Tagarchief: etherlijf

VRIJESCHOOL – 1e klas – boetseerwerk als uitdrukking

.

Bij het bestuderen van kindertekeningen*, worden bij jonge kinderen vele vormen gevonden waarin ze hun ontwikkeling uitdrukken. Waarin iets zichtbaar wordt van henzelf.

Lang geleden schreef Elisabeth Klein, vrijeschoolleerkracht – iets soortgelijks met het oog op wat de kinderen geboetseerd hadden.

Over kindertekeningen zijn vele artikelen verschenen, over boetseerwerk heb ik er verder geen gezien, wat niet wil zeggen dat ze niet bestaan.
.

Elisabeth Klein, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 5e jrg. nr.6 dec.1931

 

KINDERBOETSEERWERK ALS UITDRUKKING VAN HOE KINDEREN ZIJN

Na de tandenwisseling maken zich plastische vormkrachten los uit het lichaam van het kind waaraan ze tot nog toe hebben gewerkt en vragen om activiteit.

Dat is een van de fundamentele inzichten die Rudolf Steiner voor de pedagogische praktijk heeft uitgewerkt.
Deze vrijgekomen krachten maken het voor het kind mogelijk dat het leert schrijven, schilderen, tekenen, maar eveneens helpen ze mee bij het vormen van voorstellingen en het vasthouden van indrukken in het geheugen.
Dit alles zijn plastische processen in het kind.

Vandaar uit is het ook zinvol, omdat deze krachten in het kind vragen om aangesproken te worden, in de eerste basisschooljaren de kinderen af en toe kleine boetseerwerkjes te laten maken.
De zin om te kneden stroomt uit de vingertoppen van de kinderen.

De plastische werkjes geven je een heel goede mogelijkheid te kijken naar de vormkrachten die in het kind werkzaam zijn.

Toen wij in de eerste klas voor de eerste keer gingen boetseren, moest er een negertje** worden gemaakt. (Bij het rekenen hadden we juist het rijmpje van de 10 kleine negertjes geleerd).

De schoolarts was er en ik moest even uit de klas. Ieder kind had een bolletje bijenwas om te kneden. Ze hadden zelf een kleur gekozen en konden niet wahten om te beginnen.
Toen ik terugkwam, was ik totaal verrast.

Een jongen had een vorm gemaakt van rode was, twee reuzegrote armen uitstrekt in de lucht, twee lange voeten, verder was er niets te zien.

Ik vroeg hem: ‘Ben je al klaar, ontbreekt er niet nog wat aan deze mens? Kijk eens goed!’ Maar de jongen merkte niet dat zijn figuur geen hoofd had.

Hij is een apart kind. Daarom een korte beschrijving.
Vanaf de eerste dag was hij in de klas een stoorzender. In wezen heeft hij een goed hart, maar voor hij het weet, heeft hij iemand gestoten of geslagen. Bij het doen ontbreekt bewustzijn. Het lijkt erop dat hij een wil heeft, zonder verstand. Hij is net zo zonder hoofd als zijn boetseerwerkje. Dit is er een beeld van hoe de krachten individueel in dit kind actief zijn. Wat temperament betreft, is dit kind cholerisch. Zijn onbeheerste wil brengt in zijn omgeving veel gedoe teweeg. Maar er ligt ook een mooie dadendrang in dit werkje.
Ik gaf de raad dat hij thuis iedere dag de kleedjes klopt.

Het tegenbeeld van dit werkje had een andere jongen gemaakt:

Bij dit werkje is het hoofd heel erg groot. De ledematen zijn maar stompjes. Deze jongen leeft zeer innig. Hij is een dromer. Hij is zo beweeglijk als een slak, maar zijn ziel is vervuld van de mooiste beelden. Hij valt vaak, zijn voeten zijn niet stevig en hij heeft platvoeten; maar wanneer je aan de jongen vraagt wat hij wil worden, dan kijkt hij je stralend aan en zegt: ‘Astronoom’.

Omdat het zo karakteristiek is, nog iets uit het schoolleven van dit kind.
Toen de klas eens het sprookje van het ‘Herdersjongetje’ in koor zou spreken en opvoeren, zei dit kind zachtjes na een uur tegen me: ‘U moet mij de koning laten zijn, want ten eerste weet ik hoe een koning spreekt en ten tweede hoe hij schrijdt. ‘En hoewel deze jongen anders grote problemen had met spreken, vervulde hij met de levendigheid van zijn voorstellingsleven deze opdracht heel goed. Het mooiste voor hem was echter, toen hij na de voorstelling de gouden kroon mocht houden.
Dit kind leeft dus sterk in zijn voorstellingen, in de krachten van het hoofd. Uiterlijk alleen al heeft hij een groot hoofd.
Ook in dit geval is het boetseerwerk een getrouw beeld van de verdeling van de krachten in dit kind.

De beide werkjes zijn elkaars polariteit.

Daarbij moet je denken aan de mededelingen van Rudolf Steiner die hij over het menselijk organisme doet. [1]
Hij beschrijft de hoofdorganisatie met het zenuw-zintuigsysteem als de drager van de voorstellingen; de borstorganisatie met de ritmische functies als psychische basis voor het voelen en de ledematen-stofwisselingsorganisatie als de drager van de wil. Rudolf Steiner toont aanschouwelijk hoe door het sterker zijn van de ene of de andere pool eenzijdigheden kunnen ontstaan.

De kleine kinderboetseerwerkjes zijn uitingen van een grote wet. De beide polen in de drieledigheid van het menselijk organisme liggen, zo bekeken, voor het grijpen.

Dit is een soort overgang:

Gemaakt door een zeer sterke jongen. Maar dit kind heeft in zijn cholerisch temperament ook een flegmatische inslag. Hij gaat niet zo woedend tekeer. Als hij slaat, komt het ook aan, maar hij is toch bedachtzamer. Ongeveer in die mate als in het werkje waar bovenop de sterke gestalte een klein, kegelvormig hoofd zit.

De schepper van afb. 4 is niet zo moeilijk te raden:

Een meisje met een stevig lichaam, dat zich behaaglijk voelt, met een flegmatisch temperament. Stralend gaf ze me haar werkje met de woorden: ‘Ik heb het plekje van de 3 negertjes genomen, die aten allemaal pap, en die ene at veel te veel, toen waren er nog maar twee.’
Het is een grappige vorm geworden, een negertje met een kogelrond buikje, daarop met zorg een rijtje knopen gezet, die de vorm zo mogelijk nog verder benadrukken.
De overeenkomst tussen de eigenaard van het kind en het boetseerwerkje is zo verbluffend, dat verdere woorden overbodig zijn.

Deze afbeelding toont nog het werkje van een melancholisch kind, in zichzelf teruggetrokken en wat krom lopend:

Er schijnt dus een duidelijke samenhang te bestaan tussen het temperament van het kind en zijn werkjes.

Het temperament hangt sterk samen met de verdeling van de krachten in het kind. Zoals de vormkrachten in het kind werken, zo komen ze ook in de werkjes tevoorschijn. De werkjes lijken kleine voorbeelden van de in het verborgen scheppende vormkrachten. Die kunnen aan de leerkracht veel laten zien en hem tot hulp zijn.

Of deze zelfde samenhang – dat het kind een beeld weergeeft van de verdeling van de krachten die in hem werkzaam zijn – ook nog op een andere leeftijd geldt, moet zorgvuldig onderzocht worden. Het zou ook zo kunnen zijn dat later meer de tendens bestaat om een tegenbeeld te vormen.

In dit eerste lesuur met zevenjarige kinderen kwam deze samenhang duielijk tot uitdrukking.

Maar niet alleen het resultaat van het boetseren is karakteristiek verschillend, ook de manier waarop gewerkt wordt.

Op een keer was het sprookje van de witte slang verteld.
Nu zouden de kinderen de schelp met daarin de ring die de drie vissen aan land brengen, boetseren.
Omdat de kinderen met hetzelfde temperament bij elkaar zitten, kun je waarnemingen doen, die anders niet zo snel opvallen.

Een hele groep kinderen probeerde nadat ze de schelp hadden gemaakt, die een rijk versierde rand te geven. Deze kinderen werkten met de topjes van hun vingers om de rand te versieren. Natuurlijk kan het ook dat het ene kind het andere, waarbij de rand heel mooi werd, nagedaan heeft. Maar dat doet geen afbreuk aan de manier van werken; je kan ook waarnemen dat het ene kind  het andere niet nadoet, omdat hij het anders wil.
De kinderen die zo werkten, hoorden bij de sanguinische groep. Kinderen die hun hoofd zo vlug bewegen als de vogeltjes, die alles meteen zien, maar niet zo lang volhouden. Meestal zijn ze slank met wat langere ledematen en ze hebben wakkere zintuigen.
Van de kinderen zitten zij het messt in hun zenwuw-zintuigsysteem. Hun belevingen liggen aan de oppervlakte, aan de periferie van het lichaam. Het was in deze les niet te missen hoe wakker ze zijn in de tastzin, hoe hun levensgevoel in hun vingertoppen zit.

Aan de andere kant zaten de kinderen  die in de was zaten te boren met hun duimen, waren hard aan het werk, zelfs met hun vuisten. Met rode hoofden waren ze ernstig bezig.
In de eerste groep werd vrolijk gekletst. De een liet aan de ander zien wat voor mooie bobbeltjes of uitgroeiseltjes hij had gemaakt.
Waarmee de kinderen uit de tweede groep kwamen, en waar ze zeer tevreden mee waren, waren diep uitgeholde vormen, meestal met een dikke, plompe rand. Eentje was in zijn ijver zelfs door de bodem gegaan. Het uitholwerk is voor hen het belangrijkste. Dat is voor de andere groep teveel van het goede. Zoals de wind het water beroert, zo willen zij ’t liefst alleen de oppervlakte vormgeven.

De tweede groep is die van de cholerici. Zij zitten dieper in hun lijf, meer naar binnen. Zij zijn minder met de zintuigen verbonden, maar meer met het bloed. Het zijn dezelfde kinderen die er plezier aan beleven om bij het begin van de les de koude, harde was door hun handen en het werk warm te maken. Ze helpen met hun warme vuisten, wanneer een ander met tere vingers roept: ‘De was wordt niet zacht.’

Pedagogisch kun je in dit uur veel bereiken.

Een meisje in de sanguinische groep zegt bijv.: ‘Ik ben klaar.’  De rand is mooi versierd, maar in het midden is de was nog dik en niet uitgewerkt. De schelp is plat. Nu moet ze leren, nog meer naar de diepte te komen.

Of je laat een jongen die een dikke, plompe vorm maakt, de mooie rand van een ander werkje zien. ‘Zo mooi moet jij het ook versieren!’
En de sterke jongen moet nu zijn stevige vingers ook voorzichtig en beweeglijk maken.

De meeste kinderen maakten een open schelpscheepje.
Een melancholisch kind gaf me het werkje uit witte was, maar de schelp was gesloten. Slechts door een klein kiertje kon je de ring zien.
‘Maar als de schelp gesloten is, kan de ring niet over het water schijnen.’ Dat begreep het kind en deed de schelp open.

Ik zal de schrik niet vergeten van een jongen, toen hij op het laatst merkte dat zijn figuur geen hoofd had. De kinderen vinden het leuk, ze lachen: ‘Hij heeft het hoofd vergeten’, maar voor de jongen is het schrikken heilzaam.

Ik geloof dat je door deze kleine hulpgrepen meer bereikt dan door veel woorden. Die mogelijkheden krijg je in het boetseeruur: door het vormen zelf, door een handeling kan je het kind iets verduidelijken. Dat neemt het kind op, misschien wel tot in zijn organisme.

Ook de pedagogische kant maakt dit werk zinvol en dat het goed is om te doen. De kinderen laten hun vormkracht zien en door het bezig zijn, werkt dit op de kinderen terug, ze veranderend, harmoniserend.

In deze uren werk je ook aan het beeld van een levendig, harmonisch mens.
.

Elisabeth Klein, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 5e jrg. nr.6 dec.1931
.

*kindertekeningen: [1]   [2]   [3]   [4]

**Een rijm dat begint met 10 kleine negertjes. Telkens verdwijnt er een; daarmee leer je de kinderen terugtellen van 10 -1.
In deze tijd waarin we gevoeliger zijn geworden voor ‘de huidskleur’ is het wellicht raadzamer de negertjes te vervangen door iets anders.

[1] GA 21 Von Seelenrätseln
.

handenarbeid: alle artikelen

1e klas: alle artikelen

.

1707

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Ritme (3-18)

.

slapen/waken
.

Overlevingskansen en het omgaan met dag en nacht

Dag en nacht – waken en slapen: een ritme dat niet door ieder als vanzelfsprekend wordt ervaren. De een wordt ’s ochtends fris en verkwikt wakker, de ander heeft de hele dag nodig om te herstellen van de slaap en begint ’s avonds pas weer te leven.
Ate Koopmans: ‘Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt’.

De toekomst heeft vele kanten. Vooraan in het bewustzijn staat de bedreiging door de massale kernbewapening. Andere bedreigingen voor het leven van de mensheid zoals milieucatastrofes, grondstoffengebrek, overbevolking, golven zo nu en dan in het bewustzijn omhoog om daarna weer een tijdlang weg te ebben. Men herinnere zich in dit verband de publicaties van de Club van Rome.

Het eigenaardige van deze bedreigende toekomstperspectieven is dat ze alle in wezen geen toekomstperspectieven hebben. Je bent ervan overtuigd dat het belangrijk is ze te verhinderen. Maar het zijn perspectieven van een einde, van dood en ondergang.

Er zijn ook toekomstperspectieven die met het leren te maken hebben. Het eigenaardige van deze perspectieven is echter, dat ze niet, of slechts met grote innerlijke inspanning tot bewustzijn gebracht kunnen worden.

