip voor goed en kwaad en hoort het met vreugde de sprookjes van Grimm die wij vertellen. Deze zijn ‘echt’ en vol humor. Hoe sterk de spanning ook stijgt, het kind kan er zeker van zijn dat het goede tenslotte triomfeert. Zoals bij volwassenen kan een vuur ontstoken worden door het horen van de waarheid, zo kan bij het kind als het ware al een kaarsje worden aangestoken. Het innerlijke licht van de sprookjes brengt vreugde in het kinderleven.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van een arsenaal van bewegingen en motoriek.
=Ontwikkeling van de woordenschat.
=Verruiming van de uitdrukkingsmogelijkheden in de taal.
=De basis voor het beleven van structuren in de zinnen ,van conjuncties in hun gebruik, kortom van de intuïtief logische en gedifferentieerde taal, die later na het negende jaar als grammatica het kind tot bewustzijn zal worden gebracht.
=Beleven van de gesproken taal in zijn dynamiek, frasering, melodie, tempo, correctheid en beheersing. De basis voor een goede ontwikkeling op latere leeftijd.
=Sociale ontwikkeling door leren luisteren naar een ander.
=Verzorging van de eigenbewegingszin, de spraakzin, de gedachte-zin, de ik-zin.

Werkwijze:
De kleuterleidster vertelt in een kring en begeleidt het verhaal met gebaren. Iedere dag wordt 20 à 25 minuten verteld. Een sprookje op dezelfde wijze gebracht wordt zo vele malen beleefd en beluisterd.

Loop van de ontwikkeling:
De kleuterleidster merkt heel goed hoe verschillend de kinderen het sprookje in zich opnemen naarmate ze ouder worden.
De jongeren ondergaan meer, de ouderen denken meer.

Rollenspel:
Er zijn weinig kinderen die niet graag in de huid van een ander kruipen, een rol spelen. Het kan al vroeg beginnen. Twee jaar oud kan het kind bijvoorbeeld al voor moeder spelen terwijl het de moeder kind laat zijn en schoenen laat passen.
In de bloei van de kleutertijd beschikken kinderen over een uitgebreid repertoire van rollen.
Heel mooi en heel boeiend zijn de rollen ontleend aan de sprookjes of verhalen die de jaarfeesten begeleiden.

Ontwikkelingsdoelen:
Individuele en sociale ontwikkeling in de ruimste zin van het woord. Spraak, beweging, zelfvertrouwen.

Werkwijze:
Tijdens het vrije spel ontstaan rollen vanzelf.
Wanneer een sprookje door het vele vertellen gekend wordt, voeren de kinderen het met de leidster op. Soms spreekt zij, soms spreken de kinderen. De decors bestaan uit beklede rekken, de kinderen hebben gekleurde rokken, mantels, kronen.

Materiaal:
=Wollen, zijden en katoenen doeken in effen kleuren.
=Kronen.
=Rekken.
=Tafels, stoelen, plankenkasten.

Loop van de ontwikkeling:
Een zekere kracht en zelfstandigheid in het optreden tijdens het toneelspel i.p.v. een meer dromerig op’ juffie’ georiënteerd zijn, duidt op schoolrijpheid.

Buitenspel:
Ieder weet hoe graag een kind door plassen loopt; hoe gauw het kans ziet zich met modder vuil te maken. Geboeid kijkt het aan het strand hoe de wind over het water scheert. Wordt ergens fikkie gestookt dan kan men rekenen op zijn instemming!
Het is een geluk als een kind ergens op een plekje grond buiten kan komen en de natuur kan beleven. Er is een groot verschil tussen binnen- en buitenspel, binnen vormt het kind in zijn spel de wereld, buiten ondergaat het de elementen. In het zand spelend, zit het weldra onder het zand…

‘Een jongetje van vier zit heerlijk in een plas regenwater te spetteren. Een oudere dame loopt naar hem toe en vraagt vriendelijk of het jongetje niet uit die plas wil gaan. Het jongetje kijkt verwonderd op: “Nee hoor! Zoek jij maar een andere plas”.

