Categorie archief: mineralogie

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie – karbonkel, granaat

.

Karbonkel

Ex. 28:17
Hebreeuws: nofech
Grieks: antrax

Hardheid: 6,5 a 8
Chemie: Mg,(Al2Be4)2

Deze steen werd in de middeleeuwen carbunkulus genoemd, dat betekent in het Latijn: kleine kool. Dit komt door zijn diep-gloeiend rood. Tegenwoordig is de naam almandijn of almandiet.
De stenen zijn fraai wanneer ze doorzichtig zijn.

In de Statenvertaling is de derde steen van Aarons borstschild een karbonkel en de vierde een smaragd. Bij de Elberfelder Bibel is dit omgekeerd, dus de vierde een karbonkel.
De vertaling van de namen der edelstenen heeft verschillende moeilijkheden opgeleverd.
Toch hebben de Israëlieten destijds goed begrepen, welke stenen God bedoelde, toen Hij aan Mozes de opdracht gaf, het borstschild te maken.
In later eeuwen ontstond verwarring doordat in de loop van de tijd veel edelsteennamen veranderd zijn. Vroeger meende men dat de kleur bepalend is voor een steen en dat bijv. alle groene stenen smaragd heten en alle gele stenen topazen zijn, maar dat klopt niet: de meeste stenen worden in verschillende kleuren aangetroffen. Voor de naam van een edelsteen is namelijk niet de kleur bepalend, maar de chemische elementen waaruit hij bestaat.

We kunnen immers ook niet zeggen: rode bloemen zijn rozen!

Door moderne instrumenten heeft men tegenwoordig vaste regels voor de naamgeving op kunnen stellen.

 

Granaat.
Dit is een groep van mineralen. In het spraakgebruik verstaat men onder granaat de rode karbonkel, nu almandiet genoemd.

.

Mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

Rudolf Steiner over mineralogie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over mineralogie

.

Voor zover ik weet is de vrijeschool nog steeds de enige school waarop leerlingen in klas 6 – groep 8 – 3 à 4 weken intensief bezig zijn met gesteenten en mineralen. De mineralogieperiode is in een bepaald opzicht de derde van de reeks zaakvakken: dierkunde in klas 4, plantkunde in klas 5, mineralogie in klas 6, nog gevolgd door menskunde/voedingsleer en sterrenkunde in klas 7 (1e klas middelbare vrijeschool).
In de loop van de jaren zijn er door vele leerkrachten allerlei gezichtspunten uitgewerkt tot bruikbare leerstof.

Steiner heeft er in de pedagogische voordrachten (GA 293-311) wel opmerkingen over gemaakt, maar niet bijzonder veel.

Die volgen hier:
GA 294: samen met aardrijkskunde; na het 9e jr
GA 307: mineralogie na dier- en plantkunde; mineralogie werkt op intellect
GA 311: causaliteit na het 12e jr.; schets van ontwikkeling 7 – 14 jr. i.v.m. hoe van fantasievol naar zakelijk; intellect.

GA 294

Und wenn ich Ihnen auch gesagt habe, daß der Mineralogieunterricht erst auf der dritten Stufe, so um das 12. Jahr herum auftritt, so kann doch beschreibend, anschauend auch das Mineral schon auf der früheren Unterstufe etwas in das Geographische verflochten werden.

En ook al heb ik u gezegd dat mineralogie pas in de derde fase, zo rond het twaalfde jaar, gegeven kan worden, toch kunnen de mineralen al in de fase daarvoor, op een beschrijvende en aanschouwelijke manier, enigszins met het aardrijkskundeonderwijs verweven worden.
GA 294/150
vertaald/152

Steiner was een groot voorstander van het met elkaar in verband brengen van de verschillende zaakvakken. Mineralogie lijkt hier een onderdeel van het aardrijkskundeonderwijs. Dit vak vond hij bijzonder belangrijk:

Geographie kann wirklich ein großes Geleis sein, in das alles einmündet, aus dem wiederum manches hervorgeholt wird. Sie haben zum Beispiel in der Geographie dem Kinde gezeigt, wie sich das Kalkgebirge unterscheidet von dem Ur­gebirge. Sie zeigen dem Kinde die Bestandteile des Urgebirges, Granit oder Gneis. Sie machen es darauf aufmerksam, wie da verschiedene Mineralien drin sind, wie das eine herausglitzert als Glitzerndes, dann zeigen Sie ihm den Glimmer daneben und sagen, daß das, was da drin sitzt, Glimmer ist. Und dann zeigen Sie ihm, was noch alles im Granit oder im Gneis drinnen ist. Und dann zeigen Sie ihm Quarz und ver­suchen, das Mineralische aus dem Gesteinmäßigen herauszuentwickeln. Gerade da können Sie wiederum viel leisten mit Bezug auf das Ver­ständnis für das Zusammengegliederte, das sich dann in seine einzelnen Teile gliedert. Es ist viel nützlicher, wenn Sie dem Kinde zuerst Granit und Gneis beibringen, und dann die Mineralien, aus denen Granit und Gneis besteht, als wenn Sie zuerst dem Kinde beibringen: das ist Gra­nit, der besteht aus Quarz, Glimmer, Feldspat und so weiter und dann erst zeigen, daß das im Granit oder Gneis vereinigt ist. Gerade bei dem Mineralogieunterricht können Sie von dem Ganzen ins einzelne, von der Gebirgsbildung in die Mineralogie hineingehen. Das ist schon nütz­lich für das Kind. (  )Gerade bei dem Mineralogieunterricht können Sie von dem Ganzen ins einzelne, von der Gebirgsbildung in die Mineralogie hineingehen.

Aardrijkskunde kan werkelijk een groot spoor zijn waarin alles uitmondt en waaruit ook weer veel geput kan worden.
U hebt de kinderen in de aardrijkskundeles bijvoorbeeld verteld over het verschil tussen kalkgebergte en oergebergte. U laat ze de bestanddelen van het oergebergte zien: graniet of gneis. U vertelt dat er verschillende mineralen in zitten, waarvan er één glinsterend in het oog springt. Dan houdt u er een stuk glimmer naast en vertelt u dat wat daar in het graniet zit glimmer is. En dan laat u zien wat er verder nog allemaal in graniet of in gneis te vinden is. U laat kwarts zien en u probeert de mineralen af te leiden uit bet gesteente. Juist op dit gebied kunt u weer veel doen om begrip te wekken voor het samengestelde, dat zich vervolgens in afzonderlijke delen differentieert. Het is veel nuttiger eerst graniet en gneis te behandelen en dan de mineralen waaruit ze bestaan, dan direct tegen de kinderen te zeggen: ‘Dat is graniet, en het bestaat uit kwarts, glimmer, veldspaat’ enzovoort en dan pas te laten zien dat dat allemaal in graniet of gneis verenigd is. Juist bij de mineralogie kunt u van het geheel naar de delen gaan, van de vorming van gebergten naar de mineralogie. Dat is zeker nuttig voor het kind. (  ) Bij het minerale rijk geeft de natuur zelf ons vaak het geheel en wij kunnen naar de delen gaan.

Dann aber soll man gerade – wiederum den mineralischen Unter­richt mit dem Geographieunterricht verknüpfend – nicht versäumen, über die Anwendung desjenigen zu sprechen, was wir wirtschaftlich in der Natur finden. Da knüpfen wir an die Besprechung, die wir über das Steingefüge der Gebirge bekommen, alles dasjenige an, was, wie die Kohle, in seiner Verwendung auch mit der Industrie zu tun hat. Wir schildern es zunächst auf einfache Weise für das Kind, aber wir knüp­fen es schildernd an die Besprechung des Gebirges an.

Dan moeten we ook hier weer niet nalaten het mineralogieonderwijs met aardrijkskunde te verbinden en te vertellen over de winning en het gebruik van wat we in de natuur vinden. We behandelen de opbouw van de gesteenten in de bergen en in aansluiting daarop de toepassingsmogelijkheden in de industrie, bijvoorbeeld van steenkool. We schetsen het om te beginnen heel eenvoudig, maar we laten het aansluiten bij de bespreking van het gebergte.
GA 294/159-160
vertaald/160-161

Aber wenn wir mit dem 9. Jahr beginnen, so wie wir darauf hingewiesen haben, Naturgeschichte zu unterrichten, so stoßen wir immerhin noch auf viel verwandtes, instinktives Empfinden beim Kinde. Später reift dieses Instinktive auch für das Empfinden der Verwandtschaft mit der Pflan­zenwelt. Daher zuerst Naturgeschichte des Tierreiches, dann Natur­geschichte des Pflanzenreiches. Die Mineralien lassen wir uns eben bis zuletzt übrig, weil zu ihnen fast nur Urteilskraft notwendig ist, und diese appelliert nicht an irgend etwas, wodurch der Mensch verwandt ist mit der Außenwelt. Der Mensch ist ja auch nicht mit dem Mineralreich verwandt. Er muß es ja vor allen Dingen auflösen, wie ich es Ihnen gezeigt habe. Selbst das Salz duldet der Mensch nicht unaufgelöst in sich; sobald er es aufnimmt, muß er es auflösen.

Maar beginnen we op het negende jaar met biologielessen zoals we hebben aangegeven, dan stuiten we toch nog op veel verwante instinctieve gevoelens bij de kinderen. Later rijpt dit instinctieve gevoel ook voor het beleven van verwantschap met de plantenwereld. Daarom eerst biologie van het dierenrijk, dan biologie van het plantenrijk. De mineralen bewaren we voor het allerlaatst, want die te begrijpen vergt bijna alleen oordeelsvermogen, en dat oordeelsvermogen appelleert niet aan iets waardoor de mens verwant is met de buitenwereld. De mens is immers ook niet verwant met het minerale rijk. Hij moet het immers in de eerste plaats oplossen, zoals ik u heb laten zien.* Zelfs zout kan de mens niet onopgelost verdragen; zodra hij het opneemt moet hij het oplossen.
GA 294/190
vertaald/191
*In ‘Algemene menskunde’ vdr.4

GA 307

Nun kommt dasjenige Lebensalter, bei dem eigentlich das Kind erst das betrachten darf, was in der Welt draußen geschieht, ohne daß es mit dem Menschen etwas zu tun hat. Daher beginnt erst zwischen dem elften und zwölften Jahre die Möglichkeit, das Mineralische, das Gesteinsmäßige im Unterricht zu lehren. Wer vorher das Gesteinsmäßige, das Mineralische anders dem Kinde beibringt, als insofern es sich anlehnt an das Pflanzliche, das aus der Erde, also aus dem Gestein herauswächst, der verdirbt ganz und gar die innere Beweglichkeit des kindlichen Seelenlebens. Was kein Verhältnis zum Menschen hat, das ist mineralisch. Mit dem sollen wir erst beginnen, nachdem das Kind selber sich in die Welt dadurch ordentlich eingelebt hat, daß es dasjenige, was ihm nähersteht, das Pflanzliche und das Tierische, in sein Vorstellen und namentlich in sein Fühlen und auch durch die Tierkunde in sein Wollen aufgenommen hat.

Nu komt die leeftijd waarbij eigenlijk het kind pas datge­ne mag waarnemen wat in de wereld buiten hem gebeurt zonder dat het met de mens iets te maken heeft. Daarom begint pas tussen het elfde en twaalfde levensjaar de moge­lijkheid het minerale, het gesteenteachtige in het onderwijs te doceren. Wie daarvoor het kind het gesteenteachtige, het minerale anders bijbrengt dan voor zover het aansluit bij het plantaardige dat uit de aarde groeit, dus uit het gesteente, die bederft helemaal de innerlijke beweeglijkheid van het zieleleven van het kind. Wat geen verhouding heeft tot de mens, dat is mineraal. Daarmee moeten we pas beginnen nadat het kind zelf zich in de wereld goed heeft ingeleefd doordat het datgene dat dichter bij hem staat – het plantaardige en het dierlijke – in zijn voorstellen en met name in zijn voelen en ook door de dierkunde in zijn willen heeft opgenomen.
GA 307/194
Vertaald/247

Wir sollten das Kind erst mit dem siebenten Lebensjahre, mit dem Zahnwechsel, in die Schule bekommen, vorher gehört das Kind eigentlich nicht in die Schule. Müssen wir es vorher hereinnehmen, so müssen wir natürlich allerlei Kompromisse schließen. Aber ich will hier das Prinzipielle erklären. Wenn wir das Kind in die Schule hereinbekommen, dann erteilen wir den Unterricht so, daß das Kind noch nicht die Unterscheidungen macht zwischen sich und der Welt. Wenn das Kind das charakterisierte Lebensalter zwischen dem neunten und zehnten Jahr erreicht, führen wir es zu demjenigen, was zum Verstand, aber zum beweglichen, zum lebendigen Verstand gehört: Pflanzen- kunde; was zur Stärkung des Willens führt: Tierkunde. Mit dem eigentlichen mineralischen Unterricht, mit dem Unterricht in Physik und Chemie können wir nur auf den Intellekt wirken.

We moeten het kind pas met het zevende levensjaar, bij de tandenwisseling, op school krijgen; voor die tijd hoort het kind eigenlijk niet op school. Moeten we het voor die tijd opnemen, dan moeten we natuurlijk allerlei compromissen sluiten. Maar ik wil hier het principiële verklaren. Wanneer we het kind op school krijgen, dan geven we het onderwijs zo dat het kind nog geen onderscheid maakt tus­sen zichzelf en de wereld. Wanneer het kind de gekarakteri­seerde leeftijd tussen het negende en tiende jaar bereikt, voe­ren we hem tot datgene wat tot het verstand, maar tot het beweeglijke, tot het levendige verstand hoort: plantkunde; wat tot het versterken van de wil leidt: dierkunde. Met het eigenlijke onderwijs van het minerale, met het onderwijs in natuurkunde en scheikunde kunnen we alleen op het intellect inwerken.
GA 307/195
Vertaald/248

Wenn man Mineralien begreifen will, kann man das nach Ursache und Wirkung. Physikalisches läßt sich so begreifen.

Als je mineralen wilt begrijpen, kun je dat volgens oor­zaak en gevolg. Het fysische laat zich zo begrijpen.
GA 307/224
Vertaald/281

GA 311

Denn bedenken Sie nur, wie man sich heute vorstellt, daß die geologischen Schichten entstehen. Man stellt sich vor: das hat sich so übereinandergelagert. Aber alles das, was Sie als geo­logische Schichten sehen, sind ja nur verhärtete Pflanzen, verhärtetes Lebendiges. Nicht nur die Steinkohlen waren früher Pflanzen, die mehr im Wasser als in der festen Erde wurzelten, und dazugehörten zur Erde, sondern auch Granit, Gneis und so weiter sind von pflanz­licher und tierischer Natur her.

Want denk je eens in hoe men zich tegenwoordig voorstelt dat de aardlagen ontstaan. Men stelt zich voor dat deze laag voor laag over elkaar zijn komen te liggen. Maar alles wat je aan geologische lagen ziet, is slechts versteend plantenmateriaal, leven dat versteend is. Niet alleen de steenkolen waren vroeger planten die meer in het water dan in de vaste aarde wortelden, ook graniet, gneis enz. zijn van plantaardige en dierlijke oorsprong.
Ook daarvoor krijg je begrip, wanneer je aarde en plant als geheel beschouwt.

Erst gegen das 12. Jahr hin wird das Kind reif, von Ursachen und Wirkungen zu hören. So daß man diejenigen Erkenntniszweige, die es mit Ursache und Wirkung hauptsächlich zu tun haben, in dem Sinne, wie man heute von Ursache und Wirkung redet, die leblose Naturphysik und so weiter eigentlich erst in den Lehrplan zwischen dem 11. und 12. Lebensjahre einführen soll.Vorher sollte man über Mineralien, über Physikalisches, über Chemisches nicht zu dem Kinde reden. Es fügt sich nicht in das Lebensalter des Kindes ein.