Het leven voltrekt zich in ritmen; bij de plant in biologische ritmen, bij de mens ook in bewustzijnsritmen. De meest opvallende is het ritme van dag en nacht. Het belangrijkste perspectief van de toekomst is voor mij het omgaan met dag en nacht, met slapen en waken, geworden. Net iets belangrijker nog dan de verhindering van de catastrofes die ons bedreigen. Omdat het in het laatste geval gaat om het verhinderen van doodsprocessen, in het eerste geval om het ontwikkelen van nieuw leven.

De stedelijke bevolking – en wie behoort daar tegenwoordig niet toe – heeft zich in aanzienlijke mate geëmancipeerd van het dag- en nachtritme. Wie gaat er tegenwoordig nog voor twaalf uur naar bed? Een steeds zeldzamer categorie. De landbevolking – zeker die van voor de oorlog – schudde meewarig het hoofd bij ’t idee de kippen in hun eentje op stok te laten gaan. Dit was tegennatuurlijk, eigenlijk een soort opstand tegen Onze Lieve Heer. Het proces van verstedelijking en het losraken, zich emanciperen van het ritme van dag en nacht hangen naar mijn gevoel duidelijk samen. De mens slaapt steeds meer wanneer hij wil – met of zonder pillen.

De wijze van slapen en ontwaken is zeer verschillend. Ieder heeft daar zijn eigen grondtype in (uiteraard kan dat veranderen gedurende het leven). De een wordt ’s ochtends wakker en is onmiddellijk present. Fris en fluitend stapt hij of zij het bed uit en het bad in. Vertelt dan sterke verhalen aan het ontbijt. Voor een ander die dit moet meemaken is dat een grote ramp, uiterst vermoeiend. Die ander behoort wellicht tot een heel andere categorie van wakker worden. Het grootste deel van de dag is een kwestie van dofheid en dufheid. Pas tegen de avond begint hij te leven. En naast deze extremen zijn er oneindig veel varianten. ‘Zeg mij hoe gij slaapt en waakt en ik zal u zeggen hoe ge in elkaar zit.’ Het klinkt misschien wat boud, maar hoeft niet ver naast de waarheid te zijn. Mensen van het laatste extreem – pas tegen de avond beginnen te leven – zullen bij onbevangen waarneming tot de conclusie komen dat slapen een rampzalige zaak is. Je kunt weliswaar niet zonder, maar als je je eraan overgeeft, maakt het je doodziek en je hebt een groot deel van de dag nodig om je ervan te herstellen. De eerste groep – de ‘frisse jongens’ – zal het daar totaal niet mee eens zijn: slaap verkwikt, in de slaap herstel je je, slaap is de gezondste bezigheid die je je kunt denken. Een machtige paradox die het leven met zich meebrengt. Beiden spreken uit ervaring!

Kijken we eens nader door dit poortje van ervaringen van een gezondmakende slaap en een ziekmakende slaap! Er slapen kennelijk twee verschillende mensen in ons. In de één is die slaper een gezondmaker, in de ander een ziekmaker.

Voor deze paradox is het antroposofische mensbeeld werkelijk een machtige ‘toverdoos’. Vier geledingen in de mens doordringen elkaar twee aan twee: het fysieke en het levenslichaam samen als het levende lijf dat in bed blijft liggen; anderzijds het zielenlichaam (of: astraallichaam) en het ik, die zich beide gedurende de slaap anders tot het slapende lijf verhouden dan in de waaktoestand.

In de slaap gebeuren er – grofweg gesproken – twee dingen. Het astraallichaam heeft zich losgemaakt uit de organen die het bewuste dagleven verzorgen – zoals de zintuigen en de hen verzorgende zenuwen. In de slaap werkt het astraallichaam anders op de organen en processen in. Het bemiddelt tussen een kosmische wereld van werkende oerbeelden en het slapende lichaam. Derhalve trekt het astraallichaam zich in de slaap als het ware terug op zijn thuisfront, dat wil zeggen het land waar de kosmische oerbeelden, de plannenmakers van de organen werkzaam zijn. Daarom is de naam astraallichaam (sterrenlichaam) weliswaar misschien wat ‘geladen’, maar wel zinvol. Het verkwikkende van de slaap is te danken aan deze opbouwende, ‘voedende’ werkzaamheid van het astraallichaam uit de krachten van de kosmische oerbeelden van de organen.

Totaal anders is het met het levende lichaam dat in bed blijft liggen. Ook daar gaan de processen door, maar nu tijdens de slaap met een zekere eenzijdigheid. De belangrijke werkzaamheid van het astraallichaam en het ik zijn immers weggevallen: we slapen. Het levende lichaam is in een aantal zeer belangrijke processen en organen verlaten door het meest eigenlijke van de mens: het astraallichaam en het ik. Het slapende lichaam heeft daardoor de neiging van de ‘eigenlijke’ mens te vervreemden. We kunnen dat waarnemen bij het ontwaken als we onze oplettendheid vergroten. Het gevoel van ‘niet goed wakker’ te kunnen worden, is daar een globaal en wat al te grof voorbeeld van. Bij een nauwkeuriger waarneming ondervinden we dat dit proces veel genuanceerder kan plaats vinden. We kunnen bemerken dat achter dit ‘ergens’ niet goed wakker kunnen worden bepaalde ziektetendensen in ons liggen. En wel van zeer verschillende aard. Degene die pas ’s avonds begint te leven komt uit zijn lichamelijkheid een heel bepaalde, misschien heel onschuldige ‘vervreemdingstendens’ tegen. Maar zo’n tendens kan ook bij de fris-uit-het-bed-springer te vinden zijn, maar dan bijvoorbeeld beperkt tot één proces, of één orgaan.

Wat zit hier achter? Om dit te doorzien moeten we het levenslichaam leren kennen. Zoals het fysieke lichaam verwant is met de zichtbare stof, zo is het levenslichaam dat met de onzichtbare wereld van de elementen, van elementaire wezens. Zo moet men hier uiteindelijk heel zakelijk, en vooral zonder in paniek te geraken, spreken over demonische elementaire wezens die in het levenslichaam kunnen werken, hun werkzaamheid uitbreiden nu de ‘eigenlijke mens’ er in de slaap niet bij is. Zij uiten zich of op natuurlijke wijze – in een lichamelijk ziekteproces – of op het psychische of morele vlak. Het demonische karakter ligt- objectief besloten in het feit dat ze de menselijke lichamelijkheid vervreemden van het astraal lichaam en het ik.

Op deze wijze kunnen we met het antroposofisch mensbeeld een schuchter begin maken ervaringen met slapen en waken te doorlichten. Een korte tussenopmerking over de vraag: waar haal je het recht vandaan op een bepaald moment die ‘toverdoos’ er bij te halen? Je begon eerst fatsoenlijk fenomenen te beschrijven, maar plotseling kwam je met het antroposofisch mensbeeld om de hoek.
Rudolf Steiner zegt dat hij deze verschillende wezensdelen van de mens en hun doen en laten schouwt, ‘ziet’. Wij kunnen dit misschien alleen denken. De vraag is nu echter wat we met die gedachten en ideeën doen.

Op dat gebied kunnen we de accenten heel verschillend leggen. We kunnen met het speculatieve verstand over de ideeën gaan denken. Bijvoorbeeld over hoe waarschijnlijk of onwaarschijnlijk ze zijn, etcetera. We kunnen ze echter ook nog op een of andere manier beproeven, namelijk door de ideeën als het ware te investeren in de waarnemingen en ervaringen en dan te kijken wat er met dit, dat wil zeggen ons ervaringsgebied, gebeurt. Doet het iets? Worden de ervaringen misschien doorzichtiger? Of veranderen we zelf? Kunnen we het betreffende gebied anders hanteren, of veranderen misschien zelfs de ideeën zelf. Gaan ze groeien, worden ze minder ‘dun’, meer concreet, verzadigder, zodat we ze bijna ‘met ogen zien’. Kortom: we gaan een ‘spiritueel pragmatisme’ hanteren, als we in filosofisch jargon willen spreken.

Zoals je bij het astraallichaam gedurende de slaap naar de kwaliteit van bemiddelaar van kosmische oerbeelden kunt zoeken, kun je ook vragen naar de kwaliteit van het ik in de nacht. Het meest dichtbij, lijkt me, is uit te gaan van de heel gewone vraag: wat wil ik eigenlijk gaan doen? Je stelt hem bijvoorbeeld ook op die wijze in de levensfase van een beroepskeuze. Wat wil ik eigenlijk? Of wat wil ik eigenlijk met dit leven of met de komende levensperiode? Een vraag die door de meesten van ons zo tussen zestien en eenentwintig jaar voor het eerst bewust wordt gesteld – en dan het hele leven door op gezette tijden terug kan komen (wat te hopen is). Als je die vraag nu eens ‘omstulpt’ – buiten je gewone zelf plaatst. ‘Wat zou voor mijn zelf – vanuit een objectief perspectief van mens te willen worden – het beste zijn door te maken op aarde’. Je voelt nu onmiddellijk: houd ik die vraag uit?

Het is een karmische vraag, de vraag naar een levenslot dat ik zoek of kies of intendeer. Waar wordt die vraag gesteld? Die vraag leidt ons als het ware naar de kwaliteit van het ik gedurende de slaap. Gedurende de slaap treedt het ik in relatie tot zijn eigen hoger wezen. Uit deze sfeer komen besluiten, zoals het ‘inbouwen’ in je lichaam van een handicap als uitdaging om bijvoorbeeld heel bepaalde wils- of gevoelskrachten in het leven te ontwikkelen. De vraag van het ‘wat wil ik eigenlijk’ staat hier in een heel andere dimensie: sub specie aeternitatis – in het perspectief van de eeuwigheid. En niet alleen met betrekking tot jezelf, maar ook ten opzichte van andere mensen, andere wezens.

Wat heeft dit te maken met de toekomst? Zoals reeds gezegd: ik geloof zeer veel. Onze verregaande emancipatie van slapen-waken van het dag-nachtritme is slechts een uiterlijk symptoom van de emancipatie van de mens van de natuur en van de kosmos. Deze emancipatie voltrok en voltrekt zich. Daar is niets tegen in te brengen. Parallel aan deze emancipatie ontwikkelt zich niet alleen de stedencultuur, maar ook de wetenschap, de industrie, de milieuproblematiek, de hygiëne met de bevolkingsexplosie, de kernsplitsing met de atoombom, enzovoort. Dat is een zeer veelzeggende samenhang, waarop in het verleden wel vaker werd gewezen. Maar ik geloof niet dat er vaak de conclusie aan werd verbonden: mens, zorg voor de toekomst dat je iets nieuws leert in het omgaan met slapen en waken. Niet terug naar de ‘natuurlijke staat’ van met de kippen op stok, maar op een manier die perspectieven biedt voor een ontwikkeling.

Het wezenlijke van de antroposofie ligt mijns inziens in het feit, dat zij een praktijk-gerichte wetenschap is om de verhouding van slapen en waken op een nieuwe wijze te leren hanteren. En wel zo dat daaruit gezond-makende, genezende impulsen voor de menselijke samenleving voortkomen. Dat lijkt een vreemde en boute ‘definitie’. Maar als je kijkt naar de door Rudolf Steiner gegeven schilderingen van de antroposofische scholingsweg met de verschillende oefeningen en hun werking en ook maar de eerste stappen en ervaringen hebt opgedaan, dan merk je dat dit te maken heeft met inslapen en ontwaken. Als je de dag zo beëindigt dat je in een beeld of een spreuk geconcentreerd en met de grootst mogelijke innerlijke activiteit een korte tijd leeft, beïnvloed je de slaaptoestand. Je neemt met deze ‘meditatie’ in de waaktoestand een initiatief waardoor je anders leert slapen. Dat wil zeggen dat je gunstig en bevorderend werkt op de genezende, gezondmakende werking van de slaap uit de wereld van de oerbeelden. Maar dat is niet het enige. Je komt tevens in een bewustere relatie tot dat wezen dat zich onder andere manifesteert in de vraag: wat wil ik eigenlijk – morgen, in de komende levensfase, met dit leven.

En een andere aanbeveling is deze meditatie te laten voorafgaan door een terugblik op de dag. Maak in deze terugblik beelden van de mensen waarmee je te maken had, van je ontmoetingen of uiteenzettingen met mensen: exacte en concrete, sappige beelden. De energie en de krachten die je daarin investeert, doen je in de slaaptoestand anders in relatie treden tot de mensen-ikken waar je mee te maken had. Ook zij zijn het die zich verbergen achter de vraag ‘wat wil ik eigenlijk’. Op deze wijze werk je als het ware via de omweg van de nacht tevens op de sociale vermogens die in het dagleven van ons verlangd worden. En ook in het sociale en maatschappelijke leven kun je over ziekte en gezondheid spreken, in een hogere zin.

Het omgaan met dag en nacht is zowel in natuurlijk als ook in sociaal opzicht een vraagstuk van ziektetendensen en genezende, gezondmakende krachten. Uit de nacht haalt de mens diepe morele impulsen, positieve en negatieve. Gezondheid en ziekte, christelijke naastenliefde en kernbommen komen beide in zekere zin uit de wereld van de nacht, maar wel op verschillende wijze en uit verschillende bron. Die verschillende wijzen en die verschillende bronnen bewust op het spoor te komen is daarom zo belangrijk, omdat daaruit pas echte keuzes kunnen voortkomen.

.

Ate Koopmans, Jonas, 18-03-1983

.

Ritme: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1581

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Voeding

.

In de 7e klas (1e klas middelbaar onderwijs) staat een periode voedingsleer in het leerplan. 
Over ‘voeding’ is oneindig veel geschreven. 
Voor de leerkracht is het belangrijk om de uiteenlopende opvattingen te kennen. Het gaat er in de periode niet om een of andere opvatting aan de leerlingen op te dringen. Wel om te onderzoeken wat voedsel ‘zo al doet’.