Ontwikkelingsdoelen:
=Goede motoriek.
=Gezondheid.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, gezichtszin.
=De kleuterschool heeft een tuin met bloemen, gras en een zandbak.

Werkwijze:
Bij goed weer gaat de klas naar buiten om er vrij te spelen, ’s Zomers zorgen de leidsters dat de kinderen via een waterslang ook emmertjes water kunnen vullen.
Vanaf vijf jaar mogen de kinderen ook ’s middags op school blijven. Ze helpen dan dikwijls de leidsters in de tuin met harken, wieden etc.

Materiaal:
Karren, houten schepjes, emmertjes, kruiwagens, harkjes.

Loop van de ontwikkeling:
Hoe ouder het kind wordt des te meer lichaamsbeheersing het kind krijgt. Het kind kan steeds beter huppelen, springen, hinkelen en rennen.

Schilderen:
Rudolf Steiner wijst op de verwantschap van de ziel met de wereld van kleuren. Wanneer een peuter of een kleuter een kleur mag kiezen, doet hij dat inderdaad met hart en ziel. Het laat hem niet koud of hij de oranje of de groene limonade krijgt. Het gaat hem wonderlijk genoeg daarbij méér om een kleur dan om de smaak.
Aan ons volwassenen is deze verwantschap vaak niet meer af te lezen, allerminst wanneer wij rijdend in de trein gewoon de krant in kijken tijdens de schoonste zonsopgang. Een enkele keer komt het voor dat ook wij getroffen worden bijvoorbeeld door de kleuren van de regenboog. Uitgaande van de regenboogkleuren in de kleuterschool en de lagere klassen, later in de hogere klassen vanuit een steeds genuanceerder palet, tracht de Vrije School de relatie tot de kleurenwereld levend te houden.

Werkwijze:
De kinderen schilderen met elkaar zittend aan grote tafels. Daarop is voor elk kind een nat aquarelpapier uitgespreid. De waterverf, rood, geel en blauw staat gereed. Er wordt gewerkt met brede kwast.

‘Een jongetje kijkt verwonderd op van het werk van zijn buurmeisje en: “Wat een mooi groen!” Het buurmeisje: “Ik had geel en daar kwam een beetje blauw overheen en ineens was er groen.” Alle twee kijken ze aandachtig hoe de groene vlek zich nog steeds aan ’t uitbreiden is.’

In lege jampotten met water gevuld worden de kwasten uitgespoeld. Ook dient het water om de verf op het penseel iets te verdunnen. De leidster schildert mee om de kinderen vanuit de nabootsing de gelegenheid te geven de techniek van het aquarelleren meester te worden. Opdrachten geeft zij echter niet.

Materialen:
Aquarelverf, penselen, water, goede kwaliteit papier.

Loop van de ontwikkeling:
Tijdens het schilderen herkennen we de schoolrijpheid doordat het kind heldere duidelijke voorstellingen schildert. De oudere kleuters beheersen de techniek en het materiaal.

Plakken, knutselen, boetseren, borduren
Gezellig samen met ouderen dingen maken is een vervulling in het kinderleven. Kinderen houden daarbij niet van voorschriften, wel van bijval en soms wat hulp. De kleine vingertjes doen dadelijk mee als je het kind het initiatief laat. Hoewel het werk ontstaat onder invloed van de nabootsing is het een stukje identiteit van de kleuter. Elk werkje is anders en vraagt om onze erkenning en bewondering wanneer het kind er echt aan gewerkt heeft. Eisen kunnen we in de kleuterschool niet stellen. Als leidster zijn we blij en dankbaar als het kind onder onze leiding zin heeft om wat te maken.

Werkwijze:
De kleuters werken samen aan lange tafels met de leidster die nü echt meedoet. Hoogtepunten zijn het maken van versieringen en attributen voor de jaarfeesten: engeltjes, een kerststal, paasmandjes.

