Tagarchief: slapen dromen wakker

VRIJESCHOOL – Slaap

.

In de eerste voordracht van de ‘Algemene menskunde’ spreekt Steiner over de slaap van het kleinste kind. In vele andere voordrachten belicht hij de slaap steeds vanuit verschillende gezichtspunten. 
In onderstaand artikel komen we er daar een aantal van tegen.

WIJSHEID VAN DE NACHT

SLAPEN

Wanneer een mens slaap wordt onthouden, ontstaan er al snel verschijnselen van irritatie, stress en verlies aan wilskracht. Slaap hebben we nodig om beter tot besluiten te kunnen komen (ergens een nachtje over slapen); dromen voor het verwerken van emoties.

Maar wat is slaap eigenlijk, hoe komt het verschijnsel dromen tot stand, en wat gebeurt er wanneer we slaapmiddelen gebruiken? Jan Zee, arts, poogt in dit artikel antwoorden te vinden.

iK herinner me eens een lezing bijgewoond te hebben van Lubiensky, zo’n tien jaar geleden in Rotterdam. Het ging over mediteren. Ik zat achteraan en waagde het na afloop de vraag te stellen of mediteren enige zin heeft als men slaapmiddelen gebruikt. Ik voegde er aan toe dat boven de vijftig jaar een zeer hoog percentage van de mensen slaapmiddelen gebruikt. Het daar aanwezige, voornamelijk bejaarde, publiek draaide zich als door wespen gestoken met een ruk naar mij om. Deze enfant terrible-vraag houd ik nog altijd voor een juiste vraag. Mediteren kan men op velerlei wijzen. Maar uiteindelijk komt het neer op een stuk scholing ten behoeve van de innerlijke ontwikkelingsweg. Is de slaap daarbij dan zo belangrijk? Wel als je gaat beseffen hoe wezenlijk de geheimzinnige wereld van de slaap voor de mens is.

Wat verstaan we onder slapen? Een gezaghebbend onderzoeker op dit terrein I. Oswald geeft de volgende definitie:
‘De slaap is een terugkerende gezonde toestand van inertie en van niet reageren, die met verschillende fysiologische veranderingen gepaard gaat’.

Zoals zo vaak wordt ook hier geformuleerd wat iets niet is, zonder te zeggen wat het wél is. Vanuit de wetenschap is de slaap een gewenste onderbreking van het bewustzijn, en is de slapeloosheid een ongewenste vorm van bewust-blijven die men dient uit te schakelen. Het leven zelf echter lijkt ingewikkelder te zijn dan wat deze eenvoudige maar wel practische conceptie aangeeft. Zei al niet Sigmund Freud, die veel geschreven heeft over het slaap- en het droomleven, dat de slaap geen toestand is van coma maar een waarin de actieve geestelijke processen gedurende de nacht voortgang vinden?

Een zegswijze uit de fysiologie drukt het positiever uit: als u slaapt, waakt uw parasympaticus. Wie of wat is mijn parasympaticus? Ons onwillekeurige zenuwstelsel, het zogenaamde autonome zenuwstelsel, bestaat uit twee polaire werkingsvelden, het sympatische en het parasympatische. Beide werken in het onbewuste, in het onwillekeurige, dus in het gebied dat niet onder de invloed staat van onze bewuste wil. Dankzij het sympatische zenuwstelsel kunnen we een actief wakend leven leiden, het brengt de kat bijvoorbeeld in strijdfase (ook in de vluchtfase) zodat haar haren recht overeind gaan staan, de ogen wijd opengaan, de hartslag sneller gaat en de stofwisseling wordt geactiveerd. Het parasympatische systeem stelt mens en dier op onbewuste wijze in staat tot het tegenovergestelde: de ogen gaan dicht, de slaap overweldigt ons, de spieren raken ontspannen, er is sprake van een trage circulatie en stofwisseling. Alhoewel uiterlijk bezien het bewuste leven uitdooft, breidt zich onder de oppervlakte een wereld van activiteit uit over het onbewuste leven. Een fase van herstel, van wederopbouw gaat overheersen.

Met de slaap glijdt de mens terug in die wereld, die al bestond vóór dat er zelfs van een eerste waakbewustzijn sprake was, in een wereld die in feite een voortzetting is van het embryonale leven, waar geheimzinnige scheppingskrachten werkten aan het vóórtbrengen van de mensvorm. Diezelfde mensvorm wordt hersteld in iedere nacht. Is het niet een zinnige vraag: wie bouwt daar ons lichaam op?