Ook Rudolf Steiner heeft het nodige over voeding gezegd. En op basis van zijn gezichtspunten schrijven anderen dan weer nieuwe artikelen.

voeding

Een levensbelangrijke ontmoeting 

Als u deze* zomer het geluk gehad hebt met uw kinderen te logeren op een boerderij, hebt u gewandeld langs de gloed van de gouden tarwevelden; u hebt misschien gestaan in de rust van een blauw-paars lavendelveld en geroken aan de hoog boven de bladeren zich verheffende bloementrosjes; u wreef de blaadjes kruizemunt tussen uw vingers fijn en berook ze; u trok een peentje uit de grond en beet erin; in de nazomer plukt u een goudreinet en proeft hem. U hebt dan een ontmoeting met een rijk geschakeerde wereld van kwaliteiten, waarin je je thuisvoelt, die je beleeft als een wereld waar je een innerlijke relatie mee hebt, die ons niet alleen maar begeerlijk voorkomt, maar die ons ook iets toe fluistert van een boodschap, die ons iets wil openbaren.

Deze boodschap, die ons kan bereiken op grond van de verborgen relatie tussen mens en plant, is niet een romantische versiering van ons leven: met haar woorden wordt aan de dragende grond van ons bestaan gebouwd.

Laten we daar tegenover eens het beeld in onze herinnering halen van een autoloze zondag in winter 1974, in de wereld van steen, waar de meesten van ons het grootste deel van het jaar doorbrengen en laten we dan eerst kijken naar een groep oude huizen die aan hun lot worden overgelaten omdat ze moeten wijken voor de metro: dan worden we geconfronteerd met de wetten van de dode natuur: hout verrot, daken komen naar beneden zetten. Alles gehoorzaamt aan de wet van de zwaartekracht; gecompliceerde structuren gaan over in steeds eenvoudiger structuren.

Een derde grondwet in de dode natuur is, dat energierijke verbindingen ertoe neigen over te gaan in verbindingen, die minder energierijk zijn. Zo neigt bijvoorbeeld ongebluste kalk ertoe over te gaan in gebluste kalk, waarbij warmte vrijkomt, deze was tevoren als het ware opgespaard in de ongebluste kalk en is na de overgang in de gebluste kalk niet meer beschikbaar. Op zo’n autoloze zondag werd ons hele volk met kracht aan de eindigheid van onze energievoorraad en daarmee aan het bestaan van deze derde grondwet van de dode natuur herinnerd.

Op onze zomerse wandeling langs akkers en velden ontmoeten we een heel andere wereld waarin volkomen tegengestelde krachten werken: de halmen van de tarwe rijzen omhoog alsof de wet van de zwaartekracht niet bestaat; in zijn aren zwellen de korrels aan tot een steeds grotere concentratie van wat in ons dagelijks brood onze energiebron is; de gecompliceerde gestalte van lavendel of kruizemunt met hun heel eigen kwaliteit van aroma ontwikkelt zich uit eenvoudige zaadkorrels.

Heel andere krachten dan die van de dode natuur werken hier, vormende krachten bouwen vanuit een onzichtbaar bouwplan de substanties van aarde, water en lucht met behulp van uit de kosmos instralende krachten waarvan wij met die van de zon het meest vertrouwd zijn, op tot de gestalte van een plant, zoals die zich door een jaar of door jaren heen ontplooit.

Achter de zichtbare verschijning van elke plant staat een heel eigen samenstel van vormende krachten die zozeer één geheel vormen, dat we het een organisme of een lichaam, een “vormkrachtenlichaam” kunnen noemen.

Op onze zomerse wandeling ontmoeten wij kwaliteiten van plantenwezens die zich door de gestalte van de planten aan ons openbaren. Na zo’n wandeling kunnen we door deze ontmoeting een gevoel van intense bevrediging, verzadiging, beleven.

Maar om onze wandeling te kunnen voortzetten, om als mens vol tegenwoordig te kunnen zijn op aarde, is toch nog een andere wijze van ontmoeten met deze wereld van kwaliteiten nodig: de intense wijze van ontmoeten, die het kleine kind ons voordoet, die alles in zijn mond stopt.

Iedereen weet, dat je als je een tijd lang niet gegeten hebt, flauw, geeuwerig, zweterig, duizelig wordt, en dat je dan zelfs het bewustzijn kunt verliezen. Je dreigt als het ware uit je lichaam te vliegen, Het eten van voedsel vormt het plechtanker, waarmee we ons weer stevig kunnen verankeren in de aardse werkelijkheid.

Om de betekenis van het eten duidelijk te maken, gebruikte Rudolf Steiner eens het volgende beeld:

Een man ziet als hij opstaat een berg aarde voor zijn huis liggen. Hij gaat scheppen om de berg weg te krijgen. Als het avond wordt is dat gelukt. Als hij ‘s-morgens weer opstaat, ligt er weer zo’n berg aarde voor de deur. Blijkbaar heeft een onbekende ‘s-nachts weer aarde voor zijn deur opgehoopt. En de man is de hele dag weer aan het scheppen. Zo gaat het elke dag door, tot op een dag de berg aarde er niet meer ligt: dan is het met de man gedaan en hij sterft.

Hier wordt in een beeld aangeduid, wat Rudolf Steiner ergens anders in de volgende woorden uitdrukt: °Wij eten niet om dit of dat voedsel binnen te krijgen, maar om de krachten te ontwikkelen, die dit of dat voedsel, gerecht, overwint. We eten om weerstand te bieden tegen de krachten van de aarde, we kunnen op aarde alleen leven, doordat we weerstand bieden’.

Ook achter de fysieke lichamelijkheid van de mens staan vormkrachten, die onderling zozeer één geheel vormen, dat we ze kunnen aanduiden als een “vormkrachtenlichaam” waardoor ons stoffelijk lichaam opgedouwd wordt. Maar dit vormkrachtenlichaam kan niet in afzondering van de rest van de wereld functioneren.

We weten allen uit ervaring, dat de mens als sociaal wezen niet op zichzelf “los van de andere mensen”, kan leven: hij heeft de stimulans nodig van de ontmoeting met de andere mens, in vriendschap, of ook in een uiteenzetting met een tegenstander.

Meer aan ons bewustzijn onttrokken, maar daarom niet minder belangrijk, is de geestelijke verkwikking, die een goede nachtrust ons brengt. Als je die een paar nachten moet ontberen, verdwijnt alle geestelijke creativiteit: je kunt dan alleen nog maar vanuit een soort automatisme handelen, vanuit je ruggenmerg: je sleept je als een soort robot door de dag heen.

Alleen als de afzondering van het ik, waarin de mens als individueel wezen overdag leeft, elke nacht onderbroken wordt door een andere bewustzijnstoestand, waarin de mens gelaafd wordt aan de bron van geestelijke creativiteit, kan een mens überhaupt als creatief geestelijk wezen bestaan.

Deze zelfde wetmatigheid geldt voor de mens als geestelijk wezen: onze vormkrachten, ons “vormkrachtenlichaam” moet steeds versterkt worden, “gevoed”, met de vormkrachten, die de plantaardige en eventueel dierlijke voeding ons tegemoet brengen uit de grote wereld om ons heen, en die we moeten overwinnen.

Dit inzicht vinden we al bij Aristoteles, die schreef: “niet de voeding voedt, maar de ziel”.

Het gaat dus niet, of althans niet alleen om het naarbinnen werken van de benodigde hoeveelheid koolhydraten, eiwitten en vetten enzovoorts: het gaat erom, dat de mens het voedsel overwint.

Wat is dat: overwinnen? We kunnen dat het beste begrijpen, als we kijken naar een geval, waarbij dat overwinnen niet geheel gelukt: b.v. een kind eet een aardbei, en krijgt erna een uitslag van galbulten: het gaat eruit zien als een aardbei, het heeft de aardbei niet overwonnen maar de aardbei wint het: hij drukt zijn stempel op de mens. De ontmoeting met de aardbei begint al als u een schaaltje aardbeien krijgt voorgezet: dan loopt je bij het zien en ruiken al het water in de mond. Als u gaat kauwen en proeven, wordt er in de mond nog meer speeksel afgescheiden, en mits u goed proeft, worden ook verderop in de darmen de nodige spijsverteringssappen afgescheiden. Ook maag en lever doen later aan dit proeven mee. Door het kauwen wordt de aardbei in kleine stukjes verdeeld, en door de spijsverteringssappen wordt hij verder ontleed en of we nu aardbeien, brood of vlees eten, door het spijsverteringsproces worden alle eigen vormen vernietigd, en de substantie in de chaos gevoerd.
Pas als het voedsel van al zijn plantaardige en dierlijke eigenschappen is ontdaan, kan het via de darmwand worden opgenomen en tot menselijke substantie worden opgebouwd. Ook al eet de mens nog zoveel aardbeien of rundvlees, hij wordt, als het hem lukt om het aardbeiïge of runderige te overwinnen, geen aardbei en geen rund.

Het belangrijkste, wat de mens in de ontmoeting met het voedingsmiddel aan voedingswaarde opdoet, is niet het gehalte aan koolhydraten, eiwitten of vetten, maar de mogelijkheid, die een voedingsmiddel hem biedt om kracht te ontwikkelen aan het overwinnen van dit voedingsmiddel.

Dat chemisch min of meer gelijkwaardige voedingsmiddelen in voedingswaarde sterk kunnen verschillen b.v. ten gevolge van bepaalde conserveringsmethoden, en welke vérstrekkende gevolgen dit kan hebben, wil ik met een voorbeeld illustreren.

Men heeft gedurende 10 jaren 4 groepen katten (die qua erfelijkheid dezelfde eigenschappen bezaten) met melk gevoerd. De eerste groep kreeg rauwe melk, de tweede groep gepasteuriseerde melk, de derde groep kreeg melk uit melkpoeder bereid en de vierde groep kreeg melk uit gecondenseerde melk bereid.

De eerste groep bleef gezond; de met gepasteuriseerde melk gevoede katten kregen na enige generaties in toenemende mate miskramen, botmisvormingen en andere degeneratieve ziekten; de met melk uit melkpoeder gevoerds katten kregen dit in nog ergere mate; het slechtste verging het de met gecondenseerde melk gevoerde katten.

Wat blijkt hieruit? Dat een gezonde ontwikkeling niet gewaarborgd is door voldoende toevoer van voedingsbestanddelen, maar dat nog iets anders nodig is, wat de rauwe melk wel geeft, maar de gepasteuriseerde en de op andere wijze geconserveerde melksoorten niet of in onvoldoende mate geeft.

Wat is dit andere? Met een bepaalde onderzoekmethode, de koperkristallisatie-methode kan men het verschil in kwaliteit zichtbaar maken: De rauwe melk geeft een krachtig, doorvormd levendig beeld, terwijl de gecondenseerde melk een doods beeld vertoont.
Wat hier tot een zichtbare afdruk komt, zijn de vormende krachten, die werkzaam zijn in de vorming van de gestalte van de plant, maar ook in het dierlijk organisme, en ook in de melk werken.

Alleen een voeding, die een zodanige kwaliteit heeft, dat ze ons deze krachten toevoert, kan onze levende lichamelijkheid goed doen functioneren. Maar het belang hiervan reikt nog verder.

Ehrenfried Pfeiffer, pionier op het gebied van de biologisch-dynamische landbouwmethode, vroeg eens aan Rudolf Steiner, hoe het komt, dat ondanks alle inspirerende inzichten en raadgevingen, die hij heeft gegeven, om als mens een innerlijke ontwikkeling en rijping door te maken, de weg van het inzien van de juistheid en vruchtbaarheid van een idee naar het verwerkelijken in de praktijk brengen ervan, zo moeilijk is. Rudolf Steiners verrassende antwoord was: “Dit is een voedingsprobleem. Onze huidige voeding geeft de mens niet meer de kracht, om het geestelijke in het fysieke, aardse te verwerkelijken, om de brug van het denken tot handelen te slaan’.

Als factoren van de kwaliteitsvermindering kunnen we o.a. denken aan bederf van de akkerbodem door eenzijdige, vanuit chemische gezichtspunten met kunstmest en insectenbestrijdingsmiddelen bedreven landbouw, en aan conserveringsmethoden, die vormkrachten tot een minimum of totaal reduceren.

Zonder een kwalitatief goede voeding blijft het geestelijk streven van de mens zonder uitwerking in de aardse werkelijkheid; en bouwt een pedagogie, die het kind wil helpen, een wezenlijke relatie aan te gaan met de wereld om hem heen, met dat wat als geestelijke werkelijkheid erachter staat, en om dat wat als geestelijke mogelijkheid in hem leeft, te verwezenlijken, op drijfzand.

Dit is de reden, dat vanuit de vrijeschool gegeven opvoedingsadviezen vaak gepaard gaan met voedingsadviezen als belangrijke ondersteuning.

.

J.S. van Dam, schoolarts, vrijeschool Rotterdam, *datum onbekend (najaar 1972?)

.

7e klas: alle artikelen

Over verschillende voedingsplanten:

Eetproblemen bij kinderen: opvoedingsvragen

.

1544

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

VRIJESCHOOL – Alles vrij laten stromen…..

.
Over jonge kinderen en de in hen werkende opbouwende krachten

 

ALLES VRIJ LATEN STROMEN

‘Laat alles vrij stromen, zonder de dingen geweld aan te doen’ is het sprekende motto van de Tsjechische pedagoog Jan Amos Comenius dat Cornelis Boogerd (1952) zijn boek

‘Het etherlichaam als pedagogisch in­strument’

(2009) meegaf. Onlangs verscheen

‘Visjes horen in het water’

bedoeld als aanvulling op het eerste boek. Een boek met voornamelijk (bewegings)oefeningen, bedoeld voor opvoeders van kleine kinderen.

Stroom sprak met Cornelis Boogerd over de inhoud, het ontstaan en het nut voor opvoeders, van beide boeken. 