Pas tegen het 12e jaar wordt het kind rijp om naar oorzaak en gevolg te luisteren. Zodat je die vakken die hoofdzakelijk met oorzaak en gevolg te maken hebben, met dien verstande, zoals men er tegenwoordig over spreekt, de anorganische natuurkunde enzo, eigenlijk pas moet invoeren  in het leerplan tussen het 11e en 12e levensjaar. Daarvóór moet je niet over mineralen, over fysica, over scheikunde met kinderen praten. Dat past niet bij de leeftijd van het kind.
GA 311/57-58
Vertaald

Wenn wir die Zeit, die der Mensch zwischen seinem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife zubringt, überblicken, so gliedert sie sich uns wiederum in drei Teile, und diese drei Teile sind zu berücksich­tigen, wenn es sich darum handelt, das Kind durch die Elementar­schule durchzuführen.
Da haben wir zunächst das Lebensalter bis zu dem Lebenspunkt hin, den ich charakterisiert habe, in welchem sich das Kind von seiner Umgebung zu unterscheiden beginnt, wo es den Unterschied macht zwischen Subjekt, das es selbst ist, und den Dingen der Außenwelt, die ihm Objekt sind. Bis zu diesem Zeitpunkte müssen wir durchaus das Kind so erziehen, daß alles, was im Kinde ist und alles, was außerhalb des Kindes ist, einen einheitlichen Charakter trägt. Ich habe Ihnen ja charakterisiert, wie man das artistisch machen kann. Dann haben wir ja beim Hinweis auf das Pflanzen- und Tierreich schon gesehen, wie man zu der Beschreibung der Außenwelt über­geht. Und man kommt dann, wenn man diese Dinge ganz elementar gestaltet, bis gegen das 12. Lebensjahr heran. Von diesem 12. Lebens-jahr bis zu der Geschlechtsreife ist dann der dritte Abschnitt, in dem wir eigentlich erst zu der leblosen Natur übergehen können, wo das Kind im Grunde genommen erst anfängt, wirklich das Leblose zu fassen.
So können wir sagen: Vom 7. Jahre bis etwa 91/2 oder 91/3 Jahren nimmt das Kind alles seelisch. Es ist nichts da, was das Kind nicht seelisch aufnehmen würde. Die Bäume, die Sterne, die Wolken, die Steine, alles wird seelisch aufgenommen. Von 91/3 etwa bis etwa 112/3 Jahren nimmt das Kind allerdings schon den Unterschied zwi­schen Seelischem, das es in sich selber erblickt, und bloß Lebendigem wahr. Und wir können von Lebendigem, von der ganzen Erde als

Wanneer we de leeftijd van de mens tussen de tandenwisseling en de puberteit overzien, kunnen wij opnieuw drie perioden onderscheiden en naar deze moeten wij kijken willen we het kind door de basisschool begeleiden.
Allereerst hebben de leeftijd tot het punt dat ik gekarakteriseerd heb, waarop het kind zich gaat onderscheiden van zijn omgeving, waarop het verschil maakt tussen het subject dat hij zelf is en de dingen van de buitenwereld die voor hem objecten zijn. Tot dit tijdstip moeten we het kind zo opvoeden, dat alles wat er in het kind leeft en alles wat er om het kind heen is, één is. Ik heb voor u gekarakteriseerd hoe je dit kunstzinnig kan aanpakken.Dan hebben we bij de aanwijzingen voor de plant- en dierkunde al gezien, hoe je overgaat tot de beschrijving van de buitenwereld. En dan kom je, wanneer je deze dingen heel elementair vormgeeft, zo rond het twaalfde jaar. Vanaf dit twaalfde jaar tot aan de puberteit is de derde periode, daarin kunnen we dan overgaan tot de levenloze natuur; vanaf dan kan het kind in wezen pas het levenloze begrijpen.
Dus we kunnen zeggen: vanaf het 7e jaar tot ongeveer 9½ of 91/is voor het kind alles bezield. Er is niets wat het kind niet als bezield neemt. De bomen, de sterren, de wolken, de stenen, alles wordt met de ziel opgenomen. Vanaf 91/3 tot ongeveer 112/3 neemt het kind zeker al het verschil waar tussen de ziel die het in zichzelf waarneemt en wat alleen maar leeft. En we kunnen over wat leeft, over de hele aarde als

Lebewesen sprechen. Also Seelisches und Lebendiges. Dann von 11% bis etwa zum 14. Jahr unterscheidet das Kind Seelisches, Leben­diges und Totes, also alles dasjenige, was nach Ursachen und Wir­kungen zusammenhängt.
Wir sollen dem Kinde gar nicht sprechen von Leblosem, bevor es gegen das 12. Lebensjahr hingeht. Dann erst sollen wir anfangen, von Mineralien, von physikalischen Erscheinungen, von chemischen Erscheinungen und so weiter zu sprechen. Man muß sich nur klar­machen, daß die Dinge wirklich so sind, daß beim Kinde zwischen dem Zahnwechsel und der Geschlechtsreife durchaus noch vorwie­gend nicht der Intellekt, sondern die Phantasie tätig ist, und daß man überall auf die Phantasie zählen muß. 

een levend wezen spreken. Dus ziel èn leven. Dan vanaf 112/3  tot zo ongeveer het 14e jaar onderscheidt het kind ziel, leven en dood, dus alles wat volgens oorzaak en gevolg samenhangt.
Wij moeten met het kind helemaal niet praten over het levenloze, voor het tegen het 12e jaar is. Dan pas moeten we beginnen over mineralen, over natuurkundige, scheikundige verschijnselen enz. te spreken. Het moet je duidelijk worden dat de dingen daadwerkelijk zo zijn, dat bij het kind tussen de tandenwisseling en de puberteit niet overwegend het intellect, actief is, maar de fantasie en dat je overal op die fantasie kan rekenen.
GA 307/113-114
Vertaald

Wir dürfen erst leise anfangen mit dem Toten – denn das Tote muß eben mit dem Intellekt begriffen werden -, wenn das 12. Jahr heranrückt. Da können wir mit Mineralien, mit physikalischen, mit chemischen Erscheinungen und so weiter an das Kind herankommen. Aber auch da sollen wir womöglich überall an das Leben anknüpfen; nicht einfach, sagen wir, von der Mineraliensammlung ausgehen, sondern von dem Erdboden, vom Gebirge ausgehen, so daß wir das Gebirge zunächst beschreiben, wie es die Erde konfiguriert; dann davon sprechen, wie das Gebirge unten mit Erde umzogen ist. Je höher wir kommen, desto kahler wird das Gebirge, desto weniger finden sich dort Pflanzen. Nun fangen wir an, von dem Kahlen des Gebirges zu sprechen und dann darauf aufmerksam zu machen, daß da Mineralisches ist. Wir gehen also vom Gebirge aus und kommen an das Mineralische heran.
Dann, wenn wir das Gebirge so recht anschaulich beschrieben

We mogen pas behoedzaam met het dode – want het dode moet nu eenmaal met het intellect begrepen worden – beginnen, wanneer het 12e jaar nadert. Dan kunnen we met mineralen, met natuurkunde, met scheikundige verschijnselen enz. bij het kind aankomen. Maar ook daarbij moeten we zoveel mogelijk bij het leven aansluiten; niet simpeltjes van een mineralencollectie uitgaan, maar van de aardkorst, van gebergten, zo dat we eerst de bergen beschrijven, hoe die de aarde vormgeven; daarna erover spreken hoe aan de voet van het gebergte de aarde is. Hoe hoger we komen, des te kaler het gebergte wordt, des te minder planten daar groeien. En dan gaan we over tot het bespreken van de kale berg en dan maken we er attent op dat daar het gesteente is. We gaan dus van het gebergte uit en komen dan bij het gesteente.
Daarna, wanneer we het gebergte heel goed beschreven

haben, dann nehmen wir irgendein Mineral und zeigen es und sagen:
Das also würde man finden, wenn man diesen Weg hinaufginge auf dieses Gebirge. Dort findet man das. Hat man das für ein paar Mine­ralien gemacht, dann kann man übergehen, die Mineralien selbst zu behandeln. Aber das erste muß sein, daß man auch hier wiederum von dem Ganzen ausgeht und nicht von dem Teil. Das ist von einer außerordentlichen Wichtigkeit.

hebben, nemen we een stuk gesteente, laten het zien en zeggen: dat vind je wanneer je de weg op deze berg omhooggaat. Daar vind je dat. Als je dat voor een paar gesteenten hebt gedaan, kun je overgaan tot het behandelen van aparte gesteenten. Dus eerst: dat je ook hier weer uitgaat van het geheel en niet van een deel. Dat is buitengewoon belangrijk.
GA 307/114-115
Vertaald

Mineralogie: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

.

1304

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (6)

.

Wie in een 6e klas met de kinderen stenen wil slijpen, haalt zich wel wat op de hals. Je moet het grondig voorbereiden en zelf hebben gedaan. Hier volgen alvast wat voorbereidende gedachten:( het is nog geen cursus)

 

 

lapidarie, voor mollen en eksters

(lapis « lat. voor steen, dare * lat. voor doen, bewerken)

Wie kent niet deze ervaring: je bent buiten, loopt te genieten in de natuur. In gedachten raap je een steentje op (voor de leesbaarheid gebruik ik in dit artikel alleen het woord steen, dit kan zowel een homogeen mineraalbrok zijn, als een kristal of een stuk gesteente); je voelt, kijkt, stopt het in je zak. En steeds weer kom je in die zak dat trouwe ding tegen als een stille metgezel. Maar vaak blijft het daar niet bij, want keer op keer wordt je oog getrokken door een heldere kleur, een treffende vorm, een glinstering, daar bij je voeten op de grond; je kunt het niet laten.

Voor reisgenoten en gesprekspartners word je onmogelijk: je raakt de draad van het gesprek kwijt, je bukt, raapt op, veegt schoon en hup, in je zak,

Zo gebeurt dat, de mineralenwereld heeft je te pakken. Tenslotte loop je ver achter de op z’n minst wat geïrriteerde metgezellen: bestoft, met overbelaste zakken, maar intens tevreden en opgewonden.

‘Het is net of ik gedroomd heb,’ zei m’n jongste dochter (die toen 10 jaar was) nadat we een paar uur gebukt over het Noord-Franse strand hadden gezworven op zoek naar fossielen en marcasieten. Die ervaring herkende ik: bij het stenen zoeken richt je je blik, concentreer je je op bepaalde afwijkende vormen of kleuren op de grond of in de wanden om je heen, De rest van de werkelijkheid treedt even terug; waarnemen en verwondering over al dat moois»

Thuisgekomen haal je je zakken leeg, spoelt de spullen schoon, keurt opnieuw, nog meer verwonderd. Want door het spoelen met water worden de stenen niet alleen schoon, maar door het vocht heldert de kleur op en zie je de structuur beter.

Vandaar dat het voor de hand ligt, dat je je vondsten bewaart in een glazen pot, gevuld met gedestilleerd water. Zo komen ze fraai tot hun recht. Het teleurstellende is alleen, dat na enige tijd het water toch vertroebelt en op pot en stenen een groenbruine aanslag ontstaat, die vaak niet meer te verwijderen is. En zo verdwijnen je vondsten dan na een tijdje toch in een bloembak of in de tuin…… en dat gaat je soms aan je hart.

Nu komen we eindelijk bij de lapidarie:
Het effect van water op stenen, is, dat door het waterlaagje oneffenheden op het oppervlak van de steen vereffend worden (vgl. vernis op hout) Het gevolg is, dat het opvallend licht niet verstrooid wordt vanaf het ruwe oppervlak, maar naar binnen kan vallen of helder teruggekaatst wordt, (dus zijn er mensen die hun stenen vernissen om dit effect te bereiken, maar dit krast snel en bovendien voelt een stenenliefhebber hoe onnatuurlijk afsluitend en “dodend” die glimmende laklaag op stenen is).

Veel mensen weten, dat je hout tot leven kunt brengen door zorgvuldig te zagen en te schuren met steeds fijner carborundum schuurpapier.

Ditzelfde procédé volg je als lapidarist met stenen. Wij noemen dit alleen niet schuren, maar slijpen en polijsten, het effect is, dat je na bewerking met carborundumpoeder en -schijven uiteindelijk een diepglanzend oppervlak hebt, waarin kleur en structuur blijvend helder zichtbaar zijn.

Een ander aspect is, dat je al slijpend, de steen ook kunt vormen. Iedereen kent wel de tot biljart geslepen ruwe diamant, de granaten kettingen, of de schitterende aquamarijn in een ring. Deze stenen zijn heel zorgvuldig geselecteerd en daarna bewerkt tot ze een bepaalde vorm hebben.

In alle tijden hebben overal ter wereld goud- en zilversmeden zulke geslepen stenen verwerkt. Altijd weer en overal zijn mensen getroffen door de verrassende schatten die de donkere aarde blijkt te herbergen. Zij ontdekken, rapen of hakken, spoelen schoon en slijpen en poetsen dan vele uren om de schoonheid van de steen optimaal zichtbaar te maken.

Bij het vormen van een steen kun je dus van te voren de vorm bepalen en koste wat kost de steen zo trachten te maken.

Soms is dat nodig wanneer je in opdracht van een smid werkt, of in een bestaand sieraad een nieuwe steen moet slijpen. Maar over het algemeen blijkt het, ook voor cursisten, minstens even boeiend om de steen zelf de vorm te laten bepalen. Je openstellend voor wat deze steen te bieden heeft, door ervaring en studie de mogelijkheden en beperkingen van juist dat mineraal kennend, laat je al slijpend een vorm ontstaan.

Soms dwingt een breuk of poreuze plek je van richting te veranderen, of is de hoek van de lichtglans moeilijk te ontdekken. Dit kan veel van je aanpassingsvermogen vergen; want vaak blijkt dan dat je al werkend toch een vast plan in je hoofd had gezet.

Het slijpen kan zo een heel proces zijn van samenspel tussen de steen vol beloftes en verrassingen en de slijper: aandachtig, woedend soms even, of machteloos, maar vaak ook verbluft en geïnspireerd door wat er zichtbaar en voelbaar wordt.

Dit brengt ons bij een volgend aspect van het vak: tijdens de concentratie op en het bewerken van een steen kun je soms ervaren hoe helder en verkwikt je je gaat voelen; of een andere keer, getroost. Maar soms ook gespannen of uitgeput.

Associaties, gedachten, herinneringen, gevoelens komen bij je op.

Door je hiervan bewust te zijn, door je zintuigen, je intuïtie en je verstand evenwichtig te laten samenwerken, kun je in het omgaan met stenen veel over jezelf en je situatie leren.

Na het voorgaande zal duidelijk zijn, dat door bezig te zijn met stenen, verwondering gewekt wordt; en vanuit die verwondering nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid naar het hoe en het waarom. Hieruit komt belangstelling voort voor natuurwetenschappen als b.v. geologie, mineralogie, scheikunde, kosmologie, maar ook voor bijv, filosofie. Hierdoor worden boeken over deze vakgebieden aantrekkelijker en toegankelijker. En, zoals bekend, door je vakkennis te verdiepen wordt de nieuwsgierigheid alleen maar des te groter. Samengevat: of je nu begint als een snuffelende, zoekende, in de aarde wroetende mol, of als een naar glimmende en kleurige kristallen speurende ekster; het resultaat zal in beide gevallen groeiende vreugde en verwondering zijn over de ons omgevende wereld.
.

Mies van Hoogstraten-Dorsman, nadere gegevens onbekend

 

6e klas – mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 6e klas mineralogie

 

1177

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (5)

.

Een periode mineralogie in de zesde klas

De grond waarop wij staan is stevig. Daar zijn we aan gewend en zonder meer vertrouwen wij daarop. De leraar is van plan aan te tonen hoe griezelig het is wanneer wij de grond onder de voeten verliezen. Zonder van te voren de bedoeling te verklappen, vraagt hij een van de kinderen hem te helpen met een “proef”. Zachtjes fluistert hij haar zijn instructies in. Iemand anders uit de klas krijgt een blinddoek omgeknoopt en wordt naar een plank van een meter lengte geleid om erop te gaan staan. Wanneer de leraar en zijn assistente ieder aan een kant de plank voorzichtig optillen, slaakt de geblinddoekte een gil van schrik en maait wild met de armen om haar evenwicht te bewaren. Voor de zekerheid houdt zij de schouders van haar dragers vast. Deze twee gaan nu langzaam door de knieën en bewegen zich omhoog en omlaag zodat het meisje de schouders óp en neer voelt gaan. Op den duur heeft zij echter geen idee hoe hoog zij staat.