Tempelslaap

Wat weten we uit eigen ervaring over de slaap? Behalve de verkwikking die we er lichamelijk in opdoen, weten we dat de slaap ook iets heel essentieels toevoegt aan de kwaliteit van ons zieleleven. Vooral bij de moeilijke beslissingen zeggen we ‘er een nachtje over te willen slapen’. De mens is na de slaap niet precies dezelfde als ervoor. Er is iets gebeurd. Er is overzicht ontstaan over de soms chaotische gebeurtenissen van de vorige dag. De mens is besluitvaster. Er is ordening ontstaan, bepaalde dingen zijn blijven hangen en als het ware gevoelsmatig uitgewerkt of tot hun recht gekomen. Nu kunnen we er iets mee doen. De hoeveelheid opgestapelde informatie van de vorige dag, die vooral de voorstellingskant van de ziel heeft aangesproken, heeft er door het slapen een dimensie bij gekregen. De wilskant wordt na de nacht toegevoegd aan de informatiekant van de ziel.

Gaandeweg wordt duidelijker dat de slaap iets te maken heeft met de wil. Op verborgen, maar voor wie er op let toch merkbare wijze, ordent deze geheimzinnige wil de informatiestroom van gisteren zodanig dat het wezenlijke uit het onwezenlijke naar voren wordt gehaald, en blijkbaar zodanig dat ons lichaam opgebouwd en hersteld wordt in overeenstemming met deze diepere wil in ons. Het zijn dezelfde krachten die in de embryologie scheppend plasticeerden aan de erfelijkheidssubstantie. Te denken is hier aan wat Dr. L.F.C. Mees schrijft in zijn enige tijd geleden* verschenen boek ‘Geneeskunde op de drempel’, hoe mensen in de oud-Egyptische tijd werden genezen door de zogenaamde tempelslaap. Onder de leiding van priesters-ingewijden werden mensen groepsgewijs in hun slaap hersteld van blijkbaar opgetreden vervormingen. In het spanningsveld van de behoudende erfelijkheidskrachten van het lichaam enerzijds en de krachten die de ontwikkeling naar morgen in het oog houden anderzijds, werden veranderingen teweeggebracht in overeenstemming met het door de goden geïnspireerde ontwikkelingsperspectief. Opmerkelijk hierbij is dat hulp werd geboden van buitenaf. In tegenstelling tot tegenwoordig, waar de hulp van binnenuit geboden wordt door middel van stoffen (bijvoorbeeld slaaptabletten), werd hier therapeutisch ingegrepen door de geest, en van buiten naar binnen. (Tegenwoordig worden de mensen niet groepsgewijs geholpen, maar zij krijgen wel bij duizenden hun slaaptabletten.) Deze ingewijden kenden nog de geheimen van de nacht en van de embryologie, waar scheppende krachten plasticerend en boetserend werkzaam zijn aan het substraat van de erfelijkheid.

Wie dit alles in zijn overwegingen kan betrekken, begint te beseffen dat de huis-tuin-en-keuken-opvatting over ons dagelijks bestaan onjuist is. De gewone opvatting is immers dat ons bestaan uit een continue film bestaat waarbij de ene dagervaring zich knoopt aan de volgende? Onze planning van gisteren loopt door in die van vandaag, en de oorzaak van wat er vandaag gebeurt wordt gezocht in gisteren. Zo is het echter niet helemaal. Ons bestaan wordt gevoed vanuit twee bronnen, en wordt in feite geënsceneerd door twee wezens.

De dagmens beleeft zijn middelpunt in zichzelf, in het lichaam. In feite is ’t het hoofd waar de mens tot het waakbewustzijn komt, voornamelijk levend in het voorstellingsmatige. De impulsator is het ego, in antroposofische terminologie het ‘lagere ik’ genoemd. Vanuit ons ego is het helemaal niet nodig om er een nachtje over geslapen te hebben alvorens iets te willen. Maar dit willen is en blijft een voortvloeisel van de voorstellingsmens. Het is een willen dat aansluit bij de werkelijkheid in zoverre men zich daar een bewuste voorstelling van kan maken. Of dit ook aansluit bij het eigen wezen zal nog moeten blijken.