Tsjechië en Slowakije
Al vele jaren houdt Boogerd zich bezig met de vrijeschoolpedagogie in Tsje­chië en Slowakije. Hij pendelt heen en weer tussen Nederland en Tsjechië, waar hij zijn gezin heeft en waar zijn werkterrein ligt.

Zijn allereerste kennismaking met de antroposofie was toen een mede­student op de Sociale Academie hem terloops vertelde dat zijn antroposo­fisch georiënteerde vader meende dat 13-14 jarigen baat konden hebben bij boogschieten. Dit frappeerde Boogerd omdat hijzelf op die leeftijd gefasci­neerd was geweest door het boog­schieten. Blijkbaar was er veel wijsheid in die vrijeschoolpedagogie.

In 1992 startte de eerste opleiding voor vrije kleuterleidsters in Tsjechië. Verder zette Boogerd in samenwer­king met vrijeschool Eindhoven in Pardubice een grote zomercursus op voor leraren. Beide functioneren nog steeds. In 1991 initieerde hij eveneens een grote zomercursus in Slowakije, waaruit in 1995 een opleiding voor leraren en kleuterleidsters ontstond. In 2005 kon die overgedragen worden aan de Slowaakse opleiders. Ook wer­den verschillende partnerschappen tussen Nederlandse en Tsjechische of Slowaakse scholen bemiddeld. Boog­erd werkt in deze activiteiten samen met Stichting Helias. In 1998 verbond Boogerd zich met een nascholing voor kleuterleidsters in Tsjechië, later ook in Slowakije. Cursussen in Nederland volgden. In datzelfde jaar begon hij met de opbouw van moedercentra in Tsjechië, waar moeders van kinderen tot vier jaar elkaar ontmoeten en cur­sussen volgen. Het hoofdthema in al deze cursussen is de vraag:

Welke rol speelt het etherlichaam in de opvoeding van kleine kinderen?

Door langdurig de diepte in te gaan met een groep mensen uit verschillende landen wer­den fundamentele vragen onderzocht. Daarbij werden niet alleen inzichten gevonden door het ontwikkelen van nieuwe begrippen, maar werd ook ge­zamenlijk een leerweg naar praktische vaardigheden bewandeld. Tijdens die zoektocht werden bewegingsoefenin­gen ontwikkeld, die een grote hulp ble­ken te zijn bij het toegankelijker maken van de begrippen, en bij het kunnen ervaren van de inhouden. De neerslag van deze bevindingen is gebundeld in beide boeken, die inmiddels ook in het Tsjechisch en het Engels vertaald zijn. Met een Duitse vertaling is een begin gemaakt.

In de opleidingen gaf Boogerd eerst les in menskunde, koorzang en
fenomeno­logie. Onderwerpen als het ware ‘om de pedagogie heen’. Toen hij cursus­sen en seminars ging geven in Tsjechië en Slowakije stelde hij zich voor iets aan te reiken om vervolgens weer weg te gaan. Zijn lot besliste anders. In met name Tsjechië kwamen juist meer vra­gen over de wereld van het kleine kind en speciaal over het etherlichaam. Dat maakte dat hij er na zeven jaar voor koos om zich helemaal met dit thema te verbinden.

Etherlichaam

In beide boeken blijkt dat het etherli­chaam een groot gebied is met veel aspecten, dat speciaal voor het kleine kind tot zeven jaar van bijzondere be­tekenis is. De vier wezensdelen van de mens, zoals die bekend zijn vanuit de antroposofie: het fysieke lichaam, het etherlichaam dat de levensprocessen verzorgt, de menselijke ziel en het Ik worden in de levensloop elk in een ritme van zeven jaar ‘geboren’. In de eerste zeven jaar werkt het kind vooral aan de opbouw van het eigen fysieke lichaam. Etherkrachten zijn daarbij nodig, onder meer voor de ontwikke­ling van de bij de geboorte nog niet volgroeide organen. Omdat die krach­ten bij het kind nog niet zelfstandig zijn is het in hoge mate afhankelijk van de etherische omhulling vanuit zijn om­geving. Het kind ‘steunt’ daarop. De pedagogische hoofdwet van Rudolf Steiner zegt dat het etherlichaam het pedagogische ‘instrument’ is in de op­voeding van kleine kinderen.

Boogerd:
‘Bij het lichaam kunnen we ons wat voorstellen, bij de ziel en het Ik ook nog wel, maar in het etherlichaam ‘slapen’ we. Het is niet tastbaar en tegelijk toch zo dichtbij dat je geneigd bent het over het hoofd te zien en niet te waarderen. Dat wat zo wezenlijk is voor de ontwikkeling van het kleine kind: moederlijke kwaliteiten als zorgzame aandacht, warmte, vreugde aan kleine dingen, ritme en herhaling staan in onze tijd onder druk. Zowel kinderen als op­voeders leven in een cultuur die de verbinding met de intieme, organische etherwereld heeft verloren. De moe­derlijke vaardigheden zijn intuïtief en vaak zo vanzelfsprekend dat ze niet als vaardigheden worden gezien. Moeders en begeleidsters van kleine kinderen zijn zich er vaak niet meer van bewust hoe belangrijk deze vaardigheden zijn voor de opbouw van de constitutie van het kind, zodat het weerbaarder wordt tegen belastende indrukken. Mede daardoor komen kinderen vaker met problemen op de kleuterschool en er is steeds meer inzicht nodig om met hen om te gaan. Dit zijn redenen waarom het van belang is dat er meer bewust­zijn komt van het etherlichaam. Ook door de vaardigheden die bij de ont­wikkeling ervan horen’, aldus Boogerd.

Computer en tv noemt hij voor het kleine kind ‘parasieten’. ‘De natuur­lijke drang om de eigen weg te zoeken in het etherlichaam wordt erdoor ver­lamd. In de huidige cultuur gaat rust verloren, men is minder aanwezig op de plek waar men is. Naarmate deze basis meer verdwijnt uit het onderwijs wordt houvast gezocht in statistie­ken en procedures, bijvoorbeeld om leerlingen en lesmethoden te beoor­delen. Met name leraren worden als het ware ‘uit elkaar getrokken’ door voorschriften en bureaucratische planning, en moeten hun energie verdelen. Er wordt vaak te weinig opgemerkt wat kleine kinderen werkelijk nodig hebben. Functioneren leraren van de benedenbouw meer verbaal en ‘wak­ker’, bij leidsters van jonge kinderen gaat het meer om intuïtief waarnemen en handelen.’

Nabootsing

De omhullende etherkrachten uit zijn omgeving geven het jonge kind hou­vast en oriëntatie in zijn vorming. In deze fase leert het vooral door mid­del van nabootsing .

‘Het is de vraag of de huidige kleuterschool ideaal is’, zegt Boogerd. ‘Goede rolmodellen zijn nodig. In de bestaande kleuterscholen worden vaste programma’s gevolgd die vaak onvoldoende kunnen inspe­len op de behoeftes van het individu­ele kind. Er ontstaan al gauw te vaste patronen die tot verstarring kunnen leiden. Doordat de leidsters bijna uit­­sluitend vrouwen zijn, en veel moeders ook alleen opvoeden, missen kinderen een mannelijk rolmodel. Ook zijn kin­deren in de kleuterscholen meestal omgeven door dingen die er speciaal voor hen zijn. Maar kinderen zoeken juist zinvolle voorbeelden in de wereld. Het zou goed zijn om de kinderen in contact te brengen met mensen die zinvol werk doen, zoals een bakker of een smid. Pogingen in deze richting zijn bijvoorbeeld de kleuterschool van Helle Heckman in Denemarken en de bosschooltjes in Tsjechië en Slowa­kije. Kinderen spelen er in de natuur met mensen om hen heen die aan het werk zijn en hen tot voorbeeld kunnen zijn. Ook de natuur is een belangrijke opvoeder. Kinderen vinden spelender­wijs zelf hun regels en vaardigheden. Ze zijn in een vrije ruimte waar de wil gevormd kan worden, zonder het keurslijf van een vast programma. Hun bezigheden zijn in zichzelf zinvol.’

Visjes horen in het water

Boogerd beschrijft hoe door een vrijekleu­ter- of peuterklas een onzichtbare levende stroom van gewoontes en intieme afstem­mingen gaat waar de kinderen de weg in weten. De leidster is het scheppende en ‘wevende’ middelpunt en heeft met alle kinderen onzichtbare ‘draadjes’. Zij is zich bewust van de groep en geeft richting aan de stroom van activiteiten. Dit proces vraagt van de opvoeder zowel bewuste aanwezigheid als – vanuit een intuïtiever weten – ook deelgenoot kunnen zijn van het ‘slapende’ etherische organisme van de groep. ‘Het ontwikkelen van deze kwa­liteiten, bijvoorbeeld in een opleiding, ge­schiedt op tweeërlei manier. Enerzijds zijn er de begrippen, de boeken die opvoeders of studenten kunnen lezen. Anderzijds is het nodig om de weg terug te vinden van het bewuste begrip naar het slapende etherlichaam, en intuïtieve vaardigheden te ontwikkelen die in de relatie met het kind direct ter beschikking staan.

De in het boek beschreven bewegingsoefe­ningen helpen om je te oriënteren in de in­tuïtieve werkelijkheid van de levensstroom. Door te oefenen en te herhalen ontstaat een handelingsvorm die opgeroepen kan worden en waar mee gewerkt kan worden.’

Boogerd beschrijft in zijn nieuwe boek dat leerproces in een beeld: ‘Het onbewuste etherlichaam kun je zien als een vijver. Je kunt in een opleiding iets daaruit ‘opvis­sen’ om het bewust te leren kennen, zoals een visje aan een hengel dat je van alle kanten kunt bekijken en een naam geven. Maar vaak wordt vergeten dat het visje ook weer terug moet in de vijver, anders gaat het dood! Je had er dan beter af kunnen blij­ven. Vandaar de titel van het boek.

Hoe ziet die terugweg eruit in een opleiding?
Het gaat dan om: handelen, herhalen, invoelen, verwerken, loslaten en vergeten.’ Boogerd wijst erop, dat wanneer je een handeling in­tuïtief beschikbaar wilt maken, je hem eerst moet kunnen vergeten. De bewegingsoefe­ningen kunnen helpen op deze terugweg.

In ‘Visjes horen in het water’ worden vijfen­twintig bewegingsoefeningen beschreven waarmee verschillende aspecten van het etherlichaam kunnen worden ervaren. Al meebewegend in de oefeningen openen zich andere waarnemingsgebieden. Je kunt voorwaarden scheppen waarmee de ‘etherwezens’ zich verbinden. Door een goede voorbereiding op het werk, door voor het slapen de dag bewust na te gaan en mee de nacht in te nemen en ook door meditatie. Door een innerlijke manier van aanwezig en alert zijn, open te staan en niet alleen vanuit het hoofd willen sturen kan ruimte ontstaan voor de etherkrachten. ‘Je kunt hen niets afdwingen’, voegt Boogerd nog toe. ‘Ze hebben een eigen dynamiek. Richtingen als Tai Chi en Zenboeddhisme en natuurlijk de euritmie bewegen in de etherstromen, elk op een eigen manier.

De scholingsweg voor de opvoeder is geen therapie’, benadrukt Boogerd. ‘Maar blok­kades kent iedereen. Door de bewegingsoe­feningen komt de opvoeder op een vrien­delijke manier in aanraking met de eigen eenzijdigheden en kunnen deze misschien worden overwonnen en opgelost. Dan ont­staat de ruimte om actief in de stroom mee te bewegen en kan het etherlichaam dienstbaar worden in de opvoeding. Onderzoek naar het etherlichaam is nog braakliggned terrein. Er is nog veel te ontdekken.

’Boogerd is – gelukkig – nog lang niet klaar met zijn zoektocht.

Mieke Linders, Stroom herfst 2013
.

Het etherlichaam als pedagogisch instrument

Visjes horen in het water

STROOM is een uitgave van

kind en etherlijf: alle artikelen

peuters en kleuters: alle artikelen

.

1504

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Slaap

.

In de eerste voordracht van de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de slaap van het kleinste kind. In vele andere voordrachten belicht hij de slaap steeds vanuit verschillende gezichtspunten. 
In onderstaand artikel komen we er daar een aantal van tegen.

WIJSHEID VAN DE NACHT

SLAPEN

Wanneer een mens slaap wordt onthouden, ontstaan er al snel verschijnselen van irritatie, stress en verlies aan wilskracht. Slaap hebben we nodig om beter tot besluiten te kunnen komen (ergens een nachtje over slapen); dromen voor het verwerken van emoties.

Maar wat is slaap eigenlijk, hoe komt het verschijnsel dromen tot stand, en wat gebeurt er wanneer we slaapmiddelen gebruiken? Jan Zee, arts, poogt in dit artikel antwoorden te vinden.

iK herinner me eens een lezing bijgewoond te hebben van Lubiensky, zo’n tien jaar geleden in Rotterdam. Het ging over mediteren. Ik zat achteraan en waagde het na afloop de vraag te stellen of mediteren enige zin heeft als men slaapmiddelen gebruikt. Ik voegde er aan toe dat boven de vijftig jaar een zeer hoog percentage van de mensen slaapmiddelen gebruikt. Het daar aanwezige, voornamelijk bejaarde, publiek draaide zich als door wespen gestoken met een ruk naar mij om. Deze enfant terrible-vraag houd ik nog altijd voor een juiste vraag. Mediteren kan men op velerlei wijzen. Maar uiteindelijk komt het neer op een stuk scholing ten behoeve van de innerlijke ontwikkelingsweg. Is de slaap daarbij dan zo belangrijk? Wel als je gaat beseffen hoe wezenlijk de geheimzinnige wereld van de slaap voor de mens is.