De plank zelf hebben ze echter al die tijd op dezelfde hoogte gehouden, ongeveer vijftig centimeter boven de grond. Wanneer de leraar haar vraagt van de plank af te springen, aarzelt ze: “Ik durf niet”. Dan raapt zij alle moed bijeen en waagt de sprong. “Hè, is dat alles!” roept zij verbaasd en rukt de blinddoek af. Zij kijkt van de lage plank naar de lachende klas. ” Ik dacht dat ik heel hoog stond.” Wanneer de leraar vertelt dat de stevigheid van de aarde ons zekerheid geeft, volgt een gesprek over aardbevingen: over de angst van ieder die zoiets meemaakt, over vertrouwen en het gevoel wanneer je vertrouwen beschaamd wordt. Kleine kinderen bijvoorbeeld hebben nog alle vertrouwen. Iedere peuter die van de traptreden heeft gesprongen kon ervan opaan dat vader of moeder hem opving. Hoe zou zo’n kind zich voelen als vader of moeder hem op een dag expres niet opving? Het voorbeeld spreekt de kinderen aan. Opeens weten ze een heleboel voorbeelden uit hun eigen leven te vertellen.

Op het bord is een berglandschap getekend, waarin de zon, een rivier, planten, bomen, vogels en flonkerende kristallen te zien zijn. Het silhouet van de bergen laat een tekening zien, van Mineralogie. Deze tekening komt nu op de kaften van de periodeschriften te staan. Enkele stukjes kristal gaan de klas rond. Elk kristal heeft zes vlakken, maar niet een is hetzelfde. Wanneer je er doorheen kijkt, zie je de kleuren van de regenboog. Vlak voor de pauze verbrandt de leraar een stukje zwavel. Alle kinderen ruiken er even aan. Het stinkt afschuwlijk. De lucht snijdt je de adem af. Wie gesnuffeld heeft, vlucht vanzelf naar buiten de frisse lucht in. Later krijgen de kinderen de opdracht een steen te bestuderen. Iedere dag moeten er een paar vertellen over de vorm, de kleur, de geur, de smaak, het gewicht, de mate van hardheid en eventuele andere bijzonderheden van hun steen. Wanneer je naar je pink kijkt en je denkt aan je vingerkootje, twijfel je er niet aan dat bot leeft. Je kunt pas zeggen dat het dood is wanneer je dat vingerkootje afhakt en los in je hand houdt. Zo is het eigenlijk precies met het gesteente van de aarde. Je zou het gesteente het skelet van de aarde kunnen noemen. Zolang het gesteente nog aan één stuk op zijn ontstaansplaats ligt en temperatuur,vochtigheid, planten, druk en bacteriën er nog op inwerken, is het gesteente een levend organisme. Een stuk dat ervan afgebrokkeld is, is net als het losse vingerkootje levenloos geworden De leraar vertelt over enkele soorten steen die hij heeft meegebracht: Leisteen: “Waarvoor gebruiken we dat?” “Voor dakpannen en leitjes,” weten de kinderen. Zandsteen: Dit zeer harde gesteente ontstaat door op elkaar geperst zand. Steenkool: Hierin zit duizenden jaren zonnewarmte. Eén ontstaat uit ongeveer dertig bomen. Als steenkool langer blijft liggen, kan grafiet (voor potloden) ontstaan of diamant. Dat ontstaan is afhankelijk van de temperatuur en en de druk. “Dus als je er maar lang genoeg op blijft zitten, krijg je een diamant?” is een geijkt grapje.

Graniet: We gebruiken graniet voor trappenhuizen, stoepranden en aanrechten.

Glimmer: (mica) Dit gesteente bestaat uit vele dunne laagjes. Het is terug te vinden als ruitjes in ouderwetse kachels.

De klas maakt een uitstapje naar het IJsbaanpad. Het is ijzig koud en het sneeuwt een beetje, maar de kinderen stappen stevig door over de spoorbaan die in deze tijd van het jaar niet gebruikt wordt. Tussen en langs de rails liggen vele soorten keien en steentjes. Die zullen de kinderen “kraken”. De meeste stenen vertonen van binnen niet meer dan de buitenkant doet vermoeden, maar soms laten zij kleine holtes zien waarin zich een kleur- en glinsterspel laat bewonderen. Sommigen weten niet van ophouden en komen met uitpuilende jaszakken en van de kou verstijfde vingers weer op school. Daar bekijken ze elkaars schatten. De kinderen horen welke invloed de IJstijd (8000 jaar v. Chr.) op ons land heeft gehad. Het oosten van Nederland werd bedekt door een dikke ijslaag. De Noordzee was toen een en al zandwoestijn omdat het water dat verdampte bevroor en niet terug kwam. Zware stormen verplaatsten het zand naar het oosten. Vandaar dat Oost-Nederland zo zanderig is. Vanuit de bergen in het zuidoosten stroomden de rivieren door Nederland en brachten brokken graniet met zich mee. De kinderen krijgen de opdracht de situatie van Nederland in de ijstijd te laten zien. Ze kunnen dit doen door middel van een tekening of door middel van een geschreven tekst. De leraar wil laten zien dat veel landschappen in verband staan met graniet. Hij beschrijft de zee, het strand en de duinen zodanig, dat de kinderen zich op het strand wanen en bijna de zilte zeelucht ruiken. Dat zand eigenlijk fijngeschuurd graniet is dat door de rivieren is meegevoerd vanuit de bergen, wekt hun verbazing.

Dat rachitispatiënten vroeger op het strand moesten kuren omdat de combinatie van kwarts en zonlicht genezend bleek te werken, vindt de klas zeer interessant. Ook het heidelandschap blijkt met graniet te maken te hebben: de hunebedden zijn door het Trechterbekervolk ca. 3000 jaar v. Chr. gebouwd met keien die tijdens de IJstijd naar ons land zijn gevoerd. [1]

De vraag hoe zo’n volk zulke zware stenen heeft kunnen opstapelen, houdt de kinderen lang bezig. Na al deze verhalen van de leraar moeten de kinderen zelf weer aan het werk. De opdracht luidt: maak een tekening of een informatieve tekst over hetgeen je gehoord hebt en schrijf eenverhaal waarin je zelf een hunebedbouwer bent.

Wanneer sommige kinderen hun werk later voorlezen, geeft de klas commentaar. De kritiek is meestal positief, soms echter krijgen de voorlezers te horen wat er ontbreekt aan hun verhaal. Enkelen krijgen de opdracht hun werk nog wat bij te schaven, bijvoorbeeld door het verhaal over de hunebedbouwer serieuzer te maken of al te eigentijdse uitdrukkingen (“Hallo jongens”) te vervangen door minder populaire. De volgende dag beschrijft de leraar een berglandschap. Hij vertelt over bergbeklimmers, over gletsjers, lawines en diepe kloven. Dit gaat gepaard met kleurige details en waargebeurde belevenissen van bergbeklimmers. Een gedicht dat de kinderen enkele dagen reciteren en dan ook in het schrift schrijven, vertelt over de bergbegroeiingsfasen. Een tekening op het bord laat in een oogopslag zien wat in het gedicht beschreven staat. De klas wordt in vier groepen verdeeld. Elke groep krijgt een andere opdracht: schrijf een stukje alsof je 1) een adelaar, 2) een pluk mos, 3) een boer op de alp, 4) een koe op de alp bent. Vertel wat je voelt, denkt en doet. Drie groepen gaan meteen aan de slag, de mosgroep knippert verbaasd met de ogen. “hoe kun je nu in ’s hemelsnaam schrijven hoe mos voelt en denkt?” Ze moeten het toch proberen van de leraar, ook al lijkt het nog zo moeilijk. De een na de ander buigt zich zuchtend over het papier.

De groepjes bespreken onderling hun teksten en kiezen die tekst uit die het meest geschikt is om door een andere groep gespeeld te worden. De groepjes ruilen hun gekozen verhalen nu kan het oefenen van de spelen beginnen. Weer zit er een groep met de handen in het haar. Juist, alweer de mosgroep.

“Je kunt toch geen mos spelen?” Ja, dat kan de leraar zich toch wel voorstellen. Ze mogen iets anders bedenken en na enig beraadslagen hebben ze iets veel leukers gevonden: bergbeklimmers! Triomfantelijk gaan ze naar de gang om te oefenen en komen even later terug met ijsmutsen, dassen en wanten. In het lokaal zijn inmiddels de tafels en stoelen tot drie hoogtes opgestapeld. Wanneer het spel begint, zit de adelaar al gehurkt en met gevouwen vlerken op de hoogste stoel. Na zijn afdaling beleven de klauterende bergbeklimmers menig gevaarlijk moment. Even later praat de boer gemoedelijk met zijn vrouw over hun zieke koe. Ze spreken weliswaar met zogenaamd “Drents” accent, maar à la, ze oogsten er veel gegniffel mee.

De kinderen leren wat de vier bestanddelen zijn van graniet:
Kwarts is een harde onvruchtbare stof met kristallijne vormen, in kristalgroepen gaat het waarheen het wil, al moeten andere stoffen daarvoor opzij. Kwarts is doorzichtig en heeft een heldere lichtkracht ( -vergelijk bijvoorbeeld een kroonluchter ) .

Veldspaat is een zachte, ondoorzichtige stof, in het algemeen niet kristallijn. Het voegt zich naar zijn omgeving en de letterlijke betekenis van het woord veldspaat is vruchtbare akkeraarde.

Glimmer houdt het midden tussen kwarts en veldspaat, ook in vruchtbaarheid.

Hoornblende is van buiten zwart en van binnen prachtig van kleur. Alle eigenschappen die de natuur bij de schepping heeft meegekregen, zijn ook in de mens vertegenwoordigd. Je zou kunnen zeggen dat de kwaliteiten van kwarts en veldspaat bij de mens zijn terug te vinden. Bij sommigen overheersen de kwartskwaliteiten, bij anderen de veldspaat kwaliteiten. De kinderen schrijven een stukje over hoe ze denken dat een “kwarts-mens” zou doen en hoe een “veldspaat-mens” zou doen. Zij zoeken er beroepen bij die zij bij kwarts en veldspaat vinden passen. Wanneer zij later hun teksten voor elkaar voorlezen, ontstaan er spontaan discussies. Wat de een een kwartsberoep vindt, bijvoorbeeld schoolmeester, heeft de ander bij veldspaat staan. Meestal valt voor beide meningen iets te zeggen.

Nu volgen toneelstukjes waarin een kwarts- en een veldspaatmens een rol spelen: generaal en een soldaat, een directeur en een slaafse kantoorbediende; een arrogante restaurantbezoeker en een ober, een autoritaire arts en een verpleegster. Wanneer de rollen worden omgedraaid (de kantoorbediende kwarts en de directeur veldspaat:

“Zou je alsjeblieft een kopje koffie voor mij willen halen… eh, als je daar tijd voor hebt natuurlijk!”) ontstaan de gekste situaties, die hoewel ze niet ondenkbaar zijn, toch wel op de lachspieren werken. De kinderen trekken na de gesprekken en de rollenspelen de conclusie dat de meeste mensen van beide kwaliteiten iets hebben en dus het best met glimmer vergeleken kunnen worden.
Na deze ochtend hoorde je voortdurend kreten als “Niet zo kwarts doen jij, hè!” en “Vind je mij niet veldspaat?”

Tegenover het granietgebergte wordt nu het kalkgebergte geplaatst. Kalkbergen zijn van boven kaal, daar groeit niets. Onderaan het gebergte daarentegen is de plantengroei zeer weelderig. Kalk laat al het water door, zuigt het als het ware op. Vandaar dat er niets wil groeien. Bij granietbergen gebeurt alles buiten, bij kalkbergen is het juist binnen spannend. Daarbinnen vind je grote zalen met pilaren en pegels, onderaardse gangen, rivieren en meren. De onderzoekers (speleologen) zien er heel anders uit dan de bergbeklimmers.

Zij dragen rubber duikerspakken, zuurstofcylinders en zwemvliezen en hebben sterke lantaarns bij zich. Ook hun beroep is gevaarlijk: zij kunnen blijven steken in een nauwe doorgang of ze kunnen hun pak of cylinders openscheuren aan de scherpe uitsteeksels. Wanneer de leraar vertelt over de zalen en de gangen met hun constante temperatuur, de doodse stilte bij de meren en het eeuwig echoënde watergedrup, kun je een speld in de klas horen vallen. Als verwerking van deze leerstof schrijven de kinderen een verhaal dat heet “Ik, speleoloog”. Hoe ontstaan nu de pegels en de daaronder staande pilaren?

Daar moeten de kinderen maar eens zelf over nadenken. Zij komen een heel eind in de goede richting. Het regenwater dringt door het kalk heen en komt in miljoenen druppels aan het plafond te hangen. Door de tocht verdampt een deel van het prater en het meegevoerde kalk blijft zitten., Daaraan komt weer een nieuwe druppel te hangen die verdampt en zo gaat het proces alsmaar door. Op de plaats waar de druppels op de grond terecht komen, kan in enkele duizenden jaren een pilaar ontstaan. Dat is razendsnel als je het vergelijkt met de beweging in granietgebergten. Dit gedicht schrijven de kinderen over in hun
periodeschriften:

Op het kalk

De kammen tekenen grauw.
Een gekerft gelaat ziet grijnzend neer,
geen beekje, geen dauw, geen bloemetje teer.

Alles kaal en dor,
het water gulzig opgezogen,
onder de grond een duistere zaal,
leven is naar binnen getogen.

Maar aan de voet van de bergen,
weelderig gedijt het groen,
waar duizenden dwergen
bomen en planten groeien doen.

Hier is leven, hier is vreugd.
Het kalk wil zijn zelfzucht tomen,
verschijnen in zijn deugd,
de boeren kunnen komen.

Ter afsluiting van de periode worden graniet en kalk met elkaar vergeleken. Een korte samenvatting komt in het schrift te staan.

Geert Grooteschool, ‘heemkunde’, nadere gegevens ontbreken, ‘ergens’uitL blz 80 e.v.

Dit artikel volgt op ‘Over mineralogie in de 6e klas‘ in dezelfde brochure? waaruit ook bovenstaand artikel komt. 
Het artikel moet m.i. vooral gelezen worden als een verslag van die leerkracht, met die klas. (phaw)

Ik heb een wijziging in de tekst aangebracht:
[1] De Hunnen hebben niets te maken met de hunebedden

mineralogie: alle artikelen

1040

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – 6e klas – mineralogie (4)

.

Over mineralogie in de zesde klas

De mineralogie behandelen we vanuit het geheel der aarde. Voordat we met de afzonderlijke mineralen beginnen, kijken we eerst naar de gesteenten waarin ze voorkomen. Als uitgangspunt kunnen we twee gebergten nemen,- de Alpen, een granietgebergte en de Dolomieten een kalkgebergte.

De Alpen vormen het grootste gebergte van Europa. De vormen zijn glooiend. Het is een oerwoudgebergte, massief en sterk. Water dringt er niet doorheen. Vanaf grote hoogtes baant het gesmolten ijswater zich een weg naar een lagergelegen dal: beekjes, watervallen en meren ontstaan. Groen zijn de bergen en dalen, uiterst geschikt om koeien te laten grazen. De hoogst gelegen gebieden zijn bedekt met ijs en sneeuw. De bloemen tussen het groen zijn felgekleurd: gentianen, alpenroosjes en alpenviooltjes groeien in overvloed. Zomers is het in de lagergelegen berggebieden, waar we weiden, akkerland en bos vinden, aangenaam warm , terwijl het in het hooggebergte heel koud is. ’s Winters is dat juist andersom, dan is het boven warmer. Het gebergte wordt gevormd door graniet.

Als het kind zich de omgeving van het granietgebergte goed kan voorstellen, kijken we naar de mineralen die daarin verborgen zijn. We beginnen met de eenvoudige: kwarts, glimmer, veldspaat en hoornblende. Welke vorm en kleur hebben ze, hoe kunnen we ze herkennen. Over het gebruik van mineralen is heel veel te vertellen.