De tweede bron van waaruit ons bestaan wordt bepaald is die van de nacht. Deze strekt zijn activiteit duidelijk uit over de onbewuste gebieden van de buik, maar het centrum ervan ligt niet in de buik maar erbuiten.
Rudolf Steiner spreekt hier van het ‘hogere ik’ of het ‘kosmische ik’, waarvan de werking zichtbaar wordt in de diepere wil die in ons leeft. Er is een voortdurende uitwisseling gaande tussen deze twee, in deze zin dat het lagere ik zijn centrum wel heeft in het hoofd en wakend zich beweegt in het zintuigelijke volbewuste leven, maar zijn werking ontplooit het in het lichaam van boven naar beneden, van het hoofd naar het wilsgebied. Terwijl dus de wakende mens onafgebroken handelt vanuit zijn voorstellingen, zit er dieper in de mens een kern, die deze onstuimige dadendrang op zijn merites beproeft. Deze hogere maar vanuit het onbewuste werkende mens breidt zijn invloed uit van beneden naar boven. Het kan dan voorkomen dat iemand na ‘rijp beraad’ terugkomt op zijn tevoren genomen beslissing omdat hij ‘bij nader inzien’ toch tot andere gedachten is gekomen. Dit inzicht ontstaat dan doordat de mens te rade is gegaan of bij anderen of bij ‘zichzelf’ (meestal door er een of meerdere nachtjes over te hebben geslapen). In ieder geval door niet in zich (dat wil zeggen in zijn eigen behoeftematige wereld) maar buiten zich te rade te gaan. Dit kan wel degelijk ook overdag gebeuren, want in feite slapen we niet alleen ’s nachts in bed, maar onder ons middenrif slapen we 24 uur van de dag, daar slapen we permanent.

denken     hoofd     waken     bewust

voelen       borst      dromen  onderbewust

willen        buik       slapen     onbewust

Alleen in het hoofd zijn we volledig wakker, en dan nog maar een deel van de dag. Daar komt nog bij dat wij gedurende de dag vermoeid raken van alle indrukken en bewustwordingprocessen. Wat de dagmens afbreekt moet door de nachtmens weer worden opgebouwd. Dit bevestigt opnieuw dat de nachtmens vanuit een veel hoger bewustzijn werkt – namelijk scheppend, synthetisch, echter in het onbewuste en vanuit de kosmos – dan de analytische dagmens vanuit zijn op zichzelf betrokken bewuste bestaan. Alhoewel wij als dagmens helemaal vastgebakken zitten aan ons kleine ikje, is het hoog bejubelde bewustzijn ervan toch niet meer dan het puntje van de ijsberg, en dat puntje is in zijn ontstaan en voortbestaan totaal afhankelijk van de wijsheid van de nacht.

Proef van Jouvet

Wat is er wetenschappelijk bekend over die wijsheid van de nacht? Gegevens hierover blijken in belangrijke mate verkregen te zijn met behulp van het zogenaamde EEG, het Electro-Encefalo-Gram. Hiermee worden de elektrische potentiaalverschillen van de hersenen gemeten, via op de schedelhuid geplaatste kleefelektroden (ca. 20). Afleidingen hiervan gaan naar een registratieapparaat en het signaal wordt door een serie pennen op bewegend papier geschreven. Doordat verbindingen tussen de elektroden automatisch gevarieerd kunnen worden, kan vrijwel ieder gedeelte van de schedel worden onderzocht.
Door het EEG af te nemen van vele gezonde slapende proefpersonen heeft men het gebeuren in de slaap – voor zover elektrisch meetbaar – in kaart kunnen brengen. (Het is overigens typerend voor de materialistische visie dat de wetenschappers op de geheimen, die bij uitstek in de buik hun domicilie hebben, trachten te ontraadselen door metingen uitsluitend aan het hoofd te verrichten.) Het typische is nu dat er twee soorten slaap blijken te zijn, ieder met een eigen kenmerkend EEG-patroon.
1. De diepe slaap, of corticale slaap, naar Dement en Kleitman ingedeeld in vier stadia of slaapdieptes, die elkaar onregelmatig afwisselen.
2. De zogenaamde REM-slaap, of paradoxale slaap. REM betekent: Rapid Eye Movements, snelle oogbewegingen, die gedurende het slapen optreden. De gewone (diepe) slaap wordt vier à vijf keer per nacht abrupt onderbroken door de REM-slaap, dat wil zeggen door een droom. Wekt men de proefpersoon tijdens de REM-slaap dan blijkt hij vrijwel altijd in staat te zijn om zijn droomherinneringsbeelden duidelijk te reproduceren. Overigens kunt u de verschijnselen het beste observeren bij uw hond. Behalve dat de oogbollen, heen en weer draaien, kan men soms waarnemen aan de poten dat het dier in zijn droom in volle actie is. Soms worden er zelfs jankende geluiden bij geproduceerd.