Ontwikkelingsdoelen:
=Ontwikkeling van kleur- en vormgevoel.
=Vaardigheid met materialen.
=Hantering van de schaar.
=Verzorging van de tastzin, levenszin, eigen bewegingszin, evenwichtszin, warmtezin, gezichtszin.

Materialen plakken, knutselen:
Stevig papier, transparant papier, zijdevloeipapier, wollen draadjes, lijm etc.

Loop van de ontwikkeling:
Het tot een voorstelling komen en beheersing van het materiaal duiden op schoolrijpheid.

Materiaal boetseren:
’s Winters bijenwas, ’s zomers rivierklei.

Loop van de ontwikkeling:
Op schoolrijpheid duidt het bewust hanteren van het materiaal, dat wil zeggen het zelf de baas blijven en het afmaken van het begonnen werk.

Materiaal borduren:
Wol, jute, stompe naald.

Loop van de ontwikkeling:
Borduren doen wij alleen ’s middags met de oudste kleuters. De jongste kunnen dit nog niet. Eigenlijk komen alle kinderen in het jaar voor zij ons verlaten zo ver, dat zij naald en draad goed hanteren en hun borduurwerk net zo mooi wordt als hun tekeningen!
.

Hoofdstuk Vl, waarvan 6.2, uit ‘Het binnenste buiten’ – eindrapportage project traditionele vernieuwingsscholen – Driebergen 1985, VP
.

* Zie bijv. Kindertekeningen, de beeldende taal van het kleine kind, Michaela Strauss; Vrij Geestesleven.

.
peuters/kleuters: alle artikelen

ritme: alle artikelen

spel: alle artikelen

jaarfeesten: alle artikelen

schoolrijpheid    [2]

zintuigen: alle artikelen

sprookjes: alle artikelen

 

VRIJESCHOOL  in beeld: kleuterklas

 

1108

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Peuter-kleuter – de kindertekening (2)

 

Hier volgen een aantal gezichtspunten die Klara Hatterman, kleuterleidster op de vrijeschool in Hannover, jaren geleden – plaats en tijd onbekend – naar voren bracht over ‘kindertekeningen’.

Voor haar is het duidelijk dat aan de kindertekening de fysieke ontwikkeling van het kind af te lezen is.
Bij de geboorte krijgen wij uit onze erfelijkheid een fysiek lichaam. De vormkrachten, de architect en bouwmeester, het etherlijf genoemd, bouwen het lichaam op. Als geestelijke component nemen Ik en ziel bezit van het lichaam, totdat het totaal omgevormd is tot een persoonlijk lichaam waarin een eigen denken, voelen en vrij willen pas mogelijk worden.
Na onze eerste zeven levensjaren is ons lichaam zo veranderd, dat er geen cel meer is zoals ze uit de erfelijkheid gevormd was.

Kindertekeningen lijken overal ter wereld op elkaar. Wat haar opviel, was hoe sterk lichamelijk gebonden die tekeningen zijn m.a.w. het kind blijkt slechts in staat datgene te tekenen wat er zich in zijn lichaam afspeelt, wat er reeds in dat lichaam werd gevormd. Dat geldt niet enkel voor de tekeningen, maar ook voor het kinderspel.

Het kind groeit geleidelijk vanuit het hoofd en het is dan ook het hoofd dat het eerst omgevormd en geboetseerd wordt door de etherkrachten.

Tussen nul en ongeveer drie jaar zal het kind spiralen en wervelende lijnen tekenen – waarin een enorme dynamiek tot uiting komt. Het tekenblad zal dan te klein voor het kind zijn en muren en tafelblad moeten er dikwijls aan geloven.
Stilaan ontstaan ook verdichtingen: de lichtere kleuren worden a.h.w. overwerveld door donkere. Het kind gaat soms zodanig op in het spel van het donkermaken dat het een gat in zijn papier krast.

In deze periode zie je het kind dikwijls onder een tafel met een doek erover stil in het donker zitten om dan weer in het licht te treden. Een zwart kleurkrijtje in de handen van zo’n een kind zou hem beroven van de belevenis van het zelf verduisteren met behulp van donkere tinten.