Nu beschrijven we de Dolomieten. De bergen rijzen dof en dreigend op, met grillige vormen. De kalk waaruit zij bestaan is zacht en poreus. Weer en wind werken er naar hartelust op in. Het gebergte is waterdoorlatend…. regenwater dringt door tot de diepte. Het gevolg daarvan is, dat de bergen vrijwel kaal zijn en slechts voedsel bieden aan gemsen en dwerggeiten.
Aan de voet zijn de bergen rijk begroeid. Binnen in het gebergte bevinden zich indrukwekkende grotten en ondergrondse gangen. Door de eeuwen heen zijn ze gevormd, een proces dat nog altijd doorgaat. Pilaren op de grond, pegels aan het plafond vallende druppels banen zich een  weg door de kalklaag heen, opgeloste mineralen met zich meedragend. In het binnenste van de berg is alles in beweging. Kalk en graniet vormen tegenstellingen. Dichter bij huis komen we ook kalk en graniet tegen. Grote brokken graniet vinden we in het oosten van Nederland. Van oorsprong horen ze daar niet. Ze voeren ons terug naar langvervlogen tijden.

De leerkracht vertelt de kinderen daarover en ook wat de mensen met de stenen gedaan hebben. Aan onze kust vinden we zand en schelpen. De schelpen, die uit kalksteen bestaan, dienen als skelet voor de weekdieren. Vele vormen komen er voor: langwerpige, kleine, grote, geribbelde, gekartelde, en gladde. Dan het zand…. kleine kwartskristalletjes glinsteren, als een overblijfsel van het graniet. Onder de loupe genomen zijn ze nog beter te zien. In Limburg vinden we witte kalksteen: de mensen hieuwen er grotten in. Als bouwstenen, voor de bereiding van mortel en als bemesting in de akkerbouw maken de mensen veelvuldig gebruik van kalk. Dat in zo’n periode veel geschilderd en getekend wordt en dat gesteenten, ook halfedelstenen zoals amethyst, rozenkwarts en toermelijn in de klas zijn, behoeft wel geen betoog.

Geert Grooteschool, ‘heemkunde’, nadere gegevens ontbreken

.

mineralogie: alle artikelen

 

1037

 

Alpen:

berglandschap Alpen

 

Dolomieten:

berglandschap Dolomiten

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL- 6e klas – mineralogie (3)

.

Hier volgen in alfabetische volgorde, enige feiten over de meest behandelde gesteenten in de mineralogieperiode van de 6e klas:

Een woord in groen is  in de rij opgenomen.
Een cursief woord: meer daarover in mineralogie 2

afzettingsgesteente
asbest
bariet
basalt
bauxiet
calciet
cassiteriet (tinerts)
conglomeraat
delven
diamant
edelsteen
erosie
erts
flurescerende mineralen
fluoriet (vloeispaat)
fossielen
galeniet
geologie
gesteenten
gips
glimmer
gneis
grafiet
graniet
ijzererts
kalksteen
klei
kopererts
korund
krijt
kristallen
kryoliet
kwarts
lagen
lava
leisteen
marmer
metalen
meteoriet
mineraal
obsidiaan
omzettingsgesteente/metamorfe gesteente
puimsteen
pyriet
silicium
stalagmieten/stalagtieten
steenkool
steenzout
stollingsgesteente
talk
veldspaat
versteend hout
vruchtbare lagen
vuursteen
zand
zinkblende
zwavel

AFZETTINGSGESTEENTE
De geleidelijke, maar nooit ophoudende beweging van het weer breekt zelfs het hardste gesteente nog in kleine stukjes. (erosie.) Rivieren voeren deze deeltjes weg en laten ze op een andere plek achter. Gedurende miljoenen jaren wordt laag voor laag opgebouwd, die geleidelijk aan een harde massa worden. Het soort gesteente dat op deze manier werd gevormd, wordt afzettingsgesteente genoemd, omdat het bestaat uit afgezette lagen, ook wel sedimenten genaamd. Bij afzettingsgesteenten van deze soort horen ook zandsteen, dat bestaat uit samengeperst zand, en leisteen, dat bestaat uit samengeperste klei. Gesteenten die zich hebben gevormd doordat er water overheen stroomt. Op een gegeven moment raakt het water verzadigd van mineralen, waardoor deze zich in de vorm van kristallen gaan afzetten. Geleidelijk aan vormen ze lagen en gaan er tenslotte als gesteenten uitzien. Steenzout en sommige soorten kalksteen zijn afzettingsgesteenten van deze soort. Sommige soorten kalksteen bestaan hoofdzakelijk uit krijtachtige overblijfselen van kleine zeediertjes, zoals koraal. Steenkool is een apart soort afzettingsgesteente. Het ontstond doordat planten die bedolven werden in moerassen, gingen rotten. Door de druk veranderden ze langzamerhand in het bekende harde, zwarte ‘gesteente’. Afzettingsgesteenten zijn zeer belangrijk, omdat ze een groot aantal fossielen bevatten. Dit zijn overblijfselen van planten en dieren. Elke gesteentelaag ontstond tijdens een bepaalde periode in de geschiedenis van de aarde. Door de fossielen in de verschillende lagen te bestuderen, kunnen we te weten komen in welke volgorde dieren en planten op aarde verschenen en hoe ze zich ontwikkelden.

afzettingsgesteente

ASBEST
Als we wel eens een film of foto’s hebben gezien van brandweermannen die een felle brand proberen te blussen, is ons misschien opgevallen dat sommigen van hen speciale, witte pakken droegen die geen vlam vatten. Deze plakken branden niet doordat ze van een soort gesteente zijn gemaakt. Sommige mineralen hebben van nature de vorm van dunne draden of vezels. Deze worden alle asbest genoemd. De meeste asbestvezels kunnen, evenals die van katoen of wol, tot garen worden gesponnen en daarna kunnen er kleren van worden geweven. Dit soort kleding is dus van een steensoort gemaakt en brandt daarom niet. Asbest wordt ook voor andere producten gebruikt die hittebestendig moeten zijn, zoals de remvoeringen van auto’s en de brandvrije schermen in schouwburgen. Het wordt samen met cement ook gebruikt als dakbedekking. De meest voorkomende asbestsoort is een soort
serpentijn, dat grijze, zijdeachtige vezels heeft. Serpentijn is in de meeste gevallen groen en gevlekt als een slang.
(ten tijde dat dit werd geschreven was er nog nauwelijks iets bekend over de schadelijke werking van asbestdeeltjes bv. op de longen. Gezien de actualiteit (‘er is geen asbest vrijgekomen’) moet dit zeker worden behandeld)

asbest

BARIET
Als iemand naar het ziekenhuis gaat om een röntgenfoto van zijn maag te laten maken, krijgt hij eerst bariumpap te eten. Dit is een krijtachtig, wit, vloeibaar mengsel, dat ervoor zorgt dat de inwendige organen op de röntgenfoto te zien zijn. Deze vloeistof wordt direct vervaardigd van het mineraal bariet. Van bariet wordt onder andere witte verf gemaakt. Bariet is kleurloos tot wit, geel, grijs of bruin. Voor een delfstof is bariet vrij zwaar. Het woord bariet komt van het Grieks (barus = zwaar). Een Nederlands woord voor bariet is zwaarspaat.

bariet

BASALT
Verscheidene soorten stollingsgesteenten worden gevormd ais de lava afkoelt. Basalt is de meest voorkomende vorm. Het is een zeer oninteressant uitziend, donker en dof gesteente. Het bevat kristallen, maar die zijn zo klein, dat ze met het blote oog niet te zien zijn. Een van de interessantste eigenschappen van basalt is dat het zich bij afkoeling soms splijt in massieve, veelzijdige zuilen. Het bekendste voorbeeld hiervan is de Giant’s Causeway (Reuzendam) in Noord- lerland. Volgens de legende zijn deze zuilen een overblijfsel van een bouwwerk van reuzen die naar Schotland wilden oversteken.

basalt

BAUXIET
Bauxiet is vrijwel de enige ertssoort die wordt gebruikt voor de winning van aluminium, een van de lichtere en belangrijkste metalen. Gewone klei bevat ook wel aluminium, maar uit klei is het niet gemakkelijk te winnen. Bauxiet moet eerder worden beschouwd als een gesteente dan als een mineraal, want het is een mengsel van mineralen. Het belangrijkste hiervan is alumina, een aluminiumoxyde. Een gedeelte van het gevonden bauxiet wordt als mineraal gebruikt om er cement, scheikundige stoffen en schuurmiddelen — materialen die worden gebruikt om te slijpen en te polijsten — van te maken. (kryoliet, erts)

CALCIET
De grote krijt- en kalksteen rotsen aan de kust en elders bestaan bijna altijd geheel uit één mineraal, namelijk calciet. De bekende stalactieten en stalagmieten in de kalksteengrotten zijn gevormd uit calciet. Al deze verschijningsvormen van calciet zijn enigszins onzuiver. Krijt, de witste soort, is de puurste, maar kalk­steen kan gele, bruine en zelfs rode vlekken bevatten, die door onzuiverheden worden veroorzaakt. De zuiverste vorm van calciet zijn heldere kristallen. Als we goed kijken, kunnen we calcietkris- tallen vinden in vele krijt- en kalksteenrotsen. Ze verschijnen in vele vormen en maten; sommige zijn nogal plomp, andere zien er uit als gescherpte potloden. Weer andere zijn prachtig gekleurd. De zuiverste vorm van calciet wordt IJslands spaat genoemd. Door dit kristal kan men letterlijk dubbel zien. Als we een stukje IJslands spaat op een regel van een boek leggen, zullen we, als we door het kristal kijken, twee regels zien. Dit effect is het gevolg van een optische eigenschap, polarisatie genaamd. Calciet is een van de meest voorkomende mineralen. Het is een carbonaat en daarom sist het, als er een zuur overheen wordt gegoten. Dit is een goede manier om carbonaten te testen. (mineralen.)

calciet

CASSITERIET
Vrijwel al het tin dat we gebruiken, is afkomstig van het erts cassiteriet, ook wel tinerts genaamd. Het woord cassiteriet komt van de naam die handelslieden vroeger aan de Britse Eilanden hebben gegeven. Deze eilanden werden de Cassiterieten — Tineilanden — genoemd, omdat er waardevolle tinmijnen waren. Cassiteriet is over het algemeen donkerbruin of zwart van kleur en is een hard en zeer zwaar erts, bijna zo zwaar als lood. Het meeste cassiteriet wordt gevonden in lagen kiezelsteen in stroom- beddingen. (vruchtbare lagen.)

CONGLOMERAAT
Conglomeraat is een van de gemakkelijkst te herkennen gesteenten. Het wordt vaak puddingsteen genoemd, omdat het gesteente veel lijkt op een pudding. Het bestaat uit kiezelsteen, gruis en zelfs uit grote keien, samengekit door cement, zand of klei. Breccie is iets dergelijks, maar bevat scherpe stukken steen in plaats van afgeronde kiezelstenen. Zowel conglomeraten als breccies zijn afzettingsgesteenten.

conglomeraat

DELVEN
Kolossale hoeveelheden mineralen en gesteenten worden elk jaar uit de bodem gehaald. Het uit de grond halen van gesteenten en mineralen wordt delven genoemd. Het delven van mineralen kan aan de oppervlakte of duizenden meters onder de grond gebeuren. In beide gevallen worden de mineraallagen vaak met behulp van springstoffen opengebroken. Steenkool- en ijzerlagen worden soms aan de oppervlakte gedolven. Grote, sterke graafmachines graven de losgemaakte lagen dan af. Een andere methode van delven aan de oppervlakte was vooral vroeger het delven van vruchtbare lagen. Het grind in de rivieren en meren werd uitgebaggerd en nauwkeurig onderzocht op zware metaalertsen, zoals bijvoorbeeld goud en edelstenen. (vruchtbare lagen.) Goud wordt tegenwoordig alleen nog maar diep onder de grond gedolven. Om het te bereiken worden diepe schachten in de grond geboord en vanuit de schachten worden tunnelgangen gegraven. De diepste mijnen bevinden zich in Zuid- Afrika. Sommige mineralen kunnen op verschillende manieren ondergronds worden gedolven. We noemen hier slechts twee voorbeelden: om zwavel ondergronds te laten smelten wordt zeer hete of oververhitte stoom gebruikt. Daarna wordt de gesmolten zwavel door middel van hoge luchtdruk met geweld naar de oppervlakte geduwd. In Nederland wordt zout gewonnen door water naar de zoutlaag te pompen. Dit water lost het zout op. De aldus ontstane pekel wordt weer omhooggepompt en verwerkt. Het uitgraven van gesteenten lijkt in vele opzichten op het delven van ertsen aan de oppervlakte, maar de explosieven worden voorzichtiger gehanteerd. Men moet er bijvoorbeeld voor oppassen dat waardevolle bouwsteen niet wordt verbrijzeld, want dan is hij waardeloos geworden. Deze methode, waarbij gebruik wordt gemaakt van springstoffen, is noodzakelijk bij stevige steenlagen, zoals kalk en graniet. Voor het afgraven van zand-, grind- en leisteenlagen zijn echter geen springstoffen nodig. Deze lagen zijn van nature al zacht en los. Vaak kunnen ze zonder meer worden afgegraven door graafmachines.

(Zeer regelmatig vinden nog mijnrampen plaats. I.v.m. de ‘economische aardrijkskunde’ in klas 5 is het zeker nodig de kinderen erop te wijzen dat iedere dag voor onze behoeften aan ….vele mensen dagelijks in gevaar verkeren. Enige tijd geleden nog in Chili waar mensen na 3 maanden werden gered. Als ‘Alleen op de wereld’ is voorgelezen in de jaren daarvoor, zal dat zeker herinneringen oproepen)

delven

DIAMANT
Diamant is het hardste mineraal en tevens het waardevolste van alle edelgesteenten die worden gebruikt om tot sieraden te worden verwerkt. Een diamant die is geslepen en gepolijst, is de meest schitterende edelsteen. Enkele van de beroemdste diamanten ter wereld behoren tot de Britse kroonjuwelen: de Koh-i-noor (berg van licht), de Eerste Ster van Afrika, die gezet is in de scepter met het kruis, en de Tweede Ster van Afrika, die is gezet in de koningskroon. De Sterren van Afrika zijn afkomstig uit ’s werelds grootste diamant, de Cullinan, die bijna anderhalf pond woog. In zijn natuurlijke staat is de diamant soms bedekt met een doffe, grijze laag. In deze vorm wordt hij een ruwe diamant genoemd. De ruwe diamant wordt zo geslepen, dat hij vele platte kanten (facetten) heeft, waardoor de grootst mogelijke schittering ontstaat. De geslepen diamant schittert in alle kleuren van de regenboog. Het slijpen en polijsten van de facetten wordt gedaan met slijpborden die bedekt zijn met diamantstof. Diamant is zo hard, dat het enige materiaal waarmee het kan worden gekloofd, diamant zelf is. Ruwe diamanten die niet geschikt zijn om tot mooie sieraden te worden geslepen en gepolijst, worden in de industrie als slijpmateriaal gebruikt. Ook punten van steenboren worden van diamant gemaakt. Deze diamanten worden industriediamanten genoemd. Diamant is een zuivere kristalvorm van koolstof. Het is bijna ongelooflijk dat zowel diamant als grafiet uit dezelfde substantie bestaat. Diamant is het hardste en schitterendste mineraal, maar grafiet is een van de zachtste en dofste mineralen.