Zo’n REM-periode heeft een met de waaktoestand overeenkomende EEG-activiteit, Kenmerkend is verder de sterke spieron-spanning (ongedacht) en een zeer geringe wekbaarheid (ook ongedacht). Ongeveer 60 tot 90 minuten na het inslapen bij de mens treedt dit REM-slaappatroon voor het eerst op. Zulke perioden herhalen zich ritmisch om het uur ongeveer, en gaan dan ook steeds langer duren. Is de eerste REM-periode relatief kort (5 tot 15 minuten), de laatste kan, tegen het ontwaken, wel 30 tot 50 minuten duren (de zogenaamde ‘ontwaakdroom’, waarvan men zich soms nog een deel kan herinneren).

Parallel daarmee wordt de corticale slaap steeds minder diep (zie figuur).

Bij de volwassene wordt ca. 25 procent van de slaap ingenomen door het dromen, ca. 75 procent door de diepe slaap. De baby droomt veel meer, ca. 60 à 70 procent. Waarom wordt de REM-slaap een paradoxale slaap genoemd? Omdat zoals is vermeld, een proefpersoon zeer moeilijk te wekken is. Iemand in slaapstadium IV is makkelijker te wekken dan in de droomperiode, terwijl naar de activiteit op het EEG te oordelen zo iemand dan bijna wakker lijkt te zijn. Een andere merkwaardigheid is dat zelfs in stadium IV er nog van enige spiertonus sprake is. Ook in de diepste slaap kan een dier zich reflectoir in evenwicht houden. Dit maakt dat een slapende vogel bijvoorbeeld niet van zijn tak afvalt! Bij de REM-slaap echter is die spierspanning weg, terwijl toch de hond in zijn droom ligt te trekkebekken.

Het paradoxale element van de REM-slaap blijkt nergens beter uit dan uit de proef van Jouvet. Deze onderzoeker hield zich bezig met REM-deprivatieproeven bij katten. Op buitengewoon slimme wijze wist Jouvet zijn katten te beroven van hun dromen. In de proefopstelling van Jouvet slaapt de kat op een piepklein vlotje op het water, verbonden met een EEG-apparaat. Ook diep in slaap slaagt de kat er in zich daarop in evenwicht te houden. Zodra zijn slaap echter overgaat in de REM-fase dan verliest hij dit onbewust in stand gehouden evenwicht en dreigt hij in het water te tuimelen. Op die manier bezorgde Jouvet zijn katten een niet al te rustige maar wel 100 procent droomloze slaap.

Uit dit soort proeven blijkt dan dat de REM-slaap onmisbaar is. Berooft men de mens van zijn dromen (door hem steeds te wekken als het zover is), dan blijkt dat getracht wordt het tekort in te halen door een groter percentage van de nacht te dromen. Tegelijk gaat dit gepaard met een negatieve kleuring van de droominhoud dat wil zeggen dat die door de proefpersoon bewust wordt ervaren als tevéél dromen, angstdromen, gevoel van beklemming en nachtmerries. Van alcohol en slaaptabletten is het bekend dat zij de REM-slaap kunnen onderdrukken. Bij staken van deze middelen blijkt dan een REM-schuld te zijn ontstaan die wordt teruggevorderd, het zogenaamde ‘rebound-fenomeen’ (onrustige slaap, angstige droominhoud). Te denken is hier aan het slaapmiddel Halcion, dat onlangs* nog verboden werd door de suïcidale depressies die er door bleken te ontstaan. Langdurige deprivatie brengt de proefpersoon in een psychose, die dikwijls een paranoïde kant opgaat.