Ten slotte groeien uit die wervelende lijnen de aparte lusjes en ringen en eerst als het hoofd volledig gevormd is, tekent het kind de gesloten cirkel. Duidelijk werd dit getoond op de dia (deze ontbreekt helaas als illustratie) waarop het kind de kringen die het tekende opzettelijk “dichtknoopte”. Voordien tekende het kind nog erg afwezig, soms met afgewend hoofd, ongeïnteresseerd. Nu maakt het echter doelbewust het sluitende gebaar. Het ïk-bewustzijn is geboren!

De fysieke grondslag van hoofd en hersenen, de basis voor het denken, is klaar. Dit alles laat zich duidelijk aflezen van de kindertekeningen.

Tussen drie en ongeveer vijf jaar dalen de vormkrachten verder in het lichaam af. De mollige handjes worden gevormder en persoonlijker; de vingertjes krijgen ieder hun eigen karakter. Het ademhalings-en bloedritme begint vaste vorm te krijgen.

In de tekeningen herkent men symmetrie en herhaling. Het kind tekent zogenaamde ladders en kruisingen (bewegingssporen) en levensbomen. De kleur wordt nu belangrijker (voorheen, was het meer een verschil tussen licht en donker).

De eerste mensen worden getekend, eerst nog schuchter; een cirkel met twee kleinere kringetjes; uit dat hoofd schieten daarna stralen. Gaandeweg krijgt het hoofd een lijf, waarin weer ‘ladders” voor komen. Boven en onder worden nu duidelijk aangegeven. Toch zweven de getekende mensenfiguren nog, ze raken de aarde niet en er worden nauwelijks benen of voeten getekend. Met de ontwikkeling van het ritme hangt ook de ontdekking van links en rechts nauw samen; nu is het kind pas in staat met andere kinderen een gesloten kring te vormen en werkelijk samen te spelen.

De fysieke basis voor het voelen is gelegd.

De ontwikkeling van dat ritme moet ook kunnen steunen op een ritmisch dagverloop: vaste uren voor eten, slapen, spel, opruimen, vaste plaats aan tafel, enz.,. Symmetrie en regelmaat zijn dus sleutels om tot een harmonisch gevoelsleven te komen.

Vanaf ongeveer vijf tot zeven jaar wordt de basis voor het vrije willen gevormd. Het stofwisselingssysteem en de ledematen worden door de etherkrachten verder doorkneed. De tekeningen worden bij wijze van spreken realistischer, de mensenfiguren komen langzamerhand op de grond te staan. Pas als het kind zelf goed met de aarde, waarop het zich beweegt vertrouwd is, als het zelf doelbewust, de benen en voeten beweegt, als de laatste en tevens de hardste erfelijkheidsresten, nl. de tanden uitgestoten zijn, is het kind schoolrijp.

Het kind leert houden van de aarde, waarop het als geestelijk wezen gekomen is, het voelt er zich thuis.

De huisvormen en de driehoek vallen nu sterk omlijnd in de tekeningen op. De fysieke vorming is nu volledig. Het melktandengebit, waarin de tanden als kleine pareltjes mooi op een rijtje stonden, is vervangen door het echte gebit. waarin de tanden individueel sterk verschillen. Ook de tenen zijn totaal gemetamorfoseerd.

Werd het kind voordien in zijn spel nog sterk beïnvloed door de dingen uit zijn onmiddellijke omgeving, nu beschikt het kind over vrije voorstellingen. De vormkrachten die het hele lichaam omgevormd hebben, worden tot beeldkrachten. Het kind is nu zelf schepper en tekent wat het uit de vrije voorstelling wil.

In deze eerste zeven jaar ligt de basis voor het verdere leven van het kind. Het is dan ook van het grootste belang dat het kind in die periode behoed wordt tegen elke vorm van intellectualistische benadering; deze wijze van doen zou immers de vormkrachten van het kind stukslaan en denken, voelen of willen zouden hierdoor onvrij en misvormd blijven.

de kindertekening [1]    [3]

903

 

 

 

VRIJESCHOOL – Peuters-kleuters – de kindertekening (1)

.