Wat verstaan we onder slapen? Een gezaghebbend onderzoeker op dit terrein I. Oswald geeft de volgende definitie:
‘De slaap is een terugkerende gezonde toestand van inertie en van niet reageren, die met verschillende fysiologische veranderingen gepaard gaat’.

Zoals zo vaak wordt ook hier geformuleerd wat iets niet is, zonder te zeggen wat het wél is. Vanuit de wetenschap is de slaap een gewenste onderbreking van het bewustzijn, en is de slapeloosheid een ongewenste vorm van bewust-blijven die men dient uit te schakelen. Het leven zelf echter lijkt ingewikkelder te zijn dan wat deze eenvoudige maar wel practische conceptie aangeeft. Zei al niet Sigmund Freud, die veel geschreven heeft over het slaap- en het droomleven, dat de slaap geen toestand is van coma maar een waarin de actieve geestelijke processen gedurende de nacht voortgang vinden?

Een zegswijze uit de fysiologie drukt het positiever uit: als u slaapt, waakt uw parasympaticus. Wie of wat is mijn parasympaticus? Ons onwillekeurige zenuwstelsel, het zogenaamde autonome zenuwstelsel, bestaat uit twee polaire werkingsvelden, het sympatische en het parasympatische. Beide werken in het onbewuste, in het onwillekeurige, dus in het gebied dat niet onder de invloed staat van onze bewuste wil. Dankzij het sympatische zenuwstelsel kunnen we een actief wakend leven leiden, het brengt de kat bijvoorbeeld in strijdfase (ook in de vluchtfase) zodat haar haren recht overeind gaan staan, de ogen wijd opengaan, de hartslag sneller gaat en de stofwisseling wordt geactiveerd. Het parasympatische systeem stelt mens en dier op onbewuste wijze in staat tot het tegenovergestelde: de ogen gaan dicht, de slaap overweldigt ons, de spieren raken ontspannen, er is sprake van een trage circulatie en stofwisseling. Alhoewel uiterlijk bezien het bewuste leven uitdooft, breidt zich onder de oppervlakte een wereld van activiteit uit over het onbewuste leven. Een fase van herstel, van wederopbouw gaat overheersen.

Met de slaap glijdt de mens terug in die wereld, die al bestond vóór dat er zelfs van een eerste waakbewustzijn sprake was, in een wereld die in feite een voortzetting is van het embryonale leven, waar geheimzinnige scheppingskrachten werkten aan het vóórtbrengen van de mensvorm. Diezelfde mensvorm wordt hersteld in iedere nacht. Is het niet een zinnige vraag: wie bouwt daar ons lichaam op?

Tempelslaap

Wat weten we uit eigen ervaring over de slaap? Behalve de verkwikking die we er lichamelijk in opdoen, weten we dat de slaap ook iets heel essentieels toevoegt aan de kwaliteit van ons zieleleven. Vooral bij de moeilijke beslissingen zeggen we ‘er een nachtje over te willen slapen’. De mens is na de slaap niet precies dezelfde als ervoor. Er is iets gebeurd. Er is overzicht ontstaan over de soms chaotische gebeurtenissen van de vorige dag. De mens is besluitvaster. Er is ordening ontstaan, bepaalde dingen zijn blijven hangen en als het ware gevoelsmatig uitgewerkt of tot hun recht gekomen. Nu kunnen we er iets mee doen. De hoeveelheid opgestapelde informatie van de vorige dag, die vooral de voorstellingskant van de ziel heeft aangesproken, heeft er door het slapen een dimensie bij gekregen. De wilskant wordt na de nacht toegevoegd aan de informatiekant van de ziel.

Gaandeweg wordt duidelijker dat de slaap iets te maken heeft met de wil. Op verborgen, maar voor wie er op let toch merkbare wijze, ordent deze geheimzinnige wil de informatiestroom van gisteren zodanig dat het wezenlijke uit het onwezenlijke naar voren wordt gehaald, en blijkbaar zodanig dat ons lichaam opgebouwd en hersteld wordt in overeenstemming met deze diepere wil in ons. Het zijn dezelfde krachten die in de embryologie scheppend plasticeerden aan de erfelijkheidssubstantie. Te denken is hier aan wat Dr. L.F.C. Mees schrijft in zijn enige tijd geleden* verschenen boek ‘Geneeskunde op de drempel’, hoe mensen in de oud-Egyptische tijd werden genezen door de zogenaamde tempelslaap. Onder de leiding van priesters-ingewijden werden mensen groepsgewijs in hun slaap hersteld van blijkbaar opgetreden vervormingen. In het spanningsveld van de behoudende erfelijkheidskrachten van het lichaam enerzijds en de krachten die de ontwikkeling naar morgen in het oog houden anderzijds, werden veranderingen teweeggebracht in overeenstemming met het door de goden geïnspireerde ontwikkelingsperspectief. Opmerkelijk hierbij is dat hulp werd geboden van buitenaf. In tegenstelling tot tegenwoordig, waar de hulp van binnenuit geboden wordt door middel van stoffen (bijvoorbeeld slaaptabletten), werd hier therapeutisch ingegrepen door de geest, en van buiten naar binnen. (Tegenwoordig worden de mensen niet groepsgewijs geholpen, maar zij krijgen wel bij duizenden hun slaaptabletten.) Deze ingewijden kenden nog de geheimen van de nacht en van de embryologie, waar scheppende krachten plasticerend en boetserend werkzaam zijn aan het substraat van de erfelijkheid.

Wie dit alles in zijn overwegingen kan betrekken, begint te beseffen dat de huis-tuin-en-keuken-opvatting over ons dagelijks bestaan onjuist is. De gewone opvatting is immers dat ons bestaan uit een continue film bestaat waarbij de ene dagervaring zich knoopt aan de volgende? Onze planning van gisteren loopt door in die van vandaag, en de oorzaak van wat er vandaag gebeurt wordt gezocht in gisteren. Zo is het echter niet helemaal. Ons bestaan wordt gevoed vanuit twee bronnen, en wordt in feite geënsceneerd door twee wezens.

De dagmens beleeft zijn middelpunt in zichzelf, in het lichaam. In feite is ’t het hoofd waar de mens tot het waakbewustzijn komt, voornamelijk levend in het voorstellingsmatige. De impulsator is het ego, in antroposofische terminologie het ‘lagere ik’ genoemd. Vanuit ons ego is het helemaal niet nodig om er een nachtje over geslapen te hebben alvorens iets te willen. Maar dit willen is en blijft een voortvloeisel van de voorstellingsmens. Het is een willen dat aansluit bij de werkelijkheid in zoverre men zich daar een bewuste voorstelling van kan maken. Of dit ook aansluit bij het eigen wezen zal nog moeten blijken.

De tweede bron van waaruit ons bestaan wordt bepaald is die van de nacht. Deze strekt zijn activiteit duidelijk uit over de onbewuste gebieden van de buik, maar het centrum ervan ligt niet in de buik maar erbuiten.
Rudolf Steiner spreekt hier van het ‘hogere ik’ of het ‘kosmische ik’, waarvan de werking zichtbaar wordt in de diepere wil die in ons leeft. Er is een voortdurende uitwisseling gaande tussen deze twee, in deze zin dat het lagere ik zijn centrum wel heeft in het hoofd en wakend zich beweegt in het zintuigelijke volbewuste leven, maar zijn werking ontplooit het in het lichaam van boven naar beneden, van het hoofd naar het wilsgebied. Terwijl dus de wakende mens onafgebroken handelt vanuit zijn voorstellingen, zit er dieper in de mens een kern, die deze onstuimige dadendrang op zijn merites beproeft. Deze hogere maar vanuit het onbewuste werkende mens breidt zijn invloed uit van beneden naar boven. Het kan dan voorkomen dat iemand na ‘rijp beraad’ terugkomt op zijn tevoren genomen beslissing omdat hij ‘bij nader inzien’ toch tot andere gedachten is gekomen. Dit inzicht ontstaat dan doordat de mens te rade is gegaan of bij anderen of bij ‘zichzelf’ (meestal door er een of meerdere nachtjes over te hebben geslapen). In ieder geval door niet in zich (dat wil zeggen in zijn eigen behoeftematige wereld) maar buiten zich te rade te gaan. Dit kan wel degelijk ook overdag gebeuren, want in feite slapen we niet alleen ’s nachts in bed, maar onder ons middenrif slapen we 24 uur van de dag, daar slapen we permanent.

denken     hoofd     waken     bewust

voelen       borst      dromen  onderbewust

willen        buik       slapen     onbewust

Alleen in het hoofd zijn we volledig wakker, en dan nog maar een deel van de dag. Daar komt nog bij dat wij gedurende de dag vermoeid raken van alle indrukken en bewustwordingprocessen. Wat de dagmens afbreekt moet door de nachtmens weer worden opgebouwd. Dit bevestigt opnieuw dat de nachtmens vanuit een veel hoger bewustzijn werkt – namelijk scheppend, synthetisch, echter in het onbewuste en vanuit de kosmos – dan de analytische dagmens vanuit zijn op zichzelf betrokken bewuste bestaan. Alhoewel wij als dagmens helemaal vastgebakken zitten aan ons kleine ikje, is het hoog bejubelde bewustzijn ervan toch niet meer dan het puntje van de ijsberg, en dat puntje is in zijn ontstaan en voortbestaan totaal afhankelijk van de wijsheid van de nacht.

Proef van Jouvet

Wat is er wetenschappelijk bekend over die wijsheid van de nacht? Gegevens hierover blijken in belangrijke mate verkregen te zijn met behulp van het zogenaamde EEG, het Electro-Encefalo-Gram. Hiermee worden de elektrische potentiaalverschillen van de hersenen gemeten, via op de schedelhuid geplaatste kleefelektroden (ca. 20). Afleidingen hiervan gaan naar een registratieapparaat en het signaal wordt door een serie pennen op bewegend papier geschreven. Doordat verbindingen tussen de elektroden automatisch gevarieerd kunnen worden, kan vrijwel ieder gedeelte van de schedel worden onderzocht.
Door het EEG af te nemen van vele gezonde slapende proefpersonen heeft men het gebeuren in de slaap – voor zover elektrisch meetbaar – in kaart kunnen brengen. (Het is overigens typerend voor de materialistische visie dat de wetenschappers op de geheimen, die bij uitstek in de buik hun domicilie hebben, trachten te ontraadselen door metingen uitsluitend aan het hoofd te verrichten.) Het typische is nu dat er twee soorten slaap blijken te zijn, ieder met een eigen kenmerkend EEG-patroon.
1. De diepe slaap, of corticale slaap, naar Dement en Kleitman ingedeeld in vier stadia of slaapdieptes, die elkaar onregelmatig afwisselen.
2. De zogenaamde REM-slaap, of paradoxale slaap. REM betekent: Rapid Eye Movements, snelle oogbewegingen, die gedurende het slapen optreden. De gewone (diepe) slaap wordt vier à vijf keer per nacht abrupt onderbroken door de REM-slaap, dat wil zeggen door een droom. Wekt men de proefpersoon tijdens de REM-slaap dan blijkt hij vrijwel altijd in staat te zijn om zijn droomherinneringsbeelden duidelijk te reproduceren. Overigens kunt u de verschijnselen het beste observeren bij uw hond. Behalve dat de oogbollen, heen en weer draaien, kan men soms waarnemen aan de poten dat het dier in zijn droom in volle actie is. Soms worden er zelfs jankende geluiden bij geproduceerd.

Zo’n REM-periode heeft een met de waaktoestand overeenkomende EEG-activiteit, Kenmerkend is verder de sterke spieron-spanning (ongedacht) en een zeer geringe wekbaarheid (ook ongedacht). Ongeveer 60 tot 90 minuten na het inslapen bij de mens treedt dit REM-slaappatroon voor het eerst op. Zulke perioden herhalen zich ritmisch om het uur ongeveer, en gaan dan ook steeds langer duren. Is de eerste REM-periode relatief kort (5 tot 15 minuten), de laatste kan, tegen het ontwaken, wel 30 tot 50 minuten duren (de zogenaamde ‘ontwaakdroom’, waarvan men zich soms nog een deel kan herinneren).

Parallel daarmee wordt de corticale slaap steeds minder diep (zie figuur).

Bij de volwassene wordt ca. 25 procent van de slaap ingenomen door het dromen, ca. 75 procent door de diepe slaap. De baby droomt veel meer, ca. 60 à 70 procent. Waarom wordt de REM-slaap een paradoxale slaap genoemd? Omdat zoals is vermeld, een proefpersoon zeer moeilijk te wekken is. Iemand in slaapstadium IV is makkelijker te wekken dan in de droomperiode, terwijl naar de activiteit op het EEG te oordelen zo iemand dan bijna wakker lijkt te zijn. Een andere merkwaardigheid is dat zelfs in stadium IV er nog van enige spiertonus sprake is. Ook in de diepste slaap kan een dier zich reflectoir in evenwicht houden. Dit maakt dat een slapende vogel bijvoorbeeld niet van zijn tak afvalt! Bij de REM-slaap echter is die spierspanning weg, terwijl toch de hond in zijn droom ligt te trekkebekken.

Het paradoxale element van de REM-slaap blijkt nergens beter uit dan uit de proef van Jouvet. Deze onderzoeker hield zich bezig met REM-deprivatieproeven bij katten. Op buitengewoon slimme wijze wist Jouvet zijn katten te beroven van hun dromen. In de proefopstelling van Jouvet slaapt de kat op een piepklein vlotje op het water, verbonden met een EEG-apparaat. Ook diep in slaap slaagt de kat er in zich daarop in evenwicht te houden. Zodra zijn slaap echter overgaat in de REM-fase dan verliest hij dit onbewust in stand gehouden evenwicht en dreigt hij in het water te tuimelen. Op die manier bezorgde Jouvet zijn katten een niet al te rustige maar wel 100 procent droomloze slaap.