Ook deprivatie van de slaap toont aan dat bij het inhalen van de slaap een groter gedeelte in de slaapstadia III en IV wordt doorgebracht. (Tevens wordt de REM-achterstand ingehaald.) De gevolgen van de slaapdeprivatie zijn in grote trekken gelijk aan de stadia ten gevolge van stress: er is eerst een alarmstadium, dan een van weerstand, ten slotte een van uitputting. Er ontstaan bij gezonde proefpersonen verschijnselen van irritatie op de derde dag. Na circa zeven dagen volgt een totale ineenstorting. Interessant (tussen aanhalingstekens) zijn de verschijnselen van hypothermie (dalen van de lichaamstemperatuur) en het toenemend gaan falen van de wilsorganen: gevoel van zwaarte en slapte in de ledematen en gevoel van droogte in alle gewrichten. Ten slotte kunnen de proefpersonen niet meer zonder ondersteuning lopen, en zelfs niet meer praten.

Opbouw

Hoe kunnen we dit alles interpreteren? En biedt de antroposofie hierop nieuwe gezichtspunten? Ook wetenschappelijk is het bekend dat de droom een belangrijk aandeel levert in het verwerken van emoties. Wat is de droom eigenlijk, hoe komt dat verschijnsel tot stand? Mees zegt heel raak in zijn eerder genoemde boek: ‘Wat is slapen? In slaap vallen betekent: eruit gaan; wakker worden betekent: er weer in komen’. Maar hoe gaat dat erin komen en op welke manier?

Het lichaam dat achter gelaten wordt is een tweeledigheid. Het fysieke lichaam bestaat uit een samenstel van stoffen die met elkaar vorm geven aan het menselijk lichaam. Toch kan de mensvorm onmogelijk voortkomen uit de stof. Want het stoffelijk lichaam valt, zodra het aan zichzelf wordt overgelaten, zoals bij de dood gebeurt, uit elkaar. Er moet dus iets zijn dat gedurende het leven voortdurend strijd levert tegen dit uit elkaar vallen. Dat, wat voortdurend strijd levert tegen de ontbinding, is, naar Rudolf Steiner, het etherlichaam. Het is een zelfstandig en samenhangend krachtensysteem, een ‘lichaam’, echter niet zichtbaar. Zichtbaar zijn de resultaten van de uitwerkingen van het etherlichaam, de levensverrichtingen, de instandhouding van de mensvorm, de opbouwprocessen, de groei etcetera. De bron van het leven zelf blijft echter voor onze ogen onzichtbaar.

Wanneer de mens, die in de nacht dit tweeledige lichaam heeft verlaten, zich opnieuw hiermee verbindt, dan kan dat op twee manieren. Hij kan zich direct met het fysieke lichaam verbinden; hij wordt dan wakker, doordat het fysieke lichaam de spiegel wordt voor het dagelijkse voorwerpsbewustzijn. Het kan ook zijn dat de mens zich indirect verbindt, namelijk alleen met de levensprocessen. Als gevolg hiervan droomt de mens. De levensprocessen spiegelen de mens een meer of minder vaag of verward beeldbewustzijn terug, dat in groot contrast staat met het duidelijke en gecontoureerde voorwerpsbewustzijn tijdens het waken.

Dromen en waken is het resultaat van de activiteit van het lagere ik. Weliswaar verlaat de mens die gaat slapen het levende lichaam om dit te laten herstellen in hoger-menselijke zin, maar blijkbaar is het nodig het contact op ritmische en indirecte wijze gedurende de nacht voort te zetten. Alleen tijdens de diepe slaap is het lichaam geheel bevrijd van de aanwezigheid van het lagere ik, en het is dan geheel aan de invloed van het kosmische ik onderhevig. Alles staat nu in het teken van de opbouw. De lever, in de buik, staat in het midden van de nacht op zijn hoogtepunt. De hersenen, in het hoofd, staan dan daarentegen functioneel op hun dieptepunt.

De geheimzinnige krachten van de nacht zijn het ook die verantwoordelijk zijn voor de onbewuste spiertonus, die de kat in de proef van Jouvet zelfs in diepste slaap op zijn vlotje in evenwicht hield (we moeten aannemen dat de diepe slaap bij het dier op een andere manier wordt geimpulseerd als bij de mens). Hoe moeten we verklaren dat dit evenwichtsgevoel door de REM-slaap op paradoxale wijze wordt onderbroken? Het doet mij denken aan het verbroken radio-contact met de space-shuttle zodra die de dampkring binnen komt vliegen. Het dromen is inderdaad een paradoxale toestand, waarbij de diepe slaap niet meer – en het lager ik nog niet – de zaak onder controle heeft.