DE KINDERTEKENING

TOT 7 JAAR

Als kleuterleidster verkeer je in de bevoorrechte positie elke dag een stroom van kindertekeningen in handen te krijgen en te bekijken, voor mij kunst in zijn puurste vorm, die voordat ze in map of tas verdwijnen soms eerst nog trots worden gepresenteerd.

Ik schrijf soms, omdat het de kleuter niet zoveel uitmaakt wat de volwassene er van vindt, hij tekent omdat hij moét tekenen, het resultaat is onbelangrijk.

Dit verandert naarmate de kinderen ouder worden. De kleuter is nog niet afhankelijk van een vooruitgedacht oordeel, zo van: ik zal dat of dét eens gaan tekenen, want dat vindt Juf zo mooi.

Het is niet aan de orde. Kinderen tekenen niet de buitenwereld, maar hun eigen kleine- grote- binnenwereld en die moet eruit. Ze tekenen dan ook niet wat ze zien, maar wat ze innerlijk weten: onbewuste processen en ontwikkelingen zoals het inbezit nemen van hun eigen lichaam, het incarneren, dat is in de tekening duidelijk zichtbaar. Daarnaast het al of niet thuis voelen in zijn omgeving, zijn individuele situatie. De ene keer tekenen ze een mens, dan weer een huis of schip, allemaal afbeeldingen van hun eigen lichaam en hoe ze in de wereld staan.

De tekeningen bekijk ik als ontwikkelingsgang van de kinderen. Kennis omtrent de ontwikkeling van kind én tekening is dus noodzakelijk om te kunnen beoordelen waar een kind in zijn gang naar de volwassenheid “zit”. Dit is ook belangrijk om schoolrijpheid vast te stellen, in samenhang met tandenwisseling, sociale ontwikkeling enz.

Alle kinderen tekenen hetzelfde, op dezelfde wijze. Ze zijn nog één volk, één ras, ze begrijpen elkaar. Herhaling van motieven is hierin een bdangrijk verschijnsel zo wie zo in een kleuterleven en het zijn altijd de dingen waar hij plezier aan beleeft. Vele kindermotieven komen ook steeds weer terug in oude culturen, o.a de Kelten. Het is een aanduiding die gaat in een richting dat iedere mens in het kort de mensheidsontwikkeling doormaakt[1]

Het kind gaat tekenen vanuit de nabootsing als het ongeveer 2 jaar oud is, heeft er plezier in sporen en bewegingen achter te laten en herhaalt die steeds maar weer, grenzeloos, het liefst neemt hij alle muren, boeken als ondergrond, maar op een gegeven moment leert hij de beperkingen van het blad kennen en kan er een ontwikkeling gaan plaatsvinden. De waaiervormige krabbels ontstaan, hij krijgt kontröle over zijn motoriek, eerst nog is het hele lijfje in beweging, maar de bewegingen worden steeds gedifferentieerder. Tijdens de kleuterleeftijd, tekent het kind nog vanuit de schouder en de pols, pas tegen het zevende jaar is de motoriek zo ontwikkeld dat het vanuit de vingers tekent en dus rijp is om te leren schrijven.

De kleuterfase is afgerond en gaat het lagere schoolkind anders tekenen, veel minder vanuit de beweging en de authenticiteit verdwijnt voor een groot gedeelte.

kindertekening 3

Het basisschoolkind tekent nu in opdracht, dikwijls mooi versierd niet alleen voor zichzelf maar is ook afhankelijk geworden van wat de buitenwereld er van vindt.