Duurste diamant, de Pink Star, geveild voor 66,8 miljoen euro.
Op een veiling in Hongkong is gisteren* de duurste gekleurde diamant ter wereld verkocht: de Pink Star.
Een roze steen in een platinum ring is gisteren* bij Sotheby’s in Hongkong voor 71.200.000 dollar (66,8 miljoen euro) geveild. Het was dan ook de Pink Star die onder de hamer ging, een perfecte roze diamant qua kleur en helderheid van 59,6 karaat. De duurste diamant ooit.
De koper is geen Amerikaan of Europeaan, maar een juwelier uit Hongkong, ChowTai Fook. Het typeert de trend. De rijke Aziaten storten zich op diamanten en vooral de zeldzame natuurlijk gekleurde stenen. Van de laatste stegen de prijzen het afgelopen decennium explosief. Vroeger waren grote gekleurde diamanten het bezit van royalty of de adel, nu zijn het de superrijken, de filmsterren en de sporthelden die hun status aparte nog eens bevestigen met een gekleurde diamant. Deze glimmertjes van formaat zijn vooral in trek bij verlovingen en huwelijken. Zo kreeg Jennifer Lopez een licht roze 6 karaats diamant ter waarde van 1,2 miljoen dollar van haar vriend Ben Affleck. Mariah Carey kreeg een iets groter roze steentje van 17 karaat met een waarde van 2,5 miljoen hij haar verloving. Ook Paris Hilton kreeg indertijd bij een van haar verlovingen een 24 karaats kanariegele diamant van 4,7 miljoen dollar van een vriend met wie ze vier maanden later niet meer wilde trouwen.
De hype is inmiddels overgeslagen naar Azië. Sotheby’s heeft dat goed ingeschat. De Pink Star werd drie jaar geleden ook geveild voor de som van maar liefst 89 miljoen dollar, maar de koper kon niet betalen.
Sotheby’s had de verkoper een bedrag van 60 miljoen voor de steen gegarandeerd, wachtte het einde van de recessie af en sloeg nu toe.
Mei vorig jaar werd de Oppenheimer Bleu, een heldere blauwe diamant van 14,62 karaat, voor 57,5 miljoen dollar verkocht. Die komt dus nu op de tweede plaats van duurste diamanten.
In 2015 ging de Blue Moon of Josephine voor 48,5 miljoen dollar van de hand. De diepblauwe diamant van 12,03 karaat houdt nog steeds de titel als duurste steen per karaat met bijna 4 miljoen dollar.
Dus was de tijd rijp voor Sotheby’s om de Pink Star te veilen. De roze diamant werd in 1999 in Zuid-Afrika gevonden en woog ruw 132,50 karaat. Na twee jaren kloven, slijpen, polijsten en design bleef de grootste roze diamant van 59,6 karaat over.

Vroeger golden gekleurde diamanten als niet zo interessante afwijkingen tenzij ze groot waren, maar de laatste twee decennia is het tij gekeerd. Gekleurde diamanten zijn duurder, veel duurder dan de traditionele doorzichtige oftewel de witte diamant, behalve de gekleurde bruine, die ook wel als cognac of champagneldeurig wordt genoemd om die stenen aantrekkelijker te maken. Deze zijn iets goedkoper dan de witte. Rode, roze, blauwe en groene diamanten zijn uiterst zeldzaam, uiterst gewild en extreem prijzig.

*05-04-2017

EDELSTENEN
Zo nu en dan brengt de natuur mineralen van zo’n buitengewone schoonheid voort, dat we ze gebruiken als juwelen. We noemen deze mineralen edelstenen. De mooiste edelstenen, zoals diamant, robijn, smaragd en saffier, zijn zeer zeldzaam en daardoor erg waardevol. De grootste juwelierszaken ter wereld fonkelen van de glans van diamanten, het vurige rood van robijnen, en het zuiverste groen of blauw van smaragden en saffieren. De waarde van een edelsteen is niet alleen afhankelijk van de schoonheid of zeldzaamheid van de steen, maar ook van de hardheid. Het heeft geen zin een mooie steen in een ring te zetten, als de steen gemakkelijk kan worden beschadigd. Op deze manier zou hij zijn pracht snel verliezen. De vier voornaamste edelstenen zijn zo waardevol doordat ze grote schoonheid en zeldzaamheid verenigen met grote hardheid. Diamant is de hardste van allemaal. Niet alle edelstenen zijn echter stenen. Prachtige, melkwitte parels, voor ringen en halssnoeren, worden gevormd in de lichamen van schelpdieren, die pareloesters worden genoemd. Barnsteen is een geelachtig bruine edelsteen, die wordt gevormd door de hard geworden hars van pijnbomen uit het verre verleden. Het wordt fossiele hars genoemd. Andere edelstenen zijn ook erg in trek, maar minder hard en niet zo zeldzaam als de echte edelstenen. Daardoor zijn ze ook niet zo waardevol. Meestal worden ze halfedelstenen of gewoon stenen genoemd. Hieronder bevinden zich vele kwartsvariëteiten en granaten, die in gneis worden gevonden. De schoonheid en glans van een edelsteen kunnen worden vergroot door het slijpen en polijsten van de natuurlijke kristallen, hetgeen zeer voorzichtig moet gebeuren. Oneffenheden aan de oppervlakte kunnen dan tegelijkertijd worden verwijderd. Het slijpen en polijsten vereist een hoge graad van vakmanschap. Voor elke edelsteen bestaat een speciale manier van slijpen om de schoonheid het best tot haar recht te doen komen. Edelstenen kunnen worden geslepen met vele vlakke kanten, ook facetten genoemd, of met een zacht, rond oppervlak. De diamant die als briljant is geslepen, heeft achtenvijftig facetten. Diamant is een zeldzame kristalvorm van het chemische element koolstof. Robijn en saffier zijn verschillend gekleurde kristalvormen van het mineraal korund. Smaragd is de zeldzaamste en waardevolste vorm van het mineraal beril. Een andere kristalvorm van beril is de edelsteen aquamarijn, die er blauwachtig groen uitziet. De topaas is een andere waardevolle edelsteen, die zowel kleurloos als geel, blauw of roze kan zijn. Al deze edelstenen zijn verschillende kristalsoorten. Verscheidene edelstenen zijn ondoorschijnend; ze laten geen licht door. De belangrijkste is de opaal. Deze steen heeft geen eigen kleur, behalve als achtergrond. Maar hij glinstert en glanst in steeds wisselende kleurschakeringen. De turkoois is een andere edelsteen die ondoorschijnend is. Hij is blauwachtig groen en heeft een prachtig spinnenwebachtig patroon. Edelstenen zijn om hun schoonheid en zeldzaamheid altijd beschouwd als amuletten of geluksstenen. Er is voor elke maand van het jaar een edelsteen, die maandsteen wordt genoemd. Als we de edelstenen dragen van de maand waarin we zijn geboren, brengt deze geluk.

edelsteen

edelsteen 2

 topaas

EROSIE
We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat er gesteenten zijn die vanzelf afslijten. Immers, met hamer en beitel kunnen ze nauwelijks worden gebroken. Maar gesteenten slijten inderdaad af als gevolg van de voortdurende weersinvloeden. Dit proces wordt erosie genoemd. Regenwater dat over het gesteente stroomt, of zeewater dat ertegenaan slaat, spoelt heel geleidelijk stukjes steen los en voert deze met zich mee. Het kan ook zijn dat door het water sommige mineralen in het gesteente worden opgelost, waardoor het in kruimelige deeltjes uiteenvalt. Het water sijpelt in scheuren in het gesteente en zet uit wanneer het bevriest. Hierdoor wordt het gesteente met geweld uit elkaar gedreven. De hete zon overdag en de vorst ’s nachts kunnen er de oorzaak van zijn dat het gesteente splijt. Dit zijn allemaal voorbeelden van erosie, waardoor fantastische vormen in de natuur kunnen ontstaan. Het is niet mogelijk deze verandering tijdens een mensenleven waar te nemen, maar het resultaat is na miljoen jaren duidelijk zichtbaar. Zelfs het hardste graniet zal eens verbrokkelen. Als de verpulverde of opgeloste mineralen worden afgezet, zal er zich een nieuw gesteente gaan vormen. Dit wordt afzettingsgesteente genoemd. Dit proces duurt eveneens weer vele miljoenen jaren.

erosie

ERTS
Metalen zijn buitengewoon belangrijk in ons huidige bestaan. Slechts een paar worden er in de natuur als zuivere metalen gevonden. Dat zijn goud, zilver, koper en platina. De meeste metalen komen voor in mineralen, waarin ze een verbinding vormen met andere chemische elementen. Voordat ze door de mens gebruikt kunnen worden, moeten de metalen worden gezuiverd en uit de mineralen worden gehaald. Mineralen die na behandeling zuiver metaal leveren, heten ertsen. De meeste ertsen zijn oxyden: samenstellingen van de metalen met zuurstof. Carbonaten zijn samenstellingen van de metalen met zwavel. De minerale ertsen worden niet vaak in hun natuurlijke vorm gebruikt. Ze moeten worden behandeld voordat ze te gebruiken zijn. (bauxiet (aluminiumerts), cassiteriet (tinerts), kopererts, galeniet (looderts), ijzererts en zinkblende.)

FLUORESCERENDE MINERALEN
Sommige mineralen gloeien in het donker op als bepaalde soorten onzichtbaar licht, zoals ultraviolet licht, erop schijnen. Ze worden fluorescerende mineralen genoemd, naar fluoriet, dat die eigenschap vertoont. Ultraviolet licht is het licht dat in de zonnestralen zit en waarvan we bruin worden. Sommige mineralen, fosforescerende mineralen genoemd, blijven gloeien nadat het licht is verdwenen. Ze hebben hun naam te danken aan een chemisch element, fosforus genaamd, dat in het donker opgloeit. Naast fluoriet zijn de twee bekendste fluorescerende mineralen scheeliet, een wolframerts, en willemiet, een zinkerts. Sommige diamantsoorten, zoals calciet en opaal, zijn ook fluorescerend. Enkele willemietmineralen zijn ook fosforescerend.

fluoriet 3


FLUORIET OF VLOEISPAAT

Fluoriet is een prachtig en interessant mineraal dat kan gaan gloeien in het donker. Sommige fluorietsoorten hebben een blauwachtige glans als er onzichtbaar licht, zoals ultraviolet licht, op schijnt. Fluoriet geeft zijn naam dan ook aan dit effect, fluorescentie genaamd. (fluorescerende mineralen)
Als fluoriet langzaam wordt verhit, vertoont het een bleke, groenige glans. Fluoriet kristalliseert uit in gave kubusjes, die zowel kleurloos als geel, bruin, groen, purper en blauw kunnen zijn. Een gestreepte blauwe variant wordt Blue John genoemd. Deze werd vroeger gebruikt om er ornamenten uit te snijden. Tegenwoordig wordt het meeste fluoriet gebruikt in hoogovens om de materialen gemakkelijker te laten smelten. Een deel van het fluoriet wordt gebruikt in bepaalde soorten tandpasta en in het drinkwater teneinde dit van fluor te voorzien.

fluoriet 4

FOSSIELEN
De meeste kennis omtrent het leven in vroeger tijden hebben we verkregen door het bestuderen van resten van planten en dieren, die in het gesteente bewaard zijn gebleven. Deze overblijfselen noemen we fossielen. Sommige fossielen zijn de werkelijke resten van wezens als bijvoorbeeld de dinosaurussen, de verschrikkelijke hagedissen. Andere zijn alleen maar afdrukken van de vorm van vergane planten of dieren die in de loop van de geschiedenis letterlijk in steen zijn veranderd. Versteende bossen zijn fossielen van deze soort. (versteend hout.) Bijna alle fossielen zijn afkomstig uit gesteente dat door afzetting is ontstaan. In gesteente dat door de warmte is gevormd, is elke plant of dier onmiddellijk verbrand. Enkele van de best bewaarde fossielen worden gevonden in kalksteen. Sommige soorten kalksteen, zoals koraal, zijn zelf samengesteld uit de kalkskeletten van oude, in zee levende wezens. Enkele van de meest voorkomende fossielen in kalksteen zijn de brachiopoden. In menige kalksteengroeve kunnen ze duidelijk worden waargenomen. Steenkool is een speciaal soort gesteente dat door afzetting is ontstaan en waarin we vaak de afdrukken vinden van bladeren van planten die miljoenen jaren geleden hebben gegroeid.

fossielen 2

fossielen

GALENIET
Galeniet bevat veruit het meeste lood. Heel vaak wordt het verontreinigd door waardevolle deeltjes zilver. Galeniet is heel zacht en zwaar. Het kan gemakkelijk in kleine kubusjes worden gebroken. Het heeft bijna dezelfde kleur als lood. Evenals vele andere metaalertsen is galeniet een sulfide.

galeniet

GEOLOGIE
Geologie is de wetenschap die zich bezighoudt met veranderingen in de aardkorst. Geologen zijn mensen die geologie beoefenen. Zij bestuderen de manier waarop de aarde zich heeft ontwikkeld, hoe de landmassa’s en de zeeën werden gevormd, en hoe de bergketenen en dalen ontstonden. Zij observeren hoe onder invloed van het weer sommige gesteenten uit elkaar worden geslagen en hoe uit de verschillende stukken steen weer nieuw gesteente wordt gevormd. Geologen bestuderen ook de aard en samenstelling van de gesteenten en mineralen die de aardkorst vormen. De studie van gesteenten wordt petrologie genoemd; de studie van mineralen mineralogie.

GESTEENTEN
Onder gesteenten worden alle materialen verstaan waaruit de aardkorst of buitenste laag van de aarde is samengesteld. Hiertoe behoren ook zachtere materialen als klei en zand. De studie van de gesteenten wordt petrologie genoemd. Gesteenten bestaan uit stoffen die een vaste chemische opbouw of samenstelling hebben. Deze stoffen noemt men mineralen. Sommige gesteenten, zoals krijt, bevatten slechts één mineraal. Andere, zoals bijvoorbeeld graniet, bevatten twee of meer mineralen. In heuvelachtige streken en aan zee zien we vaak stukken gesteente boven de grond uitsteken. Elders ligt het massieve gesteente onder de zachte bodem. Vaak kunnen we dit onder de grond liggend gesteente waarnemen als er nieuwe wegen door de heuvels worden aangelegd. Als we naar het blootgelegde gesteente kijken, kan het ons opvallen dat het uit een aantal lagen bestaat. Dit betekent dat het een van de voornaamste soorten gesteenten is, namelijk afzettingsgesteente. Dit gesteente is laag voor laag ontstaan uit materiaal uit rivieren en zeeën, dat zich jaren geleden heeft afgezet. Het is vooral interessant omdat het fossielen bevat; dat zijn overblijfselen van planten en dieren. De twee andere soorten gesteente zijn stollingsgesteenten en omzettingsgesteenten. Ze hebben geen duidelijk waarneembare lagen, zoals de afzettingsgesteenten. Stollingsgesteenten worden gevormd als het gesmolten materiaal binnen de aarde afkoelt aan of dicht bij de oppervlakte. Omzettingsgesteenten ontstaan als de stollings- en afzettingsgesteenten ten gevolge van hitte en druk opnieuw smelten en kristalliseren. De meeste stollings- en omzettingsgesteenten bevatten geen fossielen.

gesteentenGIPS
Naar alle waarschijnlijkheid hebben we al vaak een stukje gips in handen gehad, want het krijt waarmee op het bord wordt geschreven, is van gips gemaakt. Gips is net als krijt wit van kleur en tamelijk zacht. Als we ooit eens een arm of been hebben gebroken, hebben we gips ook in een andere vorm leren kennen, namelijk als gebrand gips. (Het branden van gips werd het eerst in Parijs gedaan; vandaar dat dit gips in het Engels nog steeds ‘plaster of Paris’ heet.) Dit wordt gebruikt voor het maken van gipsafgietsels van allerlei aard. Gips wordt ook gebruikt door bouwers om vele soorten pleisterwerk en muurbedekkingen te maken. ‘Plaster of Paris’ wordt gemaakt door het gips te verhitten. Als er water aan is toegevoegd, kan het in elke gewenste vorm worden gekneed, maar het droogt snel en wordt dan hard. Gips wordt gevonden in afzettingen die zijn gevormd door indamping van zeewater. Soms wordt gips in de vorm van grote heldere kristallen gevonden. Het wordt ook in vaste vorm gevonden; we noemen het dan albast, dat beeldhouwers vaak gebruiken om er standbeelden en ornamenten uit te houwen.