Uit dit soort proeven blijkt dan dat de REM-slaap onmisbaar is. Berooft men de mens van zijn dromen (door hem steeds te wekken als het zover is), dan blijkt dat getracht wordt het tekort in te halen door een groter percentage van de nacht te dromen. Tegelijk gaat dit gepaard met een negatieve kleuring van de droominhoud dat wil zeggen dat die door de proefpersoon bewust wordt ervaren als tevéél dromen, angstdromen, gevoel van beklemming en nachtmerries. Van alcohol en slaaptabletten is het bekend dat zij de REM-slaap kunnen onderdrukken. Bij staken van deze middelen blijkt dan een REM-schuld te zijn ontstaan die wordt teruggevorderd, het zogenaamde ‘rebound-fenomeen’ (onrustige slaap, angstige droominhoud). Te denken is hier aan het slaapmiddel Halcion, dat onlangs* nog verboden werd door de suïcidale depressies die er door bleken te ontstaan. Langdurige deprivatie brengt de proefpersoon in een psychose, die dikwijls een paranoïde kant opgaat.

Ook deprivatie van de slaap toont aan dat bij het inhalen van de slaap een groter gedeelte in de slaapstadia III en IV wordt doorgebracht. (Tevens wordt de REM-achterstand ingehaald.) De gevolgen van de slaapdeprivatie zijn in grote trekken gelijk aan de stadia ten gevolge van stress: er is eerst een alarmstadium, dan een van weerstand, ten slotte een van uitputting. Er ontstaan bij gezonde proefpersonen verschijnselen van irritatie op de derde dag. Na circa zeven dagen volgt een totale ineenstorting. Interessant (tussen aanhalingstekens) zijn de verschijnselen van hypothermie (dalen van de lichaamstemperatuur) en het toenemend gaan falen van de wilsorganen: gevoel van zwaarte en slapte in de ledematen en gevoel van droogte in alle gewrichten. Ten slotte kunnen de proefpersonen niet meer zonder ondersteuning lopen, en zelfs niet meer praten.

Opbouw

Hoe kunnen we dit alles interpreteren? En biedt de antroposofie hierop nieuwe gezichtspunten? Ook wetenschappelijk is het bekend dat de droom een belangrijk aandeel levert in het verwerken van emoties. Wat is de droom eigenlijk, hoe komt dat verschijnsel tot stand? Mees zegt heel raak in zijn eerder genoemde boek: ‘Wat is slapen? In slaap vallen betekent: eruit gaan; wakker worden betekent: er weer in komen’. Maar hoe gaat dat erin komen en op welke manier?

Het lichaam dat achter gelaten wordt is een tweeledigheid. Het fysieke lichaam bestaat uit een samenstel van stoffen die met elkaar vorm geven aan het menselijk lichaam. Toch kan de mensvorm onmogelijk voortkomen uit de stof. Want het stoffelijk lichaam valt, zodra het aan zichzelf wordt overgelaten, zoals bij de dood gebeurt, uit elkaar. Er moet dus iets zijn dat gedurende het leven voortdurend strijd levert tegen dit uit elkaar vallen. Dat, wat voortdurend strijd levert tegen de ontbinding, is, naar Rudolf Steiner, het etherlichaam. Het is een zelfstandig en samenhangend krachtensysteem, een ‘lichaam’, echter niet zichtbaar. Zichtbaar zijn de resultaten van de uitwerkingen van het etherlichaam, de levensverrichtingen, de instandhouding van de mensvorm, de opbouwprocessen, de groei etcetera. De bron van het leven zelf blijft echter voor onze ogen onzichtbaar.

Wanneer de mens, die in de nacht dit tweeledige lichaam heeft verlaten, zich opnieuw hiermee verbindt, dan kan dat op twee manieren. Hij kan zich direct met het fysieke lichaam verbinden; hij wordt dan wakker, doordat het fysieke lichaam de spiegel wordt voor het dagelijkse voorwerpsbewustzijn. Het kan ook zijn dat de mens zich indirect verbindt, namelijk alleen met de levensprocessen. Als gevolg hiervan droomt de mens. De levensprocessen spiegelen de mens een meer of minder vaag of verward beeldbewustzijn terug, dat in groot contrast staat met het duidelijke en gecontoureerde voorwerpsbewustzijn tijdens het waken.

Dromen en waken is het resultaat van de activiteit van het lagere ik. Weliswaar verlaat de mens die gaat slapen het levende lichaam om dit te laten herstellen in hoger-menselijke zin, maar blijkbaar is het nodig het contact op ritmische en indirecte wijze gedurende de nacht voort te zetten. Alleen tijdens de diepe slaap is het lichaam geheel bevrijd van de aanwezigheid van het lagere ik, en het is dan geheel aan de invloed van het kosmische ik onderhevig. Alles staat nu in het teken van de opbouw. De lever, in de buik, staat in het midden van de nacht op zijn hoogtepunt. De hersenen, in het hoofd, staan dan daarentegen functioneel op hun dieptepunt.

De geheimzinnige krachten van de nacht zijn het ook die verantwoordelijk zijn voor de onbewuste spiertonus, die de kat in de proef van Jouvet zelfs in diepste slaap op zijn vlotje in evenwicht hield (we moeten aannemen dat de diepe slaap bij het dier op een andere manier wordt geimpulseerd als bij de mens). Hoe moeten we verklaren dat dit evenwichtsgevoel door de REM-slaap op paradoxale wijze wordt onderbroken? Het doet mij denken aan het verbroken radio-contact met de space-shuttle zodra die de dampkring binnen komt vliegen. Het dromen is inderdaad een paradoxale toestand, waarbij de diepe slaap niet meer – en het lager ik nog niet – de zaak onder controle heeft.

Het lijkt erop dat we in zijn algemeenheid kunnen stellen dat het EEG-patroon van de diepe slaap verband houdt met de opbouw van het lichaam (in de zin van vermenselijking) en dat het EEG-patroon van de REM-slaap verband houdt met de psyche (in individuele zin), verband houdt met de verwerking van emoties, van indrukken, en van alles wat de psyche bezighoudt.

Schipbreuk

Keren we terug naar de eerste vraag. Is de slaap zo belangrijk voor het mediteren? Het lagere ik voert tot hyper-individualisatie. Vanuit het ego is ieder van ons louter en alleen betrokken op het eigen middelpuntje. Hetgeen per definitie betekent dat we van die kant uit niet of nauwelijks echte betrokkenheid hebben ten opzichte van de wereld en de ander. En wat wil mediteren ten behoeve van de innerlijke ontwikkeling anders inhouden dan een poging zich als mens te vermenselijken, in plaats van te hyper-individualiseren? In hoeverre staan slaaptabletten ons daarbij in de weg? Slaapstoornissen worden voor ca. 80 procent veroorzaakt door onverwerkte emoties (in de andere gevallen wordt slapeloosheid veroorzaakt door lichamelijke hinder, bijvoorbeeld pijn. Een pijntablet is dan in ieder geval nog een betere oplossing dan een slaaptablet). Ieder slaaptablet werkt zo dat het de centra van het centrale zenuwstelsel voldoende verdooft voor de niet aflatende prikkels vanuit het emotionele leven. Het werkt dus als een verdovingsmiddel. De effecten hiervan worden vooral bij langduriger gebruik zichtbaar. Behalve de begrijpelijke dingen zoals sufheid overdag, voorwerpen uit de handen laten vallen, het grotere gevaar van valneigingen bij bejaarden, treden de volgende verschijnselen op: geheugenzwakte, gebrek aan creativiteit, geen raad weten met emoties, fantasieverlies, niet kunnen mediteren, stagnerende innerlijke ontwikkeling.

Dit alles wijst erop dat de vruchtbare uitwisseling van het lagere ik via de nacht met het eigen wezen schipbreuk gaat lijden. De vruchtbare uitwerkingen van de nacht, zoals het verkrijgen van overzicht, de sterking van het onderscheidings- en oordeelsvermogen ten opzichte van de veelheid van informatie van gisteren, al dit soort zaken blijven uit ten gevolge van veelvuldig slaapmiddelengebruik. Door het verlies van de aansluiting op de toekomst beginnen gaandeweg de hogere menselijke functies af te nemen, terwijl de opbouw en het herstel van het menselijk lichaam voortgang vindt, echter in het spoor van het lagere ik. Dit is precies het omgekeerde van wat ieder mens diep in zijn hart werkelijk zal willen.

Jan Zee, arts, Jonas 1, *02-09-1983

.

Algemene menskunde: over slaap van het kleinste kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1440

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 1e klas – achtergronden

.

Dit is een deel van een artikel dat over de 1e klas gaat. Over de basale vrijeschoolachtergrond; over het leren schrijven en rekenen. 
Ik heb dit artikel in 3 delen opgedeeld: de achtergronden; het schrijven, het rekenen.
Hier volgt wat de schrijver over de achtergronden wil zeggen.
Ook al is dit artikel heel lang geleden geschreven, nog altijd bevat het veel actuele facetten.
Wie zelf een ‘rondje’ van 6 of 7 jaar heeft gedaan en daarna weer met een 1e klas begint, zal zeer zeker de gevoelens van de schrijver herkennen. En dat geldt voor veel meer.
Het is in een wat verheven stijl geschreven, waaruit je kan aflezen de ernst waarmee de leerkracht zijn taak opvat.
Wie aan het begin van het nieuwe schooljaar in collegiaal verband stilstaat bij de zgn. ‘ongedrukte passage’ die een niet gepubliceerd deel is van de eerste voordracht uit de ‘Algemene menskunde’, zal zeker de stemming herkennen van waaruit dit artikel is geschreven.

De tekst in blauw en de verwijzingen in [  ] zijn van mij.
.

UIT HET ONDERWIJS VAN DE 1E KLAS

Toen ik met Pasen [1] – nadat ik net een 8e klas [2] afgerond had – voor de opgave gesteld werd zoals bij ons gebruikelijk, van onderop beginnend, een 1e klas te nemen, werd ik mij heel bewust van de ernst en de verantwoordelijkheid van deze taak: ik zag toch nog voor mij de al voor een deel echt ‘grote’ leerlingen; ja halve volwassenen uit mijn vroegere ( nu 9e) klas die ik jaren had mogen leiden en onderwijzen en die nu voor een groot deel al het leven instapten en voor mij was het en bleef het – na een vrolijk, maar ook weemoedig afscheidsfeest – een hartewens hun verdere ontwikkeling op school alsook in hun leven met warme belangstelling te volgen.
Goede resultaten met de opvoeding en het onderwijs geven je daarbij vreugde en tevredenheid; gemaakte fouten, verkeerde oordelen enz. appelleren aan de ernstige wil om het in de komende jaren beter te doen!
Als een stuk verleden tijd lag het allemaal achter me en het wees ook in de toekomst, op een nieuwe en verjongde episode waarin alle pas verworven kennis, ervaringen en wilsimpulsen  weer opnieuw werkelijkheid wilden worden: de nieuwe eerste klas met de kleintjes stond voor me. Eerst alleen maar een lijst met namen, waarvan er een paar bekend klonken; de meeste nog onbekend en nieuw.

Ik zag een beeld voor me, toen ik me bezon op mijn aanstaande taak: een wand van grijze, bewegende wolken, erachter een zacht, rose schijnsel en vandaaruit, langs vele randjes en door spleetjes glurend, een gedrang van nieuwsgierige, een beetje bange of ondeugend lachende engelenhoofdjes, de ogen onschuldig groot en zoekend gericht naar beneden, op de donkere vlek aarde, waarop ik stond en dat voor hen die mij werden toevertrouwd, jarenlang een thuis zou moeten worden. Er steeg een gevoel in mij op dat uitmondde in een gebed: ‘Schenk mij, geesten van het licht, hier beneden staand, overladen met wat ik van de aarde weet en met wat ik op aarde ervaren heb, van jullie hemelse wijsheid, van jullie engelenvertrouwen en jullie zuiverheid zoals kinderen die hebben, opdat ik de opgave kan vervullen en zij die bij mij komen, kan leiden en onderwijzen, met het licht van de sterrenwijsheid en vervuld  van aardse liefde.’

Toen zaten ze voor mij: een groep van eerst niet meteen te onderscheiden kleine wezens, blij opgewonden, zachtjes of vrolijk pratend of een beetje bangig-stil afwachtend.
De eerste begroeting en de ontvangst had al eerder plaatsgevonden: het lot had zijn werking en ons bij elkaar gebracht als een belangrijke leefgemeenschap, een zweem van verre verwantschap en blijde verbondenheid voor de toekomst had ons allen aangeraakt. Een overvloed aan liefde en hoopvolle verwachting ging van allen uit; uitgestraald door de ouders die hen voor het eerst hiernaartoe hadden gebracht; die bescheiden achteraf stonden en met zorg in hun ziel keken naar hun kinderen, geboren voor een nieuw leven en daar zaten in een gewijde plaats: de school. Kon je maar, mocht je maar, een soort priester voor hen zijn die in staat zou zijn hen naar het allerheiligste te brengen. En je keek naar hun gezichtjes en zocht iets te vermoeden van hun eeuwige kern.

En nu zag je al wel bepaalde belangrijke en karakteristieke details. Gezichtstrekken en uitdrukkingen van de ouders kwamen weer in beeld – soms verrassend gelijkend, bijna koddig, zoals een miniatuuruitgave: ook in hun wezen droegen ze nog dikwijls iets als ‘naar een model’ van hen met zich mee. (Zo bracht een zeer vrolijke, maar sterk intellectuele jongen – zoon van een geleerde! – mij al op de tweede dag de sprookjes van Grimm met de goedbedoelde woorden”‘Hier, voor het geval je ze soms niet goed uit je hoofd kent!’ Daarentegen vond een ander – zoon van een leraar! – de school net zo fijn, ja nog fijner dan het spelen thuis; en een meisje – dochter van een theaterdirecteur! – bood me al snel aan iets voor me voor te dansen!)