Krabbel tekeningen zijn altijd de eersten op weg in de ontwikkeling, enorme wervelingen, alleen maar belangrijk voor zichzelf. Zo doorloopt het kind tot zijn zevende jaar een aantal fasen :

1).tót 3 jaar: Nog geen herinnering. ritmische bewegingen, nog geen echte voorstelling. Uit de chaos van de 2- en 3-jarige ontstaat het oerkruis, vanuit de rechte en de kromme lijn. Vanuit de bal en kluwen een wat doelgerichter bewegen.

tot plus minus 3 jaar: inwikkelende spiralen (z’n onbewuste weggetje). Koppigheidsfase – gaat Ik en Nee zeggen en maakt de tekeningen nu dicht tot cirkels. Ook ontstaat het kruis. De loodrechte richting is veroverd, daarop de horizontale en nog wat wijd verbreide kluwens. Zoeken van balans, staan in de ruimte – hoe steviger het kruis, hoe groter die vastberadenheid.

2) 3- 4 jarigen. Ontwaken van de fantasie. Kind laat zich leiden door fantasie. Kind benoemt achteraf. Na het derde jaar smelten cirkel en kruis samen. Zelfontdekking. Vanaf 4 jaar bewegingssporen van binnen naar buiten. Vorming van de ledematen, de koppoters krijgen steeds grotere rol. De koppoter weerspiegeld de zintuigelijke ontwikkeling. Vierkant doet zijn intrede.

kindertekening 2

3) 5 jaar. Illustratieve fase
Driehoek beinvloed de tekening (huis). De kleur wordt een belangrijk facet. Cirkel, vierkant en driehoek zijn wetmatigheden in de tekeningen en is de geboorte van de tekentaal. Bovendien toont het ons de ontwikkeling vanuit het hoofd naar beneden, de ledematen. Deze kun je onderverdelen in de armen en benen, 2 verschillende levengebieden. Armen zijn altijd vrijer en beweeglijker dan de benen. Soms blijven voeten lange tijd achterwege. Handen maken contact met de buitenwereld, zijn waarnemingsorganen. Voeten geven een wilsmatig element aan de tekening, een krachtsimpuls. Geen naturalistische afbeeldingen.

Kleur is een nieuw expressie-element van lineair naar twee dimensionaal. Het kind kiest de kleur die zijn gevoelens past, een mengeling ontstaat van ritmische bewegingen en een psychische uiting, dus met de gevoelens (sympathie, antipathie) doen ook de kleuren hun intrede. (Kinderziektes openen de poort naar de kleur). Het ontwikkelt zijn eigen kleursymboliek. Zijn behoefte aan expressie is zo groot dat het zelfs met een ongeschikt krijtje genuanceerde kleurpartijen kan doen ontstaan. Vanuit de beweging ontstaan ook prachtige geometrische vormen zoals sterren, zo mooi in evenwicht, dat u of ik ze zo uit de losse hand niet na zouden kunnen maken. Hoogtepunt : vlak voor de tandenwisseling + eind 5 jaar.

4) 5,6 en 7 jarigen.

De voorstellingen worden steeds naturalistischer en dramatiek wordt zichbaar en wat het kind belangrijk vindt, bepaalt het zwaartepunt.

Het kind trekt zich terug in zijn lichaam, wordt steeds minder uithuizig. De huizen, die eerst zo gezellig open waren, met tafels, stoelen, bloemetjes krijgen nu een stevige gevel met een voordeur.

Het kind raakt zijn natuurlijke onbevangenheid kwijt en moet een nieuwe manier vinden om weer naar buiten te treden.

De tekenproduktie neemt af tussen 6 a 7 jaar. Het kind neemt een meer nadenkende passieve waarnemingshouding aan i.p.v. actieve.

Hij is bezig met de metamorfose van zijn gestalte, een grote krachtsinspanning en dit gaat ten koste van zijn psychische fantasie. Tandenwisseling treed in en daarmee een kunstzinnige pauze.

kindertekening 1

Geraadpleegde literatuur:

Kindertekening – Michaela Strauss

De kindertekening ontwikkeling en uiting – Karen Mortensen

Elly Bus – Kleuterschool Oudorp, nadere gegevens onbekend

zie voor dit onderwerp: menskunde en pedagogie – artikelen onder nr.12

de kindertekening [2]    [3]   [4]

902

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.