gips

GLIMMER
Het schitterende laagje sneeuw op kerstbomen en kerstkaarten en op sommige soorten fantasiebehang is een poedervorm van het mineraal mica (een soort glimmer). De meeste mica wordt gebruikt in de natuurlijke vorm, die bestaat uit transparante, vlokachtige plaatjes, die gemakkelijk uit elkaar kunnen worden gehaald. Micaplaat wordt veel toegepast bij elektrische installaties als isolatiemateriaal, dat is een stof die geen elektriciteit geleidt. Het is veruit het beste isolatiemateriaal dat er bestaat. De dunne micaplaatjes zijn zeer buigzaam en elastisch; ze kunnen in iedere gewenste vorm worden gebogen en nemen altijd hun oorspronkelijke vorm weer aan. Dikke micakristallen bestaan uit een veelvoud van deze plaatjes en worden vaak om deze reden ‘pakjes’ genoemd. Glimmer wordt alom gevonden in het koninkrijk van de
mineralen. Het vormt de glinsterende spikkeltjes in het graniet en de banden in gneis en glimmerschist. De meeste zakelijke toepassingen van glimmer zijn afkomstig van pegmatiet; dit is een vorm van graniet met enorm grote kristallen.

glimmer mica

GNEIS
Gneis is een gesteente waarin de mineralen zijn gerangschikt als vrij dikke, donkere en lichte banden. De voornaamste mineralen in het gneisgesteente zijn kwarts, veldspaat en glimmer, dezelfde mineralen die we ook in graniet vinden. Sommige gneisgesteenten zijn ook uit graniet gevormd. Door grote hitte en druk in de aarde worden de mineralen in het graniet in lagen samengedrukt en uitgerekt. Gneis is dan ook een gemetamorfoseerd gesteente. Als de mineraallagen dun zijn, wordt het gesteente schist genoemd. De mineralen zien er uit als vlokkige laagjes, die gemakkelijk van elkaar kunnen worden gescheiden. Glimmerschist is een schistsoort die grote aantallen dunne, glinsterende plaatjes glimmer bevat. Vele specimina van schist en gneisgesteenten zijn bezaaid met kleine, donkerrode granaatkristallen. Granaten zijn halfedelstenen.

gneis

GRAFIET
Het zwarte lood van potloden waarmee we schrijven, is geen echt lood, maar grafiet, vermengd met klei. Grafiet is een van de zachtste mineralen en voelt vet aan. Sommige machines worden er dan ook mee gesmeerd. Hoewel het er niet op lijkt, is grafiet qua samenstelling hetzelfde als diamant, de hardste substantie die we kennen. Grafiet en diamant zijn beide vormen van pure koolstof. De onderlinge verschillen ontstaan door de verschillende structuren van hun kristallen. Diamanten vormen sterke, transparante kristallen, terwijl grafiet kristalliseert in dunne, zwarte vlokjes. Grafiet wordt hoofdzakelijk gevonden in metamorf gesteente of omzettingsgesteente als gneis en schist. Van oorsprong is het waarschijnlijk afkomstig van plantaardige stoffen die in lagen gesteente werden opgesloten en door grote hitte en druk veranderden. Dit proces wordt metamorfose genoemd.

grafiet

GRANIET
Graniet is een van de bekendste gesteenten. Graniet is een bijzonder mooi gesteente, vooral als het gepolijst is. Daarom wordt het op grote schaal gebruikt voor de bouw van monumenten en voor façades van gebouwen. Graniet is tamelijk licht en heeft gekleurde spikkeltjes. Als we goed kijken, zien we dat de spikkeltjes eigenlijk bundels kleine kristallen zijn. De voornaamste kristallen in graniet zijn veldspaat, dat zowel wit als grijs of roze van kleur kan zijn, en doorzichtige kwarts. Kleine zwarte micaspikkeltjes die rondom de andere kristallen verspreid liggen, doen het graniet er fonkelend uitzien. Graniet is een stollingsgesteente. Het is een van de meest verbreide gesteenten op aarde. Het meeste van dit gesteente ligt diep onder het aardoppervlak, waar het werd gevormd toen het magma afkoelde.
Pegmatiet is een gesteente dat dezelfde soorten kristallen bevat als graniet, maar deze kristallen zijn veel groter.
Gabbro is een stollingsgesteente dat veel donkerder en zwaarder is dan graniet, doordat het vaak donkergroene mineralen bevat.

graniet

IJZERERTS
IJzer en staal zijn onze belangrijkste metalen. Er zijn elk jaar miljoenen tonnen ijzererts nodig om reusachtige hoogovens en staalfabrieken te bevoorraden. Gelukkig worden de verschillende ijzerertsen op vele plaatsen nog in grote hoeveelheden gevonden. De belangrijkste zijn hematiet, magnetiet, limoniet, alle soorten ijzeroxyde en de klapperstenen (sferosiderieten), die ijzercarbonaat bevatten. Hematiet is meestal bloedrood van kleur. De naam is afkomstig van het Griekse woord (haima) voor bloed. Soms wordt het gevonden in ronde, niervormige brokken en dan wordt het niererts genoemd. Vaak komt het voor in de vorm van grijze of zwarte, spiegelende kristallen. Magnetiet, het rijkste ijzererts, ziet er zwart en metaalachtig uit. Het is een krachtige, natuurlijke magneet, die stukken ijzer en staal kan aantrekken. Van magnetiet kunnen onder andere kompasnaalden worden gemaakt. Als gevolg hiervan wordt het mineraal ook wel zeilsteen genoemd. (Deze benaming dateert uit de tijd dat er alleen nog maar zeilschepen waren.) Limoniet is geelachtig bruin van kleur. Vaak wordt het gevonden in moerassen en ondiepe meren, en het wordt soms moeraserts genoemd. De geelbruine kleur van zand, klei en vele andere gesteenten wordt veroorzaakt door de vlekken van het limonieterts. Klappererts bestaat uit steenachtige massa’s die het carbonaatmineraal sideriet bevatten.

ijzer

magnetiet pyriet

KALKSTEEN
Kalksteen is een buitengewoon bruikbaar gesteente. Hiervan worden zeer grote hoeveelheden verpulverd en gebruikt voor het maken van cement, dat we nodig hebben voor het bouwen van huizen. Het wordt ook gebruikt in de ijzer– en staalindustrie om onzuiverheden uit de metalen te halen. Kalksteen is het meest bruikbaar als bouwsteen doordat het sterk is en gemakkelijk kan worden gehakt en bewerkt. Er zijn diverse soorten kalksteen, die in kleur variëren van helder wit tot vaalbruin. De zuiver witte vorm is meestal bekend als krijt. Alle kalksteensoorten bestaan bijna geheel uit één mineraal, calciet, of een mineraal dat er veel op lijkt, dolomiet. Als we een kalksteengebied bezoeken, zullen we zien dat het gesteente uit een aantal parallelle lagen bestaat. Het is een typisch voorbeeld van een afzettingsgesteente, dat ontstond doordat het materiaal zich laag voor laag opstapelde en werd samengedrukt. Deze lagen ontstaan op twee manieren. Water dat over calciethoudend gesteente stroomt, zal dit heel geleidelijk aan oplossen en met zich meevoeren, bijvoorbeeld naar een meer. Sommige waterdieren gebruiken deze opgeloste kalk bij het maken van hun harde schelp. Als deze dieren sterven, vallen de schelpen op de bodem van het meer en vormen daar een dikke laag. Soms droogt een meer op, en dan blijft er een laag opgeloste kalk achter, die op dezelfde wijze wordt gevormd als ketelsteen in een waterketel. Als we water koken, vormen de mineralen erin een laagje ketelsteen. In een kalksteengebied zullen we niet veel rivieren aan de oppervlakte zien. In plaats daarvan zijn er wel veel grotten, holen en ondergrondse rivieren, karstverschijnselen genaamd. Water slaat heel langzaam een deel van het gesteente weg, vergroot de gaten in het gesteente en verdwijnt onder de grond. In de onderaardse grotten bevinden zich enorme kalkuitsteeksels, die of uit het plafond komen (stalactieten) of uit de vloer steken (stalagmieten). Ze zijn ontstaan door het constante druppelen van water dat opgeloste kalk bevatte.

kalksteen

kalksteen 2

KLEI
De geoloog deelt klei in bij de steensoorten, omdat een groot deel van de aardkorst uit klei bestaat. Klei is echter niet zo hard en sterk als graniet. Het is zacht en week en bestaat uit heel fijne korreltjes, die losjes zijn samengepakt. Klei wordt wel ongeveer zo hard als steen als het wordt gebakken. Bakstenen, het meest gebruikte bouwmateriaal, worden op deze manier gemaakt. Dit bakken wordt doorgaans gedaan in een enorme oven. In sommige landen waar het weinig regent, worden huizen gebouwd van stenen die stro bevatten en door de zon zijn gedroogd. In Egypte is deze methode bijvoorbeeld duizenden jaren toegepast. De meeste kleisoorten zijn grijs, bruin of rood van kleur, maar de zuiverste klei is wit. Het wordt kaolien of porseleinaarde genoemd. Dit is de klei die wordt gebruikt voor het vervaardigen van mooi, glad papier en in de industrie bij het vervaardigen van verf, zeep, poeder en medicinale zalf. De meeste kleisoorten worden gevormd doordat bijvoorbeeld door weersinvloeden bepaalde stukken steen afbrokkelen. Porseleinaarde wordt gevormd doordat hete gassen vanuit het binnenste der aarde samen met graniet een chemische reactie ondergaan en dit ontbinden of afbreken.

KOPERERTS
Koper is een van de weinige metalen die in zuivere vorm in de bodem worden aangetroffen. (metalen.) Het meeste koper wordt echter gewonnen uit kopererts, een verbinding van koper met andere mineralen. Koper vormt een grotere groep mineralen dan enig ander metaal. Honderden soorten zijn ervan gevonden en vele ervan zijn bruikbare ertsen. Koper is een zeer bruikbaar metaal. Het kan op zichzelf worden gebruikt, maar ook in combinatie met andere metalen, in zogenaamde legeringen, zoals brons en geelkoper. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het maken van koperen draden, koperen pijpen, bronzen munten en koperen sieraden. In vele delen van de wereld bevinden zich kopermijnen. De belangrijkste producent is het Afrikaanse Kopergebied. Er zijn eveneens enorm grote mijnen in Canada en de Verenigde Staten. Het meest voorkomende kopererts is chalcopyriet of koperkies, dat zowel ijzer als kopersulfide bevat. Het heeft een prachtige, donkergele kleur, die net als een pauwenstaart alle kleuren van de regenboog laat zien. Daarom wordt chalcopyriet soms pauwenstaarterts genoemd. Soms wordt het verward met ijzerpyriet, dat er veel op lijkt. Beide mineralen zijn vaak voor goud aangezien en hebben daarom de naam het ’goud der dwazen’ gekregen. Chalcopyriet is bovendien een zwavelverbinding, maar het is zwart. Cupriet is een roodbruine zuurstofverbinding, die door zijn verschijningsvorm ook wel roodkoper wordt genoemd. De twee koperertsen met de mooiste kleuren zijn azuriet en malachiet, allebei koolstofverbindingen. Azuriet is mooi donkerblauw van kleur. Malachiet heeft een donkergroene kleur. De groene aanslag of patina, die men dikwijls ziet op koperen en bronzen beelden en sieraden, is een dun laagje malachiet.

koper 2

malachiet

KORUND
Men zou niet zo gauw denken dat een vurig rode robijn, een schitterend blauwe saffier en een slijpsteen veel met elkaar gemeen hebben, maar toch is dat zo. Het zijn alle drie verschillende vormen van het zeer harde mineraal korund, dat na diamant het hardste mineraal is. Robijn en saffier zijn zeldzame en waardevolle kristalvormen van korund.(edelsteen) Een slijpsteen wordt gemaakt van de gewone dofgrijze vorm van het mineraal. Korund is een uitstekend schuur- of slijpmateriaal, doordat het zo hard is. Soms wordt het gevonden, vermengd met het mineraal magnetiet, en dit mengsel wordt amaril genoemd. Gepoederd amaril wordt op papier en doek aangebracht om het bekende amarilpapier te maken, dat we gebruiken om metalen vlakken glad te maken.

korund

KRIJT
Krijt is een zuivere vorm van kalksteen, dat verblindend wit van kleur is als het pas is gedolven. Het is erg zacht en niet goed te gebruiken als bouwsteen. De meeste krijtafzettingen bevatten ronde brokken van een veel harder materiaal, genaamd vuursteen. Het krijt dat wordt gebruikt om op borden te schrijven, is helemaal geen echt krijt, maar een ander soort mineraal, namelijk gips.

krijt

KRISTALLEN
Als we heel goed naar gewoon tafelzout kijken, zullen we zien dat het bestaat uit een groot aantal kleine, fonkelende kubusjes of kristallen. Zout is een van de vele gewone mineralen die kristalliseren (kristallen vormen). Elk mineraal vormt een verschillend soort kristal. Sommige vormen kubusjes, zoals zout, andere zien er uit als hondentanden, zoals de kristallen van calciet; weer andere bestaan uit platte, vlokachtige kristallen, zoals mica. De kristallen kunnen kleurloos zijn én ongeacht welke kleur van de regenboog hebben. Sommige mineralen hebben altijd kristallen van dezelfde kleur, andere hebben kristallen in verschillende kleuren. Een van de meest voorkomende kristallen, kwarts, vormt roze, rokerig gele en bruine, gouden, violette en heldere kristallen. Niet voor niets worden kristallen dan ook wel de bloemen van het koninkrijk der mineralen genoemd. De meest opzienbarende voorbeelden van minerale kristallen zijn edelstenen als diamanten en robijnen. Halfedelstenen, als de gekleurde kwartskristallen, zijn eveneens waardevol door hun schoonheid. (edelstenen)

kristallen

 apatiet   fluoriet   goud   steenzout

KRYOLIET
Kryoliet is een boeiend en zeldzaam mineraal. De naam betekent bevroren steen. Als we een stukje in een glas water laten vallen, wordt het onzichtbaar. Dat komt doordat het de lichtstralen bijna op dezelfde wijze breekt als water, zodat het lijkt, althans in onze ogen, dat er alleen maar water in het glas zit. Een ander interessant feit omtrent kryoliet is dat het gemakkelijk smelt, zelfs in de vlam van een lucifer. Kryoliet wordt hoofdzakelijk gebruikt bij het vervaardigen van aluminium. Het wordt gebruikt om het aluminiumerts te ontbinden voordat het smelt. Kryoliet is zelf een bestanddeel van aluminium. Groenland is de enige plaats waar het in grote hoeveelheden wordt gevonden.