Door de kinderen heen kijk je soms op een bepaalde manier naar de ouders! En dan weer was vaak iets eigens, persoonlijks in gezichtsuitdrukking en houding verrassend, ook al verscheen het maar eventjes summier, als een tere vonk die echter al gauw opgloeide, iets van het lot aankondigend. En ik moest tegen mijzelf zeggen: ‘Niet helemaal meer volkomen onschuldig en puur, zoals uit de hand van de schepper, komen deze kinderen op school: door de ouders met hun ‘erfelijkheidskenmerken’ (waartegen ze zich met name in de eerste zeven jaar afzetten om zich door het ‘model’ dat ze als basis meekrijgen, heen te werken om tot een zelf te worden: kinderziekten!), door het milieu van het ouderlijk huis, de famile enz. en hun sociale plaats gevormd – en vervormd, zo zitten ze daar voor de leerkracht, in al hun kinderlijke onschuld, wel al belast met lot, oerschuld en ‘erfzonde’! Uit dat alles moet hij ze leidend helpen op weg naar hun pure Ik-menselijkheid.
Eeerbiedig buigen voor de puurheid en pracht van de kleine hemelsbode, van het kind, zoals Jozef het beleefde, de herders en de koningen: dat zou de stemming van de ouders en van allen kunnen zijn die de eerste jaren in zijn omgeving zijn; die in een religieuze toewijding, liefde en goedheid de eerste, meer fysieke ontwikkelingsfase van de jonge mens volgen, die met de wonderbaarlijke wijsheid van de kosmos en de kracht van de nabootsing zich de eerste vermogens eigen maakt van lopen, spreken en een zeer eenvoudig denken. Alleen nog in een soort naklinken van deze stemming ( die ons zo bijzonder integer en respectvol op de opvoedingsbijeenkomst van 1924 door Dr.Steiner werd geschetst) kan de leerkracht nu tegenover het kind staan.. Meer iemand te zijn die het gezond zich laat ontwikkelen, dan de ‘priester’ te zijn, is nu zijn taak!
Een helper bij de grboorte van het wordende Ik-wezen dat tevoorschijn wil komen door het al wat ‘losser’ wordende en vrijkomende etherlijf en – pas later – van het astraallijf*. Nu moet hij zich richten op de vrijer wordende etherkrachten [3] die inwendig trouw zorgdragen voor de stofwisseling tot de opbouw van de blijvende tanden aan toe; die nu vooral werkzaam worden in het pulseren van hart en longen en aan de verdere ontwikkeling van de fantasie- en geheugenkrachten. [4] Niet alleen meer de puur moederlijke zorg voor het fysieke welzijn staat voorop; het vaderlijk-ernstige luisteren naar het eigenritme van het etherische leven in het organisme van het kind, komt daarbij. Opdat zich dat kan ontwikkelen en ontplooien geeft het ouderpaar een deel van wat hun alleenrecht was in de liefde voor hun kind aan de leerkracht.
En ook het kind wil wat anders, wil meer dan alleen maar nabootsend een spiegelbeeld van zijn ouders zijn of in de atmosfeer van hun liefde leven.
Dankbaar en vol overgave aan de autoriteit [5] van de leerkracht naar wie het met eerbied opkijkt als was het een hoger wezen [6], niet meer alleen maar onwillekeurig nadoend en willend, maar al met meer willekeur, specifieker voelend, wil het kind leren wat die (de leerkracht)  al kan. Maar dat wil hij zich eigen maken, niet zijn kennis en niet met een droog onderwijzen mag de leerkracht voor hem staan, zijn weten moet wijsheid worden; zijn kunnen: kunst; zijn leerstof moet in schoonheid worden gedompeld waaruit de hele wereld aan het kind tegemoetstraalt. Alleen in die nawerking kan het de wereld pas verdragen waarin hij toch sterk en vreugdevol moet leven.
De drie hoofdvermogens lopen, spreken, denken [7] die het zich voor een groter of kleiner deel al eigen heeft gemaakt in de tijd van het eerste tot het zevende levensjaar, moeten nu in de volgende schooltijd van het zevende tot het veertiende jaar, nog een keer – maar nu op  een hoger niveau, in ruimere mate, met bewuster gevoelde kracht doorwerkt, doordrongen worden, op een hoger niveau komen. Het ‘lopen’ niet meer alleen als een goed in de ruimte staan in een evenwichtstoestand van staan en gaan, maar in alle krachtige, zinvolle en bewuste activiteit van benen en armen, voeten en handen, in de euritmie en de gymnastiek, in het boetseren, in het schilderen en tekenen en in het schrijven!
En het ‘spreken’,  dat niet alleen maar in de eigenlijke spraakinstrumenten ontstaat, dat leeft en pulseert in het hele borstorgaan, in het ritme van de bloedsomloop en de ademhaling, dat in deze leeftijdsfase een grote aanspraak maakt op het belang ervan, het wordt met bijzondere liefde verzorgd, in een kunstzinnige context geoefend in vorm van dichterlijke vondsten van het meest eenvoudige kleine versje en gedichtje tot aan de muzikale elementen in het zingen, in het precies uit het hoofd leren en reciteren, in het lezen van zinvolle teksten, in het navertellen en in speciale spraakoefeningen [8] waarbij op een heel duidelijke articulatie gelet wordt en op de woordbeleving, waarmee je ieder uur zou kunnen beginnen. –
Het eerste oordelen in begrippen en het denken ten slotte, wordt op een meer gevoelsmatige manier gestimuleerd in een moreel oordelen over goed en kwaad; meer esthetisch in wat mooi of lelijk is, licht of donker enz., maar ook op een meer rationele manier bij de voorwerpen om te rekenen, te tellen en te vergelijken.

Dat zouden richtlijnen moeten zijn waarnaar het eerste onderwijs in te delen is, steeds denkend aan de woorden van onze vereerde leraar: heel het onderwijs moet doortrokken zijn van kunstzinnigheid!  [9] (Meer over deze uitdaging en de verdere invulling ervan, in het bijzonder in het artikel van C.v.Heydebrand in het augustusnummer 1926: Over het vormgeven van een kunstzinnige onderwijsaanpak!) [10]

Bij het leren spreken in de hoogste zin van het woord gaat het er in de eigenlijke schooltijd om het kind de weg tot de ‘logos’, het wereldwoord waaruit hetzelf gevormd werd, weer te laten vinden, dat in zijn innerlijk weer te wekken, opdat het eens door hem heen naar buiten klinkt met een stem in het koor van de wereld.

Mooi, maar met een toon dat er op smartelijke manier iets verloren is gegaan, wijst Robert Hamerling op deze kosmische verhouding van het kind in het gedicht: [11]

Die Kindlein wissen’s

Wie’s aussieht im ewigen Freudenhain,
lm Himmel, dem hohen, da oben,
Das wissen die Kindlein, die kleinen, allein,
Sie kommen ja grade von droben.

Doch sie können’s nicht sagen, unmündig und klein,
Sie müssen’s verschweigen indessen:
Und wachsen heran sie und plaudern sie fein,
Dann haben sie’s leider vergessen!

 

Maar wij willen proberen het bewustzijn van de hemel weer te wekken en niet alleen dat, maar ook de krachten en talenten die in ver terugliggende aardelevens zijn verworven, geldt dat ze gewekt moeten worden tot nieuwe gemetamorfoseerde vormen voor het huidige verdere leven.

Rudolf Treichler, Mitteilungen jrg. 1926/27 nr 5, febr. 1927

 

*R.Steiner: GA 34/v.a. 309
vertaald

[1]Toen ik op de lagere school zat, vond de overgang van het ene leerjaar naar het volgende rond de paastijd plaats. Een paar jaar later gebeurde dat zoals nu: met de ‘grote’ vakantie.

[2] Oorspronkelijk eindigde in Duitsland de onderbouw met klas 8. Op scholen in Nederland die een bovenbouw hadden, gebeurde dat ook meestal. De vrijebasisscholen zonder bovenbouw konden aanvankelijk nog tot en met de 7e klas de kinderen begeleiden; tot het ogenblik dat ook op dit gebied de vrijescholen geen vrijescholen meer konden zijn: de onderbouw duurt nu 6 jaar.

[3] etherlijf:

[4] kind en etherlijf

[5] navolging

[6] Ik heb eens een moeder horen zeggen dat haar kind haar aansprak en zei: ‘Mam, nu weet ik hoe God er uitziet.’ ‘Hoe dan?” had de moeder gevraagd. ‘Als meester!’, antwoordde het kind.

[7] lopen, spreken, denken

[8] spraakoefeningen

[9] Rudolf Steiner: wegwijzer 73

[10] artikel niet vertaald

[11] Ik heb geen vertaling kunnen vinden:

De kinderen weten het:
Hoe het er uitziet in de eeuwige vreugdeplaats,
In de hemel daar hoog, daar boven,
Dat weten de kinderen, de kleinen, alleen,
Zij komen er juist vandaan.

Maar ze kunnen het niet zeggen, onmondig en klein,
Ze moeten er dan maar over zwijgen:
En groeien ze op en kunnen ze goed praten,
Dan zijn ze het helaas vergeten!

1e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 1e klas: alle beelden

 

 

1085

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie -temperamenten (15-1/3)

.

Werken met temperamenten (3)

Flegmatisch en cholerisch boos worden…

In de serie Werken met temperamenten een derde en laatste artikel over de flegmatische en cholerische mens.

‘Het is opvallend hoe dikwijls iemand met een flegmatisch temperament op grond van de vaak explosieve manier van kwaad worden het etiket cholerisch krijgt opgeplakt.’

In het vorige artikel heb ik aangeduid hoe in de temperamentenleer, zoals die vanuit de antroposofie is ontwikkeld, het melancholische en sanguinische temperament van de mens veroorzaakt worden door de zogenaamde ‘dominantie’ van het fysiek lichaam en van het astraal lichaam.
Thans gaat het om een beschrijving van het flegmatische en het cholerische temperament. Deze treden op wanneer in het samenspel van de vier wezensdelen, die in de antroposofie worden onderkend (het fysieke lichaam, het etherlichaam, het astraallichaam en het ik) met name het etherlichaam en het ik dominant zijn.

Hierbij is in de eerste plaats nodig dat we iets nauwkeuriger nagaan wat onder de term etherlichaam of ik kan worden verstaan. Met het etherlichaam, ook wel levenslichaam of vormkrachtenlichaam genoemd, wordt in de antroposofische geesteswetenschap een bovenzinnelijke werkelijkheid bedoeld. Deze kan door bovenzinnelijke waarneming worden waargenomen als een lichtgestalte, die het fysieke lichaam geheel doordringt en er naar grootte en vorm ongeveer mee samenvalt. De benaming ‘levenslichaam’ duidt er al op, dat het hier gaat om een krachtenstelsel waar door de fysieke materie van het menselijk lichaam zich niet uitsluitend gedraagt naar de wetten van de levenloze materie, maar naar de wetten van levende organismen.

Bij de mens veroorzaakt het etherlichaam onder meer dat de fysieke stoffen in het lichaam zich voegen naar de innerlijke sapstroming en bloedcirculatie, en naar de wetten van voortplanting en groei. Het etherlichaam draagt er zorg voor dat de uiterlijke vorm van de menselijke gestalte gedurende het leven bewaard blijft. Na het intreden van de dood, wanneer het etherlichaam zich van het fysieke lichaam losmaakt, gedraagt de fysieke substantie ervan zich opnieuw naar de wetten van de levenloze fysieke wereld. Een belangrijke eigenschap van het etherlichaam is het element van vormcontinuïteit, niet alleen met betrekking tot de uiterlijke gestalte, maar ook in innerlijk opzicht. Daarnaast wordt het etherlichaam gezien als een
wezensdeel dat de drager is van de lichamelijke vitaliteit en energie, en in verband hiermee als een basis voor de algehele constitutie en de gezondheid.

Ritme en welbehagen
Bij een dominantie van dit etherlichaam, dus in het geval van een overheersend flegmatisch temperament, gaat het om de situatie waarin dit stelsel van levenskrachten, beschikbare vitaliteit en lichamelijke energie de drie andere wezensdelen overheerst.
Een kenmerkend aspect van alle biologische lichamelijke levensprocessen is dat zij altijd een geheel eigen ritmisch verloop in de tijd vertonen, dat bovendien altijd vraagt om gerespecteerd te worden. Dat geldt voor de afwisseling van waken en slapen, voor een zekere regelmaat van de maaltijden, maar uiteraard ook voor de spontane dagelijks terugkerende behoefte aan een koffiepauze of van misschien de eerste sigaret bij het lezen van het ochtendblad.
Dit geheel eigen tijdsverloop van de verschillende levensprocessen is zo kenmerkend, dat een verstoring ervan, zoals bijvoorbeeld een versnelde ademhaling of hartslag, kan wijzen op koorts en een indicatie kan zijn voor een storing van de gezondheid zelf.

Voor het flegmatische temperament betekent dit een directe behoefte aan regelmaat, rust en een geordend, zo mogelijk zelfs routinematig leven en dagindeling. Het emotionele leven wordt daarbij vaak voor een niet onbelangrijk deel bepaald door gevoelens van welbehagen. Dit zijn immers de gevoelens die het dichtste grenzen aan het innerlijk beleven van de levensprocessen.
In eerste instantie gaat het daarbij om welbehagen, dat voortkomt of samenhangt met de eigen lichamelijke situatie, waarbij vooral de primaire levensbehoeften een belangrijke rol spelen. Voldoende rust, voedsel, drinken en een omgeving die niet storend werkt, zijn van veel belang. Maar bovendien is bij alle biologische levensprocessen een evenwichtige balans van het eigen organisme met de omgeving steeds een levensvoorwaarde. Voor het flegmatische temperament kan dan ook in het algemeen worden gezegd dat een zeker harmonisch evenwicht met de omgeving van veel betekenis is.