Het lijkt erop dat we in zijn algemeenheid kunnen stellen dat het EEG-patroon van de diepe slaap verband houdt met de opbouw van het lichaam (in de zin van vermenselijking) en dat het EEG-patroon van de REM-slaap verband houdt met de psyche (in individuele zin), verband houdt met de verwerking van emoties, van indrukken, en van alles wat de psyche bezighoudt.

Schipbreuk

Keren we terug naar de eerste vraag. Is de slaap zo belangrijk voor het mediteren? Het lagere ik voert tot hyper-individualisatie. Vanuit het ego is ieder van ons louter en alleen betrokken op het eigen middelpuntje. Hetgeen per definitie betekent dat we van die kant uit niet of nauwelijks echte betrokkenheid hebben ten opzichte van de wereld en de ander. En wat wil mediteren ten behoeve van de innerlijke ontwikkeling anders inhouden dan een poging zich als mens te vermenselijken, in plaats van te hyper-individualiseren? In hoeverre staan slaaptabletten ons daarbij in de weg? Slaapstoornissen worden voor ca. 80 procent veroorzaakt door onverwerkte emoties (in de andere gevallen wordt slapeloosheid veroorzaakt door lichamelijke hinder, bijvoorbeeld pijn. Een pijntablet is dan in ieder geval nog een betere oplossing dan een slaaptablet). Ieder slaaptablet werkt zo dat het de centra van het centrale zenuwstelsel voldoende verdooft voor de niet aflatende prikkels vanuit het emotionele leven. Het werkt dus als een verdovingsmiddel. De effecten hiervan worden vooral bij langduriger gebruik zichtbaar. Behalve de begrijpelijke dingen zoals sufheid overdag, voorwerpen uit de handen laten vallen, het grotere gevaar van valneigingen bij bejaarden, treden de volgende verschijnselen op: geheugenzwakte, gebrek aan creativiteit, geen raad weten met emoties, fantasieverlies, niet kunnen mediteren, stagnerende innerlijke ontwikkeling.

Dit alles wijst erop dat de vruchtbare uitwisseling van het lagere ik via de nacht met het eigen wezen schipbreuk gaat lijden. De vruchtbare uitwerkingen van de nacht, zoals het verkrijgen van overzicht, de sterking van het onderscheidings- en oordeelsvermogen ten opzichte van de veelheid van informatie van gisteren, al dit soort zaken blijven uit ten gevolge van veelvuldig slaapmiddelengebruik. Door het verlies van de aansluiting op de toekomst beginnen gaandeweg de hogere menselijke functies af te nemen, terwijl de opbouw en het herstel van het menselijk lichaam voortgang vindt, echter in het spoor van het lagere ik. Dit is precies het omgekeerde van wat ieder mens diep in zijn hart werkelijk zal willen.

Jan Zee, arts, Jonas 1, *02-09-1983

.

Algemene menskunde: over slaap van het kleinste kind

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1440

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-7-2/6)

.

Enkele gedachten bij blz. 23/24 in de vertaling van 1993

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

In een vorige artikel dat beschouwd kan worden als een inleiding op wat hier volgt, werd erop gewezen dat ‘schematiseren’ eigenlijk niet kan; en dat het willen verklaren en definiëren steeds weer het gevaar in zich draagt de werkelijkheid tekort te doen.
En toch kunnen we, wanneer we niet het helderziende vermogen hebben zoals Steiner kennelijk had, niet zonder een zoektocht met ‘het gezonde verstand’. Daartoe is dit een poging.

Op blz. 24 is sprake van de ‘bewustzijnsziel.’ Wat valt daar o.a. over te zeggen:

BEWUSTZIJNSZIEL

Eerst nog even terug naar de verstands-gemoedsziel:

Toen ik bij de bakker een ogenblik in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en we nemen een besluit: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.
Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen. Ze worden gevoeld, ervaren met de gewaarwordingsziel.

We onderscheiden deze gevoelens als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed – onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv-programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit, spreken we vanuit ons gevoel. Naarmate we bozer zijn, wordt onze stem scherper, harder, consonantischer; de andere kant is een warme, rustige, kalme stem, waarin juist het vocale overheerst.