KWARTS
Kwarts is een van de meest voorkomende mineralen. Het is een van de voornaamste mineralen in de massieve granietgesteenten, waaruit een groot deel van de aardkorst bestaat. Zand en grind bestaan bijna helemaal uit kwarts. Kwartskristallen zijn bijzonder mooi. Ze zijn zeskantig en hebben puntige uiteinden, net als een potlood dat aan beide zijden is geslepen. Ze komen in een verbazingwekkende hoeveelheid verschillende kleuren voor en vele worden dan ook beschouwd als sier- of halfedelstenen. Ze zijn waardevol, omdat ze zowel hard als mooi zijn. De zuiverste vorm waarin kwarts voorkomt, is bergkristal, dat helemaal helder is. Het heeft bepaalde eigenschappen die het geschikt maken voor toepassingen in radio- en telefoonapparatuur. Kwartskristallen hebben allerlei verschillende tinten als ze kleine onzuiverheden bevatten. Een van de beste kwartsedelstenen is de amethist; deze edelsteen is prachtig violet van kleur; citrien heeft een goudachtige, donkergele kleur; roze kwarts is bleekroze van kleur; rookkwarts is bruinachtig zwart van kleur. De kristallen in enkele kwartssoorten hebben zich niet goed ontwikkeld, en daardoor worden de mineralen ondoorschijnend, dat betekent dat ze geen licht doorlaten. Mooie, ondoorschijnende vormen van kwarts zijn de agaat en de onyx, die beide veelkleurig gelaagd zijn. De agaat heeft grillige banden in fijne kleurnuances. De onyx heeft strakke banden in slechts enkele kleuren.

kwarts amethist agaat jaspis

 

LAGEN
Het meest kenmerkende van afzettingsgesteenten is dat ze zijn opgebouwd uit een aantal lagen. Toen de lagen werden gevormd op de bodem van een rivier of de zee, lagen ze min of meer horizontaal op elkaar. Heden ten dage zijn de lagen in sommige kalkrotsen nog horizontaal, maar vele afzettingsgesteenten zijn door plooiingen van de aardkorst weggeduwd en ondersteboven gekeerd. De lagen hebben bepaalde glooiingen, die we ook wel hellingen noemen. Sommige lagen zijn zelfs verticaal. Vele zijn in zachthellende bochten gebogen, die over het algemeen plooien worden genoemd. Het komt ook wel voor dat de lagen niet zijn gebogen, maar dat ze in verticale richting zijn verschoven. Deze verandering in de lagen wordt breuk genoemd.

gesteente lagen

 

LAVA
Lava is het gesmolten gesteente dat uit vulkanen wordt gestoten als deze tot uitbarsting komen. Een snel bewegende stroom van rode, hete lava is een van de opmerkelijkste schouwspelen die de natuur heeft te bieden. Het kan echter ook buitengewoon gevaarlijk zijn. De oude Romeinse stad Pompeji werd door de lavastromen uit de Vesuvius geheel overspoeld en vernietigd. Als de lava afkoelt, vormt ze een groot aantal verschillende stollingsgesteenten. Het soort gesteente dat wordt gevormd, is afhankelijk van de snelheid waarmee de lava afkoelt. Het glasachtige obsidiaan (ook wel vulkanisch glas genoemd), het poreuze puimsteen en basalt zijn bijvooorbeeld stollingsgesteenten. Gesmolten gesteente dat niet aan de oppervlakte is gekomen, laat andere soorten stollingsgesteente ontstaan, waaronder graniet.

vulkaan

LEISTEEN
Onder bepaalde omstandigheden worden kleilagen samengeperst. Ze vormen dan een stevig soort gesteente dat kleischalie wordt genoemd. Een belangrijk soort kleischalie wordt oliekleischalie genoemd. Het wordt zo genoemd omdat het vol olie zit. De olie kan er door verhitting gemakkelijk uit worden gehaald en als brandstof worden gebruikt. Kleischalie is een veel voorkomend soort afzettingsgesteente. Sommige huizen hebben daken die bedekt zijn met dunne lagen leisteen. Een schoolbord kan eveneens van leisteen zijn gemaakt. Leisteen is een omzettingsgesteente, dat wordt gevormd uit kleischalie dat onder grote druk heeft gestaan. Door die druk treedt een nieuwe gelaagdheid op, waarlangs het gesteente makkelijk splijt in dunne, parallel liggende platen. De leisteenplaten kunnen gekleurde strepen overdwars hebben. Deze tonen hoe het leisteen door opeenvolgende lagen klei werd gevormd, voordat het werd samengedrukt tot leisteen. De klei zelf kan afkomstig zijn van verschillende bronnen, want het water heeft deze klei van oudere gesteenten weggespoeld. Verschillende gesteenten produceren klei in een grote verscheidenheid van kleuren, en daarom is het mogelijk dat sommige soorten leisteen rood, groen of purper van kleur zijn, hoewel het meestal grijs of zwart is.

lei

MARMER
Marmer is een van de mooiste gesteenten. De oude Grieken en Romeinen hieuwen hun standbeelden uit marmer en bouwden er hun prachtige tempels van, en het is nog steeds een geliefkoosd materiaal voor de kunstenaar en de architect. Marmer ontstaat doordat kalksteen door hitte en druk binnen in de aarde verandert. Daarom is het een omzettingsgesteente. De zachte, kalkachtige deeltjes van het mineraal calciet in het kalksteen zijn veranderd in grote kristallen in het marmer. Dit geeft aan marmer de glans. Door de druk is marmer hard geworden en is het gevrijwaard van gebreken of scheuren. Daarom kan het goed worden gepolijst. Het mooiste marmer is helder wit van kleur. Een van de mooiste soorten is Carraramarmer uit Italië. De rokerige sporen en aantrekkelijk gekleurde krullen in de meeste algemene soorten marmer zijn ontstaan door verontreinigingen die aanwezig waren in het originele kalksteen. Sommige zogenaamde marmersoorten zijn eigenlijk kalksteensoorten die heel goed zijn gepolijst.

marmer

METALEN
Slechts een paar metaalsoorten worden in de metaalvorm zoals wij ze kennen in de aardkorst gevonden. Ze worden zuivere metalen genoemd. Bij deze categorie horen goud, zilver, koper en platina. Deze metalen kunnen in hun zuivere vorm worden gevonden doordat ze niet reageren op of een combinatie vormen met andere chemische elementen. De meeste metalen, zoals ijzer en aluminium, reageren gemakkelijk op andere stoffen, bijvoorbeeld zuurstof, en vormen daarmee verbindingen. We vinden ze dus in de bodem als verbindingen. Het mineraal hematiet bijvoorbeeld bestaat uit een verbinding van ijzer en zuurstof. Het wordt een ijzererts genoemd, omdat het metaal eruit kan worden gehaald. Zowel de natuurlijke metalen als de ertsen staan bekend als metallieke mineralen. Goud, zilver en platina staan bekend als edelmetalen, omdat ze zeldzaam zijn en derhalve kostbaar. Ze worden vaak gebruikt voor het maken van sieraden. Goud bijvoorbeeld kan tot heel dunne blaadjes worden geplet, die als versiering kunnen dienen. Veel goud en platina wordt in
stroom- beddingen gedolven; het zand hierin wordt goudhoudend zand genoemd. (vruchtbare lagen) Het meeste zilver wordt niet als een zuiver metaal gevonden, maar gecombineerd met zwavel in het erts argentiet. De meeste kopersoorten worden eveneens verkregen uit zwavelverbindingen, zoals koperkies. Koper wordt gebruikt voor het maken van munten, vaten, sieraden en draad voor elektrische installaties.

metalen


METEORIET
De meeste gesteenten werden diep in de aarde gevormd, maar sommige zijn tot ons gekomen uit de ruimte. Deze gesteenten worden meteorieten genoemd, omdat het de overblijfselen zijn van meteoren, ook wel vallende sterren genaamd. Meteorieten zijn zeer zeldzaam; doordat de meeste meteoren nogal klein zijn, verbranden ze als ze met hoge snelheid in de dampkring komen. Er zijn twee belangrijke meteorietsoorten. Steenmeteorieten zijn gelijk aan zware gesteenten op aarde. IJzermeteorieten bevatten hoofdzakelijk een metaalmengsel, ook wel legering genoemd, dat bestaat uit ijzer en nikkel.

meteoriet

MINERALEN
De aardkorst is samengesteld uit verschillende soorten gesteenten. De gesteenten zelf zijn samengesteld uit een verzameling substanties die we mineralen noemen. Mineralen zijn samengesteld uit bepaalde chemische basiseenheden, die we elementen noemen. Het bekende mineraal kwarts bijvoorbeeld bestaat uit een bepaalde hoeveelheid van het element silicium en een bepaalde hoeveelheid van het element zuurstof. In kwarts komen beide elementen altijd in dezelfde verhouding voor. Sommige mineralen zijn opgebouwd uit slechts één element. Deze worden vaak natuurlijke elementen genoemd. Het zijn de metalen goud, zilver, koperen platina, en de niet-metalen grafiet en diamant; deze laatste twee zijn allebei vormen van het element koolstof. De meeste mineralen bestaan uit twee of meer elementen. Vaak wordt een metalliek element zoals ijzer gecombineerd met een element dat niet metalliek is, zoals zuurstof of zwavel. Mineralen die verbindingen vormen met metaal en zuurstof komen veel voor. Ze worden oxyden genoemd. Mineralen die metalen gecombineerd met zwavel bevatten, worden sulfiden genoemd. Deze komen eveneens veel voor. IJzeroxyden en -sulfiden worden bijvoorbeeld over de gehele wereld gevonden. Metallieke elementen kunnen ook verbindingen aangaan met groepen andere elementen om mineralen te vormen. De bekendste groepen zijn die van de silicaten en carbonaten. Silicaten bevatten silicium, gecombineerd met zuurstof. Kleisoorten zijn ingewikkelde aluminiumsilicaten. Carbonaten bevatten koolstof, gecombineerd met zuurstof. Het gewone krijt en kalksteen zijn vormen van calciumcarbonaat. Zuurstof is het meest voorkomende element in de aardkorst. Het op één na meest voorkomende element is silicium. Vele mineralen die metallieke elementen bevatten, kunnen op dusdanige wijze worden behandeld, dat het zuivere metaal er kan worden uitgehaald. Deze mineralen worden ertsen genoemd. Ze zijn erg belangrijk doordat we voor het maken van gebruiksvoorwerpen voornamelijk aangewezen zijn op deze ertsen. Een groot aantal mineralen kan worden gevonden in prachtige kristallen, die een veelvoud van vormen en maten hebben. De hardste en zeldzaamste kristallen worden gebruikt voor het maken van juwelen. Ze staan bekend onder de naam edelstenen. De diamant, die bekend staat als de hardste substantie, is de kostbaarste edelsteen. De hardheid van een mineraal en de vorm van de kristallen kunnen vaak hulpmiddelen zijn bij de indentificatie van het mineraal. Andere hulpmiddelen ter herkenning van een mineraal zijn de kleur, de glans, het uiterlijk en het soortelijk gewicht.

mineralen

zwavel

OBSIDIAAN
Obsidiaan of vulkanisch glas is een natuurlijk glas, dat ontstaat als de lava uit een vulkaan snel afkoelt. Het meeste obsidiaan is gitzwart. Het is hard en breekt in scherpe stukjes. Daarom gebruikten de mensen het vroeger voor de vervaardiging van gereedschappen en wapens. Obsidiaan is een van de stollingsgesteenten. Het is een gestolde vloeistof, net als glas. Dezelfde stof kan in de vorm van kristallen in graniet worden gevonden.

obsidiaan

OMZETTINGSGESTEENTEN OF METAMORFE GESTEENTEN
De gesteenten die samen de aardkorst vormen, veranderen steeds. Sommige gesteenten worden veranderd doordat ze in contact komen met gesmolten gesteente, andere veranderen door de grote hitte en druk, veroorzaakt door bewegingen in de aardkorst. Gesteenten die op een van deze manieren zijn veranderd, worden omzettingsgesteenten of metamorfe gesteenten genoemd. Metamorf betekent: van gedaante verwisseld. De twee andere soorten gesteenten — stollingsgesteenten en afzettingsgesteenten — kunnen veranderingen ondergaan en omzettingsgesteenten worden. Op die manier wordt het gespikkelde stollingsgesteente graniet, een gesteente dat opgebouwd schijnt te zijn uit laagjes gneis, en het doffe afzettingsgesteente kalksteen wordt een glanzend marmer. De veranderingen in het uiterlijk worden veroorzaakt door de hergroepering en nieuwe groei van de minerale kristallen in de gesteenten. Soms kunnen door veranderingen geheel nieuwe kristallen ontstaan. In omzettingsgesteenten worden maar weinig fossielen gevonden doordat deze meestal worden vernietigd door de grote hitte en druk.

omzettingsgesteente

PUIMSTEEN
Waarschijnlijk hebben we thuis wel een stukje van dit gesteente. Het wordt gebruikt om harde stukjes huid of vlekken van handen te verwijderen. Puimsteen is een grijs, glasachtig schuim. Het zit zo vol met luchtbellen, dat het op water blijft drijven. Puimsteen is een stollingsgesteente, dat ontstaat als gesmolten lava uit een vulkaan snel afkoelt. Hete gassen in de lava banen zich met geweld een weg en laten de lava opzwellen tot een stevige schuimmassa.

puimsteen

PYRIET
Pyriet is een van de mineralen die per vergissing vaak voor goud worden aangezien doordat het er zo koperachtig-geel uit ziet. Daarom wordt het ook ’goud der dwazen’ genoemd. In feite is het een heel gewoon mineraal, dat ijzer en zwavel bevat. Het bevat te veel zwavel om als ijzererts gebruikt te kunnen worden, maar het is wel waardevol als zwavel leverancier. Vele pyrietlagen zijn ook rijk aan koper en goud. Het woord pyriet betekent vuur. Deze naam is aan het mineraal gegeven, omdat er vonken af vliegen als er met een hamer op wordt geslagen.

pyriet 2

SILICIUM
Silicium is een van de chemische elementen die we de bouwstenen der natuur kunnen noemen. Met uitzondering van zuurstof komt het element silicium het meest in de aardbodem voor. Het wordt nooit alleen gevonden, maar steeds in combinatie met andere elementen, bijna altijd met zuurstof. De eenvoudige combinatie van silicium met zuurstof doet het gewone mineraal kwarts ontstaan. Zand, kwartskristallen en vuursteen zijn alle verschillende vormen van dit mineraal. Mineralen die nog veelvuldiger voorkomen dan kwarts, zijn de ingewikkelde silicaten. In deze mineralen wordt kwarts niet alleen verbonden met zuurstof, maar tevens met een of meer metallieke elementen. Deze elementen zijn onder andere aluminium, ijzer, calcium, natrium en kalium. Het meest voorkomende silicaat is veldspaat, dat wordt gevonden in de meeste oorspronkelijke stollingsgesteenten, zoals graniet. Andere veel voorkomende silicaten zijn klei en mica. Kwarts wordt gebruikt bij de vervaardiging van glas. Het wordt gemaakt door vermenging van zuiver zand, verbrijzelde stukjes kwarts of gebroken vuurstenen met kalk en potas (die verkregen is uit zout) in een zeer hete oven.

toermalijnsilicium toermalijn

STALACTIETEN EN STALAGMIETEN
De meeste kalksteenplateaus bevatten reusachtige grotten, die zijn uitgehold door ondergrondse rivieren. Het eerste dat ons opvalt bij het binnentreden van die grotten zijn de reusachtige ‘ijspegels’ van steen die vanaf het plafond naar beneden hangen, en de steenkolommen die vanuit de vloer omhoogrijzen. Deze ‘ijspegels’ worden stalactieten genoemd, en de kolommen stalagmieten. Deze zijn ontstaan door het constante druppelen van het water uit de bovenkant van de grot. Het water bevat tamelijk veel kalkspaat doordat het over het gesteente stroomt. Elke keer dat er een druppel valt, wordt er boven in de grot een klein beetje kalkspaat afgezet. Waar het water valt, komt ook kalkspaat terecht. Na vele jaren groeien deze kalkafzettingen uit tot stalactieten en stalagmieten.

stalactieten

STEENKOOL
De harde, zwarte steenkool die we in onze kachels stoken is een speciale steensoort. De meeste steensoorten worden gevormd van materie die uit het binnenste van de aarde zelf afkomstig is, ofwel anorganische materie. Maar steenkool is een gesteente dat is ontstaan door rottende planten, dus van organische materie. Het wordt in lagen gevonden in bepaalde door bezinking ontstane gesteenten, en wordt zelf ook als zodanig beschouwd. Het wordt ook vaak een mineraal genoemd. Steenkool was tot voor enkele jaren een zeer belangrijk product. We stookten het in kachels, en in krachtcentrales werd steenkool gebruikt om elektriciteit op te wekken. Gasfabrieken verbrandden het om gas en cokes te produceren. Fabrieken vervaardigden een grote hoeveelheid chemicaliën uit steenkool, waaronder aspirine, plastic en verfstoffen, en zo waren er nog honderden andere gebruiksmogelijkheden. Het gebruik van steenkool voor al deze doeleinden is thans een aflopende zaak. De laatste tijd gaat men hoe langer hoe meer over van steenkool op aardgas en aardolie, die precies dezelfde mogelijkheden bieden als steenkool. Driehonderd miljoen jaar geleden waren delen van de aarde bedekt met moerassen en reusachtige planten. Varens werden net zo hoog als bomen nu. Als de planten doodgingen, vielen ze op de bodem van het moeras en begonnen te rotten. Lagen modder kwamen daar bovenop te liggen. Meer planten groeiden, rotten weg en werden begraven onder de modder. In de loop der jaren veranderde de modder in gesteenten en de lagen verrotte planten werden steenkoollagen. Als we een stukje steenkool van dichtbij bekijken, zien we vaak de fossielen van de bladeren van reusachtige varens.

steenkool

steenkool 2

STEENKOOL DELVEN
Het delven van steenkool — het opgraven van de steenkool uit de bodem — was tot voor kort een belangrijke tak van industrie. Soms wordt steenkool aan de oppervlakte gedolven, maar meestal wordt dat onder de grond gedaan. De belangrijkste steenkoolsoorten zijn bruinkool of ligniet, vetkool en antraciet. Ligniet is zacht en dof. Bitumineuze kool is gedeeltelijk glanzend, maar sommige stukjes zijn dof. Antraciet is heel hard en glanzend.