Psychische doofheid
Zoals het flegmatische temperament wordt veroorzaakt door een dominantie van het etherlichaam, vindt het cholerische temperament zijn oorzaak in een overheersende werking van het ik.

Het ik van de mens wordt in de antroposofie gezien als het wezensdeel, waardoor ieder zich van anderen onderscheidt, als de eigenlijke geestelijke wezenskern waarin de individualiteit zich zowel naar binnen als naar buiten kenbaar maakt.

Met het woord ik kan ieder alleen maar zich zelf en niemand anders bedoelen. Het is het eigenlijke centrum van de ziel, het centrale middelpunt van het innerlijk beleven, de innerlijke ervaringen, en van het zelfbewustzijn. Bij alle bewuste processen, zoals het gevoelsleven, het gewaarworden, het beleven van de wilskrachten en niet het minst bij het denken of bij het tot stand komen van oordelen over de wereld speelt het ik een centrale rol.
Wanneer nu, zoals bij het cholerische temperament, het ik dominant is en daardoor de overige wezensdelen min of meer overheerst, heeft dit bepaalde gevolgen voor de psychische constitutie en voor het temperament. Juist doordat het ik zo centraal staat, treed bij een dergelijke overheersing een sterk zelfbewustzijn op, wat gepaard gaat met een grote innerlijke zekerheid en een besliste en gevormde wilskracht.
De zekerheid in het eigen denken en in het beoordelen van allerlei situaties in het dagelijkse leven kan zo sterk worden, dat een bepaalde ongeïnteresseerdheid of zelfs minachting kan ontstaan voor de opvattingen en mening van anderen. Niet zelden treedt bij het cholerische temperament zelfs een zekere psychische doofheid op.
Bij eigenlijk alle vier de temperamenten zijn in de loop van de geschiedenis allerlei stereotiepe beelden ontstaan.
Van het cholerische temperament wordt in dit verband dikwijls gezegd dat het om mensen zou gaan die om de haverklap boos worden, gemakkelijk in onbeheerste uitbarstingen terecht komen, voortdurend met de vuist op tafel kunnen slaan en door het leven gaan als een vonkensproeiende pot Bengaals vuur.
Als regel is hiervan echter maar weinig te merken. Integendeel: juist door de dikwijls grote wilsbeheersing en door het feit dat meestal een goed ontwikkeld inzicht in het en waarom van allerlei situaties aanwezig is, treedt doorgaans een vrij grote uiterlijke rust op, samen met een zelfverzekerd besef van eigen kunnen, waardoor een adequaat, snel en zakelijk optreden mogelijk wordt, zonder onnodige emoties of uitbarstingen. Hierdoor ontstaan vaak uitgesproken leidinggevende capaciteiten, ook al omdat onder invloed van de ik-dominantie altijd sprake is van een gemotiveerde en energieke aanpak van zaken.
Werkelijk ‘goed kwaad’ worden kan wel optreden, maar als regel alleen wanneer de cholerische mens moeilijkheden ondervindt bij het tot uitdrukking brengen en realiseren van zijn eigen plannen en intenties, of wanneer hij daar op de een of andere manier in wordt gedwarsboomd.
Bijzonder opvallend is de samenhang van het ik tot de bloedcirculatie. Misschien geldt dit laatste wel voor alle temperamenten, maar in het geval van een dominantie van het ik treedt deze relatie altijd duidelijk op. Vooral in situaties waar een overheersend cholerisch iemand zijn wil tot uitdrukking wil brengen en daarbij moeilijkheden ondervindt, of misschien zelfs gedwarsboomd wordt, ontstaat er bewustzijn van de eigen bloedcirculatie. Meestal eerst in de ledematen, vooral handen en voeten, maar tegelijk met toenemende emoties en wilsgerichtheid wordt in toenemende mate het stromen, maar vooral ook het pulseren van het eigen bloed bemerkbaar wordt.
De relatie tot de bloedcirculatie is zo kenmerkend, dat deze in veel gevallen een zeer duidelijke indicatie vormt voor de aanwezigheid van een cholerisch temperament.

De combinatie van het feit, dat duidelijke en krachtige oordelen over mensen en situaties aanwezig zijn, met het gegeven dat een dominantie van het ik bijna altijd een rijkdom oplevert aan motieven en een wilskrachtige georiënteerdheid op de wereld, maakt het cholerische temperament lichtgeraakt, niet zelden snel aangebrand en op z’n minst ongemakkelijk of boos wanneer hindernissen opdoemen bij het ten uitvoer leggen van de gemaakte plannen, waarvan meestal een overvloed aanwezig is.

Soorten boosheid
Als illustratie voor de manier waarop de dominantie van het etherlichaam en van het ik zich kan uiten, wil ik proberen om op een kenmerkend verschil van het flegmatische en het cholerische temperament wat nader in gaan. Op het verschil namelijk in de wijze van boos worden, een interessant aspect van de tegenstelling tussen deze beide temperamenten.

Kenmerkend voor het flegmatische temperament is, zoals gezegd, onder meer de behoefte aan regelmaat, rust en een zeker harmonisch evenwicht met de omgeving. Wanneer eenmaal een evenwichtige verhouding tot de omgeving is gevonden, die in overeenstemming is met het eigen levensgevoel en die de gevoelens van welbehagen kan bevredigen, zullen gevoelens van boosheid niet snel de overhand nemen.
Het gevoelsleven, dat in dit geval dicht grenst aan het lichamelijk welbehagen en aan het ervaren van een kalme, evenwichtige situatie, is van nature weinig heftig, sterk wisselend of zelfs turbulent. Integendeel, wanneer geen verstoringen optreden in de eenmaal gevonden verhouding tot de omgeving, kan zelfs de neiging ontstaan tot een enigszins vegetatieve kalmte en innerlijke voldaanheid. Verstoringen in de toestand, die als innerlijk evenwichtig en bevredigend wordt ervaren, roepen, zoals begrijpelijk, vervolgens dan ook altijd zekere irritaties op.

Bij het flegmatische temperament vindt een eventuele boosheid of kwaadheid vrijwel altijd hierin zijn oorsprong. Vaak wordt in eerste instantie volstaan met een enkele opmerking met de bedoeling om er de aandacht op te vestigen, dat zo’n storing in dit bepaalde geval nu net slecht uitkomt en hinderlijk is. Dikwijls gebeurt dit in de verwachting dat met een en ander in het vervolg wel rekening zal worden gehouden.
Vervolgens, wanneer na enige tijd blijkt, dat dit weinig effect heeft, wordt het verzoek herhaald, vaak nog steeds rustig, zakelijk en met een zekere nuchtere objectiviteit. Een van de belangrijkste kenmerken van het flegmatische temperament is immers dat men niet makkelijk uit zijn evenwicht wordt gebracht.
Wanneer echter, meestal eerst na een betrekkelijk geruime tijd van afwachten, waarbij eventueel nog een aantal keren geprobeerd is de aandacht op de feitelijk hinderlijke gang van zaken te vestigen, geen verbetering optreedt, kan het gevoel van irritatie steeds krachtiger worden.

Zoals de meeste innerlijke processen bij het flegmatische temperament vraagt ook het proces van boos worden zijn eigen tijd, die onder omstandigheden gemakkelijk tot enige maanden kan oplopen. Pas als het gevoel van geïrriteerdheid, eventueel nog versterkt door andere hinderlijke verstoringen van het routinematige levenspatroon of van het geordende verloop van de werkzaamheden nog verder toeneemt, kan het op een gegeven moment tot een uitbarsting komen, die afhankelijk van de omstandigheden soms bijzonder hevig kan zijn. Bijna altijd treedt dit op wanneer de concrete aanleiding zich opnieuw voordoet. Voor anderen kan zo’n uitbarsting volledig onverwacht komen. Zij kennen de betrokkene immers veelal als iemand die eerder geneigd is tot een zeker ontspannen, weliswaar zakelijk, maar dikwijls zelfs vriendelijk overleg, dan als iemand die onophoudelijk tot de aanval over gaat.
Typerend voor het flegmatische temperament is dat dergelijke uitbarstingen vrij schaars zijn maar juist door de tegenstelling met het gangbare gedrag een vrij grote indruk achter kunnen laten en soms zelfs een vrij grote sociale afstand kunnen veroorzaken.
Het is opvallend hoe dikwijls iemand met een flegmatisch temperament op grond van de vaak explosieve manier van kwaad worden het etiket cholerisch opgeplakt krijgt. Niet zelden zijn flegmatici ook ten aanzien van zichzelf deze mening toegedaan. Daarom ook is het van betekenis niet alleen maar stil te blijven staan bij de constatering dat iemand in staat is om in de gegeven situatie behoorlijk boos te worden en op een misschien wat massieve manier voor z’n eigen belangen kan opkomen. Voor een onderzoek naar het aanwezige temperament is het echter vooral van belang om na te gaan, hoe dergelijk gedrag innerlijk wordt ervaren en met name waarin zo’n proces in feite zijn oorsprong heeft.

Bij een dominantie van het ik verloopt het gehele proces inderdaad geheel anders, vooral met betrekking tot het tijdsverloop, dat bijna steeds veel korter is. Zoals ik al heb aangeduid, is door de dominante werking van het ik het eigen oordeel over een situatie snel gevormd, en gaat dit ook gepaard met de zekerheid dat het eigen inzicht zonder meer juist is. Bovendien is blijkbaar dit inzicht voor de overige betrokkenen nog niet of althans onvoldoende aanwezig. Wanneer dit wel het geval zou zijn, zouden een aantal zaken immers niet steeds min of meer gebrekkig en ongeorganiseerd behoeven te verlopen. De behoefte om de noodzakelijke eigen bijdrage te leveren en het inzicht in de gebrekkige manier waarop andere mensen met elkaar omgaan, voert tot de behoefte om in de situatie in te grijpen, de dingen beter te organiseren en hierdoor een aantal moeilijkheden of problemen te voorkomen en uit de weg te ruimen.

De bron van boosheid bij een dominante werking van het ik komt zelden of nooit voort uit zulke gevoelens van geïrriteerdheid, die ik hierboven heb aangeduid, maar uit het feit dat de nagestreefde, en uiteraard als enig juist ervaren oplossing voor bestaande problemen blijkbaar door anderen niet wordt ingezien. Het is een boosheid die onmiddellijk kan opkomen wanneer de eigen inzet om in de situatie verandering te brengen niet wordt erkend, niet wordt gewaardeerd, of zelfs wordt tegengewerkt.

In tegenstelling tot het flegmatische temperament, waar boosheid dikwijls tot onbeweeglijkheid en tot blokkades voert, mondt deze bij het cholerische temperament bijna steeds uit in directe acties, die passen in een grotere strategie en in een direct, intuïtief beleven van de situatie als geheel. Ik heb al beschreven hoe het stromen van het bloed als een kenmerkend aspect daarbij zelfs lichamelijk als een vurige aandrang tot handelen kan worden ervaren.
In samenhang hiermee is het cholerische optreden meestal vervuld van een warm enthousiasme voor de eigen oplossingen en voor een beter functioneren van het geheel. Zelfs wanneer er uitgesproken tegenstanders aanwezig zijn, bij het cholerische temperament overigens geen zeldzaamheid, wordt dikwijls weliswaar gehandeld vanuit een zekere koele berekening, maar nooit zonder een positief bedoelde inzet voor de totaliteit. Zoals het ontstaan van de boosheid vanuit het ik abrupt kan plaatsvinden, gebonden aan bepaalde voorvallen of personen, zo kan ook de boosheid in zeer korte tijd overwonnen worden wanneer het doel is bereikt of wanneer belangrijker zaken de aandacht vragen.

En zoals bij het flegmatische temperament de neiging aanwezig is om zaken te vergeten, hoewel rancunegevoelens dikwijls een lang leven kunnen leiden, is in tegenstelling hiermee het cholerische temperament vaak geneigd te vergeven, echter zonder te vergeten.

Zoals ik al eerder gezegd heb is het in het kader van dit artikel niet mogelijk een enigszins volledige beschrijving van het cholerische en het flegmatische temperament te geven. Het leek mij ook belangrijker om een enkel facet wat zorgvuldiger te onderzoeken, dan een reeks globale kenmerken te geven waardoor alleen maar oppervlakkige oordelen mogelijk worden. Hierdoor zouden we immers in dezelfde situatie vervallen als de traditioneel overgeleverde temperamentenleer. De voor ieder temperament kenmerkende aspecten zijn hier zozeer los komen te staan van de oorspronkelijke Griekse concepties, zoals bijvoorbeeld de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur, dat ze door de opkomst van de moderne psychologie inderdaad terecht als abstract en onbruikbaar terzijde werden gesteld.

Al eerder heb ik daarom ook gezegd dat het bij de temperamentenleer naar mijn mening niet kan gaan om een min of meer abstracte indeling in hokjes en een beoordeling van onze medemensen op grond van een aantal abstracte categorieën. Daar komt nog bij dat in verreweg de meeste gevallen de temperamenten niet geïsoleerd voorkomen, maar vrijwel steeds in onderlinge combinatie. Het gaat in feite steeds om mengtypen en bijna nooit om gevallen waarin het ene of het andere temperament in een soort laboratoriumachtige zuivere vorm optreedt. Dat neemt echter niet weg, dat bij een poging tot zorgvuldige toepassing van de temperamentenleer zoals deze vanuit de antroposofische concepties zou kunnen worden vernieuwd, dikwijls opmerkelijk duidelijke en interessante inzichten kunnen ontstaan in de verschillende mensentypen.

Ik hoop dat deze artikelen, hoe beknopt en schetsmatig ze in menig opzicht ook zijn gebleven, een zekere bijdrage kunnen zijn aan een verdere uitbouw en ontwikkeling hiervan.

Dick Crum, Jonas 14, 2 maart 1984

.

deel [1]  en [2]  van deze reeks

menskunde en pedagogie: alle artikelen

 

1027

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.