De sympahtie en antipathie op het weiland: de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat niet afhankelijk is van mijn smaak en of ik het mooi of lelijk, fijn of niet fijn vind, graag mag of verafschuw enz. Dat wordt bij de beschouwing van de mens geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest in ons op. Als essentie betekent dat het waar is, neem ik dus de waarheid in me op.
Wie zegt mij echter, dat het waar is. En wie het zegt. zegt die ook de waarheid of is het uiteindelijk toch alleen zíjn waarheid of die van een grote groep. ‘De waarheid in pacht hebben’ klinkt niet zo positief. We laten hem liever in het midden liggen.
Velen streven er naar ‘de waarheid’ te vinden, die te benaderen op z’n minst. En daarbij blijkt altijd, dat hoe meer je het eigen gevoel, het eigen (voor)oordeel terughoudt, het ‘andere’ meer kans krijgt zich te laten zien, heel deftig: ‘zich te openbaren’.
Wel een mooi woord, overigens. Er moet iets ‘open’ gaan en worden geboren.
We ervaren daarbij ook sterk dat de ‘wereld van de waarheid’ zo openligt, dat we over ‘grenzenloos’ spreken.

Er is ook de wereld van de idee(ën). Steiner geeft hier een mooi voorbeeld over ‘de’ driehoek. De idee driehoek die je je denkend! voor kan stellen, je denkt hem uiteindelijk na. Interessant is dan natuurlijk om door te filosoferen over de vraag wie of wat deze idee dan als eerste gedacht heeft, zoals we bijv. Einsteins theoretische ideeën kunnen nadenken (als we daartoe intelligent genoeg zijn!).
Maar we zullen er snel genoeg achterkomen dat er vele ideeën zijn die niet terug te voeren zijn op mensen die ze als eerste gedacht hebben. Wie of wat is dan de ontwerper van deze ideeën.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest – de wereld van het ware, de wereld van de ideeën, Steiner noemt er ook de wereld van het goede bij –  te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden met het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen. Als verstands – gemoedsziel pendel ik daar tussenin.

Hoewel Steiner in deze voordracht nog niet spreekt over ‘slapen, dromen, wakker’ i.v.m. lichaam, ziel, geest, kun je hier al iets gaan vermoeden van wat hij daarmee bedoelt.
In ons vitale leven, bijv. in onze stofwisseling, weten we niet wat er gebeurt. Voor ons bewustzijn eigenlijk helemaal ontoegankelijk. We krijgen er pas ‘weet’ van, als er iets mis is en de pijnsignalen ons waarschuwingen. Maar dan nog weten we lang niet altijd wat er dan mis is, of gebeurt of niet gebeurt. Heel vreemd eigenlijk: je hebt het allemaal heel dicht bij je en toch tast je volledig in het duister.
Vanuit het standpunt van bewustzijn bekeken, slaap je hier dus.
In het voelen van de verstands – gemoedsziel is ook nog niet die helderheid dat we precies weten waar bepaalde gevoelens vandaan komen of ontstaan. We weten wel dat ‘we daar nou net niet tegen kunnen’; of dat ‘we daar altijd heel blij van worden’. We kunnen een beginnende antipathie voelen aanwakkeren tot boosheid enz.
Je zou hier van een meer dromend bewustzijn mogen spreken.

Pas in het denken worden we echt wakker. Als we met onze gedachten licht hebben gebracht over of in een zaak, tasten we niet meer in het duister. Om te kunnen denken moeten we (er) wakker (bij) zijn.

we zijn:
slapend voor wat betreft ons bewustzijn voor ons fysiek-vitale leven
dromend voor wat betreft ons bewustzijn voor het komen en gaan van onze gevoelens tussen antipathie en sympathie
wakker bij het heldere denken

Ook ligt hier een kiem voor het begrijpen van wat vrijheid en onvrijheid, gebondenheid is.

Het fysiek-vitale leven dwingt ons de vitaliteit in stand te houden: we moeten eten, drinken, slapen, ons voortplanten e.d. We hebben geen keus als we willen doorleven. We worden gedwongen. We moeten, zoals een dier doet wat het moet!

Ons fysiek-vitale dwingt ons niet de waarheid te zoeken. Als we dat doen, doen we het zelf. We kunnen het ook nalaten. Er is geen dwang of drift. Er kan wel ‘geest’drift zijn! Je sterke verlangen de waarheid te leren kennen; je open te stellen voor de geest. Dit openstellen voor de geest is een vrije keus.

Het ‘instrument’ waarmee je je tot ‘de geest’ richt, is je bewustzijnsziel.

Natuurlijk is al allang de vraag opgekomen: waar ben Ik(zelf). Daarover wordt iets gezegd bij ‘geestzelf’ (nog niet oproepbaar).

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[
2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven
.

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

.

1332

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.