STEENZOUT
Het meeste tafelzout is afkomstig van enorme lagen steenzout. Deze lagen bestaan bijna geheel uit het mineraal haliet. Deze mineralen werden miljoenen jaren geleden gevormd door indamping van vroegere zeeën. Dus steenzout is inderdaad een afzettingsgesteente. Zout wordt bijvoorbeeld gebruikt bij het koken om de smaak van bepaalde spijzen te verbeteren en als conserveringsmiddel. Om gezond te blijven moeten we op z’n minst 10 pond zout per jaar eten. Deze hoeveelheid krijgen we via ons voedsel automatisch naar binnen. Het meeste zout wordt gebruikt in de industrie voor het vervaardigen van een groot aantal verschillende soorten chemicaliën, zoals soda (dat gebruikt wordt voor het maken van glas) en chloor (voor het reinigen van water). Steenzout bestaat uit een stevige, glimmende massa, die wit van kleur kan zijn, maar normaal geel, bruin of rood is. Het ziet er totaal anders uit dan het mooie, zuivere, witte zout dat we op tafel hebben staan. Het meeste steenzout wordt gewonnen door water in de lagen te pompen. Het zout lost in het water op en vormt pekel, die wordt teruggepompt naar de oppervlakte. Sommige zoutsoorten worden echter diep onder de grond met machines gedolven.

STOLLINGSGESTEENTE
Diep binnen in de aarde ligt gesmolten gesteente, dat magma wordt genoemd. Het koelt af zodra het dicht bij of aan de oppervlakte komt en vormt dan een soort gesteente dat we stollingsgesteente noemen. Er zijn drie soorten stollingsgesteente, namelijk dieptegesteente, ganggesteente en
uitvloeiingsgesteente. Toen de aarde afkoelde, was stollingsgesteente het eerste gesteente dat ontstond uit de gesmolten massa. Het stollingsgesteente dat wordt gevormd uit het magma dat aan de oppervlakte komt (uitvloeiingsgesteente), is een ander soort gesteente dan wat zich onder de grond vormt (dieptegesteente of ganggesteente). Magma baant zich met geweld een weg uit de bodem door de kraters van vulkanen; in deze vorm is het bekend onder de naam lava. De lava die snel afkoelt, vormt een soort natuurlijk glas, dat obsidiaan (lavaglas) wordt genoemd, of een grijsachtig gesteente met luchtbellen, dat puimsteen wordt genoemd. Als de lava wat geleidelijker afkoelt, bevat het gesteente dat daaruit wordt gevormd mooie kristalmineralen. Basalt is bijvoorbeeld zo’n soort gesteente. Magma dat ondergronds blijft, baant zich met geweld een weg in ander gesteente, voordat het afkoelt. Het stollingsgesteente dat op deze wijze wordt gevormd, koelt heel langzaam af. Het wordt dieptegesteente genoemd. De mineralen die ze bevatten, hebben voordat het gesteente hard wordt, voldoende tijd uit te groeien tot grote kristallen. Deze kristallen zijn zeer goed met het blote oog waarneembaar. Graniet is een van de bekendste stollingsgesteenten van deze soort. Oplossingen van mineralen bewegen zich met het magma onder de grond voort. Als het magma is afgekoeld en hard is geworden, dringt de oplossing door spleten in de omliggende rotsen en laat rijke, minerale aders achter. Dit stollingsgesteente wordt ganggesteente genoemd. Deze aders voorzien ons van vele van de meest waardevolle ertsgangen, onder andere die van goud, zilver en lood.

stollingsgesteente

stollingsgessteente 2

goud

TALK
Met dit mineraal komen we al op zeer jeugdige leeftijd in contact, namelijk in de vorm van talkpoeder. Het is ideaal voor de babyhuid doordat het een van de zachtste mineralen is. Slechts een klein deel van de talkproductie wordt als babypoeder gebruikt. Zeer grote hoeveelheden talk worden gebruikt bij het maken van aardewerk, verf en papier. Door de grote zachtheid van talk voelt het enigszins vettig aan. Daarom wordt talk in vaste vorm vaak speksteen genoemd. Kleermakers gebruiken kleine stukjes speksteen voor het aanbrengen van krijtstrepen op kledingstukken. Ze noemen het Spaans krijt.

talk

VELDSPAAT
Veldspaat is de meest voorkomende en wijdverbreidste van alle mineralen. Verscheidene soorten veldspaat worden gevonden in de vorm van kristallen in graniet en andere stollingsgesteenten. De kristallen kunnen wit, roze, groen of blauw van kleur zijn. Grote hoeveelheden veldspaat worden gebruikt voor de fabricage van serviesgoed en glas. Veldspaat wordt gedolven uit lagen pegmatiet, dat een vorm van graniet is en grote kristallen bevat. Veldspaten zijn de meest voorkomende silicaatmineralen. Onder invloed van het weer vallen ze uit elkaar en vormen daarna een aantal kleisoorten, waaronder de zeer bruikbare kaollen of porseleinaarde.

veldspaat

 

VERSTEEND HOUT
In het noordelijk deel van Arizona in de Verenigde Staten kunnen we iets aantreffen dat lijkt op een groot bos gevelde bomen, maar als we de boomstronken aanraken, ontdekken we dat ze van steen zijn in plaats van hout. Het hout is versteend, veranderd in steen (men zegt ook wel gepetrificeerd). Dergelijke versteende wouden vinden we ook in andere delen van de wereld. De boomstronken veranderden in steen, nadat ze miljoenen jaren geleden werden bedolven onder lagen modder en zand. Water dat veel kiezelzuur (silicium) bevatte, sijpelde in de boomstronken en langzamerhand namen de mineralen de plaats van het rottend hout in. Na verloop van tijd werd de hele structuur van het hout vervangen en veranderd in steen.

versteend hout

VRUCHTBARE LAGEN
Vruchtbare lagen — lagen met zware mineralen — worden gevonden in rivierbeddingen of aan de kust. Gesteenten brokkelen af door de stroom of branding. De afgebrokkelde deeltjes worden weggespoeld door het water. De zware mineralen zinken eerder dan de lichtere en vormen langzamerhand een laag. Vaak worden in rivieren of aan de kust lagen edelstenen en kostbare metalen gevonden.

gesteente lagen 2

VUURSTEEN
Vuursteen kan men in de vorm van ronde en boomstamachtige brokken in de meeste krijtgroeven vinden, maar het ziet er heel anders uit dan krijt en is ook heel anders van samenstelling. Vuursteen is zwart of grijs van kleur en is een vorm van het gewone kiezelzuur. Net als krijt is vuursteen afkomstig van de resten van kleine zeediertjes. Vuursteen is heel hard. Als erop wordt geslagen, splijt het niet, maar springen er vlijmscherpe schilfers af. In het prehistorisch tijdperk hebben de mensen duizenden jaren lang vuursteen gebruikt om er wapens en gereedschappen (tondeldoos) van te maken. In de meeste musea zijn hiervan mooie voorbeelden te vinden. Tegenwoordig wordt vuursteen hoofdzakelijk gebruikt bij de wegenbouw.

vuursteen

ZAND
Zand is een veel voorkomend en zeer bruikbaar materiaal. We gebruiken het bijvoorbeeld bij de vervaardiging van glas en beton. Zand wordt langs de meeste kuststroken gevonden. Het voortdurend gebeuk van de golven tast de gesteenten die de kustlijn vormen aan. Het vermaalt de gesteenten in steeds kleinere stukjes, totdat ze uiteindelijk zandkorrels zijn geworden. Als het zand opdroogt, wordt het gemakkelijk door de wind weggeblazen, waardoor duinvorming optreedt. De duinen bewegen zich langzaam golvend landinwaarts. Ze zijn in staat rivieren te dempen en gebouwen te bedelven. In grote zandwoestijnen zijn de duinen steeds in beweging. Als er een sterke wind staat, kunnen verblindende zandstormen optreden. Zand kan een groot aantal mineralen bevatten; dit is afhankelijk van het soort gesteente waaruit het is ontstaan. Het meest voorkomende mineraal in zand is kwarts. Gewoon zand is geelachtig bruin van kleur. Zwart zand is afkomstig van stollingsgesteente. Evenals bij klei gaan zandkorrels op den duur aan elkaar vastzitten en vormen zo een hard, gelaagd gesteente ofwel afzettingsgesteente. Dit gesteente wordt zandsteen genoemd. Het kan verschillende kleuren hebben, die variëren van wit tot geel en rood. De roodachtige kleur wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van ijzer. Als gevolg van grote hitte en druk verandert zandsteen in een ander soort gesteente, dat kwartsiet wordt genoemd. Dit is een van de hardste en taaiste soorten gesteente.

zand

 

ZINKBLENDE
Zinkblende is het voornaamste zinkerts. Vaak wordt het sfaleriet genoemd. Zowel de woorden blende als sfaleriet betekenen misleidend of verraderlijk. Het mineraal wordt zo genoemd omdat het moeilijk te herkennen is en omdat het op waardevollere mineralen als bijvoorbeeld galeniet kan lijken; dit laatste mineraal is een rijke bron van lood en zilver. Het kan bijna wit, goudachtig en zelfs groen van kleur zijn, maar over het algemeen is het bruin of zwart. Evenals galeniet is zinkblende een zwavelhoudend erts.

zinkblende

ZWAVEL
Zwavel is een geel mineraal; het is een van de chemische elementen die de fundamentele bouwstenen van de natuur zijn. Het is een ongewoon mineraal doordat het smelt bij een temperatuur die net boven het kookpunt van water ligt. Het is tevens brandbaar. Als het brandt, laat het verstikkende zwaveldampen vrij. Dit zijn de dampen die we ruiken als we in de buurt van een vulkaan komen. Zwavel is dan ook aanwezig in en rondom de gesteenten die we bij vulkanen vinden, vaak in de vorm van prachtige kristallen. Zwavel is een van de meest waardevolle ruwe materialen voor de chemische industrie. Het wordt eerst verwerkt tot zwavelzuur, en daarna worden er vele producten van gemaakt, waaronder een groot aantal soorten kunstmest. Zwavel zelf wordt gebruikt voor het verharden of vulcaniseren van rubber dat voor banden wordt gebruikt. Het wordt tevens gebruikt voor het vervaardigen van buskruit. Zwavel gaat een verbinding aan met metalen; dit levert samenstellingen op die we sulfiden noemen. Pyriet is het meest voorkomende zwavelhoudende erts. Vele waardevolle ertsen zijn sulfiden. Galeniet (looderts), zinkblende (zinkerts), chalcopyriet (kopererts) en cinnaber (kwikerts) zijn alle sulfiden.

zwavel 2

Hulpmiddelen om mineralen te identificeren

HARDHEID
Een hulpmiddel voor het herkennen van een mineraal is het bepalen van zijn hardheid. De Duitse delfstofkundige Friedrich Mohs heeft een schaal opgesteld waarin bekende mineralen in volgorde van hun hardheid zijn gerangschikt. Hij rangschikte talk, dat een van de zachtste mineralen is, als nummer 1 en diamant — het hardste mineraal — als nummer 10. Alle andere mineralen zijn in volgorde van hardheid in deze schaal opgenomen.

1.Talk
Kan met een vingernagel worden ingedrukt.

2.Gips
Kan met een vingernagel worden ingekrast.

3.Calcium
Kan met een koperen munt of draadnagel worden ingekrast.

4.Fluoriet
Kan met glas worden ingekrast.

5.Apatiet
Kan met een lemmet van een gewoon zakmes worden ingekrast.

6.Veldspaat
Kan met kwarts worden ingekrast.

7.Kwarts
Kan met een harde stalen vijl worden ingekrast.

8.Topaas
Kan met korund worden ingekrast.

9.Korund (smaragd, robijn, saffier)

10.Diamant

Elk mineraal in deze schaal kan het mineraal dat lager is gerangschikt bekrassen. Kwarts (nr. 7) bijvoorbeeld kan veldspaat (nr. 6) bekrassen en kan bekrast worden door topaas (nr. 8). Mineralen die even hard zijn, kunnen elkaar bekrassen. We kunnen de positie van een mineraal in deze schaal bepalen door te proberen of het mineraal bekrast kan worden door een materiaal waarvan de hardheid bekend is. Dit wordt vaak de krastest genoemd. Als we mineralen in het vrije veld gaan verzamelen, zou het nogal lastig (en duur) zijn de tien mineralen die in de schaal zijn opgenomen mee te nemen om op deze wijze de gevonden exemplaren te bekrassen. We kunnen dit dan beter doen met een paar eenvoudige dingen waarvan we de hardheid weten:

Vingernagel 2½
Koperen munt 3½
Lemmet van een mes, glas 5½
Harde stalen vijl 7½

Als we hiervan uitgaan, zien we dat mineralen die een hardheid van minder dan 5½ hebben, kunnen worden bekrast door een mes en dat mineralen met een hardheid van meer dan 5½ glas kunnen bekrassen.

GLANS
De wijze waarop licht door metaal wordt gereflecteerd, wordt de glans van het mineraal genoemd. Deze eigenschap kan van groot nut zijn bij het herkennen van mineralen, die we kunnen verdelen in twee groepen: Mineralen met een metaalglans en mineralen zonder metaalglans. Mineralen met een metaalglans zien er uit als metaal. Galeniet en pyriet zijn twee van de vele ertsen die een metaalglans hebben. Er zijn verscheidene soorten glanzen, zoals de glasglans (kwarts), parelmoerglans (glimmer), vetglans (kwartsiet) en zijdeglans (asbest). De meest voorkomende is de glasachtige glans van kwarts en vele andere mineralen. Mica en andere mineralen die uit elkaar splijten tot dunne, parallelle lagen, hebben een glans die op die van parels lijkt. Deze glans bepaalt het bekende regenboogachtige uiterlijk van een parel, die is opgebouwd uit dunne laagjes. Sommige mineralen, zoals asbest en bepaalde soorten gips, zijn van dunne vezels gemaakt. Hun glans ziet er zijdeachtig uit. Sommige loodmineralen hebben de schitterende glans van diamanten, die adamanten wordt genoemd. Sulfaat en zinkblende hebben een glans die harsachtig wordt genoemd; deze glans is net als die van hars van pijnbomen.

HET TESTEN VAN KOOLSTOFVERBINDINGEN
Koolstofverbindingen zijn de meest voorkomende mineralen. Krijt en kalk bijvoorbeeld bestaan hoofdzakelijk uit calciet; dit is een calciumcarbonaat. De meeste carbonaten zijn gemakkelijk te herkennen doordat ze sissen of gaan bruisen als er een zuur overheen wordt gegoten. Het zuur dat meestal door geologen wordt gebruikt, is verdund zoutzuur. Maar meestal kan men met gewone huishoudazijn, eigenlijk een zwak zuur, dezelfde resultaten bereiken. De reactie van het carbonaat zal sneller zijn als we met een mes van het gevonden exemplaar een beetje poeder afkrabben en dit testen.

VORMEN

mineraalvormen

mineralogie: alle artikelen

6e klas: alle artikelen

839

 

VRIJESCHOOL – Mineralogie – 6e klas – alle artikelen

.

(1)  bergen; gesteenten: graniet, kalk; vulkaan

(2) afbeeldingen van mineralen bv. voor een bordtekening, met een kleine beschrijving

(3) de meest voorkomende begrippen; alle mogelijke onderwerpen; veel geschikte illustraties voor bordtekening

(4) schets van tegenstelling Alpen en Dolomieten

(5) Periode mineralogie – een impressie

(6) Stenen slijpen kan heel fijn zijn, maar vergt een goede voorbereiding. Dit artikeltje is om in de stemming te komen

 

 

 

 

 

 

 

 

.